Hoofdstuk VI.

Hoofdstuk VI.Naar Batjan. Opnieuw te Ternate.Voor Van der Molen was een draagbaar in gereedheid gebracht, om den zwaar zieken man naar boord te kunnen dragen, daar hij dien afstand toch onmogelijk te voet zou kunnen afleggen. Tot mijn niet geringe verbazing bedankte hij er hooghartig voor. Na uit zijn bed te zijn gestapt, kleedde hij zich aan en legde met zijn vier fox-terriers den driekwartier gaans langen weg naar de aanlegplaats te voet af. Of ik om hem of om mijzelf weer lachen of huilen moest wist ik niet, maar tragikomisch was het geval nu zeker geworden.Aan boord vernam ik van den kapitein en den stuurman en van eenige passagiers, die met hem hadden gereisd, hoe zonderling hij zich reeds op de heenreis had gedragen en hoe men mij algemeen beklaagd had met de aanwinst van zulk een nieuwen administrateur, terwijl men overtuigd was geweest, dat hij met dezelfde boot ontslagen teruggestuurd zou worden. En met zulke menschen sluit men in Indië contracten van 5 jaren, met een aanvangsalaris van ƒ 500.– in de maand. Zoo weinig stellen deze menschen, die geen cent bezitten, dergelijke posities op prijs.Zoo kwam ik weer, na maanden, te Ternate terug met mijn tweeden afgedankten administrateur op weg naar een derden. Vele bekenden der Hollandsche kolonie trof ik aan, die allen min of meer begaan waren met het noodlot, dat mij achtervolgde.Een visscher van Halmaheira met werpnet. (Phot. Baretta).Een visscher van Halmaheira met werpnet. (Phot. Baretta).Na een etmaal aan den steiger te hebben gelegen, vertrok de boot tegen den nacht naar Batjan, de eerste haven die nu door haar zou worden aangedaan.Ik had mij altijd voorgesteld, wanneer ik eens weer tusschen de vulkanen van Ternate en Tidore door zou varen, de Moluksche Zee in, dat ik dit zou doen met bestemming naar het vaderland, een heerlijke toekomst in het verschiet, terwijl het welslagen van de onderneming op Halmaheira, overgelaten aan vertrouwde handen, verzekerd zou zijn.Niets van dat alles! Met een bezwaard hart had ik mijn werk half voltooid moeten achterlaten, en een geheel, onzekere toekomst lag voor me. Zou ik op Batjan slagen? En zoo niet, wat dan? Dan wachtte mij een zwerftocht door den Archipel en een tijdverlies van dagen en weken, dat zich tot maanden zou rekken. En zou het op Java gelukken?Van Batjan zou ik, als ik daar niet slaagde, op een of andere wijze moeten trachten Ternate weer te bereiken, vanwaar dan over Menado en Makassar naar Java gereisd zou moeten worden.Wat zou men in Holland moeten denken? In Holland, waar men zich de moeiten en de bezwaren, die de toestanden in de Buitenbezittingen opleveren, niet kon voorstellen. Daar zou men immers binnen een enkelen dag den stroom van goede sollicitanten naar zulk een goed gesalarieerde betrekking niet kunnen weren.Later kreeg ik op Java eens inzage van sollicitatiebrieven naar een betrekking van assistent op een groote onderneming. Het was leerzaam zulk een collectie eens door te snuffelen en teekenend voor Indië, op welk een wijze vele sollicitanten zich zelven trachtten aan te bevelen. De een schreef, als aanbeveling: ik ben wettig getrouwd; een ander dat hij getrouwd was, doch dat het hem onverschillig was of hij zijn vrouw zou kunnen meenemen of niet; een derde, dat hij geen geld meer had en dus nu wel verdienen moest—want er waren geen veeren meer te plukken van een geplukte kip; een vierde.... dat hij het wel eens probeeren wilde, enz.Het was reeds geheel dag, toen we de ruime baaivan Batjan, omgeven door een kring van bergen, binnenstoomden. Tot mijn verwondering had ik dezen morgen reeds tijdig aan de ontbijttafel in het eetsalon den heer Van der Molen zien verschijnen, die zich de vorige dagen aan boord bijna niet had laten zien. Hij zag er weer beter verzorgd uit en scheen zich wat monterder te gevoelen. Dit was ’t laatste wat ik van dezen man zag, van wien ik de dupe was geworden, en die van den beginne en ook nu nog een raadsel voor mij was gebleven.Het eerste wat ik, aan den wal gekomen, vernam was dat de assistent, die door mij werd gezocht nog te Batjan vertoefde, echter op een eenzaam gelegen landpunt aan het eind van de baai, op een afstand van ruim twee uren per prauw van hier.Met den civiel-gezaghebber wandelde ik het plaatsje binnen, dat veel grooter dan Tobelo, maar onaanzienlijker dan Ternate, echter de residentie is van een sultan, van den Sultan van Batjan, wiens witte woning met atappen dak wij bij het binnenvaren van de baai hadden opgemerkt. Kleine toko’s wisselden af met grootere en kleinere inlandsche huisjes langs den grooten weg en langs de zijwegen. Na een tijdje zoo te hebben gewandeld bereikten we een groot plein, waaraan een ruim woonhuis lag, dat een uitzicht had op zee, het huis van den kapitein-civiel-gezaghebber.Motorbootje en prauwen op de Kaubaai. (Phot. Baretta).Motorbootje en prauwen op de Kaubaai. (Phot. Baretta).Al spoedig had ik het er goed. De vrouw van den civiel-gezaghebber noodigde mij aan de middagtafel, en in het paviljoen van het huis van een vermogenden planter en zakenman vond ik een uitstekend onderdak.Deze laatste, een Hollander dien ik te Ternate reeds had leeren kennen, was, zooals jaarlijks voor een half jaar zijn gewoonte was, naar Europa vertrokken, doch hij had zijn huis onder toezicht van den bestuursambtenaar, voor doortrekkende gasten beschikbaar gesteld. Hoe innig dankbaar was ik dien gastheer voor zijn royale beschikking en hoe weldadig deed het mij aan, daar in dat huis een comfort te vinden, waaraan ik niet meer gewend was, terwijl mij de vrije beschikking over een bibliotheek werd gegeven, die de vele uren, hier waarschijnlijk door te brengen, op de aangenaamste wijze zou kunnen vullen.Met den huisbewaarder, den mandoer van mijn gastheer, en mijn jongen werd alles voor een tijdelijke huishouding geregeld, zoodat ik me hier weldra geheel thuis voelde en dankbaar en knus genieten kon van een der lichtzijden van het Indische leven in de Buiten-bezittingen, nl. van een onbeperkte gastvrijheid. Een van mijn eerste bezigheden was, mij aan de schrijftafel van mijn gastheer te zetten om hem een brief met welgemeenden dank te doen toekomen.Den volgenden morgen stapte ik in een prauwtje, dat mij naar de landpunt zou brengen, die naar het Westen aan den uitgang naar zee te zien was. Langs een strand, waar rijen klapperboomen met wuivende kruinen en zware vruchtentrossen stonden, werd ik voortgeroeid. De wind stond in de baai en weer danste ik in een notedop met in het water kletsende vlerken over hooge blauwe witgekuifde golven voort. De landpunt, ook met klapperboomen begroeid, werd steeds duidelijker zichtbaar; een paar wrakken van gestrande schoenertjes teekenden zich daar tegen den wal af, een dak gluurde tusschen de stammen door, en toen ik eindelijk, tegen dien wind in, na eenige uren mijn doel genaderd was en op het strand wilde stappen, verscheen tusschen de hooge slanke stammen der klapperboomen een jonge man geheel inhet wit, met een zonnehoed op het hoofd—de assistent, dien ik zocht en die hier met vrouw en kind woonde.Onder de wuivende kruinen wandelden we samen naar zijn huis, dat dicht bij de kust iets verder in de schaduw van die boomen lag. Een jonge vrouw zat onder de galerij van het vriendelijk uitziende witte huisje, dat we naderden. Verwonderd een haar onbekend heer in gezelschap van haar man in deze verlatenheid te zien naderen, stond zij, nu verschrikt over haar ongegeneerd toilet, snel op om dit nog inderhaast eenigszins in orde te maken, maar reeds te spoedig stapten we het voorgalerijtje binnen en lachend accepteerde ik gaarne de excuses over haar kleeding, waar men in Indië en dan in de Buiten-bezittingen niet al te nauw op dient te letten. Aan bloote voeten en half opgemaakte haren went men gauw; aan sarong en kabaai, een dracht die de slanke inlandsche vrouw goed kleedt, went men bij de breeder geheupte Hollandsche vrouw moeilijker.Daar zij verrast waren over mijn komst, deelde ik spoedig het doel van mijn reis mede, en al pratende kwam ik tot de overtuiging hier een paar jonge menschen voor me te hebben, die met weinig ervaring, in gelukkigen overmoed van de jeugd naar Indië waren gegaan, droomende van prachtige vooruitzichten en vertrouwende op beloften, die niet altijd werden of konden worden vervuld. Zij waren de eersten niet en zouden ook de laatsten niet zijn, die, bekoord door het zonneland in de verte, gelukkig hun vleugels in vrijheid ruim uit te kunnen slaan, hun vaderland hadden verlaten, om daarginds door het Indische lot op ongelooflijk hardhandige wijze uit hun droom te worden gewekt. Wat daar onder zulke omstandigheden aan heimwee en teleurstellingen, in ’t bijzonder onder de jonge vrouwtjes geleden wordt, wie zal het precies zeggen. Doch levens worden er voor altijd geknakt en gaan er te gronde.Doch deze menschen waren jong en nog niet gebroken; maar zooals ze daar zaten tusschen inlanders, verlaten van andere blanken, met een inboedeltje, dat bestond uit een paar rieten stoelen en een tafeltje, een ijzeren bed, een wiegje, wat portretten en de noodzakelijkste lijfgoederen en het noodzakelijkste eetgerei, kon toch moeilijk aan eenige illusie voldoen. Het huisje met het zinken dak onder de klapperboomen was niet onvriendelijk, maar lag steeds in het halflicht, met een eentonig uitzicht tusschen de slanke klapperstammen op de verlaten, soms door een prauwtje bevaren zee. Bij harden wind vielen de zware noten dikwijls met donderend geraas bij dag en bij nacht op het zinken dak hunner woning of in de omgeving van het huis, waardoor het wandelen en het spelen van een kind daar ongeraden werd. Bezoek kwam er nooit, en slechts zelden mochten ze eens van hier met een prauw naar Batjan. Dag in dag uit zaten ze daar eenzaam tusschen de stammen van de klapperboomen op de verlaten zee te turen.De man had zijn werk met een ploeg contractanten, die in de nabijheid woonden, zij had haar kind, maar de eene dag was als de andere, de financiën plaagden en de toekomst gaf weinig vooruitzichten noch zekerheid, en daarmede groeiden de bezwaren. De royale opvattingen vóór en tijdens hun komst in Indië en hun groote verwachtingen hadden voor zuinigheid plaats moeten maken en voor het gespartel met een door allerlei bezwaard inkomen. Maar, zooals gezegd, ze waren niet gebroken, en hunne illusies werden nog altijd gesteund door de levenskracht hunner jeugd en door niet-opgegeven verwachtingen voor de toekomst.En waarlijk, die jeugdige taaiheid zou misschien niet bedrogen uitkomen. Het bezoek dien dag zou er reeds iets van kunnen verwezenlijken. Eerlijke jonge menschen, die kunnen en willen werken om zich een positie te verschaffen, zijn in deze streken zeldzaam. Aan hun werklust behoefde ik niet te twijfelen, en zoo kwam ik met mijn voorstellen voor den dag. Er werd overlegd en gepraat, de gezichten werden glunder, het jonge vrouwtje zette een kop thee, hij gaf me een sigaar en in beginsel waren we het spoedig eens geworden. Ik zou zijn chef te Batjan trachten te spreken te krijgen, om daarna zoo spoedig mogelijk terug te keeren en hem den uitslag van dit bezoek mededeelen.Mijn indruk van dit jonge paar menschen, dat Indië reeds van de hardste zijde had leeren kennen, was zeer gunstig voor de betrekking, die ik had aan te bieden en tegen den middag ging ik, met den wind mee, in snelle vaart over de hooge golven terug naar Batjan, met de zekerheid een paar menschen gelukkig te hebben achtergelaten.Het was eenige dagen later, dat ik aan boord van de Nora, welk scheepje tijdelijk hier lag, in gezelschap van den civiel-gezaghebber, die een inspectiereis naar de naburige eilanden ging doen, opnieuw op weg was naar het paar aan ’t einde van de baai. Met den chef van den assistent was het tijdstip bepaald, waarop deze laatste zijn ontslag uit zijn oude betrekking zou kunnen krijgen. Met de noodige papieren bij mij trok ik er nu weer op af.Toen de Nora de landpunt naderde, verscheen tusschen de ranke klapperstammen weer dezelfde gestalte van eenige dagen geleden. Hij had zeker met verlangen mijn komst tegemoet gezien en zou in ongeduldige afwachting moeten zijn over den loop der dingen. De Nora stopte. Na afscheid te hebben genomen, ging ik van boord en liet me naar den wal roeien, en na eenig wenken en wuiven verdween het witte scheepje over de donkerblauwe golven om den hoek, op zijn inspectietocht naar verdere eilanden.Met den assistent wandelde ik naar zijn huis en daar zaten we weer onder het galerijtje en sloten de overeenkomst af. Hij zou met de eerstvolgende boot, die binnen twee weken verwacht werd, naar Tobelo komen, om daar de administratie der onderneming op zich te nemen. Het was voor den jongen man een promotie, die in een streek als deze alleen nog mogelijk was. Met mijn nieuwen jongen administrateur, die al zijn verwachtingen nog op de toekomst bouwde, was ik zeer ingenomen, en hoogst gelukkig was ik gestemd, nu ik inzag van de toekomst alles goeds te mogen verwachten.Op uitnoodiging van de vrouw des huizes zou ik dien middag daar blijven rijsttafelen. Daarvoor hadzij getracht van Batjan het een en ander te laten komen, doch bij mijn komst was nog niets gearriveerd en zoo overkwam daar een gastvrouw het ergste wat haar overkomen kon, een genooden gast niet eens een behoorlijk maal te kunnen voorzetten. ’t Was het soberste wat Indië schaft—rijst met kip. En daar zij geen kokkie had en als Hollandsche de geheimen der rijsttafel nog lang niet machtig was, werd het ook niet anders dan rijst met ongevarieerde kip.’t Zal voor de gastvrouw onpleizierig zijn geweest, en de excuses en de verklaringen bleven niet uit. Voor mij, die zag hoe weinig zij hier gewend waren, hoe zij zich hadden leeren schikken, was dit een bewijs te meer voor hun geschiktheid voor ’t nieuwe ambt. Vroolijk en wel aten we in een klein achtergalerijtje taaie kip en droge rijst en een pisang na, alle drie overtuigd, dat het spoedig voor ieder onzer beter zou worden. Zij vertelden mij toen, hoe sober hun leven was en hoe moeilijk het was geweest daarin de kleinste afwisseling te brengen en zich van het eenvoudigste te voorzien.Hun eten bestond altijd uit rijst en kip, doch wilden zij voor de afwisseling zich eens op visch tracteeren, dan moest de baboe naar het strand gaan en daar wachten, soms urenlang, tot er een prauwtje met een visscherman voorbij schoot, die genegen was van zijn vangst iets te verkoopen.Voldaan over mijn ondervindingen en met de beste verwachting nam ik dien middag afscheid, in de hoop hen binnen eenige weken met de eerstvolgende boot te Ternate te zien arriveeren, waar ik hun komst zou afwachten om gezamenlijk naar Tobelo door te reizen. Hoe ik vóór dien tijd van Batjan naar Ternate zou komen, was me nog niet duidelijk, doch allicht zou er zich de een of andere gelegenheid voordoen.Voorloopig zat ik nu goed en wel te Batjan ingekwartierd, maakte er kennis met den sultan, die een graadje flinker bleek dan zijn Ternataanschen collega en schreef en las, en las en schreef. Met Shackleton zat ik in sneeuw en ijs, met Stanley in de Afrikaansche oerwouden, en door de eenzijdige doch ware oogen van Bas Veth bekeek ik Indië.Na zoo eenige dagen te hebben doorgebracht, vernam ik dat een klein stoombootje van de Batjan-maatschappij naar Ternate zou vertrekken, waarmede ook passagiers vervoerd konden worden.Het was op zekeren middag tegen 2 uur, dat ik me aan boord van de Adrienne begaf, in gezelschap van allerlei oosterlingen, waaronder ook eenige hadji’s. Ik installeerde me daar zoo behagelijk mogelijk voor een reis van een etmaal tusschen de westkust van het zuidelijk gedeelte van Halmaheira en de eilanden die er voor lagen, totdat Ternate bereikt zou zijn.Voor voldoend eten en drinken had mijn jongen gezorgd, en zoo op een vouwstoel half zittend, half liggend, naast een miniatuur kajuitje, op een plaatsje waar ik me nauwelijks verroeren kon, liet ik het panorama van het landschap langs me heengaan. Zwaarbegroeid waren de bergen op het groote eiland rechts, eveneens waren de eilandjes links dicht met oerwoud bezet, soms met klapperboomen daar tusschen; somtijds lag er een huisje aan het strand en een prauwtje op het stille water tusschen de beschuttende eilanden.Nu eens spiegelde een groote watervlakte als een meer voor ons oog, dan voeren we door een nauwe geul en leek het vaarwater als afgesloten, doch op het laatste oogenblik werd een doorgang gevonden. Door een wisseling van vergezichten over het water en op het landschap, voeren we verder en zoo werd bij mij de indruk wakker of we stoomden in de Noorsche wateren, tusschen het vastland rechts en de scheren links, daar, waar ook het landschap voor den boeg bij het varen door engten en wijdten, in eenzelfde eentonigheid toch telkens wisselt.Hoe dwaas het schijne Noorwegen te vergelijken met deze omgeving, toch moet hier ook lang voor mij reeds iemand getroffen zijn geworden door de toevallige overeenkomst van die ver uiteenliggende landen. Waarom anders zou aan dat eiland tusschen Ternate en Tidore, aan dien ronden kop, overblijfsel van een scherpen vulkaankegel, de Maleische naam van Noorwegen, van Maitara, gegeven zijn?Paarlvisschers, als Noorsche kust- en fjordenbewoners met hun scheepjes op de spiegelende watervlakten, waren hier met hun witte schoenertjes op zoek naar de kostbaarheden op den bodem der zee. Een bedrijf, dat steeds moeilijker en riskanter was geworden, daar men steeds dieper naar die schatten moest zoeken, wijl de gunstigst gelegen en ondiepste banken reeds lang waren leeggehaald. Maar tot nu toe waren in deze verre residentie met haar exotische wonderen, als parelen, koralen, amber, schildpad en paradijsvogelhuiden, nog niet veel Europeanen rijk geworden met het zoeken naar die schatten. Bedrog en slechte organisatie en moeilijk te houden toezicht, en somtijds een onverwacht en ongehoord fluctueeren der prijzen, bleken nog steeds onoverkomelijke bezwaren voor een rustig, winstgevend bedrijf.—Toen het tegen den avond was geworden spreidden eenige hadji’s naast me hun kleedjes uit en met hun gezichten naar Mekka, hier naar het Westen gekeerd, begonnen ze, zonder zich in ’t minst aan hun omgeving te storen hun eindelooze gebeden en wierpen zich met het voorhoofd ootmoedig tegen den grond. De wijze waarop ze aanbaadden was oostersch extatisch; hun vervoering (gekunsteld of niet) maakte indruk door hun levendige gebaren van wijduitgespreide armen tot gevouwen handen, door de expressie dier scherpe gezichten, die onder den witten tulband met gesloten oogen naar den hemel wezen of zich ter aarde bogen in diepste verootmoediging. Dat Allah voor hen groot was, heel groot, oneindig, onbegrijpelijk groot, hoog boven de menschelijke sfeer en ons weten, zeiden ze zoo duidelijk in hun gebarentaal en door den klank hunner stemmen, dat men de taal zelve niet behoefde te verstaan.In het midden hunner voorhoofden waren twee eeltplekken, ontstaan door de geregelde soms vrij onzachte aanraking met den grond. Ook bij den Sultan van Batjan had ik die eeltplekken daar als twee wratten opgemerkt. Of bij velen dat eelt als bewijs hunner vroomheid alleen door die vrome handelingen is gegroeid en niet door een of andere kunstbewerking, blijft voor den twijfelaar altijd nog een vraag.Toen de avond viel, werden de lichten aan boord opgestoken en zocht ieder een zoo gemakkelijk mogelijkplaatsje. Overal aan dek lagen de menschen languit op matrassen en matjes, zoodat men zich niet verplaatsen kon zonder over lichamen heen te moeten stappen. Op mijn vouwstoeltje ging ik, als al de anderen, onder den blooten hemel den nacht in, dommelend en droomend onder het eentonig gestamp der machine. Den ganschen nacht stampte zij door, den ganschen nacht lag ik daar, soms wakend en naar de heldere sterren kijkend en naar de zwarte silhouetten der bergen tegen de lichtere lucht, soms droomend van huis en van Europa, in het zalige visioen van een spoedigen terugkeer.Toen het morgen werd en de zon achter de bergen van Halmaheira verrees, bleek het dat we nog steeds tusschen eilanden stoomden, doch nu met de piek van Tidore in groote verte reeds op den achtergrond. Geheel er door bedekt, moest daarachter de vulkaan van Ternate liggen, die, na Tidore gepasseerd te zijn, van dichtbij hoog boven het zeevlak zou verrijzen.Tidore en Maitara tegenover Ternate.Tidore en Maitara tegenover Ternate.Het duurde nog uren alvorens we het hoofdplaatsje Soa-Sioe aan den oostelijken voet van Tidore’s vulkaan voorbij voeren. In schroeiende tropische hitte lag het daar, onbeschut tegen de hoogstaande zon, op de morgenzijde van die helling te blakeren, en ik herinnerde mij weer de vreeselijke hitte, die ik hier bij mijn vroeger bezoek reeds vóór den middag had meegemaakt.De zon zou weldra in het zenith komen, toen we, Tidore voorbij, Ternate met den vulkaan voor ons zagen en een bries uit het Westen over de wijde watervlakte tusschen Halmaheira en dien kegel eenige afkoeling bracht, na de hitte in de nauwere doorgangen tusschen de eilanden geleden.Nu had ik Ternate weer voor me, waar op de eerstkomende boot zou moeten gewacht worden en waar ik nog steeds vóór mijn terugkeer naar Holland met het langzaam werkende residentiekantoor allerlei te regelen had.Het scheepje deed tegen één uur zijn stoomfluit hooren en weer wist iedereen te Ternate terstond, dat het de Adrienne van Batjan was, die haar anker op de reede had uitgeworpen. Landende aan den residentssteiger, een kleine pier met een seinlicht, die de vorige resident hier had laten bouwen, kwam ik weldra mijn vroegeren gastheer te gemoet, die me aan land had zien gaan en me nu weer op de vriendelijkste wijze uitnoodigde bij hem te komen logeeren, daar er in het hotel geen plaats meer te krijgen was. En zoo zaten we spoedig weer onder zijn voorgalerij, nu in gezelschap van een der officieren van het kleine garnizoen, die den laatsten tijd bij hem inwoonde. Weer kon ik gaan tennissen en kegelen en ’s avonds op bezoek gaan of, om den tijd te verdrijven, gaan kaartspelen; weer was het bij mijn gastheer het breedopgevatte jonggezellenleven, en weer was het afwachten tot de boot kwam, die mij naar Tobelo terug zou brengen.Intusschen was het met mijn oude liefde tot bergbestijgen reeds lang mijn plan geweest, indien de omstandigheden het mij toelieten, de piek van Ternate (1579 M.) te beklimmen. Die omstandigheden waren nu gekomen.Na informatie was het me gebleken, dat een bestijging van dien top bij groote uitzondering werd ondernomen. De sultan leverde dan gidsen en dragers, de eersten om den langen weg door het oerbosch te wijzen en ten slotte een pad te kappen door het hoogste, geheel onbegane gedeelte, de tweeden om een vrij belangrijke bagage te dragen, waaronder eenige flinke plaids, daar steeds een bivak aan den tocht verbonden is en het daar boven koud is in den nacht. Ook moet er water worden meegenomen daar dit op den ganschen berg niet is te vinden, wijl het losse vulkanische gesteente den gevallen regen te spoedig doorlaat.Gouvernementsstoomer en prauwen voor Ternate.Gouvernementsstoomer en prauwen voor Ternate.Aan elkeen, dien ik te Ternate leerde kennen en die eenige geschiktheid voor zulk een tocht in dit klimaat bezat, stelde ik voor dien goenoeng-api (vuurberg) te bestijgen. Maar Europeanen in Indië en bergbestijgen zijn twee, en geen wonder, waar groote inspanning in dit klimaat bij velen als uit den booze wordt beschouwd en waar de bergsport zeker zonder de eigenaardige groote bekoring is, die haar in Europa nog steeds populairder doet worden.Eindelijk leerde ik iemand kennen, die deze bestijging tweemaal had ondernomen, maar die mij verzekerde dat na de laatste uitbarsting, in 1907, deze tocht de moeite niet meer loonde, daar een groote wal van losse steenen, die toen om den krater was gevormd en die van Ternate uit achter den hoogsten met alang-alang begroeiden top was te zien, elke poging om in den kratermond te zien, verijdelde. Buitendien werd het uitzicht onder het stijgen en dalen door zwaar hout geheel belemmerd, terwijl het wanneer men boven was gekomen zeer tegenviel.Dit zette den domper op mijn plan om desnoods alleen te gaan, te meer daar de terugkomst in de daghitte een toenemende kwelling zou moeten zijn en een nachtelijke afdaling door het donkere, slecht begaanbare bosch niet doenlijk was.Doch tusschen de piek van Tidore en die van Ternate rees die ronde kop, dien men Maitara had gedoopt, omhoog. Slechts 360 M. hoog, tot boven met eenige klapperboomen begroeid, zou ik voor dat tochtje toch allicht gezelschap kunnen vinden.Het was op een morgen tegen achten, dat ik aan het strand zocht naar een vlerkprauwtje met eenige roeiers om mijn metgezel en mij, want ik had er een gevonden, naar dat eilandje te brengen. Maar met dat luie volk duurde het een goed uur alvorens we eindelijk met de beenen onder ons gevouwen, meer op dan in het prauwtje zaten, terwijl een roeier voor en achter het lichte ding door het water deed schieten. Toch duurde het anderhalf uur, eer we den voet zetten aan het witte strand van Maitara, waar vredig een kleine kampong onder palmen lag verscholen en waar prauwtjes schilderachtig lagen op het zand.Het was elf uur geworden, alvorens we het paadje insloegen, dat naar den top leidde. De hitte was reeds groot, maar zou nog toenemen en zeker heel erg zijn, toen we, onder de palmen vandaan gekomen een schaduwlooze helling met alang-alang begroeid voor ons zagen liggen. Mijn kennis ging voorop met haastigen pas, zooals ieder doet, die nog nooit een helling voor zich zag. ’t Paadje, door de bloote voeten van inlanders gemaakt, was glad en ging niet in zigzag naar boven; we hadden linnen schoenen aan met gladde zolen, zeer ongeschikt voor die helling.Zeker is er moeilijk een warmere positie denkbaar dan tegen den middag te klimmen op een berghelling onder de tropen, terwijl de zon bijna loodrecht boven ons hoofd staat en daarbij de weg door het manshooge alang-alang leidt, dat elk zuchtje wind tegenhoudt. Mijn kennis gaf reeds spoedig verdachte teekenen erg aan dien hitte-invloed onderhevig te zijn; hij keek reeds met eerbied en telkens naar boven, bleef soms even staan, keek dan nog eerbiediger naar boven onder het fronsen van zijn voorhoofd, zette zijn zonnehoed achter op het hoofd en greep naar zijn zakdoek, die in zijn hand bleef en lachte, half verlegen, zijnfiguur verliezend door die plotselinge onverwachte nederlaag.Nu kon ik de hitte verdragen als een inlander, maar toch ook begonnen zich op mijn lichtbruine kakipak reeds donkerbruine natte plekken te vertoonen. Mijn kennis, die echter eenmaal een haastigen pas had aangegeven en dien ondanks de kleine rustpauzen steeds weer aannam, had mij aan dien pas gewend, dien men dan dikwijls volhoudt tot men het op moet geven.Zoo nam ik weldra de leiding. Lang kon het immers niet duren, maar toch in die smoorhitte tijdens het zware werk, waardoor ook het hart meesprak, scheen het een werk van uren; totdat ik boven was en op mijn horloge ziende zag, dat het 40 minuten had geëischt. Mijn tochtgenoot zat halverwege onder de weinige schaduw van een papajaboompje met de handen onder het gebogen hoofd en met den hoed in den nek naar de zee te turen, waarschijnlijk peinzend over den vreeselijken onzin om op bergen te klimmen, waar toch immers niets te halen viel.Toch viel er iets te halen daarboven en wel een uitzicht over den grooten waterplas door het bergland van Halmaheira, Ternate en Tidore begrensd, terwijl westelijk het uitzicht vrij was op de Moluksche Zee, waar lucht en water in het onafzienbare wegdeinden. Ook was het uitzicht vrij over de breede met zwaar woud begroeide voeten dier kegels, terwijl een lichtgroene band onder water om het gansche strand van Maitara, zuiver en rein als de kleur van het gletscherijs, wees op banken van koraal, dat zich hier om de eilanden had vastgezet.Al rondkijkende in het wijde panorama kwam ik langzamerhand bij en bemerkte toen, hoe een hevige dorst door het groote vochtverlies mij kwelde, maar water zou hier nergens te vinden zijn, doch eenige klapperboomen, hoe schaarsch ook, stonden op den top en even daaronder op de berghelling. Aan deze laatste hingen een paar jonge klappers, die met een zakmes gemakkelijk konden worden geopend om het dorstlesschende klapperwater er uit te kunnen drinken. Maar hoe ze te krijgen? Wel waren de boomen nog jong en was de kroon niet meer dan acht meter boven de helling, doch juist dit laatste maakte het plukken bezwaarlijk, daar de noten met versnelde beweging naar beneden zouden huppelen, indien ze na losgemaakt te zijn naar beneden werden geworpen. Het zou dus zaak zijn de noot na den pluk bij het neerglijden langs den stam in den arm te houden.De opdracht was moeilijk, maar het vooruitzicht den dorst te kunnen lesschen in een tropische hitte verleidelijk en zoo begon ik in den rechten stam te klimmen. Waarlijk de kroon werd bereikt; nu de beenen krampachtig vastgeklemd om den stam en door den rechterarm met alle kracht omhelsd. De linker was nu vrij en kon een der gladde dikke noten bereiken, die door draaien van links naar rechts eindelijk losliet en in de holte van den gekromden elleboog terechtkwam. Zonder op mijn kleeren te letten, die men in Indië bij het dozijn telt, liet ik me, langs den ruwen stam schurend, naar beneden glijden. Daar stond ik, wel opnieuw oververhit, maar nu triomfeerend met mijn schat; nu nog het zakmes gekregen, maar o! schrik! bij die beweging viel de onhandige noot op de helling, waarop ik nog stond.... ik stortte me voorover, nog eens weer voorover de helling af, nog eens weer en... greep voor de derde maal mis. Met steeds grootere sprongen verdween mijn schat in de diepte.Daar stond ik te braden, kletsnat, met de tong aan het gehemelte gekleefd, met hevig bonzend hart en kloppende slapen.Wat nu? doch dit kwam slechts een moment bij me boven. Een bergbestijger geeft den moed niet op, en waren het nu al geen duizelingwekkende afgronden en duistere gletscherspleten die dreigden, het dreigement dat nu gekomen was, was niet minder erg en de overwinning zou misschien kostelijker zijn.Weer ging het in den stam naar een tweede noot die iets verder hing, ook deze raakte los, maar de inspanning van het laatste uur had me niet handiger gemaakt, zij viel.... en bleef liggen. De goden hadden schijnbaar medelijden gekregen met dien worstelaar diep onder hen.Onder de noot zette ik mij neer en voorzichtig, alsof het een goudklomp was, vatte ik haar aan en dronk haar voor viervijfde leeg. De rest bracht ik uit naastenliefde aan mijn tochtgenoot, die nog iets hooger was gestegen, maar die het eindpunt niet bereikte. Hoe gretig ging ook bij hem dat eene slokje naar binnen.Een kijkje in de achtergalerij der jonggezellenwoning te Ternate.Een kijkje in de achtergalerij der jonggezellenwoning te Ternate.(Teekening H. R. Roelfsema).Het neerdalen langs het gladde steile paadje op het heetst van den dag terwijl de hitte naar benedengaand steeds toenam, was een kortstondige marteling en was ons daar beneden niet een inlander tegemoet gekomen, die als een kat tegen een 20 M. hoogen palmboom opwandelde, waaruit hij ons een zestal noten toewierp, dan waren er allicht nog ongelukken gebeurd.Mijn tochtgenoot klaagde 3 dagen later nog over pijn in zijn beenspieren door de krampachtige wijze van dalen langs het gladde paadje, waarop de gladde schoenen zoo weinig vat hadden gehad.Ik zeide niets, maar leed in stilte. Ik, die de piek van Ternate (1579 M.) had willen bestijgen.De tijd kroop voorbij, ondanks het zoeken naar ontspanning in dagelijksche wandelingen langs het strand van het eiland en ondanks de verstrooiing die de Europeesche samenleving bracht. Eindelijk brak de dag aan, waarop de boot van Batjan met den jongen administrateur en zijn huisgezin aan boord, verwacht mocht worden. De dag verstreek zonder dat er iets gebeurde, de volgende dag eveneens, de dag daarop weer; alleen bracht de middag toen even de emotie, dat een boot op de reede aankwam, doch het bleek de Chineesche te zijn, die eens in de zes weken Ternate met een bezoek vereerde.De dagen die wachtende heengingen waren reeds tot een week geklommen, toen zich eensklaps het gerucht verbreidde, dat de verwachte boot tusschen Batjan en Ternate, even na het verlaten van het eerstgenoemde plaatsje, op een blinde klip was geloopen en daar vastzat en assistentie van andere booten noodig had.Daar zat ik nu weer. Mijn administrateur met zijn heele hebben en houden aan boord van een gestrande boot en het vertrek van Ternate naar Tobelo voorloopig op losse schroeven gezet. Afwachten, geduld oefenen, dagen en weken misschien was het parool! Mogelijk zouden we eerst, wanneer deze niet vlot kwam of ernstig beschadigd bleek te zijn, met de volgende boot, die een maand later kwam, naar Tobelo kunnen gaan.Wie hier niet gelaten, in betrekkelijk nietsdoen, wachten kon, terwijl toch ernstige bezigheden elders riepen, bereikte hier niets, dan dat hij op verkeerde wijze zich leerde verstrooien en zijn zenuwen in de war bracht. Dus bleef ik den toestand leuk opnemen, zooals mij de omstandigheden in het afgeloopen jaar wel hadden geleerd. Tot mijn geluk heerschte er in die dagen onder de Hollandsche families een aangename geest en ook bij mijn gastheer was het leven en de huishouding geregelder dan het vroeger was geweest. De bij hem inwonende officier was daarvan de goede genius en ook hijzelf bevond zich bij die regelmaat in eigen huis niet slecht. Daarbij kwam, dat zijn illusieloos bestaan den laatsten tijd verhelderd werd door een verwachting in de toekomst. Hij maakte zich namelijk een illusie over de voordeelen der exploitatie van guano-concessies, die hij op eilanden ten noorden van Nieuw-Guinea wilde aanvragen. Deze kostbare vogelmest moest daar sinds eeuwen in holen en spelonken voor het opgraven liggen. Op zijn reizen per paket-vaartboot langs de noordkust van Nieuw-Guinea was hem door een zendeling op dien buit gewezen en nu verkneuterde hij zich in de rijkdommen, die daar voor hem lagen opgestapeld. Dit vooruitzicht—een droom, een Indische droom en zooals zooveel Indische droomen niet voor verwezenlijking vatbaar, althans niet voor zijn verslapte energie—gaf hem toch een zekere flinkheid terug, door de hoop, in de toekomst, Indië nog eens als nabob vaarwel te kunnen zeggen en dan, in Holland teruggekeerd, de menschen daar als richard te kunnen imponeeren. Dit stokpaardje, door mijn gastheer bij voorkeur in de avonduren bereden, gaf door tegenwerpingen onzerzijds en door het opwerpen van de moeilijkheden en bezwaren, die hem op dezen langen weg nog tegemoet zouden komen, aanleiding tot heel wat hilariteit, maar met zijn fantasie overwon hij die moeilijkheden gemakkelijk, en het eind was steeds, dat hij zichzelven als een bewierookt rijkaard in de aangename weelde van de grootste hotels door de hoofdsteden van Europa zag zwerven. De ironie van het leven had er voor gezorgd, dat de opgestapelde vogelmest het ’m dan zou moeten doen.In de voorgalerij van het tijdelijk administrateurshuis.In de voorgalerij van het tijdelijk administrateurshuis.De groote gouvernementsstoomer was naar Menado vertrokken, om meerdere assistentie te halen en zou, teruggekeerd over Batjan, de passagiers van het vastgeraakte schip meenemen. Eenige dagen verliepen zonder dat er iets vernomen werd; toen verscheen tegen den avond de gouvernementsstoomer, de Zwaluw, weer op de reede, krioelend van passagiers van hetveel grootere schip, die allen op dien stoomer waren overgegaan. Onder hen waren ook de enkele eerste klasse passagiers, waaronder mijn administrateur met zijn huisgezin. De verhalen van het ongeval waren zeer eensluidend. Het schip had in den vroegen morgen Batjan verlaten en was onder bevel van zijn gezagvoerder een route gevolgd, die alleen door dezen kapitein werd genomen en wel door de zeestraten tusschen Halmaheira en de daarvoor liggende eilanden, terwijl de andere kapiteins steeds buiten de eilanden om de open zee namen.Opzichterswoning.Opzichterswoning.Het was ongeveer dezelfde route geweest, die de Adrienne had gevolgd en die wel voor kleine, doch niet voor groote schepen aangewezen was. Bij een bocht tusschen de eilanden, die door dezen gezagvoerder reeds herhaaldelijk was genomen, was het schip zonder schokken op een rif geschoven en zat daar nu zoo vast, dat het waarschijnlijk geheel ontladen moest worden, om dan bij hoog water met behulp van eenige andere schepen te worden vlot gemaakt.Voor allen die aan boord waren was het een schrik geweest te bemerken, dat het schip eensklaps stil en scheef was gaan liggen. Het administrateursvrouwtje had een oogenblik het ergste gevreesd en vertelde nu nog opgewonden welk een angst zij met haar kind had doorgemaakt. De dagen aan boord van het scheef- en stilliggende schip waren daarop in een steeds toenemende verveling gesleten, totdat tenslotte de Zwaluw uitkomst had gebracht door hen allen over te nemen. Doch wegens de vele passagiers aan boord hadden zij slechts verlof kunnen krijgen de allernoodzakelijkste bagage mee te nemen, zoodat het huisgezin nu te Ternate, van het noodigste verstoken, zat.Koeliewoningen.Koeliewoningen.Dagen verliepen, waarin ik met mijn administrateur toch eenig werk in besprekingen en allerlei regelingen had gevonden, en steeds kwamen van de boot betere berichten binnen. Eerst, dat zij met vereende krachten van twee assisteerende schepen vlot was geraakt; toen, dat zij waarschijnlijk weinig averij had bekomen en dat men bezig was de lading stukgoederen, die op de naburige eilanden was gelost weer in te laden. Tenslotte kwam ook de boot zelve, en nu kon binnen een dag de reis naar Tobelo worden voortgezet.Het was in den morgen van den 4denAugustus, nadat we ’s nachts de noordpunt van Halmaheira waren omgestoomd, dat ik den administrateur van het dek der boot op een zware rookpluim wees, die, een eind landwaarts in van de Oostkust van Halmaheira, zich statig in het luchtruim verhief. Daar moest het terrein der jonge onderneming liggen, waar men nu in den drogen tijd met het branden der boomstammen en houtresten van het reeds omgehakte gedeelte van het oerwoud bezig was. De schoorsteen rookte dus nog; een goed voorteeken.De boot naderde de kust en de reede. Men had haar van het strand reeds ontdekt, zooals bleek uit prauwtjes en prauwen, die vlot werden gemaakt om de langverwachte, die zooveel over haar tijd was, te ontvangen. Welk een spanning moest er nu steeds meer op al die plaatsen van Ternate af langs de kust van Halmaheira en Nieuw-Guinea tot het uiterste station aan de Humboldtbaai zijn ontstaan door het wekenlange uitblijven dezer boot, waarvan men de reden niet gissen kon en, wegens het ontbreken van elk ander verkeersmiddel, ook van telegraaf en telefoon, niets gewaar kon worden. Alleen reeds doordat de aanvoer van rijst, waarop men met den voorraad rekende, uitbleef, moest hier en daar reeds ernstige zorg zijn ontstaan, terwijl zij die familieleden wachtten in de grootste ongerustheid moesten verkeeren.Jonge klappers in een nog nader te ontginnen terrein.Jonge klappers in een nog nader te ontginnen terrein.De administrateur en zijn vrouw keken met spanning naar de dichtbegroeide kust, die aan onze blikken voorbijgleed, doch waaraan voor een nadere kennismaking met hun toekomstige verblijfplaats nog niets bijzonders te bespeuren viel.Als altijd gaf de landing hier een drukte van belang. Menschen en goederen moesten in prauwen en sloepen en motorbooten aan land worden gebracht, terwijl de boot buiten de koraalriffen eenige kilometers uit de kust bleef liggen. Aan land was het de oudste zendeling met zijn vrouw, die ik het eerst ontmoette en die als altijd bereid waren hulp te verleenen, en ons, die daar aan den wal werden gezet, terwijl niemand voor onze ontvangst toebereidselen had kunnen maken, aan de middagtafel noodigden. Dat was een uitkomst, want zooals ik daar een oogenblik te voren het jonge vrouwtje met een wanhopig gezicht tusschen bagage en rommel voor een vervallen goedang en tusschen inlanders van allerlei rassen, met haar kind op den arm in de felle zon had zien staan, vreesde ik voor een eersten slechten indruk, dien zij daar moest ontvangen. Doch zij kende Indië en in ’t bijzonder de toestanden der buitenposten reeds voldoende, om weer spoedig op haar verhaal te komen en dien indruk onder de koele galerij van het huis van den zendeling te vergeten.Dien middag wandelden we, de kinderwagen door de baboe geschoven voorop, den rechten weg af naar het emplacement. Hoe groot leek daar reeds het terrein tijdens mijn afwezigheid in het oerwoud opengelegd en hoe prachtig waren die duizenden bibits op de kweekbedden aan weerszijden van het emplacement opgekomen.Jonge klapperaanplant met oebi als grondbedekking.Jonge klapperaanplant met oebi als grondbedekking.Eindelijk had ik hier dan den man gebracht, onder wiens leiding de zaak tot bloei zou kunnen komen, en op wien ik meende tenslotte in alle opzichten te kunnen vertrouwen. Zijn belangstelling en zijn plannen getuigden van de grootste ambitie, zijn vooruitzichten zouden geheel met de ontwikkeling hier samenvallen, zijn toekomst zou geheel van het welslagen hier afhangen.Het huis met de bijgebouwen en den grooten kippenloop te midden van de ontginning in de ruimte gelegen, stond hem wel aan. De eerste dagen van het nieuwe leven daar liet zich goed aanzien, en toen ik ’s avonds alleen huiswaarts keerde, naar het huis van den oudsten zendeling, wiens gast ik nu was, was er een groote tevredenheid en rust over me gekomen; want het was zeker dat het doel mijner groote reis was bereikt, nu aan alle factoren om te kunnen slagen was voldaan. Daarmede begon tevens mijn taak hier af te loopen.Hoofdstuk VII.Een taak die afloopt.Opwekkend was het met mijn nieuwen man, die zooveel belangstelling toonde en zijn eigen inzichten had en opmerkingen maakte, het terrein met de ontginningen, de kweekbedden en de onontgonnen wouden af te loopen en plannen te maken voor het werk in de toekomst.Waar gehakt en gebrand was, was het een chaos van stammen en kruinen en stronken en stapels verbrand hout, waardoor het verdergaan daar zeer werd bemoeilijkt, doch we klommen en klauterden er over en wrongen ons er door, waar het noodig was. We liepen in het nog ongerepte woud alle eindeloos lijkende rintissen af, die door de koelies, onder leiding van mandoers met behulp van de equerre, met den parang lijnrecht naar alle zijden van het terrein waren geslagen. Soms geleken die rintissen, daar waar het onderhout dicht opeen en waar de onontwarbare glagah stond, op lage tunnels, waar men in gebogen houding moest trachten door te komen. Soms, tusschen de bamboe, was het onder onze voeten een geknap en gekraak van belang en steeds moest daar op de lange bamboekokers, die na elken doortocht opnieuw den weg versperden, de parang weer worden gebruikt.Springend van steen op steen, volgden we de kali in haar ganschen kronkelenden loop over het terrein. Daarbij werden we getroffen door de natuur van het woud, zooals zich het van den bedding dier kali aan onze blikken voordeed. Aan de beide oevers, die soms laag, soms een vijftal meters hoog waren, daar waar het riviertje zich een diepen weg door den bodem had uitgeschuurd, rezen de reuzenstammen met hun bladerendos omhoog. Elke bocht bracht een nieuwen kijk op dien dichten groei van allerlei hout, waarvan de bebladerde takken soms tot het midden van de kali reikten, zoodat een natuurlijke schaduwrijke berceau ontstond. En waar zij breeder was geworden, weken die takken terug en we zagen de strakke blauwe lucht boven ons en de zon door het groen schijnen op de ronde lichtgrijze steenen, waarover we onzen weg vervolgden.Een enkele Tobelorees, ook vrouwen, die de bedding dezer kali als een natuurlijken weg door het bosch gebruikten, ontmoetten we hier. Een dezer Tobeloreezen, van honden vergezeld, was op wilde varkens op de jacht geweest en knielde nu bij zijn buit neer, die door honden opgejaagd en achtervolgd in de speer van den listigen jager was gerend.Zoo de geheele concessie doorkruisend, kreeg de nieuwe meester hier in korten tijd een overzicht der terreinverhoudingen en leerde het werk kennen, dat voor hem lag.—Nieuwe heeren, nieuwe wetten—en zoo stelde hij spoedig allerlei veranderingen en regelingen voor, die ik hem gaarne zag invoeren.“We kunnen wel zien, dat u een administrateur hebt”, zeide op een morgen de zendeling tot mij, toen hij mij met een boek onder de galerij van zijn huis vond zitten.“Och ja, hij moet het nu weten en wil het ook weten, en dat is maar goed ook. Ik laat hem nu zoo veel mogelijk alleen scharrelen”—was mijn antwoord. Inderdaad liet ik hem steeds meer zijn gang gaan, zag toe en hielp waar hulp gewenscht was; doch na eenigen tijd had hij, zooals noodig was, alle draden in handen en daarmede liep mijn verblijf op Halmaheira ten einde.Gedurende den tijd, welken ik nog op Tobelo vertoefde, logeerde bij den jongsten zendeling de zendeling van Morotai met zijn huisgezin, vrouw en vier kleine jongens van ½ tot 6 jaar oud. Zij hadden zich op een goeden dag op een stoombootje, dat toevallig de door hen bewoonde kampong had aangedaan, ingescheept, om uit een benarden toestand van ziekte en teleurstelling te geraken en hulp in meer bewoonde en bewoonbaarder oorden te zoeken.Deze menschen hadden zoo afgelegen van alle beschaving en verkeer geleefd, dat de kinderen de eenvoudigste zaken nog dikwijls niet kenden. Zoo zagen de beide oudsten den eersten dag van hun komst de ossenkar vol verbazing voorbijrijden en juichten en riepen, dat zij nog nooit zulke groote bokken hadden gezien, terwijl ook de kar het eerste voertuig was dat zij onder de oogen kregen, en een fiets voor hen een wonderding was uit een onbekende wereld.In de kleine samenleving, waarin we daar verkeerden, ontmoette ik dezen zendeling en zijn familie herhaaldelijk. Dan kwam steeds de vraag in mij op, hoe men iemand als hem, tot hulp en steun en tot bekeering van anderen naar zulk een uithoek van de wereld had kunnen zenden. Deze man, in een achterhoek van Holland geboren, was na zijn opleiding voor zendeling te hebben genoten, met zijn vrouw naar de Oostkust van Morotai vertrokken, om er het evangelie te prediken. Door zijn leven in eenzame streken was hij een zwijgend en gedrukt mensch geworden, die weinig of geen menschenkennis bezat en zeker allerminst geschikt was om in afgelegen streken het evangelie te brengen en den stoot tot een nieuw en opgewekt leven te geven.Wat dien man bewogen had zulk een taak op zich te nemen, had wel zijn oorzaak in een verkeerd begrepen steunen op de hulp van God. In het gevoel van dien steun had hij zich geworpen in een leven dat hij niet beheerschen kon en waarbij hij vastraakte. Nu moest God helpen, nu werd in den angst naar uitredding en zelfbehoud God om alles gevraagd, om alles gebeden.Deze man, die als een stug boertje op de hei zijn bestaan had moeten vinden, had hier niets anders bereikt, dan dat hij en zijn vrouw lichamelijk en geestelijk gebroken waren, vier kinderen hadden gekregen, terwijl geen blijvend resultaat van eenig belang door zijn werken als zendeling was bereikt.Zijn vrouw wilde nu met hem en het verdere gezin, op advies van den dokter te Ternate, daar hij ook aan malaria leed, naar Holland terug. Zeker zou dit het verstandigst zijn geweest, doch schuw voor de wereld, bleef hij weigeren. Koppig is die man blijven weigeren en het einde was, dat man en vrouw uiteengingen, hij naar Morotai terug, naar Boesoe-Boesoe op de Oostkust, waar nooit een blanke kwam, waar harde winden vaak alle verkeer over zee onmogelijk maakten, en zij met haar vier kinderen naar Holland. Daar zit nu de man alleen, in vrijwillige ballingschap.3Nog in die laatste weken zou mijn verblijf vergald worden door den civiel-gezaghebber, die van den eersten dag mijner komst alhier tot nu, langs allerlei wegen en door allerlei middelen, getracht had mij de aanmatiging van zijn veel te groot machtsbegrip te doen gevoelen. Het was reeds in het eerste uur van mijn komst te Tobelo begonnen. Steeds had hij sinds dien tijd tegenover mij, zooals ook tegenover de zendelingen en de bevolking, zijn lastige natuur bot gevierd. Hulpvaardigheid en opgedrongen diensten, waardoor hij de menschen aan zich trachtte te verplichten, afwisselend met willekeurige domme maatregelen en ingrijpende veranderingen, waarvoor ieder buigen moest en waardoor de goedaardige bevolking dikwijls te lijden had, speelde hij met de bewoners zijner afdeeling als de kat met de muis. Even liet hij hen in ’t geloof braaf en goed voor hen te zullen zijn en hun vrijheden en rechten te eerbiedigen, om hen later te kwellen en te onderdrukken, al naar zijn luim het hem ingaf.Zijn entrée te Tobelo had zich indertijd gekenmerkt door een speech tot de verzamelde bevolking, waarbij hij waarschijnlijk Multatuli’s bekende toespraak tot voorbeeld had gehad. Twee dagen later was hij aan zijn stoel gebonden geweest, daar hij op diezelfde bevolking zijn knie uit het lid had geschopt.Mijn samenleven met hem te Tobelo eindigde met een onverkwikkelijke correspondentie en met een dwaze aanklacht zijnerzijds bij den resident en de rechtbank te Makasser.De officier van justitie had op gevraagd advies van den resident naar aanleiding van de op mijn verzoek inbeslaggenomen gelden, de zaak niet voldoende kennende, ambtshalve moeten adviseeren deze gelden voorloopig niet weer af te geven. Echter dit geld was intusschen weer in mijn bezit gekomen en nu wenschte ik dit, om een proces te vermijden niet weer aan hem af te geven. Hij echter eischte òf het bedrag in geld terug òf een cheque ter waarde van dat bedrag. Gaarne wilde ik hem en had hem reeds een schriftelijke verklaring gegeven, waarbij ik mij aansprakelijk stelde voor alle schade, welke hij door de teruggave van dit geld ooit zou kunnen lijden. Van deze regeling, waarbij in gemoede een einde kwam aan een anders zeker sleepend wordende zaak, wilde hij echter niets weten. Hij wilde en zou het geld nu eenmaal terug hebben en zou dit op de meest krachtdadige wijze trachten door te zetten.De eene brief na den anderen volgde en steeds in boozeren toon, totdat hij mij schreef bij den resident en de rechtbank te Makassar een aanklacht wegens misbruik van vertrouwen te zullen doen, waardoor ik volgens hem met den strafrechter zou kennismaken.Daar was nu wel om te lachen en dit gebeurde ook, maar toch voorzag ik op mijn terugreis naar Holland te Ternate en te Makasser bij de door hem ingelichte ambtenaren een lange uiteenzetting van een onverkwikkelijke zaak. Door hem en met behulp van zijn vrouw werden althans reeds ellenlange brieven en stukken voor deze ambtenaren in gereedheid gebracht. Met zijn Indische inzichten scheen hem mijn houding in deze zaak een misdaad, en bleek hij de hoop te koesteren, dat ik, zoo al niet te Ternate dan toch zeker te Makasser in hechtenis genomen zou worden. Had de vrees voor zijn meerderen hem niet weerhouden dan zeker zou hij mij reeds te Tobelo door een paar pradjoerits achter slot en grendel hebben gezet.Administrateurshuis in aanbouw.Administrateurshuis in aanbouw.Kwam ik hem nu in de kampong of elders tegen dan keek de machtige ernstig voor zich, zijn vrouw draaide me, wanneer ik haar beleefdheidshalve groette den rug toe en ik zelf kon niet helpen dat er een spotlachje op mijn gezicht kwam over de ongemoedelijke beleedigde Indische majesteit. En nu had ik die majesteit nog wel altijd in mijn brieven in de volledigste titulatuur en met de mooiste phrasen aangesproken; iets waarop een Indisch opgevoed mensch verbazend gesteld is en waaraan men alleen reeds al zijn wel en wee tegenover hem te danken kan hebben.Intusschen naderde de dag van mijn vertrek. Op de onderneming was nu onder de nieuwe leiding, die met lust en ijver was opgevat, het werk invollen gang. Er werd gehakt en gebrand en geplant; het huis werd steeds bewoonbaarder gemaakt, terwijl de plannen voor een groot nieuw administrateursgebouw klaar lagen.Zoo, terwijl ik bij een der kweekbedden stond en zag hoe rij aan rij van nieuw aangekomen zaadnoten door het werkvolk werden uitgelegd, hoe dichtbij en in de verte de boomen krakend en knappend vielen en hoe aan alle zijden de rook van het brandende hout over de opengelegde terreinen trok, klonk eensklaps luid en schel de fluit van de binnenkomende boot, die me naar Java terug zou brengen.Het zwerven was ik moe, en Indië en zijn ellende ook, alleen niet dit werk, dat ik nu goddank in vertrouwde handen achterliet. Het werkvolk zag me gaan; den opzichter en de mandoers drukte ik de hand. Voor het laatst liep ik den rechten weg door het open veld naar de kampong en vond in het huis van mijn gastheer de koffers door den jongen gepakt en klaar gezet, om door de ossekar naar de aanlegplaats te worden gebracht.Daar lag op de reede de boot, waarop ook de zendelingen en de administrateur zich begaven, om een laatste afscheid te nemen. Ook keek nog eenige malen de civiel-gezaghebber, die zich met zijn vrouw aan boord had begeven, mij gewichtig-somber voorbij en beet zich van spijt op de lippen, dat hij den vogel niet hier reeds in zijn netten kon vangen. Nog eenmaal keerden zij met staatsie den vertrekkende den rug toe, en nog eenmaal moest ik een spotlachje onderdrukken over het abnormale machtsbegrip en het gebrek aan gemoedelijkheid bij deze menschen met hun zonderling “point d’honneur”.Toen het donker werd gingen de zendelingen en de administrateur van boord. Wuivende met zakdoeken en hoeden, terwijl ze in de motorboot stonden van het schip, die hen naar land terugbracht, verdwenen zij uit het gezicht. Daarmede was de verbinding voor langen tijd afgesneden. Eerst na maanden en in Holland teruggekeerd zou ik opnieuw weer iets van hen kunnen vernemen.Er was een episode in mijn leven afgesloten, waarop ik met tevredenheid terugzag en waarvan eens de vruchten in de toekomst te plukken zouden zijn.Voor mij lag de lange reis over Ternate, Ambon, Banda en Makassar naar Soerabaja; vandaar met den trein over Java, met een bezoek aan de Preanger, om te Batavia scheep te gaan naar Genua, alwaar ik mijn vrouw hoopte terug te zien. Dan zou een reis langs de Italiaansche meren en door het Zwitsersche bergland de belooning wezen voor een tijd van veel ontberen.Europa met zijn rijke cultuur en zijn wonderen lokte; daar zou de afgestompte geest zich weer kunnen verfrisschen aan al datgene, wat men in dit verre land ontbeert en wat ons tenslotte hunkeren doet naar beschaving en cultuur.Alfoersche wapens. (Phot. Baretta).Alfoersche wapens. (Phot. Baretta).Nog lag Tobelo daar verborgen onder het zware groen, doch in den geest was ik reeds met zevenmijlslaarzen vooruit gesneld, nu geen zorgen en moeiten zijn vlucht meer remden.Een lange zeereis lag voor me met al haar genoegens en lasten.Reeds stonden de sterren eenige uren aan den hemel, toen de boot het anker lichtte en door het gevaarlijke vaarwater van klippen en eilandjes in het duister langzaam haar weg zocht naar de open zee.Vaarwel Tobelo! Eens hoop ik terug te keeren om de vruchten te zien van het werk hier verricht.Indisch landschap in de Molukken aan den voet van den Djailoloberg.Indisch landschap in de Molukken aan den voet van den Djailoloberg.

Hoofdstuk VI.Naar Batjan. Opnieuw te Ternate.Voor Van der Molen was een draagbaar in gereedheid gebracht, om den zwaar zieken man naar boord te kunnen dragen, daar hij dien afstand toch onmogelijk te voet zou kunnen afleggen. Tot mijn niet geringe verbazing bedankte hij er hooghartig voor. Na uit zijn bed te zijn gestapt, kleedde hij zich aan en legde met zijn vier fox-terriers den driekwartier gaans langen weg naar de aanlegplaats te voet af. Of ik om hem of om mijzelf weer lachen of huilen moest wist ik niet, maar tragikomisch was het geval nu zeker geworden.Aan boord vernam ik van den kapitein en den stuurman en van eenige passagiers, die met hem hadden gereisd, hoe zonderling hij zich reeds op de heenreis had gedragen en hoe men mij algemeen beklaagd had met de aanwinst van zulk een nieuwen administrateur, terwijl men overtuigd was geweest, dat hij met dezelfde boot ontslagen teruggestuurd zou worden. En met zulke menschen sluit men in Indië contracten van 5 jaren, met een aanvangsalaris van ƒ 500.– in de maand. Zoo weinig stellen deze menschen, die geen cent bezitten, dergelijke posities op prijs.Zoo kwam ik weer, na maanden, te Ternate terug met mijn tweeden afgedankten administrateur op weg naar een derden. Vele bekenden der Hollandsche kolonie trof ik aan, die allen min of meer begaan waren met het noodlot, dat mij achtervolgde.Een visscher van Halmaheira met werpnet. (Phot. Baretta).Een visscher van Halmaheira met werpnet. (Phot. Baretta).Na een etmaal aan den steiger te hebben gelegen, vertrok de boot tegen den nacht naar Batjan, de eerste haven die nu door haar zou worden aangedaan.Ik had mij altijd voorgesteld, wanneer ik eens weer tusschen de vulkanen van Ternate en Tidore door zou varen, de Moluksche Zee in, dat ik dit zou doen met bestemming naar het vaderland, een heerlijke toekomst in het verschiet, terwijl het welslagen van de onderneming op Halmaheira, overgelaten aan vertrouwde handen, verzekerd zou zijn.Niets van dat alles! Met een bezwaard hart had ik mijn werk half voltooid moeten achterlaten, en een geheel, onzekere toekomst lag voor me. Zou ik op Batjan slagen? En zoo niet, wat dan? Dan wachtte mij een zwerftocht door den Archipel en een tijdverlies van dagen en weken, dat zich tot maanden zou rekken. En zou het op Java gelukken?Van Batjan zou ik, als ik daar niet slaagde, op een of andere wijze moeten trachten Ternate weer te bereiken, vanwaar dan over Menado en Makassar naar Java gereisd zou moeten worden.Wat zou men in Holland moeten denken? In Holland, waar men zich de moeiten en de bezwaren, die de toestanden in de Buitenbezittingen opleveren, niet kon voorstellen. Daar zou men immers binnen een enkelen dag den stroom van goede sollicitanten naar zulk een goed gesalarieerde betrekking niet kunnen weren.Later kreeg ik op Java eens inzage van sollicitatiebrieven naar een betrekking van assistent op een groote onderneming. Het was leerzaam zulk een collectie eens door te snuffelen en teekenend voor Indië, op welk een wijze vele sollicitanten zich zelven trachtten aan te bevelen. De een schreef, als aanbeveling: ik ben wettig getrouwd; een ander dat hij getrouwd was, doch dat het hem onverschillig was of hij zijn vrouw zou kunnen meenemen of niet; een derde, dat hij geen geld meer had en dus nu wel verdienen moest—want er waren geen veeren meer te plukken van een geplukte kip; een vierde.... dat hij het wel eens probeeren wilde, enz.Het was reeds geheel dag, toen we de ruime baaivan Batjan, omgeven door een kring van bergen, binnenstoomden. Tot mijn verwondering had ik dezen morgen reeds tijdig aan de ontbijttafel in het eetsalon den heer Van der Molen zien verschijnen, die zich de vorige dagen aan boord bijna niet had laten zien. Hij zag er weer beter verzorgd uit en scheen zich wat monterder te gevoelen. Dit was ’t laatste wat ik van dezen man zag, van wien ik de dupe was geworden, en die van den beginne en ook nu nog een raadsel voor mij was gebleven.Het eerste wat ik, aan den wal gekomen, vernam was dat de assistent, die door mij werd gezocht nog te Batjan vertoefde, echter op een eenzaam gelegen landpunt aan het eind van de baai, op een afstand van ruim twee uren per prauw van hier.Met den civiel-gezaghebber wandelde ik het plaatsje binnen, dat veel grooter dan Tobelo, maar onaanzienlijker dan Ternate, echter de residentie is van een sultan, van den Sultan van Batjan, wiens witte woning met atappen dak wij bij het binnenvaren van de baai hadden opgemerkt. Kleine toko’s wisselden af met grootere en kleinere inlandsche huisjes langs den grooten weg en langs de zijwegen. Na een tijdje zoo te hebben gewandeld bereikten we een groot plein, waaraan een ruim woonhuis lag, dat een uitzicht had op zee, het huis van den kapitein-civiel-gezaghebber.Motorbootje en prauwen op de Kaubaai. (Phot. Baretta).Motorbootje en prauwen op de Kaubaai. (Phot. Baretta).Al spoedig had ik het er goed. De vrouw van den civiel-gezaghebber noodigde mij aan de middagtafel, en in het paviljoen van het huis van een vermogenden planter en zakenman vond ik een uitstekend onderdak.Deze laatste, een Hollander dien ik te Ternate reeds had leeren kennen, was, zooals jaarlijks voor een half jaar zijn gewoonte was, naar Europa vertrokken, doch hij had zijn huis onder toezicht van den bestuursambtenaar, voor doortrekkende gasten beschikbaar gesteld. Hoe innig dankbaar was ik dien gastheer voor zijn royale beschikking en hoe weldadig deed het mij aan, daar in dat huis een comfort te vinden, waaraan ik niet meer gewend was, terwijl mij de vrije beschikking over een bibliotheek werd gegeven, die de vele uren, hier waarschijnlijk door te brengen, op de aangenaamste wijze zou kunnen vullen.Met den huisbewaarder, den mandoer van mijn gastheer, en mijn jongen werd alles voor een tijdelijke huishouding geregeld, zoodat ik me hier weldra geheel thuis voelde en dankbaar en knus genieten kon van een der lichtzijden van het Indische leven in de Buiten-bezittingen, nl. van een onbeperkte gastvrijheid. Een van mijn eerste bezigheden was, mij aan de schrijftafel van mijn gastheer te zetten om hem een brief met welgemeenden dank te doen toekomen.Den volgenden morgen stapte ik in een prauwtje, dat mij naar de landpunt zou brengen, die naar het Westen aan den uitgang naar zee te zien was. Langs een strand, waar rijen klapperboomen met wuivende kruinen en zware vruchtentrossen stonden, werd ik voortgeroeid. De wind stond in de baai en weer danste ik in een notedop met in het water kletsende vlerken over hooge blauwe witgekuifde golven voort. De landpunt, ook met klapperboomen begroeid, werd steeds duidelijker zichtbaar; een paar wrakken van gestrande schoenertjes teekenden zich daar tegen den wal af, een dak gluurde tusschen de stammen door, en toen ik eindelijk, tegen dien wind in, na eenige uren mijn doel genaderd was en op het strand wilde stappen, verscheen tusschen de hooge slanke stammen der klapperboomen een jonge man geheel inhet wit, met een zonnehoed op het hoofd—de assistent, dien ik zocht en die hier met vrouw en kind woonde.Onder de wuivende kruinen wandelden we samen naar zijn huis, dat dicht bij de kust iets verder in de schaduw van die boomen lag. Een jonge vrouw zat onder de galerij van het vriendelijk uitziende witte huisje, dat we naderden. Verwonderd een haar onbekend heer in gezelschap van haar man in deze verlatenheid te zien naderen, stond zij, nu verschrikt over haar ongegeneerd toilet, snel op om dit nog inderhaast eenigszins in orde te maken, maar reeds te spoedig stapten we het voorgalerijtje binnen en lachend accepteerde ik gaarne de excuses over haar kleeding, waar men in Indië en dan in de Buiten-bezittingen niet al te nauw op dient te letten. Aan bloote voeten en half opgemaakte haren went men gauw; aan sarong en kabaai, een dracht die de slanke inlandsche vrouw goed kleedt, went men bij de breeder geheupte Hollandsche vrouw moeilijker.Daar zij verrast waren over mijn komst, deelde ik spoedig het doel van mijn reis mede, en al pratende kwam ik tot de overtuiging hier een paar jonge menschen voor me te hebben, die met weinig ervaring, in gelukkigen overmoed van de jeugd naar Indië waren gegaan, droomende van prachtige vooruitzichten en vertrouwende op beloften, die niet altijd werden of konden worden vervuld. Zij waren de eersten niet en zouden ook de laatsten niet zijn, die, bekoord door het zonneland in de verte, gelukkig hun vleugels in vrijheid ruim uit te kunnen slaan, hun vaderland hadden verlaten, om daarginds door het Indische lot op ongelooflijk hardhandige wijze uit hun droom te worden gewekt. Wat daar onder zulke omstandigheden aan heimwee en teleurstellingen, in ’t bijzonder onder de jonge vrouwtjes geleden wordt, wie zal het precies zeggen. Doch levens worden er voor altijd geknakt en gaan er te gronde.Doch deze menschen waren jong en nog niet gebroken; maar zooals ze daar zaten tusschen inlanders, verlaten van andere blanken, met een inboedeltje, dat bestond uit een paar rieten stoelen en een tafeltje, een ijzeren bed, een wiegje, wat portretten en de noodzakelijkste lijfgoederen en het noodzakelijkste eetgerei, kon toch moeilijk aan eenige illusie voldoen. Het huisje met het zinken dak onder de klapperboomen was niet onvriendelijk, maar lag steeds in het halflicht, met een eentonig uitzicht tusschen de slanke klapperstammen op de verlaten, soms door een prauwtje bevaren zee. Bij harden wind vielen de zware noten dikwijls met donderend geraas bij dag en bij nacht op het zinken dak hunner woning of in de omgeving van het huis, waardoor het wandelen en het spelen van een kind daar ongeraden werd. Bezoek kwam er nooit, en slechts zelden mochten ze eens van hier met een prauw naar Batjan. Dag in dag uit zaten ze daar eenzaam tusschen de stammen van de klapperboomen op de verlaten zee te turen.De man had zijn werk met een ploeg contractanten, die in de nabijheid woonden, zij had haar kind, maar de eene dag was als de andere, de financiën plaagden en de toekomst gaf weinig vooruitzichten noch zekerheid, en daarmede groeiden de bezwaren. De royale opvattingen vóór en tijdens hun komst in Indië en hun groote verwachtingen hadden voor zuinigheid plaats moeten maken en voor het gespartel met een door allerlei bezwaard inkomen. Maar, zooals gezegd, ze waren niet gebroken, en hunne illusies werden nog altijd gesteund door de levenskracht hunner jeugd en door niet-opgegeven verwachtingen voor de toekomst.En waarlijk, die jeugdige taaiheid zou misschien niet bedrogen uitkomen. Het bezoek dien dag zou er reeds iets van kunnen verwezenlijken. Eerlijke jonge menschen, die kunnen en willen werken om zich een positie te verschaffen, zijn in deze streken zeldzaam. Aan hun werklust behoefde ik niet te twijfelen, en zoo kwam ik met mijn voorstellen voor den dag. Er werd overlegd en gepraat, de gezichten werden glunder, het jonge vrouwtje zette een kop thee, hij gaf me een sigaar en in beginsel waren we het spoedig eens geworden. Ik zou zijn chef te Batjan trachten te spreken te krijgen, om daarna zoo spoedig mogelijk terug te keeren en hem den uitslag van dit bezoek mededeelen.Mijn indruk van dit jonge paar menschen, dat Indië reeds van de hardste zijde had leeren kennen, was zeer gunstig voor de betrekking, die ik had aan te bieden en tegen den middag ging ik, met den wind mee, in snelle vaart over de hooge golven terug naar Batjan, met de zekerheid een paar menschen gelukkig te hebben achtergelaten.Het was eenige dagen later, dat ik aan boord van de Nora, welk scheepje tijdelijk hier lag, in gezelschap van den civiel-gezaghebber, die een inspectiereis naar de naburige eilanden ging doen, opnieuw op weg was naar het paar aan ’t einde van de baai. Met den chef van den assistent was het tijdstip bepaald, waarop deze laatste zijn ontslag uit zijn oude betrekking zou kunnen krijgen. Met de noodige papieren bij mij trok ik er nu weer op af.Toen de Nora de landpunt naderde, verscheen tusschen de ranke klapperstammen weer dezelfde gestalte van eenige dagen geleden. Hij had zeker met verlangen mijn komst tegemoet gezien en zou in ongeduldige afwachting moeten zijn over den loop der dingen. De Nora stopte. Na afscheid te hebben genomen, ging ik van boord en liet me naar den wal roeien, en na eenig wenken en wuiven verdween het witte scheepje over de donkerblauwe golven om den hoek, op zijn inspectietocht naar verdere eilanden.Met den assistent wandelde ik naar zijn huis en daar zaten we weer onder het galerijtje en sloten de overeenkomst af. Hij zou met de eerstvolgende boot, die binnen twee weken verwacht werd, naar Tobelo komen, om daar de administratie der onderneming op zich te nemen. Het was voor den jongen man een promotie, die in een streek als deze alleen nog mogelijk was. Met mijn nieuwen jongen administrateur, die al zijn verwachtingen nog op de toekomst bouwde, was ik zeer ingenomen, en hoogst gelukkig was ik gestemd, nu ik inzag van de toekomst alles goeds te mogen verwachten.Op uitnoodiging van de vrouw des huizes zou ik dien middag daar blijven rijsttafelen. Daarvoor hadzij getracht van Batjan het een en ander te laten komen, doch bij mijn komst was nog niets gearriveerd en zoo overkwam daar een gastvrouw het ergste wat haar overkomen kon, een genooden gast niet eens een behoorlijk maal te kunnen voorzetten. ’t Was het soberste wat Indië schaft—rijst met kip. En daar zij geen kokkie had en als Hollandsche de geheimen der rijsttafel nog lang niet machtig was, werd het ook niet anders dan rijst met ongevarieerde kip.’t Zal voor de gastvrouw onpleizierig zijn geweest, en de excuses en de verklaringen bleven niet uit. Voor mij, die zag hoe weinig zij hier gewend waren, hoe zij zich hadden leeren schikken, was dit een bewijs te meer voor hun geschiktheid voor ’t nieuwe ambt. Vroolijk en wel aten we in een klein achtergalerijtje taaie kip en droge rijst en een pisang na, alle drie overtuigd, dat het spoedig voor ieder onzer beter zou worden. Zij vertelden mij toen, hoe sober hun leven was en hoe moeilijk het was geweest daarin de kleinste afwisseling te brengen en zich van het eenvoudigste te voorzien.Hun eten bestond altijd uit rijst en kip, doch wilden zij voor de afwisseling zich eens op visch tracteeren, dan moest de baboe naar het strand gaan en daar wachten, soms urenlang, tot er een prauwtje met een visscherman voorbij schoot, die genegen was van zijn vangst iets te verkoopen.Voldaan over mijn ondervindingen en met de beste verwachting nam ik dien middag afscheid, in de hoop hen binnen eenige weken met de eerstvolgende boot te Ternate te zien arriveeren, waar ik hun komst zou afwachten om gezamenlijk naar Tobelo door te reizen. Hoe ik vóór dien tijd van Batjan naar Ternate zou komen, was me nog niet duidelijk, doch allicht zou er zich de een of andere gelegenheid voordoen.Voorloopig zat ik nu goed en wel te Batjan ingekwartierd, maakte er kennis met den sultan, die een graadje flinker bleek dan zijn Ternataanschen collega en schreef en las, en las en schreef. Met Shackleton zat ik in sneeuw en ijs, met Stanley in de Afrikaansche oerwouden, en door de eenzijdige doch ware oogen van Bas Veth bekeek ik Indië.Na zoo eenige dagen te hebben doorgebracht, vernam ik dat een klein stoombootje van de Batjan-maatschappij naar Ternate zou vertrekken, waarmede ook passagiers vervoerd konden worden.Het was op zekeren middag tegen 2 uur, dat ik me aan boord van de Adrienne begaf, in gezelschap van allerlei oosterlingen, waaronder ook eenige hadji’s. Ik installeerde me daar zoo behagelijk mogelijk voor een reis van een etmaal tusschen de westkust van het zuidelijk gedeelte van Halmaheira en de eilanden die er voor lagen, totdat Ternate bereikt zou zijn.Voor voldoend eten en drinken had mijn jongen gezorgd, en zoo op een vouwstoel half zittend, half liggend, naast een miniatuur kajuitje, op een plaatsje waar ik me nauwelijks verroeren kon, liet ik het panorama van het landschap langs me heengaan. Zwaarbegroeid waren de bergen op het groote eiland rechts, eveneens waren de eilandjes links dicht met oerwoud bezet, soms met klapperboomen daar tusschen; somtijds lag er een huisje aan het strand en een prauwtje op het stille water tusschen de beschuttende eilanden.Nu eens spiegelde een groote watervlakte als een meer voor ons oog, dan voeren we door een nauwe geul en leek het vaarwater als afgesloten, doch op het laatste oogenblik werd een doorgang gevonden. Door een wisseling van vergezichten over het water en op het landschap, voeren we verder en zoo werd bij mij de indruk wakker of we stoomden in de Noorsche wateren, tusschen het vastland rechts en de scheren links, daar, waar ook het landschap voor den boeg bij het varen door engten en wijdten, in eenzelfde eentonigheid toch telkens wisselt.Hoe dwaas het schijne Noorwegen te vergelijken met deze omgeving, toch moet hier ook lang voor mij reeds iemand getroffen zijn geworden door de toevallige overeenkomst van die ver uiteenliggende landen. Waarom anders zou aan dat eiland tusschen Ternate en Tidore, aan dien ronden kop, overblijfsel van een scherpen vulkaankegel, de Maleische naam van Noorwegen, van Maitara, gegeven zijn?Paarlvisschers, als Noorsche kust- en fjordenbewoners met hun scheepjes op de spiegelende watervlakten, waren hier met hun witte schoenertjes op zoek naar de kostbaarheden op den bodem der zee. Een bedrijf, dat steeds moeilijker en riskanter was geworden, daar men steeds dieper naar die schatten moest zoeken, wijl de gunstigst gelegen en ondiepste banken reeds lang waren leeggehaald. Maar tot nu toe waren in deze verre residentie met haar exotische wonderen, als parelen, koralen, amber, schildpad en paradijsvogelhuiden, nog niet veel Europeanen rijk geworden met het zoeken naar die schatten. Bedrog en slechte organisatie en moeilijk te houden toezicht, en somtijds een onverwacht en ongehoord fluctueeren der prijzen, bleken nog steeds onoverkomelijke bezwaren voor een rustig, winstgevend bedrijf.—Toen het tegen den avond was geworden spreidden eenige hadji’s naast me hun kleedjes uit en met hun gezichten naar Mekka, hier naar het Westen gekeerd, begonnen ze, zonder zich in ’t minst aan hun omgeving te storen hun eindelooze gebeden en wierpen zich met het voorhoofd ootmoedig tegen den grond. De wijze waarop ze aanbaadden was oostersch extatisch; hun vervoering (gekunsteld of niet) maakte indruk door hun levendige gebaren van wijduitgespreide armen tot gevouwen handen, door de expressie dier scherpe gezichten, die onder den witten tulband met gesloten oogen naar den hemel wezen of zich ter aarde bogen in diepste verootmoediging. Dat Allah voor hen groot was, heel groot, oneindig, onbegrijpelijk groot, hoog boven de menschelijke sfeer en ons weten, zeiden ze zoo duidelijk in hun gebarentaal en door den klank hunner stemmen, dat men de taal zelve niet behoefde te verstaan.In het midden hunner voorhoofden waren twee eeltplekken, ontstaan door de geregelde soms vrij onzachte aanraking met den grond. Ook bij den Sultan van Batjan had ik die eeltplekken daar als twee wratten opgemerkt. Of bij velen dat eelt als bewijs hunner vroomheid alleen door die vrome handelingen is gegroeid en niet door een of andere kunstbewerking, blijft voor den twijfelaar altijd nog een vraag.Toen de avond viel, werden de lichten aan boord opgestoken en zocht ieder een zoo gemakkelijk mogelijkplaatsje. Overal aan dek lagen de menschen languit op matrassen en matjes, zoodat men zich niet verplaatsen kon zonder over lichamen heen te moeten stappen. Op mijn vouwstoeltje ging ik, als al de anderen, onder den blooten hemel den nacht in, dommelend en droomend onder het eentonig gestamp der machine. Den ganschen nacht stampte zij door, den ganschen nacht lag ik daar, soms wakend en naar de heldere sterren kijkend en naar de zwarte silhouetten der bergen tegen de lichtere lucht, soms droomend van huis en van Europa, in het zalige visioen van een spoedigen terugkeer.Toen het morgen werd en de zon achter de bergen van Halmaheira verrees, bleek het dat we nog steeds tusschen eilanden stoomden, doch nu met de piek van Tidore in groote verte reeds op den achtergrond. Geheel er door bedekt, moest daarachter de vulkaan van Ternate liggen, die, na Tidore gepasseerd te zijn, van dichtbij hoog boven het zeevlak zou verrijzen.Tidore en Maitara tegenover Ternate.Tidore en Maitara tegenover Ternate.Het duurde nog uren alvorens we het hoofdplaatsje Soa-Sioe aan den oostelijken voet van Tidore’s vulkaan voorbij voeren. In schroeiende tropische hitte lag het daar, onbeschut tegen de hoogstaande zon, op de morgenzijde van die helling te blakeren, en ik herinnerde mij weer de vreeselijke hitte, die ik hier bij mijn vroeger bezoek reeds vóór den middag had meegemaakt.De zon zou weldra in het zenith komen, toen we, Tidore voorbij, Ternate met den vulkaan voor ons zagen en een bries uit het Westen over de wijde watervlakte tusschen Halmaheira en dien kegel eenige afkoeling bracht, na de hitte in de nauwere doorgangen tusschen de eilanden geleden.Nu had ik Ternate weer voor me, waar op de eerstkomende boot zou moeten gewacht worden en waar ik nog steeds vóór mijn terugkeer naar Holland met het langzaam werkende residentiekantoor allerlei te regelen had.Het scheepje deed tegen één uur zijn stoomfluit hooren en weer wist iedereen te Ternate terstond, dat het de Adrienne van Batjan was, die haar anker op de reede had uitgeworpen. Landende aan den residentssteiger, een kleine pier met een seinlicht, die de vorige resident hier had laten bouwen, kwam ik weldra mijn vroegeren gastheer te gemoet, die me aan land had zien gaan en me nu weer op de vriendelijkste wijze uitnoodigde bij hem te komen logeeren, daar er in het hotel geen plaats meer te krijgen was. En zoo zaten we spoedig weer onder zijn voorgalerij, nu in gezelschap van een der officieren van het kleine garnizoen, die den laatsten tijd bij hem inwoonde. Weer kon ik gaan tennissen en kegelen en ’s avonds op bezoek gaan of, om den tijd te verdrijven, gaan kaartspelen; weer was het bij mijn gastheer het breedopgevatte jonggezellenleven, en weer was het afwachten tot de boot kwam, die mij naar Tobelo terug zou brengen.Intusschen was het met mijn oude liefde tot bergbestijgen reeds lang mijn plan geweest, indien de omstandigheden het mij toelieten, de piek van Ternate (1579 M.) te beklimmen. Die omstandigheden waren nu gekomen.Na informatie was het me gebleken, dat een bestijging van dien top bij groote uitzondering werd ondernomen. De sultan leverde dan gidsen en dragers, de eersten om den langen weg door het oerbosch te wijzen en ten slotte een pad te kappen door het hoogste, geheel onbegane gedeelte, de tweeden om een vrij belangrijke bagage te dragen, waaronder eenige flinke plaids, daar steeds een bivak aan den tocht verbonden is en het daar boven koud is in den nacht. Ook moet er water worden meegenomen daar dit op den ganschen berg niet is te vinden, wijl het losse vulkanische gesteente den gevallen regen te spoedig doorlaat.Gouvernementsstoomer en prauwen voor Ternate.Gouvernementsstoomer en prauwen voor Ternate.Aan elkeen, dien ik te Ternate leerde kennen en die eenige geschiktheid voor zulk een tocht in dit klimaat bezat, stelde ik voor dien goenoeng-api (vuurberg) te bestijgen. Maar Europeanen in Indië en bergbestijgen zijn twee, en geen wonder, waar groote inspanning in dit klimaat bij velen als uit den booze wordt beschouwd en waar de bergsport zeker zonder de eigenaardige groote bekoring is, die haar in Europa nog steeds populairder doet worden.Eindelijk leerde ik iemand kennen, die deze bestijging tweemaal had ondernomen, maar die mij verzekerde dat na de laatste uitbarsting, in 1907, deze tocht de moeite niet meer loonde, daar een groote wal van losse steenen, die toen om den krater was gevormd en die van Ternate uit achter den hoogsten met alang-alang begroeiden top was te zien, elke poging om in den kratermond te zien, verijdelde. Buitendien werd het uitzicht onder het stijgen en dalen door zwaar hout geheel belemmerd, terwijl het wanneer men boven was gekomen zeer tegenviel.Dit zette den domper op mijn plan om desnoods alleen te gaan, te meer daar de terugkomst in de daghitte een toenemende kwelling zou moeten zijn en een nachtelijke afdaling door het donkere, slecht begaanbare bosch niet doenlijk was.Doch tusschen de piek van Tidore en die van Ternate rees die ronde kop, dien men Maitara had gedoopt, omhoog. Slechts 360 M. hoog, tot boven met eenige klapperboomen begroeid, zou ik voor dat tochtje toch allicht gezelschap kunnen vinden.Het was op een morgen tegen achten, dat ik aan het strand zocht naar een vlerkprauwtje met eenige roeiers om mijn metgezel en mij, want ik had er een gevonden, naar dat eilandje te brengen. Maar met dat luie volk duurde het een goed uur alvorens we eindelijk met de beenen onder ons gevouwen, meer op dan in het prauwtje zaten, terwijl een roeier voor en achter het lichte ding door het water deed schieten. Toch duurde het anderhalf uur, eer we den voet zetten aan het witte strand van Maitara, waar vredig een kleine kampong onder palmen lag verscholen en waar prauwtjes schilderachtig lagen op het zand.Het was elf uur geworden, alvorens we het paadje insloegen, dat naar den top leidde. De hitte was reeds groot, maar zou nog toenemen en zeker heel erg zijn, toen we, onder de palmen vandaan gekomen een schaduwlooze helling met alang-alang begroeid voor ons zagen liggen. Mijn kennis ging voorop met haastigen pas, zooals ieder doet, die nog nooit een helling voor zich zag. ’t Paadje, door de bloote voeten van inlanders gemaakt, was glad en ging niet in zigzag naar boven; we hadden linnen schoenen aan met gladde zolen, zeer ongeschikt voor die helling.Zeker is er moeilijk een warmere positie denkbaar dan tegen den middag te klimmen op een berghelling onder de tropen, terwijl de zon bijna loodrecht boven ons hoofd staat en daarbij de weg door het manshooge alang-alang leidt, dat elk zuchtje wind tegenhoudt. Mijn kennis gaf reeds spoedig verdachte teekenen erg aan dien hitte-invloed onderhevig te zijn; hij keek reeds met eerbied en telkens naar boven, bleef soms even staan, keek dan nog eerbiediger naar boven onder het fronsen van zijn voorhoofd, zette zijn zonnehoed achter op het hoofd en greep naar zijn zakdoek, die in zijn hand bleef en lachte, half verlegen, zijnfiguur verliezend door die plotselinge onverwachte nederlaag.Nu kon ik de hitte verdragen als een inlander, maar toch ook begonnen zich op mijn lichtbruine kakipak reeds donkerbruine natte plekken te vertoonen. Mijn kennis, die echter eenmaal een haastigen pas had aangegeven en dien ondanks de kleine rustpauzen steeds weer aannam, had mij aan dien pas gewend, dien men dan dikwijls volhoudt tot men het op moet geven.Zoo nam ik weldra de leiding. Lang kon het immers niet duren, maar toch in die smoorhitte tijdens het zware werk, waardoor ook het hart meesprak, scheen het een werk van uren; totdat ik boven was en op mijn horloge ziende zag, dat het 40 minuten had geëischt. Mijn tochtgenoot zat halverwege onder de weinige schaduw van een papajaboompje met de handen onder het gebogen hoofd en met den hoed in den nek naar de zee te turen, waarschijnlijk peinzend over den vreeselijken onzin om op bergen te klimmen, waar toch immers niets te halen viel.Toch viel er iets te halen daarboven en wel een uitzicht over den grooten waterplas door het bergland van Halmaheira, Ternate en Tidore begrensd, terwijl westelijk het uitzicht vrij was op de Moluksche Zee, waar lucht en water in het onafzienbare wegdeinden. Ook was het uitzicht vrij over de breede met zwaar woud begroeide voeten dier kegels, terwijl een lichtgroene band onder water om het gansche strand van Maitara, zuiver en rein als de kleur van het gletscherijs, wees op banken van koraal, dat zich hier om de eilanden had vastgezet.Al rondkijkende in het wijde panorama kwam ik langzamerhand bij en bemerkte toen, hoe een hevige dorst door het groote vochtverlies mij kwelde, maar water zou hier nergens te vinden zijn, doch eenige klapperboomen, hoe schaarsch ook, stonden op den top en even daaronder op de berghelling. Aan deze laatste hingen een paar jonge klappers, die met een zakmes gemakkelijk konden worden geopend om het dorstlesschende klapperwater er uit te kunnen drinken. Maar hoe ze te krijgen? Wel waren de boomen nog jong en was de kroon niet meer dan acht meter boven de helling, doch juist dit laatste maakte het plukken bezwaarlijk, daar de noten met versnelde beweging naar beneden zouden huppelen, indien ze na losgemaakt te zijn naar beneden werden geworpen. Het zou dus zaak zijn de noot na den pluk bij het neerglijden langs den stam in den arm te houden.De opdracht was moeilijk, maar het vooruitzicht den dorst te kunnen lesschen in een tropische hitte verleidelijk en zoo begon ik in den rechten stam te klimmen. Waarlijk de kroon werd bereikt; nu de beenen krampachtig vastgeklemd om den stam en door den rechterarm met alle kracht omhelsd. De linker was nu vrij en kon een der gladde dikke noten bereiken, die door draaien van links naar rechts eindelijk losliet en in de holte van den gekromden elleboog terechtkwam. Zonder op mijn kleeren te letten, die men in Indië bij het dozijn telt, liet ik me, langs den ruwen stam schurend, naar beneden glijden. Daar stond ik, wel opnieuw oververhit, maar nu triomfeerend met mijn schat; nu nog het zakmes gekregen, maar o! schrik! bij die beweging viel de onhandige noot op de helling, waarop ik nog stond.... ik stortte me voorover, nog eens weer voorover de helling af, nog eens weer en... greep voor de derde maal mis. Met steeds grootere sprongen verdween mijn schat in de diepte.Daar stond ik te braden, kletsnat, met de tong aan het gehemelte gekleefd, met hevig bonzend hart en kloppende slapen.Wat nu? doch dit kwam slechts een moment bij me boven. Een bergbestijger geeft den moed niet op, en waren het nu al geen duizelingwekkende afgronden en duistere gletscherspleten die dreigden, het dreigement dat nu gekomen was, was niet minder erg en de overwinning zou misschien kostelijker zijn.Weer ging het in den stam naar een tweede noot die iets verder hing, ook deze raakte los, maar de inspanning van het laatste uur had me niet handiger gemaakt, zij viel.... en bleef liggen. De goden hadden schijnbaar medelijden gekregen met dien worstelaar diep onder hen.Onder de noot zette ik mij neer en voorzichtig, alsof het een goudklomp was, vatte ik haar aan en dronk haar voor viervijfde leeg. De rest bracht ik uit naastenliefde aan mijn tochtgenoot, die nog iets hooger was gestegen, maar die het eindpunt niet bereikte. Hoe gretig ging ook bij hem dat eene slokje naar binnen.Een kijkje in de achtergalerij der jonggezellenwoning te Ternate.Een kijkje in de achtergalerij der jonggezellenwoning te Ternate.(Teekening H. R. Roelfsema).Het neerdalen langs het gladde steile paadje op het heetst van den dag terwijl de hitte naar benedengaand steeds toenam, was een kortstondige marteling en was ons daar beneden niet een inlander tegemoet gekomen, die als een kat tegen een 20 M. hoogen palmboom opwandelde, waaruit hij ons een zestal noten toewierp, dan waren er allicht nog ongelukken gebeurd.Mijn tochtgenoot klaagde 3 dagen later nog over pijn in zijn beenspieren door de krampachtige wijze van dalen langs het gladde paadje, waarop de gladde schoenen zoo weinig vat hadden gehad.Ik zeide niets, maar leed in stilte. Ik, die de piek van Ternate (1579 M.) had willen bestijgen.De tijd kroop voorbij, ondanks het zoeken naar ontspanning in dagelijksche wandelingen langs het strand van het eiland en ondanks de verstrooiing die de Europeesche samenleving bracht. Eindelijk brak de dag aan, waarop de boot van Batjan met den jongen administrateur en zijn huisgezin aan boord, verwacht mocht worden. De dag verstreek zonder dat er iets gebeurde, de volgende dag eveneens, de dag daarop weer; alleen bracht de middag toen even de emotie, dat een boot op de reede aankwam, doch het bleek de Chineesche te zijn, die eens in de zes weken Ternate met een bezoek vereerde.De dagen die wachtende heengingen waren reeds tot een week geklommen, toen zich eensklaps het gerucht verbreidde, dat de verwachte boot tusschen Batjan en Ternate, even na het verlaten van het eerstgenoemde plaatsje, op een blinde klip was geloopen en daar vastzat en assistentie van andere booten noodig had.Daar zat ik nu weer. Mijn administrateur met zijn heele hebben en houden aan boord van een gestrande boot en het vertrek van Ternate naar Tobelo voorloopig op losse schroeven gezet. Afwachten, geduld oefenen, dagen en weken misschien was het parool! Mogelijk zouden we eerst, wanneer deze niet vlot kwam of ernstig beschadigd bleek te zijn, met de volgende boot, die een maand later kwam, naar Tobelo kunnen gaan.Wie hier niet gelaten, in betrekkelijk nietsdoen, wachten kon, terwijl toch ernstige bezigheden elders riepen, bereikte hier niets, dan dat hij op verkeerde wijze zich leerde verstrooien en zijn zenuwen in de war bracht. Dus bleef ik den toestand leuk opnemen, zooals mij de omstandigheden in het afgeloopen jaar wel hadden geleerd. Tot mijn geluk heerschte er in die dagen onder de Hollandsche families een aangename geest en ook bij mijn gastheer was het leven en de huishouding geregelder dan het vroeger was geweest. De bij hem inwonende officier was daarvan de goede genius en ook hijzelf bevond zich bij die regelmaat in eigen huis niet slecht. Daarbij kwam, dat zijn illusieloos bestaan den laatsten tijd verhelderd werd door een verwachting in de toekomst. Hij maakte zich namelijk een illusie over de voordeelen der exploitatie van guano-concessies, die hij op eilanden ten noorden van Nieuw-Guinea wilde aanvragen. Deze kostbare vogelmest moest daar sinds eeuwen in holen en spelonken voor het opgraven liggen. Op zijn reizen per paket-vaartboot langs de noordkust van Nieuw-Guinea was hem door een zendeling op dien buit gewezen en nu verkneuterde hij zich in de rijkdommen, die daar voor hem lagen opgestapeld. Dit vooruitzicht—een droom, een Indische droom en zooals zooveel Indische droomen niet voor verwezenlijking vatbaar, althans niet voor zijn verslapte energie—gaf hem toch een zekere flinkheid terug, door de hoop, in de toekomst, Indië nog eens als nabob vaarwel te kunnen zeggen en dan, in Holland teruggekeerd, de menschen daar als richard te kunnen imponeeren. Dit stokpaardje, door mijn gastheer bij voorkeur in de avonduren bereden, gaf door tegenwerpingen onzerzijds en door het opwerpen van de moeilijkheden en bezwaren, die hem op dezen langen weg nog tegemoet zouden komen, aanleiding tot heel wat hilariteit, maar met zijn fantasie overwon hij die moeilijkheden gemakkelijk, en het eind was steeds, dat hij zichzelven als een bewierookt rijkaard in de aangename weelde van de grootste hotels door de hoofdsteden van Europa zag zwerven. De ironie van het leven had er voor gezorgd, dat de opgestapelde vogelmest het ’m dan zou moeten doen.In de voorgalerij van het tijdelijk administrateurshuis.In de voorgalerij van het tijdelijk administrateurshuis.De groote gouvernementsstoomer was naar Menado vertrokken, om meerdere assistentie te halen en zou, teruggekeerd over Batjan, de passagiers van het vastgeraakte schip meenemen. Eenige dagen verliepen zonder dat er iets vernomen werd; toen verscheen tegen den avond de gouvernementsstoomer, de Zwaluw, weer op de reede, krioelend van passagiers van hetveel grootere schip, die allen op dien stoomer waren overgegaan. Onder hen waren ook de enkele eerste klasse passagiers, waaronder mijn administrateur met zijn huisgezin. De verhalen van het ongeval waren zeer eensluidend. Het schip had in den vroegen morgen Batjan verlaten en was onder bevel van zijn gezagvoerder een route gevolgd, die alleen door dezen kapitein werd genomen en wel door de zeestraten tusschen Halmaheira en de daarvoor liggende eilanden, terwijl de andere kapiteins steeds buiten de eilanden om de open zee namen.Opzichterswoning.Opzichterswoning.Het was ongeveer dezelfde route geweest, die de Adrienne had gevolgd en die wel voor kleine, doch niet voor groote schepen aangewezen was. Bij een bocht tusschen de eilanden, die door dezen gezagvoerder reeds herhaaldelijk was genomen, was het schip zonder schokken op een rif geschoven en zat daar nu zoo vast, dat het waarschijnlijk geheel ontladen moest worden, om dan bij hoog water met behulp van eenige andere schepen te worden vlot gemaakt.Voor allen die aan boord waren was het een schrik geweest te bemerken, dat het schip eensklaps stil en scheef was gaan liggen. Het administrateursvrouwtje had een oogenblik het ergste gevreesd en vertelde nu nog opgewonden welk een angst zij met haar kind had doorgemaakt. De dagen aan boord van het scheef- en stilliggende schip waren daarop in een steeds toenemende verveling gesleten, totdat tenslotte de Zwaluw uitkomst had gebracht door hen allen over te nemen. Doch wegens de vele passagiers aan boord hadden zij slechts verlof kunnen krijgen de allernoodzakelijkste bagage mee te nemen, zoodat het huisgezin nu te Ternate, van het noodigste verstoken, zat.Koeliewoningen.Koeliewoningen.Dagen verliepen, waarin ik met mijn administrateur toch eenig werk in besprekingen en allerlei regelingen had gevonden, en steeds kwamen van de boot betere berichten binnen. Eerst, dat zij met vereende krachten van twee assisteerende schepen vlot was geraakt; toen, dat zij waarschijnlijk weinig averij had bekomen en dat men bezig was de lading stukgoederen, die op de naburige eilanden was gelost weer in te laden. Tenslotte kwam ook de boot zelve, en nu kon binnen een dag de reis naar Tobelo worden voortgezet.Het was in den morgen van den 4denAugustus, nadat we ’s nachts de noordpunt van Halmaheira waren omgestoomd, dat ik den administrateur van het dek der boot op een zware rookpluim wees, die, een eind landwaarts in van de Oostkust van Halmaheira, zich statig in het luchtruim verhief. Daar moest het terrein der jonge onderneming liggen, waar men nu in den drogen tijd met het branden der boomstammen en houtresten van het reeds omgehakte gedeelte van het oerwoud bezig was. De schoorsteen rookte dus nog; een goed voorteeken.De boot naderde de kust en de reede. Men had haar van het strand reeds ontdekt, zooals bleek uit prauwtjes en prauwen, die vlot werden gemaakt om de langverwachte, die zooveel over haar tijd was, te ontvangen. Welk een spanning moest er nu steeds meer op al die plaatsen van Ternate af langs de kust van Halmaheira en Nieuw-Guinea tot het uiterste station aan de Humboldtbaai zijn ontstaan door het wekenlange uitblijven dezer boot, waarvan men de reden niet gissen kon en, wegens het ontbreken van elk ander verkeersmiddel, ook van telegraaf en telefoon, niets gewaar kon worden. Alleen reeds doordat de aanvoer van rijst, waarop men met den voorraad rekende, uitbleef, moest hier en daar reeds ernstige zorg zijn ontstaan, terwijl zij die familieleden wachtten in de grootste ongerustheid moesten verkeeren.Jonge klappers in een nog nader te ontginnen terrein.Jonge klappers in een nog nader te ontginnen terrein.De administrateur en zijn vrouw keken met spanning naar de dichtbegroeide kust, die aan onze blikken voorbijgleed, doch waaraan voor een nadere kennismaking met hun toekomstige verblijfplaats nog niets bijzonders te bespeuren viel.Als altijd gaf de landing hier een drukte van belang. Menschen en goederen moesten in prauwen en sloepen en motorbooten aan land worden gebracht, terwijl de boot buiten de koraalriffen eenige kilometers uit de kust bleef liggen. Aan land was het de oudste zendeling met zijn vrouw, die ik het eerst ontmoette en die als altijd bereid waren hulp te verleenen, en ons, die daar aan den wal werden gezet, terwijl niemand voor onze ontvangst toebereidselen had kunnen maken, aan de middagtafel noodigden. Dat was een uitkomst, want zooals ik daar een oogenblik te voren het jonge vrouwtje met een wanhopig gezicht tusschen bagage en rommel voor een vervallen goedang en tusschen inlanders van allerlei rassen, met haar kind op den arm in de felle zon had zien staan, vreesde ik voor een eersten slechten indruk, dien zij daar moest ontvangen. Doch zij kende Indië en in ’t bijzonder de toestanden der buitenposten reeds voldoende, om weer spoedig op haar verhaal te komen en dien indruk onder de koele galerij van het huis van den zendeling te vergeten.Dien middag wandelden we, de kinderwagen door de baboe geschoven voorop, den rechten weg af naar het emplacement. Hoe groot leek daar reeds het terrein tijdens mijn afwezigheid in het oerwoud opengelegd en hoe prachtig waren die duizenden bibits op de kweekbedden aan weerszijden van het emplacement opgekomen.Jonge klapperaanplant met oebi als grondbedekking.Jonge klapperaanplant met oebi als grondbedekking.Eindelijk had ik hier dan den man gebracht, onder wiens leiding de zaak tot bloei zou kunnen komen, en op wien ik meende tenslotte in alle opzichten te kunnen vertrouwen. Zijn belangstelling en zijn plannen getuigden van de grootste ambitie, zijn vooruitzichten zouden geheel met de ontwikkeling hier samenvallen, zijn toekomst zou geheel van het welslagen hier afhangen.Het huis met de bijgebouwen en den grooten kippenloop te midden van de ontginning in de ruimte gelegen, stond hem wel aan. De eerste dagen van het nieuwe leven daar liet zich goed aanzien, en toen ik ’s avonds alleen huiswaarts keerde, naar het huis van den oudsten zendeling, wiens gast ik nu was, was er een groote tevredenheid en rust over me gekomen; want het was zeker dat het doel mijner groote reis was bereikt, nu aan alle factoren om te kunnen slagen was voldaan. Daarmede begon tevens mijn taak hier af te loopen.Hoofdstuk VII.Een taak die afloopt.Opwekkend was het met mijn nieuwen man, die zooveel belangstelling toonde en zijn eigen inzichten had en opmerkingen maakte, het terrein met de ontginningen, de kweekbedden en de onontgonnen wouden af te loopen en plannen te maken voor het werk in de toekomst.Waar gehakt en gebrand was, was het een chaos van stammen en kruinen en stronken en stapels verbrand hout, waardoor het verdergaan daar zeer werd bemoeilijkt, doch we klommen en klauterden er over en wrongen ons er door, waar het noodig was. We liepen in het nog ongerepte woud alle eindeloos lijkende rintissen af, die door de koelies, onder leiding van mandoers met behulp van de equerre, met den parang lijnrecht naar alle zijden van het terrein waren geslagen. Soms geleken die rintissen, daar waar het onderhout dicht opeen en waar de onontwarbare glagah stond, op lage tunnels, waar men in gebogen houding moest trachten door te komen. Soms, tusschen de bamboe, was het onder onze voeten een geknap en gekraak van belang en steeds moest daar op de lange bamboekokers, die na elken doortocht opnieuw den weg versperden, de parang weer worden gebruikt.Springend van steen op steen, volgden we de kali in haar ganschen kronkelenden loop over het terrein. Daarbij werden we getroffen door de natuur van het woud, zooals zich het van den bedding dier kali aan onze blikken voordeed. Aan de beide oevers, die soms laag, soms een vijftal meters hoog waren, daar waar het riviertje zich een diepen weg door den bodem had uitgeschuurd, rezen de reuzenstammen met hun bladerendos omhoog. Elke bocht bracht een nieuwen kijk op dien dichten groei van allerlei hout, waarvan de bebladerde takken soms tot het midden van de kali reikten, zoodat een natuurlijke schaduwrijke berceau ontstond. En waar zij breeder was geworden, weken die takken terug en we zagen de strakke blauwe lucht boven ons en de zon door het groen schijnen op de ronde lichtgrijze steenen, waarover we onzen weg vervolgden.Een enkele Tobelorees, ook vrouwen, die de bedding dezer kali als een natuurlijken weg door het bosch gebruikten, ontmoetten we hier. Een dezer Tobeloreezen, van honden vergezeld, was op wilde varkens op de jacht geweest en knielde nu bij zijn buit neer, die door honden opgejaagd en achtervolgd in de speer van den listigen jager was gerend.Zoo de geheele concessie doorkruisend, kreeg de nieuwe meester hier in korten tijd een overzicht der terreinverhoudingen en leerde het werk kennen, dat voor hem lag.—Nieuwe heeren, nieuwe wetten—en zoo stelde hij spoedig allerlei veranderingen en regelingen voor, die ik hem gaarne zag invoeren.“We kunnen wel zien, dat u een administrateur hebt”, zeide op een morgen de zendeling tot mij, toen hij mij met een boek onder de galerij van zijn huis vond zitten.“Och ja, hij moet het nu weten en wil het ook weten, en dat is maar goed ook. Ik laat hem nu zoo veel mogelijk alleen scharrelen”—was mijn antwoord. Inderdaad liet ik hem steeds meer zijn gang gaan, zag toe en hielp waar hulp gewenscht was; doch na eenigen tijd had hij, zooals noodig was, alle draden in handen en daarmede liep mijn verblijf op Halmaheira ten einde.Gedurende den tijd, welken ik nog op Tobelo vertoefde, logeerde bij den jongsten zendeling de zendeling van Morotai met zijn huisgezin, vrouw en vier kleine jongens van ½ tot 6 jaar oud. Zij hadden zich op een goeden dag op een stoombootje, dat toevallig de door hen bewoonde kampong had aangedaan, ingescheept, om uit een benarden toestand van ziekte en teleurstelling te geraken en hulp in meer bewoonde en bewoonbaarder oorden te zoeken.Deze menschen hadden zoo afgelegen van alle beschaving en verkeer geleefd, dat de kinderen de eenvoudigste zaken nog dikwijls niet kenden. Zoo zagen de beide oudsten den eersten dag van hun komst de ossenkar vol verbazing voorbijrijden en juichten en riepen, dat zij nog nooit zulke groote bokken hadden gezien, terwijl ook de kar het eerste voertuig was dat zij onder de oogen kregen, en een fiets voor hen een wonderding was uit een onbekende wereld.In de kleine samenleving, waarin we daar verkeerden, ontmoette ik dezen zendeling en zijn familie herhaaldelijk. Dan kwam steeds de vraag in mij op, hoe men iemand als hem, tot hulp en steun en tot bekeering van anderen naar zulk een uithoek van de wereld had kunnen zenden. Deze man, in een achterhoek van Holland geboren, was na zijn opleiding voor zendeling te hebben genoten, met zijn vrouw naar de Oostkust van Morotai vertrokken, om er het evangelie te prediken. Door zijn leven in eenzame streken was hij een zwijgend en gedrukt mensch geworden, die weinig of geen menschenkennis bezat en zeker allerminst geschikt was om in afgelegen streken het evangelie te brengen en den stoot tot een nieuw en opgewekt leven te geven.Wat dien man bewogen had zulk een taak op zich te nemen, had wel zijn oorzaak in een verkeerd begrepen steunen op de hulp van God. In het gevoel van dien steun had hij zich geworpen in een leven dat hij niet beheerschen kon en waarbij hij vastraakte. Nu moest God helpen, nu werd in den angst naar uitredding en zelfbehoud God om alles gevraagd, om alles gebeden.Deze man, die als een stug boertje op de hei zijn bestaan had moeten vinden, had hier niets anders bereikt, dan dat hij en zijn vrouw lichamelijk en geestelijk gebroken waren, vier kinderen hadden gekregen, terwijl geen blijvend resultaat van eenig belang door zijn werken als zendeling was bereikt.Zijn vrouw wilde nu met hem en het verdere gezin, op advies van den dokter te Ternate, daar hij ook aan malaria leed, naar Holland terug. Zeker zou dit het verstandigst zijn geweest, doch schuw voor de wereld, bleef hij weigeren. Koppig is die man blijven weigeren en het einde was, dat man en vrouw uiteengingen, hij naar Morotai terug, naar Boesoe-Boesoe op de Oostkust, waar nooit een blanke kwam, waar harde winden vaak alle verkeer over zee onmogelijk maakten, en zij met haar vier kinderen naar Holland. Daar zit nu de man alleen, in vrijwillige ballingschap.3Nog in die laatste weken zou mijn verblijf vergald worden door den civiel-gezaghebber, die van den eersten dag mijner komst alhier tot nu, langs allerlei wegen en door allerlei middelen, getracht had mij de aanmatiging van zijn veel te groot machtsbegrip te doen gevoelen. Het was reeds in het eerste uur van mijn komst te Tobelo begonnen. Steeds had hij sinds dien tijd tegenover mij, zooals ook tegenover de zendelingen en de bevolking, zijn lastige natuur bot gevierd. Hulpvaardigheid en opgedrongen diensten, waardoor hij de menschen aan zich trachtte te verplichten, afwisselend met willekeurige domme maatregelen en ingrijpende veranderingen, waarvoor ieder buigen moest en waardoor de goedaardige bevolking dikwijls te lijden had, speelde hij met de bewoners zijner afdeeling als de kat met de muis. Even liet hij hen in ’t geloof braaf en goed voor hen te zullen zijn en hun vrijheden en rechten te eerbiedigen, om hen later te kwellen en te onderdrukken, al naar zijn luim het hem ingaf.Zijn entrée te Tobelo had zich indertijd gekenmerkt door een speech tot de verzamelde bevolking, waarbij hij waarschijnlijk Multatuli’s bekende toespraak tot voorbeeld had gehad. Twee dagen later was hij aan zijn stoel gebonden geweest, daar hij op diezelfde bevolking zijn knie uit het lid had geschopt.Mijn samenleven met hem te Tobelo eindigde met een onverkwikkelijke correspondentie en met een dwaze aanklacht zijnerzijds bij den resident en de rechtbank te Makasser.De officier van justitie had op gevraagd advies van den resident naar aanleiding van de op mijn verzoek inbeslaggenomen gelden, de zaak niet voldoende kennende, ambtshalve moeten adviseeren deze gelden voorloopig niet weer af te geven. Echter dit geld was intusschen weer in mijn bezit gekomen en nu wenschte ik dit, om een proces te vermijden niet weer aan hem af te geven. Hij echter eischte òf het bedrag in geld terug òf een cheque ter waarde van dat bedrag. Gaarne wilde ik hem en had hem reeds een schriftelijke verklaring gegeven, waarbij ik mij aansprakelijk stelde voor alle schade, welke hij door de teruggave van dit geld ooit zou kunnen lijden. Van deze regeling, waarbij in gemoede een einde kwam aan een anders zeker sleepend wordende zaak, wilde hij echter niets weten. Hij wilde en zou het geld nu eenmaal terug hebben en zou dit op de meest krachtdadige wijze trachten door te zetten.De eene brief na den anderen volgde en steeds in boozeren toon, totdat hij mij schreef bij den resident en de rechtbank te Makassar een aanklacht wegens misbruik van vertrouwen te zullen doen, waardoor ik volgens hem met den strafrechter zou kennismaken.Daar was nu wel om te lachen en dit gebeurde ook, maar toch voorzag ik op mijn terugreis naar Holland te Ternate en te Makasser bij de door hem ingelichte ambtenaren een lange uiteenzetting van een onverkwikkelijke zaak. Door hem en met behulp van zijn vrouw werden althans reeds ellenlange brieven en stukken voor deze ambtenaren in gereedheid gebracht. Met zijn Indische inzichten scheen hem mijn houding in deze zaak een misdaad, en bleek hij de hoop te koesteren, dat ik, zoo al niet te Ternate dan toch zeker te Makasser in hechtenis genomen zou worden. Had de vrees voor zijn meerderen hem niet weerhouden dan zeker zou hij mij reeds te Tobelo door een paar pradjoerits achter slot en grendel hebben gezet.Administrateurshuis in aanbouw.Administrateurshuis in aanbouw.Kwam ik hem nu in de kampong of elders tegen dan keek de machtige ernstig voor zich, zijn vrouw draaide me, wanneer ik haar beleefdheidshalve groette den rug toe en ik zelf kon niet helpen dat er een spotlachje op mijn gezicht kwam over de ongemoedelijke beleedigde Indische majesteit. En nu had ik die majesteit nog wel altijd in mijn brieven in de volledigste titulatuur en met de mooiste phrasen aangesproken; iets waarop een Indisch opgevoed mensch verbazend gesteld is en waaraan men alleen reeds al zijn wel en wee tegenover hem te danken kan hebben.Intusschen naderde de dag van mijn vertrek. Op de onderneming was nu onder de nieuwe leiding, die met lust en ijver was opgevat, het werk invollen gang. Er werd gehakt en gebrand en geplant; het huis werd steeds bewoonbaarder gemaakt, terwijl de plannen voor een groot nieuw administrateursgebouw klaar lagen.Zoo, terwijl ik bij een der kweekbedden stond en zag hoe rij aan rij van nieuw aangekomen zaadnoten door het werkvolk werden uitgelegd, hoe dichtbij en in de verte de boomen krakend en knappend vielen en hoe aan alle zijden de rook van het brandende hout over de opengelegde terreinen trok, klonk eensklaps luid en schel de fluit van de binnenkomende boot, die me naar Java terug zou brengen.Het zwerven was ik moe, en Indië en zijn ellende ook, alleen niet dit werk, dat ik nu goddank in vertrouwde handen achterliet. Het werkvolk zag me gaan; den opzichter en de mandoers drukte ik de hand. Voor het laatst liep ik den rechten weg door het open veld naar de kampong en vond in het huis van mijn gastheer de koffers door den jongen gepakt en klaar gezet, om door de ossekar naar de aanlegplaats te worden gebracht.Daar lag op de reede de boot, waarop ook de zendelingen en de administrateur zich begaven, om een laatste afscheid te nemen. Ook keek nog eenige malen de civiel-gezaghebber, die zich met zijn vrouw aan boord had begeven, mij gewichtig-somber voorbij en beet zich van spijt op de lippen, dat hij den vogel niet hier reeds in zijn netten kon vangen. Nog eenmaal keerden zij met staatsie den vertrekkende den rug toe, en nog eenmaal moest ik een spotlachje onderdrukken over het abnormale machtsbegrip en het gebrek aan gemoedelijkheid bij deze menschen met hun zonderling “point d’honneur”.Toen het donker werd gingen de zendelingen en de administrateur van boord. Wuivende met zakdoeken en hoeden, terwijl ze in de motorboot stonden van het schip, die hen naar land terugbracht, verdwenen zij uit het gezicht. Daarmede was de verbinding voor langen tijd afgesneden. Eerst na maanden en in Holland teruggekeerd zou ik opnieuw weer iets van hen kunnen vernemen.Er was een episode in mijn leven afgesloten, waarop ik met tevredenheid terugzag en waarvan eens de vruchten in de toekomst te plukken zouden zijn.Voor mij lag de lange reis over Ternate, Ambon, Banda en Makassar naar Soerabaja; vandaar met den trein over Java, met een bezoek aan de Preanger, om te Batavia scheep te gaan naar Genua, alwaar ik mijn vrouw hoopte terug te zien. Dan zou een reis langs de Italiaansche meren en door het Zwitsersche bergland de belooning wezen voor een tijd van veel ontberen.Europa met zijn rijke cultuur en zijn wonderen lokte; daar zou de afgestompte geest zich weer kunnen verfrisschen aan al datgene, wat men in dit verre land ontbeert en wat ons tenslotte hunkeren doet naar beschaving en cultuur.Alfoersche wapens. (Phot. Baretta).Alfoersche wapens. (Phot. Baretta).Nog lag Tobelo daar verborgen onder het zware groen, doch in den geest was ik reeds met zevenmijlslaarzen vooruit gesneld, nu geen zorgen en moeiten zijn vlucht meer remden.Een lange zeereis lag voor me met al haar genoegens en lasten.Reeds stonden de sterren eenige uren aan den hemel, toen de boot het anker lichtte en door het gevaarlijke vaarwater van klippen en eilandjes in het duister langzaam haar weg zocht naar de open zee.Vaarwel Tobelo! Eens hoop ik terug te keeren om de vruchten te zien van het werk hier verricht.Indisch landschap in de Molukken aan den voet van den Djailoloberg.Indisch landschap in de Molukken aan den voet van den Djailoloberg.

Hoofdstuk VI.Naar Batjan. Opnieuw te Ternate.Voor Van der Molen was een draagbaar in gereedheid gebracht, om den zwaar zieken man naar boord te kunnen dragen, daar hij dien afstand toch onmogelijk te voet zou kunnen afleggen. Tot mijn niet geringe verbazing bedankte hij er hooghartig voor. Na uit zijn bed te zijn gestapt, kleedde hij zich aan en legde met zijn vier fox-terriers den driekwartier gaans langen weg naar de aanlegplaats te voet af. Of ik om hem of om mijzelf weer lachen of huilen moest wist ik niet, maar tragikomisch was het geval nu zeker geworden.Aan boord vernam ik van den kapitein en den stuurman en van eenige passagiers, die met hem hadden gereisd, hoe zonderling hij zich reeds op de heenreis had gedragen en hoe men mij algemeen beklaagd had met de aanwinst van zulk een nieuwen administrateur, terwijl men overtuigd was geweest, dat hij met dezelfde boot ontslagen teruggestuurd zou worden. En met zulke menschen sluit men in Indië contracten van 5 jaren, met een aanvangsalaris van ƒ 500.– in de maand. Zoo weinig stellen deze menschen, die geen cent bezitten, dergelijke posities op prijs.Zoo kwam ik weer, na maanden, te Ternate terug met mijn tweeden afgedankten administrateur op weg naar een derden. Vele bekenden der Hollandsche kolonie trof ik aan, die allen min of meer begaan waren met het noodlot, dat mij achtervolgde.Een visscher van Halmaheira met werpnet. (Phot. Baretta).Een visscher van Halmaheira met werpnet. (Phot. Baretta).Na een etmaal aan den steiger te hebben gelegen, vertrok de boot tegen den nacht naar Batjan, de eerste haven die nu door haar zou worden aangedaan.Ik had mij altijd voorgesteld, wanneer ik eens weer tusschen de vulkanen van Ternate en Tidore door zou varen, de Moluksche Zee in, dat ik dit zou doen met bestemming naar het vaderland, een heerlijke toekomst in het verschiet, terwijl het welslagen van de onderneming op Halmaheira, overgelaten aan vertrouwde handen, verzekerd zou zijn.Niets van dat alles! Met een bezwaard hart had ik mijn werk half voltooid moeten achterlaten, en een geheel, onzekere toekomst lag voor me. Zou ik op Batjan slagen? En zoo niet, wat dan? Dan wachtte mij een zwerftocht door den Archipel en een tijdverlies van dagen en weken, dat zich tot maanden zou rekken. En zou het op Java gelukken?Van Batjan zou ik, als ik daar niet slaagde, op een of andere wijze moeten trachten Ternate weer te bereiken, vanwaar dan over Menado en Makassar naar Java gereisd zou moeten worden.Wat zou men in Holland moeten denken? In Holland, waar men zich de moeiten en de bezwaren, die de toestanden in de Buitenbezittingen opleveren, niet kon voorstellen. Daar zou men immers binnen een enkelen dag den stroom van goede sollicitanten naar zulk een goed gesalarieerde betrekking niet kunnen weren.Later kreeg ik op Java eens inzage van sollicitatiebrieven naar een betrekking van assistent op een groote onderneming. Het was leerzaam zulk een collectie eens door te snuffelen en teekenend voor Indië, op welk een wijze vele sollicitanten zich zelven trachtten aan te bevelen. De een schreef, als aanbeveling: ik ben wettig getrouwd; een ander dat hij getrouwd was, doch dat het hem onverschillig was of hij zijn vrouw zou kunnen meenemen of niet; een derde, dat hij geen geld meer had en dus nu wel verdienen moest—want er waren geen veeren meer te plukken van een geplukte kip; een vierde.... dat hij het wel eens probeeren wilde, enz.Het was reeds geheel dag, toen we de ruime baaivan Batjan, omgeven door een kring van bergen, binnenstoomden. Tot mijn verwondering had ik dezen morgen reeds tijdig aan de ontbijttafel in het eetsalon den heer Van der Molen zien verschijnen, die zich de vorige dagen aan boord bijna niet had laten zien. Hij zag er weer beter verzorgd uit en scheen zich wat monterder te gevoelen. Dit was ’t laatste wat ik van dezen man zag, van wien ik de dupe was geworden, en die van den beginne en ook nu nog een raadsel voor mij was gebleven.Het eerste wat ik, aan den wal gekomen, vernam was dat de assistent, die door mij werd gezocht nog te Batjan vertoefde, echter op een eenzaam gelegen landpunt aan het eind van de baai, op een afstand van ruim twee uren per prauw van hier.Met den civiel-gezaghebber wandelde ik het plaatsje binnen, dat veel grooter dan Tobelo, maar onaanzienlijker dan Ternate, echter de residentie is van een sultan, van den Sultan van Batjan, wiens witte woning met atappen dak wij bij het binnenvaren van de baai hadden opgemerkt. Kleine toko’s wisselden af met grootere en kleinere inlandsche huisjes langs den grooten weg en langs de zijwegen. Na een tijdje zoo te hebben gewandeld bereikten we een groot plein, waaraan een ruim woonhuis lag, dat een uitzicht had op zee, het huis van den kapitein-civiel-gezaghebber.Motorbootje en prauwen op de Kaubaai. (Phot. Baretta).Motorbootje en prauwen op de Kaubaai. (Phot. Baretta).Al spoedig had ik het er goed. De vrouw van den civiel-gezaghebber noodigde mij aan de middagtafel, en in het paviljoen van het huis van een vermogenden planter en zakenman vond ik een uitstekend onderdak.Deze laatste, een Hollander dien ik te Ternate reeds had leeren kennen, was, zooals jaarlijks voor een half jaar zijn gewoonte was, naar Europa vertrokken, doch hij had zijn huis onder toezicht van den bestuursambtenaar, voor doortrekkende gasten beschikbaar gesteld. Hoe innig dankbaar was ik dien gastheer voor zijn royale beschikking en hoe weldadig deed het mij aan, daar in dat huis een comfort te vinden, waaraan ik niet meer gewend was, terwijl mij de vrije beschikking over een bibliotheek werd gegeven, die de vele uren, hier waarschijnlijk door te brengen, op de aangenaamste wijze zou kunnen vullen.Met den huisbewaarder, den mandoer van mijn gastheer, en mijn jongen werd alles voor een tijdelijke huishouding geregeld, zoodat ik me hier weldra geheel thuis voelde en dankbaar en knus genieten kon van een der lichtzijden van het Indische leven in de Buiten-bezittingen, nl. van een onbeperkte gastvrijheid. Een van mijn eerste bezigheden was, mij aan de schrijftafel van mijn gastheer te zetten om hem een brief met welgemeenden dank te doen toekomen.Den volgenden morgen stapte ik in een prauwtje, dat mij naar de landpunt zou brengen, die naar het Westen aan den uitgang naar zee te zien was. Langs een strand, waar rijen klapperboomen met wuivende kruinen en zware vruchtentrossen stonden, werd ik voortgeroeid. De wind stond in de baai en weer danste ik in een notedop met in het water kletsende vlerken over hooge blauwe witgekuifde golven voort. De landpunt, ook met klapperboomen begroeid, werd steeds duidelijker zichtbaar; een paar wrakken van gestrande schoenertjes teekenden zich daar tegen den wal af, een dak gluurde tusschen de stammen door, en toen ik eindelijk, tegen dien wind in, na eenige uren mijn doel genaderd was en op het strand wilde stappen, verscheen tusschen de hooge slanke stammen der klapperboomen een jonge man geheel inhet wit, met een zonnehoed op het hoofd—de assistent, dien ik zocht en die hier met vrouw en kind woonde.Onder de wuivende kruinen wandelden we samen naar zijn huis, dat dicht bij de kust iets verder in de schaduw van die boomen lag. Een jonge vrouw zat onder de galerij van het vriendelijk uitziende witte huisje, dat we naderden. Verwonderd een haar onbekend heer in gezelschap van haar man in deze verlatenheid te zien naderen, stond zij, nu verschrikt over haar ongegeneerd toilet, snel op om dit nog inderhaast eenigszins in orde te maken, maar reeds te spoedig stapten we het voorgalerijtje binnen en lachend accepteerde ik gaarne de excuses over haar kleeding, waar men in Indië en dan in de Buiten-bezittingen niet al te nauw op dient te letten. Aan bloote voeten en half opgemaakte haren went men gauw; aan sarong en kabaai, een dracht die de slanke inlandsche vrouw goed kleedt, went men bij de breeder geheupte Hollandsche vrouw moeilijker.Daar zij verrast waren over mijn komst, deelde ik spoedig het doel van mijn reis mede, en al pratende kwam ik tot de overtuiging hier een paar jonge menschen voor me te hebben, die met weinig ervaring, in gelukkigen overmoed van de jeugd naar Indië waren gegaan, droomende van prachtige vooruitzichten en vertrouwende op beloften, die niet altijd werden of konden worden vervuld. Zij waren de eersten niet en zouden ook de laatsten niet zijn, die, bekoord door het zonneland in de verte, gelukkig hun vleugels in vrijheid ruim uit te kunnen slaan, hun vaderland hadden verlaten, om daarginds door het Indische lot op ongelooflijk hardhandige wijze uit hun droom te worden gewekt. Wat daar onder zulke omstandigheden aan heimwee en teleurstellingen, in ’t bijzonder onder de jonge vrouwtjes geleden wordt, wie zal het precies zeggen. Doch levens worden er voor altijd geknakt en gaan er te gronde.Doch deze menschen waren jong en nog niet gebroken; maar zooals ze daar zaten tusschen inlanders, verlaten van andere blanken, met een inboedeltje, dat bestond uit een paar rieten stoelen en een tafeltje, een ijzeren bed, een wiegje, wat portretten en de noodzakelijkste lijfgoederen en het noodzakelijkste eetgerei, kon toch moeilijk aan eenige illusie voldoen. Het huisje met het zinken dak onder de klapperboomen was niet onvriendelijk, maar lag steeds in het halflicht, met een eentonig uitzicht tusschen de slanke klapperstammen op de verlaten, soms door een prauwtje bevaren zee. Bij harden wind vielen de zware noten dikwijls met donderend geraas bij dag en bij nacht op het zinken dak hunner woning of in de omgeving van het huis, waardoor het wandelen en het spelen van een kind daar ongeraden werd. Bezoek kwam er nooit, en slechts zelden mochten ze eens van hier met een prauw naar Batjan. Dag in dag uit zaten ze daar eenzaam tusschen de stammen van de klapperboomen op de verlaten zee te turen.De man had zijn werk met een ploeg contractanten, die in de nabijheid woonden, zij had haar kind, maar de eene dag was als de andere, de financiën plaagden en de toekomst gaf weinig vooruitzichten noch zekerheid, en daarmede groeiden de bezwaren. De royale opvattingen vóór en tijdens hun komst in Indië en hun groote verwachtingen hadden voor zuinigheid plaats moeten maken en voor het gespartel met een door allerlei bezwaard inkomen. Maar, zooals gezegd, ze waren niet gebroken, en hunne illusies werden nog altijd gesteund door de levenskracht hunner jeugd en door niet-opgegeven verwachtingen voor de toekomst.En waarlijk, die jeugdige taaiheid zou misschien niet bedrogen uitkomen. Het bezoek dien dag zou er reeds iets van kunnen verwezenlijken. Eerlijke jonge menschen, die kunnen en willen werken om zich een positie te verschaffen, zijn in deze streken zeldzaam. Aan hun werklust behoefde ik niet te twijfelen, en zoo kwam ik met mijn voorstellen voor den dag. Er werd overlegd en gepraat, de gezichten werden glunder, het jonge vrouwtje zette een kop thee, hij gaf me een sigaar en in beginsel waren we het spoedig eens geworden. Ik zou zijn chef te Batjan trachten te spreken te krijgen, om daarna zoo spoedig mogelijk terug te keeren en hem den uitslag van dit bezoek mededeelen.Mijn indruk van dit jonge paar menschen, dat Indië reeds van de hardste zijde had leeren kennen, was zeer gunstig voor de betrekking, die ik had aan te bieden en tegen den middag ging ik, met den wind mee, in snelle vaart over de hooge golven terug naar Batjan, met de zekerheid een paar menschen gelukkig te hebben achtergelaten.Het was eenige dagen later, dat ik aan boord van de Nora, welk scheepje tijdelijk hier lag, in gezelschap van den civiel-gezaghebber, die een inspectiereis naar de naburige eilanden ging doen, opnieuw op weg was naar het paar aan ’t einde van de baai. Met den chef van den assistent was het tijdstip bepaald, waarop deze laatste zijn ontslag uit zijn oude betrekking zou kunnen krijgen. Met de noodige papieren bij mij trok ik er nu weer op af.Toen de Nora de landpunt naderde, verscheen tusschen de ranke klapperstammen weer dezelfde gestalte van eenige dagen geleden. Hij had zeker met verlangen mijn komst tegemoet gezien en zou in ongeduldige afwachting moeten zijn over den loop der dingen. De Nora stopte. Na afscheid te hebben genomen, ging ik van boord en liet me naar den wal roeien, en na eenig wenken en wuiven verdween het witte scheepje over de donkerblauwe golven om den hoek, op zijn inspectietocht naar verdere eilanden.Met den assistent wandelde ik naar zijn huis en daar zaten we weer onder het galerijtje en sloten de overeenkomst af. Hij zou met de eerstvolgende boot, die binnen twee weken verwacht werd, naar Tobelo komen, om daar de administratie der onderneming op zich te nemen. Het was voor den jongen man een promotie, die in een streek als deze alleen nog mogelijk was. Met mijn nieuwen jongen administrateur, die al zijn verwachtingen nog op de toekomst bouwde, was ik zeer ingenomen, en hoogst gelukkig was ik gestemd, nu ik inzag van de toekomst alles goeds te mogen verwachten.Op uitnoodiging van de vrouw des huizes zou ik dien middag daar blijven rijsttafelen. Daarvoor hadzij getracht van Batjan het een en ander te laten komen, doch bij mijn komst was nog niets gearriveerd en zoo overkwam daar een gastvrouw het ergste wat haar overkomen kon, een genooden gast niet eens een behoorlijk maal te kunnen voorzetten. ’t Was het soberste wat Indië schaft—rijst met kip. En daar zij geen kokkie had en als Hollandsche de geheimen der rijsttafel nog lang niet machtig was, werd het ook niet anders dan rijst met ongevarieerde kip.’t Zal voor de gastvrouw onpleizierig zijn geweest, en de excuses en de verklaringen bleven niet uit. Voor mij, die zag hoe weinig zij hier gewend waren, hoe zij zich hadden leeren schikken, was dit een bewijs te meer voor hun geschiktheid voor ’t nieuwe ambt. Vroolijk en wel aten we in een klein achtergalerijtje taaie kip en droge rijst en een pisang na, alle drie overtuigd, dat het spoedig voor ieder onzer beter zou worden. Zij vertelden mij toen, hoe sober hun leven was en hoe moeilijk het was geweest daarin de kleinste afwisseling te brengen en zich van het eenvoudigste te voorzien.Hun eten bestond altijd uit rijst en kip, doch wilden zij voor de afwisseling zich eens op visch tracteeren, dan moest de baboe naar het strand gaan en daar wachten, soms urenlang, tot er een prauwtje met een visscherman voorbij schoot, die genegen was van zijn vangst iets te verkoopen.Voldaan over mijn ondervindingen en met de beste verwachting nam ik dien middag afscheid, in de hoop hen binnen eenige weken met de eerstvolgende boot te Ternate te zien arriveeren, waar ik hun komst zou afwachten om gezamenlijk naar Tobelo door te reizen. Hoe ik vóór dien tijd van Batjan naar Ternate zou komen, was me nog niet duidelijk, doch allicht zou er zich de een of andere gelegenheid voordoen.Voorloopig zat ik nu goed en wel te Batjan ingekwartierd, maakte er kennis met den sultan, die een graadje flinker bleek dan zijn Ternataanschen collega en schreef en las, en las en schreef. Met Shackleton zat ik in sneeuw en ijs, met Stanley in de Afrikaansche oerwouden, en door de eenzijdige doch ware oogen van Bas Veth bekeek ik Indië.Na zoo eenige dagen te hebben doorgebracht, vernam ik dat een klein stoombootje van de Batjan-maatschappij naar Ternate zou vertrekken, waarmede ook passagiers vervoerd konden worden.Het was op zekeren middag tegen 2 uur, dat ik me aan boord van de Adrienne begaf, in gezelschap van allerlei oosterlingen, waaronder ook eenige hadji’s. Ik installeerde me daar zoo behagelijk mogelijk voor een reis van een etmaal tusschen de westkust van het zuidelijk gedeelte van Halmaheira en de eilanden die er voor lagen, totdat Ternate bereikt zou zijn.Voor voldoend eten en drinken had mijn jongen gezorgd, en zoo op een vouwstoel half zittend, half liggend, naast een miniatuur kajuitje, op een plaatsje waar ik me nauwelijks verroeren kon, liet ik het panorama van het landschap langs me heengaan. Zwaarbegroeid waren de bergen op het groote eiland rechts, eveneens waren de eilandjes links dicht met oerwoud bezet, soms met klapperboomen daar tusschen; somtijds lag er een huisje aan het strand en een prauwtje op het stille water tusschen de beschuttende eilanden.Nu eens spiegelde een groote watervlakte als een meer voor ons oog, dan voeren we door een nauwe geul en leek het vaarwater als afgesloten, doch op het laatste oogenblik werd een doorgang gevonden. Door een wisseling van vergezichten over het water en op het landschap, voeren we verder en zoo werd bij mij de indruk wakker of we stoomden in de Noorsche wateren, tusschen het vastland rechts en de scheren links, daar, waar ook het landschap voor den boeg bij het varen door engten en wijdten, in eenzelfde eentonigheid toch telkens wisselt.Hoe dwaas het schijne Noorwegen te vergelijken met deze omgeving, toch moet hier ook lang voor mij reeds iemand getroffen zijn geworden door de toevallige overeenkomst van die ver uiteenliggende landen. Waarom anders zou aan dat eiland tusschen Ternate en Tidore, aan dien ronden kop, overblijfsel van een scherpen vulkaankegel, de Maleische naam van Noorwegen, van Maitara, gegeven zijn?Paarlvisschers, als Noorsche kust- en fjordenbewoners met hun scheepjes op de spiegelende watervlakten, waren hier met hun witte schoenertjes op zoek naar de kostbaarheden op den bodem der zee. Een bedrijf, dat steeds moeilijker en riskanter was geworden, daar men steeds dieper naar die schatten moest zoeken, wijl de gunstigst gelegen en ondiepste banken reeds lang waren leeggehaald. Maar tot nu toe waren in deze verre residentie met haar exotische wonderen, als parelen, koralen, amber, schildpad en paradijsvogelhuiden, nog niet veel Europeanen rijk geworden met het zoeken naar die schatten. Bedrog en slechte organisatie en moeilijk te houden toezicht, en somtijds een onverwacht en ongehoord fluctueeren der prijzen, bleken nog steeds onoverkomelijke bezwaren voor een rustig, winstgevend bedrijf.—Toen het tegen den avond was geworden spreidden eenige hadji’s naast me hun kleedjes uit en met hun gezichten naar Mekka, hier naar het Westen gekeerd, begonnen ze, zonder zich in ’t minst aan hun omgeving te storen hun eindelooze gebeden en wierpen zich met het voorhoofd ootmoedig tegen den grond. De wijze waarop ze aanbaadden was oostersch extatisch; hun vervoering (gekunsteld of niet) maakte indruk door hun levendige gebaren van wijduitgespreide armen tot gevouwen handen, door de expressie dier scherpe gezichten, die onder den witten tulband met gesloten oogen naar den hemel wezen of zich ter aarde bogen in diepste verootmoediging. Dat Allah voor hen groot was, heel groot, oneindig, onbegrijpelijk groot, hoog boven de menschelijke sfeer en ons weten, zeiden ze zoo duidelijk in hun gebarentaal en door den klank hunner stemmen, dat men de taal zelve niet behoefde te verstaan.In het midden hunner voorhoofden waren twee eeltplekken, ontstaan door de geregelde soms vrij onzachte aanraking met den grond. Ook bij den Sultan van Batjan had ik die eeltplekken daar als twee wratten opgemerkt. Of bij velen dat eelt als bewijs hunner vroomheid alleen door die vrome handelingen is gegroeid en niet door een of andere kunstbewerking, blijft voor den twijfelaar altijd nog een vraag.Toen de avond viel, werden de lichten aan boord opgestoken en zocht ieder een zoo gemakkelijk mogelijkplaatsje. Overal aan dek lagen de menschen languit op matrassen en matjes, zoodat men zich niet verplaatsen kon zonder over lichamen heen te moeten stappen. Op mijn vouwstoeltje ging ik, als al de anderen, onder den blooten hemel den nacht in, dommelend en droomend onder het eentonig gestamp der machine. Den ganschen nacht stampte zij door, den ganschen nacht lag ik daar, soms wakend en naar de heldere sterren kijkend en naar de zwarte silhouetten der bergen tegen de lichtere lucht, soms droomend van huis en van Europa, in het zalige visioen van een spoedigen terugkeer.Toen het morgen werd en de zon achter de bergen van Halmaheira verrees, bleek het dat we nog steeds tusschen eilanden stoomden, doch nu met de piek van Tidore in groote verte reeds op den achtergrond. Geheel er door bedekt, moest daarachter de vulkaan van Ternate liggen, die, na Tidore gepasseerd te zijn, van dichtbij hoog boven het zeevlak zou verrijzen.Tidore en Maitara tegenover Ternate.Tidore en Maitara tegenover Ternate.Het duurde nog uren alvorens we het hoofdplaatsje Soa-Sioe aan den oostelijken voet van Tidore’s vulkaan voorbij voeren. In schroeiende tropische hitte lag het daar, onbeschut tegen de hoogstaande zon, op de morgenzijde van die helling te blakeren, en ik herinnerde mij weer de vreeselijke hitte, die ik hier bij mijn vroeger bezoek reeds vóór den middag had meegemaakt.De zon zou weldra in het zenith komen, toen we, Tidore voorbij, Ternate met den vulkaan voor ons zagen en een bries uit het Westen over de wijde watervlakte tusschen Halmaheira en dien kegel eenige afkoeling bracht, na de hitte in de nauwere doorgangen tusschen de eilanden geleden.Nu had ik Ternate weer voor me, waar op de eerstkomende boot zou moeten gewacht worden en waar ik nog steeds vóór mijn terugkeer naar Holland met het langzaam werkende residentiekantoor allerlei te regelen had.Het scheepje deed tegen één uur zijn stoomfluit hooren en weer wist iedereen te Ternate terstond, dat het de Adrienne van Batjan was, die haar anker op de reede had uitgeworpen. Landende aan den residentssteiger, een kleine pier met een seinlicht, die de vorige resident hier had laten bouwen, kwam ik weldra mijn vroegeren gastheer te gemoet, die me aan land had zien gaan en me nu weer op de vriendelijkste wijze uitnoodigde bij hem te komen logeeren, daar er in het hotel geen plaats meer te krijgen was. En zoo zaten we spoedig weer onder zijn voorgalerij, nu in gezelschap van een der officieren van het kleine garnizoen, die den laatsten tijd bij hem inwoonde. Weer kon ik gaan tennissen en kegelen en ’s avonds op bezoek gaan of, om den tijd te verdrijven, gaan kaartspelen; weer was het bij mijn gastheer het breedopgevatte jonggezellenleven, en weer was het afwachten tot de boot kwam, die mij naar Tobelo terug zou brengen.Intusschen was het met mijn oude liefde tot bergbestijgen reeds lang mijn plan geweest, indien de omstandigheden het mij toelieten, de piek van Ternate (1579 M.) te beklimmen. Die omstandigheden waren nu gekomen.Na informatie was het me gebleken, dat een bestijging van dien top bij groote uitzondering werd ondernomen. De sultan leverde dan gidsen en dragers, de eersten om den langen weg door het oerbosch te wijzen en ten slotte een pad te kappen door het hoogste, geheel onbegane gedeelte, de tweeden om een vrij belangrijke bagage te dragen, waaronder eenige flinke plaids, daar steeds een bivak aan den tocht verbonden is en het daar boven koud is in den nacht. Ook moet er water worden meegenomen daar dit op den ganschen berg niet is te vinden, wijl het losse vulkanische gesteente den gevallen regen te spoedig doorlaat.Gouvernementsstoomer en prauwen voor Ternate.Gouvernementsstoomer en prauwen voor Ternate.Aan elkeen, dien ik te Ternate leerde kennen en die eenige geschiktheid voor zulk een tocht in dit klimaat bezat, stelde ik voor dien goenoeng-api (vuurberg) te bestijgen. Maar Europeanen in Indië en bergbestijgen zijn twee, en geen wonder, waar groote inspanning in dit klimaat bij velen als uit den booze wordt beschouwd en waar de bergsport zeker zonder de eigenaardige groote bekoring is, die haar in Europa nog steeds populairder doet worden.Eindelijk leerde ik iemand kennen, die deze bestijging tweemaal had ondernomen, maar die mij verzekerde dat na de laatste uitbarsting, in 1907, deze tocht de moeite niet meer loonde, daar een groote wal van losse steenen, die toen om den krater was gevormd en die van Ternate uit achter den hoogsten met alang-alang begroeiden top was te zien, elke poging om in den kratermond te zien, verijdelde. Buitendien werd het uitzicht onder het stijgen en dalen door zwaar hout geheel belemmerd, terwijl het wanneer men boven was gekomen zeer tegenviel.Dit zette den domper op mijn plan om desnoods alleen te gaan, te meer daar de terugkomst in de daghitte een toenemende kwelling zou moeten zijn en een nachtelijke afdaling door het donkere, slecht begaanbare bosch niet doenlijk was.Doch tusschen de piek van Tidore en die van Ternate rees die ronde kop, dien men Maitara had gedoopt, omhoog. Slechts 360 M. hoog, tot boven met eenige klapperboomen begroeid, zou ik voor dat tochtje toch allicht gezelschap kunnen vinden.Het was op een morgen tegen achten, dat ik aan het strand zocht naar een vlerkprauwtje met eenige roeiers om mijn metgezel en mij, want ik had er een gevonden, naar dat eilandje te brengen. Maar met dat luie volk duurde het een goed uur alvorens we eindelijk met de beenen onder ons gevouwen, meer op dan in het prauwtje zaten, terwijl een roeier voor en achter het lichte ding door het water deed schieten. Toch duurde het anderhalf uur, eer we den voet zetten aan het witte strand van Maitara, waar vredig een kleine kampong onder palmen lag verscholen en waar prauwtjes schilderachtig lagen op het zand.Het was elf uur geworden, alvorens we het paadje insloegen, dat naar den top leidde. De hitte was reeds groot, maar zou nog toenemen en zeker heel erg zijn, toen we, onder de palmen vandaan gekomen een schaduwlooze helling met alang-alang begroeid voor ons zagen liggen. Mijn kennis ging voorop met haastigen pas, zooals ieder doet, die nog nooit een helling voor zich zag. ’t Paadje, door de bloote voeten van inlanders gemaakt, was glad en ging niet in zigzag naar boven; we hadden linnen schoenen aan met gladde zolen, zeer ongeschikt voor die helling.Zeker is er moeilijk een warmere positie denkbaar dan tegen den middag te klimmen op een berghelling onder de tropen, terwijl de zon bijna loodrecht boven ons hoofd staat en daarbij de weg door het manshooge alang-alang leidt, dat elk zuchtje wind tegenhoudt. Mijn kennis gaf reeds spoedig verdachte teekenen erg aan dien hitte-invloed onderhevig te zijn; hij keek reeds met eerbied en telkens naar boven, bleef soms even staan, keek dan nog eerbiediger naar boven onder het fronsen van zijn voorhoofd, zette zijn zonnehoed achter op het hoofd en greep naar zijn zakdoek, die in zijn hand bleef en lachte, half verlegen, zijnfiguur verliezend door die plotselinge onverwachte nederlaag.Nu kon ik de hitte verdragen als een inlander, maar toch ook begonnen zich op mijn lichtbruine kakipak reeds donkerbruine natte plekken te vertoonen. Mijn kennis, die echter eenmaal een haastigen pas had aangegeven en dien ondanks de kleine rustpauzen steeds weer aannam, had mij aan dien pas gewend, dien men dan dikwijls volhoudt tot men het op moet geven.Zoo nam ik weldra de leiding. Lang kon het immers niet duren, maar toch in die smoorhitte tijdens het zware werk, waardoor ook het hart meesprak, scheen het een werk van uren; totdat ik boven was en op mijn horloge ziende zag, dat het 40 minuten had geëischt. Mijn tochtgenoot zat halverwege onder de weinige schaduw van een papajaboompje met de handen onder het gebogen hoofd en met den hoed in den nek naar de zee te turen, waarschijnlijk peinzend over den vreeselijken onzin om op bergen te klimmen, waar toch immers niets te halen viel.Toch viel er iets te halen daarboven en wel een uitzicht over den grooten waterplas door het bergland van Halmaheira, Ternate en Tidore begrensd, terwijl westelijk het uitzicht vrij was op de Moluksche Zee, waar lucht en water in het onafzienbare wegdeinden. Ook was het uitzicht vrij over de breede met zwaar woud begroeide voeten dier kegels, terwijl een lichtgroene band onder water om het gansche strand van Maitara, zuiver en rein als de kleur van het gletscherijs, wees op banken van koraal, dat zich hier om de eilanden had vastgezet.Al rondkijkende in het wijde panorama kwam ik langzamerhand bij en bemerkte toen, hoe een hevige dorst door het groote vochtverlies mij kwelde, maar water zou hier nergens te vinden zijn, doch eenige klapperboomen, hoe schaarsch ook, stonden op den top en even daaronder op de berghelling. Aan deze laatste hingen een paar jonge klappers, die met een zakmes gemakkelijk konden worden geopend om het dorstlesschende klapperwater er uit te kunnen drinken. Maar hoe ze te krijgen? Wel waren de boomen nog jong en was de kroon niet meer dan acht meter boven de helling, doch juist dit laatste maakte het plukken bezwaarlijk, daar de noten met versnelde beweging naar beneden zouden huppelen, indien ze na losgemaakt te zijn naar beneden werden geworpen. Het zou dus zaak zijn de noot na den pluk bij het neerglijden langs den stam in den arm te houden.De opdracht was moeilijk, maar het vooruitzicht den dorst te kunnen lesschen in een tropische hitte verleidelijk en zoo begon ik in den rechten stam te klimmen. Waarlijk de kroon werd bereikt; nu de beenen krampachtig vastgeklemd om den stam en door den rechterarm met alle kracht omhelsd. De linker was nu vrij en kon een der gladde dikke noten bereiken, die door draaien van links naar rechts eindelijk losliet en in de holte van den gekromden elleboog terechtkwam. Zonder op mijn kleeren te letten, die men in Indië bij het dozijn telt, liet ik me, langs den ruwen stam schurend, naar beneden glijden. Daar stond ik, wel opnieuw oververhit, maar nu triomfeerend met mijn schat; nu nog het zakmes gekregen, maar o! schrik! bij die beweging viel de onhandige noot op de helling, waarop ik nog stond.... ik stortte me voorover, nog eens weer voorover de helling af, nog eens weer en... greep voor de derde maal mis. Met steeds grootere sprongen verdween mijn schat in de diepte.Daar stond ik te braden, kletsnat, met de tong aan het gehemelte gekleefd, met hevig bonzend hart en kloppende slapen.Wat nu? doch dit kwam slechts een moment bij me boven. Een bergbestijger geeft den moed niet op, en waren het nu al geen duizelingwekkende afgronden en duistere gletscherspleten die dreigden, het dreigement dat nu gekomen was, was niet minder erg en de overwinning zou misschien kostelijker zijn.Weer ging het in den stam naar een tweede noot die iets verder hing, ook deze raakte los, maar de inspanning van het laatste uur had me niet handiger gemaakt, zij viel.... en bleef liggen. De goden hadden schijnbaar medelijden gekregen met dien worstelaar diep onder hen.Onder de noot zette ik mij neer en voorzichtig, alsof het een goudklomp was, vatte ik haar aan en dronk haar voor viervijfde leeg. De rest bracht ik uit naastenliefde aan mijn tochtgenoot, die nog iets hooger was gestegen, maar die het eindpunt niet bereikte. Hoe gretig ging ook bij hem dat eene slokje naar binnen.Een kijkje in de achtergalerij der jonggezellenwoning te Ternate.Een kijkje in de achtergalerij der jonggezellenwoning te Ternate.(Teekening H. R. Roelfsema).Het neerdalen langs het gladde steile paadje op het heetst van den dag terwijl de hitte naar benedengaand steeds toenam, was een kortstondige marteling en was ons daar beneden niet een inlander tegemoet gekomen, die als een kat tegen een 20 M. hoogen palmboom opwandelde, waaruit hij ons een zestal noten toewierp, dan waren er allicht nog ongelukken gebeurd.Mijn tochtgenoot klaagde 3 dagen later nog over pijn in zijn beenspieren door de krampachtige wijze van dalen langs het gladde paadje, waarop de gladde schoenen zoo weinig vat hadden gehad.Ik zeide niets, maar leed in stilte. Ik, die de piek van Ternate (1579 M.) had willen bestijgen.De tijd kroop voorbij, ondanks het zoeken naar ontspanning in dagelijksche wandelingen langs het strand van het eiland en ondanks de verstrooiing die de Europeesche samenleving bracht. Eindelijk brak de dag aan, waarop de boot van Batjan met den jongen administrateur en zijn huisgezin aan boord, verwacht mocht worden. De dag verstreek zonder dat er iets gebeurde, de volgende dag eveneens, de dag daarop weer; alleen bracht de middag toen even de emotie, dat een boot op de reede aankwam, doch het bleek de Chineesche te zijn, die eens in de zes weken Ternate met een bezoek vereerde.De dagen die wachtende heengingen waren reeds tot een week geklommen, toen zich eensklaps het gerucht verbreidde, dat de verwachte boot tusschen Batjan en Ternate, even na het verlaten van het eerstgenoemde plaatsje, op een blinde klip was geloopen en daar vastzat en assistentie van andere booten noodig had.Daar zat ik nu weer. Mijn administrateur met zijn heele hebben en houden aan boord van een gestrande boot en het vertrek van Ternate naar Tobelo voorloopig op losse schroeven gezet. Afwachten, geduld oefenen, dagen en weken misschien was het parool! Mogelijk zouden we eerst, wanneer deze niet vlot kwam of ernstig beschadigd bleek te zijn, met de volgende boot, die een maand later kwam, naar Tobelo kunnen gaan.Wie hier niet gelaten, in betrekkelijk nietsdoen, wachten kon, terwijl toch ernstige bezigheden elders riepen, bereikte hier niets, dan dat hij op verkeerde wijze zich leerde verstrooien en zijn zenuwen in de war bracht. Dus bleef ik den toestand leuk opnemen, zooals mij de omstandigheden in het afgeloopen jaar wel hadden geleerd. Tot mijn geluk heerschte er in die dagen onder de Hollandsche families een aangename geest en ook bij mijn gastheer was het leven en de huishouding geregelder dan het vroeger was geweest. De bij hem inwonende officier was daarvan de goede genius en ook hijzelf bevond zich bij die regelmaat in eigen huis niet slecht. Daarbij kwam, dat zijn illusieloos bestaan den laatsten tijd verhelderd werd door een verwachting in de toekomst. Hij maakte zich namelijk een illusie over de voordeelen der exploitatie van guano-concessies, die hij op eilanden ten noorden van Nieuw-Guinea wilde aanvragen. Deze kostbare vogelmest moest daar sinds eeuwen in holen en spelonken voor het opgraven liggen. Op zijn reizen per paket-vaartboot langs de noordkust van Nieuw-Guinea was hem door een zendeling op dien buit gewezen en nu verkneuterde hij zich in de rijkdommen, die daar voor hem lagen opgestapeld. Dit vooruitzicht—een droom, een Indische droom en zooals zooveel Indische droomen niet voor verwezenlijking vatbaar, althans niet voor zijn verslapte energie—gaf hem toch een zekere flinkheid terug, door de hoop, in de toekomst, Indië nog eens als nabob vaarwel te kunnen zeggen en dan, in Holland teruggekeerd, de menschen daar als richard te kunnen imponeeren. Dit stokpaardje, door mijn gastheer bij voorkeur in de avonduren bereden, gaf door tegenwerpingen onzerzijds en door het opwerpen van de moeilijkheden en bezwaren, die hem op dezen langen weg nog tegemoet zouden komen, aanleiding tot heel wat hilariteit, maar met zijn fantasie overwon hij die moeilijkheden gemakkelijk, en het eind was steeds, dat hij zichzelven als een bewierookt rijkaard in de aangename weelde van de grootste hotels door de hoofdsteden van Europa zag zwerven. De ironie van het leven had er voor gezorgd, dat de opgestapelde vogelmest het ’m dan zou moeten doen.In de voorgalerij van het tijdelijk administrateurshuis.In de voorgalerij van het tijdelijk administrateurshuis.De groote gouvernementsstoomer was naar Menado vertrokken, om meerdere assistentie te halen en zou, teruggekeerd over Batjan, de passagiers van het vastgeraakte schip meenemen. Eenige dagen verliepen zonder dat er iets vernomen werd; toen verscheen tegen den avond de gouvernementsstoomer, de Zwaluw, weer op de reede, krioelend van passagiers van hetveel grootere schip, die allen op dien stoomer waren overgegaan. Onder hen waren ook de enkele eerste klasse passagiers, waaronder mijn administrateur met zijn huisgezin. De verhalen van het ongeval waren zeer eensluidend. Het schip had in den vroegen morgen Batjan verlaten en was onder bevel van zijn gezagvoerder een route gevolgd, die alleen door dezen kapitein werd genomen en wel door de zeestraten tusschen Halmaheira en de daarvoor liggende eilanden, terwijl de andere kapiteins steeds buiten de eilanden om de open zee namen.Opzichterswoning.Opzichterswoning.Het was ongeveer dezelfde route geweest, die de Adrienne had gevolgd en die wel voor kleine, doch niet voor groote schepen aangewezen was. Bij een bocht tusschen de eilanden, die door dezen gezagvoerder reeds herhaaldelijk was genomen, was het schip zonder schokken op een rif geschoven en zat daar nu zoo vast, dat het waarschijnlijk geheel ontladen moest worden, om dan bij hoog water met behulp van eenige andere schepen te worden vlot gemaakt.Voor allen die aan boord waren was het een schrik geweest te bemerken, dat het schip eensklaps stil en scheef was gaan liggen. Het administrateursvrouwtje had een oogenblik het ergste gevreesd en vertelde nu nog opgewonden welk een angst zij met haar kind had doorgemaakt. De dagen aan boord van het scheef- en stilliggende schip waren daarop in een steeds toenemende verveling gesleten, totdat tenslotte de Zwaluw uitkomst had gebracht door hen allen over te nemen. Doch wegens de vele passagiers aan boord hadden zij slechts verlof kunnen krijgen de allernoodzakelijkste bagage mee te nemen, zoodat het huisgezin nu te Ternate, van het noodigste verstoken, zat.Koeliewoningen.Koeliewoningen.Dagen verliepen, waarin ik met mijn administrateur toch eenig werk in besprekingen en allerlei regelingen had gevonden, en steeds kwamen van de boot betere berichten binnen. Eerst, dat zij met vereende krachten van twee assisteerende schepen vlot was geraakt; toen, dat zij waarschijnlijk weinig averij had bekomen en dat men bezig was de lading stukgoederen, die op de naburige eilanden was gelost weer in te laden. Tenslotte kwam ook de boot zelve, en nu kon binnen een dag de reis naar Tobelo worden voortgezet.Het was in den morgen van den 4denAugustus, nadat we ’s nachts de noordpunt van Halmaheira waren omgestoomd, dat ik den administrateur van het dek der boot op een zware rookpluim wees, die, een eind landwaarts in van de Oostkust van Halmaheira, zich statig in het luchtruim verhief. Daar moest het terrein der jonge onderneming liggen, waar men nu in den drogen tijd met het branden der boomstammen en houtresten van het reeds omgehakte gedeelte van het oerwoud bezig was. De schoorsteen rookte dus nog; een goed voorteeken.De boot naderde de kust en de reede. Men had haar van het strand reeds ontdekt, zooals bleek uit prauwtjes en prauwen, die vlot werden gemaakt om de langverwachte, die zooveel over haar tijd was, te ontvangen. Welk een spanning moest er nu steeds meer op al die plaatsen van Ternate af langs de kust van Halmaheira en Nieuw-Guinea tot het uiterste station aan de Humboldtbaai zijn ontstaan door het wekenlange uitblijven dezer boot, waarvan men de reden niet gissen kon en, wegens het ontbreken van elk ander verkeersmiddel, ook van telegraaf en telefoon, niets gewaar kon worden. Alleen reeds doordat de aanvoer van rijst, waarop men met den voorraad rekende, uitbleef, moest hier en daar reeds ernstige zorg zijn ontstaan, terwijl zij die familieleden wachtten in de grootste ongerustheid moesten verkeeren.Jonge klappers in een nog nader te ontginnen terrein.Jonge klappers in een nog nader te ontginnen terrein.De administrateur en zijn vrouw keken met spanning naar de dichtbegroeide kust, die aan onze blikken voorbijgleed, doch waaraan voor een nadere kennismaking met hun toekomstige verblijfplaats nog niets bijzonders te bespeuren viel.Als altijd gaf de landing hier een drukte van belang. Menschen en goederen moesten in prauwen en sloepen en motorbooten aan land worden gebracht, terwijl de boot buiten de koraalriffen eenige kilometers uit de kust bleef liggen. Aan land was het de oudste zendeling met zijn vrouw, die ik het eerst ontmoette en die als altijd bereid waren hulp te verleenen, en ons, die daar aan den wal werden gezet, terwijl niemand voor onze ontvangst toebereidselen had kunnen maken, aan de middagtafel noodigden. Dat was een uitkomst, want zooals ik daar een oogenblik te voren het jonge vrouwtje met een wanhopig gezicht tusschen bagage en rommel voor een vervallen goedang en tusschen inlanders van allerlei rassen, met haar kind op den arm in de felle zon had zien staan, vreesde ik voor een eersten slechten indruk, dien zij daar moest ontvangen. Doch zij kende Indië en in ’t bijzonder de toestanden der buitenposten reeds voldoende, om weer spoedig op haar verhaal te komen en dien indruk onder de koele galerij van het huis van den zendeling te vergeten.Dien middag wandelden we, de kinderwagen door de baboe geschoven voorop, den rechten weg af naar het emplacement. Hoe groot leek daar reeds het terrein tijdens mijn afwezigheid in het oerwoud opengelegd en hoe prachtig waren die duizenden bibits op de kweekbedden aan weerszijden van het emplacement opgekomen.Jonge klapperaanplant met oebi als grondbedekking.Jonge klapperaanplant met oebi als grondbedekking.Eindelijk had ik hier dan den man gebracht, onder wiens leiding de zaak tot bloei zou kunnen komen, en op wien ik meende tenslotte in alle opzichten te kunnen vertrouwen. Zijn belangstelling en zijn plannen getuigden van de grootste ambitie, zijn vooruitzichten zouden geheel met de ontwikkeling hier samenvallen, zijn toekomst zou geheel van het welslagen hier afhangen.Het huis met de bijgebouwen en den grooten kippenloop te midden van de ontginning in de ruimte gelegen, stond hem wel aan. De eerste dagen van het nieuwe leven daar liet zich goed aanzien, en toen ik ’s avonds alleen huiswaarts keerde, naar het huis van den oudsten zendeling, wiens gast ik nu was, was er een groote tevredenheid en rust over me gekomen; want het was zeker dat het doel mijner groote reis was bereikt, nu aan alle factoren om te kunnen slagen was voldaan. Daarmede begon tevens mijn taak hier af te loopen.

Voor Van der Molen was een draagbaar in gereedheid gebracht, om den zwaar zieken man naar boord te kunnen dragen, daar hij dien afstand toch onmogelijk te voet zou kunnen afleggen. Tot mijn niet geringe verbazing bedankte hij er hooghartig voor. Na uit zijn bed te zijn gestapt, kleedde hij zich aan en legde met zijn vier fox-terriers den driekwartier gaans langen weg naar de aanlegplaats te voet af. Of ik om hem of om mijzelf weer lachen of huilen moest wist ik niet, maar tragikomisch was het geval nu zeker geworden.

Aan boord vernam ik van den kapitein en den stuurman en van eenige passagiers, die met hem hadden gereisd, hoe zonderling hij zich reeds op de heenreis had gedragen en hoe men mij algemeen beklaagd had met de aanwinst van zulk een nieuwen administrateur, terwijl men overtuigd was geweest, dat hij met dezelfde boot ontslagen teruggestuurd zou worden. En met zulke menschen sluit men in Indië contracten van 5 jaren, met een aanvangsalaris van ƒ 500.– in de maand. Zoo weinig stellen deze menschen, die geen cent bezitten, dergelijke posities op prijs.

Zoo kwam ik weer, na maanden, te Ternate terug met mijn tweeden afgedankten administrateur op weg naar een derden. Vele bekenden der Hollandsche kolonie trof ik aan, die allen min of meer begaan waren met het noodlot, dat mij achtervolgde.

Een visscher van Halmaheira met werpnet. (Phot. Baretta).Een visscher van Halmaheira met werpnet. (Phot. Baretta).

Een visscher van Halmaheira met werpnet. (Phot. Baretta).

Na een etmaal aan den steiger te hebben gelegen, vertrok de boot tegen den nacht naar Batjan, de eerste haven die nu door haar zou worden aangedaan.

Ik had mij altijd voorgesteld, wanneer ik eens weer tusschen de vulkanen van Ternate en Tidore door zou varen, de Moluksche Zee in, dat ik dit zou doen met bestemming naar het vaderland, een heerlijke toekomst in het verschiet, terwijl het welslagen van de onderneming op Halmaheira, overgelaten aan vertrouwde handen, verzekerd zou zijn.

Niets van dat alles! Met een bezwaard hart had ik mijn werk half voltooid moeten achterlaten, en een geheel, onzekere toekomst lag voor me. Zou ik op Batjan slagen? En zoo niet, wat dan? Dan wachtte mij een zwerftocht door den Archipel en een tijdverlies van dagen en weken, dat zich tot maanden zou rekken. En zou het op Java gelukken?

Van Batjan zou ik, als ik daar niet slaagde, op een of andere wijze moeten trachten Ternate weer te bereiken, vanwaar dan over Menado en Makassar naar Java gereisd zou moeten worden.

Wat zou men in Holland moeten denken? In Holland, waar men zich de moeiten en de bezwaren, die de toestanden in de Buitenbezittingen opleveren, niet kon voorstellen. Daar zou men immers binnen een enkelen dag den stroom van goede sollicitanten naar zulk een goed gesalarieerde betrekking niet kunnen weren.

Later kreeg ik op Java eens inzage van sollicitatiebrieven naar een betrekking van assistent op een groote onderneming. Het was leerzaam zulk een collectie eens door te snuffelen en teekenend voor Indië, op welk een wijze vele sollicitanten zich zelven trachtten aan te bevelen. De een schreef, als aanbeveling: ik ben wettig getrouwd; een ander dat hij getrouwd was, doch dat het hem onverschillig was of hij zijn vrouw zou kunnen meenemen of niet; een derde, dat hij geen geld meer had en dus nu wel verdienen moest—want er waren geen veeren meer te plukken van een geplukte kip; een vierde.... dat hij het wel eens probeeren wilde, enz.

Het was reeds geheel dag, toen we de ruime baaivan Batjan, omgeven door een kring van bergen, binnenstoomden. Tot mijn verwondering had ik dezen morgen reeds tijdig aan de ontbijttafel in het eetsalon den heer Van der Molen zien verschijnen, die zich de vorige dagen aan boord bijna niet had laten zien. Hij zag er weer beter verzorgd uit en scheen zich wat monterder te gevoelen. Dit was ’t laatste wat ik van dezen man zag, van wien ik de dupe was geworden, en die van den beginne en ook nu nog een raadsel voor mij was gebleven.

Het eerste wat ik, aan den wal gekomen, vernam was dat de assistent, die door mij werd gezocht nog te Batjan vertoefde, echter op een eenzaam gelegen landpunt aan het eind van de baai, op een afstand van ruim twee uren per prauw van hier.

Met den civiel-gezaghebber wandelde ik het plaatsje binnen, dat veel grooter dan Tobelo, maar onaanzienlijker dan Ternate, echter de residentie is van een sultan, van den Sultan van Batjan, wiens witte woning met atappen dak wij bij het binnenvaren van de baai hadden opgemerkt. Kleine toko’s wisselden af met grootere en kleinere inlandsche huisjes langs den grooten weg en langs de zijwegen. Na een tijdje zoo te hebben gewandeld bereikten we een groot plein, waaraan een ruim woonhuis lag, dat een uitzicht had op zee, het huis van den kapitein-civiel-gezaghebber.

Motorbootje en prauwen op de Kaubaai. (Phot. Baretta).Motorbootje en prauwen op de Kaubaai. (Phot. Baretta).

Motorbootje en prauwen op de Kaubaai. (Phot. Baretta).

Al spoedig had ik het er goed. De vrouw van den civiel-gezaghebber noodigde mij aan de middagtafel, en in het paviljoen van het huis van een vermogenden planter en zakenman vond ik een uitstekend onderdak.

Deze laatste, een Hollander dien ik te Ternate reeds had leeren kennen, was, zooals jaarlijks voor een half jaar zijn gewoonte was, naar Europa vertrokken, doch hij had zijn huis onder toezicht van den bestuursambtenaar, voor doortrekkende gasten beschikbaar gesteld. Hoe innig dankbaar was ik dien gastheer voor zijn royale beschikking en hoe weldadig deed het mij aan, daar in dat huis een comfort te vinden, waaraan ik niet meer gewend was, terwijl mij de vrije beschikking over een bibliotheek werd gegeven, die de vele uren, hier waarschijnlijk door te brengen, op de aangenaamste wijze zou kunnen vullen.

Met den huisbewaarder, den mandoer van mijn gastheer, en mijn jongen werd alles voor een tijdelijke huishouding geregeld, zoodat ik me hier weldra geheel thuis voelde en dankbaar en knus genieten kon van een der lichtzijden van het Indische leven in de Buiten-bezittingen, nl. van een onbeperkte gastvrijheid. Een van mijn eerste bezigheden was, mij aan de schrijftafel van mijn gastheer te zetten om hem een brief met welgemeenden dank te doen toekomen.

Den volgenden morgen stapte ik in een prauwtje, dat mij naar de landpunt zou brengen, die naar het Westen aan den uitgang naar zee te zien was. Langs een strand, waar rijen klapperboomen met wuivende kruinen en zware vruchtentrossen stonden, werd ik voortgeroeid. De wind stond in de baai en weer danste ik in een notedop met in het water kletsende vlerken over hooge blauwe witgekuifde golven voort. De landpunt, ook met klapperboomen begroeid, werd steeds duidelijker zichtbaar; een paar wrakken van gestrande schoenertjes teekenden zich daar tegen den wal af, een dak gluurde tusschen de stammen door, en toen ik eindelijk, tegen dien wind in, na eenige uren mijn doel genaderd was en op het strand wilde stappen, verscheen tusschen de hooge slanke stammen der klapperboomen een jonge man geheel inhet wit, met een zonnehoed op het hoofd—de assistent, dien ik zocht en die hier met vrouw en kind woonde.

Onder de wuivende kruinen wandelden we samen naar zijn huis, dat dicht bij de kust iets verder in de schaduw van die boomen lag. Een jonge vrouw zat onder de galerij van het vriendelijk uitziende witte huisje, dat we naderden. Verwonderd een haar onbekend heer in gezelschap van haar man in deze verlatenheid te zien naderen, stond zij, nu verschrikt over haar ongegeneerd toilet, snel op om dit nog inderhaast eenigszins in orde te maken, maar reeds te spoedig stapten we het voorgalerijtje binnen en lachend accepteerde ik gaarne de excuses over haar kleeding, waar men in Indië en dan in de Buiten-bezittingen niet al te nauw op dient te letten. Aan bloote voeten en half opgemaakte haren went men gauw; aan sarong en kabaai, een dracht die de slanke inlandsche vrouw goed kleedt, went men bij de breeder geheupte Hollandsche vrouw moeilijker.

Daar zij verrast waren over mijn komst, deelde ik spoedig het doel van mijn reis mede, en al pratende kwam ik tot de overtuiging hier een paar jonge menschen voor me te hebben, die met weinig ervaring, in gelukkigen overmoed van de jeugd naar Indië waren gegaan, droomende van prachtige vooruitzichten en vertrouwende op beloften, die niet altijd werden of konden worden vervuld. Zij waren de eersten niet en zouden ook de laatsten niet zijn, die, bekoord door het zonneland in de verte, gelukkig hun vleugels in vrijheid ruim uit te kunnen slaan, hun vaderland hadden verlaten, om daarginds door het Indische lot op ongelooflijk hardhandige wijze uit hun droom te worden gewekt. Wat daar onder zulke omstandigheden aan heimwee en teleurstellingen, in ’t bijzonder onder de jonge vrouwtjes geleden wordt, wie zal het precies zeggen. Doch levens worden er voor altijd geknakt en gaan er te gronde.

Doch deze menschen waren jong en nog niet gebroken; maar zooals ze daar zaten tusschen inlanders, verlaten van andere blanken, met een inboedeltje, dat bestond uit een paar rieten stoelen en een tafeltje, een ijzeren bed, een wiegje, wat portretten en de noodzakelijkste lijfgoederen en het noodzakelijkste eetgerei, kon toch moeilijk aan eenige illusie voldoen. Het huisje met het zinken dak onder de klapperboomen was niet onvriendelijk, maar lag steeds in het halflicht, met een eentonig uitzicht tusschen de slanke klapperstammen op de verlaten, soms door een prauwtje bevaren zee. Bij harden wind vielen de zware noten dikwijls met donderend geraas bij dag en bij nacht op het zinken dak hunner woning of in de omgeving van het huis, waardoor het wandelen en het spelen van een kind daar ongeraden werd. Bezoek kwam er nooit, en slechts zelden mochten ze eens van hier met een prauw naar Batjan. Dag in dag uit zaten ze daar eenzaam tusschen de stammen van de klapperboomen op de verlaten zee te turen.

De man had zijn werk met een ploeg contractanten, die in de nabijheid woonden, zij had haar kind, maar de eene dag was als de andere, de financiën plaagden en de toekomst gaf weinig vooruitzichten noch zekerheid, en daarmede groeiden de bezwaren. De royale opvattingen vóór en tijdens hun komst in Indië en hun groote verwachtingen hadden voor zuinigheid plaats moeten maken en voor het gespartel met een door allerlei bezwaard inkomen. Maar, zooals gezegd, ze waren niet gebroken, en hunne illusies werden nog altijd gesteund door de levenskracht hunner jeugd en door niet-opgegeven verwachtingen voor de toekomst.

En waarlijk, die jeugdige taaiheid zou misschien niet bedrogen uitkomen. Het bezoek dien dag zou er reeds iets van kunnen verwezenlijken. Eerlijke jonge menschen, die kunnen en willen werken om zich een positie te verschaffen, zijn in deze streken zeldzaam. Aan hun werklust behoefde ik niet te twijfelen, en zoo kwam ik met mijn voorstellen voor den dag. Er werd overlegd en gepraat, de gezichten werden glunder, het jonge vrouwtje zette een kop thee, hij gaf me een sigaar en in beginsel waren we het spoedig eens geworden. Ik zou zijn chef te Batjan trachten te spreken te krijgen, om daarna zoo spoedig mogelijk terug te keeren en hem den uitslag van dit bezoek mededeelen.

Mijn indruk van dit jonge paar menschen, dat Indië reeds van de hardste zijde had leeren kennen, was zeer gunstig voor de betrekking, die ik had aan te bieden en tegen den middag ging ik, met den wind mee, in snelle vaart over de hooge golven terug naar Batjan, met de zekerheid een paar menschen gelukkig te hebben achtergelaten.

Het was eenige dagen later, dat ik aan boord van de Nora, welk scheepje tijdelijk hier lag, in gezelschap van den civiel-gezaghebber, die een inspectiereis naar de naburige eilanden ging doen, opnieuw op weg was naar het paar aan ’t einde van de baai. Met den chef van den assistent was het tijdstip bepaald, waarop deze laatste zijn ontslag uit zijn oude betrekking zou kunnen krijgen. Met de noodige papieren bij mij trok ik er nu weer op af.

Toen de Nora de landpunt naderde, verscheen tusschen de ranke klapperstammen weer dezelfde gestalte van eenige dagen geleden. Hij had zeker met verlangen mijn komst tegemoet gezien en zou in ongeduldige afwachting moeten zijn over den loop der dingen. De Nora stopte. Na afscheid te hebben genomen, ging ik van boord en liet me naar den wal roeien, en na eenig wenken en wuiven verdween het witte scheepje over de donkerblauwe golven om den hoek, op zijn inspectietocht naar verdere eilanden.

Met den assistent wandelde ik naar zijn huis en daar zaten we weer onder het galerijtje en sloten de overeenkomst af. Hij zou met de eerstvolgende boot, die binnen twee weken verwacht werd, naar Tobelo komen, om daar de administratie der onderneming op zich te nemen. Het was voor den jongen man een promotie, die in een streek als deze alleen nog mogelijk was. Met mijn nieuwen jongen administrateur, die al zijn verwachtingen nog op de toekomst bouwde, was ik zeer ingenomen, en hoogst gelukkig was ik gestemd, nu ik inzag van de toekomst alles goeds te mogen verwachten.

Op uitnoodiging van de vrouw des huizes zou ik dien middag daar blijven rijsttafelen. Daarvoor hadzij getracht van Batjan het een en ander te laten komen, doch bij mijn komst was nog niets gearriveerd en zoo overkwam daar een gastvrouw het ergste wat haar overkomen kon, een genooden gast niet eens een behoorlijk maal te kunnen voorzetten. ’t Was het soberste wat Indië schaft—rijst met kip. En daar zij geen kokkie had en als Hollandsche de geheimen der rijsttafel nog lang niet machtig was, werd het ook niet anders dan rijst met ongevarieerde kip.

’t Zal voor de gastvrouw onpleizierig zijn geweest, en de excuses en de verklaringen bleven niet uit. Voor mij, die zag hoe weinig zij hier gewend waren, hoe zij zich hadden leeren schikken, was dit een bewijs te meer voor hun geschiktheid voor ’t nieuwe ambt. Vroolijk en wel aten we in een klein achtergalerijtje taaie kip en droge rijst en een pisang na, alle drie overtuigd, dat het spoedig voor ieder onzer beter zou worden. Zij vertelden mij toen, hoe sober hun leven was en hoe moeilijk het was geweest daarin de kleinste afwisseling te brengen en zich van het eenvoudigste te voorzien.

Hun eten bestond altijd uit rijst en kip, doch wilden zij voor de afwisseling zich eens op visch tracteeren, dan moest de baboe naar het strand gaan en daar wachten, soms urenlang, tot er een prauwtje met een visscherman voorbij schoot, die genegen was van zijn vangst iets te verkoopen.

Voldaan over mijn ondervindingen en met de beste verwachting nam ik dien middag afscheid, in de hoop hen binnen eenige weken met de eerstvolgende boot te Ternate te zien arriveeren, waar ik hun komst zou afwachten om gezamenlijk naar Tobelo door te reizen. Hoe ik vóór dien tijd van Batjan naar Ternate zou komen, was me nog niet duidelijk, doch allicht zou er zich de een of andere gelegenheid voordoen.

Voorloopig zat ik nu goed en wel te Batjan ingekwartierd, maakte er kennis met den sultan, die een graadje flinker bleek dan zijn Ternataanschen collega en schreef en las, en las en schreef. Met Shackleton zat ik in sneeuw en ijs, met Stanley in de Afrikaansche oerwouden, en door de eenzijdige doch ware oogen van Bas Veth bekeek ik Indië.

Na zoo eenige dagen te hebben doorgebracht, vernam ik dat een klein stoombootje van de Batjan-maatschappij naar Ternate zou vertrekken, waarmede ook passagiers vervoerd konden worden.

Het was op zekeren middag tegen 2 uur, dat ik me aan boord van de Adrienne begaf, in gezelschap van allerlei oosterlingen, waaronder ook eenige hadji’s. Ik installeerde me daar zoo behagelijk mogelijk voor een reis van een etmaal tusschen de westkust van het zuidelijk gedeelte van Halmaheira en de eilanden die er voor lagen, totdat Ternate bereikt zou zijn.

Voor voldoend eten en drinken had mijn jongen gezorgd, en zoo op een vouwstoel half zittend, half liggend, naast een miniatuur kajuitje, op een plaatsje waar ik me nauwelijks verroeren kon, liet ik het panorama van het landschap langs me heengaan. Zwaarbegroeid waren de bergen op het groote eiland rechts, eveneens waren de eilandjes links dicht met oerwoud bezet, soms met klapperboomen daar tusschen; somtijds lag er een huisje aan het strand en een prauwtje op het stille water tusschen de beschuttende eilanden.

Nu eens spiegelde een groote watervlakte als een meer voor ons oog, dan voeren we door een nauwe geul en leek het vaarwater als afgesloten, doch op het laatste oogenblik werd een doorgang gevonden. Door een wisseling van vergezichten over het water en op het landschap, voeren we verder en zoo werd bij mij de indruk wakker of we stoomden in de Noorsche wateren, tusschen het vastland rechts en de scheren links, daar, waar ook het landschap voor den boeg bij het varen door engten en wijdten, in eenzelfde eentonigheid toch telkens wisselt.

Hoe dwaas het schijne Noorwegen te vergelijken met deze omgeving, toch moet hier ook lang voor mij reeds iemand getroffen zijn geworden door de toevallige overeenkomst van die ver uiteenliggende landen. Waarom anders zou aan dat eiland tusschen Ternate en Tidore, aan dien ronden kop, overblijfsel van een scherpen vulkaankegel, de Maleische naam van Noorwegen, van Maitara, gegeven zijn?

Paarlvisschers, als Noorsche kust- en fjordenbewoners met hun scheepjes op de spiegelende watervlakten, waren hier met hun witte schoenertjes op zoek naar de kostbaarheden op den bodem der zee. Een bedrijf, dat steeds moeilijker en riskanter was geworden, daar men steeds dieper naar die schatten moest zoeken, wijl de gunstigst gelegen en ondiepste banken reeds lang waren leeggehaald. Maar tot nu toe waren in deze verre residentie met haar exotische wonderen, als parelen, koralen, amber, schildpad en paradijsvogelhuiden, nog niet veel Europeanen rijk geworden met het zoeken naar die schatten. Bedrog en slechte organisatie en moeilijk te houden toezicht, en somtijds een onverwacht en ongehoord fluctueeren der prijzen, bleken nog steeds onoverkomelijke bezwaren voor een rustig, winstgevend bedrijf.—

Toen het tegen den avond was geworden spreidden eenige hadji’s naast me hun kleedjes uit en met hun gezichten naar Mekka, hier naar het Westen gekeerd, begonnen ze, zonder zich in ’t minst aan hun omgeving te storen hun eindelooze gebeden en wierpen zich met het voorhoofd ootmoedig tegen den grond. De wijze waarop ze aanbaadden was oostersch extatisch; hun vervoering (gekunsteld of niet) maakte indruk door hun levendige gebaren van wijduitgespreide armen tot gevouwen handen, door de expressie dier scherpe gezichten, die onder den witten tulband met gesloten oogen naar den hemel wezen of zich ter aarde bogen in diepste verootmoediging. Dat Allah voor hen groot was, heel groot, oneindig, onbegrijpelijk groot, hoog boven de menschelijke sfeer en ons weten, zeiden ze zoo duidelijk in hun gebarentaal en door den klank hunner stemmen, dat men de taal zelve niet behoefde te verstaan.

In het midden hunner voorhoofden waren twee eeltplekken, ontstaan door de geregelde soms vrij onzachte aanraking met den grond. Ook bij den Sultan van Batjan had ik die eeltplekken daar als twee wratten opgemerkt. Of bij velen dat eelt als bewijs hunner vroomheid alleen door die vrome handelingen is gegroeid en niet door een of andere kunstbewerking, blijft voor den twijfelaar altijd nog een vraag.

Toen de avond viel, werden de lichten aan boord opgestoken en zocht ieder een zoo gemakkelijk mogelijkplaatsje. Overal aan dek lagen de menschen languit op matrassen en matjes, zoodat men zich niet verplaatsen kon zonder over lichamen heen te moeten stappen. Op mijn vouwstoeltje ging ik, als al de anderen, onder den blooten hemel den nacht in, dommelend en droomend onder het eentonig gestamp der machine. Den ganschen nacht stampte zij door, den ganschen nacht lag ik daar, soms wakend en naar de heldere sterren kijkend en naar de zwarte silhouetten der bergen tegen de lichtere lucht, soms droomend van huis en van Europa, in het zalige visioen van een spoedigen terugkeer.

Toen het morgen werd en de zon achter de bergen van Halmaheira verrees, bleek het dat we nog steeds tusschen eilanden stoomden, doch nu met de piek van Tidore in groote verte reeds op den achtergrond. Geheel er door bedekt, moest daarachter de vulkaan van Ternate liggen, die, na Tidore gepasseerd te zijn, van dichtbij hoog boven het zeevlak zou verrijzen.

Tidore en Maitara tegenover Ternate.Tidore en Maitara tegenover Ternate.

Tidore en Maitara tegenover Ternate.

Het duurde nog uren alvorens we het hoofdplaatsje Soa-Sioe aan den oostelijken voet van Tidore’s vulkaan voorbij voeren. In schroeiende tropische hitte lag het daar, onbeschut tegen de hoogstaande zon, op de morgenzijde van die helling te blakeren, en ik herinnerde mij weer de vreeselijke hitte, die ik hier bij mijn vroeger bezoek reeds vóór den middag had meegemaakt.

De zon zou weldra in het zenith komen, toen we, Tidore voorbij, Ternate met den vulkaan voor ons zagen en een bries uit het Westen over de wijde watervlakte tusschen Halmaheira en dien kegel eenige afkoeling bracht, na de hitte in de nauwere doorgangen tusschen de eilanden geleden.

Nu had ik Ternate weer voor me, waar op de eerstkomende boot zou moeten gewacht worden en waar ik nog steeds vóór mijn terugkeer naar Holland met het langzaam werkende residentiekantoor allerlei te regelen had.

Het scheepje deed tegen één uur zijn stoomfluit hooren en weer wist iedereen te Ternate terstond, dat het de Adrienne van Batjan was, die haar anker op de reede had uitgeworpen. Landende aan den residentssteiger, een kleine pier met een seinlicht, die de vorige resident hier had laten bouwen, kwam ik weldra mijn vroegeren gastheer te gemoet, die me aan land had zien gaan en me nu weer op de vriendelijkste wijze uitnoodigde bij hem te komen logeeren, daar er in het hotel geen plaats meer te krijgen was. En zoo zaten we spoedig weer onder zijn voorgalerij, nu in gezelschap van een der officieren van het kleine garnizoen, die den laatsten tijd bij hem inwoonde. Weer kon ik gaan tennissen en kegelen en ’s avonds op bezoek gaan of, om den tijd te verdrijven, gaan kaartspelen; weer was het bij mijn gastheer het breedopgevatte jonggezellenleven, en weer was het afwachten tot de boot kwam, die mij naar Tobelo terug zou brengen.

Intusschen was het met mijn oude liefde tot bergbestijgen reeds lang mijn plan geweest, indien de omstandigheden het mij toelieten, de piek van Ternate (1579 M.) te beklimmen. Die omstandigheden waren nu gekomen.

Na informatie was het me gebleken, dat een bestijging van dien top bij groote uitzondering werd ondernomen. De sultan leverde dan gidsen en dragers, de eersten om den langen weg door het oerbosch te wijzen en ten slotte een pad te kappen door het hoogste, geheel onbegane gedeelte, de tweeden om een vrij belangrijke bagage te dragen, waaronder eenige flinke plaids, daar steeds een bivak aan den tocht verbonden is en het daar boven koud is in den nacht. Ook moet er water worden meegenomen daar dit op den ganschen berg niet is te vinden, wijl het losse vulkanische gesteente den gevallen regen te spoedig doorlaat.

Gouvernementsstoomer en prauwen voor Ternate.Gouvernementsstoomer en prauwen voor Ternate.

Gouvernementsstoomer en prauwen voor Ternate.

Aan elkeen, dien ik te Ternate leerde kennen en die eenige geschiktheid voor zulk een tocht in dit klimaat bezat, stelde ik voor dien goenoeng-api (vuurberg) te bestijgen. Maar Europeanen in Indië en bergbestijgen zijn twee, en geen wonder, waar groote inspanning in dit klimaat bij velen als uit den booze wordt beschouwd en waar de bergsport zeker zonder de eigenaardige groote bekoring is, die haar in Europa nog steeds populairder doet worden.

Eindelijk leerde ik iemand kennen, die deze bestijging tweemaal had ondernomen, maar die mij verzekerde dat na de laatste uitbarsting, in 1907, deze tocht de moeite niet meer loonde, daar een groote wal van losse steenen, die toen om den krater was gevormd en die van Ternate uit achter den hoogsten met alang-alang begroeiden top was te zien, elke poging om in den kratermond te zien, verijdelde. Buitendien werd het uitzicht onder het stijgen en dalen door zwaar hout geheel belemmerd, terwijl het wanneer men boven was gekomen zeer tegenviel.

Dit zette den domper op mijn plan om desnoods alleen te gaan, te meer daar de terugkomst in de daghitte een toenemende kwelling zou moeten zijn en een nachtelijke afdaling door het donkere, slecht begaanbare bosch niet doenlijk was.

Doch tusschen de piek van Tidore en die van Ternate rees die ronde kop, dien men Maitara had gedoopt, omhoog. Slechts 360 M. hoog, tot boven met eenige klapperboomen begroeid, zou ik voor dat tochtje toch allicht gezelschap kunnen vinden.

Het was op een morgen tegen achten, dat ik aan het strand zocht naar een vlerkprauwtje met eenige roeiers om mijn metgezel en mij, want ik had er een gevonden, naar dat eilandje te brengen. Maar met dat luie volk duurde het een goed uur alvorens we eindelijk met de beenen onder ons gevouwen, meer op dan in het prauwtje zaten, terwijl een roeier voor en achter het lichte ding door het water deed schieten. Toch duurde het anderhalf uur, eer we den voet zetten aan het witte strand van Maitara, waar vredig een kleine kampong onder palmen lag verscholen en waar prauwtjes schilderachtig lagen op het zand.

Het was elf uur geworden, alvorens we het paadje insloegen, dat naar den top leidde. De hitte was reeds groot, maar zou nog toenemen en zeker heel erg zijn, toen we, onder de palmen vandaan gekomen een schaduwlooze helling met alang-alang begroeid voor ons zagen liggen. Mijn kennis ging voorop met haastigen pas, zooals ieder doet, die nog nooit een helling voor zich zag. ’t Paadje, door de bloote voeten van inlanders gemaakt, was glad en ging niet in zigzag naar boven; we hadden linnen schoenen aan met gladde zolen, zeer ongeschikt voor die helling.

Zeker is er moeilijk een warmere positie denkbaar dan tegen den middag te klimmen op een berghelling onder de tropen, terwijl de zon bijna loodrecht boven ons hoofd staat en daarbij de weg door het manshooge alang-alang leidt, dat elk zuchtje wind tegenhoudt. Mijn kennis gaf reeds spoedig verdachte teekenen erg aan dien hitte-invloed onderhevig te zijn; hij keek reeds met eerbied en telkens naar boven, bleef soms even staan, keek dan nog eerbiediger naar boven onder het fronsen van zijn voorhoofd, zette zijn zonnehoed achter op het hoofd en greep naar zijn zakdoek, die in zijn hand bleef en lachte, half verlegen, zijnfiguur verliezend door die plotselinge onverwachte nederlaag.

Nu kon ik de hitte verdragen als een inlander, maar toch ook begonnen zich op mijn lichtbruine kakipak reeds donkerbruine natte plekken te vertoonen. Mijn kennis, die echter eenmaal een haastigen pas had aangegeven en dien ondanks de kleine rustpauzen steeds weer aannam, had mij aan dien pas gewend, dien men dan dikwijls volhoudt tot men het op moet geven.

Zoo nam ik weldra de leiding. Lang kon het immers niet duren, maar toch in die smoorhitte tijdens het zware werk, waardoor ook het hart meesprak, scheen het een werk van uren; totdat ik boven was en op mijn horloge ziende zag, dat het 40 minuten had geëischt. Mijn tochtgenoot zat halverwege onder de weinige schaduw van een papajaboompje met de handen onder het gebogen hoofd en met den hoed in den nek naar de zee te turen, waarschijnlijk peinzend over den vreeselijken onzin om op bergen te klimmen, waar toch immers niets te halen viel.

Toch viel er iets te halen daarboven en wel een uitzicht over den grooten waterplas door het bergland van Halmaheira, Ternate en Tidore begrensd, terwijl westelijk het uitzicht vrij was op de Moluksche Zee, waar lucht en water in het onafzienbare wegdeinden. Ook was het uitzicht vrij over de breede met zwaar woud begroeide voeten dier kegels, terwijl een lichtgroene band onder water om het gansche strand van Maitara, zuiver en rein als de kleur van het gletscherijs, wees op banken van koraal, dat zich hier om de eilanden had vastgezet.

Al rondkijkende in het wijde panorama kwam ik langzamerhand bij en bemerkte toen, hoe een hevige dorst door het groote vochtverlies mij kwelde, maar water zou hier nergens te vinden zijn, doch eenige klapperboomen, hoe schaarsch ook, stonden op den top en even daaronder op de berghelling. Aan deze laatste hingen een paar jonge klappers, die met een zakmes gemakkelijk konden worden geopend om het dorstlesschende klapperwater er uit te kunnen drinken. Maar hoe ze te krijgen? Wel waren de boomen nog jong en was de kroon niet meer dan acht meter boven de helling, doch juist dit laatste maakte het plukken bezwaarlijk, daar de noten met versnelde beweging naar beneden zouden huppelen, indien ze na losgemaakt te zijn naar beneden werden geworpen. Het zou dus zaak zijn de noot na den pluk bij het neerglijden langs den stam in den arm te houden.

De opdracht was moeilijk, maar het vooruitzicht den dorst te kunnen lesschen in een tropische hitte verleidelijk en zoo begon ik in den rechten stam te klimmen. Waarlijk de kroon werd bereikt; nu de beenen krampachtig vastgeklemd om den stam en door den rechterarm met alle kracht omhelsd. De linker was nu vrij en kon een der gladde dikke noten bereiken, die door draaien van links naar rechts eindelijk losliet en in de holte van den gekromden elleboog terechtkwam. Zonder op mijn kleeren te letten, die men in Indië bij het dozijn telt, liet ik me, langs den ruwen stam schurend, naar beneden glijden. Daar stond ik, wel opnieuw oververhit, maar nu triomfeerend met mijn schat; nu nog het zakmes gekregen, maar o! schrik! bij die beweging viel de onhandige noot op de helling, waarop ik nog stond.... ik stortte me voorover, nog eens weer voorover de helling af, nog eens weer en... greep voor de derde maal mis. Met steeds grootere sprongen verdween mijn schat in de diepte.

Daar stond ik te braden, kletsnat, met de tong aan het gehemelte gekleefd, met hevig bonzend hart en kloppende slapen.

Wat nu? doch dit kwam slechts een moment bij me boven. Een bergbestijger geeft den moed niet op, en waren het nu al geen duizelingwekkende afgronden en duistere gletscherspleten die dreigden, het dreigement dat nu gekomen was, was niet minder erg en de overwinning zou misschien kostelijker zijn.

Weer ging het in den stam naar een tweede noot die iets verder hing, ook deze raakte los, maar de inspanning van het laatste uur had me niet handiger gemaakt, zij viel.... en bleef liggen. De goden hadden schijnbaar medelijden gekregen met dien worstelaar diep onder hen.

Onder de noot zette ik mij neer en voorzichtig, alsof het een goudklomp was, vatte ik haar aan en dronk haar voor viervijfde leeg. De rest bracht ik uit naastenliefde aan mijn tochtgenoot, die nog iets hooger was gestegen, maar die het eindpunt niet bereikte. Hoe gretig ging ook bij hem dat eene slokje naar binnen.

Een kijkje in de achtergalerij der jonggezellenwoning te Ternate.Een kijkje in de achtergalerij der jonggezellenwoning te Ternate.(Teekening H. R. Roelfsema).

Een kijkje in de achtergalerij der jonggezellenwoning te Ternate.

(Teekening H. R. Roelfsema).

Het neerdalen langs het gladde steile paadje op het heetst van den dag terwijl de hitte naar benedengaand steeds toenam, was een kortstondige marteling en was ons daar beneden niet een inlander tegemoet gekomen, die als een kat tegen een 20 M. hoogen palmboom opwandelde, waaruit hij ons een zestal noten toewierp, dan waren er allicht nog ongelukken gebeurd.

Mijn tochtgenoot klaagde 3 dagen later nog over pijn in zijn beenspieren door de krampachtige wijze van dalen langs het gladde paadje, waarop de gladde schoenen zoo weinig vat hadden gehad.

Ik zeide niets, maar leed in stilte. Ik, die de piek van Ternate (1579 M.) had willen bestijgen.

De tijd kroop voorbij, ondanks het zoeken naar ontspanning in dagelijksche wandelingen langs het strand van het eiland en ondanks de verstrooiing die de Europeesche samenleving bracht. Eindelijk brak de dag aan, waarop de boot van Batjan met den jongen administrateur en zijn huisgezin aan boord, verwacht mocht worden. De dag verstreek zonder dat er iets gebeurde, de volgende dag eveneens, de dag daarop weer; alleen bracht de middag toen even de emotie, dat een boot op de reede aankwam, doch het bleek de Chineesche te zijn, die eens in de zes weken Ternate met een bezoek vereerde.

De dagen die wachtende heengingen waren reeds tot een week geklommen, toen zich eensklaps het gerucht verbreidde, dat de verwachte boot tusschen Batjan en Ternate, even na het verlaten van het eerstgenoemde plaatsje, op een blinde klip was geloopen en daar vastzat en assistentie van andere booten noodig had.

Daar zat ik nu weer. Mijn administrateur met zijn heele hebben en houden aan boord van een gestrande boot en het vertrek van Ternate naar Tobelo voorloopig op losse schroeven gezet. Afwachten, geduld oefenen, dagen en weken misschien was het parool! Mogelijk zouden we eerst, wanneer deze niet vlot kwam of ernstig beschadigd bleek te zijn, met de volgende boot, die een maand later kwam, naar Tobelo kunnen gaan.

Wie hier niet gelaten, in betrekkelijk nietsdoen, wachten kon, terwijl toch ernstige bezigheden elders riepen, bereikte hier niets, dan dat hij op verkeerde wijze zich leerde verstrooien en zijn zenuwen in de war bracht. Dus bleef ik den toestand leuk opnemen, zooals mij de omstandigheden in het afgeloopen jaar wel hadden geleerd. Tot mijn geluk heerschte er in die dagen onder de Hollandsche families een aangename geest en ook bij mijn gastheer was het leven en de huishouding geregelder dan het vroeger was geweest. De bij hem inwonende officier was daarvan de goede genius en ook hijzelf bevond zich bij die regelmaat in eigen huis niet slecht. Daarbij kwam, dat zijn illusieloos bestaan den laatsten tijd verhelderd werd door een verwachting in de toekomst. Hij maakte zich namelijk een illusie over de voordeelen der exploitatie van guano-concessies, die hij op eilanden ten noorden van Nieuw-Guinea wilde aanvragen. Deze kostbare vogelmest moest daar sinds eeuwen in holen en spelonken voor het opgraven liggen. Op zijn reizen per paket-vaartboot langs de noordkust van Nieuw-Guinea was hem door een zendeling op dien buit gewezen en nu verkneuterde hij zich in de rijkdommen, die daar voor hem lagen opgestapeld. Dit vooruitzicht—een droom, een Indische droom en zooals zooveel Indische droomen niet voor verwezenlijking vatbaar, althans niet voor zijn verslapte energie—gaf hem toch een zekere flinkheid terug, door de hoop, in de toekomst, Indië nog eens als nabob vaarwel te kunnen zeggen en dan, in Holland teruggekeerd, de menschen daar als richard te kunnen imponeeren. Dit stokpaardje, door mijn gastheer bij voorkeur in de avonduren bereden, gaf door tegenwerpingen onzerzijds en door het opwerpen van de moeilijkheden en bezwaren, die hem op dezen langen weg nog tegemoet zouden komen, aanleiding tot heel wat hilariteit, maar met zijn fantasie overwon hij die moeilijkheden gemakkelijk, en het eind was steeds, dat hij zichzelven als een bewierookt rijkaard in de aangename weelde van de grootste hotels door de hoofdsteden van Europa zag zwerven. De ironie van het leven had er voor gezorgd, dat de opgestapelde vogelmest het ’m dan zou moeten doen.

In de voorgalerij van het tijdelijk administrateurshuis.In de voorgalerij van het tijdelijk administrateurshuis.

In de voorgalerij van het tijdelijk administrateurshuis.

De groote gouvernementsstoomer was naar Menado vertrokken, om meerdere assistentie te halen en zou, teruggekeerd over Batjan, de passagiers van het vastgeraakte schip meenemen. Eenige dagen verliepen zonder dat er iets vernomen werd; toen verscheen tegen den avond de gouvernementsstoomer, de Zwaluw, weer op de reede, krioelend van passagiers van hetveel grootere schip, die allen op dien stoomer waren overgegaan. Onder hen waren ook de enkele eerste klasse passagiers, waaronder mijn administrateur met zijn huisgezin. De verhalen van het ongeval waren zeer eensluidend. Het schip had in den vroegen morgen Batjan verlaten en was onder bevel van zijn gezagvoerder een route gevolgd, die alleen door dezen kapitein werd genomen en wel door de zeestraten tusschen Halmaheira en de daarvoor liggende eilanden, terwijl de andere kapiteins steeds buiten de eilanden om de open zee namen.

Opzichterswoning.Opzichterswoning.

Opzichterswoning.

Het was ongeveer dezelfde route geweest, die de Adrienne had gevolgd en die wel voor kleine, doch niet voor groote schepen aangewezen was. Bij een bocht tusschen de eilanden, die door dezen gezagvoerder reeds herhaaldelijk was genomen, was het schip zonder schokken op een rif geschoven en zat daar nu zoo vast, dat het waarschijnlijk geheel ontladen moest worden, om dan bij hoog water met behulp van eenige andere schepen te worden vlot gemaakt.

Voor allen die aan boord waren was het een schrik geweest te bemerken, dat het schip eensklaps stil en scheef was gaan liggen. Het administrateursvrouwtje had een oogenblik het ergste gevreesd en vertelde nu nog opgewonden welk een angst zij met haar kind had doorgemaakt. De dagen aan boord van het scheef- en stilliggende schip waren daarop in een steeds toenemende verveling gesleten, totdat tenslotte de Zwaluw uitkomst had gebracht door hen allen over te nemen. Doch wegens de vele passagiers aan boord hadden zij slechts verlof kunnen krijgen de allernoodzakelijkste bagage mee te nemen, zoodat het huisgezin nu te Ternate, van het noodigste verstoken, zat.

Koeliewoningen.Koeliewoningen.

Koeliewoningen.

Dagen verliepen, waarin ik met mijn administrateur toch eenig werk in besprekingen en allerlei regelingen had gevonden, en steeds kwamen van de boot betere berichten binnen. Eerst, dat zij met vereende krachten van twee assisteerende schepen vlot was geraakt; toen, dat zij waarschijnlijk weinig averij had bekomen en dat men bezig was de lading stukgoederen, die op de naburige eilanden was gelost weer in te laden. Tenslotte kwam ook de boot zelve, en nu kon binnen een dag de reis naar Tobelo worden voortgezet.

Het was in den morgen van den 4denAugustus, nadat we ’s nachts de noordpunt van Halmaheira waren omgestoomd, dat ik den administrateur van het dek der boot op een zware rookpluim wees, die, een eind landwaarts in van de Oostkust van Halmaheira, zich statig in het luchtruim verhief. Daar moest het terrein der jonge onderneming liggen, waar men nu in den drogen tijd met het branden der boomstammen en houtresten van het reeds omgehakte gedeelte van het oerwoud bezig was. De schoorsteen rookte dus nog; een goed voorteeken.

De boot naderde de kust en de reede. Men had haar van het strand reeds ontdekt, zooals bleek uit prauwtjes en prauwen, die vlot werden gemaakt om de langverwachte, die zooveel over haar tijd was, te ontvangen. Welk een spanning moest er nu steeds meer op al die plaatsen van Ternate af langs de kust van Halmaheira en Nieuw-Guinea tot het uiterste station aan de Humboldtbaai zijn ontstaan door het wekenlange uitblijven dezer boot, waarvan men de reden niet gissen kon en, wegens het ontbreken van elk ander verkeersmiddel, ook van telegraaf en telefoon, niets gewaar kon worden. Alleen reeds doordat de aanvoer van rijst, waarop men met den voorraad rekende, uitbleef, moest hier en daar reeds ernstige zorg zijn ontstaan, terwijl zij die familieleden wachtten in de grootste ongerustheid moesten verkeeren.

Jonge klappers in een nog nader te ontginnen terrein.Jonge klappers in een nog nader te ontginnen terrein.

Jonge klappers in een nog nader te ontginnen terrein.

De administrateur en zijn vrouw keken met spanning naar de dichtbegroeide kust, die aan onze blikken voorbijgleed, doch waaraan voor een nadere kennismaking met hun toekomstige verblijfplaats nog niets bijzonders te bespeuren viel.

Als altijd gaf de landing hier een drukte van belang. Menschen en goederen moesten in prauwen en sloepen en motorbooten aan land worden gebracht, terwijl de boot buiten de koraalriffen eenige kilometers uit de kust bleef liggen. Aan land was het de oudste zendeling met zijn vrouw, die ik het eerst ontmoette en die als altijd bereid waren hulp te verleenen, en ons, die daar aan den wal werden gezet, terwijl niemand voor onze ontvangst toebereidselen had kunnen maken, aan de middagtafel noodigden. Dat was een uitkomst, want zooals ik daar een oogenblik te voren het jonge vrouwtje met een wanhopig gezicht tusschen bagage en rommel voor een vervallen goedang en tusschen inlanders van allerlei rassen, met haar kind op den arm in de felle zon had zien staan, vreesde ik voor een eersten slechten indruk, dien zij daar moest ontvangen. Doch zij kende Indië en in ’t bijzonder de toestanden der buitenposten reeds voldoende, om weer spoedig op haar verhaal te komen en dien indruk onder de koele galerij van het huis van den zendeling te vergeten.

Dien middag wandelden we, de kinderwagen door de baboe geschoven voorop, den rechten weg af naar het emplacement. Hoe groot leek daar reeds het terrein tijdens mijn afwezigheid in het oerwoud opengelegd en hoe prachtig waren die duizenden bibits op de kweekbedden aan weerszijden van het emplacement opgekomen.

Jonge klapperaanplant met oebi als grondbedekking.Jonge klapperaanplant met oebi als grondbedekking.

Jonge klapperaanplant met oebi als grondbedekking.

Eindelijk had ik hier dan den man gebracht, onder wiens leiding de zaak tot bloei zou kunnen komen, en op wien ik meende tenslotte in alle opzichten te kunnen vertrouwen. Zijn belangstelling en zijn plannen getuigden van de grootste ambitie, zijn vooruitzichten zouden geheel met de ontwikkeling hier samenvallen, zijn toekomst zou geheel van het welslagen hier afhangen.

Het huis met de bijgebouwen en den grooten kippenloop te midden van de ontginning in de ruimte gelegen, stond hem wel aan. De eerste dagen van het nieuwe leven daar liet zich goed aanzien, en toen ik ’s avonds alleen huiswaarts keerde, naar het huis van den oudsten zendeling, wiens gast ik nu was, was er een groote tevredenheid en rust over me gekomen; want het was zeker dat het doel mijner groote reis was bereikt, nu aan alle factoren om te kunnen slagen was voldaan. Daarmede begon tevens mijn taak hier af te loopen.

Hoofdstuk VII.Een taak die afloopt.Opwekkend was het met mijn nieuwen man, die zooveel belangstelling toonde en zijn eigen inzichten had en opmerkingen maakte, het terrein met de ontginningen, de kweekbedden en de onontgonnen wouden af te loopen en plannen te maken voor het werk in de toekomst.Waar gehakt en gebrand was, was het een chaos van stammen en kruinen en stronken en stapels verbrand hout, waardoor het verdergaan daar zeer werd bemoeilijkt, doch we klommen en klauterden er over en wrongen ons er door, waar het noodig was. We liepen in het nog ongerepte woud alle eindeloos lijkende rintissen af, die door de koelies, onder leiding van mandoers met behulp van de equerre, met den parang lijnrecht naar alle zijden van het terrein waren geslagen. Soms geleken die rintissen, daar waar het onderhout dicht opeen en waar de onontwarbare glagah stond, op lage tunnels, waar men in gebogen houding moest trachten door te komen. Soms, tusschen de bamboe, was het onder onze voeten een geknap en gekraak van belang en steeds moest daar op de lange bamboekokers, die na elken doortocht opnieuw den weg versperden, de parang weer worden gebruikt.Springend van steen op steen, volgden we de kali in haar ganschen kronkelenden loop over het terrein. Daarbij werden we getroffen door de natuur van het woud, zooals zich het van den bedding dier kali aan onze blikken voordeed. Aan de beide oevers, die soms laag, soms een vijftal meters hoog waren, daar waar het riviertje zich een diepen weg door den bodem had uitgeschuurd, rezen de reuzenstammen met hun bladerendos omhoog. Elke bocht bracht een nieuwen kijk op dien dichten groei van allerlei hout, waarvan de bebladerde takken soms tot het midden van de kali reikten, zoodat een natuurlijke schaduwrijke berceau ontstond. En waar zij breeder was geworden, weken die takken terug en we zagen de strakke blauwe lucht boven ons en de zon door het groen schijnen op de ronde lichtgrijze steenen, waarover we onzen weg vervolgden.Een enkele Tobelorees, ook vrouwen, die de bedding dezer kali als een natuurlijken weg door het bosch gebruikten, ontmoetten we hier. Een dezer Tobeloreezen, van honden vergezeld, was op wilde varkens op de jacht geweest en knielde nu bij zijn buit neer, die door honden opgejaagd en achtervolgd in de speer van den listigen jager was gerend.Zoo de geheele concessie doorkruisend, kreeg de nieuwe meester hier in korten tijd een overzicht der terreinverhoudingen en leerde het werk kennen, dat voor hem lag.—Nieuwe heeren, nieuwe wetten—en zoo stelde hij spoedig allerlei veranderingen en regelingen voor, die ik hem gaarne zag invoeren.“We kunnen wel zien, dat u een administrateur hebt”, zeide op een morgen de zendeling tot mij, toen hij mij met een boek onder de galerij van zijn huis vond zitten.“Och ja, hij moet het nu weten en wil het ook weten, en dat is maar goed ook. Ik laat hem nu zoo veel mogelijk alleen scharrelen”—was mijn antwoord. Inderdaad liet ik hem steeds meer zijn gang gaan, zag toe en hielp waar hulp gewenscht was; doch na eenigen tijd had hij, zooals noodig was, alle draden in handen en daarmede liep mijn verblijf op Halmaheira ten einde.Gedurende den tijd, welken ik nog op Tobelo vertoefde, logeerde bij den jongsten zendeling de zendeling van Morotai met zijn huisgezin, vrouw en vier kleine jongens van ½ tot 6 jaar oud. Zij hadden zich op een goeden dag op een stoombootje, dat toevallig de door hen bewoonde kampong had aangedaan, ingescheept, om uit een benarden toestand van ziekte en teleurstelling te geraken en hulp in meer bewoonde en bewoonbaarder oorden te zoeken.Deze menschen hadden zoo afgelegen van alle beschaving en verkeer geleefd, dat de kinderen de eenvoudigste zaken nog dikwijls niet kenden. Zoo zagen de beide oudsten den eersten dag van hun komst de ossenkar vol verbazing voorbijrijden en juichten en riepen, dat zij nog nooit zulke groote bokken hadden gezien, terwijl ook de kar het eerste voertuig was dat zij onder de oogen kregen, en een fiets voor hen een wonderding was uit een onbekende wereld.In de kleine samenleving, waarin we daar verkeerden, ontmoette ik dezen zendeling en zijn familie herhaaldelijk. Dan kwam steeds de vraag in mij op, hoe men iemand als hem, tot hulp en steun en tot bekeering van anderen naar zulk een uithoek van de wereld had kunnen zenden. Deze man, in een achterhoek van Holland geboren, was na zijn opleiding voor zendeling te hebben genoten, met zijn vrouw naar de Oostkust van Morotai vertrokken, om er het evangelie te prediken. Door zijn leven in eenzame streken was hij een zwijgend en gedrukt mensch geworden, die weinig of geen menschenkennis bezat en zeker allerminst geschikt was om in afgelegen streken het evangelie te brengen en den stoot tot een nieuw en opgewekt leven te geven.Wat dien man bewogen had zulk een taak op zich te nemen, had wel zijn oorzaak in een verkeerd begrepen steunen op de hulp van God. In het gevoel van dien steun had hij zich geworpen in een leven dat hij niet beheerschen kon en waarbij hij vastraakte. Nu moest God helpen, nu werd in den angst naar uitredding en zelfbehoud God om alles gevraagd, om alles gebeden.Deze man, die als een stug boertje op de hei zijn bestaan had moeten vinden, had hier niets anders bereikt, dan dat hij en zijn vrouw lichamelijk en geestelijk gebroken waren, vier kinderen hadden gekregen, terwijl geen blijvend resultaat van eenig belang door zijn werken als zendeling was bereikt.Zijn vrouw wilde nu met hem en het verdere gezin, op advies van den dokter te Ternate, daar hij ook aan malaria leed, naar Holland terug. Zeker zou dit het verstandigst zijn geweest, doch schuw voor de wereld, bleef hij weigeren. Koppig is die man blijven weigeren en het einde was, dat man en vrouw uiteengingen, hij naar Morotai terug, naar Boesoe-Boesoe op de Oostkust, waar nooit een blanke kwam, waar harde winden vaak alle verkeer over zee onmogelijk maakten, en zij met haar vier kinderen naar Holland. Daar zit nu de man alleen, in vrijwillige ballingschap.3Nog in die laatste weken zou mijn verblijf vergald worden door den civiel-gezaghebber, die van den eersten dag mijner komst alhier tot nu, langs allerlei wegen en door allerlei middelen, getracht had mij de aanmatiging van zijn veel te groot machtsbegrip te doen gevoelen. Het was reeds in het eerste uur van mijn komst te Tobelo begonnen. Steeds had hij sinds dien tijd tegenover mij, zooals ook tegenover de zendelingen en de bevolking, zijn lastige natuur bot gevierd. Hulpvaardigheid en opgedrongen diensten, waardoor hij de menschen aan zich trachtte te verplichten, afwisselend met willekeurige domme maatregelen en ingrijpende veranderingen, waarvoor ieder buigen moest en waardoor de goedaardige bevolking dikwijls te lijden had, speelde hij met de bewoners zijner afdeeling als de kat met de muis. Even liet hij hen in ’t geloof braaf en goed voor hen te zullen zijn en hun vrijheden en rechten te eerbiedigen, om hen later te kwellen en te onderdrukken, al naar zijn luim het hem ingaf.Zijn entrée te Tobelo had zich indertijd gekenmerkt door een speech tot de verzamelde bevolking, waarbij hij waarschijnlijk Multatuli’s bekende toespraak tot voorbeeld had gehad. Twee dagen later was hij aan zijn stoel gebonden geweest, daar hij op diezelfde bevolking zijn knie uit het lid had geschopt.Mijn samenleven met hem te Tobelo eindigde met een onverkwikkelijke correspondentie en met een dwaze aanklacht zijnerzijds bij den resident en de rechtbank te Makasser.De officier van justitie had op gevraagd advies van den resident naar aanleiding van de op mijn verzoek inbeslaggenomen gelden, de zaak niet voldoende kennende, ambtshalve moeten adviseeren deze gelden voorloopig niet weer af te geven. Echter dit geld was intusschen weer in mijn bezit gekomen en nu wenschte ik dit, om een proces te vermijden niet weer aan hem af te geven. Hij echter eischte òf het bedrag in geld terug òf een cheque ter waarde van dat bedrag. Gaarne wilde ik hem en had hem reeds een schriftelijke verklaring gegeven, waarbij ik mij aansprakelijk stelde voor alle schade, welke hij door de teruggave van dit geld ooit zou kunnen lijden. Van deze regeling, waarbij in gemoede een einde kwam aan een anders zeker sleepend wordende zaak, wilde hij echter niets weten. Hij wilde en zou het geld nu eenmaal terug hebben en zou dit op de meest krachtdadige wijze trachten door te zetten.De eene brief na den anderen volgde en steeds in boozeren toon, totdat hij mij schreef bij den resident en de rechtbank te Makassar een aanklacht wegens misbruik van vertrouwen te zullen doen, waardoor ik volgens hem met den strafrechter zou kennismaken.Daar was nu wel om te lachen en dit gebeurde ook, maar toch voorzag ik op mijn terugreis naar Holland te Ternate en te Makasser bij de door hem ingelichte ambtenaren een lange uiteenzetting van een onverkwikkelijke zaak. Door hem en met behulp van zijn vrouw werden althans reeds ellenlange brieven en stukken voor deze ambtenaren in gereedheid gebracht. Met zijn Indische inzichten scheen hem mijn houding in deze zaak een misdaad, en bleek hij de hoop te koesteren, dat ik, zoo al niet te Ternate dan toch zeker te Makasser in hechtenis genomen zou worden. Had de vrees voor zijn meerderen hem niet weerhouden dan zeker zou hij mij reeds te Tobelo door een paar pradjoerits achter slot en grendel hebben gezet.Administrateurshuis in aanbouw.Administrateurshuis in aanbouw.Kwam ik hem nu in de kampong of elders tegen dan keek de machtige ernstig voor zich, zijn vrouw draaide me, wanneer ik haar beleefdheidshalve groette den rug toe en ik zelf kon niet helpen dat er een spotlachje op mijn gezicht kwam over de ongemoedelijke beleedigde Indische majesteit. En nu had ik die majesteit nog wel altijd in mijn brieven in de volledigste titulatuur en met de mooiste phrasen aangesproken; iets waarop een Indisch opgevoed mensch verbazend gesteld is en waaraan men alleen reeds al zijn wel en wee tegenover hem te danken kan hebben.Intusschen naderde de dag van mijn vertrek. Op de onderneming was nu onder de nieuwe leiding, die met lust en ijver was opgevat, het werk invollen gang. Er werd gehakt en gebrand en geplant; het huis werd steeds bewoonbaarder gemaakt, terwijl de plannen voor een groot nieuw administrateursgebouw klaar lagen.Zoo, terwijl ik bij een der kweekbedden stond en zag hoe rij aan rij van nieuw aangekomen zaadnoten door het werkvolk werden uitgelegd, hoe dichtbij en in de verte de boomen krakend en knappend vielen en hoe aan alle zijden de rook van het brandende hout over de opengelegde terreinen trok, klonk eensklaps luid en schel de fluit van de binnenkomende boot, die me naar Java terug zou brengen.Het zwerven was ik moe, en Indië en zijn ellende ook, alleen niet dit werk, dat ik nu goddank in vertrouwde handen achterliet. Het werkvolk zag me gaan; den opzichter en de mandoers drukte ik de hand. Voor het laatst liep ik den rechten weg door het open veld naar de kampong en vond in het huis van mijn gastheer de koffers door den jongen gepakt en klaar gezet, om door de ossekar naar de aanlegplaats te worden gebracht.Daar lag op de reede de boot, waarop ook de zendelingen en de administrateur zich begaven, om een laatste afscheid te nemen. Ook keek nog eenige malen de civiel-gezaghebber, die zich met zijn vrouw aan boord had begeven, mij gewichtig-somber voorbij en beet zich van spijt op de lippen, dat hij den vogel niet hier reeds in zijn netten kon vangen. Nog eenmaal keerden zij met staatsie den vertrekkende den rug toe, en nog eenmaal moest ik een spotlachje onderdrukken over het abnormale machtsbegrip en het gebrek aan gemoedelijkheid bij deze menschen met hun zonderling “point d’honneur”.Toen het donker werd gingen de zendelingen en de administrateur van boord. Wuivende met zakdoeken en hoeden, terwijl ze in de motorboot stonden van het schip, die hen naar land terugbracht, verdwenen zij uit het gezicht. Daarmede was de verbinding voor langen tijd afgesneden. Eerst na maanden en in Holland teruggekeerd zou ik opnieuw weer iets van hen kunnen vernemen.Er was een episode in mijn leven afgesloten, waarop ik met tevredenheid terugzag en waarvan eens de vruchten in de toekomst te plukken zouden zijn.Voor mij lag de lange reis over Ternate, Ambon, Banda en Makassar naar Soerabaja; vandaar met den trein over Java, met een bezoek aan de Preanger, om te Batavia scheep te gaan naar Genua, alwaar ik mijn vrouw hoopte terug te zien. Dan zou een reis langs de Italiaansche meren en door het Zwitsersche bergland de belooning wezen voor een tijd van veel ontberen.Europa met zijn rijke cultuur en zijn wonderen lokte; daar zou de afgestompte geest zich weer kunnen verfrisschen aan al datgene, wat men in dit verre land ontbeert en wat ons tenslotte hunkeren doet naar beschaving en cultuur.Alfoersche wapens. (Phot. Baretta).Alfoersche wapens. (Phot. Baretta).Nog lag Tobelo daar verborgen onder het zware groen, doch in den geest was ik reeds met zevenmijlslaarzen vooruit gesneld, nu geen zorgen en moeiten zijn vlucht meer remden.Een lange zeereis lag voor me met al haar genoegens en lasten.Reeds stonden de sterren eenige uren aan den hemel, toen de boot het anker lichtte en door het gevaarlijke vaarwater van klippen en eilandjes in het duister langzaam haar weg zocht naar de open zee.Vaarwel Tobelo! Eens hoop ik terug te keeren om de vruchten te zien van het werk hier verricht.Indisch landschap in de Molukken aan den voet van den Djailoloberg.Indisch landschap in de Molukken aan den voet van den Djailoloberg.

Opwekkend was het met mijn nieuwen man, die zooveel belangstelling toonde en zijn eigen inzichten had en opmerkingen maakte, het terrein met de ontginningen, de kweekbedden en de onontgonnen wouden af te loopen en plannen te maken voor het werk in de toekomst.

Waar gehakt en gebrand was, was het een chaos van stammen en kruinen en stronken en stapels verbrand hout, waardoor het verdergaan daar zeer werd bemoeilijkt, doch we klommen en klauterden er over en wrongen ons er door, waar het noodig was. We liepen in het nog ongerepte woud alle eindeloos lijkende rintissen af, die door de koelies, onder leiding van mandoers met behulp van de equerre, met den parang lijnrecht naar alle zijden van het terrein waren geslagen. Soms geleken die rintissen, daar waar het onderhout dicht opeen en waar de onontwarbare glagah stond, op lage tunnels, waar men in gebogen houding moest trachten door te komen. Soms, tusschen de bamboe, was het onder onze voeten een geknap en gekraak van belang en steeds moest daar op de lange bamboekokers, die na elken doortocht opnieuw den weg versperden, de parang weer worden gebruikt.

Springend van steen op steen, volgden we de kali in haar ganschen kronkelenden loop over het terrein. Daarbij werden we getroffen door de natuur van het woud, zooals zich het van den bedding dier kali aan onze blikken voordeed. Aan de beide oevers, die soms laag, soms een vijftal meters hoog waren, daar waar het riviertje zich een diepen weg door den bodem had uitgeschuurd, rezen de reuzenstammen met hun bladerendos omhoog. Elke bocht bracht een nieuwen kijk op dien dichten groei van allerlei hout, waarvan de bebladerde takken soms tot het midden van de kali reikten, zoodat een natuurlijke schaduwrijke berceau ontstond. En waar zij breeder was geworden, weken die takken terug en we zagen de strakke blauwe lucht boven ons en de zon door het groen schijnen op de ronde lichtgrijze steenen, waarover we onzen weg vervolgden.

Een enkele Tobelorees, ook vrouwen, die de bedding dezer kali als een natuurlijken weg door het bosch gebruikten, ontmoetten we hier. Een dezer Tobeloreezen, van honden vergezeld, was op wilde varkens op de jacht geweest en knielde nu bij zijn buit neer, die door honden opgejaagd en achtervolgd in de speer van den listigen jager was gerend.

Zoo de geheele concessie doorkruisend, kreeg de nieuwe meester hier in korten tijd een overzicht der terreinverhoudingen en leerde het werk kennen, dat voor hem lag.—Nieuwe heeren, nieuwe wetten—en zoo stelde hij spoedig allerlei veranderingen en regelingen voor, die ik hem gaarne zag invoeren.

“We kunnen wel zien, dat u een administrateur hebt”, zeide op een morgen de zendeling tot mij, toen hij mij met een boek onder de galerij van zijn huis vond zitten.

“Och ja, hij moet het nu weten en wil het ook weten, en dat is maar goed ook. Ik laat hem nu zoo veel mogelijk alleen scharrelen”—was mijn antwoord. Inderdaad liet ik hem steeds meer zijn gang gaan, zag toe en hielp waar hulp gewenscht was; doch na eenigen tijd had hij, zooals noodig was, alle draden in handen en daarmede liep mijn verblijf op Halmaheira ten einde.

Gedurende den tijd, welken ik nog op Tobelo vertoefde, logeerde bij den jongsten zendeling de zendeling van Morotai met zijn huisgezin, vrouw en vier kleine jongens van ½ tot 6 jaar oud. Zij hadden zich op een goeden dag op een stoombootje, dat toevallig de door hen bewoonde kampong had aangedaan, ingescheept, om uit een benarden toestand van ziekte en teleurstelling te geraken en hulp in meer bewoonde en bewoonbaarder oorden te zoeken.

Deze menschen hadden zoo afgelegen van alle beschaving en verkeer geleefd, dat de kinderen de eenvoudigste zaken nog dikwijls niet kenden. Zoo zagen de beide oudsten den eersten dag van hun komst de ossenkar vol verbazing voorbijrijden en juichten en riepen, dat zij nog nooit zulke groote bokken hadden gezien, terwijl ook de kar het eerste voertuig was dat zij onder de oogen kregen, en een fiets voor hen een wonderding was uit een onbekende wereld.

In de kleine samenleving, waarin we daar verkeerden, ontmoette ik dezen zendeling en zijn familie herhaaldelijk. Dan kwam steeds de vraag in mij op, hoe men iemand als hem, tot hulp en steun en tot bekeering van anderen naar zulk een uithoek van de wereld had kunnen zenden. Deze man, in een achterhoek van Holland geboren, was na zijn opleiding voor zendeling te hebben genoten, met zijn vrouw naar de Oostkust van Morotai vertrokken, om er het evangelie te prediken. Door zijn leven in eenzame streken was hij een zwijgend en gedrukt mensch geworden, die weinig of geen menschenkennis bezat en zeker allerminst geschikt was om in afgelegen streken het evangelie te brengen en den stoot tot een nieuw en opgewekt leven te geven.

Wat dien man bewogen had zulk een taak op zich te nemen, had wel zijn oorzaak in een verkeerd begrepen steunen op de hulp van God. In het gevoel van dien steun had hij zich geworpen in een leven dat hij niet beheerschen kon en waarbij hij vastraakte. Nu moest God helpen, nu werd in den angst naar uitredding en zelfbehoud God om alles gevraagd, om alles gebeden.

Deze man, die als een stug boertje op de hei zijn bestaan had moeten vinden, had hier niets anders bereikt, dan dat hij en zijn vrouw lichamelijk en geestelijk gebroken waren, vier kinderen hadden gekregen, terwijl geen blijvend resultaat van eenig belang door zijn werken als zendeling was bereikt.

Zijn vrouw wilde nu met hem en het verdere gezin, op advies van den dokter te Ternate, daar hij ook aan malaria leed, naar Holland terug. Zeker zou dit het verstandigst zijn geweest, doch schuw voor de wereld, bleef hij weigeren. Koppig is die man blijven weigeren en het einde was, dat man en vrouw uiteengingen, hij naar Morotai terug, naar Boesoe-Boesoe op de Oostkust, waar nooit een blanke kwam, waar harde winden vaak alle verkeer over zee onmogelijk maakten, en zij met haar vier kinderen naar Holland. Daar zit nu de man alleen, in vrijwillige ballingschap.3

Nog in die laatste weken zou mijn verblijf vergald worden door den civiel-gezaghebber, die van den eersten dag mijner komst alhier tot nu, langs allerlei wegen en door allerlei middelen, getracht had mij de aanmatiging van zijn veel te groot machtsbegrip te doen gevoelen. Het was reeds in het eerste uur van mijn komst te Tobelo begonnen. Steeds had hij sinds dien tijd tegenover mij, zooals ook tegenover de zendelingen en de bevolking, zijn lastige natuur bot gevierd. Hulpvaardigheid en opgedrongen diensten, waardoor hij de menschen aan zich trachtte te verplichten, afwisselend met willekeurige domme maatregelen en ingrijpende veranderingen, waarvoor ieder buigen moest en waardoor de goedaardige bevolking dikwijls te lijden had, speelde hij met de bewoners zijner afdeeling als de kat met de muis. Even liet hij hen in ’t geloof braaf en goed voor hen te zullen zijn en hun vrijheden en rechten te eerbiedigen, om hen later te kwellen en te onderdrukken, al naar zijn luim het hem ingaf.

Zijn entrée te Tobelo had zich indertijd gekenmerkt door een speech tot de verzamelde bevolking, waarbij hij waarschijnlijk Multatuli’s bekende toespraak tot voorbeeld had gehad. Twee dagen later was hij aan zijn stoel gebonden geweest, daar hij op diezelfde bevolking zijn knie uit het lid had geschopt.

Mijn samenleven met hem te Tobelo eindigde met een onverkwikkelijke correspondentie en met een dwaze aanklacht zijnerzijds bij den resident en de rechtbank te Makasser.

De officier van justitie had op gevraagd advies van den resident naar aanleiding van de op mijn verzoek inbeslaggenomen gelden, de zaak niet voldoende kennende, ambtshalve moeten adviseeren deze gelden voorloopig niet weer af te geven. Echter dit geld was intusschen weer in mijn bezit gekomen en nu wenschte ik dit, om een proces te vermijden niet weer aan hem af te geven. Hij echter eischte òf het bedrag in geld terug òf een cheque ter waarde van dat bedrag. Gaarne wilde ik hem en had hem reeds een schriftelijke verklaring gegeven, waarbij ik mij aansprakelijk stelde voor alle schade, welke hij door de teruggave van dit geld ooit zou kunnen lijden. Van deze regeling, waarbij in gemoede een einde kwam aan een anders zeker sleepend wordende zaak, wilde hij echter niets weten. Hij wilde en zou het geld nu eenmaal terug hebben en zou dit op de meest krachtdadige wijze trachten door te zetten.

De eene brief na den anderen volgde en steeds in boozeren toon, totdat hij mij schreef bij den resident en de rechtbank te Makassar een aanklacht wegens misbruik van vertrouwen te zullen doen, waardoor ik volgens hem met den strafrechter zou kennismaken.

Daar was nu wel om te lachen en dit gebeurde ook, maar toch voorzag ik op mijn terugreis naar Holland te Ternate en te Makasser bij de door hem ingelichte ambtenaren een lange uiteenzetting van een onverkwikkelijke zaak. Door hem en met behulp van zijn vrouw werden althans reeds ellenlange brieven en stukken voor deze ambtenaren in gereedheid gebracht. Met zijn Indische inzichten scheen hem mijn houding in deze zaak een misdaad, en bleek hij de hoop te koesteren, dat ik, zoo al niet te Ternate dan toch zeker te Makasser in hechtenis genomen zou worden. Had de vrees voor zijn meerderen hem niet weerhouden dan zeker zou hij mij reeds te Tobelo door een paar pradjoerits achter slot en grendel hebben gezet.

Administrateurshuis in aanbouw.Administrateurshuis in aanbouw.

Administrateurshuis in aanbouw.

Kwam ik hem nu in de kampong of elders tegen dan keek de machtige ernstig voor zich, zijn vrouw draaide me, wanneer ik haar beleefdheidshalve groette den rug toe en ik zelf kon niet helpen dat er een spotlachje op mijn gezicht kwam over de ongemoedelijke beleedigde Indische majesteit. En nu had ik die majesteit nog wel altijd in mijn brieven in de volledigste titulatuur en met de mooiste phrasen aangesproken; iets waarop een Indisch opgevoed mensch verbazend gesteld is en waaraan men alleen reeds al zijn wel en wee tegenover hem te danken kan hebben.

Intusschen naderde de dag van mijn vertrek. Op de onderneming was nu onder de nieuwe leiding, die met lust en ijver was opgevat, het werk invollen gang. Er werd gehakt en gebrand en geplant; het huis werd steeds bewoonbaarder gemaakt, terwijl de plannen voor een groot nieuw administrateursgebouw klaar lagen.

Zoo, terwijl ik bij een der kweekbedden stond en zag hoe rij aan rij van nieuw aangekomen zaadnoten door het werkvolk werden uitgelegd, hoe dichtbij en in de verte de boomen krakend en knappend vielen en hoe aan alle zijden de rook van het brandende hout over de opengelegde terreinen trok, klonk eensklaps luid en schel de fluit van de binnenkomende boot, die me naar Java terug zou brengen.

Het zwerven was ik moe, en Indië en zijn ellende ook, alleen niet dit werk, dat ik nu goddank in vertrouwde handen achterliet. Het werkvolk zag me gaan; den opzichter en de mandoers drukte ik de hand. Voor het laatst liep ik den rechten weg door het open veld naar de kampong en vond in het huis van mijn gastheer de koffers door den jongen gepakt en klaar gezet, om door de ossekar naar de aanlegplaats te worden gebracht.

Daar lag op de reede de boot, waarop ook de zendelingen en de administrateur zich begaven, om een laatste afscheid te nemen. Ook keek nog eenige malen de civiel-gezaghebber, die zich met zijn vrouw aan boord had begeven, mij gewichtig-somber voorbij en beet zich van spijt op de lippen, dat hij den vogel niet hier reeds in zijn netten kon vangen. Nog eenmaal keerden zij met staatsie den vertrekkende den rug toe, en nog eenmaal moest ik een spotlachje onderdrukken over het abnormale machtsbegrip en het gebrek aan gemoedelijkheid bij deze menschen met hun zonderling “point d’honneur”.

Toen het donker werd gingen de zendelingen en de administrateur van boord. Wuivende met zakdoeken en hoeden, terwijl ze in de motorboot stonden van het schip, die hen naar land terugbracht, verdwenen zij uit het gezicht. Daarmede was de verbinding voor langen tijd afgesneden. Eerst na maanden en in Holland teruggekeerd zou ik opnieuw weer iets van hen kunnen vernemen.

Er was een episode in mijn leven afgesloten, waarop ik met tevredenheid terugzag en waarvan eens de vruchten in de toekomst te plukken zouden zijn.

Voor mij lag de lange reis over Ternate, Ambon, Banda en Makassar naar Soerabaja; vandaar met den trein over Java, met een bezoek aan de Preanger, om te Batavia scheep te gaan naar Genua, alwaar ik mijn vrouw hoopte terug te zien. Dan zou een reis langs de Italiaansche meren en door het Zwitsersche bergland de belooning wezen voor een tijd van veel ontberen.

Europa met zijn rijke cultuur en zijn wonderen lokte; daar zou de afgestompte geest zich weer kunnen verfrisschen aan al datgene, wat men in dit verre land ontbeert en wat ons tenslotte hunkeren doet naar beschaving en cultuur.

Alfoersche wapens. (Phot. Baretta).Alfoersche wapens. (Phot. Baretta).

Alfoersche wapens. (Phot. Baretta).

Nog lag Tobelo daar verborgen onder het zware groen, doch in den geest was ik reeds met zevenmijlslaarzen vooruit gesneld, nu geen zorgen en moeiten zijn vlucht meer remden.

Een lange zeereis lag voor me met al haar genoegens en lasten.

Reeds stonden de sterren eenige uren aan den hemel, toen de boot het anker lichtte en door het gevaarlijke vaarwater van klippen en eilandjes in het duister langzaam haar weg zocht naar de open zee.

Vaarwel Tobelo! Eens hoop ik terug te keeren om de vruchten te zien van het werk hier verricht.

Indisch landschap in de Molukken aan den voet van den Djailoloberg.Indisch landschap in de Molukken aan den voet van den Djailoloberg.

Indisch landschap in de Molukken aan den voet van den Djailoloberg.


Back to IndexNext