Waar de onmogelijke vrek woonde (ergens in Italië wellicht?) bij wien onze vriend Gilbert in den kost was—wie zal 't zeggen? Maar dat hij 't er slecht had, is zeker. Nòg zekerder, dat Gilbert een dwaas was, dat hij het er zóó lang uithield. Hoe het zij: Erasmus geeft in deze samenspraak uiting aan zijn afkeer van schraapzucht en schrielheid op spottende wijze. De aartsgierigaard wordt belachelijk gemaakt—maar tevens toch ook aan de menschen de matigheid aangeprezen; want al is Erasmus 't niet eens met hen, die beweren dat men nooit te weinig kan eten, hij geeft toch wèl den raad: eet niet te veel; men kan 't over het algemeen met minder voedsel af, dan wij doorgaans tot ons nemen.
Waar de onmogelijke vrek woonde (ergens in Italië wellicht?) bij wien onze vriend Gilbert in den kost was—wie zal 't zeggen? Maar dat hij 't er slecht had, is zeker. Nòg zekerder, dat Gilbert een dwaas was, dat hij het er zóó lang uithield. Hoe het zij: Erasmus geeft in deze samenspraak uiting aan zijn afkeer van schraapzucht en schrielheid op spottende wijze. De aartsgierigaard wordt belachelijk gemaakt—maar tevens toch ook aan de menschen de matigheid aangeprezen; want al is Erasmus 't niet eens met hen, die beweren dat men nooit te weinig kan eten, hij geeft toch wèl den raad: eet niet te veel; men kan 't over het algemeen met minder voedsel af, dan wij doorgaans tot ons nemen.
In zoover is zijn raad zeker zeer verstandig, al is de schilderij van den vrek niet van overdrijving vrij te pleiten.
In zoover is zijn raad zeker zeer verstandig, al is de schilderij van den vrek niet van overdrijving vrij te pleiten.
JACOB: Waar kom jij vandaan, zóó verdord en vermagerd alsof je met de krekeltjes een tijdlang van dauw alleen geleefd hadt? Je lijkt wel een schim van een mensch, in plaats van een mensch.—GILBERT: De schimmen in de onderwereld kregen ten minste nog uien en prei te eten; maar ik heb tien maanden op een plaats doorgebracht waar men dat zelfs niet kreeg.—JACOB: Waar was dat? Was je naar de galeien gesleept?—GILBERT: Volstrekt niet: 'k was in Synodium.—JACOB: Wat, in zoo'n rijke stad, heb je dáár zoo van den geeuwhonger geleden?—GILBERT: Nou, òf ik.—JACOB: Hoe kwam dat? Had je geldgebrek?—GILBERT: Noch gebrek aan geld, noch aan vrienden.—JACOB: Wat was er dan aan de hand?—GILBERT: Ik was in huis en in den kost bij Antronius.—JACOB: Bij dien rijkaard?—GILBERT: Ja, maar hij is niet rijk alleen, maar óók brandgierig.—JACOB: Kom, daar sta ik van te kijken.—GILBERT: Dat behoeft volstrekt niet. Want zoo gaat 't met menschen die van doodarm plotseling schatrijk worden.—JACOB: Hoe had je er ook plezier in zooveel maanden achtereen bij zoo'n gastheer verblijf te houden?—GILBERT: Er was 't een en ander wat me daar bond en bovendien ik had er nu eenmaal lust in.—JACOB: Maar vertel me eens, hoe leeft die man dan wel?—GILBERT: 'k Zal het je vertellen, omdat de herinnering aan geleden leed ook zijn aangename zijde heeft.—JACOB: Voor mij zeker in dit geval.—GILBERT: Toen ik daar vertoefde kwam bij al 't andere ook nog dit ongemak, en wel van den kant des Hemels, dat drie maanden lang een felle noordenwind blies, terwijl die wind er anders nooit dan een dag of acht blaast.—JACOB: En hoe dan nu drie maanden?—GILBERT: Tegen den achtsten dag draaide de wind alsof 't afgesproken was, maar na acht uren uit den tegenovergestelden hoek gewaaid te hebben, keerde hij weer naar zijn vroegeren hoek terug.—JACOB: Dan had-je voor je arme lijf wel een lekker vuurtje noodig.—GILBERT: De haard was groot genoeg als er maar voldoende voorraad brandhout was geweest. Om daaraan evenwel niets uit te geven, ging onze vriend Antronius op onder water staande plekken gronds boomwortels uitgraven, die anderen hadden laten zitten en dat deed hij nog wel liefst 's nachts. Van die brokken nat hout stapelde hij een haardvuur op, waaraan rook natuurlijk niet, maar vuur wèl onbrak: je kon er je niet aan warmen, maar 't moest daartoe dienen dat men niet met grond van waarheid kon zeggen, dat er in 't geheel geen vuur was. Een enkel vuur van dien aard duurde dan ook den geheelen dag, zóó zuinig brandde het.—JACOB: Dat was een harde overwintering!—GILBERT: Neen, nog veel harder er een zomer door te brengen.—JACOB: Hoe zoo?—GILBERT: Omdat in huis zóóveel vlooien en ander ongedierte waren, dat men niet alleen overdag er niet rustig kon zitten, maar 's nachts den slaap niet kon vatten.—JACOB: Wat een droeve rijkdom!—GILBERT: Vooral bij zulk vee.—JACOB: De vrouwen moeten daar wel lui zijn.—GILBERT: Men krijgt ze niet te zien. Ze verkeeren niet met de mannen. Zoo komt 't dan ook, dat de vrouwen daar niets zijn dan loutervrouwenen dat de mannen die diensten missen, welke gewoonlijk door de vrouwelijke sekse worden verricht.—JACOB: Maar schaamde Antronius zich niet over zulk een behandeling?—GILBERT: Hij is in zulk een armoedige omgeving opgevoed en kent geen ander genot dan geld winnen. Nergens was hij minder te vinden dan in zijn huis; hij schacherde in alles en nog wat. Je weet: de plaats van zijn inwoning is vóór alles een koopstad. De beroemde Grieksche schilder Apelles bejammerde het, wanneer hij een dag had laten voorbijgaan, zonder dat hij een penseelstreek op het doek had gezet; Antronius jammerde nog veel meer, wanneer er een dag voorbij gegaan was zonder dat hij een winstje had gemaakt. En als dat eens gebeurde, dan zocht hij thuis zijn winst te halen.—JACOB: Wat deed hij dan?—GILBERT: Hij had in zijn woning, naar het gebruik in die stad, een regenbak. Daaruit putte hij eenige emmertjes water en goot die in zijn wijnvaten leeg. Daar zat zeker winst op.—JACOB: De wijn was misschien wat al te koppig.—GILBERT: 't Mocht wat! 't Was niet veel meer dan verschaald bocht. Want hij kocht altijd wijn op waaraan iets mankeerde, om dien voor een koopje in te slaan. Opdat er niets verloren zou gaan, vermengde hij af en toe het grondsop van tien jaren, alles goed door elkander roerend en mengend, opdat 't wat zou lijken op jongen wijn, want hij zou 't niet hebben kunnen dulden, dat er ook maar een vingerhoed droesem verloren ging.—JACOB: Maar als je de doktoren mag gelooven dan krijg je van zulken wijn den steen in de blaas.—GILBERT: Daar kunnen de doktoren wel gelijk aan hebben, want in dat huis ging er geen jaar voorbij of daar stierf iemand aan 't graveel. Toch was Antronius niet bang voor een huis waarin de dood zoo rondspookte.—JACOB: Niet?—GILBERT: Ook de dooden moesten bij hem tol betalen en hij versmaadde zelfs niet 't kleinste winstje.—JACOB: Wat je daar zegt is diefstal.—GILBERT: Kooplui noemen 't winst.—JACOB: En wat dronk Antronius zelf?—GILBERT: Wel, denzelfden Godendrank.—JACOB: En ondervond hij niet de kwade gevolgen?—GILBERT: 't Is een kerel zóó gehard dat hij wel hooi zou kunnen eten en (zooals ik zei) hij was van jongs af aan bij zulke lekkernijen opgevoed. Geen winst beschouwde hij als vaster dan dat profijt op den wijn.—JACOB: Hoe dat zoo?—GILBERT: Wel, als je optelt: zijn vrouw, zijn zoons, zijn dochter, zijn schoonzoon, zijn knechts en meiden: hij had drieëndertig monden den kost te geven. Nu, hoe meer de wijn met water werd verdund, des te minder werd er van gedronken, en des te langer duurde de voorraad. Ga maar eens na! Als men er elken dag een emmer water bij doet, wat een niet te versmaden sommetje bedraagt dit in een jaar!—JACOB: Wat een vrekkigheid!—GILBERT: Maar niet minder werd er op 't brood uitgezuinigd.—JACOB: Hoe ging dat?—GILBERT: Hij kocht bedorven graan dat een ander niet had willen koopen. Daar had hij al dadelijk een winstje, omdat hij 't voor minder kocht. Maar verder wist hij wat daaraan bedorven was te verhelpen door kunstmiddeltjes.—JACOB: Waarmee?—GILBERT: Er bestaat een soort van klei die wel wat van deeg heeft, waarvan we zien dat de paarden wel houden, wanneer ze knabbelen aan de muren daarmee bestreken en wanneer ze met graagte drinken uit poelen, troebel van die klei. Onder het brood mengde hij een derde deel kleiaarde.—JACOB: Noem je dat "gebreken verhelpen?"—GILBERT: Nu, men proefde ten minste 't bedorven meel minder. Houd-je dat ook niet voor een niet te versmaden voordeel? Voeg hierbij nog een andere looze vondst. Hij liet 't brood bij zich thuis kneden en bakken, en niet vaker, zelfs in den zomer, dan twee malen 's maands.—JACOB: Dat noem ik iemand steenen vóórzetten in plaats van brood.—GILBERT: Als 't kàn, nog harder dan steen. Maar ook aan dat kwaad kon men tegemoet komen.—JACOB: Op welke manier?—GILBERT: Men doopte zijn stuk brood in den beker met wijn en liet 't zóó wat weeken.—JACOB: Het ééne paste daar goed bij 't andere. Maar lieten de dienstboden zich zulk een behandeling aanleunen?—GILBERT: Eerst zal ik je eens vertellen hoe 't met eten bij de hoofden van 't gezin zelf toeging, en daaruit kun-je dan zelf afleiden hoe het dienstpersoneel werd behandeld.—JACOB: 'k Ben benieuwd dat te hooren.—GILBERT: Van ontbijten was geen sprake: het eerste maal werd meestal verschoven tot één uur na den middag.—JACOB: Waarom dat?—GILBERT: Men moest op den heer des huizes Antronius wachten. 't Souper vond soms pas om tien uur 's avonds plaats.—JACOB: En dat voor jou, die gewoonlijk nooit zooveel van lang vasten hieldt!—GILBERT: Ja, daarom riep ik dan ook dikwijls tot Antronius' schoonzoon Orthrogonus, (we deelden samen één kamer): "Zeg eens, Orthrogonus, wordt er van avond hier in de stad niet gesoupeerd?" Dan antwoordde hij net van pas: "dat Antronius zeker dadelijk wel thuis zou komen." En wanneer ik dan nog geen aanstalten zag maken en mijn maag van den honger rammelde, dan zei ik: "Zeg eens Orthrogonus, moeten we vandaag van den honger omkomen?" Dan had hij een uitvlucht dat 't nog zoo laat niet was of iets dergelijks. En wanneer ik 't niet langer kon uithouden, dan klampte ik hem nòg eens aan onder zijn werk en zei: "Hoe staat 't er nu mee, moeten we nu werkelijk den hongerdood sterven?" Dan ging Orthrogonus, wanneer hij geen kans meer zag op uitstel, naar de bedienden en liet de tafel dekken. En wanneer Antronius dan maar steeds niet thuis kwam en er óók niet werd opgediend, dan liet Orthrogonus zich eindelijk door mijn aan- en opmerkingen bewegen om naar beneden te gaan naar zijn vrouw en zijn schoonmoeder en zijn kinderen en riep dat ze toch maar moesten opdoen.—JACOB: Nu zul je dan toch eindelijk aan tafel gaan.—GILBERT: Haast je maar niet! Een manke knecht komt voor den dag, die met de taak van 't tafeldienen belast is (hij had wel iets van Vulcanus met zijn kreupelen voet) en hij spreidt een servet over de tafel uit.—JACOB: Dat is ten minste 't eerste teeken dat hoop geeft op een maal.—GILBERT: Na lang geroep en geschreeuw worden er karaffen gebracht met werkelijk goed helder water.—JACOB: Alweer een sprankje hoop op een souper!—GILBERT: Haast je maar niet, zei ik straks. Wéér, na veel drukte komt men met een flesch aandragen van dat meergenoemde dikke drab.—JACOB: Heerlijk!—GILBERT: Maar—'t brood is er nog niet. Gevaar is er dus niet dat iemand te veel zal drinken; want niemand zal met een hongerige maag zóó'n wijntje aandurven. Dan gaan ze weer aan 't schreeuwen, zoodat ze er heesch van worden. Eindelijk wordt 't brood op tafel gezet, zóó hard dat een beer 't nauwelijks met zijn tanden zou kunnen vermorselen.—JACOB: Nu is er ten minste gezorgd dat je niet van den honger omkomt.—GILBERT: Heel laat in den avond komt eindelijk Antronius thuis, met 't zeggen (en dat is een onheilspellend voorteeken!) dat hij erge maagpijn heeft.—JACOB: Waarom is dat een slecht voorteeken?—GILBERT: Omdat er dan niets te eten valt: wat toch kun-je verwachten, wanneer de huisheer niet wel is?—JACOB: En had hij dan werkelijk maagpijn?—GILBERT: Zóó erg, dat hij alleen wel drie kapoenen zou hebben verslonden, als iemand ze hem voor niets had gegeven.—JACOB: Vertel me nu eens hoe 't met het maal ging.—GILBERT: Allereerst werd aan den huisheer een schotel met boonenmeel voorgezet: dat is een kost die in gindsche stad gewoonlijk aan 't lage volkje wordt verkocht. Hij beweerde dat hij ze gebruikte als een middeltje tegen allerlei kwalen.—JACOB: Met je hoevelen zat-je aan tafel?—GILBERT: Soms acht of negen; o.a. ook de bekende geleerde Verpius dien je wel kent en dan de oudste zoon des huizes.—JACOB: Wat kregen die te eten?—GILBERT: Hoe? Hebben dan matige menschen niet genoeg aan hetgeen Melchisedek aan Abraham voorzette toen deze vijf koningen verslagen had?—JACOB: Dus: brood alleen? Kwam er dan geen toespijs?—GILBERT: Ja weliets.—JACOB: Wat?—GILBERT: Ik meen, als ik me goed herinner, dat wij negen monden aan tafel waren en voor die negen monden telde ik zeven blaadjes sla die in een schotel met azijn dreven, zonder olie wel te verstaan.—JACOB: En verorberde Antronius alleen zijn boonenpap?—GILBERT: Ja. Want hij had die voor een kleinigheidje gekocht. Hij verbood echter niet dat iemand die in zijn buurt zat eens met hem mee proefde. Maar 't scheen wel wat onbeleefd den armen uitgehongerden man van de voor hem bestemde spijs te berooven.—JACOB: En werden die zeven slablaadjes nog gesneden, zooals in 't verhaaltje van dien vrek die de komijnkorreltjes in stukken sneed?—GILBERT: Neen: maar toen zij die 't eerst aan de beurt waren om zich te bedienen de slablaadjes hadden opgemaakt, doopten de anderen hun brood in den azijn.—JACOB: Wat kwam er nog na de zeven blaadjes?—GILBERT: Wat zou er nog anders komen dan kaas, het besluit van elken maaltijd?—JACOB: En was dat nu zoo dagelijks het diner?—GILBERT: Dat scheelt niet veel, behalve dat 't maal wel eensietsroyaler was, wanneer Mercurius hem op een dag eens wat gunstig gezind was geweest.—JACOB: Wat kwam er dan?—GILBERT: Dan liet hij wel eens voor eenige centen een paar trossen versche druiven koopen. Daarmee maakte hij dan 't geheele gezin blij.—JACOB: Dat kan haast wel niet anders.—GILBERT: Ja, maar wel te verstaan alleen in den tijd dat de druiven 't goedkoopst zijn.—JACOB: Dus buiten den herfsttijd was hij zoo verkwistend niet?—GILBERT: Ja zeker wel. Er zijn daar in die stad varenslui die een soort van kleine mosselen opvisschen, voornamelijk bij de riolen. Onder een eigenaardig geroep venten ze hun waar rond. Soms liet hij van deze kooplui wel eens voor een dubbeltje mosselen koopen. Dan zou je gezegd hebben dat er in dat huis een bruiloftsfeest gevierd werd; want er moest vuur aangemaakt worden om de mosselen te koken,—al moest 't dan ook heel snel in zijn werk gaan. En die schotel diende dan na de kaas als dessert.—JACOB: Een vreemd soort van nagerecht! Maar kwam er nooit vleesch of visch op tafel?—GILBERT: Ten gevolge van mijn klachten en aanmerkingen werd 't een beetje royaler. Maar als hij eens echt den smuller wilde uithangen, dan was de volgorde der gerechten ongeveer deze.—JACOB: Daar ben ik benieuwd naar.—GILBERT: In de eerste plaats werd er dan een soepje gegeven dat ze dáár, 'k weet niet waarom, een "meidensoepje" noemen.—JACOB: 't Zal zeker een heel krachtige soep wezen.—GILBERT: Met de volgende ingrediënten toebereid: een pot vol water wordt op 't vuur gezet; daarin worden eenige brokken koeienkaas gegooid, zoo hard als steen, want je hebt een bijl noodig om ze klein te krijgen. Wanneer die stukken door de warmte van het water langzamerhand oplossen, geven ze aan het water een kleurtje, zoodat 't niet meer zuiver water kan heeten: dat soepje dient om de maag te praepareeren.—JACOB: 't Lijkt wel varkenskost.—GILBERT: In de tweede plaats komt op tafel een stukje vleesch van den buik van een oude koe, al een veertien dagen geleden gebraden.—JACOB: Erg frisch ruikt dat zeker niet meer.—GILBERT: Dat kun-je denken. Maar daar is wel een middeltje tegen.—JACOB: Welk?—GILBERT: Ik wil 't je wel zeggen, maar ik ben bang dat je 't zult gaan navolgen.—JACOB: Natuurlijk.—GILBERT: Ze klutsen een ei in warm water. Met dat sopje begieten zij het vleesch. En zóó foppen ze ten minste de oogen, al kan men de reukorganen niet misleiden, want de onfrissche lucht dringt door alles heen. Wanneer 't een vastendag is, die visch in plaats van vleesch vereischt, dan worden soms een stuk of drie goudkarpertjes, niet eens zoo heel groot, op tafel gezet, ofschoon er zeven of acht eters zijn.—JACOB: En verder niets?—GILBERT: Niets dan die steenharde kaas.—JACOB: Een vreemd soort van Lucullus, van wien je me daar vertelt. Maar hoe is 't mogelijk dat zoo'n schraal maal voor zóó veel gasten voldoende kon wezen, vooral wanneer ze niet ontbeten hadden?—GILBERT: Neen, erger nog! je weet niet dat met de kliekjes van dat maal ook nog schoonmoeder, schoondochter, de jongste zoon, een dienstmeisje en eenige kleine kinderen moesten gespijzigd worden.—JACOB: Je vergroot mijn verwondering in plaats van ze weg te nemen.—GILBERT: Ik kan 't je ook moeilijk uitleggen, als ik niet eerst beschrijf hoe we aan tafel zaten.—JACOB: Nu, doe dat dan.—GILBERT: Antronius had de hoofdplaats, terwijl ik als buitengewoon gast aan zijn rechterhand zat. Recht tegenover Antronius zat Orthrogonus, naast dezen Verpius, en nevens Verpius een zekere Strategos, een Griek van geboorte. Links van Antronius zat zijn oudste zoon. Kwam er soms nog een andere gast bij, dan kreeg die een plaats naar zijn rang en waardigheid. Aanvankelijk was er niet 't minste gevaar of onderscheid in 't recht van zich te bedienen, behalve dat er in de soepborden van de voornamere gasten brokken van die koeiekaas dreven. Maar met vier wijnflesschen en waterkaraffen werd er doorgaans een soort van omheining gevormd, zoodat niemand 't geen op tafel stond kon aanraken (behalve misschien de drie personen voor wie de schotel juist geplaatst was) of hij had zoo onbeschaamd moeten wezen om over die omheining heen te wippen. Maar die soepterrine bleef ook niet eens lang op tafel staan; spoedig werd die weggehaald, want er moest wat overblijven voor de andere leden van het gezin.—JACOB: Wat at de rest van het gezelschap dan?—GILBERT: Die? ze smulden op hun manier.—JACOB: Hoe dan?—GILBERT: Ze weekten hun klei-brood in dien wijn van ouden droesem.—JACOB: Zoo'n maaltijd kan niet heel lang duren.—GILBERT: O, dikwijls meer dan een uur.—JACOB: Hoe is dat in vredesnaam mogelijk?—GILBERT: Wanneer, zooals ik je daareven vertelde, alles was weggenomen wat gevaar liep opgegeten te worden, dan werd de kaas gebracht, waarvan men niet bang behoefde te wezen dat iemand met een gewoon tafelmes er iets zou kunnen afschrappen. Verder bleef die heerlijke wijnmoer staan en ieder hield zijn brood. En aan dat dessert werden dan allerlei vertelseltjes opgedischt. In dien tusschentijd zat de vrouwenvergadering te eten.—JACOB: En het dienstpersoneel?—GILBERT: Dat had niets met ons te maken. Die gebruikten hun middagmaal en hun avondeten op de voor hen bestemde uren. Maar op een geheelen dag brachten zij daarmee nauwelijks een half uur zoek.—JACOB: Maar hoe was hùn eten?—GILBERT: Nou, dat kun-je zelf wel raden.—JACOB: Wat gaat dat bij de Duitschers toch anders! Die hebben nauwelijks genoeg aan een uur voor hun ontbijt; net zoo veel voor hun twaalf-uurtje; anderhalf uur voor hun middagmaal; twee uren voor hun hoofdmaal 's avonds. En wanneer ze zich niet goed kunnen volladen met lekkeren wijn, met voedzaam vleesch en smakelijke visch, dan loopen ze weg bij hun meester en worden soldaat.—GILBERT: 's Lands wijs, 's lands eer!—JACOB: De Italianen hebben weinig zorg voor hun keelgat. Ze hebben liever geld dan lekker eten, en ze zijn sober van natuur ook, niet alleen uit gewoonte.—JACOB: Nu verwondert 't mij niets meer dat je zoo mager en schraal hierheen teruggekeerd bent. Eer moet ik me verwonderen, dat wij je nog levend terug zien, vooral omdat je vroeger zoo gewend waart aan kapoenen, patrijzen, duifjes en fazanten.—GILBERT: Nu, ik geloof werkelijk dat ik er 't leven bij ingeschoten zou hebben, wanneer ik niet een middeltje had bedacht.—JACOB: 't Ziet er slecht uit wanneer men tot zulke middeltjes zijn toevlucht moet nemen.—GILBERT: Ik wist gedaan te krijgen dat mij, toen ik er slecht begon uit te zien, bij elk maal een vierde part van een gebraden kip werd voorgezet.—JACOB: Nu zul je weer gaan opleven.—GILBERT: Niet zoo heel erg. Daar werd een heel klein kippetje gekocht om vooral niet te veel uit te geven, een kippetje waarvan er zes niet genoeg zouden zijn, om een Pool met een goede maag voor zijn ontbijt te dienen. En als ze dat diertje gekocht hadden, gaven ze 't ook niet eens te eten om geen kosten te maken en zoo werd er van dat magere en schrale beestje een vleugel of een boutje gekookt, terwijl 't kippenlevertje aan 't jongste zoontje van Orthrogonus werd gegeven. Den bouillon dronken de vrouwen er een paar malen van af, nadat er telkens weer opnieuw water op gegoten werd. En zoo kwam dan 't boutje drooger dan puimsteen vóór mij te staan en smakeloozer dan een vermolmd stuk hout. De bouillon was niet meer dan louter water.—JACOB: En toch heb ik wel gehoord dat 't gevogelte in die streek heel overvloedig is en lekker en goedkoop ook.—GILBERT: Dat is zoo; maar 't geld is zoo'n man als Antronius nog liever.—JACOB: Door zoo'n leventje zou je genoeg gestraft zijn als je de ergste zonde hadt bedreven: bijv. den Paus hadt gedood of 't graf van St. Pieter hadt ontwijd.—GILBERT: Maar luister nu naar de rest van mijn verhaal. Je weet er zijn in elke week vijf dagen waarop vleesch mag gegeten worden.—JACOB: 'k Weet 't maar al te goed.—GILBERT: Nu, dan kochten ze in de week twee kuikens. Donderdags gaven ze vóór, dat ze vergeten hadden ze te koopen, om niet op dien dag een geheele kip op tafel te moeten zetten of om iets te moeten overlaten.—JACOB: Die Antronius heeft veel van den vrek Harpargo uit 't blijspel van Plautus! Maar op vastendagen, wat voor een middeltje had je dan om in 't leven te blijven?—GILBERT: Dan had ik aan één mijner vrienden opgedragen om voor mijn geld op elk dier dagen drie eieren te koopen, twee voor den maaltijd midden op den dag, één voor 't avondeten. Maar nu gaven mij de vrouwen in plaats van de duur gekochte versche eieren onfrissche eieren in ruil, zoodat ik nog dankbaar mocht wezen wanneer één van de drie eieren eetbaar was. Eindelijk had ik mij voor mijn eigen geld ook een vaatje wijn van wat betere qualiteit aangeschaft: maar de vrouwen braken 't vaatje open en zogen er binnen enkele dagen een deel van leeg, waarover Antronius erg boos was.—JACOB: Zoo was er toch iemand die medelijden met je had.—GILBERT: Medelijden? Neen waarachtig niet! Ze hielden mij voor een veelvraat en vreetzak, omdat ik in mijn ééntje zóóveel spijs kon verslinden. Daarom waarschuwde Orthrogonus mij ook zoo nu en dan, dat ik rekening moest houden met 't klimaat en voor mijn gezondheid moest zorgen en vertelde mij van eenigen onzer landslieden, aan wie een al te groote eetlust òf den dood, òf een zware ziekte had bezorgd. Toen hij zag dat ik mijn lichaam dat èn door hard werken èn door gebrek aan eten en óók door ziekelijkheid verzwakt was, door eenige versnaperingen die de apothekers daar vervaardigen uit pitten van pijnappels of van pompoenen en meloenen, trachtte aan te sterken, stookte hij een geneesheer die onder zijn kennissen behoorde op, om mij een matigen levensregel voor te schrijven. Deze deed 't met groote nauwgezetheid. Maar ik merkte spoedig dat hij opgestookt was. Ik liet 't hem evenwel aanvankelijk niet bemerken. Toen hij al meer en meer bij mij aandrong en er geen einde kwam aan zijn opmerkingen, zei ik eindelijk: "Hoor eens, mijn waarde, wat je daar zegt, is dat ernst of gekheid?" "Ernst," zei hij. "Wat raad je mij dus te doen?" "Eet 's avonds in 't geheel niet en doe ten minste de helft water bij je wijn." Ik lachte over dien prachtigen raad. "Als je mij dood wilt hebben, dan zou het voor mijn zwak, mager en uitgeput lichaam reeds de dood zijn als ik éénmaal 't avondeten oversloeg. Ik heb dat al zóó dikwijls proefondervindelijk gezien, dat ik 't niet nog eens begeer te probeeren. Wat moet er volgens uw idee wel gebeuren, wanneer ik mij van avondeten onthoud na een zóó schraal middagmaal genoten te hebben? En wou je dat ik zóó'n schraal wijntje nog met water ging aanlengen? Alsof 't niet veel beter ware zuiver water te drinken dan water met wijndroesem. Ik ben er zeker van dat Orthrogonus je heeft opgestookt mij dit te gaan zeggen." Hij lachte zoo'n beetje en bond zich wat in. "Ik bedoel nu juist niet, zeer geleerde Gilbert, dat ge u 's avonds geheel en al van eten moet onthouden. Je mag wel een eitje proeven en een glaasje wijn drinken. Zoo leefikook. Men kookt voor mij een ei bij 't avondmaal. Daarvan neem ik de helft van 't dooier voor mij zelf, de andere helft geef ik aan mijn zoontje; daarna drink ik een halven roemer wijn en studeer ik tot diep in den nacht."—JACOB: En was 't waar wat die medicus vertelde?—GILBERT: Zonder eenige bedenking nam ik 't aan. Eens kwam ik bij toeval, van de mis komende, door de straat waar, zooals een mij vergezellende kennis zeide, die dokter woonde. Ik wilde zijn interieur eens zien. Het was juist een Zondag. Ik klopte aan: de deur ging open: ik klim de trap op en vind den dokter met zijn zoon die tevens voor knecht speelde, aan zijn maal. Al wat er op tafel was opgediend, waren een paar eieren, niets anders.—JACOB: Bleeke menschen zeker?—GILBERT: Volstrekt niet. Ze zagen er allebei welgedaan uit, ze hadden een frissche, gezonde kleur, levendige oogen.—JACOB: Haast ongeloofelijk.—GILBERT: 'k Vertel je wat ik met eigen oogen gezien heb. En niet alleen leeft hij op die manier, maar verscheidene anderen, van voorname familie en in goeden doen. Geloof me: veel eten en drinken is een kwestie van gewoonte, niet van natuur. Omgekeerd, als iemand er zich langzamerhand aan gewent, zal hij 't zóó ver brengen om 't zelfde te doen wat de Grieksche worstelaar Milo deed, die op één dag een heel rund verzwolg.—JACOB: Goede God, als men met zóó weinig zijn gezondheid kan bewaren, wat maken dan de Duitschers, de Engelschen, de Denen en de Polen een nuttelooze onkosten!—GILBERT: Heel wat, en dat nog wel met groote schade aan hun gezondheid en aan hun geest.—JACOB: Maar wat was dan toch de reden dat jijnietgenoeg hadt aan dat beetje eten?—GILBERT: Omdat ik me aan een heel anderen levensregel had gewend en 't voor mij te laat was om mijn levensregel te veranderen. Maar overigens hinderde mij minder 't te-weinig der spijzen, dan wel dat ze bedorven waren. Twee eieren zouden voldoende wezen, als 't maar versch gelegde waren: één roemer wijn zou genoeg zijn, als er in plaats van wijn maar geen verschaald bocht geschonken werd. De helft van 't brood zou kunnen volstaan, als er in plaats van brood maar geen gebakken klei werd voorgezet.—JACOB: En dat die Antronius zóó gierig was, terwijl hij er zoo warmpjes in zat!—GILBERT: Ik denk dat hij wel een kapitaal van tachtigduizend dukaten zal hebben bezeten. En er ging geen jaar voorbij waarin er niet een overwinst van wel duizend dukaten bij kwam, om 't minste maar te noemen.—JACOB: En zijn zoons, voor wie dat geld werd opgepot, waren die óók zoo zuinig?—GILBERT: Ja, thuis ten minste. Maar buitenshuis werd 't geld er doorgebracht met Wijntje en Trijntje en dobbelspel. En terwijl hun vader er bezwaar tegen maakte van zelfs voor de deftigste gasten een kleinigheid uit te geven, verloren de jongelui soms in één nacht zestig dukaten met spelen.—JACOB: Zoo wordt vaak zoek gebracht, wat met schrapen is bijeen geraapt. Maar zeg me, waar ga je thans heen, nu je uit zulke gevaren ongedeerd bent gered?—GILBERT: Naar de gezellige eettafel van die Fransche heeren, om daar de schade die ik ginds geleden heb, wat in te halen.
INHOUDErasmusdoor Cd. Busken Huet1.Charon, de veerman van de onderwereld2.De ontevreden-gehuwde of het huwelijk3.Herbergen in Duitschland4.Het spook of de duivelbanning5.Goudmakerij6.De paardenkooper7.De paardlooze ridder of verdichte adel8.De vrouwenraad9.De bedevaart10.Het sprookjesmaal11.Schipbreuk12.Vrekkige rijkdom
INHOUD
Erasmusdoor Cd. Busken Huet
1.Charon, de veerman van de onderwereld
2.De ontevreden-gehuwde of het huwelijk
3.Herbergen in Duitschland
4.Het spook of de duivelbanning
5.Goudmakerij
6.De paardenkooper
7.De paardlooze ridder of verdichte adel
8.De vrouwenraad
9.De bedevaart
10.Het sprookjesmaal
11.Schipbreuk
12.Vrekkige rijkdom