HOOFDSTUK XXII.“HAHA! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!”Terwijl zijn beminde haar best heeft gedaan om Papa’s toestemming te verkrijgen, heeft Chester gewerkt als een bever, die voor zijn wintervoorraad moet zorgen. De matrozen hebben onder leiding van Bodé Volckers al het zilver, waarvan een gedeelte in staven en de rest in Spaansche dollars, in den kelder gedragen, en terstond bij het openen van de stadspoorten, brengen zij de eerste vracht in het ruim van het schip, want het zilver neemt veel meer plaats in dan het goud, al is de waarde er van ook niet zoo groot.Daar zij, zooals begrijpelijk is, zich hiermee zooveel mogelijk haasten, gelukt het hun, reeds op den middag alles in het ruim van deEsperanzaonder dek te brengen.Martin Corker, die in het huis van moeder Sebastian is gebleven, om toezicht te houden sinds Chester de wacht op deEsperanzaheeft betrokken, zegt, met de laatste vracht aan boord komend, tot zijn commandant: “Bodé Volckers wenscht, dat gij,zoo gauw als ge kunt, in het huis van ‘de Stomme Duivelin’ bij hem komt.”“Waarom?”“Hij heeft de kist met juweelen nog laten staan. Hij was bang, dat eenige van de matrozen haar zouden wegmoffelen, zij is zoo gemakkelijk te hanteeren en houdt waarschijnlijk een groote waarde in.”Met een onderdrukte verwensching aan het adres van den koopman, want Chester verlangt hoe eerder hoe liever uit te zeilen, loopt hij zoo vlug als hij kan naar het huis van moeder Sebastian en vindt daar Niklaas met vier matrozen, de laatste die er zijn achtergebleven.“Heb ik u niet gezegd, dat ik overdag liever niet in de schatkamer ging?”“Ja, maar ik wilde niet gaarne de juweelen verliezen,” antwoordt de koopman.“Het geval ligt er toe,” zucht Chester, “ik zal er dus nog eens in moeten gaan.” Hij doet dit en vindt alles zooals vroeger. Als hij terugkomt van zijn tocht onder de gracht door naar het gewelf onder het groote bastion, lacht hij: “Alles is in orde, dit is het laatste van Alva’s nesteieren.”“Hebt gij al de ijzeren deuren weer gesloten?”“Ja.”Daarna brengen zij de groote steenen weer op hun plaats, waardoor de ingang naar het gewelf wordt gesloten en leggen er de steenen van den keldervloer weer boven op, en nadat de matrozen eenige geldstukken, die uit een zak gevallen zijn, opgeraapt en bij zich gestoken hebben, ziet de kelder van senora Sebastian er precies weer zoouit, als zij hem hebben gevonden. En als Bodé Volckers nog een flesch met rum naast de snorkende stomme vrouw heeft neergezet, schudden zij met een zucht van verlichting het stof van hun voeten.“Hebt gij de papieren van uitklaring?” fluistert Guy.“Ja, ik zal ze van mijn kantoor gaan halen.”“Goed, dan zullen wij de zeilen maar hijschen,” zegt de Engelschman, en de kist met de juweelen, die hij met een mantel heeft bedekt, zelf dragende, begeeft Guy zich aan boord van deEsperanza.Daarna maken zijn matrozen alles gereed om de Schelde af te varen, terwijl Guy ongeduldig wacht op zijn papieren van uitklaring, want iedere minuut komt hem nu voor als een uur van folterende onrust. Eensklaps verschijnt Bodé Volckers, bleek, zenuwachtig, zich reppend, zooveel als zijne dikke beenen onder zijn zwaar lichaam dit toelaten. Hij komt de loopplank op, en zegt, Guy de papieren toestekend: “Kapitein Andrea Blanco, uw papieren.”“Gaat gij weer aan wal?”“Neen, ik ben doodelijk geschrikt! God helpe mij! Ik durf hier niet te blijven. Breng mij naar de hut, er is iets verschrikkelijks gebeurd.”“Wat?” brengt Guy met moeite uit, doch hij geeft tegelijkertijd zijn bevelen, om onder zeil te gaan. De matrozen vliegen allen naar hun post en Martin Corker grijpt het roer. Als zij de Schelde afzeilen, gaat Guy in zijn hut en fluistert tot den koopman, die half bezwijmd is:“Wat is er gebeurd, wat heeft u zoo doen ontstellen?”“Groote God! de hand heeft zich bewogen!”“Welke hand?”“De hand van Alva’sstandbeeld!”“Genadige hemel!—Wanneer?”“Toen gij het gewelf binnengingt, vanmiddag om twaalf uur, heeft zich de hand van Alva’s standbeeld bewogen. Ze zullen nu al wel in het huis van moeder Sebastian zijn! Het standbeeld bewaakte Alva’s schat. God zij ons genadig, als zij een bode naar Lillo zenden, om de schepen aan te houden eer wij het fort voorbij zijn. Het garnizoen spreekt er van, alsof het iets bovennatuurlijks ware! Zij zeggen, dat het de val van Haarlem beduidt, maar ik weet nu, dat het zeggen wil, dat iemand in Alva’s schatkamer is binnengedrongen. Daarom was het helsche standbeeld daar neergezet,” roept Bodé Volckers uit.Maar zijn laatste woorden zijn gericht tot een leege hut, want Chester is op het dek, om op deEsperanzaalle zeilen te doen bijzetten. Het schip vliegt de Schelde af met zulk een vaart, dat het bijna onmogelijk zou zijn hen in te halen en Chester doet een schietgebed, dat de douanen hem niet te lang mogen ophouden.Deze Spaansche beambten, die hij praait, ontvangt hij aan boord, en hun chef maakt hij gelukkig, door hem een rol dubloenen in de hand te stoppen, met het verzoek, om wat voort te maken, daar hij zich heeft te haasten om den wind en het tij. Dank zij de dubloenen, vergunt men hem spoedig te passeeren. Met een zucht van verlichting stevent Guy, steeds met alle zeilen bij, de Schelde af, en om vijfuur zijn zij deDover Lassin het Kromvliet opzij gekomen en laden zij onmiddellijk den schat over in het gewapende schip.Hiermee zijn zij om zeven uur reeds klaar; want Chester heeft nu honderd vijf en twintig matrozen aan het werk, die hun handen reppen, zooals zeelui altijd doen, als er uitzicht is op buit.Vervolgens vraagt Guy aan Dalton: “Zijt gij er in geslaagd, een geestelijke van de Katholieke kerk in Zeeland voor mij op te sporen, zooals ik u had opgedragen?”“Ja en het was alsof de drommel er de hand in had,” zegt de ruwe officier. “Ik kwam dadelijk terecht bij den eenige, dien de Hollanders gespaard hadden. Er was er eigenlijk nog wel een, maar Michael Krok had hem de ooren afgesneden en ik wist niet of hij een wettig huwelijk zou kunnen inzegenen,” want Guy is genoodzaakt geweest zijn eersten officier in het vertrouwen te nemen.“Vraag hem, of hij hier wil komen,” zegt Chester.En als de priester bij hem wordt gebracht, merkt de commandant op: “Men heeft u toch goed behandeld, eerwaarde vader?”“Uitstekend. Men heeft mij zoo overvloedig van alles voorzien, dat het mij speet, dat het vastendag was. Ik lijd tegenwoordig geregeld honger. De Hollanders hebben mijn kudde verstrooid en mij van alles beroofd.”“Weet gij, waarom ik u liet komen?”“Ja, men zeide mij, dat ik een sacrament van de Kerk moest verrichten; ik ben daartoe bereid, want daarvoor ben ik op het eiland gebleven,”—hijwijst in de richting van Zuid-Beveland,—“alle vervolgingen, alle bedreigingen, alle beleedigingen ten spijt. Vraag iederen Watergeus of vader Anastasius ooit voor hen vluchtte, en er is slechts één onder hen, die de Katholieke priesters behandelde als Godsmannen. De ‘Eerste der Engelschen’ is, ofschoon hij Alva beoorloogt, een getrouwe zoon van Rome. Als zoodanig voldoe ik gaarne aan zijn verzoek.”“Kent gij mij?” vraagt Guy.“Ja, dat is de reden, waarom ik zoo spoedig kwam.”“Dus wilt gij met mij gaan, om een sacrament van de Kerk te verrichten?”“Dat zou ik voor iedereen doen, die er om vroeg.”Guy is er van overtuigd, dat dit zoo is; want vader Anastasius is over geheel Zeeland bekend als een priester, die zijn Heer meer liefheeft dan zijn leven en die zijn plicht even nauwgezet vervult tegenover den nederigste als tegenover den hoogst geplaatste, zooals de Kerk dit voorschrijft.“Geef vader Anastasius een plaats in mijn sloep,” zegt Chester kortaf tot Dalton. “Beman en bewapen ze!”“Dat is reeds geschied.”“De twee andere ook?”“Ja.”“Hoeveel man?”“Zestig.”“Dus blijven er nog zestig voor deDover Lassover. Dat is voldoende, zelfs voldoende om het schip te verdedigen in geval van nood. Gij moet het commandoover het schip van mij overnemen, Corker zal over de sloepen commandeeren. Zijn zij goed bewapend?”“Ja, pistolen, haakbussen, pieken en strijdbijlen alles zoo goed in orde, alsof wij op roof uitgingen, in plaats van op een troubadours-avontuur,” antwoordt de luitenant.Om acht uur is de schemering neergedaald over land en zee, en berekenende, dat een uur voldoende is om hem naar het landhuis te brengen, waar zijn beminde hem wacht, begeeft Chester zich op weg, in zijn sloep den Roomsch-Katholieken priester met zich nemend, en gevolgd door de twee andere sloepen; de roeiers spannen hun spieren in zooveel zij kunnen, want zij verlangen zoo spoedig mogelijk weg te komen, wetende, dat zij met hun schip nu een hoogen prijs waard zijn.Veertig minuten later, dicht bij Sandvliet, ontmoeten zij een boot vol Italiaansche muzikanten met violen, mandolines, fluiten en harpen, en versierd als voor een feest.Zij zijn vroeg in den morgen voor dien avond aangenomen door Achille, die nog altijd kajuitsjongen is. Allen zijn heel lustig en zingen een vroolijken Toskaanschen minnezang.“Dit is mijn klein waterfeest,” fluistert Guy tot Corker, die naast hem zit en wien hij zijn laatste bevelen geeft. “De dame zal denken, dat het een pleziertochtje op de rivier is.”“Oho! Ontvoering!” lacht de bootsman.“Ja—om haar, die ik bemin en vereer—tot mijn vrouw te maken,” antwoordt Guy. Daarna fluistert hij: “Zij is Alva’s dochter.”Waarop Corker een langgerekt gefluit doet hooren en mompelt: “Groote God!” en met een doodelijk ontsteld gelaat luistert, als Guy hem nog eenige orders geeft: “Neem de grootste sloep, bewaak den dijk tusschen het huis en Sandvliet, om de troepen tegen te houden, die bij een mogelijk alarm zouden kunnen aanrukken. De beide andere sloepen zullen de andere zijden van het huis bewaken.”Want Chester vreest, dat op het laatste oogenblik een der lakeien of de gravin De Pariza bericht van wat er in Sandvliet gebeurt naar Lillo zal zenden of dat een onverwacht voorval zijn plannen zal dwarsboomen, en hij weet, dat als hij Hermoine ditmaal verliest, zij voor altijd voor hem verloren zal zijn.Een oogenblik later fluistert hij verrukt: “Kijk, het huis ziet er feestelijk uit, het is geheel verlicht; zij is voor mij gereed, mijn bruid!” Nadat hij Corker nog de meest mogelijke waakzaamheid heeft aanbevolen, neemt deze het bevel op zich.Twee minuten later bereikt Guy de landingsplaats.“Onder dat venster daar, muzikanten; en speelt een zachte Venetiaansche serenade,” fluistert hij tot den leider der Italianen, naar het groote vooruitspringende venster wijzend, dat helder verlicht is.“Si, gracioso, Senor,” antwoordt de leider van deze ongelukkige drommels; want Guy heeft hen voor zijn feest gehuurd met vorstelijk milde hand, zichzelf financieel als een Midas gevoelend. “Een aangenamen avond, senor, een recht aangenamen avond!” En de gelukkige Italiaan kust de hand van zijn milden begunstiger en gaat met zijn troep datgene tegemoet, wat het noodlot over hem heeft beschikt.Hierop antwoordt Guy niets, maar springt aan land en fluistert tot zijn bootsman: “Houd de boot gereed, om onverwijld te kunnen vertrekken,” en tot den priester: “Ik verzoek u, met mij mede te gaan, eerwaarde vader.”Zij gaan nu de trappen op naar den dijk en wandelen het pad op, dat door den kleinen tuin naar het huis leidt.“Het is een zomernacht,” zegt Guy. “Vader Anastasius, zoudt gij er niet tegen hebben, hier onder de boomen op de bank te gaan zitten, totdat ik u laat roepen? Het is het sacrament van het huwelijk, dat ik mij door uw handen wensch te laten toedienen, en ik zou eerst nog met de dame willen spreken, eer ik u bij haar breng.”“Zooals gij verlangt,” antwoordt de man Gods. “Ik kan evengoed voor u en uw huwelijk bidden hier onder den vrijen hemel als in een paleis.”Daarna klopt Guy aan de huisdeur; hij is zonder wapens, behalve het rapier, dat de ridders steeds dragen, en het scherpe stiletto, dat hem nooit verlaat, want hij wenscht zijn beminde niet te verschrikken door een onnoodige tentoonspreiding van oorlogstuig.De deur wordt terstond geopend door Alida, die fluistert: “Zij wacht u reeds, heer, en is overgelukkig! Neem de gelukwenschen aan van haar, die u beiden liefheeft en uw slavin is.”Het Moorsche meisje wil zijn hand kussen, maar hij laat haar daarvoor den tijd niet en is het vertrek met het groote vooruitspringende venster reeds binnengetreden, om het verlicht te vinden door welriekendelampen, en versierd met bloemen, linten en groen, als voor een luisterrijk feest.En van het venster, waar zij naar hem heeft staan uitkijken, zweeft een wezen van verrukkelijke aanminnigheid hem tegemoet en hij fluistert: “Mijn bruid, gij zijt veel te schoon voor deze aarde!”Hij heeft gelijk, want het meisje is gekleed als een bruid, in glinsterende witte zijde, een kostbaar voortbrengsel van de weefgetouwen van Lyon. Zij heeft oranjebloesems in het haar, haar fraaie schouders en haar hals zijn wit als ivoor en de blanke arm, dien zij om zijn hals slaat, is zoo blank als albast: “Mijn Guido, eindelijk! Nu zult gij zien, welk een verrassing ik voor u heb. Kom met mij mee, nu zullen wij gelukkig zijn. Als ik er hem om smeek, zal hij misschien toestaan, dat wij dezen avond nog vereenigd worden.”Haar vingers wijzen naar de kapel, en zij lacht: “Ik heb een verrassing voor hem ook. Ik heb vanavond tot de Madonna gebeden en nu ziet zij zoo vriendelijk op mij neer.”Guy begrijpt niet recht, wat zij bedoelt, maar hij voelt zich overgelukkig, vooral als hij de kapel ziet, nadat de gordijnen zijn weggetrokken; de waskaarsen branden bij dozijnen op het altaar, het is versierd met bloemen en alles schijnt gereed voor een godsdienstige ceremonie.“Kijk er niet te lang naar, maar kom mee. Hij zal verbaasd zijn, als ik hem de reden zeg.”“Hij! Wie?”“Dat zult gij aanstonds zien; ik zal hem bij u brengen.” Zij staan nu voor de draperieën, die dentoegang naar de eetzaal afsluiten, en het meisje roept uit: “Trek de gordijnen weg!”Als deze zich openen, fluistert zij: “Guido, op uw knieën voor mijn vader, die mij heeft beloofd, dat gij mijn echtgenoot zult worden—op uw knieën en dank hem, zooals ik doe!” en zij werpt zich neer voor de magere figuur in het zwart, die altijd het Gulden Vlies draagt, den Onderkoning van den koning van Spanje, den hertog van Alva.Hoe groot is echter haar verbazing, als Guy, in plaats van zijn knieën te buigen, met een sprong en een kreet van ontzetting van haar zijde wegsnelt en de hand aan zijn rapier slaat.Op hetzelfde oogenblik springen acht Spaansche busschutters door de geopende vensters in het vertrek en grijpen hem, terwijl zijn zwaard nog pas half is uitgetrokken, en binden zijn handen, doch niet zonder een wanhopige worsteling. Eer hij overmand is, ligt er een Spanjaard dood aan zijn voeten.Het meisje is hevig ontsteld en roept uit: “Guido, zijt gij krankzinnig geworden, dat gij een Spaansch krijgsman doodt?” en zij voegt er op hoogen toon aan toe: “Mannen, bevrijdt dien officier terstond!”Maar de mannen kijken slechts haar vader aan.“Bevrijdt dien officier! Gij weet niet, wat gij doet. Maakt hem los! Het is kolonel Guido Amati, de aanstaande schoonzoon van uw Viceroy!” En als ter verontschuldiging zegt zij tot Guy: “Het is een allerjammerlijkst misverstand, mijn Guido. Worstel niet met hen, zij zouden u kunnen dooden.” Want Chester tracht zwijgend zich een weg te banen naarhet venster, om er zich uit te werpen in de Schelde.Daarna wendt Hermoine zich tot haar vader en roept uit: “Beveel uw soldaten, den man, dien ik bemin, weer vrij te laten. Is dat de manier, waarop gij de belofte houdt, die gij aan uw dochter hebt gedaan?”Daarop vraagt de Hertog: “Wie is die man? Laat iemand mij dat zeggen. Herkent gij hem? Wie is hij?”Naar voren tredend, salueert de brutale sergeant van Romero en fluistert in het oor van den Onderkoning: “Het is de ‘Eerste der Engelschen’!”Bij deze woorden barst de hertog van Alva in een akelig gelach uit. “Haha! De vos is eindelijk gevangen! Mijn dochter, gij hebt de tien duizend kronen verdiend. Hij is de man, naar wien ik zoolang gehunkerd heb. Kom hier en kus uw vader!”En tusschen dit alles door dringt de zachte muziek naar binnen van de harpen, mandolines en violen der muzikanten in de barge, die buiten op het water een serenade spelen.De muziek hoorend en het voornemen van den Engelschman bemerkend, beveelt Alva op scherpen toon: “Zijn boot—zorg voor zijn boot! Laat niemand ontsnappen!”Onmiddellijk wordt er gevuurd op de boot en klinken er hartverscheurende kreten uit de kelen der doodelijk gewonde Italianen, die sterven met de tonen der muziek op de lippen en onder het venster verdrinken.Op hetzelfde oogenblik rukt Chester zich los en snelt naar Hermoine toe, en haar Guido, de man, dien zijbemint, vraagt haar huiverend: “Waarom hebt gij dat gedaan?”“Waarom ik dat heb gedaan? Omdat ik u liefheb!” antwoordt zij. “Waarom hebt gij dien man gedood?” Want zij begrijpt het nog niet.Maar haar vader zegt: “Kom bij mij, Hermoine, ik zal u alles uitleggen.”Zij antwoordt: “Neen, neen!” En als Alva naar haar toe komt, roept zij afwerend: “Blijf waar gij zijt! Waag het niet, mij aan te raken, eer gij mij hebt gezegd, waarom gij uw belofte zijt vergeten!”Daarop antwoordt Alva, met een stem, die haar zoo scherp voorkomt, als de bazuin van het laatste oordeel van onzen Heer hun zal voorkomen, wien geen hoop wacht in de eeuwigheid: “Dit is niet de man, dien gij meendet lief te hebben. Dit is niet Guido Amati. Hij werd gedood in het gevecht op het ijs, gedood door dezen Engelschen roover, dezen vervloekten zeeschuimer, dezen laaggeboren clown, die een Spaansch edelman naäapte, om uw vertrouwen en liefde te winnen.”“Laaggeboren clown!” barst de Engelschman verontwaardigd los. “Dat is een leugen, waar gij dat schimpwoord met den naam van Chester verbindt. Hertog van Alva, gij spreekt tot een ridder; geridderd door de Koningin zelve. Ik heb in mijn aderen het bloed van de Stanhopes, die onder Willem den Veroveraar vochten; mijn neef is een Stanley en draagt een gravenkroon. Adeldom bezit ik genoeg voor u en de uwen. Denkt gij, dat ik haar, die ik bemin, zou misleid hebben door haar te bewegen tot een verbintenis met onedel bloed?Hier op mijn borst draag ik de gouden sporen van mijn ridderschap!”Het meisje, dat ineengekrompen is onder de woorden, die den man, dien zij liefheeft, als een onedele brandmerken, rukt de sporen van zijn borst, die toonen, dat hij van rang is, houdt ze Alva voor en roept op bijna gelukkigen toon uit: “Hij is van adel! Vader, hoort gij mij?Hij is van adel. Nu kunt gij niet meer weigeren, hij is van adel, al is hij”—zij breekt eensklaps af en zegt stamelend tot Guy, want zij begint het nu te begrijpen: “Zijt gij de—de ‘Eerste der Engelschen’?”“Ja!”Het antwoord wordt gegeven op een hoogen en trotschen toon, en nu wordt haar eensklaps alles helder en zij stamelt: “O, nu begrijp ik alles—! Deze—deze Oliver, zijn vriend—den dag, dat hij mij bevrijdde—den dag, dat zij zeiden, dat de Engelsche zeeroover in Antwerpen was.” Daarna fluistert zij, bijna juichend: “Dien dag, mijn lieveling, heb ik u tweemaal gered; thanswil iku wederom redden!”Doch deze woorden eindigen in een verschrikkelijken kreet, als Alva, op een toon, even onwrikbaar als de rots der eeuwen, ijskoud zegt: “Gomez,haal den beul!”“Den beul! Vader, gij begrijpt het niet. Dit is de man, dien ik bemin.”“Gij bemint hem?” spot de Hertog. “Gij bemint den vijand van uw land? Dezen man, een vriend van Oliver, den verrader in mijn omgeving, wiens aanval op Bergen Oranje tijd gaf, omgeheel Holland in opstand te brengen, den man, die mij ter wille van zijn koningin beroofde van mijn Italiaanschen schat? Gij moet hem haten, mijn dochter, zooals ik doe,” en hij wendt zich af om zijn verdere bevelen te geven.Bij deze woorden vertoont er zich een spotachtige lach om Guy’s mond, maar Hermoine legt haar hand op zijn lippen en fluistert smeekend: “Vertoorn hem niet, beheersen u, om mijnentwille, mijn Guido—mijn Engelschman. Ik kan Papa om mijn kleinen vinger winden,” en zij tracht hem bemoedigend toe te lachen: “Kijk wat ik ga doen.”En in het volgend oogenblik slaat zij haar armen om zijn hals en vleit: “Wat spreekt gij toch voor onzin? Gij doet altijd, wat uw Hermoine u zegt te doen. Lieve papa, zal ik u aan uw stouten baard trekken?”Hij antwoordt echter: “Kind, gij begrijpt mij niet. Ik zal allerlei mooie zaken en nieuwe kleederen voor u uit Frankrijk laten komen. Gij zult hem spoedig vergeten!” en met verheffing van stem:—“De beul!”Zij laat zich echter niet zoo gemakkelijk afschepen en tracht te lachen: “De beul?—voor den man, dien gij mij tot echtgenoot beloofd hebt? Welk een onzin! Gij bedoelt den priester. Mijn lieve, beste domme papaatje, laat dadelijk den priester halen!”Doch Alva antwoordt ijskoud: “Om hem te laten biechten, als hij geen ketter was!” Daarop vervolgt hij op strengen toon: “Gomez, waarop wacht gij nog? Gij hebt mijn bevelen—De beul!”HOOFDSTUK XXIII.“HET IS EEN STAATSZAAK!”En voor het eerst van haar leven gedraagt zij zich oneerbiedig tegen haar vader en lacht zij spottend, maar tegelijk smartelijk: “Mijn vader biedt mij sieraden aan voor het leven van mijn beminde! Misschien werpt hij mij het goud, dat als prijs op het hoofd van mijn beminde staat, in den schoot en denkt dat ik het zal gebruiken om er lekkernijen voor te koopen,” en dan zegt zij weer snikkend tot Guy, die, nu al de uitgangen van het vertrek bezet zijn, geen kans tot ontsnappen meer heeft, dan schier alleen door bovenmenschelijke middelen:“O, barmhartige Moeder Gods, waarom hebt gij mij niet vertrouwd? Dacht gij, dat ik enkel uw naam liefhad?” En daarna smeekt zij met heesche stem: “Vader, spaar hem! Gij hebt het beloofd! Spaar tenminste zijn leven. Vader, barmhartigheid voor mij!”Want men hoort nu rumoer buiten, het geluid van mannen, die het huis binnenkomen; maar het is slechts de luitenant van de lijfgarde, die binnentreedt,met een viool druipend van bloed in zijn hand, en rapporteert: “Wij hebben iedereen, die in de boot was, gedood, muzikanten en allen.”Dit bericht vervult Chester met een sprankeltje hoop, het eerste, dat in hem gloort. Als een lichtstraal gaat het hem door het hoofd: “De slachting van de muzikanten is een waarschuwing voor mijn booten, dat hun commandant zich in gevaar bevindt.”Maar deze zwakke hoop maakt weer plaats voor een gevoel van smart voor haar, die hij bemint, want Hermoine smeekt nu tot haar vader, als gold het haar eigen leven, hem noemende met vleiende namen, alsof zij hem aanbad in haar vertwijfeling, en zij zegt snikkend, ofschoon zij geen tranen heeft: “Vader,hoortgij mij niet, voelt gij mij niet?” Met haar armen om den hals van den ijzeren onderkoning gaat zij voort: “Weet gij dan niet—dat ik—dien man bemin!—Zie het dan, geloof het als gij de wanhoop ziet van mijn brekend hart! Als gij hem doodt, zult gij mij dooden. Ik heb over hem getreurd toen ik hem dood waande; moet ik nu opnieuw tot weduwe gemaakt worden?”En terwijl zij zoo smeekt, in haar wanhoop, is Hermoine de Alva nog liefelijker dan in haar vreugde, want zij is als met een bovenaardsch waas overtogen—zij is als Eva, pleitende voor Adam, niet bij God, maar—bij Satan.Doch Satan is niet barmhartig, en meenende, dat haar vader niet begrijpt, dat haar eigen leven er mee gemoeid is, roept zij uit: “Nu zult gij mij toch wel gelooven!”En het meisje gaat blozend, ondanks de tegenwoordigheid van de oude veteranen en al de lakeien en bedienden, die op het rumoer zijn toegesneld en die nu aan de deuren staan, naar Chester toe, slaat haar armen om hem heen en kust hem snikkend en smeekt hem, niet te denken dat zij hem voor iets ter wereld zou hebben kunnen verraden, want zij heeft hem zoo innig lief.Maar opeens verandert haar gelaat van uitdrukking, want terwijl zij over Guy staat heengebogen, fluistert deze haar in het oor: “Tracht tijd te winnen—waarschuw mijn booten—tracht tijd te winnen.”Zij denkt er over na, hoe zij dit zal doen, en begrijpt, dat alleen list haar kan baten.Zij wendt een flauwte voor en mompelt: “Water—water—mijn hoofd!”Waarop haar vader uitroept: “Groote God, zij bezwijmt!”En schamper zegt zij tot hem: “Dat zou u goed te pas komen! Als ik weer bijkwam, zou ik beroofd zijn van wat mij het dierbaarste is. Neen, ik wil niet bezwijmen, zoolang hij leeft—water!”Alva zelf wil het haar brengen, maar zij duwt hem weg en zegt huiverend: “Niet uit uw handen; mijn kamenier Alida—snel!”En het Moorsche meisje, dat alles met gespannen belangstelling heeft gadegeslagen, snelt toe en brengt haar een beker vol.Terwijl Hermoine drinkt, fluistert zij: “Naar de landingsplaats, waarschuw de booten—de Engelsche booten!”Een flikkering in de schrandere oogen van hetMoorsche meisje duidt aan, dat zij het begrijpt en zij verlaat het vertrek met den beker in de hand.De Hertog bemerkt het niet. Nadat zijn dochter hem huiverend van zich stiet, heeft hij zich afgewend en zijn hand op zijn hart gedrukt, terwijl zich een sterke ontroering op zijn gelaat afteekende. Van dit oogenblik afaan vermijdt hij het zijn dochter aan te zien, die, nu zij haar vader niet kan vermurwen, nog alleen van uitstel redding verwacht.Hierin wordt zij onverwachts geholpen door een vijandin, de gravin De Pariza, die valsch lachend binnenkomt: “Gij zult hem toch zeker langzaam laten verbranden? Hij is een ketter.”“Wat leutert gij van ketter, draak,” roept Chester, “ik ben een evengoed Katholiek als de hertog van Alva zelf.” En aan zijn God denkende, nu de dood hem zoo nabij is, neemt hij zijn rozenkrans en begint te bidden.“Een Katholiek,” lacht Alva hoonend, “evengoed als ik? En gij verzet u tegen den koning van Spanje?”“Ja,” antwoordt Guy, “ik ben een Katholiek,maar ik ben ook een Engelschman.”“Er zal er spoedig een minder zijn, om tegen de Spaansche vlag te vechten,” zegt Alva hoonend.Dit gaat vergezeld van een wanhoopskreet van zijn dochter.De beul, een van hen, die Alva altijd met zich voert, om parate executie te kunnen houden, komt binnen (een man in een nauwsluitend leeren buis en met een afgrijselijk wreed gelaat) en Alva zegt tot hem: “Hoe nu, kerel, waar is uw strop?”“Ik dacht, heer,” antwoordt de man, “naar hetgeenik buiten hoorde, dat er iemand verbrand moest worden en ik kwam vragen, waar dat moest geschieden. Er zijn takkenbossen genoeg in den kelder om mijn man te roosteren. Zal ik hem verbranden op het plein voor het huis? Ik kan genoeg talk vinden, om hem in te smeren!”De uitdrukking op het gelaat van zijn dochter, waarmee zij, zonder een woord te zeggen, op hem afkomt, terwijl zij hem strak aankijkt, doet Alva het hoofd afwenden en mompelen:“De strop; hij is geen ketter, hang hem buiten aan een boom op.”“Zijt gij daartoe vast besloten?” Hermoine’s welluidende stem is nu gebroken en schor.“Ja! Het is een staatszaak.”“Mijn tranen, mijn gebeden, mijn gebroken hart,”—zij brengt dit met moeite uit,—“kunnen dus geen verandering brengen—in—uw besluit?” En er ligt een uitdrukking van doodsangst in de schoone oogen van het meisje, dat geen tranen meer heeft.“Neen. Het is een staatszaak.” Alva’s lippen beven, terwijl hij dit zegt.“Dan eisch ik voor den man, dien ik bemin, en die geen ketter is, het recht om de laatste genademiddelen van de Kerk te ontvangen. Gij zult zijn ziel niet verdoemen, al veroordeelt gij zijn lichaam. Gij zijt zelf een te goed Katholiek, om een Katholiek te doen sterven zonder den bijstand van de Kerk.”Don Fernando antwoordt hierop: “Er is geen priester hier.”“Gij brengt den beul mede en geen priester!” zegtzij bitter. “Geef hem en mij tenminste den tijd om onze gebeden op te zeggen—want als hij sterft—breekt mijn hart ook.”Maar nu komt er eenige beweging onder de krijgslieden aan de deur, en een man in priestergewaad zegt: “Plaats voor een vader van de Kerk!”En als de krijgslieden hem doorlaten, ziet Guy tot zijn verbazing, dat het vader Anastasius is, dien hij had laten opsporen, om hem dezen avond te trouwen.“Nu,” roept Hermoine uit, “hertog van Alva, kunt gij niet langer weigeren.”“Dat zal hij ook niet,” zegt de priester, “hij zal het mij niet weigeren, mij, vader Anastasius, die zooveel jaren in Zeeland heb geleefd en vervolgd ben ter wille van onzen Heer; hij mag mij de vergunning niet weigeren om de ziel van dezen man te redden.”“En waarom niet?” antwoordt Alva hooghartig.“Omdat ik u in den ban zou doen. Goed Katholiek als gij zijt, hebt gij geen recht, om een ordonnantie van Rome te schenden.”“Ga uw gang dan. Bindt hem stevig. Bid met hem in die kapel, als gij meent, dat dit plechtiger is, en red zijn ziel. Nu, meisje, ga naar uw kamer.”“Niet voordat ik het laatste oogenblik heb gezien en de laatste woorden heb gehoord van den man, dien ik bemin. Gij hebt mij alles geweigerd, waarom ik u smeekte, gij hebt geweigerd het leven van mijn geliefde te sparen en ik heb er u niet om vervloekt—omdat ik uw dochter ben. Maar ik zal’s hemels wraak over u inroepen, als gij mij van zijn zijde wegzendt, zoolang er nog leven in hem is.”Hierop zegt Alva niets, doch zinkt neer bij de tafel, met het hoofd in de handen, terwijl hij tot den luitenant mompelt: “Met uw leven staat gij ervoor in, dat hij niet ontsnapt.”Als er een wacht is geplaatst voor den ingang van de kapel, wordt Guy er gebonden en hulpeloos heengeleid, en hij zinkt voor den priester neer.Maar terwijl hij de biecht van den stervenden zondaar aflegt, hoort hij het geruisch van zijde naast zich en de witte kant en de oranjebloesem raken zijn gelaat aan, dat gewond is door geweerkolven, en een schoon wezen, op wier gelaat wanhoop te lezen staat maar tevens goddelijke liefde, knielt naast hem neer en fluistert tot den priester: “Niet het sacrament der stervenden, maar het sacramentvan het huwelijk!—met dezen man, dien ik liefheb en die mij liefheeft—en die zijn leven keer op keer heeft gewaagd, om mij te komen zien. Nu weet ik, welke gevaren gij hebt getrotseerd om mij te winnen—mijn Guido!—nu weet ik het—mijn Guy, mijn Engelschman!”“Maar de hertog van Alva!” mompelt de priester ontsteld.“Gij toondet daareven ook geen vrees voor hem. Wees even barmhartig als gij goed zijt. Kijk naar het altaarstuk, zie, de Madonna smeekt u voor mij!”En naar het altaarstuk ziende, schrikt vader Anastasius, maakt het teeken des kruises en stamelt: “Een wonder! Het gelaat van de MoederGods is het uwe, mijn kind; dezelfde oogen, dezelfde mond—wonderbaar!”“Gij ziet, dat Moeder Maria mijn gelaat heeft aangenomen, om mijn voorspraak bij u te zijn,” fluistert het meisje, een ingeving krijgend. “Spoedig, maak de ceremonie zoo kort mogelijk.”Aldus aangespoord, spreekt de priester, denkende dat het op bevel van de Heilige Maagd zelve geschiedt, over Guy Chester en Hermoine de Alva, ofschoon haastig, het sacrament van de Heilige Kerk uit, die dezen man en deze vrouw samenvoegen tot één vleesch, één lichaam en één naam.Als hij het antwoord geeft, is het Guy eensklaps alsof alle hoop nog niet behoeft te worden opgegeven; God zal deze edele vrouw, deze teedere engel redden en hem met haar; hij hoort haar nu fluisteren: “Ik ben uw vrouw;nu zullen wij zien of mijn vader mijn echtgenoot zal durven dooden!—Heilige man Gods, uw zegen.”En als de priester zijn handen over hen uitbreidt, komen er tranen in zijn oogen en hij zegt: “Benedicte! De Heilige Maagd zal den man, dien gij bemint, behoeden.”Daarna voelt Chester de lippen zijner vrouw, die koud zijn als marmer, op de zijne, en zij, opstaande, gaat naar haar vader en zegt met een heesche, onnatuurlijke stem: “Het is geschied!”Want het vertrek heeft nu veel van een gruwelkamer en alle stemmen klinken hol en onnatuurlijk; zelfs Hermoine’s eigen stem is hard en schor geworden.“Hij is gereed?”“Neen, hij isgetrouwd.”“Wat?”“Ja, hij is met mijgetrouwd.”“Met u getrouwd! Misericordia! Nu zult gij voortaan uw vader steeds beschouwen als den moordenaar van uw echtgenoot! Haal mij dien vervloekten priester hier!” roept Alva uit; er is woede, vermengd met angst, in zijn stem.“Wat verlangt gij van mij?” antwoordt vader Anastasius.“Hoe hebt gij het durven wagen, hen in den echt te vereenigen?”“Op bevel van de Heilige Maagd! Zie! Moeder Maria heeft de trekken van zijn vrouw aangenomen, om hem te beschermen.”“O! wat een bedriegerij!” roept Alva uit. “Het schilderij van den verrader Oliver zou mij beletten wraak te nemen! Maar dat zal niet gebeuren, het is een staatszaak!” En hij geeft den beul, die naast hem staat met den strop in de hand, een teeken.Hermoine echter gaat voor haar vader staan en zegt: “Geen onteerende dood voor mijn man, die evengoed een edelman is als gij. Wees tenminste zoo barmhartig en veroordeel hem tot het zwaard.”“Goed! ik zal hem denzelfden dood toestaan als Egmont en Hoorne. Onthoofd dien Engelschman op deze tafel!”“Voor mijn oogen?” vraagt zijn dochter huiverend.“Gij hebt het verlangd. Het is een staatszaak.”“Vader!” gilt het meisje, want de beul heeft hetzwaard getrokken. “Vader, daar gij zelf op genade hoopt, betoon ze ook mij. Wenscht gij, dat iedereen op aarde u een vervloekten en wreeden moordenaar zal noemen? Er was slechts één, die u nooit zoo noemde, tot nu toe. Dat was uw dochter. Zoudt gij wenschen, dat zij zeide: ‘Mijn vader heeft mijn echtgenoot gedood?’”Hij antwoordt echter heesch: “Vlug, maak er een einde aan!”Eenige mannen willen Guy nu naar de tafel sleepen, maar vader Anastasius gaat voor het altaar staan, breidt zijn armen over Chester uit en roept: “Dit is een heilige plaats! Vervloekt zij iedereen, die haar betreedt met getrokken zwaard en een bloot wapen! De Madonna beveelt het mij! Terug, of ik slinger den banvloek van de Moederkerk naar uw hoofd!” Want de priester is in de vaste overtuiging, dat de Heilige Maagd hem beveelt, den bruidegom te redden.Maar Alva, zich baan brekend door de krijgslieden, roept uit: “Gij gaat te ver, verwenschte priester!” en hij wil zelf de hand slaan aan den gebonden man, want zijn manschappen deinzen achteruit, als de priester met verheffing van stem uitroept: “Vervloekt zijt gij!” en de huiveringwekkende formule der excommunicatie begint uit te spreken.Fernando tracht te lachen. “Monniken jagen mij geen vrees aan—ik, die een leger heb aangevoerd tegen den paus!” en het schijnt, alsof hij voornemens is, zelf het vonnis aan den echtgenoot van zijn dochter te voltrekken.Op dit oogenblik vliegt een donker, vlugvoetigmeisje het venster binnen, uitroepend: “Hierheen! Gezwind!”Alva roept zijn manschappen toe, tegen de aanvallers front te maken—maar het is te laat—al hun aandacht is door de executie in beslag genomen en zij hebben niets gemerkt van de nadering der mannen, die hen nu overvallen onder aanvoering van Corker.Het duurt slechts een oogenblik en de ontstelde lijfgarde is neergesabeld of op de vlucht gedreven om daar buiten te worden ingehaald en afgemaakt, terwijl hun heer alleen staat te midden van zijn vijanden, ofschoon ongewond; want zijn wapenrusting is bestand tegen kogels van pistolen en haakbussen. Zijn hoofd is onbedekt en zijn laatste uur was bijna gekomen, want Chester, die nu een zwaard in de hand heeft, stormt op hem af, uitroepend: “Nu is het mijn beurt, hertog van Alva!” Maar Hermoine, zich aan haars vaders borst werpende en hem met haar armen beschermend, smeekt: “Spaar hem, als gij barmhartig jegens mij wilt zijn! Spaar hem, Guy, mijn echtgenoot, als gij dezen nacht een gelukkige vrouw met u wilt voeren,—want hoe zou ik het, zelfs in uw armen, kunnen vergeten, dat gij de moordenaar mijns vaders zijt?”“Spaar hem, jonge man, ik gelast het u nu, zooals ik u zooeven redde,” roept de priester uit.“Ja, dat deedt gij, goede vader Anastasius,” zoo laat nu Hermoine zich hooren, als Guy zijn arm laat zakken.Don Fernando vraagt thans op somberen toon: “Welk losgeld?”En voor Guy’s oogen verrijst het beeld van de belegerde stad, de uitgeputte mannen, de verhongerende vrouwen, de stervende kinderen en hij antwoordt: “De vrijheid van Haarlem!” want hij gevoelt dat hij het lot van een volk in zijn hand heeft.“Nooit! Ik heb goud om mijn leven te betalen, doch eer ik toesta, dat één vendel het legerkamp voor Haarlem verlaat, kunt gij mij neerstooten!” is het vastbesloten antwoord van Alva. “Vermoord mij, als gij wilt, doch niemand zal zeggen, dat Don Fernando de Toledo, om zijn leven te redden, de trouw aan zijn vorst heeft geschonden.”“Laat men hun dan wat proviand mogen toevoeren!” smeekt Guy nu.“Neen!”“Laat de vrouwen en de kinderen tenminste de stad mogen verlaten, opdat er minder monden te voeden zijn!” smeekte Hermoine op haar beurt.“Neen!”Ware hij op dit oogenblik omringd geweest door Hollanders, dan zou het laatste uur voor den Hertog geslagen zijn; maar gelukkig voor hem, zijn het Engelschen, die om hem heen staan; toch werpen ook dezen blikken vol haat en woede op hem en slaan de handen aan hun zwaarden.Chester roept echter uit: “De wapens neer! Geen van mijn manschappen zal den vader van mijn vrouw letsel doen. Kom mee, Hermoine.”En het meisje gaat naar hem toe.Dit ziende, stamelt de hertog van Alva: “Gij—gij neemt haar mede?”“Waarom niet? Gij hebt haar niet lief!”“Of ik haar liefheb!—Het was een staatszaak.—Beloof mij dan tenminste, als gij niet langer bij mij wilt blijven, Hermoine—dat gij mij nu en dan eens zult komen bezoeken—wanneer gij dit alles zult vergeten zijn.”Doch het meisje antwoordt: “Neen. Ik zou niet zonder mijn man willen komen, en ik vertrouw niet genoeg op uw liefde voor mij, dat gij zijn leven zoudt sparen, als het in uw macht stond hem te dooden.—Het zou—een staatszaakzijn! Wat beteekenden mijn leven, mijn geluk, al wat mij op aarde dierbaar is, toen ik u pas vijf minuten geleden om erbarming smeekte, vergeleken bij diestaatszaak! Vader, blijf uw staatkunde getrouw, zij heeft u het eenige hart in de wereld gekost—dat u beminde!” Hier is het haar onmogelijk, verder te spreken, en naar den man toegaande, die tot heden zooveel voor haar is geweest, fluistert zij: “Gij waart altijd teeder en goed voor mij—vroeger!” en kust hem herhaaldelijk.En nu begint de Hertog te smeeken, dat zij zal denken aan zijn grijze haren—zij, die de troost is van zijn ouderdom—en barst eindelijk los tegen Guy: “Uw liefde is een zelfzuchtige—gij veroordeelt dit meisje, dat in een vorstelijke omgeving is grootgebracht, om met u het leven van een zeeroover te leiden.”“Maar tegelijk met haar heb ik mij een aanzienlijken bruidsschat toegeëigend—een koningsdochter waardig,uw geheelen onzaligen tienden penning, hertog van Alva!” antwoordt Guy,die dezen Parthischen pijl niet kan terughouden.“Hoezoo? Vanwaar?”“Uit uw schatkamer onder het bastion van den Hertog.”“Groote God! Onmogelijk!”“Het was het geheim van den stervenden Paciotto!”“Ik—ik kan het niet gelooven,” stamelt Fernando bleek, bevend, gebroken.“Gelooft gij het dan, als ik u zeg:het standbeeld heeft zijn hand bewogen?” spot Chester.“En Roderigo, mijn schatbewaarder,stierfzes dagen geleden! Het is het noodlot—de fortuin heeft mij den rug toegekeerd,” kreunt Alva en laat het hoofd op de borst zinken, alsof alle hoop hem heeft verlaten.Guy leidt zijn vrouw weg van dit wanhoopstooneel; doch als zij zich bij de deur nog eenmaal omwendt om haar vader, die nu geheel alleen is, een laatsten blik toe te werpen, begint Hermoine te huiveren en te snikken in de armen van haar echtgenoot.De ijzeren Hertog knielt voor het altaarstuk, waaruit de oogen zijner dochter op hem neerzien en hij snikt—hij, die nooit te voren geweend heeft.Het is het eenige wat Alva in deze wereld van zijn dochter rest. Nadat het schoone wezen, dat de vreugde van zijn ouderdom was, van hem is heengegaan, wendt ook de fortuin haar aangezicht van hem af. Ofschoon hij Haarlem inneemt en zijn beulen, vijf in getal, er dag en nacht aan het werk zijn, om de burgers van die ongelukkige stad te vermoorden en de dapperste verdedigers van haar wallente onthalzen, Ripperda, Hasselaer en haar andere helden en heldinnen, stoot Don Fernando voor Alkmaar het hoofd.Hij is niet meer de Alva van vroeger, en als hij eenige maanden later naar Spanje vertrekt, gaat hij heen, gebroken naar ziel en naar lichaam; hij heeft het vertrouwen van zijn koning verloren, en de onsterfelijke beruchtheid verworven, de wreedste man der wreedste eeuw te zijn. Al zijn schuldeischers in Holland en Brabant zenden hem verwenschingen na, als hij het land verlaat,—zij kennen de ware geschiedenis van zijn standbeeld niet.Zelfs Requesens, zijn opvolger, geloof slaande aan de praatjes van de soldaten, haalt het groote standbeeld van Alva omver en laat naar den schat graven—om niets te vinden dan het onderaardsche gewelf, dat eens de bergplaats er van was. De Hertog neemt naar Spanje één ding mee, dat hem voortaan het dierbaarst op aarde is—het altaarstuk, geschilderd door den genialen kunstenaar Oliver, en het wordt geplaatst op het altaar in de kathedraal te Vittoria, waar de hertog van Alva zich vestigt. De boeren vertellen, dat de man met het hart van steen iederen dag weent voor de Madonna om de duizenden menschenlevens, die hij in de Nederlanden heeft doen verloren gaan. En nu, na driehonderd jaren, houdt men het schilderij voor een der eerste werken van Murillo en strekt het om den roem van dezen meester te verhoogen—aan toeristen vertelt men, dat de waarde er van niet te bepalen is.Zoo heeft de doode Oliver zelfs zijn beroemdheid verloren. Zijn genie heeft den naam van een anderhelpen vestigen; zijn lichaam werd geworpen in zijn geliefd IJ, zijn hoofd binnen Haarlem’s wallen als aas voor de roofvogels. Hij stierf om Nederland te bevrijden, om de komst voor te bereiden van een nieuwen tijd, waarin de menschen zichzelf zouden kunnen zijn en vrijheid van denken zouden hebben en God zouden kunnen aanbidden, ieder op zijn eigen wijze. Hij heeft enkel den roem behouden, een patriot te zijn geweest—en is dat niet genoeg?Guy voert zijn vrouw naar de landingsplaats, ver van haar vaders wanhoop en vernedering. Hier wachten al zijn booten op hem, terwijl de matrozen inderhaast, onder toezicht van Alida, het voornaamste van Hermoine’s bezittingen meevoeren. Het Moorsche meisje neemt zelve het kistje met juweelen in de hand en gaat naast haar meesteres in de sloep zitten.Chester geeft eindelijk het bevel, om van wal te steken, en de sloepen begeven zich op weg naar deDover Lass.“Herinnert gij u onzen vorigen boottocht op deze rivier?” fluistert Guy in het oor van zijn vrouw. “De onbekende dame, die mij tot kolonel wilde bevorderen, hè?”“En heb ik niet meer voor u gedaan?” antwoordt Lady Chester—née Hermoine d’Alva—in zijn oor.De blik, waarmee Guy haar aanziet, is welsprekend genoeg; er zijn geen woorden noodig.Als zij deDover Lasslangszij zijn gekomen, neemt Chester zijn vrouw in zijn armen en draagt haar naar zijn hut, waar Hermoine verwonderd rondkijkt en uitroept: “Uw schip is zoo fraai als een staatsgalei of vorstelijk pleiziervaartuig, mijnheer,” want Achille heeft met zijn Franschen smaak de hut herschapen in een dames-boudoir, met frissche bloemen, op den oever geplukt.“Ja, het was voor de wittebroodsweken, dat ik de hutten liet versieren. Het was voor u.”“Dus gij waart er zóó zeker van, mij te winnen—met de macht van geheel Spanje tegenover u? Wat bezit gij Engelschen een volharding en een vermetelheid!” Dit zegt zij lachend, maar daarna neemt haar gelaat een ernstige uitdrukking aan en stamelt zij: “Wat hebt gij niet gewaagd voor mij, mijn Guy—mijn Engelschman!”Maar Chester moet zich van haar losrukken en op het dek gaan om zijn zeemansplicht te vervullen. De Engelsche vlag wappert van deDover Lass, en het schip snelt naar den mond der Schelde, Vlissingen voorbij, want Guy wil hier niet stilhouden, uit vrees voor Spaansche oorlogsschepen.Den volgenden avond werpen zij het anker uit te Harwich, waar de klokken vroolijk luiden.“Welkom in Engeland!” roept Guy uit en brengt zijn vrouw aan land. Hier doet het gerucht weldra de ronde, dat Chester een galjoen met enorme schatten heeft buitgemaakt en hij betaalt dan ook tien percent, zooals gebruikelijk is, aan de Engelsche kroon, evenals in dergelijke gevallen Drake, Hawkins en andere zeeschuimers deden.De rest van den schat is volgens de wet van het land de zijne, en hij keert aan Bodé Volckers zijn aandeel uit. De Vlaming gaat met dit geld naar Holland en vestigt zich eenige jaren later, als Amsterdam zich voor Oranje heeft verklaard, in diestad om een van haar voornaamste kooplieden te worden.En als de matrozen hun gage en hun belooning hebben ontvangen, zijn er geen gelukkiger zeelieden in alle havens van Engeland; en nog weken later, als eenige van de pikbroeken in Plymouth of Portsmouth worden gezien met twee groote horloges op zak, roepen de menschen: “Dat is een van Chester’s matrozen, niemand behalve een matroos van deDover Lasskan zich zulk een buitensporige weelde veroorloven!”Als dit alles ter oore komt van koningin Elizabeth, zegt Hare Majesteit tot haar eersten minister: “Burleigh, deze Sir Guy Chester is de grootste dief van ons allen. Hij heeft de dochter van Alva gestolen en hij en het meisje hebben samen haar vader bestolen, den armen ouden Hertog.”“Zij namen een voorbeeld aan Uwe Majesteit,” antwoordt Burleigh. “Gij herinnert u de achthonderd duizend kronen immers nog wel?”“Dat zou ik denken! Maar mijn ridder Chester is voor mij verloren als krijgsman wanneer zijn fortuin slechts een vijfde bedraagt van het kapitaal, waarop men het schat, en de lieftalligheid van zijn vrouw slechts een tiende is, van hetgeen er van verluidt. Breng die kleine heks bij mij. Ik wil die Spaansche schoonheid zien.”“Inderdaad,” antwoordt Cecil, die Hermoine heeft gezien en verrukt is over haar schoonheid, “Lady Chester is de schoonste vrouw op aarde—op Uwe Majesteit na.”“Uit mijn oogen met uw laffe vleierij—dat‘op Uwe Majesteit na’ komt hinkend achteraan,” lacht Elizabeth. “Maar breng haar hier, ik geloof, dat gij zelf op haar verliefd zijt, gij oude zondaar! Laat mij dat Spaansche wonder aanschouwen.”En als Sir Guy Chester met zijn vrouw aan het hof komt, wekt Hermoine door haar geest en haar lieftalligheid de algemeene bewondering op.Haar ziende, zegt Queen Bess op weemoedigen toon: “De fortuin heeft van Chester een saletjonker gemaakt; hij eet nu zelfs met dat afschuwelijke Italiaansche ding, vork genaamd. Toch heeft hij oog voor kostbaarheden; de diamanten van zijn vrouw zijn schooner dan de mijne. Misschien zou hij een goede Lord van de Schatkist zijn, want hij zal nu wel niet meer gaan vechten—tenzij het hem in het hoofd mankeert.”Elizabeth heeft goed gezien. Chester koopt groote bezittingen rondom Londen en richt zich met zijn vrouw in op een vorstelijken voet, en beiden smaken een volkomen geluk. Tien jaren later gordt hij echter zijn zwaard nog eens aan, zooals iedere echte Engelschman, en op zijn eigen kosten zes schepen uitrustende, waarvan het kleinste de oudeDover Lassis, onder bevel van Dalton, vat hij post in het kanaal onder Lord Howard van Effingham, om te strijden tegen de groote Armada, door Philips van Spanje uitgezonden teneinde de vrijheid van zijn land te bedreigen.Die roemrijke overwinning is het laatste zeegevecht van den “Eerste der Engelschen”. Van dien tijd af aan woont hij het grootste gedeelte van het jaar in het milde klimaat op de kust van Kent, waar zijnvrouw zich het best thuis gevoelt, waar het zoele windje haar herinnert aan haar Spaansch geboorteland. Hier regeert zij tot aan het einde van haar lang, gelukkig leven als koningin in het hart van haar man.Hun eenig verdriet is, dat hun geen zoon wordt geboren, om hun groote bezittingen te erven, maar zij hebben een dochter, het evenbeeld van Hermoine, en deze huwt in een voorname Engelsche familie, als bruidsschat het uitgestrekte grondbezit meebrengend, dat nu een der hertogelijke geslachten tot een van de rijkste en aanzienlijkste van Engeland maakt.Nu en dan heeft een dochter van dat huis Hermoine’s prachtige oogen, blanke teint en weelderig haar en haar bevalligheid is niet die van een dochter van het Noorden, maar van een dochter van het Zuiden. Dan lachen haar broeders en zusters en zeggen dat de Spaansche schoonheid nog eens hier opdoemt, ofschoon zij zijn vergeten, van wie zij afkomstig is.Zij kennen nog slechts als legende de geschiedenis van den stoutmoedigen zeeman, den onverwinnelijken krijgsman, en den alles trotseerenden minnaar, die Alva’s schat en het hart van Alva’s dochter won, om haar te maken tot de de bruid van den “Eerste der Engelschen”!
HOOFDSTUK XXII.“HAHA! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!”Terwijl zijn beminde haar best heeft gedaan om Papa’s toestemming te verkrijgen, heeft Chester gewerkt als een bever, die voor zijn wintervoorraad moet zorgen. De matrozen hebben onder leiding van Bodé Volckers al het zilver, waarvan een gedeelte in staven en de rest in Spaansche dollars, in den kelder gedragen, en terstond bij het openen van de stadspoorten, brengen zij de eerste vracht in het ruim van het schip, want het zilver neemt veel meer plaats in dan het goud, al is de waarde er van ook niet zoo groot.Daar zij, zooals begrijpelijk is, zich hiermee zooveel mogelijk haasten, gelukt het hun, reeds op den middag alles in het ruim van deEsperanzaonder dek te brengen.Martin Corker, die in het huis van moeder Sebastian is gebleven, om toezicht te houden sinds Chester de wacht op deEsperanzaheeft betrokken, zegt, met de laatste vracht aan boord komend, tot zijn commandant: “Bodé Volckers wenscht, dat gij,zoo gauw als ge kunt, in het huis van ‘de Stomme Duivelin’ bij hem komt.”“Waarom?”“Hij heeft de kist met juweelen nog laten staan. Hij was bang, dat eenige van de matrozen haar zouden wegmoffelen, zij is zoo gemakkelijk te hanteeren en houdt waarschijnlijk een groote waarde in.”Met een onderdrukte verwensching aan het adres van den koopman, want Chester verlangt hoe eerder hoe liever uit te zeilen, loopt hij zoo vlug als hij kan naar het huis van moeder Sebastian en vindt daar Niklaas met vier matrozen, de laatste die er zijn achtergebleven.“Heb ik u niet gezegd, dat ik overdag liever niet in de schatkamer ging?”“Ja, maar ik wilde niet gaarne de juweelen verliezen,” antwoordt de koopman.“Het geval ligt er toe,” zucht Chester, “ik zal er dus nog eens in moeten gaan.” Hij doet dit en vindt alles zooals vroeger. Als hij terugkomt van zijn tocht onder de gracht door naar het gewelf onder het groote bastion, lacht hij: “Alles is in orde, dit is het laatste van Alva’s nesteieren.”“Hebt gij al de ijzeren deuren weer gesloten?”“Ja.”Daarna brengen zij de groote steenen weer op hun plaats, waardoor de ingang naar het gewelf wordt gesloten en leggen er de steenen van den keldervloer weer boven op, en nadat de matrozen eenige geldstukken, die uit een zak gevallen zijn, opgeraapt en bij zich gestoken hebben, ziet de kelder van senora Sebastian er precies weer zoouit, als zij hem hebben gevonden. En als Bodé Volckers nog een flesch met rum naast de snorkende stomme vrouw heeft neergezet, schudden zij met een zucht van verlichting het stof van hun voeten.“Hebt gij de papieren van uitklaring?” fluistert Guy.“Ja, ik zal ze van mijn kantoor gaan halen.”“Goed, dan zullen wij de zeilen maar hijschen,” zegt de Engelschman, en de kist met de juweelen, die hij met een mantel heeft bedekt, zelf dragende, begeeft Guy zich aan boord van deEsperanza.Daarna maken zijn matrozen alles gereed om de Schelde af te varen, terwijl Guy ongeduldig wacht op zijn papieren van uitklaring, want iedere minuut komt hem nu voor als een uur van folterende onrust. Eensklaps verschijnt Bodé Volckers, bleek, zenuwachtig, zich reppend, zooveel als zijne dikke beenen onder zijn zwaar lichaam dit toelaten. Hij komt de loopplank op, en zegt, Guy de papieren toestekend: “Kapitein Andrea Blanco, uw papieren.”“Gaat gij weer aan wal?”“Neen, ik ben doodelijk geschrikt! God helpe mij! Ik durf hier niet te blijven. Breng mij naar de hut, er is iets verschrikkelijks gebeurd.”“Wat?” brengt Guy met moeite uit, doch hij geeft tegelijkertijd zijn bevelen, om onder zeil te gaan. De matrozen vliegen allen naar hun post en Martin Corker grijpt het roer. Als zij de Schelde afzeilen, gaat Guy in zijn hut en fluistert tot den koopman, die half bezwijmd is:“Wat is er gebeurd, wat heeft u zoo doen ontstellen?”“Groote God! de hand heeft zich bewogen!”“Welke hand?”“De hand van Alva’sstandbeeld!”“Genadige hemel!—Wanneer?”“Toen gij het gewelf binnengingt, vanmiddag om twaalf uur, heeft zich de hand van Alva’s standbeeld bewogen. Ze zullen nu al wel in het huis van moeder Sebastian zijn! Het standbeeld bewaakte Alva’s schat. God zij ons genadig, als zij een bode naar Lillo zenden, om de schepen aan te houden eer wij het fort voorbij zijn. Het garnizoen spreekt er van, alsof het iets bovennatuurlijks ware! Zij zeggen, dat het de val van Haarlem beduidt, maar ik weet nu, dat het zeggen wil, dat iemand in Alva’s schatkamer is binnengedrongen. Daarom was het helsche standbeeld daar neergezet,” roept Bodé Volckers uit.Maar zijn laatste woorden zijn gericht tot een leege hut, want Chester is op het dek, om op deEsperanzaalle zeilen te doen bijzetten. Het schip vliegt de Schelde af met zulk een vaart, dat het bijna onmogelijk zou zijn hen in te halen en Chester doet een schietgebed, dat de douanen hem niet te lang mogen ophouden.Deze Spaansche beambten, die hij praait, ontvangt hij aan boord, en hun chef maakt hij gelukkig, door hem een rol dubloenen in de hand te stoppen, met het verzoek, om wat voort te maken, daar hij zich heeft te haasten om den wind en het tij. Dank zij de dubloenen, vergunt men hem spoedig te passeeren. Met een zucht van verlichting stevent Guy, steeds met alle zeilen bij, de Schelde af, en om vijfuur zijn zij deDover Lassin het Kromvliet opzij gekomen en laden zij onmiddellijk den schat over in het gewapende schip.Hiermee zijn zij om zeven uur reeds klaar; want Chester heeft nu honderd vijf en twintig matrozen aan het werk, die hun handen reppen, zooals zeelui altijd doen, als er uitzicht is op buit.Vervolgens vraagt Guy aan Dalton: “Zijt gij er in geslaagd, een geestelijke van de Katholieke kerk in Zeeland voor mij op te sporen, zooals ik u had opgedragen?”“Ja en het was alsof de drommel er de hand in had,” zegt de ruwe officier. “Ik kwam dadelijk terecht bij den eenige, dien de Hollanders gespaard hadden. Er was er eigenlijk nog wel een, maar Michael Krok had hem de ooren afgesneden en ik wist niet of hij een wettig huwelijk zou kunnen inzegenen,” want Guy is genoodzaakt geweest zijn eersten officier in het vertrouwen te nemen.“Vraag hem, of hij hier wil komen,” zegt Chester.En als de priester bij hem wordt gebracht, merkt de commandant op: “Men heeft u toch goed behandeld, eerwaarde vader?”“Uitstekend. Men heeft mij zoo overvloedig van alles voorzien, dat het mij speet, dat het vastendag was. Ik lijd tegenwoordig geregeld honger. De Hollanders hebben mijn kudde verstrooid en mij van alles beroofd.”“Weet gij, waarom ik u liet komen?”“Ja, men zeide mij, dat ik een sacrament van de Kerk moest verrichten; ik ben daartoe bereid, want daarvoor ben ik op het eiland gebleven,”—hijwijst in de richting van Zuid-Beveland,—“alle vervolgingen, alle bedreigingen, alle beleedigingen ten spijt. Vraag iederen Watergeus of vader Anastasius ooit voor hen vluchtte, en er is slechts één onder hen, die de Katholieke priesters behandelde als Godsmannen. De ‘Eerste der Engelschen’ is, ofschoon hij Alva beoorloogt, een getrouwe zoon van Rome. Als zoodanig voldoe ik gaarne aan zijn verzoek.”“Kent gij mij?” vraagt Guy.“Ja, dat is de reden, waarom ik zoo spoedig kwam.”“Dus wilt gij met mij gaan, om een sacrament van de Kerk te verrichten?”“Dat zou ik voor iedereen doen, die er om vroeg.”Guy is er van overtuigd, dat dit zoo is; want vader Anastasius is over geheel Zeeland bekend als een priester, die zijn Heer meer liefheeft dan zijn leven en die zijn plicht even nauwgezet vervult tegenover den nederigste als tegenover den hoogst geplaatste, zooals de Kerk dit voorschrijft.“Geef vader Anastasius een plaats in mijn sloep,” zegt Chester kortaf tot Dalton. “Beman en bewapen ze!”“Dat is reeds geschied.”“De twee andere ook?”“Ja.”“Hoeveel man?”“Zestig.”“Dus blijven er nog zestig voor deDover Lassover. Dat is voldoende, zelfs voldoende om het schip te verdedigen in geval van nood. Gij moet het commandoover het schip van mij overnemen, Corker zal over de sloepen commandeeren. Zijn zij goed bewapend?”“Ja, pistolen, haakbussen, pieken en strijdbijlen alles zoo goed in orde, alsof wij op roof uitgingen, in plaats van op een troubadours-avontuur,” antwoordt de luitenant.Om acht uur is de schemering neergedaald over land en zee, en berekenende, dat een uur voldoende is om hem naar het landhuis te brengen, waar zijn beminde hem wacht, begeeft Chester zich op weg, in zijn sloep den Roomsch-Katholieken priester met zich nemend, en gevolgd door de twee andere sloepen; de roeiers spannen hun spieren in zooveel zij kunnen, want zij verlangen zoo spoedig mogelijk weg te komen, wetende, dat zij met hun schip nu een hoogen prijs waard zijn.Veertig minuten later, dicht bij Sandvliet, ontmoeten zij een boot vol Italiaansche muzikanten met violen, mandolines, fluiten en harpen, en versierd als voor een feest.Zij zijn vroeg in den morgen voor dien avond aangenomen door Achille, die nog altijd kajuitsjongen is. Allen zijn heel lustig en zingen een vroolijken Toskaanschen minnezang.“Dit is mijn klein waterfeest,” fluistert Guy tot Corker, die naast hem zit en wien hij zijn laatste bevelen geeft. “De dame zal denken, dat het een pleziertochtje op de rivier is.”“Oho! Ontvoering!” lacht de bootsman.“Ja—om haar, die ik bemin en vereer—tot mijn vrouw te maken,” antwoordt Guy. Daarna fluistert hij: “Zij is Alva’s dochter.”Waarop Corker een langgerekt gefluit doet hooren en mompelt: “Groote God!” en met een doodelijk ontsteld gelaat luistert, als Guy hem nog eenige orders geeft: “Neem de grootste sloep, bewaak den dijk tusschen het huis en Sandvliet, om de troepen tegen te houden, die bij een mogelijk alarm zouden kunnen aanrukken. De beide andere sloepen zullen de andere zijden van het huis bewaken.”Want Chester vreest, dat op het laatste oogenblik een der lakeien of de gravin De Pariza bericht van wat er in Sandvliet gebeurt naar Lillo zal zenden of dat een onverwacht voorval zijn plannen zal dwarsboomen, en hij weet, dat als hij Hermoine ditmaal verliest, zij voor altijd voor hem verloren zal zijn.Een oogenblik later fluistert hij verrukt: “Kijk, het huis ziet er feestelijk uit, het is geheel verlicht; zij is voor mij gereed, mijn bruid!” Nadat hij Corker nog de meest mogelijke waakzaamheid heeft aanbevolen, neemt deze het bevel op zich.Twee minuten later bereikt Guy de landingsplaats.“Onder dat venster daar, muzikanten; en speelt een zachte Venetiaansche serenade,” fluistert hij tot den leider der Italianen, naar het groote vooruitspringende venster wijzend, dat helder verlicht is.“Si, gracioso, Senor,” antwoordt de leider van deze ongelukkige drommels; want Guy heeft hen voor zijn feest gehuurd met vorstelijk milde hand, zichzelf financieel als een Midas gevoelend. “Een aangenamen avond, senor, een recht aangenamen avond!” En de gelukkige Italiaan kust de hand van zijn milden begunstiger en gaat met zijn troep datgene tegemoet, wat het noodlot over hem heeft beschikt.Hierop antwoordt Guy niets, maar springt aan land en fluistert tot zijn bootsman: “Houd de boot gereed, om onverwijld te kunnen vertrekken,” en tot den priester: “Ik verzoek u, met mij mede te gaan, eerwaarde vader.”Zij gaan nu de trappen op naar den dijk en wandelen het pad op, dat door den kleinen tuin naar het huis leidt.“Het is een zomernacht,” zegt Guy. “Vader Anastasius, zoudt gij er niet tegen hebben, hier onder de boomen op de bank te gaan zitten, totdat ik u laat roepen? Het is het sacrament van het huwelijk, dat ik mij door uw handen wensch te laten toedienen, en ik zou eerst nog met de dame willen spreken, eer ik u bij haar breng.”“Zooals gij verlangt,” antwoordt de man Gods. “Ik kan evengoed voor u en uw huwelijk bidden hier onder den vrijen hemel als in een paleis.”Daarna klopt Guy aan de huisdeur; hij is zonder wapens, behalve het rapier, dat de ridders steeds dragen, en het scherpe stiletto, dat hem nooit verlaat, want hij wenscht zijn beminde niet te verschrikken door een onnoodige tentoonspreiding van oorlogstuig.De deur wordt terstond geopend door Alida, die fluistert: “Zij wacht u reeds, heer, en is overgelukkig! Neem de gelukwenschen aan van haar, die u beiden liefheeft en uw slavin is.”Het Moorsche meisje wil zijn hand kussen, maar hij laat haar daarvoor den tijd niet en is het vertrek met het groote vooruitspringende venster reeds binnengetreden, om het verlicht te vinden door welriekendelampen, en versierd met bloemen, linten en groen, als voor een luisterrijk feest.En van het venster, waar zij naar hem heeft staan uitkijken, zweeft een wezen van verrukkelijke aanminnigheid hem tegemoet en hij fluistert: “Mijn bruid, gij zijt veel te schoon voor deze aarde!”Hij heeft gelijk, want het meisje is gekleed als een bruid, in glinsterende witte zijde, een kostbaar voortbrengsel van de weefgetouwen van Lyon. Zij heeft oranjebloesems in het haar, haar fraaie schouders en haar hals zijn wit als ivoor en de blanke arm, dien zij om zijn hals slaat, is zoo blank als albast: “Mijn Guido, eindelijk! Nu zult gij zien, welk een verrassing ik voor u heb. Kom met mij mee, nu zullen wij gelukkig zijn. Als ik er hem om smeek, zal hij misschien toestaan, dat wij dezen avond nog vereenigd worden.”Haar vingers wijzen naar de kapel, en zij lacht: “Ik heb een verrassing voor hem ook. Ik heb vanavond tot de Madonna gebeden en nu ziet zij zoo vriendelijk op mij neer.”Guy begrijpt niet recht, wat zij bedoelt, maar hij voelt zich overgelukkig, vooral als hij de kapel ziet, nadat de gordijnen zijn weggetrokken; de waskaarsen branden bij dozijnen op het altaar, het is versierd met bloemen en alles schijnt gereed voor een godsdienstige ceremonie.“Kijk er niet te lang naar, maar kom mee. Hij zal verbaasd zijn, als ik hem de reden zeg.”“Hij! Wie?”“Dat zult gij aanstonds zien; ik zal hem bij u brengen.” Zij staan nu voor de draperieën, die dentoegang naar de eetzaal afsluiten, en het meisje roept uit: “Trek de gordijnen weg!”Als deze zich openen, fluistert zij: “Guido, op uw knieën voor mijn vader, die mij heeft beloofd, dat gij mijn echtgenoot zult worden—op uw knieën en dank hem, zooals ik doe!” en zij werpt zich neer voor de magere figuur in het zwart, die altijd het Gulden Vlies draagt, den Onderkoning van den koning van Spanje, den hertog van Alva.Hoe groot is echter haar verbazing, als Guy, in plaats van zijn knieën te buigen, met een sprong en een kreet van ontzetting van haar zijde wegsnelt en de hand aan zijn rapier slaat.Op hetzelfde oogenblik springen acht Spaansche busschutters door de geopende vensters in het vertrek en grijpen hem, terwijl zijn zwaard nog pas half is uitgetrokken, en binden zijn handen, doch niet zonder een wanhopige worsteling. Eer hij overmand is, ligt er een Spanjaard dood aan zijn voeten.Het meisje is hevig ontsteld en roept uit: “Guido, zijt gij krankzinnig geworden, dat gij een Spaansch krijgsman doodt?” en zij voegt er op hoogen toon aan toe: “Mannen, bevrijdt dien officier terstond!”Maar de mannen kijken slechts haar vader aan.“Bevrijdt dien officier! Gij weet niet, wat gij doet. Maakt hem los! Het is kolonel Guido Amati, de aanstaande schoonzoon van uw Viceroy!” En als ter verontschuldiging zegt zij tot Guy: “Het is een allerjammerlijkst misverstand, mijn Guido. Worstel niet met hen, zij zouden u kunnen dooden.” Want Chester tracht zwijgend zich een weg te banen naarhet venster, om er zich uit te werpen in de Schelde.Daarna wendt Hermoine zich tot haar vader en roept uit: “Beveel uw soldaten, den man, dien ik bemin, weer vrij te laten. Is dat de manier, waarop gij de belofte houdt, die gij aan uw dochter hebt gedaan?”Daarop vraagt de Hertog: “Wie is die man? Laat iemand mij dat zeggen. Herkent gij hem? Wie is hij?”Naar voren tredend, salueert de brutale sergeant van Romero en fluistert in het oor van den Onderkoning: “Het is de ‘Eerste der Engelschen’!”Bij deze woorden barst de hertog van Alva in een akelig gelach uit. “Haha! De vos is eindelijk gevangen! Mijn dochter, gij hebt de tien duizend kronen verdiend. Hij is de man, naar wien ik zoolang gehunkerd heb. Kom hier en kus uw vader!”En tusschen dit alles door dringt de zachte muziek naar binnen van de harpen, mandolines en violen der muzikanten in de barge, die buiten op het water een serenade spelen.De muziek hoorend en het voornemen van den Engelschman bemerkend, beveelt Alva op scherpen toon: “Zijn boot—zorg voor zijn boot! Laat niemand ontsnappen!”Onmiddellijk wordt er gevuurd op de boot en klinken er hartverscheurende kreten uit de kelen der doodelijk gewonde Italianen, die sterven met de tonen der muziek op de lippen en onder het venster verdrinken.Op hetzelfde oogenblik rukt Chester zich los en snelt naar Hermoine toe, en haar Guido, de man, dien zijbemint, vraagt haar huiverend: “Waarom hebt gij dat gedaan?”“Waarom ik dat heb gedaan? Omdat ik u liefheb!” antwoordt zij. “Waarom hebt gij dien man gedood?” Want zij begrijpt het nog niet.Maar haar vader zegt: “Kom bij mij, Hermoine, ik zal u alles uitleggen.”Zij antwoordt: “Neen, neen!” En als Alva naar haar toe komt, roept zij afwerend: “Blijf waar gij zijt! Waag het niet, mij aan te raken, eer gij mij hebt gezegd, waarom gij uw belofte zijt vergeten!”Daarop antwoordt Alva, met een stem, die haar zoo scherp voorkomt, als de bazuin van het laatste oordeel van onzen Heer hun zal voorkomen, wien geen hoop wacht in de eeuwigheid: “Dit is niet de man, dien gij meendet lief te hebben. Dit is niet Guido Amati. Hij werd gedood in het gevecht op het ijs, gedood door dezen Engelschen roover, dezen vervloekten zeeschuimer, dezen laaggeboren clown, die een Spaansch edelman naäapte, om uw vertrouwen en liefde te winnen.”“Laaggeboren clown!” barst de Engelschman verontwaardigd los. “Dat is een leugen, waar gij dat schimpwoord met den naam van Chester verbindt. Hertog van Alva, gij spreekt tot een ridder; geridderd door de Koningin zelve. Ik heb in mijn aderen het bloed van de Stanhopes, die onder Willem den Veroveraar vochten; mijn neef is een Stanley en draagt een gravenkroon. Adeldom bezit ik genoeg voor u en de uwen. Denkt gij, dat ik haar, die ik bemin, zou misleid hebben door haar te bewegen tot een verbintenis met onedel bloed?Hier op mijn borst draag ik de gouden sporen van mijn ridderschap!”Het meisje, dat ineengekrompen is onder de woorden, die den man, dien zij liefheeft, als een onedele brandmerken, rukt de sporen van zijn borst, die toonen, dat hij van rang is, houdt ze Alva voor en roept op bijna gelukkigen toon uit: “Hij is van adel! Vader, hoort gij mij?Hij is van adel. Nu kunt gij niet meer weigeren, hij is van adel, al is hij”—zij breekt eensklaps af en zegt stamelend tot Guy, want zij begint het nu te begrijpen: “Zijt gij de—de ‘Eerste der Engelschen’?”“Ja!”Het antwoord wordt gegeven op een hoogen en trotschen toon, en nu wordt haar eensklaps alles helder en zij stamelt: “O, nu begrijp ik alles—! Deze—deze Oliver, zijn vriend—den dag, dat hij mij bevrijdde—den dag, dat zij zeiden, dat de Engelsche zeeroover in Antwerpen was.” Daarna fluistert zij, bijna juichend: “Dien dag, mijn lieveling, heb ik u tweemaal gered; thanswil iku wederom redden!”Doch deze woorden eindigen in een verschrikkelijken kreet, als Alva, op een toon, even onwrikbaar als de rots der eeuwen, ijskoud zegt: “Gomez,haal den beul!”“Den beul! Vader, gij begrijpt het niet. Dit is de man, dien ik bemin.”“Gij bemint hem?” spot de Hertog. “Gij bemint den vijand van uw land? Dezen man, een vriend van Oliver, den verrader in mijn omgeving, wiens aanval op Bergen Oranje tijd gaf, omgeheel Holland in opstand te brengen, den man, die mij ter wille van zijn koningin beroofde van mijn Italiaanschen schat? Gij moet hem haten, mijn dochter, zooals ik doe,” en hij wendt zich af om zijn verdere bevelen te geven.Bij deze woorden vertoont er zich een spotachtige lach om Guy’s mond, maar Hermoine legt haar hand op zijn lippen en fluistert smeekend: “Vertoorn hem niet, beheersen u, om mijnentwille, mijn Guido—mijn Engelschman. Ik kan Papa om mijn kleinen vinger winden,” en zij tracht hem bemoedigend toe te lachen: “Kijk wat ik ga doen.”En in het volgend oogenblik slaat zij haar armen om zijn hals en vleit: “Wat spreekt gij toch voor onzin? Gij doet altijd, wat uw Hermoine u zegt te doen. Lieve papa, zal ik u aan uw stouten baard trekken?”Hij antwoordt echter: “Kind, gij begrijpt mij niet. Ik zal allerlei mooie zaken en nieuwe kleederen voor u uit Frankrijk laten komen. Gij zult hem spoedig vergeten!” en met verheffing van stem:—“De beul!”Zij laat zich echter niet zoo gemakkelijk afschepen en tracht te lachen: “De beul?—voor den man, dien gij mij tot echtgenoot beloofd hebt? Welk een onzin! Gij bedoelt den priester. Mijn lieve, beste domme papaatje, laat dadelijk den priester halen!”Doch Alva antwoordt ijskoud: “Om hem te laten biechten, als hij geen ketter was!” Daarop vervolgt hij op strengen toon: “Gomez, waarop wacht gij nog? Gij hebt mijn bevelen—De beul!”
Terwijl zijn beminde haar best heeft gedaan om Papa’s toestemming te verkrijgen, heeft Chester gewerkt als een bever, die voor zijn wintervoorraad moet zorgen. De matrozen hebben onder leiding van Bodé Volckers al het zilver, waarvan een gedeelte in staven en de rest in Spaansche dollars, in den kelder gedragen, en terstond bij het openen van de stadspoorten, brengen zij de eerste vracht in het ruim van het schip, want het zilver neemt veel meer plaats in dan het goud, al is de waarde er van ook niet zoo groot.
Daar zij, zooals begrijpelijk is, zich hiermee zooveel mogelijk haasten, gelukt het hun, reeds op den middag alles in het ruim van deEsperanzaonder dek te brengen.
Martin Corker, die in het huis van moeder Sebastian is gebleven, om toezicht te houden sinds Chester de wacht op deEsperanzaheeft betrokken, zegt, met de laatste vracht aan boord komend, tot zijn commandant: “Bodé Volckers wenscht, dat gij,zoo gauw als ge kunt, in het huis van ‘de Stomme Duivelin’ bij hem komt.”
“Waarom?”
“Hij heeft de kist met juweelen nog laten staan. Hij was bang, dat eenige van de matrozen haar zouden wegmoffelen, zij is zoo gemakkelijk te hanteeren en houdt waarschijnlijk een groote waarde in.”
Met een onderdrukte verwensching aan het adres van den koopman, want Chester verlangt hoe eerder hoe liever uit te zeilen, loopt hij zoo vlug als hij kan naar het huis van moeder Sebastian en vindt daar Niklaas met vier matrozen, de laatste die er zijn achtergebleven.
“Heb ik u niet gezegd, dat ik overdag liever niet in de schatkamer ging?”
“Ja, maar ik wilde niet gaarne de juweelen verliezen,” antwoordt de koopman.
“Het geval ligt er toe,” zucht Chester, “ik zal er dus nog eens in moeten gaan.” Hij doet dit en vindt alles zooals vroeger. Als hij terugkomt van zijn tocht onder de gracht door naar het gewelf onder het groote bastion, lacht hij: “Alles is in orde, dit is het laatste van Alva’s nesteieren.”
“Hebt gij al de ijzeren deuren weer gesloten?”
“Ja.”
Daarna brengen zij de groote steenen weer op hun plaats, waardoor de ingang naar het gewelf wordt gesloten en leggen er de steenen van den keldervloer weer boven op, en nadat de matrozen eenige geldstukken, die uit een zak gevallen zijn, opgeraapt en bij zich gestoken hebben, ziet de kelder van senora Sebastian er precies weer zoouit, als zij hem hebben gevonden. En als Bodé Volckers nog een flesch met rum naast de snorkende stomme vrouw heeft neergezet, schudden zij met een zucht van verlichting het stof van hun voeten.
“Hebt gij de papieren van uitklaring?” fluistert Guy.
“Ja, ik zal ze van mijn kantoor gaan halen.”
“Goed, dan zullen wij de zeilen maar hijschen,” zegt de Engelschman, en de kist met de juweelen, die hij met een mantel heeft bedekt, zelf dragende, begeeft Guy zich aan boord van deEsperanza.
Daarna maken zijn matrozen alles gereed om de Schelde af te varen, terwijl Guy ongeduldig wacht op zijn papieren van uitklaring, want iedere minuut komt hem nu voor als een uur van folterende onrust. Eensklaps verschijnt Bodé Volckers, bleek, zenuwachtig, zich reppend, zooveel als zijne dikke beenen onder zijn zwaar lichaam dit toelaten. Hij komt de loopplank op, en zegt, Guy de papieren toestekend: “Kapitein Andrea Blanco, uw papieren.”
“Gaat gij weer aan wal?”
“Neen, ik ben doodelijk geschrikt! God helpe mij! Ik durf hier niet te blijven. Breng mij naar de hut, er is iets verschrikkelijks gebeurd.”
“Wat?” brengt Guy met moeite uit, doch hij geeft tegelijkertijd zijn bevelen, om onder zeil te gaan. De matrozen vliegen allen naar hun post en Martin Corker grijpt het roer. Als zij de Schelde afzeilen, gaat Guy in zijn hut en fluistert tot den koopman, die half bezwijmd is:
“Wat is er gebeurd, wat heeft u zoo doen ontstellen?”
“Groote God! de hand heeft zich bewogen!”
“Welke hand?”
“De hand van Alva’sstandbeeld!”
“Genadige hemel!—Wanneer?”
“Toen gij het gewelf binnengingt, vanmiddag om twaalf uur, heeft zich de hand van Alva’s standbeeld bewogen. Ze zullen nu al wel in het huis van moeder Sebastian zijn! Het standbeeld bewaakte Alva’s schat. God zij ons genadig, als zij een bode naar Lillo zenden, om de schepen aan te houden eer wij het fort voorbij zijn. Het garnizoen spreekt er van, alsof het iets bovennatuurlijks ware! Zij zeggen, dat het de val van Haarlem beduidt, maar ik weet nu, dat het zeggen wil, dat iemand in Alva’s schatkamer is binnengedrongen. Daarom was het helsche standbeeld daar neergezet,” roept Bodé Volckers uit.
Maar zijn laatste woorden zijn gericht tot een leege hut, want Chester is op het dek, om op deEsperanzaalle zeilen te doen bijzetten. Het schip vliegt de Schelde af met zulk een vaart, dat het bijna onmogelijk zou zijn hen in te halen en Chester doet een schietgebed, dat de douanen hem niet te lang mogen ophouden.
Deze Spaansche beambten, die hij praait, ontvangt hij aan boord, en hun chef maakt hij gelukkig, door hem een rol dubloenen in de hand te stoppen, met het verzoek, om wat voort te maken, daar hij zich heeft te haasten om den wind en het tij. Dank zij de dubloenen, vergunt men hem spoedig te passeeren. Met een zucht van verlichting stevent Guy, steeds met alle zeilen bij, de Schelde af, en om vijfuur zijn zij deDover Lassin het Kromvliet opzij gekomen en laden zij onmiddellijk den schat over in het gewapende schip.
Hiermee zijn zij om zeven uur reeds klaar; want Chester heeft nu honderd vijf en twintig matrozen aan het werk, die hun handen reppen, zooals zeelui altijd doen, als er uitzicht is op buit.
Vervolgens vraagt Guy aan Dalton: “Zijt gij er in geslaagd, een geestelijke van de Katholieke kerk in Zeeland voor mij op te sporen, zooals ik u had opgedragen?”
“Ja en het was alsof de drommel er de hand in had,” zegt de ruwe officier. “Ik kwam dadelijk terecht bij den eenige, dien de Hollanders gespaard hadden. Er was er eigenlijk nog wel een, maar Michael Krok had hem de ooren afgesneden en ik wist niet of hij een wettig huwelijk zou kunnen inzegenen,” want Guy is genoodzaakt geweest zijn eersten officier in het vertrouwen te nemen.
“Vraag hem, of hij hier wil komen,” zegt Chester.
En als de priester bij hem wordt gebracht, merkt de commandant op: “Men heeft u toch goed behandeld, eerwaarde vader?”
“Uitstekend. Men heeft mij zoo overvloedig van alles voorzien, dat het mij speet, dat het vastendag was. Ik lijd tegenwoordig geregeld honger. De Hollanders hebben mijn kudde verstrooid en mij van alles beroofd.”
“Weet gij, waarom ik u liet komen?”
“Ja, men zeide mij, dat ik een sacrament van de Kerk moest verrichten; ik ben daartoe bereid, want daarvoor ben ik op het eiland gebleven,”—hijwijst in de richting van Zuid-Beveland,—“alle vervolgingen, alle bedreigingen, alle beleedigingen ten spijt. Vraag iederen Watergeus of vader Anastasius ooit voor hen vluchtte, en er is slechts één onder hen, die de Katholieke priesters behandelde als Godsmannen. De ‘Eerste der Engelschen’ is, ofschoon hij Alva beoorloogt, een getrouwe zoon van Rome. Als zoodanig voldoe ik gaarne aan zijn verzoek.”
“Kent gij mij?” vraagt Guy.
“Ja, dat is de reden, waarom ik zoo spoedig kwam.”
“Dus wilt gij met mij gaan, om een sacrament van de Kerk te verrichten?”
“Dat zou ik voor iedereen doen, die er om vroeg.”
Guy is er van overtuigd, dat dit zoo is; want vader Anastasius is over geheel Zeeland bekend als een priester, die zijn Heer meer liefheeft dan zijn leven en die zijn plicht even nauwgezet vervult tegenover den nederigste als tegenover den hoogst geplaatste, zooals de Kerk dit voorschrijft.
“Geef vader Anastasius een plaats in mijn sloep,” zegt Chester kortaf tot Dalton. “Beman en bewapen ze!”
“Dat is reeds geschied.”
“De twee andere ook?”
“Ja.”
“Hoeveel man?”
“Zestig.”
“Dus blijven er nog zestig voor deDover Lassover. Dat is voldoende, zelfs voldoende om het schip te verdedigen in geval van nood. Gij moet het commandoover het schip van mij overnemen, Corker zal over de sloepen commandeeren. Zijn zij goed bewapend?”
“Ja, pistolen, haakbussen, pieken en strijdbijlen alles zoo goed in orde, alsof wij op roof uitgingen, in plaats van op een troubadours-avontuur,” antwoordt de luitenant.
Om acht uur is de schemering neergedaald over land en zee, en berekenende, dat een uur voldoende is om hem naar het landhuis te brengen, waar zijn beminde hem wacht, begeeft Chester zich op weg, in zijn sloep den Roomsch-Katholieken priester met zich nemend, en gevolgd door de twee andere sloepen; de roeiers spannen hun spieren in zooveel zij kunnen, want zij verlangen zoo spoedig mogelijk weg te komen, wetende, dat zij met hun schip nu een hoogen prijs waard zijn.
Veertig minuten later, dicht bij Sandvliet, ontmoeten zij een boot vol Italiaansche muzikanten met violen, mandolines, fluiten en harpen, en versierd als voor een feest.
Zij zijn vroeg in den morgen voor dien avond aangenomen door Achille, die nog altijd kajuitsjongen is. Allen zijn heel lustig en zingen een vroolijken Toskaanschen minnezang.
“Dit is mijn klein waterfeest,” fluistert Guy tot Corker, die naast hem zit en wien hij zijn laatste bevelen geeft. “De dame zal denken, dat het een pleziertochtje op de rivier is.”
“Oho! Ontvoering!” lacht de bootsman.
“Ja—om haar, die ik bemin en vereer—tot mijn vrouw te maken,” antwoordt Guy. Daarna fluistert hij: “Zij is Alva’s dochter.”
Waarop Corker een langgerekt gefluit doet hooren en mompelt: “Groote God!” en met een doodelijk ontsteld gelaat luistert, als Guy hem nog eenige orders geeft: “Neem de grootste sloep, bewaak den dijk tusschen het huis en Sandvliet, om de troepen tegen te houden, die bij een mogelijk alarm zouden kunnen aanrukken. De beide andere sloepen zullen de andere zijden van het huis bewaken.”
Want Chester vreest, dat op het laatste oogenblik een der lakeien of de gravin De Pariza bericht van wat er in Sandvliet gebeurt naar Lillo zal zenden of dat een onverwacht voorval zijn plannen zal dwarsboomen, en hij weet, dat als hij Hermoine ditmaal verliest, zij voor altijd voor hem verloren zal zijn.
Een oogenblik later fluistert hij verrukt: “Kijk, het huis ziet er feestelijk uit, het is geheel verlicht; zij is voor mij gereed, mijn bruid!” Nadat hij Corker nog de meest mogelijke waakzaamheid heeft aanbevolen, neemt deze het bevel op zich.
Twee minuten later bereikt Guy de landingsplaats.
“Onder dat venster daar, muzikanten; en speelt een zachte Venetiaansche serenade,” fluistert hij tot den leider der Italianen, naar het groote vooruitspringende venster wijzend, dat helder verlicht is.
“Si, gracioso, Senor,” antwoordt de leider van deze ongelukkige drommels; want Guy heeft hen voor zijn feest gehuurd met vorstelijk milde hand, zichzelf financieel als een Midas gevoelend. “Een aangenamen avond, senor, een recht aangenamen avond!” En de gelukkige Italiaan kust de hand van zijn milden begunstiger en gaat met zijn troep datgene tegemoet, wat het noodlot over hem heeft beschikt.
Hierop antwoordt Guy niets, maar springt aan land en fluistert tot zijn bootsman: “Houd de boot gereed, om onverwijld te kunnen vertrekken,” en tot den priester: “Ik verzoek u, met mij mede te gaan, eerwaarde vader.”
Zij gaan nu de trappen op naar den dijk en wandelen het pad op, dat door den kleinen tuin naar het huis leidt.
“Het is een zomernacht,” zegt Guy. “Vader Anastasius, zoudt gij er niet tegen hebben, hier onder de boomen op de bank te gaan zitten, totdat ik u laat roepen? Het is het sacrament van het huwelijk, dat ik mij door uw handen wensch te laten toedienen, en ik zou eerst nog met de dame willen spreken, eer ik u bij haar breng.”
“Zooals gij verlangt,” antwoordt de man Gods. “Ik kan evengoed voor u en uw huwelijk bidden hier onder den vrijen hemel als in een paleis.”
Daarna klopt Guy aan de huisdeur; hij is zonder wapens, behalve het rapier, dat de ridders steeds dragen, en het scherpe stiletto, dat hem nooit verlaat, want hij wenscht zijn beminde niet te verschrikken door een onnoodige tentoonspreiding van oorlogstuig.
De deur wordt terstond geopend door Alida, die fluistert: “Zij wacht u reeds, heer, en is overgelukkig! Neem de gelukwenschen aan van haar, die u beiden liefheeft en uw slavin is.”
Het Moorsche meisje wil zijn hand kussen, maar hij laat haar daarvoor den tijd niet en is het vertrek met het groote vooruitspringende venster reeds binnengetreden, om het verlicht te vinden door welriekendelampen, en versierd met bloemen, linten en groen, als voor een luisterrijk feest.
En van het venster, waar zij naar hem heeft staan uitkijken, zweeft een wezen van verrukkelijke aanminnigheid hem tegemoet en hij fluistert: “Mijn bruid, gij zijt veel te schoon voor deze aarde!”
Hij heeft gelijk, want het meisje is gekleed als een bruid, in glinsterende witte zijde, een kostbaar voortbrengsel van de weefgetouwen van Lyon. Zij heeft oranjebloesems in het haar, haar fraaie schouders en haar hals zijn wit als ivoor en de blanke arm, dien zij om zijn hals slaat, is zoo blank als albast: “Mijn Guido, eindelijk! Nu zult gij zien, welk een verrassing ik voor u heb. Kom met mij mee, nu zullen wij gelukkig zijn. Als ik er hem om smeek, zal hij misschien toestaan, dat wij dezen avond nog vereenigd worden.”
Haar vingers wijzen naar de kapel, en zij lacht: “Ik heb een verrassing voor hem ook. Ik heb vanavond tot de Madonna gebeden en nu ziet zij zoo vriendelijk op mij neer.”
Guy begrijpt niet recht, wat zij bedoelt, maar hij voelt zich overgelukkig, vooral als hij de kapel ziet, nadat de gordijnen zijn weggetrokken; de waskaarsen branden bij dozijnen op het altaar, het is versierd met bloemen en alles schijnt gereed voor een godsdienstige ceremonie.
“Kijk er niet te lang naar, maar kom mee. Hij zal verbaasd zijn, als ik hem de reden zeg.”
“Hij! Wie?”
“Dat zult gij aanstonds zien; ik zal hem bij u brengen.” Zij staan nu voor de draperieën, die dentoegang naar de eetzaal afsluiten, en het meisje roept uit: “Trek de gordijnen weg!”
Als deze zich openen, fluistert zij: “Guido, op uw knieën voor mijn vader, die mij heeft beloofd, dat gij mijn echtgenoot zult worden—op uw knieën en dank hem, zooals ik doe!” en zij werpt zich neer voor de magere figuur in het zwart, die altijd het Gulden Vlies draagt, den Onderkoning van den koning van Spanje, den hertog van Alva.
Hoe groot is echter haar verbazing, als Guy, in plaats van zijn knieën te buigen, met een sprong en een kreet van ontzetting van haar zijde wegsnelt en de hand aan zijn rapier slaat.
Op hetzelfde oogenblik springen acht Spaansche busschutters door de geopende vensters in het vertrek en grijpen hem, terwijl zijn zwaard nog pas half is uitgetrokken, en binden zijn handen, doch niet zonder een wanhopige worsteling. Eer hij overmand is, ligt er een Spanjaard dood aan zijn voeten.
Het meisje is hevig ontsteld en roept uit: “Guido, zijt gij krankzinnig geworden, dat gij een Spaansch krijgsman doodt?” en zij voegt er op hoogen toon aan toe: “Mannen, bevrijdt dien officier terstond!”
Maar de mannen kijken slechts haar vader aan.
“Bevrijdt dien officier! Gij weet niet, wat gij doet. Maakt hem los! Het is kolonel Guido Amati, de aanstaande schoonzoon van uw Viceroy!” En als ter verontschuldiging zegt zij tot Guy: “Het is een allerjammerlijkst misverstand, mijn Guido. Worstel niet met hen, zij zouden u kunnen dooden.” Want Chester tracht zwijgend zich een weg te banen naarhet venster, om er zich uit te werpen in de Schelde.
Daarna wendt Hermoine zich tot haar vader en roept uit: “Beveel uw soldaten, den man, dien ik bemin, weer vrij te laten. Is dat de manier, waarop gij de belofte houdt, die gij aan uw dochter hebt gedaan?”
Daarop vraagt de Hertog: “Wie is die man? Laat iemand mij dat zeggen. Herkent gij hem? Wie is hij?”
Naar voren tredend, salueert de brutale sergeant van Romero en fluistert in het oor van den Onderkoning: “Het is de ‘Eerste der Engelschen’!”
Bij deze woorden barst de hertog van Alva in een akelig gelach uit. “Haha! De vos is eindelijk gevangen! Mijn dochter, gij hebt de tien duizend kronen verdiend. Hij is de man, naar wien ik zoolang gehunkerd heb. Kom hier en kus uw vader!”
En tusschen dit alles door dringt de zachte muziek naar binnen van de harpen, mandolines en violen der muzikanten in de barge, die buiten op het water een serenade spelen.
De muziek hoorend en het voornemen van den Engelschman bemerkend, beveelt Alva op scherpen toon: “Zijn boot—zorg voor zijn boot! Laat niemand ontsnappen!”
Onmiddellijk wordt er gevuurd op de boot en klinken er hartverscheurende kreten uit de kelen der doodelijk gewonde Italianen, die sterven met de tonen der muziek op de lippen en onder het venster verdrinken.
Op hetzelfde oogenblik rukt Chester zich los en snelt naar Hermoine toe, en haar Guido, de man, dien zijbemint, vraagt haar huiverend: “Waarom hebt gij dat gedaan?”
“Waarom ik dat heb gedaan? Omdat ik u liefheb!” antwoordt zij. “Waarom hebt gij dien man gedood?” Want zij begrijpt het nog niet.
Maar haar vader zegt: “Kom bij mij, Hermoine, ik zal u alles uitleggen.”
Zij antwoordt: “Neen, neen!” En als Alva naar haar toe komt, roept zij afwerend: “Blijf waar gij zijt! Waag het niet, mij aan te raken, eer gij mij hebt gezegd, waarom gij uw belofte zijt vergeten!”
Daarop antwoordt Alva, met een stem, die haar zoo scherp voorkomt, als de bazuin van het laatste oordeel van onzen Heer hun zal voorkomen, wien geen hoop wacht in de eeuwigheid: “Dit is niet de man, dien gij meendet lief te hebben. Dit is niet Guido Amati. Hij werd gedood in het gevecht op het ijs, gedood door dezen Engelschen roover, dezen vervloekten zeeschuimer, dezen laaggeboren clown, die een Spaansch edelman naäapte, om uw vertrouwen en liefde te winnen.”
“Laaggeboren clown!” barst de Engelschman verontwaardigd los. “Dat is een leugen, waar gij dat schimpwoord met den naam van Chester verbindt. Hertog van Alva, gij spreekt tot een ridder; geridderd door de Koningin zelve. Ik heb in mijn aderen het bloed van de Stanhopes, die onder Willem den Veroveraar vochten; mijn neef is een Stanley en draagt een gravenkroon. Adeldom bezit ik genoeg voor u en de uwen. Denkt gij, dat ik haar, die ik bemin, zou misleid hebben door haar te bewegen tot een verbintenis met onedel bloed?Hier op mijn borst draag ik de gouden sporen van mijn ridderschap!”
Het meisje, dat ineengekrompen is onder de woorden, die den man, dien zij liefheeft, als een onedele brandmerken, rukt de sporen van zijn borst, die toonen, dat hij van rang is, houdt ze Alva voor en roept op bijna gelukkigen toon uit: “Hij is van adel! Vader, hoort gij mij?Hij is van adel. Nu kunt gij niet meer weigeren, hij is van adel, al is hij”—zij breekt eensklaps af en zegt stamelend tot Guy, want zij begint het nu te begrijpen: “Zijt gij de—de ‘Eerste der Engelschen’?”
“Ja!”
Het antwoord wordt gegeven op een hoogen en trotschen toon, en nu wordt haar eensklaps alles helder en zij stamelt: “O, nu begrijp ik alles—! Deze—deze Oliver, zijn vriend—den dag, dat hij mij bevrijdde—den dag, dat zij zeiden, dat de Engelsche zeeroover in Antwerpen was.” Daarna fluistert zij, bijna juichend: “Dien dag, mijn lieveling, heb ik u tweemaal gered; thanswil iku wederom redden!”
Doch deze woorden eindigen in een verschrikkelijken kreet, als Alva, op een toon, even onwrikbaar als de rots der eeuwen, ijskoud zegt: “Gomez,haal den beul!”
“Den beul! Vader, gij begrijpt het niet. Dit is de man, dien ik bemin.”
“Gij bemint hem?” spot de Hertog. “Gij bemint den vijand van uw land? Dezen man, een vriend van Oliver, den verrader in mijn omgeving, wiens aanval op Bergen Oranje tijd gaf, omgeheel Holland in opstand te brengen, den man, die mij ter wille van zijn koningin beroofde van mijn Italiaanschen schat? Gij moet hem haten, mijn dochter, zooals ik doe,” en hij wendt zich af om zijn verdere bevelen te geven.
Bij deze woorden vertoont er zich een spotachtige lach om Guy’s mond, maar Hermoine legt haar hand op zijn lippen en fluistert smeekend: “Vertoorn hem niet, beheersen u, om mijnentwille, mijn Guido—mijn Engelschman. Ik kan Papa om mijn kleinen vinger winden,” en zij tracht hem bemoedigend toe te lachen: “Kijk wat ik ga doen.”
En in het volgend oogenblik slaat zij haar armen om zijn hals en vleit: “Wat spreekt gij toch voor onzin? Gij doet altijd, wat uw Hermoine u zegt te doen. Lieve papa, zal ik u aan uw stouten baard trekken?”
Hij antwoordt echter: “Kind, gij begrijpt mij niet. Ik zal allerlei mooie zaken en nieuwe kleederen voor u uit Frankrijk laten komen. Gij zult hem spoedig vergeten!” en met verheffing van stem:—“De beul!”
Zij laat zich echter niet zoo gemakkelijk afschepen en tracht te lachen: “De beul?—voor den man, dien gij mij tot echtgenoot beloofd hebt? Welk een onzin! Gij bedoelt den priester. Mijn lieve, beste domme papaatje, laat dadelijk den priester halen!”
Doch Alva antwoordt ijskoud: “Om hem te laten biechten, als hij geen ketter was!” Daarop vervolgt hij op strengen toon: “Gomez, waarop wacht gij nog? Gij hebt mijn bevelen—De beul!”
HOOFDSTUK XXIII.“HET IS EEN STAATSZAAK!”En voor het eerst van haar leven gedraagt zij zich oneerbiedig tegen haar vader en lacht zij spottend, maar tegelijk smartelijk: “Mijn vader biedt mij sieraden aan voor het leven van mijn beminde! Misschien werpt hij mij het goud, dat als prijs op het hoofd van mijn beminde staat, in den schoot en denkt dat ik het zal gebruiken om er lekkernijen voor te koopen,” en dan zegt zij weer snikkend tot Guy, die, nu al de uitgangen van het vertrek bezet zijn, geen kans tot ontsnappen meer heeft, dan schier alleen door bovenmenschelijke middelen:“O, barmhartige Moeder Gods, waarom hebt gij mij niet vertrouwd? Dacht gij, dat ik enkel uw naam liefhad?” En daarna smeekt zij met heesche stem: “Vader, spaar hem! Gij hebt het beloofd! Spaar tenminste zijn leven. Vader, barmhartigheid voor mij!”Want men hoort nu rumoer buiten, het geluid van mannen, die het huis binnenkomen; maar het is slechts de luitenant van de lijfgarde, die binnentreedt,met een viool druipend van bloed in zijn hand, en rapporteert: “Wij hebben iedereen, die in de boot was, gedood, muzikanten en allen.”Dit bericht vervult Chester met een sprankeltje hoop, het eerste, dat in hem gloort. Als een lichtstraal gaat het hem door het hoofd: “De slachting van de muzikanten is een waarschuwing voor mijn booten, dat hun commandant zich in gevaar bevindt.”Maar deze zwakke hoop maakt weer plaats voor een gevoel van smart voor haar, die hij bemint, want Hermoine smeekt nu tot haar vader, als gold het haar eigen leven, hem noemende met vleiende namen, alsof zij hem aanbad in haar vertwijfeling, en zij zegt snikkend, ofschoon zij geen tranen heeft: “Vader,hoortgij mij niet, voelt gij mij niet?” Met haar armen om den hals van den ijzeren onderkoning gaat zij voort: “Weet gij dan niet—dat ik—dien man bemin!—Zie het dan, geloof het als gij de wanhoop ziet van mijn brekend hart! Als gij hem doodt, zult gij mij dooden. Ik heb over hem getreurd toen ik hem dood waande; moet ik nu opnieuw tot weduwe gemaakt worden?”En terwijl zij zoo smeekt, in haar wanhoop, is Hermoine de Alva nog liefelijker dan in haar vreugde, want zij is als met een bovenaardsch waas overtogen—zij is als Eva, pleitende voor Adam, niet bij God, maar—bij Satan.Doch Satan is niet barmhartig, en meenende, dat haar vader niet begrijpt, dat haar eigen leven er mee gemoeid is, roept zij uit: “Nu zult gij mij toch wel gelooven!”En het meisje gaat blozend, ondanks de tegenwoordigheid van de oude veteranen en al de lakeien en bedienden, die op het rumoer zijn toegesneld en die nu aan de deuren staan, naar Chester toe, slaat haar armen om hem heen en kust hem snikkend en smeekt hem, niet te denken dat zij hem voor iets ter wereld zou hebben kunnen verraden, want zij heeft hem zoo innig lief.Maar opeens verandert haar gelaat van uitdrukking, want terwijl zij over Guy staat heengebogen, fluistert deze haar in het oor: “Tracht tijd te winnen—waarschuw mijn booten—tracht tijd te winnen.”Zij denkt er over na, hoe zij dit zal doen, en begrijpt, dat alleen list haar kan baten.Zij wendt een flauwte voor en mompelt: “Water—water—mijn hoofd!”Waarop haar vader uitroept: “Groote God, zij bezwijmt!”En schamper zegt zij tot hem: “Dat zou u goed te pas komen! Als ik weer bijkwam, zou ik beroofd zijn van wat mij het dierbaarste is. Neen, ik wil niet bezwijmen, zoolang hij leeft—water!”Alva zelf wil het haar brengen, maar zij duwt hem weg en zegt huiverend: “Niet uit uw handen; mijn kamenier Alida—snel!”En het Moorsche meisje, dat alles met gespannen belangstelling heeft gadegeslagen, snelt toe en brengt haar een beker vol.Terwijl Hermoine drinkt, fluistert zij: “Naar de landingsplaats, waarschuw de booten—de Engelsche booten!”Een flikkering in de schrandere oogen van hetMoorsche meisje duidt aan, dat zij het begrijpt en zij verlaat het vertrek met den beker in de hand.De Hertog bemerkt het niet. Nadat zijn dochter hem huiverend van zich stiet, heeft hij zich afgewend en zijn hand op zijn hart gedrukt, terwijl zich een sterke ontroering op zijn gelaat afteekende. Van dit oogenblik afaan vermijdt hij het zijn dochter aan te zien, die, nu zij haar vader niet kan vermurwen, nog alleen van uitstel redding verwacht.Hierin wordt zij onverwachts geholpen door een vijandin, de gravin De Pariza, die valsch lachend binnenkomt: “Gij zult hem toch zeker langzaam laten verbranden? Hij is een ketter.”“Wat leutert gij van ketter, draak,” roept Chester, “ik ben een evengoed Katholiek als de hertog van Alva zelf.” En aan zijn God denkende, nu de dood hem zoo nabij is, neemt hij zijn rozenkrans en begint te bidden.“Een Katholiek,” lacht Alva hoonend, “evengoed als ik? En gij verzet u tegen den koning van Spanje?”“Ja,” antwoordt Guy, “ik ben een Katholiek,maar ik ben ook een Engelschman.”“Er zal er spoedig een minder zijn, om tegen de Spaansche vlag te vechten,” zegt Alva hoonend.Dit gaat vergezeld van een wanhoopskreet van zijn dochter.De beul, een van hen, die Alva altijd met zich voert, om parate executie te kunnen houden, komt binnen (een man in een nauwsluitend leeren buis en met een afgrijselijk wreed gelaat) en Alva zegt tot hem: “Hoe nu, kerel, waar is uw strop?”“Ik dacht, heer,” antwoordt de man, “naar hetgeenik buiten hoorde, dat er iemand verbrand moest worden en ik kwam vragen, waar dat moest geschieden. Er zijn takkenbossen genoeg in den kelder om mijn man te roosteren. Zal ik hem verbranden op het plein voor het huis? Ik kan genoeg talk vinden, om hem in te smeren!”De uitdrukking op het gelaat van zijn dochter, waarmee zij, zonder een woord te zeggen, op hem afkomt, terwijl zij hem strak aankijkt, doet Alva het hoofd afwenden en mompelen:“De strop; hij is geen ketter, hang hem buiten aan een boom op.”“Zijt gij daartoe vast besloten?” Hermoine’s welluidende stem is nu gebroken en schor.“Ja! Het is een staatszaak.”“Mijn tranen, mijn gebeden, mijn gebroken hart,”—zij brengt dit met moeite uit,—“kunnen dus geen verandering brengen—in—uw besluit?” En er ligt een uitdrukking van doodsangst in de schoone oogen van het meisje, dat geen tranen meer heeft.“Neen. Het is een staatszaak.” Alva’s lippen beven, terwijl hij dit zegt.“Dan eisch ik voor den man, dien ik bemin, en die geen ketter is, het recht om de laatste genademiddelen van de Kerk te ontvangen. Gij zult zijn ziel niet verdoemen, al veroordeelt gij zijn lichaam. Gij zijt zelf een te goed Katholiek, om een Katholiek te doen sterven zonder den bijstand van de Kerk.”Don Fernando antwoordt hierop: “Er is geen priester hier.”“Gij brengt den beul mede en geen priester!” zegtzij bitter. “Geef hem en mij tenminste den tijd om onze gebeden op te zeggen—want als hij sterft—breekt mijn hart ook.”Maar nu komt er eenige beweging onder de krijgslieden aan de deur, en een man in priestergewaad zegt: “Plaats voor een vader van de Kerk!”En als de krijgslieden hem doorlaten, ziet Guy tot zijn verbazing, dat het vader Anastasius is, dien hij had laten opsporen, om hem dezen avond te trouwen.“Nu,” roept Hermoine uit, “hertog van Alva, kunt gij niet langer weigeren.”“Dat zal hij ook niet,” zegt de priester, “hij zal het mij niet weigeren, mij, vader Anastasius, die zooveel jaren in Zeeland heb geleefd en vervolgd ben ter wille van onzen Heer; hij mag mij de vergunning niet weigeren om de ziel van dezen man te redden.”“En waarom niet?” antwoordt Alva hooghartig.“Omdat ik u in den ban zou doen. Goed Katholiek als gij zijt, hebt gij geen recht, om een ordonnantie van Rome te schenden.”“Ga uw gang dan. Bindt hem stevig. Bid met hem in die kapel, als gij meent, dat dit plechtiger is, en red zijn ziel. Nu, meisje, ga naar uw kamer.”“Niet voordat ik het laatste oogenblik heb gezien en de laatste woorden heb gehoord van den man, dien ik bemin. Gij hebt mij alles geweigerd, waarom ik u smeekte, gij hebt geweigerd het leven van mijn geliefde te sparen en ik heb er u niet om vervloekt—omdat ik uw dochter ben. Maar ik zal’s hemels wraak over u inroepen, als gij mij van zijn zijde wegzendt, zoolang er nog leven in hem is.”Hierop zegt Alva niets, doch zinkt neer bij de tafel, met het hoofd in de handen, terwijl hij tot den luitenant mompelt: “Met uw leven staat gij ervoor in, dat hij niet ontsnapt.”Als er een wacht is geplaatst voor den ingang van de kapel, wordt Guy er gebonden en hulpeloos heengeleid, en hij zinkt voor den priester neer.Maar terwijl hij de biecht van den stervenden zondaar aflegt, hoort hij het geruisch van zijde naast zich en de witte kant en de oranjebloesem raken zijn gelaat aan, dat gewond is door geweerkolven, en een schoon wezen, op wier gelaat wanhoop te lezen staat maar tevens goddelijke liefde, knielt naast hem neer en fluistert tot den priester: “Niet het sacrament der stervenden, maar het sacramentvan het huwelijk!—met dezen man, dien ik liefheb en die mij liefheeft—en die zijn leven keer op keer heeft gewaagd, om mij te komen zien. Nu weet ik, welke gevaren gij hebt getrotseerd om mij te winnen—mijn Guido!—nu weet ik het—mijn Guy, mijn Engelschman!”“Maar de hertog van Alva!” mompelt de priester ontsteld.“Gij toondet daareven ook geen vrees voor hem. Wees even barmhartig als gij goed zijt. Kijk naar het altaarstuk, zie, de Madonna smeekt u voor mij!”En naar het altaarstuk ziende, schrikt vader Anastasius, maakt het teeken des kruises en stamelt: “Een wonder! Het gelaat van de MoederGods is het uwe, mijn kind; dezelfde oogen, dezelfde mond—wonderbaar!”“Gij ziet, dat Moeder Maria mijn gelaat heeft aangenomen, om mijn voorspraak bij u te zijn,” fluistert het meisje, een ingeving krijgend. “Spoedig, maak de ceremonie zoo kort mogelijk.”Aldus aangespoord, spreekt de priester, denkende dat het op bevel van de Heilige Maagd zelve geschiedt, over Guy Chester en Hermoine de Alva, ofschoon haastig, het sacrament van de Heilige Kerk uit, die dezen man en deze vrouw samenvoegen tot één vleesch, één lichaam en één naam.Als hij het antwoord geeft, is het Guy eensklaps alsof alle hoop nog niet behoeft te worden opgegeven; God zal deze edele vrouw, deze teedere engel redden en hem met haar; hij hoort haar nu fluisteren: “Ik ben uw vrouw;nu zullen wij zien of mijn vader mijn echtgenoot zal durven dooden!—Heilige man Gods, uw zegen.”En als de priester zijn handen over hen uitbreidt, komen er tranen in zijn oogen en hij zegt: “Benedicte! De Heilige Maagd zal den man, dien gij bemint, behoeden.”Daarna voelt Chester de lippen zijner vrouw, die koud zijn als marmer, op de zijne, en zij, opstaande, gaat naar haar vader en zegt met een heesche, onnatuurlijke stem: “Het is geschied!”Want het vertrek heeft nu veel van een gruwelkamer en alle stemmen klinken hol en onnatuurlijk; zelfs Hermoine’s eigen stem is hard en schor geworden.“Hij is gereed?”“Neen, hij isgetrouwd.”“Wat?”“Ja, hij is met mijgetrouwd.”“Met u getrouwd! Misericordia! Nu zult gij voortaan uw vader steeds beschouwen als den moordenaar van uw echtgenoot! Haal mij dien vervloekten priester hier!” roept Alva uit; er is woede, vermengd met angst, in zijn stem.“Wat verlangt gij van mij?” antwoordt vader Anastasius.“Hoe hebt gij het durven wagen, hen in den echt te vereenigen?”“Op bevel van de Heilige Maagd! Zie! Moeder Maria heeft de trekken van zijn vrouw aangenomen, om hem te beschermen.”“O! wat een bedriegerij!” roept Alva uit. “Het schilderij van den verrader Oliver zou mij beletten wraak te nemen! Maar dat zal niet gebeuren, het is een staatszaak!” En hij geeft den beul, die naast hem staat met den strop in de hand, een teeken.Hermoine echter gaat voor haar vader staan en zegt: “Geen onteerende dood voor mijn man, die evengoed een edelman is als gij. Wees tenminste zoo barmhartig en veroordeel hem tot het zwaard.”“Goed! ik zal hem denzelfden dood toestaan als Egmont en Hoorne. Onthoofd dien Engelschman op deze tafel!”“Voor mijn oogen?” vraagt zijn dochter huiverend.“Gij hebt het verlangd. Het is een staatszaak.”“Vader!” gilt het meisje, want de beul heeft hetzwaard getrokken. “Vader, daar gij zelf op genade hoopt, betoon ze ook mij. Wenscht gij, dat iedereen op aarde u een vervloekten en wreeden moordenaar zal noemen? Er was slechts één, die u nooit zoo noemde, tot nu toe. Dat was uw dochter. Zoudt gij wenschen, dat zij zeide: ‘Mijn vader heeft mijn echtgenoot gedood?’”Hij antwoordt echter heesch: “Vlug, maak er een einde aan!”Eenige mannen willen Guy nu naar de tafel sleepen, maar vader Anastasius gaat voor het altaar staan, breidt zijn armen over Chester uit en roept: “Dit is een heilige plaats! Vervloekt zij iedereen, die haar betreedt met getrokken zwaard en een bloot wapen! De Madonna beveelt het mij! Terug, of ik slinger den banvloek van de Moederkerk naar uw hoofd!” Want de priester is in de vaste overtuiging, dat de Heilige Maagd hem beveelt, den bruidegom te redden.Maar Alva, zich baan brekend door de krijgslieden, roept uit: “Gij gaat te ver, verwenschte priester!” en hij wil zelf de hand slaan aan den gebonden man, want zijn manschappen deinzen achteruit, als de priester met verheffing van stem uitroept: “Vervloekt zijt gij!” en de huiveringwekkende formule der excommunicatie begint uit te spreken.Fernando tracht te lachen. “Monniken jagen mij geen vrees aan—ik, die een leger heb aangevoerd tegen den paus!” en het schijnt, alsof hij voornemens is, zelf het vonnis aan den echtgenoot van zijn dochter te voltrekken.Op dit oogenblik vliegt een donker, vlugvoetigmeisje het venster binnen, uitroepend: “Hierheen! Gezwind!”Alva roept zijn manschappen toe, tegen de aanvallers front te maken—maar het is te laat—al hun aandacht is door de executie in beslag genomen en zij hebben niets gemerkt van de nadering der mannen, die hen nu overvallen onder aanvoering van Corker.Het duurt slechts een oogenblik en de ontstelde lijfgarde is neergesabeld of op de vlucht gedreven om daar buiten te worden ingehaald en afgemaakt, terwijl hun heer alleen staat te midden van zijn vijanden, ofschoon ongewond; want zijn wapenrusting is bestand tegen kogels van pistolen en haakbussen. Zijn hoofd is onbedekt en zijn laatste uur was bijna gekomen, want Chester, die nu een zwaard in de hand heeft, stormt op hem af, uitroepend: “Nu is het mijn beurt, hertog van Alva!” Maar Hermoine, zich aan haars vaders borst werpende en hem met haar armen beschermend, smeekt: “Spaar hem, als gij barmhartig jegens mij wilt zijn! Spaar hem, Guy, mijn echtgenoot, als gij dezen nacht een gelukkige vrouw met u wilt voeren,—want hoe zou ik het, zelfs in uw armen, kunnen vergeten, dat gij de moordenaar mijns vaders zijt?”“Spaar hem, jonge man, ik gelast het u nu, zooals ik u zooeven redde,” roept de priester uit.“Ja, dat deedt gij, goede vader Anastasius,” zoo laat nu Hermoine zich hooren, als Guy zijn arm laat zakken.Don Fernando vraagt thans op somberen toon: “Welk losgeld?”En voor Guy’s oogen verrijst het beeld van de belegerde stad, de uitgeputte mannen, de verhongerende vrouwen, de stervende kinderen en hij antwoordt: “De vrijheid van Haarlem!” want hij gevoelt dat hij het lot van een volk in zijn hand heeft.“Nooit! Ik heb goud om mijn leven te betalen, doch eer ik toesta, dat één vendel het legerkamp voor Haarlem verlaat, kunt gij mij neerstooten!” is het vastbesloten antwoord van Alva. “Vermoord mij, als gij wilt, doch niemand zal zeggen, dat Don Fernando de Toledo, om zijn leven te redden, de trouw aan zijn vorst heeft geschonden.”“Laat men hun dan wat proviand mogen toevoeren!” smeekt Guy nu.“Neen!”“Laat de vrouwen en de kinderen tenminste de stad mogen verlaten, opdat er minder monden te voeden zijn!” smeekte Hermoine op haar beurt.“Neen!”Ware hij op dit oogenblik omringd geweest door Hollanders, dan zou het laatste uur voor den Hertog geslagen zijn; maar gelukkig voor hem, zijn het Engelschen, die om hem heen staan; toch werpen ook dezen blikken vol haat en woede op hem en slaan de handen aan hun zwaarden.Chester roept echter uit: “De wapens neer! Geen van mijn manschappen zal den vader van mijn vrouw letsel doen. Kom mee, Hermoine.”En het meisje gaat naar hem toe.Dit ziende, stamelt de hertog van Alva: “Gij—gij neemt haar mede?”“Waarom niet? Gij hebt haar niet lief!”“Of ik haar liefheb!—Het was een staatszaak.—Beloof mij dan tenminste, als gij niet langer bij mij wilt blijven, Hermoine—dat gij mij nu en dan eens zult komen bezoeken—wanneer gij dit alles zult vergeten zijn.”Doch het meisje antwoordt: “Neen. Ik zou niet zonder mijn man willen komen, en ik vertrouw niet genoeg op uw liefde voor mij, dat gij zijn leven zoudt sparen, als het in uw macht stond hem te dooden.—Het zou—een staatszaakzijn! Wat beteekenden mijn leven, mijn geluk, al wat mij op aarde dierbaar is, toen ik u pas vijf minuten geleden om erbarming smeekte, vergeleken bij diestaatszaak! Vader, blijf uw staatkunde getrouw, zij heeft u het eenige hart in de wereld gekost—dat u beminde!” Hier is het haar onmogelijk, verder te spreken, en naar den man toegaande, die tot heden zooveel voor haar is geweest, fluistert zij: “Gij waart altijd teeder en goed voor mij—vroeger!” en kust hem herhaaldelijk.En nu begint de Hertog te smeeken, dat zij zal denken aan zijn grijze haren—zij, die de troost is van zijn ouderdom—en barst eindelijk los tegen Guy: “Uw liefde is een zelfzuchtige—gij veroordeelt dit meisje, dat in een vorstelijke omgeving is grootgebracht, om met u het leven van een zeeroover te leiden.”“Maar tegelijk met haar heb ik mij een aanzienlijken bruidsschat toegeëigend—een koningsdochter waardig,uw geheelen onzaligen tienden penning, hertog van Alva!” antwoordt Guy,die dezen Parthischen pijl niet kan terughouden.“Hoezoo? Vanwaar?”“Uit uw schatkamer onder het bastion van den Hertog.”“Groote God! Onmogelijk!”“Het was het geheim van den stervenden Paciotto!”“Ik—ik kan het niet gelooven,” stamelt Fernando bleek, bevend, gebroken.“Gelooft gij het dan, als ik u zeg:het standbeeld heeft zijn hand bewogen?” spot Chester.“En Roderigo, mijn schatbewaarder,stierfzes dagen geleden! Het is het noodlot—de fortuin heeft mij den rug toegekeerd,” kreunt Alva en laat het hoofd op de borst zinken, alsof alle hoop hem heeft verlaten.Guy leidt zijn vrouw weg van dit wanhoopstooneel; doch als zij zich bij de deur nog eenmaal omwendt om haar vader, die nu geheel alleen is, een laatsten blik toe te werpen, begint Hermoine te huiveren en te snikken in de armen van haar echtgenoot.De ijzeren Hertog knielt voor het altaarstuk, waaruit de oogen zijner dochter op hem neerzien en hij snikt—hij, die nooit te voren geweend heeft.Het is het eenige wat Alva in deze wereld van zijn dochter rest. Nadat het schoone wezen, dat de vreugde van zijn ouderdom was, van hem is heengegaan, wendt ook de fortuin haar aangezicht van hem af. Ofschoon hij Haarlem inneemt en zijn beulen, vijf in getal, er dag en nacht aan het werk zijn, om de burgers van die ongelukkige stad te vermoorden en de dapperste verdedigers van haar wallente onthalzen, Ripperda, Hasselaer en haar andere helden en heldinnen, stoot Don Fernando voor Alkmaar het hoofd.Hij is niet meer de Alva van vroeger, en als hij eenige maanden later naar Spanje vertrekt, gaat hij heen, gebroken naar ziel en naar lichaam; hij heeft het vertrouwen van zijn koning verloren, en de onsterfelijke beruchtheid verworven, de wreedste man der wreedste eeuw te zijn. Al zijn schuldeischers in Holland en Brabant zenden hem verwenschingen na, als hij het land verlaat,—zij kennen de ware geschiedenis van zijn standbeeld niet.Zelfs Requesens, zijn opvolger, geloof slaande aan de praatjes van de soldaten, haalt het groote standbeeld van Alva omver en laat naar den schat graven—om niets te vinden dan het onderaardsche gewelf, dat eens de bergplaats er van was. De Hertog neemt naar Spanje één ding mee, dat hem voortaan het dierbaarst op aarde is—het altaarstuk, geschilderd door den genialen kunstenaar Oliver, en het wordt geplaatst op het altaar in de kathedraal te Vittoria, waar de hertog van Alva zich vestigt. De boeren vertellen, dat de man met het hart van steen iederen dag weent voor de Madonna om de duizenden menschenlevens, die hij in de Nederlanden heeft doen verloren gaan. En nu, na driehonderd jaren, houdt men het schilderij voor een der eerste werken van Murillo en strekt het om den roem van dezen meester te verhoogen—aan toeristen vertelt men, dat de waarde er van niet te bepalen is.Zoo heeft de doode Oliver zelfs zijn beroemdheid verloren. Zijn genie heeft den naam van een anderhelpen vestigen; zijn lichaam werd geworpen in zijn geliefd IJ, zijn hoofd binnen Haarlem’s wallen als aas voor de roofvogels. Hij stierf om Nederland te bevrijden, om de komst voor te bereiden van een nieuwen tijd, waarin de menschen zichzelf zouden kunnen zijn en vrijheid van denken zouden hebben en God zouden kunnen aanbidden, ieder op zijn eigen wijze. Hij heeft enkel den roem behouden, een patriot te zijn geweest—en is dat niet genoeg?Guy voert zijn vrouw naar de landingsplaats, ver van haar vaders wanhoop en vernedering. Hier wachten al zijn booten op hem, terwijl de matrozen inderhaast, onder toezicht van Alida, het voornaamste van Hermoine’s bezittingen meevoeren. Het Moorsche meisje neemt zelve het kistje met juweelen in de hand en gaat naast haar meesteres in de sloep zitten.Chester geeft eindelijk het bevel, om van wal te steken, en de sloepen begeven zich op weg naar deDover Lass.“Herinnert gij u onzen vorigen boottocht op deze rivier?” fluistert Guy in het oor van zijn vrouw. “De onbekende dame, die mij tot kolonel wilde bevorderen, hè?”“En heb ik niet meer voor u gedaan?” antwoordt Lady Chester—née Hermoine d’Alva—in zijn oor.De blik, waarmee Guy haar aanziet, is welsprekend genoeg; er zijn geen woorden noodig.Als zij deDover Lasslangszij zijn gekomen, neemt Chester zijn vrouw in zijn armen en draagt haar naar zijn hut, waar Hermoine verwonderd rondkijkt en uitroept: “Uw schip is zoo fraai als een staatsgalei of vorstelijk pleiziervaartuig, mijnheer,” want Achille heeft met zijn Franschen smaak de hut herschapen in een dames-boudoir, met frissche bloemen, op den oever geplukt.“Ja, het was voor de wittebroodsweken, dat ik de hutten liet versieren. Het was voor u.”“Dus gij waart er zóó zeker van, mij te winnen—met de macht van geheel Spanje tegenover u? Wat bezit gij Engelschen een volharding en een vermetelheid!” Dit zegt zij lachend, maar daarna neemt haar gelaat een ernstige uitdrukking aan en stamelt zij: “Wat hebt gij niet gewaagd voor mij, mijn Guy—mijn Engelschman!”Maar Chester moet zich van haar losrukken en op het dek gaan om zijn zeemansplicht te vervullen. De Engelsche vlag wappert van deDover Lass, en het schip snelt naar den mond der Schelde, Vlissingen voorbij, want Guy wil hier niet stilhouden, uit vrees voor Spaansche oorlogsschepen.Den volgenden avond werpen zij het anker uit te Harwich, waar de klokken vroolijk luiden.“Welkom in Engeland!” roept Guy uit en brengt zijn vrouw aan land. Hier doet het gerucht weldra de ronde, dat Chester een galjoen met enorme schatten heeft buitgemaakt en hij betaalt dan ook tien percent, zooals gebruikelijk is, aan de Engelsche kroon, evenals in dergelijke gevallen Drake, Hawkins en andere zeeschuimers deden.De rest van den schat is volgens de wet van het land de zijne, en hij keert aan Bodé Volckers zijn aandeel uit. De Vlaming gaat met dit geld naar Holland en vestigt zich eenige jaren later, als Amsterdam zich voor Oranje heeft verklaard, in diestad om een van haar voornaamste kooplieden te worden.En als de matrozen hun gage en hun belooning hebben ontvangen, zijn er geen gelukkiger zeelieden in alle havens van Engeland; en nog weken later, als eenige van de pikbroeken in Plymouth of Portsmouth worden gezien met twee groote horloges op zak, roepen de menschen: “Dat is een van Chester’s matrozen, niemand behalve een matroos van deDover Lasskan zich zulk een buitensporige weelde veroorloven!”Als dit alles ter oore komt van koningin Elizabeth, zegt Hare Majesteit tot haar eersten minister: “Burleigh, deze Sir Guy Chester is de grootste dief van ons allen. Hij heeft de dochter van Alva gestolen en hij en het meisje hebben samen haar vader bestolen, den armen ouden Hertog.”“Zij namen een voorbeeld aan Uwe Majesteit,” antwoordt Burleigh. “Gij herinnert u de achthonderd duizend kronen immers nog wel?”“Dat zou ik denken! Maar mijn ridder Chester is voor mij verloren als krijgsman wanneer zijn fortuin slechts een vijfde bedraagt van het kapitaal, waarop men het schat, en de lieftalligheid van zijn vrouw slechts een tiende is, van hetgeen er van verluidt. Breng die kleine heks bij mij. Ik wil die Spaansche schoonheid zien.”“Inderdaad,” antwoordt Cecil, die Hermoine heeft gezien en verrukt is over haar schoonheid, “Lady Chester is de schoonste vrouw op aarde—op Uwe Majesteit na.”“Uit mijn oogen met uw laffe vleierij—dat‘op Uwe Majesteit na’ komt hinkend achteraan,” lacht Elizabeth. “Maar breng haar hier, ik geloof, dat gij zelf op haar verliefd zijt, gij oude zondaar! Laat mij dat Spaansche wonder aanschouwen.”En als Sir Guy Chester met zijn vrouw aan het hof komt, wekt Hermoine door haar geest en haar lieftalligheid de algemeene bewondering op.Haar ziende, zegt Queen Bess op weemoedigen toon: “De fortuin heeft van Chester een saletjonker gemaakt; hij eet nu zelfs met dat afschuwelijke Italiaansche ding, vork genaamd. Toch heeft hij oog voor kostbaarheden; de diamanten van zijn vrouw zijn schooner dan de mijne. Misschien zou hij een goede Lord van de Schatkist zijn, want hij zal nu wel niet meer gaan vechten—tenzij het hem in het hoofd mankeert.”Elizabeth heeft goed gezien. Chester koopt groote bezittingen rondom Londen en richt zich met zijn vrouw in op een vorstelijken voet, en beiden smaken een volkomen geluk. Tien jaren later gordt hij echter zijn zwaard nog eens aan, zooals iedere echte Engelschman, en op zijn eigen kosten zes schepen uitrustende, waarvan het kleinste de oudeDover Lassis, onder bevel van Dalton, vat hij post in het kanaal onder Lord Howard van Effingham, om te strijden tegen de groote Armada, door Philips van Spanje uitgezonden teneinde de vrijheid van zijn land te bedreigen.Die roemrijke overwinning is het laatste zeegevecht van den “Eerste der Engelschen”. Van dien tijd af aan woont hij het grootste gedeelte van het jaar in het milde klimaat op de kust van Kent, waar zijnvrouw zich het best thuis gevoelt, waar het zoele windje haar herinnert aan haar Spaansch geboorteland. Hier regeert zij tot aan het einde van haar lang, gelukkig leven als koningin in het hart van haar man.Hun eenig verdriet is, dat hun geen zoon wordt geboren, om hun groote bezittingen te erven, maar zij hebben een dochter, het evenbeeld van Hermoine, en deze huwt in een voorname Engelsche familie, als bruidsschat het uitgestrekte grondbezit meebrengend, dat nu een der hertogelijke geslachten tot een van de rijkste en aanzienlijkste van Engeland maakt.Nu en dan heeft een dochter van dat huis Hermoine’s prachtige oogen, blanke teint en weelderig haar en haar bevalligheid is niet die van een dochter van het Noorden, maar van een dochter van het Zuiden. Dan lachen haar broeders en zusters en zeggen dat de Spaansche schoonheid nog eens hier opdoemt, ofschoon zij zijn vergeten, van wie zij afkomstig is.Zij kennen nog slechts als legende de geschiedenis van den stoutmoedigen zeeman, den onverwinnelijken krijgsman, en den alles trotseerenden minnaar, die Alva’s schat en het hart van Alva’s dochter won, om haar te maken tot de de bruid van den “Eerste der Engelschen”!
En voor het eerst van haar leven gedraagt zij zich oneerbiedig tegen haar vader en lacht zij spottend, maar tegelijk smartelijk: “Mijn vader biedt mij sieraden aan voor het leven van mijn beminde! Misschien werpt hij mij het goud, dat als prijs op het hoofd van mijn beminde staat, in den schoot en denkt dat ik het zal gebruiken om er lekkernijen voor te koopen,” en dan zegt zij weer snikkend tot Guy, die, nu al de uitgangen van het vertrek bezet zijn, geen kans tot ontsnappen meer heeft, dan schier alleen door bovenmenschelijke middelen:
“O, barmhartige Moeder Gods, waarom hebt gij mij niet vertrouwd? Dacht gij, dat ik enkel uw naam liefhad?” En daarna smeekt zij met heesche stem: “Vader, spaar hem! Gij hebt het beloofd! Spaar tenminste zijn leven. Vader, barmhartigheid voor mij!”
Want men hoort nu rumoer buiten, het geluid van mannen, die het huis binnenkomen; maar het is slechts de luitenant van de lijfgarde, die binnentreedt,met een viool druipend van bloed in zijn hand, en rapporteert: “Wij hebben iedereen, die in de boot was, gedood, muzikanten en allen.”
Dit bericht vervult Chester met een sprankeltje hoop, het eerste, dat in hem gloort. Als een lichtstraal gaat het hem door het hoofd: “De slachting van de muzikanten is een waarschuwing voor mijn booten, dat hun commandant zich in gevaar bevindt.”
Maar deze zwakke hoop maakt weer plaats voor een gevoel van smart voor haar, die hij bemint, want Hermoine smeekt nu tot haar vader, als gold het haar eigen leven, hem noemende met vleiende namen, alsof zij hem aanbad in haar vertwijfeling, en zij zegt snikkend, ofschoon zij geen tranen heeft: “Vader,hoortgij mij niet, voelt gij mij niet?” Met haar armen om den hals van den ijzeren onderkoning gaat zij voort: “Weet gij dan niet—dat ik—dien man bemin!—Zie het dan, geloof het als gij de wanhoop ziet van mijn brekend hart! Als gij hem doodt, zult gij mij dooden. Ik heb over hem getreurd toen ik hem dood waande; moet ik nu opnieuw tot weduwe gemaakt worden?”
En terwijl zij zoo smeekt, in haar wanhoop, is Hermoine de Alva nog liefelijker dan in haar vreugde, want zij is als met een bovenaardsch waas overtogen—zij is als Eva, pleitende voor Adam, niet bij God, maar—bij Satan.
Doch Satan is niet barmhartig, en meenende, dat haar vader niet begrijpt, dat haar eigen leven er mee gemoeid is, roept zij uit: “Nu zult gij mij toch wel gelooven!”
En het meisje gaat blozend, ondanks de tegenwoordigheid van de oude veteranen en al de lakeien en bedienden, die op het rumoer zijn toegesneld en die nu aan de deuren staan, naar Chester toe, slaat haar armen om hem heen en kust hem snikkend en smeekt hem, niet te denken dat zij hem voor iets ter wereld zou hebben kunnen verraden, want zij heeft hem zoo innig lief.
Maar opeens verandert haar gelaat van uitdrukking, want terwijl zij over Guy staat heengebogen, fluistert deze haar in het oor: “Tracht tijd te winnen—waarschuw mijn booten—tracht tijd te winnen.”
Zij denkt er over na, hoe zij dit zal doen, en begrijpt, dat alleen list haar kan baten.
Zij wendt een flauwte voor en mompelt: “Water—water—mijn hoofd!”
Waarop haar vader uitroept: “Groote God, zij bezwijmt!”
En schamper zegt zij tot hem: “Dat zou u goed te pas komen! Als ik weer bijkwam, zou ik beroofd zijn van wat mij het dierbaarste is. Neen, ik wil niet bezwijmen, zoolang hij leeft—water!”
Alva zelf wil het haar brengen, maar zij duwt hem weg en zegt huiverend: “Niet uit uw handen; mijn kamenier Alida—snel!”
En het Moorsche meisje, dat alles met gespannen belangstelling heeft gadegeslagen, snelt toe en brengt haar een beker vol.
Terwijl Hermoine drinkt, fluistert zij: “Naar de landingsplaats, waarschuw de booten—de Engelsche booten!”
Een flikkering in de schrandere oogen van hetMoorsche meisje duidt aan, dat zij het begrijpt en zij verlaat het vertrek met den beker in de hand.
De Hertog bemerkt het niet. Nadat zijn dochter hem huiverend van zich stiet, heeft hij zich afgewend en zijn hand op zijn hart gedrukt, terwijl zich een sterke ontroering op zijn gelaat afteekende. Van dit oogenblik afaan vermijdt hij het zijn dochter aan te zien, die, nu zij haar vader niet kan vermurwen, nog alleen van uitstel redding verwacht.
Hierin wordt zij onverwachts geholpen door een vijandin, de gravin De Pariza, die valsch lachend binnenkomt: “Gij zult hem toch zeker langzaam laten verbranden? Hij is een ketter.”
“Wat leutert gij van ketter, draak,” roept Chester, “ik ben een evengoed Katholiek als de hertog van Alva zelf.” En aan zijn God denkende, nu de dood hem zoo nabij is, neemt hij zijn rozenkrans en begint te bidden.
“Een Katholiek,” lacht Alva hoonend, “evengoed als ik? En gij verzet u tegen den koning van Spanje?”
“Ja,” antwoordt Guy, “ik ben een Katholiek,maar ik ben ook een Engelschman.”
“Er zal er spoedig een minder zijn, om tegen de Spaansche vlag te vechten,” zegt Alva hoonend.
Dit gaat vergezeld van een wanhoopskreet van zijn dochter.
De beul, een van hen, die Alva altijd met zich voert, om parate executie te kunnen houden, komt binnen (een man in een nauwsluitend leeren buis en met een afgrijselijk wreed gelaat) en Alva zegt tot hem: “Hoe nu, kerel, waar is uw strop?”
“Ik dacht, heer,” antwoordt de man, “naar hetgeenik buiten hoorde, dat er iemand verbrand moest worden en ik kwam vragen, waar dat moest geschieden. Er zijn takkenbossen genoeg in den kelder om mijn man te roosteren. Zal ik hem verbranden op het plein voor het huis? Ik kan genoeg talk vinden, om hem in te smeren!”
De uitdrukking op het gelaat van zijn dochter, waarmee zij, zonder een woord te zeggen, op hem afkomt, terwijl zij hem strak aankijkt, doet Alva het hoofd afwenden en mompelen:
“De strop; hij is geen ketter, hang hem buiten aan een boom op.”
“Zijt gij daartoe vast besloten?” Hermoine’s welluidende stem is nu gebroken en schor.
“Ja! Het is een staatszaak.”
“Mijn tranen, mijn gebeden, mijn gebroken hart,”—zij brengt dit met moeite uit,—“kunnen dus geen verandering brengen—in—uw besluit?” En er ligt een uitdrukking van doodsangst in de schoone oogen van het meisje, dat geen tranen meer heeft.
“Neen. Het is een staatszaak.” Alva’s lippen beven, terwijl hij dit zegt.
“Dan eisch ik voor den man, dien ik bemin, en die geen ketter is, het recht om de laatste genademiddelen van de Kerk te ontvangen. Gij zult zijn ziel niet verdoemen, al veroordeelt gij zijn lichaam. Gij zijt zelf een te goed Katholiek, om een Katholiek te doen sterven zonder den bijstand van de Kerk.”
Don Fernando antwoordt hierop: “Er is geen priester hier.”
“Gij brengt den beul mede en geen priester!” zegtzij bitter. “Geef hem en mij tenminste den tijd om onze gebeden op te zeggen—want als hij sterft—breekt mijn hart ook.”
Maar nu komt er eenige beweging onder de krijgslieden aan de deur, en een man in priestergewaad zegt: “Plaats voor een vader van de Kerk!”
En als de krijgslieden hem doorlaten, ziet Guy tot zijn verbazing, dat het vader Anastasius is, dien hij had laten opsporen, om hem dezen avond te trouwen.
“Nu,” roept Hermoine uit, “hertog van Alva, kunt gij niet langer weigeren.”
“Dat zal hij ook niet,” zegt de priester, “hij zal het mij niet weigeren, mij, vader Anastasius, die zooveel jaren in Zeeland heb geleefd en vervolgd ben ter wille van onzen Heer; hij mag mij de vergunning niet weigeren om de ziel van dezen man te redden.”
“En waarom niet?” antwoordt Alva hooghartig.
“Omdat ik u in den ban zou doen. Goed Katholiek als gij zijt, hebt gij geen recht, om een ordonnantie van Rome te schenden.”
“Ga uw gang dan. Bindt hem stevig. Bid met hem in die kapel, als gij meent, dat dit plechtiger is, en red zijn ziel. Nu, meisje, ga naar uw kamer.”
“Niet voordat ik het laatste oogenblik heb gezien en de laatste woorden heb gehoord van den man, dien ik bemin. Gij hebt mij alles geweigerd, waarom ik u smeekte, gij hebt geweigerd het leven van mijn geliefde te sparen en ik heb er u niet om vervloekt—omdat ik uw dochter ben. Maar ik zal’s hemels wraak over u inroepen, als gij mij van zijn zijde wegzendt, zoolang er nog leven in hem is.”
Hierop zegt Alva niets, doch zinkt neer bij de tafel, met het hoofd in de handen, terwijl hij tot den luitenant mompelt: “Met uw leven staat gij ervoor in, dat hij niet ontsnapt.”
Als er een wacht is geplaatst voor den ingang van de kapel, wordt Guy er gebonden en hulpeloos heengeleid, en hij zinkt voor den priester neer.
Maar terwijl hij de biecht van den stervenden zondaar aflegt, hoort hij het geruisch van zijde naast zich en de witte kant en de oranjebloesem raken zijn gelaat aan, dat gewond is door geweerkolven, en een schoon wezen, op wier gelaat wanhoop te lezen staat maar tevens goddelijke liefde, knielt naast hem neer en fluistert tot den priester: “Niet het sacrament der stervenden, maar het sacramentvan het huwelijk!—met dezen man, dien ik liefheb en die mij liefheeft—en die zijn leven keer op keer heeft gewaagd, om mij te komen zien. Nu weet ik, welke gevaren gij hebt getrotseerd om mij te winnen—mijn Guido!—nu weet ik het—mijn Guy, mijn Engelschman!”
“Maar de hertog van Alva!” mompelt de priester ontsteld.
“Gij toondet daareven ook geen vrees voor hem. Wees even barmhartig als gij goed zijt. Kijk naar het altaarstuk, zie, de Madonna smeekt u voor mij!”
En naar het altaarstuk ziende, schrikt vader Anastasius, maakt het teeken des kruises en stamelt: “Een wonder! Het gelaat van de MoederGods is het uwe, mijn kind; dezelfde oogen, dezelfde mond—wonderbaar!”
“Gij ziet, dat Moeder Maria mijn gelaat heeft aangenomen, om mijn voorspraak bij u te zijn,” fluistert het meisje, een ingeving krijgend. “Spoedig, maak de ceremonie zoo kort mogelijk.”
Aldus aangespoord, spreekt de priester, denkende dat het op bevel van de Heilige Maagd zelve geschiedt, over Guy Chester en Hermoine de Alva, ofschoon haastig, het sacrament van de Heilige Kerk uit, die dezen man en deze vrouw samenvoegen tot één vleesch, één lichaam en één naam.
Als hij het antwoord geeft, is het Guy eensklaps alsof alle hoop nog niet behoeft te worden opgegeven; God zal deze edele vrouw, deze teedere engel redden en hem met haar; hij hoort haar nu fluisteren: “Ik ben uw vrouw;nu zullen wij zien of mijn vader mijn echtgenoot zal durven dooden!—Heilige man Gods, uw zegen.”
En als de priester zijn handen over hen uitbreidt, komen er tranen in zijn oogen en hij zegt: “Benedicte! De Heilige Maagd zal den man, dien gij bemint, behoeden.”
Daarna voelt Chester de lippen zijner vrouw, die koud zijn als marmer, op de zijne, en zij, opstaande, gaat naar haar vader en zegt met een heesche, onnatuurlijke stem: “Het is geschied!”
Want het vertrek heeft nu veel van een gruwelkamer en alle stemmen klinken hol en onnatuurlijk; zelfs Hermoine’s eigen stem is hard en schor geworden.
“Hij is gereed?”
“Neen, hij isgetrouwd.”
“Wat?”
“Ja, hij is met mijgetrouwd.”
“Met u getrouwd! Misericordia! Nu zult gij voortaan uw vader steeds beschouwen als den moordenaar van uw echtgenoot! Haal mij dien vervloekten priester hier!” roept Alva uit; er is woede, vermengd met angst, in zijn stem.
“Wat verlangt gij van mij?” antwoordt vader Anastasius.
“Hoe hebt gij het durven wagen, hen in den echt te vereenigen?”
“Op bevel van de Heilige Maagd! Zie! Moeder Maria heeft de trekken van zijn vrouw aangenomen, om hem te beschermen.”
“O! wat een bedriegerij!” roept Alva uit. “Het schilderij van den verrader Oliver zou mij beletten wraak te nemen! Maar dat zal niet gebeuren, het is een staatszaak!” En hij geeft den beul, die naast hem staat met den strop in de hand, een teeken.
Hermoine echter gaat voor haar vader staan en zegt: “Geen onteerende dood voor mijn man, die evengoed een edelman is als gij. Wees tenminste zoo barmhartig en veroordeel hem tot het zwaard.”
“Goed! ik zal hem denzelfden dood toestaan als Egmont en Hoorne. Onthoofd dien Engelschman op deze tafel!”
“Voor mijn oogen?” vraagt zijn dochter huiverend.
“Gij hebt het verlangd. Het is een staatszaak.”
“Vader!” gilt het meisje, want de beul heeft hetzwaard getrokken. “Vader, daar gij zelf op genade hoopt, betoon ze ook mij. Wenscht gij, dat iedereen op aarde u een vervloekten en wreeden moordenaar zal noemen? Er was slechts één, die u nooit zoo noemde, tot nu toe. Dat was uw dochter. Zoudt gij wenschen, dat zij zeide: ‘Mijn vader heeft mijn echtgenoot gedood?’”
Hij antwoordt echter heesch: “Vlug, maak er een einde aan!”
Eenige mannen willen Guy nu naar de tafel sleepen, maar vader Anastasius gaat voor het altaar staan, breidt zijn armen over Chester uit en roept: “Dit is een heilige plaats! Vervloekt zij iedereen, die haar betreedt met getrokken zwaard en een bloot wapen! De Madonna beveelt het mij! Terug, of ik slinger den banvloek van de Moederkerk naar uw hoofd!” Want de priester is in de vaste overtuiging, dat de Heilige Maagd hem beveelt, den bruidegom te redden.
Maar Alva, zich baan brekend door de krijgslieden, roept uit: “Gij gaat te ver, verwenschte priester!” en hij wil zelf de hand slaan aan den gebonden man, want zijn manschappen deinzen achteruit, als de priester met verheffing van stem uitroept: “Vervloekt zijt gij!” en de huiveringwekkende formule der excommunicatie begint uit te spreken.
Fernando tracht te lachen. “Monniken jagen mij geen vrees aan—ik, die een leger heb aangevoerd tegen den paus!” en het schijnt, alsof hij voornemens is, zelf het vonnis aan den echtgenoot van zijn dochter te voltrekken.
Op dit oogenblik vliegt een donker, vlugvoetigmeisje het venster binnen, uitroepend: “Hierheen! Gezwind!”
Alva roept zijn manschappen toe, tegen de aanvallers front te maken—maar het is te laat—al hun aandacht is door de executie in beslag genomen en zij hebben niets gemerkt van de nadering der mannen, die hen nu overvallen onder aanvoering van Corker.
Het duurt slechts een oogenblik en de ontstelde lijfgarde is neergesabeld of op de vlucht gedreven om daar buiten te worden ingehaald en afgemaakt, terwijl hun heer alleen staat te midden van zijn vijanden, ofschoon ongewond; want zijn wapenrusting is bestand tegen kogels van pistolen en haakbussen. Zijn hoofd is onbedekt en zijn laatste uur was bijna gekomen, want Chester, die nu een zwaard in de hand heeft, stormt op hem af, uitroepend: “Nu is het mijn beurt, hertog van Alva!” Maar Hermoine, zich aan haars vaders borst werpende en hem met haar armen beschermend, smeekt: “Spaar hem, als gij barmhartig jegens mij wilt zijn! Spaar hem, Guy, mijn echtgenoot, als gij dezen nacht een gelukkige vrouw met u wilt voeren,—want hoe zou ik het, zelfs in uw armen, kunnen vergeten, dat gij de moordenaar mijns vaders zijt?”
“Spaar hem, jonge man, ik gelast het u nu, zooals ik u zooeven redde,” roept de priester uit.
“Ja, dat deedt gij, goede vader Anastasius,” zoo laat nu Hermoine zich hooren, als Guy zijn arm laat zakken.
Don Fernando vraagt thans op somberen toon: “Welk losgeld?”
En voor Guy’s oogen verrijst het beeld van de belegerde stad, de uitgeputte mannen, de verhongerende vrouwen, de stervende kinderen en hij antwoordt: “De vrijheid van Haarlem!” want hij gevoelt dat hij het lot van een volk in zijn hand heeft.
“Nooit! Ik heb goud om mijn leven te betalen, doch eer ik toesta, dat één vendel het legerkamp voor Haarlem verlaat, kunt gij mij neerstooten!” is het vastbesloten antwoord van Alva. “Vermoord mij, als gij wilt, doch niemand zal zeggen, dat Don Fernando de Toledo, om zijn leven te redden, de trouw aan zijn vorst heeft geschonden.”
“Laat men hun dan wat proviand mogen toevoeren!” smeekt Guy nu.
“Neen!”
“Laat de vrouwen en de kinderen tenminste de stad mogen verlaten, opdat er minder monden te voeden zijn!” smeekte Hermoine op haar beurt.
“Neen!”
Ware hij op dit oogenblik omringd geweest door Hollanders, dan zou het laatste uur voor den Hertog geslagen zijn; maar gelukkig voor hem, zijn het Engelschen, die om hem heen staan; toch werpen ook dezen blikken vol haat en woede op hem en slaan de handen aan hun zwaarden.
Chester roept echter uit: “De wapens neer! Geen van mijn manschappen zal den vader van mijn vrouw letsel doen. Kom mee, Hermoine.”
En het meisje gaat naar hem toe.
Dit ziende, stamelt de hertog van Alva: “Gij—gij neemt haar mede?”
“Waarom niet? Gij hebt haar niet lief!”
“Of ik haar liefheb!—Het was een staatszaak.—Beloof mij dan tenminste, als gij niet langer bij mij wilt blijven, Hermoine—dat gij mij nu en dan eens zult komen bezoeken—wanneer gij dit alles zult vergeten zijn.”
Doch het meisje antwoordt: “Neen. Ik zou niet zonder mijn man willen komen, en ik vertrouw niet genoeg op uw liefde voor mij, dat gij zijn leven zoudt sparen, als het in uw macht stond hem te dooden.—Het zou—een staatszaakzijn! Wat beteekenden mijn leven, mijn geluk, al wat mij op aarde dierbaar is, toen ik u pas vijf minuten geleden om erbarming smeekte, vergeleken bij diestaatszaak! Vader, blijf uw staatkunde getrouw, zij heeft u het eenige hart in de wereld gekost—dat u beminde!” Hier is het haar onmogelijk, verder te spreken, en naar den man toegaande, die tot heden zooveel voor haar is geweest, fluistert zij: “Gij waart altijd teeder en goed voor mij—vroeger!” en kust hem herhaaldelijk.
En nu begint de Hertog te smeeken, dat zij zal denken aan zijn grijze haren—zij, die de troost is van zijn ouderdom—en barst eindelijk los tegen Guy: “Uw liefde is een zelfzuchtige—gij veroordeelt dit meisje, dat in een vorstelijke omgeving is grootgebracht, om met u het leven van een zeeroover te leiden.”
“Maar tegelijk met haar heb ik mij een aanzienlijken bruidsschat toegeëigend—een koningsdochter waardig,uw geheelen onzaligen tienden penning, hertog van Alva!” antwoordt Guy,die dezen Parthischen pijl niet kan terughouden.
“Hoezoo? Vanwaar?”
“Uit uw schatkamer onder het bastion van den Hertog.”
“Groote God! Onmogelijk!”
“Het was het geheim van den stervenden Paciotto!”
“Ik—ik kan het niet gelooven,” stamelt Fernando bleek, bevend, gebroken.
“Gelooft gij het dan, als ik u zeg:het standbeeld heeft zijn hand bewogen?” spot Chester.
“En Roderigo, mijn schatbewaarder,stierfzes dagen geleden! Het is het noodlot—de fortuin heeft mij den rug toegekeerd,” kreunt Alva en laat het hoofd op de borst zinken, alsof alle hoop hem heeft verlaten.
Guy leidt zijn vrouw weg van dit wanhoopstooneel; doch als zij zich bij de deur nog eenmaal omwendt om haar vader, die nu geheel alleen is, een laatsten blik toe te werpen, begint Hermoine te huiveren en te snikken in de armen van haar echtgenoot.
De ijzeren Hertog knielt voor het altaarstuk, waaruit de oogen zijner dochter op hem neerzien en hij snikt—hij, die nooit te voren geweend heeft.
Het is het eenige wat Alva in deze wereld van zijn dochter rest. Nadat het schoone wezen, dat de vreugde van zijn ouderdom was, van hem is heengegaan, wendt ook de fortuin haar aangezicht van hem af. Ofschoon hij Haarlem inneemt en zijn beulen, vijf in getal, er dag en nacht aan het werk zijn, om de burgers van die ongelukkige stad te vermoorden en de dapperste verdedigers van haar wallente onthalzen, Ripperda, Hasselaer en haar andere helden en heldinnen, stoot Don Fernando voor Alkmaar het hoofd.
Hij is niet meer de Alva van vroeger, en als hij eenige maanden later naar Spanje vertrekt, gaat hij heen, gebroken naar ziel en naar lichaam; hij heeft het vertrouwen van zijn koning verloren, en de onsterfelijke beruchtheid verworven, de wreedste man der wreedste eeuw te zijn. Al zijn schuldeischers in Holland en Brabant zenden hem verwenschingen na, als hij het land verlaat,—zij kennen de ware geschiedenis van zijn standbeeld niet.
Zelfs Requesens, zijn opvolger, geloof slaande aan de praatjes van de soldaten, haalt het groote standbeeld van Alva omver en laat naar den schat graven—om niets te vinden dan het onderaardsche gewelf, dat eens de bergplaats er van was. De Hertog neemt naar Spanje één ding mee, dat hem voortaan het dierbaarst op aarde is—het altaarstuk, geschilderd door den genialen kunstenaar Oliver, en het wordt geplaatst op het altaar in de kathedraal te Vittoria, waar de hertog van Alva zich vestigt. De boeren vertellen, dat de man met het hart van steen iederen dag weent voor de Madonna om de duizenden menschenlevens, die hij in de Nederlanden heeft doen verloren gaan. En nu, na driehonderd jaren, houdt men het schilderij voor een der eerste werken van Murillo en strekt het om den roem van dezen meester te verhoogen—aan toeristen vertelt men, dat de waarde er van niet te bepalen is.
Zoo heeft de doode Oliver zelfs zijn beroemdheid verloren. Zijn genie heeft den naam van een anderhelpen vestigen; zijn lichaam werd geworpen in zijn geliefd IJ, zijn hoofd binnen Haarlem’s wallen als aas voor de roofvogels. Hij stierf om Nederland te bevrijden, om de komst voor te bereiden van een nieuwen tijd, waarin de menschen zichzelf zouden kunnen zijn en vrijheid van denken zouden hebben en God zouden kunnen aanbidden, ieder op zijn eigen wijze. Hij heeft enkel den roem behouden, een patriot te zijn geweest—en is dat niet genoeg?
Guy voert zijn vrouw naar de landingsplaats, ver van haar vaders wanhoop en vernedering. Hier wachten al zijn booten op hem, terwijl de matrozen inderhaast, onder toezicht van Alida, het voornaamste van Hermoine’s bezittingen meevoeren. Het Moorsche meisje neemt zelve het kistje met juweelen in de hand en gaat naast haar meesteres in de sloep zitten.
Chester geeft eindelijk het bevel, om van wal te steken, en de sloepen begeven zich op weg naar deDover Lass.
“Herinnert gij u onzen vorigen boottocht op deze rivier?” fluistert Guy in het oor van zijn vrouw. “De onbekende dame, die mij tot kolonel wilde bevorderen, hè?”
“En heb ik niet meer voor u gedaan?” antwoordt Lady Chester—née Hermoine d’Alva—in zijn oor.
De blik, waarmee Guy haar aanziet, is welsprekend genoeg; er zijn geen woorden noodig.
Als zij deDover Lasslangszij zijn gekomen, neemt Chester zijn vrouw in zijn armen en draagt haar naar zijn hut, waar Hermoine verwonderd rondkijkt en uitroept: “Uw schip is zoo fraai als een staatsgalei of vorstelijk pleiziervaartuig, mijnheer,” want Achille heeft met zijn Franschen smaak de hut herschapen in een dames-boudoir, met frissche bloemen, op den oever geplukt.
“Ja, het was voor de wittebroodsweken, dat ik de hutten liet versieren. Het was voor u.”
“Dus gij waart er zóó zeker van, mij te winnen—met de macht van geheel Spanje tegenover u? Wat bezit gij Engelschen een volharding en een vermetelheid!” Dit zegt zij lachend, maar daarna neemt haar gelaat een ernstige uitdrukking aan en stamelt zij: “Wat hebt gij niet gewaagd voor mij, mijn Guy—mijn Engelschman!”
Maar Chester moet zich van haar losrukken en op het dek gaan om zijn zeemansplicht te vervullen. De Engelsche vlag wappert van deDover Lass, en het schip snelt naar den mond der Schelde, Vlissingen voorbij, want Guy wil hier niet stilhouden, uit vrees voor Spaansche oorlogsschepen.
Den volgenden avond werpen zij het anker uit te Harwich, waar de klokken vroolijk luiden.
“Welkom in Engeland!” roept Guy uit en brengt zijn vrouw aan land. Hier doet het gerucht weldra de ronde, dat Chester een galjoen met enorme schatten heeft buitgemaakt en hij betaalt dan ook tien percent, zooals gebruikelijk is, aan de Engelsche kroon, evenals in dergelijke gevallen Drake, Hawkins en andere zeeschuimers deden.
De rest van den schat is volgens de wet van het land de zijne, en hij keert aan Bodé Volckers zijn aandeel uit. De Vlaming gaat met dit geld naar Holland en vestigt zich eenige jaren later, als Amsterdam zich voor Oranje heeft verklaard, in diestad om een van haar voornaamste kooplieden te worden.
En als de matrozen hun gage en hun belooning hebben ontvangen, zijn er geen gelukkiger zeelieden in alle havens van Engeland; en nog weken later, als eenige van de pikbroeken in Plymouth of Portsmouth worden gezien met twee groote horloges op zak, roepen de menschen: “Dat is een van Chester’s matrozen, niemand behalve een matroos van deDover Lasskan zich zulk een buitensporige weelde veroorloven!”
Als dit alles ter oore komt van koningin Elizabeth, zegt Hare Majesteit tot haar eersten minister: “Burleigh, deze Sir Guy Chester is de grootste dief van ons allen. Hij heeft de dochter van Alva gestolen en hij en het meisje hebben samen haar vader bestolen, den armen ouden Hertog.”
“Zij namen een voorbeeld aan Uwe Majesteit,” antwoordt Burleigh. “Gij herinnert u de achthonderd duizend kronen immers nog wel?”
“Dat zou ik denken! Maar mijn ridder Chester is voor mij verloren als krijgsman wanneer zijn fortuin slechts een vijfde bedraagt van het kapitaal, waarop men het schat, en de lieftalligheid van zijn vrouw slechts een tiende is, van hetgeen er van verluidt. Breng die kleine heks bij mij. Ik wil die Spaansche schoonheid zien.”
“Inderdaad,” antwoordt Cecil, die Hermoine heeft gezien en verrukt is over haar schoonheid, “Lady Chester is de schoonste vrouw op aarde—op Uwe Majesteit na.”
“Uit mijn oogen met uw laffe vleierij—dat‘op Uwe Majesteit na’ komt hinkend achteraan,” lacht Elizabeth. “Maar breng haar hier, ik geloof, dat gij zelf op haar verliefd zijt, gij oude zondaar! Laat mij dat Spaansche wonder aanschouwen.”
En als Sir Guy Chester met zijn vrouw aan het hof komt, wekt Hermoine door haar geest en haar lieftalligheid de algemeene bewondering op.
Haar ziende, zegt Queen Bess op weemoedigen toon: “De fortuin heeft van Chester een saletjonker gemaakt; hij eet nu zelfs met dat afschuwelijke Italiaansche ding, vork genaamd. Toch heeft hij oog voor kostbaarheden; de diamanten van zijn vrouw zijn schooner dan de mijne. Misschien zou hij een goede Lord van de Schatkist zijn, want hij zal nu wel niet meer gaan vechten—tenzij het hem in het hoofd mankeert.”
Elizabeth heeft goed gezien. Chester koopt groote bezittingen rondom Londen en richt zich met zijn vrouw in op een vorstelijken voet, en beiden smaken een volkomen geluk. Tien jaren later gordt hij echter zijn zwaard nog eens aan, zooals iedere echte Engelschman, en op zijn eigen kosten zes schepen uitrustende, waarvan het kleinste de oudeDover Lassis, onder bevel van Dalton, vat hij post in het kanaal onder Lord Howard van Effingham, om te strijden tegen de groote Armada, door Philips van Spanje uitgezonden teneinde de vrijheid van zijn land te bedreigen.
Die roemrijke overwinning is het laatste zeegevecht van den “Eerste der Engelschen”. Van dien tijd af aan woont hij het grootste gedeelte van het jaar in het milde klimaat op de kust van Kent, waar zijnvrouw zich het best thuis gevoelt, waar het zoele windje haar herinnert aan haar Spaansch geboorteland. Hier regeert zij tot aan het einde van haar lang, gelukkig leven als koningin in het hart van haar man.
Hun eenig verdriet is, dat hun geen zoon wordt geboren, om hun groote bezittingen te erven, maar zij hebben een dochter, het evenbeeld van Hermoine, en deze huwt in een voorname Engelsche familie, als bruidsschat het uitgestrekte grondbezit meebrengend, dat nu een der hertogelijke geslachten tot een van de rijkste en aanzienlijkste van Engeland maakt.
Nu en dan heeft een dochter van dat huis Hermoine’s prachtige oogen, blanke teint en weelderig haar en haar bevalligheid is niet die van een dochter van het Noorden, maar van een dochter van het Zuiden. Dan lachen haar broeders en zusters en zeggen dat de Spaansche schoonheid nog eens hier opdoemt, ofschoon zij zijn vergeten, van wie zij afkomstig is.
Zij kennen nog slechts als legende de geschiedenis van den stoutmoedigen zeeman, den onverwinnelijken krijgsman, en den alles trotseerenden minnaar, die Alva’s schat en het hart van Alva’s dochter won, om haar te maken tot de de bruid van den “Eerste der Engelschen”!