HOOFDSTUK V.HET GEVAAR WORDT DREIGEND.“Bravo!” roept de Vlaming uit, “bravo! Maar eerst moet zij u ook liefhebben.”“O, ik ben er zeker van, dat zij mij al liefheeft,” roept Chester uit, den robijn in den ring aan zijn vinger beschouwende, welks rood licht voor hem niet een teeken van gevaar schijnt te zijn, maar de rosse gloed van de fakkel van Hymen.“Nu, ik ben blij, dat gij zoo vol vertrouwen zijt.... Ik wenschte, dat ik ook zoo was,” zucht de schilder en vervolgt dan, zich vermannend: “Doch nu ter zake! Gij kunt uw tijd niet verbeuzelen met hofmakerij. Koningin Elizabeth moet verwittigd worden van het complot tegen haar leven en gewaarschuwd voor Ridolfi, den Italiaanschen bankier in Londen.”“O, wij zullen wel goed op hem passen,” zegt Guy op dreigenden toon. “Ik moet van avond nog weer aan boord van mijn schip zijn, om onder zeil te gaan naar Engeland, en daarvoor moet ik het wachtwoord van hedenavond hebben, opdat ik na zonsondergang de stad kan verlaten.”“Waarom vertrekt gij niet terstond?”“Omdat,” antwoordt de Engelschman, “gij mij de overzetting van die brieven nog niet hebt gegeven. Daarmee zal nog wel eenige tijd gemoeid zijn.”“Volstrekt niet.”“Waarom niet?”“Omdat ik niet van plan ben, ze voor u over te zetten; ik zal u eenvoudig den sleutel van het cijferschrift geven, dan kan dit in Engeland gebeuren, en alle andere dergelijke brieven, die u in handen mochten vallen, kunnen dan mede ontcijferd worden door Koningin Elizabeth en haar ministers. Het zal u menig gevaarlijk bezoek aan de Nederlanden besparen.” Dit zeggende, gaat de schilder zitten en schrijft in enkele minuten de verklaring van het cijferschrift op.Daarna vervolgt hij: “Berg dat goed weg bij de brieven,” en geeft den sleutel aan Guy; glimlachend zegt hij op halfluiden toon: “Mij dunkt, dat gij u nu wel zult haasten om te vertrekken, met dien prijs op uw hoofd.”“Ik ga niet vóór van avond,” antwoordt Chester, bijna gemelijk. “Het tij is van avond nog gunstiger voor mijn schip—het zal mij dus niet veel ophouden. Buitendien—” hier valt zijn oog op het spottend gezicht van den schilder, en hij valt zichzelf in de rede: “Maar, voor den drommel, man! gij denkt toch niet, dat ik Antwerpen zal verlaten, zonder haar nog eens gezien te hebben?” Hij wuift met de hand de goddelijke schoone op het doek toe, die, verlicht door de morgenzon, hem niet alleen met hemelsche, doch ook—zoo denkt tenminste dezevermetele jonge man—met aardsche liefde aanziet.“Zoo! zijt gij van plan papa om de hand van de jonge dame te vragen?” spot de schilder.“Nog niet, ofschoon ik een introductiebrief voor hem heb,” merkt Guy op, door den spot van den schilder geprikkeld, om den brief te laten zien, dien Dona Hermoine hem den vorigen avond heeft gegeven, en die geadresseerd is aan Alva, onderkoning van Spanje.“En gij hebt hem nog niet geopend?” vraagt Oliver, den brief van alle kanten bekijkend.“Zeker niet; hij is verzegeld.”“Maar, mijn jongen,” herneemt de schilder, “gij zet te veel op het spel, om zoo angstvallig te zijn. Gij moet weten, hoe gij met de dame staat, eer gij haar weer ontmoet.” En hij doet Guy schrikken, als hij er bijvoegt:“Gij hebt machtige medeminnaars: generaal Noircarmes staat zeer hoog in de gunst bij haar vader, wiens volle vertrouwen hij geniet.”“Een medeminnaar?” stamelt Guy.“Een medeminnaar?! Een groot aantal medeminnaars! Denkt gij zoo gering van uw schoone beminde, dat zij vóór u geen anderen man zou bekoord hebben? Iedereen buigt voor de schoonheid en den geest van gravin Hermoine de Alva—generaals en edellieden.” Daarna vervolgt hij op bevelenden toon: “Gij moet dezen brief openen. Het spel, dat gij speelt, noodzaakt u, gebruik te maken van elke kaart. Het is waarschijnlijk geen vertrouwelijke mededeeling, hij moet uitsluitend op u betrekking hebben, daar zij u opdroeg, hem zelf te overhandigen.”Terwijl hij spreekt, en eer Guy het hem kanbeletten, heeft Oliver vlug een kaars ontstoken en met de linkerhand den brief er boven gehouden, als iemand, die gewoon is aan zulke bezigheden, waarop hij hem, met ongeschonden zegel, geopend aan den Engelschman overreikt.“Gij moet hem lezen,” zegt hij. “Uw leven zoudt gij kunnen inboeten door u te laten leiden door een overdreven eergevoel.Lees hem! Den een of anderen dag kunnen de omstandigheden u dwingen, hem aan Al va te geven. In uw positie behoort gij te weten, wat hij behelst.Lees hem, of ik heb verder geen gemeenschap meer met u.”“Waarom niet?” vraagt Guy, die, ofschoon hij brandt van begeerte om het handschrift van zijn geliefde te zien, nog standvastig blijft.“Omdat,” zegt de schilder plechtig, “wij een spel spelen, waarbij ons beider leven de inzet is; en ik trek van elke kans partij. Gij moet hetzelfde doen, want mijn zaak is de uwe. Als ik omgang met u heb, als men mij in uw gezelschap ziet, en gij wordt gevangengenomen, val ik misschien met u. Buitendien zijn wij beiden aan ons vaderland verplicht, gebruik te maken van elk wapen, dat God in onze handen geeft. Lees!”Terwijl hij dit zegt, heeft hij het geparfumeerd biljet, dat alleen door het zegel gesloten was, losgevouwen en hij houdt het voor de oogen van den Engelschman, die naar den zevenden hemel wordt opgevoerd, als hij het korte, doch kernachtige briefje leest, geschreven in het schoonste vrouwelijke handschrift:“Lieve papa!“Wees zoo goed en bevorder brenger dezes, kapitein Guido van Romero’s voetvolk, die mij redde uit de handen der Watergeuzen (en die te nederig is, om mij een anderen naam op te geven), zoo spoedig mogelijk tot kolonel en stel hem dan in de gelegenheid, om weldra generaal te worden; doe het ter wille van uw liefhebbendeHermoine.”Verrukking en trots vervullen den Engelschman te zeer, om den brief niet aan zijn vriend en mentor te toonen.“Bij Saint Denis!” roept Oliver uit, het briefje inziende, “ik geloof, dat zij u bemint. Als gij haar hart hebt getroffen, zijt gij de eerste, en zij heeft half Spanje aan haar voeten gehad, naar men mij heeft verteld.” En den jongen man aanziende, voegt hij er mijmerend bij: “Dat hebt gij zeker te danken aan uw blond Germaansch uiterlijk. Als gij een donkere Adonis waart geweest, zou ik geen stuiver voor uw welslagen hebben gegeven. Donkeroogige fatjes in haar omgeving zijn even talrijk als windmolens.”“En ik zou, met zoo iets in mijn bezit, niet een poging wagen, om haar nog eens te zien, eer ik vertrek?” zegt Guy stoutmoedig, het briefje met de zorg van een minnaar in zijn wambuis stekend.“Gij zult u althans door mij niet laten weerhouden,” glimlacht de schilder. Daarna vervolgt hij ernstig en plechtig: “Maar laat ik u een goeden raad mogen geven. Deel haar in geen geval uw geheim mede,hoezeer zij u ook bemint, al zweert zij ook, dat zij u meer bemint dan alles ter wereld.”“Zoudt gij denken, dat zij mij zou verraden?”“Neen, duizendmaal neen!”“Meent gij dan, dat het haar liefde voor mij zou doen verkoelen?”“Niet, als zij u tevoren reeds beminde. Wien Hermoine de Alva eens trouw heeft beloofd, kan zeker van haar zijn.”“Waarom zou ik dan moeten vreezen, het haar te zeggen?”“Om deze reden. Zij weet hoeveel haar vader van haar houdt. Zij heeft geen vrees voor den tijger in menschengedaante; zijn klauwen zijn voor haar altijd van fluweel. Uit dit briefje kunt gij zien, dat Dona Hermoine meent, dat haar wenschen wet zijn voor den onderdrukker der Nederlanden. En zoo is het ook, in kleinigheden!—een diamanten halsketen, een dozijn nieuwe kleedjes, zelfs de verwijdering uit haar omgeving van een aanbidder; want als zij ‘neen’ zegt, heeft ieder edelman ook afgedaan bij haar vader. Maar in staatszaken heeft zij haar krachten tegenover hem nooit beproefd. Zij weet niet, dat Alva in staatszaken, in het ten uitvoer leggen van zijn eigen wetten, edicten en afkondigingen, als ijs en ijzer is. Waarvoor ik vrees is, dat gij op zekeren dag zult worden overgehaald, om met haar naar den Onderkoning te gaan en hem uw geschiedenis te vertellen, en dan zal zij haar papa zeggen, dat zij u bemint, in de vaste overtuiging, dat hij u zal sparen en vergeven en groot maken ter wille van haar; maar misleid uzelven in Gods naam nooit omtrent Alva’sbarmhartigheid. Als gij dat doet, zijt gij verloren. Haar tranen, haar gebeden zullen u niet redden. Onthoud dat, mijn Guido, die in liefde ontgloeid zijt voor des tijgers welp!”“Waarom noemt gij haar zoo?” roept Guy toornig uit.“Ik heb er eigenlijk ook geen recht toe,” antwoordt de schilder weemoedig. “Zij is een en al goedheid en vriendelijkheid voor mij geweest; zij heeft mij veroorloofd, haar schoon gelaat op het doek te brengen, en mij daardoor uitzicht op roem en onsterfelijkheid gegeven.”“Ah! zij heefthiervoor u geposeerd?”“Ja, in het bijzijn van haar duena.”“Dan moet gij mij hedennamiddag hier een onderhoud met haar verschaffen.”“Dat zou u niets helpen. Zij zou niet komen zonder geleide. Denk niet, dat Hermoine de Alva ook maar de geringste zonde tegen de etiquette zou begaan, ook al aanbidt zij u—iets, waarvan gij zeker schijnt te zijn.”“Maar gij moet mij in de gelegenheid stellen, haar te spreken. Ik wil twee vliegen in één klap slaan. Zij weet het wachtwoord. Zij zal het mij geven. Zij zal bij mij komen, dat weet ik zeker,” zegt Guy vol vertrouwen. “Gij kunt toegang tot haar verkrijgen als ondersecretaris van Alva. Doe het nog heden. Geef haar dezen ring,” en hij neemt den schoonen robijn van zijn vinger en legt hem in de hand van den schilder.“Mon Dieu! Gij hebt reeds ringen gewisseld! Ging dat vergezeld van een kus?” lacht Oliver; enals een gloeiende blos Guy’s gelaat overdekt, mompelt hij: “Parbleu! Ik begin het te gelooven. Spreek mij niet meer van Italiaanschen hartstocht! Hij is koud als ijs in vergelijking met den Engelschen.” Als hij geen antwoord ontvangt, vervolgt hij: “Ik kan u vandaag wel een onderhoud verschaffen, doch niet hier. De duena zou u in den weg staan bij een tête-à-tête. Het eenige middel om u in staat te stellen, uw beminde onder vier oogen te spreken, gelukkig jongmensch—of beter, ongelukkig jongmensch—is een samenkomst ten huize van den man, dien ik eens vader hoop te noemen.”“Den burgemeester Niklaas Bodé Volckers?” roept Guy uit.“Ja. Onder voorwendsel, dat zij kostbare zijden stoffen wil zien, die licht beschadigd zijn door den vloed, kan Dona Hermoine haar duena in de stad brengen. Bij den koopman kunt gij Dona de Alva afzonderlijk spreken.”“Maar de duena—de fatale duena?” bromt Guy.“De duena zal blind en onschadelijk gemaakt worden in de aangrenzende kamer, door haar stoffen te laten bekijken. Als wij het gedaan weten te krijgen, dat Bodé Volckers zijn prijzen zeer laag zet, zal de gravin De Pariza stellig een uur lang koopjes doen. Buitendien zullen zij vandaag toch wel in stad komen, uit nieuwsgierigheid, om nadere bijzonderheden te vernemen omtrent het groote drinkgelag,”—hier wordt de schilder rood van verontwaardiging,—“tusschen den man, die zijn talent en zijn kunst onteert door onmatigheid, en ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’. Gij hebt het aangeplakt gezien op de muren van deherbergen en wijnhuizen, het biljet, dat den naam draagt van den grootsten kunstenaar, dien de Nederlanden hebben voortgebracht, den Raphael van het Noorden, den man, wiens leerling ik was, den man, wiens altaarstuk in de groote kerk van Onze Lieve Vrouwe hem voor altijd beroemd zou hebben gemaakt, als de Beeldstormers het vier jaar geleden niet verbrand hadden, toen zij al de beelden in de kerk omverhaalden en ontelbare meesterstukken vernielden, in blinde woede tegen de Inquisitie. Ik en een andere leerling van Floris redden dien nacht een ander schilderij van hem, een klein doek, ‘de Val der Engelen’; het is niet zijn beste werk; het is eigenlijk beneden zijn talent, maar het is het eenige, dat bewaard zal blijven voor het nageslacht, want nu is hij een leeglooper en een dronkaard geworden,” en Oliver zucht.“Dat is dus afgesproken,” roept Guy uit, het verontwaardigd relaas van den artist afbrekend, want zijn maag heeft hem er inmiddels aan herinnerd, dat hij nog niet ontbeten heeft. “Nu wij met onze zaken klaar zijn, zult gij mij wel iets te eten willen geven, zoodra Achille terug is met zijn proviand,—misschien wel een weinig duivenpastei, hè?” en hij geeft gekscherend den schilder een ribbestootje, want door Antony’s berichten over Hermoine de Alva is de vermetele jonge man in een vroolijke stemming gebracht.De opmerking wordt schertsend gemaakt, maar de lach besterft op Guy’s lippen, als hij bespeurt, welk een onverwachte uitwerking zij op den schilder heeft. Bij het woord “duivenpastei” wordt Oliverdoodsbleek. Hij keert zich om en zegt op wantrouwenden toon: “Wat weet gij van duivenpastei?”“Niets anders dan wat ik gisteravond hoorde van den kleinen Marvédie, het zoontje van Touraine, den barbier.”“Wat zei hij van duivenpastei?” vraagt de schilder, wiens vreemde wijze van doen Guy’s aandacht trekt. “Spreek op, spoedig—ons leven kan er van afhangen!”“Alleen dit,” zegt de Engelschman, “dat hij zooveel duivenpastei van u kreeg. Hij vroeg mij of ik van duivenpastei hield en later zei hij nog,—ik geloof het tenminste, neen, ik ben er zeker van,—dat hij misschien niet meer zooveel duivenpastei zou krijgen, daar er een man was gekomen, die zooveel duiven had weggenomen.”“Een man—zooveel duiven weggenomen—van hier!” stamelt Antony. Daarna roept hij plotseling uit: “Dat verklaart mij waarom er geen brieven van Lodewijk van Nassau waren in de til boven,—geen duiven, die ze brachten. Ik vond het al zoo vreemd; het maakte mij reeds beangst. Mijn God! Ik moet het weten.”Op dat oogenblik wordt er aan de deur geklopt, hij schuift het gordijn weg en opent de deur voor zijn leerling Achille, een Franschen jongen met schitterende oogen, die op ontevreden toon zegt: “Ik kan niets krijgen zonder geld. Onze groote schilder, Frans Floris, is zooveel geld schuldig, dat men geen ander artist meer iets op crediet wil geven.”“Goed, zet je mand maar neer. Ik zal zien, of ik nog geld heb,” zegt Oliver nadenkend. Dan schijnthij plotseling een idee te krijgen, want hij roept uit: “Achille, waar is de kleine Marvédie? Breng hem boven en wij zullen eenige duiven laten halen en duivenpastei voor hem maken,” met zichtbare inspanning groote luchthartigheid voorwendend.“Heerlijk! Marvédie is dol op duivenpastei en ik niet minder,” antwoordt de jongen en vliegt de trappen af.“Ik moet hem ondervragen,” mompelt de schilder. “Als dit waar is, dan is het zwaard van Damocles op het punt te vallen.”Een oogenblik later hoort men juichende kinderstemmen op de trap. Achille en zijn broertjes springen de kamer binnen, uitroepend: “Duivenpastei! duivenpastei! Hoezee voor monsieur Oliver’sduivenpastei!”“Ja zeker, duivenpastei!” roept de schilder, “duivenpastei! Maar wat is er met mijn duiven gebeurd? Hebt gij ze weggenomen, Achille?”“Neen!”“Hebt gij er om de til zien vliegen? Ik bedoel niet onder in het hok, maar in de til—vliegende om de til?” De stem van den schilder klinkt heesch—zijn oogen schieten vuur.“O ja, verscheidene, de twee laatste dagen,” antwoordt de jongen. En als hij de vreemde wijze van doen van zijn meester opmerkt, roept hij angstig uit: “Maar ik heb ze niet weggenomen, ik zweer het u, monsieur Oliver, ik heb er geen uit de til genomen. Geloof mij op mijn woord van eerlijken jongen!”“Neen, hij heeft ze niet weggenomen,” roept nu de kleine Marvédie; “een groote man met akelige zwarte oogen nam ze mee.”“Wanneer?”“Gisteren.”“Hebt gij hem gezien? Kent gij hem?”“O, ik herinner mij hem heel goed, omdat hij lachte en recht in zijn schik scheen te zijn, en hij gaf mij twee stuivers om een zak voor hem te halen om ze in te stoppen.”“Kunt gij mij iets van hem vertellen? Weet gij zijn naam, kleine Marvédie—kleine duivenpastei-Marvédie?” brengt Antony met moeite uit, zijn best doende om grappig te wezen, maar met een gezicht als van een doode.“Neen, maar hij was leelijk en heeft akelige oogen, oogen als de schelvisch op de markt.”“Hoeveel duiven nam die man weg? Hebt gij ze geteld, kleine Marvédie—kleine duivenpastei-Marvédie?” en de schilder grijnst afschuwelijk.“Ja, hij nam er zes, van dezelfde soort, die gij den nek omdraait, als gij duivenpastei voor mij maakt,” zegt de kleine jongen.“En waar was uw broer?” De stem van den schilder klinkt dof.“O, ik was uitgegaan om een paar van uw schilderijen te verkoopen,” zegt Achille. “Dat geloof ik tenminste. Zoolang gij weg zijt geweest, heb ik daar telkens moeite voor gedaan, maar ik heb geen enkel verkocht. De tiende penning van den Hertog ruïneert iedereen. Niemand heeft geld te missen, tenminste niet voor schilderijen.”“Het is goed,” zucht Antony, “hier is een gulden. Ja, haal daarvoor duiven!” Hij lacht droevig. “Wij willen toch duivenpastei hebben.”De beide jongens loopen weg. Het gezicht van den schilder is zoo wit als krijt en hij stamelt: “Het is er eindelijk toe gekomen. Iemand heeft mijn geheim ontdekt.”“Welk geheim?” fluistert Guy, de waarheid reeds half vermoedend.“Dat van de brieven, die ik door middel van postduiven krijg van Lodewijk van Nassau, met wien ik in correspondentie sta voor het welzijn van de Nederlanden. Zij zijn natuurlijk in geheimschrift, zij moeten eerst ontcijferd worden, maar dat is maar een quaestie van tijd—Ik ben een verloren man, ja, nog erger—ik ben een gemartelde! O mijn God! Denk aan de pijnbank, den brandstapel, die mij wachten!” en de Vlaming staat daar met verwilderde oogen, aschgrauw gelaat en blauwe lippen.“Als wij den man eens konden ontdekken, die uw geheim heeft,” zegt de Engelschman, steeds gereed tot handelen en wel wetende, dat gevaar voorOlivergelijkstaat met gevaar voor hemzelf.“Ja, maar hoe? Als Alva komt, zal de man er hem zeker kennis van geven; het loont de moeite, een verrader aan te wijzen onder de schrijvers van den Hertog. Ik—ik was den geheelen morgen reeds niet op mijn gemak. Toen ik—ik hier aankwam, dacht ik de duiven te zullen vinden, met brieven van Lodewijk. Nu weet ik—de reden. Zes! Zes brieven—waarvan elk op zichzelf voldoende is om mij tot den brandstapel te doen veroordeelen!” kreunt de schilder, zijn handen zoodanig wringend, dat zijn nagels er blauw van worden.“Zes! Zes duiven!” herhaalt Guy. Dan vraagt hij plotseling: “Kent gij een man met donkere, vischachtige oogen, zooals de jongen beschreef, en een zwarten knevel met een enkele grijze vlok er in?”“Mijn God!” roept de schilder uit, “zeker! Hij, dien gij daar beschrijft, is Vasco de Guerra—mijn vijand! Hij—heeft—heeft de brieven!—Wat bracht u op die gedachte?”“Alleen dit, dat Vasco de Guerra gisteravond ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, die hier reeds waren aangekomen voor het drinkgelag met Floris, onthaalde op een duivenpastei, gemaakt van zes duiven, die hij, zooals hij verzekerde, had geschoten; maar hij sprak van een zevende, en verklaarde, dat hij voor het hoofd van de zevende zulk een belooning zou ontvangen, dat hij in staat zou zijn, zijn kameraden een groot feest te geven.”En nu vertelt Guy aan den ontstelden Oliver, wat hij den vorigen nacht zag en hoorde bij het drinkgelag van “de Zes Drinkebroers van Brussel” inHet Geschilderde Huis.“Ja, dat is bewijs genoeg, en meer dan genoeg, dat hij mijn geheim bezit,—hij, die van alle menschen er het eerst gebruik van zal maken, want deze Vasco de Guerra is mijn vijand. Hij is een ellendige schurk, die zich zóó berucht heeft gemaakt, dat hij uit het Spaansche leger is weggejaagd,—bedenk eens wat dat zegt, in een leger, waar het den soldaten vrijstaat, te rooven, te plunderen, te moorden, te pijnigen en te verwoesten, zonder een woord van berisping te ontvangen van hun officieren. Hoe moet wel een man zijn, die uit zulk een leger wordt weggejaagd?Hij is een dronken fortuinzoeker; hij dingt naar de hand van Mina Bodé Volckers, die mij liefheeft; hij heeft haar kamenier, Wiarda Schwartz, omgekocht.”“Ah, zoo!” merkt Guy op. “Daarom behandelde zij mij zoo beleefd, toen ik naar u vroeg.”“Wiarda? Ja, een valsch, ijdel ding. Maar wij moeten overleggen, wij moeten handelen—en dat wel spoedig,” antwoordt de schilder, die zijn kalmte herkregen heeft, nu hij weet, wie zijn verrader is. “Vasco vermoedt zeker, welke waarde deze brieven hebben, want hij loert reeds eenige weken op mij. Hij zal trachten ze zelf te ontcijferen, want hij zal er niemand in kennen, om de belooning niet te verliezen. Hij kan vandaag onmogelijk reeds handelen. Hij heeft ze ongetwijfeld bij zich.”“In dat geval moeten wij hem terstond uit den weg ruimen,” zegt Guy. “Er blijft ons niets anders over. Wij moeten hem dooden in ons eigen belang. In elk geval moeten wij ons van de brieven zien meester te maken. Stuur om hem, haal hem hier en ik knap dit zaakje met mijn dolk op. Dan kunnen wij hem naar beneden sleepen en in den stroom werpen. Hij drijft dan weg naar den oceaan, en er zal geen haan naar kraaien.”“Neen,” zegt de schilder, “dat zou ons in verdenking brengen. Misschien kan ik iets beters verzinnen,” en hij spant zijn vindingrijk brein in, zooals nog nooit tevoren. Na eenige seconden roept hij verheugd uit: “Het is zeker, dat Floris bij het drinkgelag wint. Floris zal elk van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’ onder de tafel drinken, bewusteloos, levenloos. In de verwarring kunnen wij den beneveldenVasco naar een andere kamer dragen, oogenschijnlijk om hem bij te brengen, en hem de brieven afnemen, die hij mij heeft ontstolen.”“Maar als Vasco eens wint?”“Onmogelijk! Ik heb Floris op één avond meer wijn zien drinken dan eenig ander menschelijk beest op aarde kan verzwelgen.”“Maar wij moeten toch voorbereid zijn op het geval, dat hij het niet doet,” zegt de Engelschman; vervolgens voegt hij er langzaam bij: “Misschien kan ik u helpen, ik heb hier....” hij haalt uit zijn wambuis een klein glazen fleschje van Venetiaansch fabrikaat, dat beschermd wordt door een omhulsel van fijn gouddraad, en welks stop zorgvuldig verzegeld is; de inhoud is kleurloos en doorschijnend.“Wat is het? Vergift?” vraagt de schilder. “Het vergift van de Borgia’s?”“Neen, het vergift van de Antillen. Dit is het sap van den manzanillaboom, toebereid door de Indianen van de Caraïben, volgens een geheim proces. Gij kent de vreemde eigenschappen van den boom; wie maar een enkelen nacht onder zijn takken slaapt, bekoopt het met den dood. Het vergift is zeervluchtig, daarom houd ik het verzegeld. Ik draag het bij mij, voor het geval dat ik mocht worden gevangengenomen en op de pijnbank gebracht, het zal mij zoo vast doen slapen, dat mijn lippen geen geheimen van mijn koningin zullen kunnen verraden. Als het mocht gebeuren, dat de schilder Vasco de Guerra niet onder de tafel drinkt, dan zullen een paar druppels van dit vocht in zijn beker hem voor altijd doen inslapen.”“Dus als Frans Floris niet slaagt,—het vergift van de Antillen,” prevelt de schilder. “Het geldt zijn leven of het onze.” Na een oogenblik nadenken vervolgt hij: “Neen, ik moet Vasco de Guerra, mijn vijand, in ieder geval dooden. Als hij enkel bewusteloos werd gemaakt, zelfs al kreeg ik de brieven van Lodewijk van Nassau terug, zou hij mij toch blijven verdenken. Op een goeden dag zou hij een ander bewijs tegen mij in handen krijgen. Als ik hem nu niet dood, zou ik terstond moeten vluchten, en Willem de Zwijger zou geen spion meer in Alva’s nabijheid hebben. Voor het welzijn van mijn land blijf ik hier. Vasco de Guerra moet sterven. Het gevaar wordt te dreigend.”“Dat is flink gesproken,” antwoordt Guy kortaf. “Doe een weinig van dit in den wijn van den Spaanschen spion.”Hij drukt den schilder het fleschje met het vergift in de hand, doch kijkt hem eensklaps vreemd aan en zegt angstig: “Maar, bij alle heiligen, hoe zult gij het aanleggen, om hiervan iets in zijn beker te doen, en niet in de bekers van de anderen?”HOOFDSTUK VI.HET DRINKGELAG IN HET GESCHILDERDE HUIS.Deze vraag schijnt den schilder te doen ontstellen. Hij herhaalt weifelend: “Hoe?” en zegt dan: “Laat mij even nadenken. Ik ken de gebruiken van dit land,” en hij overlegt in zichzelven met gefronste wenkbrauwen.Na een oogenblik peinzens roept hij uit: “Ik heb het probleem opgelost.”“Hoe?” vraagt de Engelschman levendig.“Hoe? Wel, het is het gebruik bij deze drinkgelagen, dat, als het feest zijn toppunt heeft bereikt, verschillende vrienden der deelnemers hun, ter eere van Bacchus, groote drinkbekers vol fijnen wijn met hun complimenten zenden. Vasco de Guerra is een aanbidder van mademoiselle Bodé Volckers, de schoone Mina, die ik bemin. Dat zal zijn ondergang zijn. Na het tiende rondje,—het zou niet voorzichtig zijn, het eerder te doen, misschien was het in dit geval beter, te wachten tot na het vijftiende,—zal ik hem een beker wijn zenden metditer in, het vergift van de Antillen,” hier klopt hij op het fleschje,dat de Engelschman hem gegeven heeft, “met de complimenten van Wilhelmina Bodé Volckers. De Guerra zal een beker, vergezeld van zulk een boodschap, niet weigeren, en daarna—daarna—zouden gij en ik,” hij fluistert het laatste, “mijn beste Guido,—in ieder rustig, gelukkig, vredig land moordenaars worden genoemd; maar bij het spel, dat wij spelen, gaat het eenvoudig op leven of dood. En nu tot de zaak.”Het tweetal werkt zijn plan verder uit met de koele berekening van menschen, die, als zij eenmaal tot een besluit zijn gekomen, hun voornemen ook onmiddellijk ten uitvoer leggen.“Het drinkgelag begint om twaalf uur. Het is nu tien uur. Ik denk niet, dat De Guerra reeds is opgestaan,” zegt Guy, “maar ik zal op hem letten en er voor zorgen, dat hij de herberg niet verlaat, om ons geheim aan iemand anders mee te deelen. Als hij van plan schijnt dit te doen, zal ik hem op de een of andere wijze zien op te houden; in dien tijd kunt gij naar de Citadel gaan, om Dona Hermoine te spreken en een ontmoeting mogelijk te maken, die niet alleen noodig is voor mijn veiligheid, maar ook voor mijn liefde.”Chester steekt nu de brieven van Vitelli en den sleutel, dien de schilder hem heeft verschaft, bij zich en bergt met nog meer zorg het miniatuur-portret en den brief van zijn beminde op zijn borst, terwijl Antony Oliver zich wapent met zwaard en pistolen en er zich van vergewist, dat het scherpe Italiaansche stilet, dat hem nooit verlaat, in het bereik van zijn hand is.Als zij hiermee gereed zijn, gaan zij samen uit, en Oliver zegt den barbier, dat zijn zoontjes, als zij thuis komen, hun maaltijd alleen kunnen gebruiken, maar dat Achille hen in den namiddag inHet Geschilderde Huismoet opzoeken. Vervolgens begeven zij zich door nauwe stegen, waar de zon eerst op dit uur doordringt, naar het ruimere, het schoonere gedeelte van de stad.Hier neemt de schilder afscheid van den Engelschman, fluisterend: “Verlies Vasco niet uit het oog.”“En gij bezorgt mijn boodschap?” antwoordt de Engelschman.“Zeker. Ik heb een goed voorwendsel voor mijn onderhoud met Dona Hermoine. Haar vader verlaat Brussel hedennamiddag. Alva kan niet hier zijn vóór vanavond laat en wilde, dat ik dit zijn dochter zou doen weten,” antwoordt Oliver, den weg naar de Esplanade inslaande, waarachter de Citadel ligt.Chester begeeft zich opnieuw naarHet Geschilderde Huis, dat nu het tooneel is van veel leven en beweging.De gelagkamer is zóó vol, dat hij nauwelijks een plaatsje kan veroveren, om zijn ontbijt te bestellen, daar zijn honger op dit oogenblik de overhand heeft over zijn liefde.Het gelukt hem op handige wijze, van den knecht, die hem bedient, te weten te komen, dat de man, dien hij zoekt, eerst om drie uur in den morgen naar bed gegaan en nog niet opgestaan is, zeker in de meening, dat afzondering en rust hem het best kunnen sterken voor den ernstigen strijd, die hem wacht.Het gesprek aan de tafeltjes rondom hem loopt natuurlijk over het aanstaande drinkgelag. De kamer is vol burgers en artisten, eenigen zijn gekomen om te genieten van den triomf van den schilder, anderen om zich te bedroeven over den man, die zijn talent te gronde laat gaan in den wijn. Er zijn ook een aantal van zijn schuldeischers, met angst in hun hart en op hun lippen, want Frans Floris’ leven vertegenwoordigt voor hen een groote som, daar zijn schilderstukken altijd vlug van de hand gaan; Frans Floris’ dood daarentegen zou hun groote schade berokkenen, en zij vreezen, dat hij zich te eeniger tijd zal dooden door de enorme hoeveelheid wijn, die hij naar binnen slaat, om zijn mededingers onder de tafel te werken.“Ach, mijnheer Dirk Coornhert, wat een treurige dag,” merkt een dikke burger op, wiens kleeren nog een moutlucht verspreiden, wat hem als een brouwer doet kennen.“Ja,” antwoordt een ander, blijkbaar iemand van artistieken smaak en opvoeding. “Hebt ge het gedicht gelezen, dat ik heb uitgegeven, om Floris te waarschuwen voor het gevaar, dat zijn ongeregelde levenswijze na zich sleept, niet alleen voor zijn talent, maar ook voor zijn leven? Ik heb het hem gisteravond voorgelezen. Het was een ingeving, ingekleed als een droom, waarin de geest van Albrecht Dürer mij verscheen en op een zwaarmoedigen, somberen toon sprak over de droefheid, die zich zelfs nu nog, nadat hij reeds honderd jaar in de andere wereld was geweest, van hem had meester gemaakt, omdat een artist, zoo begaafd als Floris, een dronkaard was geworden.”“En heeft het hem bekeerd?” spot de ander.“Hem bekeeren!” roept Dirk Coornhert uit. “Neen, hij zwoer, vandaag te zullen drinken op de gezondheid van Albrecht Dürer’s geest en hij lachte mij in mijn gezicht uit: ‘Als ik dronken ben, dan ben ik gelukkig, dan vergeet ik mijn schuldeischers. Als ik nuchter ben, zorgen mijn schuldeischers er wel voor, dat ik hen niet vergeet.’”“Vervloekt! En ik ben er ook een,” bromt de brouwer. “Twee duizend Carolus-guldens voor bier, in zijn huis verteerd. Een schilder, die het grootste paleis in Antwerpen bouwt! Boven den ingang heeft die verwaande lap zichzelf geschilderd; hij houdt het penseel in zijn hand, en de muzen dalen uit den hemel neer, om hem te kronen. En iederen dag rijdt hij in staatsie uit met vier witte paarden, terwijl iedereen den hoed voor hem afneemt, zijn schuldeischers het diepst. Als ik niet vreesde, dat het volk mij zou vermoorden, zou ik hem laten gijzelen. En dan zijn vrouw! Lieve hemel! Airs, alsof zij een gravin was.”“Ja, zij heeft hem geruïneerd,” mompelt de drukker. “Het is juist iets voor vrouwelijke eerzucht, om te willen wedijveren met den adel, wat immers onmogelijk is voor een schilder, ofschoon sommige burgers zich verbeelden, het wel te kunnen. Daar hebt gij bijvoorbeeld dien onnoozelen Bodé Volckers! Hebt gij van zijn dochter gehoord? Men zegt, dat de schoone Wilhelmina er naar streeft, met den adel te verkeeren, en dansles heeft genomen van een Franschen dansmeester, en dat zij speelt op een klavier en een spinet en zingt met trillers en hooge gillende tonenals zoo’n Italiaansche gemaskerde. Ja, de tijden veranderen hier in Antwerpen. Wat zou haar goede moeder daar wel van zeggen? Ook de oude Niklaas is er alles behalve over gesticht en hij zweert, dat zijn dochter achter de toonbank zal staan en zijn zijde en satijn zal verkoopen, zooals haar moeder deed, ofschoon men hem op meer dan een millioen kronen taxeert.”“Alle duivels!” valt de brouwer uit, “wat beteekent een millioen of zelfs twee millioen kronen in dezen tijd—het is enkel maar zooveel meer voor dien vervloekten tienden penning!”“Ja, God sta ons bij,” stemt de drukker toe. “De tiende penning zal alles verslinden, wat wij nog bezitten.”En de brouwer schudt treurig het hoofd over zijn kroes zwaar Vlaamsch bier en de drukker slurpt zijn Rijnwijn zwijgend, want Alva heeft juist zijn beruchten tienden penning geheven, een belasting, die bepaalt, dat men bij elken omzet van koopwaren in de Nederlanden een tiende van het bedrag zal afstaan aan de koninklijke schatkist, telkenmale dat een handelsartikel wordt gekocht of verkocht. Dit beteekent natuurlijk bij een levendigen handel binnen korten tijd algeheele inbeslagneming en volslagen ruïne voor den grooten handelsstand in Brabant, Vlaanderen en Holland.Deze tiende penning is niet juist geschikt, om bij het volk genegenheid te wekken voor de blufferige Italiaansche en Spaansche officieren van het garnizoen, die met kletterende sporen en rinkelende zwaarden rondslenteren, er bitter weinig om gevende of zij deburgers op de teenen trappen, en hun trotsch opgestreken knevels bij iedere gelegenheid in bekers Spaanschen wijn steken, terwijl de waard en zijn helpers hen met de grootste onderscheiding en nederigheid bedienen; want geheel Antwerpen wringt zich en kreunt, maar laat zich toch nog vertrappen onder den ijzeren voet van de Spanjaarden,—edelman zoowel als boer, koopman zoowel als visscher.Onder deze militaire bluffers treedt niemand overmoediger op dan de vaandrig De Busaco. Als hij Guy ziet, komt het krijgshaftige fatje op hem af, en den Engelschman kameraadschappelijk op den schouder kloppend, roept hij uit: “Op wien wedt gij, capitan Guido? Ik wed op de Drinkebroers van Brussel.”“Dat is niet heel ridderlijk,” zegt Guy, “zes drinkebroers tegen één. Maar ga zitten en denk aan uw belofte van gisteravond, om een beker met mij te drinken.”“Gracios, senor capitan,” antwoordt de jonge officier, en weldra zitten hij en Guy te babbelen bij het druivensap.“Gij zijt zeker uit Middelburg gekomen,” merkt de Spanjaard op, “voor de achterstallige soldij. Wij hebben in maanden geen stuiver gezien en ik veronderstel, dat het u niet beter gaat. Maar de tiende penning, mijn jongen, zal de kas van den betaalmeester voor ons openen. En als hij het niet doet,”—hij kijkt woest in het rond,—“zijn wij van plan, ons zelf recht te verschaffen. Dit is een rijke stad, nietwaar? Hier is buit te vinden, schatten van de Indiën en Peru slechts voor het grijpen! Op een goeden dag zullen wij de burgers wel klein krijgen en hungoederen en huizen en vrouwen en dochters een paar dagen voor hen in bewaring nemen! Buit en schoonheid!”“God zij hun genadig,” denkt Guy, terwijl hij zijn oogen in het rond laat gaan en als het ware een visioen krijgt van die afgrijselijke “Spaansche furie”, die een paar jaar later in Antwerpen zal uitbreken. Hij geeft echter een andere wending aan het gesprek, zeggende: “Natuurlijk hebben ook wij geen soldij ontvangen, maar ik heb nog een paar goudstukken in mijn zak!” en hij roept: “Jongen, nog een kan wijn!”Het gesprek loopt nu verder over het drinkgelag, en de Spanjaard vertelt den Engelschman, dat, hoewel Floris bekendstaat voor den grootsten drinkebroer van de wereld, men toch algemeen gelooft, dat “de Zes Drinkebroers van Brussel” een list hebben bedacht om hem te verslaan, tenminste, zoo wordt er gefluisterd, en dat, als capitan Guido geld heeft om te wedden, hij het niet op den schilder moet zetten.“Zij zullen winnen, mijn jongen,” lacht de vaandrig. “Ik heb zelf gezien, dat de kleine Tomasito achttien kannen wijn dronk en geen spier vertrok. Stel u nu eens voor, wat hij zal doen, als zijn dorst wordt geprikkeld door het prachtig feestmaal, dat hier wordt gegeven,” hij wijst in de richting van de groote bruiloftszaal achter de gelagkamer, “en in het vooruitzicht van een winst van vijfhonderd gulden, behalve het geld dat de weddenschappen hem opbrengen. Buitendien is De Guerra de laatste dagen recht in zijn nopjes en hij lacht nooit, dan wanneer hij de guldens maar voor het grijpen heeft. Maar ik denk,dat ik een weddenschap zal kunnen winnen van Valdez van ons regiment. Hij heeft Floris zien drinken en zweert, dat geen man op aarde hem evenaart. Excuseer mij daarom een oogenblik,” en vaandrig De Busaco staat op en begeeft zich naar een troepje Spaansche officieren aan het andere einde van de kamer, zeer tot genoegen van Guy, want hij heeft den schilder Antony Oliver in het oog gekregen, die hem zoekt.Zoodra de Spanjaard ver genoeg weg is, wenkt Guy den Vlaamschen artist, die bij hem komt en fluistert: “Ik heb uw boodschap gedaan.”“Zij komt natuurlijk?”“Ja, maar het heeft mij veel moeite gekost. Zij was eerst zoo ongenaakbaar als een rots, en vroeg mij, hoe ik zulk een vermetele boodschap durfde overbrengen.”“En toen?” vraagt Guy ongeduldig.“Toen gaf ik haar den ring en zeide haar, dat het voor uw veiligheid noodig was, dat zij tot u kwam, daar gij u in gevaar hadt gebracht om harentwille, want dat gij u nu zonder verlof hier bevondt.”“En vervolgens?”“Toen zeide zij op onverschilligen toon: ‘Ik zal vandaag om drie uur bij den burger Bodé Volckers komen. Mijn duena, de gravin De Pariza, heeft reeds haar wensch te kennen gegeven, om de dochter van den koopman nog eens te zien dansen.’”“Niets anders?” vraagt Guy teleurgesteld.“O ja, zij merkte ook nog terloops op, dat haar duena waarschijnlijk eenigen tijd zou besteden, zooals zij gewoonlijk deed, met de kanten en de zijden enfluweelen stoffen in het magazijn van den burgemeester te bekijken en zich te vermaken met de talenten van de bevallige senorita Wilhelmina. ‘Gij zult er toch zeker ook zijn, senor Oliver?’ lachte zij, ‘en de heer misschien ook, wiens afgezant gij zijt. Hebt gij mijns vaders dienst verlaten voor dien van capitan Guido?’”Hierop,zegt Oliver met een glimlach,had ik de stoutmoedigheid te antwoorden: “Misschien blijf ik dan toch in de familie,” en verliet ik haar, zoo rood als de robijn, dien zij in de hand hield.Ook Chester bloost bij deze woorden van vreugde, en hij vindt de kamer, die hem bij de eerste woorden van den schilder duister en somber had toegeschenen, nu zeer zonnig en vroolijk.En het wordt nog lichter om hem heen als Oliver vervolgt: “Ik zag Hermoine de Alva nog nooit blozen bij het hooren uitspreken van den naam van een man. En ik betwijfel het zeer, stoutmoedige jonge man, of er iemand op de wereld is, wien zij een samenkomst zou toestaan, behalve haar eigen vader. Maar ik zou u raden, met drinken uit te scheiden,” valt hij zichzelf in de rede, “of men zal u nog houden voor een van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, en wij hebben gewichtiger dingen te doen dan aan een drinkgelag deel te nemen. Kom, daar gaan zij naar binnen, ik zie mijn vijand, die mijn lot in zijn handen heeft.” En hij kijkt met een angstigen blik naar het eind van de kamer, waar Vasco staat, omringd door zijn vijf kornuiten, die allen het wapen van Brussel op hun wambuis dragen.Als de Guerra’s oogen die van Oliver ontmoeten, flikkert er een glimlach van wreeden triomf in, enmet een vlugge, misschien onbewuste beweging, steekt hij de hand in zijn boezem, als om er zich van te verzekeren, dat hij zeker kostbaar voorwerp nog bij zich heeft.“Ziet gij die beweging?” fluistert Guy tot Antony. “Die brieven zullen uw verderf worden als gij ze niet nog heden in uw bezit weet te krijgen!”“Dat zal ik,” zegt de schilder op vasten toon, ofschoon zijn hand licht beeft, als hij van zijn kant er zich van overtuigt, dat het vergift der Antillen nog in zijn bezit is.En nu mengt het tweetal zich onder de menigte, die in de groote, geschilderde zaal stroomt, waarin de voorname bruiloften van Antwerpen worden gevierd. Deze is nu gereserveerd voor het feestmaal, dat gegeven wordt, om het drinkvermogen van het Antwerpensch talent te vergelijken met dat van het Brusselsch clubje tot bevordering van matigheid, dat zijn doel bereikt, door zelf al den wijn van de wereld op te drinken.Een oogenblik later klinkt luide de kreet: “Hij is gekomen!” en de menigte stroomt uit de eetzaal naar de voordeur, om De Vriendt, den schilder, te zien, gezeten op zijn wit paard en gevolgd door zes zijner leerlingen.Zoo komen Guy en Oliver gemakkelijk in de feestzaal, een hoog vertrek met fraaie, gesneden balustrades en balkon, de muren gedecoreerd met schilderstukken en fresco’s, waarvan sommige door den aan het drinkgelag deelnemenden kunstenaar zelf geschilderd zijn.In het midden staat een groote eikenhouten tafel,met stoelen voor zeven personen; de tafel is overladen met allerlei eetwaren, om den dorst op te wekken,—zoute visch, kaviaar, vleesch, in olie gedoopt,—alles zoo keurig mogelijk versierd en opgezet; met een menigte bloemen en een krans van rozen voor den overwinnaar. Het geheel is een afschuwelijk mengelmoes van kunst, middeneeuwsche pracht en barbaarsche losbandigheid.Zes stoelen om de tafel worden ingenomen door “de Drinkebroers van Brussel”. Vasco de Guerra zit aan het benedeneind als de aanvoerder dezer drinkersbende. Ieder heeft vóór zich staan een kolossalen zilveren Frankforter beker, die een hoeveelheid wijn inhoudt, zóó groot, dat een matigheidsgenootschap er stuiptrekkingen van gerechtvaardigde verontwaardiging van zou krijgen.De stoel aan het hoofd van de tafel is opengelaten voor den man, die alleen strijdt tegen de zes anderen; de glorie van Antwerpen; het groote genie, dat bezig is zijn talent te vermoorden; den grooten slemper, die voor de eer van zijn stad en voor een weddenschap van vijfhonderd gulden, op het punt staat, de zes andere nathalzen onder de tafel te drinken; terwijl rondom dien feestdisch, gewijd aan de gulzigheid en aan Bacchus, een bonte mengeling staat van mannelijke ingezetenen der stad, van den Spaanschen generaal Vargas tot den vaandrig De Busaco; van den welgedanen vorstelijken koopman tot den gespierden en vleezigen vertegenwoordiger van het slagersgilde;—ja zelfs ziet men er den kleinen Achille Touraine, die tusschen de beenen van de omstanders doorkruipt, om bij zijn meesterte komen, terwijl hij zich menigen stoot en duw moet laten welgevallen van de fatterige officieren, wier uniformen hij in wanorde brengt.“Daar ben ik, zooals gij hebt bevolen, monsieur Oliver,” roept hij. “Dat wil zeggen, een gedeelte van mij—een van de officieren heeft mij met zijn sporen een aderlating bezorgd, zooals vader zijn patiënten doet ondergaan, en mijn gezicht is met krabben bedekt, als dat van de klanten, die door hem geschoren worden. Maar ik—ik kon niet eerder komen, Marvédie en ik waren niet eerder klaar met onze duivenpastei.”Hier wordt de stem van den jongen overstemd door het gejuich, dat de komst van den schilder begroet. Als De Vriendt binnenstapt, zijn bleek Vlaamsch gelaat en zachte blauwe oogen verhelderd door een vriendelijken glimlach, roept hij, zijn hoed ter begroeting zwaaiend: “Welkom, broeders slampampers van Brussel!” en neemt plaats aan het hoofd van de tafel.Dit wordt beantwoord door den kleinen, vriendelijken Tomasito, die zegt: “Gegroet, broeder-zwijn van Antwerpen.” Een middeleeuwsche geestigheid, die de menigte doet brullen van het lachen, ofschoon Floris het pijnlijke van de vernedering gevoelt en rood wordt—doch slechts voor een oogenblik.Op het volgende heeft hij alles vergeten, behalve het genot, dat de wijnbeker hem verschaft, want een knecht plaatst vóór hem een enormen Frankforter beker met den zwaarsten Markobrunner, en zijn liefde voor het druivensap maakt er hem onverschillig voor, of hij de achting van zijn vrienden en stadgenootenverspeelt. Opstaande van zijn stoel, roept hij uit: “Laat ons beginnen, Drinkebroers van Brussel! De bepalingen van de weddenschap zijn vastgesteld. Ik drink u allen onder de tafel en laat u daar liggen.”“Dat zijn de bepalingen, senor Floris,” antwoordt De Guerra met een onderdrukten lach en de zes pimpelaars staan op, ieder op zijn plaats en ieder met een beker in de hand, gevuld tot aan den rand met denzelfden zwaren wijn, als die in den beker van De Vriendt.“Nu, daar gaat hij dan!” schreeuwt Floris, en ieder slaat zijn portie naar binnen, smakkend van genot, waarop de menigte bravo roept.Maar nauwelijks zijn de kampioenen weer gezeten en hebben zij geproefd van de kaviaar, de haring of de ansjovis, als de knechts de bekers ook reeds weer gevuld hebben en Floris uitroept: “Nogmaals!”Wederom staan zij op en naar binnen vloeit de Rijnwijn; daarna werpen zij zich weer op de spijzen,—want met dronkenschap gaat gulzigheid gepaard.Zoo gaat de slemppartij voort, gadegeslagen door de menigte, op wier gezichten zeer verschillende gewaarwordingen zijn te lezen. De opgewondenheid stijgt; maar niemand is opmerkzamer dan Guy Chester en Antony Oliver, want niemand, zelfs niet de grootste dobbelaar van de stad, heeft zooveel gezet op dezen reuzenstrijd aan het altaar van Bacchus, als dit tweetal.Intusschen groeit de menigte aan, en honden sluipen snuffelend naar binnen,—zij hebben het feest geroken en loeren op beentjes en kruimels,—en men onderscheidt zelfs kleederen van vrouwenop de groote galerij, die bij bruiloften wordt ingenomen door de muzikanten; en vrienden zenden bekers wijn met hun complimenten en goede wenschen aan de verschillende deelnemers.Dezen drinken echter telkens allen tegelijk en op hetzelfde oogenblik—ofschoon nu en dan het merk van den wijn wordt veranderd om den lust tot drinken op te wekken. Rothenberger heeft den Markobrunner gevolgd en maakt op zijn beurt plaats voor Hochheimer.Het is het tiende rondje. De inhoud uit zeven enorme zilveren bokalen, de zwaarste Rijnwijn, stroomt juist over de lippen en door de kelen van de dronkaards.“Bij de vijftiende bokaal,” fluistert Oliver.“Waarom nu niet?” zegt Guy vlak aan zijn oor.“Neen, het zou niet voorzichtig zijn vóór de vijftiende,” antwoordt de schilder. “Niemand zou gelooven, dat tien bekers het hem zouden kunnen doen.”Een paar minuten, en het twaalfde rondje is voorbij, en nu wankelt een der drinkebroers, de kleine uitgedroogde Italiaan Guiseppe Pisa, als hij tracht op te staan en zakt heel zachtjes onder de tafel.“Doe het nu,” fluistert Guy.“Ik durf niet—nog niet,” antwoordt Oliver.Het dertiende rondje is gedronken onder gelach en gespot, en als De Guerra zijn beker aan de lippen zet, wordt Oliver’s gelaat krijtwit en dat van Guy eveneens, want tot hun schrik zien zij, dat de man, dien zij van plan waren te vergiftigen bij het vijftiende rondje, nu reeds wankelt en bewusteloos onder de tafel valt.“Te laat! Mijn God, hij is mij ontsnapt,” stamelt Antony.“Wij kunnen hem de brieven toch nog ontnemen, als het drinkgelag uit is,” fluistert Guy, die zich het eerst herstelt.“Ja, maar dat is slechts uitstel van mijn ondergang. Vasco’s achterdocht is gaande gemaakt,—de pijnbank wacht mij. Ik zal moeten vluchten. Ik zal aan de taak, die ik mij had opgelegd, niet langer kunnen arbeiden.” Dit laatste komt nauwelijks hoorbaar van zijn witte lippen.Maar daar stijgen alweder juichkreten op uit de omringende menigte; bij het veertiende rondje vallen twee van de overblijvende Drinkebroers van Brussel neer. Nu blijven er nog slechts twee over, om het met den schilder uit te vechten, maar deze twee zijn taai. De Vriendt glimlacht triomfantelijk; zijn Vlaamsch gelaat, ofschoon rood en opgezet, heeft nu een spottende uitdrukking, hij staat echter niet zoo heel vast meer op zijn beenen.Weer vier rondjes, de vijfde der Drinkebroers zoekt zijn kameraden onder de tafel op. Nu komt alleen de kleine Tomasito nog op voor de dukaten, die zijn vrienden op het zestal gewed hebben en voor de eer van de hoofdstad. Guy,—die het hoofd heeft afgewend en enkel op de gelegenheid wacht, om bij het einde van het drinkgelag De Guerra van zijn papieren te berooven, daar hij er weinig om geeft wie het zal winnen,—voelt zich plotseling aan de mouw trekken en ziet, omkijkend, het ontdane gezicht van Antony met uitpuilende oogen.“Hij komt weer bij!” fluistert deze.“Wie?”“Vasco! Kijk! Hij staat alweer op zijn beenen. Hij wil de weddenschap winnen. Het is een streek, een gemeene streek van hem, om zoodoende eenige bekers bij Floris ten achteren te komen.”Dat is ook het gevoelen van Floris’ vrienden; en als De Guerra nog wankelend uitroept: “Een nieuwen beker wijn voor de Drinkebroers van Brussel,” komen zij tusschenbeiden en protesteeren op heftigen toon.Maar De Vriendt zegt: “Laat hem maar begaan, ik geef hem vijf bekers voor en speel het toch wel met hem klaar.”Men zal tot een nieuw rondje overgaan, maar nog vóór het gedronken wordt, ploft de kleine Tomasito neer, alsof hij door een kanonskogel was getroffen; De Guerra en Floris blijven nu alleen als kampioenen over en kijken elkander uitdagend aan, de een met den kalmen glimlach van den Vlaming, de ander schuimbekkend van woede als een echte Spanjaard, die, als hij opgewonden raakt, woest hartstochtelijk wordt,—woest hartstochtelijk in den oorlog en bij het spel.Ieder giet zijn beker naar binnen en Floris begint te wankelen.“Nu is het uw laatste kans,” fluistert Guy.Een bediende roepend, zegt Antony: “Een beker van uw zwaarsten Rijnwijn, maar spoedig.”Terwijl De Vriendt en de Spanjaard zich weer versterken voor het volgende rondje, de een door wat kaviaar te verslinden en de ander door met gezouten vischlever zijn maag te prikkelen, is hetoogenblik om te handelen voor Oliver eindelijk gekomen.Als de knecht den wijn uit de flesch in den beker heeft gegoten, gaat hij heen en een oogenblik later ontzegelt de gehaaste schilder, die bijzonder handig geworden is door het dagelijksch omgaan met zijn fijne penseelen, vlug het kleine fleschje en giet onopgemerkt een gedeelte van het sterke vergift in den beker.“Geef hem vooral genoeg,” fluistert Guy, die voor zijn vriend is gaan staan, om hem tot scherm te dienen, ofschoon het gedrang zoo groot is en de opgewondenheid zulk een hoogte heeft bereikt,—daar er weddenschappen twee tegen één op den Spanjaard worden gedaan,—dat het niet eens zou zijn opgemerkt, al hadden zij die voorzorgsmaatregelen niet genomen.Bij deze aansporing giet Oliver een dubbele dosis in den beker. Daarop reikt hij hem aan Achille over, die zijn tijd nuttig heeft besteed met het eten van sinaasappelen, welke door de onvaste en bevende handen der zwelgers van de tafel zijn geworpen, en fluistert: “Breng dit aan den Spanjaard Vasco de Guerra.”“Ja.”“Vergis je niet! De man met den zwarten knevel met die eene grijze vlok er in!”“Ja wel, de donkere. Ik ben geen kind!”“Geef het hem met de complimenten en de goede wenschen van mademoiselle Wilhelmina Bodé Volckers. Rep je!”Als de twee kampvechters weer uitdagend tegenover elkander staan voor een nieuw rondje, de Spanjaardsteviger op zijn voeten dan de andere, want zijn tactiek heeft hem een groot voordeel verschaft, gaat Achille naar hem toe, overhandigt hem den beker, door de hand van zijn vijand voor hem toebereid, en fluistert een woord in zijn oor, dat een blos van verrukking over zijn rood dronkemansgezicht verspreidt.Den beker, dien hij in de hand houdt, op zijde zettend, roept Vasco de Guerra uit: “Dit is oude roode Rijnwijn; ik drink dien, mijn knikkebeenende Floris, op het mooiste jonge meisje van Antwerpen!”En den beker aan zijn mond brengend, slaat hij den inhoud in een lange teug naar binnen. En als hij vervolgens naar zijn mededinger kijkt, komt er een triomfantelijke uitdrukking in zijn oogen, want de schilder kan, als hij zijn beker heeft geledigd, nauwelijks meer op zijn beenen staan.“Vervl ...,” fluistert Oliver. “Het vergift werkt niet.”“Wacht maar,” antwoordt Guy.Zij zijn te angstig om verder een woord te spreken, en in ademlooze spanning staren zij naar de twee drinkebroers, die in hun stoel zijn neergezonken en de voor hen staande eetwaren opnieuw aanspreken.Al etende glimlacht de Spanjaard over den schilder, die zijn handen nauwelijks meer tot zijn beschikking heeft.Maar hun bekers worden weer gevuld en het tweetal staat opnieuw op, Floris moet zich met de hand aan de tafel vastgrijpen, daar zijn voeten alleen hem niet in evenwicht kunnen houden.“Drink!” zegt De Guerra, en de schilder werktmet moeite zijn portie naar binnen, terwijl de ander flink rechtop staat en hem bespot.“Let nu op, hoe ik het doe!” en Vasco neemt vlug, bedaard en zegevierend zijn beker op, onder het gejuich van diegenen der omstanders, die op hem gewed hebben.Doch op hetzelfde oogenblik, dat hij den beker aan zijn lippen wil brengen, komt er op zijn gelaat een uitdrukking van verbijstering, zijn hand zakt slap langs zijn lichaam neer, en de beker valt rinkelend op den grond; dan grijpt hij met beide handen naar zijn keel, alsof hij geen adem kan krijgen en ploft als een blok hout neer op de lichamen zijner kameraden, die daar in dronkemansverdooving liggen, terwijl een triomfkreet wordt aangeheven door hen, die het op Floris hebben gehouden.Een oogenblik later gaat De Vriendt, waggelend, strompelend, zwaaiend, ondersteund door zijn vrienden, naar buiten in de frissche lucht, die hem nieuwe krachten geeft. Bijgestaan door zijn zes leerlingen, die hem naar huis en te bed willen brengen, roept hij uit: “Hallo! nog een beker wijn, zwaren Rijnwijn, waard vanHet Geschilderde Huis!” en zijn voet in den stijgbeugel zettend, slaat hij nogmaals een groote hoeveelheid wijn naar binnen als plengoffer voor de verslagenen. Vervolgens rijdt hij, heen en weer slingerend, naar zijn paleis in de naar hem genoemde straat, omringd door zijn overgelukkige schuldeischers, die zich troosten met de gedachte, dat zoolang Floris in leven blijft, hij nog schilderijen kan maken, en dan ook wel eenige zijner schulden zal afbetalen.De menigte, die thans naar buiten stroomt, schenkt weinig aandacht meer aan “de Zes Drinkebroers van Brussel”, behalve misschien een enkele, die den schijnbaren lijken, die hem zijn geld hebben gekost, een paar schoppen geeft.Zoodra hij viel, hebben Guy en Oliver echter De Guerra, die zwaar ademt, opgenomen en hem naar de aangrenzende kamer gedragen.Hier maakt de schilder haastig het wambuis van den Spanjaard open, en er zijn hand instekend, voelt hij tusschen de voering een klein pakje.Als hij er dat uit heeft losgetornd, fluistert hij, terwijl hij het bekijkt: “Goddank! De zes brieven van Lodewijk van Nassau!”Een oogenblik later legt Guy zijn hand op de borst van hun slachtoffer en prevelt: “De spion is dood!” En de Vlaming haalt verruimd adem,—een van de vele gevaren, die hem bedreigen, is tenminste door den dood van De Guerra afgewend.De kleur is op zijn aangezicht teruggekeerd en hij lacht: “Uw komst ter rechter tijd en de duivenpastei hebben mij gered,—tenminste voor een korte poos, mijn vriend, mijn Guido!”Het tweetal begeeft zich naar buiten, en als zij op straat zijn gekomen, neemt Oliver’s gelaat opnieuw een ernstige uitdrukking aan en hij fluistert: “Alva! Hier, vóór den bepaalden tijd! Hij zou eerst vanavond komen. Wat heeft hem zoo onverwachts van Brussel hierheen gebracht?”Want een cavalcade nadert met groote praal; dertig ruiters in stalen wapenrustingen met lange lansen, waaraan het vaantje van Vargas wappert.Op een sterk Andalusisch paard rijdt aan het hoofd een lange, magere man in een compleete, blinkende, met goud versierde Milaneesche wapenrusting. Hij draagt over den ringkraag om zijn hals de keten van het Gulden Vlies, waaraan het Lam Gods hangt, het insigne van die orde. Dit is gedeeltelijk bedekt door zijn langen, oorspronkelijk zwarten, doch nu zilveren baard, die in twee eigenaardig gevormde punten op zijn borst neerhangt; ook zijn kortgeknipt hoofdhaar is grijs, evenals zijn knevel, die de opmerkelijke lippen bedekt; de bovenlip is dun en duidt wilskracht en vastberadenheid aan, de onderlip is zinnelijk, maar toch ook energiek; zijn voorhoofd is hoog, bleek, blauwgeaderd en buitengewoon intelligent, men herkent er den militairen mathematicus aan; zijn arendsneus is klassiek, forsch besneden, zuiver en onbeweeglijk; zijn wangen zijn vaalbleek en aschkleurig,—het geheel vormt een gezicht, koud als de dood, waarin twee doorborende, onverschrokken oogen gloeien, slangenoogen; en toch gelijkt het nu en dan door de eigenaardige uitdrukking, die de trekken aannemen, zóó sterk op dat van het meisje, hetwelk Guy’s hart den vorigen nacht zoo onstuimig van liefde deed kloppen, dat hij geen oogenblik twijfelt, of dit is haar vader, en hij fluistert: “Alva!”De Hertog is in gesprek met Alfonso de Ulloa en Pedro de Paciotto, zijn grooten vestingbouwkundige, die vlak achter hem rijdt. Allen zijn met stof bedekt, tengevolge van den haastigen rit.Terwijl zij voorbij de herberg rijden, kijkt de Onderkoning met zijn scherpe oogen uit de hoogteop de menigte neer, die hem met den hoed in de hand nederig groet. Eensklaps houdt hij zijn paard in en roept: “Oliver! Antonius Oliver!” en de schilder, naar voren tredend, buigt voor het strijdros van den Hertog.“Het toeval dient mij, dat ik u zoo spoedig tref. Ga onmiddellijk een zekeren Vasco de Guerra, ex-kapitein in Ladrono’s regiment musketiers, voor mij opsporen. Zeg hem, dat hij binnen een uur bij mij moet komen, ik wil hooren, wat hij mij te zeggen heeft. Breng hem maar liever dadelijk zelf naar de Citadel,” beveelt de landvoogd.“Met verlof,—Uwe Hoogheid,” antwoordt Oliver, “de man—de man, naar wien gij vraagt—”“Nu, vlug wat. Waarom hakkelt gij zoo?” zegt de Onderkoning, want de onverwachte vraag naar den man, dien hij heeft vermoord, heeft den schilder geheel van zijn stuk gebracht, hoe koelbloedig hij anders ook is.“Ik wilde zeggen, Uwe Hoogheid, dat deze Vasco de Guerra, die behoort tot ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, nu smoordronken in de herberg ligt, tengevolge van den wedstrijd in het drinken met De Vriendt.”“Wat, met dien in zijn hersens gekrenkten kunstenaar Floris!” zegt Alva; dan vervolgt hij, op een toon zoo barsch, dat Oliver er van siddert: “En die dronkaard dacht, dat ik hem zou herstellen in zijn rang in het leger! Hij wilde mij vandaag een mededeeling doen,—waarvan de veiligheid van het rijk misschien afhing,—wat mij vier uur vroeger dan mijn plan was te Antwerpen bracht! Zeg den provoost-geweldige, dat hij De Guerra terstondin arrest neemt. Ik wil hem in de gevangenis spreken, als hij ontnuchterd is,—dien zot, dien dronkaard, dien zuiplap. En toch ben ik benieuwd, wat hij mij heeft te zeggen.—Voorwaarts, heeren!”En de Hertog rijdt verder, den schilder bijna even wezen- en ademloos latende staan, als het lijk inHet Geschilderde Huis; want Oliver weet, dat de dood hem haast even nabij is geweest als zijn slachtoffer, en hij mompelt, terwijl hij zich weer bij Guy voegt: “Brr! De beul heeft mij nog nooit zoo dicht op de hielen gezeten, als vandaag!”
HOOFDSTUK V.HET GEVAAR WORDT DREIGEND.“Bravo!” roept de Vlaming uit, “bravo! Maar eerst moet zij u ook liefhebben.”“O, ik ben er zeker van, dat zij mij al liefheeft,” roept Chester uit, den robijn in den ring aan zijn vinger beschouwende, welks rood licht voor hem niet een teeken van gevaar schijnt te zijn, maar de rosse gloed van de fakkel van Hymen.“Nu, ik ben blij, dat gij zoo vol vertrouwen zijt.... Ik wenschte, dat ik ook zoo was,” zucht de schilder en vervolgt dan, zich vermannend: “Doch nu ter zake! Gij kunt uw tijd niet verbeuzelen met hofmakerij. Koningin Elizabeth moet verwittigd worden van het complot tegen haar leven en gewaarschuwd voor Ridolfi, den Italiaanschen bankier in Londen.”“O, wij zullen wel goed op hem passen,” zegt Guy op dreigenden toon. “Ik moet van avond nog weer aan boord van mijn schip zijn, om onder zeil te gaan naar Engeland, en daarvoor moet ik het wachtwoord van hedenavond hebben, opdat ik na zonsondergang de stad kan verlaten.”“Waarom vertrekt gij niet terstond?”“Omdat,” antwoordt de Engelschman, “gij mij de overzetting van die brieven nog niet hebt gegeven. Daarmee zal nog wel eenige tijd gemoeid zijn.”“Volstrekt niet.”“Waarom niet?”“Omdat ik niet van plan ben, ze voor u over te zetten; ik zal u eenvoudig den sleutel van het cijferschrift geven, dan kan dit in Engeland gebeuren, en alle andere dergelijke brieven, die u in handen mochten vallen, kunnen dan mede ontcijferd worden door Koningin Elizabeth en haar ministers. Het zal u menig gevaarlijk bezoek aan de Nederlanden besparen.” Dit zeggende, gaat de schilder zitten en schrijft in enkele minuten de verklaring van het cijferschrift op.Daarna vervolgt hij: “Berg dat goed weg bij de brieven,” en geeft den sleutel aan Guy; glimlachend zegt hij op halfluiden toon: “Mij dunkt, dat gij u nu wel zult haasten om te vertrekken, met dien prijs op uw hoofd.”“Ik ga niet vóór van avond,” antwoordt Chester, bijna gemelijk. “Het tij is van avond nog gunstiger voor mijn schip—het zal mij dus niet veel ophouden. Buitendien—” hier valt zijn oog op het spottend gezicht van den schilder, en hij valt zichzelf in de rede: “Maar, voor den drommel, man! gij denkt toch niet, dat ik Antwerpen zal verlaten, zonder haar nog eens gezien te hebben?” Hij wuift met de hand de goddelijke schoone op het doek toe, die, verlicht door de morgenzon, hem niet alleen met hemelsche, doch ook—zoo denkt tenminste dezevermetele jonge man—met aardsche liefde aanziet.“Zoo! zijt gij van plan papa om de hand van de jonge dame te vragen?” spot de schilder.“Nog niet, ofschoon ik een introductiebrief voor hem heb,” merkt Guy op, door den spot van den schilder geprikkeld, om den brief te laten zien, dien Dona Hermoine hem den vorigen avond heeft gegeven, en die geadresseerd is aan Alva, onderkoning van Spanje.“En gij hebt hem nog niet geopend?” vraagt Oliver, den brief van alle kanten bekijkend.“Zeker niet; hij is verzegeld.”“Maar, mijn jongen,” herneemt de schilder, “gij zet te veel op het spel, om zoo angstvallig te zijn. Gij moet weten, hoe gij met de dame staat, eer gij haar weer ontmoet.” En hij doet Guy schrikken, als hij er bijvoegt:“Gij hebt machtige medeminnaars: generaal Noircarmes staat zeer hoog in de gunst bij haar vader, wiens volle vertrouwen hij geniet.”“Een medeminnaar?” stamelt Guy.“Een medeminnaar?! Een groot aantal medeminnaars! Denkt gij zoo gering van uw schoone beminde, dat zij vóór u geen anderen man zou bekoord hebben? Iedereen buigt voor de schoonheid en den geest van gravin Hermoine de Alva—generaals en edellieden.” Daarna vervolgt hij op bevelenden toon: “Gij moet dezen brief openen. Het spel, dat gij speelt, noodzaakt u, gebruik te maken van elke kaart. Het is waarschijnlijk geen vertrouwelijke mededeeling, hij moet uitsluitend op u betrekking hebben, daar zij u opdroeg, hem zelf te overhandigen.”Terwijl hij spreekt, en eer Guy het hem kanbeletten, heeft Oliver vlug een kaars ontstoken en met de linkerhand den brief er boven gehouden, als iemand, die gewoon is aan zulke bezigheden, waarop hij hem, met ongeschonden zegel, geopend aan den Engelschman overreikt.“Gij moet hem lezen,” zegt hij. “Uw leven zoudt gij kunnen inboeten door u te laten leiden door een overdreven eergevoel.Lees hem! Den een of anderen dag kunnen de omstandigheden u dwingen, hem aan Al va te geven. In uw positie behoort gij te weten, wat hij behelst.Lees hem, of ik heb verder geen gemeenschap meer met u.”“Waarom niet?” vraagt Guy, die, ofschoon hij brandt van begeerte om het handschrift van zijn geliefde te zien, nog standvastig blijft.“Omdat,” zegt de schilder plechtig, “wij een spel spelen, waarbij ons beider leven de inzet is; en ik trek van elke kans partij. Gij moet hetzelfde doen, want mijn zaak is de uwe. Als ik omgang met u heb, als men mij in uw gezelschap ziet, en gij wordt gevangengenomen, val ik misschien met u. Buitendien zijn wij beiden aan ons vaderland verplicht, gebruik te maken van elk wapen, dat God in onze handen geeft. Lees!”Terwijl hij dit zegt, heeft hij het geparfumeerd biljet, dat alleen door het zegel gesloten was, losgevouwen en hij houdt het voor de oogen van den Engelschman, die naar den zevenden hemel wordt opgevoerd, als hij het korte, doch kernachtige briefje leest, geschreven in het schoonste vrouwelijke handschrift:“Lieve papa!“Wees zoo goed en bevorder brenger dezes, kapitein Guido van Romero’s voetvolk, die mij redde uit de handen der Watergeuzen (en die te nederig is, om mij een anderen naam op te geven), zoo spoedig mogelijk tot kolonel en stel hem dan in de gelegenheid, om weldra generaal te worden; doe het ter wille van uw liefhebbendeHermoine.”Verrukking en trots vervullen den Engelschman te zeer, om den brief niet aan zijn vriend en mentor te toonen.“Bij Saint Denis!” roept Oliver uit, het briefje inziende, “ik geloof, dat zij u bemint. Als gij haar hart hebt getroffen, zijt gij de eerste, en zij heeft half Spanje aan haar voeten gehad, naar men mij heeft verteld.” En den jongen man aanziende, voegt hij er mijmerend bij: “Dat hebt gij zeker te danken aan uw blond Germaansch uiterlijk. Als gij een donkere Adonis waart geweest, zou ik geen stuiver voor uw welslagen hebben gegeven. Donkeroogige fatjes in haar omgeving zijn even talrijk als windmolens.”“En ik zou, met zoo iets in mijn bezit, niet een poging wagen, om haar nog eens te zien, eer ik vertrek?” zegt Guy stoutmoedig, het briefje met de zorg van een minnaar in zijn wambuis stekend.“Gij zult u althans door mij niet laten weerhouden,” glimlacht de schilder. Daarna vervolgt hij ernstig en plechtig: “Maar laat ik u een goeden raad mogen geven. Deel haar in geen geval uw geheim mede,hoezeer zij u ook bemint, al zweert zij ook, dat zij u meer bemint dan alles ter wereld.”“Zoudt gij denken, dat zij mij zou verraden?”“Neen, duizendmaal neen!”“Meent gij dan, dat het haar liefde voor mij zou doen verkoelen?”“Niet, als zij u tevoren reeds beminde. Wien Hermoine de Alva eens trouw heeft beloofd, kan zeker van haar zijn.”“Waarom zou ik dan moeten vreezen, het haar te zeggen?”“Om deze reden. Zij weet hoeveel haar vader van haar houdt. Zij heeft geen vrees voor den tijger in menschengedaante; zijn klauwen zijn voor haar altijd van fluweel. Uit dit briefje kunt gij zien, dat Dona Hermoine meent, dat haar wenschen wet zijn voor den onderdrukker der Nederlanden. En zoo is het ook, in kleinigheden!—een diamanten halsketen, een dozijn nieuwe kleedjes, zelfs de verwijdering uit haar omgeving van een aanbidder; want als zij ‘neen’ zegt, heeft ieder edelman ook afgedaan bij haar vader. Maar in staatszaken heeft zij haar krachten tegenover hem nooit beproefd. Zij weet niet, dat Alva in staatszaken, in het ten uitvoer leggen van zijn eigen wetten, edicten en afkondigingen, als ijs en ijzer is. Waarvoor ik vrees is, dat gij op zekeren dag zult worden overgehaald, om met haar naar den Onderkoning te gaan en hem uw geschiedenis te vertellen, en dan zal zij haar papa zeggen, dat zij u bemint, in de vaste overtuiging, dat hij u zal sparen en vergeven en groot maken ter wille van haar; maar misleid uzelven in Gods naam nooit omtrent Alva’sbarmhartigheid. Als gij dat doet, zijt gij verloren. Haar tranen, haar gebeden zullen u niet redden. Onthoud dat, mijn Guido, die in liefde ontgloeid zijt voor des tijgers welp!”“Waarom noemt gij haar zoo?” roept Guy toornig uit.“Ik heb er eigenlijk ook geen recht toe,” antwoordt de schilder weemoedig. “Zij is een en al goedheid en vriendelijkheid voor mij geweest; zij heeft mij veroorloofd, haar schoon gelaat op het doek te brengen, en mij daardoor uitzicht op roem en onsterfelijkheid gegeven.”“Ah! zij heefthiervoor u geposeerd?”“Ja, in het bijzijn van haar duena.”“Dan moet gij mij hedennamiddag hier een onderhoud met haar verschaffen.”“Dat zou u niets helpen. Zij zou niet komen zonder geleide. Denk niet, dat Hermoine de Alva ook maar de geringste zonde tegen de etiquette zou begaan, ook al aanbidt zij u—iets, waarvan gij zeker schijnt te zijn.”“Maar gij moet mij in de gelegenheid stellen, haar te spreken. Ik wil twee vliegen in één klap slaan. Zij weet het wachtwoord. Zij zal het mij geven. Zij zal bij mij komen, dat weet ik zeker,” zegt Guy vol vertrouwen. “Gij kunt toegang tot haar verkrijgen als ondersecretaris van Alva. Doe het nog heden. Geef haar dezen ring,” en hij neemt den schoonen robijn van zijn vinger en legt hem in de hand van den schilder.“Mon Dieu! Gij hebt reeds ringen gewisseld! Ging dat vergezeld van een kus?” lacht Oliver; enals een gloeiende blos Guy’s gelaat overdekt, mompelt hij: “Parbleu! Ik begin het te gelooven. Spreek mij niet meer van Italiaanschen hartstocht! Hij is koud als ijs in vergelijking met den Engelschen.” Als hij geen antwoord ontvangt, vervolgt hij: “Ik kan u vandaag wel een onderhoud verschaffen, doch niet hier. De duena zou u in den weg staan bij een tête-à-tête. Het eenige middel om u in staat te stellen, uw beminde onder vier oogen te spreken, gelukkig jongmensch—of beter, ongelukkig jongmensch—is een samenkomst ten huize van den man, dien ik eens vader hoop te noemen.”“Den burgemeester Niklaas Bodé Volckers?” roept Guy uit.“Ja. Onder voorwendsel, dat zij kostbare zijden stoffen wil zien, die licht beschadigd zijn door den vloed, kan Dona Hermoine haar duena in de stad brengen. Bij den koopman kunt gij Dona de Alva afzonderlijk spreken.”“Maar de duena—de fatale duena?” bromt Guy.“De duena zal blind en onschadelijk gemaakt worden in de aangrenzende kamer, door haar stoffen te laten bekijken. Als wij het gedaan weten te krijgen, dat Bodé Volckers zijn prijzen zeer laag zet, zal de gravin De Pariza stellig een uur lang koopjes doen. Buitendien zullen zij vandaag toch wel in stad komen, uit nieuwsgierigheid, om nadere bijzonderheden te vernemen omtrent het groote drinkgelag,”—hier wordt de schilder rood van verontwaardiging,—“tusschen den man, die zijn talent en zijn kunst onteert door onmatigheid, en ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’. Gij hebt het aangeplakt gezien op de muren van deherbergen en wijnhuizen, het biljet, dat den naam draagt van den grootsten kunstenaar, dien de Nederlanden hebben voortgebracht, den Raphael van het Noorden, den man, wiens leerling ik was, den man, wiens altaarstuk in de groote kerk van Onze Lieve Vrouwe hem voor altijd beroemd zou hebben gemaakt, als de Beeldstormers het vier jaar geleden niet verbrand hadden, toen zij al de beelden in de kerk omverhaalden en ontelbare meesterstukken vernielden, in blinde woede tegen de Inquisitie. Ik en een andere leerling van Floris redden dien nacht een ander schilderij van hem, een klein doek, ‘de Val der Engelen’; het is niet zijn beste werk; het is eigenlijk beneden zijn talent, maar het is het eenige, dat bewaard zal blijven voor het nageslacht, want nu is hij een leeglooper en een dronkaard geworden,” en Oliver zucht.“Dat is dus afgesproken,” roept Guy uit, het verontwaardigd relaas van den artist afbrekend, want zijn maag heeft hem er inmiddels aan herinnerd, dat hij nog niet ontbeten heeft. “Nu wij met onze zaken klaar zijn, zult gij mij wel iets te eten willen geven, zoodra Achille terug is met zijn proviand,—misschien wel een weinig duivenpastei, hè?” en hij geeft gekscherend den schilder een ribbestootje, want door Antony’s berichten over Hermoine de Alva is de vermetele jonge man in een vroolijke stemming gebracht.De opmerking wordt schertsend gemaakt, maar de lach besterft op Guy’s lippen, als hij bespeurt, welk een onverwachte uitwerking zij op den schilder heeft. Bij het woord “duivenpastei” wordt Oliverdoodsbleek. Hij keert zich om en zegt op wantrouwenden toon: “Wat weet gij van duivenpastei?”“Niets anders dan wat ik gisteravond hoorde van den kleinen Marvédie, het zoontje van Touraine, den barbier.”“Wat zei hij van duivenpastei?” vraagt de schilder, wiens vreemde wijze van doen Guy’s aandacht trekt. “Spreek op, spoedig—ons leven kan er van afhangen!”“Alleen dit,” zegt de Engelschman, “dat hij zooveel duivenpastei van u kreeg. Hij vroeg mij of ik van duivenpastei hield en later zei hij nog,—ik geloof het tenminste, neen, ik ben er zeker van,—dat hij misschien niet meer zooveel duivenpastei zou krijgen, daar er een man was gekomen, die zooveel duiven had weggenomen.”“Een man—zooveel duiven weggenomen—van hier!” stamelt Antony. Daarna roept hij plotseling uit: “Dat verklaart mij waarom er geen brieven van Lodewijk van Nassau waren in de til boven,—geen duiven, die ze brachten. Ik vond het al zoo vreemd; het maakte mij reeds beangst. Mijn God! Ik moet het weten.”Op dat oogenblik wordt er aan de deur geklopt, hij schuift het gordijn weg en opent de deur voor zijn leerling Achille, een Franschen jongen met schitterende oogen, die op ontevreden toon zegt: “Ik kan niets krijgen zonder geld. Onze groote schilder, Frans Floris, is zooveel geld schuldig, dat men geen ander artist meer iets op crediet wil geven.”“Goed, zet je mand maar neer. Ik zal zien, of ik nog geld heb,” zegt Oliver nadenkend. Dan schijnthij plotseling een idee te krijgen, want hij roept uit: “Achille, waar is de kleine Marvédie? Breng hem boven en wij zullen eenige duiven laten halen en duivenpastei voor hem maken,” met zichtbare inspanning groote luchthartigheid voorwendend.“Heerlijk! Marvédie is dol op duivenpastei en ik niet minder,” antwoordt de jongen en vliegt de trappen af.“Ik moet hem ondervragen,” mompelt de schilder. “Als dit waar is, dan is het zwaard van Damocles op het punt te vallen.”Een oogenblik later hoort men juichende kinderstemmen op de trap. Achille en zijn broertjes springen de kamer binnen, uitroepend: “Duivenpastei! duivenpastei! Hoezee voor monsieur Oliver’sduivenpastei!”“Ja zeker, duivenpastei!” roept de schilder, “duivenpastei! Maar wat is er met mijn duiven gebeurd? Hebt gij ze weggenomen, Achille?”“Neen!”“Hebt gij er om de til zien vliegen? Ik bedoel niet onder in het hok, maar in de til—vliegende om de til?” De stem van den schilder klinkt heesch—zijn oogen schieten vuur.“O ja, verscheidene, de twee laatste dagen,” antwoordt de jongen. En als hij de vreemde wijze van doen van zijn meester opmerkt, roept hij angstig uit: “Maar ik heb ze niet weggenomen, ik zweer het u, monsieur Oliver, ik heb er geen uit de til genomen. Geloof mij op mijn woord van eerlijken jongen!”“Neen, hij heeft ze niet weggenomen,” roept nu de kleine Marvédie; “een groote man met akelige zwarte oogen nam ze mee.”“Wanneer?”“Gisteren.”“Hebt gij hem gezien? Kent gij hem?”“O, ik herinner mij hem heel goed, omdat hij lachte en recht in zijn schik scheen te zijn, en hij gaf mij twee stuivers om een zak voor hem te halen om ze in te stoppen.”“Kunt gij mij iets van hem vertellen? Weet gij zijn naam, kleine Marvédie—kleine duivenpastei-Marvédie?” brengt Antony met moeite uit, zijn best doende om grappig te wezen, maar met een gezicht als van een doode.“Neen, maar hij was leelijk en heeft akelige oogen, oogen als de schelvisch op de markt.”“Hoeveel duiven nam die man weg? Hebt gij ze geteld, kleine Marvédie—kleine duivenpastei-Marvédie?” en de schilder grijnst afschuwelijk.“Ja, hij nam er zes, van dezelfde soort, die gij den nek omdraait, als gij duivenpastei voor mij maakt,” zegt de kleine jongen.“En waar was uw broer?” De stem van den schilder klinkt dof.“O, ik was uitgegaan om een paar van uw schilderijen te verkoopen,” zegt Achille. “Dat geloof ik tenminste. Zoolang gij weg zijt geweest, heb ik daar telkens moeite voor gedaan, maar ik heb geen enkel verkocht. De tiende penning van den Hertog ruïneert iedereen. Niemand heeft geld te missen, tenminste niet voor schilderijen.”“Het is goed,” zucht Antony, “hier is een gulden. Ja, haal daarvoor duiven!” Hij lacht droevig. “Wij willen toch duivenpastei hebben.”De beide jongens loopen weg. Het gezicht van den schilder is zoo wit als krijt en hij stamelt: “Het is er eindelijk toe gekomen. Iemand heeft mijn geheim ontdekt.”“Welk geheim?” fluistert Guy, de waarheid reeds half vermoedend.“Dat van de brieven, die ik door middel van postduiven krijg van Lodewijk van Nassau, met wien ik in correspondentie sta voor het welzijn van de Nederlanden. Zij zijn natuurlijk in geheimschrift, zij moeten eerst ontcijferd worden, maar dat is maar een quaestie van tijd—Ik ben een verloren man, ja, nog erger—ik ben een gemartelde! O mijn God! Denk aan de pijnbank, den brandstapel, die mij wachten!” en de Vlaming staat daar met verwilderde oogen, aschgrauw gelaat en blauwe lippen.“Als wij den man eens konden ontdekken, die uw geheim heeft,” zegt de Engelschman, steeds gereed tot handelen en wel wetende, dat gevaar voorOlivergelijkstaat met gevaar voor hemzelf.“Ja, maar hoe? Als Alva komt, zal de man er hem zeker kennis van geven; het loont de moeite, een verrader aan te wijzen onder de schrijvers van den Hertog. Ik—ik was den geheelen morgen reeds niet op mijn gemak. Toen ik—ik hier aankwam, dacht ik de duiven te zullen vinden, met brieven van Lodewijk. Nu weet ik—de reden. Zes! Zes brieven—waarvan elk op zichzelf voldoende is om mij tot den brandstapel te doen veroordeelen!” kreunt de schilder, zijn handen zoodanig wringend, dat zijn nagels er blauw van worden.“Zes! Zes duiven!” herhaalt Guy. Dan vraagt hij plotseling: “Kent gij een man met donkere, vischachtige oogen, zooals de jongen beschreef, en een zwarten knevel met een enkele grijze vlok er in?”“Mijn God!” roept de schilder uit, “zeker! Hij, dien gij daar beschrijft, is Vasco de Guerra—mijn vijand! Hij—heeft—heeft de brieven!—Wat bracht u op die gedachte?”“Alleen dit, dat Vasco de Guerra gisteravond ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, die hier reeds waren aangekomen voor het drinkgelag met Floris, onthaalde op een duivenpastei, gemaakt van zes duiven, die hij, zooals hij verzekerde, had geschoten; maar hij sprak van een zevende, en verklaarde, dat hij voor het hoofd van de zevende zulk een belooning zou ontvangen, dat hij in staat zou zijn, zijn kameraden een groot feest te geven.”En nu vertelt Guy aan den ontstelden Oliver, wat hij den vorigen nacht zag en hoorde bij het drinkgelag van “de Zes Drinkebroers van Brussel” inHet Geschilderde Huis.“Ja, dat is bewijs genoeg, en meer dan genoeg, dat hij mijn geheim bezit,—hij, die van alle menschen er het eerst gebruik van zal maken, want deze Vasco de Guerra is mijn vijand. Hij is een ellendige schurk, die zich zóó berucht heeft gemaakt, dat hij uit het Spaansche leger is weggejaagd,—bedenk eens wat dat zegt, in een leger, waar het den soldaten vrijstaat, te rooven, te plunderen, te moorden, te pijnigen en te verwoesten, zonder een woord van berisping te ontvangen van hun officieren. Hoe moet wel een man zijn, die uit zulk een leger wordt weggejaagd?Hij is een dronken fortuinzoeker; hij dingt naar de hand van Mina Bodé Volckers, die mij liefheeft; hij heeft haar kamenier, Wiarda Schwartz, omgekocht.”“Ah, zoo!” merkt Guy op. “Daarom behandelde zij mij zoo beleefd, toen ik naar u vroeg.”“Wiarda? Ja, een valsch, ijdel ding. Maar wij moeten overleggen, wij moeten handelen—en dat wel spoedig,” antwoordt de schilder, die zijn kalmte herkregen heeft, nu hij weet, wie zijn verrader is. “Vasco vermoedt zeker, welke waarde deze brieven hebben, want hij loert reeds eenige weken op mij. Hij zal trachten ze zelf te ontcijferen, want hij zal er niemand in kennen, om de belooning niet te verliezen. Hij kan vandaag onmogelijk reeds handelen. Hij heeft ze ongetwijfeld bij zich.”“In dat geval moeten wij hem terstond uit den weg ruimen,” zegt Guy. “Er blijft ons niets anders over. Wij moeten hem dooden in ons eigen belang. In elk geval moeten wij ons van de brieven zien meester te maken. Stuur om hem, haal hem hier en ik knap dit zaakje met mijn dolk op. Dan kunnen wij hem naar beneden sleepen en in den stroom werpen. Hij drijft dan weg naar den oceaan, en er zal geen haan naar kraaien.”“Neen,” zegt de schilder, “dat zou ons in verdenking brengen. Misschien kan ik iets beters verzinnen,” en hij spant zijn vindingrijk brein in, zooals nog nooit tevoren. Na eenige seconden roept hij verheugd uit: “Het is zeker, dat Floris bij het drinkgelag wint. Floris zal elk van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’ onder de tafel drinken, bewusteloos, levenloos. In de verwarring kunnen wij den beneveldenVasco naar een andere kamer dragen, oogenschijnlijk om hem bij te brengen, en hem de brieven afnemen, die hij mij heeft ontstolen.”“Maar als Vasco eens wint?”“Onmogelijk! Ik heb Floris op één avond meer wijn zien drinken dan eenig ander menschelijk beest op aarde kan verzwelgen.”“Maar wij moeten toch voorbereid zijn op het geval, dat hij het niet doet,” zegt de Engelschman; vervolgens voegt hij er langzaam bij: “Misschien kan ik u helpen, ik heb hier....” hij haalt uit zijn wambuis een klein glazen fleschje van Venetiaansch fabrikaat, dat beschermd wordt door een omhulsel van fijn gouddraad, en welks stop zorgvuldig verzegeld is; de inhoud is kleurloos en doorschijnend.“Wat is het? Vergift?” vraagt de schilder. “Het vergift van de Borgia’s?”“Neen, het vergift van de Antillen. Dit is het sap van den manzanillaboom, toebereid door de Indianen van de Caraïben, volgens een geheim proces. Gij kent de vreemde eigenschappen van den boom; wie maar een enkelen nacht onder zijn takken slaapt, bekoopt het met den dood. Het vergift is zeervluchtig, daarom houd ik het verzegeld. Ik draag het bij mij, voor het geval dat ik mocht worden gevangengenomen en op de pijnbank gebracht, het zal mij zoo vast doen slapen, dat mijn lippen geen geheimen van mijn koningin zullen kunnen verraden. Als het mocht gebeuren, dat de schilder Vasco de Guerra niet onder de tafel drinkt, dan zullen een paar druppels van dit vocht in zijn beker hem voor altijd doen inslapen.”“Dus als Frans Floris niet slaagt,—het vergift van de Antillen,” prevelt de schilder. “Het geldt zijn leven of het onze.” Na een oogenblik nadenken vervolgt hij: “Neen, ik moet Vasco de Guerra, mijn vijand, in ieder geval dooden. Als hij enkel bewusteloos werd gemaakt, zelfs al kreeg ik de brieven van Lodewijk van Nassau terug, zou hij mij toch blijven verdenken. Op een goeden dag zou hij een ander bewijs tegen mij in handen krijgen. Als ik hem nu niet dood, zou ik terstond moeten vluchten, en Willem de Zwijger zou geen spion meer in Alva’s nabijheid hebben. Voor het welzijn van mijn land blijf ik hier. Vasco de Guerra moet sterven. Het gevaar wordt te dreigend.”“Dat is flink gesproken,” antwoordt Guy kortaf. “Doe een weinig van dit in den wijn van den Spaanschen spion.”Hij drukt den schilder het fleschje met het vergift in de hand, doch kijkt hem eensklaps vreemd aan en zegt angstig: “Maar, bij alle heiligen, hoe zult gij het aanleggen, om hiervan iets in zijn beker te doen, en niet in de bekers van de anderen?”
“Bravo!” roept de Vlaming uit, “bravo! Maar eerst moet zij u ook liefhebben.”
“O, ik ben er zeker van, dat zij mij al liefheeft,” roept Chester uit, den robijn in den ring aan zijn vinger beschouwende, welks rood licht voor hem niet een teeken van gevaar schijnt te zijn, maar de rosse gloed van de fakkel van Hymen.
“Nu, ik ben blij, dat gij zoo vol vertrouwen zijt.... Ik wenschte, dat ik ook zoo was,” zucht de schilder en vervolgt dan, zich vermannend: “Doch nu ter zake! Gij kunt uw tijd niet verbeuzelen met hofmakerij. Koningin Elizabeth moet verwittigd worden van het complot tegen haar leven en gewaarschuwd voor Ridolfi, den Italiaanschen bankier in Londen.”
“O, wij zullen wel goed op hem passen,” zegt Guy op dreigenden toon. “Ik moet van avond nog weer aan boord van mijn schip zijn, om onder zeil te gaan naar Engeland, en daarvoor moet ik het wachtwoord van hedenavond hebben, opdat ik na zonsondergang de stad kan verlaten.”
“Waarom vertrekt gij niet terstond?”
“Omdat,” antwoordt de Engelschman, “gij mij de overzetting van die brieven nog niet hebt gegeven. Daarmee zal nog wel eenige tijd gemoeid zijn.”
“Volstrekt niet.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik niet van plan ben, ze voor u over te zetten; ik zal u eenvoudig den sleutel van het cijferschrift geven, dan kan dit in Engeland gebeuren, en alle andere dergelijke brieven, die u in handen mochten vallen, kunnen dan mede ontcijferd worden door Koningin Elizabeth en haar ministers. Het zal u menig gevaarlijk bezoek aan de Nederlanden besparen.” Dit zeggende, gaat de schilder zitten en schrijft in enkele minuten de verklaring van het cijferschrift op.
Daarna vervolgt hij: “Berg dat goed weg bij de brieven,” en geeft den sleutel aan Guy; glimlachend zegt hij op halfluiden toon: “Mij dunkt, dat gij u nu wel zult haasten om te vertrekken, met dien prijs op uw hoofd.”
“Ik ga niet vóór van avond,” antwoordt Chester, bijna gemelijk. “Het tij is van avond nog gunstiger voor mijn schip—het zal mij dus niet veel ophouden. Buitendien—” hier valt zijn oog op het spottend gezicht van den schilder, en hij valt zichzelf in de rede: “Maar, voor den drommel, man! gij denkt toch niet, dat ik Antwerpen zal verlaten, zonder haar nog eens gezien te hebben?” Hij wuift met de hand de goddelijke schoone op het doek toe, die, verlicht door de morgenzon, hem niet alleen met hemelsche, doch ook—zoo denkt tenminste dezevermetele jonge man—met aardsche liefde aanziet.
“Zoo! zijt gij van plan papa om de hand van de jonge dame te vragen?” spot de schilder.
“Nog niet, ofschoon ik een introductiebrief voor hem heb,” merkt Guy op, door den spot van den schilder geprikkeld, om den brief te laten zien, dien Dona Hermoine hem den vorigen avond heeft gegeven, en die geadresseerd is aan Alva, onderkoning van Spanje.
“En gij hebt hem nog niet geopend?” vraagt Oliver, den brief van alle kanten bekijkend.
“Zeker niet; hij is verzegeld.”
“Maar, mijn jongen,” herneemt de schilder, “gij zet te veel op het spel, om zoo angstvallig te zijn. Gij moet weten, hoe gij met de dame staat, eer gij haar weer ontmoet.” En hij doet Guy schrikken, als hij er bijvoegt:
“Gij hebt machtige medeminnaars: generaal Noircarmes staat zeer hoog in de gunst bij haar vader, wiens volle vertrouwen hij geniet.”
“Een medeminnaar?” stamelt Guy.
“Een medeminnaar?! Een groot aantal medeminnaars! Denkt gij zoo gering van uw schoone beminde, dat zij vóór u geen anderen man zou bekoord hebben? Iedereen buigt voor de schoonheid en den geest van gravin Hermoine de Alva—generaals en edellieden.” Daarna vervolgt hij op bevelenden toon: “Gij moet dezen brief openen. Het spel, dat gij speelt, noodzaakt u, gebruik te maken van elke kaart. Het is waarschijnlijk geen vertrouwelijke mededeeling, hij moet uitsluitend op u betrekking hebben, daar zij u opdroeg, hem zelf te overhandigen.”
Terwijl hij spreekt, en eer Guy het hem kanbeletten, heeft Oliver vlug een kaars ontstoken en met de linkerhand den brief er boven gehouden, als iemand, die gewoon is aan zulke bezigheden, waarop hij hem, met ongeschonden zegel, geopend aan den Engelschman overreikt.
“Gij moet hem lezen,” zegt hij. “Uw leven zoudt gij kunnen inboeten door u te laten leiden door een overdreven eergevoel.Lees hem! Den een of anderen dag kunnen de omstandigheden u dwingen, hem aan Al va te geven. In uw positie behoort gij te weten, wat hij behelst.Lees hem, of ik heb verder geen gemeenschap meer met u.”
“Waarom niet?” vraagt Guy, die, ofschoon hij brandt van begeerte om het handschrift van zijn geliefde te zien, nog standvastig blijft.
“Omdat,” zegt de schilder plechtig, “wij een spel spelen, waarbij ons beider leven de inzet is; en ik trek van elke kans partij. Gij moet hetzelfde doen, want mijn zaak is de uwe. Als ik omgang met u heb, als men mij in uw gezelschap ziet, en gij wordt gevangengenomen, val ik misschien met u. Buitendien zijn wij beiden aan ons vaderland verplicht, gebruik te maken van elk wapen, dat God in onze handen geeft. Lees!”
Terwijl hij dit zegt, heeft hij het geparfumeerd biljet, dat alleen door het zegel gesloten was, losgevouwen en hij houdt het voor de oogen van den Engelschman, die naar den zevenden hemel wordt opgevoerd, als hij het korte, doch kernachtige briefje leest, geschreven in het schoonste vrouwelijke handschrift:
“Lieve papa!“Wees zoo goed en bevorder brenger dezes, kapitein Guido van Romero’s voetvolk, die mij redde uit de handen der Watergeuzen (en die te nederig is, om mij een anderen naam op te geven), zoo spoedig mogelijk tot kolonel en stel hem dan in de gelegenheid, om weldra generaal te worden; doe het ter wille van uw liefhebbendeHermoine.”
“Lieve papa!
“Wees zoo goed en bevorder brenger dezes, kapitein Guido van Romero’s voetvolk, die mij redde uit de handen der Watergeuzen (en die te nederig is, om mij een anderen naam op te geven), zoo spoedig mogelijk tot kolonel en stel hem dan in de gelegenheid, om weldra generaal te worden; doe het ter wille van uw liefhebbende
Hermoine.”
Verrukking en trots vervullen den Engelschman te zeer, om den brief niet aan zijn vriend en mentor te toonen.
“Bij Saint Denis!” roept Oliver uit, het briefje inziende, “ik geloof, dat zij u bemint. Als gij haar hart hebt getroffen, zijt gij de eerste, en zij heeft half Spanje aan haar voeten gehad, naar men mij heeft verteld.” En den jongen man aanziende, voegt hij er mijmerend bij: “Dat hebt gij zeker te danken aan uw blond Germaansch uiterlijk. Als gij een donkere Adonis waart geweest, zou ik geen stuiver voor uw welslagen hebben gegeven. Donkeroogige fatjes in haar omgeving zijn even talrijk als windmolens.”
“En ik zou, met zoo iets in mijn bezit, niet een poging wagen, om haar nog eens te zien, eer ik vertrek?” zegt Guy stoutmoedig, het briefje met de zorg van een minnaar in zijn wambuis stekend.
“Gij zult u althans door mij niet laten weerhouden,” glimlacht de schilder. Daarna vervolgt hij ernstig en plechtig: “Maar laat ik u een goeden raad mogen geven. Deel haar in geen geval uw geheim mede,hoezeer zij u ook bemint, al zweert zij ook, dat zij u meer bemint dan alles ter wereld.”
“Zoudt gij denken, dat zij mij zou verraden?”
“Neen, duizendmaal neen!”
“Meent gij dan, dat het haar liefde voor mij zou doen verkoelen?”
“Niet, als zij u tevoren reeds beminde. Wien Hermoine de Alva eens trouw heeft beloofd, kan zeker van haar zijn.”
“Waarom zou ik dan moeten vreezen, het haar te zeggen?”
“Om deze reden. Zij weet hoeveel haar vader van haar houdt. Zij heeft geen vrees voor den tijger in menschengedaante; zijn klauwen zijn voor haar altijd van fluweel. Uit dit briefje kunt gij zien, dat Dona Hermoine meent, dat haar wenschen wet zijn voor den onderdrukker der Nederlanden. En zoo is het ook, in kleinigheden!—een diamanten halsketen, een dozijn nieuwe kleedjes, zelfs de verwijdering uit haar omgeving van een aanbidder; want als zij ‘neen’ zegt, heeft ieder edelman ook afgedaan bij haar vader. Maar in staatszaken heeft zij haar krachten tegenover hem nooit beproefd. Zij weet niet, dat Alva in staatszaken, in het ten uitvoer leggen van zijn eigen wetten, edicten en afkondigingen, als ijs en ijzer is. Waarvoor ik vrees is, dat gij op zekeren dag zult worden overgehaald, om met haar naar den Onderkoning te gaan en hem uw geschiedenis te vertellen, en dan zal zij haar papa zeggen, dat zij u bemint, in de vaste overtuiging, dat hij u zal sparen en vergeven en groot maken ter wille van haar; maar misleid uzelven in Gods naam nooit omtrent Alva’sbarmhartigheid. Als gij dat doet, zijt gij verloren. Haar tranen, haar gebeden zullen u niet redden. Onthoud dat, mijn Guido, die in liefde ontgloeid zijt voor des tijgers welp!”
“Waarom noemt gij haar zoo?” roept Guy toornig uit.
“Ik heb er eigenlijk ook geen recht toe,” antwoordt de schilder weemoedig. “Zij is een en al goedheid en vriendelijkheid voor mij geweest; zij heeft mij veroorloofd, haar schoon gelaat op het doek te brengen, en mij daardoor uitzicht op roem en onsterfelijkheid gegeven.”
“Ah! zij heefthiervoor u geposeerd?”
“Ja, in het bijzijn van haar duena.”
“Dan moet gij mij hedennamiddag hier een onderhoud met haar verschaffen.”
“Dat zou u niets helpen. Zij zou niet komen zonder geleide. Denk niet, dat Hermoine de Alva ook maar de geringste zonde tegen de etiquette zou begaan, ook al aanbidt zij u—iets, waarvan gij zeker schijnt te zijn.”
“Maar gij moet mij in de gelegenheid stellen, haar te spreken. Ik wil twee vliegen in één klap slaan. Zij weet het wachtwoord. Zij zal het mij geven. Zij zal bij mij komen, dat weet ik zeker,” zegt Guy vol vertrouwen. “Gij kunt toegang tot haar verkrijgen als ondersecretaris van Alva. Doe het nog heden. Geef haar dezen ring,” en hij neemt den schoonen robijn van zijn vinger en legt hem in de hand van den schilder.
“Mon Dieu! Gij hebt reeds ringen gewisseld! Ging dat vergezeld van een kus?” lacht Oliver; enals een gloeiende blos Guy’s gelaat overdekt, mompelt hij: “Parbleu! Ik begin het te gelooven. Spreek mij niet meer van Italiaanschen hartstocht! Hij is koud als ijs in vergelijking met den Engelschen.” Als hij geen antwoord ontvangt, vervolgt hij: “Ik kan u vandaag wel een onderhoud verschaffen, doch niet hier. De duena zou u in den weg staan bij een tête-à-tête. Het eenige middel om u in staat te stellen, uw beminde onder vier oogen te spreken, gelukkig jongmensch—of beter, ongelukkig jongmensch—is een samenkomst ten huize van den man, dien ik eens vader hoop te noemen.”
“Den burgemeester Niklaas Bodé Volckers?” roept Guy uit.
“Ja. Onder voorwendsel, dat zij kostbare zijden stoffen wil zien, die licht beschadigd zijn door den vloed, kan Dona Hermoine haar duena in de stad brengen. Bij den koopman kunt gij Dona de Alva afzonderlijk spreken.”
“Maar de duena—de fatale duena?” bromt Guy.
“De duena zal blind en onschadelijk gemaakt worden in de aangrenzende kamer, door haar stoffen te laten bekijken. Als wij het gedaan weten te krijgen, dat Bodé Volckers zijn prijzen zeer laag zet, zal de gravin De Pariza stellig een uur lang koopjes doen. Buitendien zullen zij vandaag toch wel in stad komen, uit nieuwsgierigheid, om nadere bijzonderheden te vernemen omtrent het groote drinkgelag,”—hier wordt de schilder rood van verontwaardiging,—“tusschen den man, die zijn talent en zijn kunst onteert door onmatigheid, en ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’. Gij hebt het aangeplakt gezien op de muren van deherbergen en wijnhuizen, het biljet, dat den naam draagt van den grootsten kunstenaar, dien de Nederlanden hebben voortgebracht, den Raphael van het Noorden, den man, wiens leerling ik was, den man, wiens altaarstuk in de groote kerk van Onze Lieve Vrouwe hem voor altijd beroemd zou hebben gemaakt, als de Beeldstormers het vier jaar geleden niet verbrand hadden, toen zij al de beelden in de kerk omverhaalden en ontelbare meesterstukken vernielden, in blinde woede tegen de Inquisitie. Ik en een andere leerling van Floris redden dien nacht een ander schilderij van hem, een klein doek, ‘de Val der Engelen’; het is niet zijn beste werk; het is eigenlijk beneden zijn talent, maar het is het eenige, dat bewaard zal blijven voor het nageslacht, want nu is hij een leeglooper en een dronkaard geworden,” en Oliver zucht.
“Dat is dus afgesproken,” roept Guy uit, het verontwaardigd relaas van den artist afbrekend, want zijn maag heeft hem er inmiddels aan herinnerd, dat hij nog niet ontbeten heeft. “Nu wij met onze zaken klaar zijn, zult gij mij wel iets te eten willen geven, zoodra Achille terug is met zijn proviand,—misschien wel een weinig duivenpastei, hè?” en hij geeft gekscherend den schilder een ribbestootje, want door Antony’s berichten over Hermoine de Alva is de vermetele jonge man in een vroolijke stemming gebracht.
De opmerking wordt schertsend gemaakt, maar de lach besterft op Guy’s lippen, als hij bespeurt, welk een onverwachte uitwerking zij op den schilder heeft. Bij het woord “duivenpastei” wordt Oliverdoodsbleek. Hij keert zich om en zegt op wantrouwenden toon: “Wat weet gij van duivenpastei?”
“Niets anders dan wat ik gisteravond hoorde van den kleinen Marvédie, het zoontje van Touraine, den barbier.”
“Wat zei hij van duivenpastei?” vraagt de schilder, wiens vreemde wijze van doen Guy’s aandacht trekt. “Spreek op, spoedig—ons leven kan er van afhangen!”
“Alleen dit,” zegt de Engelschman, “dat hij zooveel duivenpastei van u kreeg. Hij vroeg mij of ik van duivenpastei hield en later zei hij nog,—ik geloof het tenminste, neen, ik ben er zeker van,—dat hij misschien niet meer zooveel duivenpastei zou krijgen, daar er een man was gekomen, die zooveel duiven had weggenomen.”
“Een man—zooveel duiven weggenomen—van hier!” stamelt Antony. Daarna roept hij plotseling uit: “Dat verklaart mij waarom er geen brieven van Lodewijk van Nassau waren in de til boven,—geen duiven, die ze brachten. Ik vond het al zoo vreemd; het maakte mij reeds beangst. Mijn God! Ik moet het weten.”
Op dat oogenblik wordt er aan de deur geklopt, hij schuift het gordijn weg en opent de deur voor zijn leerling Achille, een Franschen jongen met schitterende oogen, die op ontevreden toon zegt: “Ik kan niets krijgen zonder geld. Onze groote schilder, Frans Floris, is zooveel geld schuldig, dat men geen ander artist meer iets op crediet wil geven.”
“Goed, zet je mand maar neer. Ik zal zien, of ik nog geld heb,” zegt Oliver nadenkend. Dan schijnthij plotseling een idee te krijgen, want hij roept uit: “Achille, waar is de kleine Marvédie? Breng hem boven en wij zullen eenige duiven laten halen en duivenpastei voor hem maken,” met zichtbare inspanning groote luchthartigheid voorwendend.
“Heerlijk! Marvédie is dol op duivenpastei en ik niet minder,” antwoordt de jongen en vliegt de trappen af.
“Ik moet hem ondervragen,” mompelt de schilder. “Als dit waar is, dan is het zwaard van Damocles op het punt te vallen.”
Een oogenblik later hoort men juichende kinderstemmen op de trap. Achille en zijn broertjes springen de kamer binnen, uitroepend: “Duivenpastei! duivenpastei! Hoezee voor monsieur Oliver’sduivenpastei!”
“Ja zeker, duivenpastei!” roept de schilder, “duivenpastei! Maar wat is er met mijn duiven gebeurd? Hebt gij ze weggenomen, Achille?”
“Neen!”
“Hebt gij er om de til zien vliegen? Ik bedoel niet onder in het hok, maar in de til—vliegende om de til?” De stem van den schilder klinkt heesch—zijn oogen schieten vuur.
“O ja, verscheidene, de twee laatste dagen,” antwoordt de jongen. En als hij de vreemde wijze van doen van zijn meester opmerkt, roept hij angstig uit: “Maar ik heb ze niet weggenomen, ik zweer het u, monsieur Oliver, ik heb er geen uit de til genomen. Geloof mij op mijn woord van eerlijken jongen!”
“Neen, hij heeft ze niet weggenomen,” roept nu de kleine Marvédie; “een groote man met akelige zwarte oogen nam ze mee.”
“Wanneer?”
“Gisteren.”
“Hebt gij hem gezien? Kent gij hem?”
“O, ik herinner mij hem heel goed, omdat hij lachte en recht in zijn schik scheen te zijn, en hij gaf mij twee stuivers om een zak voor hem te halen om ze in te stoppen.”
“Kunt gij mij iets van hem vertellen? Weet gij zijn naam, kleine Marvédie—kleine duivenpastei-Marvédie?” brengt Antony met moeite uit, zijn best doende om grappig te wezen, maar met een gezicht als van een doode.
“Neen, maar hij was leelijk en heeft akelige oogen, oogen als de schelvisch op de markt.”
“Hoeveel duiven nam die man weg? Hebt gij ze geteld, kleine Marvédie—kleine duivenpastei-Marvédie?” en de schilder grijnst afschuwelijk.
“Ja, hij nam er zes, van dezelfde soort, die gij den nek omdraait, als gij duivenpastei voor mij maakt,” zegt de kleine jongen.
“En waar was uw broer?” De stem van den schilder klinkt dof.
“O, ik was uitgegaan om een paar van uw schilderijen te verkoopen,” zegt Achille. “Dat geloof ik tenminste. Zoolang gij weg zijt geweest, heb ik daar telkens moeite voor gedaan, maar ik heb geen enkel verkocht. De tiende penning van den Hertog ruïneert iedereen. Niemand heeft geld te missen, tenminste niet voor schilderijen.”
“Het is goed,” zucht Antony, “hier is een gulden. Ja, haal daarvoor duiven!” Hij lacht droevig. “Wij willen toch duivenpastei hebben.”
De beide jongens loopen weg. Het gezicht van den schilder is zoo wit als krijt en hij stamelt: “Het is er eindelijk toe gekomen. Iemand heeft mijn geheim ontdekt.”
“Welk geheim?” fluistert Guy, de waarheid reeds half vermoedend.
“Dat van de brieven, die ik door middel van postduiven krijg van Lodewijk van Nassau, met wien ik in correspondentie sta voor het welzijn van de Nederlanden. Zij zijn natuurlijk in geheimschrift, zij moeten eerst ontcijferd worden, maar dat is maar een quaestie van tijd—Ik ben een verloren man, ja, nog erger—ik ben een gemartelde! O mijn God! Denk aan de pijnbank, den brandstapel, die mij wachten!” en de Vlaming staat daar met verwilderde oogen, aschgrauw gelaat en blauwe lippen.
“Als wij den man eens konden ontdekken, die uw geheim heeft,” zegt de Engelschman, steeds gereed tot handelen en wel wetende, dat gevaar voorOlivergelijkstaat met gevaar voor hemzelf.
“Ja, maar hoe? Als Alva komt, zal de man er hem zeker kennis van geven; het loont de moeite, een verrader aan te wijzen onder de schrijvers van den Hertog. Ik—ik was den geheelen morgen reeds niet op mijn gemak. Toen ik—ik hier aankwam, dacht ik de duiven te zullen vinden, met brieven van Lodewijk. Nu weet ik—de reden. Zes! Zes brieven—waarvan elk op zichzelf voldoende is om mij tot den brandstapel te doen veroordeelen!” kreunt de schilder, zijn handen zoodanig wringend, dat zijn nagels er blauw van worden.
“Zes! Zes duiven!” herhaalt Guy. Dan vraagt hij plotseling: “Kent gij een man met donkere, vischachtige oogen, zooals de jongen beschreef, en een zwarten knevel met een enkele grijze vlok er in?”
“Mijn God!” roept de schilder uit, “zeker! Hij, dien gij daar beschrijft, is Vasco de Guerra—mijn vijand! Hij—heeft—heeft de brieven!—Wat bracht u op die gedachte?”
“Alleen dit, dat Vasco de Guerra gisteravond ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, die hier reeds waren aangekomen voor het drinkgelag met Floris, onthaalde op een duivenpastei, gemaakt van zes duiven, die hij, zooals hij verzekerde, had geschoten; maar hij sprak van een zevende, en verklaarde, dat hij voor het hoofd van de zevende zulk een belooning zou ontvangen, dat hij in staat zou zijn, zijn kameraden een groot feest te geven.”
En nu vertelt Guy aan den ontstelden Oliver, wat hij den vorigen nacht zag en hoorde bij het drinkgelag van “de Zes Drinkebroers van Brussel” inHet Geschilderde Huis.
“Ja, dat is bewijs genoeg, en meer dan genoeg, dat hij mijn geheim bezit,—hij, die van alle menschen er het eerst gebruik van zal maken, want deze Vasco de Guerra is mijn vijand. Hij is een ellendige schurk, die zich zóó berucht heeft gemaakt, dat hij uit het Spaansche leger is weggejaagd,—bedenk eens wat dat zegt, in een leger, waar het den soldaten vrijstaat, te rooven, te plunderen, te moorden, te pijnigen en te verwoesten, zonder een woord van berisping te ontvangen van hun officieren. Hoe moet wel een man zijn, die uit zulk een leger wordt weggejaagd?Hij is een dronken fortuinzoeker; hij dingt naar de hand van Mina Bodé Volckers, die mij liefheeft; hij heeft haar kamenier, Wiarda Schwartz, omgekocht.”
“Ah, zoo!” merkt Guy op. “Daarom behandelde zij mij zoo beleefd, toen ik naar u vroeg.”
“Wiarda? Ja, een valsch, ijdel ding. Maar wij moeten overleggen, wij moeten handelen—en dat wel spoedig,” antwoordt de schilder, die zijn kalmte herkregen heeft, nu hij weet, wie zijn verrader is. “Vasco vermoedt zeker, welke waarde deze brieven hebben, want hij loert reeds eenige weken op mij. Hij zal trachten ze zelf te ontcijferen, want hij zal er niemand in kennen, om de belooning niet te verliezen. Hij kan vandaag onmogelijk reeds handelen. Hij heeft ze ongetwijfeld bij zich.”
“In dat geval moeten wij hem terstond uit den weg ruimen,” zegt Guy. “Er blijft ons niets anders over. Wij moeten hem dooden in ons eigen belang. In elk geval moeten wij ons van de brieven zien meester te maken. Stuur om hem, haal hem hier en ik knap dit zaakje met mijn dolk op. Dan kunnen wij hem naar beneden sleepen en in den stroom werpen. Hij drijft dan weg naar den oceaan, en er zal geen haan naar kraaien.”
“Neen,” zegt de schilder, “dat zou ons in verdenking brengen. Misschien kan ik iets beters verzinnen,” en hij spant zijn vindingrijk brein in, zooals nog nooit tevoren. Na eenige seconden roept hij verheugd uit: “Het is zeker, dat Floris bij het drinkgelag wint. Floris zal elk van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’ onder de tafel drinken, bewusteloos, levenloos. In de verwarring kunnen wij den beneveldenVasco naar een andere kamer dragen, oogenschijnlijk om hem bij te brengen, en hem de brieven afnemen, die hij mij heeft ontstolen.”
“Maar als Vasco eens wint?”
“Onmogelijk! Ik heb Floris op één avond meer wijn zien drinken dan eenig ander menschelijk beest op aarde kan verzwelgen.”
“Maar wij moeten toch voorbereid zijn op het geval, dat hij het niet doet,” zegt de Engelschman; vervolgens voegt hij er langzaam bij: “Misschien kan ik u helpen, ik heb hier....” hij haalt uit zijn wambuis een klein glazen fleschje van Venetiaansch fabrikaat, dat beschermd wordt door een omhulsel van fijn gouddraad, en welks stop zorgvuldig verzegeld is; de inhoud is kleurloos en doorschijnend.
“Wat is het? Vergift?” vraagt de schilder. “Het vergift van de Borgia’s?”
“Neen, het vergift van de Antillen. Dit is het sap van den manzanillaboom, toebereid door de Indianen van de Caraïben, volgens een geheim proces. Gij kent de vreemde eigenschappen van den boom; wie maar een enkelen nacht onder zijn takken slaapt, bekoopt het met den dood. Het vergift is zeervluchtig, daarom houd ik het verzegeld. Ik draag het bij mij, voor het geval dat ik mocht worden gevangengenomen en op de pijnbank gebracht, het zal mij zoo vast doen slapen, dat mijn lippen geen geheimen van mijn koningin zullen kunnen verraden. Als het mocht gebeuren, dat de schilder Vasco de Guerra niet onder de tafel drinkt, dan zullen een paar druppels van dit vocht in zijn beker hem voor altijd doen inslapen.”
“Dus als Frans Floris niet slaagt,—het vergift van de Antillen,” prevelt de schilder. “Het geldt zijn leven of het onze.” Na een oogenblik nadenken vervolgt hij: “Neen, ik moet Vasco de Guerra, mijn vijand, in ieder geval dooden. Als hij enkel bewusteloos werd gemaakt, zelfs al kreeg ik de brieven van Lodewijk van Nassau terug, zou hij mij toch blijven verdenken. Op een goeden dag zou hij een ander bewijs tegen mij in handen krijgen. Als ik hem nu niet dood, zou ik terstond moeten vluchten, en Willem de Zwijger zou geen spion meer in Alva’s nabijheid hebben. Voor het welzijn van mijn land blijf ik hier. Vasco de Guerra moet sterven. Het gevaar wordt te dreigend.”
“Dat is flink gesproken,” antwoordt Guy kortaf. “Doe een weinig van dit in den wijn van den Spaanschen spion.”
Hij drukt den schilder het fleschje met het vergift in de hand, doch kijkt hem eensklaps vreemd aan en zegt angstig: “Maar, bij alle heiligen, hoe zult gij het aanleggen, om hiervan iets in zijn beker te doen, en niet in de bekers van de anderen?”
HOOFDSTUK VI.HET DRINKGELAG IN HET GESCHILDERDE HUIS.Deze vraag schijnt den schilder te doen ontstellen. Hij herhaalt weifelend: “Hoe?” en zegt dan: “Laat mij even nadenken. Ik ken de gebruiken van dit land,” en hij overlegt in zichzelven met gefronste wenkbrauwen.Na een oogenblik peinzens roept hij uit: “Ik heb het probleem opgelost.”“Hoe?” vraagt de Engelschman levendig.“Hoe? Wel, het is het gebruik bij deze drinkgelagen, dat, als het feest zijn toppunt heeft bereikt, verschillende vrienden der deelnemers hun, ter eere van Bacchus, groote drinkbekers vol fijnen wijn met hun complimenten zenden. Vasco de Guerra is een aanbidder van mademoiselle Bodé Volckers, de schoone Mina, die ik bemin. Dat zal zijn ondergang zijn. Na het tiende rondje,—het zou niet voorzichtig zijn, het eerder te doen, misschien was het in dit geval beter, te wachten tot na het vijftiende,—zal ik hem een beker wijn zenden metditer in, het vergift van de Antillen,” hier klopt hij op het fleschje,dat de Engelschman hem gegeven heeft, “met de complimenten van Wilhelmina Bodé Volckers. De Guerra zal een beker, vergezeld van zulk een boodschap, niet weigeren, en daarna—daarna—zouden gij en ik,” hij fluistert het laatste, “mijn beste Guido,—in ieder rustig, gelukkig, vredig land moordenaars worden genoemd; maar bij het spel, dat wij spelen, gaat het eenvoudig op leven of dood. En nu tot de zaak.”Het tweetal werkt zijn plan verder uit met de koele berekening van menschen, die, als zij eenmaal tot een besluit zijn gekomen, hun voornemen ook onmiddellijk ten uitvoer leggen.“Het drinkgelag begint om twaalf uur. Het is nu tien uur. Ik denk niet, dat De Guerra reeds is opgestaan,” zegt Guy, “maar ik zal op hem letten en er voor zorgen, dat hij de herberg niet verlaat, om ons geheim aan iemand anders mee te deelen. Als hij van plan schijnt dit te doen, zal ik hem op de een of andere wijze zien op te houden; in dien tijd kunt gij naar de Citadel gaan, om Dona Hermoine te spreken en een ontmoeting mogelijk te maken, die niet alleen noodig is voor mijn veiligheid, maar ook voor mijn liefde.”Chester steekt nu de brieven van Vitelli en den sleutel, dien de schilder hem heeft verschaft, bij zich en bergt met nog meer zorg het miniatuur-portret en den brief van zijn beminde op zijn borst, terwijl Antony Oliver zich wapent met zwaard en pistolen en er zich van vergewist, dat het scherpe Italiaansche stilet, dat hem nooit verlaat, in het bereik van zijn hand is.Als zij hiermee gereed zijn, gaan zij samen uit, en Oliver zegt den barbier, dat zijn zoontjes, als zij thuis komen, hun maaltijd alleen kunnen gebruiken, maar dat Achille hen in den namiddag inHet Geschilderde Huismoet opzoeken. Vervolgens begeven zij zich door nauwe stegen, waar de zon eerst op dit uur doordringt, naar het ruimere, het schoonere gedeelte van de stad.Hier neemt de schilder afscheid van den Engelschman, fluisterend: “Verlies Vasco niet uit het oog.”“En gij bezorgt mijn boodschap?” antwoordt de Engelschman.“Zeker. Ik heb een goed voorwendsel voor mijn onderhoud met Dona Hermoine. Haar vader verlaat Brussel hedennamiddag. Alva kan niet hier zijn vóór vanavond laat en wilde, dat ik dit zijn dochter zou doen weten,” antwoordt Oliver, den weg naar de Esplanade inslaande, waarachter de Citadel ligt.Chester begeeft zich opnieuw naarHet Geschilderde Huis, dat nu het tooneel is van veel leven en beweging.De gelagkamer is zóó vol, dat hij nauwelijks een plaatsje kan veroveren, om zijn ontbijt te bestellen, daar zijn honger op dit oogenblik de overhand heeft over zijn liefde.Het gelukt hem op handige wijze, van den knecht, die hem bedient, te weten te komen, dat de man, dien hij zoekt, eerst om drie uur in den morgen naar bed gegaan en nog niet opgestaan is, zeker in de meening, dat afzondering en rust hem het best kunnen sterken voor den ernstigen strijd, die hem wacht.Het gesprek aan de tafeltjes rondom hem loopt natuurlijk over het aanstaande drinkgelag. De kamer is vol burgers en artisten, eenigen zijn gekomen om te genieten van den triomf van den schilder, anderen om zich te bedroeven over den man, die zijn talent te gronde laat gaan in den wijn. Er zijn ook een aantal van zijn schuldeischers, met angst in hun hart en op hun lippen, want Frans Floris’ leven vertegenwoordigt voor hen een groote som, daar zijn schilderstukken altijd vlug van de hand gaan; Frans Floris’ dood daarentegen zou hun groote schade berokkenen, en zij vreezen, dat hij zich te eeniger tijd zal dooden door de enorme hoeveelheid wijn, die hij naar binnen slaat, om zijn mededingers onder de tafel te werken.“Ach, mijnheer Dirk Coornhert, wat een treurige dag,” merkt een dikke burger op, wiens kleeren nog een moutlucht verspreiden, wat hem als een brouwer doet kennen.“Ja,” antwoordt een ander, blijkbaar iemand van artistieken smaak en opvoeding. “Hebt ge het gedicht gelezen, dat ik heb uitgegeven, om Floris te waarschuwen voor het gevaar, dat zijn ongeregelde levenswijze na zich sleept, niet alleen voor zijn talent, maar ook voor zijn leven? Ik heb het hem gisteravond voorgelezen. Het was een ingeving, ingekleed als een droom, waarin de geest van Albrecht Dürer mij verscheen en op een zwaarmoedigen, somberen toon sprak over de droefheid, die zich zelfs nu nog, nadat hij reeds honderd jaar in de andere wereld was geweest, van hem had meester gemaakt, omdat een artist, zoo begaafd als Floris, een dronkaard was geworden.”“En heeft het hem bekeerd?” spot de ander.“Hem bekeeren!” roept Dirk Coornhert uit. “Neen, hij zwoer, vandaag te zullen drinken op de gezondheid van Albrecht Dürer’s geest en hij lachte mij in mijn gezicht uit: ‘Als ik dronken ben, dan ben ik gelukkig, dan vergeet ik mijn schuldeischers. Als ik nuchter ben, zorgen mijn schuldeischers er wel voor, dat ik hen niet vergeet.’”“Vervloekt! En ik ben er ook een,” bromt de brouwer. “Twee duizend Carolus-guldens voor bier, in zijn huis verteerd. Een schilder, die het grootste paleis in Antwerpen bouwt! Boven den ingang heeft die verwaande lap zichzelf geschilderd; hij houdt het penseel in zijn hand, en de muzen dalen uit den hemel neer, om hem te kronen. En iederen dag rijdt hij in staatsie uit met vier witte paarden, terwijl iedereen den hoed voor hem afneemt, zijn schuldeischers het diepst. Als ik niet vreesde, dat het volk mij zou vermoorden, zou ik hem laten gijzelen. En dan zijn vrouw! Lieve hemel! Airs, alsof zij een gravin was.”“Ja, zij heeft hem geruïneerd,” mompelt de drukker. “Het is juist iets voor vrouwelijke eerzucht, om te willen wedijveren met den adel, wat immers onmogelijk is voor een schilder, ofschoon sommige burgers zich verbeelden, het wel te kunnen. Daar hebt gij bijvoorbeeld dien onnoozelen Bodé Volckers! Hebt gij van zijn dochter gehoord? Men zegt, dat de schoone Wilhelmina er naar streeft, met den adel te verkeeren, en dansles heeft genomen van een Franschen dansmeester, en dat zij speelt op een klavier en een spinet en zingt met trillers en hooge gillende tonenals zoo’n Italiaansche gemaskerde. Ja, de tijden veranderen hier in Antwerpen. Wat zou haar goede moeder daar wel van zeggen? Ook de oude Niklaas is er alles behalve over gesticht en hij zweert, dat zijn dochter achter de toonbank zal staan en zijn zijde en satijn zal verkoopen, zooals haar moeder deed, ofschoon men hem op meer dan een millioen kronen taxeert.”“Alle duivels!” valt de brouwer uit, “wat beteekent een millioen of zelfs twee millioen kronen in dezen tijd—het is enkel maar zooveel meer voor dien vervloekten tienden penning!”“Ja, God sta ons bij,” stemt de drukker toe. “De tiende penning zal alles verslinden, wat wij nog bezitten.”En de brouwer schudt treurig het hoofd over zijn kroes zwaar Vlaamsch bier en de drukker slurpt zijn Rijnwijn zwijgend, want Alva heeft juist zijn beruchten tienden penning geheven, een belasting, die bepaalt, dat men bij elken omzet van koopwaren in de Nederlanden een tiende van het bedrag zal afstaan aan de koninklijke schatkist, telkenmale dat een handelsartikel wordt gekocht of verkocht. Dit beteekent natuurlijk bij een levendigen handel binnen korten tijd algeheele inbeslagneming en volslagen ruïne voor den grooten handelsstand in Brabant, Vlaanderen en Holland.Deze tiende penning is niet juist geschikt, om bij het volk genegenheid te wekken voor de blufferige Italiaansche en Spaansche officieren van het garnizoen, die met kletterende sporen en rinkelende zwaarden rondslenteren, er bitter weinig om gevende of zij deburgers op de teenen trappen, en hun trotsch opgestreken knevels bij iedere gelegenheid in bekers Spaanschen wijn steken, terwijl de waard en zijn helpers hen met de grootste onderscheiding en nederigheid bedienen; want geheel Antwerpen wringt zich en kreunt, maar laat zich toch nog vertrappen onder den ijzeren voet van de Spanjaarden,—edelman zoowel als boer, koopman zoowel als visscher.Onder deze militaire bluffers treedt niemand overmoediger op dan de vaandrig De Busaco. Als hij Guy ziet, komt het krijgshaftige fatje op hem af, en den Engelschman kameraadschappelijk op den schouder kloppend, roept hij uit: “Op wien wedt gij, capitan Guido? Ik wed op de Drinkebroers van Brussel.”“Dat is niet heel ridderlijk,” zegt Guy, “zes drinkebroers tegen één. Maar ga zitten en denk aan uw belofte van gisteravond, om een beker met mij te drinken.”“Gracios, senor capitan,” antwoordt de jonge officier, en weldra zitten hij en Guy te babbelen bij het druivensap.“Gij zijt zeker uit Middelburg gekomen,” merkt de Spanjaard op, “voor de achterstallige soldij. Wij hebben in maanden geen stuiver gezien en ik veronderstel, dat het u niet beter gaat. Maar de tiende penning, mijn jongen, zal de kas van den betaalmeester voor ons openen. En als hij het niet doet,”—hij kijkt woest in het rond,—“zijn wij van plan, ons zelf recht te verschaffen. Dit is een rijke stad, nietwaar? Hier is buit te vinden, schatten van de Indiën en Peru slechts voor het grijpen! Op een goeden dag zullen wij de burgers wel klein krijgen en hungoederen en huizen en vrouwen en dochters een paar dagen voor hen in bewaring nemen! Buit en schoonheid!”“God zij hun genadig,” denkt Guy, terwijl hij zijn oogen in het rond laat gaan en als het ware een visioen krijgt van die afgrijselijke “Spaansche furie”, die een paar jaar later in Antwerpen zal uitbreken. Hij geeft echter een andere wending aan het gesprek, zeggende: “Natuurlijk hebben ook wij geen soldij ontvangen, maar ik heb nog een paar goudstukken in mijn zak!” en hij roept: “Jongen, nog een kan wijn!”Het gesprek loopt nu verder over het drinkgelag, en de Spanjaard vertelt den Engelschman, dat, hoewel Floris bekendstaat voor den grootsten drinkebroer van de wereld, men toch algemeen gelooft, dat “de Zes Drinkebroers van Brussel” een list hebben bedacht om hem te verslaan, tenminste, zoo wordt er gefluisterd, en dat, als capitan Guido geld heeft om te wedden, hij het niet op den schilder moet zetten.“Zij zullen winnen, mijn jongen,” lacht de vaandrig. “Ik heb zelf gezien, dat de kleine Tomasito achttien kannen wijn dronk en geen spier vertrok. Stel u nu eens voor, wat hij zal doen, als zijn dorst wordt geprikkeld door het prachtig feestmaal, dat hier wordt gegeven,” hij wijst in de richting van de groote bruiloftszaal achter de gelagkamer, “en in het vooruitzicht van een winst van vijfhonderd gulden, behalve het geld dat de weddenschappen hem opbrengen. Buitendien is De Guerra de laatste dagen recht in zijn nopjes en hij lacht nooit, dan wanneer hij de guldens maar voor het grijpen heeft. Maar ik denk,dat ik een weddenschap zal kunnen winnen van Valdez van ons regiment. Hij heeft Floris zien drinken en zweert, dat geen man op aarde hem evenaart. Excuseer mij daarom een oogenblik,” en vaandrig De Busaco staat op en begeeft zich naar een troepje Spaansche officieren aan het andere einde van de kamer, zeer tot genoegen van Guy, want hij heeft den schilder Antony Oliver in het oog gekregen, die hem zoekt.Zoodra de Spanjaard ver genoeg weg is, wenkt Guy den Vlaamschen artist, die bij hem komt en fluistert: “Ik heb uw boodschap gedaan.”“Zij komt natuurlijk?”“Ja, maar het heeft mij veel moeite gekost. Zij was eerst zoo ongenaakbaar als een rots, en vroeg mij, hoe ik zulk een vermetele boodschap durfde overbrengen.”“En toen?” vraagt Guy ongeduldig.“Toen gaf ik haar den ring en zeide haar, dat het voor uw veiligheid noodig was, dat zij tot u kwam, daar gij u in gevaar hadt gebracht om harentwille, want dat gij u nu zonder verlof hier bevondt.”“En vervolgens?”“Toen zeide zij op onverschilligen toon: ‘Ik zal vandaag om drie uur bij den burger Bodé Volckers komen. Mijn duena, de gravin De Pariza, heeft reeds haar wensch te kennen gegeven, om de dochter van den koopman nog eens te zien dansen.’”“Niets anders?” vraagt Guy teleurgesteld.“O ja, zij merkte ook nog terloops op, dat haar duena waarschijnlijk eenigen tijd zou besteden, zooals zij gewoonlijk deed, met de kanten en de zijden enfluweelen stoffen in het magazijn van den burgemeester te bekijken en zich te vermaken met de talenten van de bevallige senorita Wilhelmina. ‘Gij zult er toch zeker ook zijn, senor Oliver?’ lachte zij, ‘en de heer misschien ook, wiens afgezant gij zijt. Hebt gij mijns vaders dienst verlaten voor dien van capitan Guido?’”Hierop,zegt Oliver met een glimlach,had ik de stoutmoedigheid te antwoorden: “Misschien blijf ik dan toch in de familie,” en verliet ik haar, zoo rood als de robijn, dien zij in de hand hield.Ook Chester bloost bij deze woorden van vreugde, en hij vindt de kamer, die hem bij de eerste woorden van den schilder duister en somber had toegeschenen, nu zeer zonnig en vroolijk.En het wordt nog lichter om hem heen als Oliver vervolgt: “Ik zag Hermoine de Alva nog nooit blozen bij het hooren uitspreken van den naam van een man. En ik betwijfel het zeer, stoutmoedige jonge man, of er iemand op de wereld is, wien zij een samenkomst zou toestaan, behalve haar eigen vader. Maar ik zou u raden, met drinken uit te scheiden,” valt hij zichzelf in de rede, “of men zal u nog houden voor een van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, en wij hebben gewichtiger dingen te doen dan aan een drinkgelag deel te nemen. Kom, daar gaan zij naar binnen, ik zie mijn vijand, die mijn lot in zijn handen heeft.” En hij kijkt met een angstigen blik naar het eind van de kamer, waar Vasco staat, omringd door zijn vijf kornuiten, die allen het wapen van Brussel op hun wambuis dragen.Als de Guerra’s oogen die van Oliver ontmoeten, flikkert er een glimlach van wreeden triomf in, enmet een vlugge, misschien onbewuste beweging, steekt hij de hand in zijn boezem, als om er zich van te verzekeren, dat hij zeker kostbaar voorwerp nog bij zich heeft.“Ziet gij die beweging?” fluistert Guy tot Antony. “Die brieven zullen uw verderf worden als gij ze niet nog heden in uw bezit weet te krijgen!”“Dat zal ik,” zegt de schilder op vasten toon, ofschoon zijn hand licht beeft, als hij van zijn kant er zich van overtuigt, dat het vergift der Antillen nog in zijn bezit is.En nu mengt het tweetal zich onder de menigte, die in de groote, geschilderde zaal stroomt, waarin de voorname bruiloften van Antwerpen worden gevierd. Deze is nu gereserveerd voor het feestmaal, dat gegeven wordt, om het drinkvermogen van het Antwerpensch talent te vergelijken met dat van het Brusselsch clubje tot bevordering van matigheid, dat zijn doel bereikt, door zelf al den wijn van de wereld op te drinken.Een oogenblik later klinkt luide de kreet: “Hij is gekomen!” en de menigte stroomt uit de eetzaal naar de voordeur, om De Vriendt, den schilder, te zien, gezeten op zijn wit paard en gevolgd door zes zijner leerlingen.Zoo komen Guy en Oliver gemakkelijk in de feestzaal, een hoog vertrek met fraaie, gesneden balustrades en balkon, de muren gedecoreerd met schilderstukken en fresco’s, waarvan sommige door den aan het drinkgelag deelnemenden kunstenaar zelf geschilderd zijn.In het midden staat een groote eikenhouten tafel,met stoelen voor zeven personen; de tafel is overladen met allerlei eetwaren, om den dorst op te wekken,—zoute visch, kaviaar, vleesch, in olie gedoopt,—alles zoo keurig mogelijk versierd en opgezet; met een menigte bloemen en een krans van rozen voor den overwinnaar. Het geheel is een afschuwelijk mengelmoes van kunst, middeneeuwsche pracht en barbaarsche losbandigheid.Zes stoelen om de tafel worden ingenomen door “de Drinkebroers van Brussel”. Vasco de Guerra zit aan het benedeneind als de aanvoerder dezer drinkersbende. Ieder heeft vóór zich staan een kolossalen zilveren Frankforter beker, die een hoeveelheid wijn inhoudt, zóó groot, dat een matigheidsgenootschap er stuiptrekkingen van gerechtvaardigde verontwaardiging van zou krijgen.De stoel aan het hoofd van de tafel is opengelaten voor den man, die alleen strijdt tegen de zes anderen; de glorie van Antwerpen; het groote genie, dat bezig is zijn talent te vermoorden; den grooten slemper, die voor de eer van zijn stad en voor een weddenschap van vijfhonderd gulden, op het punt staat, de zes andere nathalzen onder de tafel te drinken; terwijl rondom dien feestdisch, gewijd aan de gulzigheid en aan Bacchus, een bonte mengeling staat van mannelijke ingezetenen der stad, van den Spaanschen generaal Vargas tot den vaandrig De Busaco; van den welgedanen vorstelijken koopman tot den gespierden en vleezigen vertegenwoordiger van het slagersgilde;—ja zelfs ziet men er den kleinen Achille Touraine, die tusschen de beenen van de omstanders doorkruipt, om bij zijn meesterte komen, terwijl hij zich menigen stoot en duw moet laten welgevallen van de fatterige officieren, wier uniformen hij in wanorde brengt.“Daar ben ik, zooals gij hebt bevolen, monsieur Oliver,” roept hij. “Dat wil zeggen, een gedeelte van mij—een van de officieren heeft mij met zijn sporen een aderlating bezorgd, zooals vader zijn patiënten doet ondergaan, en mijn gezicht is met krabben bedekt, als dat van de klanten, die door hem geschoren worden. Maar ik—ik kon niet eerder komen, Marvédie en ik waren niet eerder klaar met onze duivenpastei.”Hier wordt de stem van den jongen overstemd door het gejuich, dat de komst van den schilder begroet. Als De Vriendt binnenstapt, zijn bleek Vlaamsch gelaat en zachte blauwe oogen verhelderd door een vriendelijken glimlach, roept hij, zijn hoed ter begroeting zwaaiend: “Welkom, broeders slampampers van Brussel!” en neemt plaats aan het hoofd van de tafel.Dit wordt beantwoord door den kleinen, vriendelijken Tomasito, die zegt: “Gegroet, broeder-zwijn van Antwerpen.” Een middeleeuwsche geestigheid, die de menigte doet brullen van het lachen, ofschoon Floris het pijnlijke van de vernedering gevoelt en rood wordt—doch slechts voor een oogenblik.Op het volgende heeft hij alles vergeten, behalve het genot, dat de wijnbeker hem verschaft, want een knecht plaatst vóór hem een enormen Frankforter beker met den zwaarsten Markobrunner, en zijn liefde voor het druivensap maakt er hem onverschillig voor, of hij de achting van zijn vrienden en stadgenootenverspeelt. Opstaande van zijn stoel, roept hij uit: “Laat ons beginnen, Drinkebroers van Brussel! De bepalingen van de weddenschap zijn vastgesteld. Ik drink u allen onder de tafel en laat u daar liggen.”“Dat zijn de bepalingen, senor Floris,” antwoordt De Guerra met een onderdrukten lach en de zes pimpelaars staan op, ieder op zijn plaats en ieder met een beker in de hand, gevuld tot aan den rand met denzelfden zwaren wijn, als die in den beker van De Vriendt.“Nu, daar gaat hij dan!” schreeuwt Floris, en ieder slaat zijn portie naar binnen, smakkend van genot, waarop de menigte bravo roept.Maar nauwelijks zijn de kampioenen weer gezeten en hebben zij geproefd van de kaviaar, de haring of de ansjovis, als de knechts de bekers ook reeds weer gevuld hebben en Floris uitroept: “Nogmaals!”Wederom staan zij op en naar binnen vloeit de Rijnwijn; daarna werpen zij zich weer op de spijzen,—want met dronkenschap gaat gulzigheid gepaard.Zoo gaat de slemppartij voort, gadegeslagen door de menigte, op wier gezichten zeer verschillende gewaarwordingen zijn te lezen. De opgewondenheid stijgt; maar niemand is opmerkzamer dan Guy Chester en Antony Oliver, want niemand, zelfs niet de grootste dobbelaar van de stad, heeft zooveel gezet op dezen reuzenstrijd aan het altaar van Bacchus, als dit tweetal.Intusschen groeit de menigte aan, en honden sluipen snuffelend naar binnen,—zij hebben het feest geroken en loeren op beentjes en kruimels,—en men onderscheidt zelfs kleederen van vrouwenop de groote galerij, die bij bruiloften wordt ingenomen door de muzikanten; en vrienden zenden bekers wijn met hun complimenten en goede wenschen aan de verschillende deelnemers.Dezen drinken echter telkens allen tegelijk en op hetzelfde oogenblik—ofschoon nu en dan het merk van den wijn wordt veranderd om den lust tot drinken op te wekken. Rothenberger heeft den Markobrunner gevolgd en maakt op zijn beurt plaats voor Hochheimer.Het is het tiende rondje. De inhoud uit zeven enorme zilveren bokalen, de zwaarste Rijnwijn, stroomt juist over de lippen en door de kelen van de dronkaards.“Bij de vijftiende bokaal,” fluistert Oliver.“Waarom nu niet?” zegt Guy vlak aan zijn oor.“Neen, het zou niet voorzichtig zijn vóór de vijftiende,” antwoordt de schilder. “Niemand zou gelooven, dat tien bekers het hem zouden kunnen doen.”Een paar minuten, en het twaalfde rondje is voorbij, en nu wankelt een der drinkebroers, de kleine uitgedroogde Italiaan Guiseppe Pisa, als hij tracht op te staan en zakt heel zachtjes onder de tafel.“Doe het nu,” fluistert Guy.“Ik durf niet—nog niet,” antwoordt Oliver.Het dertiende rondje is gedronken onder gelach en gespot, en als De Guerra zijn beker aan de lippen zet, wordt Oliver’s gelaat krijtwit en dat van Guy eveneens, want tot hun schrik zien zij, dat de man, dien zij van plan waren te vergiftigen bij het vijftiende rondje, nu reeds wankelt en bewusteloos onder de tafel valt.“Te laat! Mijn God, hij is mij ontsnapt,” stamelt Antony.“Wij kunnen hem de brieven toch nog ontnemen, als het drinkgelag uit is,” fluistert Guy, die zich het eerst herstelt.“Ja, maar dat is slechts uitstel van mijn ondergang. Vasco’s achterdocht is gaande gemaakt,—de pijnbank wacht mij. Ik zal moeten vluchten. Ik zal aan de taak, die ik mij had opgelegd, niet langer kunnen arbeiden.” Dit laatste komt nauwelijks hoorbaar van zijn witte lippen.Maar daar stijgen alweder juichkreten op uit de omringende menigte; bij het veertiende rondje vallen twee van de overblijvende Drinkebroers van Brussel neer. Nu blijven er nog slechts twee over, om het met den schilder uit te vechten, maar deze twee zijn taai. De Vriendt glimlacht triomfantelijk; zijn Vlaamsch gelaat, ofschoon rood en opgezet, heeft nu een spottende uitdrukking, hij staat echter niet zoo heel vast meer op zijn beenen.Weer vier rondjes, de vijfde der Drinkebroers zoekt zijn kameraden onder de tafel op. Nu komt alleen de kleine Tomasito nog op voor de dukaten, die zijn vrienden op het zestal gewed hebben en voor de eer van de hoofdstad. Guy,—die het hoofd heeft afgewend en enkel op de gelegenheid wacht, om bij het einde van het drinkgelag De Guerra van zijn papieren te berooven, daar hij er weinig om geeft wie het zal winnen,—voelt zich plotseling aan de mouw trekken en ziet, omkijkend, het ontdane gezicht van Antony met uitpuilende oogen.“Hij komt weer bij!” fluistert deze.“Wie?”“Vasco! Kijk! Hij staat alweer op zijn beenen. Hij wil de weddenschap winnen. Het is een streek, een gemeene streek van hem, om zoodoende eenige bekers bij Floris ten achteren te komen.”Dat is ook het gevoelen van Floris’ vrienden; en als De Guerra nog wankelend uitroept: “Een nieuwen beker wijn voor de Drinkebroers van Brussel,” komen zij tusschenbeiden en protesteeren op heftigen toon.Maar De Vriendt zegt: “Laat hem maar begaan, ik geef hem vijf bekers voor en speel het toch wel met hem klaar.”Men zal tot een nieuw rondje overgaan, maar nog vóór het gedronken wordt, ploft de kleine Tomasito neer, alsof hij door een kanonskogel was getroffen; De Guerra en Floris blijven nu alleen als kampioenen over en kijken elkander uitdagend aan, de een met den kalmen glimlach van den Vlaming, de ander schuimbekkend van woede als een echte Spanjaard, die, als hij opgewonden raakt, woest hartstochtelijk wordt,—woest hartstochtelijk in den oorlog en bij het spel.Ieder giet zijn beker naar binnen en Floris begint te wankelen.“Nu is het uw laatste kans,” fluistert Guy.Een bediende roepend, zegt Antony: “Een beker van uw zwaarsten Rijnwijn, maar spoedig.”Terwijl De Vriendt en de Spanjaard zich weer versterken voor het volgende rondje, de een door wat kaviaar te verslinden en de ander door met gezouten vischlever zijn maag te prikkelen, is hetoogenblik om te handelen voor Oliver eindelijk gekomen.Als de knecht den wijn uit de flesch in den beker heeft gegoten, gaat hij heen en een oogenblik later ontzegelt de gehaaste schilder, die bijzonder handig geworden is door het dagelijksch omgaan met zijn fijne penseelen, vlug het kleine fleschje en giet onopgemerkt een gedeelte van het sterke vergift in den beker.“Geef hem vooral genoeg,” fluistert Guy, die voor zijn vriend is gaan staan, om hem tot scherm te dienen, ofschoon het gedrang zoo groot is en de opgewondenheid zulk een hoogte heeft bereikt,—daar er weddenschappen twee tegen één op den Spanjaard worden gedaan,—dat het niet eens zou zijn opgemerkt, al hadden zij die voorzorgsmaatregelen niet genomen.Bij deze aansporing giet Oliver een dubbele dosis in den beker. Daarop reikt hij hem aan Achille over, die zijn tijd nuttig heeft besteed met het eten van sinaasappelen, welke door de onvaste en bevende handen der zwelgers van de tafel zijn geworpen, en fluistert: “Breng dit aan den Spanjaard Vasco de Guerra.”“Ja.”“Vergis je niet! De man met den zwarten knevel met die eene grijze vlok er in!”“Ja wel, de donkere. Ik ben geen kind!”“Geef het hem met de complimenten en de goede wenschen van mademoiselle Wilhelmina Bodé Volckers. Rep je!”Als de twee kampvechters weer uitdagend tegenover elkander staan voor een nieuw rondje, de Spanjaardsteviger op zijn voeten dan de andere, want zijn tactiek heeft hem een groot voordeel verschaft, gaat Achille naar hem toe, overhandigt hem den beker, door de hand van zijn vijand voor hem toebereid, en fluistert een woord in zijn oor, dat een blos van verrukking over zijn rood dronkemansgezicht verspreidt.Den beker, dien hij in de hand houdt, op zijde zettend, roept Vasco de Guerra uit: “Dit is oude roode Rijnwijn; ik drink dien, mijn knikkebeenende Floris, op het mooiste jonge meisje van Antwerpen!”En den beker aan zijn mond brengend, slaat hij den inhoud in een lange teug naar binnen. En als hij vervolgens naar zijn mededinger kijkt, komt er een triomfantelijke uitdrukking in zijn oogen, want de schilder kan, als hij zijn beker heeft geledigd, nauwelijks meer op zijn beenen staan.“Vervl ...,” fluistert Oliver. “Het vergift werkt niet.”“Wacht maar,” antwoordt Guy.Zij zijn te angstig om verder een woord te spreken, en in ademlooze spanning staren zij naar de twee drinkebroers, die in hun stoel zijn neergezonken en de voor hen staande eetwaren opnieuw aanspreken.Al etende glimlacht de Spanjaard over den schilder, die zijn handen nauwelijks meer tot zijn beschikking heeft.Maar hun bekers worden weer gevuld en het tweetal staat opnieuw op, Floris moet zich met de hand aan de tafel vastgrijpen, daar zijn voeten alleen hem niet in evenwicht kunnen houden.“Drink!” zegt De Guerra, en de schilder werktmet moeite zijn portie naar binnen, terwijl de ander flink rechtop staat en hem bespot.“Let nu op, hoe ik het doe!” en Vasco neemt vlug, bedaard en zegevierend zijn beker op, onder het gejuich van diegenen der omstanders, die op hem gewed hebben.Doch op hetzelfde oogenblik, dat hij den beker aan zijn lippen wil brengen, komt er op zijn gelaat een uitdrukking van verbijstering, zijn hand zakt slap langs zijn lichaam neer, en de beker valt rinkelend op den grond; dan grijpt hij met beide handen naar zijn keel, alsof hij geen adem kan krijgen en ploft als een blok hout neer op de lichamen zijner kameraden, die daar in dronkemansverdooving liggen, terwijl een triomfkreet wordt aangeheven door hen, die het op Floris hebben gehouden.Een oogenblik later gaat De Vriendt, waggelend, strompelend, zwaaiend, ondersteund door zijn vrienden, naar buiten in de frissche lucht, die hem nieuwe krachten geeft. Bijgestaan door zijn zes leerlingen, die hem naar huis en te bed willen brengen, roept hij uit: “Hallo! nog een beker wijn, zwaren Rijnwijn, waard vanHet Geschilderde Huis!” en zijn voet in den stijgbeugel zettend, slaat hij nogmaals een groote hoeveelheid wijn naar binnen als plengoffer voor de verslagenen. Vervolgens rijdt hij, heen en weer slingerend, naar zijn paleis in de naar hem genoemde straat, omringd door zijn overgelukkige schuldeischers, die zich troosten met de gedachte, dat zoolang Floris in leven blijft, hij nog schilderijen kan maken, en dan ook wel eenige zijner schulden zal afbetalen.De menigte, die thans naar buiten stroomt, schenkt weinig aandacht meer aan “de Zes Drinkebroers van Brussel”, behalve misschien een enkele, die den schijnbaren lijken, die hem zijn geld hebben gekost, een paar schoppen geeft.Zoodra hij viel, hebben Guy en Oliver echter De Guerra, die zwaar ademt, opgenomen en hem naar de aangrenzende kamer gedragen.Hier maakt de schilder haastig het wambuis van den Spanjaard open, en er zijn hand instekend, voelt hij tusschen de voering een klein pakje.Als hij er dat uit heeft losgetornd, fluistert hij, terwijl hij het bekijkt: “Goddank! De zes brieven van Lodewijk van Nassau!”Een oogenblik later legt Guy zijn hand op de borst van hun slachtoffer en prevelt: “De spion is dood!” En de Vlaming haalt verruimd adem,—een van de vele gevaren, die hem bedreigen, is tenminste door den dood van De Guerra afgewend.De kleur is op zijn aangezicht teruggekeerd en hij lacht: “Uw komst ter rechter tijd en de duivenpastei hebben mij gered,—tenminste voor een korte poos, mijn vriend, mijn Guido!”Het tweetal begeeft zich naar buiten, en als zij op straat zijn gekomen, neemt Oliver’s gelaat opnieuw een ernstige uitdrukking aan en hij fluistert: “Alva! Hier, vóór den bepaalden tijd! Hij zou eerst vanavond komen. Wat heeft hem zoo onverwachts van Brussel hierheen gebracht?”Want een cavalcade nadert met groote praal; dertig ruiters in stalen wapenrustingen met lange lansen, waaraan het vaantje van Vargas wappert.Op een sterk Andalusisch paard rijdt aan het hoofd een lange, magere man in een compleete, blinkende, met goud versierde Milaneesche wapenrusting. Hij draagt over den ringkraag om zijn hals de keten van het Gulden Vlies, waaraan het Lam Gods hangt, het insigne van die orde. Dit is gedeeltelijk bedekt door zijn langen, oorspronkelijk zwarten, doch nu zilveren baard, die in twee eigenaardig gevormde punten op zijn borst neerhangt; ook zijn kortgeknipt hoofdhaar is grijs, evenals zijn knevel, die de opmerkelijke lippen bedekt; de bovenlip is dun en duidt wilskracht en vastberadenheid aan, de onderlip is zinnelijk, maar toch ook energiek; zijn voorhoofd is hoog, bleek, blauwgeaderd en buitengewoon intelligent, men herkent er den militairen mathematicus aan; zijn arendsneus is klassiek, forsch besneden, zuiver en onbeweeglijk; zijn wangen zijn vaalbleek en aschkleurig,—het geheel vormt een gezicht, koud als de dood, waarin twee doorborende, onverschrokken oogen gloeien, slangenoogen; en toch gelijkt het nu en dan door de eigenaardige uitdrukking, die de trekken aannemen, zóó sterk op dat van het meisje, hetwelk Guy’s hart den vorigen nacht zoo onstuimig van liefde deed kloppen, dat hij geen oogenblik twijfelt, of dit is haar vader, en hij fluistert: “Alva!”De Hertog is in gesprek met Alfonso de Ulloa en Pedro de Paciotto, zijn grooten vestingbouwkundige, die vlak achter hem rijdt. Allen zijn met stof bedekt, tengevolge van den haastigen rit.Terwijl zij voorbij de herberg rijden, kijkt de Onderkoning met zijn scherpe oogen uit de hoogteop de menigte neer, die hem met den hoed in de hand nederig groet. Eensklaps houdt hij zijn paard in en roept: “Oliver! Antonius Oliver!” en de schilder, naar voren tredend, buigt voor het strijdros van den Hertog.“Het toeval dient mij, dat ik u zoo spoedig tref. Ga onmiddellijk een zekeren Vasco de Guerra, ex-kapitein in Ladrono’s regiment musketiers, voor mij opsporen. Zeg hem, dat hij binnen een uur bij mij moet komen, ik wil hooren, wat hij mij te zeggen heeft. Breng hem maar liever dadelijk zelf naar de Citadel,” beveelt de landvoogd.“Met verlof,—Uwe Hoogheid,” antwoordt Oliver, “de man—de man, naar wien gij vraagt—”“Nu, vlug wat. Waarom hakkelt gij zoo?” zegt de Onderkoning, want de onverwachte vraag naar den man, dien hij heeft vermoord, heeft den schilder geheel van zijn stuk gebracht, hoe koelbloedig hij anders ook is.“Ik wilde zeggen, Uwe Hoogheid, dat deze Vasco de Guerra, die behoort tot ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, nu smoordronken in de herberg ligt, tengevolge van den wedstrijd in het drinken met De Vriendt.”“Wat, met dien in zijn hersens gekrenkten kunstenaar Floris!” zegt Alva; dan vervolgt hij, op een toon zoo barsch, dat Oliver er van siddert: “En die dronkaard dacht, dat ik hem zou herstellen in zijn rang in het leger! Hij wilde mij vandaag een mededeeling doen,—waarvan de veiligheid van het rijk misschien afhing,—wat mij vier uur vroeger dan mijn plan was te Antwerpen bracht! Zeg den provoost-geweldige, dat hij De Guerra terstondin arrest neemt. Ik wil hem in de gevangenis spreken, als hij ontnuchterd is,—dien zot, dien dronkaard, dien zuiplap. En toch ben ik benieuwd, wat hij mij heeft te zeggen.—Voorwaarts, heeren!”En de Hertog rijdt verder, den schilder bijna even wezen- en ademloos latende staan, als het lijk inHet Geschilderde Huis; want Oliver weet, dat de dood hem haast even nabij is geweest als zijn slachtoffer, en hij mompelt, terwijl hij zich weer bij Guy voegt: “Brr! De beul heeft mij nog nooit zoo dicht op de hielen gezeten, als vandaag!”
Deze vraag schijnt den schilder te doen ontstellen. Hij herhaalt weifelend: “Hoe?” en zegt dan: “Laat mij even nadenken. Ik ken de gebruiken van dit land,” en hij overlegt in zichzelven met gefronste wenkbrauwen.
Na een oogenblik peinzens roept hij uit: “Ik heb het probleem opgelost.”
“Hoe?” vraagt de Engelschman levendig.
“Hoe? Wel, het is het gebruik bij deze drinkgelagen, dat, als het feest zijn toppunt heeft bereikt, verschillende vrienden der deelnemers hun, ter eere van Bacchus, groote drinkbekers vol fijnen wijn met hun complimenten zenden. Vasco de Guerra is een aanbidder van mademoiselle Bodé Volckers, de schoone Mina, die ik bemin. Dat zal zijn ondergang zijn. Na het tiende rondje,—het zou niet voorzichtig zijn, het eerder te doen, misschien was het in dit geval beter, te wachten tot na het vijftiende,—zal ik hem een beker wijn zenden metditer in, het vergift van de Antillen,” hier klopt hij op het fleschje,dat de Engelschman hem gegeven heeft, “met de complimenten van Wilhelmina Bodé Volckers. De Guerra zal een beker, vergezeld van zulk een boodschap, niet weigeren, en daarna—daarna—zouden gij en ik,” hij fluistert het laatste, “mijn beste Guido,—in ieder rustig, gelukkig, vredig land moordenaars worden genoemd; maar bij het spel, dat wij spelen, gaat het eenvoudig op leven of dood. En nu tot de zaak.”
Het tweetal werkt zijn plan verder uit met de koele berekening van menschen, die, als zij eenmaal tot een besluit zijn gekomen, hun voornemen ook onmiddellijk ten uitvoer leggen.
“Het drinkgelag begint om twaalf uur. Het is nu tien uur. Ik denk niet, dat De Guerra reeds is opgestaan,” zegt Guy, “maar ik zal op hem letten en er voor zorgen, dat hij de herberg niet verlaat, om ons geheim aan iemand anders mee te deelen. Als hij van plan schijnt dit te doen, zal ik hem op de een of andere wijze zien op te houden; in dien tijd kunt gij naar de Citadel gaan, om Dona Hermoine te spreken en een ontmoeting mogelijk te maken, die niet alleen noodig is voor mijn veiligheid, maar ook voor mijn liefde.”
Chester steekt nu de brieven van Vitelli en den sleutel, dien de schilder hem heeft verschaft, bij zich en bergt met nog meer zorg het miniatuur-portret en den brief van zijn beminde op zijn borst, terwijl Antony Oliver zich wapent met zwaard en pistolen en er zich van vergewist, dat het scherpe Italiaansche stilet, dat hem nooit verlaat, in het bereik van zijn hand is.
Als zij hiermee gereed zijn, gaan zij samen uit, en Oliver zegt den barbier, dat zijn zoontjes, als zij thuis komen, hun maaltijd alleen kunnen gebruiken, maar dat Achille hen in den namiddag inHet Geschilderde Huismoet opzoeken. Vervolgens begeven zij zich door nauwe stegen, waar de zon eerst op dit uur doordringt, naar het ruimere, het schoonere gedeelte van de stad.
Hier neemt de schilder afscheid van den Engelschman, fluisterend: “Verlies Vasco niet uit het oog.”
“En gij bezorgt mijn boodschap?” antwoordt de Engelschman.
“Zeker. Ik heb een goed voorwendsel voor mijn onderhoud met Dona Hermoine. Haar vader verlaat Brussel hedennamiddag. Alva kan niet hier zijn vóór vanavond laat en wilde, dat ik dit zijn dochter zou doen weten,” antwoordt Oliver, den weg naar de Esplanade inslaande, waarachter de Citadel ligt.
Chester begeeft zich opnieuw naarHet Geschilderde Huis, dat nu het tooneel is van veel leven en beweging.
De gelagkamer is zóó vol, dat hij nauwelijks een plaatsje kan veroveren, om zijn ontbijt te bestellen, daar zijn honger op dit oogenblik de overhand heeft over zijn liefde.
Het gelukt hem op handige wijze, van den knecht, die hem bedient, te weten te komen, dat de man, dien hij zoekt, eerst om drie uur in den morgen naar bed gegaan en nog niet opgestaan is, zeker in de meening, dat afzondering en rust hem het best kunnen sterken voor den ernstigen strijd, die hem wacht.
Het gesprek aan de tafeltjes rondom hem loopt natuurlijk over het aanstaande drinkgelag. De kamer is vol burgers en artisten, eenigen zijn gekomen om te genieten van den triomf van den schilder, anderen om zich te bedroeven over den man, die zijn talent te gronde laat gaan in den wijn. Er zijn ook een aantal van zijn schuldeischers, met angst in hun hart en op hun lippen, want Frans Floris’ leven vertegenwoordigt voor hen een groote som, daar zijn schilderstukken altijd vlug van de hand gaan; Frans Floris’ dood daarentegen zou hun groote schade berokkenen, en zij vreezen, dat hij zich te eeniger tijd zal dooden door de enorme hoeveelheid wijn, die hij naar binnen slaat, om zijn mededingers onder de tafel te werken.
“Ach, mijnheer Dirk Coornhert, wat een treurige dag,” merkt een dikke burger op, wiens kleeren nog een moutlucht verspreiden, wat hem als een brouwer doet kennen.
“Ja,” antwoordt een ander, blijkbaar iemand van artistieken smaak en opvoeding. “Hebt ge het gedicht gelezen, dat ik heb uitgegeven, om Floris te waarschuwen voor het gevaar, dat zijn ongeregelde levenswijze na zich sleept, niet alleen voor zijn talent, maar ook voor zijn leven? Ik heb het hem gisteravond voorgelezen. Het was een ingeving, ingekleed als een droom, waarin de geest van Albrecht Dürer mij verscheen en op een zwaarmoedigen, somberen toon sprak over de droefheid, die zich zelfs nu nog, nadat hij reeds honderd jaar in de andere wereld was geweest, van hem had meester gemaakt, omdat een artist, zoo begaafd als Floris, een dronkaard was geworden.”
“En heeft het hem bekeerd?” spot de ander.
“Hem bekeeren!” roept Dirk Coornhert uit. “Neen, hij zwoer, vandaag te zullen drinken op de gezondheid van Albrecht Dürer’s geest en hij lachte mij in mijn gezicht uit: ‘Als ik dronken ben, dan ben ik gelukkig, dan vergeet ik mijn schuldeischers. Als ik nuchter ben, zorgen mijn schuldeischers er wel voor, dat ik hen niet vergeet.’”
“Vervloekt! En ik ben er ook een,” bromt de brouwer. “Twee duizend Carolus-guldens voor bier, in zijn huis verteerd. Een schilder, die het grootste paleis in Antwerpen bouwt! Boven den ingang heeft die verwaande lap zichzelf geschilderd; hij houdt het penseel in zijn hand, en de muzen dalen uit den hemel neer, om hem te kronen. En iederen dag rijdt hij in staatsie uit met vier witte paarden, terwijl iedereen den hoed voor hem afneemt, zijn schuldeischers het diepst. Als ik niet vreesde, dat het volk mij zou vermoorden, zou ik hem laten gijzelen. En dan zijn vrouw! Lieve hemel! Airs, alsof zij een gravin was.”
“Ja, zij heeft hem geruïneerd,” mompelt de drukker. “Het is juist iets voor vrouwelijke eerzucht, om te willen wedijveren met den adel, wat immers onmogelijk is voor een schilder, ofschoon sommige burgers zich verbeelden, het wel te kunnen. Daar hebt gij bijvoorbeeld dien onnoozelen Bodé Volckers! Hebt gij van zijn dochter gehoord? Men zegt, dat de schoone Wilhelmina er naar streeft, met den adel te verkeeren, en dansles heeft genomen van een Franschen dansmeester, en dat zij speelt op een klavier en een spinet en zingt met trillers en hooge gillende tonenals zoo’n Italiaansche gemaskerde. Ja, de tijden veranderen hier in Antwerpen. Wat zou haar goede moeder daar wel van zeggen? Ook de oude Niklaas is er alles behalve over gesticht en hij zweert, dat zijn dochter achter de toonbank zal staan en zijn zijde en satijn zal verkoopen, zooals haar moeder deed, ofschoon men hem op meer dan een millioen kronen taxeert.”
“Alle duivels!” valt de brouwer uit, “wat beteekent een millioen of zelfs twee millioen kronen in dezen tijd—het is enkel maar zooveel meer voor dien vervloekten tienden penning!”
“Ja, God sta ons bij,” stemt de drukker toe. “De tiende penning zal alles verslinden, wat wij nog bezitten.”
En de brouwer schudt treurig het hoofd over zijn kroes zwaar Vlaamsch bier en de drukker slurpt zijn Rijnwijn zwijgend, want Alva heeft juist zijn beruchten tienden penning geheven, een belasting, die bepaalt, dat men bij elken omzet van koopwaren in de Nederlanden een tiende van het bedrag zal afstaan aan de koninklijke schatkist, telkenmale dat een handelsartikel wordt gekocht of verkocht. Dit beteekent natuurlijk bij een levendigen handel binnen korten tijd algeheele inbeslagneming en volslagen ruïne voor den grooten handelsstand in Brabant, Vlaanderen en Holland.
Deze tiende penning is niet juist geschikt, om bij het volk genegenheid te wekken voor de blufferige Italiaansche en Spaansche officieren van het garnizoen, die met kletterende sporen en rinkelende zwaarden rondslenteren, er bitter weinig om gevende of zij deburgers op de teenen trappen, en hun trotsch opgestreken knevels bij iedere gelegenheid in bekers Spaanschen wijn steken, terwijl de waard en zijn helpers hen met de grootste onderscheiding en nederigheid bedienen; want geheel Antwerpen wringt zich en kreunt, maar laat zich toch nog vertrappen onder den ijzeren voet van de Spanjaarden,—edelman zoowel als boer, koopman zoowel als visscher.
Onder deze militaire bluffers treedt niemand overmoediger op dan de vaandrig De Busaco. Als hij Guy ziet, komt het krijgshaftige fatje op hem af, en den Engelschman kameraadschappelijk op den schouder kloppend, roept hij uit: “Op wien wedt gij, capitan Guido? Ik wed op de Drinkebroers van Brussel.”
“Dat is niet heel ridderlijk,” zegt Guy, “zes drinkebroers tegen één. Maar ga zitten en denk aan uw belofte van gisteravond, om een beker met mij te drinken.”
“Gracios, senor capitan,” antwoordt de jonge officier, en weldra zitten hij en Guy te babbelen bij het druivensap.
“Gij zijt zeker uit Middelburg gekomen,” merkt de Spanjaard op, “voor de achterstallige soldij. Wij hebben in maanden geen stuiver gezien en ik veronderstel, dat het u niet beter gaat. Maar de tiende penning, mijn jongen, zal de kas van den betaalmeester voor ons openen. En als hij het niet doet,”—hij kijkt woest in het rond,—“zijn wij van plan, ons zelf recht te verschaffen. Dit is een rijke stad, nietwaar? Hier is buit te vinden, schatten van de Indiën en Peru slechts voor het grijpen! Op een goeden dag zullen wij de burgers wel klein krijgen en hungoederen en huizen en vrouwen en dochters een paar dagen voor hen in bewaring nemen! Buit en schoonheid!”
“God zij hun genadig,” denkt Guy, terwijl hij zijn oogen in het rond laat gaan en als het ware een visioen krijgt van die afgrijselijke “Spaansche furie”, die een paar jaar later in Antwerpen zal uitbreken. Hij geeft echter een andere wending aan het gesprek, zeggende: “Natuurlijk hebben ook wij geen soldij ontvangen, maar ik heb nog een paar goudstukken in mijn zak!” en hij roept: “Jongen, nog een kan wijn!”
Het gesprek loopt nu verder over het drinkgelag, en de Spanjaard vertelt den Engelschman, dat, hoewel Floris bekendstaat voor den grootsten drinkebroer van de wereld, men toch algemeen gelooft, dat “de Zes Drinkebroers van Brussel” een list hebben bedacht om hem te verslaan, tenminste, zoo wordt er gefluisterd, en dat, als capitan Guido geld heeft om te wedden, hij het niet op den schilder moet zetten.
“Zij zullen winnen, mijn jongen,” lacht de vaandrig. “Ik heb zelf gezien, dat de kleine Tomasito achttien kannen wijn dronk en geen spier vertrok. Stel u nu eens voor, wat hij zal doen, als zijn dorst wordt geprikkeld door het prachtig feestmaal, dat hier wordt gegeven,” hij wijst in de richting van de groote bruiloftszaal achter de gelagkamer, “en in het vooruitzicht van een winst van vijfhonderd gulden, behalve het geld dat de weddenschappen hem opbrengen. Buitendien is De Guerra de laatste dagen recht in zijn nopjes en hij lacht nooit, dan wanneer hij de guldens maar voor het grijpen heeft. Maar ik denk,dat ik een weddenschap zal kunnen winnen van Valdez van ons regiment. Hij heeft Floris zien drinken en zweert, dat geen man op aarde hem evenaart. Excuseer mij daarom een oogenblik,” en vaandrig De Busaco staat op en begeeft zich naar een troepje Spaansche officieren aan het andere einde van de kamer, zeer tot genoegen van Guy, want hij heeft den schilder Antony Oliver in het oog gekregen, die hem zoekt.
Zoodra de Spanjaard ver genoeg weg is, wenkt Guy den Vlaamschen artist, die bij hem komt en fluistert: “Ik heb uw boodschap gedaan.”
“Zij komt natuurlijk?”
“Ja, maar het heeft mij veel moeite gekost. Zij was eerst zoo ongenaakbaar als een rots, en vroeg mij, hoe ik zulk een vermetele boodschap durfde overbrengen.”
“En toen?” vraagt Guy ongeduldig.
“Toen gaf ik haar den ring en zeide haar, dat het voor uw veiligheid noodig was, dat zij tot u kwam, daar gij u in gevaar hadt gebracht om harentwille, want dat gij u nu zonder verlof hier bevondt.”
“En vervolgens?”
“Toen zeide zij op onverschilligen toon: ‘Ik zal vandaag om drie uur bij den burger Bodé Volckers komen. Mijn duena, de gravin De Pariza, heeft reeds haar wensch te kennen gegeven, om de dochter van den koopman nog eens te zien dansen.’”
“Niets anders?” vraagt Guy teleurgesteld.
“O ja, zij merkte ook nog terloops op, dat haar duena waarschijnlijk eenigen tijd zou besteden, zooals zij gewoonlijk deed, met de kanten en de zijden enfluweelen stoffen in het magazijn van den burgemeester te bekijken en zich te vermaken met de talenten van de bevallige senorita Wilhelmina. ‘Gij zult er toch zeker ook zijn, senor Oliver?’ lachte zij, ‘en de heer misschien ook, wiens afgezant gij zijt. Hebt gij mijns vaders dienst verlaten voor dien van capitan Guido?’”Hierop,zegt Oliver met een glimlach,had ik de stoutmoedigheid te antwoorden: “Misschien blijf ik dan toch in de familie,” en verliet ik haar, zoo rood als de robijn, dien zij in de hand hield.
Ook Chester bloost bij deze woorden van vreugde, en hij vindt de kamer, die hem bij de eerste woorden van den schilder duister en somber had toegeschenen, nu zeer zonnig en vroolijk.
En het wordt nog lichter om hem heen als Oliver vervolgt: “Ik zag Hermoine de Alva nog nooit blozen bij het hooren uitspreken van den naam van een man. En ik betwijfel het zeer, stoutmoedige jonge man, of er iemand op de wereld is, wien zij een samenkomst zou toestaan, behalve haar eigen vader. Maar ik zou u raden, met drinken uit te scheiden,” valt hij zichzelf in de rede, “of men zal u nog houden voor een van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, en wij hebben gewichtiger dingen te doen dan aan een drinkgelag deel te nemen. Kom, daar gaan zij naar binnen, ik zie mijn vijand, die mijn lot in zijn handen heeft.” En hij kijkt met een angstigen blik naar het eind van de kamer, waar Vasco staat, omringd door zijn vijf kornuiten, die allen het wapen van Brussel op hun wambuis dragen.
Als de Guerra’s oogen die van Oliver ontmoeten, flikkert er een glimlach van wreeden triomf in, enmet een vlugge, misschien onbewuste beweging, steekt hij de hand in zijn boezem, als om er zich van te verzekeren, dat hij zeker kostbaar voorwerp nog bij zich heeft.
“Ziet gij die beweging?” fluistert Guy tot Antony. “Die brieven zullen uw verderf worden als gij ze niet nog heden in uw bezit weet te krijgen!”
“Dat zal ik,” zegt de schilder op vasten toon, ofschoon zijn hand licht beeft, als hij van zijn kant er zich van overtuigt, dat het vergift der Antillen nog in zijn bezit is.
En nu mengt het tweetal zich onder de menigte, die in de groote, geschilderde zaal stroomt, waarin de voorname bruiloften van Antwerpen worden gevierd. Deze is nu gereserveerd voor het feestmaal, dat gegeven wordt, om het drinkvermogen van het Antwerpensch talent te vergelijken met dat van het Brusselsch clubje tot bevordering van matigheid, dat zijn doel bereikt, door zelf al den wijn van de wereld op te drinken.
Een oogenblik later klinkt luide de kreet: “Hij is gekomen!” en de menigte stroomt uit de eetzaal naar de voordeur, om De Vriendt, den schilder, te zien, gezeten op zijn wit paard en gevolgd door zes zijner leerlingen.
Zoo komen Guy en Oliver gemakkelijk in de feestzaal, een hoog vertrek met fraaie, gesneden balustrades en balkon, de muren gedecoreerd met schilderstukken en fresco’s, waarvan sommige door den aan het drinkgelag deelnemenden kunstenaar zelf geschilderd zijn.
In het midden staat een groote eikenhouten tafel,met stoelen voor zeven personen; de tafel is overladen met allerlei eetwaren, om den dorst op te wekken,—zoute visch, kaviaar, vleesch, in olie gedoopt,—alles zoo keurig mogelijk versierd en opgezet; met een menigte bloemen en een krans van rozen voor den overwinnaar. Het geheel is een afschuwelijk mengelmoes van kunst, middeneeuwsche pracht en barbaarsche losbandigheid.
Zes stoelen om de tafel worden ingenomen door “de Drinkebroers van Brussel”. Vasco de Guerra zit aan het benedeneind als de aanvoerder dezer drinkersbende. Ieder heeft vóór zich staan een kolossalen zilveren Frankforter beker, die een hoeveelheid wijn inhoudt, zóó groot, dat een matigheidsgenootschap er stuiptrekkingen van gerechtvaardigde verontwaardiging van zou krijgen.
De stoel aan het hoofd van de tafel is opengelaten voor den man, die alleen strijdt tegen de zes anderen; de glorie van Antwerpen; het groote genie, dat bezig is zijn talent te vermoorden; den grooten slemper, die voor de eer van zijn stad en voor een weddenschap van vijfhonderd gulden, op het punt staat, de zes andere nathalzen onder de tafel te drinken; terwijl rondom dien feestdisch, gewijd aan de gulzigheid en aan Bacchus, een bonte mengeling staat van mannelijke ingezetenen der stad, van den Spaanschen generaal Vargas tot den vaandrig De Busaco; van den welgedanen vorstelijken koopman tot den gespierden en vleezigen vertegenwoordiger van het slagersgilde;—ja zelfs ziet men er den kleinen Achille Touraine, die tusschen de beenen van de omstanders doorkruipt, om bij zijn meesterte komen, terwijl hij zich menigen stoot en duw moet laten welgevallen van de fatterige officieren, wier uniformen hij in wanorde brengt.
“Daar ben ik, zooals gij hebt bevolen, monsieur Oliver,” roept hij. “Dat wil zeggen, een gedeelte van mij—een van de officieren heeft mij met zijn sporen een aderlating bezorgd, zooals vader zijn patiënten doet ondergaan, en mijn gezicht is met krabben bedekt, als dat van de klanten, die door hem geschoren worden. Maar ik—ik kon niet eerder komen, Marvédie en ik waren niet eerder klaar met onze duivenpastei.”
Hier wordt de stem van den jongen overstemd door het gejuich, dat de komst van den schilder begroet. Als De Vriendt binnenstapt, zijn bleek Vlaamsch gelaat en zachte blauwe oogen verhelderd door een vriendelijken glimlach, roept hij, zijn hoed ter begroeting zwaaiend: “Welkom, broeders slampampers van Brussel!” en neemt plaats aan het hoofd van de tafel.
Dit wordt beantwoord door den kleinen, vriendelijken Tomasito, die zegt: “Gegroet, broeder-zwijn van Antwerpen.” Een middeleeuwsche geestigheid, die de menigte doet brullen van het lachen, ofschoon Floris het pijnlijke van de vernedering gevoelt en rood wordt—doch slechts voor een oogenblik.
Op het volgende heeft hij alles vergeten, behalve het genot, dat de wijnbeker hem verschaft, want een knecht plaatst vóór hem een enormen Frankforter beker met den zwaarsten Markobrunner, en zijn liefde voor het druivensap maakt er hem onverschillig voor, of hij de achting van zijn vrienden en stadgenootenverspeelt. Opstaande van zijn stoel, roept hij uit: “Laat ons beginnen, Drinkebroers van Brussel! De bepalingen van de weddenschap zijn vastgesteld. Ik drink u allen onder de tafel en laat u daar liggen.”
“Dat zijn de bepalingen, senor Floris,” antwoordt De Guerra met een onderdrukten lach en de zes pimpelaars staan op, ieder op zijn plaats en ieder met een beker in de hand, gevuld tot aan den rand met denzelfden zwaren wijn, als die in den beker van De Vriendt.
“Nu, daar gaat hij dan!” schreeuwt Floris, en ieder slaat zijn portie naar binnen, smakkend van genot, waarop de menigte bravo roept.
Maar nauwelijks zijn de kampioenen weer gezeten en hebben zij geproefd van de kaviaar, de haring of de ansjovis, als de knechts de bekers ook reeds weer gevuld hebben en Floris uitroept: “Nogmaals!”
Wederom staan zij op en naar binnen vloeit de Rijnwijn; daarna werpen zij zich weer op de spijzen,—want met dronkenschap gaat gulzigheid gepaard.
Zoo gaat de slemppartij voort, gadegeslagen door de menigte, op wier gezichten zeer verschillende gewaarwordingen zijn te lezen. De opgewondenheid stijgt; maar niemand is opmerkzamer dan Guy Chester en Antony Oliver, want niemand, zelfs niet de grootste dobbelaar van de stad, heeft zooveel gezet op dezen reuzenstrijd aan het altaar van Bacchus, als dit tweetal.
Intusschen groeit de menigte aan, en honden sluipen snuffelend naar binnen,—zij hebben het feest geroken en loeren op beentjes en kruimels,—en men onderscheidt zelfs kleederen van vrouwenop de groote galerij, die bij bruiloften wordt ingenomen door de muzikanten; en vrienden zenden bekers wijn met hun complimenten en goede wenschen aan de verschillende deelnemers.
Dezen drinken echter telkens allen tegelijk en op hetzelfde oogenblik—ofschoon nu en dan het merk van den wijn wordt veranderd om den lust tot drinken op te wekken. Rothenberger heeft den Markobrunner gevolgd en maakt op zijn beurt plaats voor Hochheimer.
Het is het tiende rondje. De inhoud uit zeven enorme zilveren bokalen, de zwaarste Rijnwijn, stroomt juist over de lippen en door de kelen van de dronkaards.
“Bij de vijftiende bokaal,” fluistert Oliver.
“Waarom nu niet?” zegt Guy vlak aan zijn oor.
“Neen, het zou niet voorzichtig zijn vóór de vijftiende,” antwoordt de schilder. “Niemand zou gelooven, dat tien bekers het hem zouden kunnen doen.”
Een paar minuten, en het twaalfde rondje is voorbij, en nu wankelt een der drinkebroers, de kleine uitgedroogde Italiaan Guiseppe Pisa, als hij tracht op te staan en zakt heel zachtjes onder de tafel.
“Doe het nu,” fluistert Guy.
“Ik durf niet—nog niet,” antwoordt Oliver.
Het dertiende rondje is gedronken onder gelach en gespot, en als De Guerra zijn beker aan de lippen zet, wordt Oliver’s gelaat krijtwit en dat van Guy eveneens, want tot hun schrik zien zij, dat de man, dien zij van plan waren te vergiftigen bij het vijftiende rondje, nu reeds wankelt en bewusteloos onder de tafel valt.
“Te laat! Mijn God, hij is mij ontsnapt,” stamelt Antony.
“Wij kunnen hem de brieven toch nog ontnemen, als het drinkgelag uit is,” fluistert Guy, die zich het eerst herstelt.
“Ja, maar dat is slechts uitstel van mijn ondergang. Vasco’s achterdocht is gaande gemaakt,—de pijnbank wacht mij. Ik zal moeten vluchten. Ik zal aan de taak, die ik mij had opgelegd, niet langer kunnen arbeiden.” Dit laatste komt nauwelijks hoorbaar van zijn witte lippen.
Maar daar stijgen alweder juichkreten op uit de omringende menigte; bij het veertiende rondje vallen twee van de overblijvende Drinkebroers van Brussel neer. Nu blijven er nog slechts twee over, om het met den schilder uit te vechten, maar deze twee zijn taai. De Vriendt glimlacht triomfantelijk; zijn Vlaamsch gelaat, ofschoon rood en opgezet, heeft nu een spottende uitdrukking, hij staat echter niet zoo heel vast meer op zijn beenen.
Weer vier rondjes, de vijfde der Drinkebroers zoekt zijn kameraden onder de tafel op. Nu komt alleen de kleine Tomasito nog op voor de dukaten, die zijn vrienden op het zestal gewed hebben en voor de eer van de hoofdstad. Guy,—die het hoofd heeft afgewend en enkel op de gelegenheid wacht, om bij het einde van het drinkgelag De Guerra van zijn papieren te berooven, daar hij er weinig om geeft wie het zal winnen,—voelt zich plotseling aan de mouw trekken en ziet, omkijkend, het ontdane gezicht van Antony met uitpuilende oogen.
“Hij komt weer bij!” fluistert deze.
“Wie?”
“Vasco! Kijk! Hij staat alweer op zijn beenen. Hij wil de weddenschap winnen. Het is een streek, een gemeene streek van hem, om zoodoende eenige bekers bij Floris ten achteren te komen.”
Dat is ook het gevoelen van Floris’ vrienden; en als De Guerra nog wankelend uitroept: “Een nieuwen beker wijn voor de Drinkebroers van Brussel,” komen zij tusschenbeiden en protesteeren op heftigen toon.
Maar De Vriendt zegt: “Laat hem maar begaan, ik geef hem vijf bekers voor en speel het toch wel met hem klaar.”
Men zal tot een nieuw rondje overgaan, maar nog vóór het gedronken wordt, ploft de kleine Tomasito neer, alsof hij door een kanonskogel was getroffen; De Guerra en Floris blijven nu alleen als kampioenen over en kijken elkander uitdagend aan, de een met den kalmen glimlach van den Vlaming, de ander schuimbekkend van woede als een echte Spanjaard, die, als hij opgewonden raakt, woest hartstochtelijk wordt,—woest hartstochtelijk in den oorlog en bij het spel.
Ieder giet zijn beker naar binnen en Floris begint te wankelen.
“Nu is het uw laatste kans,” fluistert Guy.
Een bediende roepend, zegt Antony: “Een beker van uw zwaarsten Rijnwijn, maar spoedig.”
Terwijl De Vriendt en de Spanjaard zich weer versterken voor het volgende rondje, de een door wat kaviaar te verslinden en de ander door met gezouten vischlever zijn maag te prikkelen, is hetoogenblik om te handelen voor Oliver eindelijk gekomen.
Als de knecht den wijn uit de flesch in den beker heeft gegoten, gaat hij heen en een oogenblik later ontzegelt de gehaaste schilder, die bijzonder handig geworden is door het dagelijksch omgaan met zijn fijne penseelen, vlug het kleine fleschje en giet onopgemerkt een gedeelte van het sterke vergift in den beker.
“Geef hem vooral genoeg,” fluistert Guy, die voor zijn vriend is gaan staan, om hem tot scherm te dienen, ofschoon het gedrang zoo groot is en de opgewondenheid zulk een hoogte heeft bereikt,—daar er weddenschappen twee tegen één op den Spanjaard worden gedaan,—dat het niet eens zou zijn opgemerkt, al hadden zij die voorzorgsmaatregelen niet genomen.
Bij deze aansporing giet Oliver een dubbele dosis in den beker. Daarop reikt hij hem aan Achille over, die zijn tijd nuttig heeft besteed met het eten van sinaasappelen, welke door de onvaste en bevende handen der zwelgers van de tafel zijn geworpen, en fluistert: “Breng dit aan den Spanjaard Vasco de Guerra.”
“Ja.”
“Vergis je niet! De man met den zwarten knevel met die eene grijze vlok er in!”
“Ja wel, de donkere. Ik ben geen kind!”
“Geef het hem met de complimenten en de goede wenschen van mademoiselle Wilhelmina Bodé Volckers. Rep je!”
Als de twee kampvechters weer uitdagend tegenover elkander staan voor een nieuw rondje, de Spanjaardsteviger op zijn voeten dan de andere, want zijn tactiek heeft hem een groot voordeel verschaft, gaat Achille naar hem toe, overhandigt hem den beker, door de hand van zijn vijand voor hem toebereid, en fluistert een woord in zijn oor, dat een blos van verrukking over zijn rood dronkemansgezicht verspreidt.
Den beker, dien hij in de hand houdt, op zijde zettend, roept Vasco de Guerra uit: “Dit is oude roode Rijnwijn; ik drink dien, mijn knikkebeenende Floris, op het mooiste jonge meisje van Antwerpen!”
En den beker aan zijn mond brengend, slaat hij den inhoud in een lange teug naar binnen. En als hij vervolgens naar zijn mededinger kijkt, komt er een triomfantelijke uitdrukking in zijn oogen, want de schilder kan, als hij zijn beker heeft geledigd, nauwelijks meer op zijn beenen staan.
“Vervl ...,” fluistert Oliver. “Het vergift werkt niet.”
“Wacht maar,” antwoordt Guy.
Zij zijn te angstig om verder een woord te spreken, en in ademlooze spanning staren zij naar de twee drinkebroers, die in hun stoel zijn neergezonken en de voor hen staande eetwaren opnieuw aanspreken.
Al etende glimlacht de Spanjaard over den schilder, die zijn handen nauwelijks meer tot zijn beschikking heeft.
Maar hun bekers worden weer gevuld en het tweetal staat opnieuw op, Floris moet zich met de hand aan de tafel vastgrijpen, daar zijn voeten alleen hem niet in evenwicht kunnen houden.
“Drink!” zegt De Guerra, en de schilder werktmet moeite zijn portie naar binnen, terwijl de ander flink rechtop staat en hem bespot.
“Let nu op, hoe ik het doe!” en Vasco neemt vlug, bedaard en zegevierend zijn beker op, onder het gejuich van diegenen der omstanders, die op hem gewed hebben.
Doch op hetzelfde oogenblik, dat hij den beker aan zijn lippen wil brengen, komt er op zijn gelaat een uitdrukking van verbijstering, zijn hand zakt slap langs zijn lichaam neer, en de beker valt rinkelend op den grond; dan grijpt hij met beide handen naar zijn keel, alsof hij geen adem kan krijgen en ploft als een blok hout neer op de lichamen zijner kameraden, die daar in dronkemansverdooving liggen, terwijl een triomfkreet wordt aangeheven door hen, die het op Floris hebben gehouden.
Een oogenblik later gaat De Vriendt, waggelend, strompelend, zwaaiend, ondersteund door zijn vrienden, naar buiten in de frissche lucht, die hem nieuwe krachten geeft. Bijgestaan door zijn zes leerlingen, die hem naar huis en te bed willen brengen, roept hij uit: “Hallo! nog een beker wijn, zwaren Rijnwijn, waard vanHet Geschilderde Huis!” en zijn voet in den stijgbeugel zettend, slaat hij nogmaals een groote hoeveelheid wijn naar binnen als plengoffer voor de verslagenen. Vervolgens rijdt hij, heen en weer slingerend, naar zijn paleis in de naar hem genoemde straat, omringd door zijn overgelukkige schuldeischers, die zich troosten met de gedachte, dat zoolang Floris in leven blijft, hij nog schilderijen kan maken, en dan ook wel eenige zijner schulden zal afbetalen.
De menigte, die thans naar buiten stroomt, schenkt weinig aandacht meer aan “de Zes Drinkebroers van Brussel”, behalve misschien een enkele, die den schijnbaren lijken, die hem zijn geld hebben gekost, een paar schoppen geeft.
Zoodra hij viel, hebben Guy en Oliver echter De Guerra, die zwaar ademt, opgenomen en hem naar de aangrenzende kamer gedragen.
Hier maakt de schilder haastig het wambuis van den Spanjaard open, en er zijn hand instekend, voelt hij tusschen de voering een klein pakje.
Als hij er dat uit heeft losgetornd, fluistert hij, terwijl hij het bekijkt: “Goddank! De zes brieven van Lodewijk van Nassau!”
Een oogenblik later legt Guy zijn hand op de borst van hun slachtoffer en prevelt: “De spion is dood!” En de Vlaming haalt verruimd adem,—een van de vele gevaren, die hem bedreigen, is tenminste door den dood van De Guerra afgewend.
De kleur is op zijn aangezicht teruggekeerd en hij lacht: “Uw komst ter rechter tijd en de duivenpastei hebben mij gered,—tenminste voor een korte poos, mijn vriend, mijn Guido!”
Het tweetal begeeft zich naar buiten, en als zij op straat zijn gekomen, neemt Oliver’s gelaat opnieuw een ernstige uitdrukking aan en hij fluistert: “Alva! Hier, vóór den bepaalden tijd! Hij zou eerst vanavond komen. Wat heeft hem zoo onverwachts van Brussel hierheen gebracht?”
Want een cavalcade nadert met groote praal; dertig ruiters in stalen wapenrustingen met lange lansen, waaraan het vaantje van Vargas wappert.Op een sterk Andalusisch paard rijdt aan het hoofd een lange, magere man in een compleete, blinkende, met goud versierde Milaneesche wapenrusting. Hij draagt over den ringkraag om zijn hals de keten van het Gulden Vlies, waaraan het Lam Gods hangt, het insigne van die orde. Dit is gedeeltelijk bedekt door zijn langen, oorspronkelijk zwarten, doch nu zilveren baard, die in twee eigenaardig gevormde punten op zijn borst neerhangt; ook zijn kortgeknipt hoofdhaar is grijs, evenals zijn knevel, die de opmerkelijke lippen bedekt; de bovenlip is dun en duidt wilskracht en vastberadenheid aan, de onderlip is zinnelijk, maar toch ook energiek; zijn voorhoofd is hoog, bleek, blauwgeaderd en buitengewoon intelligent, men herkent er den militairen mathematicus aan; zijn arendsneus is klassiek, forsch besneden, zuiver en onbeweeglijk; zijn wangen zijn vaalbleek en aschkleurig,—het geheel vormt een gezicht, koud als de dood, waarin twee doorborende, onverschrokken oogen gloeien, slangenoogen; en toch gelijkt het nu en dan door de eigenaardige uitdrukking, die de trekken aannemen, zóó sterk op dat van het meisje, hetwelk Guy’s hart den vorigen nacht zoo onstuimig van liefde deed kloppen, dat hij geen oogenblik twijfelt, of dit is haar vader, en hij fluistert: “Alva!”
De Hertog is in gesprek met Alfonso de Ulloa en Pedro de Paciotto, zijn grooten vestingbouwkundige, die vlak achter hem rijdt. Allen zijn met stof bedekt, tengevolge van den haastigen rit.
Terwijl zij voorbij de herberg rijden, kijkt de Onderkoning met zijn scherpe oogen uit de hoogteop de menigte neer, die hem met den hoed in de hand nederig groet. Eensklaps houdt hij zijn paard in en roept: “Oliver! Antonius Oliver!” en de schilder, naar voren tredend, buigt voor het strijdros van den Hertog.
“Het toeval dient mij, dat ik u zoo spoedig tref. Ga onmiddellijk een zekeren Vasco de Guerra, ex-kapitein in Ladrono’s regiment musketiers, voor mij opsporen. Zeg hem, dat hij binnen een uur bij mij moet komen, ik wil hooren, wat hij mij te zeggen heeft. Breng hem maar liever dadelijk zelf naar de Citadel,” beveelt de landvoogd.
“Met verlof,—Uwe Hoogheid,” antwoordt Oliver, “de man—de man, naar wien gij vraagt—”
“Nu, vlug wat. Waarom hakkelt gij zoo?” zegt de Onderkoning, want de onverwachte vraag naar den man, dien hij heeft vermoord, heeft den schilder geheel van zijn stuk gebracht, hoe koelbloedig hij anders ook is.
“Ik wilde zeggen, Uwe Hoogheid, dat deze Vasco de Guerra, die behoort tot ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, nu smoordronken in de herberg ligt, tengevolge van den wedstrijd in het drinken met De Vriendt.”
“Wat, met dien in zijn hersens gekrenkten kunstenaar Floris!” zegt Alva; dan vervolgt hij, op een toon zoo barsch, dat Oliver er van siddert: “En die dronkaard dacht, dat ik hem zou herstellen in zijn rang in het leger! Hij wilde mij vandaag een mededeeling doen,—waarvan de veiligheid van het rijk misschien afhing,—wat mij vier uur vroeger dan mijn plan was te Antwerpen bracht! Zeg den provoost-geweldige, dat hij De Guerra terstondin arrest neemt. Ik wil hem in de gevangenis spreken, als hij ontnuchterd is,—dien zot, dien dronkaard, dien zuiplap. En toch ben ik benieuwd, wat hij mij heeft te zeggen.—Voorwaarts, heeren!”
En de Hertog rijdt verder, den schilder bijna even wezen- en ademloos latende staan, als het lijk inHet Geschilderde Huis; want Oliver weet, dat de dood hem haast even nabij is geweest als zijn slachtoffer, en hij mompelt, terwijl hij zich weer bij Guy voegt: “Brr! De beul heeft mij nog nooit zoo dicht op de hielen gezeten, als vandaag!”