KINDERVREUGD.Als hunne moeder uit werken was, brachten ze gewoonlijk den dag op straat door. Ze kwamen dan slechts even thuis om hun boterhammen op te eten, die moeder ’s morgens in de kast had klaargezet.Maar nu regende het.Een tijdlang hadden ze zwijgend naar de rechtlijnige regenstralen gekeken en naar het druipende dak met groote, glimmende plekken. Frans volgde met de oogen de heldere regendroppels langs de ruiten, die eerst langzaam neerbiggelden en dan met een vaart naar elkaar toeschoten. Het meisje keek naar de platte, donkergrijze wolken, die langs het eenkleurige uitspansel schoven. Eensklaps zei ze:—Zouwe Lou en Jan op straat zijn?Eene kinderlijke uitdrukking vloog over haar bleek, ouwelijk gezichtje, dat onder een grooten, verlepten tuithoed nog ouwelijker leek.Frans zei op slaperigen, onverschilligen toon:—Weet ik het? ’t kan me niet schelen ook.—Nou, neem dan je beenen op en ga is kijke, toe!De jongen ging slenterend den trap af.Een vochtige atmosfeer doortrok het vertrek, dat armoedig gemeubeld was. Een helwit wijwaterbakje hing tegen de geelroode bedstede, naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In den hoek bij den schoorsteen stond een laag latafeltje met groote koperen beugels aan de laden. Een ouderwetsche, plompe petroleumlamp stond er op, omgeven door een lampekleedje, dat van allerlei helle kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van blauw-grijs behangselpapier hingen, stond een plompe tafel, wier blad door het boenen een twijfelachtige kleur gekregen had. Tegen elk raam leunde een wrakke stoel met kapotte zitting en onder de tafel stonden twee vuurroode stoven opgestapeld. Een paar glimmende kopjes op den schoorsteenrand en een Mariabeeld tusschen een paar bloempotten op een hoekplankje bij het eene raam—meer was in het vertrek niet te zien.Het meisje keek peinzend naar buiten. Ze luisterde naar het gesjilp van een nest jonge vogels in de dakgoot.—Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel een heelen dag wille slape.Frans kwam naar boven drijven en draaide lam de deurknop om.—Ze komme! Maar wat motte we in gosnaam spele?—Foei, niet vloeke. Dat’s groote zonde, niewaar? Onze lieve Heer kan alles zien en hoore.—Nou ja. Hou nou maar je vervelende bek dicht. Dat weet ik al lang. Waar is God? Op aarde, in denHemel en op alle plaatsen. Weet God alles? Ja, God weet en ziet alles …. Ik zit ommers een leering hooger dan jij …. Daar heb je ze al.Op den trap rommelden klompen. Leentje schoot naar de deur en riep: Doe jullie je klompe uit, wil je? Anders mot moeder d’r eige morg’ ochend weer kepot boene.Een gemompel beantwoordde haar.—De twee kinderen kwamen op hun kousen boven.—Jonge, veeg je neus af, dan krijg je een kouwe arepel.De ruwe Jan, met zijn gluiperig gezicht, gehoorzaamde.—We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie?—Moedertje spele? stelde Leentje voor.—Heb je wat?—Neen …. ja, nou jok ik. Moeder heeft een broederpannetje uit d’r werkhuis meegebracht.—Nou ja, maar je mot toch wat hebbe, om te bakke? zei Frans.—We kenne uit gekkie spele.—Nee, daar is niks an!—Ajakkie. nee!—Wacht jullie effe—Lou ging op een drafje heen. Ze kwam terug met wat raapolie en een zakje meel. Onderwijl had Jan opgemerkt: we zouwe wat kenne koope. Doch hij was door Leentje afgescheept met: Eerst hebbe, dan lebbe.Lou hielp ze uit den brand.—Meid, durf je dat uit de kast te neme?—Denk je, dat ’k zoo’n bange schijtert ben as jij!—Ik zou ook wel durreve, verzekerde Jan.—Moeder zegt er toch niks van. En dat beetje lampolie? Ze bakt toch nooit. Ze gebruikt het alleen voor d’r haar. En as ’t op is, is ’t koke gedaan.—D’r is nog genog te koop, vulde Jan aan.Leentje en Lou maakten deeg. Jan’s diensten werden daarbij onnoodig gekeurd. Eindelijk zei Leentje:—Hou jij die lepel vast, dan doe je ook wat voor de kost. Ik hou niet van die mensche, die met d’r arme in den weg zitten. Ze doen ordiner wat kwaads.Nu merkten ze, dat ze geen vuur hadden. Ze keken verslagen.—Jan, ga jij voor twee cente vuur hale. Zeg maar, dat moeder het wel geve zal. Hard loope, hoor!Jan borgde vuur. Zijne moeder zou er toch niets van merken, als ze ’n Zaterdagavond de borgcenten betaalde.De meisjeszettenzich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren komfoor, waarop het pannetje siste.Leentje zorgde voor de toekomst:—Nou hebben we nog geen stroop.Lou zond de beide jongens weg om een paar roestige hoepels te verkoopen, die Jan voor eenige dagen beweerde gevonden te hebben. Lou begreep echter, dat hij ze gegapt had; maar was wijs genoeg te zwijgen.De jongens hadden er twee centen voor gekregen. Jan beweerde, dat het veel was. Het kwam, omdat hij den smous had verneukt, door hem wijs te maken, dat hij van avond nog meer zou komen verkoopen. Wat hij verzweeg was, dat hij ook den kachelpook van zijn moeder verkocht had.—Je had niet motte liege, begon Leentje weer: Dat is zonde.—Zonde, wat is dat?—Kwaad.—Ik krijg nooit geen slaag van moeder. ’k Zou het niet toelate ook. ’k Zou moord roepe en ze in d’r handen of in d’r beenen bijte, dát zou ik!—Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.—Lou, die krijgt dikwijls. Maar ze is gek, dat ze het toelaat.—Je had het den man niet motte wijsmake.—Watte? ’t Is maar een smous. Frans heeft me zelf wel is gezegd, dat je die ….—Frans weet nergens van. Die geeft om God noch zijn gebod.—Nou, heilige Leen, hou nou je smoel maar, zei Frans, met imitatie van z’n vader, als deze dronken was.De kinderen keken verlangend naar het blauwe, oppruttelende plakje meel in het pannetje.—Nou motte jullie gaan werke, zei Leentje.—Wat nou alweer? vroeg Frans; kommandeer je honden of blaf zelf. Je hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge!—Nee, dat ’s flauw. Dat zal Leentje niet doen. Als je ’t nou nog van Lou zei. Maar wat mótte we doen?—Wat word je, as je groot ben? vroeg Leentje.—Ikke? Niks. Ik verlam het om te werke.Leentje lachte: Je wilt zeker je vrouw voor je late werke? Maar ik zou je danke, dan heb ik geen man noodig.—Nee, zei Jan, dat wil ik niet.—Nou, weet je wat? Jij moet daar in dien hoek gaan staan hamere en Frans zal houwe, of t’i kole van zolder haalt en dan an de blaasbalk trekke.Lou zat aldoor in ’t pannetje te roeren.Frans, die om ongegronde redenen liever niet het vertrek wou verlaten, keek naar den aangewezen hoek en mompelde: Er ligge kole genog op ’t vuur. ’t Kan nog wel een dag brande. ’k Zal maar ineens an de blaasbalk gaan trekke.En hij trok zich zweetparels op het voorhoofd, zonder echter het pannetje uit het oog te verliezen. Jan hamerde er geducht op los, in de lucht.Een paar baksels waren klaar en voor elk werd een blauw plakje meel met een bruin tintje op een theeschoteltje gelegd.—Lou, ga jij is gauw naar onze manne en zeg, dat ze subiet t’huis komme. Er is geen stroop. Ik weet niet, wat ik beginne mot. Ik heb geen rooie halve cent en alles staat al in de lommerd, anders zou ik een pandje make.Lou meende, dat de mannen misschien wat verdiend hadden. Ze ging ze halen. Gebukt, met loome schreden kwamen ze aan en vielen zuchtend in een stoel. Jan deed Frans in alles na.—Laat ze eerst wat bekomme. Je mot ze nooit op d’r dak valle. Ik ken de manne, ’t is lastig goedje. As je d’r met iets ankomt as ze pas van d’r werk komme, krijg je maar gehaspel en dat weet wat in een huishouwe, zei Leentje ernstig.Na een poosje dorst Lou het wagen om te zeggen:—Zeg, Frans, je hebt bij geval geen paar cente voor me? voor stroop.—Dat weet je wel beter. Jullie wijve hebt altijd geld noodig. Wij motte maar opdokke. Daar kom je moe van je werk en ’t is gebrek hieraan en gebrek daaraan. Zure smoele ….—Laat ’m in ’s hemelsnaam bedare, zei Leentje angstig: anders slaat hij ons heele armoedje kepot.—En wat zou dat? stoof Frans op: ’k mot er zellef voor werke.—Zeg, vrouw, zei hij bedaard; leen wat bij buurman Jan. Ik heb daar straks cente in zijn zak hoore rammele.Jan, die van het spel niets begreep, brandde van verlangen, om de centen te geven.—Dank je, buurman! een Zaterdag krijg je het terug.—Dat heeft niet noodig, viel Leentje heftig in: Hij heeft ze natuurlijk van m’n weekgeld afgehouwe. Hij heeft me besjoechemd. En ik heb toch al zoo’n moeite om rond te komme. En dan houd hij me nog geld af en steelt het uit den mond van zijn kindere, om het in een moppekroeg te verzuipe met hoere en snoere, vervolgde ze weenend.Jan zat als versteend.—Werachtig niet. ’t Is van de hoepels en de …. Hij bemerkte nog tijdig, dat hij zich ging verspreken.Ze wilden stroop halen, maar ze kwamen een cent te kort.—Je mot drie cente hebben.Toen werd Frans edelmoedig. Hij ging naar de kast en stelde zijn moeders stroopflap ter beschikking van de anderen.Leentje protesteerde. Moeder zou het merke als ze van avond boterhammen smeerde. Jan vroeg verbaasd: Hebbe jullie dan geen boter op je brood?—Meid, maak zoo’n bombarie niet, zei Lou. Laat mijn maar is ottere, zei Lou. Ze liet Frans uit den emmer, die op het zoldertje stond, wat water halen, liet wat stroop in een kopje loopen en vulde toen de flap met water aan, zoodat de moeder van Leentje en Frans dien avond vergeefs trachtte, stroop op haar mes te nemen.—Nou zie je is, zei Lou met zelfvoldoening: klaar is kees. Je moeder zal er niks van merke.Leentje legde zich erbij neer. Ze stond voor een voldongen feit.Bij afwisseling werd nu gewerkt en gesmuld, tot het meel opwas[typo? op was].Toen begon Frans het harde werken den keel uit te hangen en daarom stelde hij voor, kerkje te spelen.—Maar dan mot ik wat stroopwater hebbe.Frans deed een ouden rok van zijne moeder aan, plaatste zich in een hoek en begon op onverstaanbare manier te zingen. Daarna trad hij plechtstatig naar een stoel, beklom dien, stroopte zijn mouwen wat op en begon: Geliefde Mede-Gristenen! Broeders en zusters in den Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z’n armen,rustteeen poosje, snoot met veel geweld zijn neus en begon dan weer. Eindelijk zei hij: Amen! meteen langen galm en kwam van zijn stoel af. Hij had niet zooveel voldoening van zijne preek als anders. De processie zou hij daarom dit keer maar nalaten.—Ik had een rooie zakdoek voor m’n neus en een witte voor m’n gezicht motte hebbe. D’r is d’r geeneen, die preekt, of hij heeft twee zakdoeke. Je kunt niet goed preeke, as je ze niet hebt.Lou en Jan waren geen deskundigen. Frans haakte dus naar een goedkeurend woord van zijn zusje.—Zeg, Leen, zeg jij niks. Wat ben je stil.—M’n hoofd staat er niet naar.—Ze tobde over de stroop.Jan en Lou waren een en al verbazing. Schuchter bood Lou aan Frans haar deel van het stroopwater aan. Hij nam het minzaam en dronk het plechtig op.Langzaam stierf het daglicht weg. Het glimmerde flauw over het dak.De kinderen gingen stil bij het raam zitten. Eensklaps hieven de jongens vol bacchantische geestdrift aan:De Amsterdamsche keukemeidEn die kan zoo lekker kooke ….Maar de meisjes waren voor vertellen.Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot ze zichzelf bang verteld hadden. Ze dorsten zich haast niet te bewegen. Het vertellen hield op.Zoo zaten ze bij elkaar, met zwoegende borsten, vol vrees enbenauwdheid, door een lichtloosheid vol ontzetting omgeven.
KINDERVREUGD.Als hunne moeder uit werken was, brachten ze gewoonlijk den dag op straat door. Ze kwamen dan slechts even thuis om hun boterhammen op te eten, die moeder ’s morgens in de kast had klaargezet.Maar nu regende het.Een tijdlang hadden ze zwijgend naar de rechtlijnige regenstralen gekeken en naar het druipende dak met groote, glimmende plekken. Frans volgde met de oogen de heldere regendroppels langs de ruiten, die eerst langzaam neerbiggelden en dan met een vaart naar elkaar toeschoten. Het meisje keek naar de platte, donkergrijze wolken, die langs het eenkleurige uitspansel schoven. Eensklaps zei ze:—Zouwe Lou en Jan op straat zijn?Eene kinderlijke uitdrukking vloog over haar bleek, ouwelijk gezichtje, dat onder een grooten, verlepten tuithoed nog ouwelijker leek.Frans zei op slaperigen, onverschilligen toon:—Weet ik het? ’t kan me niet schelen ook.—Nou, neem dan je beenen op en ga is kijke, toe!De jongen ging slenterend den trap af.Een vochtige atmosfeer doortrok het vertrek, dat armoedig gemeubeld was. Een helwit wijwaterbakje hing tegen de geelroode bedstede, naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In den hoek bij den schoorsteen stond een laag latafeltje met groote koperen beugels aan de laden. Een ouderwetsche, plompe petroleumlamp stond er op, omgeven door een lampekleedje, dat van allerlei helle kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van blauw-grijs behangselpapier hingen, stond een plompe tafel, wier blad door het boenen een twijfelachtige kleur gekregen had. Tegen elk raam leunde een wrakke stoel met kapotte zitting en onder de tafel stonden twee vuurroode stoven opgestapeld. Een paar glimmende kopjes op den schoorsteenrand en een Mariabeeld tusschen een paar bloempotten op een hoekplankje bij het eene raam—meer was in het vertrek niet te zien.Het meisje keek peinzend naar buiten. Ze luisterde naar het gesjilp van een nest jonge vogels in de dakgoot.—Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel een heelen dag wille slape.Frans kwam naar boven drijven en draaide lam de deurknop om.—Ze komme! Maar wat motte we in gosnaam spele?—Foei, niet vloeke. Dat’s groote zonde, niewaar? Onze lieve Heer kan alles zien en hoore.—Nou ja. Hou nou maar je vervelende bek dicht. Dat weet ik al lang. Waar is God? Op aarde, in denHemel en op alle plaatsen. Weet God alles? Ja, God weet en ziet alles …. Ik zit ommers een leering hooger dan jij …. Daar heb je ze al.Op den trap rommelden klompen. Leentje schoot naar de deur en riep: Doe jullie je klompe uit, wil je? Anders mot moeder d’r eige morg’ ochend weer kepot boene.Een gemompel beantwoordde haar.—De twee kinderen kwamen op hun kousen boven.—Jonge, veeg je neus af, dan krijg je een kouwe arepel.De ruwe Jan, met zijn gluiperig gezicht, gehoorzaamde.—We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie?—Moedertje spele? stelde Leentje voor.—Heb je wat?—Neen …. ja, nou jok ik. Moeder heeft een broederpannetje uit d’r werkhuis meegebracht.—Nou ja, maar je mot toch wat hebbe, om te bakke? zei Frans.—We kenne uit gekkie spele.—Nee, daar is niks an!—Ajakkie. nee!—Wacht jullie effe—Lou ging op een drafje heen. Ze kwam terug met wat raapolie en een zakje meel. Onderwijl had Jan opgemerkt: we zouwe wat kenne koope. Doch hij was door Leentje afgescheept met: Eerst hebbe, dan lebbe.Lou hielp ze uit den brand.—Meid, durf je dat uit de kast te neme?—Denk je, dat ’k zoo’n bange schijtert ben as jij!—Ik zou ook wel durreve, verzekerde Jan.—Moeder zegt er toch niks van. En dat beetje lampolie? Ze bakt toch nooit. Ze gebruikt het alleen voor d’r haar. En as ’t op is, is ’t koke gedaan.—D’r is nog genog te koop, vulde Jan aan.Leentje en Lou maakten deeg. Jan’s diensten werden daarbij onnoodig gekeurd. Eindelijk zei Leentje:—Hou jij die lepel vast, dan doe je ook wat voor de kost. Ik hou niet van die mensche, die met d’r arme in den weg zitten. Ze doen ordiner wat kwaads.Nu merkten ze, dat ze geen vuur hadden. Ze keken verslagen.—Jan, ga jij voor twee cente vuur hale. Zeg maar, dat moeder het wel geve zal. Hard loope, hoor!Jan borgde vuur. Zijne moeder zou er toch niets van merken, als ze ’n Zaterdagavond de borgcenten betaalde.De meisjeszettenzich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren komfoor, waarop het pannetje siste.Leentje zorgde voor de toekomst:—Nou hebben we nog geen stroop.Lou zond de beide jongens weg om een paar roestige hoepels te verkoopen, die Jan voor eenige dagen beweerde gevonden te hebben. Lou begreep echter, dat hij ze gegapt had; maar was wijs genoeg te zwijgen.De jongens hadden er twee centen voor gekregen. Jan beweerde, dat het veel was. Het kwam, omdat hij den smous had verneukt, door hem wijs te maken, dat hij van avond nog meer zou komen verkoopen. Wat hij verzweeg was, dat hij ook den kachelpook van zijn moeder verkocht had.—Je had niet motte liege, begon Leentje weer: Dat is zonde.—Zonde, wat is dat?—Kwaad.—Ik krijg nooit geen slaag van moeder. ’k Zou het niet toelate ook. ’k Zou moord roepe en ze in d’r handen of in d’r beenen bijte, dát zou ik!—Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.—Lou, die krijgt dikwijls. Maar ze is gek, dat ze het toelaat.—Je had het den man niet motte wijsmake.—Watte? ’t Is maar een smous. Frans heeft me zelf wel is gezegd, dat je die ….—Frans weet nergens van. Die geeft om God noch zijn gebod.—Nou, heilige Leen, hou nou je smoel maar, zei Frans, met imitatie van z’n vader, als deze dronken was.De kinderen keken verlangend naar het blauwe, oppruttelende plakje meel in het pannetje.—Nou motte jullie gaan werke, zei Leentje.—Wat nou alweer? vroeg Frans; kommandeer je honden of blaf zelf. Je hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge!—Nee, dat ’s flauw. Dat zal Leentje niet doen. Als je ’t nou nog van Lou zei. Maar wat mótte we doen?—Wat word je, as je groot ben? vroeg Leentje.—Ikke? Niks. Ik verlam het om te werke.Leentje lachte: Je wilt zeker je vrouw voor je late werke? Maar ik zou je danke, dan heb ik geen man noodig.—Nee, zei Jan, dat wil ik niet.—Nou, weet je wat? Jij moet daar in dien hoek gaan staan hamere en Frans zal houwe, of t’i kole van zolder haalt en dan an de blaasbalk trekke.Lou zat aldoor in ’t pannetje te roeren.Frans, die om ongegronde redenen liever niet het vertrek wou verlaten, keek naar den aangewezen hoek en mompelde: Er ligge kole genog op ’t vuur. ’t Kan nog wel een dag brande. ’k Zal maar ineens an de blaasbalk gaan trekke.En hij trok zich zweetparels op het voorhoofd, zonder echter het pannetje uit het oog te verliezen. Jan hamerde er geducht op los, in de lucht.Een paar baksels waren klaar en voor elk werd een blauw plakje meel met een bruin tintje op een theeschoteltje gelegd.—Lou, ga jij is gauw naar onze manne en zeg, dat ze subiet t’huis komme. Er is geen stroop. Ik weet niet, wat ik beginne mot. Ik heb geen rooie halve cent en alles staat al in de lommerd, anders zou ik een pandje make.Lou meende, dat de mannen misschien wat verdiend hadden. Ze ging ze halen. Gebukt, met loome schreden kwamen ze aan en vielen zuchtend in een stoel. Jan deed Frans in alles na.—Laat ze eerst wat bekomme. Je mot ze nooit op d’r dak valle. Ik ken de manne, ’t is lastig goedje. As je d’r met iets ankomt as ze pas van d’r werk komme, krijg je maar gehaspel en dat weet wat in een huishouwe, zei Leentje ernstig.Na een poosje dorst Lou het wagen om te zeggen:—Zeg, Frans, je hebt bij geval geen paar cente voor me? voor stroop.—Dat weet je wel beter. Jullie wijve hebt altijd geld noodig. Wij motte maar opdokke. Daar kom je moe van je werk en ’t is gebrek hieraan en gebrek daaraan. Zure smoele ….—Laat ’m in ’s hemelsnaam bedare, zei Leentje angstig: anders slaat hij ons heele armoedje kepot.—En wat zou dat? stoof Frans op: ’k mot er zellef voor werke.—Zeg, vrouw, zei hij bedaard; leen wat bij buurman Jan. Ik heb daar straks cente in zijn zak hoore rammele.Jan, die van het spel niets begreep, brandde van verlangen, om de centen te geven.—Dank je, buurman! een Zaterdag krijg je het terug.—Dat heeft niet noodig, viel Leentje heftig in: Hij heeft ze natuurlijk van m’n weekgeld afgehouwe. Hij heeft me besjoechemd. En ik heb toch al zoo’n moeite om rond te komme. En dan houd hij me nog geld af en steelt het uit den mond van zijn kindere, om het in een moppekroeg te verzuipe met hoere en snoere, vervolgde ze weenend.Jan zat als versteend.—Werachtig niet. ’t Is van de hoepels en de …. Hij bemerkte nog tijdig, dat hij zich ging verspreken.Ze wilden stroop halen, maar ze kwamen een cent te kort.—Je mot drie cente hebben.Toen werd Frans edelmoedig. Hij ging naar de kast en stelde zijn moeders stroopflap ter beschikking van de anderen.Leentje protesteerde. Moeder zou het merke als ze van avond boterhammen smeerde. Jan vroeg verbaasd: Hebbe jullie dan geen boter op je brood?—Meid, maak zoo’n bombarie niet, zei Lou. Laat mijn maar is ottere, zei Lou. Ze liet Frans uit den emmer, die op het zoldertje stond, wat water halen, liet wat stroop in een kopje loopen en vulde toen de flap met water aan, zoodat de moeder van Leentje en Frans dien avond vergeefs trachtte, stroop op haar mes te nemen.—Nou zie je is, zei Lou met zelfvoldoening: klaar is kees. Je moeder zal er niks van merke.Leentje legde zich erbij neer. Ze stond voor een voldongen feit.Bij afwisseling werd nu gewerkt en gesmuld, tot het meel opwas[typo? op was].Toen begon Frans het harde werken den keel uit te hangen en daarom stelde hij voor, kerkje te spelen.—Maar dan mot ik wat stroopwater hebbe.Frans deed een ouden rok van zijne moeder aan, plaatste zich in een hoek en begon op onverstaanbare manier te zingen. Daarna trad hij plechtstatig naar een stoel, beklom dien, stroopte zijn mouwen wat op en begon: Geliefde Mede-Gristenen! Broeders en zusters in den Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z’n armen,rustteeen poosje, snoot met veel geweld zijn neus en begon dan weer. Eindelijk zei hij: Amen! meteen langen galm en kwam van zijn stoel af. Hij had niet zooveel voldoening van zijne preek als anders. De processie zou hij daarom dit keer maar nalaten.—Ik had een rooie zakdoek voor m’n neus en een witte voor m’n gezicht motte hebbe. D’r is d’r geeneen, die preekt, of hij heeft twee zakdoeke. Je kunt niet goed preeke, as je ze niet hebt.Lou en Jan waren geen deskundigen. Frans haakte dus naar een goedkeurend woord van zijn zusje.—Zeg, Leen, zeg jij niks. Wat ben je stil.—M’n hoofd staat er niet naar.—Ze tobde over de stroop.Jan en Lou waren een en al verbazing. Schuchter bood Lou aan Frans haar deel van het stroopwater aan. Hij nam het minzaam en dronk het plechtig op.Langzaam stierf het daglicht weg. Het glimmerde flauw over het dak.De kinderen gingen stil bij het raam zitten. Eensklaps hieven de jongens vol bacchantische geestdrift aan:De Amsterdamsche keukemeidEn die kan zoo lekker kooke ….Maar de meisjes waren voor vertellen.Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot ze zichzelf bang verteld hadden. Ze dorsten zich haast niet te bewegen. Het vertellen hield op.Zoo zaten ze bij elkaar, met zwoegende borsten, vol vrees enbenauwdheid, door een lichtloosheid vol ontzetting omgeven.
KINDERVREUGD.
Als hunne moeder uit werken was, brachten ze gewoonlijk den dag op straat door. Ze kwamen dan slechts even thuis om hun boterhammen op te eten, die moeder ’s morgens in de kast had klaargezet.Maar nu regende het.Een tijdlang hadden ze zwijgend naar de rechtlijnige regenstralen gekeken en naar het druipende dak met groote, glimmende plekken. Frans volgde met de oogen de heldere regendroppels langs de ruiten, die eerst langzaam neerbiggelden en dan met een vaart naar elkaar toeschoten. Het meisje keek naar de platte, donkergrijze wolken, die langs het eenkleurige uitspansel schoven. Eensklaps zei ze:—Zouwe Lou en Jan op straat zijn?Eene kinderlijke uitdrukking vloog over haar bleek, ouwelijk gezichtje, dat onder een grooten, verlepten tuithoed nog ouwelijker leek.Frans zei op slaperigen, onverschilligen toon:—Weet ik het? ’t kan me niet schelen ook.—Nou, neem dan je beenen op en ga is kijke, toe!De jongen ging slenterend den trap af.Een vochtige atmosfeer doortrok het vertrek, dat armoedig gemeubeld was. Een helwit wijwaterbakje hing tegen de geelroode bedstede, naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In den hoek bij den schoorsteen stond een laag latafeltje met groote koperen beugels aan de laden. Een ouderwetsche, plompe petroleumlamp stond er op, omgeven door een lampekleedje, dat van allerlei helle kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van blauw-grijs behangselpapier hingen, stond een plompe tafel, wier blad door het boenen een twijfelachtige kleur gekregen had. Tegen elk raam leunde een wrakke stoel met kapotte zitting en onder de tafel stonden twee vuurroode stoven opgestapeld. Een paar glimmende kopjes op den schoorsteenrand en een Mariabeeld tusschen een paar bloempotten op een hoekplankje bij het eene raam—meer was in het vertrek niet te zien.Het meisje keek peinzend naar buiten. Ze luisterde naar het gesjilp van een nest jonge vogels in de dakgoot.—Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel een heelen dag wille slape.Frans kwam naar boven drijven en draaide lam de deurknop om.—Ze komme! Maar wat motte we in gosnaam spele?—Foei, niet vloeke. Dat’s groote zonde, niewaar? Onze lieve Heer kan alles zien en hoore.—Nou ja. Hou nou maar je vervelende bek dicht. Dat weet ik al lang. Waar is God? Op aarde, in denHemel en op alle plaatsen. Weet God alles? Ja, God weet en ziet alles …. Ik zit ommers een leering hooger dan jij …. Daar heb je ze al.Op den trap rommelden klompen. Leentje schoot naar de deur en riep: Doe jullie je klompe uit, wil je? Anders mot moeder d’r eige morg’ ochend weer kepot boene.Een gemompel beantwoordde haar.—De twee kinderen kwamen op hun kousen boven.—Jonge, veeg je neus af, dan krijg je een kouwe arepel.De ruwe Jan, met zijn gluiperig gezicht, gehoorzaamde.—We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie?—Moedertje spele? stelde Leentje voor.—Heb je wat?—Neen …. ja, nou jok ik. Moeder heeft een broederpannetje uit d’r werkhuis meegebracht.—Nou ja, maar je mot toch wat hebbe, om te bakke? zei Frans.—We kenne uit gekkie spele.—Nee, daar is niks an!—Ajakkie. nee!—Wacht jullie effe—Lou ging op een drafje heen. Ze kwam terug met wat raapolie en een zakje meel. Onderwijl had Jan opgemerkt: we zouwe wat kenne koope. Doch hij was door Leentje afgescheept met: Eerst hebbe, dan lebbe.Lou hielp ze uit den brand.—Meid, durf je dat uit de kast te neme?—Denk je, dat ’k zoo’n bange schijtert ben as jij!—Ik zou ook wel durreve, verzekerde Jan.—Moeder zegt er toch niks van. En dat beetje lampolie? Ze bakt toch nooit. Ze gebruikt het alleen voor d’r haar. En as ’t op is, is ’t koke gedaan.—D’r is nog genog te koop, vulde Jan aan.Leentje en Lou maakten deeg. Jan’s diensten werden daarbij onnoodig gekeurd. Eindelijk zei Leentje:—Hou jij die lepel vast, dan doe je ook wat voor de kost. Ik hou niet van die mensche, die met d’r arme in den weg zitten. Ze doen ordiner wat kwaads.Nu merkten ze, dat ze geen vuur hadden. Ze keken verslagen.—Jan, ga jij voor twee cente vuur hale. Zeg maar, dat moeder het wel geve zal. Hard loope, hoor!Jan borgde vuur. Zijne moeder zou er toch niets van merken, als ze ’n Zaterdagavond de borgcenten betaalde.De meisjeszettenzich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren komfoor, waarop het pannetje siste.Leentje zorgde voor de toekomst:—Nou hebben we nog geen stroop.Lou zond de beide jongens weg om een paar roestige hoepels te verkoopen, die Jan voor eenige dagen beweerde gevonden te hebben. Lou begreep echter, dat hij ze gegapt had; maar was wijs genoeg te zwijgen.De jongens hadden er twee centen voor gekregen. Jan beweerde, dat het veel was. Het kwam, omdat hij den smous had verneukt, door hem wijs te maken, dat hij van avond nog meer zou komen verkoopen. Wat hij verzweeg was, dat hij ook den kachelpook van zijn moeder verkocht had.—Je had niet motte liege, begon Leentje weer: Dat is zonde.—Zonde, wat is dat?—Kwaad.—Ik krijg nooit geen slaag van moeder. ’k Zou het niet toelate ook. ’k Zou moord roepe en ze in d’r handen of in d’r beenen bijte, dát zou ik!—Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.—Lou, die krijgt dikwijls. Maar ze is gek, dat ze het toelaat.—Je had het den man niet motte wijsmake.—Watte? ’t Is maar een smous. Frans heeft me zelf wel is gezegd, dat je die ….—Frans weet nergens van. Die geeft om God noch zijn gebod.—Nou, heilige Leen, hou nou je smoel maar, zei Frans, met imitatie van z’n vader, als deze dronken was.De kinderen keken verlangend naar het blauwe, oppruttelende plakje meel in het pannetje.—Nou motte jullie gaan werke, zei Leentje.—Wat nou alweer? vroeg Frans; kommandeer je honden of blaf zelf. Je hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge!—Nee, dat ’s flauw. Dat zal Leentje niet doen. Als je ’t nou nog van Lou zei. Maar wat mótte we doen?—Wat word je, as je groot ben? vroeg Leentje.—Ikke? Niks. Ik verlam het om te werke.Leentje lachte: Je wilt zeker je vrouw voor je late werke? Maar ik zou je danke, dan heb ik geen man noodig.—Nee, zei Jan, dat wil ik niet.—Nou, weet je wat? Jij moet daar in dien hoek gaan staan hamere en Frans zal houwe, of t’i kole van zolder haalt en dan an de blaasbalk trekke.Lou zat aldoor in ’t pannetje te roeren.Frans, die om ongegronde redenen liever niet het vertrek wou verlaten, keek naar den aangewezen hoek en mompelde: Er ligge kole genog op ’t vuur. ’t Kan nog wel een dag brande. ’k Zal maar ineens an de blaasbalk gaan trekke.En hij trok zich zweetparels op het voorhoofd, zonder echter het pannetje uit het oog te verliezen. Jan hamerde er geducht op los, in de lucht.Een paar baksels waren klaar en voor elk werd een blauw plakje meel met een bruin tintje op een theeschoteltje gelegd.—Lou, ga jij is gauw naar onze manne en zeg, dat ze subiet t’huis komme. Er is geen stroop. Ik weet niet, wat ik beginne mot. Ik heb geen rooie halve cent en alles staat al in de lommerd, anders zou ik een pandje make.Lou meende, dat de mannen misschien wat verdiend hadden. Ze ging ze halen. Gebukt, met loome schreden kwamen ze aan en vielen zuchtend in een stoel. Jan deed Frans in alles na.—Laat ze eerst wat bekomme. Je mot ze nooit op d’r dak valle. Ik ken de manne, ’t is lastig goedje. As je d’r met iets ankomt as ze pas van d’r werk komme, krijg je maar gehaspel en dat weet wat in een huishouwe, zei Leentje ernstig.Na een poosje dorst Lou het wagen om te zeggen:—Zeg, Frans, je hebt bij geval geen paar cente voor me? voor stroop.—Dat weet je wel beter. Jullie wijve hebt altijd geld noodig. Wij motte maar opdokke. Daar kom je moe van je werk en ’t is gebrek hieraan en gebrek daaraan. Zure smoele ….—Laat ’m in ’s hemelsnaam bedare, zei Leentje angstig: anders slaat hij ons heele armoedje kepot.—En wat zou dat? stoof Frans op: ’k mot er zellef voor werke.—Zeg, vrouw, zei hij bedaard; leen wat bij buurman Jan. Ik heb daar straks cente in zijn zak hoore rammele.Jan, die van het spel niets begreep, brandde van verlangen, om de centen te geven.—Dank je, buurman! een Zaterdag krijg je het terug.—Dat heeft niet noodig, viel Leentje heftig in: Hij heeft ze natuurlijk van m’n weekgeld afgehouwe. Hij heeft me besjoechemd. En ik heb toch al zoo’n moeite om rond te komme. En dan houd hij me nog geld af en steelt het uit den mond van zijn kindere, om het in een moppekroeg te verzuipe met hoere en snoere, vervolgde ze weenend.Jan zat als versteend.—Werachtig niet. ’t Is van de hoepels en de …. Hij bemerkte nog tijdig, dat hij zich ging verspreken.Ze wilden stroop halen, maar ze kwamen een cent te kort.—Je mot drie cente hebben.Toen werd Frans edelmoedig. Hij ging naar de kast en stelde zijn moeders stroopflap ter beschikking van de anderen.Leentje protesteerde. Moeder zou het merke als ze van avond boterhammen smeerde. Jan vroeg verbaasd: Hebbe jullie dan geen boter op je brood?—Meid, maak zoo’n bombarie niet, zei Lou. Laat mijn maar is ottere, zei Lou. Ze liet Frans uit den emmer, die op het zoldertje stond, wat water halen, liet wat stroop in een kopje loopen en vulde toen de flap met water aan, zoodat de moeder van Leentje en Frans dien avond vergeefs trachtte, stroop op haar mes te nemen.—Nou zie je is, zei Lou met zelfvoldoening: klaar is kees. Je moeder zal er niks van merke.Leentje legde zich erbij neer. Ze stond voor een voldongen feit.Bij afwisseling werd nu gewerkt en gesmuld, tot het meel opwas[typo? op was].Toen begon Frans het harde werken den keel uit te hangen en daarom stelde hij voor, kerkje te spelen.—Maar dan mot ik wat stroopwater hebbe.Frans deed een ouden rok van zijne moeder aan, plaatste zich in een hoek en begon op onverstaanbare manier te zingen. Daarna trad hij plechtstatig naar een stoel, beklom dien, stroopte zijn mouwen wat op en begon: Geliefde Mede-Gristenen! Broeders en zusters in den Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z’n armen,rustteeen poosje, snoot met veel geweld zijn neus en begon dan weer. Eindelijk zei hij: Amen! meteen langen galm en kwam van zijn stoel af. Hij had niet zooveel voldoening van zijne preek als anders. De processie zou hij daarom dit keer maar nalaten.—Ik had een rooie zakdoek voor m’n neus en een witte voor m’n gezicht motte hebbe. D’r is d’r geeneen, die preekt, of hij heeft twee zakdoeke. Je kunt niet goed preeke, as je ze niet hebt.Lou en Jan waren geen deskundigen. Frans haakte dus naar een goedkeurend woord van zijn zusje.—Zeg, Leen, zeg jij niks. Wat ben je stil.—M’n hoofd staat er niet naar.—Ze tobde over de stroop.Jan en Lou waren een en al verbazing. Schuchter bood Lou aan Frans haar deel van het stroopwater aan. Hij nam het minzaam en dronk het plechtig op.Langzaam stierf het daglicht weg. Het glimmerde flauw over het dak.De kinderen gingen stil bij het raam zitten. Eensklaps hieven de jongens vol bacchantische geestdrift aan:De Amsterdamsche keukemeidEn die kan zoo lekker kooke ….Maar de meisjes waren voor vertellen.Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot ze zichzelf bang verteld hadden. Ze dorsten zich haast niet te bewegen. Het vertellen hield op.Zoo zaten ze bij elkaar, met zwoegende borsten, vol vrees enbenauwdheid, door een lichtloosheid vol ontzetting omgeven.
Als hunne moeder uit werken was, brachten ze gewoonlijk den dag op straat door. Ze kwamen dan slechts even thuis om hun boterhammen op te eten, die moeder ’s morgens in de kast had klaargezet.
Maar nu regende het.
Een tijdlang hadden ze zwijgend naar de rechtlijnige regenstralen gekeken en naar het druipende dak met groote, glimmende plekken. Frans volgde met de oogen de heldere regendroppels langs de ruiten, die eerst langzaam neerbiggelden en dan met een vaart naar elkaar toeschoten. Het meisje keek naar de platte, donkergrijze wolken, die langs het eenkleurige uitspansel schoven. Eensklaps zei ze:
—Zouwe Lou en Jan op straat zijn?
Eene kinderlijke uitdrukking vloog over haar bleek, ouwelijk gezichtje, dat onder een grooten, verlepten tuithoed nog ouwelijker leek.
Frans zei op slaperigen, onverschilligen toon:
—Weet ik het? ’t kan me niet schelen ook.
—Nou, neem dan je beenen op en ga is kijke, toe!
De jongen ging slenterend den trap af.
Een vochtige atmosfeer doortrok het vertrek, dat armoedig gemeubeld was. Een helwit wijwaterbakje hing tegen de geelroode bedstede, naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In den hoek bij den schoorsteen stond een laag latafeltje met groote koperen beugels aan de laden. Een ouderwetsche, plompe petroleumlamp stond er op, omgeven door een lampekleedje, dat van allerlei helle kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van blauw-grijs behangselpapier hingen, stond een plompe tafel, wier blad door het boenen een twijfelachtige kleur gekregen had. Tegen elk raam leunde een wrakke stoel met kapotte zitting en onder de tafel stonden twee vuurroode stoven opgestapeld. Een paar glimmende kopjes op den schoorsteenrand en een Mariabeeld tusschen een paar bloempotten op een hoekplankje bij het eene raam—meer was in het vertrek niet te zien.
Het meisje keek peinzend naar buiten. Ze luisterde naar het gesjilp van een nest jonge vogels in de dakgoot.
—Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel een heelen dag wille slape.
Frans kwam naar boven drijven en draaide lam de deurknop om.
—Ze komme! Maar wat motte we in gosnaam spele?
—Foei, niet vloeke. Dat’s groote zonde, niewaar? Onze lieve Heer kan alles zien en hoore.
—Nou ja. Hou nou maar je vervelende bek dicht. Dat weet ik al lang. Waar is God? Op aarde, in denHemel en op alle plaatsen. Weet God alles? Ja, God weet en ziet alles …. Ik zit ommers een leering hooger dan jij …. Daar heb je ze al.
Op den trap rommelden klompen. Leentje schoot naar de deur en riep: Doe jullie je klompe uit, wil je? Anders mot moeder d’r eige morg’ ochend weer kepot boene.
Een gemompel beantwoordde haar.—De twee kinderen kwamen op hun kousen boven.
—Jonge, veeg je neus af, dan krijg je een kouwe arepel.
De ruwe Jan, met zijn gluiperig gezicht, gehoorzaamde.
—We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie?
—Moedertje spele? stelde Leentje voor.
—Heb je wat?
—Neen …. ja, nou jok ik. Moeder heeft een broederpannetje uit d’r werkhuis meegebracht.
—Nou ja, maar je mot toch wat hebbe, om te bakke? zei Frans.
—We kenne uit gekkie spele.
—Nee, daar is niks an!
—Ajakkie. nee!
—Wacht jullie effe—Lou ging op een drafje heen. Ze kwam terug met wat raapolie en een zakje meel. Onderwijl had Jan opgemerkt: we zouwe wat kenne koope. Doch hij was door Leentje afgescheept met: Eerst hebbe, dan lebbe.
Lou hielp ze uit den brand.
—Meid, durf je dat uit de kast te neme?
—Denk je, dat ’k zoo’n bange schijtert ben as jij!
—Ik zou ook wel durreve, verzekerde Jan.
—Moeder zegt er toch niks van. En dat beetje lampolie? Ze bakt toch nooit. Ze gebruikt het alleen voor d’r haar. En as ’t op is, is ’t koke gedaan.
—D’r is nog genog te koop, vulde Jan aan.
Leentje en Lou maakten deeg. Jan’s diensten werden daarbij onnoodig gekeurd. Eindelijk zei Leentje:
—Hou jij die lepel vast, dan doe je ook wat voor de kost. Ik hou niet van die mensche, die met d’r arme in den weg zitten. Ze doen ordiner wat kwaads.
Nu merkten ze, dat ze geen vuur hadden. Ze keken verslagen.
—Jan, ga jij voor twee cente vuur hale. Zeg maar, dat moeder het wel geve zal. Hard loope, hoor!
Jan borgde vuur. Zijne moeder zou er toch niets van merken, als ze ’n Zaterdagavond de borgcenten betaalde.
De meisjeszettenzich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren komfoor, waarop het pannetje siste.
Leentje zorgde voor de toekomst:
—Nou hebben we nog geen stroop.
Lou zond de beide jongens weg om een paar roestige hoepels te verkoopen, die Jan voor eenige dagen beweerde gevonden te hebben. Lou begreep echter, dat hij ze gegapt had; maar was wijs genoeg te zwijgen.
De jongens hadden er twee centen voor gekregen. Jan beweerde, dat het veel was. Het kwam, omdat hij den smous had verneukt, door hem wijs te maken, dat hij van avond nog meer zou komen verkoopen. Wat hij verzweeg was, dat hij ook den kachelpook van zijn moeder verkocht had.
—Je had niet motte liege, begon Leentje weer: Dat is zonde.
—Zonde, wat is dat?
—Kwaad.
—Ik krijg nooit geen slaag van moeder. ’k Zou het niet toelate ook. ’k Zou moord roepe en ze in d’r handen of in d’r beenen bijte, dát zou ik!—Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.—Lou, die krijgt dikwijls. Maar ze is gek, dat ze het toelaat.
—Je had het den man niet motte wijsmake.
—Watte? ’t Is maar een smous. Frans heeft me zelf wel is gezegd, dat je die ….
—Frans weet nergens van. Die geeft om God noch zijn gebod.
—Nou, heilige Leen, hou nou je smoel maar, zei Frans, met imitatie van z’n vader, als deze dronken was.
De kinderen keken verlangend naar het blauwe, oppruttelende plakje meel in het pannetje.
—Nou motte jullie gaan werke, zei Leentje.
—Wat nou alweer? vroeg Frans; kommandeer je honden of blaf zelf. Je hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge!
—Nee, dat ’s flauw. Dat zal Leentje niet doen. Als je ’t nou nog van Lou zei. Maar wat mótte we doen?
—Wat word je, as je groot ben? vroeg Leentje.
—Ikke? Niks. Ik verlam het om te werke.
Leentje lachte: Je wilt zeker je vrouw voor je late werke? Maar ik zou je danke, dan heb ik geen man noodig.
—Nee, zei Jan, dat wil ik niet.
—Nou, weet je wat? Jij moet daar in dien hoek gaan staan hamere en Frans zal houwe, of t’i kole van zolder haalt en dan an de blaasbalk trekke.
Lou zat aldoor in ’t pannetje te roeren.
Frans, die om ongegronde redenen liever niet het vertrek wou verlaten, keek naar den aangewezen hoek en mompelde: Er ligge kole genog op ’t vuur. ’t Kan nog wel een dag brande. ’k Zal maar ineens an de blaasbalk gaan trekke.
En hij trok zich zweetparels op het voorhoofd, zonder echter het pannetje uit het oog te verliezen. Jan hamerde er geducht op los, in de lucht.
Een paar baksels waren klaar en voor elk werd een blauw plakje meel met een bruin tintje op een theeschoteltje gelegd.
—Lou, ga jij is gauw naar onze manne en zeg, dat ze subiet t’huis komme. Er is geen stroop. Ik weet niet, wat ik beginne mot. Ik heb geen rooie halve cent en alles staat al in de lommerd, anders zou ik een pandje make.
Lou meende, dat de mannen misschien wat verdiend hadden. Ze ging ze halen. Gebukt, met loome schreden kwamen ze aan en vielen zuchtend in een stoel. Jan deed Frans in alles na.
—Laat ze eerst wat bekomme. Je mot ze nooit op d’r dak valle. Ik ken de manne, ’t is lastig goedje. As je d’r met iets ankomt as ze pas van d’r werk komme, krijg je maar gehaspel en dat weet wat in een huishouwe, zei Leentje ernstig.
Na een poosje dorst Lou het wagen om te zeggen:
—Zeg, Frans, je hebt bij geval geen paar cente voor me? voor stroop.
—Dat weet je wel beter. Jullie wijve hebt altijd geld noodig. Wij motte maar opdokke. Daar kom je moe van je werk en ’t is gebrek hieraan en gebrek daaraan. Zure smoele ….
—Laat ’m in ’s hemelsnaam bedare, zei Leentje angstig: anders slaat hij ons heele armoedje kepot.
—En wat zou dat? stoof Frans op: ’k mot er zellef voor werke.
—Zeg, vrouw, zei hij bedaard; leen wat bij buurman Jan. Ik heb daar straks cente in zijn zak hoore rammele.
Jan, die van het spel niets begreep, brandde van verlangen, om de centen te geven.
—Dank je, buurman! een Zaterdag krijg je het terug.
—Dat heeft niet noodig, viel Leentje heftig in: Hij heeft ze natuurlijk van m’n weekgeld afgehouwe. Hij heeft me besjoechemd. En ik heb toch al zoo’n moeite om rond te komme. En dan houd hij me nog geld af en steelt het uit den mond van zijn kindere, om het in een moppekroeg te verzuipe met hoere en snoere, vervolgde ze weenend.
Jan zat als versteend.
—Werachtig niet. ’t Is van de hoepels en de …. Hij bemerkte nog tijdig, dat hij zich ging verspreken.
Ze wilden stroop halen, maar ze kwamen een cent te kort.
—Je mot drie cente hebben.
Toen werd Frans edelmoedig. Hij ging naar de kast en stelde zijn moeders stroopflap ter beschikking van de anderen.
Leentje protesteerde. Moeder zou het merke als ze van avond boterhammen smeerde. Jan vroeg verbaasd: Hebbe jullie dan geen boter op je brood?
—Meid, maak zoo’n bombarie niet, zei Lou. Laat mijn maar is ottere, zei Lou. Ze liet Frans uit den emmer, die op het zoldertje stond, wat water halen, liet wat stroop in een kopje loopen en vulde toen de flap met water aan, zoodat de moeder van Leentje en Frans dien avond vergeefs trachtte, stroop op haar mes te nemen.
—Nou zie je is, zei Lou met zelfvoldoening: klaar is kees. Je moeder zal er niks van merke.
Leentje legde zich erbij neer. Ze stond voor een voldongen feit.
Bij afwisseling werd nu gewerkt en gesmuld, tot het meel opwas[typo? op was].
Toen begon Frans het harde werken den keel uit te hangen en daarom stelde hij voor, kerkje te spelen.
—Maar dan mot ik wat stroopwater hebbe.
Frans deed een ouden rok van zijne moeder aan, plaatste zich in een hoek en begon op onverstaanbare manier te zingen. Daarna trad hij plechtstatig naar een stoel, beklom dien, stroopte zijn mouwen wat op en begon: Geliefde Mede-Gristenen! Broeders en zusters in den Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z’n armen,rustteeen poosje, snoot met veel geweld zijn neus en begon dan weer. Eindelijk zei hij: Amen! meteen langen galm en kwam van zijn stoel af. Hij had niet zooveel voldoening van zijne preek als anders. De processie zou hij daarom dit keer maar nalaten.
—Ik had een rooie zakdoek voor m’n neus en een witte voor m’n gezicht motte hebbe. D’r is d’r geeneen, die preekt, of hij heeft twee zakdoeke. Je kunt niet goed preeke, as je ze niet hebt.
Lou en Jan waren geen deskundigen. Frans haakte dus naar een goedkeurend woord van zijn zusje.
—Zeg, Leen, zeg jij niks. Wat ben je stil.
—M’n hoofd staat er niet naar.—Ze tobde over de stroop.
Jan en Lou waren een en al verbazing. Schuchter bood Lou aan Frans haar deel van het stroopwater aan. Hij nam het minzaam en dronk het plechtig op.
Langzaam stierf het daglicht weg. Het glimmerde flauw over het dak.
De kinderen gingen stil bij het raam zitten. Eensklaps hieven de jongens vol bacchantische geestdrift aan:
De Amsterdamsche keukemeidEn die kan zoo lekker kooke ….
De Amsterdamsche keukemeid
En die kan zoo lekker kooke ….
Maar de meisjes waren voor vertellen.
Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot ze zichzelf bang verteld hadden. Ze dorsten zich haast niet te bewegen. Het vertellen hield op.
Zoo zaten ze bij elkaar, met zwoegende borsten, vol vrees enbenauwdheid, door een lichtloosheid vol ontzetting omgeven.