Zij was alleen. Zij kon kijken rechts in de tuinruimte, er was niemant, die naar haar toekwam, met voeten over den grond, zij kon kijken voor zich uit, er waren geen menschenvormen, die zich schiepen uit de donkerte. Niets dan haar warme leden, en haar handen, die als rare blanke stukken uit de vale mouwen staken, zoo ver van haar willende hoofd.
Zij had hem zien gaan, haar man, haar geliefde, zij had hem langzaam zien wechgaan, voor de duisternis nog viel, onder de hooge boomen. En zij zat hem te wachten, nietwaar, het was immers zoo? Zoo meteen kwam hij te-rug. Maar hij moest toch wel ver zijn gegaan, want zij zag hem niet meer, geen slipje van zijn mooye jas. En al die donkerte was tusschen hen, breed en zwaar, ondoordringbaar. Haar verbeelding kon hem wel zien, maar alleen van achteren, zijn beenen, die zij aan zijn lichte broek kon herkennen in den zwarten nacht, en die wechliepen, altijd verder, verder, verder.
Zij hoorde een heel eind wech in het dorp, de kerkklok slaan, met kleine stalen tikjes op de rillende duisternis. Hoe laat was het al? Het moest al heel laat zijn. In de lucht werden de wolken dunner, maar het bleef broeyend. Er waren even twee sterren, een groote geel-groene, een kleine, verdere, donkerroode, die dadelijk weer verdwenen. Zij ging naar binnen en keek op de pendule. Het was tien uur. Was hij dan nog niet thuis? Waar bleef hij toch? Zij ging loopen door den tuin, om hem af te wachten. Zij was bang voor de zware warmte, die om haar leden bleef hangen om haar te benauwen. Zij bleef staan bij het groote hek, aan den dorpskant, waar hij vandaan moest komen. Zij zou hem hooren aankomen in de donkerte, dan zou ze hem tegemoet gaan op den weg. 't Zou meteen voor 't eerst zijn, dat zij buiten den tuin kwam. Maar nu was zij ook hersteld, zeker, zij was gezond. Waar bleef hij nu toch? Wat duurde het lang.
Plotseling hield haar denken op. Er gebeurde iets. Er was als een zwarte dunne lange lijn in den hoogen wind boven haar geweest, die achter haar om was geslagen in den hoek van haar oog. Er was een snelle beweging van vormlooze verschrikking door de nacht-ruimte. Een laatste steenen koude versteef Mathildes wezen, een doodslag, die in de stilte op haar liefde viel. Zij keek naar hun rieten dak. Aan het eene venster Felix' kamertje, was licht, het andere, waar Marie sliep, was donker. Zij dacht, dat Marie zeker nog in de keuken zou zijn. Zij ging langzaam, met stijve stappen, naar binnen. Haar armen hingen als houten, zij voelde zich hopeloos wechsterven. Toen zij onder aan de trap was, was Jozef bij haar, die van boven kwam, zonder schoenen, en zijn haar aan den eenen kant in de war. Hij keek haar aan en zag een vreemd zwart licht in haar oogen, die als scheel zagen. Hij was met Marie geweest. Zij wist het.
—Ik dacht, dat je nog niet thuis was, zeide zij.
—Ja, ik ben even Felix goeye-nacht gaan zeggen.
—Zoo? Wacht, je haar zit daar een beetje in de war … Zij streek het in orde met haar aan den arm geheven hand, maar meteen viel zij tegen hem aan, brekend in een hijgend schreyen, met luide, lange toonen als een kind. Haar eene hand stak uit boven zijn schouder, haar neus en kin waren gedrukt tegen zijn beenen jasknoopen.
Jans kwam uit de keukendeur, denkende dat Mathilde een ongeluk had gekregen, Jozef, die zachtjes Mathilde naar de groote kamer bracht, zei tot Jans, dat zij was gevallen en erg geschrokken was.
In de groote kamer, waar alles nog donker was, zei Mathilde tot Jozef, die zweeg, vlak voor zijn oor met haar lippen, met een zachte stem, die diep uit haar binnenste scheen te komen, als had een ander wezen in haar gesproken:
—Weet u waarom ik zoo bedroefd ben? Jozef is dood, Jozef is dood!; … Dat was mijn man, weet u. En haar huilen droogde wech, in dorre huivering, die door haar gezicht ging.
Zij rukte zich nu in eens van hem los en liep gauw naar haar kamer, waarvan zij de deur hevig dichtsloeg.
Jozef stond alleen in de zwarte kamer, met zijn neerhangende besluitelooze armen, in een elegante houding. Hij was eerst bedremmeld en keek naar het muurvak, waarachter Mathilde nu was. Toen ging hij naar zijn slaapkamertje en trok zijn schoenen weer aan. Hij had willen voorwenden ze te hebben uitgedaan, om, als Felix sliep, hem niet wakker te maken bij het goeye nacht-zoenen.
Jans bracht de lamp in de groote kamer, bleef even staan, met bezorgde oogkassen.
—Wat is er toch met mevrouw gebeurd, meneer?
—Ik weet het wezenlijk niet, zei Jozef, ik geloof, dat zij vreeselijk de koorts heeft. Laat Marie nog maar even naar den dokter gaan. Ik begrijp ook niet, waarom die man niet meer komt. Wacht, ik zal zelf nog 'es gaan kijken.
Mevrouw heeft de deur op slot gedaan, zei Jans. Jozef klopte tegen het hout van de deur, het bleef geluidbos er achter, hij wou door het sleutelgat zien, de sleutel zat er van binnen in, Jozef zag zwart. Hij ging op het straatje, zag licht aan de vensters, tikte, zonder andwoord.
Toen Mathilde op haar kamer was gekomen, had zij van de wreede ruischelende wanden een koele kalmte over zich voelen vallen. De gewoonte had met haar handen bedaard de lamp opgestoken, als kwam zij daar om naar bed te gaan. Zij trad langzaam over het tapijt, met zijn verwonderde en lachende krullen, op en neer. Het stuk leven van daar-zoo, met dat andere mensch, dien zij had aangeraakt, met de huilgeluiden van haar keel, het rillen van haar gezichtsvel, haar armbewegingen, haar loopen en haar openen van de deur was voorbij haar zintuigen geslagen als voor goed wech en achter haar, iets dat zij nooit meer te-rug zou beleven. Zij vond de kamer hier een stille, afgezonderde plaats, als onder een kerk, een graf van rust, waar zij gekomen was, om voor goed uit te huilen, en dan te slapen, te slapen, daar alles voor haar toch voorbij was gegaan.
Haar bewustzijn scheurde op. Daar stond haar bed en de gordijnenschaduwen beblond-donkerden de wanden. Het bed was altijd in haar leven geweest, met zijn zwaar hangende gordijnen, allen stillen nacht, met hun breede roerloze schaduwen. Wat had zij dan toch gedaan? Zij kon toch nog wel denken? Die donkere man, tot wien zij gesproken had, maar dat was toch haar man, den man, waarmee zij getrouwd was, getrouwd, zoo als al die andere vrouwen ook met hun mannen getrouwd zijn. Waarom had zij dan tot hem gesproken van haar man, als hij 't niet zelf was? Maar hij was 't niet, dat lichaam was niet haar man. Zij werd nu als een ontbinding van haar wezen gewaar. Zij wist niet meer waar zij dacht. Daalde haar waarnemen niet onder haar hoofd? Zij voelde haar handen niet meer, als tot haar eenheid behoorende. Zij voelde, dat haar oogen op dezelfde hoogte bleven, maar wat ging het vreemd in haar hoofd, haar gedachten holden als vale eilheden om, zich verdeelend en oplossend, zonder vastheid, zonder tot geheelen te worden. Zij knoopte langzaam haar goed en haar korset open en ging op het bed liggen, waarvan de gordijnen weer achter haar dichtvielen, eerst op haar rug, toen op haar rechter zij, toen voor-over, met haar voor-armen onder het kussen, haar rechter wang er langs aayend, op en neer, en stil met haar heele lichaam. De lampe-vlam gaf een warrige mat gouden glansplek in het gordijn, naar haar hoofd. Daar viel een bekende gedachte als een vaal pakje door de warreling harer gudsende hersens, en brak open en bloeide op, hel-lichtend in den purperen kolk van haren waanzin. Zij zat in de warande en was immers aan 't denken, aan 't denken aan het geluk? Hoe was 'et ook weer? In de kleine binnenkamer van het oude huis was haar vader, hij bewoog zich, hij sprak, hij pakte haar bij haar arm, hij zoende haar, och, wat zag hij bleek, hij ging dood, haar vader. Hij wankelde en viel van zijn stoel op den grond. Hij sprak niet meer in de binnenkamer, hij was dood, haar vader. Vader, vader, bent u dood? … Zij was nog een heel klein meisje, dat was haar nieuwe japon, dien zij daar aan had … Was hij niet mooi, haar nieuwe japon? Mooi, nietwaar? Zij ging er mee trouwen, Zij was een groote dame, en ging trouwen … Met wien, wel met Jozef natuurlijk, met Jozef … Hij was altijd bij haar geweest, nu ging zij met hem trouwen … Zij was nu een getrouwde vrouw … Zij gingen samen wandelen, heerlijk, de menschen keken om naar zoo'n mooi gekleede en gelukkige man en … Dat was weer een benauwde nacht, wat trokken zij toch haar lichaam uit elkaar? moest zij dan zoo gemarteld worden? … Een stuk van haar lichaam, dat er zich van afscheidde … O, God, men had van haar lichaam afgescheurd, datgene, waarom Jozef zooveel van haar hield … Want nu bleef hij wech, zij zag hem niet meer, hij bleef voor goed wech, … Jozef, Jozef was dood … Het groeide op en werd hooger naast haar, het wezen, dat uit haar was voortgekomen … Jozefs gezicht was er in afgedrukt, maar altijd bleef het tusschen haar en Jozef … als een onoverkomelijke scheiding … En Jozef veranderde van trekken, hij leek niet meer op den vroegeren Jozef, het was een vreemde man, het was Jozef niet meer … Want hij was dood, lang dood, wechgezonken onder den grond … Zie, daar was zijn gezicht, aan de zoldering, aan den wand, op de vloer. Het was een gezicht en niets meer, een vage, ontastbare plek, maar de plek werd hoe langer hoe grooter, de oogen flauwer en de deelen van het gezicht scheidden van elkaar, werden geheel onherkenbaar en verdwenen in de vloer, voor altijd.
Mathilde huilde. Het lauwe water vloeide uit haar oogen en mond in het kussen. Maar in eens sprong zij van haar bed, liep met haar armen in de hoogte, in haar losse kleeren, naar den wand, en sloeg den wand, als om er het geluk aan te doen ontspringen, die liefde, dat onbegrijpelijke en eeuwig-zalige, dat zij wilde klommen in haar leege armen, die zij wilde drinken met haar drooge keel. Zij schreeuwde het uit, met rukken van klagend krijschen, die de meiden en Jozef, met ernstige aangebogen, luisterende hoofden bij-een bracht in den gang, voor de gesloten kamer, die Felix wakker maakten door het geklaag dat van onder den grond in zijn eenzame kamertje boven, om zijne kleine lichaam steeg. Hij kwam benauwd uit zijn slaap, en begon dadelijk ook te huilen om het onbekende ongeluk, dat er was in het huis. Maar hij durfde zich niet verroeren, doodelijk bang, dat er iets geheimzinnigs in zijn kamer mocht zijn.
Mathilde ging weer door haar kamer, van de deur naar de muur, van de muur naar de deur. En de deur en de muur bleven haar sprakeloos aanstaren. Een droef-gele drooge stilte hing van de zoldering over Mathildes hoofd, waarin, boven het lichaam van week vleesch, de smart sapte. Haar huiverende hersens zochten wat men haar altijd aangeduid had als "geluk". Toen zij een tijdje getrouwd was geweest, had zij wel gevoeld, dat dat het was, als Jozef haar raakte, als Jozef haar aankeek, met haar opgemaakte hoofd en haar kleeren over-dag, en 's nachts als zij zich zelve niet herkende. Maar zij had wel dikwijls gedacht, dat dit nog pas het begin was, en er iets anders volgen moest, later, later, altijd later. Boven Jozefs persoonlijkheid uit had zij wel een anderen Jozef gedroomd, die hij was, maar toch mooyer dan hij, grooter dan hij, een die nog dieper in haar lichaam kon dringen, die haar heele wezen tot zich kon nemen en het zijn maken, zoo, dat zij haar zelf niet meer voelde.
De jaren en dagen van hun eerste huwelijksdag af holden door haar herinnering, de lichte ochtenden in de stad, met het leven op straat en niets dan huizen, de donkere avonden, hier, zonder gerucht en met het groen, alleen, waarvan zij zooveel hield. En al die dagen waren gekomen en gegaan, zonder het ongekende te brengen, dat zij wachtte. Nu was alles gedaan. Zij zag het aan de rustige lamp en aan de platte wanden: de minnaar, de geliefde, de vreemde man, dien zij zich niet kon voorstellen, waarin haar mijmering haar gezegd had, dat Jozef eens zou veranderen, hij zou nooit komen; al de liefde, die haar wezen verbruikt had om hem te wenschen, was verloren gegaan, wechgegooid in den onverschilligen gang van het vale leven.
Toch moest er iets zijn. Van haar beenen, en over haar borst, van haar mond en haar oogen steeg de begeerte naar bevrediging, die de kamerwanden om de lamp heen vernauwde en vaalgeel de verstikking der verlangens deed uitmisten. En uit haar eerste jeugd leefde de herinnering op, een rust en een genoegdoening, die zij had gevonden op de kostschool, als zij bedroefd was, God, het denkbeeld, dat nog een enkele maal in haar later leven was ontwaakt. O, zij wist het nog wel. Hij was de groote troost en de eeuwige vrede, voor die Hem kon liefhebben was de droefheid nooit doodelijk, zoo als zij haar nu scheen. Maar zij kende Hem niet meer. Wanneer haar vader een enkele maal van God sprak, viel dat woord in haar als de naam van een persoon uit de oude geschiedenis, die in de krant komt, als er sprake is van een dissertatie of een examen en waarover men heenleest. Maar de tijd, dat zij ontroerde bij het denken aan God was toen haar borsten uitzetten en zij aan duizelingen leed, in de kapel van het pensionaat. Die aandoening wilde zij herleven, en zocht haar, zocht haar door de dikke laag der veroudering. Maar God was voor zoo weinig in haar volgroeide leven geweest, zij vond zijn gelaat niet te-rug in haar verbeelding. Zij zag weer Jozefs twee bruine oogen, twee lichtpunten, die naar haar toe schitterden, maar oogen van vroeger, de oogen van den doode, die niet ook waren in dien man hier in huis.
Zij ging weer op haar bed liggen, met haar bonzende hoofd, in haar koorts van wild begeeren. Zij richtte zich op en luisterde, als moest zij hem van ver hooren naderen. Maar alles bleef stil, totdat zij eens Jozef hoorde bewegen en hoesten, die achter den wand in zijn bed lag. Was hij dat, was hij daar? Neen, dat was het andere, het namaaksel van haar man. Dien moest zij niet hebben. En den heelen nacht eilde zij door, in een half-wakenden, half-slapenden toestand, in verschrikkingen, die het bed deden kantelen en de kamer instorten over haar hoofd, in droomen van zware blokken, die over haar lijf vielen, en van een God den Vader, een grijsaard met een langen baard en een kroon op het hoofd, die zachtjes tot haar afdaalde, maar dan onvoelbaar werd als een geest en in rook verwolkte om haar heen.
De dokter, dien Marie niet thuis had gevonden, was den volgenden ochtend gekomen, en had gezegd met zijn dikken mond, dat Mathilde een hevige koorts had, dat zij vooral de grootst mogelijke rust moest houden.
Toen Mathilde na drie weken weer beter was, werd zij weer opgenomen in den gang van het gewoonte-leven der omgeving. Zij vond alles uitstekend in de zwakke blijdschap van haar herstel. Alleen hinderde haar in 't begin bijna elk geluid. Jozef was, toen zij zoo erg was, bijna elken dag overgekomen; zij bleef er hem dankbaar voor; hij was een goeye man.
Toen zij weer voor 't eerst in den tuin kwam, vond zij, dat ze hier toch wezenlijk een allerliefst buitentje hadden, maar zij had het vroeger nog nooit goed gezien, ontdekte allerlei aangename en mooye plekjes, die haar nieuw voorkwamen.
Zij was in een zonderlingen geestestoestand geweest in den laatsten tijd. Gelukkig, dat zij zich al die akelige gewaarwordingen niet meer herinnerde. De dokter zeide, dat de koorts haar meer goed dan kwaad had gedaan dezen keer, dat hij haar uitgebrand en gezuiverd had en dat geloofde zij ook.
Toen zij zes weken beter was, in het begin van Augustus, kwam Emilie Berlage op een Zondag, dat Jozef er ook was, hen even bezoeken. Het hinderde Mathilde volstrekt niet, dat Jozef en zij elkaar zoo vertrouwelijk aanzagen. Maar Marie hadden zij wechgedaan. Felix groeide op en had nu meer een kinder-jufvrouw noodig, die zij kregen op een advertentie in de koerant.
Mathildes gezicht bolde aan tot dat van een gewone deftige dame. Zij had een groote vriendschap voor Jozef, maar was er niet zoo erg op gesteld hem altijd bij haar te zien.
Toen zij einde Oktober weer te-rug waren in Amsterdam hield zij niets meer over van dien raren zomer buiten dan de slappe herinnering van een droom. In April van het volgende jaar, beviel zij weer, van een dochter.