DE PAARDENKOOPER

[1]Namen, zooals Erasmus ze gaarne bezigt, beteekenend: Hoorgraag en Praatgraag.

[1]Namen, zooals Erasmus ze gaarne bezigt, beteekenend: Hoorgraag en Praatgraag.

Dat paardenkoopers, óók in Erasmus' tijd, reeds in niet al te goeden naam van eerlijkheid stonden, bewijst de volgende samenspraak. Nadere verklaring heeft de inhoud niet noodig: de zaak is oud en hoog-modern.Naar Erasmus' eigen woorden heeft hij deze samenspraak geschreven, om de jongelieden van zijn tijd te laten zien, dat men een modern onderwerp, van alledaagschen aard ook in het deftige latijn, los, luchtig en opgewekt kan behandelen.

Dat paardenkoopers, óók in Erasmus' tijd, reeds in niet al te goeden naam van eerlijkheid stonden, bewijst de volgende samenspraak. Nadere verklaring heeft de inhoud niet noodig: de zaak is oud en hoog-modern.

Naar Erasmus' eigen woorden heeft hij deze samenspraak geschreven, om de jongelieden van zijn tijd te laten zien, dat men een modern onderwerp, van alledaagschen aard ook in het deftige latijn, los, luchtig en opgewekt kan behandelen.

AULUS: Heere bewaar me! wat kijkt onze Phaedrus ernstig. Zoo nu en dan slaat hij zijn oogen hemelwaarts. 'k Zal hem eens aanklampen. Wat voor nieuws is er, Phaedrus?—PHAEDRUS: Waarom vraag je mij dat zoo, Aulus?—AULUS: Omdat het er veel van heeft of je van een vroolijken Phaedrus tot een strengen Cato bent geworden. Zóó strak staat je gelaat.—PHAEDRUS: Nu, daar is reden voor: ik heb juist mijn zonden gebiecht.—AULUS: O! dan verwonder ik mij niet meer. Maar vertel me eens: heb je alles te goeder trouw gebiecht?—PHAEDRUS: Ten minste alles wat me in den zin kwam. Eén ding slechts uitgezonderd.—AULUS: En waarom verzweeg je dat ééne?—PHAEDRUS: Omdat ik 't toch eigenlijk zelf nog niet zoo héél slecht kan vinden.—AULUS: Dan moet dat wel een prettige zonde zijn geweest. PHAEDRUS: Of het een zonde is, weet ik niet: maar als je een poosje tijd hebt, mag je het wel hooren.—AULUS: Ik wil heel graag luisteren.—PHAEDRUS: Je weet hoeveel er onder paardenhandelaars, koopers en verkoopers, bedrogen wordt.—AULUS: Ja, meer dan me lief is, want ik ben er zelf dikwijls de dupe van geweest.—PHAEDRUS: Onlangs moest ik een tamelijk lange reis doen, maar die ook vrij veel spoed vereischte. Ik ga naar één van de paardenverhuurders, lang niet één van de slechtsten van dat soort; zelfs was ik met dien man eenigermate bevriend. Ik vertel hem dat ik een gewichtige opdracht heb, dat ik een flink en stevig paard noodig heb. Als hij zich ooit jegens mij verdienstelijk had gemaakt, dat hij 't dannumoest doen. Hij beloofde dat hij met mij zou handelen zooals hij dat met zijn liefsten broer zou doen.—AULUS: Misschien was hij ook wel van plan zijn broer te bedriegen.—PHAEDRUS: Hij brengt me in zijn stal en zegt dat ik maar uit al zijn paarden moet kiezen welk ik wil. Eindelijk was er één dat mij meer dan alle andere beviel. Hij prijst mijn keuze, terwijl hij er een eed op doet, dat juist dàt paard dikwijls door velen gevraagd is: dat hij 't liever had willen bewaren voor een particulieren vriend, dan 't aan onbekenden af te staan. We werden het eens over den prijs. De betaling geschiedt tegen contant geld. Ik stijg te paard. Bij 't naar buiten rijden was 't paard opgewekt en buitengewoon geanimeerd. Men zou haast zeggen dat 't een beetje wild was: 't zag er vet en rond en welgedaan uit. Maar toen ik zoowat een anderhalf uur gereden had, begon ik te bemerken dat 't reeds geheel en al moe was en dat ik er zelfs met de sporen geen voortgang in kon krijgen. Nu had ik wel eens gehoord dat door paardenkoopers dikwijls zulke dieren om te bedriegen op stal gehouden worden, paarden die men op 't oog voor uitstekend zou houden, maar die tegen vermoeienis volstrekt niet bestand zijn. Dadelijk dacht ik bij mij zelf: "je bent beet genomen! Komaan, zoodra je thuis komt, betaal je hem met gelijke munt."—AULUS: En wat ving je nu onderweg aan, jij ruiter zonder paard?—PHAEDRUS: Wat de loop der dingen mij aan de hand deed. Ik sloeg den weg in naar 't naaste dorp. Daar stalde ik stilletjes bij een bekende van me het paard en ik huurde een ander. Ik reed naar de plaats van mijn bestemming, keerde terug, lever mijn huurpaard in, tref mijn koopje aan, vetjes en wel, en flink uitgerust van de eerste vermoeienis. Ik rijd daarop naar mijn bedrieger en vraag hem of hij 't in zijn stal eenige dagen wil bewaren en voederen tot ik het weer kom opeischen. Hij vraagt me hoe het beestje 't gemaakt heeft. Ik zweer hem nu bij al wat heilig is, dat ik nooit van mijn leven een voortreffelijker dier bestegen had, dat 't eerder vloog dan liep, dat 't heelemaal geen vermoeienis had gekend niettegenstaande den langen tocht en dat het geen haartje magerder was geworden van 't zware werk. Toen ik hem wijs gemaakt had dat dit werkelijk zoo was, dacht hij zoo stilletjes bij zich zelven, dat 't paard dan toch wel anders moest zijn dan hij gedacht had. Vóór ik dus wegging, vroeg hij me of 't paard ook te koop was. Ik zei eerst van neen. Als ik weer eens een reis moest doen, dat 't dan niet gemakkelijk zou wezen een dergelijk paard te krijgen. Maar dat aan den anderen kant niets mij zóó dierbaar was of 't was wel voor een flinken prijs van mij te koop, ook al zou iemand mij zelven in levenden lijve willen koopen.—AULUS: Je speelde daar mooi de rol van bedrieger tegenover den bedrieger.—PHAEDRUS: Om kort te gaan, hij liet me niet vertrekken zonder dat ik een prijs voor het paard had vastgesteld. Ik gaf dien heel wat hooger op dan waarvoor ik 't beest van hem gekocht had. Toen ik van den man weggegaan was, neem ik dadelijk iemand in den arm om mee een rol te spelen in deze komedie. Ik zeg hem duidelijk wat er aan de hand is en breng hem goed op de hoogte. Hij gaat naar 't huis van den stalhouder en vraagt dezen te spreken. Hij zegt hem dat hij een mooi paard noodig heeft, dat goed tegen veel vermoeienissen bestand is. De koopman laat hem verschillende paarden zien en prijst de slechtste 't meest aan. Alleen 't paard dat hij mij had verkocht, biedt hij niet aan, omdat hij dacht dat 't werkelijk zoo uitstekend was als ik had gezegd. Maar de ander vraagt hem onmiddellijk of dat paard ook soms te koop is, want ik had hem beschreven hoe 't paard er uit zag en hem de plaats aangeduid waar het stond. Eerst hield de paardenkooper zijn mond en prees al de andere paarden uitbundig. Maar omdat de kooper steeds op dat ééne paard terugkwam, terwijl hij de overige paarden voor de leus nog wel wat prees, zei eindelijk de paardenkooper bij zich zelven: "ik moet mij dan toch wel in dat paard vergist hebben, als ten minste deze vreemdeling het zoo dadelijk onder alle paarden uitpikt." Toen de kooper aandrong, zeide hij eindelijk: "'t Is te koop, maar misschien zult ge u wel door den prijs laten afschrikken." "Geen prijs is te hoog," zei hij, "wanneer die overeenkomt met de waarde van de zaak. Zeg maar op." Hij gaf nu een prijs op vrij wat hooger, dan ik hem had genoemd, ook nog naardiewinst begeerig. Eindelijk werden ze het over de koopsom eens. Er werd een tamelijk groot handgeld gegeven, n.l. een goudstuk, om geen vermoeden te wekken dat 't maar een schijnkoop was. De kooper liet 't paard goed haver geven en zei dat hij gauw zou terugkomen om 't paard mee te nemen. De stalknecht krijgt een halven gulden fooi. Zoodra ik hoorde dat de koop goed en wel gesloten was, zóó dat hij niet meer kon worden verbroken, keer ik gelaarsd en gespoord naar den paardenverhuurder terug: buiten adem roep ik om hem. Hij komt te voorschijn en vraagt wat ik verlang. "Laat dadelijk mijn paard optuigen," zei ik, "want ik moet onmiddellijk voor een gewichtige zending op reis." "En onlangs," antwoordde hij, "droeg-je me op het paard eenige dagen te stallen en te voederen." "Ja, dat is waar," zei ik, "maar daar is me nu plotseling, zonder dat ik er op gerekend had, een taak opgedragen en dat nog wel van koningswege, die geen uitstel gedoogt." Toen hij weer: "Kies maar uit alle paarden welke je wilt: 't uwe kunt ge evenwel niet krijgen." Ik vraag natuurlijk: "waarom niet?" "Omdat het verkocht is," ontvang ik ten antwoord. Met geveinsden schrik riep ik uit: "De hemel verhoede dat 't waar is, wat gij zegt. Nu mij die opdracht wordt gegeven, zou ik mijn paard niet willen verkoopen al was het ook voor viermaal den prijs." Ik begin te schelden en te kijven en noem me een verloren man. Eindelijk wordt hij ook boos. "Wat hebben we met dat getwist te maken?Gijhebt een prijs bepaald voor 't paard,ikheb 't verkocht. Als ik u den prijs uitbetaal dan hebt ge met mij niets meer te maken. Er zijn nog rechters hier in de stad. Ge kunt me niet dwingen u het paard te leveren." Terwijl ik er nog lang op aandrong dat hij mij 't paard zou afgeven of mij den kooper zou aanwijzen, betaalde hij me eindelijk den prijs uit. Ik had 't voor vijftien goudstukken gekocht en het later geschat op zes-en-twintig. Hij had 't op twee-en-dertig gesteld. Hij redeneerde zóó bij zich zelf: 't is voordeeliger dit zoete winstje te maken dan 't paard terug te geven. Ik ga heen, voorgevend erg boos te zijn en slechts noode gekalmeerd door 't ontvangen geld. De paardenkooper vroeg of ik 't hem niet kwalijk wilde nemen: dat hij mijn schade wel op andere manieren zou trachten te vergoeden. En zoo werd de bedrieger bedrogen. Hij zit nu met een paard dat niets waard is, en wacht maar steeds dat de man die hem 't handgeld heeft gegeven zal komen om hem den bedongen prijs uit te betalen. Maar er komt niemand en er zal ook nooit iemand komen.—AULUS: En heeft hij er u intusschen nooit over gesproken?—PHAEDRUS: Wat zou dat voor een brutaliteit zijn en met welk recht zou hij dat doen? Hij heeft me nog wel eens een paar malen ontmoet en mij zijn beklag gemaakt over de kwade trouw van den kooper. Maar ik heb hem van mijn kant dadelijk den mantel uitgeveegd en gezegd dat hij die leelijke behandeling waard was, omdat hij mij door een overhaasten verkoop van zoo'n goed paard had beroofd. Dat is nu een zonde zóó juist van pas begaan, naar mijn idee, dat ik 't niet over mij kon verkrijgen om ze te biechten.—AULUS: Ik zou voor mij zelven een standbeeld vragen als ik zoo iets had verzonnen: zóó ver is het er van af dat ik 't als zonde zou biechten.—PHAEDRUS: Of ge dit van harte meent, weet ik niet, maar bij mij wekt ge den lust en den moed op, om zulke menschen bij gelegenheid óók eens zoo'n poets te bakken.

Erasmus zegt in zijn "Nut der Samenspraken" over den onderstaanden dialoog het volgende:"In den verdichten adel schilder ik dat slag van menschen, die, onder het bedriegelijk voorwendsel van edellieden te zijn, alles meenen te mogen doen en die één der voornaamste rampen zijn waaronder Duitschland lijdt."

Erasmus zegt in zijn "Nut der Samenspraken" over den onderstaanden dialoog het volgende:

"In den verdichten adel schilder ik dat slag van menschen, die, onder het bedriegelijk voorwendsel van edellieden te zijn, alles meenen te mogen doen en die één der voornaamste rampen zijn waaronder Duitschland lijdt."

HARPALUS. Zou je mij eens kunnen raden? Je zult merken dat ik niet vergeetachtig en niet ondankbaar ben.—NESTORIUS: Nu, ik wil je wel 't middel aan de hand doen om te komen waar je wezen wilt.—HARPALUS: Maar wij hebben 't niet in onze hand om van adel geboren te zijn.—NESTORIUS: Als je 't niet bent, moet ge door uw voortreflijke daden maken dat uw adeldom bij u een aanvang neemt.—HARPALUS: Dat duurt zoo lang.—NESTORIUS: Tegen een flinke som verkoopt de keizer ook wel een adelbrief.—HARPALUS: Om dien gekochten adel wordt over het algemeen gelachen.—NESTORIUS: Als ge dan niets belachelijkers kent dan gelogen adel, waarom streeft ge dan naar den adellijken titel?—HARPALUS: Om verschillende redenen, en gewichtige ook. Ik heb geen bezwaar je die te vertellen, als gij mij de manieren wilt meedeelen waarop ik den menschen het idee kan geven dat ik een edelman ben.—NESTORIUS: Dus alleen maar den naam wil je bezitten, zonder de werkelijkheid?—HARPALUS: Ja, waar de werkelijkheid niet aanwezig is, daar nadert de schijn er toch 't dichtst bij. Maar kom, geef nu eens raad, Nestorius. Wanneer gij mijn beweegredenen hoort, dan zult ge moeten zeggen dat het de moeite waard is.—NESTORIUS: Nu, als je 't dan wilt, dan zal ik 't je zeggen. In de allereerste plaats moet je uit je vaderland weggaan.—HARPALUS: Dat weet ik.—NESTORIUS: Je moet je begeven in gezelschap van jongelieden van werkelijk adellijken bloede.—HARPALUS: Dat begrijp ik.—NESTORIUS: Tengevolge daarvan zal men gaan denken, dat gij ook tot die menschen behoort met wie gij omgaat.—HARPALUS: Zoo is het.—NESTORIUS: Zorg dat ge niets aan u hebt of niets doet wat burgerlijk is.—HARPALUS: Wat bijvoorbeeld?—NESTORIUS: Ik bedoel uw kleeding; uw kostuum mag niet van wol zijn, maar wèl van zijde of, als je het geld ontbreekt om die te koopen, dan een kamelotten buis, ten slotte nog liever een van linnen dan van laken.—HARPALUS: Goed zoo.—NESTORIUS: Pas ook op, dat ge niets gaafs aan uw lijf hebt: heb kerven en scheuren in je hoed, je wambuis, je laarzen, je schoenen, in je nagels als je kunt. Zorg er ook voor dat je nooit over iets wat laag bij den grond is, spreekt. Als er een vreemdeling uit Spanje komt, vraag dan hoe 't tegenwoordig tusschen den Keizer en den Paus staat: hoe uw bloedverwant, de Graaf van Nassau het maakt: hoe 't met uw andere kameraden gaat.—HARPALUS: Dat zal ik doen.—NESTORIUS: Aan uw ringvinger moet ge een ring dragen met een gesneden steen er in.—HARPALUS: Als ten minste mijn beurs het toelaat.—NESTORIUS: Een vergulde ring met een nagemaakten steen kost niet zooveel. Maar er moet een wapenschild bij.—HARPALUS: Wat raad je me aan te kiezen?—NESTORIUS: Twee melkemmers zoo je wilt, en een bierpul.—HARPALUS: Kom, je houdt me voor 't lapje: spreek liever in ernst.—NESTORIUS: Ben-je nooit in den krijg geweest?—HARPALUS: 'k Heb er nooit een gezien.—NESTORIUS: Maar, tusschen twee haakjes, je hebt denk ik, wel eens aan ganzen en kapoenen bij de boeren den kop afgeslagen?—HARPALUS: Heel dikwijls, en wàt dapper ook.—NESTORIUS: Nu, neem dan een zilveren mes op je wapenschild en drie gouden ganzenkoppen.—HARPALUS: Op wat voor een veld? NESTORIUS: Op welk veld? Natuurlijk op een bloedrood! Een herinnering aan 't zoo dapper vergoten bloed.[1]—HARPALUS: Wel ja, waarom niet? Ganzenbloed is net zoo rood als menschenbloed. Maar ga dóór als 't je belieft.—NESTORIUS: Dat schild nu, moet je aan de deuren van alle herbergen waar je je intrek neemt, laten vastspijkeren.—HARPALUS: Wat moet er voor een helm op geplaatst worden?—NESTORIUS: 't Is goed dat je daaraan denkt. Dien moet je met opgeslagen vizier nemen.—HARPALUS: Waarom dat?—NESTORIUS: Ten eerste om goed te kunnen ademhalen en verder om hem met je kleedij in overeenstemming te brengen. Wat moet er boven den helm uitsteken?—HARPALUS: Daarnaar ben ik erg verlangend.—NESTORIUS: Een hondenkop met hangooren.—HARPALUS: Dat is zoo algemeen.—NESTORIUS: Voeg er dan een paar horens bij. Dat is zeldzaam en vreemd.—HARPALUS: Dat bevalt me. Maar nu de schilddragers?—NESTORIUS: Herten, honden, draken, grijpen hebben de vorsten en prinsen al ingepalmd: zet jij er nu twee harpijen naast.—HARPALUS: Dat is een uitstekende raad.—NESTORIUS: Nu schiet nog alleen maar over een bijnaam te verzinnen. Hierbij moet je in de allereerste plaats oppassen dat je je niet op heel platte manier "Harpalus den Comenser" laat noemen, maar "Harpalus van Como": dit laatste doen de adellijke heeren, 't eerste doen arme theologen.—HARPALUS: Dat weet ik.—NESTORIUS: Hebt ge ergens een plekje waarvan ge u heer en meester kunt noemen?—HARPALUS: Geen varkenshok zelfs.—NESTORIUS: Ben-je in een bekende stad geboren?—HARPALUS: In een onbekend dorp. Ik moet 't u wel zeggen. Want liegen mogen we niet tegenover een dokter die ons moet genezen.—NESTORIUS: Is er niet de een of andere berg in de buurt van dat dorp?—HARPALUS: Jawel.—NESTORIUS: En heeft die berg ook ergens een in 't oog vallende of bekende rotspunt?—HARPALUS: En een wàt steile ook.—NESTORIUS: Welnu, dan heet je "Harpalus, ridder van de Gulden Rots."—HARPALUS: Ja maar, 't is de gewoonte van groote heeren, dat ieder een mooi klinkende spreuk voegt bij zijn wapen: zooals bijv. Maximiliaan had: "Houd maat"; Philips: "Wie maar wil"; Keizer Karel: "Verder"; en zoo de één dit, de ander dat.—NESTORIUS: Neem jij dan: "Er op of er onder."—HARPALUS: Je raad is probaat en past uitstekend bij mijn toestand.—NESTORIUS: En om de menschen nog meer vertrouwen in uw persoon in te boezemen, moet ge voorgeven dat allerlei groote heeren u brieven geschreven hebben, waarin ge ook als Hoog-Edelgeboren Ridder wordt betiteld: daarin moet gesproken worden van groote bedrijven, van leengoederen, van burchten, van veel duizenden guldens, van gouverneurschappen, van een rijk huwelijk. Dan moet ge zorgen, dat dergelijke brieven u als 't ware bij ongeluk uit den zak vallen of dat ge ze bij toeval vergeet en dat ze zoo in handen van anderen komen.—HARPALUS: O, dat zal me niet veel moeite kosten. Want ik kan niet alleen goed schrijven, maar ook heb ik 't door gestadige oefening zóóver gebracht dat ik ieders hand gemakkelijk kan namaken.—NESTORIUS: Naai de brieven in je wambuis of laat ze in je zak zitten, zoodat de kleermakers aan wie je je kleeren geeft om ze te lappen, ze vinden. Die zullen hun mond niet houden, en als je 't te weten komt, zet dan je gezicht in een plooi van boosheid of ontstemdheid, alsof je over het geval erg het land hadt.—HARPALUS: Ook daarop heb ik reeds lang gestudeerd, om mijn gezicht te kunnen veranderen als een masker.—NESTORIUS: Dan zal 't gevolg zijn dat men geen lucht krijgt van het bedrog en dat men je zaak met goed vertrouwen aanziet.—HARPALUS: Ik zal er goed mijn best toe doen.—NESTORIUS: Verder moet ge eenige makkers kiezen of je ook eenige bedienden aanschaffen, die voor u buigen en uitwijken en u in tegenwoordigheid van anderen "Jonker" noemen. Je behoeft niet bang te zijn dat je dit iets zal kosten. Er zijn heel veel jongelieden die graag zelfs voor niets die rol willen spelen. Hierbij komt nog dat dit land vol is van half geleerde jonge menschen, bezield met een bijzonderen schrijflust, om niet te zeggen schrijfwoede. Ook ontbreekt 't niet aan hongerige boekdrukkers, die alles aandurven wanneer de hoop op een zoet winstje hun toelacht. Eenigen van dezen moet gij omkoopen, dat ze u in hunne geschriften prijzen als een der Grooten van hun vaderland, en dit zoo nu en dan eens met vette letters te herhalen. Op die manier zullen ze u, tot zelfs in Bohemen toe, als een groot man in uw vaderland ophemelen. Want sneller en over een grooter uitgestrektheid doen die geschriften de rondte, dan praatjes van bedienden, al zijn ze ook nòg zulke babbelaars.—HARPALUS: Die manier bevalt mij wel. Maar, bedienden moet men den kost geven.—NESTORIUS: Dat is waar, maar ge moet er geen bedienden op na houden die geen handen aan hun lijf hebben en daarom onhandig zijn. Ze moeten hier- en daarheen worden uitgestuurd, en dan vinden ze wel wat. Je weet wel dat er allerlei gelegenheden voor zoo iets zijn.—HARPALUS: Houd maar op: ik begrijp het al.—NESTORIUS: Nu moet ik nog spreken van uw bekwaamheden.—HARPALUS: Daar ben ik nieuwsgierig naar.—NESTORIUS: Als je geen goed dobbelaar bent, geen flink kaartspeler, geen schandelijke meisjesgek, geen fameus drinker, geen brutaal verkwister, geen bankroetier en geen schuldenmaker, als je niet behebt bent met de zoogenaamde Gallische schurft[2], zal niemand je voor een man van adel houden.—HARPALUS: In dat alles heb ik me al lang geoefend. Maar waar moet het geld van daan komen?—NESTORIUS: Kalm! daar wilde ik net op komen. Heb-je geld van je vader geërfd?—HARPALUS: Een klein beetje.—NESTORIUS: Wanneer nu bij velen de dunk omtrent je adel gevestigd is, dan zul-je licht gekken vinden die geloof slaan aan je beweringen. Sommigen zullen zich schamen neen te zeggen, sommigen zelfs zullen bang zijn dit te doen. Om je schuldeischers bij den neus te nemen zijn er allerlei kunstjes.—HARPALUS: Daar ben ik al redelijk bedreven in. Maar eindelijk zullen ze 't mij toch te benauwd maken, als ze bemerken dat ik hen alleen maar met mooie woorden paai.—NESTORIUS: Integendeel, daar is geen gemakkelijker weg om te heerschen dan juist aan zooveel mogelijk menschen iets schuldig te wezen.—HARPALUS: Hoe dat zoo?—NESTORIUS: Wel, vooreerst beschouwt de schuldeischer het zóó, alsof hij door een groote verplichting aan u verbonden was en is hij bang een aanleiding te geven tot 't verlies van zijn geld. Iemands dienaren kunnen niet enger aan hem verknocht zijn, dan de schuldeischers aan hunne schuldenaars. Als men hun van tijd tot tijd eens wat terugbetaalt, dan is dat nog meer welkom dan dat men geschenken geeft.—HARPALUS: Dat heb ik wel eens gemerkt.—NESTORIUS: Maar pas hierop, dat ge u onderwijl niet met arme drommels inlaat. Want deze maken dikwijls om een onbeduidend sommetje geld een groot kabaal. Meer handelbaar zijn menschen die goed geld om handen hebben. Hen weerhoudt hun schaamtegevoel, de hoop doet hen leven, de vrees schrikt hen af: zij weten wat adellijke heeren soms vermogen. Ten slotte, wanneer de schuldenlast u overstelpt, dan moet ge onder allerlei voorwendsels elders heen verhuizen en dan vervolgens wéér ergens anders heen. Er is geen reden om je daarvoor te schamen. Niemand is meer met schulden beladen dan juist de vorsten. Als een boer u het vuur wat na aan de schenen legt, doe 't dan voorkomen alsof je door zijn onbeschaamdheid diep beleedigd bent. Geef evenwel zoo nu en dan eens wat terug, maar niet de geheele som en ook niet aan allen. Daarvoor moet gij overal en altijd zorgen dat niemand 't in den neus krijgt, dat je kas geheel leeg is. Je moet altijd grootdoen.—HARPALUS: Hoe kan iemand groot-doen die niets heeft?—NESTORIUS: Als een vriend je tijdelijk iets van waarde heeft toevertrouwd, dan moet je 't doen voorkomen alsof 't van je zelf is. Maar je moet alle gekunsteldheid vermijden: 't moet alles als bij toeval gaan. Neem daartoe soms eens wat geld op, met 't plan om 't heel spoedig terug te geven. Bewaar in je beurs, die uitpuilt van kopergeld, twee goudstukken en haal er die zoo nu en dan eens uit. En meer dergelijke verzinsels moet je zelf maar bedenken.—HARPALUS: Dat snap ik. Maar ik moet dan toch eindelijk wel tot over de ooren in de schuld zitten.—NESTORIUS: Houd daarom geen luie, onverschillige, onhandige bedienden of neem anders bloedverwanten bij je, die je tòch den kost zoudt moeten geven. Ze zullen wel eens een koopman tegenkomen dien ze kunnen berooven. Ze zullen wel eens wat vinden in herbergen, of in een huis, of in een schip, iets dat onbewaakt ligt. Vat-je? Ze moeten er aan denken dat de mensch niet te vergeefs vingers gekregen heeft.—HARPALUS: Als 't ten minste op een veilige manier kan gebeuren.—NESTORIUS: Je moet je bedienden netjes gekleed doen gaan, vooral met onderscheidingsteekens. Geef hun valsche brieven aan hooge personages in handen. Als ze dan eens iets hebben weggenomen en betrapt worden, zal niemand hen durven beschuldigen. Ook al vermoedt men iets, dan zal men toch bang zijn voor hun meester die van adel is. En wanneer ze gewelddadig een buit hebben veroverd dan heet dat: oorlogsrecht. Zulke vóór-oefeningen vormen het voorspel van den oorlog.—HARPALUS: Dat is een goede raad!—NESTORIUS: Verder moet ge steeds dezen stelregel van den adel handhaven: het is zijn recht den reiziger van burger-afkomst van zijn geld te ontlasten. Wat toch moet grooter verontwaardiging wekken, dan dat een koopman niet van adel, overvloed van geld heeft, terwijl intusschen een ridder geen cent heeft om aan de vrouwen en het spel uit te geven? Voeg je steeds bij de grooten of liever dring u bij hen in. Met een stalen gezicht, zonder blikken of blozen. Maar vooral bij vreemden. En daarom is 't ook verkieslijk dat ge u ophoudt in een nog al drukke stad, bijv. in badplaatsen, in druk bezochte herbergen.—HARPALUS: Dat was ik juist van plan.—NESTORIUS: In zulke plaatsen biedt 't geluk nog al eens vaak een kansje.—HARPALUS: Hoe, bijvoorbeeld?—NESTORIUS: Wel, de een of ander heeft zijn beurs laten liggen, of heeft bij vergissing den sleutel in 't slot van zijn lâ laten steken. Nu, de rest vat je wel.—HARPALUS: Maar...?—NESTORIUS: Waarvoor ben je bang? Wie zou eenig kwaad vermoeden durven koesteren tegen zoo'n beschaafd man, tegen iemand die altijd den mond vol heeft van zulke groote dingen, tegen den "Ridder van de Gulden Rots?" En zoo er al zoo'n onbeschaamde rekel gevonden werd, wie zou dan nog zoo driest zijn om u voor 't gerecht te dagen? Intusschen wordt de verdenking afgeleid op één van de gasten die gisteren zijn vertrokken. De bedienden en de herbergier zullen in rep en roer gebracht worden. Doch ga gij maar rustig uw gang. Als zoo iets aan een bescheiden en flink man overkomt, zal hij zijn mond houden, om niet tegelijk met zijn geldelijk verlies ook nog tot zijn schande bekend te doen worden, dat hij zóó nalatig op zijn zaken is.—HARPALUS: Wat je daar zegt is nog zoo gek niet. Je kent denk ik wel den Graaf van den Witten Gier?—NESTORIUS: Zou ik hem niet kennen?—HARPALUS: Bij hem had eens zijn intrek genomen, naar ik me heb laten vertellen, een zekere Spanjaard, een man van een net uiterlijk en echt fijne beschaving. Deze kaapte zeshonderd gulden; maar de graaf heeft nooit durven klagen. Zóó respectabel zag de man er uit.—NESTORIUS: Nu, daar heb-je een voorbeeld. Tusschen-beiden moet je eens één van je bedienden de wijde wereld inzenden; ten oorlog natuurlijk. Deze zal terugkeeren, beladen met buit in den krijg gemaakt, na kerken geplunderd en kloosters beroofd te hebben.—HARPALUS: Dat is zeker een hoogst veilige manier.—NESTORIUS: Daar is nog een andere manier om geld bij elkaar te krijgen.—HARPALUS: Zeg op, alsjeblieft.—NESTORIUS: Verzin voorwendsels om boos te worden tegen menschen die goed in hun contanten zitten, vooral tegen monniken of priesters, die nu zoowat bij iedereen in een kwaden naam staan. Deze heeft om uw wapenschild gelachen of er op gespuwd: gene heeft iets geschreven wat wel tot laster kan worden verdraaid. Aan zulke menschen moet ge een oorlog op leven en dood verklaren. Laat gruwelijke bedreigingen hooren, uitroeiing, moord en doodslag, louter algeheele verdelging. Vol schrik en angst zullen ze dan tot u komen om den strijd bij te leggen. Houd dan uw waardigheid hoog, dat wil zeggen: overvraag goed, dan krijgt ge wat ge hebben wilt. Als je drieduizend goudstukken vraagt, dan schamen ze er zich voor om minder dan tweehonderd aan te bieden.—HARPALUS: Anders zal ik dreigen hen gerechtelijk te vervolgen.—NESTORIUS: Dat gaat al weer wat meer op chantage gelijken; doch 't kan ook soms te pas komen. Maar zeg eens Harpalus, daar was me bijna ontgaan wat ik eigenlijk wel in de allereerste plaats had mogen zeggen; je moet 't een of ander meisje dat een aardigen spaarpot heeft in 't huwelijksnet zien te verstrikken. Je hebt een toovermiddel in je bezit, je bent jong, je ziet er niet onknap uit, je bent een aardige grappenmaker, je kunt aanstekelijk lachen. Strooi 't gerucht rond, dat je onder mooie beloften naar 't hof van den keizer bent geroepen. Meisjes houden er wel van heeren van het hof te trouwen.—HARPALUS: Ik ken er, aan wie dat voortreflijk gelukt is. Maar als 't bedrog nu eindelijk eens uitlekt en van alle kanten de schuldeischers op me afspringen? Dan zal iedereen den ontmaskerden ridder uitlachen. Want zoo'n komedie vinden ze erger dan wanneer men tempelroof pleegt.—NESTORIUS: Dan is juist 't oogenblik gekomen om te denken aan 't stalen gezicht. En dat te meer omdat nooit ter wereld brutaliteit meer in de plaats van wijs beleid is getreden, dan tegenwoordig. Dan moet je maar de een of andere uitvlucht verzinnen. Verder zullen er altijd eenvoudige zielen gevonden worden die uw historietje gelooven; anderen zullen uit burgerlijke beleefdheid doen net alsof zij 't bedrog dat ze doorzien hebben, niet hebben bemerkt. En ten slotte, als er geen ander redmiddel is, dan maar naar elders toevlucht genomen, in een oorlog, in 't krijgsgewoel. Zooals Euripides zegt dat de zee alle ongerechtigheden der menschen afwascht, zoo bedekt ook de oorlog al het grondsop en uitvaagsel van alle schurkerijen. Niemand wordt tegenwoordig voor een goed officier in den oorlog gehouden, als hij er niet toe gekomen is na een voorbereiding in zulk een recrutenschool. Dat is dus uw uiterste redmiddel wanneer alles verkeerd loopt. Maar ge moet den ondersten steen boven keeren dat 't niet zoo ver komt. Laat je vooral niet door zorgeloosheid foppen. Ontwijk kleine stadjes, waar je geen vinger in de asch kunt steken of de wereld weet 't. In groote en drukke steden heb je meer vrijheid of—ze moesten soms zijn als Marseille, waar alles zoo uiterst stijf en eerbaar toegaat. Tracht dus ongemerkt uittevisschen wat men van u zegt. Wanneer je merkt dat men zoo in dezen zin over je praat: "Wat doet hij toch; waarom blijft hij zoo lang hier; waarom gaat hij niet terug naar zijn land? Waarom laat hij zijn kasteel in den steek? Uit welke familie stamt hij toch? Waar haalt hij toch 't geld vandaan voor zijn groote verteringen?"—wanneer dergelijke praatjes langzamerhand beginnen te loopen, dan moet je er intijds op bedacht zijn om de plaat te poetsen: maar 't moet de retraite van een leeuw zijn, niet een hazenvlucht. Wend vóór: dat je voor groote dingen geroepen wordt naar 't keizerlijk hof, dat je binnenkort met een compagnie soldaten zult terugkomen. In je afwezigheid zullen ze niet tegen je durven kikken, omdat ze bang zijn te verliezen wat ze van je te eischen hebben. Maar vooral geloof ik, dat je op je hoede moet zijn tegen dat slag van menschen dat 't hoofd vol heeft van dichterlijke plannen, lichtgeraakt volkje. Als iets hun niet bevalt, smeren ze dadelijk papier vol en wat ze hebben opgeklad gaat terstond de wereld door.—HARPALUS: 'k Mag doodvallen zoo je raad mij niet bij uitstek aannemelijk voorkomt. 'k Beloof je: ik zal maken dat je in mij een leerzaam scholier en een niet ondankbaar jongmensch vindt. Het eerste het beste paard dat ik in mijn weiden vind en dat waard is je te dragen, zal ik je ten geschenke zenden.—NESTORIUS: Nu moet je opjouwbeurt ook doen wat je begonnen bentmijte beloven. Waarom heb je zoo'n bijzonderen trek om den edelman te spelen als je 't niet bent?—HARPALUS: Om geen andere reden dan omdat adellijke heeren alles ongestraft mogen doen wat ze maar willen. Vind-je dat zoo'n kleinigheid?—NESTORIUS: Al loopt 't verkeerd uit, we zijn allen onzen tol aan de natuur door den dood verschuldigd, al leefde men ook in een Karthuizerklooster. En men sterft gemakkelijker op 't rad, dan aan 't graveel, aan jicht of aan een beroerte. Een goed soldaat moet gelooven dat er van den mensch na den dood niets overblijft, behalve zijn lijk.—HARPALUS: Daar ben ik het ook mee eens.

[1]Dwaze raad, van onkunde getuigend in de heraldiek, die metaal op metaal verbiedt.

[1]Dwaze raad, van onkunde getuigend in de heraldiek, die metaal op metaal verbiedt.

[2]Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven, onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der overheidspersonen, verboden werden.

[2]Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven, onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der overheidspersonen, verboden werden.

"Emancipatie," wie zou ze in Erasmus' tijd reeds gezocht hebben? Of ja—vinden we niet reeds in de komedies der oude Grieken sporen van den wil der vrouwen om zich tegenover de mannen meer te doen gelden? Zoo ook in den "Vrouwenraad," waarin de draak wordt gestoken met de onmondigheid van het vrouwelijk geslacht en eenige dames maatregelen beramen om zich aan den dwang en de heerschappij der mannen te ontworstelen. De dwaasheden, de onrechtmatigheden, de heerschzucht der mannen worden op de kaak gesteld; maar ook weet Erasmus den vrouwen menigen steek te geven over hare praatzucht, haar gebrek aan schaamtegevoel, haar pronkzucht.De dialoog, ook voor de geschiedenis der cultuur van belang, doet zien dat Erasmus zijn tijd ver vooruit was, dat hij op de wondeplekken zijner maatschappij zeer juist den vinger wist te leggen.

"Emancipatie," wie zou ze in Erasmus' tijd reeds gezocht hebben? Of ja—vinden we niet reeds in de komedies der oude Grieken sporen van den wil der vrouwen om zich tegenover de mannen meer te doen gelden? Zoo ook in den "Vrouwenraad," waarin de draak wordt gestoken met de onmondigheid van het vrouwelijk geslacht en eenige dames maatregelen beramen om zich aan den dwang en de heerschappij der mannen te ontworstelen. De dwaasheden, de onrechtmatigheden, de heerschzucht der mannen worden op de kaak gesteld; maar ook weet Erasmus den vrouwen menigen steek te geven over hare praatzucht, haar gebrek aan schaamtegevoel, haar pronkzucht.

De dialoog, ook voor de geschiedenis der cultuur van belang, doet zien dat Erasmus zijn tijd ver vooruit was, dat hij op de wondeplekken zijner maatschappij zeer juist den vinger wist te leggen.

CORNELIA: Al wat goed, gelukkig en voordeelig is voor dezen onzen stand en den ganschen vrouwenstaat, dat wenschen wij u toe! Gij zijt heden in grooten getale en opgewekt samengekomen, en op grond hiervan meen ik de meest vaste hoop te kunnen koesteren dat God genadig aan ieder onzer ingeve, wat kan strekken tot ons aller gemeenschappelijk heil, aanzien en nut. Gij weet (dunkt mij) allen hoeveel schade wij aan onze belangen hebben geleden daar wij, terwijl onze mannen hùnne belangen in hunne dagelijksche bijeenkomsten behartigen, onze zaken in den steek moeten laten, omdat we aan spinnewiel en weefgetouw moeten zitten. En dus is 't dan zoover gekomen dat er geen geregelde tucht onder ons bestaat, dat de mannen ons alleen maar zoowat als hun speeltuig beschouwen en ons nauwlijks den naam van mensch waardig keuren. En als wij doorgaan zooals we begonnen zijn, gaat dan zelf maar eens na waar het op zal uitloopen. Ik schroom woorden te gebruiken die een slechte vóórbeteekenis kunnen hebben. En, zoo we ook al onze waardigheid te grabbelen gooien, dan moet toch onze ongerepte naam ons ter harte gaan. De wijze koning Salomo heeft in de Spreuken geschreven: "Wie naar raad hoort is wijs."[1]De bisschoppen hebben hunne Synoden, de monnikorden hebben hunne vergaderingen, soldaten hunne lokalen waar ze bijeenkomen, dieren hunne bijeenkomsten, zelfs de mierenkolonie heeft haar plaats waar ze vergadert. Van alle levende wezens zijn de vrouwen de eenige die dat nooit doen.—MARGARETHA: Nu, vaker dan wel past.—CORNELIA: Op 't oogenblik is 't nog geen tijd om tusschen mijn woorden in te praten. Laat ik eerst uitspreken. Ieder krijgt op haar beurt gelegenheid om wat te zeggen. 't Is niets nieuws wat we hier doen. We hernieuwen eenvoudig een oud gebruik. Vóór ongeveer, als ik me niet vergis, dertienhonderd jaren heeft de hooggeprezen Keizer Heliogabalus....—PEROTTA: Wat, hooggeprezen? Een kerel dien ze aan een haak in 't riool gesleurd hebben?—CORNELIA: Daar word ik al weer in de rede gevallen. Als we iemand op die manier prijzen of misprijzen, dan kunnen we ook wel kwaad zeggen van Christus omdat hij gekruisigd is, en van den vromen Domitius omdat hij in zijn huis is gestorven. En toch wordt aan Heliogabalus niets ergers verweten dan dat hij het heilige vuur, dat door de Vestaalsche maagden werd verzorgd, op den grond heeft geworpen, en dat hij in zijn paleis in een kapel Mozes vereerde nevens Christus, dien zij uit smaad "Chrestus," d.i. "Nutsman" noemden. Die Heliogabalus nu, heeft ingesteld dat, evenals de Keizer met zijn raadslieden een vergadering hield, om over gemeenschappelijke belangen te spreken, zoo ook zijn moeder Augusta háár raad zou hebben, waar gesproken moest worden over de belangen van het vrouwelijk geslacht: een vergadering die de mannen, 't zij uit spot, 't zij om een onderscheid te maken: "gemeenteraadje" noemden. Dit voorbeeld van zooveel eeuwen geleden te hernieuwen, wordt ons van zelf door de omstandigheden reeds lang aan de hand gedaan. En ik hoop dat niemand uwer zich zal laten afschrikken door 't feit, dat de Apostel Paulus een vrouw verbiedt te spreken in een bijeenkomst, die hij den naam van "uitgelezen vergadering" geeft.[2]Hij bedoelt natuurlijk een bijeenkomst van vrouwen, terwijl dit een meeting is van vrouwen. Want als vrouwen altijd maar moesten zwijgen, waartoe zou dan de natuur ons de tong gegeven hebben, die toch niet minder vaardig is dan die der mannen, en een stem, die niet minder klankvol is dan de hunne? Evenwel, hun geluid klinkt veel meer rauw en schor dan het onze en het gelijkt veel meer op het balken van ezels. Maar daarvoor moeten wij allen steeds zorgen, dat wij deze zaak met zulk een ernst behandelen, dat ze ons nooit meer "gemeenteraadje" noemen of dat ze misschien nog een smadelijker naam uitdenken, zooals ze gewoonlijk grappig zijn ten onzen koste. Hoewel—wanneer wij hunne bijeenkomsten eens naar haar innerlijke waarde wilden schatten, dan zou blijken dat die zeer onbeteekenend zijn. We zien dat de vorsten al in zooveel jaren niets anders doen dan oorlogvoeren; onder godgeleerden, priesters, bisschoppen en 't publiek heerscht absoluut geen overeenstemming. Zooveel hoofden, zooveel zinnen. En onder hen allen heerscht meer dan vrouwelijke veranderlijkheid. Geen staat leeft met een anderen staat in eensgezindheid, geen buurman met zijn nabuur. Als ons de teugels van het bewind maar eens in handen gegeven werden, dan zou de toestand van 't menschdom, (ik ben er zeker van) heel wat draaglijker zijn. 't Is misschien niet overeen te brengen met de schuchterheid aan vrouwen eigen om aan zulke groote en voorname mannen een brevet van dwaasheid uit te reiken,—maar wèl mogen we, dunkt me, aanhalen wat Salomo in het dertiende hoofdstuk van zijn Spreuken zegt: "Door hoovaardij maakt men niet dan gekijf, maar bij de beradenen is wijsheid." Maar om u thans niet langer met mijn inleiding bezig te houden, moet er eerst, opdat alles in geregelde volgorde kunne geschieden, zooals 't past, en zonder verwarring, besloten worden, wie bij de beraadslagingen tegenwoordig zullen wezen, wie de zaal moeten verlaten. Want een buitensporig aantal aanwezigen zou men eerder een janboel kunnen noemen dan een vergadering: daarentegen heeft een comité van enkelen iets tyrannieks. Volgens mijn meening moet hierbij geen enkele ongetrouwde vrouw worden toegelaten, en wel om deze reden: dat er veel dingen zullen voorkomen, die 't geen pas geeft dat zij hooren.—JULIA: Maar waaraan kan men onderscheiden dat ze nog maagden zijn? Of zullen zij maar als maagd beschouwd worden, die nog een kransje dragen?—CORNELIA: Neen, daar ben ik 't niet mee eens. Mij dunkt we moeten alleen getrouwde vrouwen opnemen.—JULIA: Als we niet anders uitsluiten dan maagden, dan zal er een verbazend groote menigte blijven en zal er niet veel vermindering te bespeuren zijn.—CORNELIA: Ook moeten worden uitgesloten die meer dan driemaal getrouwd zijn.—JULIA: Waarom dat?—CORNELIA: Daar zij om zoo te zeggen hun tijd hebben uitgediend en gepensionneerd mogen worden. 't Zelfde dunkt me, moet ook gebeuren met de vrouwen boven de zeventig jaren. Verder moet er bepaald worden dat niemand over haar man, hem bij name noemend, oneerbiedig mag spreken. Tegen het geheele mannengeslacht mag het, maar met deze beperking: niet alteveel.—CATHARINA: Waarom zou 't niet vrij staan hier vrijuit over de mannen te spreken, daar zij zelf het altijd over óns hebben? Als mijn Titus een vroolijk tafelgenoot wil zijn, dan vertelt hij alles wat ik gedaan heb, en dikwijls verzint hij er nog 't een en ander bij.—CORNELIA: Als wij de waarheid maar eens wilden bekennen: ofwijin tel zijn hangt van de mannen af. Als wij hen overleveren aan de publieke verachting, dan rooven wij ons zelf ook de kroon van het hoofd. Maar we hebben werkelijk eenige rechtmatige reden tot klagen. Gaan we evenwel de som van alles na, dan heeft onze positie toch nog veel vóór boven de hunne. Terwijl zij zorgen voor de inkomsten, moeten ze over landen en zeeën vliegen, dikwijls met groot gevaar voor hun leven. Als er een oorlog uitbreekt worden zij door de trompet opgejaagd. Geharnast moeten zij in het gelid staan, terwijl wij veilig thuis zitten. Als zij iets tegen de wet misdoen, straft men hen streng: onze sekse spaart men. Om kort te gaan, 't ligt grootendeels aan ons zelven om onze mannen te hebben zooals wij ze graag willen. Ten slotte moet er nog gesproken worden over de volgorde waarin we zitting zullen nemen, opdat bij ons niet gebeure wat zoo dikwijls geschiedt bij beraadslagingen van koningen, prinsen en kerkvorsten, die in hunne bijeenkomsten soms drie heele maanden twisten vóór de zitting kan beginnen. En dan dunkt mij dat het eerst aan de beurt komen om zitting te nemen, de vrouwen van adel en bij deze hebben weer den voorrang die met vier kwartieren, vervolgens die met één kwartier en ten laatste die met een gehalveerd kwartier. En bij elken tak zal de rang naar gelang van den ouderdom van de familie worden aangewezen. Bastaarden krijgen, elk in haar familie, de laatste plaats. In de tweede plaats nemen zitting de vrouwen van de burgerklasse. Hier nemen zij de eerste plaats in, die 't grootst aantal kinderen ter wereld hebben gebracht. Bij gelijke rechten zal de leeftijd beslissen. Ten derde komen zij die geen kinderen gehad hebben.—CATHARINA: En waar plaats je de weduwen?—CORNELIA: O, 't is goed dat je mij daaraan herinnert. Die krijgen haar plaats onder de getrouwde vrouwen, als ze ten minste kinderen hebben of gehad hebben. Dan moeten wij vaststellen, hoe een raadsbesluit zal worden genomen, met stembriefjes of stemsteentjes, of bij hoofdelijke stemming, of door 't opsteken der handen, of door uit elkander te gaan staan.—CATHARINA: Met steentjes kan licht bedrog gepleegd worden, net als met stembriefjes. Als we willen stemmen, door naar verschillende kanten uiteen te gaan, zullen we te veel stof opjagen, omdat wij sleepjaponnen dragen. 't Beste is dus maar, dat iedere vrouw mondeling zegt hoe zij over een zaak denkt.—CORNELIA: Maar 't is moeilijk de stemmen te tellen. En dan moet er wèl opgepast worden dat 't in plaats van een vrouwenraadgeen vrouwenpraatwordt.—CATHARINA: Zonder 't houden van notulen zal 't niet gaan, er mag niets verloren gaan.—CORNELIA: Nu zoo zijn er dan maatregelen genomen omtrent 't aantal deelnemers. Maar hoe zullen we 't getwist en gekijf er buiten houden?—CATHARINA: Laat niemand spreken die daartoe niet is uitgenoodigd en dan alleen maar op haar beurt. Wie zich daaraan niet houdt, wordt uit den raad verwijderd. En verder, als er één is die 't geen hier besproken wordt verklapt, die zal gestraft worden met een gedwongen zwijgen van drie dagen.—CORNELIA: Goed. Zoo ver dus over de manier waarop we de zaak zullen aanpakken. Hoort nu, wàt we zullen behandelen. Vooreerst moeten we zorg dragen voor ons aanzien en prestige. En dat ligt voornamelijk in onze uiterlijke verschijning. Die wordt heden ten dage zóó verwaarloosd, dat men nauwlijks een onderscheid kan zien tusschen een dame van adel en een vrouw uit het volk, een getrouwde vrouw, een meisje, en een weduwe, tusschen een fatsoenlijke gehuwde vrouw en een lichtekooi. Alle gevoel van schaamte is zoo ver de wereld uit, dat iedere vrouw zich maar aanmatigt, wat ze maar wil. Men kan tegenwoordig vrouwen uit de burgerklasse, ja zelfs uit heel lagen stand zien, die zich kleeden in zijde, in sleepjaponnen, bebloemd, gestreept, van fijn lijnwaad, met goud- en zilverdraad doorweven, ja met sabelbont, terwijl intusschen hun mannen thuis schoenen zitten te lappen. Haar vingers hebben ze beladen met smaragden en diamanten (want paarlen zijn nu bij 't groote publiek in minachting), om over barnsteen, koralen en goudleeren schoentjes maar niet eens te spreken. Vroeger was 't voldoende voor eenvoudige vrouwen, ter eere van hare kunne, zijden ceintuurs te gebruiken en de gespen van haar japon met een zijden borduurseltje te versieren. Thans is 't kwaad dubbel. Vooreerst moet 's mans vermogen er aan gelooven en in de tweede plaats gaat 't verschil van stand verloren, wat toch maar de waarborg is dat ieder krijgt wat hij waard is. Zoo vrouwen uit het volk mogen rijden in mooie wagens en zich in draagstoelen met ivoor versierd en met fijn linnen gedekt kunnen laten dragen, wat schiet er dan nog over voor dames van adel en aanzien? En als een vrouw gehuwd met iemand die amper-aan Ridder is, reeds een sleep draagt van vijftien el, wat moet dan de vrouw van een Hertog of Graaf doen? En dit is des te ondraaglijker, omdat wij zoo nu en dan met verwonderlijke onberedeneerdheid onze kleederdracht veranderen. Eertijds hingen van de punten die uitsteken van den top onzer hoofdbedekking, linten af. Door dat versiersel onderscheidden zich de voorname dames van de vrouwen uit lageren stand. Om nu de gelijkheid weer weg te nemen namen de eerstgenoemden hoeden aan, die van buiten wit bont toonden met zwarte staartjes bezet. Onmiddellijk nam 't lage volk het over. Weer veranderden de dames van onzen stand en gingen een zwarten mantel dragen van linnen. De vrouwen van de lagere standen durfden dat niet alleen nadoen, maar voegden er nog gouden franje aan toe, ja, ten slotte zelfs edelsteenen. Oudtijds was het een voorrecht van edelvrouwen zich de haren van 't voorhoofd en de slapen uit te trekken en de haren op de kruin in een wrong te binden. Lang duurde 't niet of de eerste de beste volgde dat na. Eindelijk gingen zij het haar dragen zóó dat het op 't voorhoofd neerhing; ook de vrouwen uit het volk deden dit onmiddellijk na. Alleen adellijke dames hadden eertijds pages en lakeien en onder deze één bevoorrechten, die haar de hand moest reiken wanneer ze van haar zitplaats ging opstaan, die haar linkerhand bij 't loopen met zijn rechterhand mocht steunen. En die eer werd alleen maar toegestaan aan knapen van edele geboorte. En nu de getrouwde vrouwen dit overal doen, nemen ze ook maar ieder die wil tot dat dienstbetoon aan, bijv. tot de taak van sleepdragers. Zoo groetten vroeger alleen maar adellijke dames met een kus. En lang niet iedereen ontvingen ze daarmee, ja zelfs reikten ze niet aan iedereen de hand tot den handkus. Nu schieten zelfs zij, die naar leer stinken op een dame af, om haar een kus te geven, zelfs al is het een dame met een adellijk wapenschild. Ook bij 't sluiten van huwlijken, let men zelfs niet meer op aanzien en stand. Vrouwen van adel huwen mannen uit 't volk, burgervrouwen met edellieden. En zoo krijgen wij tot kinderen een halfslachtig kroost. En geen is er van zóó lage geboorte, die er tegen op ziet al de kunstmiddeltjes der edelvrouwen aan te wenden. Terwijl 't vrouwen uit 't volk voldoende moest geweest zijn, schuim van jong bier of frisch aftreksel van boombast te gebruiken of andere dingen, die men voor lagen prijs kan koopen, hadden zij karmijn en blanketsel en andere fijne verfstoffen moeten overlaten aan de voornamere dames. Hoe weinig orde is er nu bij diners of wanneer zij zich in 't openbaar vertoonen! Dikwijls gebeurt 't, dat de vrouw van een koopman niet verkiest te wijken voor een vrouw, wier beide ouders van adel zijn. 't Is al lang een eisch van den tijd dat we eens wat vaste regels hieromtrent vaststellen. En dat zullen wij gemakkelijk onder elkander kunnen doen, omdat ze alleen de vrouwelijke sekse aangaan. Maar, we hebben ook een appeltje te schillen met de mannen, die ons van alle eerbetoon buitensluiten, en ons alleen maar voor waschvrouw en kookster houden, terwijl zij alles naar hun eigen goedvinden inrichten. Wij zullen hun dus graag hunne ambten overlaten en de zorg voor de militaire zaken. Maar wie zou het kunnen dulden dat op 't schild het wapen van de vrouw altijd aan den linkerkant staat, ook al overtreft zij 's mans adel met drie maal zooveel kwartieren als de zijnen? Verder is 't toch ook niet meer dan billijk dat de moeder een woordje heeft mee te spreken in 't geven van een positie aan de kinderen? En misschien zullen we ook dit nog eens gedaan krijgen, dat wij op ónze beurt ook de openbare ambten bekleeden: ten minste die ambten welke binnen de muren en zonder wapens te dragen, kunnen worden bekleed.

Dames, dat is in hoofdzaak wat me de moeite waard schijnt om er over te beraadslagen. Laat ieder hierover eens bij zich zelve nadenken opdat er raadsbesluiten over elk punt kunnen genomen worden, en als aan iemand uwer soms nog iets in de gedachte komt, laat ze er dan morgen mee in de vergadering voor den dag komen. We zullen immers iederen dag bijeenkomen totdat wij de zitting ten einde hebben gebracht. Er moeten vier secretaressen worden aangesteld om al wat er gesproken wordt op te teekenen. Bovendien twee voorzitsters om 't woord te geven of te ontnemen.

Zoo hoop ik dan dat deze bijeenkomst moge welslagen onder begunstiging van Godes genadige bescherming.

[1]Salomo. Spreuken 12.

[1]Salomo. Spreuken 12.

[2]Corinth. XIV. 34. Taceat mulier in ecclesia.

[2]Corinth. XIV. 34. Taceat mulier in ecclesia.

Door Erasmus werden demisbruikenin de kerk aangetast. Niet de kerk zelve in haar geloof, doch de kwade praktijken (maar al te veelvuldig in zwang) moesten zijn geeselstriemen voelen. En Erasmus stond in zijn ergernis over de verfoeielijke misbruiken niet alleen. Vele weldenkenden waren het met onzen Rotterdammer eens, dat de door hem gehekelde vergrijpen tegen 't gezond verstand en den reinen godsdienstzin ten volle verdienden belachelijk gemaakt te worden."In de Bedevaart" (zoo zegt Erasmus in 't Nut der Samenspraken) "vaar ik uit tegen diegenen, die stormenderhand de beelden uit de kerken hebben geworpen; verder tegen hen, die dol gesteld zijn op reizen, onder voorwendsel van godsdienstzin ondernomen en waaruit thans geheele broederschappen ontstaan zijn. Die naar Jeruzalem geweest zijn, heeten Gulden Ridders. Zij noemen elkander broeders en vieren op Palmzondag in allen ernst een belachelijk feest, daar ze dan een houten ezel aan een touw voorttrekken, terwijl er tusschen hen en den ezel niet veel onderscheid is. Dit is ook nagevolgd door de bedevaartgangers, die naar St. Jacob van Compostella in Gallicië geweest zijn. Men gunne hun die liefhebberijen, maar men dulde niet dat zij zich die als daden van godsvrucht toerekenen. Ook hen teeken ik met zwarte kool, die relieken van onzekeren oorsprong voor echte en heilige overblijfselen verkoopen of er meer kracht aan toekennen dan billijk is, en ik haal hen over den hekel die uit zulke relieken een bron van vuige winst maken."

Door Erasmus werden demisbruikenin de kerk aangetast. Niet de kerk zelve in haar geloof, doch de kwade praktijken (maar al te veelvuldig in zwang) moesten zijn geeselstriemen voelen. En Erasmus stond in zijn ergernis over de verfoeielijke misbruiken niet alleen. Vele weldenkenden waren het met onzen Rotterdammer eens, dat de door hem gehekelde vergrijpen tegen 't gezond verstand en den reinen godsdienstzin ten volle verdienden belachelijk gemaakt te worden.

"In de Bedevaart" (zoo zegt Erasmus in 't Nut der Samenspraken) "vaar ik uit tegen diegenen, die stormenderhand de beelden uit de kerken hebben geworpen; verder tegen hen, die dol gesteld zijn op reizen, onder voorwendsel van godsdienstzin ondernomen en waaruit thans geheele broederschappen ontstaan zijn. Die naar Jeruzalem geweest zijn, heeten Gulden Ridders. Zij noemen elkander broeders en vieren op Palmzondag in allen ernst een belachelijk feest, daar ze dan een houten ezel aan een touw voorttrekken, terwijl er tusschen hen en den ezel niet veel onderscheid is. Dit is ook nagevolgd door de bedevaartgangers, die naar St. Jacob van Compostella in Gallicië geweest zijn. Men gunne hun die liefhebberijen, maar men dulde niet dat zij zich die als daden van godsvrucht toerekenen. Ook hen teeken ik met zwarte kool, die relieken van onzekeren oorsprong voor echte en heilige overblijfselen verkoopen of er meer kracht aan toekennen dan billijk is, en ik haal hen over den hekel die uit zulke relieken een bron van vuige winst maken."

MENEDEMUS: Wat is dàt voor vreemds? Zie ik daar niet mijn buurman Ogygius, die al zes maanden lang voor iedereen onzichtbaar was? Men vertelde dat hij dood was. Ja waarachtig, hij is 't in eigen persoon of ik lijd aan hallucinaties. 'k Zal naar hem toegaan en hem aanspreken. Goeden dag, Ogygius.—OGYGIUS: 't Zelfde, Menedemus.—MENEDEMUS: Uit welke streek ben je nu heelhuids teruggekeerd? Want de droeve mare had zich hier verbreid dat je naar de onderwereld verzeild geraakt waart.—OGYGIUS: Neen, God zij dank! in dien tusschentijd was ik zóó gezond als ik vroeger zelden of nooit geweest ben.—MENEDEMUS: Nu ik hoop dat je steeds dergelijke praatjes op dezelfde manier kunt weerleggen. Maar wat zie je er vreemd versierd uit? Bekranst ben je met aaneengeregen schelpjes, aan alle kanten zit je vol met tinnen en looden beeldjes en je bent omhangen met halsketens van gevlochten stroo en aan je pols bungelt een rozenkrans, net een sliert slangeneieren.—OGYGIUS: Ik ben bij Sint Jacob van Compostella geweest. Toen ik van daar was teruggekeerd, ging ik naar de Heilige Maagd aan zee, die zoo in eere is bij de Engelschen. Of liever: ik heb haar weer opnieuw bezocht, want voor drie jaren was ik er ook al geweest.—MENEDEMUS: Zeker terwille van je zieleheil?—OGYGIUS: Neen, met godsdienstige oogmerken.—MENEDEMUS: Dan heeft zeker de Grieksche litteratuur die godsdienstige ideeën bij je gewekt?—OGYGIUS: Neen, mijn schoonmoeder had een gelofte gedaan dat als haar dochter een zoon ter wereld bracht, ik in eigen persoon aan Sint Jacob van Compostella onzen dank zou gaan betuigen, een bewijs van onze dankbaarheid zou gaan geven.—MENEDEMUS: En toen ben je den Heilige gaan begroeten alleen maar uit je eigen naam en dien van je schoonmoeder?—OGYGIUS: Neen, uit naam van onze gansche familie.—MENEDEMUS: Nu, ik denk dat je familie even welvarend zou geweest zijn als je den Heiligen Jacob van Compostellanietwas gaan begroeten. Maar zeg eens op, wat antwoordde hij toen je hem kwaamt danken?—OGYGIUS: Niets. Alleen verbeeldde ik me dat hij me toelachte en eventjes met 't hoofd knikte, toen ik hem mijn gave bracht en tegelijk liet hij me dit snoer van schelpen overreiken.—MENEDEMUS: Waarom geeft hij je dat bij voorkeur?—OGYGIUS: Wel, daarvan heeft hij een grooten voorraad, omdat de zee in de buurt hem die aan de hand doet.—MENEDEMUS: Wat een vriendelijke Heilige, die kraamvrouwen bijstaat en voor zijn bezoekers ook nog wat over heeft! Maar wat is dat voor een vreemde manier van geloften doen, dat men zelf rustig thuis blijft en door een ander de moeite laat doen, zooals uw schoonmoeder deed? Alsjijnu een gelofte gedaan hadt, datik(als 't een of ander wat je ondernomen hadt, gelukkig zou uitkomen) tweemaal in een week zou vasten, denk je dan datikzou doen watjijbeloofd hadt?—OGYGIUS: Neen, ik denk van niet, zelfs al had-je uit je eigen naam die gelofte gedaan. Want jij maakt er een spelletje van om de Heiligen te bedotten. Maar inmijngeval was 't mijn schoonmoeder; ik moest haar zin wel doen. Je weet hoe 't met vrouwen gesteld is als ze zich eens iets in het hoofd gehaald hebben. En bovendien—'t gingmijtoch óók aan.—MENEDEMUS: Wat voor gevaar liep je, wanneer je nu de gelofte eens niet hadt vervuld?—OGYGIUS: 't Is waar, de Heilige kon me niet voor 't gerecht dagen, maar hij zou in 't vervolg doof kunnen zijn voor mijn gebeden of stil een ongeluk over mijn familie kunnen brengen. Je weet: hoe 't met groote heeren gaat!—MENEDEMUS: Zeg me eens, hoe gaat 't met de zaken daar bij dien goeden Jacob?—OGYGIUS: Vrij wat minder florissant dan vroeger.—MENEDEMUS: Hoe dat zoo? Wordt hij oud?—OGYGIUS: Och, jij grappenmaker. Je weet wel dat Heiligen niet oud worden. Maar die nieuwe leer, die zich zoo over de wereld, verspreidt, maakt dat men hem niet meer zoo druk komt begroeten als vroeger wel de gewoonte was. En áls de menschen nog komen, dan komen ze alleen maar met een begroeting. Geschenken brengen ze niet mee, of 't zijn heel geringe, omdat ze beweren dat men het geld beter kan besteden voor de armen.—MENEDEMUS: Wat een goddelooze leer!—OGYGIUS: En zoo staat daar nu die machtige Apostel die altijd placht te blinken en schitteren van edelsteenen en goud, als een houten pop, ternauwernood met een enkel vetkaarsje.—MENEDEMUS: Nu, wanneer 't waar is wat ik hoor vertellen, dan loopen ook de andere Heiligen groot gevaar dat hun 't zelfde gebeurt.—OGYGIUS: Er is zelfs een brief in omloop die eigenhandig daarover door de Heilige Maagd Maria geschreven is.—MENEDEMUS: Welke Maria?—OGYGIUS: Maria bijgenaamd "Van Steen."—MENEDEMUS: Je bedoelt Maria uit 't land bij Bazel?—OGYGIUS: Juist, die.—MENEDEMUS: Je spreekt me daar dus van een steenen Heilige. Maar aan wien heeft ze geschreven?—OGYGIUS: De naam staat in den brief zelf.—MENEDEMUS: Door wien is de brief bezorgd?—OGYGIUS: Zeker door een engel, die den brief had neergelegd op den preekstoel van den prediker aan wien de brief geadresseerd is. En opdat je niet 't minste bedrog zoudt kunnen vermoeden, zul-je den eigenhandig geschreven brief zelf zien.—MENEDEMUS: Kent ge dan de hand van den engel die particulier secretaris van de Heilige Maagd is?—OGYGIUS: Zeer zeker.—MENEDEMUS: En op welken grond wel?—OGYGIUS: 'k Heb het grafschrift van Beda gelezen, waarvan men zegt dat 't ook door engelen is ingebeiteld. De vorm van de letters in dat grafschrift komen geheel met die van den brief overeen. Ik heb ook het briefje gelezen dat aan den Heiligen Egidius gezonden was. Ook die gelijken precies op de anderen. Is dat alles geen duidelijk bewijs?—MENEDEMUS: Zou ik den brief eens mogen inzien?—OGYGIUS: 't Mag wanneer je er een eed op doet dat je er over zult zwijgen.—MENEDEMUS: 'k Zal zwijgen als een mof.—OGYGIUS: Ja, maar er zijn ook wel moffen, ja zelfs in de geschiedenis zijn zelfs steenen bekend, die op dit punt in kwaden naam staan, omdat ze niets kunnen stilhouden.—MENEDEMUS: Beschouw me dan maar als een stomme, als je een mof zoo weinig vertrouwt.—OGYGIUS: Nu, op die voorwaarde wil ik je den brief voorlezen: spits je beide ooren!—MENEDEMUS: Ze zijn gespitst.—"Maria de Moeder van Jezus groet den priester Donkerschat. Dat gij, in navolging van Luther, de menschen tracht te overtuigen dat het overbodig is de Heiligen aan te roepen, daarvoor ben ik u in zeker opzicht grooten dank verschuldigd. Want vroeger werd ik door de onbeschaamde gebeden der menschen tot vervelens toe gekweld. Zij vroegen van mij alleen alles, alsof mijn Zoon nog eeuwig een kind bleef, omdat hij altijd zoo wordt afgebeeld en afgeschilderd op mijn schoot, alsof hij nog van de genade van zijn moeder afhing en niets aan iemand die hem wat vroeg zou kunnen weigeren, natuurlijk uit vrees, dat ik hem dan wederkeerig de borst zou weigeren als hij zou willen zuigen. Somtijds vraagt men mij, die toch een maagd ben, dingen welke een ingetogen jongman ternauwernood van een gemeene koppelaarster zou durven vragen en welke ik niet waag neer te schrijven. Soms komt een koopman die voor handelszaken naar Spanje op reis gaat, mij de kuischheid van zijn bijzit aanbevelen. Dan weer komt een nonnetje, die vluchten wil uit 't klooster en den sluier wil afwerpen mij vragen, of ik haar ongerepten naam wil beschermen dien ze zelve te grabbelen gaat gooien. Een brutaal soldaat die gehuurd is ter slachting, roept uit: "Heilige Maagd geef me een rijken buit." Een dobbelaar roept: "Begunstig mij, Heilige Maagd: gij zult de winst met mij deelen." En wanneer de dobbelsteen dan geen gunstigen uitslag geeft, dan overladen ze mij met scheldwoorden en moet ik allerlei verwenschingen hooren omdat ik geen schurken wil helpen. De lichtekooi, die met haar lichaam den kost wint, roept mij aan en zegt: "Geef mij een ruime verdienste." En als ik iets weiger, dan moet ik dadelijk hooren: "Dan ben je ook geen Moeder der barmhartigheid!" De beden van anderen weer zijn niet zoo zeer slecht dan wel laf. Een ongehuwde juffrouw bidt: "Maria geef me een rijken en mooien bruigom." Een getrouwde vrouw: "Schenk mij mooie kinderen." Een zwangere vrouw: "Maak mij mijn bevalling licht." Een oude vrouw: "Maak dat ik lang mag leven zonder hoest en zonder dorst." Een oude malle gek: "Geef dat ik weer jong mag worden." Een wijsgeer roept uit: "Maak dat ik onontwarbare wetenschappelijke knoopen kan leggen." Een priester vraagt: "Geef mij een mooie priesterplaats." Een Bisschop vraagt: "Bescherm mijn Kerk." De zeeman: "Verleen mij een veilige vaart." Een gouverneur zegt: "Laat mij uw Zoon zien vóór ik sterf." Een hoveling: "Doe mij in mijn stervensuur eerlijk en naar waarheid mijn zonden biechten." Een boer bidt: "Geef mij regen op tijd." Een boerin: "Bewaar ons klein en groot vee in gezondheid."—Weiger ik iets, dan heet ik dadelijk onbarmhartig. Zoo ik hen naar mijn Zoon verwijs, dan moet ik hooren: "Hijwil alles watgijwilt." Moetikin mijn eentje, die maar een vrouw en nog al een maagd ben, hulp verleenen aan varenslieden, krijgers, handelaars, spelers, trouwende paren, zwangere vrouwen, gouverneurs, vorsten en boeren? Maar alles wat ik daar gezegd heb, is nog maar een klein deel van 't geen ik te doorstaan heb. Van dat alles heb ik tegenwoordig veel minder last dan vroeger, en daarom zou ik u van harte dank zeggen, ware het niet dat dit voordeel een veel grooter nadeel met zich meesleepte. Ik heb nu wel veel meer vrijen tijd, maar minder eerbewijzen en minder inkomsten. Vroeger werd ik begroet als "Hemelskoningin," "Meesteres der Wereld," nu hoor ik ternauwernood uit den mond van enkelen een "Ave Maria." Vroeger behing men mij met kostbare steenen en goud, kreeg ik fraaie kleedingstukken in overvloed, werden mij giften in goud en edelsteenen gebracht, tegenwoordig krijg ik ternauwernood een klein manteltje en dat nog wel een waaraan de muizen geknabbeld hebben. De jaarlijksche inkomsten zijn zóó gering geworden, dat ik er ternauwernood een armzaligen kerkdienaar van kan onderhouden om een lampje of een vetkaars voor mij aan te steken. En dat alles zou nog te dragen zijn, wanneer men niet vertelde dat gij nog grooter plannen koestert. Men zegt dat gij 't daarop aanstuurt: alle Heiligen uit de kerken te jagen. Bedenk echter wèl wat gij gaat doen. Den anderen Heiligen ontbreekt 't niet aan de macht om zich te wreken over 't onrecht hun aangedaan. Wanneer ge Petrus uit de kerk werpt, dan kan hij voor u op zijn beurt de deur van den hemel sluiten. Paulus heeft zijn zwaard. Bartholomeus is met een mes gewapend. Wilhelmus heeft onder zijn monnikspij een volledig harnas en draagt daarbij een flinke lans. En wat wilt ge tegen den Heiligen Joris uitrichten, die te paard zit en geheel geharnast is, schrikwekkend door speer en zwaard? Antonius is ook niet ongewapend: hij heeft zijn heilig vuur. En ook de overigen hebben hun wapens of hun kwalen, die ze toezenden aan wien ze willen. Maar mij, ongewapend als ik ben, zul je er niet uitwerpen of 't moest wezen tegelijk met mijn Zoon, dien ik op mijn arm draag. Van hem laat ik me niet scheiden. Ge moet hem met mij uitstooten, of ge moet ons beiden met rust laten, of ge moest soms liever een kerk hebben zonder Christus. Dat wilde ik u even doen weten. Bedenk wat ge mij meent te moeten antwoorden. Want de zaak ligt mij na aan 't harte.—Geschreven uit onze Kerk van Steen den 1en Augustus van het jaar van 't lijden mijns Zoons 1524. Door mij, maagd van Steen eigenhandig onderteekend."—MENEDEMUS: Wel, die brief klinkt dreigend en schrikaanjagend. Pastoor Donkerschat zal dunkt me wel oppassen.—OGYGIUS: Als hij ten minste verstandig is.—MENEDEMUS: Waarom heeft die goede Sint Jacob hem óók niet over dezelfde aangelegenheid geschreven?—OGYGIUS: Dat weet ik niet; misschien omdat hij wat ver af woont en tegenwoordig alle brieven onderschept worden.—MENEDEMUS: Welke goede hoogere Macht heeft je naar Engeland gebracht?—OGYGIUS: Een bijzonder gunstige wind lokte mij er heen en ik had ook zoowat half beloofd aan de Heilige Moedermaagd aan de Zee dat ik haar na twee jaren wéér zou komen bezoeken.—MENEDEMUS: Wat was je van plan haar te vragen?—OGYGIUS: Och, niets bijzonders. Alleen maar die gewone dingen: dat mijn familie gezond mocht blijven, vermeerdering van mijn vermogen, een lang en gelukkig leven hier op aarde en altijddurende gelukzaligheid in 't toekomende.—MENEDEMUS: Kon de Heilige Moeder Gods bij ons u dat dan niet geven? Zij heeft te Antwerpen een vrij wat mooier kerk dan die in Engeland is, aan de zee.—OGYGIUS: 'k Zal niet zeggen dat ik 't niet kàn, maar de Heilige Maagd schenkt hier dit en daar dàt, hetzij dat 't haar nu eens zoo in den zin komt, hetzij dat ze zich naar onze neigingen en verlangens schikt, welwillend als ze is. Van Sint Jacob van Compostella heb ik dikwijls gehoord: maar vertel me eens iets, als je wilt, van 't rijk van die Heilige Maagd aan de Zee.—OGYGIUS: Goed, ik zal 't zoo beknopt doen als ik kan. Het is een Heilige die in geheel Engeland geëerd wordt en men zal op dat eiland niet licht iemand vinden die hoopt dat 't hem goed zal gaan of hij komt haar jaarlijks met een kleine gave naar gelang van zijn fortuin begiftigen.—MENEDEMUS: Waar huist ze?—OGYGIUS: Aan den uithoek van Engeland, in het Noordwesten, niet ver van de zee, ongeveer drie mijlen. Het is een dorpje dat nauwelijks van iets anders bestaat dan van de talrijke pelgrims. Er is een college van Kanunniken, die den latijnschen bijnaam van Regulieren dragen. 't Is een midden-slag geestelijken tusschen monniken en kanunniken die men "wereldlijke" noemt.—MENEDEMUS: Zoo'n soort van amphibieën dus, zooiets als de bevers.—OGYGIUS: Ja, en ook de krokodillen. Maar, alle gekheid ter zijde. In drie woorden kan ik zeggen wat ge wilt weten. Kanunniken zijn gehaat, monniken staan in de gunst.—MENEDEMUS: Je spreekt nòg in orakeltaal.—OGYGIUS: Laat ik er dan een wiskundige verklaring bijvoegen. Als de Paus te Rome eens alle monniken met zijn banbliksem trof, dan zouden dezen hier zich als Kanunniken beschouwen en niet als monniken. En als diezelfde Paus alle monniken toestond een vrouw te nemen, dan zouden ze verklaren monniken te zijn.—MENEDEMUS: 'k Wou dat ze bij die gelegenheid mijn vrouw meenamen!—OGYGIUS: Maar, om op ons onderwerp terug te komen: dit college heeft eigenlijk geen andere inkomsten dan die welke de goedgunstige beschikking van de Heilige Maagd hun toestaat. De grootere kerkgeschenken worden bewaard. Maar wat er aan geld binnenkomt of aan zaken van minder waarde, dat wordt gestort in de kas om er de Orde en haar hoofd van te onderhouden. Deze heet bij hen Prior.—MENEDEMUS: Zijn 't menschen van goeden levenswandel?—OGYGIUS: Daar hoort men niet over praten. Ze zijn rijker in vroomheid dan in jaarlijksche inkomsten. Het is een aardige en smaakvolle kerk. Maar de Heilige Maagd woont daarin niet, eershalve heeft ze die aan haar Zoon afgestaan. De Heilige Maagd heeft haar eigen kerk, om rechts van haar Zoon te verblijven.—MENEDEMUS: Rechts? Waar ziet haar Zoon dan heen?—OGYGIUS: Goed opgemerkt! Als hij naar 't westen ziet, dan heeft hij zijn moeder rechts; wendt hij zich naar 't oosten, dan bevindt zij zich links. Maar zij woont daar niet. Haar kerk is nog niet gereed: de wind kan er nog overal doorheen spelen omdat deuren en vensters nog openstaan: en de zee waarop alle winden ontstaan, ligt vlak bij.—MENEDEMUS: Dat is hard. Waar woont ze dan?—OGYGIUS: Wel in de kerk, waarvan ik vertelde dat ze nog niet af is, bevindt zich een kapelletje, van planken in elkaar gezet, waarin aan weerskanten door een nauw deurtje de bezoekers worden toegelaten. Er is slechts weinig licht en alleen maar van waskaarsen en het riekt er heerlijk.—MENEDEMUS: Dat behoort alles zoowat bij de uitoefening van den godsdienst.—OGYGIUS: Ja, wanneer je naar binnen ziet, Menedemus, dan zou je zeggen: dat is een verblijfplaats voor Heiligen, zoo schittert alles van edelsteenen, goud en zilver.—MENEDEMUS: Je doet me van verlangen branden om er ook eens heen te gaan.—OGYGIUS: Nu, je zult geen berouw hebben van de genomen moeite.—MENEDEMUS: Is daar ook niet de een of andere heilige olie te krijgen?—OGYGIUS: Dommerik! Die wordt immers alleen maar door de graven van enkele Heiligen uitgezweet, bijv. van Andreas en Catharina. Maria is immers niet begraven.—MENEDEMUS: Je hebt gelijk, ik vergiste me. Maar maak je verhaal af.—OGYGIUS: Om de vereering meer en meer te bevorderen wordt op de eene plaats dit, op de andere dat getoond.—MENEDEMUS: En misschien ook wel om de goedgeefschheid te bevorderen, volgens 't zeggen van den latijnschen dichter Ovidius:

"Veel handen geven rijken buit,Strekt veler hand zich beedlend uit."


Back to IndexNext