11Des nachts hielden zij aan een hoeve stil waar zij tot den ochtend wachten moesten, en zagen ver weg glorend het schijnsel der vuren van het keizerlijk kamp. De man, die voor hen opendeed was norsch eerst, maar Tamalone gaf hem geld en zoo werden zij binnen gelaten.Toen zij ontwaakten was het een schoone dag, de warme zon scheen aan den hemel en in de witte meiboomen, die voor het landhuis stonden, kweelden vele vogelen. Mevena wachtte buiten reeds vroeg op haar vriend om naar het kamp te rijden, doch hij scheen verstrooid van zin, hij draalde zoo lang en antwoordde zelden. Eindelijk echter steeg hij in het zadel, zijn handen en zijn borst flonkerden van juweelenen goud, zóó dat zij even verbaasd tot hem opzag, maar dan reden zij op een drafje voort. In de verte rees hoog in den hemel de geweldige burcht, zij wezen elkander de vonkjes der blinkende helmen die op de wallen bewogen. Vóór hen, den heuvel op, stonden tenten rij aan rij waartusschen zeer vele mannen en paarden wemelden en hier en daar zich een hooge stormtoren hief.Zij spraken geen van beide. Wel hield Tamalone zijn hoofd rechtop, want hij vertrouwde dat in den nood de fortuin hem redden zou, maar nu was het de dag, dat hij Mevena voor ’t laatst zou zien, zoodat al meer en meer in zijn hart de donkere weemoed zwol. Maar hij zat bedaard in het zadel. Bij de eerste krijgslieden die zij naderden, hield hij stil en vroeg een hoofdman waar heer Rogier was. En toen zag hij eensklaps dat het met hem gedaan was, zijn rijke kleedij zou hem niet meer baten, want hij had een ruiter zien komen, Montefeltre, die een aanzienlijk edelman was en hem eens ter dood had veroordeeld—die zou hem zeker herkennen. De ruiter keek naar hem terwijlhij met den hoofdman praatte; rondom hem in dit kamp waren ontelbare wapenlieden, naast hem reed stillekens Mevena met haar zuigend kind, hij wist niet hoe hij ontkomen zou. Doch zonder omkijken, recht in het zadel, reed hij voort en vroeg nog tweemalen den weg naar Rogier. Dan ging Mevena vlug vooruit wijl zij Carolus herkende en zij stegen af waar de grauwe tenten in een kring rondom de baander lagen, terwijl de brigadier verbaasd hen aanstaarde. Rogier, die haar zag, kwam toeloopen en nam haar in zijn armen, zij snikte hardop—toen deed Tamalone zijn oogen even toe, want zijn hart was zoo hevig daar hij wist, dat de soldaten van Montefeltre dadelijk zouden komen om hem weg te voeren en hij haar nimmer meer zou zièn, hij voelde voor ’t eerst van zijn leven de pijn van een diepe smart. Hij zag den ander met den arm om het lieve vrouwtje heengaan, glanzend van verliefde vreugde, rondom in ’t zonnelicht keken verbaasde gezichten. En eensklaps trad hij op Walid toe, nam hem bij den arm en stapte met hem heen; Carolus riep hunnog na, dat zij de paarden vergaten, maar daar zij niet hoorden zond hij een soldaat er mede hen achterna en ging in de schaduw terug waar hij zijn harnas schuurde.Het was maar weinig minuten later toen heer Montefeltre met zijn ruiters komende den brigadier toeriep of hij Tamalone had gezien; doch Walid, die juist naderde, antwoordde, dat de man bij den kapitein daarbinnen was.Rogier kwam uit de tent en hoorde den edelman aan; hij begreep niet waarom Tamalone een verrader werd genoemd, den gemeensten schelm in ’t land, en hij zeide op vriendelijken toon:„Maar hier in de tent is hij niet,” groette en ging weêr binnen.Messer Montefeltre beval zijn soldaten door het gansche kamp te zoeken. Zij vonden zijn muts met de roode pluimen, maar den broeder zagen zij nergens. Carolus stond met de handen in de zijde in de heete zon te kijken, verwonderd wat er gaande was. Doch toen hij daarna, terwijl Walid zachtjes lachte, overal naar zijn helm zocht kwam het eensklaps in hem op, dat demonnik dien zeker in zijn vlucht had medegenomen in plaats van zijn eigen muts. Hij vloekte, maar Walid zeide:„Die monnik is een slimme vogel.”—Rogier zat in het getemperd licht der tent dicht bij Mevena in dartele blijheid te praten en te vertellen, het kind sliep in een hoekje op het stroo en hoorde hen niet; met de armen om elkander zaten zij, hun oogen waren vol verwachting, zoet vloeiden hun woorden in warmen adem tot zij eindelijk in zwijgen enkel kusten. Mevena hoorde buiten ’t gerucht van krijgsvolk, staalklank en bevelen, en te wijlen den luiden toon van een klaroen. En onder de kussen die hij haar gaf vroeg zij met behaagziek vleien of zij nu naar Siremonte zouden gaan. Doch Rogier glimlachte slechts en antwoordde, dat hij dien dag immers niet heen kon gaan en ook den volgenden niet, want de keizer had zijn zin op den burcht gezet, zij moesten wachten, misschien zelfs tot de oorlog gedaan was, want de keizer was ongeduldig geworden toen hij gevraagd had het kamp te mogen verlaten een poos geleden; zij zou moeten wachten, in Pisaweder bij die ambachtslui waar zij veilig was voor haar vader. En middelerwijl zou hij een boodschapper naar Lugina zenden om hem te vragen vrienden te worden. Hij zwoer haar dat hij nog voor den zomer voorbij was weêr bij haar zou zijn; hij zou een rijk loon krijgen voor wat hij in den oorlog had gedaan, Mevena zou dan gelukkiger zijn in een grooter slot dan Siremonte. Het kind begon te krijten, zij nam het op om het drinken te geven; en het in haar armen sussend en wiegend zeide zij zachtkens, bescheiden dat zij wel zeer gelukkig zou wezen bij hem in een klein huis. Haar oogen zagen zoo droevig terwijl zij ’t zeide, dat Rogier ontroerde en naar den grond keek. Met een teeder sujah wiegde zij heen en weder; in de stilte die er was in de tent hoorden zij buiten de zware stem van den brigadier den naam van Tamalone noemen. Mevena bezon zich, dat de monnik heen zou gaan nu zij bij Rogier was; zij vroeg naar hem en toen zij hoorde, dat hij vervolgd werd door messer Montefeltre, schoon niemand wist waarom, en waarschijnlijk al gevangen was,toen schreeuwde ze en beefde op haar beenen. Zij smeekte Rogier dien goeden man te helpen, die hun beider beste vriend was, zij smeekte met aandrang, dat hij dadelijk moest gaan om te helpen, haar woorden waren snel van angst en het kindje schreide klagelijk meê, Rogier, verbluft eerst, antwoordde dat Montefeltre een groot man was en zekerlijk niet zonder reden den man een schelm had genoemd; maar haar aandrang was niet te wederstaan, haar weenen verteederde hem zóó dat hij de tent verliet.De soldaten hadden Tamalone niet gezien en Montefeltre, naar wien hij daarna ging, vertelde hem dat hij den broeder eindelijk hoopte te hangen, die hem al twee keeren was ontsnapt toen hij hem voor diefstal naar de galg had gestuurd; hij was de slimste bedrieger van het gansche land, hoewel hij fraaie manieren had, die behaagden; er waren ook vele edelen, die konden getuigen, dat hij alle de misdaden van den duivel bedreven had,—maar hij zou ditmaal niet ontkomen. Rogier echter twijfelde of het waar was wat hijhoorde en vroeg den ridder te wachten en te onderzoeken of zijn vriend dezelfde Tamalone was. Doch Montefeltre draaide slechts zijn groote snorren op en zag hem zoo beleedigend aan, dat hij toornig werd en op den grond stampend zwoer het te zullen wreken zoo zijn vriend eenig letsel werd aangedaan. In het kamp terug gekomen gaf hij bevel soldaten rond te zenden om den broeder te beschermen waar zij hem zagen. En Mevena was zeer gerust toen zij hoorde wat hij gedaan had.Des avonds zat zij bij hem op het stroo, eerst zeer langen tijd stil in gedachten, maar ten leste sprak zij en vroeg hem in lief gefluister haar toch niet àl te lang alleen te laten in de stad bij Simon en Josse... morgen zou zij er henen keeren. Maar hij nam allebei haar handen, kuste ze vele malen en zeide, dat zij te zamen zouden gaan, dat hij den keizer zou groeten en ’t krijgsvolk voorgoed verlaten, wantsindszij dien middag gezegd had, dat zij gelukkig zou wezen ook als zij niet aanzienlijk waren, was de roem dien hij gewonnen had hem heel niet waard, en hijhad gezworen alles voor haar geluk slechts te doen. Zijne stem trilde; op het tentdoek danste vaag het schijnsel van het wachtvuur daarbuiten, waar de trouwe hoofdlieden zaten te praten, in de duisternis voelde hij een zacht gelaat dicht bij het zijne. Zijn gemoed was rijk aan innigheid, hij wist, dat hij alleen, alleen de vrouw in zijn arm behoorde. Het was een schoone nacht voor die twee die elkander beminden, een lange schoone nacht van vreugde uit al grootere liefde in hun harten ontbloeid met kus na kus van lieven lust, hun vreugde was zoo zoet als de geuren van den kerseboom in ’t vroege jaar. Daarbuiten zat Carolus te praten, maar later was er geen gerucht meer.Des morgens steeg Rogier te paard om naar het einde van het kamp te rijden waar de keizer en zijn grooten in een slot hun kwartier hadden. Mevena bleef achter met haar kind, wachtend onder een boom. De lucht was hoog en warm en de soldaten deden rustig hun werk.De keizer zat voor het open venster te lezen in een zeer groot boek, zijn hoofdleunde in zijn handen gebogen voorover, zijn haren hingen langs zijn wangen en naast hem stond een schaal met fruit. Aan een andere tafel zat Theodoro de wijze te lezen. De een noch de ander verroerde zich. In de koele kamer werd slechts het ruischen der blaêren voor het venster gehoord en Rogier wachtte met de muts in de hand, de witte pluim hing naar beneden. Eindelijk richtte de keizer zijn hoofd op en keerde zich om, zijn baard was grijs en gekruld; hij hief zijn hand hoog op zooals een vriendelijk man doet wanneer hij vroolijk is en vroeg:„Is de burcht verrast, messer?”Rogier schudde zijn hoofd en zeide, dat hij gekomen was om oorlof te vragen en het leger te verlaten, immers daar hij gezworen had een lieve vrouw, die hij beminde, naar zijn kasteel van Siremonte te voeren. Maar terwijl hij sprak voelde hij, dat hij laf was en een onwaardig man om aldus voor een wensch van Mevena het recht van den keizer te verzaken. En hij schaamde zich. De vorst intusschen zat te luisteren met zijn hand aan zijnbaard en Theodoro, de oude man, zag bij wijlen op van zijn boek, maar las dan ongestoord weêr verder.Toen Rogier zweeg antwoordde de keizer knikkend, dat hij reeds wist hoe Lugina bedrogen was en dat diens dochter in het kamp was gekomen met een gauwdief. Maar Rogier kon immers met haar niet trouwen, tenzij hij in het verbond der pauselijke edelen ging en niet in Siremonte wilde wonen, in het gebied van den heer van Romano, die meer geducht was in ’t land dan de keizer zelf. Rogier haalde zijn schouders op en wilde antwoorden, doch de vorst sprak verder, dat hij hem als stadhouder over Toscane wilde stellen wanneer de burcht was gevallen en ried hem, indien hij de vrouw zoo zeer beminde, te wachten tot de oorlog voorbij was en Lugina onderdanig werd. Dit zeide de keizer vertrouwelijk met zijn hand op Rogiers schouder; dan richtte hij zich tot zijn volle grootte op en voegde er bij:„Vergeet niet, dat gij mij trouw hebt gezworen. En zoo ge ondanks mijn raad uw wil doet, zijt ge mijn vijand,” en reiktezijn hand, die het zegel des rijks aan een vinger droeg—Rogier boog en kuste haar, terwijl de sterrewijze hem toeknikte over zijn boek.De arts trad toen binnen door een knaap gevolgd, die een schaal droeg met gekruiden drank. En daar de keizer weder naar zijn tafel ging, groette messer Rogier en vertrok.Hij reed door de groene laan waar zoeltjes de wind in het loover speelde naar het kamp terug en was verheugd, dat hij een aanzienlijk man zou worden wanneer de burcht genomen was. Maar hij hield zijn vreugde in want hij dacht aan Mevena.De brigadier liep hem tegemoet om te zeggen, dat Tamalone niet te vinden was. Mevena, roerloos zittende in de schaduw van den boom, zag hem een breed gebaar maken en haar oogen waren groot open alsof zij vragen wilde wat nieuws hij bracht. Hij wees haar op te staan, hield de tent voor haar open en toen zij binnen waren zeide hij:„Ik moet hier blijven, Mevena, de keizer wil mij niet laten gaan.”Zij zag naar den grond en antwoordde niet. En hij sprak weêr:„Maar nog vóór de zomer voorbij is kom ik in Pisa, nog vóór Sint Michiel, nog vóór de winter komt, en dan zullen wij nooit meer scheiden, en gelukkig zijn.”Zij zweeg een pooze, maar dan sloeg zij haar oogen op en zeide:„Beloof mij gauw te komen, ik kan niet zoo lang meer alleen zijn...”En verteederd door het smeekend geluid harer stem sloeg hij zijn arm om haar schouder en kuste haar, maar zij week wat achteruit en vervolgde:„Hoe lang zal die oorlog nog duren, liefste? O het zal een tijd voor me zijn te wachten daarginds. En hoe zal ik weten—”Maar hij kuste haar weder op haar mond, sprak met luchtig goed vertrouwen en herhaalde, dat hij spoedig bij haar terug zou wezen. Dien ganschen dag zat zij in zich zelve gekeerd voor zich te staren en sloeg op haar kind maar zelden acht. Rogier liep buiten rond om bevelen te geven.Des nachts toen hij wakker werd tastte hij, maar voelde Mevena niet naast zich;hij richtte zich op en ontwaarde tegen het doek der tent, waarachter flauw een wachtvuur scheen, haar donkere figuur in knielende houding gebogen en hij hoorde het gefluister van een gebed. Ongeduldig lei hij zich weêr neder, zeide dat zij bij hem moest komen, doch zij bad voort en wachtend dommelde hij weêr in.Zij sliep dien ganschen nacht niet, want een gedurige onrust bedroefde haar gemoed, zoodat zij wel weenen wilde, maar haar oogen bleven droog; zij dacht er aldoor aan, dat zij weer heen zou gaan, zelfs zonder haar braven vriend Tamalone ditmaal; de vreeselijke gevaren van den oorlog zag zij haar geliefde steeds naderen en zij wist niet wat zij doen zou... Baldo had wel eens een lied gezongen van een vrouw, die als jonker aangedaan haar minnaar volgde—het was ook maar een lied geweest, want zij kon dat onmogelijk doen, er was voor haar en het kleine kind geen andere hulp dan te wachten tot hij terugkwam. Weemoediger dan ooit te voren voelde zij zich verlaten in de wereld, zij staarde gedurig in het duister en wist geenraad. En wanneer haar kindje schreide lei ze het gedachteloos aan haar borst, het wicht zoog in gretig welbehagen terwijl zijn moeders hoofd van droefheid gloeide.En toen de grauwe dageraad begon stak Carolus zijn hoofd binnen om zijn heer te wekken. Rogier keerde zich om op het stroo, vroeg of de paarden gereed waren en sloot zijn oogen weder. En het was weêr zeer stil in de tent. Mevena voelde zich moede, het kind sliep in haar arm. Dan klonken er stemmen. Rogier stond op, gaf haar een kus en trad naar buiten. En terwijl zij zich oprichtte om hem te volgen deed een groote onrust haar hart zoo hevig aan, dat zij angstig werd en draalde.In den neveligen ochtend stonden twee paarden, die door Carolus en Rogier werden opgetuigd; uit de tenten rondom klonk hier en daar het geluid van een snorkend slaper. Zij klommen zwijgend te paard en reden heen. Toen ontwaarde Mevena, terzijde kijkende, de gestalte van Walid die met zijn gele muts en gekruiste armen bij een wagen stond, even zag zij het witzijner oogen naar haar gericht—zij schrikte en beefde.Zoo lang zij in het kamp waren sprak haar minnaar niet, maar bij de laatste tenten, waar de boomen in dubbele rijen den dalenden weg verdonkerden, keek hij naar haar op en zag, dat zij bleek was en huiverde. Hij vroeg bezorgd wat haar scheelde, maar zij schudde het hoofd slechts en toen hij den schabrak van zijn paard om haar en het kind heensloeg, glimlachte in eenen haar heele gelaat van schoone liefheid, zoodat Rogier dichter bij haar rijdende zeide dat zij hem zéér dierbaar was en hij geen andere vrouw kon beminnen.Toen reden zij nog een poos met zoete woorden voort, terwijl achter hen over den heuvel de jonge zon aan de lucht verscheen. Maar waar de weg smaller werd en zich in tweeën deelde hield Rogier zijn paard in en zweeg een oogenblik. De stille morgen blonk wazig aan den hemel en over de groene boomen. Hij wilde haar vaarwel zeggen, maar het griefde hem zoo dat hij haar bedroefd had gemaakt en dat hij haar onrecht deed doorhaar alleen te laten gaan, hij had haar al zooveel beloofd. Doch hij bezon zich, dat het teêrhartigheid was zoo te denken, immers wanneer hij over eenige maanden een hoogen rang had kon hij weêr bij haar komen en zij zou gelukkig zijn. Hij nam haar in zijn armen zeggend, dat hij snel terug moest keeren, dat hij nog vóór Sint Michiel bij haar zou wezen en kuste vele malen haar bleek gelaat. Hij draalde nog, zijn wangen gloeiden, want hij voelde hoezeer hij haar beminde, die hem aanzag met groote oogen, en hij kuste haar weder, haar lippen, haar aangezicht en haar handen het laatst. Dan wendde hij den teugel en met een zwaai van den arm reed hij heen, zijn hengst galoppeerde brieschend den weg weêr op onder de boomen. Een eind verder keek hij om, haar paard stond bij de scheiding van den weg met neêrgebogen kop om te grazen, haar gestalte, met het kind in de armen, was onbewegelijk naar hem gekeerd.Enkele dagen later gaven de edelen, die het kasteel verdedigden zich over, zij waren tegen den honger niet bestand. En de keizer leidde zijn zoons en groote heerennaar de stad, waar zij in het paleis aan prachtige tafels zaten met Spaanschen wijn in de kannen en groote schalen vol gebraad en pasteien. Hij stelde Rogier tot stadhouder over het Toscaansche land en schonk hem den keten, de edelen klapten hun handen en de vedelaars maakten lustige muziek. Carolus liep met rood gelaat de zaal uit en dan weêr in, hij dronk vele bekers leêg en omhelsde Walid, zijn goeden vriend die dikwerf knikte, in groote blijdschap.Langzamerhand, terwijl de oversten bespraken hoe zij den tocht zouden voortzetten en Rogier aan zijn ambt was gewend, herinnerde hij zich, dat Mevena op hem wachtte. En hij schreef een brief aan haar vader, waarin hij hem zijn vriendschap bood en hem verzocht ter liefde van haar toch tot den keizer te keeren.Hij kreeg geen antwoord, maar weken later kwam er een boodschapper van den heer van Romano, zijn gevreesden verwant, die in een bondigen brief hem gebood de dochter van Lugina heen te zenden.En de volgende dagen zat hij, wanneer er geen heeren waren die met hem praatten,alleen in de hooge zaal en dacht aan haar, die pas een jaar geleden hem het wonderlijkst geluk had gegeven, die hij meer had begeerd dan zijn leven toen hij met pijnen in de bergen lag, en hij peinsde of hij haar waarlijk voor goed kon verlaten. In den gloed van een oogenblik had hij soms wel geloofd, dat de roem van een groot man in het land te zijn hem niet bekoorde, maar hij wist dat het niet waar was, want hij had van zijn jongste jaren niets anders verlangd, tot hij op een zomeravond Mevena in schuchtere lieftalligheid voorbij had zien gaan. En hij verbeeldde zich hoe zijn leven geweest zou zijn indien hij niet bij den keizer was gekomen, maar haar naar zijn kasteel had gebracht: Siremonte was een zeer oud huis, waar het in de kamers altoos donker was, in den hof groeiden de struiken wild en ook op den wal over de graven der vroegere bewoners: de lieden die de akkers bouwden waren nooddruftig—hij had het slot verlaten toen hij een knaap was en zou er niet weêr kunnen leven nu hij een rijk stadhouder was.Hij wist wel, dat hij niet anders doenkon dan den keizer en vooral messer Romano verzoeken, nederig verzoeken, dat hij haar tot vrouw mocht nemen. Maar Romano was een vreeselijk man, die nog kort geleden velen van hun eigen geslacht had veroordeeld wegens hun ongehoorzaamheid.In zijn twijfel en beslommering nam hij den machtigen heer van Lancia in zijn vertrouwen. De markgraaf, die zeer bejaard was, lachte kalmpjes. Hij wist niet dat Rogier nog aan het meisje dacht, hij sprak over zijn eigen dochters, hij sprak langen tijd bedaard en overtuigend.Als hij alleen was staarde Rogier dikwijls voor zich, in gevoelige oprechtheid denkend wat hem het meest waard was. Maar wanneer hij bedacht wat hij doen zou als hij het verlof niet kreeg, zuchtte hij en herinnerde zich Walid, die gezegd had, dat de bloedsteen hem leed zou brengen.En des nachts werd hij somtijds wakker en zag in zijn verbeelding Mevena die schreide.12Over de zonnige wegen ging Tamalone, thans weêr in een pij gekleed, eenzaam als voorheen en gelijk voorheen ook, toen hij pas uit het klooster gevlucht was, vermeed hij de menschen, daar hun vragen wie hij was, van waar hij kwam en waarheen zijn tocht ging, hem ergerden en het langdurig zwijgen zijner eigen stem hem een genot was.Onder den ruimen hemel en met het groene land rondom was de eenzaamheid hem vroeger een zachte rust geweest, een eenvoudige vreugde van te zwerven zoo ’t hèm behaagde en te aanschouwen hoe de wisselvalligheden zich opdeden in hùnnen loop.Nu echter, wanneer hij in de verte eengehucht zag onder wat boomen, stond hij stil en zette zich neder in het gewas aan den weg, schuw voor wat er mooglijk kon gebeuren als hij daarginder kwam, nieuwe gezichten zag en praten moest. Het teeder denken aan den winter, die voorbij was, was vol lieve figuren en liet hem geen rust; met zijn hoofd, al vermoeid van het voorover buigen dien heelen dag, in de beide handen geleund, zat hij daar uren lang tot de zon van den hemel ging, en trachtte aan Mevena alleen te denken. Hij meende dat zijn verblijf met haar een avontuur was geweest, een heerlijke tijd weliswaar, dien hij zich altoos met innigen ernst zou herinneren, doch in zijn diepste wezen niet meer dan nog een vervlogen illusie, zooals er hem sedert zijn jongensjaren zoovele hadden verlaten, die slechts wederkwamen in een zeldzamen zaligen droom. Het leek nu zoo vreemd alleen aan den weg te zitten; het pover landschap rondom waar slechts een paar koeien graasden, stil in ’t brooze schemerlicht, en ginder wat boomen goedig in een groepje bij elkander stonden, kwam hem zoo bijzonder voor of hij ’t al eerderhad gezien; doch van ouds al kende hij dit onuitsprekelijk gevoel—een vermoeid wandelaar hoort zoo in den aanvang des avonds geluiden die niet bestaan, of ziet een lichtjen in de schaduw en weet dat hij zich vergist, maar in gepeinzen gaat hij verder, twijfelend over vele dingen.Tamalone wist, dat wat hij had ondervonden en wat hij ooit in verbeelding doorleefd had, niet anders verschilde dan dat hij het eerste vreesde—duidelijk bewust thans vreesde—en het ander beminde; Mevena was slechts een naam die hem bekoorde, haar gelaat zou wel van lieverlede vager worden en uit zijn stille gedachten vergaan—was zelfs zijn jonge vroomheid in de dagen van het klooster niet eveneens verleden en voorbij? Geen van zijn liefste begeerten zou ooit waarlijk gebeuren, van al zijn droomen zou er geen ooit tastbaar geluk zijn, maar hij had er altijd zachtjes om gelachen en zich verwonderd wanneer hij van ongeluk hoorde. Wel school er in ’t heimelijk van zijn hart een gevoelen, het heiligst dat hij had—het was een noodlottige zekerheid—, dathij eenmaal nog een groote werkelijkheid zou ervaren, gelijk de ondervindingen zoo smartelijk van echtheid, dat hij door de stem van enkele lieden die hij er van had hooren verhalen een vreemde benauwing gevoeld had; de een was een man bedrogen door zijn vrouw, de ander een moeder wier kind was gestorven, een derde was blind geworden, doch onder die allen was er geen enkel zwerver, die zooals hij ter wereld niets bezat, niets dan een pij—en een pij die maar schijn was. De glanzende dagen echter, die hij in den winkel van Simon had doorgebracht, zouden in zijn herinnering blijven als een wandeling door prachtige bloemlanen, zwaar van geuren onder de zomerlucht, hij zou er geen traan om laten en zij waren niet de groote gebeurtenis welke hij van kindsbeen al vreesde en begeerde beide. En hij wilde wel weten of mogelijk die donkere zekerheid het voorgevoel was, dat nooit wordt bewaarheid.De avond daalde over de heuvelen, de klank der bellekens die de koeien droegen werd kleiner in de verte en zoo hij eenbed wilde hebben voor de boeren in ’t gehucht te ruste waren, moest hij voort.Vroeg in den dag verliet hij de dorpers weder en ging zwijgend den klaren weg langs, tevreden in ’t kalm stralende zonlicht. En bij het eind van zijn dagreis zat hij weer onbeweeglijk op den grond, met inwendig geluid liefkoozend den naam te herhalen van een vrouw, die ver in den schemer waarde, en de stilte over het land verontrustte hem in hoogere mate dan den avond te voren. Zijn hoofd was vol van teedere heugenis en verdrietigheid, de donkere aarde zweeg, zelfs in den hemel, van licht verlaten, vloot de weemoed gelijk de glimlach van een kind dat geschreid heeft. Hij wist niet wat de kommernis die hem drukte beduidde, hij begreep niet hoe de menschen met bewonderend smachten verhalen konden doen van groote passie, van het leed dat zij aanbaden als de zuiverste deugd—en hij herinnerde zich, dat hij zelf alsindsjaren heimlijk dit ééne verlangd had, zijn allergrootste passie. Het klopte in zijn borst en in gejaagde haast vervolgde hij zijn reis in den avond.Toen hij tot de kalmte was wedergekeerd, zag hij dat hij niet behoefde te vreezen, de vrouw aan wie hij dacht was immers een beeld maar en zou nimmer werkelijkheid worden, een beeld van zijn eigen ontroering; zijn lieve vrijheid zou hij behouden. De rust die deze gedachte hem gaf was als de stilte in het bosch wanneer de herfst al nadert.Op een Zondag trad hij de poorten van Lucca binnen, waarheen de weg dien hij gevolgd had voerde. Daar hij honger had zocht hij de woning van een oudbekende, Marco genaamd, een bezadigd man die metalen mengde en studeerde. Toen de oude man de deur opende was hij even verrast; dan begroette hij Tamalone vriendelijk, leidde hem naar zijn werkplaats, gaf hem eten en drinken en hernam bedaard zijn bezigheid met het schoonmaken van gereedschappen. De monnik at in stilte en zag hem begaan, buiten in de lichte straat lachten de burgers van zondagspret; hij herinnerde zich zijn drukken leerlingstijd en wist dat Marco hem een luiaard vond.Een poosje later hoorde de grijsaardeen zucht; hij ging door met zijn kroezen en vroeg wat er scheelde.„Ik ben moê,” was het antwoord.„Gij ziet er bleek uit, broeder; gij moest liever werken dan van ’t eene klooster naar ’t ander gaan en gedurig bidden.”Tamalone glimlachte. De woorden echter hielden hem dien nacht lang uit den slaap, hij twijfelde of het noodig zou wezen een middel te zoeken tegen de onrust, die al heviger roerde. Hij had toen een droom waarin hij overvloedig weende en verbaasde vreugde voelde om twee schoone oogen. De rest van den nacht, waarvan hij het einde wakend verbeidde, lag hij te mijmeren of hij ooit door een toeval Mevena weder zou zien.Dagen lang kwam hij in de woning van Marco slapen, overdag was hij altijd uit. Er waren vele bekenden in de stad, die hem ontmoetten en medenamen naar huis; terwijl zij hem onthaalden moest hij dan van den oorlog vertellen, of zij verwachtten kwinkslagen van hem zooals zij gewoon waren. En Tamalone praatte in luchtigen scherts, maar hij had een weêrzin tegenhun vroolijke gezichten. Het deed hem vreemd aan den toonval van zijn stem zoo week te hooren. En in het drukke gezelschap voelde hij een gedurigen drang om ergens in een lommerrijk landschap op het gras te liggen en zich over te geven aan de bekoring van neêrslachtigheid.Laat thuis komende eens vond hij in de werkplaats van zijn vriend den ouden Lugina, die in het rustig licht zat te wachten en Marco gadesloeg in zijn arbeid. Mevena’s vader schudde hem de hand in vriendschappelijke opgetogenheid, hij had hem lang gezocht, zeide hij. Maar daar de monnik er zeer vermoeid uitzag zou hij hem nu verlaten en hem morgen vroeg verwachten; Lugina klopte hem vertrouwelijk op den schouder en ging heen.Toen hij weg was zat Tamalone te staren met opgerimpeld voorhoofd, mijmerend over Mevena en of misschien haar vaders komst hem geluk zou brengen. Hij had den man bedrogen, zijn belofte om Rogier te vermoorden was hij nooit voornemens geweest te houden; hij moest dus morgeniets verzinnen. Marco was in zijn studie verdiept en stond aandachtig naar een vloeistof te kijken, dien hij in een fleschje ophield tegen het licht, terwijl achter hem in een armstoel de luie monnik voor het eerst sedert vele dagen weêr vroolijk werd en geluidloos zat te lachen bij de gedachte, hoe hij Lugina misleid had en zijn dochter ontvoerd. Doch weêr ernstig geworden besefte hij, dat Mevena zelve in gevaar zou verkeeren zoo haar vader haar vond. Hij moest hem op een dwaalspoor leiden en hij had weldra een sluw bedenksel gereed.Des anderen daags vond hij Lugina reeds buiten de herberg op hem wachtend in de straat onder den hoogen dom. De edelman liep hem lachend tegemoet, de grillige zomerkoelte speelde in zijn paarsen mantel; hij nam den monnik bij den arm en vertrouwelijk naast elkander gaande wandelden zij de stadspoort uit. De een noch de ander sprak een woord, zij wachtten beiden of de ander zou beginnen en zagen omzichtig rond. De glanzende wolkjes lagen traag in den hemel van het ééne verreverschiet waar de heuvelen in vage tinteling verliepen, tot het ander; de klare akkerlanden waren rijp en in heete stoving, op sommige grasvelden, waar gemaaid was, rustten boeren in zwaren slaap. De weg liep door dunne boompjes met weinig schaduw.Eindelijk sprak Lugina en vertelde hoe hij ook zijn dochter nog te wreken had. De monnik antwoordde, dat hij wist wat er gebeurd was, ook had hij Rogier wel gevonden, maar hij had zijn belofte nog niet kunnen volvoeren. Toen hoorde hij verbaasd, dat Lugina zelf met alle vier zijn zoons zijn vijand gevolgd had van kamp tot kamp, dat hij wist waar Rogier, die stadhouder was geworden, zich bevond met het meisje, en dat ook haar broeders daar waren op dit oogenblik... Tamalone bleef staan, zijn oogen waren wijd open en in zijn starre verbazing zag hij den ouden man, met fel gelaat, die plotseling een dolk in de hand hield en naar hem stiet, maar even plotseling bukte hij, greep zijn aanvaller bij de beenen en wierp hem op den grond. Even aarzelde hij of hij vechtenzou, hij voelde den schrik nog van wat hij gehoord had; dan keerde hij zich om en liep snel heen, zonder een enkelen keer achter zich te zien, waar Lugina midden op den weg hem na stond te kijken met den dolk, die een blank lichtje schoot, in de geheven hand.Het was een smalle weg door de korenlanden, de zon scheen overal en het felst op de boompjes, waarvan hij door een bocht soms de kruinen al in de verte zag schitteren. Tamalone voelde zich gejaagd. Hij wilde naar de stad waar Mevena was, maar hij vreesde zijn vijanden; zoo hij slechts Rogier kon waarschuwen over haar te waken—haar broeders waren nabij, misschien was er al een ongeluk gebeurd en wat kon hij zelf nu doen, die vervolgd werd door de hatelijke edelen in ’t leger? Maar hij hoopte, dat hij een boodschap kon zenden. Hij liep met snelle stappen, het mulle stof steeg in wolkjes om zijn voeten op, zijn gelaat was gloeiend en bezweet.Nadat hij den lievelangen dag recht voor zich starend en in krieuwende angst wasgegaan, het licht verkoelde en de hemel ruimer werd, was hij aan een troosteloos moerasland gekomen waardoor de weg met velerlei kronkeling voerde. Hij vond toen water om zijn dorst te koelen, over de plassen zweefden de dampen. De lucht werd blank en teeder, uit de verte dreef de schemer nader, westwaarts talmden nog tinten in ’t ijl verschiet. De monnik, zich haastend met groote schreden, voelde zich angstig in de barheid der vlakte, zijn schichtige schaduw die hem vóór ging over het rusch en de poelen deed bij wijlen een reiger met verschrikt gerucht de vleugels uitslaan en heenvliegen in schuine richting.En hoe meer de duisternis zich vergaârde over het armzalig rietland rondom, zoo dichter en hooger stegen de nevelen. Doch Tamalone sloeg er geen acht op, hij liep slechts te rekenen hoe ver hij van de stad was en of hij haar in den morgen kon bereiken; soms sprak hij plotseling woorden en maakte een gebaar met zijn arm.Op eens hoorde hij dat zijn schreden, die hem vermoeiden, gedempt klonken en het kwam bij hem op, dat hij niet meerop ’t pad liep... plots bleef hij staan en zag rondom zich rillend van schrik: hij was verdwaald in de duisternis en door den mist kon hij de lucht van daareven niet meer zien.Hij bukte neder om naar den weg te voelen, de grond was modderig en nat. Hij moest teruggaan, om alles ter wereld teruggaan, hij moest naar de stad, maar wist den weg niet meer en de ochtend was nog ver. Dan knielde hij voorzichtig neêr en tastte rond naar de indrukken van zijn voetstappen—en daar, geknield voorovergebogen in het moerasland, in den suizenden nachtmist, dacht hij aan een vrouw, die hem ’t liefst ter wereld was, en dacht hij of hij hier zou sterven ver van de stad. Zijn oogen weenden vrijelijk en terwijl hij langzaam voortkroop over het slik, zoekend naar zijn spoor, snikte hij hardop zijn rampzaligheid uit, snikte voor het eerst van zijn leven, het was een schrikkelijk geluid in het donker. Maar het verstierf in dien kouden nacht zonder einde, het verzwakte en zweeg. En de strenge stilte duurde lang.Ten langen leste, hijgend en rillend, vond hij den harden bodem des wegs, zijn armen zwikten en hij zeeg neder op zijn borst. Het was een zachte rust die hem slaperig maakte.Dan hief hij zijn hoofd van den grond, er stond een lichtlooze maan boven de dampen van ’t laagland. Tamalone rees, strekte zijn beenen en liep voort langs den weg hopend de stad nog vroeg te bereiken.Bij den dageraad begon het land weêr te rijzen, het eerste zomerlicht dartelde met gouden munt door het kalme loover van de boomen, dat licht zoo vertrouwelijk en zóó lief, datTamalonezijn armen ophief en riep en lachte van innig gevoelde vreugde.Hij stond niet stil, doch liep voort en voort, tot hij een paar landlieden zag op weg naar hun werk, die hem vertelden, dat de keizer met zijn leger vertrokken was, de stadhouder was er bij. Toen zette hij zich zeer vermoeid aan den rand van een gelen akker om te rusten; hij leunde achterover om naar een vroege bij te zien,die gonsde in ’t ochtendlicht, een zachte koelte speelde door de bladertjes van een populier,—zijn oogen sloten en hij sliep in tusschen het koren, waarvan enkele aren rustig wieglend over hem neder bogen.13De waard van de herberg waar hij een bed had gevraagd, kon hem niet zeggen of er een vrouw in het leger was, noch waarheen de stadhouder was getogen. De oostersche soldaten waren echter nog in de stad en zij zouden het zeker weten.En ofschoon het al donker was geworden begaf Tamalone zich aanstonds naar het paleis, waar hij om Walid vroeg. De hoofdman, verbaasd hèm daar te zien in de groote zaal, begroette hem lachend en vriendelijk, hij had hem meer genegenheid toegedragen sedert de vaardige vlucht uit het kamp voor het belegerde slot.Zij gingen naar buiten en liepen de straten door. Walid sprak voortdurend, terwijl de ander zweeg, en vertelde dat Mevenareeds lang vertrokken was, naar Pisa, dacht hij; dat de meester sedert dien tijd stil en treurig was geweest, en dat Carolus en hij zelf bemerkt hadden, dat er geheime moordenaars omzwierven, zoodat zij hem voortdurend hadden bewaakt. Maar zij waren blijde, dat de meester nu voor goed had besloten het meisje niet meer te zien, zoo zij hem den bloedsteen nog konden ontrooven was alle gevaar voorbij. Rogier zou een dochter van den grooten markgraaf Lancia tot vrouw nemen en gelukkig en aanzienlijk worden. Tenzij het meisje terugkwam met haar kind; de meester was gansch onder haar bekoring, het lot had geopenbaard, dat een vrouw hem onheil zou brengen, en sedert hij haar ontmoet had, meer dan een jaar geleden, was hij driewerf gewond geweest en geen dag zonder kommer op ’t gelaat. Hij, Walid, zou haar in het kamp niet meer dulden.De monnik bleef zwijgen. Zij waren aan een gewelfd bruggetje over een vliet gekomen en zetten zich naast elkander neder op de houten leuning. Terwijl zij nadachten en geen van beiden sprakennaderden twee mannen, hun voetstappen klonken op de planken der brug, en toen zij dicht bij waren herkende Tamalone duidelijk de stem van Lugina. Hij was op het punt er Walid opmerkzaam op te maken, maar hield zich in.Beneden hen klokte het stroomende water. De oosterling begon weêr te spreken. Hij zeide, dat hij Tamalone wel begrepen had en hem bewonderde. En omdat hij hem niet gaarne leed zou doen ried hij hem met alle middelen te voorkomen, dat Mevena weder in het bijzijn van zijn meester kwam.„Ik hoop dat gij gelukkig moogt zijn,” zeide hij: „de vrouw is niet slecht misschien.” En hij liet zijn hand een wijle rusten op Tamalone’s schouder, die innerlijk beefde bij dit nieuwe gezicht.Een torenklok sloeg. Zij stonden ten letste op en liepen zwijgend terug naar het paleis. De monnik wilde niet mede naar binnen, maar nam afscheid voor de buitengalerij; hij drukte Walid’s hand krachtig in de zijne, hij voelde dat deze man zijn vriend had kunnen wezen.Het waren zonderling prikkelende gedachten, die Walids woorden in hem hadden gewekt. Tamalone voorzag reeds de smarten, die Mevena zou lijden wanneer zij wist, dat zij voor goed was verlaten, hij zag haar betraand gelaat—zijn aderen zwollen en zijn hart klopte zwaar door ’t valsche onrecht haar aangedaan. Op zijn bed lag hij wakend met gesloten oogen; het venstertje liet de nachtkoelte in, schreden die in de straat haastig voorbij slopen of het geluid van de torenklok leidden bij wijlen zijn gedachten af. Hij wist geen raad. Waar zou zij henen moeten? zij had geen enkelen vriend meer dan hem zelf, die niet eens wist waar zij was, die niet wist of zij dit eigen oogenblik niet ellendig rondzwierf met haar kind. Maar Walid had gezegd in Pisa, zij zou wel in den winkel aan de kade zijn teruggekeerd. Hij stond op om uit het venster te zien of de dag al aan den hemel kwam; dan lei hij zich weêr neder, zijn voeten deden zeer van den langen tocht dien hij gekomen was. En terwijl hij trachtte voort te denken sliep hij in.Met schrik ontwaakte hij kort daarop weder, maar hij was verheugd, want door het venstertje zag hij dat de duisternis verschoot, zoodat hij weldra zou kunnen vertrekken. Bij het kozijn geleund, starende naar de oosterlucht die ijler werd, herinnerde hij zich wat Walid bedoeld had met den wensch voor zijn geluk, en langen tijd bleef hij staren naar de lucht en de straat, waar de gesloten huizen, ordeloos tusschen boomen verspreid, verschenen uit den vroegen schemer, tot het kraaien van een haan hem stoorde in zijn rust en hij zich bezon, dat Mevena hem niet beminde.Hij verliet de kamer, wekte den waard, en met zijn brood in de hand ging hij naar buiten. Opgewekt stapte hij voort in den frisschen morgen.Maar toen hij tegen den avond zeer vermoeid de landerijen van Pisa bereikte, peinsde hij waarom hij gegaan was, waarom hij de passie zocht, die hem niets dan verdriet kon geven, terwijl aan alle zijden de wegen naar andere streken leidden, waar hij dolend tenminste met het stille beeld zijner aanbidding alleen kon wezen,zonder verlangen naar wederliefde, dat door nieuw verlangen zeker gevolgd werd. In zijn verbeeldingen was hij immers altijd gelukkig geweest.En ofschoon hij van verwachting gepoperd had toen hij zich op weg begaf, liep hij thans neêrslachtig langzaam op de kade, waar de bewoners voor hun huizen stonden te praten in het rustig genot van den zomeravond. Uit de verte reeds zag Tamalone, dat de winkel van Simon nog open was, er scheen wat licht naar buiten en voor de deur stond Baldo viool te spelen, Mevena en de gebroeders zaten te luisteren. Hij naderde en bleef onopgemerkt staan; in ’t schaarsche licht zag hij, dat Mevena’s gelaat, ten deele afgewend, droevig en fijn was. Bij ’t eind van het danswijsje trad hij zacht op haar toe en groette haar. Zij schrok en lachte, met de hand op haar borst, Simon en Josse verwelkoomden met handdrukken en luidruchtigheid. Er werd een stoel gehaald, en pasteien en bier, en Tamalone moest dadelijk verhalen hoe hij gevlucht was en waar hij gescholen had.Toen het al laat was ging Mevena, die haar kind hoorde, naar binnen; de mannen zaten nog lang te luisteren naar den monnik, die met een glimlach vertelde van dwazen door wie hij vervolgd was, ofschoon hij nooit iets misdaan had. En dan, in de stilte van de kade, zeide hij hoe Mevena verlaten was door haar minnaar, die met een ander zou trouwen—zijn stem werd zoo week en zacht, dat Simon en Josse en zelfs de jonge Baldo zwijgend en aangedaan voor zich keken in den luwen nacht. Zij gingen ten leste naar binnen. Terwijl Tamalone nog talmde voor hij de anderen volgde, zag hij naar boven, naar het venstertje van Mevena’s kamer; het stond open. Hij begreep, dat zij alles gehoord had wat hij zoo pas vertelde.Gedurende de wandeling door de straten den volgenden dag, die zij weêr zooals vroeger deden, Mevena thans met haar kind in de armen, vroeg hij waarom zij niet in het kamp gebleven was. Zij antwoordde:„Rogier mocht van den keizer niet heengaan, daarom wacht ik hier op hem. Over zes weken komt hij mij halen.”Toen werd Tamalone bij ’t verder gaan zeer vroolijk, zij had hem klaarblijkelijk niet gehoord gisteravond en hij herinnerde zich ook, dat hij zacht had gesproken. Hij lachte en knikte tegen het kleine kindje, zoodat de menschen in de straat bleven staan, elkander wijzend naar den lustigen monnik, en Mevena stillekens voor zich lachte.In den winkel en in de lage achterkamer, voor het venster waarvan nu de wingerd bloeide, was het of de dagen van het vorig jaar weêr beginnen zouden. De oolijke Baldo vedelde ’s avonds weêr, de gebroeders zongen hun eenvoudige liedjes en Tamalone deed verhalen uit ouden tijd.Maar Mevena lachte niet meer zooals voorheen, haar gelaat was dikwijls vermoeid en zij scheen altoos te luisteren of zij boven haar kind ook hoorde.En zij werd stiller toen zij niet meer uit kon gaan. Op een middag had Tamalone haar eensklaps haastig door zijstraatjes meegevoerd, hij had Lugina gezien die met een edelman liep te praten.Zij zat nu gansche dagen voor haar venster te naaien, denkend aan den naderendentijd waarop haar geliefde beloofd had te komen. Wanneer zij dan dacht aan wat zij den monnik had hooren vertellen, beneden voor de deur, den avond toen hij terug was gekomen, dan viel haar naaiwerk in haar schoot en staarde zij over de daken der huizen aan gindsche zijde der rivier, in ’t verschiet met de vergulde torenspits; de tijd ging langzaam voorbij, maar haar gedachten wilden niet komen, zij hoorde voortdurend het gerucht der kooplieden in de straat en het uitbundig gekweel onder haar raam. Dan ging zij bedaard weêr door met haar werk, zij geloofde de dwaasheden niet die de monnik had gezegd. Zij wachtte en voelde zich geduldig tevreden; maar de mannen beneden zeiden dikwijls tot elkander, met een langzaam hoofdschudden, dat zij zekerlijk ziek zou worden, ze was zoo bleek en stil.Het werd al nazomer; westelijk achter de gulden torens en de masten der scheepjes in het water verkleurde des avonds de zon in velerlei schoonheid. De monnik waarde nog dagelijks behoedzaam rond om na te vragen of Lugina de stad al verlatenhad. Simon en Josse zaten bij ’t licht van hun lampje alleen bij elkander.Het was al Sint Michiel geweest. Mevena’s oogen waren rood wanneer zij in de huiskamer kwam.Eens vond Tamalone haar gekleed in den blauwen kapmantel, dien hij haar gegeven had, zij wachtte om met hem uit te gaan. Hij wilde iets zeggen van het gevaar dat zij liep haar vader te ontmoeten, doch de blik van haar oogen was zoo dringend, dat hij volgde. Zij gingen de kade af, over de brug naar de onbebouwde velden, waar zij vroeger wel wandelden en toen zij in de groententuinen kwamen zag Mevena hem recht in de oogen en vroeg:„Is ’t waar dat hij niet terugkomt?”De monnik boog zijn hoofd, en beiden zwegen terwijl hun voeten voortgingen naast elkander in regelmatigen tred.„Is het waar?” vroeg zij weder. „En wat gij dien avond verteld hebt toen gij terugkwaamt?”Tamalone zag haar aan—zij was kalm en twee groote tranen gleden van haaroogen neêr. Toen bleef hij staan, bevend hief hij zijn hand en zeide:„Wees toch niet bedroefd, Mevena, het zal voorbij gaan, schrei toch niet... Ik wil alles voor u doen wat ik kan, gij weet niet hoe ik u liefheb...”Zijn stem klonk hem zonderling als uit een afstand. Mevena stond met gesloten oogen, het hoofd wat naar achter gebogen; beneden op den grond deed een zachte wind de blaadjes der groenten bewegen.Zij keerden naar huis, maar spraken niet meer.Simon en Josse zaten dien avond alleen en staarden elkander telkens aan, zij haddengeziendat het lieve meisje in de kamer daarboven haar ongeluk wist. Tamalone kwam dien nacht niet thuis, hij doolde buiten de stad, verwonderd over de ontroeringen die hem hadden vervuld. En toen hij laat den volgenden namiddag aan den winkel kwam vond hij er de gebroeders, die ontsteld en in drukke verwarring vertelden hoe de oudste zoo pas het eten dat nog op de tafel dampte, naar boven had gebracht—de kamer was leêg. Mevenawas nergens te vinden. De monnik gilde en sprong de trappen op, de kamer in, waar de stoel en de tafel stonden op hun gewone plaats, in den hoek was de peluw met de wieg er naast.Maar toenhijbeneden kwam werd zijn angst verdreven door het bericht dat Baldo bracht, die van de wachters had gehoord, dat een vrouw met een zuigeling dien morgen de poort was uitgegaan; zelf bedarend stelde hij zijn vrienden gerust, dat hij haar wel achterhalen zou voor zij het kamp bereikte. En nadat hij haastig had gegeten ging hij op reis, door Baldo tot aan de poort verzeld.Maar op den weg, terwijl hij snel voortliep in den vochtigen avond, voelde hij dat zijn beenen zeer vermoeid waren. Hij ergerde zich over zijn domheid Mevena zoolang alleen gelaten te hebben; wel vertrouwde hij dat zij, evenmin als hij wetend waar het leger van Rogier was en langzamer gaande daar zij het kind moest dragen, het kamp niet vinden zou voor hij er was aangekomen; maar hij moest aldoor denken aan de donkere waarschuwing van Walid,die door zijn dwaas geloof, dat zij het ongeluk had gebracht door den bloedsteen, haar dooden zou. Zijn voeten waren heet en schrijnden, doch met de tanden vastgeklemd ging hij voort in groote schreden. En in een zachte bevreemding vroeg hij zichzelven wat het toch was dat hem dreef tot die nachtelijke haast—hij had nog nóóit zoo geloopen en nog nooit zooveel angsten gehad, angsten om een vrouw wier wederliefde hij niet verwachtte en die hij te nacht of te morgen voor goed uit het oog zou verliezen.Toen de lucht begon te schemeren kon hij niet verder, hij liet zich vallen op het natte gras en sliep dadelijk in.Hij ontwaakte door een hevigen slagregen en stond verschrikt op; er was een lange wegvoorhem, waar de regen op nederspatte en stroomend wegliep aan de zijden. Maar Tamalone kon niet wachten, hij sloeg zijn kap over het hoofd en vervolgde zijn reis, het water droop in een straaltje van zijn gezicht.Hij rustte maar weinig en tegen het einde van zijn vierde dagreis had hij Mevena nogniet gevonden, maar door veel vragen wist hij, dat het kamp niet verre kon zijn.Het was een boschrijke weg waar hij ging, rijzend en steil weêr neder dalend, met hooge beukeboomen die onbewogen waren in den windloozen herfstdag. Hij bleef staan om naar de sporen van paardenhoeven te zien, die van den weg af door ’t struikgewas leidden; voorzichtig sloop hij door de dorre bladeren, maar stemmen hoorend wachtte hij weêr; dan, tusschen twee dunne boomstammetjes ziende ontdekte hij krijgslieden op den grond en herkende het gezicht van Lugina bij hen. Door de bladeren scheen de zon met bleeken glans.Tamalone kwam weêr op den weg terug. Zoo hij verder ging liep Mevena gevaar hier door haar vader aangehouden te worden; zoo hij bleef wachten bereikte zij wellicht het kamp alleen en kon hij haar niet beschermen. Hij zag op naar de takken boven hem, hij wist niet wat te doen.Vóórhem zoowel als achter hem van waar hij gekomen was rees de weg; hij liep een eind weegs vooruit, omziende en weder omziende; dan ging hij weêr terug, deplaats voorbij waar de paardensporen in ’t hout verdwenen.Toen hij zijn hoofd weêr omwendde zag hij tegen ’t avondlicht een kleine gedaante die den weg afdaalde—hij wist in eens, dat het Mevena was en beefde. Zijn beenen waren loom, maar hij liep voort, vlugger en vlugger, tot hij hijgende de steilte opsnelde. De naderende figuur herkende hij al, het was een vrouw met een kind in de armen. Toen hij dichter bij kwam bleef zij staan; Tamalone liep moeilijk ademend nader met de hand op de borst, en kon niet spreken.Mevena’s gelaat was ernstig, maar onbewogen, met haar groote oogen zag zij hem in afwachting aan.„Gelukkig dat ik u vind,” zeide hij hijgend, „gij moet niet naar het kamp gaan zonder mij.”„Ik ben er al geweest,” antwoordde ze en sloeg haar oogen neêr.Langzaam, met woorden die moeilijk kwamen en soms nauw hoorbaar waren, vertelde zij dat ze Rogier gezien had. Hij had haar niet verwelkomd en weinig gesproken.Op haar vraag of het waar was dat hij met een ander zou trouwen, had hij neen geschud, hij had haar hand gekust, maar niets gezegd. Hij had haar niet geantwoord. Zij had op haar knieën gesmeekt. Zij was toen heengegaan en hij had niets gezegd.Tamalone luisterde en zag naar de kleine gestalte naar ééne zijde gebogen door de zwaarte van het kind, achter haar verbleekte de avondzon in kwijnende warmte. Zij stonden zwijgend op den weg, in den schemer der hooge boomen. De monnik dorst niet te spreken. In de blaêren ritselde het, de stilte was wonderbaarlijk. En zoo stonden zij langen tijd starend naar het gele licht door het loof van de boomen, hun beider ademhaling was geregeld en zacht. En toen Mevena haar oogen opsloeg en hem aanzag, zeide hij:„Kom meê naar Simon en Josse—”Maar hij wist het van te voren, zij schudde het hoofd.„Neen, ik kan met u niet meêgaan. Mijn vader is dichtbij, daar ga ik heen.”„Maar uw vader...”„Hij zal me wel vergeven.” Even zweeg ze en herhaalde dan: „Ik kan niet meêgaan.”Tamalone voelde toen de beroering diep in hem zinken. Mevena was Mevena niet meer, maar een vrouw die van ongeluk stierf. Hij kon niet meer spreken.Toen, met tranen in haar oogen, nam zij zijn hand en kuste die; zij wilde heengaan, maar hief nogmaals zijn hand zachtjes op en kuste die weder—de monnik bewoog zich niet, hij zag haar heengaan met geruchtloozen tred, haar mantel was om het kind gewikkeld. De gestalte daalde en werd kleiner onder het duister der boomen, wier rustige bladeren hier en daar een weêrschijn vingen van ’t laatste gele licht dat aan den hemel blonk. De monnik keek haar roerloos na.
11Des nachts hielden zij aan een hoeve stil waar zij tot den ochtend wachten moesten, en zagen ver weg glorend het schijnsel der vuren van het keizerlijk kamp. De man, die voor hen opendeed was norsch eerst, maar Tamalone gaf hem geld en zoo werden zij binnen gelaten.Toen zij ontwaakten was het een schoone dag, de warme zon scheen aan den hemel en in de witte meiboomen, die voor het landhuis stonden, kweelden vele vogelen. Mevena wachtte buiten reeds vroeg op haar vriend om naar het kamp te rijden, doch hij scheen verstrooid van zin, hij draalde zoo lang en antwoordde zelden. Eindelijk echter steeg hij in het zadel, zijn handen en zijn borst flonkerden van juweelenen goud, zóó dat zij even verbaasd tot hem opzag, maar dan reden zij op een drafje voort. In de verte rees hoog in den hemel de geweldige burcht, zij wezen elkander de vonkjes der blinkende helmen die op de wallen bewogen. Vóór hen, den heuvel op, stonden tenten rij aan rij waartusschen zeer vele mannen en paarden wemelden en hier en daar zich een hooge stormtoren hief.Zij spraken geen van beide. Wel hield Tamalone zijn hoofd rechtop, want hij vertrouwde dat in den nood de fortuin hem redden zou, maar nu was het de dag, dat hij Mevena voor ’t laatst zou zien, zoodat al meer en meer in zijn hart de donkere weemoed zwol. Maar hij zat bedaard in het zadel. Bij de eerste krijgslieden die zij naderden, hield hij stil en vroeg een hoofdman waar heer Rogier was. En toen zag hij eensklaps dat het met hem gedaan was, zijn rijke kleedij zou hem niet meer baten, want hij had een ruiter zien komen, Montefeltre, die een aanzienlijk edelman was en hem eens ter dood had veroordeeld—die zou hem zeker herkennen. De ruiter keek naar hem terwijlhij met den hoofdman praatte; rondom hem in dit kamp waren ontelbare wapenlieden, naast hem reed stillekens Mevena met haar zuigend kind, hij wist niet hoe hij ontkomen zou. Doch zonder omkijken, recht in het zadel, reed hij voort en vroeg nog tweemalen den weg naar Rogier. Dan ging Mevena vlug vooruit wijl zij Carolus herkende en zij stegen af waar de grauwe tenten in een kring rondom de baander lagen, terwijl de brigadier verbaasd hen aanstaarde. Rogier, die haar zag, kwam toeloopen en nam haar in zijn armen, zij snikte hardop—toen deed Tamalone zijn oogen even toe, want zijn hart was zoo hevig daar hij wist, dat de soldaten van Montefeltre dadelijk zouden komen om hem weg te voeren en hij haar nimmer meer zou zièn, hij voelde voor ’t eerst van zijn leven de pijn van een diepe smart. Hij zag den ander met den arm om het lieve vrouwtje heengaan, glanzend van verliefde vreugde, rondom in ’t zonnelicht keken verbaasde gezichten. En eensklaps trad hij op Walid toe, nam hem bij den arm en stapte met hem heen; Carolus riep hunnog na, dat zij de paarden vergaten, maar daar zij niet hoorden zond hij een soldaat er mede hen achterna en ging in de schaduw terug waar hij zijn harnas schuurde.Het was maar weinig minuten later toen heer Montefeltre met zijn ruiters komende den brigadier toeriep of hij Tamalone had gezien; doch Walid, die juist naderde, antwoordde, dat de man bij den kapitein daarbinnen was.Rogier kwam uit de tent en hoorde den edelman aan; hij begreep niet waarom Tamalone een verrader werd genoemd, den gemeensten schelm in ’t land, en hij zeide op vriendelijken toon:„Maar hier in de tent is hij niet,” groette en ging weêr binnen.Messer Montefeltre beval zijn soldaten door het gansche kamp te zoeken. Zij vonden zijn muts met de roode pluimen, maar den broeder zagen zij nergens. Carolus stond met de handen in de zijde in de heete zon te kijken, verwonderd wat er gaande was. Doch toen hij daarna, terwijl Walid zachtjes lachte, overal naar zijn helm zocht kwam het eensklaps in hem op, dat demonnik dien zeker in zijn vlucht had medegenomen in plaats van zijn eigen muts. Hij vloekte, maar Walid zeide:„Die monnik is een slimme vogel.”—Rogier zat in het getemperd licht der tent dicht bij Mevena in dartele blijheid te praten en te vertellen, het kind sliep in een hoekje op het stroo en hoorde hen niet; met de armen om elkander zaten zij, hun oogen waren vol verwachting, zoet vloeiden hun woorden in warmen adem tot zij eindelijk in zwijgen enkel kusten. Mevena hoorde buiten ’t gerucht van krijgsvolk, staalklank en bevelen, en te wijlen den luiden toon van een klaroen. En onder de kussen die hij haar gaf vroeg zij met behaagziek vleien of zij nu naar Siremonte zouden gaan. Doch Rogier glimlachte slechts en antwoordde, dat hij dien dag immers niet heen kon gaan en ook den volgenden niet, want de keizer had zijn zin op den burcht gezet, zij moesten wachten, misschien zelfs tot de oorlog gedaan was, want de keizer was ongeduldig geworden toen hij gevraagd had het kamp te mogen verlaten een poos geleden; zij zou moeten wachten, in Pisaweder bij die ambachtslui waar zij veilig was voor haar vader. En middelerwijl zou hij een boodschapper naar Lugina zenden om hem te vragen vrienden te worden. Hij zwoer haar dat hij nog voor den zomer voorbij was weêr bij haar zou zijn; hij zou een rijk loon krijgen voor wat hij in den oorlog had gedaan, Mevena zou dan gelukkiger zijn in een grooter slot dan Siremonte. Het kind begon te krijten, zij nam het op om het drinken te geven; en het in haar armen sussend en wiegend zeide zij zachtkens, bescheiden dat zij wel zeer gelukkig zou wezen bij hem in een klein huis. Haar oogen zagen zoo droevig terwijl zij ’t zeide, dat Rogier ontroerde en naar den grond keek. Met een teeder sujah wiegde zij heen en weder; in de stilte die er was in de tent hoorden zij buiten de zware stem van den brigadier den naam van Tamalone noemen. Mevena bezon zich, dat de monnik heen zou gaan nu zij bij Rogier was; zij vroeg naar hem en toen zij hoorde, dat hij vervolgd werd door messer Montefeltre, schoon niemand wist waarom, en waarschijnlijk al gevangen was,toen schreeuwde ze en beefde op haar beenen. Zij smeekte Rogier dien goeden man te helpen, die hun beider beste vriend was, zij smeekte met aandrang, dat hij dadelijk moest gaan om te helpen, haar woorden waren snel van angst en het kindje schreide klagelijk meê, Rogier, verbluft eerst, antwoordde dat Montefeltre een groot man was en zekerlijk niet zonder reden den man een schelm had genoemd; maar haar aandrang was niet te wederstaan, haar weenen verteederde hem zóó dat hij de tent verliet.De soldaten hadden Tamalone niet gezien en Montefeltre, naar wien hij daarna ging, vertelde hem dat hij den broeder eindelijk hoopte te hangen, die hem al twee keeren was ontsnapt toen hij hem voor diefstal naar de galg had gestuurd; hij was de slimste bedrieger van het gansche land, hoewel hij fraaie manieren had, die behaagden; er waren ook vele edelen, die konden getuigen, dat hij alle de misdaden van den duivel bedreven had,—maar hij zou ditmaal niet ontkomen. Rogier echter twijfelde of het waar was wat hijhoorde en vroeg den ridder te wachten en te onderzoeken of zijn vriend dezelfde Tamalone was. Doch Montefeltre draaide slechts zijn groote snorren op en zag hem zoo beleedigend aan, dat hij toornig werd en op den grond stampend zwoer het te zullen wreken zoo zijn vriend eenig letsel werd aangedaan. In het kamp terug gekomen gaf hij bevel soldaten rond te zenden om den broeder te beschermen waar zij hem zagen. En Mevena was zeer gerust toen zij hoorde wat hij gedaan had.Des avonds zat zij bij hem op het stroo, eerst zeer langen tijd stil in gedachten, maar ten leste sprak zij en vroeg hem in lief gefluister haar toch niet àl te lang alleen te laten in de stad bij Simon en Josse... morgen zou zij er henen keeren. Maar hij nam allebei haar handen, kuste ze vele malen en zeide, dat zij te zamen zouden gaan, dat hij den keizer zou groeten en ’t krijgsvolk voorgoed verlaten, wantsindszij dien middag gezegd had, dat zij gelukkig zou wezen ook als zij niet aanzienlijk waren, was de roem dien hij gewonnen had hem heel niet waard, en hijhad gezworen alles voor haar geluk slechts te doen. Zijne stem trilde; op het tentdoek danste vaag het schijnsel van het wachtvuur daarbuiten, waar de trouwe hoofdlieden zaten te praten, in de duisternis voelde hij een zacht gelaat dicht bij het zijne. Zijn gemoed was rijk aan innigheid, hij wist, dat hij alleen, alleen de vrouw in zijn arm behoorde. Het was een schoone nacht voor die twee die elkander beminden, een lange schoone nacht van vreugde uit al grootere liefde in hun harten ontbloeid met kus na kus van lieven lust, hun vreugde was zoo zoet als de geuren van den kerseboom in ’t vroege jaar. Daarbuiten zat Carolus te praten, maar later was er geen gerucht meer.Des morgens steeg Rogier te paard om naar het einde van het kamp te rijden waar de keizer en zijn grooten in een slot hun kwartier hadden. Mevena bleef achter met haar kind, wachtend onder een boom. De lucht was hoog en warm en de soldaten deden rustig hun werk.De keizer zat voor het open venster te lezen in een zeer groot boek, zijn hoofdleunde in zijn handen gebogen voorover, zijn haren hingen langs zijn wangen en naast hem stond een schaal met fruit. Aan een andere tafel zat Theodoro de wijze te lezen. De een noch de ander verroerde zich. In de koele kamer werd slechts het ruischen der blaêren voor het venster gehoord en Rogier wachtte met de muts in de hand, de witte pluim hing naar beneden. Eindelijk richtte de keizer zijn hoofd op en keerde zich om, zijn baard was grijs en gekruld; hij hief zijn hand hoog op zooals een vriendelijk man doet wanneer hij vroolijk is en vroeg:„Is de burcht verrast, messer?”Rogier schudde zijn hoofd en zeide, dat hij gekomen was om oorlof te vragen en het leger te verlaten, immers daar hij gezworen had een lieve vrouw, die hij beminde, naar zijn kasteel van Siremonte te voeren. Maar terwijl hij sprak voelde hij, dat hij laf was en een onwaardig man om aldus voor een wensch van Mevena het recht van den keizer te verzaken. En hij schaamde zich. De vorst intusschen zat te luisteren met zijn hand aan zijnbaard en Theodoro, de oude man, zag bij wijlen op van zijn boek, maar las dan ongestoord weêr verder.Toen Rogier zweeg antwoordde de keizer knikkend, dat hij reeds wist hoe Lugina bedrogen was en dat diens dochter in het kamp was gekomen met een gauwdief. Maar Rogier kon immers met haar niet trouwen, tenzij hij in het verbond der pauselijke edelen ging en niet in Siremonte wilde wonen, in het gebied van den heer van Romano, die meer geducht was in ’t land dan de keizer zelf. Rogier haalde zijn schouders op en wilde antwoorden, doch de vorst sprak verder, dat hij hem als stadhouder over Toscane wilde stellen wanneer de burcht was gevallen en ried hem, indien hij de vrouw zoo zeer beminde, te wachten tot de oorlog voorbij was en Lugina onderdanig werd. Dit zeide de keizer vertrouwelijk met zijn hand op Rogiers schouder; dan richtte hij zich tot zijn volle grootte op en voegde er bij:„Vergeet niet, dat gij mij trouw hebt gezworen. En zoo ge ondanks mijn raad uw wil doet, zijt ge mijn vijand,” en reiktezijn hand, die het zegel des rijks aan een vinger droeg—Rogier boog en kuste haar, terwijl de sterrewijze hem toeknikte over zijn boek.De arts trad toen binnen door een knaap gevolgd, die een schaal droeg met gekruiden drank. En daar de keizer weder naar zijn tafel ging, groette messer Rogier en vertrok.Hij reed door de groene laan waar zoeltjes de wind in het loover speelde naar het kamp terug en was verheugd, dat hij een aanzienlijk man zou worden wanneer de burcht genomen was. Maar hij hield zijn vreugde in want hij dacht aan Mevena.De brigadier liep hem tegemoet om te zeggen, dat Tamalone niet te vinden was. Mevena, roerloos zittende in de schaduw van den boom, zag hem een breed gebaar maken en haar oogen waren groot open alsof zij vragen wilde wat nieuws hij bracht. Hij wees haar op te staan, hield de tent voor haar open en toen zij binnen waren zeide hij:„Ik moet hier blijven, Mevena, de keizer wil mij niet laten gaan.”Zij zag naar den grond en antwoordde niet. En hij sprak weêr:„Maar nog vóór de zomer voorbij is kom ik in Pisa, nog vóór Sint Michiel, nog vóór de winter komt, en dan zullen wij nooit meer scheiden, en gelukkig zijn.”Zij zweeg een pooze, maar dan sloeg zij haar oogen op en zeide:„Beloof mij gauw te komen, ik kan niet zoo lang meer alleen zijn...”En verteederd door het smeekend geluid harer stem sloeg hij zijn arm om haar schouder en kuste haar, maar zij week wat achteruit en vervolgde:„Hoe lang zal die oorlog nog duren, liefste? O het zal een tijd voor me zijn te wachten daarginds. En hoe zal ik weten—”Maar hij kuste haar weder op haar mond, sprak met luchtig goed vertrouwen en herhaalde, dat hij spoedig bij haar terug zou wezen. Dien ganschen dag zat zij in zich zelve gekeerd voor zich te staren en sloeg op haar kind maar zelden acht. Rogier liep buiten rond om bevelen te geven.Des nachts toen hij wakker werd tastte hij, maar voelde Mevena niet naast zich;hij richtte zich op en ontwaarde tegen het doek der tent, waarachter flauw een wachtvuur scheen, haar donkere figuur in knielende houding gebogen en hij hoorde het gefluister van een gebed. Ongeduldig lei hij zich weêr neder, zeide dat zij bij hem moest komen, doch zij bad voort en wachtend dommelde hij weêr in.Zij sliep dien ganschen nacht niet, want een gedurige onrust bedroefde haar gemoed, zoodat zij wel weenen wilde, maar haar oogen bleven droog; zij dacht er aldoor aan, dat zij weer heen zou gaan, zelfs zonder haar braven vriend Tamalone ditmaal; de vreeselijke gevaren van den oorlog zag zij haar geliefde steeds naderen en zij wist niet wat zij doen zou... Baldo had wel eens een lied gezongen van een vrouw, die als jonker aangedaan haar minnaar volgde—het was ook maar een lied geweest, want zij kon dat onmogelijk doen, er was voor haar en het kleine kind geen andere hulp dan te wachten tot hij terugkwam. Weemoediger dan ooit te voren voelde zij zich verlaten in de wereld, zij staarde gedurig in het duister en wist geenraad. En wanneer haar kindje schreide lei ze het gedachteloos aan haar borst, het wicht zoog in gretig welbehagen terwijl zijn moeders hoofd van droefheid gloeide.En toen de grauwe dageraad begon stak Carolus zijn hoofd binnen om zijn heer te wekken. Rogier keerde zich om op het stroo, vroeg of de paarden gereed waren en sloot zijn oogen weder. En het was weêr zeer stil in de tent. Mevena voelde zich moede, het kind sliep in haar arm. Dan klonken er stemmen. Rogier stond op, gaf haar een kus en trad naar buiten. En terwijl zij zich oprichtte om hem te volgen deed een groote onrust haar hart zoo hevig aan, dat zij angstig werd en draalde.In den neveligen ochtend stonden twee paarden, die door Carolus en Rogier werden opgetuigd; uit de tenten rondom klonk hier en daar het geluid van een snorkend slaper. Zij klommen zwijgend te paard en reden heen. Toen ontwaarde Mevena, terzijde kijkende, de gestalte van Walid die met zijn gele muts en gekruiste armen bij een wagen stond, even zag zij het witzijner oogen naar haar gericht—zij schrikte en beefde.Zoo lang zij in het kamp waren sprak haar minnaar niet, maar bij de laatste tenten, waar de boomen in dubbele rijen den dalenden weg verdonkerden, keek hij naar haar op en zag, dat zij bleek was en huiverde. Hij vroeg bezorgd wat haar scheelde, maar zij schudde het hoofd slechts en toen hij den schabrak van zijn paard om haar en het kind heensloeg, glimlachte in eenen haar heele gelaat van schoone liefheid, zoodat Rogier dichter bij haar rijdende zeide dat zij hem zéér dierbaar was en hij geen andere vrouw kon beminnen.Toen reden zij nog een poos met zoete woorden voort, terwijl achter hen over den heuvel de jonge zon aan de lucht verscheen. Maar waar de weg smaller werd en zich in tweeën deelde hield Rogier zijn paard in en zweeg een oogenblik. De stille morgen blonk wazig aan den hemel en over de groene boomen. Hij wilde haar vaarwel zeggen, maar het griefde hem zoo dat hij haar bedroefd had gemaakt en dat hij haar onrecht deed doorhaar alleen te laten gaan, hij had haar al zooveel beloofd. Doch hij bezon zich, dat het teêrhartigheid was zoo te denken, immers wanneer hij over eenige maanden een hoogen rang had kon hij weêr bij haar komen en zij zou gelukkig zijn. Hij nam haar in zijn armen zeggend, dat hij snel terug moest keeren, dat hij nog vóór Sint Michiel bij haar zou wezen en kuste vele malen haar bleek gelaat. Hij draalde nog, zijn wangen gloeiden, want hij voelde hoezeer hij haar beminde, die hem aanzag met groote oogen, en hij kuste haar weder, haar lippen, haar aangezicht en haar handen het laatst. Dan wendde hij den teugel en met een zwaai van den arm reed hij heen, zijn hengst galoppeerde brieschend den weg weêr op onder de boomen. Een eind verder keek hij om, haar paard stond bij de scheiding van den weg met neêrgebogen kop om te grazen, haar gestalte, met het kind in de armen, was onbewegelijk naar hem gekeerd.Enkele dagen later gaven de edelen, die het kasteel verdedigden zich over, zij waren tegen den honger niet bestand. En de keizer leidde zijn zoons en groote heerennaar de stad, waar zij in het paleis aan prachtige tafels zaten met Spaanschen wijn in de kannen en groote schalen vol gebraad en pasteien. Hij stelde Rogier tot stadhouder over het Toscaansche land en schonk hem den keten, de edelen klapten hun handen en de vedelaars maakten lustige muziek. Carolus liep met rood gelaat de zaal uit en dan weêr in, hij dronk vele bekers leêg en omhelsde Walid, zijn goeden vriend die dikwerf knikte, in groote blijdschap.Langzamerhand, terwijl de oversten bespraken hoe zij den tocht zouden voortzetten en Rogier aan zijn ambt was gewend, herinnerde hij zich, dat Mevena op hem wachtte. En hij schreef een brief aan haar vader, waarin hij hem zijn vriendschap bood en hem verzocht ter liefde van haar toch tot den keizer te keeren.Hij kreeg geen antwoord, maar weken later kwam er een boodschapper van den heer van Romano, zijn gevreesden verwant, die in een bondigen brief hem gebood de dochter van Lugina heen te zenden.En de volgende dagen zat hij, wanneer er geen heeren waren die met hem praatten,alleen in de hooge zaal en dacht aan haar, die pas een jaar geleden hem het wonderlijkst geluk had gegeven, die hij meer had begeerd dan zijn leven toen hij met pijnen in de bergen lag, en hij peinsde of hij haar waarlijk voor goed kon verlaten. In den gloed van een oogenblik had hij soms wel geloofd, dat de roem van een groot man in het land te zijn hem niet bekoorde, maar hij wist dat het niet waar was, want hij had van zijn jongste jaren niets anders verlangd, tot hij op een zomeravond Mevena in schuchtere lieftalligheid voorbij had zien gaan. En hij verbeeldde zich hoe zijn leven geweest zou zijn indien hij niet bij den keizer was gekomen, maar haar naar zijn kasteel had gebracht: Siremonte was een zeer oud huis, waar het in de kamers altoos donker was, in den hof groeiden de struiken wild en ook op den wal over de graven der vroegere bewoners: de lieden die de akkers bouwden waren nooddruftig—hij had het slot verlaten toen hij een knaap was en zou er niet weêr kunnen leven nu hij een rijk stadhouder was.Hij wist wel, dat hij niet anders doenkon dan den keizer en vooral messer Romano verzoeken, nederig verzoeken, dat hij haar tot vrouw mocht nemen. Maar Romano was een vreeselijk man, die nog kort geleden velen van hun eigen geslacht had veroordeeld wegens hun ongehoorzaamheid.In zijn twijfel en beslommering nam hij den machtigen heer van Lancia in zijn vertrouwen. De markgraaf, die zeer bejaard was, lachte kalmpjes. Hij wist niet dat Rogier nog aan het meisje dacht, hij sprak over zijn eigen dochters, hij sprak langen tijd bedaard en overtuigend.Als hij alleen was staarde Rogier dikwijls voor zich, in gevoelige oprechtheid denkend wat hem het meest waard was. Maar wanneer hij bedacht wat hij doen zou als hij het verlof niet kreeg, zuchtte hij en herinnerde zich Walid, die gezegd had, dat de bloedsteen hem leed zou brengen.En des nachts werd hij somtijds wakker en zag in zijn verbeelding Mevena die schreide.
11
Des nachts hielden zij aan een hoeve stil waar zij tot den ochtend wachten moesten, en zagen ver weg glorend het schijnsel der vuren van het keizerlijk kamp. De man, die voor hen opendeed was norsch eerst, maar Tamalone gaf hem geld en zoo werden zij binnen gelaten.Toen zij ontwaakten was het een schoone dag, de warme zon scheen aan den hemel en in de witte meiboomen, die voor het landhuis stonden, kweelden vele vogelen. Mevena wachtte buiten reeds vroeg op haar vriend om naar het kamp te rijden, doch hij scheen verstrooid van zin, hij draalde zoo lang en antwoordde zelden. Eindelijk echter steeg hij in het zadel, zijn handen en zijn borst flonkerden van juweelenen goud, zóó dat zij even verbaasd tot hem opzag, maar dan reden zij op een drafje voort. In de verte rees hoog in den hemel de geweldige burcht, zij wezen elkander de vonkjes der blinkende helmen die op de wallen bewogen. Vóór hen, den heuvel op, stonden tenten rij aan rij waartusschen zeer vele mannen en paarden wemelden en hier en daar zich een hooge stormtoren hief.Zij spraken geen van beide. Wel hield Tamalone zijn hoofd rechtop, want hij vertrouwde dat in den nood de fortuin hem redden zou, maar nu was het de dag, dat hij Mevena voor ’t laatst zou zien, zoodat al meer en meer in zijn hart de donkere weemoed zwol. Maar hij zat bedaard in het zadel. Bij de eerste krijgslieden die zij naderden, hield hij stil en vroeg een hoofdman waar heer Rogier was. En toen zag hij eensklaps dat het met hem gedaan was, zijn rijke kleedij zou hem niet meer baten, want hij had een ruiter zien komen, Montefeltre, die een aanzienlijk edelman was en hem eens ter dood had veroordeeld—die zou hem zeker herkennen. De ruiter keek naar hem terwijlhij met den hoofdman praatte; rondom hem in dit kamp waren ontelbare wapenlieden, naast hem reed stillekens Mevena met haar zuigend kind, hij wist niet hoe hij ontkomen zou. Doch zonder omkijken, recht in het zadel, reed hij voort en vroeg nog tweemalen den weg naar Rogier. Dan ging Mevena vlug vooruit wijl zij Carolus herkende en zij stegen af waar de grauwe tenten in een kring rondom de baander lagen, terwijl de brigadier verbaasd hen aanstaarde. Rogier, die haar zag, kwam toeloopen en nam haar in zijn armen, zij snikte hardop—toen deed Tamalone zijn oogen even toe, want zijn hart was zoo hevig daar hij wist, dat de soldaten van Montefeltre dadelijk zouden komen om hem weg te voeren en hij haar nimmer meer zou zièn, hij voelde voor ’t eerst van zijn leven de pijn van een diepe smart. Hij zag den ander met den arm om het lieve vrouwtje heengaan, glanzend van verliefde vreugde, rondom in ’t zonnelicht keken verbaasde gezichten. En eensklaps trad hij op Walid toe, nam hem bij den arm en stapte met hem heen; Carolus riep hunnog na, dat zij de paarden vergaten, maar daar zij niet hoorden zond hij een soldaat er mede hen achterna en ging in de schaduw terug waar hij zijn harnas schuurde.Het was maar weinig minuten later toen heer Montefeltre met zijn ruiters komende den brigadier toeriep of hij Tamalone had gezien; doch Walid, die juist naderde, antwoordde, dat de man bij den kapitein daarbinnen was.Rogier kwam uit de tent en hoorde den edelman aan; hij begreep niet waarom Tamalone een verrader werd genoemd, den gemeensten schelm in ’t land, en hij zeide op vriendelijken toon:„Maar hier in de tent is hij niet,” groette en ging weêr binnen.Messer Montefeltre beval zijn soldaten door het gansche kamp te zoeken. Zij vonden zijn muts met de roode pluimen, maar den broeder zagen zij nergens. Carolus stond met de handen in de zijde in de heete zon te kijken, verwonderd wat er gaande was. Doch toen hij daarna, terwijl Walid zachtjes lachte, overal naar zijn helm zocht kwam het eensklaps in hem op, dat demonnik dien zeker in zijn vlucht had medegenomen in plaats van zijn eigen muts. Hij vloekte, maar Walid zeide:„Die monnik is een slimme vogel.”—Rogier zat in het getemperd licht der tent dicht bij Mevena in dartele blijheid te praten en te vertellen, het kind sliep in een hoekje op het stroo en hoorde hen niet; met de armen om elkander zaten zij, hun oogen waren vol verwachting, zoet vloeiden hun woorden in warmen adem tot zij eindelijk in zwijgen enkel kusten. Mevena hoorde buiten ’t gerucht van krijgsvolk, staalklank en bevelen, en te wijlen den luiden toon van een klaroen. En onder de kussen die hij haar gaf vroeg zij met behaagziek vleien of zij nu naar Siremonte zouden gaan. Doch Rogier glimlachte slechts en antwoordde, dat hij dien dag immers niet heen kon gaan en ook den volgenden niet, want de keizer had zijn zin op den burcht gezet, zij moesten wachten, misschien zelfs tot de oorlog gedaan was, want de keizer was ongeduldig geworden toen hij gevraagd had het kamp te mogen verlaten een poos geleden; zij zou moeten wachten, in Pisaweder bij die ambachtslui waar zij veilig was voor haar vader. En middelerwijl zou hij een boodschapper naar Lugina zenden om hem te vragen vrienden te worden. Hij zwoer haar dat hij nog voor den zomer voorbij was weêr bij haar zou zijn; hij zou een rijk loon krijgen voor wat hij in den oorlog had gedaan, Mevena zou dan gelukkiger zijn in een grooter slot dan Siremonte. Het kind begon te krijten, zij nam het op om het drinken te geven; en het in haar armen sussend en wiegend zeide zij zachtkens, bescheiden dat zij wel zeer gelukkig zou wezen bij hem in een klein huis. Haar oogen zagen zoo droevig terwijl zij ’t zeide, dat Rogier ontroerde en naar den grond keek. Met een teeder sujah wiegde zij heen en weder; in de stilte die er was in de tent hoorden zij buiten de zware stem van den brigadier den naam van Tamalone noemen. Mevena bezon zich, dat de monnik heen zou gaan nu zij bij Rogier was; zij vroeg naar hem en toen zij hoorde, dat hij vervolgd werd door messer Montefeltre, schoon niemand wist waarom, en waarschijnlijk al gevangen was,toen schreeuwde ze en beefde op haar beenen. Zij smeekte Rogier dien goeden man te helpen, die hun beider beste vriend was, zij smeekte met aandrang, dat hij dadelijk moest gaan om te helpen, haar woorden waren snel van angst en het kindje schreide klagelijk meê, Rogier, verbluft eerst, antwoordde dat Montefeltre een groot man was en zekerlijk niet zonder reden den man een schelm had genoemd; maar haar aandrang was niet te wederstaan, haar weenen verteederde hem zóó dat hij de tent verliet.De soldaten hadden Tamalone niet gezien en Montefeltre, naar wien hij daarna ging, vertelde hem dat hij den broeder eindelijk hoopte te hangen, die hem al twee keeren was ontsnapt toen hij hem voor diefstal naar de galg had gestuurd; hij was de slimste bedrieger van het gansche land, hoewel hij fraaie manieren had, die behaagden; er waren ook vele edelen, die konden getuigen, dat hij alle de misdaden van den duivel bedreven had,—maar hij zou ditmaal niet ontkomen. Rogier echter twijfelde of het waar was wat hijhoorde en vroeg den ridder te wachten en te onderzoeken of zijn vriend dezelfde Tamalone was. Doch Montefeltre draaide slechts zijn groote snorren op en zag hem zoo beleedigend aan, dat hij toornig werd en op den grond stampend zwoer het te zullen wreken zoo zijn vriend eenig letsel werd aangedaan. In het kamp terug gekomen gaf hij bevel soldaten rond te zenden om den broeder te beschermen waar zij hem zagen. En Mevena was zeer gerust toen zij hoorde wat hij gedaan had.Des avonds zat zij bij hem op het stroo, eerst zeer langen tijd stil in gedachten, maar ten leste sprak zij en vroeg hem in lief gefluister haar toch niet àl te lang alleen te laten in de stad bij Simon en Josse... morgen zou zij er henen keeren. Maar hij nam allebei haar handen, kuste ze vele malen en zeide, dat zij te zamen zouden gaan, dat hij den keizer zou groeten en ’t krijgsvolk voorgoed verlaten, wantsindszij dien middag gezegd had, dat zij gelukkig zou wezen ook als zij niet aanzienlijk waren, was de roem dien hij gewonnen had hem heel niet waard, en hijhad gezworen alles voor haar geluk slechts te doen. Zijne stem trilde; op het tentdoek danste vaag het schijnsel van het wachtvuur daarbuiten, waar de trouwe hoofdlieden zaten te praten, in de duisternis voelde hij een zacht gelaat dicht bij het zijne. Zijn gemoed was rijk aan innigheid, hij wist, dat hij alleen, alleen de vrouw in zijn arm behoorde. Het was een schoone nacht voor die twee die elkander beminden, een lange schoone nacht van vreugde uit al grootere liefde in hun harten ontbloeid met kus na kus van lieven lust, hun vreugde was zoo zoet als de geuren van den kerseboom in ’t vroege jaar. Daarbuiten zat Carolus te praten, maar later was er geen gerucht meer.Des morgens steeg Rogier te paard om naar het einde van het kamp te rijden waar de keizer en zijn grooten in een slot hun kwartier hadden. Mevena bleef achter met haar kind, wachtend onder een boom. De lucht was hoog en warm en de soldaten deden rustig hun werk.De keizer zat voor het open venster te lezen in een zeer groot boek, zijn hoofdleunde in zijn handen gebogen voorover, zijn haren hingen langs zijn wangen en naast hem stond een schaal met fruit. Aan een andere tafel zat Theodoro de wijze te lezen. De een noch de ander verroerde zich. In de koele kamer werd slechts het ruischen der blaêren voor het venster gehoord en Rogier wachtte met de muts in de hand, de witte pluim hing naar beneden. Eindelijk richtte de keizer zijn hoofd op en keerde zich om, zijn baard was grijs en gekruld; hij hief zijn hand hoog op zooals een vriendelijk man doet wanneer hij vroolijk is en vroeg:„Is de burcht verrast, messer?”Rogier schudde zijn hoofd en zeide, dat hij gekomen was om oorlof te vragen en het leger te verlaten, immers daar hij gezworen had een lieve vrouw, die hij beminde, naar zijn kasteel van Siremonte te voeren. Maar terwijl hij sprak voelde hij, dat hij laf was en een onwaardig man om aldus voor een wensch van Mevena het recht van den keizer te verzaken. En hij schaamde zich. De vorst intusschen zat te luisteren met zijn hand aan zijnbaard en Theodoro, de oude man, zag bij wijlen op van zijn boek, maar las dan ongestoord weêr verder.Toen Rogier zweeg antwoordde de keizer knikkend, dat hij reeds wist hoe Lugina bedrogen was en dat diens dochter in het kamp was gekomen met een gauwdief. Maar Rogier kon immers met haar niet trouwen, tenzij hij in het verbond der pauselijke edelen ging en niet in Siremonte wilde wonen, in het gebied van den heer van Romano, die meer geducht was in ’t land dan de keizer zelf. Rogier haalde zijn schouders op en wilde antwoorden, doch de vorst sprak verder, dat hij hem als stadhouder over Toscane wilde stellen wanneer de burcht was gevallen en ried hem, indien hij de vrouw zoo zeer beminde, te wachten tot de oorlog voorbij was en Lugina onderdanig werd. Dit zeide de keizer vertrouwelijk met zijn hand op Rogiers schouder; dan richtte hij zich tot zijn volle grootte op en voegde er bij:„Vergeet niet, dat gij mij trouw hebt gezworen. En zoo ge ondanks mijn raad uw wil doet, zijt ge mijn vijand,” en reiktezijn hand, die het zegel des rijks aan een vinger droeg—Rogier boog en kuste haar, terwijl de sterrewijze hem toeknikte over zijn boek.De arts trad toen binnen door een knaap gevolgd, die een schaal droeg met gekruiden drank. En daar de keizer weder naar zijn tafel ging, groette messer Rogier en vertrok.Hij reed door de groene laan waar zoeltjes de wind in het loover speelde naar het kamp terug en was verheugd, dat hij een aanzienlijk man zou worden wanneer de burcht genomen was. Maar hij hield zijn vreugde in want hij dacht aan Mevena.De brigadier liep hem tegemoet om te zeggen, dat Tamalone niet te vinden was. Mevena, roerloos zittende in de schaduw van den boom, zag hem een breed gebaar maken en haar oogen waren groot open alsof zij vragen wilde wat nieuws hij bracht. Hij wees haar op te staan, hield de tent voor haar open en toen zij binnen waren zeide hij:„Ik moet hier blijven, Mevena, de keizer wil mij niet laten gaan.”Zij zag naar den grond en antwoordde niet. En hij sprak weêr:„Maar nog vóór de zomer voorbij is kom ik in Pisa, nog vóór Sint Michiel, nog vóór de winter komt, en dan zullen wij nooit meer scheiden, en gelukkig zijn.”Zij zweeg een pooze, maar dan sloeg zij haar oogen op en zeide:„Beloof mij gauw te komen, ik kan niet zoo lang meer alleen zijn...”En verteederd door het smeekend geluid harer stem sloeg hij zijn arm om haar schouder en kuste haar, maar zij week wat achteruit en vervolgde:„Hoe lang zal die oorlog nog duren, liefste? O het zal een tijd voor me zijn te wachten daarginds. En hoe zal ik weten—”Maar hij kuste haar weder op haar mond, sprak met luchtig goed vertrouwen en herhaalde, dat hij spoedig bij haar terug zou wezen. Dien ganschen dag zat zij in zich zelve gekeerd voor zich te staren en sloeg op haar kind maar zelden acht. Rogier liep buiten rond om bevelen te geven.Des nachts toen hij wakker werd tastte hij, maar voelde Mevena niet naast zich;hij richtte zich op en ontwaarde tegen het doek der tent, waarachter flauw een wachtvuur scheen, haar donkere figuur in knielende houding gebogen en hij hoorde het gefluister van een gebed. Ongeduldig lei hij zich weêr neder, zeide dat zij bij hem moest komen, doch zij bad voort en wachtend dommelde hij weêr in.Zij sliep dien ganschen nacht niet, want een gedurige onrust bedroefde haar gemoed, zoodat zij wel weenen wilde, maar haar oogen bleven droog; zij dacht er aldoor aan, dat zij weer heen zou gaan, zelfs zonder haar braven vriend Tamalone ditmaal; de vreeselijke gevaren van den oorlog zag zij haar geliefde steeds naderen en zij wist niet wat zij doen zou... Baldo had wel eens een lied gezongen van een vrouw, die als jonker aangedaan haar minnaar volgde—het was ook maar een lied geweest, want zij kon dat onmogelijk doen, er was voor haar en het kleine kind geen andere hulp dan te wachten tot hij terugkwam. Weemoediger dan ooit te voren voelde zij zich verlaten in de wereld, zij staarde gedurig in het duister en wist geenraad. En wanneer haar kindje schreide lei ze het gedachteloos aan haar borst, het wicht zoog in gretig welbehagen terwijl zijn moeders hoofd van droefheid gloeide.En toen de grauwe dageraad begon stak Carolus zijn hoofd binnen om zijn heer te wekken. Rogier keerde zich om op het stroo, vroeg of de paarden gereed waren en sloot zijn oogen weder. En het was weêr zeer stil in de tent. Mevena voelde zich moede, het kind sliep in haar arm. Dan klonken er stemmen. Rogier stond op, gaf haar een kus en trad naar buiten. En terwijl zij zich oprichtte om hem te volgen deed een groote onrust haar hart zoo hevig aan, dat zij angstig werd en draalde.In den neveligen ochtend stonden twee paarden, die door Carolus en Rogier werden opgetuigd; uit de tenten rondom klonk hier en daar het geluid van een snorkend slaper. Zij klommen zwijgend te paard en reden heen. Toen ontwaarde Mevena, terzijde kijkende, de gestalte van Walid die met zijn gele muts en gekruiste armen bij een wagen stond, even zag zij het witzijner oogen naar haar gericht—zij schrikte en beefde.Zoo lang zij in het kamp waren sprak haar minnaar niet, maar bij de laatste tenten, waar de boomen in dubbele rijen den dalenden weg verdonkerden, keek hij naar haar op en zag, dat zij bleek was en huiverde. Hij vroeg bezorgd wat haar scheelde, maar zij schudde het hoofd slechts en toen hij den schabrak van zijn paard om haar en het kind heensloeg, glimlachte in eenen haar heele gelaat van schoone liefheid, zoodat Rogier dichter bij haar rijdende zeide dat zij hem zéér dierbaar was en hij geen andere vrouw kon beminnen.Toen reden zij nog een poos met zoete woorden voort, terwijl achter hen over den heuvel de jonge zon aan de lucht verscheen. Maar waar de weg smaller werd en zich in tweeën deelde hield Rogier zijn paard in en zweeg een oogenblik. De stille morgen blonk wazig aan den hemel en over de groene boomen. Hij wilde haar vaarwel zeggen, maar het griefde hem zoo dat hij haar bedroefd had gemaakt en dat hij haar onrecht deed doorhaar alleen te laten gaan, hij had haar al zooveel beloofd. Doch hij bezon zich, dat het teêrhartigheid was zoo te denken, immers wanneer hij over eenige maanden een hoogen rang had kon hij weêr bij haar komen en zij zou gelukkig zijn. Hij nam haar in zijn armen zeggend, dat hij snel terug moest keeren, dat hij nog vóór Sint Michiel bij haar zou wezen en kuste vele malen haar bleek gelaat. Hij draalde nog, zijn wangen gloeiden, want hij voelde hoezeer hij haar beminde, die hem aanzag met groote oogen, en hij kuste haar weder, haar lippen, haar aangezicht en haar handen het laatst. Dan wendde hij den teugel en met een zwaai van den arm reed hij heen, zijn hengst galoppeerde brieschend den weg weêr op onder de boomen. Een eind verder keek hij om, haar paard stond bij de scheiding van den weg met neêrgebogen kop om te grazen, haar gestalte, met het kind in de armen, was onbewegelijk naar hem gekeerd.Enkele dagen later gaven de edelen, die het kasteel verdedigden zich over, zij waren tegen den honger niet bestand. En de keizer leidde zijn zoons en groote heerennaar de stad, waar zij in het paleis aan prachtige tafels zaten met Spaanschen wijn in de kannen en groote schalen vol gebraad en pasteien. Hij stelde Rogier tot stadhouder over het Toscaansche land en schonk hem den keten, de edelen klapten hun handen en de vedelaars maakten lustige muziek. Carolus liep met rood gelaat de zaal uit en dan weêr in, hij dronk vele bekers leêg en omhelsde Walid, zijn goeden vriend die dikwerf knikte, in groote blijdschap.Langzamerhand, terwijl de oversten bespraken hoe zij den tocht zouden voortzetten en Rogier aan zijn ambt was gewend, herinnerde hij zich, dat Mevena op hem wachtte. En hij schreef een brief aan haar vader, waarin hij hem zijn vriendschap bood en hem verzocht ter liefde van haar toch tot den keizer te keeren.Hij kreeg geen antwoord, maar weken later kwam er een boodschapper van den heer van Romano, zijn gevreesden verwant, die in een bondigen brief hem gebood de dochter van Lugina heen te zenden.En de volgende dagen zat hij, wanneer er geen heeren waren die met hem praatten,alleen in de hooge zaal en dacht aan haar, die pas een jaar geleden hem het wonderlijkst geluk had gegeven, die hij meer had begeerd dan zijn leven toen hij met pijnen in de bergen lag, en hij peinsde of hij haar waarlijk voor goed kon verlaten. In den gloed van een oogenblik had hij soms wel geloofd, dat de roem van een groot man in het land te zijn hem niet bekoorde, maar hij wist dat het niet waar was, want hij had van zijn jongste jaren niets anders verlangd, tot hij op een zomeravond Mevena in schuchtere lieftalligheid voorbij had zien gaan. En hij verbeeldde zich hoe zijn leven geweest zou zijn indien hij niet bij den keizer was gekomen, maar haar naar zijn kasteel had gebracht: Siremonte was een zeer oud huis, waar het in de kamers altoos donker was, in den hof groeiden de struiken wild en ook op den wal over de graven der vroegere bewoners: de lieden die de akkers bouwden waren nooddruftig—hij had het slot verlaten toen hij een knaap was en zou er niet weêr kunnen leven nu hij een rijk stadhouder was.Hij wist wel, dat hij niet anders doenkon dan den keizer en vooral messer Romano verzoeken, nederig verzoeken, dat hij haar tot vrouw mocht nemen. Maar Romano was een vreeselijk man, die nog kort geleden velen van hun eigen geslacht had veroordeeld wegens hun ongehoorzaamheid.In zijn twijfel en beslommering nam hij den machtigen heer van Lancia in zijn vertrouwen. De markgraaf, die zeer bejaard was, lachte kalmpjes. Hij wist niet dat Rogier nog aan het meisje dacht, hij sprak over zijn eigen dochters, hij sprak langen tijd bedaard en overtuigend.Als hij alleen was staarde Rogier dikwijls voor zich, in gevoelige oprechtheid denkend wat hem het meest waard was. Maar wanneer hij bedacht wat hij doen zou als hij het verlof niet kreeg, zuchtte hij en herinnerde zich Walid, die gezegd had, dat de bloedsteen hem leed zou brengen.En des nachts werd hij somtijds wakker en zag in zijn verbeelding Mevena die schreide.
Des nachts hielden zij aan een hoeve stil waar zij tot den ochtend wachten moesten, en zagen ver weg glorend het schijnsel der vuren van het keizerlijk kamp. De man, die voor hen opendeed was norsch eerst, maar Tamalone gaf hem geld en zoo werden zij binnen gelaten.
Toen zij ontwaakten was het een schoone dag, de warme zon scheen aan den hemel en in de witte meiboomen, die voor het landhuis stonden, kweelden vele vogelen. Mevena wachtte buiten reeds vroeg op haar vriend om naar het kamp te rijden, doch hij scheen verstrooid van zin, hij draalde zoo lang en antwoordde zelden. Eindelijk echter steeg hij in het zadel, zijn handen en zijn borst flonkerden van juweelenen goud, zóó dat zij even verbaasd tot hem opzag, maar dan reden zij op een drafje voort. In de verte rees hoog in den hemel de geweldige burcht, zij wezen elkander de vonkjes der blinkende helmen die op de wallen bewogen. Vóór hen, den heuvel op, stonden tenten rij aan rij waartusschen zeer vele mannen en paarden wemelden en hier en daar zich een hooge stormtoren hief.
Zij spraken geen van beide. Wel hield Tamalone zijn hoofd rechtop, want hij vertrouwde dat in den nood de fortuin hem redden zou, maar nu was het de dag, dat hij Mevena voor ’t laatst zou zien, zoodat al meer en meer in zijn hart de donkere weemoed zwol. Maar hij zat bedaard in het zadel. Bij de eerste krijgslieden die zij naderden, hield hij stil en vroeg een hoofdman waar heer Rogier was. En toen zag hij eensklaps dat het met hem gedaan was, zijn rijke kleedij zou hem niet meer baten, want hij had een ruiter zien komen, Montefeltre, die een aanzienlijk edelman was en hem eens ter dood had veroordeeld—die zou hem zeker herkennen. De ruiter keek naar hem terwijlhij met den hoofdman praatte; rondom hem in dit kamp waren ontelbare wapenlieden, naast hem reed stillekens Mevena met haar zuigend kind, hij wist niet hoe hij ontkomen zou. Doch zonder omkijken, recht in het zadel, reed hij voort en vroeg nog tweemalen den weg naar Rogier. Dan ging Mevena vlug vooruit wijl zij Carolus herkende en zij stegen af waar de grauwe tenten in een kring rondom de baander lagen, terwijl de brigadier verbaasd hen aanstaarde. Rogier, die haar zag, kwam toeloopen en nam haar in zijn armen, zij snikte hardop—toen deed Tamalone zijn oogen even toe, want zijn hart was zoo hevig daar hij wist, dat de soldaten van Montefeltre dadelijk zouden komen om hem weg te voeren en hij haar nimmer meer zou zièn, hij voelde voor ’t eerst van zijn leven de pijn van een diepe smart. Hij zag den ander met den arm om het lieve vrouwtje heengaan, glanzend van verliefde vreugde, rondom in ’t zonnelicht keken verbaasde gezichten. En eensklaps trad hij op Walid toe, nam hem bij den arm en stapte met hem heen; Carolus riep hunnog na, dat zij de paarden vergaten, maar daar zij niet hoorden zond hij een soldaat er mede hen achterna en ging in de schaduw terug waar hij zijn harnas schuurde.
Het was maar weinig minuten later toen heer Montefeltre met zijn ruiters komende den brigadier toeriep of hij Tamalone had gezien; doch Walid, die juist naderde, antwoordde, dat de man bij den kapitein daarbinnen was.
Rogier kwam uit de tent en hoorde den edelman aan; hij begreep niet waarom Tamalone een verrader werd genoemd, den gemeensten schelm in ’t land, en hij zeide op vriendelijken toon:
„Maar hier in de tent is hij niet,” groette en ging weêr binnen.
Messer Montefeltre beval zijn soldaten door het gansche kamp te zoeken. Zij vonden zijn muts met de roode pluimen, maar den broeder zagen zij nergens. Carolus stond met de handen in de zijde in de heete zon te kijken, verwonderd wat er gaande was. Doch toen hij daarna, terwijl Walid zachtjes lachte, overal naar zijn helm zocht kwam het eensklaps in hem op, dat demonnik dien zeker in zijn vlucht had medegenomen in plaats van zijn eigen muts. Hij vloekte, maar Walid zeide:
„Die monnik is een slimme vogel.”—
Rogier zat in het getemperd licht der tent dicht bij Mevena in dartele blijheid te praten en te vertellen, het kind sliep in een hoekje op het stroo en hoorde hen niet; met de armen om elkander zaten zij, hun oogen waren vol verwachting, zoet vloeiden hun woorden in warmen adem tot zij eindelijk in zwijgen enkel kusten. Mevena hoorde buiten ’t gerucht van krijgsvolk, staalklank en bevelen, en te wijlen den luiden toon van een klaroen. En onder de kussen die hij haar gaf vroeg zij met behaagziek vleien of zij nu naar Siremonte zouden gaan. Doch Rogier glimlachte slechts en antwoordde, dat hij dien dag immers niet heen kon gaan en ook den volgenden niet, want de keizer had zijn zin op den burcht gezet, zij moesten wachten, misschien zelfs tot de oorlog gedaan was, want de keizer was ongeduldig geworden toen hij gevraagd had het kamp te mogen verlaten een poos geleden; zij zou moeten wachten, in Pisaweder bij die ambachtslui waar zij veilig was voor haar vader. En middelerwijl zou hij een boodschapper naar Lugina zenden om hem te vragen vrienden te worden. Hij zwoer haar dat hij nog voor den zomer voorbij was weêr bij haar zou zijn; hij zou een rijk loon krijgen voor wat hij in den oorlog had gedaan, Mevena zou dan gelukkiger zijn in een grooter slot dan Siremonte. Het kind begon te krijten, zij nam het op om het drinken te geven; en het in haar armen sussend en wiegend zeide zij zachtkens, bescheiden dat zij wel zeer gelukkig zou wezen bij hem in een klein huis. Haar oogen zagen zoo droevig terwijl zij ’t zeide, dat Rogier ontroerde en naar den grond keek. Met een teeder sujah wiegde zij heen en weder; in de stilte die er was in de tent hoorden zij buiten de zware stem van den brigadier den naam van Tamalone noemen. Mevena bezon zich, dat de monnik heen zou gaan nu zij bij Rogier was; zij vroeg naar hem en toen zij hoorde, dat hij vervolgd werd door messer Montefeltre, schoon niemand wist waarom, en waarschijnlijk al gevangen was,toen schreeuwde ze en beefde op haar beenen. Zij smeekte Rogier dien goeden man te helpen, die hun beider beste vriend was, zij smeekte met aandrang, dat hij dadelijk moest gaan om te helpen, haar woorden waren snel van angst en het kindje schreide klagelijk meê, Rogier, verbluft eerst, antwoordde dat Montefeltre een groot man was en zekerlijk niet zonder reden den man een schelm had genoemd; maar haar aandrang was niet te wederstaan, haar weenen verteederde hem zóó dat hij de tent verliet.
De soldaten hadden Tamalone niet gezien en Montefeltre, naar wien hij daarna ging, vertelde hem dat hij den broeder eindelijk hoopte te hangen, die hem al twee keeren was ontsnapt toen hij hem voor diefstal naar de galg had gestuurd; hij was de slimste bedrieger van het gansche land, hoewel hij fraaie manieren had, die behaagden; er waren ook vele edelen, die konden getuigen, dat hij alle de misdaden van den duivel bedreven had,—maar hij zou ditmaal niet ontkomen. Rogier echter twijfelde of het waar was wat hijhoorde en vroeg den ridder te wachten en te onderzoeken of zijn vriend dezelfde Tamalone was. Doch Montefeltre draaide slechts zijn groote snorren op en zag hem zoo beleedigend aan, dat hij toornig werd en op den grond stampend zwoer het te zullen wreken zoo zijn vriend eenig letsel werd aangedaan. In het kamp terug gekomen gaf hij bevel soldaten rond te zenden om den broeder te beschermen waar zij hem zagen. En Mevena was zeer gerust toen zij hoorde wat hij gedaan had.
Des avonds zat zij bij hem op het stroo, eerst zeer langen tijd stil in gedachten, maar ten leste sprak zij en vroeg hem in lief gefluister haar toch niet àl te lang alleen te laten in de stad bij Simon en Josse... morgen zou zij er henen keeren. Maar hij nam allebei haar handen, kuste ze vele malen en zeide, dat zij te zamen zouden gaan, dat hij den keizer zou groeten en ’t krijgsvolk voorgoed verlaten, wantsindszij dien middag gezegd had, dat zij gelukkig zou wezen ook als zij niet aanzienlijk waren, was de roem dien hij gewonnen had hem heel niet waard, en hijhad gezworen alles voor haar geluk slechts te doen. Zijne stem trilde; op het tentdoek danste vaag het schijnsel van het wachtvuur daarbuiten, waar de trouwe hoofdlieden zaten te praten, in de duisternis voelde hij een zacht gelaat dicht bij het zijne. Zijn gemoed was rijk aan innigheid, hij wist, dat hij alleen, alleen de vrouw in zijn arm behoorde. Het was een schoone nacht voor die twee die elkander beminden, een lange schoone nacht van vreugde uit al grootere liefde in hun harten ontbloeid met kus na kus van lieven lust, hun vreugde was zoo zoet als de geuren van den kerseboom in ’t vroege jaar. Daarbuiten zat Carolus te praten, maar later was er geen gerucht meer.
Des morgens steeg Rogier te paard om naar het einde van het kamp te rijden waar de keizer en zijn grooten in een slot hun kwartier hadden. Mevena bleef achter met haar kind, wachtend onder een boom. De lucht was hoog en warm en de soldaten deden rustig hun werk.
De keizer zat voor het open venster te lezen in een zeer groot boek, zijn hoofdleunde in zijn handen gebogen voorover, zijn haren hingen langs zijn wangen en naast hem stond een schaal met fruit. Aan een andere tafel zat Theodoro de wijze te lezen. De een noch de ander verroerde zich. In de koele kamer werd slechts het ruischen der blaêren voor het venster gehoord en Rogier wachtte met de muts in de hand, de witte pluim hing naar beneden. Eindelijk richtte de keizer zijn hoofd op en keerde zich om, zijn baard was grijs en gekruld; hij hief zijn hand hoog op zooals een vriendelijk man doet wanneer hij vroolijk is en vroeg:
„Is de burcht verrast, messer?”
Rogier schudde zijn hoofd en zeide, dat hij gekomen was om oorlof te vragen en het leger te verlaten, immers daar hij gezworen had een lieve vrouw, die hij beminde, naar zijn kasteel van Siremonte te voeren. Maar terwijl hij sprak voelde hij, dat hij laf was en een onwaardig man om aldus voor een wensch van Mevena het recht van den keizer te verzaken. En hij schaamde zich. De vorst intusschen zat te luisteren met zijn hand aan zijnbaard en Theodoro, de oude man, zag bij wijlen op van zijn boek, maar las dan ongestoord weêr verder.
Toen Rogier zweeg antwoordde de keizer knikkend, dat hij reeds wist hoe Lugina bedrogen was en dat diens dochter in het kamp was gekomen met een gauwdief. Maar Rogier kon immers met haar niet trouwen, tenzij hij in het verbond der pauselijke edelen ging en niet in Siremonte wilde wonen, in het gebied van den heer van Romano, die meer geducht was in ’t land dan de keizer zelf. Rogier haalde zijn schouders op en wilde antwoorden, doch de vorst sprak verder, dat hij hem als stadhouder over Toscane wilde stellen wanneer de burcht was gevallen en ried hem, indien hij de vrouw zoo zeer beminde, te wachten tot de oorlog voorbij was en Lugina onderdanig werd. Dit zeide de keizer vertrouwelijk met zijn hand op Rogiers schouder; dan richtte hij zich tot zijn volle grootte op en voegde er bij:
„Vergeet niet, dat gij mij trouw hebt gezworen. En zoo ge ondanks mijn raad uw wil doet, zijt ge mijn vijand,” en reiktezijn hand, die het zegel des rijks aan een vinger droeg—Rogier boog en kuste haar, terwijl de sterrewijze hem toeknikte over zijn boek.
De arts trad toen binnen door een knaap gevolgd, die een schaal droeg met gekruiden drank. En daar de keizer weder naar zijn tafel ging, groette messer Rogier en vertrok.
Hij reed door de groene laan waar zoeltjes de wind in het loover speelde naar het kamp terug en was verheugd, dat hij een aanzienlijk man zou worden wanneer de burcht genomen was. Maar hij hield zijn vreugde in want hij dacht aan Mevena.
De brigadier liep hem tegemoet om te zeggen, dat Tamalone niet te vinden was. Mevena, roerloos zittende in de schaduw van den boom, zag hem een breed gebaar maken en haar oogen waren groot open alsof zij vragen wilde wat nieuws hij bracht. Hij wees haar op te staan, hield de tent voor haar open en toen zij binnen waren zeide hij:
„Ik moet hier blijven, Mevena, de keizer wil mij niet laten gaan.”
Zij zag naar den grond en antwoordde niet. En hij sprak weêr:
„Maar nog vóór de zomer voorbij is kom ik in Pisa, nog vóór Sint Michiel, nog vóór de winter komt, en dan zullen wij nooit meer scheiden, en gelukkig zijn.”
Zij zweeg een pooze, maar dan sloeg zij haar oogen op en zeide:
„Beloof mij gauw te komen, ik kan niet zoo lang meer alleen zijn...”
En verteederd door het smeekend geluid harer stem sloeg hij zijn arm om haar schouder en kuste haar, maar zij week wat achteruit en vervolgde:
„Hoe lang zal die oorlog nog duren, liefste? O het zal een tijd voor me zijn te wachten daarginds. En hoe zal ik weten—”
Maar hij kuste haar weder op haar mond, sprak met luchtig goed vertrouwen en herhaalde, dat hij spoedig bij haar terug zou wezen. Dien ganschen dag zat zij in zich zelve gekeerd voor zich te staren en sloeg op haar kind maar zelden acht. Rogier liep buiten rond om bevelen te geven.
Des nachts toen hij wakker werd tastte hij, maar voelde Mevena niet naast zich;hij richtte zich op en ontwaarde tegen het doek der tent, waarachter flauw een wachtvuur scheen, haar donkere figuur in knielende houding gebogen en hij hoorde het gefluister van een gebed. Ongeduldig lei hij zich weêr neder, zeide dat zij bij hem moest komen, doch zij bad voort en wachtend dommelde hij weêr in.
Zij sliep dien ganschen nacht niet, want een gedurige onrust bedroefde haar gemoed, zoodat zij wel weenen wilde, maar haar oogen bleven droog; zij dacht er aldoor aan, dat zij weer heen zou gaan, zelfs zonder haar braven vriend Tamalone ditmaal; de vreeselijke gevaren van den oorlog zag zij haar geliefde steeds naderen en zij wist niet wat zij doen zou... Baldo had wel eens een lied gezongen van een vrouw, die als jonker aangedaan haar minnaar volgde—het was ook maar een lied geweest, want zij kon dat onmogelijk doen, er was voor haar en het kleine kind geen andere hulp dan te wachten tot hij terugkwam. Weemoediger dan ooit te voren voelde zij zich verlaten in de wereld, zij staarde gedurig in het duister en wist geenraad. En wanneer haar kindje schreide lei ze het gedachteloos aan haar borst, het wicht zoog in gretig welbehagen terwijl zijn moeders hoofd van droefheid gloeide.
En toen de grauwe dageraad begon stak Carolus zijn hoofd binnen om zijn heer te wekken. Rogier keerde zich om op het stroo, vroeg of de paarden gereed waren en sloot zijn oogen weder. En het was weêr zeer stil in de tent. Mevena voelde zich moede, het kind sliep in haar arm. Dan klonken er stemmen. Rogier stond op, gaf haar een kus en trad naar buiten. En terwijl zij zich oprichtte om hem te volgen deed een groote onrust haar hart zoo hevig aan, dat zij angstig werd en draalde.
In den neveligen ochtend stonden twee paarden, die door Carolus en Rogier werden opgetuigd; uit de tenten rondom klonk hier en daar het geluid van een snorkend slaper. Zij klommen zwijgend te paard en reden heen. Toen ontwaarde Mevena, terzijde kijkende, de gestalte van Walid die met zijn gele muts en gekruiste armen bij een wagen stond, even zag zij het witzijner oogen naar haar gericht—zij schrikte en beefde.
Zoo lang zij in het kamp waren sprak haar minnaar niet, maar bij de laatste tenten, waar de boomen in dubbele rijen den dalenden weg verdonkerden, keek hij naar haar op en zag, dat zij bleek was en huiverde. Hij vroeg bezorgd wat haar scheelde, maar zij schudde het hoofd slechts en toen hij den schabrak van zijn paard om haar en het kind heensloeg, glimlachte in eenen haar heele gelaat van schoone liefheid, zoodat Rogier dichter bij haar rijdende zeide dat zij hem zéér dierbaar was en hij geen andere vrouw kon beminnen.
Toen reden zij nog een poos met zoete woorden voort, terwijl achter hen over den heuvel de jonge zon aan de lucht verscheen. Maar waar de weg smaller werd en zich in tweeën deelde hield Rogier zijn paard in en zweeg een oogenblik. De stille morgen blonk wazig aan den hemel en over de groene boomen. Hij wilde haar vaarwel zeggen, maar het griefde hem zoo dat hij haar bedroefd had gemaakt en dat hij haar onrecht deed doorhaar alleen te laten gaan, hij had haar al zooveel beloofd. Doch hij bezon zich, dat het teêrhartigheid was zoo te denken, immers wanneer hij over eenige maanden een hoogen rang had kon hij weêr bij haar komen en zij zou gelukkig zijn. Hij nam haar in zijn armen zeggend, dat hij snel terug moest keeren, dat hij nog vóór Sint Michiel bij haar zou wezen en kuste vele malen haar bleek gelaat. Hij draalde nog, zijn wangen gloeiden, want hij voelde hoezeer hij haar beminde, die hem aanzag met groote oogen, en hij kuste haar weder, haar lippen, haar aangezicht en haar handen het laatst. Dan wendde hij den teugel en met een zwaai van den arm reed hij heen, zijn hengst galoppeerde brieschend den weg weêr op onder de boomen. Een eind verder keek hij om, haar paard stond bij de scheiding van den weg met neêrgebogen kop om te grazen, haar gestalte, met het kind in de armen, was onbewegelijk naar hem gekeerd.
Enkele dagen later gaven de edelen, die het kasteel verdedigden zich over, zij waren tegen den honger niet bestand. En de keizer leidde zijn zoons en groote heerennaar de stad, waar zij in het paleis aan prachtige tafels zaten met Spaanschen wijn in de kannen en groote schalen vol gebraad en pasteien. Hij stelde Rogier tot stadhouder over het Toscaansche land en schonk hem den keten, de edelen klapten hun handen en de vedelaars maakten lustige muziek. Carolus liep met rood gelaat de zaal uit en dan weêr in, hij dronk vele bekers leêg en omhelsde Walid, zijn goeden vriend die dikwerf knikte, in groote blijdschap.
Langzamerhand, terwijl de oversten bespraken hoe zij den tocht zouden voortzetten en Rogier aan zijn ambt was gewend, herinnerde hij zich, dat Mevena op hem wachtte. En hij schreef een brief aan haar vader, waarin hij hem zijn vriendschap bood en hem verzocht ter liefde van haar toch tot den keizer te keeren.
Hij kreeg geen antwoord, maar weken later kwam er een boodschapper van den heer van Romano, zijn gevreesden verwant, die in een bondigen brief hem gebood de dochter van Lugina heen te zenden.
En de volgende dagen zat hij, wanneer er geen heeren waren die met hem praatten,alleen in de hooge zaal en dacht aan haar, die pas een jaar geleden hem het wonderlijkst geluk had gegeven, die hij meer had begeerd dan zijn leven toen hij met pijnen in de bergen lag, en hij peinsde of hij haar waarlijk voor goed kon verlaten. In den gloed van een oogenblik had hij soms wel geloofd, dat de roem van een groot man in het land te zijn hem niet bekoorde, maar hij wist dat het niet waar was, want hij had van zijn jongste jaren niets anders verlangd, tot hij op een zomeravond Mevena in schuchtere lieftalligheid voorbij had zien gaan. En hij verbeeldde zich hoe zijn leven geweest zou zijn indien hij niet bij den keizer was gekomen, maar haar naar zijn kasteel had gebracht: Siremonte was een zeer oud huis, waar het in de kamers altoos donker was, in den hof groeiden de struiken wild en ook op den wal over de graven der vroegere bewoners: de lieden die de akkers bouwden waren nooddruftig—hij had het slot verlaten toen hij een knaap was en zou er niet weêr kunnen leven nu hij een rijk stadhouder was.
Hij wist wel, dat hij niet anders doenkon dan den keizer en vooral messer Romano verzoeken, nederig verzoeken, dat hij haar tot vrouw mocht nemen. Maar Romano was een vreeselijk man, die nog kort geleden velen van hun eigen geslacht had veroordeeld wegens hun ongehoorzaamheid.
In zijn twijfel en beslommering nam hij den machtigen heer van Lancia in zijn vertrouwen. De markgraaf, die zeer bejaard was, lachte kalmpjes. Hij wist niet dat Rogier nog aan het meisje dacht, hij sprak over zijn eigen dochters, hij sprak langen tijd bedaard en overtuigend.
Als hij alleen was staarde Rogier dikwijls voor zich, in gevoelige oprechtheid denkend wat hem het meest waard was. Maar wanneer hij bedacht wat hij doen zou als hij het verlof niet kreeg, zuchtte hij en herinnerde zich Walid, die gezegd had, dat de bloedsteen hem leed zou brengen.
En des nachts werd hij somtijds wakker en zag in zijn verbeelding Mevena die schreide.
12Over de zonnige wegen ging Tamalone, thans weêr in een pij gekleed, eenzaam als voorheen en gelijk voorheen ook, toen hij pas uit het klooster gevlucht was, vermeed hij de menschen, daar hun vragen wie hij was, van waar hij kwam en waarheen zijn tocht ging, hem ergerden en het langdurig zwijgen zijner eigen stem hem een genot was.Onder den ruimen hemel en met het groene land rondom was de eenzaamheid hem vroeger een zachte rust geweest, een eenvoudige vreugde van te zwerven zoo ’t hèm behaagde en te aanschouwen hoe de wisselvalligheden zich opdeden in hùnnen loop.Nu echter, wanneer hij in de verte eengehucht zag onder wat boomen, stond hij stil en zette zich neder in het gewas aan den weg, schuw voor wat er mooglijk kon gebeuren als hij daarginder kwam, nieuwe gezichten zag en praten moest. Het teeder denken aan den winter, die voorbij was, was vol lieve figuren en liet hem geen rust; met zijn hoofd, al vermoeid van het voorover buigen dien heelen dag, in de beide handen geleund, zat hij daar uren lang tot de zon van den hemel ging, en trachtte aan Mevena alleen te denken. Hij meende dat zijn verblijf met haar een avontuur was geweest, een heerlijke tijd weliswaar, dien hij zich altoos met innigen ernst zou herinneren, doch in zijn diepste wezen niet meer dan nog een vervlogen illusie, zooals er hem sedert zijn jongensjaren zoovele hadden verlaten, die slechts wederkwamen in een zeldzamen zaligen droom. Het leek nu zoo vreemd alleen aan den weg te zitten; het pover landschap rondom waar slechts een paar koeien graasden, stil in ’t brooze schemerlicht, en ginder wat boomen goedig in een groepje bij elkander stonden, kwam hem zoo bijzonder voor of hij ’t al eerderhad gezien; doch van ouds al kende hij dit onuitsprekelijk gevoel—een vermoeid wandelaar hoort zoo in den aanvang des avonds geluiden die niet bestaan, of ziet een lichtjen in de schaduw en weet dat hij zich vergist, maar in gepeinzen gaat hij verder, twijfelend over vele dingen.Tamalone wist, dat wat hij had ondervonden en wat hij ooit in verbeelding doorleefd had, niet anders verschilde dan dat hij het eerste vreesde—duidelijk bewust thans vreesde—en het ander beminde; Mevena was slechts een naam die hem bekoorde, haar gelaat zou wel van lieverlede vager worden en uit zijn stille gedachten vergaan—was zelfs zijn jonge vroomheid in de dagen van het klooster niet eveneens verleden en voorbij? Geen van zijn liefste begeerten zou ooit waarlijk gebeuren, van al zijn droomen zou er geen ooit tastbaar geluk zijn, maar hij had er altijd zachtjes om gelachen en zich verwonderd wanneer hij van ongeluk hoorde. Wel school er in ’t heimelijk van zijn hart een gevoelen, het heiligst dat hij had—het was een noodlottige zekerheid—, dathij eenmaal nog een groote werkelijkheid zou ervaren, gelijk de ondervindingen zoo smartelijk van echtheid, dat hij door de stem van enkele lieden die hij er van had hooren verhalen een vreemde benauwing gevoeld had; de een was een man bedrogen door zijn vrouw, de ander een moeder wier kind was gestorven, een derde was blind geworden, doch onder die allen was er geen enkel zwerver, die zooals hij ter wereld niets bezat, niets dan een pij—en een pij die maar schijn was. De glanzende dagen echter, die hij in den winkel van Simon had doorgebracht, zouden in zijn herinnering blijven als een wandeling door prachtige bloemlanen, zwaar van geuren onder de zomerlucht, hij zou er geen traan om laten en zij waren niet de groote gebeurtenis welke hij van kindsbeen al vreesde en begeerde beide. En hij wilde wel weten of mogelijk die donkere zekerheid het voorgevoel was, dat nooit wordt bewaarheid.De avond daalde over de heuvelen, de klank der bellekens die de koeien droegen werd kleiner in de verte en zoo hij eenbed wilde hebben voor de boeren in ’t gehucht te ruste waren, moest hij voort.Vroeg in den dag verliet hij de dorpers weder en ging zwijgend den klaren weg langs, tevreden in ’t kalm stralende zonlicht. En bij het eind van zijn dagreis zat hij weer onbeweeglijk op den grond, met inwendig geluid liefkoozend den naam te herhalen van een vrouw, die ver in den schemer waarde, en de stilte over het land verontrustte hem in hoogere mate dan den avond te voren. Zijn hoofd was vol van teedere heugenis en verdrietigheid, de donkere aarde zweeg, zelfs in den hemel, van licht verlaten, vloot de weemoed gelijk de glimlach van een kind dat geschreid heeft. Hij wist niet wat de kommernis die hem drukte beduidde, hij begreep niet hoe de menschen met bewonderend smachten verhalen konden doen van groote passie, van het leed dat zij aanbaden als de zuiverste deugd—en hij herinnerde zich, dat hij zelf alsindsjaren heimlijk dit ééne verlangd had, zijn allergrootste passie. Het klopte in zijn borst en in gejaagde haast vervolgde hij zijn reis in den avond.Toen hij tot de kalmte was wedergekeerd, zag hij dat hij niet behoefde te vreezen, de vrouw aan wie hij dacht was immers een beeld maar en zou nimmer werkelijkheid worden, een beeld van zijn eigen ontroering; zijn lieve vrijheid zou hij behouden. De rust die deze gedachte hem gaf was als de stilte in het bosch wanneer de herfst al nadert.Op een Zondag trad hij de poorten van Lucca binnen, waarheen de weg dien hij gevolgd had voerde. Daar hij honger had zocht hij de woning van een oudbekende, Marco genaamd, een bezadigd man die metalen mengde en studeerde. Toen de oude man de deur opende was hij even verrast; dan begroette hij Tamalone vriendelijk, leidde hem naar zijn werkplaats, gaf hem eten en drinken en hernam bedaard zijn bezigheid met het schoonmaken van gereedschappen. De monnik at in stilte en zag hem begaan, buiten in de lichte straat lachten de burgers van zondagspret; hij herinnerde zich zijn drukken leerlingstijd en wist dat Marco hem een luiaard vond.Een poosje later hoorde de grijsaardeen zucht; hij ging door met zijn kroezen en vroeg wat er scheelde.„Ik ben moê,” was het antwoord.„Gij ziet er bleek uit, broeder; gij moest liever werken dan van ’t eene klooster naar ’t ander gaan en gedurig bidden.”Tamalone glimlachte. De woorden echter hielden hem dien nacht lang uit den slaap, hij twijfelde of het noodig zou wezen een middel te zoeken tegen de onrust, die al heviger roerde. Hij had toen een droom waarin hij overvloedig weende en verbaasde vreugde voelde om twee schoone oogen. De rest van den nacht, waarvan hij het einde wakend verbeidde, lag hij te mijmeren of hij ooit door een toeval Mevena weder zou zien.Dagen lang kwam hij in de woning van Marco slapen, overdag was hij altijd uit. Er waren vele bekenden in de stad, die hem ontmoetten en medenamen naar huis; terwijl zij hem onthaalden moest hij dan van den oorlog vertellen, of zij verwachtten kwinkslagen van hem zooals zij gewoon waren. En Tamalone praatte in luchtigen scherts, maar hij had een weêrzin tegenhun vroolijke gezichten. Het deed hem vreemd aan den toonval van zijn stem zoo week te hooren. En in het drukke gezelschap voelde hij een gedurigen drang om ergens in een lommerrijk landschap op het gras te liggen en zich over te geven aan de bekoring van neêrslachtigheid.Laat thuis komende eens vond hij in de werkplaats van zijn vriend den ouden Lugina, die in het rustig licht zat te wachten en Marco gadesloeg in zijn arbeid. Mevena’s vader schudde hem de hand in vriendschappelijke opgetogenheid, hij had hem lang gezocht, zeide hij. Maar daar de monnik er zeer vermoeid uitzag zou hij hem nu verlaten en hem morgen vroeg verwachten; Lugina klopte hem vertrouwelijk op den schouder en ging heen.Toen hij weg was zat Tamalone te staren met opgerimpeld voorhoofd, mijmerend over Mevena en of misschien haar vaders komst hem geluk zou brengen. Hij had den man bedrogen, zijn belofte om Rogier te vermoorden was hij nooit voornemens geweest te houden; hij moest dus morgeniets verzinnen. Marco was in zijn studie verdiept en stond aandachtig naar een vloeistof te kijken, dien hij in een fleschje ophield tegen het licht, terwijl achter hem in een armstoel de luie monnik voor het eerst sedert vele dagen weêr vroolijk werd en geluidloos zat te lachen bij de gedachte, hoe hij Lugina misleid had en zijn dochter ontvoerd. Doch weêr ernstig geworden besefte hij, dat Mevena zelve in gevaar zou verkeeren zoo haar vader haar vond. Hij moest hem op een dwaalspoor leiden en hij had weldra een sluw bedenksel gereed.Des anderen daags vond hij Lugina reeds buiten de herberg op hem wachtend in de straat onder den hoogen dom. De edelman liep hem lachend tegemoet, de grillige zomerkoelte speelde in zijn paarsen mantel; hij nam den monnik bij den arm en vertrouwelijk naast elkander gaande wandelden zij de stadspoort uit. De een noch de ander sprak een woord, zij wachtten beiden of de ander zou beginnen en zagen omzichtig rond. De glanzende wolkjes lagen traag in den hemel van het ééne verreverschiet waar de heuvelen in vage tinteling verliepen, tot het ander; de klare akkerlanden waren rijp en in heete stoving, op sommige grasvelden, waar gemaaid was, rustten boeren in zwaren slaap. De weg liep door dunne boompjes met weinig schaduw.Eindelijk sprak Lugina en vertelde hoe hij ook zijn dochter nog te wreken had. De monnik antwoordde, dat hij wist wat er gebeurd was, ook had hij Rogier wel gevonden, maar hij had zijn belofte nog niet kunnen volvoeren. Toen hoorde hij verbaasd, dat Lugina zelf met alle vier zijn zoons zijn vijand gevolgd had van kamp tot kamp, dat hij wist waar Rogier, die stadhouder was geworden, zich bevond met het meisje, en dat ook haar broeders daar waren op dit oogenblik... Tamalone bleef staan, zijn oogen waren wijd open en in zijn starre verbazing zag hij den ouden man, met fel gelaat, die plotseling een dolk in de hand hield en naar hem stiet, maar even plotseling bukte hij, greep zijn aanvaller bij de beenen en wierp hem op den grond. Even aarzelde hij of hij vechtenzou, hij voelde den schrik nog van wat hij gehoord had; dan keerde hij zich om en liep snel heen, zonder een enkelen keer achter zich te zien, waar Lugina midden op den weg hem na stond te kijken met den dolk, die een blank lichtje schoot, in de geheven hand.Het was een smalle weg door de korenlanden, de zon scheen overal en het felst op de boompjes, waarvan hij door een bocht soms de kruinen al in de verte zag schitteren. Tamalone voelde zich gejaagd. Hij wilde naar de stad waar Mevena was, maar hij vreesde zijn vijanden; zoo hij slechts Rogier kon waarschuwen over haar te waken—haar broeders waren nabij, misschien was er al een ongeluk gebeurd en wat kon hij zelf nu doen, die vervolgd werd door de hatelijke edelen in ’t leger? Maar hij hoopte, dat hij een boodschap kon zenden. Hij liep met snelle stappen, het mulle stof steeg in wolkjes om zijn voeten op, zijn gelaat was gloeiend en bezweet.Nadat hij den lievelangen dag recht voor zich starend en in krieuwende angst wasgegaan, het licht verkoelde en de hemel ruimer werd, was hij aan een troosteloos moerasland gekomen waardoor de weg met velerlei kronkeling voerde. Hij vond toen water om zijn dorst te koelen, over de plassen zweefden de dampen. De lucht werd blank en teeder, uit de verte dreef de schemer nader, westwaarts talmden nog tinten in ’t ijl verschiet. De monnik, zich haastend met groote schreden, voelde zich angstig in de barheid der vlakte, zijn schichtige schaduw die hem vóór ging over het rusch en de poelen deed bij wijlen een reiger met verschrikt gerucht de vleugels uitslaan en heenvliegen in schuine richting.En hoe meer de duisternis zich vergaârde over het armzalig rietland rondom, zoo dichter en hooger stegen de nevelen. Doch Tamalone sloeg er geen acht op, hij liep slechts te rekenen hoe ver hij van de stad was en of hij haar in den morgen kon bereiken; soms sprak hij plotseling woorden en maakte een gebaar met zijn arm.Op eens hoorde hij dat zijn schreden, die hem vermoeiden, gedempt klonken en het kwam bij hem op, dat hij niet meerop ’t pad liep... plots bleef hij staan en zag rondom zich rillend van schrik: hij was verdwaald in de duisternis en door den mist kon hij de lucht van daareven niet meer zien.Hij bukte neder om naar den weg te voelen, de grond was modderig en nat. Hij moest teruggaan, om alles ter wereld teruggaan, hij moest naar de stad, maar wist den weg niet meer en de ochtend was nog ver. Dan knielde hij voorzichtig neêr en tastte rond naar de indrukken van zijn voetstappen—en daar, geknield voorovergebogen in het moerasland, in den suizenden nachtmist, dacht hij aan een vrouw, die hem ’t liefst ter wereld was, en dacht hij of hij hier zou sterven ver van de stad. Zijn oogen weenden vrijelijk en terwijl hij langzaam voortkroop over het slik, zoekend naar zijn spoor, snikte hij hardop zijn rampzaligheid uit, snikte voor het eerst van zijn leven, het was een schrikkelijk geluid in het donker. Maar het verstierf in dien kouden nacht zonder einde, het verzwakte en zweeg. En de strenge stilte duurde lang.Ten langen leste, hijgend en rillend, vond hij den harden bodem des wegs, zijn armen zwikten en hij zeeg neder op zijn borst. Het was een zachte rust die hem slaperig maakte.Dan hief hij zijn hoofd van den grond, er stond een lichtlooze maan boven de dampen van ’t laagland. Tamalone rees, strekte zijn beenen en liep voort langs den weg hopend de stad nog vroeg te bereiken.Bij den dageraad begon het land weêr te rijzen, het eerste zomerlicht dartelde met gouden munt door het kalme loover van de boomen, dat licht zoo vertrouwelijk en zóó lief, datTamalonezijn armen ophief en riep en lachte van innig gevoelde vreugde.Hij stond niet stil, doch liep voort en voort, tot hij een paar landlieden zag op weg naar hun werk, die hem vertelden, dat de keizer met zijn leger vertrokken was, de stadhouder was er bij. Toen zette hij zich zeer vermoeid aan den rand van een gelen akker om te rusten; hij leunde achterover om naar een vroege bij te zien,die gonsde in ’t ochtendlicht, een zachte koelte speelde door de bladertjes van een populier,—zijn oogen sloten en hij sliep in tusschen het koren, waarvan enkele aren rustig wieglend over hem neder bogen.
12
Over de zonnige wegen ging Tamalone, thans weêr in een pij gekleed, eenzaam als voorheen en gelijk voorheen ook, toen hij pas uit het klooster gevlucht was, vermeed hij de menschen, daar hun vragen wie hij was, van waar hij kwam en waarheen zijn tocht ging, hem ergerden en het langdurig zwijgen zijner eigen stem hem een genot was.Onder den ruimen hemel en met het groene land rondom was de eenzaamheid hem vroeger een zachte rust geweest, een eenvoudige vreugde van te zwerven zoo ’t hèm behaagde en te aanschouwen hoe de wisselvalligheden zich opdeden in hùnnen loop.Nu echter, wanneer hij in de verte eengehucht zag onder wat boomen, stond hij stil en zette zich neder in het gewas aan den weg, schuw voor wat er mooglijk kon gebeuren als hij daarginder kwam, nieuwe gezichten zag en praten moest. Het teeder denken aan den winter, die voorbij was, was vol lieve figuren en liet hem geen rust; met zijn hoofd, al vermoeid van het voorover buigen dien heelen dag, in de beide handen geleund, zat hij daar uren lang tot de zon van den hemel ging, en trachtte aan Mevena alleen te denken. Hij meende dat zijn verblijf met haar een avontuur was geweest, een heerlijke tijd weliswaar, dien hij zich altoos met innigen ernst zou herinneren, doch in zijn diepste wezen niet meer dan nog een vervlogen illusie, zooals er hem sedert zijn jongensjaren zoovele hadden verlaten, die slechts wederkwamen in een zeldzamen zaligen droom. Het leek nu zoo vreemd alleen aan den weg te zitten; het pover landschap rondom waar slechts een paar koeien graasden, stil in ’t brooze schemerlicht, en ginder wat boomen goedig in een groepje bij elkander stonden, kwam hem zoo bijzonder voor of hij ’t al eerderhad gezien; doch van ouds al kende hij dit onuitsprekelijk gevoel—een vermoeid wandelaar hoort zoo in den aanvang des avonds geluiden die niet bestaan, of ziet een lichtjen in de schaduw en weet dat hij zich vergist, maar in gepeinzen gaat hij verder, twijfelend over vele dingen.Tamalone wist, dat wat hij had ondervonden en wat hij ooit in verbeelding doorleefd had, niet anders verschilde dan dat hij het eerste vreesde—duidelijk bewust thans vreesde—en het ander beminde; Mevena was slechts een naam die hem bekoorde, haar gelaat zou wel van lieverlede vager worden en uit zijn stille gedachten vergaan—was zelfs zijn jonge vroomheid in de dagen van het klooster niet eveneens verleden en voorbij? Geen van zijn liefste begeerten zou ooit waarlijk gebeuren, van al zijn droomen zou er geen ooit tastbaar geluk zijn, maar hij had er altijd zachtjes om gelachen en zich verwonderd wanneer hij van ongeluk hoorde. Wel school er in ’t heimelijk van zijn hart een gevoelen, het heiligst dat hij had—het was een noodlottige zekerheid—, dathij eenmaal nog een groote werkelijkheid zou ervaren, gelijk de ondervindingen zoo smartelijk van echtheid, dat hij door de stem van enkele lieden die hij er van had hooren verhalen een vreemde benauwing gevoeld had; de een was een man bedrogen door zijn vrouw, de ander een moeder wier kind was gestorven, een derde was blind geworden, doch onder die allen was er geen enkel zwerver, die zooals hij ter wereld niets bezat, niets dan een pij—en een pij die maar schijn was. De glanzende dagen echter, die hij in den winkel van Simon had doorgebracht, zouden in zijn herinnering blijven als een wandeling door prachtige bloemlanen, zwaar van geuren onder de zomerlucht, hij zou er geen traan om laten en zij waren niet de groote gebeurtenis welke hij van kindsbeen al vreesde en begeerde beide. En hij wilde wel weten of mogelijk die donkere zekerheid het voorgevoel was, dat nooit wordt bewaarheid.De avond daalde over de heuvelen, de klank der bellekens die de koeien droegen werd kleiner in de verte en zoo hij eenbed wilde hebben voor de boeren in ’t gehucht te ruste waren, moest hij voort.Vroeg in den dag verliet hij de dorpers weder en ging zwijgend den klaren weg langs, tevreden in ’t kalm stralende zonlicht. En bij het eind van zijn dagreis zat hij weer onbeweeglijk op den grond, met inwendig geluid liefkoozend den naam te herhalen van een vrouw, die ver in den schemer waarde, en de stilte over het land verontrustte hem in hoogere mate dan den avond te voren. Zijn hoofd was vol van teedere heugenis en verdrietigheid, de donkere aarde zweeg, zelfs in den hemel, van licht verlaten, vloot de weemoed gelijk de glimlach van een kind dat geschreid heeft. Hij wist niet wat de kommernis die hem drukte beduidde, hij begreep niet hoe de menschen met bewonderend smachten verhalen konden doen van groote passie, van het leed dat zij aanbaden als de zuiverste deugd—en hij herinnerde zich, dat hij zelf alsindsjaren heimlijk dit ééne verlangd had, zijn allergrootste passie. Het klopte in zijn borst en in gejaagde haast vervolgde hij zijn reis in den avond.Toen hij tot de kalmte was wedergekeerd, zag hij dat hij niet behoefde te vreezen, de vrouw aan wie hij dacht was immers een beeld maar en zou nimmer werkelijkheid worden, een beeld van zijn eigen ontroering; zijn lieve vrijheid zou hij behouden. De rust die deze gedachte hem gaf was als de stilte in het bosch wanneer de herfst al nadert.Op een Zondag trad hij de poorten van Lucca binnen, waarheen de weg dien hij gevolgd had voerde. Daar hij honger had zocht hij de woning van een oudbekende, Marco genaamd, een bezadigd man die metalen mengde en studeerde. Toen de oude man de deur opende was hij even verrast; dan begroette hij Tamalone vriendelijk, leidde hem naar zijn werkplaats, gaf hem eten en drinken en hernam bedaard zijn bezigheid met het schoonmaken van gereedschappen. De monnik at in stilte en zag hem begaan, buiten in de lichte straat lachten de burgers van zondagspret; hij herinnerde zich zijn drukken leerlingstijd en wist dat Marco hem een luiaard vond.Een poosje later hoorde de grijsaardeen zucht; hij ging door met zijn kroezen en vroeg wat er scheelde.„Ik ben moê,” was het antwoord.„Gij ziet er bleek uit, broeder; gij moest liever werken dan van ’t eene klooster naar ’t ander gaan en gedurig bidden.”Tamalone glimlachte. De woorden echter hielden hem dien nacht lang uit den slaap, hij twijfelde of het noodig zou wezen een middel te zoeken tegen de onrust, die al heviger roerde. Hij had toen een droom waarin hij overvloedig weende en verbaasde vreugde voelde om twee schoone oogen. De rest van den nacht, waarvan hij het einde wakend verbeidde, lag hij te mijmeren of hij ooit door een toeval Mevena weder zou zien.Dagen lang kwam hij in de woning van Marco slapen, overdag was hij altijd uit. Er waren vele bekenden in de stad, die hem ontmoetten en medenamen naar huis; terwijl zij hem onthaalden moest hij dan van den oorlog vertellen, of zij verwachtten kwinkslagen van hem zooals zij gewoon waren. En Tamalone praatte in luchtigen scherts, maar hij had een weêrzin tegenhun vroolijke gezichten. Het deed hem vreemd aan den toonval van zijn stem zoo week te hooren. En in het drukke gezelschap voelde hij een gedurigen drang om ergens in een lommerrijk landschap op het gras te liggen en zich over te geven aan de bekoring van neêrslachtigheid.Laat thuis komende eens vond hij in de werkplaats van zijn vriend den ouden Lugina, die in het rustig licht zat te wachten en Marco gadesloeg in zijn arbeid. Mevena’s vader schudde hem de hand in vriendschappelijke opgetogenheid, hij had hem lang gezocht, zeide hij. Maar daar de monnik er zeer vermoeid uitzag zou hij hem nu verlaten en hem morgen vroeg verwachten; Lugina klopte hem vertrouwelijk op den schouder en ging heen.Toen hij weg was zat Tamalone te staren met opgerimpeld voorhoofd, mijmerend over Mevena en of misschien haar vaders komst hem geluk zou brengen. Hij had den man bedrogen, zijn belofte om Rogier te vermoorden was hij nooit voornemens geweest te houden; hij moest dus morgeniets verzinnen. Marco was in zijn studie verdiept en stond aandachtig naar een vloeistof te kijken, dien hij in een fleschje ophield tegen het licht, terwijl achter hem in een armstoel de luie monnik voor het eerst sedert vele dagen weêr vroolijk werd en geluidloos zat te lachen bij de gedachte, hoe hij Lugina misleid had en zijn dochter ontvoerd. Doch weêr ernstig geworden besefte hij, dat Mevena zelve in gevaar zou verkeeren zoo haar vader haar vond. Hij moest hem op een dwaalspoor leiden en hij had weldra een sluw bedenksel gereed.Des anderen daags vond hij Lugina reeds buiten de herberg op hem wachtend in de straat onder den hoogen dom. De edelman liep hem lachend tegemoet, de grillige zomerkoelte speelde in zijn paarsen mantel; hij nam den monnik bij den arm en vertrouwelijk naast elkander gaande wandelden zij de stadspoort uit. De een noch de ander sprak een woord, zij wachtten beiden of de ander zou beginnen en zagen omzichtig rond. De glanzende wolkjes lagen traag in den hemel van het ééne verreverschiet waar de heuvelen in vage tinteling verliepen, tot het ander; de klare akkerlanden waren rijp en in heete stoving, op sommige grasvelden, waar gemaaid was, rustten boeren in zwaren slaap. De weg liep door dunne boompjes met weinig schaduw.Eindelijk sprak Lugina en vertelde hoe hij ook zijn dochter nog te wreken had. De monnik antwoordde, dat hij wist wat er gebeurd was, ook had hij Rogier wel gevonden, maar hij had zijn belofte nog niet kunnen volvoeren. Toen hoorde hij verbaasd, dat Lugina zelf met alle vier zijn zoons zijn vijand gevolgd had van kamp tot kamp, dat hij wist waar Rogier, die stadhouder was geworden, zich bevond met het meisje, en dat ook haar broeders daar waren op dit oogenblik... Tamalone bleef staan, zijn oogen waren wijd open en in zijn starre verbazing zag hij den ouden man, met fel gelaat, die plotseling een dolk in de hand hield en naar hem stiet, maar even plotseling bukte hij, greep zijn aanvaller bij de beenen en wierp hem op den grond. Even aarzelde hij of hij vechtenzou, hij voelde den schrik nog van wat hij gehoord had; dan keerde hij zich om en liep snel heen, zonder een enkelen keer achter zich te zien, waar Lugina midden op den weg hem na stond te kijken met den dolk, die een blank lichtje schoot, in de geheven hand.Het was een smalle weg door de korenlanden, de zon scheen overal en het felst op de boompjes, waarvan hij door een bocht soms de kruinen al in de verte zag schitteren. Tamalone voelde zich gejaagd. Hij wilde naar de stad waar Mevena was, maar hij vreesde zijn vijanden; zoo hij slechts Rogier kon waarschuwen over haar te waken—haar broeders waren nabij, misschien was er al een ongeluk gebeurd en wat kon hij zelf nu doen, die vervolgd werd door de hatelijke edelen in ’t leger? Maar hij hoopte, dat hij een boodschap kon zenden. Hij liep met snelle stappen, het mulle stof steeg in wolkjes om zijn voeten op, zijn gelaat was gloeiend en bezweet.Nadat hij den lievelangen dag recht voor zich starend en in krieuwende angst wasgegaan, het licht verkoelde en de hemel ruimer werd, was hij aan een troosteloos moerasland gekomen waardoor de weg met velerlei kronkeling voerde. Hij vond toen water om zijn dorst te koelen, over de plassen zweefden de dampen. De lucht werd blank en teeder, uit de verte dreef de schemer nader, westwaarts talmden nog tinten in ’t ijl verschiet. De monnik, zich haastend met groote schreden, voelde zich angstig in de barheid der vlakte, zijn schichtige schaduw die hem vóór ging over het rusch en de poelen deed bij wijlen een reiger met verschrikt gerucht de vleugels uitslaan en heenvliegen in schuine richting.En hoe meer de duisternis zich vergaârde over het armzalig rietland rondom, zoo dichter en hooger stegen de nevelen. Doch Tamalone sloeg er geen acht op, hij liep slechts te rekenen hoe ver hij van de stad was en of hij haar in den morgen kon bereiken; soms sprak hij plotseling woorden en maakte een gebaar met zijn arm.Op eens hoorde hij dat zijn schreden, die hem vermoeiden, gedempt klonken en het kwam bij hem op, dat hij niet meerop ’t pad liep... plots bleef hij staan en zag rondom zich rillend van schrik: hij was verdwaald in de duisternis en door den mist kon hij de lucht van daareven niet meer zien.Hij bukte neder om naar den weg te voelen, de grond was modderig en nat. Hij moest teruggaan, om alles ter wereld teruggaan, hij moest naar de stad, maar wist den weg niet meer en de ochtend was nog ver. Dan knielde hij voorzichtig neêr en tastte rond naar de indrukken van zijn voetstappen—en daar, geknield voorovergebogen in het moerasland, in den suizenden nachtmist, dacht hij aan een vrouw, die hem ’t liefst ter wereld was, en dacht hij of hij hier zou sterven ver van de stad. Zijn oogen weenden vrijelijk en terwijl hij langzaam voortkroop over het slik, zoekend naar zijn spoor, snikte hij hardop zijn rampzaligheid uit, snikte voor het eerst van zijn leven, het was een schrikkelijk geluid in het donker. Maar het verstierf in dien kouden nacht zonder einde, het verzwakte en zweeg. En de strenge stilte duurde lang.Ten langen leste, hijgend en rillend, vond hij den harden bodem des wegs, zijn armen zwikten en hij zeeg neder op zijn borst. Het was een zachte rust die hem slaperig maakte.Dan hief hij zijn hoofd van den grond, er stond een lichtlooze maan boven de dampen van ’t laagland. Tamalone rees, strekte zijn beenen en liep voort langs den weg hopend de stad nog vroeg te bereiken.Bij den dageraad begon het land weêr te rijzen, het eerste zomerlicht dartelde met gouden munt door het kalme loover van de boomen, dat licht zoo vertrouwelijk en zóó lief, datTamalonezijn armen ophief en riep en lachte van innig gevoelde vreugde.Hij stond niet stil, doch liep voort en voort, tot hij een paar landlieden zag op weg naar hun werk, die hem vertelden, dat de keizer met zijn leger vertrokken was, de stadhouder was er bij. Toen zette hij zich zeer vermoeid aan den rand van een gelen akker om te rusten; hij leunde achterover om naar een vroege bij te zien,die gonsde in ’t ochtendlicht, een zachte koelte speelde door de bladertjes van een populier,—zijn oogen sloten en hij sliep in tusschen het koren, waarvan enkele aren rustig wieglend over hem neder bogen.
Over de zonnige wegen ging Tamalone, thans weêr in een pij gekleed, eenzaam als voorheen en gelijk voorheen ook, toen hij pas uit het klooster gevlucht was, vermeed hij de menschen, daar hun vragen wie hij was, van waar hij kwam en waarheen zijn tocht ging, hem ergerden en het langdurig zwijgen zijner eigen stem hem een genot was.
Onder den ruimen hemel en met het groene land rondom was de eenzaamheid hem vroeger een zachte rust geweest, een eenvoudige vreugde van te zwerven zoo ’t hèm behaagde en te aanschouwen hoe de wisselvalligheden zich opdeden in hùnnen loop.
Nu echter, wanneer hij in de verte eengehucht zag onder wat boomen, stond hij stil en zette zich neder in het gewas aan den weg, schuw voor wat er mooglijk kon gebeuren als hij daarginder kwam, nieuwe gezichten zag en praten moest. Het teeder denken aan den winter, die voorbij was, was vol lieve figuren en liet hem geen rust; met zijn hoofd, al vermoeid van het voorover buigen dien heelen dag, in de beide handen geleund, zat hij daar uren lang tot de zon van den hemel ging, en trachtte aan Mevena alleen te denken. Hij meende dat zijn verblijf met haar een avontuur was geweest, een heerlijke tijd weliswaar, dien hij zich altoos met innigen ernst zou herinneren, doch in zijn diepste wezen niet meer dan nog een vervlogen illusie, zooals er hem sedert zijn jongensjaren zoovele hadden verlaten, die slechts wederkwamen in een zeldzamen zaligen droom. Het leek nu zoo vreemd alleen aan den weg te zitten; het pover landschap rondom waar slechts een paar koeien graasden, stil in ’t brooze schemerlicht, en ginder wat boomen goedig in een groepje bij elkander stonden, kwam hem zoo bijzonder voor of hij ’t al eerderhad gezien; doch van ouds al kende hij dit onuitsprekelijk gevoel—een vermoeid wandelaar hoort zoo in den aanvang des avonds geluiden die niet bestaan, of ziet een lichtjen in de schaduw en weet dat hij zich vergist, maar in gepeinzen gaat hij verder, twijfelend over vele dingen.
Tamalone wist, dat wat hij had ondervonden en wat hij ooit in verbeelding doorleefd had, niet anders verschilde dan dat hij het eerste vreesde—duidelijk bewust thans vreesde—en het ander beminde; Mevena was slechts een naam die hem bekoorde, haar gelaat zou wel van lieverlede vager worden en uit zijn stille gedachten vergaan—was zelfs zijn jonge vroomheid in de dagen van het klooster niet eveneens verleden en voorbij? Geen van zijn liefste begeerten zou ooit waarlijk gebeuren, van al zijn droomen zou er geen ooit tastbaar geluk zijn, maar hij had er altijd zachtjes om gelachen en zich verwonderd wanneer hij van ongeluk hoorde. Wel school er in ’t heimelijk van zijn hart een gevoelen, het heiligst dat hij had—het was een noodlottige zekerheid—, dathij eenmaal nog een groote werkelijkheid zou ervaren, gelijk de ondervindingen zoo smartelijk van echtheid, dat hij door de stem van enkele lieden die hij er van had hooren verhalen een vreemde benauwing gevoeld had; de een was een man bedrogen door zijn vrouw, de ander een moeder wier kind was gestorven, een derde was blind geworden, doch onder die allen was er geen enkel zwerver, die zooals hij ter wereld niets bezat, niets dan een pij—en een pij die maar schijn was. De glanzende dagen echter, die hij in den winkel van Simon had doorgebracht, zouden in zijn herinnering blijven als een wandeling door prachtige bloemlanen, zwaar van geuren onder de zomerlucht, hij zou er geen traan om laten en zij waren niet de groote gebeurtenis welke hij van kindsbeen al vreesde en begeerde beide. En hij wilde wel weten of mogelijk die donkere zekerheid het voorgevoel was, dat nooit wordt bewaarheid.
De avond daalde over de heuvelen, de klank der bellekens die de koeien droegen werd kleiner in de verte en zoo hij eenbed wilde hebben voor de boeren in ’t gehucht te ruste waren, moest hij voort.
Vroeg in den dag verliet hij de dorpers weder en ging zwijgend den klaren weg langs, tevreden in ’t kalm stralende zonlicht. En bij het eind van zijn dagreis zat hij weer onbeweeglijk op den grond, met inwendig geluid liefkoozend den naam te herhalen van een vrouw, die ver in den schemer waarde, en de stilte over het land verontrustte hem in hoogere mate dan den avond te voren. Zijn hoofd was vol van teedere heugenis en verdrietigheid, de donkere aarde zweeg, zelfs in den hemel, van licht verlaten, vloot de weemoed gelijk de glimlach van een kind dat geschreid heeft. Hij wist niet wat de kommernis die hem drukte beduidde, hij begreep niet hoe de menschen met bewonderend smachten verhalen konden doen van groote passie, van het leed dat zij aanbaden als de zuiverste deugd—en hij herinnerde zich, dat hij zelf alsindsjaren heimlijk dit ééne verlangd had, zijn allergrootste passie. Het klopte in zijn borst en in gejaagde haast vervolgde hij zijn reis in den avond.
Toen hij tot de kalmte was wedergekeerd, zag hij dat hij niet behoefde te vreezen, de vrouw aan wie hij dacht was immers een beeld maar en zou nimmer werkelijkheid worden, een beeld van zijn eigen ontroering; zijn lieve vrijheid zou hij behouden. De rust die deze gedachte hem gaf was als de stilte in het bosch wanneer de herfst al nadert.
Op een Zondag trad hij de poorten van Lucca binnen, waarheen de weg dien hij gevolgd had voerde. Daar hij honger had zocht hij de woning van een oudbekende, Marco genaamd, een bezadigd man die metalen mengde en studeerde. Toen de oude man de deur opende was hij even verrast; dan begroette hij Tamalone vriendelijk, leidde hem naar zijn werkplaats, gaf hem eten en drinken en hernam bedaard zijn bezigheid met het schoonmaken van gereedschappen. De monnik at in stilte en zag hem begaan, buiten in de lichte straat lachten de burgers van zondagspret; hij herinnerde zich zijn drukken leerlingstijd en wist dat Marco hem een luiaard vond.
Een poosje later hoorde de grijsaardeen zucht; hij ging door met zijn kroezen en vroeg wat er scheelde.
„Ik ben moê,” was het antwoord.
„Gij ziet er bleek uit, broeder; gij moest liever werken dan van ’t eene klooster naar ’t ander gaan en gedurig bidden.”
Tamalone glimlachte. De woorden echter hielden hem dien nacht lang uit den slaap, hij twijfelde of het noodig zou wezen een middel te zoeken tegen de onrust, die al heviger roerde. Hij had toen een droom waarin hij overvloedig weende en verbaasde vreugde voelde om twee schoone oogen. De rest van den nacht, waarvan hij het einde wakend verbeidde, lag hij te mijmeren of hij ooit door een toeval Mevena weder zou zien.
Dagen lang kwam hij in de woning van Marco slapen, overdag was hij altijd uit. Er waren vele bekenden in de stad, die hem ontmoetten en medenamen naar huis; terwijl zij hem onthaalden moest hij dan van den oorlog vertellen, of zij verwachtten kwinkslagen van hem zooals zij gewoon waren. En Tamalone praatte in luchtigen scherts, maar hij had een weêrzin tegenhun vroolijke gezichten. Het deed hem vreemd aan den toonval van zijn stem zoo week te hooren. En in het drukke gezelschap voelde hij een gedurigen drang om ergens in een lommerrijk landschap op het gras te liggen en zich over te geven aan de bekoring van neêrslachtigheid.
Laat thuis komende eens vond hij in de werkplaats van zijn vriend den ouden Lugina, die in het rustig licht zat te wachten en Marco gadesloeg in zijn arbeid. Mevena’s vader schudde hem de hand in vriendschappelijke opgetogenheid, hij had hem lang gezocht, zeide hij. Maar daar de monnik er zeer vermoeid uitzag zou hij hem nu verlaten en hem morgen vroeg verwachten; Lugina klopte hem vertrouwelijk op den schouder en ging heen.
Toen hij weg was zat Tamalone te staren met opgerimpeld voorhoofd, mijmerend over Mevena en of misschien haar vaders komst hem geluk zou brengen. Hij had den man bedrogen, zijn belofte om Rogier te vermoorden was hij nooit voornemens geweest te houden; hij moest dus morgeniets verzinnen. Marco was in zijn studie verdiept en stond aandachtig naar een vloeistof te kijken, dien hij in een fleschje ophield tegen het licht, terwijl achter hem in een armstoel de luie monnik voor het eerst sedert vele dagen weêr vroolijk werd en geluidloos zat te lachen bij de gedachte, hoe hij Lugina misleid had en zijn dochter ontvoerd. Doch weêr ernstig geworden besefte hij, dat Mevena zelve in gevaar zou verkeeren zoo haar vader haar vond. Hij moest hem op een dwaalspoor leiden en hij had weldra een sluw bedenksel gereed.
Des anderen daags vond hij Lugina reeds buiten de herberg op hem wachtend in de straat onder den hoogen dom. De edelman liep hem lachend tegemoet, de grillige zomerkoelte speelde in zijn paarsen mantel; hij nam den monnik bij den arm en vertrouwelijk naast elkander gaande wandelden zij de stadspoort uit. De een noch de ander sprak een woord, zij wachtten beiden of de ander zou beginnen en zagen omzichtig rond. De glanzende wolkjes lagen traag in den hemel van het ééne verreverschiet waar de heuvelen in vage tinteling verliepen, tot het ander; de klare akkerlanden waren rijp en in heete stoving, op sommige grasvelden, waar gemaaid was, rustten boeren in zwaren slaap. De weg liep door dunne boompjes met weinig schaduw.
Eindelijk sprak Lugina en vertelde hoe hij ook zijn dochter nog te wreken had. De monnik antwoordde, dat hij wist wat er gebeurd was, ook had hij Rogier wel gevonden, maar hij had zijn belofte nog niet kunnen volvoeren. Toen hoorde hij verbaasd, dat Lugina zelf met alle vier zijn zoons zijn vijand gevolgd had van kamp tot kamp, dat hij wist waar Rogier, die stadhouder was geworden, zich bevond met het meisje, en dat ook haar broeders daar waren op dit oogenblik... Tamalone bleef staan, zijn oogen waren wijd open en in zijn starre verbazing zag hij den ouden man, met fel gelaat, die plotseling een dolk in de hand hield en naar hem stiet, maar even plotseling bukte hij, greep zijn aanvaller bij de beenen en wierp hem op den grond. Even aarzelde hij of hij vechtenzou, hij voelde den schrik nog van wat hij gehoord had; dan keerde hij zich om en liep snel heen, zonder een enkelen keer achter zich te zien, waar Lugina midden op den weg hem na stond te kijken met den dolk, die een blank lichtje schoot, in de geheven hand.
Het was een smalle weg door de korenlanden, de zon scheen overal en het felst op de boompjes, waarvan hij door een bocht soms de kruinen al in de verte zag schitteren. Tamalone voelde zich gejaagd. Hij wilde naar de stad waar Mevena was, maar hij vreesde zijn vijanden; zoo hij slechts Rogier kon waarschuwen over haar te waken—haar broeders waren nabij, misschien was er al een ongeluk gebeurd en wat kon hij zelf nu doen, die vervolgd werd door de hatelijke edelen in ’t leger? Maar hij hoopte, dat hij een boodschap kon zenden. Hij liep met snelle stappen, het mulle stof steeg in wolkjes om zijn voeten op, zijn gelaat was gloeiend en bezweet.
Nadat hij den lievelangen dag recht voor zich starend en in krieuwende angst wasgegaan, het licht verkoelde en de hemel ruimer werd, was hij aan een troosteloos moerasland gekomen waardoor de weg met velerlei kronkeling voerde. Hij vond toen water om zijn dorst te koelen, over de plassen zweefden de dampen. De lucht werd blank en teeder, uit de verte dreef de schemer nader, westwaarts talmden nog tinten in ’t ijl verschiet. De monnik, zich haastend met groote schreden, voelde zich angstig in de barheid der vlakte, zijn schichtige schaduw die hem vóór ging over het rusch en de poelen deed bij wijlen een reiger met verschrikt gerucht de vleugels uitslaan en heenvliegen in schuine richting.
En hoe meer de duisternis zich vergaârde over het armzalig rietland rondom, zoo dichter en hooger stegen de nevelen. Doch Tamalone sloeg er geen acht op, hij liep slechts te rekenen hoe ver hij van de stad was en of hij haar in den morgen kon bereiken; soms sprak hij plotseling woorden en maakte een gebaar met zijn arm.
Op eens hoorde hij dat zijn schreden, die hem vermoeiden, gedempt klonken en het kwam bij hem op, dat hij niet meerop ’t pad liep... plots bleef hij staan en zag rondom zich rillend van schrik: hij was verdwaald in de duisternis en door den mist kon hij de lucht van daareven niet meer zien.
Hij bukte neder om naar den weg te voelen, de grond was modderig en nat. Hij moest teruggaan, om alles ter wereld teruggaan, hij moest naar de stad, maar wist den weg niet meer en de ochtend was nog ver. Dan knielde hij voorzichtig neêr en tastte rond naar de indrukken van zijn voetstappen—en daar, geknield voorovergebogen in het moerasland, in den suizenden nachtmist, dacht hij aan een vrouw, die hem ’t liefst ter wereld was, en dacht hij of hij hier zou sterven ver van de stad. Zijn oogen weenden vrijelijk en terwijl hij langzaam voortkroop over het slik, zoekend naar zijn spoor, snikte hij hardop zijn rampzaligheid uit, snikte voor het eerst van zijn leven, het was een schrikkelijk geluid in het donker. Maar het verstierf in dien kouden nacht zonder einde, het verzwakte en zweeg. En de strenge stilte duurde lang.
Ten langen leste, hijgend en rillend, vond hij den harden bodem des wegs, zijn armen zwikten en hij zeeg neder op zijn borst. Het was een zachte rust die hem slaperig maakte.
Dan hief hij zijn hoofd van den grond, er stond een lichtlooze maan boven de dampen van ’t laagland. Tamalone rees, strekte zijn beenen en liep voort langs den weg hopend de stad nog vroeg te bereiken.
Bij den dageraad begon het land weêr te rijzen, het eerste zomerlicht dartelde met gouden munt door het kalme loover van de boomen, dat licht zoo vertrouwelijk en zóó lief, datTamalonezijn armen ophief en riep en lachte van innig gevoelde vreugde.
Hij stond niet stil, doch liep voort en voort, tot hij een paar landlieden zag op weg naar hun werk, die hem vertelden, dat de keizer met zijn leger vertrokken was, de stadhouder was er bij. Toen zette hij zich zeer vermoeid aan den rand van een gelen akker om te rusten; hij leunde achterover om naar een vroege bij te zien,die gonsde in ’t ochtendlicht, een zachte koelte speelde door de bladertjes van een populier,—zijn oogen sloten en hij sliep in tusschen het koren, waarvan enkele aren rustig wieglend over hem neder bogen.
13De waard van de herberg waar hij een bed had gevraagd, kon hem niet zeggen of er een vrouw in het leger was, noch waarheen de stadhouder was getogen. De oostersche soldaten waren echter nog in de stad en zij zouden het zeker weten.En ofschoon het al donker was geworden begaf Tamalone zich aanstonds naar het paleis, waar hij om Walid vroeg. De hoofdman, verbaasd hèm daar te zien in de groote zaal, begroette hem lachend en vriendelijk, hij had hem meer genegenheid toegedragen sedert de vaardige vlucht uit het kamp voor het belegerde slot.Zij gingen naar buiten en liepen de straten door. Walid sprak voortdurend, terwijl de ander zweeg, en vertelde dat Mevenareeds lang vertrokken was, naar Pisa, dacht hij; dat de meester sedert dien tijd stil en treurig was geweest, en dat Carolus en hij zelf bemerkt hadden, dat er geheime moordenaars omzwierven, zoodat zij hem voortdurend hadden bewaakt. Maar zij waren blijde, dat de meester nu voor goed had besloten het meisje niet meer te zien, zoo zij hem den bloedsteen nog konden ontrooven was alle gevaar voorbij. Rogier zou een dochter van den grooten markgraaf Lancia tot vrouw nemen en gelukkig en aanzienlijk worden. Tenzij het meisje terugkwam met haar kind; de meester was gansch onder haar bekoring, het lot had geopenbaard, dat een vrouw hem onheil zou brengen, en sedert hij haar ontmoet had, meer dan een jaar geleden, was hij driewerf gewond geweest en geen dag zonder kommer op ’t gelaat. Hij, Walid, zou haar in het kamp niet meer dulden.De monnik bleef zwijgen. Zij waren aan een gewelfd bruggetje over een vliet gekomen en zetten zich naast elkander neder op de houten leuning. Terwijl zij nadachten en geen van beiden sprakennaderden twee mannen, hun voetstappen klonken op de planken der brug, en toen zij dicht bij waren herkende Tamalone duidelijk de stem van Lugina. Hij was op het punt er Walid opmerkzaam op te maken, maar hield zich in.Beneden hen klokte het stroomende water. De oosterling begon weêr te spreken. Hij zeide, dat hij Tamalone wel begrepen had en hem bewonderde. En omdat hij hem niet gaarne leed zou doen ried hij hem met alle middelen te voorkomen, dat Mevena weder in het bijzijn van zijn meester kwam.„Ik hoop dat gij gelukkig moogt zijn,” zeide hij: „de vrouw is niet slecht misschien.” En hij liet zijn hand een wijle rusten op Tamalone’s schouder, die innerlijk beefde bij dit nieuwe gezicht.Een torenklok sloeg. Zij stonden ten letste op en liepen zwijgend terug naar het paleis. De monnik wilde niet mede naar binnen, maar nam afscheid voor de buitengalerij; hij drukte Walid’s hand krachtig in de zijne, hij voelde dat deze man zijn vriend had kunnen wezen.Het waren zonderling prikkelende gedachten, die Walids woorden in hem hadden gewekt. Tamalone voorzag reeds de smarten, die Mevena zou lijden wanneer zij wist, dat zij voor goed was verlaten, hij zag haar betraand gelaat—zijn aderen zwollen en zijn hart klopte zwaar door ’t valsche onrecht haar aangedaan. Op zijn bed lag hij wakend met gesloten oogen; het venstertje liet de nachtkoelte in, schreden die in de straat haastig voorbij slopen of het geluid van de torenklok leidden bij wijlen zijn gedachten af. Hij wist geen raad. Waar zou zij henen moeten? zij had geen enkelen vriend meer dan hem zelf, die niet eens wist waar zij was, die niet wist of zij dit eigen oogenblik niet ellendig rondzwierf met haar kind. Maar Walid had gezegd in Pisa, zij zou wel in den winkel aan de kade zijn teruggekeerd. Hij stond op om uit het venster te zien of de dag al aan den hemel kwam; dan lei hij zich weêr neder, zijn voeten deden zeer van den langen tocht dien hij gekomen was. En terwijl hij trachtte voort te denken sliep hij in.Met schrik ontwaakte hij kort daarop weder, maar hij was verheugd, want door het venstertje zag hij dat de duisternis verschoot, zoodat hij weldra zou kunnen vertrekken. Bij het kozijn geleund, starende naar de oosterlucht die ijler werd, herinnerde hij zich wat Walid bedoeld had met den wensch voor zijn geluk, en langen tijd bleef hij staren naar de lucht en de straat, waar de gesloten huizen, ordeloos tusschen boomen verspreid, verschenen uit den vroegen schemer, tot het kraaien van een haan hem stoorde in zijn rust en hij zich bezon, dat Mevena hem niet beminde.Hij verliet de kamer, wekte den waard, en met zijn brood in de hand ging hij naar buiten. Opgewekt stapte hij voort in den frisschen morgen.Maar toen hij tegen den avond zeer vermoeid de landerijen van Pisa bereikte, peinsde hij waarom hij gegaan was, waarom hij de passie zocht, die hem niets dan verdriet kon geven, terwijl aan alle zijden de wegen naar andere streken leidden, waar hij dolend tenminste met het stille beeld zijner aanbidding alleen kon wezen,zonder verlangen naar wederliefde, dat door nieuw verlangen zeker gevolgd werd. In zijn verbeeldingen was hij immers altijd gelukkig geweest.En ofschoon hij van verwachting gepoperd had toen hij zich op weg begaf, liep hij thans neêrslachtig langzaam op de kade, waar de bewoners voor hun huizen stonden te praten in het rustig genot van den zomeravond. Uit de verte reeds zag Tamalone, dat de winkel van Simon nog open was, er scheen wat licht naar buiten en voor de deur stond Baldo viool te spelen, Mevena en de gebroeders zaten te luisteren. Hij naderde en bleef onopgemerkt staan; in ’t schaarsche licht zag hij, dat Mevena’s gelaat, ten deele afgewend, droevig en fijn was. Bij ’t eind van het danswijsje trad hij zacht op haar toe en groette haar. Zij schrok en lachte, met de hand op haar borst, Simon en Josse verwelkoomden met handdrukken en luidruchtigheid. Er werd een stoel gehaald, en pasteien en bier, en Tamalone moest dadelijk verhalen hoe hij gevlucht was en waar hij gescholen had.Toen het al laat was ging Mevena, die haar kind hoorde, naar binnen; de mannen zaten nog lang te luisteren naar den monnik, die met een glimlach vertelde van dwazen door wie hij vervolgd was, ofschoon hij nooit iets misdaan had. En dan, in de stilte van de kade, zeide hij hoe Mevena verlaten was door haar minnaar, die met een ander zou trouwen—zijn stem werd zoo week en zacht, dat Simon en Josse en zelfs de jonge Baldo zwijgend en aangedaan voor zich keken in den luwen nacht. Zij gingen ten leste naar binnen. Terwijl Tamalone nog talmde voor hij de anderen volgde, zag hij naar boven, naar het venstertje van Mevena’s kamer; het stond open. Hij begreep, dat zij alles gehoord had wat hij zoo pas vertelde.Gedurende de wandeling door de straten den volgenden dag, die zij weêr zooals vroeger deden, Mevena thans met haar kind in de armen, vroeg hij waarom zij niet in het kamp gebleven was. Zij antwoordde:„Rogier mocht van den keizer niet heengaan, daarom wacht ik hier op hem. Over zes weken komt hij mij halen.”Toen werd Tamalone bij ’t verder gaan zeer vroolijk, zij had hem klaarblijkelijk niet gehoord gisteravond en hij herinnerde zich ook, dat hij zacht had gesproken. Hij lachte en knikte tegen het kleine kindje, zoodat de menschen in de straat bleven staan, elkander wijzend naar den lustigen monnik, en Mevena stillekens voor zich lachte.In den winkel en in de lage achterkamer, voor het venster waarvan nu de wingerd bloeide, was het of de dagen van het vorig jaar weêr beginnen zouden. De oolijke Baldo vedelde ’s avonds weêr, de gebroeders zongen hun eenvoudige liedjes en Tamalone deed verhalen uit ouden tijd.Maar Mevena lachte niet meer zooals voorheen, haar gelaat was dikwijls vermoeid en zij scheen altoos te luisteren of zij boven haar kind ook hoorde.En zij werd stiller toen zij niet meer uit kon gaan. Op een middag had Tamalone haar eensklaps haastig door zijstraatjes meegevoerd, hij had Lugina gezien die met een edelman liep te praten.Zij zat nu gansche dagen voor haar venster te naaien, denkend aan den naderendentijd waarop haar geliefde beloofd had te komen. Wanneer zij dan dacht aan wat zij den monnik had hooren vertellen, beneden voor de deur, den avond toen hij terug was gekomen, dan viel haar naaiwerk in haar schoot en staarde zij over de daken der huizen aan gindsche zijde der rivier, in ’t verschiet met de vergulde torenspits; de tijd ging langzaam voorbij, maar haar gedachten wilden niet komen, zij hoorde voortdurend het gerucht der kooplieden in de straat en het uitbundig gekweel onder haar raam. Dan ging zij bedaard weêr door met haar werk, zij geloofde de dwaasheden niet die de monnik had gezegd. Zij wachtte en voelde zich geduldig tevreden; maar de mannen beneden zeiden dikwijls tot elkander, met een langzaam hoofdschudden, dat zij zekerlijk ziek zou worden, ze was zoo bleek en stil.Het werd al nazomer; westelijk achter de gulden torens en de masten der scheepjes in het water verkleurde des avonds de zon in velerlei schoonheid. De monnik waarde nog dagelijks behoedzaam rond om na te vragen of Lugina de stad al verlatenhad. Simon en Josse zaten bij ’t licht van hun lampje alleen bij elkander.Het was al Sint Michiel geweest. Mevena’s oogen waren rood wanneer zij in de huiskamer kwam.Eens vond Tamalone haar gekleed in den blauwen kapmantel, dien hij haar gegeven had, zij wachtte om met hem uit te gaan. Hij wilde iets zeggen van het gevaar dat zij liep haar vader te ontmoeten, doch de blik van haar oogen was zoo dringend, dat hij volgde. Zij gingen de kade af, over de brug naar de onbebouwde velden, waar zij vroeger wel wandelden en toen zij in de groententuinen kwamen zag Mevena hem recht in de oogen en vroeg:„Is ’t waar dat hij niet terugkomt?”De monnik boog zijn hoofd, en beiden zwegen terwijl hun voeten voortgingen naast elkander in regelmatigen tred.„Is het waar?” vroeg zij weder. „En wat gij dien avond verteld hebt toen gij terugkwaamt?”Tamalone zag haar aan—zij was kalm en twee groote tranen gleden van haaroogen neêr. Toen bleef hij staan, bevend hief hij zijn hand en zeide:„Wees toch niet bedroefd, Mevena, het zal voorbij gaan, schrei toch niet... Ik wil alles voor u doen wat ik kan, gij weet niet hoe ik u liefheb...”Zijn stem klonk hem zonderling als uit een afstand. Mevena stond met gesloten oogen, het hoofd wat naar achter gebogen; beneden op den grond deed een zachte wind de blaadjes der groenten bewegen.Zij keerden naar huis, maar spraken niet meer.Simon en Josse zaten dien avond alleen en staarden elkander telkens aan, zij haddengeziendat het lieve meisje in de kamer daarboven haar ongeluk wist. Tamalone kwam dien nacht niet thuis, hij doolde buiten de stad, verwonderd over de ontroeringen die hem hadden vervuld. En toen hij laat den volgenden namiddag aan den winkel kwam vond hij er de gebroeders, die ontsteld en in drukke verwarring vertelden hoe de oudste zoo pas het eten dat nog op de tafel dampte, naar boven had gebracht—de kamer was leêg. Mevenawas nergens te vinden. De monnik gilde en sprong de trappen op, de kamer in, waar de stoel en de tafel stonden op hun gewone plaats, in den hoek was de peluw met de wieg er naast.Maar toenhijbeneden kwam werd zijn angst verdreven door het bericht dat Baldo bracht, die van de wachters had gehoord, dat een vrouw met een zuigeling dien morgen de poort was uitgegaan; zelf bedarend stelde hij zijn vrienden gerust, dat hij haar wel achterhalen zou voor zij het kamp bereikte. En nadat hij haastig had gegeten ging hij op reis, door Baldo tot aan de poort verzeld.Maar op den weg, terwijl hij snel voortliep in den vochtigen avond, voelde hij dat zijn beenen zeer vermoeid waren. Hij ergerde zich over zijn domheid Mevena zoolang alleen gelaten te hebben; wel vertrouwde hij dat zij, evenmin als hij wetend waar het leger van Rogier was en langzamer gaande daar zij het kind moest dragen, het kamp niet vinden zou voor hij er was aangekomen; maar hij moest aldoor denken aan de donkere waarschuwing van Walid,die door zijn dwaas geloof, dat zij het ongeluk had gebracht door den bloedsteen, haar dooden zou. Zijn voeten waren heet en schrijnden, doch met de tanden vastgeklemd ging hij voort in groote schreden. En in een zachte bevreemding vroeg hij zichzelven wat het toch was dat hem dreef tot die nachtelijke haast—hij had nog nóóit zoo geloopen en nog nooit zooveel angsten gehad, angsten om een vrouw wier wederliefde hij niet verwachtte en die hij te nacht of te morgen voor goed uit het oog zou verliezen.Toen de lucht begon te schemeren kon hij niet verder, hij liet zich vallen op het natte gras en sliep dadelijk in.Hij ontwaakte door een hevigen slagregen en stond verschrikt op; er was een lange wegvoorhem, waar de regen op nederspatte en stroomend wegliep aan de zijden. Maar Tamalone kon niet wachten, hij sloeg zijn kap over het hoofd en vervolgde zijn reis, het water droop in een straaltje van zijn gezicht.Hij rustte maar weinig en tegen het einde van zijn vierde dagreis had hij Mevena nogniet gevonden, maar door veel vragen wist hij, dat het kamp niet verre kon zijn.Het was een boschrijke weg waar hij ging, rijzend en steil weêr neder dalend, met hooge beukeboomen die onbewogen waren in den windloozen herfstdag. Hij bleef staan om naar de sporen van paardenhoeven te zien, die van den weg af door ’t struikgewas leidden; voorzichtig sloop hij door de dorre bladeren, maar stemmen hoorend wachtte hij weêr; dan, tusschen twee dunne boomstammetjes ziende ontdekte hij krijgslieden op den grond en herkende het gezicht van Lugina bij hen. Door de bladeren scheen de zon met bleeken glans.Tamalone kwam weêr op den weg terug. Zoo hij verder ging liep Mevena gevaar hier door haar vader aangehouden te worden; zoo hij bleef wachten bereikte zij wellicht het kamp alleen en kon hij haar niet beschermen. Hij zag op naar de takken boven hem, hij wist niet wat te doen.Vóórhem zoowel als achter hem van waar hij gekomen was rees de weg; hij liep een eind weegs vooruit, omziende en weder omziende; dan ging hij weêr terug, deplaats voorbij waar de paardensporen in ’t hout verdwenen.Toen hij zijn hoofd weêr omwendde zag hij tegen ’t avondlicht een kleine gedaante die den weg afdaalde—hij wist in eens, dat het Mevena was en beefde. Zijn beenen waren loom, maar hij liep voort, vlugger en vlugger, tot hij hijgende de steilte opsnelde. De naderende figuur herkende hij al, het was een vrouw met een kind in de armen. Toen hij dichter bij kwam bleef zij staan; Tamalone liep moeilijk ademend nader met de hand op de borst, en kon niet spreken.Mevena’s gelaat was ernstig, maar onbewogen, met haar groote oogen zag zij hem in afwachting aan.„Gelukkig dat ik u vind,” zeide hij hijgend, „gij moet niet naar het kamp gaan zonder mij.”„Ik ben er al geweest,” antwoordde ze en sloeg haar oogen neêr.Langzaam, met woorden die moeilijk kwamen en soms nauw hoorbaar waren, vertelde zij dat ze Rogier gezien had. Hij had haar niet verwelkomd en weinig gesproken.Op haar vraag of het waar was dat hij met een ander zou trouwen, had hij neen geschud, hij had haar hand gekust, maar niets gezegd. Hij had haar niet geantwoord. Zij had op haar knieën gesmeekt. Zij was toen heengegaan en hij had niets gezegd.Tamalone luisterde en zag naar de kleine gestalte naar ééne zijde gebogen door de zwaarte van het kind, achter haar verbleekte de avondzon in kwijnende warmte. Zij stonden zwijgend op den weg, in den schemer der hooge boomen. De monnik dorst niet te spreken. In de blaêren ritselde het, de stilte was wonderbaarlijk. En zoo stonden zij langen tijd starend naar het gele licht door het loof van de boomen, hun beider ademhaling was geregeld en zacht. En toen Mevena haar oogen opsloeg en hem aanzag, zeide hij:„Kom meê naar Simon en Josse—”Maar hij wist het van te voren, zij schudde het hoofd.„Neen, ik kan met u niet meêgaan. Mijn vader is dichtbij, daar ga ik heen.”„Maar uw vader...”„Hij zal me wel vergeven.” Even zweeg ze en herhaalde dan: „Ik kan niet meêgaan.”Tamalone voelde toen de beroering diep in hem zinken. Mevena was Mevena niet meer, maar een vrouw die van ongeluk stierf. Hij kon niet meer spreken.Toen, met tranen in haar oogen, nam zij zijn hand en kuste die; zij wilde heengaan, maar hief nogmaals zijn hand zachtjes op en kuste die weder—de monnik bewoog zich niet, hij zag haar heengaan met geruchtloozen tred, haar mantel was om het kind gewikkeld. De gestalte daalde en werd kleiner onder het duister der boomen, wier rustige bladeren hier en daar een weêrschijn vingen van ’t laatste gele licht dat aan den hemel blonk. De monnik keek haar roerloos na.
13
De waard van de herberg waar hij een bed had gevraagd, kon hem niet zeggen of er een vrouw in het leger was, noch waarheen de stadhouder was getogen. De oostersche soldaten waren echter nog in de stad en zij zouden het zeker weten.En ofschoon het al donker was geworden begaf Tamalone zich aanstonds naar het paleis, waar hij om Walid vroeg. De hoofdman, verbaasd hèm daar te zien in de groote zaal, begroette hem lachend en vriendelijk, hij had hem meer genegenheid toegedragen sedert de vaardige vlucht uit het kamp voor het belegerde slot.Zij gingen naar buiten en liepen de straten door. Walid sprak voortdurend, terwijl de ander zweeg, en vertelde dat Mevenareeds lang vertrokken was, naar Pisa, dacht hij; dat de meester sedert dien tijd stil en treurig was geweest, en dat Carolus en hij zelf bemerkt hadden, dat er geheime moordenaars omzwierven, zoodat zij hem voortdurend hadden bewaakt. Maar zij waren blijde, dat de meester nu voor goed had besloten het meisje niet meer te zien, zoo zij hem den bloedsteen nog konden ontrooven was alle gevaar voorbij. Rogier zou een dochter van den grooten markgraaf Lancia tot vrouw nemen en gelukkig en aanzienlijk worden. Tenzij het meisje terugkwam met haar kind; de meester was gansch onder haar bekoring, het lot had geopenbaard, dat een vrouw hem onheil zou brengen, en sedert hij haar ontmoet had, meer dan een jaar geleden, was hij driewerf gewond geweest en geen dag zonder kommer op ’t gelaat. Hij, Walid, zou haar in het kamp niet meer dulden.De monnik bleef zwijgen. Zij waren aan een gewelfd bruggetje over een vliet gekomen en zetten zich naast elkander neder op de houten leuning. Terwijl zij nadachten en geen van beiden sprakennaderden twee mannen, hun voetstappen klonken op de planken der brug, en toen zij dicht bij waren herkende Tamalone duidelijk de stem van Lugina. Hij was op het punt er Walid opmerkzaam op te maken, maar hield zich in.Beneden hen klokte het stroomende water. De oosterling begon weêr te spreken. Hij zeide, dat hij Tamalone wel begrepen had en hem bewonderde. En omdat hij hem niet gaarne leed zou doen ried hij hem met alle middelen te voorkomen, dat Mevena weder in het bijzijn van zijn meester kwam.„Ik hoop dat gij gelukkig moogt zijn,” zeide hij: „de vrouw is niet slecht misschien.” En hij liet zijn hand een wijle rusten op Tamalone’s schouder, die innerlijk beefde bij dit nieuwe gezicht.Een torenklok sloeg. Zij stonden ten letste op en liepen zwijgend terug naar het paleis. De monnik wilde niet mede naar binnen, maar nam afscheid voor de buitengalerij; hij drukte Walid’s hand krachtig in de zijne, hij voelde dat deze man zijn vriend had kunnen wezen.Het waren zonderling prikkelende gedachten, die Walids woorden in hem hadden gewekt. Tamalone voorzag reeds de smarten, die Mevena zou lijden wanneer zij wist, dat zij voor goed was verlaten, hij zag haar betraand gelaat—zijn aderen zwollen en zijn hart klopte zwaar door ’t valsche onrecht haar aangedaan. Op zijn bed lag hij wakend met gesloten oogen; het venstertje liet de nachtkoelte in, schreden die in de straat haastig voorbij slopen of het geluid van de torenklok leidden bij wijlen zijn gedachten af. Hij wist geen raad. Waar zou zij henen moeten? zij had geen enkelen vriend meer dan hem zelf, die niet eens wist waar zij was, die niet wist of zij dit eigen oogenblik niet ellendig rondzwierf met haar kind. Maar Walid had gezegd in Pisa, zij zou wel in den winkel aan de kade zijn teruggekeerd. Hij stond op om uit het venster te zien of de dag al aan den hemel kwam; dan lei hij zich weêr neder, zijn voeten deden zeer van den langen tocht dien hij gekomen was. En terwijl hij trachtte voort te denken sliep hij in.Met schrik ontwaakte hij kort daarop weder, maar hij was verheugd, want door het venstertje zag hij dat de duisternis verschoot, zoodat hij weldra zou kunnen vertrekken. Bij het kozijn geleund, starende naar de oosterlucht die ijler werd, herinnerde hij zich wat Walid bedoeld had met den wensch voor zijn geluk, en langen tijd bleef hij staren naar de lucht en de straat, waar de gesloten huizen, ordeloos tusschen boomen verspreid, verschenen uit den vroegen schemer, tot het kraaien van een haan hem stoorde in zijn rust en hij zich bezon, dat Mevena hem niet beminde.Hij verliet de kamer, wekte den waard, en met zijn brood in de hand ging hij naar buiten. Opgewekt stapte hij voort in den frisschen morgen.Maar toen hij tegen den avond zeer vermoeid de landerijen van Pisa bereikte, peinsde hij waarom hij gegaan was, waarom hij de passie zocht, die hem niets dan verdriet kon geven, terwijl aan alle zijden de wegen naar andere streken leidden, waar hij dolend tenminste met het stille beeld zijner aanbidding alleen kon wezen,zonder verlangen naar wederliefde, dat door nieuw verlangen zeker gevolgd werd. In zijn verbeeldingen was hij immers altijd gelukkig geweest.En ofschoon hij van verwachting gepoperd had toen hij zich op weg begaf, liep hij thans neêrslachtig langzaam op de kade, waar de bewoners voor hun huizen stonden te praten in het rustig genot van den zomeravond. Uit de verte reeds zag Tamalone, dat de winkel van Simon nog open was, er scheen wat licht naar buiten en voor de deur stond Baldo viool te spelen, Mevena en de gebroeders zaten te luisteren. Hij naderde en bleef onopgemerkt staan; in ’t schaarsche licht zag hij, dat Mevena’s gelaat, ten deele afgewend, droevig en fijn was. Bij ’t eind van het danswijsje trad hij zacht op haar toe en groette haar. Zij schrok en lachte, met de hand op haar borst, Simon en Josse verwelkoomden met handdrukken en luidruchtigheid. Er werd een stoel gehaald, en pasteien en bier, en Tamalone moest dadelijk verhalen hoe hij gevlucht was en waar hij gescholen had.Toen het al laat was ging Mevena, die haar kind hoorde, naar binnen; de mannen zaten nog lang te luisteren naar den monnik, die met een glimlach vertelde van dwazen door wie hij vervolgd was, ofschoon hij nooit iets misdaan had. En dan, in de stilte van de kade, zeide hij hoe Mevena verlaten was door haar minnaar, die met een ander zou trouwen—zijn stem werd zoo week en zacht, dat Simon en Josse en zelfs de jonge Baldo zwijgend en aangedaan voor zich keken in den luwen nacht. Zij gingen ten leste naar binnen. Terwijl Tamalone nog talmde voor hij de anderen volgde, zag hij naar boven, naar het venstertje van Mevena’s kamer; het stond open. Hij begreep, dat zij alles gehoord had wat hij zoo pas vertelde.Gedurende de wandeling door de straten den volgenden dag, die zij weêr zooals vroeger deden, Mevena thans met haar kind in de armen, vroeg hij waarom zij niet in het kamp gebleven was. Zij antwoordde:„Rogier mocht van den keizer niet heengaan, daarom wacht ik hier op hem. Over zes weken komt hij mij halen.”Toen werd Tamalone bij ’t verder gaan zeer vroolijk, zij had hem klaarblijkelijk niet gehoord gisteravond en hij herinnerde zich ook, dat hij zacht had gesproken. Hij lachte en knikte tegen het kleine kindje, zoodat de menschen in de straat bleven staan, elkander wijzend naar den lustigen monnik, en Mevena stillekens voor zich lachte.In den winkel en in de lage achterkamer, voor het venster waarvan nu de wingerd bloeide, was het of de dagen van het vorig jaar weêr beginnen zouden. De oolijke Baldo vedelde ’s avonds weêr, de gebroeders zongen hun eenvoudige liedjes en Tamalone deed verhalen uit ouden tijd.Maar Mevena lachte niet meer zooals voorheen, haar gelaat was dikwijls vermoeid en zij scheen altoos te luisteren of zij boven haar kind ook hoorde.En zij werd stiller toen zij niet meer uit kon gaan. Op een middag had Tamalone haar eensklaps haastig door zijstraatjes meegevoerd, hij had Lugina gezien die met een edelman liep te praten.Zij zat nu gansche dagen voor haar venster te naaien, denkend aan den naderendentijd waarop haar geliefde beloofd had te komen. Wanneer zij dan dacht aan wat zij den monnik had hooren vertellen, beneden voor de deur, den avond toen hij terug was gekomen, dan viel haar naaiwerk in haar schoot en staarde zij over de daken der huizen aan gindsche zijde der rivier, in ’t verschiet met de vergulde torenspits; de tijd ging langzaam voorbij, maar haar gedachten wilden niet komen, zij hoorde voortdurend het gerucht der kooplieden in de straat en het uitbundig gekweel onder haar raam. Dan ging zij bedaard weêr door met haar werk, zij geloofde de dwaasheden niet die de monnik had gezegd. Zij wachtte en voelde zich geduldig tevreden; maar de mannen beneden zeiden dikwijls tot elkander, met een langzaam hoofdschudden, dat zij zekerlijk ziek zou worden, ze was zoo bleek en stil.Het werd al nazomer; westelijk achter de gulden torens en de masten der scheepjes in het water verkleurde des avonds de zon in velerlei schoonheid. De monnik waarde nog dagelijks behoedzaam rond om na te vragen of Lugina de stad al verlatenhad. Simon en Josse zaten bij ’t licht van hun lampje alleen bij elkander.Het was al Sint Michiel geweest. Mevena’s oogen waren rood wanneer zij in de huiskamer kwam.Eens vond Tamalone haar gekleed in den blauwen kapmantel, dien hij haar gegeven had, zij wachtte om met hem uit te gaan. Hij wilde iets zeggen van het gevaar dat zij liep haar vader te ontmoeten, doch de blik van haar oogen was zoo dringend, dat hij volgde. Zij gingen de kade af, over de brug naar de onbebouwde velden, waar zij vroeger wel wandelden en toen zij in de groententuinen kwamen zag Mevena hem recht in de oogen en vroeg:„Is ’t waar dat hij niet terugkomt?”De monnik boog zijn hoofd, en beiden zwegen terwijl hun voeten voortgingen naast elkander in regelmatigen tred.„Is het waar?” vroeg zij weder. „En wat gij dien avond verteld hebt toen gij terugkwaamt?”Tamalone zag haar aan—zij was kalm en twee groote tranen gleden van haaroogen neêr. Toen bleef hij staan, bevend hief hij zijn hand en zeide:„Wees toch niet bedroefd, Mevena, het zal voorbij gaan, schrei toch niet... Ik wil alles voor u doen wat ik kan, gij weet niet hoe ik u liefheb...”Zijn stem klonk hem zonderling als uit een afstand. Mevena stond met gesloten oogen, het hoofd wat naar achter gebogen; beneden op den grond deed een zachte wind de blaadjes der groenten bewegen.Zij keerden naar huis, maar spraken niet meer.Simon en Josse zaten dien avond alleen en staarden elkander telkens aan, zij haddengeziendat het lieve meisje in de kamer daarboven haar ongeluk wist. Tamalone kwam dien nacht niet thuis, hij doolde buiten de stad, verwonderd over de ontroeringen die hem hadden vervuld. En toen hij laat den volgenden namiddag aan den winkel kwam vond hij er de gebroeders, die ontsteld en in drukke verwarring vertelden hoe de oudste zoo pas het eten dat nog op de tafel dampte, naar boven had gebracht—de kamer was leêg. Mevenawas nergens te vinden. De monnik gilde en sprong de trappen op, de kamer in, waar de stoel en de tafel stonden op hun gewone plaats, in den hoek was de peluw met de wieg er naast.Maar toenhijbeneden kwam werd zijn angst verdreven door het bericht dat Baldo bracht, die van de wachters had gehoord, dat een vrouw met een zuigeling dien morgen de poort was uitgegaan; zelf bedarend stelde hij zijn vrienden gerust, dat hij haar wel achterhalen zou voor zij het kamp bereikte. En nadat hij haastig had gegeten ging hij op reis, door Baldo tot aan de poort verzeld.Maar op den weg, terwijl hij snel voortliep in den vochtigen avond, voelde hij dat zijn beenen zeer vermoeid waren. Hij ergerde zich over zijn domheid Mevena zoolang alleen gelaten te hebben; wel vertrouwde hij dat zij, evenmin als hij wetend waar het leger van Rogier was en langzamer gaande daar zij het kind moest dragen, het kamp niet vinden zou voor hij er was aangekomen; maar hij moest aldoor denken aan de donkere waarschuwing van Walid,die door zijn dwaas geloof, dat zij het ongeluk had gebracht door den bloedsteen, haar dooden zou. Zijn voeten waren heet en schrijnden, doch met de tanden vastgeklemd ging hij voort in groote schreden. En in een zachte bevreemding vroeg hij zichzelven wat het toch was dat hem dreef tot die nachtelijke haast—hij had nog nóóit zoo geloopen en nog nooit zooveel angsten gehad, angsten om een vrouw wier wederliefde hij niet verwachtte en die hij te nacht of te morgen voor goed uit het oog zou verliezen.Toen de lucht begon te schemeren kon hij niet verder, hij liet zich vallen op het natte gras en sliep dadelijk in.Hij ontwaakte door een hevigen slagregen en stond verschrikt op; er was een lange wegvoorhem, waar de regen op nederspatte en stroomend wegliep aan de zijden. Maar Tamalone kon niet wachten, hij sloeg zijn kap over het hoofd en vervolgde zijn reis, het water droop in een straaltje van zijn gezicht.Hij rustte maar weinig en tegen het einde van zijn vierde dagreis had hij Mevena nogniet gevonden, maar door veel vragen wist hij, dat het kamp niet verre kon zijn.Het was een boschrijke weg waar hij ging, rijzend en steil weêr neder dalend, met hooge beukeboomen die onbewogen waren in den windloozen herfstdag. Hij bleef staan om naar de sporen van paardenhoeven te zien, die van den weg af door ’t struikgewas leidden; voorzichtig sloop hij door de dorre bladeren, maar stemmen hoorend wachtte hij weêr; dan, tusschen twee dunne boomstammetjes ziende ontdekte hij krijgslieden op den grond en herkende het gezicht van Lugina bij hen. Door de bladeren scheen de zon met bleeken glans.Tamalone kwam weêr op den weg terug. Zoo hij verder ging liep Mevena gevaar hier door haar vader aangehouden te worden; zoo hij bleef wachten bereikte zij wellicht het kamp alleen en kon hij haar niet beschermen. Hij zag op naar de takken boven hem, hij wist niet wat te doen.Vóórhem zoowel als achter hem van waar hij gekomen was rees de weg; hij liep een eind weegs vooruit, omziende en weder omziende; dan ging hij weêr terug, deplaats voorbij waar de paardensporen in ’t hout verdwenen.Toen hij zijn hoofd weêr omwendde zag hij tegen ’t avondlicht een kleine gedaante die den weg afdaalde—hij wist in eens, dat het Mevena was en beefde. Zijn beenen waren loom, maar hij liep voort, vlugger en vlugger, tot hij hijgende de steilte opsnelde. De naderende figuur herkende hij al, het was een vrouw met een kind in de armen. Toen hij dichter bij kwam bleef zij staan; Tamalone liep moeilijk ademend nader met de hand op de borst, en kon niet spreken.Mevena’s gelaat was ernstig, maar onbewogen, met haar groote oogen zag zij hem in afwachting aan.„Gelukkig dat ik u vind,” zeide hij hijgend, „gij moet niet naar het kamp gaan zonder mij.”„Ik ben er al geweest,” antwoordde ze en sloeg haar oogen neêr.Langzaam, met woorden die moeilijk kwamen en soms nauw hoorbaar waren, vertelde zij dat ze Rogier gezien had. Hij had haar niet verwelkomd en weinig gesproken.Op haar vraag of het waar was dat hij met een ander zou trouwen, had hij neen geschud, hij had haar hand gekust, maar niets gezegd. Hij had haar niet geantwoord. Zij had op haar knieën gesmeekt. Zij was toen heengegaan en hij had niets gezegd.Tamalone luisterde en zag naar de kleine gestalte naar ééne zijde gebogen door de zwaarte van het kind, achter haar verbleekte de avondzon in kwijnende warmte. Zij stonden zwijgend op den weg, in den schemer der hooge boomen. De monnik dorst niet te spreken. In de blaêren ritselde het, de stilte was wonderbaarlijk. En zoo stonden zij langen tijd starend naar het gele licht door het loof van de boomen, hun beider ademhaling was geregeld en zacht. En toen Mevena haar oogen opsloeg en hem aanzag, zeide hij:„Kom meê naar Simon en Josse—”Maar hij wist het van te voren, zij schudde het hoofd.„Neen, ik kan met u niet meêgaan. Mijn vader is dichtbij, daar ga ik heen.”„Maar uw vader...”„Hij zal me wel vergeven.” Even zweeg ze en herhaalde dan: „Ik kan niet meêgaan.”Tamalone voelde toen de beroering diep in hem zinken. Mevena was Mevena niet meer, maar een vrouw die van ongeluk stierf. Hij kon niet meer spreken.Toen, met tranen in haar oogen, nam zij zijn hand en kuste die; zij wilde heengaan, maar hief nogmaals zijn hand zachtjes op en kuste die weder—de monnik bewoog zich niet, hij zag haar heengaan met geruchtloozen tred, haar mantel was om het kind gewikkeld. De gestalte daalde en werd kleiner onder het duister der boomen, wier rustige bladeren hier en daar een weêrschijn vingen van ’t laatste gele licht dat aan den hemel blonk. De monnik keek haar roerloos na.
De waard van de herberg waar hij een bed had gevraagd, kon hem niet zeggen of er een vrouw in het leger was, noch waarheen de stadhouder was getogen. De oostersche soldaten waren echter nog in de stad en zij zouden het zeker weten.
En ofschoon het al donker was geworden begaf Tamalone zich aanstonds naar het paleis, waar hij om Walid vroeg. De hoofdman, verbaasd hèm daar te zien in de groote zaal, begroette hem lachend en vriendelijk, hij had hem meer genegenheid toegedragen sedert de vaardige vlucht uit het kamp voor het belegerde slot.
Zij gingen naar buiten en liepen de straten door. Walid sprak voortdurend, terwijl de ander zweeg, en vertelde dat Mevenareeds lang vertrokken was, naar Pisa, dacht hij; dat de meester sedert dien tijd stil en treurig was geweest, en dat Carolus en hij zelf bemerkt hadden, dat er geheime moordenaars omzwierven, zoodat zij hem voortdurend hadden bewaakt. Maar zij waren blijde, dat de meester nu voor goed had besloten het meisje niet meer te zien, zoo zij hem den bloedsteen nog konden ontrooven was alle gevaar voorbij. Rogier zou een dochter van den grooten markgraaf Lancia tot vrouw nemen en gelukkig en aanzienlijk worden. Tenzij het meisje terugkwam met haar kind; de meester was gansch onder haar bekoring, het lot had geopenbaard, dat een vrouw hem onheil zou brengen, en sedert hij haar ontmoet had, meer dan een jaar geleden, was hij driewerf gewond geweest en geen dag zonder kommer op ’t gelaat. Hij, Walid, zou haar in het kamp niet meer dulden.
De monnik bleef zwijgen. Zij waren aan een gewelfd bruggetje over een vliet gekomen en zetten zich naast elkander neder op de houten leuning. Terwijl zij nadachten en geen van beiden sprakennaderden twee mannen, hun voetstappen klonken op de planken der brug, en toen zij dicht bij waren herkende Tamalone duidelijk de stem van Lugina. Hij was op het punt er Walid opmerkzaam op te maken, maar hield zich in.
Beneden hen klokte het stroomende water. De oosterling begon weêr te spreken. Hij zeide, dat hij Tamalone wel begrepen had en hem bewonderde. En omdat hij hem niet gaarne leed zou doen ried hij hem met alle middelen te voorkomen, dat Mevena weder in het bijzijn van zijn meester kwam.
„Ik hoop dat gij gelukkig moogt zijn,” zeide hij: „de vrouw is niet slecht misschien.” En hij liet zijn hand een wijle rusten op Tamalone’s schouder, die innerlijk beefde bij dit nieuwe gezicht.
Een torenklok sloeg. Zij stonden ten letste op en liepen zwijgend terug naar het paleis. De monnik wilde niet mede naar binnen, maar nam afscheid voor de buitengalerij; hij drukte Walid’s hand krachtig in de zijne, hij voelde dat deze man zijn vriend had kunnen wezen.
Het waren zonderling prikkelende gedachten, die Walids woorden in hem hadden gewekt. Tamalone voorzag reeds de smarten, die Mevena zou lijden wanneer zij wist, dat zij voor goed was verlaten, hij zag haar betraand gelaat—zijn aderen zwollen en zijn hart klopte zwaar door ’t valsche onrecht haar aangedaan. Op zijn bed lag hij wakend met gesloten oogen; het venstertje liet de nachtkoelte in, schreden die in de straat haastig voorbij slopen of het geluid van de torenklok leidden bij wijlen zijn gedachten af. Hij wist geen raad. Waar zou zij henen moeten? zij had geen enkelen vriend meer dan hem zelf, die niet eens wist waar zij was, die niet wist of zij dit eigen oogenblik niet ellendig rondzwierf met haar kind. Maar Walid had gezegd in Pisa, zij zou wel in den winkel aan de kade zijn teruggekeerd. Hij stond op om uit het venster te zien of de dag al aan den hemel kwam; dan lei hij zich weêr neder, zijn voeten deden zeer van den langen tocht dien hij gekomen was. En terwijl hij trachtte voort te denken sliep hij in.
Met schrik ontwaakte hij kort daarop weder, maar hij was verheugd, want door het venstertje zag hij dat de duisternis verschoot, zoodat hij weldra zou kunnen vertrekken. Bij het kozijn geleund, starende naar de oosterlucht die ijler werd, herinnerde hij zich wat Walid bedoeld had met den wensch voor zijn geluk, en langen tijd bleef hij staren naar de lucht en de straat, waar de gesloten huizen, ordeloos tusschen boomen verspreid, verschenen uit den vroegen schemer, tot het kraaien van een haan hem stoorde in zijn rust en hij zich bezon, dat Mevena hem niet beminde.
Hij verliet de kamer, wekte den waard, en met zijn brood in de hand ging hij naar buiten. Opgewekt stapte hij voort in den frisschen morgen.
Maar toen hij tegen den avond zeer vermoeid de landerijen van Pisa bereikte, peinsde hij waarom hij gegaan was, waarom hij de passie zocht, die hem niets dan verdriet kon geven, terwijl aan alle zijden de wegen naar andere streken leidden, waar hij dolend tenminste met het stille beeld zijner aanbidding alleen kon wezen,zonder verlangen naar wederliefde, dat door nieuw verlangen zeker gevolgd werd. In zijn verbeeldingen was hij immers altijd gelukkig geweest.
En ofschoon hij van verwachting gepoperd had toen hij zich op weg begaf, liep hij thans neêrslachtig langzaam op de kade, waar de bewoners voor hun huizen stonden te praten in het rustig genot van den zomeravond. Uit de verte reeds zag Tamalone, dat de winkel van Simon nog open was, er scheen wat licht naar buiten en voor de deur stond Baldo viool te spelen, Mevena en de gebroeders zaten te luisteren. Hij naderde en bleef onopgemerkt staan; in ’t schaarsche licht zag hij, dat Mevena’s gelaat, ten deele afgewend, droevig en fijn was. Bij ’t eind van het danswijsje trad hij zacht op haar toe en groette haar. Zij schrok en lachte, met de hand op haar borst, Simon en Josse verwelkoomden met handdrukken en luidruchtigheid. Er werd een stoel gehaald, en pasteien en bier, en Tamalone moest dadelijk verhalen hoe hij gevlucht was en waar hij gescholen had.
Toen het al laat was ging Mevena, die haar kind hoorde, naar binnen; de mannen zaten nog lang te luisteren naar den monnik, die met een glimlach vertelde van dwazen door wie hij vervolgd was, ofschoon hij nooit iets misdaan had. En dan, in de stilte van de kade, zeide hij hoe Mevena verlaten was door haar minnaar, die met een ander zou trouwen—zijn stem werd zoo week en zacht, dat Simon en Josse en zelfs de jonge Baldo zwijgend en aangedaan voor zich keken in den luwen nacht. Zij gingen ten leste naar binnen. Terwijl Tamalone nog talmde voor hij de anderen volgde, zag hij naar boven, naar het venstertje van Mevena’s kamer; het stond open. Hij begreep, dat zij alles gehoord had wat hij zoo pas vertelde.
Gedurende de wandeling door de straten den volgenden dag, die zij weêr zooals vroeger deden, Mevena thans met haar kind in de armen, vroeg hij waarom zij niet in het kamp gebleven was. Zij antwoordde:
„Rogier mocht van den keizer niet heengaan, daarom wacht ik hier op hem. Over zes weken komt hij mij halen.”
Toen werd Tamalone bij ’t verder gaan zeer vroolijk, zij had hem klaarblijkelijk niet gehoord gisteravond en hij herinnerde zich ook, dat hij zacht had gesproken. Hij lachte en knikte tegen het kleine kindje, zoodat de menschen in de straat bleven staan, elkander wijzend naar den lustigen monnik, en Mevena stillekens voor zich lachte.
In den winkel en in de lage achterkamer, voor het venster waarvan nu de wingerd bloeide, was het of de dagen van het vorig jaar weêr beginnen zouden. De oolijke Baldo vedelde ’s avonds weêr, de gebroeders zongen hun eenvoudige liedjes en Tamalone deed verhalen uit ouden tijd.
Maar Mevena lachte niet meer zooals voorheen, haar gelaat was dikwijls vermoeid en zij scheen altoos te luisteren of zij boven haar kind ook hoorde.
En zij werd stiller toen zij niet meer uit kon gaan. Op een middag had Tamalone haar eensklaps haastig door zijstraatjes meegevoerd, hij had Lugina gezien die met een edelman liep te praten.
Zij zat nu gansche dagen voor haar venster te naaien, denkend aan den naderendentijd waarop haar geliefde beloofd had te komen. Wanneer zij dan dacht aan wat zij den monnik had hooren vertellen, beneden voor de deur, den avond toen hij terug was gekomen, dan viel haar naaiwerk in haar schoot en staarde zij over de daken der huizen aan gindsche zijde der rivier, in ’t verschiet met de vergulde torenspits; de tijd ging langzaam voorbij, maar haar gedachten wilden niet komen, zij hoorde voortdurend het gerucht der kooplieden in de straat en het uitbundig gekweel onder haar raam. Dan ging zij bedaard weêr door met haar werk, zij geloofde de dwaasheden niet die de monnik had gezegd. Zij wachtte en voelde zich geduldig tevreden; maar de mannen beneden zeiden dikwijls tot elkander, met een langzaam hoofdschudden, dat zij zekerlijk ziek zou worden, ze was zoo bleek en stil.
Het werd al nazomer; westelijk achter de gulden torens en de masten der scheepjes in het water verkleurde des avonds de zon in velerlei schoonheid. De monnik waarde nog dagelijks behoedzaam rond om na te vragen of Lugina de stad al verlatenhad. Simon en Josse zaten bij ’t licht van hun lampje alleen bij elkander.
Het was al Sint Michiel geweest. Mevena’s oogen waren rood wanneer zij in de huiskamer kwam.
Eens vond Tamalone haar gekleed in den blauwen kapmantel, dien hij haar gegeven had, zij wachtte om met hem uit te gaan. Hij wilde iets zeggen van het gevaar dat zij liep haar vader te ontmoeten, doch de blik van haar oogen was zoo dringend, dat hij volgde. Zij gingen de kade af, over de brug naar de onbebouwde velden, waar zij vroeger wel wandelden en toen zij in de groententuinen kwamen zag Mevena hem recht in de oogen en vroeg:
„Is ’t waar dat hij niet terugkomt?”
De monnik boog zijn hoofd, en beiden zwegen terwijl hun voeten voortgingen naast elkander in regelmatigen tred.
„Is het waar?” vroeg zij weder. „En wat gij dien avond verteld hebt toen gij terugkwaamt?”
Tamalone zag haar aan—zij was kalm en twee groote tranen gleden van haaroogen neêr. Toen bleef hij staan, bevend hief hij zijn hand en zeide:
„Wees toch niet bedroefd, Mevena, het zal voorbij gaan, schrei toch niet... Ik wil alles voor u doen wat ik kan, gij weet niet hoe ik u liefheb...”
Zijn stem klonk hem zonderling als uit een afstand. Mevena stond met gesloten oogen, het hoofd wat naar achter gebogen; beneden op den grond deed een zachte wind de blaadjes der groenten bewegen.
Zij keerden naar huis, maar spraken niet meer.
Simon en Josse zaten dien avond alleen en staarden elkander telkens aan, zij haddengeziendat het lieve meisje in de kamer daarboven haar ongeluk wist. Tamalone kwam dien nacht niet thuis, hij doolde buiten de stad, verwonderd over de ontroeringen die hem hadden vervuld. En toen hij laat den volgenden namiddag aan den winkel kwam vond hij er de gebroeders, die ontsteld en in drukke verwarring vertelden hoe de oudste zoo pas het eten dat nog op de tafel dampte, naar boven had gebracht—de kamer was leêg. Mevenawas nergens te vinden. De monnik gilde en sprong de trappen op, de kamer in, waar de stoel en de tafel stonden op hun gewone plaats, in den hoek was de peluw met de wieg er naast.
Maar toenhijbeneden kwam werd zijn angst verdreven door het bericht dat Baldo bracht, die van de wachters had gehoord, dat een vrouw met een zuigeling dien morgen de poort was uitgegaan; zelf bedarend stelde hij zijn vrienden gerust, dat hij haar wel achterhalen zou voor zij het kamp bereikte. En nadat hij haastig had gegeten ging hij op reis, door Baldo tot aan de poort verzeld.
Maar op den weg, terwijl hij snel voortliep in den vochtigen avond, voelde hij dat zijn beenen zeer vermoeid waren. Hij ergerde zich over zijn domheid Mevena zoolang alleen gelaten te hebben; wel vertrouwde hij dat zij, evenmin als hij wetend waar het leger van Rogier was en langzamer gaande daar zij het kind moest dragen, het kamp niet vinden zou voor hij er was aangekomen; maar hij moest aldoor denken aan de donkere waarschuwing van Walid,die door zijn dwaas geloof, dat zij het ongeluk had gebracht door den bloedsteen, haar dooden zou. Zijn voeten waren heet en schrijnden, doch met de tanden vastgeklemd ging hij voort in groote schreden. En in een zachte bevreemding vroeg hij zichzelven wat het toch was dat hem dreef tot die nachtelijke haast—hij had nog nóóit zoo geloopen en nog nooit zooveel angsten gehad, angsten om een vrouw wier wederliefde hij niet verwachtte en die hij te nacht of te morgen voor goed uit het oog zou verliezen.
Toen de lucht begon te schemeren kon hij niet verder, hij liet zich vallen op het natte gras en sliep dadelijk in.
Hij ontwaakte door een hevigen slagregen en stond verschrikt op; er was een lange wegvoorhem, waar de regen op nederspatte en stroomend wegliep aan de zijden. Maar Tamalone kon niet wachten, hij sloeg zijn kap over het hoofd en vervolgde zijn reis, het water droop in een straaltje van zijn gezicht.
Hij rustte maar weinig en tegen het einde van zijn vierde dagreis had hij Mevena nogniet gevonden, maar door veel vragen wist hij, dat het kamp niet verre kon zijn.
Het was een boschrijke weg waar hij ging, rijzend en steil weêr neder dalend, met hooge beukeboomen die onbewogen waren in den windloozen herfstdag. Hij bleef staan om naar de sporen van paardenhoeven te zien, die van den weg af door ’t struikgewas leidden; voorzichtig sloop hij door de dorre bladeren, maar stemmen hoorend wachtte hij weêr; dan, tusschen twee dunne boomstammetjes ziende ontdekte hij krijgslieden op den grond en herkende het gezicht van Lugina bij hen. Door de bladeren scheen de zon met bleeken glans.
Tamalone kwam weêr op den weg terug. Zoo hij verder ging liep Mevena gevaar hier door haar vader aangehouden te worden; zoo hij bleef wachten bereikte zij wellicht het kamp alleen en kon hij haar niet beschermen. Hij zag op naar de takken boven hem, hij wist niet wat te doen.Vóórhem zoowel als achter hem van waar hij gekomen was rees de weg; hij liep een eind weegs vooruit, omziende en weder omziende; dan ging hij weêr terug, deplaats voorbij waar de paardensporen in ’t hout verdwenen.
Toen hij zijn hoofd weêr omwendde zag hij tegen ’t avondlicht een kleine gedaante die den weg afdaalde—hij wist in eens, dat het Mevena was en beefde. Zijn beenen waren loom, maar hij liep voort, vlugger en vlugger, tot hij hijgende de steilte opsnelde. De naderende figuur herkende hij al, het was een vrouw met een kind in de armen. Toen hij dichter bij kwam bleef zij staan; Tamalone liep moeilijk ademend nader met de hand op de borst, en kon niet spreken.
Mevena’s gelaat was ernstig, maar onbewogen, met haar groote oogen zag zij hem in afwachting aan.
„Gelukkig dat ik u vind,” zeide hij hijgend, „gij moet niet naar het kamp gaan zonder mij.”
„Ik ben er al geweest,” antwoordde ze en sloeg haar oogen neêr.
Langzaam, met woorden die moeilijk kwamen en soms nauw hoorbaar waren, vertelde zij dat ze Rogier gezien had. Hij had haar niet verwelkomd en weinig gesproken.Op haar vraag of het waar was dat hij met een ander zou trouwen, had hij neen geschud, hij had haar hand gekust, maar niets gezegd. Hij had haar niet geantwoord. Zij had op haar knieën gesmeekt. Zij was toen heengegaan en hij had niets gezegd.
Tamalone luisterde en zag naar de kleine gestalte naar ééne zijde gebogen door de zwaarte van het kind, achter haar verbleekte de avondzon in kwijnende warmte. Zij stonden zwijgend op den weg, in den schemer der hooge boomen. De monnik dorst niet te spreken. In de blaêren ritselde het, de stilte was wonderbaarlijk. En zoo stonden zij langen tijd starend naar het gele licht door het loof van de boomen, hun beider ademhaling was geregeld en zacht. En toen Mevena haar oogen opsloeg en hem aanzag, zeide hij:
„Kom meê naar Simon en Josse—”
Maar hij wist het van te voren, zij schudde het hoofd.
„Neen, ik kan met u niet meêgaan. Mijn vader is dichtbij, daar ga ik heen.”
„Maar uw vader...”
„Hij zal me wel vergeven.” Even zweeg ze en herhaalde dan: „Ik kan niet meêgaan.”
Tamalone voelde toen de beroering diep in hem zinken. Mevena was Mevena niet meer, maar een vrouw die van ongeluk stierf. Hij kon niet meer spreken.
Toen, met tranen in haar oogen, nam zij zijn hand en kuste die; zij wilde heengaan, maar hief nogmaals zijn hand zachtjes op en kuste die weder—de monnik bewoog zich niet, hij zag haar heengaan met geruchtloozen tred, haar mantel was om het kind gewikkeld. De gestalte daalde en werd kleiner onder het duister der boomen, wier rustige bladeren hier en daar een weêrschijn vingen van ’t laatste gele licht dat aan den hemel blonk. De monnik keek haar roerloos na.