Het eiland Soeloe.

Chineezen op Luçon.Chineezen op Luçon.

Chineezen op Luçon.

Chineezen op Luçon.

Na een langen rit midden door de rijstvelden, komen wij aan den voet van den berg Samat, een uitlooper van de sierra de Marivelès, ten westen van Balanga. Wij laten onze paarden achter in eene hacienda, die aan don Cypriano behoort, en beginnen den berg te beklimmen. Onze tocht wordt bemoeilijkt door de rijstvelden, die tot eene aanmerkelijke hoogte reiken en een veel minder overvloedigen, maar wat het gehalte aangaat veel beteren oogst opleveren dan die in de vlakte. Ieder veld is omringd door een corral (palissade), hetgeen noodig is om de wilde zwijnen af te weren; maar wij zijn telkens genoodzaakt over die hekken heen te klimmen, wat op den duur vreeselijk vermoeiend is. Na verloop van eenigen tijd bereiken wij de grens van de plantages der Tagalocs, en steeds klimmende, komen wij aan het gebied der Negritos. Op den top van een terp, te midden van een pas ontgonnen plek, waar men nog de overblijfselen der omgehouwen en half verbrande boomstammen ziet, staat de kleine, maar vrij zindelijke hut van het opperhoofd, in vorm en bouw geheel overeenkomende met de hutten der Tagalocs. Van deze hoogte heeft men een prachtig uitzicht: wij overzien de geheele baai van Manilla, omlijst door een amphitheater van blauwe bergen; voor onze voeten strekt zich tusschen de zee en de eerste heuvelen, de bebouwde vlakte uit, een bloeiende tuin, gevormd door de regelmatige vierkanten der rijstvelden, afgewisseld door sierlijke boomgroepen en doorsneden met talrijke beken. Achter ons verheffen zich hooge bergen, met ondoordringbare wouden bedekt. In de nabijheid, op de andere hoogten, ziet men de kleine akkers en hutten van de overige leden van den stam.

Salon van een chineesch koopman te Daraga.Salon van een chineesch koopman te Daraga.

Salon van een chineesch koopman te Daraga.

Salon van een chineesch koopman te Daraga.

Het opperhoofd, die bij onze komst geheel naakt was, haast zich den mooien rok aan te trekken, waarop hij niet weinig trotsch is; hij en zijne vrouw beginnen nu uit alle macht te schreeuwen om hunne onderdanen bijeen te roepen; hun geschreeuw klinkt als een echo van hut tot hut, en weldra is de geheele stam, een twaalftal mannen en ongeveer evenveel vrouwen, rondom ons vergaderd.

Terwijl deze arme lieden hun hart ophalen aan de levensmiddelen, die wij hebben medegebracht, nemen wij de woning van hun opperhoofd wat nader in oogenschouw. Daartoe is niet veel tijd noodig, want de hut bevat letterlijk niets dan twee bogen, vijf of zes pijlen en een half dozijn borden, de hemel mag weten tot welken prijs in den naburigen pueblo ingeruild. Hoe uiterst eenvoudig de levenswijze der Negritos ook moge zijn, toch heeft de aanraking met de Tagalocs althans eenige behoeften bij hen gewekt: zij begeeren tabak, wat katoen, ijzer voor de punten hunner pijlen; in ruil daarvoor geven zij rijst, harst en honig uit deBladzijde 14bosschen. In den regel worden zij gruwelijk beet genomen en bestolen, want zij hebben niet het flauwste begrip van het spaansche geld, en ook de knapste koppen onder hen raken de klus kwijt als zij verder dan vier of vijf moeten tellen.

Na afloop van den maaltijd laten wij hun eenige flesschenanisado(ongesuikerde anisette) en een kistje sigaren geven, van welk een en ander zoowel de vrouwen als de mannen haar deel nemen. Eenige stukken katoen, enkele halskettingen en messen, zijn meer dan voldoende om de gunst der wilden te winnen, die, om hunne dankbaarheid te toonen, een dans uitvoeren, welke ondanks zijn min of meer krijgshaftig karakter, toch tot de plechtigheden behoort, waarmede het huwelijksfeest wordt opgeluisterd.

De mannen scharen zich in een kring: ieder legt zijne linkerhand op de heup van zijn voorman en zwaait met de rechterhand zijn boog en pijlen. Zoo draaien zij langzaam, met afgemeten passen, in het rond, daarbij telkens den hiel van den linker voet met kracht nederzettende. In het midden van den kring staan drie vrouwen, die zoo luid mogelijk een lied zingen, waarvan de melodie niet veel meer is dan één aanhoudend gegil. Een jonge Negrito, die van tijd tot tijd op een tamboerijn slaat, dringt haastig in den kring door, draait om de vrouwen heen, verwijdert zich, komt weer terug en is onophoudelijk in beweging, juist als een dief die op een of ander voorwerp loert, maar bang is om betrapt te worden. Onze tolk zegt ons, dat die knaap den duivel moet verbeelden, of ten minste den Tagaloc, die in de oogen der Negritos met den booze gelijk staat; het is ons evenwel niet mogen gelukken nadere inlichtingen in te winnen omtrent dit zoo belangrijk personage, wiens tegenwoordigheid alleen voldoende is om het bewijs te leveren dat ook bij de Negritos het besef van en het geloof aan het bovennatuurlijke bestaat. Trouwens, hoe zou het ook anders mogelijk zijn: dit besef toch behoort tot het innigste wezen van den mensch en openbaart zich dan ook overal en ten allen tijde.

De dansers worden beloond met nog een paar flesschen anisado en sigaren; vervolgens noodigen wij hen uit, met den boog te schieten. Wat wij vermoed hadden, bleek waarheid te zijn: de Negritos zijn zeer onhandige schutters. Dit is mede een der redenen van den voortdurenden achteruitgang van hun ras. Onophoudelijk vervolgd en gekweld door andere wilde stammen, die hun meerderen zijn, kunnen de Negritos ter nauwernood eenige bananen en andere planten kweeken, en zijn zij voor hun levensonderhoud in de eerste plaats afhankelijk van de jacht; maar door hunne onhandigheid en onbeholpenheid is dit een hoogst onzeker middel van bestaan. De Negritos van de provincie Bataan zijn in dat opzicht bevoorrecht boven velen van hun stamgenooten. Zij leven in vrede, zonder door iemand bemoeilijkt te worden; wij hebben dan ook alle gelegenheid om ons geheel op de hoogte te stellen van hunne levenswijze en gebruiken, te meer daar zij hieromtrent volstrekt niet achterhoudend zijn.

Het opperhoofd is natuurlijk tevens de hoogste rechter: hij doet uitspraak in alle geschillen en vonnist over alle misdrijven. Zijn er grijsaards in den stam, dan is hij verplicht, ook hun raad in te winnen. Zij kennen maar ééne straf, de doodstraf, die niet alleen op moord, maar ook op diefstal en overspel en bijna alle andere misdrijven staat. Echter komen, uit den aard der zaak, zulke gevallen zeldzaam voor. Het gedrag van de jonge meisjes laat doorgaans niets te wenschen over: het minste vermoeden van het tegendeel zou haar alle kans doen verliezen om een echtgenoot te vinden. De Negrito koopt zijne vrouw niet, zoo als men verwachten zou dat het geval was; hij geeft slechts een klein geschenk aan zijn aanstaanden schoonvader, die in ruil daarvoor, bij wijze van uitzet, aan zijne dochter eenige dingen ten geschenke geeft, welke haar persoonlijk eigendom blijven. Het huwelijk gaat met groote feestelijkheden gepaard; de bruid en de bruidegom moeten in twee dicht bij elkaar staande, zeer buigzame jonge boomen klimmen; het opperhoofd buigt die boomen tot elkander, en wanneer de voorhoofden der jonge lieden elkander hebben aangeraakt, is het huwelijk voltrokken.

De eigendom is behoorlijk geregeld. De akker is het eigendom van dengeen, die den grond heeft ontgonnen, en van zijne erfgenamen. Als bij den dood van het hoofd des gezins de moeder nog leeft, wordt de nalatenschap in twee gelijke deelen verdeeld: de eene helft komt aan de moeder toe, de andere aan de kinderen, die hun portie onderling deelen. De liefde der ouders voor hunne kinderen is zeer groot, en de kinderen betoonen hun ouders den verschuldigden eerbied. Uit de zorg, die men voor de graven draagt, blijkt dat de wederkeerige genegenheid niet met den dood ophoudt. Tot mijn leedwezen is het mij niet mogen gelukken, met juistheid te weten te komen, welke voorstellingen de Negritos zich maken omtrent het leven aan genezijde des grafs.

De levenswijze der Tagalocs is natuurlijk veel minder eenvoudig; maar zoowel hier als in de andere provinciën werden wij getroffen door de goede verstandhouding, die bij hen tusschen meesters en dienstboden, tusschen patroons en werklieden bestaat. Gedurende ons verblijf te Balanga, hebben wij bij herhaling den avond doorgebracht bij de aanzienlijkste inwoners en bij den gobernadorcillo. Als men binnenkomt, is het bijna onmogelijk, de heeren van de dienstboden te onderscheiden: beiden gaan barrevoets en dragen dezelfde kleeding, beiden groeten op dezelfde wijze en kauwen betel. Eerst als wij gezeten zijn, verlaten de talrijke dienstboden de kamer; zij blijven dan doorgaans voor de steeds geopende deur staan, want het gebeurt niet zoo heel dikwijls dat zij een Europeaan ontmoeten, met uitzondering van priesters en ambtenaren. Hunne houding is vrijmoedig en tevens eerbiedig; blijkbaar scheppen ook zij groot behagen in de tonen van de piano en van de harp of guitaar, die nooit op eene tertullia, soireetje, bij de Tagalen mogen ontbreken. Het ameublement van deze woningen, zelfs bij de meest gegoeden, is hoogst eenvoudig. Behalve de muziekinstrumenten, zooals de uit Parijs of Madrid afkomstige en dus zeer dure piano's, ziet men niets dan eenige zeerBladzijde 15ordinaire meubelen: stoelen van rotting in allerlei vorm, eenvoudige tafels, godsdienstige platen tegen de wanden, somtijds ook een godsdienstig boek, in de laatste jaren te Manilla gedrukt en dat, door papier en druk, herinnert aan de boeken der zeventiende eeuw. Somwijlen ziet men ook, onder eene glazen stolp, eenige beeldjes, die een of ander tafreel uit de gewijde geschiedenis voorstellen. Deze beeldjes, die te Manilla vervaardigd worden, zijn in den regel van ivoor en zeer goed bewerkt: de kleederen der figuren prijken met ornamenten van massief goud.

Over het algemeen is alles wat tot de eeredienst betrekking heeft op grootschen voet ingericht. De kerken, de torens enconventos(pastoriën) zijn de eenige gebouwen, die geheel van steen worden opgetrokken. Als men des avonds door de stille, sluimerende pueblos gaat, wordt de aandacht aanstonds getrokken door eene groote helder verlichte nis in den steenen voorgevel der kerk; in die nis prijkt het gekleurde beeld van den heiligen schutspatroon, onder wiens hoede de geloovigen veilig rusten.

Natuurlijk heeft hunne bekeering tot het Christendom niet alle sporen van hun vroeger bijgeloof uitgewischt. Slechts een enkel staaltje daarvan. Toen wij op zekeren avond langs een boschje van bamboe gingen, verhaalde onze gids ons, dat 's nachts, bij lichte maan, reusachtige witte ruiters, door honden gevolgd, door dit boschje rondrijden, onder luid gezang en geblaf der honden; de ontmoeting van deze spookgestalten is altijd noodlottig: hij die deze bovenaardsche ruiters ziet, begint te kwijnen en sterft na verloop van korten tijd. Hebben wij in dit sprookje eene min of meer gewijzigde lezing te herkennen van het bij ons in Europa zoo bekende verhaal van den Wilden Jager? Den 15denAugustus vertrokken wij van Balanga en keerden naar Manilla terug, van waar wij, een paar weken later, ons naar de provincie Albay begaven.

Ook deze reis ging aanvankelijk over zee. Onze vriend, de heer Génu, brengt ons aan boord van deCébu, en stelt ons voor aan den kapitein, don Liborio de Tremoya, die zich aanstonds, met echt castiliaansche hoffelijkheid, te onzer beschikking stelde.

De kust van Luçon volgende, kwamen wij den volgenden dag, 3 September, op de hoogte van het eiland Marinduque, dat zeer bevolkt en uitnemend bebouwd is, vooral in het westelijk gedeelte. Het groote eiland Mindoro, meer naar het zuidwesten gelegen, was vroeger de korenschuur der Philippijnen. Mindoro was ontgonnen en gekoloniseerd door paters Jezuïeten en bereikte onder hunne leiding en bestuur een hoogen trap van welvaart. De opheffing der Orde, in de vorige eeuw, die onder zoo menig opzicht verderfelijke gevolgen na zich sleepte, bracht ook aan het eiland Mindoro een doodelijken slag toe. De razzias der Moros—de mohammedaansche Maleiers van Palawan, Mindanao, Soeloe, Borneo en andere eilanden,—voltooiden den ondergang van het eens zoo bloeiende gewest. De zeer geslonken tagaalsche bevolking heeft zich bijna uitsluitend aan de kust teruggetrokken. Eenige half wilde Manguianen zwerven door de dichte wouden van het binnenland, waar de vergeten ruïnen sluimeren der vroeger volkrijke en welvarende pueblos.

Op de hoogte van Marinduque begint de kust van Luçon van karakter te veranderen: de bosschen en wouden worden nu telkens afgebroken door uitgestrekte velden metcogonbeplant, eene grassoort die in den geheelen archipel onafzienbare terreinen bedekt. Doorgaans woekert zij welig voort op verlaten akkers en plantages; zij is van weinig nut, en wordt somwijlen gebruikt als dakbedekking voor de hutten der inlanders. Bij gebrek van ander voedsel, geeft men de jonge plantjes ook wel aan buffels en paarden. Hoe verder wij komen, hoe woester en eenzamer de kust wordt: de boschrijke heuvelen worden, naar men zegt, alleen door enkeleremontadosbewoond, wier ongunstige reputatie vrij wel overeenkomt met die der bandieten van de Abruzzen. Ik begrijp niet, hoe het iemand kan invallen, in deze onbewoonde wildernissen het beroep van roover te gaan uitoefenen.

In den vroegen morgen van den 5denSeptember varen wij de golf van Albay binnen, en houden ons dicht onder den noordelijken wal, om de talrijke banken te vermijden, die zich langs de zuidkust, ver in zee uitstrekken. Ter wederzijde van de golf verheft zich eene keten van boschrijke bergen. Tegenover ons, op den achtergrond, verrijst de trotsche Mayon, de groote vulkaan van Albay, ruim zeven-en-twintig honderd meters hoog; de onderste helft van den regelmatig gevormden berg is geheel begroeid; de eigenlijke kegel is met asch en lava bedekt, waarin de geweldige tropische regenvloeden diepe sporen hebben gegraven.

Omstreeks half zeven liet deCébuhet anker vallen voor het stadje Legaspi, op ongeveer twee mijlen afstands van Albay, de hoofdstad der provincie, gelegen. Wij vertrekken aanstonds met het rijtuig van een spaansch koopman, don José Ortiz, naar Albay, en ontmoeten onderweg den beminnelijken gouverneur der provincie, den alcade don Juan Alvarez Guerra, aan wien wij door onze landgenooten, de heeren Grénu en Dudemaine, zijn aanbevolen. De alcade zegt aanstonds dat wij ons als zijne gasten hebben te beschouwen; en de daad bij het woord voegende, geeft hij ons logies in de Casa real, het gouvernementshuis.

De heer Guerra brengt ons weldra in aanraking met de verschillende leden der europeesche, en ook met de voornaamste vertegenwoordigers der ook hier zeer talrijke chineesche kolonie. Te Albay vindt men een aantal chineesche handelshuizen, die zeer belangrijke zaken doen; en in de pueblos worden bijna alle handwerken en beroepen door Chineezen uitgeoefend, de overal meer en meer de inlanders verdringen en in economischen zin van zich afhankelijk maken. Deze chineesche bevolking, wier aantal van jaar tot jaar groeit en de Philippijnen dreigt te overstroomen, bevat zeer verschillende elementen; ongetwijfeld vindt men onder die scharen van landverhuizers een zekerBladzijde 16aantal schurken en bandieten, die vroeg of laat in den kerker terecht komen; maar verreweg de meesten, slim, vol overleg, matig, onvermoeid, maken hun fortuin. Daar komt bij dat zij elkander trouw helpen; bijna iedere Chinees, die te Manilla aankomt, heeft eene aanbeveling bij zich aan een of anderen landgenoot, die hem aanstonds met raad en daad bijstaat. Zij, die zoodanige aanbeveling missen en bijna naakt aan wal stappen, pakken letterlijk alles aan wat hun voor de hand komt. Door de zonnestralen geblakerd of druipende van den regen, zwoegt de Chinees van den morgen tot den avond: hij is sjouwer, straatveger, boodschaplooper, al wat ge wilt; hij voedt zich met wat vruchten en betel, en vast dikwijls genoeg; zijne gansche kleeding bestaat uit een soort van zwembroekje, waarin hij zijne beurs bergt. Die beurs bevat zijne geheele fortuin en zijne toekomst; gaandeweg vult zij zich; wel slinkt soms eensklaps zijn schat door verliezen bij de hanengevechten, bij het kaartspel of in de loterij, maar in den regel komt hij die verliezen spoedig te boven; en na verloop van korten tijd zit de vuile koelie, in een fijne tuniek gekleed, met blanke handen en een kunstig gevlochten staart, in een winkel of kantoor, of doet hij zaken als makelaar. Heeft hij het zoo ver gebracht, dan doet de Chinees twee dingen, die hem aanvankelijk veel geld kosten: hij laat zich doopen en kiest daarbij tot peter een Europeaan, wiens invloed hem voordeelig kan zijn; en hij trouwt, meestal met een inlandsch meisje. Laten zijne middelen hem dat toe, dan houdt hij er, behalve zijne wettige vrouw, nog eenige anderen op na. Van nu af wordt hij steeds rijker en breidt hij zijn werkkring voortdurend uit. Somwijlen door heimwee gedreven, maakt hij stilletjes al zijne bezittingen te gelde en vertrekt naar Canton, met achterlating van vrouw en kinderen; meestal echter sterft hij op de Philippijnen, een schaar van nakomelingen—sangleyes, mestiezen van Chineezen en inlandsche vrouwen—achterlatende, die zijne schatten erven en zijne voetstappen drukken.

Markt.Markt.

Markt.

Markt.

Bladzijde 121

Gevecht met de juramentados. (Blz. 124.)Gevecht met de juramentados. (Blz. 124.)

Gevecht met de juramentados. (Blz. 124.)

Gevecht met de juramentados. (Blz. 124.)

Wij maakten ons gereed, het eiland Luçon te verlaten; maar hadden nog de gelegenheid om vóór ons vertrek van Albay een feest bij te wonen, waarvan het mij aangenaam is, mijne lezers getuigen te kunnen doen zijn. De nieuwegobernadorcillo, een rijke Bicol, wilde de aanvaarding van zijn ambt inwijden met een schitterend feest, en had daartoe een zondag uitgekozen, aan eene te Albay zeer geliefde heilige gewijd. Sedert ruim een maand hield men zich met de toebereidselen onledig: er zal door de jongelieden der stad een groot drama in verzen worden vertoond, en ook aan verdere feestelijkheden zal het niet ontbreken. Reeds des morgens vroeg worden wij gewekt door het luiden der klokken, door muziek en het afschieten van zwermen; maar de eigenlijke pret zou toch eerst 's avonds beginnen.

Des avonds dan werd er eerst een prachtig vuurwerk afgestoken; en toen veranderde de pueblo geheel van voorkomen. De nieuwe gobernadorcillo weet, voorwaar! hoe het hoort. Alle huizen zijn geïllumineerd; op de hoeken der voornaamste straten, op de drukste punten verrijzen triomfbogen, paleizen, obelisken van bamboe, van onder tot boven met lampions bedekt en eene zee van licht uitstralende; de dicht belommerde lanen prijken met eene dubbele rij van bontgekleurde lantarens. Bij het schijnsel dezer fantastische, tooverachtige verlichting ziet men van alle kanten, te voet, te paard of op buffels gezeten, de lieden uit den omtrek toestroomen, die zich haasten om bij de vertooning van het groote en hartroerende drama tegenwoordig te zijn.

De menigte staat dicht opeen gepakt, op een ruim veld, tegenover het tooneel. Het theater zelf, in acht dagen opgeslagen, heeft alleen ruimte voor de notabelen van den pueblo, die in twee loges plaats moeten vinden. De autoriteiten zitten op het tooneel zelf, evenals de groote heeren aan het hof van Lodewijk XIII in het hotel vanBladzijde 122Bourgogne. Het orkest, dat wil zeggen, het trompetterskorps van Albay, plaatst zich evenzeer op het tooneel, en blaast er dapper op los, hoewel de muziekanten reeds sedert den vroegen morgen aan het toeteren zijn.—De handeling, die zich voor onze oogen ontrolt, is uiterst ingewikkeld; daarentegen is de tooneeltoestel vooral niet minder eenvoudig dan in de dagen van Shakespeare. Naar men zegt, werd toen aan het hof van Elisabeth de plaats van de tegenwoordige coulissen ingenomen door een eenvoudig bordje, waarop stond vermeld wat het tooneel moest voorstellen; en de verbeelding der toeschouwers was levendig genoeg, om met deze aanwijzing tevreden te zijn. Hier ontbreekt ook dit bordje: de spelers zelven helpen ons op den weg. Bij het optreden roepen zij, bij voorbeeld: “Hoe akelig eenzaam is het hier!”—of wel: “Ik breng sidderend Uwer Majesteit mijn groet!”—en men zou al zeer stompzinnig of zeer onwelwillend moeten zijn, om niet te begrijpen, dat wij ons dan in eene woestijn of wel aan het hof bevinden. Op den achtergrond is het tooneel door een gordijn afgesloten, en daarboven bevindt zich eene soort van estrade, die nu eens als tribune, dan weer als troon, straks als bruidskamer dienst doet; een ladder, die naar het dak voert, verbeeldt de bergen, waarbij ge u verder de duistere afgronden kunt denken waarin geweldige monsters huizen.

Juist toen wij binnentraden was de Prinses van Constantinopel, na allerlei lotgevallen en verwikkelingen, aan het hof van haar vader ontvoerd door een herder, die tevens een machtig toovenaar is, en die de prinses naar ontoegankelijke bergtoppen heeft overgebracht, waar zij door een leeuw en een slang van bordpapier wordt bewaakt. Toen wij ons op het tooneel nederzetten, was de vader van de prinses, door zijn gansche hof omgeven, bezig, op bitteren toon, zijn ongeluk te bejammeren. Hij hield even op, om den gouverneur, die met ons mede gekomen was, te groeten, terwijl de muziek het spaansche volkslied aanhief, door de menigte luide toegejuicht.—Na dit incident ging de vader weer voort. De ongelukkige monarch beveelt zijn hovelingen, de jonge prinses te gaan opzoeken. Juist toen zij gaan vertrekken, verschijnt een gezantschap van Moros, die ook mede willen gaan om de prinses te zoeken; men beleedigt elkander: het komt tot scheldwoorden en uitdagingen: de gezanten en de hovelingen vechten, al dansende, met de sabel in de vuist. De dames van het hof grijpen ook naar sabels, en er volgt een algemeen ballet. Bij herhaling komen, in den loop van het stuk, Moros, dames en hovelingen aldus met elkander in aanraking, en hunne samenspraak eindigt geregeld met zulk een ballet ofmoros-moros, waaraan zelfs al deze stukken hun naam ontleenen.

Het valt mij niet gemakkelijk, den gang van het drama te volgen; maar hier hebben wij het hoofdmoment, het tooneel dat pakt. De prinses van Constantinopel heeft, ondanks al zijne listen en bedreigingen, aan den snooden herder-toovenaar weerstand geboden; en terwijl hij ergens elders vertoeft, zal zij, door hare deugd, die sterker is dan al zijne bezweringen, ook wonderen doen. De prinses daalt langs den ladder op het tooneel af, dat nu eene akelige woestijn moet verbeelden, gevolgd door den leeuw en de slang, die niet vriendelijk jegens haar gezind zijn; maar het bevallige jonge meisje voert zulk een gracieusen dans uit en tikt daarbij de beide monsters met haar staf zoo aardig op den neus, dat leeuw en slang geheel hun roeping vergeten, de voeten der prinses komen lekken en zich tot haar slaven verklaren. Nu verschijnt de dappere prins van Toskane, die smoorlijk op de prinses verliefd is, en wien het eindelijk gelukt is haar spoor te ontdekken. Het publiek, geheel betooverd, houdt den adem in, om toch maar geen woord van de samenspraak te verliezen. De prins heeft een groot gebrek: hij is eenmoro, dat wil zeggen een ongeloovige, en de prinses is ijverig katholiek; zij moet dus zorgen, dat de dappere ridder niet bespeurt, welken gunstigen indruk hij op haar maakt en hoezeer zij zijn heldenmoed bewondert. De prins houdt aan; hij werpt zich op de knieën en smeekt om de gunst der prinses. Deze is half overwonnen. “Misschien,” zegt zij, “zou ik naar uwe verleidelijke woorden luisteren; maar zoo lang gij geen afstand hebt gedaan van uw vervloekt ongeloof, hebt gij van mij geene liefde te hopen!”

Het publiek kan zijn geestdrift niet langer bedwingen, maar uit zijne bewondering en ingenomenheid door op de maat te fluiten.

Het stuk eindigt met de bekeering van den prins van Toskane en zijn huwelijk met de prinses.—Het is middernacht, en deze eerste feestdag zal, als naar gewoonte, besloten worden met eenecatapusan, een woord, dat in het dialekt der Bicols, zoowel slot als bal beteekent. Maar heden avond zullen er minstens een half dozijn bals gegeven worden bij den gobernadorcillo en de voornaamstecabezasvan den pueblo. Dans en spel zullen tot laat in den nacht voortduren; vooral het noodlottig spel, dat zoo vaak tot ongeregeldheden en ongelukken aanleiding geeft, en dat dan ook de eenige keerzijde is van dit recht prettige feest, waaraan de gansche bevolking met de grootste opgewondenheid deel nam, en waarbij toch niets voorviel, dat de tusschenkomst der overheid noodig maakte.

Den zes-en-twintigsten October waren wij weder te Manilla. Den vijfden November gingen wij aan boord van dePasig, die ons naar het zuiden moet brengen. Wij hadden op deze vaart met ruw weer en tegenwind te worstelen, waardoor onze reis niet onbelangrijke vertraging ondervond. Eerst den vijftienden November, des avonds ten zes uren, worpen wij het anker uit op de reede van de kleine, eerst voor korten tijd gestichte spaansche stad op de noordwestkust van het eiland Soeloe.

Soeloe, als centrum van den handel van belang, heeft niet minder beteekenis uit een politiek en vooral uit een godsdienstig oogpunt: men zou het in zekeren zin het Mekka van het uiterste Oosten kunnen noemen. Het sultanaat van Soeloe is een der oudste mohammedaansche statenBladzijde 123in het noordelijk gedeelte van den Maleischen archipel; ondanks veelvuldigen strijd, gevaren van allerlei aard en vaak dreigenden ondergang, heeft dit rijk zich tot heden weten staande te houden. De staatsinrichting is tegenwoordig nog dezelfde als vroeger; het eigenlijke gezag is in handen eener oligarchie vandalos(feodale baronnen), boven wie de sultan staat, wiens macht over de vasallen, naar omstandigheden, meer of minder groot is. De eilanders leggen zich op handel, maar vooral niet minder op zeerooverij toe: welk laatste bedrijf hen herhaaldelijk in botsing bracht hetzij met de Spanjaarden, hetzij met de Hollanders. Zeeroovers in merg en been, bezochten deze eilanders telkens en telkens de kusten der Bisayas-eilanden, verwoestten de pueblos en voerden de inlanders als slaven weg. Nog niet lang geleden, had professor Semper, die zich in het noordoosten van Mindanao bevond, het slechts aan een gelukkig toeval te danken, dat hij niet door de zeeroovers werd opgelicht.

Herhaalde malen had Spanje expedities naar Soeloe gezonden; bijna altijd keerden zij terug, na een aantal gevangenen te hebben bevrijd, den vijand verslagen en den sultan gedwongen, een traktaat van vrede en vriendschap te onderteekenen. Als hunne dorpen in brand waren gestoken en hunne prauwen vernield, waren de datos, onder de bedreiging der spaansche kanonnen, steeds gereed aan de eischen van den overwinnaar toe te geven en onder eede alles te beloven wat van hen gevraagd werd. Maar traktaten, beloften en eeden werden aanstonds weer geschonden, zoodra het gevaar geweken was. In deze met klippen en riffen bezaaide zeeën, waarvan nog geene goede kaarten bestaan, en waar de europeesche kruisers in hunne bewegingen belemmerd worden door de regelmatige passaatwinden, hebben de lichte prauwen, die zich zoowel van zeilen als van roeiriemen bedienen, een groot voordeel. Zoodra de Spanjaarden vertrokken waren, begon de zeerooverij op nieuw, met al den ijver van eene industrie, die geleden verliezen moet trachten in te halen. De sultans schenen, reeds sedert eenigen tijd, de meerderheid van Spanje te gevoelen en te beseffen aan welke gevaren dit handhaven van den zeeroof hen en het land blootstelde. Vermoedelijk zouden zij, hadde het in hun macht gestaan, de bezworen traktaten getrouwer zijn nagekomen: maar het stond juist niet in hunne macht. Hun gezag strekte niet veel verder, dan de heffing van een derde van den buit door hunne onderdanen behaald, eene schatting, waaraan allen zich zonder tegenspraak onderwierpen; het was hun evenwel onmogelijk, de talrijke schaar van datos op de honderd-vijftig eilanden en eilandjes, tot het sultanaat behoorende, behoorlijk in bedwang te houden; bovendien rustte het gezag van den sultan in de eerste plaats op de godsdienst, en het voegde hem, als hoofd van een mohammedaanschen staat, al zeer slecht, de rol op zich te nemen van beschermer der katholieke bevolking van de Philippijnen. Deze geduchte alleenheerschers moesten metterdaad buigen voor den wil van hunne vasallen; zij waren wel genoodzaakt, de voortdurende geweldenarijen en plundertochten van de oppermachtige datos door de vingers te zien, al konden zij zich ook niet ontveinzen, welke daarvan in het eind de noodlottige gevolgen moesten zijn.

Den negen-en-twintigsten Februari 1876 verscheen het spaansche leger, dat zeven dagen te voren bij Paticolo was ontscheept, voor de wallen van Tianggi. Het eskader lag op de reede. Des avonds wapperde de spaansche vlag op de veroverde bolwerken, en werd de stad, door haar verdedigers verlaten, aan de vlammen prijs gegeven.

Van deze oude stad, die door het bombardement werd vernield, is tegenwoordig geen spoor meer over. De spaansche genie-officieren hebben de heuvelen achter de oude stad gedeeltelijk afgegraven, daarmede de moerassen en poelen gedempt, en door aanplemping van een gedeelte der zee een terrein gewonnen, waarop zich aan den voet van boschrijke bergen ter hoogte van zeven- tot achthonderd el, de nieuwe stad verheft, die nog wel klein is, maar toch neiging toont om zich uit te breiden.

Al deze werken van de genie werden door inlandsche veroordeelden uitgevoerd, die tot drie kategoriën behooren: de veroordeelde militairen, die strafkompagnieën vormen en militaire dienst verrichten, terwijl zij tevens gebruikt worden voor verschillende werken; dedeportados, die krachtens maatregelen van het administratief gezag hunne vrijheid verloren hebben; en depresidiarios, de eigenlijke galeiboeven of kettinggangers.

Het garnizoen is ongeveer vijfhonderd man sterk en bestaat uit inlandsche genie- en infanteriesoldaten; de officieren zijn bijna zonder uitzondering Spanjaarden.

Toen wij te Soeloe aan land stapten, was het gansch niet gemakkelijk, in de nog zoo jeugdige stad, die nog in de eerste periode harer ontwikkeling verkeerde, een onderkomen te vinden. Eindelijk gelukte dit toch, dank zij de welwillende tusschenkomst van den kolonel don Lopez Ventura Nuño, waarnemend gouverneur, en de eerwaarde paters Frederico Vila en Juan Carreras, aalmoezeniers van het garnizoen. De half bebouwde straten zijn buitengewoon druk en levendig; de winkels van de chineesche kooplui zijn opgevuld met nieuwsgierigen, die komen hooren of er ook tijdingen zijn; en bij elken voetstap ontmoet men schildwachten met geladen geweren.

Men verwacht dejuramentados.

De sultan van Soeloe heeft het spaansche protektoraat erkend; misschien geeft hij wel aan het rustige en gemakkelijke leven, dat hij thans geniet, de voorkeur boven eene souvereiniteit, die niet veel meer dan in naam bestond en hem telkens werd betwist. Maar de datos, die daardoor vrij wat meer in hunne belangen worden gekrenkt, kunnen bezwaarlijk vrede hebben met een gezag, dat een einde maakte aan de zeerooverij en hen daardoor van een zeer voornaam deel hunner inkomsten beroofde. Hunne ontevredenheid en hun verzet vindt een machtigen steun bij depanditas, (mohammedaansche priesters), die natuurlijk de verklaarde vijanden zijn van Spanje en van de katholieke missionarissen. De datos kunnen dus niet besluiten, zich aan het spaansche oppergezag te onderwerpen,Bladzijde 124en zij ontzien geen middel om daartegen in verzet te komen. Zij kunnen daarbij rekenen op hunne onderhoorigen, onrustig en krijgshaftig van aard, en daarbij van alle tijden gewoon, onvoorwaardelijk aan de bevelen hunner hoofden te gehoorzamen. De oude wetten van Soeloe begunstigen daarenboven zeer de aanwerving van mannen, die tot alles bereid zijn. Volgens de wet toch behoort de schuldenaar, die niet aan zijne verplichtingen voldoen kan, met zijne geheele familie, als slaaf aan den schuldeischer; en de zorgelooze onnadenkendheid van deze Maleiers is zoo groot, dat het niet veel moeite kost, hen schulden te laten aangaan, die zij nimmer zullen kunnen afbetalen. De ongelukkige schuldenaar is nu zijne vrijheid kwijt; zijne familie kan, zoo de meester dat wil, wijd en zijd verstrooid worden. Dikwijls wordt hem dan de gelegenheid geboden, om zijne familie los te koopen, door, met opoffering meestal van zijn eigen leven, zoo veel Christenen te dooden als hij kan. De schuldenaar neemt dat aanbod aan; hij verbindt zich bij plechtigen eed, en wordt nusabilofjuramentado.

Tooneelvoorstelling te Albay. (Blz. 122.)Tooneelvoorstelling te Albay. (Blz. 122.)

Tooneelvoorstelling te Albay. (Blz. 122.)

Tooneelvoorstelling te Albay. (Blz. 122.)

De juramentados weten zeer goed, dat ook als het hun gelukt, bij verrassing in de spaansche stad door te dringen, alle kans op een veiligen terugtocht voor hen verloren is. Er bevinden zich altijd op de reede eenige adviesjachten en kanonneerbooten; en op het eerste sein, begeeft zich de bemanning naar den wal. Aan de landzijde wordt de toegang verdedigd door een toren en twee forten, die eene hooge en stevige palissade bestrijken, waarvan de zeer weinige poorten zorgvuldig worden bewaakt; bovendien zijn nog langs de palissade, op twintig schreden afstands van elkander, groote schilderhuizen geplaatst, waarin vier soldaten met geladen geweren de wacht houden.

Iedere juramentado, die den aanval waagt, gaat dus een wissen dood te gemoet; en misschien is er meer dan een onder hen, die over zijne onvoorzichtige belofte spijt gevoelt en zich gaarne zou terugtrekken, maar men heeft dit geval voorzien en zijne maatregelen genomen. Zoodra men een zeker aantal van deze ongelukkigen bij elkaar heeft, worden zij aan de leiding toevertrouwd van ervaren panditas, die hen op geregelde tijden laten vasten, met hen strooptochten door de bosschen ondernemen en ter bedevaart trekken naar de graven der gesneuvelde juramentados, om daar te bidden. De aldus gewekte geestdrift wordt nog meer aangevuurd door lange predikatiën bij het betooverend maanlicht, en hartstochtelijke, wegsleepende schilderingen van de genietingen van het mohammedaansche paradijs. Is dan ten slotte de vereischte graad van opwinding en razernij verkregen, dan wordt tot den aanval op de spaansche stad besloten.

Zulk een komplot, waarbij zoo veler belangen betrokken zijn en dat zoo lange voorbereiding vordert, kan onmogelijk geheim blijven: de geldzucht, somwijlen nog machtiger dan het fanatisme, ontboeit steeds veler tong. De gouverneur van Soeloe is bijna altijd gewaarschuwd voor het dreigende gevaar; alleen kan men hem niet met juistheid zeggen, wanneer de aanval zal plaats hebben, want dat weten de juramentados zelven niet. Toen wij te Soeloe kwamen, werd juist zulk een aanval verwacht. Een mijner buren, een dappere kapitein, die reeds herhaaldelijk met de juramentados in aanraking was geweest, deelde mij dit een en ander mede, en voegde er de waarschuwing bij, dat wij op onze hoede moesten zijn. “Ga niet op straat zonder een revolver, zeide hij tot mij; en waag u vooral niet buiten de palissade.”

Inmiddels gingen er eenige dagen voorbij, zonder dat er iets gebeurde, en reeds begon ik te gelooven dat men zich zonder reden ongerust had gemaakt. Maar in den morgen van den drie-en-twintigsten November, toen ik mij op de markt bevond, hoorde ik eenige geweerschoten, gevolgd door verwarde kreten; toen werd het weer stil. In een oogenblik was de markt geheel ledig; ik stond alleen op het verlaten plein, op korten afstand van twee schildwachten, die hun geweer laadden. Op het eigen oogenblik snelt eene vrouw aan, gevolgd door een onbeschrijfelijk smerigen inlander, wiens gelaat bijna vaal groen is, en die een kris in de hand houdt, druipende van bloed. De vrouw schreeuwt:los juramentados!en loopt mij in dolle vaart omver; twee geweerschoten knallen boven mijn hoofd; ik richt mij op en zie den juramentado, in de borst getroffen, vallen, maar aanstonds weer opstaan en met opgeheven kris op de schildwachten losstormen; de eene soldaat stoot hem zijne bajonet in de borst; nog wendt hij wanhopige pogingen aan om zijn vijand te treffen, tot eindelijk de andere soldaat den razende neerschiet.

Van alle kanten knallen geweerschoten; in de voornaamste straat zie ik eenige mannen in een grooten bloedplas liggen; midden op den weg gaan drie juramentados, met opgeheven kris en onverschrokken doodsverachting, een peloton soldaten te gemoet. De geweren worden aangelegd; en als de rook wegtrekt, liggen daar de drie juramentados naast elkander voorover op den grond. Eindelijk zijn wij van onze aanvallers verlost.

Ik wist wat mij als geneesheer te doen stond. Wij spoeden ons naar het hospitaal, en ontmoeten onderweg den gouverneur, den dapperen kolonel don Ventura Lopez Nuño, kalm en ernstig, hoewel zijn donkere oogen flikkeren van toorn. In het hospitaal vinden wij werk genoeg. De juramentados hebben, aan dooden en gewonden, vijftien slachtoffers gemaakt. En welke wonden! Hier is een lijk, waarvan het hoofd is afgehouwen; dat daar is bijna in twee stukken gekloofd. De eerste gewonde, dien ik in behandeling neem, is een soldaat van het derde regiment, die de wacht had bij de poort, waardoor de aanvallers zijn binnengedrongen. Zijn linkerarm is op drie plaatsen gebroken; zijn schouder en borst zijn letterlijk gekerfd. Terwijl ik hem verbind, verhaalt hij mij hoe de aanval begon. De aan de schildwachten gegeven bevelen werden nauwkeurig opgevolgd. Ieder Soeloenees, man of vrouw, die de poort wilde doorgaan, werd onderzocht en aangehouden, wanneer men eenig wapen bij hem vond. De juramentados, ten getale van elf, hadden zich in drie groepen verdeeld, die elkander op weinige schreden afstands volgden; zij droegen bossen rijstBladzijde 126encañas(uitgeholde stukken bamboe om water mede te putten), waarin zij hunne wapens verborgen hadden. Twee hunner kwamen eerst aan de poort; op het oogenblik toen de schildwachten zich bukten om de cañas te onderzoeken, trokken al de juramentados te gelijk hunne krissen: een der schildwachten werd dadelijk overhoop gestoken; zijn kameraad, hoe ook gewond, heeft nog de noodige kracht om zijn geweer af te schieten; hij doodt een der aanvallers, maar de anderen stormen over hem heen, en verspreiden zich in de stad, die geen hunner meer levend zou verlaten.

Den volgenden dag was men weer van den schrik bekomen. Te Soeloe is men aan dergelijke verrassingen tamelijk gewend; en bovendien kan men er nu zeker van zijn, dat vooreerst de aanval niet zal worden herhaald. Wij kunnen dus onze onderzoekingen hervatten, en doen telkens grootere uitstapjes in het binnenland en langs de kust.

Overal vind ik sporen van den oorlog: verwoeste woningen, plantages en tuinen, die weer tot een wildernis waren geworden. Somwijlen wierpen enkele inlanders, voormalige zeeroovers, nu gedwongen den grond te bebouwen, mij alles behalve vriendelijke blikken toe. Maar ik was op mijne hoede en altijd goed gewapend.—Op zekeren dag, vermoeid van mijn vruchteloos zoeken naar kruiden en van de gloeiende hitte, zet ik mij neder in de schaduw van een reusachtigen mangoustan, op de grens van eene plantage. Twee inlanders zijn op hun uiterste gemak bezig met het omspitten van den grond; ik roep hen, laat hun een handvol klein geld zien, en noodig hen uit, voor mij een of ander insekt of kruipend gedierte op te zoeken. Zij kijken mij met een half verachtelijken glimlach aan; daarop vat een hunner mij bij de hand, legt den vinger op den mond, en brengt mij bij een koffiestruik. Goed ziende bespeur ik eene prachtige lansslang (Tropidoloemus Hombroni), haar groene kleur maakt haar bijna onzichtbaar tusschen het gebladerte, maar haar oogen vonkelen als robijnen.

“Pak haar aan”, zeg ik tot den Soeloenees, die in plaats daarvan achteruit springt. Er is geen tijd te verliezen: met mijn stok werp ik de slang op den grond en daarna weer vijftien voet hoog in de lucht; als zij weer op den grond valt, zet ik, eer het verblufte dier tot zich zelf is gekomen, mijn stok op haar nek en houd dien met mijn voet vast, zoodat de slang haar kop niet bewegen kan. Het valt nu gemakkelijk haar met een touwtje aan een stok vast te binden, waarna zij levend op sterk water zal worden gezet: alleen op die wijze behoudt zij ook na den dood haar fraaie kleuren.

Blijkbaar heb ik door deze vangst de achting van den Soeloenees gewonnen. Hij brengt mij naar zijne hut, die ruim en zeer goed onderhouden is; hij is een der weinige grondbezitters, die, hoewel niet tot de kaste der datos behoorende, toch niet door den oorlog en de onderdrukking der zeerooverij te gronde is gericht. Ik vind in zijne woning eene gansche kolonie: oude lieden, zuigelingen, een aantal slaven van allerlei leeftijd, benevens eene menigte vrouwen. Al deze lieden zijn meer dan half naakt. Op Soeloe, zooals trouwens in alle mohammedaansche landen van den archipel, wordt met de voorschriften van den Koran zeer vrij omgesprongen; het klimaat maakt hier bovendien het dragen van dichte sluiers, die het gelaat omhullen, onmogelijk. Als in de spaansche stad mohammedaansche vrouwen een Europeaan ontmoeten, maken zij eene beweging als wilden zij met haar sjerp het gelaat bedekken; maar in de hutten blijft ook die beweging achterwege, en wordt bijna alle kleeding afgelegd.—Mijn gastheer stelt mij zijn gezin voor, en laat mij zijne woning bewonderen. Zijne hut vormt eigenlijk slechts een groot vertrek, dat door een soort van beschot in twee ongelijke helften is verdeeld; kleine koffers, waarin elke Soeloenees zijne fortuin bewaart, wijzen de plaats aan, waar ieder zich des nachts te rusten legt. Het meubilair bestaat verder uit eenige gongs, eenige vazen en potten van chineesch porcelein, een aantal lansen en krissen van allerlei vorm, en een oud verroest vuursteengeweer, dat zeker voor niemand gevaarlijker zou zijn dan voor hem, die het zou willen gebruiken.

Er worden vruchten gehaald; zoowel mannen als vrouwen schijnen bijzonderen smaak te hebben in de kokosmelk, sterk vermengd met rhum, dien ik in eene flesch bij mij droeg. De huisheer vooral was blijkbaar op dien drank verzot, en ontzag zich niet, mijn voorraad duchtig aan te spreken. Het gesprek wordt levendig en algemeen; op den grond neergehurkt of op eene ruime estrade van bamboe neergevlijd, nemen meesters en slaven daaraan gelijkelijk deel. Trouwens tusschen hen heerscht eene groote mate van gemeenzaamheid. Men moet billijk zijn, zelfs tegenover zeeroovers: noch de Soeloeneezen, noch de andere mohammedaansche Maleiers van de Philippijnen, noch zelfs de wilde rassen op de eilanden van den archipel, hebben ooit hunne slaven zoo stelselmatig geëxploiteerd of met zoo verfijnde wreedheid behandeld, als bij voorbeeld de christelijke Yankees. Over het algemeen worden de slaven op Soeloe behoorlijk gevoed, en behoeven zij geen al te zwaren arbeid te verrichten, althans wanneer zij niet gebruikt worden voor de parelvisscherij; straffen zijn zeldzaam en missen die wreedheid, die men anders bij deze volksstammen zoo dikwerf aantreft. Doorgaans is het den slaaf, na eenigen tijd, vergund te huwen en een gezin te grondvesten.—Maar wee het gezin van den vrijen Soeloenees, die door zijne schulden tot slavernij vervalt; wee de gezinnen van zijne slaven; wee het gezin van den voortvluchtigen slaaf! In al deze gevallen is de wet onverbiddelijk: de vrouwen en kinderen, welke ook hun leeftijd moge zijn, worden door den schuldeischer of den beleedigden meester verkocht, en het gezin reddeloos vernietigd. Daarom aarzelen zoo vele christelijke gevangenen van de Philippijnen om te vluchten en bescherming te zoeken bij de Spanjaarden, wier vlag zich overal in de wateren van Soeloe vertoont.

Wij mochten niet verzuimen, een bezoek af te leggen bij den sultan. Mohammed Yamaloel AlamBladzijde 127heeft thans zijne residentie gevestigd te Maïbun, een groot dorp aan de zuidkust van het eiland. Ik heb hem een brief in de maleische taal geschreven; maar de dagen verloopen, en ik krijg geen antwoord.

Een duitsch planter, de heer Schuck, die zeer met den sultan bevriend is, biedt zich aan, om mij aan den vorst voor te stellen. Reeds voor de bezetting van het eiland door de Spanjaarden, was de heer Schuck dikwijls in betrekking geweest met de Soeloeneezen; het is dan ook algemeen bekend dat hij geenCastila(Spanjaard) is, hetgeen voor zijne veiligheid en voor het welslagen zijner landbouwonderneming van groot gewicht is. Hij is volkomen bereid nu te onzen gunste gebruik te maken van zijn invloed en zijn gezag bij de Soeloeneezen, en heeft zich daardoor alleszins aanspraak op onzen dank verworven.

Er was overeengekomen dat wij den heer Schuck zouden afhalen, om dan met hem naar Maïbun te gaan. Toen wij bij zijne woning kwamen, herkenden wij die niet meer: zij was geheel veranderd. De galerijen en trappen, die naar de veranda voerden, zijn verdwenen; de woning is omringd door eene stevige heining van palen en rotang. Den vorigen nacht had eene bende stroopers onverwacht een aanval op de hacienda gedaan; de heer Schuck, door het gerucht ontwaakt, had een der aanvallers, die reeds in zijne kamer was doorgedrongen, overhoop gestoken, en vervolgens in allerijl de deuren en vensters gebarrikadeerd. De woning werd nu formeel belegerd; men wierp brandende pijlen op het dak van nipa; maar door eene hevige onweersbui, van stortregen vergezeld, was dit dak gelukkig zoo nat geworden dat het geen vuur vatte. De heer Schuck schoot op goed geluk, bij het licht der bliksemstralen. Eindelijk, bij het aanbreken van den dag, trokken de aanvallers af, drie dooden en een gewonde achterlatende. Over het lot van dezen laatste zal de sultan uitspraak doen.

De weg, die het eiland van het noorden naar het zuiden, van de spaansche nederzetting tot Maïbun, doorsnijdt, biedt nergens ernstige moeilijkheden aan; men bemerkt zelfs duidelijk, dat hij voor den oorlog, toen er op het eiland slaven in overvloed waren, zeer goed moet zijn geweest; tegenwoordig moet men de beken doorwaden, want de boomstammen, die weleer als bruggen dienden, zijn vergaan. De weg loopt eerst door een woud, tusschen de bergen But-Dato en But-Tulah aan de eene, en den Tuman-Tangis aan de andere zijde; dan loopt de weg met kleine krommingen langs de flauw glooiende berghellingen, die naar het zuiden afdalen. Op dien geheelen tocht ziet men niets dan eenige verwoeste en verlaten hutten, in de schaduw van kokospalmen en mangoustans, waarin groote troepen apen springen en dartelen. Eerst in de onmiddellijke nabijheid van Maïbun vindt men eenige ellendige hutten, die bewoond zijn.

Na opnieuw eene beek te hebben doorwaad, komen wij in een groot weiland, waar wij met geregelde tusschenpoozen geweerschoten hooren knallen. Wij bevinden ons op het schietterrein van den sultan, die steeds zijn namiddagen doorbrengt met het kijken naar schijfschieten; het paleis, een uitgestrekt, maar uiterst landelijk gebouw, van bamboe en riet opgetrokken, verrijst tegenover ons; ter linkerhand wordt het weiland begrensd door eene diepe beek; aan de overzijde van die beek ligt het dorp Maïbun, dat zich tot aan de zee uitstrekt. Wij stijgen van onze paarden en begeven ons naar Mohammed Yamaloel Alam. De sultan, door zijne hovelingen omringd, zit in een prachtigen leuningstoel, onder eene vrij armzalige kiosk van nipa. Naast hem staat zijn zoon, Brahamuddin, die er verstandig en slim uitziet. De sultan en de prins zijn beiden op het rijkst uitgedost in prachtgewaden van chineesch satijn; hunne krissen en ringen schitteren van edelgesteenten. De heeren van het hof zijn veel eenvoudiger gekleed; maar hunne krissen, waarvan de fijn geciseleerde greep met paarlen, diamanten en robijnen is versierd, zijn niet minder prachtig. Deze heeren zagen ons met niet zeer vriendelijke blikken aan; de sultan bewaart eene kalme waardigheid en beantwoordt welwillend onzen groet; op zijn bevel worden stoelen voor ons gebracht; wij zetten ons neder en de hovelingen gaan voort met schieten.

De sultan zelf schiet nooit: hij beoordeelt alleen het schot der anderen. Men gebruikt oude geweren, van Borneo afkomstig, zeer rijk versierd en vreeselijk zwaar, en die bovendien in niet al te besten staat verkeeren. Twee slaven laden de geweren en leggen die vervolgens op een soort van vorken, die in den grond gestoken worden. Ik knoop een gesprek aan met den sultan, die zeer goed maleisch spreekt, en zich in die taal met gemak en sierlijkheid uitdrukt. Hij verontschuldigt zich, dat hij wegens ongesteldheid niet op mijnen brief heeft geantwoord; de ware reden is, dat hij dien brief niet heeft kunnen lezen, want ik had, volgens maleisch gebruik, zonder accenten geschreven: de arabische letters, waarvan de Soeloeneezen zich bedienen, vereischen echter noodwendig accenten, die de Maleiers nooit gebruiken.

De avond valt, en de sultan keert naar het paleis terug, waarheen hij ons uitnoodigt hem te volgen.


Back to IndexNext