Muurschildering-R.R. HolstI.Een jonge arbeider kwam daar in het licht.Hij wist niet wat te doen, want voor het eerstmoest hij meedoen aan een staking—of niet.Hij was onzeker, voelde zich onzeker,—zooalseen schip dat aan het strand der zee,slingrend met beide kanten water schept.Hij was teer en zwart, want zijn moeder hadhem opgeleid in 't katholiek geloof,en hem hield vast die rijke en roode godsdienst.Maar hij was knap en vast, en de kameradenhadde' hem geopenbaard den klassestrijd,die alle krachten vraagt van d' wordendeMan.—Zoo ging hij nu door lichten dag.Wat zou hij doen, met hen meegaan of niet?De blos maakte zijn zwarte wang vuurrood.Zooals een jonge stier, die op de veldenkomt uit den stal, in 't voorjaar, duizeligin 't licht komt, en niet weet of her of der,en dan maar loopt rechtuit, op ééne lijn,'t is ongewis nog in zijn vaste hoofd,zoo ging hij, die jonge arbeider, dwars inhet licht, het zilvrig-witte dageslicht.En twee gedachten joegen zich aan hem op,als uit de werklijkheid het groot droombeeldgevormd wordt, als een wind die schuim of stofopjaagt van zee of van een landweg. Eénwas dit: het zoete en zachte en tevree bestaanvan slaaf........—En de andre was één beeldvan opgaanden strijd. 't Leek een berg die hoogging....Zoo ging hij op de vlakte, en wist nietwat hij doen zou. En nu eens doopte hij inlinks, dan weer rechts, in de gedachtafgronden,zooals een man die in een zwaar probleem,het vinden van een werktuig of geheimder natuur, denkt: wat zal ik doen, zal ikdien weg gaan? en diep in de zaak zelf peinst.En even onzeker ging hij terug,zooals een schip dat na zijn eerste reisterug komt in zijn dok, om daar hersteldte worden. Hij ging door het dampend lichtmaar zag het niet, zag slechts die groote vraag:moet ik of moet ik niet? En heel de wereldleek vol hem van die vraag.Zoo ging hij 'n beetje wanklend naar zijn huis,zijn ooren waren vol, zijn slapen zwollen,omdat die vraag, uit de wereld gehoord,hem 't hart trof en het bloed hem naar de slapen.En hij dacht: 'k moet het doen: het kan niet anders;Zooals in Februari of in Maartde wolken vliegen lachend langs den hemel,wit-blauw gevlekt, en de heele natuur,de bergen, de velden en alle boomenvoelen: het moet, het moet,—zoo voelde hijtoen hij daar langzaam naar zijn woning liep.Maar toch bleef nog een twijfling aan zijn hart,zooals het zilte schuim dat aan de zee ligt.En van zijn oogen viel een zachte straal.Hij was nog zeer jong, hij was nog een jongen.'s Nachts droomde hij een gouden, gouden droom.Het was hem of hij in een gouden streekwas gekomen, en of hij gouden menschenzag, die naakt gingen door een verguld licht.Zilveren stroomen waren er en heuvelsvan goud, en daarin zag hij die zonmenschen.Hij kon er maar niet genoeg heen kijken.Hij zag niet veel, het was ook niet zoozeerwat hij zag, hoewel 't was echt gouden lichtals de zon, als een gloeiende bakkersoven.Maar 't was dat heerlijke gevoel wat doorhem zelf heenstroomde als hij er naar keek,daarom was het zoo heerlijk in dien droom.Terwijl hij er naar keek, stroomde het doorzijn rug, zilvren stroomen nieuwe gedachten.Wijl hij er naar keek, werd hij een ander mensch,heel, heel anders. Wat was het toch dat inhem kwam? zoo, zoo had hij toch nooit gevoeld.En hij trachtte het midden in zijn droomte begrijpen, zooals een droomer denkt,ook weer droomend, maar toch begrijpend endroomende over zijn droom nadenkende.En hij keek aldoor maar weer; want hij voelde,dat het vandaar moest komen, het begripvan d' heerlijkheid, als de heerlijkheid zelf.En hij keek steeds in dat ronde gewelf,een ovaal-breed gewelf met vlakken grond,vol gouden gloed en met gouden menschen,heel klein, maar heel gelukkig, en goudnaakt.En van uit die beelden, van uit hun haren,als 't ware van hen af en naar hem toe,stroomde aldoor in hem dat nieuw gevoel.En zoozeer stroomde het uit hen naar hem toe,dat 't leek hij werd zooals die menschen zelf.En toen op-eens, werd hij door 't kijken kalm,en toen begreep hij 't—wat hij voelde waswat die kleine en gouden menschenhadden.Er was iets in hen wat hij, hij, niet had,maar door hen te zien zag hij dat zij 't hadden.En zooals alleen zien, iets aan den zienergeeft van het geziene, zoo voelde hijdat van hen in zich,—maar als een gemis.En toen keek hij nog eens zeer kalm en goed,met de uiterste spanning van al zijn oogentrachtend te grijpen. En toen voelde hij't klaar komen door zich: Dat Nieuwe was Vrijheid.Dat wat hij voelde was wat hij zoo hooptemaar niet had, die oven dat was de Toekomst,en die menschen dat waren Vrije menschen.En dien Maandag-morgen, toen stond hij op,en met zijn zwarte en jongzacht gezicht,—hijals een vaste en jong-zwarte stier—als een bloem naar zijne kameraden,en zij dat hij mee zou doen.—II.De jonge arbeidster kwam ook in het licht!Zij wist ook niet te doen, want voor het eerstmoest zij zelf in vereeniging, of niet.Zij was onzeker, voelde zich onzeker,zooals een schaap dat op het wijde veldvoor het eerst graast, want het was nog een lam.Maar zij was vast en licht, en de kameradenhadden haar geopenbaard den klassenstrijd,die alle krachten vraagt van d' wordendeVrouw. Zoo ging zij nu door lichten dag.Wat zou ze doen, er wel ingaan of niet?Zooals een jonge koe die op de veldenkomt uit den stal, in 't voorjaar, duizeligin 't licht komt, en niet weet of her of der,en dan maar loopt rechtuit op ééne lijn,'t is ongewis nog in haar vasten kop—zoo ging zij, die jonge arbeidster, dwars inhet licht, het zilvrig witte dageslicht.En 't leek haar of zij voor een minnaar stond,die met een teer gezicht en bleekheid omzijn hoofd daar stond. En of zij nu zich aanhem geven moest of niet. Eén voet stond klaar,maar ééne niet. Zij wist niet wat te doen,en bleef maar fonkelend en vlammend staan.Zooals een lente als zij aan de aard',aan de grenzen en aan den horizongekomen is, en daar maar pal blijft staan.En niet komt. En de menschen denken: wattoeft toch en mart en blijft daar toch die lente?Zoo stond zij op het veld, een vlam gelijk.En weifelend ging ze daar op een steenzitten, en voelde kou en warmte uitde lucht, en den grond, en van uit zich zelve.En twee gedachten vloeiden aan haar op,als twee rivieren, door de blanke luchtgekomen. De één was: Ik kan toch zijnvast en groot, ik kan groote vrouw worden.Er is de kracht in mij als van een mensch.De andre was: 'k moet stil bij moeder blijven.Zooals een moeder, die op haar bed ligtte wachten op het kind, ze voelt het in zich.De twijfel van het uur maakt haar al ziek:Zoo zat ze daar neer.En even onzeker ging zij terug,zooals een paard dat men voor 't eerst beproefdheeft te leeren, en dat men nu terugbrengt naar den stal. Zij ging door 't klare licht.De wereld was wel klaar maar zij nog niet,zij twijfelde zooals het groene grasschittert, en vroeg maar aldoor, schitterend,de vraag: Zal ik of zal ik niet meegaan?Zooals in Februari of in Maartde wolken vliegen lachend langs den hemel,wit blauw gevlekt, en de heele natuur,de bergen, de boomen en al de dierenvoelen: het moet, het moet, zoo voelde zij,toen zij daar klaarwit naar haar huis toe liep.Maar toch bleef nog een weifling aan haar hart,als het zilverig schuim dat aan de kust ligt.Maar van haar oogen viel een zachte straal.Zij was nog zeer jong, ze was nog geen vrouw.En 's avonds zat zij in haar huis alleen,voor het naar bed gaan, en tuurde in de schemering.Daar rond haar, daar waren de huizen vande kameraden: zij voelde ze aan haar oogen.Daar woonden ze, de stille en afgestompte.Zooals in een bosch, dat geen ligging heeftgoed—maar slecht. Want het woud is arm,er is geen luchtstroom, en er is te veelwater dat stilstaat om de harde wortels.Het bosch is forsch, maar doodsch en armzalig.Zoo was het leven der arbeiders om haar.En zij voelde zooals een vuurgezicht:Hun meisjes, ach, o pijn, o bittre pijn,de schoonheid, de bloeiende moederschoonheid,tot op een lage hoogte, en dan niet meer.En de mannen beperkt, en al de gavenbeperkt tot de armen, beenen en vuisten,en nog wat anders waaraan men niet denkt.Er gonsde een grijze scheemring om haar heen,en 't leek zoo of zoo was de eeuwigheid."Als wij samen zijn, o allen te zamen,mannen en vrouwen proletariërs,zijn wij meester van 't al. Dat is de taakeindloos voor mij, maar er moet aan begonnen."Zooals een vuurge bloem, diep in de scheemringvan een kamer, waar niets anders is, bloeit,vuurrood—zoo groeide zij in de gedachte.En zij verhief zich, en trok zich zacht uit,het kleine dasje en haar wol'ge jak,en rok en broek en kousen. En haar hemdtrok zij over haar hoofd en armen heen.En zij bleef nog wat denken in de scheemringonder de zoldring. En ging toen in bed,en legde zich onder de dekens neer.Haar lijf was vol, en vast haar hart daarin.Zij lag daar stil zooals een jonge boom.En denkende aan het Doel sliep zij in.'s Nachts sluipt er rond een God. Dat is de Moed.Die gaat door achterstraten, en daar waarde hooge huizen der arbeiders zijn.En waar zij liggen duister in de scheemringmet hun vrouw, met hunne broers en zusters,maakt hij ze vast en moedig. De nacht geeftze sterker aan het licht dan zij ze nam.Maria lag roerloos. De goê gedachten,die zij gehad had den dag, stijfden zichin haar, en werden en maakten haar vast.En buiten kwam de Dag zooals een minnaar,en spreidde 't schemerkleed wijd open, toenhij 't om de schouders hing. Maria ontwaakte,brekende, op haar bed. En stil en klaarlag ze, ziende den goddlijken ochtendstond.En zij hief zich. Haar voorhoofd ging naar 't licht.En zij wiesch zich, bukkende naar het water.En zij at iets en zei moeder goên dag. 'En zij ging door de lichte hooge straten.En zij trad de fabriek in in den schemervan staal.En zei aan d'andren dat ze mee zou doen.III.In de zaal ruischte het licht, zooals in zeede middag ruischt. Een hemelvaart van lichtsteeg op naar boven en maakte een wolkonder het glazen dak, en menschen kwamentusschen het groen en het hangende rood—een zwerm gezichten in het gele licht.En Willem duizelde: hij kwam ter leering.Zooals aan de zee gele bloemen groeien,zooals over zee zwarte wolken zijn,zooals op zee de straten van de golventoonen haar zwart en rood en groen gelaat's morgens als de zon schijnt,—en elke geveleener golf toont zich anders parelmoer.—Zoo was de zaal, ze bruischte op hem in.En zooals de drommen der zware windenal trommelend over zee uit den afgronddes winterhorizons op komen zetten,in 't laat najaar, wanneer de zon zich stortvroolijk op zee, zoo kwamen drommen mannenzacht-luidruchtig pratend en schuifelendde zaal binnen, diep zooals een afgrond,en leken met gelaten gouden droom.Een gouden droom in blauwe werklijkheid.Er is wel een stil plaatsje tusschen rotsenaan zee, waar stil de zee in sluipt, het kindjeder groote golf, komende aan haar hand,komt daar alleen, en stort zijn helder waterop 't gele kiezelzand wat daar stil ligt.Zoo was de ziel van Willem, hij zat stilzooals een bloem diep in de zaal gezonken,en hoorde voor zijn oor geweldige zee,en ving ze in zijn hart parelend op.Het was een groot rumoer van gaan en komen,de arbeiders vulden geheel de zaal.En de zaal zette zich, en was een wolk—in 't dikke blauw schemerden stil de hoofden hoofden—en allen werden, allen keken stilnaar waar vijf hoofden als vijf sterren blonken.En een stond op, Willem kende hem wel,zijn hart ging open want hij had hem liefzooals een vriend een kameraad bemint.En 't was Willem toen hij tegen de zaalbegon te spreke', of hij sprak tot zijn hart."Wanneer de mannen van een ieder vakzich zamelen zooals een golf zich zameltop zee, zooals men ziet een zwarte wolkzich samenballen, dan komt er een krachttusschen de arbeiders van dat enkel vak".Zwaar waren de woorden."Als een enkel vakover de aarde zich kon samenpakkenzooals een wolk of zooals de lawine,dan zou de rijke patroon nedervallenzwak, en de arbeid vond zijn zonnewegnaar beneden, diep in het zonnig dal,waar het geluk en zoete vrede woont".Willem luisterde en zag de landouwenhoog in de blauwte van de diepe zaal,boven des sprekers zacht goud-gele hoofd.De heele zaal leek als een blauwe zeeop te zwellen naar den spreker, en dieleek neer te komen met zijn zonnig hoofd.En Willem zag alleen dat hoofd, zoo gouden,zweven en spreken, als een sprekend hoofd,dat geen lijf meer had maar alleen een stem."Als de vakarbeiders van heel een landzich konden vereenen tot blijvende hulpaan elkander, zooals op zee de golven,die ook niet apart zijn maar saam de zee,dan maakten zij een kracht, zooals de krachtenvan elk arbeider apart, en te zamenalle aparte krachten. Maar veel meernog. Want er ware' in hen één Wil".De wil vertoonde zich. Hij was het zonlichtbuiten, men zag hem stijgen als de zon,in vierkante stralen door alle vensters.De aarde was er vol van."Als de vakarbeidersaller landen zich kondensamenvoegen, dan kwam de stille zonder Vrijheid, o gewis. O twijfelt niet.Mannen, de Zon schijnt. Gij zijt zelf de Zon."Zooals een vol bed blauwe violierenzoo hief de zaal zich, en er was een dondervan rumoer door de donkre vergadring.En Willems hart werd klaar zooals een parel,en hij voelde zich daar tusschen geworpen,tusschen zijn kameraden, zoo zooalseen niets-waardige, maar die door de andreneerst een waardige wordt en zuiver klaar."En als de arbeiders van ééne natiezich stortten in den politieken strijdom de staatsmacht, zij vielen den staat aanen als alle arbeiders aller natiesdit deden en zich stortten op het landvan den staat, zooals nu de zeegolvenaller oceanen bruischen op het land—dan werden de arbeiders zelf het land,het vaste rustig land der eeuwigheid,en Vrijheid zou met de arbeiders wonen,en alle menschen waren eeuwig vrij."Het leek wel of de reednaar werd zijn stem,zijn stem van goud, en dat goud weer de Vrijheid.De Vrijheid steeg op en verdoofde allesrondom Willems ooren. Er werd gesprokennog aldoor veel, hij hoorde het niet meer.Hij zag in het ovalen duister deVrijheid gaan, haar smijdig goud figuurtje.Hij zag de drommen van zijn kameradendonker blauwgroen, en haar tusschen hen komenmet haar gouden lach over al haar leden.En zooals een die aan de donkre zeezit, en de vioolkleurige heft haar stem,—voor hem niet, maar lijkt slechts voor zich te ruischen.Hij kijkt slechts naar de zon, hoe goud die is,en goud heengaat en trekt, zoo was ook hij.Hij zag alleen nog maar de gouden Vrijheid,en begreep, en luisterde hoe zij ging.En toen de vergadring uit was en ineen wolk zich oploste, toen ging hij heen.Veranderd. Zijn hart had weer iets andersgekregen en verloren, 't Voelde nieuw aan.En in zijn voeten liep reeds half de Vrijheid.IV.Toen de ochtend stil was als een heilig water,trad hij de kamer waar de meublen bruinware' in, de lucht hel, het stof roerde niet.Het goud stroomde buiten al door de straten,en langs de wolken zeer wijd heengestrekt.Zoo stil als een jonkvrouw de eerste droomender liefde waarneemt, duizelde hem om 't hoofd:De arbeiders beklimmen de ochtendhoogten.Zacht als een diepe nis leek hem de kamer,het hoogst in 't huis, uitziende op den hemel,en 't arme bruine deurtje van de kastnaast het raam, naast den openen hemel,leek hem te bergen 't allerrijkst geheim.Hij trad toe, en hij strekte zijne handen,en nam het boek, het gele, uit de kast,en droeg het stil naar de vierkanten tafel,en zette zich en legde het open.En zooals eene die zich voor het eerstzet bij een veelgeliefde, zat hij neer,en deed het oor open voor 't wonderboek.Hij keek er in zooals wie in een waterkijkt buiten onder boomen, het zwart wateris licht van kabbelingen van de zon.En stil begon de wetenschap te spreken."De arbeid maakt alles van uit de aarde.De arbeiders huwen zich met de aarde.De arbeiders de Man, en zij de Moeder.En 't Kind is het Werk, dat uit steen en aardeoprijst. Het alomtegenwoordig Arbeids-Werk.Maar ach—dat kind het wordt aan hem onttrokken,die de vader was. En 't wordt hem weggesleeptin andre huize', en niet met hem gedaanzooals hij wenschen zou. En de vaderblijft arm en kinderloos: de arbeider."Hij staarde met groote oogen in het boek,zooals een kind dat voor het eerst een onrechtziet, met groot oog vol pijn er star naar kijkt.In de zachte ochtend was het een verschrikking,zooals de nacht is, en zijn oog ging openzooals de nacht, en zijn hart als de nacht.Hij was zeer jong, hij was als eene bloem.En terwijl buiten de lichtlelies groeiden,boog hij zijn hoofd ter neder in de schauw,de bruine, die daar voor zijn voorhoofd was,en las van daaruit, van uit paarsche scheemringnaar 't gele boek, dat zijn letters zwart straalde:"Maar de Arbeid heeft zooveel afgestaanaan den Rijkdom, de Rijkdom is zoo grootgeworden, dat zij de Arbeid heeft verkeerdvan klein en hout in groot en staal, dat rijkis geworden het Arbeids-Instrument.En millioenen zijn daardoor beroofdvan 't houten kleine werktuig, en nu armen bezitloos is de Meerheid der Menschen."Zooals uit 't diepe ruischen van de zeeder kerk het orgel klaar begint te spelen,zoo klonk van uit het ruischen van de letters,die hij daar vóór zich op de tafel zag,de diepe beteek'nis der wetenschap.En zijn hoofd was zooals een gouden vrucht,die van een boom over een water hangtin September, als het water opgeeftde gouden stralen van de middagzon.En in zijn hoofd steeg op 't arbeidersbloed,het bloed des overwinnaars, dat andersbruischt dan het bloed van den verslagene,want dat is flauw en leekt flauw bloedend heen.En als een stier, die op de weide komt,in 't Voorjaar, op het zwellend groene weiland,als de hemel blauw wolkt, zoo keek hij overhet boek, de groene tafel, in de schaduw.Zooals een man die diep achter aan 't schip,aan 't stuur, aan 't roer hangt en het schip bestuurt,zoo hing hij achterover in zijn stoelen keek in het paarsch en bruin kamerlicht.En hij liet diep in zich gedachte dringen,en tot zijn hart bezonk de wetenschap.En van buiten klonken jubelgeruchten.Want in het weven van de zon klonk stilen was een zilvren zee geroezemoes.En hij dwaalde uit, zooals een vogel vliegt,in de zilvren en verre werklijkheid,en zag een schaduw van wat hij kon doen,als een vogel zwart door wit voorbij schieten.Zooals een stem begint te roepen, klonktoen weer toen hij terugkwam, vóór hem 't boek."Daarom arbeiders, o vereenigt u,want gij zijt de meesters, gij hebt de kracht,als gij het slechts wilt, als gij het slechtsweet."Het klonk als een roepende uit de schaduw."Gij zijt de Vaders, arbeiders, de aardeis uwe vrouw, o laat toch niet het kindu langer ontstelen, maar maakt uwefamilie één en in drieën onverdeeld."Zoo klonk toen uit de schaduw van het boekde heerlijke stem der menschen-bewustheid,als uit de opalen diepten van degeschiedenis der menschheid, op'nend, klonk het.Nieuw altijd weer, altijd, iederen dag.En hij zat stil en luisterde heel lang,en liet het doordringen diep in zijn bloed,en liet zich verandren, iederen vezel.Want hij was tot heel lang zeer dom geweest.Zooals in de lente, het versche sapdoordringt in den stam van de lila iris,en maakt het blad anders en schept de bloem.Zoo drong in dien arbeider door de kennis,en maakte zijn bloed in zijn aadren anders,zoodat zijn beenen en dijen en vuistenanders werden en opgroeiden tot daden.Hij zat daar lang zooals een donkre bloemin de schaduw. De gloed der wetenschapom hem. Zijn hoofd was als een vlam van kennis.Hij liet het stil rondom zich heen vergaren,opbranden om zich als de hooge zee,en zonk er met zijn hart steeds dieper in.En toen, toen hij er goed zeer diep in was,stond hij op en hief zijn gestalt er in,bewoog zich door den vloed, ging stil naar 't werk.Toen hij weer thuis kwam, stond er brood en koffie,en zat Maria daar met roode lippen.En hij nam 't wittebrood en zoende haar.Zooals een paard dat in de weide huppeltzonder toom was hij. En zij kuste innighem op zijn mond en op zijn bloeiende borst.En zacht speelde ze met hem en trok hemnaar zich toe en kuste hem om de wangen.En zij nam zijne, hij nam hare handen,ze speelden saam met levende kleinodieën.Zoo zaten ze, de zachte lucht van linnenvan haar japon, en de veel fijner geurvan daaronder vulden de glazen kamer.En de wolken gingen voorbij en 't uur,en de zon scheen en maakte 't binnen goud.En hij zei: "nu moet ik weer naar mijn werk,"en stond op, en zij stond op, en zij gingenna eenen laatsten kus samen uiteen,hij naar zijn werk en zij ook naar haar werk.Maar 's avonds stortte hij zich weer diep inde eenzaamheid en in het gouden boek.Hij zou weten hoe 't in de wereld uitzag.En diep met een gespanne' en zwarten wil,de handen aan het hoofd tegen de ooren,de zwarte wenkbrauwen gefronst, en 't haarstijfstaande op zijn kop als bij een stier,zat hij bij 't boek en las als 'r aan gemetseld.Hij las hoe of de arbeid is de waarde,en hoe de arbeid ten deele vergoedwordt den arbeider, in zijn loon, en hoeer arbeidstijd aan hem ontstolen wordt.Hij zette zich vast op zijn ellebogen,en begreep 't goed, het werd in hem geklonkenzooals de ijzren pijlers van een brug.Hij zat als een gast aan een stevige tafel,en at van de kennis, en niets te veel.De gouden lamp met haar petroleumstraalde, en 't zwart van 't duister was als stofen roest, maar in de hoeken was het fulpen.En hij sloot er zich in in de kennis.Zooals een smid die om zich zelven bouwt,die voor zijn werk binnen het werk moet zijn.Hij las hoe noodzaaklijk de slavernijmoet erger worden op de arbeiders.Omdat zij altijd een steeds sterker drukvan rijkdom staaplen—hij las hoe de knechtschapvermeert, maar ook de scholing, en ook deEenheid der arbeiders. Hij zag het vóórzich, boven 't boek in 't felle helleschijnsel.Hij begreep het, de zwarte arbeiders warenlevend voor hem, daar vóór hem, 't kapitaalwas goud boven het gouden boek, daarinzag hij de zwarte arbeidersfiguren.Hij drong zich tegen 't boek aan, en zijn handenwerden vochtig tegen zijn blanke slapen.Zijn oogen schitterden, er liepen tranendoorheen van licht, zeer diep, zij vielen niet.Hij begreep het, in 't binnenste der werelddrong hij, dat was het wezenlijk geheim,het geheim van 't bestaan, 't eigenlijkewat hij moest weten, de diamant der daad,waar alle daden uit voort moesten komen.Hij voelde het, hiervandaan kwam het levender maatschappij.En der maatschappij washij zelf de kern, zoo goed als ieder ander.Hij ademde diep in den zwarten nachtnaar de hoeken der kamer toe, als eendie ontrukt is aan 't eigen zelfbestaan,en die zoozeer is in de gemeenschapverloren, dat hij die voelt, niet meer zich.Juist, dàt was het, hij las van de gemeenschap,begreep de gemeenschap, maar juist daardoorzich zelf. Zijn persoon was de gemeenschap:die had hem gemaakt, die had hem gevormdtot 'n kern van haar, en hij, als deze kern,voelde in zich haar, en zich met haar tot één.Wat haar was, was hem, en wat hij was zij.En daarin diep dringende met zijn oogenwerd 't groot probleem, wat hij las, hem daar klaar.Hij las van den arbeid en van de waardeder dingen—maar hij begreep wat of wasde arbeider, wat of hij zelve was.En 't gemeenschapsgevoel stortte zich overhem als een zwarte golf, en hij voelde inzijn hart het diep-zwart voelen voor de Eenheid,de Eenheid van hem en alle arbeiders.Muurschildering-R.R. HolstV.O zoete lucht! O iedre avond dieiets leert! o Dag waardoor de arbeid gaat!Zacht parelde de avond op de staden van den hemel eene zachte gloed.Willem kwam van zijn werk. Dit was d'avond,waarop de vreemden zouden komen envertellen van het socialisme, verin andre landen. Hij stapte naar huisen zwolg het eten binnen. Hij zag nietsdan even de planken om zijne kamer,hun rooden gloed.Maar hij trok snel zijn wit halfhemdje aan,en wiesch zich. En hij stapte in zijn kleeren.Hij ging door de deur, en sloot ze stil dicht,en toen door de stad die zacht bloemrijk was.Het zwarte stof van de metaalfabriekverging, er rezen bloemen voor hem op.Hij stapte als een haan, die in den avondgaat naar zijn hok waar alle kippen zitten.En nu schreed hij over den kleinen drempelen betaalde.En zag de kameradenweinig in aantal in de kleine zaal.Hij ging zitten stil met hen aan de tafel,en wachtte tot de andren zouden komen.Het was een kleine leering-avond vanenkelen—waar de vreemde kameradenzouden vertellen hoe het bij hen was.En klaar scheen de lucht door de ruiten binnen.De avond was blauw buiten, binnen bruin.'k Geloof, de zee was daar ook niet heel ver.Zoo scheen althans de lucht, alsof 't kristalder zee in schittering gestegen was.En de menschen, de donkre kameradenhinge' achterover in de kamerscheemring.En in die volle donkre rust, daar klonkenbuiten op houten gang de voetstappenplotsling. De deur ging open. Daar tradeneerst de bekenden binnen, en toen tweemannen al oud, grijs was hun baard, en kleinbeide—en allen, jong en oud, zetten zich.En zacht begon, na een stilte, te stijgeneen stem, zooals een peil, een goudene.Zooals men 's zomers zien kan eenen vogel."Genoten, vrienden, echte kameradenvan ons en mijn hart. Ik groet broederschaptusschen u en mij. Echte broederschapplaveit zich tusschen u en mij. Zoo mogede broederschap eenmaal zijn tusschen menschen."O zachte stem, o gouden vrijheid, hoevuldet gij de kamer en maaktet een vlakwaarin al de hoorende harten leefden.Zooals een fontein spuit, en 't heele boschhoort het, ook waar hij niet is, zoo hoordenzij zijne stem alsof uit eene verte:"Duitschland was altijd 't land van slavernijsinds eeuwen. En onder onze gelijkenwas er geen vrijheid. Totdat voor een vijftigjaren gedacht' aan vrijwording begon.Wat was het tooverstaal, dat in 't bazaltleven bracht, wat bezield' de doode stof,wat bracht de vrijheidsdorst in onze monden?Het werktuig, vrienden. De machine sloegvonken in ons los. 'k Heb het zelf beleefd.Zij bracht de groote massa's samen, zij zette onsnaast, naast, naast elkaar, zij maakte ons broeders,ons kameraden, ons maten. Zij brachtonze oogen bij elkaar. Zij bracht de honderdarbeiders vóór elkaar, die elkaar vreemdwaren geweest. Zij stelde om zich als haarkindren of kuikens al de machinisten.En die zagen elkaar in de oogen, enhun moeder naast hen, de stalen machine.Was 't niet of die machine hen aaneenbond? Waren ze niet werkelijk vriendenin 't werk? Ja—dat voelden zij, ze warenbroeders en vrienden. Dat gaf ééniging.Dat is het zaad waaruit het socialismekomt.En dat gebeurde niet in één fabriek,makkers, maar overal, maar overal.Over gansch Duitschland, hier en daar, wel weinigeerst, maar allengs meer. Het groeide,het fabriekswezen, en elke machinevereenigde de mannen om zich heen.Al die machines met die groepen mannenwerden kernen der nieuwe maatschappij,en van het socialisme. IJzren kernenmet vleezen omhulsel.—Gij ziet wel 's zomersde vruchten rijpen, is 't niet? aan uw boomen,en al die vruchten zitten vol van zaad?Zoo was 't met het fabriekswezen dat overDuitschland zich spreidde, toen ik nog jong was.Maar al die vrienden, al die menschenlijven,al dat vleesch rondom al de ijzren kernenkenden toen nog niet 't socialisme. 't Wasvoor hen nog onbewust. Hoewelzijinhun arbeid wel 't eerste gevoel al kenden,—zoo goed als zij,—van die grootebroederschap, was 't toch slechts een eerst gevoel.Zoo is 't immers ook in een jongen vantwaalf jaar? De liefde is er, maar niet totbewustheid. Zoo was het in ons. Wij kekenelkaar aan, maar wij wisten nog niet.—Hoekwam dat toen in ons, hoe zijn wij toen overgegaantot volle kennis? Welke vonkis dat toen weer geweest, die in ons groenehet vuur bracht en de kleur, de vurig roode?Dat is de wetenschap geweest, mijn broeders.Daar zat een man in Londen, ver van ons,en terwijl wij iederen dag zoo zwoegden,en terwijl wij iederen dag aankekenelkaar over het groen geolied staal,en terwijl wij in elkaars oogen zochtenvriendschap, terwijl de vlammen van ons zijnmet de vlammen der stalen machine schiepenhet goud voor den bourgeois—en wij maar nietkonden vinden denalgemeenenweg,den weg voor allen, om tot kracht te komen—zat die man en zochtde wetenschap voor ons....En in 't verbondvan wetenschap en arbeid vond hij het,de magneet, die ons aan elkaar voor goedkon trekken: 't gansche proletariaat.En hij schreef het uit in een gulden boek,en in stalen boekjes: die leus voor ons.Proletaarjaat aller landen, wees Eén.En hij wees ons den weg, dien wij gegaanwaren in 't klein, in 't groot als algemeenenbevrijdings-zonlicht-gouden-vrijheidsweg.En wij vereenden ons in éénen band,de Internationale, die gij kent,de Associatie roemvol aandenkens.Dat was Marx, mijne vrienden, de man wiende arbeidersklasse van Europa enAmerika meer dankt dan aan wien ook.De man die d' Wetenschap, zoolang u vreemd,u gebracht heeft en haar gemaakt uw kracht.U, lijdenden, verbond hij met het denken.De denkenden verbond hij met het lijden.Zacht golft het gras over zijn diepe grafte Highgate, maar hij staat hier tusschen ons,hier naast mij, en daar zit hij tusschen u."En zacht vloten de beken van de tranenomdat het denken bij de lijdendeneindlijk gekomen was.Er waren oude arbeidersgezichten,als steenen koppen in de buitenlucht.En zij weenden niet, want de arbeid hadhen gewend aan alles wat hard en pijnlijk."Wij hebben opgeroepen, 't Was Lassalledie den strijdroep liet hooren. En wij sneldentoe, en vormden de Arbeiders-partij.De politieke partij, 't was voor 't eerst,dat arbeiders afdaalden in het strijdperkte strijden met het heele kapitaal.Wij vlogen samen, o nog maar 'n klein troepje,voor veertig jaar. Maar wij vielen ze aandadelijk allen: 't grond-, 't bank-kapitaal,het handels-, en 't industriekapitaal,wij, de arbeiders, schaarden ons er over:Wij stelden ons tegenover den Staat.O 'k weet het nog zoo goed, ik was de eerstedie heengestuurd werd, waar de Staats-Kop ligt,den Rijksdag, om daar als een jonge Siegfriedte gaan vechten in het hol van den draak.Het kon niet anders zijn dan woorden, woorden,die ik tegen hem slingerde, een zwaarddat hem kon dooden, was er toen nog niet.Maar mijn woorden werden buiten gehoordin al die plaatsen waar de vleezen vruchtenom de ijzre kernen heen zijn. En dáár dáár,begon men toen het zwaard te smeden, dateenmaal, wanneer het hecht is volgesmeed,den strot zal boren van het kapitaal:d' Organisatie.En men heeft gesmeed.Vroolijk als Siegfried staat de arbeidersklassevan Duitschland, en smeedt aldoor aldoor door.Gij kunt 't haast hooren als gij van hier luistert.Rondom de ijzeren machines gaande vleezen lijven, de denkende koppenNaar de fabrieken loopen iedren dagde stevige voeten dragend helle koppen.In de fabrieken komen elken dagduizenden vrienden samen, met hun vrouwenen kindren, hun meisjes en jongens.En die bevolking ziet elkander gaan,en op den hoek van een machine alszij elkaar tegenkomen, zien ze elkaarsoms even in de harde sterke oogen.De ééne hand reikt in handgreep de ander,een voet raakt voet, een rug raakt rug, dan keerenze even om tusschen hun deelmachines:Was 't zijn lijf of was 't mijn lijf dat het deed,was het haar zachte heup, haar teedre oog,was het mijn jas of haar jurk dat mij raakte.Neen, 't was de hand van onze kleine zoontje,dat daar staat en vlug met zijn vingers voedthet bijtend welgeolied vlugge staal.En als ik mijn hoofd soms heel stil opricht,en in een oogenblik dat mijn werktuigpoost om gesteld te worden voor nieuw werk,mijn oogen rond laat gaan door heel de zaal,wat hangt daar, wat is daar die grijze nevelwaarin de armen staal slaan, waarin flardenproduct en ijzer, grondstof en menschstukkendooreenscheemren, wat is die damp die allesomslurpt en overhuift en ons toedekt?Ik zie 't, 't 'is de gloed die ons aaneenbindt,het socialisme, dat uit onzen arbeidopstijgt, d' Eenheid van werken, waaruit éénvoelen en willen, hopen en leven komt.Zoo ontstond in Duitschland de nieuwe droom,als een nevel die in den zomerdagbegint te trekken uit het groene weiland,het smaragd kristalgroen verbreidt zich onder.—'t Kapitalisme bouwt ons de machines,'t Kapitalisme bouwt ons de fabrieken,wij bouwen 't kapitaal, 't kapitaal bouwtons werkhuis—wij willen het huis óns, dat wij zelf bouwen."De stem ging naar de hoogte. Willem gingmee naar de hoogte—hij zag alles goed."Wij hebben organisatie gemaakt.Wij hebben gebouwd al die jonge bosschen,waaruit muziek waait die gij hier kunt hooren.Wij hebben gebouwd al de nieuwe orgelsuit wier pijpen, uit wier luchtpijpen-kelen,het wereldlied klinkt als van vrije vogels,die 's morgens op een heeten zomerdagmidden" in zomer al vóór drie uur zingen.Terwijl wij zongen, kwam de donkre machtevan 't kapitaal, de patroons en de kerk,de bankiers, renteniers en grondbezitters,de dievenkooplieden en de beursdieven,vielen ons aan en sneden menigen strotvan een jong zanger meedoogenloos af,zoodat zijn stem uit afgesneden keelniet meer klonk, maar als een bloem zonder hoofddaar bleef.—Duizenden arme vogelssloten ze op in hun kooien dat niethun stemmen klinken zouden, en de stommevogels, die nog niet zongen, leeren 't lied.Duizend vogels vertrapten ze, tienduizendroofden ze 't brood, honderdduizend verstomdenze door bedreiging, en millioenen maaktenze dom door de hel van hun domme godsdienst.Maar wat kon 't geven, waar die lieveling,de machine, ons roept, ons leert, ons éént;waar de arbeid, de bron van het bestaan,de moeder aarde die de grondstof geeft,die één met het werktuig is, één met ons,ons leert dat wij één moeten zijn,—wat geeftdaar't dreige' en doodslaan van een zwakken mensch?Neen, ondanks dat duizenden menschen vallen,ondanks het lage loon, den kinderarbeid,den vroegen dood van ons allen, ondanksdat 't fijne lichaam onzer schoone vrouw,het breeklijk lichaam der jonge arbeidersgebroken wordt bij duizenden, ondanksmoreel' en physische ellend', ondanksachteruitgang en slavernij, ondankswerkloosheid, zwerven, onzeker bestaan,bloedloosheid van hoofd, angst om ons hart vaak,armoed van bloed in vleesch en in oogen,gele voeten, geel gezicht, arme oorenen oogen—maakt de Arbeid, Onze Eigenschap, ons één.Men kan even goed aan het water zeggenom niet nat te zijn,—alsaan de arbeiders om niet één te worden.Eeuwen van jaren straf gaven ze ons,Duizenden jaren honger gaven ze ons,Millioenen jaren strijd gaven ze onssamen.—Eeuwigheid hoop geven ze ons.En de hoopwordt, het socialismekomt.Hoort ge 't niet, vrienden, het geklinkeklank,het tapprend beuken, het gepinkepank,als ge goed luistert?—Luistert, hoort 'n maal?Daar over 't Oosten klinkt een rijpe schaal.Daar over 't Oosten klinkt een rijpe keel,en een zwaardvegen, en een zwaardgestreel,en weer een beuken en een galmend hameren.Dat is jong-Siegfried, die is aan 't verzamelenvan zijne krachten, en hij stort ze inzijn zwaard, waarvan hij nu maakt het begin.Zijn lichaam is een deel van onze natie.Hij is de Arbeiders, 't zwaard: Organisatie.Hoort, hoort, gij kunt hem bijna van hier hooren."Het leek alsof hij zelve even luisterd',of hij van hier uit zijn land hooren kon,en of hij 't hoorde. Want hij zonk een poosjein aandacht weg, diep en diep in zich zelve.En wat hij hoorde werd toen daarop kondaan de vergadring, die nog dieper luisterd',nadat zij op zijn luistren gewacht had:"Duitschland is één groot land van heel veel lijdenDe rijken hebben zich aan één gesmeed:de adel, de landheeren, fabrikantenzijn als een bond op den nek van het volk.Maar de arbeidersklasse van heel Duitschlandwordt één en aldoor meer één, onze machtwordt grooter aldra dan die onzer heeren.Zij rusten op ons—kunnen toch niet levenzonder ons.—Wat als wij dan sterker wordendan zij?—Dan zijn zij niets, kunnen niet levenals wij niet willen meer zooals zij willen.—Hunleger wordt immers altijd meer ons!—Ende arbeid is, als wij één zijn, ons."Het leek of hij wat droomde, of hij ziendewerd van diep denken dat als droomen is,En de vergadring ging mee in den droom.Zij waren één met hem: allen arbeiders.Als een gehoor dat één is met een spreker.Maar hij richtte zich op en zeide stil:"Wij zijn al ver in Duitschland, halverwegebij 't doel. Daar staat 't. Ik zie 't voormijn oogen, het vlamt zilver, daar, daar staat het.Gij ziet het ook, vrienden, het Socialisme."In één opvlamming kort had hij 't gewezen,van uit zijn kracht, van uit zijn zeekre hart.En als een vlam van zilver ging hij zitten.En zij, zij keken allen op hem.En Willem keek tot hem vol ademloozeverbazing op,—op hem met teere liefde.En hij zat stil schuin naar benee te kijken,de woorden waren weg, zijn hart klopte.Zijn vriend verrees, de kleine sterke Franschman,die 't leven lang voor 't proletariaatgewerkt had.Hij leek een gouden rechte vlam, als in't glas van een lampje op het koper staat.Maar zijn stem was als de stem van de zee,als ze gehoord wordt met korte rukken,die de onophoudelijke wind meedraagt,en broederlijk in stukken geeft aan 't land."Een ander maal zal ik u meer verhalen.Nu slechts een enkel woord, het is al laat.Het was voorjaar, mijn kindren, en de zoeteluchten vol wolken vlamde' over Parijs.Zooals een bloem breekt in de lente, eenepapaver met zijn breede ronde bladen,zoo is toen in die stad, voor 't eerst, Europaeen oogwenk rood socialistisch geweest.Gij weet het, kindren, het was de Commune.O zacht klinke de naam zooals een bloem.Parijs was toen zoo schoon. Er waren geeneheeren, noch hoeren, want die lichtekooiepapegaaien zaten saam in Versailles.—Er liepen geen prostituees op straat.—Er dreven geen lijken meer in de Seine.—Er werd niet gestolen en niet gemoord.—Men kwam veel menschen met de hoop al tegenop hun gezicht.—Het was het eerste windjevan dien dag, die eens komt, als alle kindrenzullen lachen op de hoeken der straten,en als de kindren ook de menschen lachen.Zal 'k u een teeken van de toekomst zeggen,wat ik toen zag in het oude Parijs?Er waren geen prostituees op straat—de lichtekooien in hun roode zijdewaren weg.—Maar weet ge wàt men zag?.—De arbeidersvrouw in het openbaar leven.Parijs was toen een goudschijnende fakkel.Parijs was toen een heerlijke middernacht.Parijs was toen een roode granaatappel,die met zijn roode wangen aldoor lacht.Wat zaten er toen aan den nok der daken,aan hun zoldervensters een jonge harten,uitkijkend, zooals duiven, naar de zon—welkeen schoon bruischen van filosofiesteeg op—o welk een liefde ging verloren!Want 'k hoef u niet te zeggen, mijne vrienden,na wat mijn vriend straks zeide: 't ging verloren,want het ééne noodige, het ontbrak,de doelbewuste strijdorganisatie.Arbeiders kunnen nooit, neen nooit dat winnen,wanneer ze niet in zeer grooten getaleen één van wil en doel vereenigd zijn.Bij ons ontbrak dat. Daardoor stierven wij.Wij zijn door onze onwetendheid vernietigd.Laten wij leeren, onderrichten w' ons.En dat is wat ik u nu slechts wou zeggen,jonge vrienden, hier in 't kleine Holland:Wij zijn door onz' onwetendheid vernietigd.Laten wij leeren, onderrichten w' ons.O laat ons leeren,zoeken wij door kennis den weg tot eenheid."Stil stond de man, die man die zelf daarbijwas, en die met die oogen alles zag.Het was geluidloos rondom, 't stil rumoerder harten alleen ging door. Na een stiltesprak hij: "Wij zijn na dien sterker geworden.Ook in ons land zijn wij den taaien strijdbegonnen tegen de bourgeoisie, entegen d' onwetendheid der arbeiders.Lang is de weg,aan 't einde is de bloemige zegedag,als 't socialisme als een tuin ontluikt.Maar aan 't begin staat ons land, eene bloem,de Commune, 't Parijs der Arbeiders.Eeuwig de roemvolle vooruitbode,de bloedige, der nieuwe maatschappij.—Het schoone komt niet zonder dood.Haar Martlaarsworden bewaard in 't hart der arbeiders.Haar verdelgers staan nu reeds aan den schandpaal,van welken hen geen gebed hunner papenverlossen kan.Het Parijs der arbeiderszij u een les vàn 't kwade, naar het goede.—Een ander maal zal ik u meer verhalen,laat ons nu gaan, het is morgen vroeg dag."Hij had gesproken, en zette zich neernaast zijn vriend, en de jonge Hollanders warenvol zwijgen uit eerbied voor het verleden,en voor de mannen die 't verleden maakten.En langzaam gingen zij daarna uiteen,zooals schepen die uit een haven gaan,maar niet alle gelijk, maar een voor een,of bij tweeën en drieën. Aldus gingenzij weg naar hun huizen, en Willem gingalleen naar zijn huis, het hoofd vol gedachten.Muurschildering-R.R. HolstVI.De aarde ontspant zich, en uit de baringrijzen fijne nieuwe gestalte' omhoog.Maria ging door 't licht met fijnen voet,zooals een hert slaande den fijnen hoef.Zij ging naar buiten om aan zich te denken,daar in de bosschen in den koelen schemer.Zij was een weefster, hare kameradenhadden haar pas geleerd den klassestrijd.Zij wilde er goed over gaan denken, buiten.Zij holde door het gouden bruine licht,zooals een schip dat, nieuw, zijn vlosjes hout,zijn ijzersplintertjes, zijn vlokjes verfverliest als het snel doorschiet door de zee.Zooals een paard dat in de weide komt,en 't verliest zacht 't donkerbruin winterhaar,doordat het strookt door de fijne landlucht.Zoo holde zij door 't groene dagelicht.Tintlend was 't of nu hier dan daar op d' huideen plekje nieuw ontplook. Was dat de luchtdie 't deed, de wind? of kwam het uit haar zelf?Was het haar ziel—was het haar nieuwe ziel?Zooals een meisje in wie de bronnenopengaan, zoo was 't haar over het lijf.En zacht bereikte ze de donkre schaduwvan 't oude bosch, donkre eiken, groenzwarte elzen,en daar, in de waterig natte schaduw,zette ze zich op eene rott'ge bank,en begon over haar leven te denken.Voorbij was het, zooals stille fontein.Voorbij haar leven, zachte kinderleven,voorbij de droom, bij moeder zacht geleefd.Voorbij was het zooals zachte fontein.Nu zat zij hier, de stille hand hing naasthaar heen, de witte boezelaarkreukelde en haar hoofd hing stil voorover.—Hoe zou het zijn als alles nieuw, nieuw werd?Zij vroeg 't den grond, den vetten natten grond—zijkeek voor zich uit naar de roode huizen,zij vroeg 't den hemel, grijzig wit en warm.Zou ze kunnen? zou ze met al de mannenkunnen uitgaan en strijden en nieuw worden?Over haar huid viel neer een doffe matheid,zooals over een jongen valt die manwordt. 't Is geen zwakheid, het is nieuwheid maar.En zij liet slap de beide armen hangennaast haar witte gestrekte boezelaar,en strekte de beenen en lag te denken.Zooals een schip dat ergens in de zeegeschommeld wordt door het loodgrijze water.Het is een wrak, er is geen levend menschmeer op. Het heeft geen roer, geen mast, geen zeil,'t is maar een klomp hout. En de golven doenwat zij willen, en doen of 't schip er niet is.Zoo speelden met haar de groote gedachten,die evenals de wind nu door de menschengaan en hen doen doen en hen doen denken.De zachte vrouw lag met haar zwarte harendaar neder, door het denken overmeesterd.Zal ik gaan, zal ik den strijd mee beginnen?Zooals voorjaars, als er in alle sprieten't leven begint over de verre veldenen op de torens en op de kapenwaar 't gele helm hangt bij de warme zee—begon 't in haar te lachen, helderheidspreidde zich door haar henen uit haar beenen.'t Was of helderheid door haar heen ging lachen—en zij verrees en keek over zich henen.'t was of haar kleeren hel waren: 'n wasch."Dit ben ik, dacht zij, dit ben ik, ik kanveel zijn, ik hoef niet altijd zoo te zijnzooals ik was.—Ik kan ook anders worden.Ik kan heel anders worden, heel, heel anders.Ik kan nieuw worden."Zoo lag ze lang heel stil neder te denken.Gedachten vlogen door haar hoofd van: Anders.En telkens prevelde ze stil: O, anders.En lachend zag ze zich gaan groot en schoon.Zich zag ze, en ze ging heel vroolijk doorhet zwarte pad dat door het natte bosch was.En toen ze buiten was over den randvan 't bosch en in de wijdte keek, daar stondenin zand van duinen weinig boomen ver.Toen had ze een visioen: Ze zag door de boomenzeer duidlijk menschen gaan: talrijke vrouwenen mannen op een langen wijden weg.Ze dacht niet wie ze waren, had ook nietde beteeknis van hen in bewustzijn,hoewel ze heel goed wist wie of ze warenin 't onbewuste van haar—had alleenhet gevoel dat zij daar die menschen zag.Zij ging verder, en het visioen verdween,zooals een gedachte verdwijnt, ze ginghooger en hooger in de blonde heuvels.Boven gekomen zag zij verre zeein klaar-blauw fonkelen.Zij stond heel stilals een vrouw uit albast gegoten. Stilhing haar kleed zwart en wit over haar schouders,haar kleine hoofdje bleek in vochtig licht."Ik moet in deze wereld heel verandren.Alles verandert, ik moet ook verandren",dacht ze en stond stil naar de zee te kijken,zooals een beeld,zooals een vrouw, een teere zachte vrouw.VII.Anna en Fransje, Clara en Mariagingen te samen om naar haar te hooren,die op de weide op den eersten Meivertellen zou den strijd der arbeidsters.Zacht scheen de lucht en de zon wimpelde,het water stroomde hun buiten de poorttemoet—en iets van de toekomstige dagewas daar. Hun hart proefde het en hun lip.Statig wapperde uit de blauwe luchtboven het weiland, en roode banierenhingen er zwaar in neder als muziek.Scharen van vrouwen kwamen, als donkrekleurwolken door een herfstbosch—jonge meisjesals zwanen trokken, heldre oogen schotenpijlen omhoog, en stille harten kloptenals kleine werktuigjes. Zacht als een zonkwam daar de spreekster over het tapijt.Zij was in 't teeder bruin gekleed en zachtleek ze—de zon omwikkelde haar gestalt',maar hare oogen straalden uit dat zachteenvelop heen naar al de gloeiendewezens die rondom haar diepkleurig gingen,en zacht kwam ze in haar bruine japonen met haar hoofd als van een hert.Zij boogzich zacht voorover naar de menschen toe.De hemel omvatte in wijde stiltedat stuk der aarde waar ze stonden. Zijbegon met zoete klinkende stem te spreken.Maria's hart hing, en haar mond was open.Zij hing naar haar toe, een peer naar zijn boom."D' achturendag.—Wij vragen hem omdatde vrouwen niet sterk genoeg zijn, en omdatde eeuwge krachtsinspanning in fabriekons, vrouwen, sloopt. Daar zitten wij 't eentonigwerk doende, onze teedre zenuwenverstompen door den blik op de machine.De hersens worden stomp als botte messen—wij denken niet meer,—onze hand doet maar.Onze ziel druppelt uit ons lichaam weg.Wij vragen den achturendag, omdatwij gezond willen zijn, zooals de boomen,zooals de dieren, als deez' gouden zonwier schijn ik hier in mijne vingren heb.Wij vragen den achturendag, omdatwij vrouwen bergen willen zijn van gezondheid.Wij vragen hem omdat wij willengolven zijn van rijp vleesch en helder bloed.Wij vragen den achturendag, omdatons lichaam anders is, dat iedre maandbloed stort en vrucht draagt. Als wij niet beschermdworden, dan stort het nieuw geslacht uit onszwak en bouwvallig, en groeit niet vast optot rijke, rijpe, rijzige gebouwen.Wij vragen den achturendag omdatwij meisjes, maagden, moeders zijn. Daaromvragen, ja eischen wij d' achturendag.Wij vragen den achturendag, omdathet kind beschermd moet worden, dat in onsleeft, hier in onzen schoot. Als dit lichaam,deez' armen, dit bovenlijf, deze beenen,en dit hoofd niet zacht gaan, en aan het kinddenken—dan wordt de stoot, hier gestooten,voortgeplant op het kind. En als mijn hoofdniet denkt voortdurend aan mijn kleine kind,en als mijn hoofd niet rijp verstandig denktin mijne zwangerschap, dan wordt mijn kinddom of dof of arrem, zooals zoovelen.Wij vragen den achturendag, omdathet zacht gebabbel van het kleine kinddoor ons gehoord moet worden. Wij willen nietheengaan van de aarde zonder dat gehoordte hebben, dat zachte beekvalletjedoor ons huis heen. Als wij in de andre kamerzijn, dan spreekt het daar verre stil, zijn zielbeweegt, gaat open, en klankt open alseen bloem. Zouden wij geen tijd hebben omdat te hooren? O geeft ons dan den dagvan acht uur, dat er een stuk voorons over is om naar ons kind te luistren.Wij willen onzen jongen tot een manzien worden—de eerste manlijke gedachtenzien over zijn gelaat, de eerste taalvan mannelijke daad hooren, zijn bleekewangen onder zijn donkerbruine harenbespieden, en weten wanneer de liefdede eerste klop doet in zijn slaap, daar hoogaan zijn gezicht, laag in zijn hart. Wij willenaan ons meisje vertellen, wat de liefdeis, wat de man. Wij willen bij haar zijntotdat zij vrouw is, als haar eigen zuster.Wij willen bij onzen man zijn opdatwij onze liefde voor hem, o, doorproeven.Tot aan zijn dood of onzen dood. En omdatonze kinderen moeten zien wat ofeen huwlijk is. Daarom d' achturendag,want zonder dien bestaat daarvoor geen tijd.Wij eischen den achturendag omdatons hart brandt. Wij zijn niet de doode menschender bourgeoisie, wij zijn de proletaren,de bloemen der menschheid. In onze hartenbrandt een fakkel, wij willen naar hoogerals vlammen. De natuur roept ons.Ziet ge die blauwe wolken? Daarheen willenwij, hier onze kleine gestaltetjes.Wij willen de natuur in, willen schoonheidzoeken en vinden in het schuim der zee,wij willen de muziek aanhoorendie opstijgt van het zeevlak, wij willenliggen aan 't strand en de geheimen vande schelpen en het zand voor ons uitkijken,wij willen de vogels zien gaan in 't bosch,wij willen de bloemen daaruit zien groeien,wij willen de zon als een broeder voelen,even vrij als hij zijne stralen zendtwillen wij dat de menschheid ons uitzendt.Wij willen 's avonds in ons kamertjegedichten lezen, bliksem door de hersensvoelen van gedachten, en gloed in welvan ons hart, als de hartstocht in leugenen schoonheid der fantasie waarheid wordt.Wij willen in de museums stil gaanlangs de marmeren lijven, en in onsschoonheid voelen aan de antieken verwant.Wij willen bij de muziek luisterendie als een stroom over ons henen komt,en ons reinigt als een stroom door ons hart.Wij willen reine wetenschap kennenwant zonder die worden wij nimmer sterk.Wij eischen den achturendag omdathij vastheid geeft.Wij eischen den achturendag omdatgij en ik moeten maken lichamenvan menschen, die de bezitters bestrijden.Gij en ik moeten van onz' lijven stalengeraamten maken, waar de harde vuistvan den patroon op stuk slaat, als hij onsaantast.Gij weefsters en gij naaisters en gij diespint—ziet gij niet hoe uw heeren makenverbonden tegen u,—gij, maakt ze ooken strijdt met hen.Tijd is noodig, een stukje van den tijd.Wij moeten 's avonds in dat stukje tijds,geroofd van 't kapitaal, in ons hoekjegaan zitten en studeeren wat toch isde maatschappij en haar groote lichaam.Wij moeten met gedachten in de hoeken,waar gewerkt wordt, dringen, en evenalsmet 't lijf des daags het kapitaal, zoo 's avondsmet onz' gedachten nog eens 't kapitaalmaken, met ons begrip. Gij moet d' oorzakender proletariërsellende doorvroên—de voorwaarden van bevrijdingnaspeuren, en als vrouwen doorzoekenhoe gij dubbel slaaf zijt, arbeidster-vrouw!Daarom de achturendag!Gij moet den politieken strijd doorgronden totzijn bodem, onder zijn diepsten bodem.Gij moet inzien hoe gij met u allen,hoe wij met ons allen, tot ééne machtmoeten worden, zooals de lucht daargindséén is. Wij moeten inzien hoe de strijdniet in het vak slechts, maar tegen den Staatgevoerd moet worden, dat wij als een stormkunnen worden, als wij in diepe lucht,organisatie, alle vrouw saambrengen.Daarom acht uur.O komt vogels, komt breede schare vanzwaluwen, heft u op en komt met onste zamen de deinzende diepte inder toekomst. Komt vrouwen, komt zusters,verheft u uit deez' tijd naar de toekomst.Uw blanke en bruine kleuren, uw cirkelsen massa's, die daar staat, o komt, o komt!Wie is de toekomst zoozeer als gij, vrouwen?Te zamen met den man willen wij vrouwenten strijde trekken tegen 't kapitaal.Te zamen met den man willen we onze scharenhelkleurig opschiên doen naar d' hooge burcht.Ziet gij niet hoe daarginds hoog in het zonlichthetdenkbeeldvan het socialisme staat?Welnu—Wij eischen den achturendag omdatalleen een geestelijk en zedelijk,lichamelijk en zielssterk proletaarjaathet socialisme timmren kanmet daden."Maria dacht aan haar man—en zij ginglangzaam en zwaar naar huis om hem te zoeken.Haar lichaam was zwaar en haar borsten zwaar.Zij zag haar kameraden langs zich gaan,zij voelde hoe zij geheel was met hen,maar hoe zij aan hem diepst van al verknocht.Muurschildering-R.R. HolstVIII.Zachte Maria trad in de fabriek.De zaal was lang. Honderden weefgetouwenstonden nog stil, diep in het bleeke licht.En daartusschen de honderden poppenvan menschen, pratend en lachend. Zij gingtusschen ze door en voelde een hartwarmte.Ze ging op haar plaatsje tusschen de andren,en wachtte op het weefgetouw nabij haar.Daar ging een fluit, en de machinist inzijn groote eenzame machinekamerkoppelde den dynamo. En daar gingde wonderbare stroom in de magneten,die trokken en stietten. Het rad begonmajestueuzen hoogen cirkelgang.En al de raadren en al de riemschijven,eerst daar verweg en toen ook in de zaal,begonnen te leven, het leven vloog doorde fabriek, en de krukken en de boomenen de spoelen begonnen hunnen dans.In eens was de zaal vol rumoer. En allemenschen begonnen hun stille beweging.In eens was de zaal vol van gaande lijven.In eens was de zaal vol bukkende lijven.In eens was de zaal vol zachte aandacht.In eens was de zaal vol teedere gangenvan levend vleesch en donkere kleerenen helle jurke'. In eens was de zaal volvan weefsels en van inslag en van schering.Maria keek op gloeiend rooden boom,en lette op den spoel en regeldeden gang. Haar helpsters gingen zacht naast haar.En zoo begon de groote lange dag.De zon zond zijnen butidel stralen dooreen grijzen glans. De ijzeren assendraaiden boven, de drijfriemen snelden,de wielen liepen en de houten armenrukten met schokken, dat de spoel klettrend vloog.Maria stil en lieflijk in haar werk,zooals een bloem tusschen het ijzer. Enhaar handen waren fijn, en hare oogenkeken zoo lieflijk als druppelen water.En zacht stond ze te denken aan de mannenen vrouwen om haar, en de kleine kindrenvertoonden zich om haar aan haar neerblikkenter zijde naast haar. En als zij uitkeekzag zij de lieve gezichten der mannenmet hunne knevels en baarden, de hellegezichten der vrouwen toonden zich bloot.Schemering was om haar, want in haar hartvoelde zij de liefde voor den arbeid.En in haar handen die werkten was warmte.Daar trad op eenmaal een man dicht naar haartoe van het naaste weefgetouw, en inhet dreunen en dondren van de machineshet klettren des staals en de schoten vande spoelen sprak hij, zoo dat ze hem toch hoorde:"Zullen we verder over 't socialismespreken of niet?" En zij keek stil uit harewarmte naar hem op en zei: "Ja heel graag."Toen begon hij, hij was een bleeke manmet donkre knevels, zijn gelaat blonk vochtig."Nu zal ik je nog eens vertellen hoehet kapitaal wordt in de groote wereldwaarin wij wonen: onze maatschappij.Laten wij stil voortwerken en toch praten,onder ons werken socialisten zijn."En hij dacht een poosje als in een zoeken,dat de wind doet; voor hij tot een storm wordt.Men ziet hem met de kleine bladen spelen,ze jagen, wervelen, 't is of hij kijkternstig op den grond waar hij zal beginnen."Zie eens Maria, zie eens deze draden,hun verf, dit staal, deze machine, dithuis met al zijne lederen riementot aan het dak. Zie eens uw boezelaar.Denk eens aan al de huizen in de stad.Denk eens aan al de dingen in ons landen in de landen hieromheen, de boomen,den grond, al wat er op is....Wat zijn hetbehalve natuurdingen?—het zijnwaren.Koopwaren voor den mensch.Zie eens, elk ding heeft waarde.Wat is die waarde, wat is de ruilwaarde?Het is de Arbeid, gemeten door den tijd.Onze arbeid, van u en mij, schept waarde.En de bezitters ruilen waarde tegenwaarde. Maar hoe ontstaat het kapitaal?Hoe komt het dat er altijd meer komt ind' handen van hem die kapitaal bezit?Hoe schept bezit bezit, geld geld, waar waarde?Hoe komt uit ruilen altijd meer, meer voort?Dat komt, Maria, omdat onder de warendie geruild worden er ook menschen zijn!Dat komt omdat wij, gij en ik, zijn onderde ruilwaarden, en wij, wij kunnen meerwaarde maken dan wij waard zijn.—Ons bloed kan meer doen dan het kost, ons eten,de kleeding die wij dragen, de kamersdie wij bewonen en de brandstof diewij verbranden,op een dag, in een maand, of in een jaar,is minder waard, heeft minder waarde, wordtom 't duidlijker te zeggen, in kortertijdsduur gemaakt dan wat wij zelve makenhier in de fabriek in een jaar, een maand,of op een dag.—We ontvangen voortbrengselvan zes uur misschien, wij geven van twaalf.En dat meerdere, die meerdere waarde,dat nieuwe werk aan grondstof toegevoegd,neemt de eigenaar der fabriek, en wij gaaniedere week met net genoeg naar huisom van te leven schamel en karig.Begrijp je 't Maria, het kapitaal?"Maria knikte.En de werkman zei:"En zoo gaat 't overal op heel de wereldwaar 't kapitalisme is. Iederen dagscheppen de millioenen loonarbeidersmeer dan zij krijgen. Het kapitaal groeit,het wordt een eeuwig groote gouden berg."Ze dreven ieder hunne handen doorde draden, grepen hier en grepen daar,met hun gedachten half en met hun handenheel in het werk. Het werk schoot op, het werdgrooter, er kwamen meer draden des inslags."Wat is nu de drijfkracht van dit alles",zoo ging hij voort, "hoe komt het dat altijdmeer komt, waarom gaat 't overschot niet opof blijft gelijk? Dat moet ik je ook nog zeggen,opdat je een goeie socialiste wordt.In de eerste plaats zijn Wij dus de drijfkracht.Wij maken altijd meer, en zooveel meerdat elk jaar overblijft, en ieder jaarwordt gevoegd het surplus bij 't kapitaal.Maar in de tweede plaats is deze het,dit trouwe dier, dat altijd meer meer werkt."Hij legde zijne hand als op een paardop de machine, op het breede jukdat het weefgetouw boven samen hield."Hij doet het, hij, met zijn metalen kracht.Want zie je, kind, alle machines wordenaltijd beter gemaakt door de geleerden,die zitte' in stille kamers ver van ons.Die maken dat het werktuig altijd beteren sneller en machtiger werkt, en indenzelfden tijd en met minder menscharbeidrijker oogst baart. En daardoor worden dande dingen die wij noodig hebben, lagerin waarde, de tijd die gebruikt wordt omons onderhoud te maken, korter, detijd dien wij dus voor niets voor onzen heerwerken, langer, en zijn winst altijd grooter."Hij zweeg en werkte, en om hen henen werktende andren, in het ruischende stootenwerden zij niet gehoord, zij gingen inhet licht en schaduw, even snel gezien.Maria zweeg, en hare liefde werdin haar grooter, de verontwaardigingliefde vlamde, het bloed van haar hart sloegin den bloesem van haar lijf uit, terwijlze zacht keek en met hare handen werkte.Lang was het stil tusschen hen tweeën, hijkeek hoe hij het verdere nu zou zeggen.Zij dacht en leefde en soesde en groeide.Daar begon hij weer, en een groot visioenbegon te stijgen in de stille luchtder fabriek. Hij leek wel een zanger diein de oude tijd zong van de helden enhun daden, voor de koningen der landen."Wij zijn het dus, de machine en wij,gij en ik en die daar, die 't geheel drijven,en maken dat de ontwikkeling komt. Want wijmaken het kapitaal, en 't kapitaal,altijd grooter, drijft de ontwikkling voort.Zie hier, buig u met mij in het werk neder,leg uwe handen in de draden vanhet weefsel, drijf ze er door, beweegdie zachte bloemen door het roode weefsel.Sla uw hand aan den hefboom, ruk hem over,glij uw oog langs den boom, en zie of inde juiste draden de spoel inschiet, weesmet uw lijf zacht gaande zooals een droom,wees, vrouw, in 't werk, laat ik u zien als inmachine gaan, en gij, zie gij naar mij,hoe ik één met mijne machine ben.Zien wij naar elkaar. Hoe wij werken, werken.Wij maken 't kapitaal. En aldoor meer!De rijkdom der wereld wordt aldoor grooter.Wij doen het. O zie naar me, ik zie naar u."De mannen en de vrouwen der nabuurgemachines, die hem zagen en wistendat hij over het socialisme sprak,waren nader gekomen en scholente zamen met hun hoofden zooals kindrenbij den meester, en kleine kindren alsChineesjes stonden onder hun boez'larentegen het staal der weefgetouwen aanmet hun hals en hun kin, naar hem te kijken,en luisterden goed hoe de wereld werd.Maria werd zacht door hen ingesloten.En hij ging verder, klaar klinkend van stem:"Het kapitaal gaat van ons uit, een stroomvan goud hier van uit onze handen.Werkt handen dus, gij drijft de wereld voort.Maria werk, werk, ik, wij drijven samenhet kapitaal naar buiten de fabriek.Het kapitaal van buiten de fabriekwerpt aldoor meer arbeiders hier naar binnen.Dus handen werkt, maakt het weefsel toch voort.Werk, werk, Maria, machine werk voort,vermeerder het kapitaal, en vermeerderhet leger der arbeiders. Onze handen,maakt kapitaal en maakt arbeiders snel."Hij had zich over zijn werk heengebogen,en sprak als in een droom. Zij luisterde,en zij luisterde naar zijn droom gebogen.En dieper boog hij zich op 't rood stramien,en sprak heel stil over de schering kijkend,over den spoel die daarachter heenweervloog:"Loop spoel en maak het weefsel, o gij weeftniet hier mijn weefsel alleen, maar het weefselder maatschappij hier binnen en daar buiten."Hij had zijn mond bijna tot op het weefselen fluisterde over de draden voort.Zijn kop rustte op het stramien, de stalenarmen en bouten der machine vlakvoor hem. Zijn hoofd was in grauwe schaduwder machine omvat, als 'n muzikantin de snaren der piano of harp.—Zij keek naar hem,—als een bloem in een bloempot.En hij richtte zich op in 't hooge licht,en met zijn haar dat stoffig was achterover,en met den fellen blik diep inhet lichten van de zonnestof gericht,terwijl de machines van zelve liepen,sprak hij:"Loopt spoelen, loopt, en maakt het weefsel,gaat handen in den arbeid, maakt het weefsel,schept, arbeiders, uw strijd met 't kapitaal,den arbeid hier, het kapitaal daar,—binnende arbeiders met den arbeid, daarbuitende bezitters met het bezit.O strijdtusschen beiden, kom, o kom, en word sterker.O Vrijheid kom, wij kunnen niet meer zonder.—Begrijp je, Maria hoe 't al zóó wordt?'Hij ging weer voorover in blauwen schijnvan de machine, en allen ginge' in blauwenschijn der machines weer aan 't arbeidswerk,met lichter harten en diep zwijgende.Maria was hoog als een hooge bloem,en zij keek stil naar de andere menschen,en voelde één met hen, zooals misschienallen eenmaal op elkaar zullen kijken.Maar 't kan misschien ook dan niet beter zijndan haar hart was. Zoo vol als in de zeevan gloed de anemone staat der zee,zoo was zij in het licht, een sterken gloedvoelde zij van haar hart door haar japonheengaan en alles voor haar omhullen,de arbeiders en ook de machines.En heel dien dag was zij in een verukking,en voelde hoe het socialisme werd.En nadat de avond gevallen wasover de wegen, en zij had gegeten,zat zij stil en heerlijk in zwarten nacht,en wist weer nog zekerder hoe zij moest.IX.Zooals een bruid staat binnen in haar kamer,de dag breekt buiten open, uit het vensterziet ze uit naar buiten in de eeuwigheid—haar hart stormt, zij is zeker.—Zoo stond Maria en dacht aan haar leven.Zooals een bruigom gaande door zijn kamerzich kleedende met wit—denkt: dit ben ik,en ik word spoedig met een andere.Zoo ging de rappe Willem met zijn hand,en met zijn voet die aftrapt' van den grond,door zijne kamer op dien Zondagmorgen.Hij trad stil naar het raam en legde op't kozijn zijn handen, en keek in het blauweneder. En stil zooals een rivier gaatging door zijn hart zijn leven. En hij dachthoe zij en de menschheid één Eenheid waren.En toen zij dan samen waren gekomenin 't goude en teere scheemren van de zon.En toen zij ver buiten waren gekomen,toen stonden zij daar stil zooals zij waren,en elkaars liefden keken ze in hun oogen.En Maria sprak: "weet je nog toen wijtwijfelden zooals bekers vol van wijn,die in de lucht schommelt?O ik ben vastgeworden, mijn hart weet wat 't kan en wil."
Muurschildering-R.R. HolstI.
Muurschildering-R.R. Holst
Een jonge arbeider kwam daar in het licht.Hij wist niet wat te doen, want voor het eerstmoest hij meedoen aan een staking—of niet.Hij was onzeker, voelde zich onzeker,—zooalseen schip dat aan het strand der zee,slingrend met beide kanten water schept.Hij was teer en zwart, want zijn moeder hadhem opgeleid in 't katholiek geloof,en hem hield vast die rijke en roode godsdienst.Maar hij was knap en vast, en de kameradenhadde' hem geopenbaard den klassestrijd,die alle krachten vraagt van d' wordendeMan.—Zoo ging hij nu door lichten dag.Wat zou hij doen, met hen meegaan of niet?
De blos maakte zijn zwarte wang vuurrood.
Zooals een jonge stier, die op de veldenkomt uit den stal, in 't voorjaar, duizeligin 't licht komt, en niet weet of her of der,en dan maar loopt rechtuit, op ééne lijn,'t is ongewis nog in zijn vaste hoofd,zoo ging hij, die jonge arbeider, dwars inhet licht, het zilvrig-witte dageslicht.
En twee gedachten joegen zich aan hem op,als uit de werklijkheid het groot droombeeldgevormd wordt, als een wind die schuim of stofopjaagt van zee of van een landweg. Eénwas dit: het zoete en zachte en tevree bestaanvan slaaf........—En de andre was één beeldvan opgaanden strijd. 't Leek een berg die hoogging....
Zoo ging hij op de vlakte, en wist nietwat hij doen zou. En nu eens doopte hij inlinks, dan weer rechts, in de gedachtafgronden,zooals een man die in een zwaar probleem,het vinden van een werktuig of geheimder natuur, denkt: wat zal ik doen, zal ikdien weg gaan? en diep in de zaak zelf peinst.En even onzeker ging hij terug,zooals een schip dat na zijn eerste reisterug komt in zijn dok, om daar hersteldte worden. Hij ging door het dampend lichtmaar zag het niet, zag slechts die groote vraag:moet ik of moet ik niet? En heel de wereldleek vol hem van die vraag.
Zoo ging hij 'n beetje wanklend naar zijn huis,zijn ooren waren vol, zijn slapen zwollen,omdat die vraag, uit de wereld gehoord,hem 't hart trof en het bloed hem naar de slapen.En hij dacht: 'k moet het doen: het kan niet anders;
Zooals in Februari of in Maartde wolken vliegen lachend langs den hemel,wit-blauw gevlekt, en de heele natuur,de bergen, de velden en alle boomenvoelen: het moet, het moet,—zoo voelde hijtoen hij daar langzaam naar zijn woning liep.Maar toch bleef nog een twijfling aan zijn hart,zooals het zilte schuim dat aan de zee ligt.En van zijn oogen viel een zachte straal.Hij was nog zeer jong, hij was nog een jongen.
's Nachts droomde hij een gouden, gouden droom.Het was hem of hij in een gouden streekwas gekomen, en of hij gouden menschenzag, die naakt gingen door een verguld licht.Zilveren stroomen waren er en heuvelsvan goud, en daarin zag hij die zonmenschen.
Hij kon er maar niet genoeg heen kijken.Hij zag niet veel, het was ook niet zoozeerwat hij zag, hoewel 't was echt gouden lichtals de zon, als een gloeiende bakkersoven.Maar 't was dat heerlijke gevoel wat doorhem zelf heenstroomde als hij er naar keek,daarom was het zoo heerlijk in dien droom.
Terwijl hij er naar keek, stroomde het doorzijn rug, zilvren stroomen nieuwe gedachten.Wijl hij er naar keek, werd hij een ander mensch,heel, heel anders. Wat was het toch dat inhem kwam? zoo, zoo had hij toch nooit gevoeld.En hij trachtte het midden in zijn droomte begrijpen, zooals een droomer denkt,ook weer droomend, maar toch begrijpend endroomende over zijn droom nadenkende.
En hij keek aldoor maar weer; want hij voelde,dat het vandaar moest komen, het begripvan d' heerlijkheid, als de heerlijkheid zelf.En hij keek steeds in dat ronde gewelf,een ovaal-breed gewelf met vlakken grond,vol gouden gloed en met gouden menschen,heel klein, maar heel gelukkig, en goudnaakt.En van uit die beelden, van uit hun haren,als 't ware van hen af en naar hem toe,stroomde aldoor in hem dat nieuw gevoel.En zoozeer stroomde het uit hen naar hem toe,dat 't leek hij werd zooals die menschen zelf.
En toen op-eens, werd hij door 't kijken kalm,en toen begreep hij 't—wat hij voelde waswat die kleine en gouden menschenhadden.Er was iets in hen wat hij, hij, niet had,maar door hen te zien zag hij dat zij 't hadden.En zooals alleen zien, iets aan den zienergeeft van het geziene, zoo voelde hijdat van hen in zich,—maar als een gemis.
En toen keek hij nog eens zeer kalm en goed,met de uiterste spanning van al zijn oogentrachtend te grijpen. En toen voelde hij't klaar komen door zich: Dat Nieuwe was Vrijheid.Dat wat hij voelde was wat hij zoo hooptemaar niet had, die oven dat was de Toekomst,en die menschen dat waren Vrije menschen.
En dien Maandag-morgen, toen stond hij op,en met zijn zwarte en jongzacht gezicht,—hijals een vaste en jong-zwarte stier—als een bloem naar zijne kameraden,en zij dat hij mee zou doen.—
II.
De jonge arbeidster kwam ook in het licht!Zij wist ook niet te doen, want voor het eerstmoest zij zelf in vereeniging, of niet.Zij was onzeker, voelde zich onzeker,zooals een schaap dat op het wijde veldvoor het eerst graast, want het was nog een lam.Maar zij was vast en licht, en de kameradenhadden haar geopenbaard den klassenstrijd,die alle krachten vraagt van d' wordendeVrouw. Zoo ging zij nu door lichten dag.Wat zou ze doen, er wel ingaan of niet?
Zooals een jonge koe die op de veldenkomt uit den stal, in 't voorjaar, duizeligin 't licht komt, en niet weet of her of der,en dan maar loopt rechtuit op ééne lijn,'t is ongewis nog in haar vasten kop—zoo ging zij, die jonge arbeidster, dwars inhet licht, het zilvrig witte dageslicht.
En 't leek haar of zij voor een minnaar stond,die met een teer gezicht en bleekheid omzijn hoofd daar stond. En of zij nu zich aanhem geven moest of niet. Eén voet stond klaar,maar ééne niet. Zij wist niet wat te doen,en bleef maar fonkelend en vlammend staan.Zooals een lente als zij aan de aard',aan de grenzen en aan den horizongekomen is, en daar maar pal blijft staan.En niet komt. En de menschen denken: wattoeft toch en mart en blijft daar toch die lente?Zoo stond zij op het veld, een vlam gelijk.
En weifelend ging ze daar op een steenzitten, en voelde kou en warmte uitde lucht, en den grond, en van uit zich zelve.
En twee gedachten vloeiden aan haar op,als twee rivieren, door de blanke luchtgekomen. De één was: Ik kan toch zijnvast en groot, ik kan groote vrouw worden.Er is de kracht in mij als van een mensch.De andre was: 'k moet stil bij moeder blijven.
Zooals een moeder, die op haar bed ligtte wachten op het kind, ze voelt het in zich.De twijfel van het uur maakt haar al ziek:Zoo zat ze daar neer.En even onzeker ging zij terug,zooals een paard dat men voor 't eerst beproefdheeft te leeren, en dat men nu terugbrengt naar den stal. Zij ging door 't klare licht.De wereld was wel klaar maar zij nog niet,zij twijfelde zooals het groene grasschittert, en vroeg maar aldoor, schitterend,de vraag: Zal ik of zal ik niet meegaan?
Zooals in Februari of in Maartde wolken vliegen lachend langs den hemel,wit blauw gevlekt, en de heele natuur,de bergen, de boomen en al de dierenvoelen: het moet, het moet, zoo voelde zij,toen zij daar klaarwit naar haar huis toe liep.
Maar toch bleef nog een weifling aan haar hart,als het zilverig schuim dat aan de kust ligt.Maar van haar oogen viel een zachte straal.Zij was nog zeer jong, ze was nog geen vrouw.
En 's avonds zat zij in haar huis alleen,voor het naar bed gaan, en tuurde in de schemering.Daar rond haar, daar waren de huizen vande kameraden: zij voelde ze aan haar oogen.Daar woonden ze, de stille en afgestompte.Zooals in een bosch, dat geen ligging heeftgoed—maar slecht. Want het woud is arm,er is geen luchtstroom, en er is te veelwater dat stilstaat om de harde wortels.Het bosch is forsch, maar doodsch en armzalig.Zoo was het leven der arbeiders om haar.En zij voelde zooals een vuurgezicht:Hun meisjes, ach, o pijn, o bittre pijn,de schoonheid, de bloeiende moederschoonheid,tot op een lage hoogte, en dan niet meer.En de mannen beperkt, en al de gavenbeperkt tot de armen, beenen en vuisten,en nog wat anders waaraan men niet denkt.Er gonsde een grijze scheemring om haar heen,en 't leek zoo of zoo was de eeuwigheid.
"Als wij samen zijn, o allen te zamen,mannen en vrouwen proletariërs,zijn wij meester van 't al. Dat is de taakeindloos voor mij, maar er moet aan begonnen."Zooals een vuurge bloem, diep in de scheemringvan een kamer, waar niets anders is, bloeit,vuurrood—zoo groeide zij in de gedachte.
En zij verhief zich, en trok zich zacht uit,het kleine dasje en haar wol'ge jak,en rok en broek en kousen. En haar hemdtrok zij over haar hoofd en armen heen.En zij bleef nog wat denken in de scheemringonder de zoldring. En ging toen in bed,en legde zich onder de dekens neer.Haar lijf was vol, en vast haar hart daarin.Zij lag daar stil zooals een jonge boom.En denkende aan het Doel sliep zij in.
's Nachts sluipt er rond een God. Dat is de Moed.Die gaat door achterstraten, en daar waarde hooge huizen der arbeiders zijn.En waar zij liggen duister in de scheemringmet hun vrouw, met hunne broers en zusters,maakt hij ze vast en moedig. De nacht geeftze sterker aan het licht dan zij ze nam.Maria lag roerloos. De goê gedachten,die zij gehad had den dag, stijfden zichin haar, en werden en maakten haar vast.
En buiten kwam de Dag zooals een minnaar,en spreidde 't schemerkleed wijd open, toenhij 't om de schouders hing. Maria ontwaakte,brekende, op haar bed. En stil en klaarlag ze, ziende den goddlijken ochtendstond.En zij hief zich. Haar voorhoofd ging naar 't licht.En zij wiesch zich, bukkende naar het water.En zij at iets en zei moeder goên dag. 'En zij ging door de lichte hooge straten.En zij trad de fabriek in in den schemervan staal.En zei aan d'andren dat ze mee zou doen.
III.
In de zaal ruischte het licht, zooals in zeede middag ruischt. Een hemelvaart van lichtsteeg op naar boven en maakte een wolkonder het glazen dak, en menschen kwamentusschen het groen en het hangende rood—een zwerm gezichten in het gele licht.En Willem duizelde: hij kwam ter leering.
Zooals aan de zee gele bloemen groeien,zooals over zee zwarte wolken zijn,zooals op zee de straten van de golventoonen haar zwart en rood en groen gelaat's morgens als de zon schijnt,—en elke geveleener golf toont zich anders parelmoer.—Zoo was de zaal, ze bruischte op hem in.En zooals de drommen der zware windenal trommelend over zee uit den afgronddes winterhorizons op komen zetten,in 't laat najaar, wanneer de zon zich stortvroolijk op zee, zoo kwamen drommen mannenzacht-luidruchtig pratend en schuifelendde zaal binnen, diep zooals een afgrond,en leken met gelaten gouden droom.
Een gouden droom in blauwe werklijkheid.
Er is wel een stil plaatsje tusschen rotsenaan zee, waar stil de zee in sluipt, het kindjeder groote golf, komende aan haar hand,komt daar alleen, en stort zijn helder waterop 't gele kiezelzand wat daar stil ligt.Zoo was de ziel van Willem, hij zat stilzooals een bloem diep in de zaal gezonken,en hoorde voor zijn oor geweldige zee,en ving ze in zijn hart parelend op.
Het was een groot rumoer van gaan en komen,de arbeiders vulden geheel de zaal.
En de zaal zette zich, en was een wolk—in 't dikke blauw schemerden stil de hoofden hoofden—en allen werden, allen keken stilnaar waar vijf hoofden als vijf sterren blonken.
En een stond op, Willem kende hem wel,zijn hart ging open want hij had hem liefzooals een vriend een kameraad bemint.En 't was Willem toen hij tegen de zaalbegon te spreke', of hij sprak tot zijn hart.
"Wanneer de mannen van een ieder vakzich zamelen zooals een golf zich zameltop zee, zooals men ziet een zwarte wolkzich samenballen, dan komt er een krachttusschen de arbeiders van dat enkel vak".
Zwaar waren de woorden.
"Als een enkel vakover de aarde zich kon samenpakkenzooals een wolk of zooals de lawine,dan zou de rijke patroon nedervallenzwak, en de arbeid vond zijn zonnewegnaar beneden, diep in het zonnig dal,waar het geluk en zoete vrede woont".
Willem luisterde en zag de landouwenhoog in de blauwte van de diepe zaal,boven des sprekers zacht goud-gele hoofd.De heele zaal leek als een blauwe zeeop te zwellen naar den spreker, en dieleek neer te komen met zijn zonnig hoofd.En Willem zag alleen dat hoofd, zoo gouden,zweven en spreken, als een sprekend hoofd,dat geen lijf meer had maar alleen een stem.
"Als de vakarbeiders van heel een landzich konden vereenen tot blijvende hulpaan elkander, zooals op zee de golven,die ook niet apart zijn maar saam de zee,dan maakten zij een kracht, zooals de krachtenvan elk arbeider apart, en te zamenalle aparte krachten. Maar veel meernog. Want er ware' in hen één Wil".
De wil vertoonde zich. Hij was het zonlichtbuiten, men zag hem stijgen als de zon,in vierkante stralen door alle vensters.De aarde was er vol van.
"Als de vakarbeidersaller landen zich kondensamenvoegen, dan kwam de stille zonder Vrijheid, o gewis. O twijfelt niet.Mannen, de Zon schijnt. Gij zijt zelf de Zon."
Zooals een vol bed blauwe violierenzoo hief de zaal zich, en er was een dondervan rumoer door de donkre vergadring.
En Willems hart werd klaar zooals een parel,en hij voelde zich daar tusschen geworpen,tusschen zijn kameraden, zoo zooalseen niets-waardige, maar die door de andreneerst een waardige wordt en zuiver klaar.
"En als de arbeiders van ééne natiezich stortten in den politieken strijdom de staatsmacht, zij vielen den staat aanen als alle arbeiders aller natiesdit deden en zich stortten op het landvan den staat, zooals nu de zeegolvenaller oceanen bruischen op het land—dan werden de arbeiders zelf het land,het vaste rustig land der eeuwigheid,en Vrijheid zou met de arbeiders wonen,en alle menschen waren eeuwig vrij."
Het leek wel of de reednaar werd zijn stem,zijn stem van goud, en dat goud weer de Vrijheid.De Vrijheid steeg op en verdoofde allesrondom Willems ooren. Er werd gesprokennog aldoor veel, hij hoorde het niet meer.Hij zag in het ovalen duister deVrijheid gaan, haar smijdig goud figuurtje.Hij zag de drommen van zijn kameradendonker blauwgroen, en haar tusschen hen komenmet haar gouden lach over al haar leden.En zooals een die aan de donkre zeezit, en de vioolkleurige heft haar stem,—voor hem niet, maar lijkt slechts voor zich te ruischen.Hij kijkt slechts naar de zon, hoe goud die is,en goud heengaat en trekt, zoo was ook hij.Hij zag alleen nog maar de gouden Vrijheid,en begreep, en luisterde hoe zij ging.
En toen de vergadring uit was en ineen wolk zich oploste, toen ging hij heen.Veranderd. Zijn hart had weer iets andersgekregen en verloren, 't Voelde nieuw aan.En in zijn voeten liep reeds half de Vrijheid.
IV.
Toen de ochtend stil was als een heilig water,trad hij de kamer waar de meublen bruinware' in, de lucht hel, het stof roerde niet.Het goud stroomde buiten al door de straten,en langs de wolken zeer wijd heengestrekt.Zoo stil als een jonkvrouw de eerste droomender liefde waarneemt, duizelde hem om 't hoofd:De arbeiders beklimmen de ochtendhoogten.
Zacht als een diepe nis leek hem de kamer,het hoogst in 't huis, uitziende op den hemel,en 't arme bruine deurtje van de kastnaast het raam, naast den openen hemel,leek hem te bergen 't allerrijkst geheim.Hij trad toe, en hij strekte zijne handen,en nam het boek, het gele, uit de kast,en droeg het stil naar de vierkanten tafel,en zette zich en legde het open.
En zooals eene die zich voor het eerstzet bij een veelgeliefde, zat hij neer,en deed het oor open voor 't wonderboek.Hij keek er in zooals wie in een waterkijkt buiten onder boomen, het zwart wateris licht van kabbelingen van de zon.En stil begon de wetenschap te spreken.
"De arbeid maakt alles van uit de aarde.De arbeiders huwen zich met de aarde.De arbeiders de Man, en zij de Moeder.En 't Kind is het Werk, dat uit steen en aardeoprijst. Het alomtegenwoordig Arbeids-Werk.
Maar ach—dat kind het wordt aan hem onttrokken,die de vader was. En 't wordt hem weggesleeptin andre huize', en niet met hem gedaanzooals hij wenschen zou. En de vaderblijft arm en kinderloos: de arbeider."
Hij staarde met groote oogen in het boek,zooals een kind dat voor het eerst een onrechtziet, met groot oog vol pijn er star naar kijkt.In de zachte ochtend was het een verschrikking,zooals de nacht is, en zijn oog ging openzooals de nacht, en zijn hart als de nacht.Hij was zeer jong, hij was als eene bloem.
En terwijl buiten de lichtlelies groeiden,boog hij zijn hoofd ter neder in de schauw,de bruine, die daar voor zijn voorhoofd was,en las van daaruit, van uit paarsche scheemringnaar 't gele boek, dat zijn letters zwart straalde:
"Maar de Arbeid heeft zooveel afgestaanaan den Rijkdom, de Rijkdom is zoo grootgeworden, dat zij de Arbeid heeft verkeerdvan klein en hout in groot en staal, dat rijkis geworden het Arbeids-Instrument.En millioenen zijn daardoor beroofdvan 't houten kleine werktuig, en nu armen bezitloos is de Meerheid der Menschen."
Zooals uit 't diepe ruischen van de zeeder kerk het orgel klaar begint te spelen,zoo klonk van uit het ruischen van de letters,die hij daar vóór zich op de tafel zag,de diepe beteek'nis der wetenschap.En zijn hoofd was zooals een gouden vrucht,die van een boom over een water hangtin September, als het water opgeeftde gouden stralen van de middagzon.En in zijn hoofd steeg op 't arbeidersbloed,het bloed des overwinnaars, dat andersbruischt dan het bloed van den verslagene,want dat is flauw en leekt flauw bloedend heen.En als een stier, die op de weide komt,in 't Voorjaar, op het zwellend groene weiland,als de hemel blauw wolkt, zoo keek hij overhet boek, de groene tafel, in de schaduw.Zooals een man die diep achter aan 't schip,aan 't stuur, aan 't roer hangt en het schip bestuurt,zoo hing hij achterover in zijn stoelen keek in het paarsch en bruin kamerlicht.En hij liet diep in zich gedachte dringen,en tot zijn hart bezonk de wetenschap.
En van buiten klonken jubelgeruchten.Want in het weven van de zon klonk stilen was een zilvren zee geroezemoes.En hij dwaalde uit, zooals een vogel vliegt,in de zilvren en verre werklijkheid,en zag een schaduw van wat hij kon doen,als een vogel zwart door wit voorbij schieten.
Zooals een stem begint te roepen, klonktoen weer toen hij terugkwam, vóór hem 't boek."Daarom arbeiders, o vereenigt u,want gij zijt de meesters, gij hebt de kracht,als gij het slechts wilt, als gij het slechtsweet."Het klonk als een roepende uit de schaduw."Gij zijt de Vaders, arbeiders, de aardeis uwe vrouw, o laat toch niet het kindu langer ontstelen, maar maakt uwefamilie één en in drieën onverdeeld."Zoo klonk toen uit de schaduw van het boekde heerlijke stem der menschen-bewustheid,als uit de opalen diepten van degeschiedenis der menschheid, op'nend, klonk het.Nieuw altijd weer, altijd, iederen dag.
En hij zat stil en luisterde heel lang,en liet het doordringen diep in zijn bloed,en liet zich verandren, iederen vezel.Want hij was tot heel lang zeer dom geweest.Zooals in de lente, het versche sapdoordringt in den stam van de lila iris,en maakt het blad anders en schept de bloem.Zoo drong in dien arbeider door de kennis,en maakte zijn bloed in zijn aadren anders,zoodat zijn beenen en dijen en vuistenanders werden en opgroeiden tot daden.Hij zat daar lang zooals een donkre bloemin de schaduw. De gloed der wetenschapom hem. Zijn hoofd was als een vlam van kennis.Hij liet het stil rondom zich heen vergaren,opbranden om zich als de hooge zee,en zonk er met zijn hart steeds dieper in.En toen, toen hij er goed zeer diep in was,stond hij op en hief zijn gestalt er in,bewoog zich door den vloed, ging stil naar 't werk.
Toen hij weer thuis kwam, stond er brood en koffie,en zat Maria daar met roode lippen.En hij nam 't wittebrood en zoende haar.Zooals een paard dat in de weide huppeltzonder toom was hij. En zij kuste innighem op zijn mond en op zijn bloeiende borst.En zacht speelde ze met hem en trok hemnaar zich toe en kuste hem om de wangen.En zij nam zijne, hij nam hare handen,ze speelden saam met levende kleinodieën.
Zoo zaten ze, de zachte lucht van linnenvan haar japon, en de veel fijner geurvan daaronder vulden de glazen kamer.En de wolken gingen voorbij en 't uur,en de zon scheen en maakte 't binnen goud.En hij zei: "nu moet ik weer naar mijn werk,"en stond op, en zij stond op, en zij gingenna eenen laatsten kus samen uiteen,hij naar zijn werk en zij ook naar haar werk.
Maar 's avonds stortte hij zich weer diep inde eenzaamheid en in het gouden boek.Hij zou weten hoe 't in de wereld uitzag.En diep met een gespanne' en zwarten wil,de handen aan het hoofd tegen de ooren,de zwarte wenkbrauwen gefronst, en 't haarstijfstaande op zijn kop als bij een stier,zat hij bij 't boek en las als 'r aan gemetseld.Hij las hoe of de arbeid is de waarde,en hoe de arbeid ten deele vergoedwordt den arbeider, in zijn loon, en hoeer arbeidstijd aan hem ontstolen wordt.Hij zette zich vast op zijn ellebogen,en begreep 't goed, het werd in hem geklonkenzooals de ijzren pijlers van een brug.Hij zat als een gast aan een stevige tafel,en at van de kennis, en niets te veel.De gouden lamp met haar petroleumstraalde, en 't zwart van 't duister was als stofen roest, maar in de hoeken was het fulpen.En hij sloot er zich in in de kennis.Zooals een smid die om zich zelven bouwt,die voor zijn werk binnen het werk moet zijn.
Hij las hoe noodzaaklijk de slavernijmoet erger worden op de arbeiders.Omdat zij altijd een steeds sterker drukvan rijkdom staaplen—hij las hoe de knechtschapvermeert, maar ook de scholing, en ook deEenheid der arbeiders. Hij zag het vóórzich, boven 't boek in 't felle helleschijnsel.Hij begreep het, de zwarte arbeiders warenlevend voor hem, daar vóór hem, 't kapitaalwas goud boven het gouden boek, daarinzag hij de zwarte arbeidersfiguren.Hij drong zich tegen 't boek aan, en zijn handenwerden vochtig tegen zijn blanke slapen.Zijn oogen schitterden, er liepen tranendoorheen van licht, zeer diep, zij vielen niet.Hij begreep het, in 't binnenste der werelddrong hij, dat was het wezenlijk geheim,het geheim van 't bestaan, 't eigenlijkewat hij moest weten, de diamant der daad,waar alle daden uit voort moesten komen.Hij voelde het, hiervandaan kwam het levender maatschappij.En der maatschappij washij zelf de kern, zoo goed als ieder ander.
Hij ademde diep in den zwarten nachtnaar de hoeken der kamer toe, als eendie ontrukt is aan 't eigen zelfbestaan,en die zoozeer is in de gemeenschapverloren, dat hij die voelt, niet meer zich.Juist, dàt was het, hij las van de gemeenschap,begreep de gemeenschap, maar juist daardoorzich zelf. Zijn persoon was de gemeenschap:die had hem gemaakt, die had hem gevormdtot 'n kern van haar, en hij, als deze kern,voelde in zich haar, en zich met haar tot één.Wat haar was, was hem, en wat hij was zij.
En daarin diep dringende met zijn oogenwerd 't groot probleem, wat hij las, hem daar klaar.Hij las van den arbeid en van de waardeder dingen—maar hij begreep wat of wasde arbeider, wat of hij zelve was.
En 't gemeenschapsgevoel stortte zich overhem als een zwarte golf, en hij voelde inzijn hart het diep-zwart voelen voor de Eenheid,de Eenheid van hem en alle arbeiders.
Muurschildering-R.R. Holst
Muurschildering-R.R. Holst
V.
O zoete lucht! O iedre avond dieiets leert! o Dag waardoor de arbeid gaat!
Zacht parelde de avond op de staden van den hemel eene zachte gloed.Willem kwam van zijn werk. Dit was d'avond,waarop de vreemden zouden komen envertellen van het socialisme, verin andre landen. Hij stapte naar huisen zwolg het eten binnen. Hij zag nietsdan even de planken om zijne kamer,hun rooden gloed.
Maar hij trok snel zijn wit halfhemdje aan,en wiesch zich. En hij stapte in zijn kleeren.Hij ging door de deur, en sloot ze stil dicht,en toen door de stad die zacht bloemrijk was.Het zwarte stof van de metaalfabriekverging, er rezen bloemen voor hem op.Hij stapte als een haan, die in den avondgaat naar zijn hok waar alle kippen zitten.
En nu schreed hij over den kleinen drempelen betaalde.En zag de kameradenweinig in aantal in de kleine zaal.Hij ging zitten stil met hen aan de tafel,en wachtte tot de andren zouden komen.Het was een kleine leering-avond vanenkelen—waar de vreemde kameradenzouden vertellen hoe het bij hen was.
En klaar scheen de lucht door de ruiten binnen.De avond was blauw buiten, binnen bruin.'k Geloof, de zee was daar ook niet heel ver.Zoo scheen althans de lucht, alsof 't kristalder zee in schittering gestegen was.En de menschen, de donkre kameradenhinge' achterover in de kamerscheemring.
En in die volle donkre rust, daar klonkenbuiten op houten gang de voetstappenplotsling. De deur ging open. Daar tradeneerst de bekenden binnen, en toen tweemannen al oud, grijs was hun baard, en kleinbeide—en allen, jong en oud, zetten zich.
En zacht begon, na een stilte, te stijgeneen stem, zooals een peil, een goudene.Zooals men 's zomers zien kan eenen vogel."Genoten, vrienden, echte kameradenvan ons en mijn hart. Ik groet broederschaptusschen u en mij. Echte broederschapplaveit zich tusschen u en mij. Zoo mogede broederschap eenmaal zijn tusschen menschen."
O zachte stem, o gouden vrijheid, hoevuldet gij de kamer en maaktet een vlakwaarin al de hoorende harten leefden.Zooals een fontein spuit, en 't heele boschhoort het, ook waar hij niet is, zoo hoordenzij zijne stem alsof uit eene verte:
"Duitschland was altijd 't land van slavernijsinds eeuwen. En onder onze gelijkenwas er geen vrijheid. Totdat voor een vijftigjaren gedacht' aan vrijwording begon.Wat was het tooverstaal, dat in 't bazaltleven bracht, wat bezield' de doode stof,wat bracht de vrijheidsdorst in onze monden?Het werktuig, vrienden. De machine sloegvonken in ons los. 'k Heb het zelf beleefd.Zij bracht de groote massa's samen, zij zette onsnaast, naast, naast elkaar, zij maakte ons broeders,ons kameraden, ons maten. Zij brachtonze oogen bij elkaar. Zij bracht de honderdarbeiders vóór elkaar, die elkaar vreemdwaren geweest. Zij stelde om zich als haarkindren of kuikens al de machinisten.En die zagen elkaar in de oogen, enhun moeder naast hen, de stalen machine.Was 't niet of die machine hen aaneenbond? Waren ze niet werkelijk vriendenin 't werk? Ja—dat voelden zij, ze warenbroeders en vrienden. Dat gaf ééniging.Dat is het zaad waaruit het socialismekomt.
En dat gebeurde niet in één fabriek,makkers, maar overal, maar overal.Over gansch Duitschland, hier en daar, wel weinigeerst, maar allengs meer. Het groeide,het fabriekswezen, en elke machinevereenigde de mannen om zich heen.Al die machines met die groepen mannenwerden kernen der nieuwe maatschappij,en van het socialisme. IJzren kernenmet vleezen omhulsel.—Gij ziet wel 's zomersde vruchten rijpen, is 't niet? aan uw boomen,en al die vruchten zitten vol van zaad?Zoo was 't met het fabriekswezen dat overDuitschland zich spreidde, toen ik nog jong was.
Maar al die vrienden, al die menschenlijven,al dat vleesch rondom al de ijzren kernenkenden toen nog niet 't socialisme. 't Wasvoor hen nog onbewust. Hoewelzijinhun arbeid wel 't eerste gevoel al kenden,—zoo goed als zij,—van die grootebroederschap, was 't toch slechts een eerst gevoel.Zoo is 't immers ook in een jongen vantwaalf jaar? De liefde is er, maar niet totbewustheid. Zoo was het in ons. Wij kekenelkaar aan, maar wij wisten nog niet.—Hoekwam dat toen in ons, hoe zijn wij toen overgegaantot volle kennis? Welke vonkis dat toen weer geweest, die in ons groenehet vuur bracht en de kleur, de vurig roode?Dat is de wetenschap geweest, mijn broeders.
Daar zat een man in Londen, ver van ons,en terwijl wij iederen dag zoo zwoegden,en terwijl wij iederen dag aankekenelkaar over het groen geolied staal,en terwijl wij in elkaars oogen zochtenvriendschap, terwijl de vlammen van ons zijnmet de vlammen der stalen machine schiepenhet goud voor den bourgeois—en wij maar nietkonden vinden denalgemeenenweg,den weg voor allen, om tot kracht te komen—zat die man en zochtde wetenschap voor ons....En in 't verbondvan wetenschap en arbeid vond hij het,de magneet, die ons aan elkaar voor goedkon trekken: 't gansche proletariaat.En hij schreef het uit in een gulden boek,en in stalen boekjes: die leus voor ons.Proletaarjaat aller landen, wees Eén.En hij wees ons den weg, dien wij gegaanwaren in 't klein, in 't groot als algemeenenbevrijdings-zonlicht-gouden-vrijheidsweg.
En wij vereenden ons in éénen band,de Internationale, die gij kent,de Associatie roemvol aandenkens.Dat was Marx, mijne vrienden, de man wiende arbeidersklasse van Europa enAmerika meer dankt dan aan wien ook.De man die d' Wetenschap, zoolang u vreemd,u gebracht heeft en haar gemaakt uw kracht.U, lijdenden, verbond hij met het denken.De denkenden verbond hij met het lijden.Zacht golft het gras over zijn diepe grafte Highgate, maar hij staat hier tusschen ons,hier naast mij, en daar zit hij tusschen u."
En zacht vloten de beken van de tranenomdat het denken bij de lijdendeneindlijk gekomen was.Er waren oude arbeidersgezichten,als steenen koppen in de buitenlucht.En zij weenden niet, want de arbeid hadhen gewend aan alles wat hard en pijnlijk.
"Wij hebben opgeroepen, 't Was Lassalledie den strijdroep liet hooren. En wij sneldentoe, en vormden de Arbeiders-partij.De politieke partij, 't was voor 't eerst,dat arbeiders afdaalden in het strijdperkte strijden met het heele kapitaal.Wij vlogen samen, o nog maar 'n klein troepje,voor veertig jaar. Maar wij vielen ze aandadelijk allen: 't grond-, 't bank-kapitaal,het handels-, en 't industriekapitaal,wij, de arbeiders, schaarden ons er over:Wij stelden ons tegenover den Staat.
O 'k weet het nog zoo goed, ik was de eerstedie heengestuurd werd, waar de Staats-Kop ligt,den Rijksdag, om daar als een jonge Siegfriedte gaan vechten in het hol van den draak.Het kon niet anders zijn dan woorden, woorden,die ik tegen hem slingerde, een zwaarddat hem kon dooden, was er toen nog niet.Maar mijn woorden werden buiten gehoordin al die plaatsen waar de vleezen vruchtenom de ijzre kernen heen zijn. En dáár dáár,begon men toen het zwaard te smeden, dateenmaal, wanneer het hecht is volgesmeed,den strot zal boren van het kapitaal:d' Organisatie.En men heeft gesmeed.Vroolijk als Siegfried staat de arbeidersklassevan Duitschland, en smeedt aldoor aldoor door.Gij kunt 't haast hooren als gij van hier luistert.
Rondom de ijzeren machines gaande vleezen lijven, de denkende koppenNaar de fabrieken loopen iedren dagde stevige voeten dragend helle koppen.In de fabrieken komen elken dagduizenden vrienden samen, met hun vrouwenen kindren, hun meisjes en jongens.En die bevolking ziet elkander gaan,en op den hoek van een machine alszij elkaar tegenkomen, zien ze elkaarsoms even in de harde sterke oogen.De ééne hand reikt in handgreep de ander,een voet raakt voet, een rug raakt rug, dan keerenze even om tusschen hun deelmachines:Was 't zijn lijf of was 't mijn lijf dat het deed,was het haar zachte heup, haar teedre oog,was het mijn jas of haar jurk dat mij raakte.Neen, 't was de hand van onze kleine zoontje,dat daar staat en vlug met zijn vingers voedthet bijtend welgeolied vlugge staal.En als ik mijn hoofd soms heel stil opricht,en in een oogenblik dat mijn werktuigpoost om gesteld te worden voor nieuw werk,mijn oogen rond laat gaan door heel de zaal,wat hangt daar, wat is daar die grijze nevelwaarin de armen staal slaan, waarin flardenproduct en ijzer, grondstof en menschstukkendooreenscheemren, wat is die damp die allesomslurpt en overhuift en ons toedekt?Ik zie 't, 't 'is de gloed die ons aaneenbindt,het socialisme, dat uit onzen arbeidopstijgt, d' Eenheid van werken, waaruit éénvoelen en willen, hopen en leven komt.Zoo ontstond in Duitschland de nieuwe droom,als een nevel die in den zomerdagbegint te trekken uit het groene weiland,het smaragd kristalgroen verbreidt zich onder.—'t Kapitalisme bouwt ons de machines,'t Kapitalisme bouwt ons de fabrieken,wij bouwen 't kapitaal, 't kapitaal bouwtons werkhuis—wij willen het huis óns, dat wij zelf bouwen."
De stem ging naar de hoogte. Willem gingmee naar de hoogte—hij zag alles goed.
"Wij hebben organisatie gemaakt.Wij hebben gebouwd al die jonge bosschen,waaruit muziek waait die gij hier kunt hooren.Wij hebben gebouwd al de nieuwe orgelsuit wier pijpen, uit wier luchtpijpen-kelen,het wereldlied klinkt als van vrije vogels,die 's morgens op een heeten zomerdagmidden" in zomer al vóór drie uur zingen.
Terwijl wij zongen, kwam de donkre machtevan 't kapitaal, de patroons en de kerk,de bankiers, renteniers en grondbezitters,de dievenkooplieden en de beursdieven,vielen ons aan en sneden menigen strotvan een jong zanger meedoogenloos af,zoodat zijn stem uit afgesneden keelniet meer klonk, maar als een bloem zonder hoofddaar bleef.—Duizenden arme vogelssloten ze op in hun kooien dat niethun stemmen klinken zouden, en de stommevogels, die nog niet zongen, leeren 't lied.Duizend vogels vertrapten ze, tienduizendroofden ze 't brood, honderdduizend verstomdenze door bedreiging, en millioenen maaktenze dom door de hel van hun domme godsdienst.Maar wat kon 't geven, waar die lieveling,de machine, ons roept, ons leert, ons éént;waar de arbeid, de bron van het bestaan,de moeder aarde die de grondstof geeft,die één met het werktuig is, één met ons,ons leert dat wij één moeten zijn,—wat geeftdaar't dreige' en doodslaan van een zwakken mensch?Neen, ondanks dat duizenden menschen vallen,ondanks het lage loon, den kinderarbeid,den vroegen dood van ons allen, ondanksdat 't fijne lichaam onzer schoone vrouw,het breeklijk lichaam der jonge arbeidersgebroken wordt bij duizenden, ondanksmoreel' en physische ellend', ondanksachteruitgang en slavernij, ondankswerkloosheid, zwerven, onzeker bestaan,bloedloosheid van hoofd, angst om ons hart vaak,armoed van bloed in vleesch en in oogen,gele voeten, geel gezicht, arme oorenen oogen—maakt de Arbeid, Onze Eigenschap, ons één.Men kan even goed aan het water zeggenom niet nat te zijn,—alsaan de arbeiders om niet één te worden.
Eeuwen van jaren straf gaven ze ons,Duizenden jaren honger gaven ze ons,Millioenen jaren strijd gaven ze onssamen.—Eeuwigheid hoop geven ze ons.En de hoopwordt, het socialismekomt.
Hoort ge 't niet, vrienden, het geklinkeklank,het tapprend beuken, het gepinkepank,als ge goed luistert?—Luistert, hoort 'n maal?Daar over 't Oosten klinkt een rijpe schaal.Daar over 't Oosten klinkt een rijpe keel,en een zwaardvegen, en een zwaardgestreel,en weer een beuken en een galmend hameren.Dat is jong-Siegfried, die is aan 't verzamelenvan zijne krachten, en hij stort ze inzijn zwaard, waarvan hij nu maakt het begin.Zijn lichaam is een deel van onze natie.Hij is de Arbeiders, 't zwaard: Organisatie.Hoort, hoort, gij kunt hem bijna van hier hooren."
Het leek alsof hij zelve even luisterd',of hij van hier uit zijn land hooren kon,en of hij 't hoorde. Want hij zonk een poosjein aandacht weg, diep en diep in zich zelve.En wat hij hoorde werd toen daarop kondaan de vergadring, die nog dieper luisterd',nadat zij op zijn luistren gewacht had:
"Duitschland is één groot land van heel veel lijdenDe rijken hebben zich aan één gesmeed:de adel, de landheeren, fabrikantenzijn als een bond op den nek van het volk.Maar de arbeidersklasse van heel Duitschlandwordt één en aldoor meer één, onze machtwordt grooter aldra dan die onzer heeren.Zij rusten op ons—kunnen toch niet levenzonder ons.—Wat als wij dan sterker wordendan zij?—Dan zijn zij niets, kunnen niet levenals wij niet willen meer zooals zij willen.—Hunleger wordt immers altijd meer ons!—Ende arbeid is, als wij één zijn, ons."
Het leek of hij wat droomde, of hij ziendewerd van diep denken dat als droomen is,En de vergadring ging mee in den droom.Zij waren één met hem: allen arbeiders.Als een gehoor dat één is met een spreker.
Maar hij richtte zich op en zeide stil:
"Wij zijn al ver in Duitschland, halverwegebij 't doel. Daar staat 't. Ik zie 't voormijn oogen, het vlamt zilver, daar, daar staat het.Gij ziet het ook, vrienden, het Socialisme."
In één opvlamming kort had hij 't gewezen,van uit zijn kracht, van uit zijn zeekre hart.En als een vlam van zilver ging hij zitten.
En zij, zij keken allen op hem.En Willem keek tot hem vol ademloozeverbazing op,—op hem met teere liefde.En hij zat stil schuin naar benee te kijken,de woorden waren weg, zijn hart klopte.
Zijn vriend verrees, de kleine sterke Franschman,die 't leven lang voor 't proletariaatgewerkt had.Hij leek een gouden rechte vlam, als in't glas van een lampje op het koper staat.Maar zijn stem was als de stem van de zee,als ze gehoord wordt met korte rukken,die de onophoudelijke wind meedraagt,en broederlijk in stukken geeft aan 't land.
"Een ander maal zal ik u meer verhalen.Nu slechts een enkel woord, het is al laat.
Het was voorjaar, mijn kindren, en de zoeteluchten vol wolken vlamde' over Parijs.
Zooals een bloem breekt in de lente, eenepapaver met zijn breede ronde bladen,zoo is toen in die stad, voor 't eerst, Europaeen oogwenk rood socialistisch geweest.
Gij weet het, kindren, het was de Commune.O zacht klinke de naam zooals een bloem.
Parijs was toen zoo schoon. Er waren geeneheeren, noch hoeren, want die lichtekooiepapegaaien zaten saam in Versailles.—Er liepen geen prostituees op straat.—Er dreven geen lijken meer in de Seine.—Er werd niet gestolen en niet gemoord.—Men kwam veel menschen met de hoop al tegenop hun gezicht.—Het was het eerste windjevan dien dag, die eens komt, als alle kindrenzullen lachen op de hoeken der straten,en als de kindren ook de menschen lachen.Zal 'k u een teeken van de toekomst zeggen,wat ik toen zag in het oude Parijs?Er waren geen prostituees op straat—de lichtekooien in hun roode zijdewaren weg.—Maar weet ge wàt men zag?.—De arbeidersvrouw in het openbaar leven.
Parijs was toen een goudschijnende fakkel.Parijs was toen een heerlijke middernacht.Parijs was toen een roode granaatappel,die met zijn roode wangen aldoor lacht.Wat zaten er toen aan den nok der daken,aan hun zoldervensters een jonge harten,uitkijkend, zooals duiven, naar de zon—welkeen schoon bruischen van filosofiesteeg op—o welk een liefde ging verloren!Want 'k hoef u niet te zeggen, mijne vrienden,na wat mijn vriend straks zeide: 't ging verloren,want het ééne noodige, het ontbrak,de doelbewuste strijdorganisatie.
Arbeiders kunnen nooit, neen nooit dat winnen,wanneer ze niet in zeer grooten getaleen één van wil en doel vereenigd zijn.Bij ons ontbrak dat. Daardoor stierven wij.Wij zijn door onze onwetendheid vernietigd.Laten wij leeren, onderrichten w' ons.
En dat is wat ik u nu slechts wou zeggen,jonge vrienden, hier in 't kleine Holland:Wij zijn door onz' onwetendheid vernietigd.Laten wij leeren, onderrichten w' ons.O laat ons leeren,zoeken wij door kennis den weg tot eenheid."
Stil stond de man, die man die zelf daarbijwas, en die met die oogen alles zag.Het was geluidloos rondom, 't stil rumoerder harten alleen ging door. Na een stiltesprak hij: "Wij zijn na dien sterker geworden.Ook in ons land zijn wij den taaien strijdbegonnen tegen de bourgeoisie, entegen d' onwetendheid der arbeiders.Lang is de weg,aan 't einde is de bloemige zegedag,als 't socialisme als een tuin ontluikt.Maar aan 't begin staat ons land, eene bloem,de Commune, 't Parijs der Arbeiders.Eeuwig de roemvolle vooruitbode,de bloedige, der nieuwe maatschappij.—
Het schoone komt niet zonder dood.Haar Martlaarsworden bewaard in 't hart der arbeiders.Haar verdelgers staan nu reeds aan den schandpaal,van welken hen geen gebed hunner papenverlossen kan.Het Parijs der arbeiderszij u een les vàn 't kwade, naar het goede.—Een ander maal zal ik u meer verhalen,laat ons nu gaan, het is morgen vroeg dag."
Hij had gesproken, en zette zich neernaast zijn vriend, en de jonge Hollanders warenvol zwijgen uit eerbied voor het verleden,en voor de mannen die 't verleden maakten.En langzaam gingen zij daarna uiteen,zooals schepen die uit een haven gaan,maar niet alle gelijk, maar een voor een,of bij tweeën en drieën. Aldus gingenzij weg naar hun huizen, en Willem gingalleen naar zijn huis, het hoofd vol gedachten.
Muurschildering-R.R. Holst
Muurschildering-R.R. Holst
VI.
De aarde ontspant zich, en uit de baringrijzen fijne nieuwe gestalte' omhoog.
Maria ging door 't licht met fijnen voet,zooals een hert slaande den fijnen hoef.Zij ging naar buiten om aan zich te denken,daar in de bosschen in den koelen schemer.
Zij was een weefster, hare kameradenhadden haar pas geleerd den klassestrijd.Zij wilde er goed over gaan denken, buiten.
Zij holde door het gouden bruine licht,zooals een schip dat, nieuw, zijn vlosjes hout,zijn ijzersplintertjes, zijn vlokjes verfverliest als het snel doorschiet door de zee.Zooals een paard dat in de weide komt,en 't verliest zacht 't donkerbruin winterhaar,doordat het strookt door de fijne landlucht.Zoo holde zij door 't groene dagelicht.Tintlend was 't of nu hier dan daar op d' huideen plekje nieuw ontplook. Was dat de luchtdie 't deed, de wind? of kwam het uit haar zelf?Was het haar ziel—was het haar nieuwe ziel?Zooals een meisje in wie de bronnenopengaan, zoo was 't haar over het lijf.
En zacht bereikte ze de donkre schaduwvan 't oude bosch, donkre eiken, groenzwarte elzen,en daar, in de waterig natte schaduw,zette ze zich op eene rott'ge bank,en begon over haar leven te denken.
Voorbij was het, zooals stille fontein.Voorbij haar leven, zachte kinderleven,voorbij de droom, bij moeder zacht geleefd.
Voorbij was het zooals zachte fontein.Nu zat zij hier, de stille hand hing naasthaar heen, de witte boezelaarkreukelde en haar hoofd hing stil voorover.—Hoe zou het zijn als alles nieuw, nieuw werd?Zij vroeg 't den grond, den vetten natten grond—zijkeek voor zich uit naar de roode huizen,zij vroeg 't den hemel, grijzig wit en warm.Zou ze kunnen? zou ze met al de mannenkunnen uitgaan en strijden en nieuw worden?Over haar huid viel neer een doffe matheid,zooals over een jongen valt die manwordt. 't Is geen zwakheid, het is nieuwheid maar.En zij liet slap de beide armen hangennaast haar witte gestrekte boezelaar,en strekte de beenen en lag te denken.Zooals een schip dat ergens in de zeegeschommeld wordt door het loodgrijze water.Het is een wrak, er is geen levend menschmeer op. Het heeft geen roer, geen mast, geen zeil,'t is maar een klomp hout. En de golven doenwat zij willen, en doen of 't schip er niet is.Zoo speelden met haar de groote gedachten,die evenals de wind nu door de menschengaan en hen doen doen en hen doen denken.De zachte vrouw lag met haar zwarte harendaar neder, door het denken overmeesterd.Zal ik gaan, zal ik den strijd mee beginnen?
Zooals voorjaars, als er in alle sprieten't leven begint over de verre veldenen op de torens en op de kapenwaar 't gele helm hangt bij de warme zee—begon 't in haar te lachen, helderheidspreidde zich door haar henen uit haar beenen.'t Was of helderheid door haar heen ging lachen—en zij verrees en keek over zich henen.
't was of haar kleeren hel waren: 'n wasch."Dit ben ik, dacht zij, dit ben ik, ik kanveel zijn, ik hoef niet altijd zoo te zijnzooals ik was.—Ik kan ook anders worden.Ik kan heel anders worden, heel, heel anders.Ik kan nieuw worden."
Zoo lag ze lang heel stil neder te denken.Gedachten vlogen door haar hoofd van: Anders.En telkens prevelde ze stil: O, anders.En lachend zag ze zich gaan groot en schoon.
Zich zag ze, en ze ging heel vroolijk doorhet zwarte pad dat door het natte bosch was.
En toen ze buiten was over den randvan 't bosch en in de wijdte keek, daar stondenin zand van duinen weinig boomen ver.Toen had ze een visioen: Ze zag door de boomenzeer duidlijk menschen gaan: talrijke vrouwenen mannen op een langen wijden weg.Ze dacht niet wie ze waren, had ook nietde beteeknis van hen in bewustzijn,hoewel ze heel goed wist wie of ze warenin 't onbewuste van haar—had alleenhet gevoel dat zij daar die menschen zag.
Zij ging verder, en het visioen verdween,zooals een gedachte verdwijnt, ze ginghooger en hooger in de blonde heuvels.
Boven gekomen zag zij verre zeein klaar-blauw fonkelen.Zij stond heel stilals een vrouw uit albast gegoten. Stilhing haar kleed zwart en wit over haar schouders,haar kleine hoofdje bleek in vochtig licht.
"Ik moet in deze wereld heel verandren.Alles verandert, ik moet ook verandren",dacht ze en stond stil naar de zee te kijken,zooals een beeld,zooals een vrouw, een teere zachte vrouw.
VII.
Anna en Fransje, Clara en Mariagingen te samen om naar haar te hooren,die op de weide op den eersten Meivertellen zou den strijd der arbeidsters.Zacht scheen de lucht en de zon wimpelde,het water stroomde hun buiten de poorttemoet—en iets van de toekomstige dagewas daar. Hun hart proefde het en hun lip.Statig wapperde uit de blauwe luchtboven het weiland, en roode banierenhingen er zwaar in neder als muziek.Scharen van vrouwen kwamen, als donkrekleurwolken door een herfstbosch—jonge meisjesals zwanen trokken, heldre oogen schotenpijlen omhoog, en stille harten kloptenals kleine werktuigjes. Zacht als een zonkwam daar de spreekster over het tapijt.
Zij was in 't teeder bruin gekleed en zachtleek ze—de zon omwikkelde haar gestalt',maar hare oogen straalden uit dat zachteenvelop heen naar al de gloeiendewezens die rondom haar diepkleurig gingen,en zacht kwam ze in haar bruine japonen met haar hoofd als van een hert.Zij boogzich zacht voorover naar de menschen toe.De hemel omvatte in wijde stiltedat stuk der aarde waar ze stonden. Zijbegon met zoete klinkende stem te spreken.Maria's hart hing, en haar mond was open.Zij hing naar haar toe, een peer naar zijn boom.
"D' achturendag.—Wij vragen hem omdatde vrouwen niet sterk genoeg zijn, en omdatde eeuwge krachtsinspanning in fabriekons, vrouwen, sloopt. Daar zitten wij 't eentonigwerk doende, onze teedre zenuwenverstompen door den blik op de machine.De hersens worden stomp als botte messen—wij denken niet meer,—onze hand doet maar.Onze ziel druppelt uit ons lichaam weg.
Wij vragen den achturendag, omdatwij gezond willen zijn, zooals de boomen,zooals de dieren, als deez' gouden zonwier schijn ik hier in mijne vingren heb.Wij vragen den achturendag, omdatwij vrouwen bergen willen zijn van gezondheid.Wij vragen hem omdat wij willengolven zijn van rijp vleesch en helder bloed.Wij vragen den achturendag, omdatons lichaam anders is, dat iedre maandbloed stort en vrucht draagt. Als wij niet beschermdworden, dan stort het nieuw geslacht uit onszwak en bouwvallig, en groeit niet vast optot rijke, rijpe, rijzige gebouwen.Wij vragen den achturendag omdatwij meisjes, maagden, moeders zijn. Daaromvragen, ja eischen wij d' achturendag.
Wij vragen den achturendag, omdathet kind beschermd moet worden, dat in onsleeft, hier in onzen schoot. Als dit lichaam,deez' armen, dit bovenlijf, deze beenen,en dit hoofd niet zacht gaan, en aan het kinddenken—dan wordt de stoot, hier gestooten,voortgeplant op het kind. En als mijn hoofdniet denkt voortdurend aan mijn kleine kind,en als mijn hoofd niet rijp verstandig denktin mijne zwangerschap, dan wordt mijn kinddom of dof of arrem, zooals zoovelen.
Wij vragen den achturendag, omdathet zacht gebabbel van het kleine kinddoor ons gehoord moet worden. Wij willen nietheengaan van de aarde zonder dat gehoordte hebben, dat zachte beekvalletjedoor ons huis heen. Als wij in de andre kamerzijn, dan spreekt het daar verre stil, zijn zielbeweegt, gaat open, en klankt open alseen bloem. Zouden wij geen tijd hebben omdat te hooren? O geeft ons dan den dagvan acht uur, dat er een stuk voorons over is om naar ons kind te luistren.
Wij willen onzen jongen tot een manzien worden—de eerste manlijke gedachtenzien over zijn gelaat, de eerste taalvan mannelijke daad hooren, zijn bleekewangen onder zijn donkerbruine harenbespieden, en weten wanneer de liefdede eerste klop doet in zijn slaap, daar hoogaan zijn gezicht, laag in zijn hart. Wij willenaan ons meisje vertellen, wat de liefdeis, wat de man. Wij willen bij haar zijntotdat zij vrouw is, als haar eigen zuster.
Wij willen bij onzen man zijn opdatwij onze liefde voor hem, o, doorproeven.Tot aan zijn dood of onzen dood. En omdatonze kinderen moeten zien wat ofeen huwlijk is. Daarom d' achturendag,want zonder dien bestaat daarvoor geen tijd.
Wij eischen den achturendag omdatons hart brandt. Wij zijn niet de doode menschender bourgeoisie, wij zijn de proletaren,de bloemen der menschheid. In onze hartenbrandt een fakkel, wij willen naar hoogerals vlammen. De natuur roept ons.
Ziet ge die blauwe wolken? Daarheen willenwij, hier onze kleine gestaltetjes.
Wij willen de natuur in, willen schoonheidzoeken en vinden in het schuim der zee,wij willen de muziek aanhoorendie opstijgt van het zeevlak, wij willenliggen aan 't strand en de geheimen vande schelpen en het zand voor ons uitkijken,wij willen de vogels zien gaan in 't bosch,wij willen de bloemen daaruit zien groeien,wij willen de zon als een broeder voelen,even vrij als hij zijne stralen zendtwillen wij dat de menschheid ons uitzendt.
Wij willen 's avonds in ons kamertjegedichten lezen, bliksem door de hersensvoelen van gedachten, en gloed in welvan ons hart, als de hartstocht in leugenen schoonheid der fantasie waarheid wordt.
Wij willen in de museums stil gaanlangs de marmeren lijven, en in onsschoonheid voelen aan de antieken verwant.Wij willen bij de muziek luisterendie als een stroom over ons henen komt,en ons reinigt als een stroom door ons hart.Wij willen reine wetenschap kennenwant zonder die worden wij nimmer sterk.
Wij eischen den achturendag omdathij vastheid geeft.
Wij eischen den achturendag omdatgij en ik moeten maken lichamenvan menschen, die de bezitters bestrijden.Gij en ik moeten van onz' lijven stalengeraamten maken, waar de harde vuistvan den patroon op stuk slaat, als hij onsaantast.Gij weefsters en gij naaisters en gij diespint—ziet gij niet hoe uw heeren makenverbonden tegen u,—gij, maakt ze ooken strijdt met hen.
Tijd is noodig, een stukje van den tijd.Wij moeten 's avonds in dat stukje tijds,geroofd van 't kapitaal, in ons hoekjegaan zitten en studeeren wat toch isde maatschappij en haar groote lichaam.Wij moeten met gedachten in de hoeken,waar gewerkt wordt, dringen, en evenalsmet 't lijf des daags het kapitaal, zoo 's avondsmet onz' gedachten nog eens 't kapitaalmaken, met ons begrip. Gij moet d' oorzakender proletariërsellende doorvroên—de voorwaarden van bevrijdingnaspeuren, en als vrouwen doorzoekenhoe gij dubbel slaaf zijt, arbeidster-vrouw!Daarom de achturendag!
Gij moet den politieken strijd doorgronden totzijn bodem, onder zijn diepsten bodem.Gij moet inzien hoe gij met u allen,hoe wij met ons allen, tot ééne machtmoeten worden, zooals de lucht daargindséén is. Wij moeten inzien hoe de strijdniet in het vak slechts, maar tegen den Staatgevoerd moet worden, dat wij als een stormkunnen worden, als wij in diepe lucht,organisatie, alle vrouw saambrengen.Daarom acht uur.
O komt vogels, komt breede schare vanzwaluwen, heft u op en komt met onste zamen de deinzende diepte inder toekomst. Komt vrouwen, komt zusters,verheft u uit deez' tijd naar de toekomst.Uw blanke en bruine kleuren, uw cirkelsen massa's, die daar staat, o komt, o komt!Wie is de toekomst zoozeer als gij, vrouwen?
Te zamen met den man willen wij vrouwenten strijde trekken tegen 't kapitaal.Te zamen met den man willen we onze scharenhelkleurig opschiên doen naar d' hooge burcht.Ziet gij niet hoe daarginds hoog in het zonlichthetdenkbeeldvan het socialisme staat?Welnu—Wij eischen den achturendag omdatalleen een geestelijk en zedelijk,lichamelijk en zielssterk proletaarjaathet socialisme timmren kanmet daden."
Maria dacht aan haar man—en zij ginglangzaam en zwaar naar huis om hem te zoeken.Haar lichaam was zwaar en haar borsten zwaar.Zij zag haar kameraden langs zich gaan,zij voelde hoe zij geheel was met hen,maar hoe zij aan hem diepst van al verknocht.
Muurschildering-R.R. Holst
Muurschildering-R.R. Holst
VIII.
Zachte Maria trad in de fabriek.De zaal was lang. Honderden weefgetouwenstonden nog stil, diep in het bleeke licht.En daartusschen de honderden poppenvan menschen, pratend en lachend. Zij gingtusschen ze door en voelde een hartwarmte.Ze ging op haar plaatsje tusschen de andren,en wachtte op het weefgetouw nabij haar.Daar ging een fluit, en de machinist inzijn groote eenzame machinekamerkoppelde den dynamo. En daar gingde wonderbare stroom in de magneten,die trokken en stietten. Het rad begonmajestueuzen hoogen cirkelgang.
En al de raadren en al de riemschijven,eerst daar verweg en toen ook in de zaal,begonnen te leven, het leven vloog doorde fabriek, en de krukken en de boomenen de spoelen begonnen hunnen dans.In eens was de zaal vol rumoer. En allemenschen begonnen hun stille beweging.In eens was de zaal vol van gaande lijven.In eens was de zaal vol bukkende lijven.In eens was de zaal vol zachte aandacht.In eens was de zaal vol teedere gangenvan levend vleesch en donkere kleerenen helle jurke'. In eens was de zaal volvan weefsels en van inslag en van schering.Maria keek op gloeiend rooden boom,en lette op den spoel en regeldeden gang. Haar helpsters gingen zacht naast haar.
En zoo begon de groote lange dag.De zon zond zijnen butidel stralen dooreen grijzen glans. De ijzeren assendraaiden boven, de drijfriemen snelden,de wielen liepen en de houten armenrukten met schokken, dat de spoel klettrend vloog.Maria stil en lieflijk in haar werk,zooals een bloem tusschen het ijzer. Enhaar handen waren fijn, en hare oogenkeken zoo lieflijk als druppelen water.En zacht stond ze te denken aan de mannenen vrouwen om haar, en de kleine kindrenvertoonden zich om haar aan haar neerblikkenter zijde naast haar. En als zij uitkeekzag zij de lieve gezichten der mannenmet hunne knevels en baarden, de hellegezichten der vrouwen toonden zich bloot.Schemering was om haar, want in haar hartvoelde zij de liefde voor den arbeid.En in haar handen die werkten was warmte.
Daar trad op eenmaal een man dicht naar haartoe van het naaste weefgetouw, en inhet dreunen en dondren van de machineshet klettren des staals en de schoten vande spoelen sprak hij, zoo dat ze hem toch hoorde:"Zullen we verder over 't socialismespreken of niet?" En zij keek stil uit harewarmte naar hem op en zei: "Ja heel graag."Toen begon hij, hij was een bleeke manmet donkre knevels, zijn gelaat blonk vochtig."Nu zal ik je nog eens vertellen hoehet kapitaal wordt in de groote wereldwaarin wij wonen: onze maatschappij.Laten wij stil voortwerken en toch praten,onder ons werken socialisten zijn."
En hij dacht een poosje als in een zoeken,dat de wind doet; voor hij tot een storm wordt.Men ziet hem met de kleine bladen spelen,ze jagen, wervelen, 't is of hij kijkternstig op den grond waar hij zal beginnen.
"Zie eens Maria, zie eens deze draden,hun verf, dit staal, deze machine, dithuis met al zijne lederen riementot aan het dak. Zie eens uw boezelaar.Denk eens aan al de huizen in de stad.Denk eens aan al de dingen in ons landen in de landen hieromheen, de boomen,den grond, al wat er op is....Wat zijn hetbehalve natuurdingen?—het zijnwaren.Koopwaren voor den mensch.
Zie eens, elk ding heeft waarde.Wat is die waarde, wat is de ruilwaarde?Het is de Arbeid, gemeten door den tijd.Onze arbeid, van u en mij, schept waarde.En de bezitters ruilen waarde tegenwaarde. Maar hoe ontstaat het kapitaal?Hoe komt het dat er altijd meer komt ind' handen van hem die kapitaal bezit?Hoe schept bezit bezit, geld geld, waar waarde?Hoe komt uit ruilen altijd meer, meer voort?Dat komt, Maria, omdat onder de warendie geruild worden er ook menschen zijn!Dat komt omdat wij, gij en ik, zijn onderde ruilwaarden, en wij, wij kunnen meerwaarde maken dan wij waard zijn.—Ons bloed kan meer doen dan het kost, ons eten,de kleeding die wij dragen, de kamersdie wij bewonen en de brandstof diewij verbranden,op een dag, in een maand, of in een jaar,is minder waard, heeft minder waarde, wordtom 't duidlijker te zeggen, in kortertijdsduur gemaakt dan wat wij zelve makenhier in de fabriek in een jaar, een maand,of op een dag.—We ontvangen voortbrengselvan zes uur misschien, wij geven van twaalf.En dat meerdere, die meerdere waarde,dat nieuwe werk aan grondstof toegevoegd,neemt de eigenaar der fabriek, en wij gaaniedere week met net genoeg naar huisom van te leven schamel en karig.Begrijp je 't Maria, het kapitaal?"
Maria knikte.En de werkman zei:"En zoo gaat 't overal op heel de wereldwaar 't kapitalisme is. Iederen dagscheppen de millioenen loonarbeidersmeer dan zij krijgen. Het kapitaal groeit,het wordt een eeuwig groote gouden berg."
Ze dreven ieder hunne handen doorde draden, grepen hier en grepen daar,met hun gedachten half en met hun handenheel in het werk. Het werk schoot op, het werdgrooter, er kwamen meer draden des inslags.
"Wat is nu de drijfkracht van dit alles",zoo ging hij voort, "hoe komt het dat altijdmeer komt, waarom gaat 't overschot niet opof blijft gelijk? Dat moet ik je ook nog zeggen,opdat je een goeie socialiste wordt.In de eerste plaats zijn Wij dus de drijfkracht.Wij maken altijd meer, en zooveel meerdat elk jaar overblijft, en ieder jaarwordt gevoegd het surplus bij 't kapitaal.Maar in de tweede plaats is deze het,dit trouwe dier, dat altijd meer meer werkt."Hij legde zijne hand als op een paardop de machine, op het breede jukdat het weefgetouw boven samen hield."Hij doet het, hij, met zijn metalen kracht.Want zie je, kind, alle machines wordenaltijd beter gemaakt door de geleerden,die zitte' in stille kamers ver van ons.Die maken dat het werktuig altijd beteren sneller en machtiger werkt, en indenzelfden tijd en met minder menscharbeidrijker oogst baart. En daardoor worden dande dingen die wij noodig hebben, lagerin waarde, de tijd die gebruikt wordt omons onderhoud te maken, korter, detijd dien wij dus voor niets voor onzen heerwerken, langer, en zijn winst altijd grooter."
Hij zweeg en werkte, en om hen henen werktende andren, in het ruischende stootenwerden zij niet gehoord, zij gingen inhet licht en schaduw, even snel gezien.
Maria zweeg, en hare liefde werdin haar grooter, de verontwaardigingliefde vlamde, het bloed van haar hart sloegin den bloesem van haar lijf uit, terwijlze zacht keek en met hare handen werkte.
Lang was het stil tusschen hen tweeën, hijkeek hoe hij het verdere nu zou zeggen.Zij dacht en leefde en soesde en groeide.
Daar begon hij weer, en een groot visioenbegon te stijgen in de stille luchtder fabriek. Hij leek wel een zanger diein de oude tijd zong van de helden enhun daden, voor de koningen der landen."Wij zijn het dus, de machine en wij,gij en ik en die daar, die 't geheel drijven,en maken dat de ontwikkeling komt. Want wijmaken het kapitaal, en 't kapitaal,altijd grooter, drijft de ontwikkling voort.Zie hier, buig u met mij in het werk neder,leg uwe handen in de draden vanhet weefsel, drijf ze er door, beweegdie zachte bloemen door het roode weefsel.Sla uw hand aan den hefboom, ruk hem over,glij uw oog langs den boom, en zie of inde juiste draden de spoel inschiet, weesmet uw lijf zacht gaande zooals een droom,wees, vrouw, in 't werk, laat ik u zien als inmachine gaan, en gij, zie gij naar mij,hoe ik één met mijne machine ben.
Zien wij naar elkaar. Hoe wij werken, werken.Wij maken 't kapitaal. En aldoor meer!De rijkdom der wereld wordt aldoor grooter.Wij doen het. O zie naar me, ik zie naar u."
De mannen en de vrouwen der nabuurgemachines, die hem zagen en wistendat hij over het socialisme sprak,waren nader gekomen en scholente zamen met hun hoofden zooals kindrenbij den meester, en kleine kindren alsChineesjes stonden onder hun boez'larentegen het staal der weefgetouwen aanmet hun hals en hun kin, naar hem te kijken,en luisterden goed hoe de wereld werd.Maria werd zacht door hen ingesloten.
En hij ging verder, klaar klinkend van stem:"Het kapitaal gaat van ons uit, een stroomvan goud hier van uit onze handen.Werkt handen dus, gij drijft de wereld voort.Maria werk, werk, ik, wij drijven samenhet kapitaal naar buiten de fabriek.
Het kapitaal van buiten de fabriekwerpt aldoor meer arbeiders hier naar binnen.Dus handen werkt, maakt het weefsel toch voort.Werk, werk, Maria, machine werk voort,vermeerder het kapitaal, en vermeerderhet leger der arbeiders. Onze handen,maakt kapitaal en maakt arbeiders snel."
Hij had zich over zijn werk heengebogen,en sprak als in een droom. Zij luisterde,en zij luisterde naar zijn droom gebogen.
En dieper boog hij zich op 't rood stramien,en sprak heel stil over de schering kijkend,over den spoel die daarachter heenweervloog:"Loop spoel en maak het weefsel, o gij weeftniet hier mijn weefsel alleen, maar het weefselder maatschappij hier binnen en daar buiten."Hij had zijn mond bijna tot op het weefselen fluisterde over de draden voort.Zijn kop rustte op het stramien, de stalenarmen en bouten der machine vlakvoor hem. Zijn hoofd was in grauwe schaduwder machine omvat, als 'n muzikantin de snaren der piano of harp.—
Zij keek naar hem,—als een bloem in een bloempot.
En hij richtte zich op in 't hooge licht,en met zijn haar dat stoffig was achterover,en met den fellen blik diep inhet lichten van de zonnestof gericht,terwijl de machines van zelve liepen,sprak hij:"Loopt spoelen, loopt, en maakt het weefsel,gaat handen in den arbeid, maakt het weefsel,schept, arbeiders, uw strijd met 't kapitaal,den arbeid hier, het kapitaal daar,—binnende arbeiders met den arbeid, daarbuitende bezitters met het bezit.
O strijdtusschen beiden, kom, o kom, en word sterker.O Vrijheid kom, wij kunnen niet meer zonder.—
Begrijp je, Maria hoe 't al zóó wordt?'
Hij ging weer voorover in blauwen schijnvan de machine, en allen ginge' in blauwenschijn der machines weer aan 't arbeidswerk,met lichter harten en diep zwijgende.
Maria was hoog als een hooge bloem,en zij keek stil naar de andere menschen,en voelde één met hen, zooals misschienallen eenmaal op elkaar zullen kijken.Maar 't kan misschien ook dan niet beter zijndan haar hart was. Zoo vol als in de zeevan gloed de anemone staat der zee,zoo was zij in het licht, een sterken gloedvoelde zij van haar hart door haar japonheengaan en alles voor haar omhullen,de arbeiders en ook de machines.
En heel dien dag was zij in een verukking,en voelde hoe het socialisme werd.En nadat de avond gevallen wasover de wegen, en zij had gegeten,zat zij stil en heerlijk in zwarten nacht,en wist weer nog zekerder hoe zij moest.
IX.
Zooals een bruid staat binnen in haar kamer,de dag breekt buiten open, uit het vensterziet ze uit naar buiten in de eeuwigheid—haar hart stormt, zij is zeker.—Zoo stond Maria en dacht aan haar leven.
Zooals een bruigom gaande door zijn kamerzich kleedende met wit—denkt: dit ben ik,en ik word spoedig met een andere.Zoo ging de rappe Willem met zijn hand,en met zijn voet die aftrapt' van den grond,door zijne kamer op dien Zondagmorgen.
Hij trad stil naar het raam en legde op't kozijn zijn handen, en keek in het blauweneder. En stil zooals een rivier gaatging door zijn hart zijn leven. En hij dachthoe zij en de menschheid één Eenheid waren.
En toen zij dan samen waren gekomenin 't goude en teere scheemren van de zon.En toen zij ver buiten waren gekomen,toen stonden zij daar stil zooals zij waren,en elkaars liefden keken ze in hun oogen.En Maria sprak: "weet je nog toen wijtwijfelden zooals bekers vol van wijn,die in de lucht schommelt?O ik ben vastgeworden, mijn hart weet wat 't kan en wil."