Mijn muchacho Lorenzo.Mijn muchacho Lorenzo.
Mijn muchacho Lorenzo.
Mijn muchacho Lorenzo.
13 October.—In den loop van den morgen zijn wij weder te Davao, waar men met niet weinig verbazing het welslagen verneemt van onze expeditie, waarvan de inlanders en de Bisayas eenstemmig verklaard hadden, dat zij noodwendig mislukken moest. Wij zijn wel een weinig vermoeid, maar zeer voldaan. Ik voor mij heb, ondanks enkele vermoeienissen en ontberingen, die trouwens van zulk een tocht onafscheidelijk zijn, de aangenaamste herinnering behouden aan dit uitstapje, dat door de welwillendheid, de vriendelijkheid en het onverstoorbaar goede humeur mijner spaansche gastheeren voor mij een waar genot is geweest.
Mijn voornemen is, het eiland Mindanao van het zuiden naar het noorden te doorreizen, en den bergrug over te trekken, die het noordelijk van het zuidelijk gedeelte des eilands scheidt. Aan de baai van Butuan gekomen, zal ik het schiereilandBladzijde 214Surigao omvaren, en de kust van den Stillen-oceaan volgende, langs kaap Sint-Augustijn naar Davao terugkeeren.
De rivier van Davao.De rivier van Davao.
De rivier van Davao.
De rivier van Davao.
Deze tocht is verre van gemakkelijk; de eerwaarde paters Juan Heras en José Minoves, de eenigen die, in omgekeerde richting, deze reis hebben gemaakt, deelen mij met de grootste bereidwilligheid alle inlichtingen mede, die zij geven kunnen, en wijzen mij tevens op de meer dan waarschijnlijke moeilijkheden en bezwaren: het saizoen is ook niet gunstig. De zuidwest-moesson is in geheel den omtrek van de golf van Davao nog niet voorbij; verderop zal ik den noordoost-moesson in volle kracht aantreffen; overvloedige regens zijn dus te wachten. Maar ik kan geen zes maanden wachten op de verandering van moesson, die langs de kust van den Stillen-oceaan eerst in Mei invalt.
In den namiddag van den vierden November vertrok ik aan boord van eene groote en stevige banca, mij door don Basilio welwillend afgestaan. Ik heb mij van de noodige instrumenten en levensmiddelen voorzien, en behalve mijne twee gewone muchachos, Marcello en Lorenzo, nog twee anderen gehuurd: Florès, gewezen matroos van het eskader der Philippijnen, bepaaldelijk met de zorg voor de wapenen belast; en Francisco, cuadrillero van Davao, aan wien de gouverneur welwillend verlof heeft verleend. Al deze muchachos zijn inlanders en behooren tot den stam der Bisayas. Eindelijk heb ik—wel is waar, bij gebrek van beter,—als gids en tolk een gewezen koopman aangenomen, die beweert meermalen in aanraking te zijn geweest met de Mandayas en hunne taal te verstaan.
In den morgen van den zesden November voer ik, bij laag water, de rio Tagum binnen, maar moest weldra, door de hevigheid van den stroom, mijn vaartuig vastleggen. Bij wassend water, omstreeks twee uur in den namiddag, kon ik de vaart hervatten. De Tagum, die hier door een laag alluviaal terrein vloeit, beschrijft een tal van kronkelingen, die op geene enkele kaart zijn aangewezen; de aanvankelijk zeer lage, dicht begroeide oevers worden wat hooger bij Bincungan, eene vrij belangrijke rancheria van Moros, waar ik tegen zes uren in den avond aankom. Hier werd, eenige jaren geleden, de ongelukkige don José Pinzon, gouverneur van Davao, met een deel van zijn escorte, overvallen en vermoord. De bewoners ontvangen mij wel niet vriendelijk, maar durven niet verder gaan, want zij zijn voor hun vroeger verraad geducht gestraft.
Daar de Tagum steeds bochtiger en ondieper wordt, raakt mijne banca telkens aan den grond en kom ik niet dan uiterst langzaam vooruit. Eerst tegen zes uren in den avond van den zevenden kwam ik te Babao, het eerste dorp der Mandayas, waarvan de inwoners de vlucht namen, toen zij mij aan land zagen stappen. Door den vrij belangrijken diepgang van mijne boot kan ik haar niet meer gebruiken; ik zend haar dus met de bemanning naar Davao terug, en moet nu trachten, van de Mandayas lichte prauwen en roeiers te bekomen. Mijn tolk wordt, behoorlijk van geschenken voorzien, het bosch ingezonden om de gevluchte dorpelingen op te sporen; hij brengt er slechts enkelen mede; maar wat ik reeds vroeger vreesde, blijkt nu de waarheid te zijn: de kerel is het mandaya volstrekt niet meester. Gelukkig heeft dit dialekt veel overeenkomst met het bisaya; na een langdurig gesprek, dat van dezen of dien kant herhaaldelijk door gevraagde inlichtingen en verdere bijzonderheden werd afgebroken, werden wij het eindelijk eens. Morgen krijg ik drie lichte vaartuigen, die tegen den oever vastgemeerd liggen, en zes roeiers, die de prauwen moeten terugbrengen, zoodra de rivier ophoudt bevaarbaar te zijn.
Als ik den volgenden morgen vertrekken wil, zijn er geen roeiers te vinden: al de mannen zijn opnieuw in de bosschen gevlucht; de vrouwen, die in de hutten zijn achtergebleven, zien mij met verbaasde domme gezichten aan, zonder dat het mogelijk is, haar een enkel woord te ontlokken. Terwijl mijne muchachos de vluchtelingen opsporen, houd ik mij met sterrekundige waarnemingen bezig. De Mandayas zijn nergens te vinden: maar de drie toegezegde booten liggen nog altijd aan den oever gemeerd. Al mijne bagage is in die drie prauwen gepakt; ik zend de banca van don Basilio naar Davao terug, en ga op weg met mijne vier muchachos en mijn zoogenaamden tolk.
Een mijl boven Babao neemt de Tagum eene andere rivier op, de Sahug genaamd. Na eenige aarzeling, tengevolge van tegenstrijdige inlichtingen, besluit ik den Sahug op te varen; omtreeks vier uren in de namiddag kwam ik te Mapawa, een vrij talrijk bevolkt dorp der Mandayas. De bewoners houden zich aanvankelijk op een afstand, maar zonder eenige vijandelijke houding aan te nemen; mijne muchachos mengen zich onder hen, waardoor allengs meer toenadering komt. Een flesch wijn, eenige halskettingen en dergelijke kleinigheden maken dat wij welhaast goede vrienden zijn. Na zonsondergang weerklinkt uit alle hutten gelach en gezang; nadat het weer stil geworden is, heft een oude waarzegger eene lange litanie, een soort van bezweringsformulier, aan; naar het schijnt is zijn lied tot de maan gericht, wier stralen de tusschen de bananen verstrooide hutten tooverachtig schoon verlichten.
Den volgenden dag in den namiddag kwam ik te Kalibuhassan, een vrij belangrijk dorp, op een hoog voorgebergte gelegen, dat door een smalle landtong met den oever verbonden is. De hutten zijn op palen en boomstammen gebouwd, en tusschen de twaalf en vijftien el boven den grond verheven; het dak van bamboestengels is zeer laag en prijkt aan de beide uiteinde met een zwaren haarbos, die de booze geesten moet afweren. De hutten zijn omringd door eene hooge palissade van scherp gepunte palen; aan de binnen- en aan de buitenzijde van die palissade zijn diepe kuilen of gaten aangebracht, die onder takken, bladeren en aarde zijn verborgen en van binnen bezet met scherpe bamboestengels. Aan den oever ziet men een soort van houten vork, waaraan een plankje bevestigd is, op hetwelk bananen en rijst worden nedergelegd, als een offer aan Limbucum, de heilige tortelduif, die voor al de bewoners van hetBladzijde 215eiland Mindanao, naar het schijnt, een voorwerp van vereering is. Als altijd, verwekt mijne komst eenige opschudding; maar met hehulp van eenige geschenken wordt de rust spoedig hersteld, en terwijl ik mij baad, zie ik dat de inboorlingen mij gadeslaan, zooals ik naderhand van mijne muchachos hoorde, om zich te overtuigen of de blanke man op zijn lichaam even haarig was als op zijn gelaat.
Ik geef eenige halskettingen aan de kinderen, die in het slijk langs den oever rollen; daarop nadert een bloedverwant van het afwezige dorpshoofd tot mij, zeggende: “Ik zie wel dat gij eenlumun(broeder) zijt; kom in mijne woning en slaap in vrede!”
Saamgebonden bamboestengels, waarin gaten gesneden zijn, vormen een soort van ladder, waarmede men naar de hut klimt. Dadelijk na zonsondergang wordt die ladder weggenomen. De hut heeft deur noch venster; zij ontvangt haar lucht en licht door eene vrij smalle opening tusschen de wanden en het dak: welke opening tevens met het oog op de verdediging is aangebracht. De planken, waaruit de wanden bestaan, zijn voorzien van schietgaten, geheel overeenkomende met die van onze oude middeleeuwsche kasteelen. De rook moet maar zelf een goed heenkomen zoeken. Er zijn geene andere meubelen dan eenige matten, een spinnewiel en een hoogst eenvoudig weefgetouw; daarentegen een overvloed van wapenen, bogen en pijlen, dolken, lansen en ijzeren krissen, een volledig arsenaal.
Het dorp Kalibuhassan bestaat uit vijf hutten: een getal grooter dan ik nog ergens aangetroffen had. Maar zulk eene hut heeft eene zeer talrijke bevolking. Deze opeenhooping van menschen in hetzelfde lokaal geschiedt niet alleen omdat de bouw van zulk eene woning, op eene hoogte van tien, vijftien, ja zelfs twintig el boven den grond, een zeer zwaar en moeielijk werk is; maar vooral ook opdat de bewoners steeds in genoegzamen getale zouden zijn om een vijandelijken aanval af te slaan. Men is namelijk in deze hutten nooit zeker, dat men den volgenden dag zal aanschouwen. Midden in den nacht zal het bamboezen dak misschien eensklaps in brand worden gestoken door vuurpijlen; en de aanvallers, zich dekkende met hunne schilden, zullen trachten met hunne bolos de boomstammen of palen om te kappen, waarop de hut rust. In zulke gevallen is de aanvallende partij bijna altijd overwinnaar: want de schoten en slagen van de verdedigers missen in het donker vaak hun doel, en wanneer de hut in brand vliegt of instort, worden zij onder het puin begraven en kunnen zich niet meer verdedigen. De Mandayas moorden om te rooven, maar ook wel, zonder uitzicht op voordeel, louter om de eer; zij hebben in hunne taal een bijzonder woord,bagani, waarmede iemand wordt aangeduid, die zestig hoofden heeft afgehouwen. Deze baganis zijn de eenigen, die—mits de wettigheid van hunne aanspraken in de vergadering van den stam bewezen zij,—het recht hebben, een soort van scharlaken rooden tulband te dragen. En al de datos zijn baganis. Deze woeste, barbaarsche zeden, vrij wel overeenkomende met die van de Dayaks op Borneo en van vele andere stammen in de binnenlanden der eilanden van den Maleischen archipel, geven eene voldoende verklaring van de ontvolking dezer streek, van de ellende der bewoners en ook van hun onverzoenlijken afkeer om zich bij mijne equipage te voegen. Iedere Mandaya die zijn dorp verlaat, loopt groot gevaar, vermoord of tot slaaf gemaakt te worden.
Die ruwheid van zeden heerscht trouwens overal in het binnenland van Mindanao, en de Mandayas leven niet ellendiger dan hunne naburen. Integendeel gelden zij voor de oudste en aanzienlijkste bewoners van het eiland: zij vormen eene soort van aristokratie, en de Manobas, de machtigste en geduchtste stam onder al de eilanders, dragen er roem op, als zij, hetzij door roof, hetzij door huwelijk, mandaya-vrouwen kunnen krijgen. Maar wanneer niet binnen kort het gezag der spaansche regeering tusschenbeiden komt, zullen de Mandayas geheel uitgeroeid worden; niet alleen worden zij onophoudelijk door al hunne buren bestookt, maar ook onder elkander voeren zij een waren verdelgingsoorlog.
Dagen lang volgde ik, in noordelijke richting, den loop van de Sahug, hoewel de vaart op die rivier, tengevolge van de tallooze kronkelingen, de toenemende ondiepte, en vooral van den snellen stroom en de vele watervallen en stroomversmallingen, steeds moeilijker werd. Daarbij hadden wij telkens met geweldige regens te kampen, en werd het bijna onmogelijk, manschappen te vinden, die mij bij het roeien behulpzaam wilden zijn en den ondragelijk zwaren arbeid van mijne weinig talrijke equipage wilden helpen verlichten. Eindelijk werd de vaart op de rivier, die nu inderdaad niet anders dan een onstuimige bergstroom was, ten eenemale onmogelijk; mijne deerlijk gehavende prauwen waren niet langer bruikbaar. Husip, een der voornaamste datos, wien ik door eenige geschenken gunstig mocht stemmen, bezorgde mij nu de noodige dragers, die mij naar de rivier de Agusan brachten, waar ik mij opnieuw inscheepte; den 16 December kwam ik te Surigao, de hoofdplaats der provincie van gelijken naam.
Ik word te Surigao allerhartelijkst ontvangen door den gouverneur, den kolonel don Alberto Raccaj y Milagro, en door den eerwaarden pater Ramon Luengo, overste der missie, een geestelijke, evenzeer uitmuntende door zijne uitgebreide degelijke wetenschap, als door zijn voortreffelijk humeur en karakter. Evenals alle zendelingen, die ik tot dusver heb ontmoet en die ik nog verder op Mindanao zal leeren kennen, behoort ook pater Luengo tot de Sociëteit van Jezus, die voor de uitbreiding van het Evangelie en de bekeering der heidensche volken zoo ontzaglijk veel gedaan heeft en nog steeds voortgaat te doen. Bij mijn herhaald verblijf te Surigao, logeer ik steeds bij den eerwaardigen geestelijke of bij don Carlos Herrera, een spaansch koopman; bij beiden vind ik hetzelfde hartelijke onthaal, beiden beijveren zich om mij op alle mogelijke wijze van dienst te zijn.Bladzijde 216
De vulkaan Apó. (Blz. 211.)De vulkaan Apó. (Blz. 211.)
De vulkaan Apó. (Blz. 211.)
De vulkaan Apó. (Blz. 211.)
Den 20stenDecember vertrok ik van Surigao, om een bezoek te brengen aan het meer Maïnit, in het midden van het schiereiland gelegen. Na dit meer te zijn overgestoken, zak ik de rio Tubay af, waardoor zich de wateren van het meer ontlasten, en keer langs dien weg naar de kust terug. In het dorp Tubay aangekomen, voel ik mij zeer onwel; zonder zelf recht te weten wat ik doe, ga ik in de eerste hut de beste binnen en strek mij in een hoek op den grond uit; ik heb nog ter nauwernood de kracht, om Marcello, onder bedreiging van do zwaarste straffen, te gelasten, eenige steenen heet te laten maken, om mij daardoor te verwarmen. Het duurde niet lang of ik verloor mijn bewustzijn; toen ik weer tot mij zelven kwam, werd mijne aandacht getrokken door een zonderling schouwspel. Bij het schijnsel van eenige bougies, in mijne bagage gevonden, hadden de cuadrilleros van het dorp en mijne muchachos een feest aangericht; zij zijn hartstochtelijk aan het kaartspelen, omringd door een half dozijn inlandsche meisjes, die zij ik weet niet van waar gehaald hebben, en die, meer dan half beschonken, de spelers palmwijn laten drinken uit een leeren kroes, dien zij uit mijn zak moeten hebben gehaald. Denkende dat ik dood of zoo goed als dood was, hebben mijne manschappen het als hun eerste plicht beschouwd, om eenige piasters, die zij zoo pas verdiend hadden, op deze wijze te verbrassen. De toorn geeft mij kracht; een rotting grijpende, val ik op de spelers aan, die, verschrikt door mijne onverwachte verschijning, in overhaasting de vlucht nemen en zich onder luid gejammer de ooren toestoppen, hetgeen bij de Bisayas een teeken is van den grootsten angst. Uitgeput door deze buitengewone uitspanning, val ik weder in mijnBladzijde 218hoek op den grond, ten prooi aan ijlende koortsen. Den volgenden morgen is de aanval geweken; muchachos en cuadrilleros nemen de verlegen, bevreesde houding aan van lieden, die eene zeer ernstige tuchtiging verwachten. Ik bepaal mij ook nu tot vreeselijke bedreigingen, die trouwens even weinig baten als slagen; zoo lang ik in staat ben, de leiding op mij te nemen, kan ik op mijne manschappen rekenen; ook met gevaar van hun leven, zullen zij zonder aarzelen mijne bevelen gehoorzamen; verlies ik bij ongeluk mijn bewustzijn, dan zou de herinnering aan de ondergane straf hen niet beletten, toch weer de aandrift van hunne zorgelooze natuur te volgen: zij zijn groote kinderen en moeten als zoodanig worden behandeld.
Mandayas.Mandayas.
Mandayas.
Mandayas.
1 Januari 1881.—Het nieuwe jaar begint met een allerhevigsten storm; de koorts en het slechte weer houden mij te Tubay geketend, terwijl ik in den omtrek zoo veel heb te doen. Decapitanvan het dorp verstaat een weinig spaansch, maar is in de hoogste mate dom; evenals zijne onderhoorigen, schijnt hij altijd te droomen en te suffen; niet dan met groote moeite kan ik het zoover brengen, dat hij mij eenige eieren, wat vruchten en tabak bezorgt. Ik betaal voor alles den tiendubbelen prijs; de capitan behoorde zich dus eenige moeite te geven en mij de noodige levensmiddelen te verschaffen; maar er is niets aan te doen: al dezeManobos conquistadoszijn behebt met eene ongeneeslijke traagheid.
3 Januari.—De wind is gaan liggen; ik kan mij inschepen om naar Surigao terug te keeren; den volgenden dag stap ik daar aan wal, om mij aanstonds naar bed te begeven, want de koorts heeft mij op nieuw aangetast; maar ik bevind mij nu bij pater Luengo, in eene goede, geheel nieuwe pastorie, waar het mij aan niets ontbreekt; ik kan niet dankbaar genoeg de oplettendheid en de teedere zorg roemen van mijn gastheer, van zijn vicaris, den eerwaarden pater Ramon Micart, en van hun helper, den heer don José Ubach. Deze geestelijken, die voor zich zelven geene ontberingen ontzien en met het minste tevreden zijn, weten mij de uitgezochtste spijzen te bezorgen, passende voor mijne zwakke maag.
Weldra ben ik dan ook weder op de been, en maak mij gereed om naar Davao terug te keeren, mijn weg nemende langs de oostkust van Mindanao. Uit een geografisch oogpunt is deze weg verreweg de belangrijkste. Men zegt mij wel, dat zulk een tocht in dit jaargetijde tot de onmogelijkheden behoort; maar ik kan het altijd beproeven en, als het moet, op mijne schreden terugkeeren. Ik maak dus de noodige toebereidselen en vind, als steeds, bij alle Spanjaarden die te Surigao gevestigd zijn, de hartelijkste medewerking. Door tusschenkomst van den gouverneur, gelukt het mij de beste boot te huren, die er in den omtrek te krijgen is, bemand met vijf flinke matrozen uit den stam der Bisayas; bovendien voorziet de gouverneur mij van aanbevelingsbrieven voor al decapitanesofgobernadorcillosin zijne provincie, waarin hij hun gelast, mij onverwijld van alles te voorzien, wat ik mocht noodig hebben.
Ik verlaat Surigao in den morgen van den 11denJanuari, en neem eene aangename, dankbare herinnering mede aan de weinige dagen, die ik daar heb doorgebracht.
Dien eigen avond, omstreeks tien uren, wierpen wij het anker uit in eene kreek, voor het dorpje Placer. Ik zend mijne lieden naar den wal om daar te overnachten en houd alleen twee muchachos bij mij.
Toen ik den volgenden morgen wakker werd, bevond ik mij op eenige kabellengten van de kust en geheel alleen aan boord; gedurende den nacht hebben de muchachos zich uit de voeten gemaakt en is de banca losgeraakt. Mijne muchachos waren van Surigao vertrokken zonder een penning op zak, maar de matrozen hadden nog wat geld, en overeenkomstig het gebruik bij de Bisayas, hebben allen te zamen dit geld verdronken. Gelukkig drijft de wind mij naar de kust; ik hijsch het zeil; na verloop van korten tijd is mijn personeel weer kompleet en kunnen wij weder vertrekken.
Ten zuiden van Placer is de kust zeer onvolkomen door eilanden gedekt; de wind wakkert aan, en de zee gaat hoog; ten elf uren zijn mijne roeiers uitgeput. Ik acht mij gelukkig dat wij onder den wal van het eilandje Cabgan, eene halve mijl ten zuiden van Gigaquit, kunnen ankeren.
Wij krijgen nu de zoogenaamdecolla—dat wil zeggen, onophoudelijke regenbuien vergezeld van hevige windvlagen;—zij duurt twee dagen achtereen; aan de windzijde kan men zich, op het strand van het eilandje, niet dan met moeite op de been houden. Den veertienden begint de wind wat te bedaren; intusschen kom ik tot de onaangename ontdekking dat mijne bemanning viermaal meer levensmiddelen heeft verbruikt dan waarop gerekend was, en dat zij het overige hebben laten bederven. Wij moeten naar Gigaquit gaan om nieuwen voorraad op te doen. Ondanks de onstuimige zee, gaan mijne manschappen, zonder een woord te zeggen, aan boord. Ik laat koers zetten naar den mond van de kleine rio van Gigaquit, ten zuidwesten van Cabgan; de hevige noordoosten wind, die bijna tot storm is aangewakkerd, drijft ons met vliegende snelheid door het met ondiepten en banken bezaaide water naar de kust; op eenigen afstand van de rio worden de golven grooter en langer, maar de banca glijdt nog zonder moeite over hare oppervlakte. Mijne roeiers kennende, kom ik op den gelukkigen inval, de zeilen te doen hijschen. Het water neemt eene aschgrauwe kleur aan; de golven worden al breeder en steiler: wij bevinden ons op de baar. Eene reusachtige golf stort zich op de banca, tilt haar als eene voer omhoog en vloeit dan onder haar weg; de banca drijft nu op een volkomen kalm en effen water, grijsgeel van kleur. Maar verre, verre achter ons verheft zich op die grauwe oppervlakte eene reusachtige golf, loodrecht als een muur en met eenBladzijde 219breeden rand van schuim gekroond; zij nadert in vliegende vaart, aanrollende met onwederstaanbaar geweld: onder dien loodkleurigen hemel, bij dien huilenden wind, een bode des verderfs.... Na verloop van eenige sekonden heeft zij ons bereikt; de banca verdwijnt in wolken van warrelend schuim; het woest geklater en gekraak overstemt het geschreeuw mijner equipage. De banca is vol water; dat zij boven drijft, is uitsluitend aan den uitlegger te danken;—maar wij zijn een eind vooruitgekomen,—en mijne manschappen hebben den tijd, althans gedeeltelijk het water uit te hoozen, eer eene nieuwe golf komt; dit tooneel herhaalt zich acht- of tienmaal: een laatste golf werpt ons in de rio van Gigaquit.
Mijne verschillende instrumenten drijven intusschen, beschadigd en in hopelooze wanorde, op den bodem van de banca; in drift ontstoken grijp ik den stuurman bij de keel: “Zeg mij, ellendigetulisan(roover), hoe durft gij als stuurman dienst te doen, daar ge dit vaarwater niet kent?
—Dispense Usted, Señor (Met uw verlof, Mijnheer), ik ken de kust zeer goed.
—Waarom hebt gij mij dan niet vooruit gewaarschuwd?
—Dispense Usted, Señor, gij zaagt er bij ons vertrek zoo toornig uit, dat ik geene opmerking durfde maken.”
Aan den oever van de rio staat de pastorie van Gigaquit; juist toen ik er binnen wilde gaan, nadert een Europeaan, even druipnat als ik, van den anderen kant: dat is pater Puntas. Met onze doorweekte, vast aan het lijf klevende kleederen, zien wij er zoo wonderlijk uit, dat wij ons niet weerhouden kunnen, in lachen uit te barsten. Pater Estevan Yepes, missionaris van Grigaquit, komt naar buiten, en ontvangt mij, als trouwens al zijne achtenswaardige collega's, met de meeste voorkomendheid. De pastorie is ruim; het zinken dak is tegen den regen bestand; weldra kan ik mijne kleederen, mijne gereedschappen en instrumenten en ook mijn persoon bij een goed vuur drogen.
16 Januari.—Het weer wordt steeds slechter; het is onmogelijk zee te kiezen; geweldige branding en onophoudelijke stormvlagen houden ons gevangen; en naar het schijnt, is dit het normale weer in dezen tijd des jaars tot April of Mei! Toch moet ik eene laatste poging wagen, om mijn tocht naar het zuiden te vervolgen.
Van een vluchtige beterschap gebruik makende, steken wij, bij eb, van Gigaquit in zee en komen zonder ongeval over de baar. Nu zetten wij koers naar de landpunt Tugas; maar ondanks alle inspanning van de equipage, bijgestaan door de muchachos, komen wij niet vooruit. Deze prauwen, door sommige reizigers zoo geprezen, zijn metterdaad ellendige vaartuigen; de uitleggers belemmeren hun gang; de vorm van de kiel belet het aanbrengen van een deugdelijk roer, in welk gemis zeer onvolkomen wordt voorzien door een korten wrikriem; en bij eene sterke branding zijn zij niet meer te vertrouwen, zoodra men niet meer voor den wind stuurt. Bij de slingerende bewegingen stoot de uitlegger te loefwaart met kracht tegen de golven, die de banca hebben opgetild, zoodat de rottingbanden, waarmede hij aan de dwarshouten verbonden is, beginnen los te laten. Dit is ook nu het geval: Francisco, die den uitlegger aan bakboordzijde moet gaan vastbinden, wordt door eene golf medegesleept en verdwijnt in de diepte. Gelukkig konden wij hem weer opvisschen, toen hij, tien vademen verder, weder boven kwam.
Na dit ongeval was mijn besluit genomen. Ik geef mijn voornemen om over zee naar Bislig te gaan op; ik zal daar spoediger komen wanneer ik over land naar Bunauan ga; daar gekomen, zal ik het gebergte overtrekken, dat zich tusschen het meer Linao en den Stillen-oceaan verheft. Ik zet dus weer koers naar Placer, dat wij niet zonder moeite bereiken; de wind, die eerst gunstig was, wordt te sterk en de zee is onstuimig; de wind loopt plotseling naar het noorden en scheurt het groote zeil aan flarden; mijne manschappen weten niet meer wat hun te doen staat. Op dat oogenblik vliegt eene ontredderde banca pijlsnel langs ons heen en wordt op de kust van Placer tot splinters geslagen, eer ik haar een touw heb kunnen toewerpen. Gelukkig kan de bemanning den vasten wal bereiken. Eindelijk komen wij, des avonds ten zeven uren, te Taganaan, waar ik weldra, in gezelschap van pater Jaime Plana en broeder don Pablo Aguilar, de vermoeienissen van dezen dag vergeet.
Den negentienden Januari kwamen wij te Butuan, Ik vaar de Agusan op: hetgeen ten gevolge van den sterken was der rivier zeer langzaam gaat; de nieuwe dorpen van de Manobos conquistados hebben zeer veel te lijden gehad van de overstroomingen. Op mijn herhaald verzoek om levensmiddelen, heeft de capitan van Guadelupe geen ander antwoord dan dit: “Ik sterf van honger”. Alle plantages zijn verwoest. Te Amparo is er gebrek aan menschen, niet minder dan aan levensmiddelen. De hutten staan ledig; de inwoners hebben alles medegenomen, levensmiddelen en gereedschappen. Te San-Luis verneem ik, tot mijne verbazing, dat ik zelf de oorzaak ben van deze vlucht der inlanders. Toen ik op mijne heenreis de Agusan afzakte, heb ik eenige Manobos, van wie men mij verzekerde dat zij van het zuiverste bloed waren, gemeten. Deze operatie, waarvan zij niets begrepen, kwam hun in de hoogste mate verdacht voor; en hun voormalige dato, die het verlies zijner vroegere onafhankelijkheid slecht kon verkroppen, heeft hen zonder moeite overgehaald, met hem naar de bosschen te vluchten. Ook mijne astronomische waarnemingen hebben het wantrouwen der oeverbewoners opgewekt, en de Manobos van San-Luis deelen mij openhartig de reden daarvan mede. “Ziet ge, zeiden zij, dat gaat niet natuurlijk toe; alleen een toovenaar kan met zulk een wonderlijk instrument (zij bedoelen mijn sextant) naar de zon kijken. Dit instrument is betooverd; daardoor ontdekt gij de ligging der hutten, midden in de dichtste wouden, achter de bergen verborgen; gij teekent die op, en zult dan met deBladzijde 220Castilas terug komen om al de Infieles in hunne handen over te leveren”.
Het doet mij innig leed, aldus zonder mijn weten den arbeid te hebben verstoord van de missionarissen, die mij met zooveel hartelijkheid hebben ontvangen. Toch is het te verwonderen, dat dergelijke desertiën niet meer voorkomen. Dereduccionvernietigt de macht van den dato en laat hem slechts eene enkele vrouw; zijn gezag als capitan of teniente is uit den aard der zaak onzeker; desacopesen de slaven kunnen eerst na verloop van tijd de voordeelen en weldaden van het nieuwe regeeringsstelsel leeren waardeeren; hunne aangeboren zorgeloosheid bekommert zich niet om de onzekerheden en wisselvalligheden aan het wilde leven in de bosschen verbonden; daarentegen kunnen zij in geenen deele de noodzakelijkheid inzien, om, in strijd met hunne aloude gewoonte, voor ieder gezin eene afzonderlijke hut te bouwen, benevens eene kapel, een tribunaal en dergelijke inrichtingen; de dato eischte wel van hen, dat zij hem in den oorlog zouden volgen, maar dat viel geheel in hun smaak, want daarbij was in den regel eenige buit te behalen.
Toch zijn de desertiën doorgaans het gevolg van de knevelarijen der inlandsche inspecteurs of tolken, die in de dorpen dernuevos conquistadosworden aangesteld, om toezicht te houden en hen bekend te maken met de eerste beginselen der beschaving. De Bisayas nemen die betrekkingen alleen aan, omdat zij hopen daarvan voordeel te trekken door de oneerlijkste praktijken. Spekuleerende op de zorgeloosheid en ijdelheid der nieuw bekeerden, verkoopen zij hun op krediet kleederen, snuisterijen en allerlei andere zaken, tegen buitensporig hooge prijzen en voor belangrijke sommen. Dereducidos, geen kans ziende ooit hunne schuld af te betalen, maken zich soms uit de voeten; maar de schuldeischer verliest er niet veel bij: als hij maar iets op afrekening ontvangen heeft, is hij doorgaans reeds meer dan gedekt.
Dorp der Mandayas.Dorp der Mandayas.
Dorp der Mandayas.
Dorp der Mandayas.
Eerst den 27stenJanuari kom ik te Bunauan, waar ik de banca, die ik te Butuan had gehuurd, verwissel tegen twee prauwen. Ik verlaat nu mijn vroegeren weg en vaar de Simulao op, die sterk gezwollen en vrij onstuimig is, tot een weinig boven Tudela, een armzalig dorp van Mandayas, die meer of minder oprechtelijk tot het Christendom zijn overgegaan. De Simulao is tusschen tamelijk hooge oevers ingesloten, die eenzaam en verlaten zijn. Het regent maar steeds door; en onder dien grauwen hemel, maakt Tudela, in de modder verzonken, den treurigen indruk van een dorp, dat in puin vergaat nog eer het voltooid is. De inwoners schijnen met verdooving geslagen; de kinderen zelfs, in de hoeken neergehurkt, met houten sabeltjes spelende, zijn somber en zwijgend bij hun spel.
Ik moet echter noodwendig dragers hebben, om over den berg Bucan te trekken, die mij van Bislig scheidt; daar alle aanbiedingen en bedreigingen zonder uitwerking blijven, maak ik mij meester van den capitan van Tudela, zeg hem dat hij mijn gevangene is, dat ik hem zal medenemen en dat hij nimmer de oevers van de Simulao zal wederzien. Eerst toen besloot hij, mij twee lichte kano's, drie mannen en vier kinderen van vijf tot twaalf jaar te bezorgen.
Den laatsten dag der maand kwamen wij, na over den berg Bucan (honderd-dertig el hoog) getrokken te zijn, aan de diepe en breede rio Bislig. Even als alle andere reeden langs deze kust (alleen de golf van Pujada uitgezonderd), ligt ook die van Bislig naar het noordoosten open, waardoor zij gedurende den thans heerschenden moesson onbruikbaar is.—Bislig, eene der oudste nederzettingen van de Bisayas aan de kust van den Stillen-oceaan, wordt tot Surigao gerekend en bestuurd door een bataillonschef. Ik begeef mij naar het tribunaal, waar ik in mijn armoedige bagage een fatsoenlijk kleedingstuk opzoek, om mijne opwachting te kunnen maken bij den gouverneur. De kommandant, don Raphael Piquer y Morales, van mijne komst verwittigd, zendt aanstonds een ploeg cuadrilleros, die al mijne bagage opnemen. Ik volg hen, en eenige minuten daarna stelt de kommandant mij aan zijne echtgenoote voor, en zegt mij dat ik bij hem ben gelogeerd. “Eene weigering zou u niets baten, voegt hij er aan toe: laat ons maar dadelijk aan tafel gaan.”
Ik breng twee zeer aangename dagen bij mijne gasten door, die alleen met hun dochtertje in dit dorp, toch niet aan verveling ten prooi zijn en zich bezigheid hebben weten te verschaffen. De heer en mevrouw Piquer dringen er op aan, dat ik langer zal blijven; maar ik ben uitgeput van vermoeienis en ziek; ik gevoel dat het hoog tijd wordt, mijn tocht door Mindanao ten einde te brengen, omdat anders de krachten mij zullen gaan begeven.
Het weer schijnt tot beterschap te neigen; den tweeden Februari vertrek ik van Bislig in eene groote banca met vijf matrozen, die ik te danken had aan de vriendelijke tusschenkomst van den kommandant Piquer. Blijft het weer goed, dan zal het mij misschien mogelijk zijn, ondanks den mousson, de baai van Pujada te bereiken. De ervaring leerde evenwel al spoedig dat dit niet doenlijk was. Zoodra de wind maar even aanwakkerde, werd de zee zoo woelig en ontstond er zulk eene geweldige branding, dat wij niet voort konden komen. Na drie dagen tobbens, hadden wij het nog niet verder gebracht dan tot Catel Nuevo; van daar uitzeilende, werd de zee weder zoo ontstuimig, dat onze banca met mast en al onder de golven verdween. Ik weet wel, dat onze visschers langs het Kanaal en de Noordzee, in den winter meermalen zulk weer trotseeren, maar hunne vaartuigen bouwen vrij wat beter zee dan de banca's van Mindanao; bovendien is er, noch uit physiek, noch uit moreel oogpunt, eene vergelijking te maken tusschen onze visschers en de Bisayas.
Ik besluit dus, mijne reis over land, langs de kust, te vervolgen, en zend naar Catel-Viejo om dragers. Catel-Viejo, een oud pueblo der Bisayas, wordt tegenwoordig door onderworpen en nieuw bekeerde Mandayas bewoond, wier traagheid en zorgeloosheid niets te wenschen overlaat. Als zijBladzijde 222zien, dat ik mij in ernst boos maak, loopen zij weg, zoodat wij hen te water en te land moeten najagen. Na bovenmenschelijke inspanning krijg ik eindelijk vier mannen, benevens twee buffels voor sleden gespannen, waarmede wij, naar het zeggen der Mandayas, over het zandige strand zeer goed zullen opschieten.
Ondanks den onbarmhartigen regen, die op nieuw bij stroomen neervalt, zou het inderdaad ook goed zijn gegaan, indien de sleden der Mandayas maar over het zand hadden willen glijden: maar daartoe waren zij niet te bewegen. Wij moeten dus de bagage van de sleden afnemen en op de buffels overladen, die daartoe van pakzadels worden voorzien, op de plaats zelve van lianen vervaardigd. Een dezer dieren, wien dit prikkelende zadel waarschijnlijk hindert, zet het eensklaps op een loopen en strooit zijne vracht over het strand. Zijn verschrikte geleider rent hem na, luid schreeuwende: ”Ayao! ayao!” Het tooneel is zoo dwaas, dat ik mij niet boos kan maken. Het is intusschen onmogelijk verder te gaan, want de duisternis valt en het strand is met drijfhout bedekt; wij bivouakeeren dus onder den blooten hemel, op een rots, onder onophoudelijkcn regen, zonder vuur en zonder levensmiddelen.
Den volgenden dag kwamen wij vrij vroegtijdig te San-Juan, wederom een dorp van onlangs onderworpen Mandayas; de capitan verhuurt mij een paard, een armzalig dier, dat mij, hoe vermagerd ik ook ben, niet dragen kan; bij den eersten kuil, dien wij ontmoeten, struikelt hij en valt op mij. Ik laat dien rosinant vastbinden aan den staart van een buffel, die hem met moeite voorttrekt. De regen, die sedert vier-en-twintig uren zonder ophouden valt, wordt een ware zondvloed: het is alsof de geheele Stille-oceaan zich in damp heeft opgelost om vervolgens weer in waterstroomen op ons neer te dalen. Het steile pad, dat over het voorgebergte Bagoso loopt, is bezaaid met puntige rotsen en steenen, telkens afgebroken door diepe beken en door breede en diepe poelen. Ik vraag mij af, hoe onze buffels het wel hier maken moeten, toen eensklaps een dezer dieren, het beste, neervalt en weigert op te staan; het stervende dier zinkt elk oogenblik dieper in de modder. Twee muchachos loopen zoo hard zij kunnen naar den naasten pueblo; de hemel geve, dat die niet ver verwijderd zij! Inmiddels laat ik den armen buffel van zijne vracht bevrijden, en tot mijne groote verbazing komt het dier weer bij; wij trekken hem uit de modder en beladen hem weder, maar slechts met een deel zijner vracht, want de onophoudelijke regen, die overal doordringt, heeft het gewicht der bagage verdubbeld. Kort daarop verschijnen een aantal Bisayas van Quinablangan; ik heb het gelukkig getroffen: het dorp lag in de nabijheid en mijne muchachos hebben er een missionaris ontmoet, die, zonder dat hij mij kende, hen aanstonds terugzond met zooveel manschappen, als waarover hij op dat oogenblik beschikken kon. De buffels, nu van een deel van hun vracht ontlast, gaan geregeld voort; wij trekken met spoed door de laatste ravijnen van den berg, en komen tegen vier uren in den namiddag te Quinablangan, waar ik persoonlijk mijn dank kan brengen aan pater Raimundo Peruga, die ons op zoo uitstekende wijze geholpen heeft.
8 Februari.—Ik heb heden een reisgenoot: pater Peruga gaat, even als ik, naar Dapnan, een door Bisayas bewoond dorp, waar wij den eerwaarden pater Quirico Moré aantreffen, dien ik reeds de eer heb gehad te Davao te ontmoeten. Dapnan is in geweldige opschudding: twee dagen geleden hebben de Mandayas een aanval gewaagd op enkele huizen van den pueblo; zij hebben drie der hunnen verloren, maar hebben zes Bisayas vermoord en verscheidene anderen medegevoerd; het is waar, dat de Bisayas, kort te voren, op soortgelijke wijze de Mandayas hadden overvallen. Deze veeten zijn onuitroeibaar, en de eene gewelddaad lokt de andere uit.
Des avonds komen wij te Baganga, een pueblo die door vijftien-honderd zoogenaamde oude Christenen (Christianos viejos) wordt bewoond, voor het meerendeel mestiezen van Mandayas en Bisayas.
Den volgenden morgen neem ik afscheid van de missionarissen, wier levenstaak hen roept om, te midden van allerlei ontberingen en gevaren, te blijven arbeiden onder de Bisayas en Infieles, ver van de beschaafde maatschappij, waarin ik weldra zal terugkeeren. In waarheid, hoe meer ik deze mannen in hun bij de wereld vergeten en zoo vaak bespotten en geminachten werkkring leerde kennen, des te hooger sloeg mijne bewondering voor hun geloof en hunne grenzenlooze toewijding.
Pater More, die twee dagen te Baganga blijft, leent mij zijn paard, dat ik hem op de eerstvolgende pleisterplaats zal terugzenden. De tocht wordt er, voor mijne dragers en mijne muchachos, niet gemakkelijker op. Het geheele oostelijke gedeelte van Mindanao is bedekt met eene vrij hooge bergketen, die van het noorden naar het zuiden loopt, maar talrijke vertakkingen naar het oosten uitzendt, welke meestal in hooge voorgebergten eindigen. Het gevolg hiervan is, dat de kust bestaat uit eene opeenvolging van baaien en inhammen, door steile hoogten gescheiden, waarover een ter nauwernood gebaand pad loopt, dat door lianen wordt versperd en telkens door beken en poelen afgebroken.
Ik zal maar niet uitvoerig verhalen, hoe wij van dag tot dag voortsukkelden langs deze noodlottige onherbergzame kust, die bij elken voetstap den reiziger nieuwe bezwaren in den weg legt. De regen hield maar steeds aan, en meermalen moesten wij des nachts onder den blooten hemel kampeeren. Daar kwam bij, dat mijne dragers nooit langer dan hoogstens één etmaal bij mij bleven; telkens moest ik dus, in de ellendige dorpen en gehuchten, die wij ontmoetten, op nieuw moeite doen om plaatsvervangers te vinden. En had ik eindelijk de noodige manschappen gevonden, dan kostte het niet minder moeite om hun te eten te geven; het weinige dat zij medebrachten, was in den morgen reeds verteerd; kwam ik 's avonds in een dorp, dan gelukte het mij maar zelden, er een weinig rijst te koopen; doorgaans moeten wijBladzijde 223ons tevreden stellen met bananen en wat pataten. In de maanden, die op den rijstoogst volgen, heerscht er echter, in dit gedeelte van het eiland, minder gebrek aan levensmiddelen.
In den namiddag van den zestienden Februari kwamen wij, met helderen zonneschijn,—wij waren echter zoo uitgeput dat de warmte ons hinderlijk was,—te Mati, een door Bisayas en onderworpen Moros bewoond dorp aan de baai van Pujada. Deze baai, waarvan de zuidoostelijke punt uitloopt in een hoog, bij uitnemendheid schilderachtig voorgebergte, vormt een ruime, zeer gunstig gelegen, uitmuntende haven, die, wanneer eenmaal de beschaving op de oostkust van Mindanao vasten voet zal hebben gewonnen, van overwegend belang zal zijn en waarschijnlijk eene schitterende toekomst tegemoet zal gaan. De voortreffelijke ankerplaats is door de landpunt Taucanan geheel gedekt tegen de noorden- en noordoosten winden; de ingang van de baai is zonder eenig gevaar; enkele kleine eilandjes schijnen daar opzettelijk geplaatst om bakens en vuurtorens te ontvangen. De baai van Pujada is het aangewezen middelpunt voor de handelsbeweging langs deze kust; maar er zal waarschijnlijk nog wel een groote veertien dagen verloopen, eer hier van handel sprake kan zijn.
Van Bislig tot hier vond ik de kust woest en verlaten, en menigmalen trokken wij den ganschen dag voort, zonder een spoor van een menschelijk wezen te ontmoeten, buiten de weinige ellendige dorpen en gehuchten. De dorpjes der nieuw bekeerde Mandayas zijn ter nauwernood omringd door eenige armoedige velden, met pataten en rijst beplant, en als het ware verloren te midden van het dichte woud. De nederzettingen van zoogenaamde oude Christenen,Christianos viejos, zijn niet beter; overal is de bevolking even traag, verzonken in lustelooze dofheid en zorgelooze onnadenkendheid.
17 Februari.—Met een kano vaar ik van Mati naar Puerto Balete (ten zuidwesten van de baai van Pujada), waar het terrein zich uitmuntend zou leenen voor den aanleg van dokken en kaaien. Ik ga daar aan land, om den bergrug over te trekken, die van Surigao tot kaap Sint-Augustijn evenwijdig met de kust loopt. In haar noordelijk gedeelte heb ik die bergketen reeds in omgekeerde richting overgetrokken, om van de oevers van de Simulao de zeekust te bereiken. Hier is de overtocht gemakkelijker; na over een vrij steile kam te zijn geklauterd, die ten noordwesten van Puerto Balete oprijst, heeft men slechts een natuurlijk ravijn te volgen, dat de bergketen doorsnijdt en aan de oostkust van de golf van Davao uitkomt, te Kuavo, waar twee hutten zijn, maar geen prauw is te vinden. Een visscher, eenmoro, die naar zijne rancheria terugkeert, neemt mij met zijne bagage in zijne banca op. Ik zend mijne dragers weg, en mijne muchachos volgen mij te voet langs het strand.
De visscher gaat niet verder dan Sumlug; de dato van dat gehucht zou, geloof ik, waar het op bedrog en schraapzucht aankomt, het van iedereen winnen: na eindelooze onderhandelingen bezorgt hij mij eindelijk, tegen een buitensporigen prijs, eene verrotte banca en twee zieke slaven.
Zoo, bovendien door tegenwind opgehouden en telkens verplicht stil te liggen, sukkelden wij voort langs de kust; hier en daar op het punt van schipbreuk te lijden.
Den twee-en-twintigsten Februari kwam ik eindelijk te Davao, waar ik het genoegen had, de meeste vrienden terug te vinden, die ik den tweeden November had verlaten; hun vriendelijk onthaal zou mij de doorgestane vermoeienissen spoedig hebben doen vergeten, wanneer niet de telkens wederkeerende aanvallen van koorts mij er aan hadden herinnerd. Ik breng hier mijne aanteekeningen en collecties in orde. Mijne muchachos, die geheel uitgerust en hier goed gevoed zijn, wenschen te vertrekken; de twee, die ik genoodzaakt ben weg te zenden, om hen niet geheel aan hunne familie te ontrukken, zijn zeer bedroefd; maar eene goede gratificatie troost hen spoedig. Zulk een zwervend leven in het gevolg van een Europeaan staat den Indianen zeer goed aan; in hun dorp teruggekeerd, zijn zij onuitputtelijk in het verhalen en verdichten van allerlei avonturen en heldendaden en worden in hun eigen oogen personages van gewicht.
13 Maart.—Ik neem afscheid van Davao en ga aan boord van deFrancisco Reyes, die den 21 het anker uitwerpt in de haven van Manilla. Ik blijf daar eene geheele maand, vergeefs op mijne genezing hopende, in de gastvrije woning van onzen landgenoot, den heer Louis Génu, wiens hartelijke en zorgvuldige verpleging mij ongetwijfeld de gezondheid zou hebben teruggegeven, indien de koortsen, met inzinking van krachten gepaard, op andere wijze waren te genezen dan door terugkeer naar Europa.
Voor zoover de koorts mij vrijliet, bracht ik alleraangenaamste oogenblikken door met den heer Génu, en met onze te Manilla gevestigde landgenooten, bepaaldelijk met den heer Bréjard, kanselier van het fransche consulaat, en den heer Aussenac, gewezen kavalerie-officier; deze heeren, die bijna alle landen der wereld hebben bezocht, wisten uit den rijken schat hunner ervaring en waarneming zoo belangrijke mededeelingen te doen, dat ik de met hen doorgebrachte avonden niet licht vergeten zal. Maar hoe gaarne ik mijne onderzoekingen ook verder zou hebben uitgestrekt, en hoezeer ik hoopte nog in staat te zijn, om de Infieles in het noorden van Luçon te leeren kennen, het mocht niet zijn. De staat mijner gezondheid noodzaakte mij, naar Europa terug te keeren.
Een beknopt overzicht van de groep der Philippijnen zal, ten besluite van dit reisverhaal, onzen lezers wellicht niet ongevallig zijn. De Philippijnen vormen de noordoostelijkste eilandengroep van den Oost-Indischen archipel; zij ligt tusschen de Chineesche-zee en den Stillen-oceaan, en strekt zich uit van 5° 9′ tot 21° noorderbreedte, en van 117° tot 126° oosterlengte. Het eigenlijke middelpunt der groep vormt in het noorden het eiland Luçon,Bladzijde 224aan welks zuidpunt zich drie reeksen van eilanden aansluiten, waarvan twee in zuidoostelijke en eene in zuidwestelijke richting. Het voornaamste eiland na Luçon is Mindanao in het zuiden; voorts verdienen nog afzonderlijke vermelding: Samar, Masbate, Leyte, Panay, Negros, Cebu, Pajol, die met Mindoro en een groot aantal kleinere eilanden de zoogenoemde Bisayasgroep vormen; verder de Calamianes met inbegrip van Palawan; de Babuyanen en de Baschi of Batanen, ten noorden van Luçon. Men schat het aantal van alle eilanden te zamen op twaalfhonderd, en de oppervlakte, met inbegrip van de Soeloe-eilanden, op vijfduizend-driehonderd-acht-en-zestig vierkante mijlen, waarvan ruim drieduizend vierkante mijlen in het bezit der Spanjaarden zijn. Ongetwijfeld vormen al deze eilanden te zamen een soort van hoogland, tusschen welks plateaux zich diepe dalen slingeren, thans door de wateren der zee bedolven. De meeste eilanden zijn met bergen en heuvels bedekt, terwijl belangrijke bergketenen hen van het noorden naar het zuiden doorsnijden; bovendien bevatten zij een aantal deels nog werkzame, deels uitgedoofde vulkanen, en zijn daarom vaak aan aardbevingen onderhevig.
Men onderscheidt drie jaargetijden: vooreerst het droge en koude jaargetijde, dat in November met den aanvang van den noordoost-moesson begint; voorts desencasof het warme saizoen, dat in Maart begint en in April en Mei onuitstaanbare hitte aanbrengt; eindelijk de regentijd, die in het zuidwesten van den archipel in Mei en Juni intreedt en tot September en October duurt, als wanneer het aan de noordelijke en oostelijke kusten begint te regenen. De zuidwest-moesson begint regelmatig in Juni; hij duurt tot September en October; het omslaan van den wind gaat meestal met geweldige stormen en orkanen gepaard.