randranddecoratieve illustratieHOOFDSTUK V.Een jubelende Stad.(Van 26 Mei–2 Juni 1910.)„Wat duurt een jaar toch vreeselijk lang!” zoo klaagt Dora op Kerstdag 1909. „Verleden Kerstfeest mocht ik niet naar de kerk om mijn verkoudheid en van 't jaar mag ik nog niet op Oudejaarsavond opblijven, omdat ikpas7 werd!”„Je hebt 't hard, zusje! Met ons is 't net zoo gegaan; behalve dat wij niet naar zooveel pleziertjes mee mochten als jij; want toen was Guus een jongen en Jet bezat nog geen Sjoerd om te vragen voor haar en ook voor de kleintjes; wees maar getroost, als je 10 wordt ga je mee naar de avondkerk en blijft tot over 12 uur op!”Veel uitwerking oefende deze troostrede niet; de afleiding door Jans verhalen over alles en nog wat hielp veel beter. Lize, ruim 4 jaar ouder, tamelijk ontwikkeld, heel flink voor haar leeftijd, kon niet meer zoo in alles met Dora meedoen; daardoor voelde de kleine meid zich soms eenzaam; al bleef ze ieders speelpop en liefling; terwijl Mama wel zorgde, dat ze niet bedorven werd.Eén onderwerp vooral kwelde, met steeds wederkeerend en vermeerderend ongeduld haar kleine hersens, n.l. 't verlangen omons Prinsesje in Amsterdamte hebben. Als Dora daarover begon, kwam er niet spoedig een eind aan. In Den Haag had zeHet Liefjezien voorbijrijden, toen ze gedoopt zou worden; maar die Hagenaars zagen Juliana, (ze zei meestal familiaar Juliaantje) meest alle dagen! En op Apeldoorn ging het ook al zoo. Nu eens het Prinsesje met freule van der Poll en haar kinderjuffrouw en dan eens, veel mooier: Juliana op den schoot der Koningin in 't rijtuig.'t Heugde Dora als gisteren: dat op een zonnigen dag even voor 12 uur H. M. met HaarDochtertje de Koningsschool3)te Apeldoorn voorbijreed; daar stormde de jeugd juist naar buiten. „Hoera! Prinses Juliana!” en roepend omstuwden ze het hofrijtuig, tot groot vermaak der kleine Prinses. Luid kraaide Zij en schudde, uit eigen beweging, zoo hard Zij maar kon Haar rammelaar!—„Hè! zoo iets moois moest ik eens beleven, zooheel gewoontjesde Koningin en het Prinsesje vlak bij te zien;” riep Dora uit toen Gustaaf, de wandelende courant, haar dit berichtje vertelde; en haar verlangen naar de komst in Amsterdam, vanons Prinsesje, het snoezige Juliaantje, nam gestadig toe, al zou het dan niets gewoontjes wezen.Daar vertelt Papa op zekeren dag aan tafel:„'t Is beslist, de Koningin, de Prins en de Prinses komen 26 Mei in Amsterdam.”—Spijt alle goede manieren, gooide Dora vork en mes neer en danste uitgelaten van blijdschap de kamer rond. Papa's lachlust redde haar van straf.„Dat belooft wat als we zoo ver zijn,” merkte Mademoiselle met een zucht op; doch Mevrouwstelde haar gerust. „Dora is eerst uitgelaten in het vooruitzicht van eenig lang gewenscht genot, Mademoiselle; maar dan gaat ze er over denken, zich alles en nog wat daarvan voorstellen; en feitelijk geniet ze dan vooruit, onderwijl en naderhand; maar meer in stilte; zoo is ze altijd geweest, het lieve kind.”In alle kringen loopen weldra de gesprekken over niemand anders dan H. M. en Prinses Juliana. Hoe Haar te ontvangen, wat men zal doen, wie mee zal werken, waar alle vreugdebetoon zal plaats vinden? Wel ging het niet toe als in Almen ten tijde van den Hoofdigen Boer, waar men het 3 maal 30 dagen had over: palen, balken en planken en weer 3 maal 30 dagen lang over: balken, planken en palen; maar toch men leest geen dag- of weekblad, men hoort van geen vergadering of men denkt aan de komende feestweek; en als Mei in het land komt ziet men al hier en daar allerlei toebereidselen maken.In den Gemeenteraad krijgt een mooi plan zijn beslag, en het middelpunt van alle feestelijkheden De Dam vaart daar wel bij. Drie dagen vóór H. M. komt, heeft Mademoiselle reeds beloofdde dagelijksche wandelingen in ontdekkingstochtjes te herscheppen; en, door mijnheer gerustgesteld omtrent haar eigen veiligheid en die harer leerlingen, zou men allerlei buurten doorkruisen.„Maandag, 23 Mei,slag bij Heiligerlee,” zegt Lize met een blijden lach „en wij, Oranje ter eere! naar.... ja, waarheen? Wat is klaar, Gustaaf?”—„De Dam pas Donderdagochtend, in de Kalverstraat is men nog druk aan 't werk. Gaat naar de nieuwe wijken, daar is veel gereed. Mademoiselle, begint u maar met de brug aan de Ferdinand Bolstraat, dan langs de Stadhouderskade naar het Rijksmuseum, 't hoofdkantoor van de tram, over Leidsche- en Koningsplein naar de Doelenstraat, zoo naar de Jodenbuurt, door de Hoogstraten naar de Warmoesstraat en over de Nieuwe Brug langs 't Damrak naar het Rokin en dan naar „de Bocht” en naar huis; dat is een tocht voor van daag; u moet tusschenbeide een eindje trammen doch 't is warm genoegmetde meisjesbuiten op. Veel genoegen kleintjes!” sprak zeer beschermend de oudste broeder.De aangegeven weg door Lize vlugjes opgeteekend geeft groote voldoening aan de wandelaarsters.De brug over de Stadhouderskade gaf zoo iets geheel anders te zien dan naar gewoonte. Ida teekende die in haar zakboekje aan onder 't opschrift: „de illuminatie.”„Die 5 eerepoorten tusschen het Rijksmuseum en de IJsclub, wat zijn die mooi en overal reuzen van J's; de 3 Amsterdamsche kruisen met franjes; en die zuilen zoo mooi wit geschilderd; en al die deviezen, 't is eenig fraai,”roept Lize telkens uit.„Zal de Koningin ze lezen, eerst: „Dieu aide Orange!” en dan die 9 andere?” vraagt Dora.„'t Rijtuig zou dan stil moeten houden, en daarvoor heeft H. M. geen tijd,” zegt Mademoiselle.„Is 't niet jammer, als alles zoo gauw voorbijgereden wordt en de Koningin onderwijl nog zoo onophoudelijk buigen en groeten moet, Mademoiselle?”„Dora, men zal de Koningin wel van alles verteld hebben of afbeeldingen er van geven; maar als jelui hier zoo blijft studeeren, komen we niet verder; vraagt de Hollandsche juffrouw er maar naar; die kent die spreuken op haar duimpje.”„Ida, schrijf je dit op, om bij de illuminatie te gaan zien?”„Neen, die Latijnsche spreuk: „Saevis tranquillus in undis”, schrijf ik op. Ze komt me bekend voor. Is ze van Maurits of Prins Willem, Lize?”„Saevisissauvé;tranquillusistranquille;undisisondes; dat zou wel kunnen wezen. „Gered, veilig in de baren;” maar mee, gauw, Mademoiselle is vooruit, pas op, maak haar niet boos.”Kijk, voor het kantoor der trams net een brug; een tram zoo groot als een echte er midden op, niets ontbreekt aan het vernuftige latwerk, wit en oranje van kleur, met groen en vlaggen gesierd. De meisjes blijven staan om te bewonderen; Dora begint de electrische knoppen te tellen, die den avond in dag zullen veranderen. Een heer ziet het opgetogen, aardige drietal en vertelt ze, dat het personeel van de bureaux alles zelf bedacht heeft, dat die doorvaart 12 M. wijd is, de lantaarns op de brug 5 M. hoog zijn en 's avonds, alles schitterend geïllumineerd, door H. M., door den Prins en Koningin Emma bewonderd zal worden, maar niet door ons Prinsesje, die moet in Haar wiegje.„Naar de Leidsche straat, Mademoiselle!” zegt Lize en weldra valt het „Welkom Prinses Juliana”allen in het oog; de wapendragers aan de huizen met de verdere gevelversiering van sparregroen en de vlaggen er tusschen in, staan allerliefst. Daar is de Heerengracht met de vierkante kronen aan kabels opgehangen;„jammer dat die niet Oranje, rood, wit of blauw zijn geverfd, vindt je ook niet, Ida? Zou men touw kunnen verven, Mademoiselle?”„Ik weet het niet, maar als die vierkante daken leeg blijven hangen, zal 't raar staan.”„Er komen oranjekleurige lampions als omgekeerde kronen in te hangen,” verzekert Gustaaf; „het zal 's avonds mooier wezen dan over dag,” beslist Lize.'t Hotell' Europevindt beter genade in de oogen der wandelaarsters, die verklaarden geen vermoeienis te voelen. En 't eilandje in de Kloveniersburgwal, waarvan een oud heer, die juist zijn woning verlaat om naar de beurs te gaan haar vertelt, dit aardige stukje gronds is 12 bij 21 M. en het lichtstuk in het midden, tot 12 Meter hoog, zal zelfs op 't Rembrandtplein gezien worden.Door Hoog- en Damstraat wordt weldra de Vijgendam bereikt; daar vertoont een geschilderdbaldakijn H. M. in 1890 en in 1898 met Koningin Emma tusschen beide beeltenissen in, terwijl de achterkant de opening van het Merwede-kanaal voorstelt. Alle andere baldakijns spreken ons van de Nederlandsche koningen en enkele hunner daden. Koning Willem III in de Bommelerwaard, en H. M. met Z. K. H. in Zeeland, beide bij de overstroomingen, de eerste in 't bootje en dezen uit de auto stappende, zijn treffend afgemaald! Waterloo's slag, naar Pienemans stuk, vertoont de achterzijde van Willem II en Anna Paulowna, en de Scheveningsche bom, die den Oranjevorst in 1813 terugvoert, brengt ons aan het uiteinde der Warmoesstraat, langs welker gevels kleine onderling verbonden schilden de namen te lezen geven veler steden en dorpen, terwijl hun eigenaardige nijverheid door de benoodigde werktuigen wordt voorgesteld.Toen van het Centraal-Station naar huis.Den volgenden dag krijgt de Hooge Sluis een, beurt van de meisjes, van nabij een boot vol bloemen gelijk, zien ze van de Magere brug, dat zij een groote kabelbrug voorstelt, die bij de illuminatie een betooverenden aanblik zal bieden.Straten en grachten van Haarlemmerpoort en van Lennepkwartier, van Plantage en Muiderpoort werden bezocht; en altijd weer nieuwe verbazing over zooveel verscheidenheid en vindingrijkheid in boog en guirlande, kroon en ornament, ten toon gespreid.Hoe eenig schoon van Spui tot Heiligen weg die luchtige, groote, vergulde kronen, die in een priëel van groene slingers opgehangen, zelven boven sierlijke gulden bloemenmanden zweven. „Als de electrische gloeilichten daar 's avonds bij ontstoken worden, zal dat eind Kalverstraat een tooverpaleis gelijken,” meent Mademoiselle.„Eindelijk! Daar is de Dam, als we die eerepoort door zijn.”—„'t Is geen eerepoort, Lize; kijk maar 't is een deel van de Damversiering.”„Ik zie den Dam niet meer, wel het Paleis en Naatje maar anders is de Dam weg!” riep Dora mistroostig uit.'t Duurde, een poos eer de 3 meisjes door Mademoiselle onderricht, wier geoefend oog ras de schoone idee dezer ongemeene versiering opmerkte, zich een heldere voorstelling konden vormen van de omtoovering, die had plaats gegrepen.Toen zij later de Julianabron met haar watervallen en opspuitende fonteinen in gekleurd licht zagen baden, het glanspunt vormende van den schitterend verlichten Dam, begrepen zij pas iets van wat Mademoiselle dikwijls over de schoonheid vanLa fête de NuitteVersaillesverhaald had.„Is die groote tribune voor de hofhouding, Mademoiselle?”„Neen, meisje, zeker voor genoodigden, gemeenteraadsleden en andere heeren met hun dames,” denk ik.„Ja, Mademoiselle, Papa krijgt 2 toegangskaarten; hoe mooi zal men daar de Koningin op het balcon kunnen zien, en de optochthulde, en de aubade kunnen hooren. Ik wou, dat Papa er 10 had, dan zaten we er allemaal,” wenschte Lize.25 Mei! Gelukkig! dacht dejonge jeugd, om met de Transvalers te spreken, gelukkig! nog maar één nacht! dan zien we Juliana!„Wat, ga jij nu de stad uit, Greta, ik herken je niet! De Koningin hier, en jij weg?” zoo uitteMaria Gladschaaf haar verbazing in den vroegen morgen van dien 25n van Bloeimaand.„Weet je de schikkingen niet? Ferdinand gaat met jou en Coosje (zijn knechts krijgen vrije middagen met behoud van loon) naar den intocht van de Koningin, den Prins met ons Prinsesje kijken; Fer kan niet op 3 vrouwlui passen, naar hij zegt; Tante heeftmijmorgen in Haarlem genood. Om nu zeker te weten, dat de trein mij meeneemt, ga ik om negen uur naar de Bloemenstad. Jij bent zeker van Fers bescherming en een goede plaats op morgen.”Maria jubelde en gunde, (trouwens die goede gewoonte was bij de Gladschaafs inheemsch,) haar zuster dit extraatje.Daar stonden ze dicht opeen gepakt, de Amsterdammers. Sommigen al om 7 uur op het Stationsplein gekomen om een uitgezochte plaats te veroveren en die tot 5½ uur als het Prinsesje kwam te bezetten! Geen veldheer verdedigde een pas veroverde vesting met meer trouw, met meer liefde dan zij die 2 voet gronds!Gustaaf kortte den tijd van wachten voor Jan en Louis (hij liet zijn mede-studenten alleen omzijn broers te helpen, hij is toch een beste? je ware!) door hun de pas bekende aankomst van Z. K. H. te verhalen.„De Prins stoomde na de begrafenis van koning Eduard VII naar Edinburg. Hij houdt veel van de zee, daar is de Prins een Mecklenburger voor.”„Ga maar voort, Guus, 'k weet nog alles van Hem en de Berlin,” vermaande Louis.„Van nacht om 12 uur kwam „de Heemskerck” aan de sluis te IJmuiden; een heer van het Handelsblad mocht aan boord komen en met een ander de reis meemaken. De Prins op de brug naast den gezagvoerder riep door de duisternis: „Goeden avond heeren,” ze waren alleen zichtbaar door het licht der seinlantaarns, want 't was knap donker. Om half één ging de Prins naar kooi. Om 3 uur lag Hr. Ms. „Heemskerck”, de Prinsenvlag in top (tegenwoordig zonder gekijf zou de Hollandsche juffrouw zeggen) voor den ingang van het Oosterdok. Ongeveer half 10 verkondden de vuurmonden van de Heemskerck al bulderende, dat de Prins in de admiraalsloep, nù met de Prinsenvlag gesierd, naar het Centraal Station voortschoot, en de Prins als vice-admiraalgekleed stapt onder luid gejuich aan wal en wordt door burgemeester Roëll welkom geheeten.Vergezeld van den burgemeester in ambtsgewaad, kwam Z. K. H. in de koninklijke wachtkamer.Opgelet jongens, als de Koningin aan de grens van Amsterdam komt, wordt er een koninklijk saluut op de „Heemskerck” gelost, meteen zal de grootste klok van den Wester geluid worden en ook de Beursklok; en de klokken op het paleis spelen: „Dankt, dankt nu allen God.””„Guus, Vincent speelt niet, maar slaat op zijn toetsen,” viel Louis hem in de rede.„Slaat, hoe kom je daaraan; 't is net een reusachtige piano, de toetsen zijn niet met ivoor overdekt, maar anders”....„Toen we laatst met Mademoiselle het paleis gezien hebben, zijn we ook op den toren geweest en de torenwachter”....„Mis, Louis! die zijn er niet meer; hij was een beambte ten paleize,” verbeterde Jan, „die”....„Vooruit dan!”„Achteruit gaat hier beter, dan neemt een ander je mooie plaats!” spotte Jan.„'t Doet er niets toe, die ten paleize dan, zei tegen mij, toen ik hem vroeg wat die schermhandschoenen daar moesten doen. „Jongenheer, die zijn van mijnheer Vincent om de klokken te laten spelen, anders zou mijnheer zijn handen stuk slaan, om die groote, zware klokken te doen bewegen,”—dus Gustaaf....”„Hoor, hoor!boem! boem!dat is het kanon! De trein komt dadelijk. Goed kijken, jongens!”De halzen uitgerekt, de oogen turende op den uitgang van het koninklijk paviljoen, dachten Jan, en Louis over niets meer dan hoe hard ze hoera! zouden roepen.We laten ze juichen en zien ondertusschen, hoe H. M. uit het salonrijtuig van Koningin Emma gestapt, (want Prinses Juliana komt in het eigen salonrijtuig Harer Koninklijke Moeder van het Loo,) vroolijk op den Prins-Gemaal toetreedt, een echt hartelijke ontmoeting! In de wachtkamer is te midden der hooge heeren de kleine Willem Roëll, zoontje van Hr. Ms. vroegere hofdame, een door H. M. zelve ten doop gehouden petekind; de kleine man maakt echt kranig een hoflijke buiging voor ons aller Koningin; die weldra, naop het stationsplein van een lief klein meisje een bouquet te hebben aangenomen, onder het spelen van het Wilhelmus, zich in Haar rijtuig neerzet en langs den korten, maar zoo vroolijk gesierden intochtsweg onder de aloude driekleur den Dam bereikt.Op den Dam! O, op den Dam! Daar is het heerlijk!Hoe goed ook gedrild, de paarden der huzaren sidderen, steigeren of brieschen, toen, na al het gejubel onder het oprijden van den stoet, en enkele oogenblikken van stilte, de balcondeuren opengaan en wij weer voor het eerst na 1908onze Koninginop het balcon zien verschijnen! De luide hoera's stijgen op, het koper schalt met zijn doordringende klanken de nationale en de stedelijke blijdschap uit! De Koningin buigt, de Prins slaat aan, de ovatie wordt herhaald en herhaald, en vol welgevallen slaat het Koninklijk Echtpaar de geestdriftig juichende menigte op den versierden Dam eenige minuten lang gade, om na nog een buiging, en nog een groet naar binnen te gaan.Tot vertrekken was Jan noch Louis van hetC. S. te bewegen. „Nu we hier zoo'n beste plaats hebben Guus, blijven we tot de Koningin naar Haarlem gaat; dan hebben we Haar vandaag ten minste tweemaal gezien.”„Wat zal Mama zeggen?”„Hun hoofd is op hol, ze denken om eten noch drinken dezer dagen.” „Dat zul je hooren, en we zijn vóór 12 thuis; ga maar heen we passen wel op ons zelf.” Gustaaf vond het voor Louis wel wat gewaagd in die drukte en bleef bij hem.Terwijl H. M. de hoofdstad der provincie bezoekt, waar men sedert 1897 de Koningin niet had mogen begroeten, trekt door Amsterdam een eigenaardige optocht van versierde expeditievoertuigen.„Anton, vondt je 't mooi, die optocht?” vroeg Greta onder de thee in de keuken.„Mooi, neen, zeker niet, wel aardig. 't Is leuk bedacht en nog leuker gedaan en de muziek op die wagens er bij maakte het vroolijk; en dan, de menschen moesten nu toch van middag wat te zien hebben, terwijl we op het Prinsesje wachtten. Maar je kon er wat van leeren as je om die steenkolenmijndenkt; hè, wat een ellendig leven hebben die mijnwerkers; honderden ellen onder den grond en dan lees je zoo dikwijls van ontploffingen en overstroomingen in zoo'n mijn; 'n mensch moet er niet aan denken, als je de kachel opstookt, brrr!”„Grappig vond ik die meisjes in die groote lijst van spuitwaterflesschen,” zei Anna; „'t is te hopen, dat ze geen dorst kregen, anders was 't om tureluursch te worden.”„O, en dan die waschinrichting-reclame! Eén wagen met waschmanden vol bloemen en een met een wasch op de lijn; die vond ik het dolst,” bracht de keukenprinses in.„Neen, die kippenloopen met al die kakelende kippen en kraaiende hanen, die maakten iedereen aan het lachen,” meende het schellemeisje.„'t Fijnste van alles gaf 'n bloemist; 6 jonge meisjes in het wit in een gazen tent geheel versierd met rose rozen,” sprak Ida, die juist iets kwam vragen.„En als de oudste juffrouw trouwt, laat ze in Friesland tegen de vochtigheid daar, zeker zoo'n huis van luchtbanden bouwen, net als op dienwagen van de autofabriek stond, jongejuffrouw?” vroeg Anton lachende.„Wie weet wat ze doet, maar haal me gauw die groote doos voor bloemen, Mevrouw zegt dat jij ze 't best op zolder vinden kunt, Anton,” en weg was ze om toch niet te veel van het gesprek binnen te missen; 't gesprek over het glanspunt van dien 26n Mei, de intocht van Prinses Juliana!„Zit je goed Coosje? Jij ook Marie?” aldus onderzocht Gladschaaf Jr., toen vrouw en zuster een uitnemend hoekje innamen, van waar ze over een paar uur Prinsesjes blijde inkomst zouden aanschouwen.„Wat een mooi gezicht al die vereenigingen en corporaties met hun banieren langs het Damrak en hier op het Stationsplein; 't lijkt op den intocht van de huldiging, vindt je niet Ferdinand?” vroeg zijn vrouw.„O ja, daar heb je groot gelijk in en 't is zulk mooi weer!”„Wat zag de Koningin er nog jong en lief uit.”„H. M. is nog niet oud, al is het 12 jaar geledenen ze vertellen, dat de Koningin er heel goed uitziet en weer veel jonger dan voor een paar jaar.”„Echte vrouwenpraatjes,” zei de jonge man; „Marie me dunkt het is een historische datum vandaag, help me eens.”„Zeker, 1578, Amsterdam verlaat de Spaansche zijde op 26 Mei; die roemrijke omwenteling zonder bloedvergieten. Toen was het ook vol op den Dam.”„Je hebt gelijk, waar Naatje staat, bevond zich de wolwaag, daar stormden de gewapenden uit naar het Stadhuis, en ze brachten de vroedschap op de schuiten, die in het Damrak lagen bij de Papenbrug hè?”„Juist zoo, Fer; en allen jammerden, want ze meenden men zou hen nu eens verdrinken; maar ze werden alleen netjes aan den Diemerdijk gezet; 'k zei van morgen tegen Vader: Zonder 26 Mei 1578 hadden we heden dezen dag hier niet.”„En wat zei Vader toen, Marie?”„Wie weet kind! Wie weet! En hij voegde er bij:De verlichte Westertoren te Amsterdam.De verlichte Westertoren te Amsterdam.Weg heeft Hij allerwegenEn middelen zonder tal,Zijn doen is louter zegen.Toen keerde hij zich om en ging uit.”Al pratende bemerkte dit drietal, hoe allengs de tijd verliep; en ze in hun hoekje van alles konden waarnemen.„Daar staat de gouden koets voor de koninklijke deur, Fer!”„Ja, in 't Ochtendblad werd verzekerd, dat Prinses Juliana daarin zou binnenrijden.”„Wat is de Koningin toch beleefd en dankbaar; de eerste keer dat het lieve Kind hier binnentrekt, gebruikt H. M. het geschenk der Amsterdammers; evenals toen Prins Hendrik de eerste maal hier was; toen is het Koninklijk Paar in de gouden koets naar den Schouwburg gereden. Het leek wel een sprookje; zoo schilderachtig zaten die twee daarin, ik zie het nog als ik m'n oogen toedoe.”„Niet zoo familiaardie twee; Coosje, Coosje! Maar zeker zal de Koningin het Prinsesje dan op Haar schoot nemen; dat zal ook een sprookje lijken;” zei Marie.„Houd stil! Gauw! hoor de muziek!” riep Gladschaaf thans.„Kijk, kijk de Koningin draagt zelve Haar Kindje, hoe snoezig, hoe moederlijk! Nu de koets in; daar zit ons Prinsesje op Moeders schoot!”Het is een schoon, overweldigend oogenblik van hooge, nationale geestdrift, het is niet te schilderen! Die jubelkreten, dat buigen der vaandels en banieren, die honderdduizenden, dicht opeengepakt, verlangend, reikhalzend om de jongste Oranjespruit te aanschouwen! En stapvoets gaat de sprookjeskoets verder, door zes prachtige, zwarte paarden getrokken, van den bok door den gepruikten koetsier gereden en à la daumont bespannen. De Koningin neemt het handje van Haar Dochtertje en laat het Haar juichenden Amsterdammers toewuiven; 't lijkt wel alsof Prinsesje schik heeft in al dat gejubel.Daar komt de stoet voor het paleis. De Koningin wendt het Prinsesje naar rechts en laat Haar aan de Janmaats der eerewacht het eerste zien. Even stilte, want de Koninklijke Familie heeft de gouden koets verlaten, aller oogen richten zich naar het balcon.Daar gaan de deuren weer open, de Koningin verschijnt, neemt plaats op een zetel en toont de vorstelijke telg zittende op Haar Moeders schoot! Even huilt de kleine, geen wonder! Zoovele stemmen, zoovele kreten, zulk een gejubel zou een grooter kind ontstellen; maar 't is gauw over; Moeders schoot is ook voor een vorstenkind de veiligste schuilplaats.De menschen genieten van dien aanblik en jubelen het blozende, allerliefste gezichtje tegen, dat verwonderde, groote oogen opzet of naar Haar Koninklijke Moeder vertrouwelijk opziet.Niemand werd het jubelen moe en zelfs toen de Koninklijke Familie naar binnen ging klonken de hoera's nog helder en blij op!Wel te rusten Prinses Juliana! We zien elkander weer!De 2 kaarten van Papa worden niet vervijfvoudigd naar Lize's wensch, doch dijen wel genoegzaam uit om de vrouwelijke oogen in staat te stellen H. M. voor de aubade op het balcon te zien komen met Prinses Juliana op Haar arm. Daar kijken de lieve, blauwe oogjes neer op dieduizenden totHaaropgeheven, blijde gezichtjes. De vlaggetjes met hun kransjes, (de firma Simons maakte ze in enkele dagen alle 8000, van duizenden oranjebloempjes, groene blaadjes en een half millioen meter lint) worden gezwaaid, de stemmetjes roepen Hoera! Hoezee! Oranje boven! Leve 't Prinsesje, van alles, weer door Hoera's overstemd!Maar de heer den Hertog heft den dirigeerstok op, na enkele oogenblikken van stilte ruischt het echte, het geliefde volkslied door de lucht; zang en orkest hebben coupletten van het Wilhelmus (nieuwe zetting) geëindigd. Daar schalt het Oranjeliedje, gevolgd door Heye's vlaggelied (getoonzet door Wilhelmus Smits.) Hadden die twee dàt eens beleefd; zóó mooi gezongen; zóó vol gevoel, die verheerlijking van onze dierbare driekleur, en nog wel voor zulke doorluchtige ooren, ter eerevanhet aanvallige, afgebeden Kindje!Reeds wordt het vlaggelied gevolgd door 't aardige versje, zóó gepast voor deze gelegenheid vervaardigd: „Ons Prinsesje.” De kleine zangers en zangeressen leggen er al hun liefde en geestdrift in, en Ons Prinsesje, dat daar boven hentegen de ruiten klopt, kiekeboe speelt of weer naar al die kindertjes kijkt, neemt overal deel in op Haar manier. De dichter Nijk en de componist den Hertog, die twee genoten, in levende lijve, van hun welgeslaagde poëzie en muziek. Wel hebben de zangertjes hun best gedaan, want onberispelijk heffen ze nogmaals het Wilhelmus aan, nu naar de oude zetting en dat.... zonder orkest!De Koningin blijft, zichtbaar ontroerd, even zwijgend toeven; daarna laat H. M. de heeren Prof. Fabius, den Hertog, en Nijk bij zich nooden.„Ja, Mama, die eerste is de professor, de tweede de heer die de maat sloeg, ze gaan met een derde naar binnen; nu moeten we tot van avond wachten eer we hooren wat de Koningin zegt.”„Kijk Ida, Dora, Mademoiselle! daar komt de professor op den hoogen stoel; hij roept wat door een koperen spreekbuis.”('t Was een scheepsroeper!) „De Koningin laat de kinderen zeer hartelijk bedanken, dat ze zóó mooi en zóó treffend hebben gezongen; en de onderwijzers voor de vele zorgen door hen aan het instudeeren besteed. De Koningin heeft de aubade heel mooi gevonden!”Die boodschap wordt met luid gejubel, gewuif en vlaggengezwaai van die 8000 jeugdige Nederlanders ontvangen. Nogmaals hoera! en hoezee! Leve 't Prinsesje; en 4 aan 4 trekken ze de Nieuwe Kerk weer in, even ordelijk als ze er uitgemarcheerd waren.—Alle kinderen ontvingen een portret van het Koninklijk Gezin, opzettelijk vervaardigd voor deze gelegenheid.„Jammer dat wij niet schoolgaan! hè Ida en Lize? Het Prinsesje staat er zoo snoeperig lief op, Juliaantje steekt haar dikke poezelhandje in de blouse der Koningin! Ze is om te stelen, zoo lief! Ga mee naar beneden, het nichtje van Anna heeft meegezongen, zij is in de keuken om het haar tante te laten zien; Anton riep mij daarvoor,” zoo uitte Dora haar bewondering voor de koninklijke gift aan de zingende kinderen!„Ja, het is allerbeelderigst!” betuigden de grooteren,„en de datum staat er onder gedrukt en het is zoo lief op licht bruin karton afgezet; 't is wezenlijk fraai!”Niet alleen H. M. onderhield zich met de 3 heeren, de Prins betuigde zijn verbazing over de buitengewone eenheid in den zang van dit reusachtigkinderkoor. Wel wist Z. K. H. dat de heer den Hertog 8 maal met telkens 1000 kinderen gerepeteerd had, maar zulk een eenheid had Z. K. H. voor deze uitvoering niet mogelijk geacht.H. M. huldigde den heer den Hertog voor de toonzetting en uitvoering van „Ons Prinsesje.” De Koningin sprak van de bekoring, die de tekst van dit liedje op Haar had uitgeoefend; en ook verblijdde H. M. zich, dat Prinses Juliana zich tijdens de uitvoering zoo goed had gehouden.Dit laatste gaf gewis 't grootste genot aan de zingenden, reeds opgetogen door de onderscheiding dat zij de Amsterdamsche schooljeugd vertegenwoordigden en daarbij van ochtend de zoo mooi versierde Dam heel alleen voor hen was.„Al worre me kindere 100 jaar, ze vergete van daag nooit meheer,” zoo sprak een moeder uit het volk, die vóór 8 uur bij den Dam was met de kleintjes, en den vorigen dag, daar op het trottoir, met allen gekampeerd had van 8 tot 5½ uur om alles te zien, slechts nu en dan op den rand gezeten om van het meegebrachte brood en de flesch koude koffie te gebruiken.In de Van Speykzaal sliep ons Prinsesje zekerrustig en goed, al weet Zij in de eerste jaren nog niet wie de meubelen daarvan bestelde; n.l. Z. M. Willem III, en dat, toen de Kon. Tapijtfabriek te Deventer schreef geen tapijt in enkel rood en zwart, voor die zaal passende en dat de fabriek eer aan zou doen, te kunnen leveren, dat toen Z. M. zelf een teekening ontwierp, waarnaar het kleed in de Amsterdamsche kleuren vervaardigd werd en ook Koning Leopold behaagde, toen deze vorst in 1883 door Z. M. ten paleize alhier ontvangen werd. Het vervaarlijk groote ruiterbeeld van Koning Willem II stond toen nog in de groote zaal, waarboven de vlag van Chassé hing, die vlag werd door Leopold II opzettelijk gegroet. Hij zeide: „Hulde aan den dappere!”„Vooruit dan,” zou Louis roepen en hij heeft gelijk. Daar staat het hofrijtuig en Prinses Juliana rijdt met Freule van der Poll en juffrouw Manting uit. Voor het eerst komt de wacht in het geweer voor de Prinses alléén! Wacht maar! Nu draait Zij het hoofdje slechts om naar de mannen in uniform, over een paar jaar, zal Juliana, net als ons Prinsesje Wilhelmientje, de wapens groeten met haar handje. „Ze keek naar ons, zag julliehet wel?” zoo vraagt men elkaar. En onwillekeurig komt de geschiedenis van den schildwacht bij den tuin van het Noord-Einde op het tapijt.Daar in een eenzaam hoekje op post, ziet hij de verpleegster met 't Prinsesje op den arm in den tuin komen; goed soldaat als hij is, presenteert hij het geweer. De zuster ziet er niets van, de kleine Hoogheid nog minder, doch Prins Hendrik, juist voor een der ramen in den achtergevel, merkt het op. De schildwacht wordt afgelost en moet op orde van H. M. (aan wie Z. H. het verteld had) in het paleis komen. De Prins prijst zijn gevoel van gehoorzaamheid, en uit naam der Koningin ter gedachtenis aan het feit dat de Prinses heel alleen een eersten militairen groet ontving biedt Z. H. hem de keus aan tusschen een juweelen dasspeld en een gouden horloge met toepasselijk inschrift.Waarheen is de Prinses intusschen getogen? Naar het Vondelpark; heeren bestuurders van dit park, door rijke en vermogende Amsterdammers voor hun stadgenooten aangelegd en onderhouden, hebben H. M. een afgerasterd gedeelte tot kindertuin voor ons Prinsesje aangebodentijdens Haar verblijf in ons midden. Dankbaar aanvaardde H. M. deze vriendelijke schikking. Daar kan het lieve Kindje zonder gedrang of gedruisch frissche lucht genieten. En waarin rijdt Prinses Juliana rond? In den Zeeuwschen wagen. 't Is te hopen dat de Zeeuwen van de Zanghulde dit eens gaan zien, ze zullen er in groeien! Wij Amsterdammers althans vinden het uitnemend dat de Prinses in onze wieg rustte, al bood Moeders eigen kinder-slaapstede Haar voor den nacht een gezelliger hoekje.Soms tweemaal per dag gaat het lieve Kindje naar haar tuin; op het gras dicht bij den vijver wordt Haar wagen gereden en kijkt Zij naar de zwanen. Op heen- en terugtocht altijd honderden om ons Prinsesje te zien. Eens, daar bemerkt het scherpziend oog eener moeder, dat de kleine Prinses op weg naar huis begint te knikkebollen. „Ze is zeker moe, laten we niet hoera roepen!” Dit liefdevol besluit vindt dadelijk instemming. Zij legt haar vinger op den mond, dit wordt nagevolgd; de wacht wordt gewaarschuwd en komt naar buiten, doch de trom zwijgt, en ingesluimerd wordt het Liefje naar binnen gedragen. Zoo vindtde wacht het ook goed, al kregen ze er al schik in, dat Prinses Juliana soms naar hen omkijkt over den schouder der verpleegster heen.„Gauw, gauw! Jan en Louis,” roept een hunner vrindjes, die juist vernomen heeft, hoe ons Prinsesje van morgen niet naar het Vondelpark rijdt en op weg is naar Artis. „Gauw, jongens! gauw op de fiets dwars door de Jodenbuurt zijn wij er nog eer!” Heelemaal lukte dit niet, maar toch zat Haar Hoogheid pas in den witten wagen, toen de knapen hun fiets stalden; doch H. M. die Zelve Haar Dochtertje bracht, Die hadden ze niet herkend in de eenvoudig gekleede dame, die naast den wagen ging.„Gaat Prinsesje eerst naar het mooie apenhuis, wat denk je Jan?”„Neen, Louis, die maken soms zoo'n geschreeuw—en dan kon ze wel eens schrikken; Ze zal de eendjes voeren.”En zoo ging het ook. Bij den vijver gekomen nam uit een mandje Prinsesjes handje stukjes brood; doch als alle kleintjes, stak Prinsesje eerst wat in het eigen mondje; en bij den zwanenvijver gooide Zij onder luide toejuiching het heele mandjeal zwaaiende in den vijver. Een kiekje werd van H. K. H. genomen op den arm van zuster Manting. Daarna met Freule v. d. Poll tusschen de steenen, liggende beelden gezeten, werden twee lorretjes met hun standaards bij Prinsesje neergezet. Groote oogjes zette 't Prinsesje op, als die kromme snavels in het geweekte brood pikten en als ze hun mooie gekuifde koppen weer oplichtten, dan strekte de Kleine de handjes uit van pret.„Kijk Jan! die is ferm hè?”„Goed zoo, 't komt niet te pas,” zei hij.Deze tweespraak betrof een juffrouw, die den wagen naderde en van 't Prinsesje een handje wilde hebben en voor die vrijpostigheid met de parasol van freule v. d. Poll, welke de lakei droeg, een tikje op haar vingers kreeg.De freule schudt weldra de lakentjes en 't dekentje uit, want de kleine Hoogheid had wat gekruimeld, dekt alles met een fraai wagenkleedje toe en begeeft zich daarna met de kinderjuffrouw, die het Prinsesje op haar arm draagt, naar den Aquarium-uitgang, waar het hofrijtuig en een groote menigte het Kindje opwachten.Het publiek, onderwijl veel talrijker geworden, gedroeg zich niet altijd zeer bescheiden, holde zelfs over grasperken heen, om dichtbij te komen; doch vergeeflijk was het misschien? omdat Ons Prinsesje pas voor de eerste maal in Amsterdam en in Artis kwam!Kom vaak terug, lief Kindje! Bezoek dikwijls onze geheel eenige, en zoo rijke diergaarde!„Daar is oom de burgemeester, en Jets aanstaande schoonpapa! Die gaan morgen naar het paleis voor de Cour van gelukwensching,” zoo verklaarde Lize bij de aankomst der twee eerste gasten, die van Amsterdams jubelen kwamen genieten. Niet alleen bij Dora's ouders, bij tal van andere Amsterdammers namen bloedverwanten of vrienden hun intrek, heden voor de Zanghulde, en later om den optocht en de illuminatie te zien.Van het allerschoonste, het geheel eenige, dat de laatste te zien zal geven, kunnen we reeds genieten, van onzen Westertoren! Hoe onbeschrijflijk lieflijk en teeder schittert die goudglans, en geeft van omloop en trans, van kroon en kruis den omtrek nauwkeurig weer! De donkere torenis er als achter verdwenen en wordt slechts, als het uur slaat en de lichtjes dooven, weder als reusachtige, sombere massa zichtbaar! Maar dadelijk daarna gloeien ze weer aan de 5000 lichten, en pralen in stillen gloed, sprekende van Amstels blijdschap, nu Prinses Juliana voor het eerst binnen de gordel der 3 koninklijke grachten sluimert.Nooit of nimmer heeft de gevel van ons statig paleis op den Dam zulk een gejubel van geestdrift gehoord, als toen H. M. met Prinses Juliana op den arm het balcon betrad. 't Leek wel of die 6000 dames en heeren uit alle oorden des lands met die 4000 kinderen alleen daartoe hier gekomen waren om voor Koningin en Prinses te juichen!Maar 't doel hunner tegenwoordigheid reeds lang te voren vastgesteld is een zanghulde! Een Oranje-Nassau-Cantate op muziek van den heer M. H. van 't Kruys met woorden van den heer P. Landsman zal worden voorgedragen. Eén generale repetitie hield men van morgen achter Oranje-Nassau. En thans, Prinses Juliana zichtbaar voor een der ramen, H. M. en Z. K. H. gezeten op het balcon, daar klinkt de oproep:„Blaast de bazuin, juicht nu vroolijk gij landen,Volk van de zee en gij volk van de stranden,Volken in Oost en in West!”Zij zullen ze lezen in Oost en West, die schoone Feest-Cantate en lezende zullen ze genieten. Maar daar, onder die heerlijke Meizon te hooren, hoe de paleisklokken den zang der kinderen daar van uit den koepel inluiden, hoe ze mede instemmen die muziekkorpsen, in dien feestzang! Dien zang zoo te hooren, uit naam van gansch een volk toegezongen aan Neerlands Koningin, toegezongen aan de Koningin, als Moeder, toegezongen aan den Prins-Gemaal, als Vader, toegezongen op huppelende tonen door de kinderen aan hun Prinsesje Juliana, toegezongen aan de (afwezige) geliefde Koningin-Moeder, eenmaal Koningin-Regentes, nu Koningin-Grootmoeder, 't is en blijft onbeschrijflijk, hoe die zang daar onder den vrijen hemel opklonk; en hoe de zangers bezield door Vondel met den Vlissinger in bond, in naam van de geheele natie, het hart verheffen in hun zang tot Aller Heeren Heer! om Hem te danken en hoe zij verklaren nimmer Zijn liefde en trouw te willen vergeten!Niet minder geroerd dan 's morgens luistert het Koninklijk Echtpaar toe en volgt aandachtig den tekst der Cantate.'t Is voorbij! De laatste woorden, „Willem van Nassau,” zijn gezongen, de laatste tonen smelten weg. De zanghulde is geëindigd!—Prof. Fabius en de heer Van 't Kruys worden bij H. M. ontboden, de dirigent-componist heeft de vriendelijkste gelukwenschen in ontvangst te nemen, Prof. Fabius krijgt in opdracht namens H. M. in de warmste bewoordingen aan alle deelnemers Hr. Ms. hartelijken dank over te brengen voor die uitvoering, voor die uitnemend geslaagde zanghulde, en Hr. Ms. blijdschap te betuigen dat eruit alle deelen des landsdeelnemers voor deze zanghulde zijn opgekomen!Een luide ovatie beantwoordt Hr. Ms. boodschap en allen trekken in rijen van 4 al groetende voorbij het balcon, steeds teruggegroet door H. M., Z. K. H. en het snoezige Prinsesje, die nu eens in het rechter, dan weer in het linkerhandje met een klein wit zakdoekje wuift; het gansche half uur, dat het voorbijtrekken duurt.Prins Hendrik schijnt schik te hebben in hetfanfarencorps „St. Caecilia” der Volendammers in hun eigenaardige kleedij gedost met de Astrakan mutsen op het hoofd. Kwartier over zessen gaan H. M. en Z. K. H. weer naar binnen;—zeker zal die zanghulde nog menigmaal het onderwerp van Hun gesprek zijn.„De Koningin heeft het geducht druk dezer dagen. Zaterdag, evenals Vrijdagmorgen, de Cour van gelukwensching ten hove; en 's namiddags de rijtoeren, maar niet tot verfrissching of om uit te rusten, Zaterdagavond de raout; 70 dames werden in de troonzaal aan H. M. voorgesteld en toen zaten of stonden de Koningin en de Prins in de Burgerzaal tot half twaalf; en met tal van personen onderhield zich H. M., die met de sieraden van het Nationale huldeblijk van '98 getooid was.”„Papa, waarover sprak de Koningin wel met die heeren?” vroeg Jet.„Daar er geen audiëntie plaats had, kon H. M. dezen en genen niet bedanken voor al de feestelijkheden hier ter stede ter eere van H. M. en Prinses Juliana; zoo o. a. ontving de heer C. W.R. Scholten als voorzitter der Vondelparkcommissie Hr. Ms. bijzonderen dank voor den vriendelijken afstand van een deel van dat park als Prinsesjes tuin; zoo onderhield de Prins zich ook met de heeren der feestcommissie en roemde hoogelijk deze heerlijke week.”„Toen de Koningin en de Prins de Burgerzaal verlieten wendde H. M. zich nogmaals tot Hare gasten en groette allen met een diepe buiging.”„H. M. buigt zeer bevallig niet waar, Mama?”„Zoo is het, Ida. Heb je gisteren in Artis het Koninklijk Echtpaar ook nog gezien?”„Ja, Mama; en de jongens ook in de Kerk; Louis wou, dat de Koningin elken Zondagmorgen hier kerkte.”„Waarom, jongste zoon?”„Omdat de dominee zoo kort preekte, Mama.”„Foei! Louis, vindt jij het niet heerlijk om naar de kerk te gaan,” vroeg zijn jongste zus.„Neen, niet als ik er niets van begrijp, wel als de dominé uit den Bijbel preekt, dan is 't mooi.”„Ze preken altijd uit den Bijbel, jongen, maar je bedoelt zeker over een geschiedenis;” zeide zijn Grootmama.„Was het prachtig op de raout, Amélie?” vervolgde de oude dame.„Ja, Mama. Fijne toiletten, niet te veel geschitter van paarlen en juweelen; vele heeren in rokken, vele ook in hofcostuum en dan de hoofdofficieren in groot tenue, en Roomsche geestelijken in purperen kleedij maakten het schouwspel zeer belangwekkend.”Deze en dergelijke gesprekken kortten den tijd, waarin men op den historisch-allegorischen optocht wachtte bij Dora's ouders, waar hij al vroeg voorbijtrok; oom de burgemeester en de Friesche baron namen de meisjes mede om nog eens en nog eens op straat den stoet te zien voorbij trekken. Het ambtsgewaad van eerstgenoemde, dat hij om de nichtjes te plezieren had aangetrokken, deed menigeen voor het zestal ruimte maken, temeer daar Jetje's aanstaande schoonvader zijn kolonelsuniform van vroeger had aangedaan.Bij de Gladschaafs was men ook al vroeg bijeen om van het kleurenrijk voorbijtrekken toch ten volle te genieten.„Nog nooit leenden zichin Amsterdamechte, jonge dames tot opluistering van een stoet.Heeren, zelfs van onze patriciërs, vormden vaak een eerewacht; maar zooals heden, de optocht ter eere van Prinses Juliana's komst in ons midden, neen! zoo is 't bij menschenheugenis hier nooit gebeurd,” zei de vader.Ziet ze daar voorbijtrekken, deftig opgezeten, terwijl ze of vriendelijk buigen voor het gejuich, of bekenden groeten met gebaar of blik; in die rijke dracht der XVI en XVII eeuw, vormen ze een levend stuk geschiedenis. Zoo oordeelen allen, die zich de moeite getroost hebben, het programma der opstelling vooraf goed over te lezen. En ze leven als voor ons oog op, die droeve èn die glorierijke dagen!Een Egmond en Hoorne onthoofd, een Willem van Oranje vermoord, zoowel als zijn vertegenwoordigers, een Ripperda, een Ruichaver,een Cabeliau, een Van der Does, en een Van der Werff, burgemeesters en bevelhebbers van belegerde vesten.Een Amsterdammer als De Rijck met een Treslong en Boisot, vergezeld van hun Watergeuzen, ze roepen Gods beproevende en reddende hand voor onze aandacht.Daar is het tweetal, die Willems werk voortzetten; Maurits en Willem Lodewijk, door tal van door hen gevormde krijgslieden omgeven. En de heer Van Dieden draagt de banier niet minder fier, dan toen hij Wezel verraste en zoo den Stedendwinger in staat stelde te kunnen uitroepen: „Dit Bosch is mijn!” En wat al vreemdelingen en groote heeren verdringen zich om hem, die wel den Vrede van Munster niet meer beleefde, maar wist, dat die niet verre meer was.Hoe aardig stellen die in het witgehulde jonge dames dien vrede voor. Jammer dat de wagen en zijn hoog toestel niet bestand is tegen het schokken op de keien, en het op en afgaan der hooge bruggen. Ach, de Vrede van Munster bracht geen voortdurende rust, en dit zijn zinnebeeld, werd zelfs door pieken gestut! en moest een poos uit den stoet verwijderd worden!Hoe jammer, dat Willem Frederik en Albertina Agnes ontbreken, wier huwelijk de verbindende schakel vormt tusschen 't geslacht van Prins Willem en van Jan den Ouden; door hen toch stamt onze Koningin ook in rechte lijn van den Vader des Vaderlands af.Kon de praalwagen, die het Muiderslot voorstelt, alle dichters en kunstenaars niet herbergen; al evenmin kon de oorlogsbodem allen zeehelden, plaats verleenen, die Neêrlands waterleeuw op zeeën en stroomen deden eerbiedigen.Staatslieden en Amsterdamsche burgers, volgen den wagen, dieAan d' Amstel en aan 't IJ,Daar doet zich heerlijk opeDe Koningin der aard,Het sieraad van Europezinnebeeldig vertoont, de Friesche stadhouder met zijn Maykemoe, toen even bemind als Us-Heit weleer, voorafgegaan door den Koning-Stadhouder met zijn vrome gemalin, Maria II Stuart, hij die Europa's evenwicht handhaafde tegen de staatkundige en godsdienstige dwinglandij van een Lodewijk XIV; zij allen roepen ons het grootsch verleden van ons land voor den geest.Hoe jammer, dat de Scheveningsche bom, zoo eigenaardig van pas hier, moest achterblijven; en Koning Willem I en de dappere Prins van Oranje, de held van Quatre-Bras en Waterloo, niet tothun recht komen, zoo zelfs dat aan het einde van den stoet een gevoel van teleurstelling zich van velen meester maakt.Precies half twee komt de stoet op den Dam. Prins Hendrik aan de achterzijde van het paleis bespiedt vooraf den rijken aanblik; en komt nu met 't Prinsesje op den arm van freule V. d. Poll en H. H. M. M. op 't balcon, want heden morgen, na 't bezoek aan de collectie Drucker, hebben onder een toeloop van duizenden en nogmaals duizenden de Koningin en de Prins aan het Centraal-Station Koningin Emma afgehaald.Toen was er weer gejuicht en gejubeld voor het paleis, Koningin Emma met Haar Kleinkind op Haar arm kwam met het Koninklijk Echtpaar op het balcon. Het gansche Koninklijk Huis bijeen! Moge God nog vele takken aan den dierbaren, alouden Oranjestam doen uitspruiten!Een der vendels van den optocht heft plechtig het Wilhelmus aan en de pages der Oranjevorsten en -vorstinnen leggen groote bloemkransen als hulde neer, terwijl de voorstellers van Hr. Ms. voorgeslacht een rij vormen en zoo dicht mogelijknaderen om hun eerbiedigen groet te brengen.Rondom het gedenkteeken van Neêrlands volksgeest in 1831 zijn de muziekcorpsen en vendels geschaard en daar omheen, in groote haag van de Nieuwe kerk tot de Groote club, de geheele stoet met de praalwagens en hun begeleiders.De stoet vormt zich opnieuw en trekt onder het spelen van vroolijke marschen of het zingen van Geuzenliederen verder. Die geuzenliedekens hebben in gansch andere tijden weerklonken, toen de maker, drukker, verkooper, of zanger vaak zijn vermetelheid met zijn leven boette.Prins Hendrik vindt het geheel zoo mooi, dat Z. K. H. den optocht nog eens wil zien, daartoe spoedt de Prins-Gemaal zich naar den heer Van Loon-Egidius, uit wiens rijk versierd huis het prachtige schouwspel op nieuw door den Prins bewonderd wordt.„Waar zullen we van avond heengaan voor de illuminatie Ferdinand,” zoo vraagt zijn vrouw voor zich en de zusters, toen men een beetje uitgepraat raakte over den optocht.„We gaan de Nederlandsche Bank zien, de Gekroonde Valk, de Heemskerck, de HoogeSluis, het Museum-Kwartier en al het voornaamste daar tusschen gelegen. De trams rijden, dus we zullen in een uur of drie misschien vier dien tocht wel zonder al te groote vermoeienis volbrengen. Vader is kras genoeg om mee te gaan, maar die houdt Moeder gezelschap, die hier van avond op Mientje komt passen; zóó heeft Vader het met mij afgesproken, wat dunkt jullie daarvan?”„Het is opperbest, mooi geschikt en Vader en Moeder denken, als altijd, eerst aan de kinderen!”„Net zoo Margreet,” vulde Marie aan.Een jaarlijksch koninklijk bezoek duurt gewoonlijk slechts 5 dagen, ditmaal blijven de hooge gasten langer; en, nadat H. H. M. M. en Z. K. H. van de illuminatie hadden genoten, waarbij ook die binnenshuis niet onopgemerkt bleven, de Westertoren doofde bij derzelver komst, maar door het zoeklicht van de Heemskerck opgespoord, spreidde hij weldra weder zijn stillen luister ten toon, kreeg Arti Dinsdag een bezoek. Het bestuur van dit genootschap had uitvoering gegeven aan het lieve denkbeeld om een tentoonstelling van kinderportretten te openen.Tweemaal zou de schoone Amstel op dienzelfden dag de doorluchtige bezoekers aan zijn oevers zien neergezeten en zelfs op zijn golfjes medevoeren.„Anton, jij hebt van middag maar heel mooi alles kunnen zien en wij zagen niets!” zoo verklaarde de keukenmaagd des avonds laat, onder een kopje koffie.„Ja, alles heb 'k gezien en heel mooi ook; maar ik had het toch druk met het bedienen van alle genoodigden op mijnheers plezierboot. De veranda van „De Hoop” leek een echte serre, met 3 vergulde stoelen, dus enkel voor de Koninginnen en den Prins, begrijp jullie? Dan hoorde ik vertellen dat de zaal veranderd, of ze zeggen dan omgetooverd was, in een Oud-Hollandsch woonvertrek, dan kon H. M. daar even uitrusten, want de Koningin had de sport op 't IJsclub-terrein ook al bijgewoond. Van het terras, daar je zoo'n mooi gezicht op den Amstel hebt, hadden ze het dek van een mailboot gemaakt, en daar zag je de trap naar den aanlegsteiger. Een havenbootje lag gemeerd en leek op 'n plezierjacht, het wachtte alleen op de deftige bezoekers.Het woei aardig, maar de Koningin schijnt overal tegen te kunnen, trouwens je moet zeggen, wel een beetje moe, maar uitstekend ziet de Koningin er uit; en zoo echt gelukkig als men Haar met Haar Kindje ziet, dat vertelden ze allemaal aan elkaar. 'k Hoorde van dames die Zondagmorgen door het Vondelpark naar de kerk gingen, en het juist troffen, toen de Koningin zelve, vóór Zij naar de Nieuwe Kerk moest, even het Prinsesje naar dat stukje park voor het Kleintje bestemd, wegbracht.Vandaag voeren Ze tot vlak bij het Kalfje, een paar mooie bochten langs, hè? Allebei de kanten stonden stikvol menschen, en voor alle ramen en op de daken stonden of zaten ze.”„Op een dak zie je toch niks,” meende Greta.„Net mis, je ziet de gezichten van de lui niet, maar de booten en de versieringen zie je opperbest en zoo ver weg kan je kijken. De Amstel, niet de Hoop, heeft de Julianabeker gewonnen, ze moesten bijna 5000 M. roeien. Zulk roeien! Zoo gelijk gaan die riemen op en neer, 't lijkt of 't er maar één is; en toen de Koningin terugkwam, gingen de versierde schuitjes, een 60, voorbij;met 2 dames en 2 heeren er in, die groetten ook allemaal.”„Hoe doen ze dat Anton, wuiven de dames?”„Wel neen! Net als de matrozen in de sloepen, trekken ze de riemen in en die houden ze in eens steil rechtop in de hoogte. Als je het nooit zag, kijk je er eerst beduusd van.”„Van avond woei het veel te hard voor de illuminatie en het vuurwerk; maar ze kunnen de dingen niet uitstellen of afzeggen, dat begrijpen jullie ook wel. 't Was echt jammer van het geld voor het vuurwerk. Van het groote, het mooie stuk was bijna niets te zien door de rook die niet optrok; en van de versierde en geïllumineerde bootjes en schuitjes woeien de lichtjes uit; aan „De Hoop” konden zelfs de vetpotjes niet branden.Maar dat schip veroveren, dat was toch zóó mooi, dat ging zoo goed; 't verbeeldde een echt gevecht uit den Spaanschen tijd.”„Wie gaven dat, Anton?”„De vereeniging Volksweerbaarheid; gisteren vroeg ik den jongejuffrouwtjes er naar en die vertelden mij, hoe dat al in 1573 gebeurd was, verbeeldt je. Maar we moeten naar bed.”„Kom, vertel het nog effentjes, morgen is er weer wat anders, 't is nu toch laat.”De knecht liet zich niet lang bidden en ging voort. „Juffrouw Ida zei: Alva had Haarlem ingenomen en schandelijk was daar gemoord en geplunderd en ze hadden vast en zeker beloofd, dat ze den menschen niets zouden doen. Toen hebben ze Alkmaar willen nemen, maar dat lukte niet zoo gauw, als ze gedacht hadden; en ik weet niet krek meer hoe, maar ze hoorden dat Oranje ze allemaal zou laten verdrinken en toen zijn ze aan den loop gegaan, 't was in October.Onder de hand had Alva een vloot in de Zuiderzee laten komen, groote, flinke schepen met soldaten en kanonnen er op bij de vleet; de Hollanders hadden maar kleine scheepjes, maar die durfden toch maar van alles in dien tijd.De admiraal van die vloot van den Spanjool was een Hollandsche graaf, wat 'n schande hè? en zijn schip heette de Inquisitie, dat was de naam van de rechtbank, die in dien tijd de menschen, die niet Roomsch wilden blijven of weer wilden worden, liet gevangen nemen en dooden. Nu 't leek wel, zei Ida, of Alva voor temptatiedien naam aan dat schip gegeven had. Toen die vloot uit Amsterdam, (daar hielpen ze toen die Spanjaarden) zeilde en op de Zuiderzee kwam, probeerden 3 scheepjes om die Inquisitie te nemen en vechten, dat ze er op deden, dat was dan maar raak. Maar die graaf van Bossu (ja, zoo heette hij) wou zich niet overgeven. Toen dreven ze, aldoor maar aan 't vechten, rond, tot dicht bij Hoorn en daarvandaan kwamen toen vletten en schuitjes met nieuwe geweren en kogels en mannen, die nog niets moe waren en toen moest hij zich laten gevangen nemen, bijna al zijn soldaten waren gewond of dood, en toen hebben ze dien graaf in het weeshuis in Hoorn gevangen gezet; maar later heeft hij zich gebeterd en Oranje trouw geholpen. Maar nu zou ik haast vergeten, dat hij eigenlijk al lang zich had moeten overgeven; want een man, Jan Haring heet die, was tusschen die Spanjaards doorgeslopen, en rukte de vlag van den grooten mast; dit beteekent dat je overwonnen bent, begrijp je? Die arme kerel viel met de vlag in zijn hand dood op het dek, ze schoten zoo op hem.„Nu van avond hebben ze ook zoo gedaan bijde Hooge Sluis; het leek zoo precies op echt schieten en alles werd zoo mooi verlicht door de Heemskercks zoeklichten; toen die man (die Jan Haring verbeelden moest) de vlag er afrukte, hadt je dat Hoera! eens moeten hooren.”„Ze schoten hem toch niet dood, Anton!”„Wel, neen, Anna! 't Verbeeldde immers maar wat die Watergeuzen vroeger deden. En ze heschen er meteen een vlag op Oranje, wit en blauw, dat was de vlag van Prins Willem I, toen werd er nog veel harder hoera! geroepen en meteen zongen ze Wilhelmus naar den kant van „De Hoop” en aan den wal deden ze hard mee. Jongens, jongens! dit was niet nog mooier, maar toch begrijpelijker dan die prachtige optocht; daar moest je zooveel voor weten, zeiden de juffertjes. Ik heb dit mooi gevonden en heel mooi ook, omdat ik het zoo goed begreep. Maar meisjes, naar bed hoor! en stilletjes ook, kijk me die klok eens!”Met het water heeft H. M. nog niet afgedaan, het grootste schip ooit in Nederland gebouwd zou 1 Juni van stapel loopen; daar zullen deKoningin met den Prins bij tegenwoordig wezen en zoo doende rijdt H. M. met Z. K. H. 's Woensdags om even één uur uit naar de Conradstraat.Op het J. D. Meyerplein wacht H. M. een verrassing. Voor de Ned. Isr. hoofdsynagoge bevinden zich 300 kinderen en 100 zangers. De deuren staan wijd open, alle lichten branden, de rabijnen staan op den drempel; zoodra het koninklijke rijtuig stilstaat heffen de kristalheldere kinderstemmen met de zware mannenstemmen te zamen een Hebreeuwsche aubade aan. Het fraaie gedicht, vervaardigd door den heer Woudhuyzen en op muziek gebracht door den heer Schlesinger klinkt indrukwekkend plechtig.Voor het heil van H. M. zoowel als voor dat der teere telg van Oranje-Nassau klimt de bede ten hemel, in de taal van den Koning-Dichter van Israël.H. M. en Z. K. H. ontvingen de aubade in het Hebreeuwsch en Nederlandsch fraai gecalligrafeerd, en ook onzen E.A. heer burgemeester en den hoofd-commissaris van politie werden afschriften aangeboden.Beiden heeren werd door H. M. in vleiendebewoordingen dank gezegd voor die lieflijke hulde; terwijl twee peuzels H. M. een bouquet mochten overhandigen, waarbij de eene haar witte rozen „voor Ons Prinsesje” bestemde.„Hoe heerlijk vol is het hier! Wat mooie bloemen en planten in het kantoor! Wat hooge tribune! Moet de Koningin die oploopen?”Zulke en dergelijke uitroepen hoort men niet alleen van onze Dora maar van menig ander kind en als H. M. en de Prins naar de aanspraak van Jhr. Op ten Noort luisteren, is er ademlooze stilte om toch, als H. M. antwoorden gaat, geen woord te missen. De heer Op ten Noort „dankt voor de eer die H. M. de Stoomvaartmaatschappij Nederland en de Nederlandsche Scheepsbouwmaatschappij bewijst en dankt Z. K. H. voor de zijden vlag, (die op hetzelfde oogenblik geheschen wordt,) welke voor de Maatschappij een blijvend aandenken aan deze plechtige gebeurtenis zal zijn; hierbij voegt Z. H. W. G. den wensch dat het S.S. „Prinses Juliana” op alle zeeën, welke het zal bevaren, den naam van Hare Koninklijke naamgeefster eere zal aandoen en een sieraad zal zijn der Nederlandsche koopvaardijvloot.”De heer Goedkoop, directeur der Ned. Scheepsbouwmaatschappij noodigt H. M. uit het schip te willen doopen en te water laten.Hierop antwoordt H. M.:„Het was mij zeer aangenaam gevolg te kunnen geven aan de uitnoodiging van de besturen der „Stoomvaartmaatschappij Nederland,” en der „Ned. Scheepsbouwmaatschappij” om het schroefstoomschip „Prinses Juliana” te water te laten, en gaarne geef ik u de verzekering dat ik hoogelijk waardeer de gevoelens, die u geleid hebben tot het kiezen van dezen naam voor het grootste schip tot heden in ons vaderland gebouwd.Moge het S.S. „Prinses Juliana” tot eer strekken van de Nederlandsche industrie en er toe bijdragen dat de Stoomvaartmaatschappij „Nederland” haar roeping ten allen tijde hoog houde.”Met verheffing van Haar klankrijke stem:„Stoomschip „Prinses Juliana” moge God u met uwe opvarenden steeds veilig geleiden over den oceaan!”Niet alleen blanke, ook bruine onderdanen begroeten H. M. hier; een aantal Javanen in dienst op de booten der Mij. Nederland maken hun „sembah”(Javaansche groet) voor hun blanke Vorstin.Zondag in Artis bevonden zich in den Hollandschen tuin aldaar ook een 12-tal Javanen en Maleiers, naar Europa ontboden om werkzaamheden der Indische nijverheid op de tentoonstelling te Brussel te verrichten. Zij en hun hoofd waren slechts voor deze reis te vinden geweest, als men beloofde de Radjah Blanda hun te laten zien, de groote gebiedster van hun land. Op het gras neergehurkt maakten zij driemaal hun sembah en daarna oogden zij schuchter die vorstelijke gestalte na, die zoo vriendelijk voor hen neeg.Doch H. M. drukt op een electrischen knop, de klinken worden weggeslagen, de flesch champagne door de Koninklijke hand tegen de stalen huid verbrijzeld spat schuimend op en.... het trotsche zeekasteel zet zich in beweging, glijdt in steeds sneller vaart de helling af, terwijl de Koningin op het uiteinde der tribune gaat staan om onbelemmerd het schouwspel gade te slaan.Onder luide toejuichingen keerde het Koninklijke Echtpaar naar den Dam terug om.... voor de eerste maal mèt Prinses Juliana een rijtoer te maken.Langs den heelen, langen weg ziet men honderden en nogmaals honderden: vrouwen, moeders, jongens en meisjes! Al wie maar even kan, wacht op het Koninklijke gezin in de roode gala-koets. De kleuters worden opgetild, de grooteren klimmen op stoepen en karren, in lantaarnpalen, in boomen om toch maar goed dat lieve Kindje in haar witte jurkje en hoedje te zien. Ons dierbaar Prinsesje! De gansche stad jubelde nogmaals. Geen zanghulde, maar een onafgebroken gejuich van heel een bevolking klonk den gelukkigen Ouders tegen.Weesjes in de Tesselschadestraat, vereenzaamde kinderen uit de toevlucht van den heer Jonker, allen verheugen zich, als het kleine handje alleen, of met een zakdoekje wuift; doch liefst, dat merkt men wel, kijkt ze naar Haar Koninklijke Moeder, of ze beproeft zich op te heffen om naar de gouden epauletten van Haar Prinselijken Vader te grijpen!En Prins Hendrik hield zijn belofte, aan de bemanning van de Heemskerck op zee gedaan; n.l. dat Z. K. H. hen in staat zou stellen de jonge Prinses te huldigen. En daar stonden ze nu, onzeJanmaats, van Hr. Ms. oorlogsbodem 350 koppen vóór het paleis geschaard bij de thuiskomst van dezen rijtoer, uiterst langzaam reed de koets hen voorbij, een uitnemende gelegenheid werd hun zóó geboden om het Koninklijke Kind te zien.Ging vroeger de Koninklijke Familie altijd Zaterdags naar den Stads-Schouwburg, dit jaar woonde H.H. M.M. en Z. K. H. de gala-voorstelling van „De Stedendwinger” door J. Huf van Buren, op den laatsten avond van het verblijf (1 Juni) bij. Op den heen- en terugweg weer hartelijk door de menigte begroet.Talloos velen begaven zich naar den Dam en het Damrak om bij het vertrek den geliefden, hoogen bezoekers een laatsten groet te brengen en een laatsten blik op Prinses Juliana te vestigen! Tusschen dichte drommen reed het Koninklijk gezin naar het Centraal-Station. Ons lief Prinsesje, weder op den schoot Harer beminde Moeder gezeten, wuifde gedurig met Haar handje en zag zich even hartelijk uitgeleiden als binnenhalen.In het Koninklijk paviljoen verzoekt H. M. denburgemeester, Haar dank aan de burgerij wel te willen overbrengen, daar Zij zeer getroffen was door de hartelijke ontvangst Haar en Prinses Juliana in 's Rijks hoofdstad bereid en gaf in de meest vriendschappelijke bewoordingen uiting aan Haar gevoelens.En Donderdag 2 Juni 10 uur behoorde het onvergetelijk eerste bezoek van Prinses Juliana tot het verleden!De woorden van afscheid door H. M. gesproken, vormen een naklank van die, geuit bij Hr. Ms. heildronk op Amsterdam aan den disch ten paleize op 31 Mei; aan het gastmaal door H. M. den gemeenteraad en den leden van het bureau der feest-commissie aangeboden:Mijnheer de Burgemeester,„Ik gevoel mij gedrongen bij gelegenheid van ons eerste bezoek met ons innig geliefd Kind aan de hoofdstad des Rijks aan dezen feestdisch een enkel woord te spreken ook voor den Prins, ofschoon ik mij wel bewust ben, dat het moeilijk is weer te geven, wat op dit oogenblik in ons omgaat. Wij zijn diep bewogen, zoowel door deindrukwekkende uiting van blijdschap, welke aan de schoone en welgeslaagde feesten ten grondslag ligt, als door de geestdrift, die er de bezieling aan gaf, bovenal stemt het ons ouderhart tot groote dankbaarheid getuige te hebben mogen zijn van de liefde, waarmede Zij, die wij zoo gaarne ons „zonneschijntje” noemen, allerwege is ontvangen en begroet.Er is in deze korte spanne tijds meer dan één band voor geheel het leven gevlochten.Wij stellen ons voor, Haar later dikwijls van haar eerste verblijf alhier te vertellen en wij koesteren de hoop, dat Zij, ouder geworden zijnde, zal toonen te beseffen, welk een groote plicht der dankbaarheid op Haar rust. God geve Haar daartoe overvloedige gelegenheid!Als wij nu weldra Amsterdam gaan verlaten, dan zal het zijn met een gevoel van bijzondere erkentelijkheid voor de dagen, welke de bevolking zoo gelukkig en onvergetelijk voor ons heeft gemaakt en dan zal mijn afscheidsgroet een innig gevoelde wensch zijn voor den toenemenden bloei en voorspoed van de hoofdstad, wier belangen Mij zoo na ter harte gaan en waaraan wij doorvele historische en enge persoonlijke banden gehecht zijn.Mede namens Mijne Moeder en Mijn Gemaal stel ik dezen heildronk in op het geluk en het welzijn van Amsterdam!”De burgemeester, Jhr. Mr. Dr. A. Roëll, antwoordde het volgende:Mevrouw! Koninklijke Hoogheid!„Wilt mij veroorloven U. M. eerbiedig dank te zeggen voor den heildronk, mede namens H. M. de Koningin-Moeder en Z. K. H. den Prins der Nederlanden uitgebracht op het welzijn van Amsterdam, maar bovenal voor de treffende woorden, die H. M. aan dien dronk heeft willen doen voorafgaan. Woorden, die voorzeker zullen gegrift blijven in het gemoed van allen, die ze hoorden, en die voor stad en ingezetenen juist daarom van zooveel beteekenis zijn, omdat zij worden uitgesproken aan den disch, die U. M. heeft bereid aan de vertegenwoordigers van de burgerij.Dat U. M. en Z. K. H. de Prins der Nederlanden tot dezen disch ook—andermaal—de leden van het dagelijksch bestuur der gemeenteen een deputatie uit de feestcommissie noodden, is voor hen een reden van groote erkentelijkheid, die het mij vergund zij tevens te vertolken.U. M. heeft in bewoordingen, die door ons allen niet genoegzaam kunnen worden gewaardeerd, uitdrukking gegeven aan de gevoelens, die de geestdrift dezer dagen in Uwe harten, Koninklijke Ouders van de aanvallige Prinses heeft opgewekt. Laat mij wederkeerig aan U. M. de eerbiedige verzekering mogen geven, dat die geestdrift slechts de onbedwingbare uiting was van de aloude, maar toch altijd jeugdige en frissche verknochtheid aan U. M. en Haar Huis en dat die geestdrift wel haar toppunt moest bereiken, nu die nieuwe loot aan den Oranjestam „Het Zonneschijntje” is het zonnetje in het Koninklijk Gezin, maar waarvan de stralen in deze dagen zoo talloos velen hebben verwarmd en gekoesterd.Het koninklijk bezoek aan de hoofdstad staat dit jaar in het teeken van het kind en het zal aan U. M. niet zijn ontgaan, hoe ditmaal, vooral aan de Kinderen, aan de kleine en misdeelden niet het minst, bij de feestviering eene plaats is ingeruimd. Als U. M. dan later aan de Prinseszal verhalen van Haar eerste verblijf te Amsterdam en van het gejubel, dat Hare komst daar te weeg bracht, moge het dan vooral ook zijn van de liefde en van de bewondering, die het Koningskind in de harten der kinderen heeft doen ontbranden. Zij toch zijn de mannen en vrouwen van straks, de toekomst der natie, op wier hou en trou de Prinses, als zij ouder zal zijn geworden, onder alle omstandigheden zal moeten bouwen.En wij ouderen, kunnen slechts de vurigste wenschen stamelen voor het voorspoedig opgroeien van Uw Kind, dat, 't zij met allen eerbied gezegd, door het vertrouwen, waarmede U. M. het onder de burgerij heeft laten verkeeren, ook eenigermateonskind geworden is, en de bede opzenden, dat God aan de Prinses het leven en de gezondheid spare, Haar alles schenke wat Uw ouderhart slechts verlangen kan, Haar in één woord in lengte van jaren krone met de keur Zijner zegeningen.Amsterdam is U. M. en den Prins der Nederlanden innig dankbaar voor dit eerste bezoek met de Prinses; het zal met gulden letteren geboekstaafdblijven in de stadshistoriebladen.Vergunne mij dan U. M. deze dankbaarheid te bezegelen met den heildronk van de Amsterdamsche burgerij op het gansche Koninklijke Huis.Lang leve onze geliefde Koningin met onzen hoog vereerden Prins der Nederlanden! Leve H. M. de Koningin-Moeder! Leve, groeie en gedije Prinses Juliana!”Heel Amsterdam gaf in die woorden van zijn burgervader uiting aan wat in ieders gemoed leeft.„De stad begint er weer gewoon uit te zien na die drukke dagen; hoe aangenaam ook, het gewone werken is toch beter vol te houden dan feestvieren, vindt u dat ook niet, Vader?”vroeg Ferdinand Gladschaaf.„Ja, jongen! de arbeid is een zegen Gods, Wee! die niet werkenwil, als hijkan. Allen zijn diep te beklagen, die om werk vragen en het niet kunnen krijgen; maar Ferdinand, zulke dagen van algemeene vreugde door het verblijf der Koningin en dan nu zoo geheel anders nog door de komst van ons Prinsesje, o, zulke dagen doen mijn hart zoo recht goed.”„Hoe bedoel je dat, Man?”„Wel, de vreugde over het aanschouwen van onze Vorstin, de blijde juichkreten als Zij in ons midden is, de blijdschap van jullie jongeren vooral, dat je zóó en zóó dikwijls de Koningin, den Prins en Prinses Juliana gezien hebt, dat doet me telkens denken aan wat mijn vader me vertelde. Hij ging juist eens den Dam over, toen Koning Willem II op het balcon kwam. De held van Waterloo en van den Tiendaagschen Veldtocht werd zeer bemind en gevierd. Vader staat stil en juicht hartelijk mede en wil daarna (hij was op weg naar een klant,) verder gaan, toen een buitenman tot hem zegt: „Wat een gejuich.” „Ja,” zegt mijn vader, „als de koning zich vertoont, is het volk verheugd!” En de buitenman zegt: „Wat zal het zijn als de hoogste Koning komt!”„Dan is er eeuwige vreugde en blijdschap op hunne hoofden,” luidt vaders antwoord.Die twee onbekenden zien elkaar blijde aan en drukken elkander de hand; wel bewust dat zij eenmaal dien Koning in Zijne schoonheid zien zullen.”Het gesprek aan de koffietafel bij de Gladschaafsliep nu van zelf over allerlei bijzonderheden, in hun familie vroeger voorgevallen en terwijl zij daarover kouten, luisteren wij nog even aan de keukendeur der zoo gezellig saam levende dienstboden in Dora's thuis.„Weet je al Greta, dat de Koningin, 'k denk puur om jou te plezieren, de armen zoo goed bedacht heeft?”„Och, kom Anton, plaag me niet.”„'t Is de zuivere waarheid, maar de Koningin doet het altijd bij Haar vertrek, weet je.”Allen hadden schik, dat Anton Greta in het zonnetje zette; maar in de eetkamer zat de kleine meid, anders de vroolijkheid in eigen persoon, bedrukt te kijken.„Dora, kindje, wat scheelt er aan?” vroeg haar Papa; „je eet niet en je kijkt telkens naar de ramen, waar denk je zoo bedrukt over, kleintje?”„Neen Papa, mij scheelt niets, maar.... maar.... De Koningin is weg, de Prins is weg, Koningin Emma ging van daag weg en het duurt een heel, heel jaar voor ik ons lief Prinsesje, de snoeperige Juliaantje weer zien kan.”De waterlanders stonden op het punt van tekomen, en Mijnheer keek Mevrouw vragend aan.„Ze is zeker wat moe van al het genieten, niet waar, Mademoiselle?”„Ja, Mevrouw, ze zal enkele avonden vroeger naar bed moeten gaan, dat helpt het beste.”„Ik wil wel om 6 uur naar bed, als alles maar wat langer duurde. Kijk daar breken ze aan den overkant de versieringen al weg; en morgen kan niemand meer iets zien van al het moois, dat hier in Amsterdam was voor ons lief Prinsesje.”„Nu,” zei Jet, „vertel jij dan aan je poppekinderen, dat Papa en Mama, evenals meer dames en heeren besloten hebben, die bloembakken voor de ramen te laten blijven en ze telkens weer te laten vullen, dan zal het je zeker helpen om zonder tranen nog dikwijls aan het versierde en jubelende Amsterdam te denken en als Prinses Juliana het volgende jaar weer hier komt, wie weet hoe dikwijls jij Haar dan zien zult!”decoratieve illustratie3)School door Z. M. koning Willem III gesticht voor de kinderen van allen, die op het Paleis of in het Park op 't Loo dienst doen.randrand
rand
rand
decoratieve illustratie
Een jubelende Stad.
(Van 26 Mei–2 Juni 1910.)
„Wat duurt een jaar toch vreeselijk lang!” zoo klaagt Dora op Kerstdag 1909. „Verleden Kerstfeest mocht ik niet naar de kerk om mijn verkoudheid en van 't jaar mag ik nog niet op Oudejaarsavond opblijven, omdat ikpas7 werd!”
„Je hebt 't hard, zusje! Met ons is 't net zoo gegaan; behalve dat wij niet naar zooveel pleziertjes mee mochten als jij; want toen was Guus een jongen en Jet bezat nog geen Sjoerd om te vragen voor haar en ook voor de kleintjes; wees maar getroost, als je 10 wordt ga je mee naar de avondkerk en blijft tot over 12 uur op!”
Veel uitwerking oefende deze troostrede niet; de afleiding door Jans verhalen over alles en nog wat hielp veel beter. Lize, ruim 4 jaar ouder, tamelijk ontwikkeld, heel flink voor haar leeftijd, kon niet meer zoo in alles met Dora meedoen; daardoor voelde de kleine meid zich soms eenzaam; al bleef ze ieders speelpop en liefling; terwijl Mama wel zorgde, dat ze niet bedorven werd.
Eén onderwerp vooral kwelde, met steeds wederkeerend en vermeerderend ongeduld haar kleine hersens, n.l. 't verlangen omons Prinsesje in Amsterdamte hebben. Als Dora daarover begon, kwam er niet spoedig een eind aan. In Den Haag had zeHet Liefjezien voorbijrijden, toen ze gedoopt zou worden; maar die Hagenaars zagen Juliana, (ze zei meestal familiaar Juliaantje) meest alle dagen! En op Apeldoorn ging het ook al zoo. Nu eens het Prinsesje met freule van der Poll en haar kinderjuffrouw en dan eens, veel mooier: Juliana op den schoot der Koningin in 't rijtuig.
't Heugde Dora als gisteren: dat op een zonnigen dag even voor 12 uur H. M. met HaarDochtertje de Koningsschool3)te Apeldoorn voorbijreed; daar stormde de jeugd juist naar buiten. „Hoera! Prinses Juliana!” en roepend omstuwden ze het hofrijtuig, tot groot vermaak der kleine Prinses. Luid kraaide Zij en schudde, uit eigen beweging, zoo hard Zij maar kon Haar rammelaar!—„Hè! zoo iets moois moest ik eens beleven, zooheel gewoontjesde Koningin en het Prinsesje vlak bij te zien;” riep Dora uit toen Gustaaf, de wandelende courant, haar dit berichtje vertelde; en haar verlangen naar de komst in Amsterdam, vanons Prinsesje, het snoezige Juliaantje, nam gestadig toe, al zou het dan niets gewoontjes wezen.
Daar vertelt Papa op zekeren dag aan tafel:
„'t Is beslist, de Koningin, de Prins en de Prinses komen 26 Mei in Amsterdam.”—Spijt alle goede manieren, gooide Dora vork en mes neer en danste uitgelaten van blijdschap de kamer rond. Papa's lachlust redde haar van straf.
„Dat belooft wat als we zoo ver zijn,” merkte Mademoiselle met een zucht op; doch Mevrouwstelde haar gerust. „Dora is eerst uitgelaten in het vooruitzicht van eenig lang gewenscht genot, Mademoiselle; maar dan gaat ze er over denken, zich alles en nog wat daarvan voorstellen; en feitelijk geniet ze dan vooruit, onderwijl en naderhand; maar meer in stilte; zoo is ze altijd geweest, het lieve kind.”
In alle kringen loopen weldra de gesprekken over niemand anders dan H. M. en Prinses Juliana. Hoe Haar te ontvangen, wat men zal doen, wie mee zal werken, waar alle vreugdebetoon zal plaats vinden? Wel ging het niet toe als in Almen ten tijde van den Hoofdigen Boer, waar men het 3 maal 30 dagen had over: palen, balken en planken en weer 3 maal 30 dagen lang over: balken, planken en palen; maar toch men leest geen dag- of weekblad, men hoort van geen vergadering of men denkt aan de komende feestweek; en als Mei in het land komt ziet men al hier en daar allerlei toebereidselen maken.
In den Gemeenteraad krijgt een mooi plan zijn beslag, en het middelpunt van alle feestelijkheden De Dam vaart daar wel bij. Drie dagen vóór H. M. komt, heeft Mademoiselle reeds beloofdde dagelijksche wandelingen in ontdekkingstochtjes te herscheppen; en, door mijnheer gerustgesteld omtrent haar eigen veiligheid en die harer leerlingen, zou men allerlei buurten doorkruisen.
„Maandag, 23 Mei,slag bij Heiligerlee,” zegt Lize met een blijden lach „en wij, Oranje ter eere! naar.... ja, waarheen? Wat is klaar, Gustaaf?”—„De Dam pas Donderdagochtend, in de Kalverstraat is men nog druk aan 't werk. Gaat naar de nieuwe wijken, daar is veel gereed. Mademoiselle, begint u maar met de brug aan de Ferdinand Bolstraat, dan langs de Stadhouderskade naar het Rijksmuseum, 't hoofdkantoor van de tram, over Leidsche- en Koningsplein naar de Doelenstraat, zoo naar de Jodenbuurt, door de Hoogstraten naar de Warmoesstraat en over de Nieuwe Brug langs 't Damrak naar het Rokin en dan naar „de Bocht” en naar huis; dat is een tocht voor van daag; u moet tusschenbeide een eindje trammen doch 't is warm genoegmetde meisjesbuiten op. Veel genoegen kleintjes!” sprak zeer beschermend de oudste broeder.
De aangegeven weg door Lize vlugjes opgeteekend geeft groote voldoening aan de wandelaarsters.De brug over de Stadhouderskade gaf zoo iets geheel anders te zien dan naar gewoonte. Ida teekende die in haar zakboekje aan onder 't opschrift: „de illuminatie.”
„Die 5 eerepoorten tusschen het Rijksmuseum en de IJsclub, wat zijn die mooi en overal reuzen van J's; de 3 Amsterdamsche kruisen met franjes; en die zuilen zoo mooi wit geschilderd; en al die deviezen, 't is eenig fraai,”roept Lize telkens uit.
„Zal de Koningin ze lezen, eerst: „Dieu aide Orange!” en dan die 9 andere?” vraagt Dora.
„'t Rijtuig zou dan stil moeten houden, en daarvoor heeft H. M. geen tijd,” zegt Mademoiselle.
„Is 't niet jammer, als alles zoo gauw voorbijgereden wordt en de Koningin onderwijl nog zoo onophoudelijk buigen en groeten moet, Mademoiselle?”
„Dora, men zal de Koningin wel van alles verteld hebben of afbeeldingen er van geven; maar als jelui hier zoo blijft studeeren, komen we niet verder; vraagt de Hollandsche juffrouw er maar naar; die kent die spreuken op haar duimpje.”
„Ida, schrijf je dit op, om bij de illuminatie te gaan zien?”
„Neen, die Latijnsche spreuk: „Saevis tranquillus in undis”, schrijf ik op. Ze komt me bekend voor. Is ze van Maurits of Prins Willem, Lize?”
„Saevisissauvé;tranquillusistranquille;undisisondes; dat zou wel kunnen wezen. „Gered, veilig in de baren;” maar mee, gauw, Mademoiselle is vooruit, pas op, maak haar niet boos.”
Kijk, voor het kantoor der trams net een brug; een tram zoo groot als een echte er midden op, niets ontbreekt aan het vernuftige latwerk, wit en oranje van kleur, met groen en vlaggen gesierd. De meisjes blijven staan om te bewonderen; Dora begint de electrische knoppen te tellen, die den avond in dag zullen veranderen. Een heer ziet het opgetogen, aardige drietal en vertelt ze, dat het personeel van de bureaux alles zelf bedacht heeft, dat die doorvaart 12 M. wijd is, de lantaarns op de brug 5 M. hoog zijn en 's avonds, alles schitterend geïllumineerd, door H. M., door den Prins en Koningin Emma bewonderd zal worden, maar niet door ons Prinsesje, die moet in Haar wiegje.
„Naar de Leidsche straat, Mademoiselle!” zegt Lize en weldra valt het „Welkom Prinses Juliana”allen in het oog; de wapendragers aan de huizen met de verdere gevelversiering van sparregroen en de vlaggen er tusschen in, staan allerliefst. Daar is de Heerengracht met de vierkante kronen aan kabels opgehangen;„jammer dat die niet Oranje, rood, wit of blauw zijn geverfd, vindt je ook niet, Ida? Zou men touw kunnen verven, Mademoiselle?”
„Ik weet het niet, maar als die vierkante daken leeg blijven hangen, zal 't raar staan.”
„Er komen oranjekleurige lampions als omgekeerde kronen in te hangen,” verzekert Gustaaf; „het zal 's avonds mooier wezen dan over dag,” beslist Lize.
't Hotell' Europevindt beter genade in de oogen der wandelaarsters, die verklaarden geen vermoeienis te voelen. En 't eilandje in de Kloveniersburgwal, waarvan een oud heer, die juist zijn woning verlaat om naar de beurs te gaan haar vertelt, dit aardige stukje gronds is 12 bij 21 M. en het lichtstuk in het midden, tot 12 Meter hoog, zal zelfs op 't Rembrandtplein gezien worden.
Door Hoog- en Damstraat wordt weldra de Vijgendam bereikt; daar vertoont een geschilderdbaldakijn H. M. in 1890 en in 1898 met Koningin Emma tusschen beide beeltenissen in, terwijl de achterkant de opening van het Merwede-kanaal voorstelt. Alle andere baldakijns spreken ons van de Nederlandsche koningen en enkele hunner daden. Koning Willem III in de Bommelerwaard, en H. M. met Z. K. H. in Zeeland, beide bij de overstroomingen, de eerste in 't bootje en dezen uit de auto stappende, zijn treffend afgemaald! Waterloo's slag, naar Pienemans stuk, vertoont de achterzijde van Willem II en Anna Paulowna, en de Scheveningsche bom, die den Oranjevorst in 1813 terugvoert, brengt ons aan het uiteinde der Warmoesstraat, langs welker gevels kleine onderling verbonden schilden de namen te lezen geven veler steden en dorpen, terwijl hun eigenaardige nijverheid door de benoodigde werktuigen wordt voorgesteld.
Toen van het Centraal-Station naar huis.
Den volgenden dag krijgt de Hooge Sluis een, beurt van de meisjes, van nabij een boot vol bloemen gelijk, zien ze van de Magere brug, dat zij een groote kabelbrug voorstelt, die bij de illuminatie een betooverenden aanblik zal bieden.
Straten en grachten van Haarlemmerpoort en van Lennepkwartier, van Plantage en Muiderpoort werden bezocht; en altijd weer nieuwe verbazing over zooveel verscheidenheid en vindingrijkheid in boog en guirlande, kroon en ornament, ten toon gespreid.
Hoe eenig schoon van Spui tot Heiligen weg die luchtige, groote, vergulde kronen, die in een priëel van groene slingers opgehangen, zelven boven sierlijke gulden bloemenmanden zweven. „Als de electrische gloeilichten daar 's avonds bij ontstoken worden, zal dat eind Kalverstraat een tooverpaleis gelijken,” meent Mademoiselle.
„Eindelijk! Daar is de Dam, als we die eerepoort door zijn.”—„'t Is geen eerepoort, Lize; kijk maar 't is een deel van de Damversiering.”
„Ik zie den Dam niet meer, wel het Paleis en Naatje maar anders is de Dam weg!” riep Dora mistroostig uit.
't Duurde, een poos eer de 3 meisjes door Mademoiselle onderricht, wier geoefend oog ras de schoone idee dezer ongemeene versiering opmerkte, zich een heldere voorstelling konden vormen van de omtoovering, die had plaats gegrepen.Toen zij later de Julianabron met haar watervallen en opspuitende fonteinen in gekleurd licht zagen baden, het glanspunt vormende van den schitterend verlichten Dam, begrepen zij pas iets van wat Mademoiselle dikwijls over de schoonheid vanLa fête de NuitteVersaillesverhaald had.
„Is die groote tribune voor de hofhouding, Mademoiselle?”
„Neen, meisje, zeker voor genoodigden, gemeenteraadsleden en andere heeren met hun dames,” denk ik.
„Ja, Mademoiselle, Papa krijgt 2 toegangskaarten; hoe mooi zal men daar de Koningin op het balcon kunnen zien, en de optochthulde, en de aubade kunnen hooren. Ik wou, dat Papa er 10 had, dan zaten we er allemaal,” wenschte Lize.
25 Mei! Gelukkig! dacht dejonge jeugd, om met de Transvalers te spreken, gelukkig! nog maar één nacht! dan zien we Juliana!
„Wat, ga jij nu de stad uit, Greta, ik herken je niet! De Koningin hier, en jij weg?” zoo uitteMaria Gladschaaf haar verbazing in den vroegen morgen van dien 25n van Bloeimaand.
„Weet je de schikkingen niet? Ferdinand gaat met jou en Coosje (zijn knechts krijgen vrije middagen met behoud van loon) naar den intocht van de Koningin, den Prins met ons Prinsesje kijken; Fer kan niet op 3 vrouwlui passen, naar hij zegt; Tante heeftmijmorgen in Haarlem genood. Om nu zeker te weten, dat de trein mij meeneemt, ga ik om negen uur naar de Bloemenstad. Jij bent zeker van Fers bescherming en een goede plaats op morgen.”
Maria jubelde en gunde, (trouwens die goede gewoonte was bij de Gladschaafs inheemsch,) haar zuster dit extraatje.
Daar stonden ze dicht opeen gepakt, de Amsterdammers. Sommigen al om 7 uur op het Stationsplein gekomen om een uitgezochte plaats te veroveren en die tot 5½ uur als het Prinsesje kwam te bezetten! Geen veldheer verdedigde een pas veroverde vesting met meer trouw, met meer liefde dan zij die 2 voet gronds!
Gustaaf kortte den tijd van wachten voor Jan en Louis (hij liet zijn mede-studenten alleen omzijn broers te helpen, hij is toch een beste? je ware!) door hun de pas bekende aankomst van Z. K. H. te verhalen.
„De Prins stoomde na de begrafenis van koning Eduard VII naar Edinburg. Hij houdt veel van de zee, daar is de Prins een Mecklenburger voor.”
„Ga maar voort, Guus, 'k weet nog alles van Hem en de Berlin,” vermaande Louis.
„Van nacht om 12 uur kwam „de Heemskerck” aan de sluis te IJmuiden; een heer van het Handelsblad mocht aan boord komen en met een ander de reis meemaken. De Prins op de brug naast den gezagvoerder riep door de duisternis: „Goeden avond heeren,” ze waren alleen zichtbaar door het licht der seinlantaarns, want 't was knap donker. Om half één ging de Prins naar kooi. Om 3 uur lag Hr. Ms. „Heemskerck”, de Prinsenvlag in top (tegenwoordig zonder gekijf zou de Hollandsche juffrouw zeggen) voor den ingang van het Oosterdok. Ongeveer half 10 verkondden de vuurmonden van de Heemskerck al bulderende, dat de Prins in de admiraalsloep, nù met de Prinsenvlag gesierd, naar het Centraal Station voortschoot, en de Prins als vice-admiraalgekleed stapt onder luid gejuich aan wal en wordt door burgemeester Roëll welkom geheeten.
Vergezeld van den burgemeester in ambtsgewaad, kwam Z. K. H. in de koninklijke wachtkamer.
Opgelet jongens, als de Koningin aan de grens van Amsterdam komt, wordt er een koninklijk saluut op de „Heemskerck” gelost, meteen zal de grootste klok van den Wester geluid worden en ook de Beursklok; en de klokken op het paleis spelen: „Dankt, dankt nu allen God.””
„Guus, Vincent speelt niet, maar slaat op zijn toetsen,” viel Louis hem in de rede.
„Slaat, hoe kom je daaraan; 't is net een reusachtige piano, de toetsen zijn niet met ivoor overdekt, maar anders”....
„Toen we laatst met Mademoiselle het paleis gezien hebben, zijn we ook op den toren geweest en de torenwachter”....
„Mis, Louis! die zijn er niet meer; hij was een beambte ten paleize,” verbeterde Jan, „die”....
„Vooruit dan!”
„Achteruit gaat hier beter, dan neemt een ander je mooie plaats!” spotte Jan.
„'t Doet er niets toe, die ten paleize dan, zei tegen mij, toen ik hem vroeg wat die schermhandschoenen daar moesten doen. „Jongenheer, die zijn van mijnheer Vincent om de klokken te laten spelen, anders zou mijnheer zijn handen stuk slaan, om die groote, zware klokken te doen bewegen,”—dus Gustaaf....”
„Hoor, hoor!boem! boem!dat is het kanon! De trein komt dadelijk. Goed kijken, jongens!”
De halzen uitgerekt, de oogen turende op den uitgang van het koninklijk paviljoen, dachten Jan, en Louis over niets meer dan hoe hard ze hoera! zouden roepen.
We laten ze juichen en zien ondertusschen, hoe H. M. uit het salonrijtuig van Koningin Emma gestapt, (want Prinses Juliana komt in het eigen salonrijtuig Harer Koninklijke Moeder van het Loo,) vroolijk op den Prins-Gemaal toetreedt, een echt hartelijke ontmoeting! In de wachtkamer is te midden der hooge heeren de kleine Willem Roëll, zoontje van Hr. Ms. vroegere hofdame, een door H. M. zelve ten doop gehouden petekind; de kleine man maakt echt kranig een hoflijke buiging voor ons aller Koningin; die weldra, naop het stationsplein van een lief klein meisje een bouquet te hebben aangenomen, onder het spelen van het Wilhelmus, zich in Haar rijtuig neerzet en langs den korten, maar zoo vroolijk gesierden intochtsweg onder de aloude driekleur den Dam bereikt.
Op den Dam! O, op den Dam! Daar is het heerlijk!
Hoe goed ook gedrild, de paarden der huzaren sidderen, steigeren of brieschen, toen, na al het gejubel onder het oprijden van den stoet, en enkele oogenblikken van stilte, de balcondeuren opengaan en wij weer voor het eerst na 1908onze Koninginop het balcon zien verschijnen! De luide hoera's stijgen op, het koper schalt met zijn doordringende klanken de nationale en de stedelijke blijdschap uit! De Koningin buigt, de Prins slaat aan, de ovatie wordt herhaald en herhaald, en vol welgevallen slaat het Koninklijk Echtpaar de geestdriftig juichende menigte op den versierden Dam eenige minuten lang gade, om na nog een buiging, en nog een groet naar binnen te gaan.
Tot vertrekken was Jan noch Louis van hetC. S. te bewegen. „Nu we hier zoo'n beste plaats hebben Guus, blijven we tot de Koningin naar Haarlem gaat; dan hebben we Haar vandaag ten minste tweemaal gezien.”
„Wat zal Mama zeggen?”
„Hun hoofd is op hol, ze denken om eten noch drinken dezer dagen.” „Dat zul je hooren, en we zijn vóór 12 thuis; ga maar heen we passen wel op ons zelf.” Gustaaf vond het voor Louis wel wat gewaagd in die drukte en bleef bij hem.
Terwijl H. M. de hoofdstad der provincie bezoekt, waar men sedert 1897 de Koningin niet had mogen begroeten, trekt door Amsterdam een eigenaardige optocht van versierde expeditievoertuigen.
„Anton, vondt je 't mooi, die optocht?” vroeg Greta onder de thee in de keuken.
„Mooi, neen, zeker niet, wel aardig. 't Is leuk bedacht en nog leuker gedaan en de muziek op die wagens er bij maakte het vroolijk; en dan, de menschen moesten nu toch van middag wat te zien hebben, terwijl we op het Prinsesje wachtten. Maar je kon er wat van leeren as je om die steenkolenmijndenkt; hè, wat een ellendig leven hebben die mijnwerkers; honderden ellen onder den grond en dan lees je zoo dikwijls van ontploffingen en overstroomingen in zoo'n mijn; 'n mensch moet er niet aan denken, als je de kachel opstookt, brrr!”
„Grappig vond ik die meisjes in die groote lijst van spuitwaterflesschen,” zei Anna; „'t is te hopen, dat ze geen dorst kregen, anders was 't om tureluursch te worden.”
„O, en dan die waschinrichting-reclame! Eén wagen met waschmanden vol bloemen en een met een wasch op de lijn; die vond ik het dolst,” bracht de keukenprinses in.
„Neen, die kippenloopen met al die kakelende kippen en kraaiende hanen, die maakten iedereen aan het lachen,” meende het schellemeisje.
„'t Fijnste van alles gaf 'n bloemist; 6 jonge meisjes in het wit in een gazen tent geheel versierd met rose rozen,” sprak Ida, die juist iets kwam vragen.
„En als de oudste juffrouw trouwt, laat ze in Friesland tegen de vochtigheid daar, zeker zoo'n huis van luchtbanden bouwen, net als op dienwagen van de autofabriek stond, jongejuffrouw?” vroeg Anton lachende.
„Wie weet wat ze doet, maar haal me gauw die groote doos voor bloemen, Mevrouw zegt dat jij ze 't best op zolder vinden kunt, Anton,” en weg was ze om toch niet te veel van het gesprek binnen te missen; 't gesprek over het glanspunt van dien 26n Mei, de intocht van Prinses Juliana!
„Zit je goed Coosje? Jij ook Marie?” aldus onderzocht Gladschaaf Jr., toen vrouw en zuster een uitnemend hoekje innamen, van waar ze over een paar uur Prinsesjes blijde inkomst zouden aanschouwen.
„Wat een mooi gezicht al die vereenigingen en corporaties met hun banieren langs het Damrak en hier op het Stationsplein; 't lijkt op den intocht van de huldiging, vindt je niet Ferdinand?” vroeg zijn vrouw.
„O ja, daar heb je groot gelijk in en 't is zulk mooi weer!”
„Wat zag de Koningin er nog jong en lief uit.”
„H. M. is nog niet oud, al is het 12 jaar geledenen ze vertellen, dat de Koningin er heel goed uitziet en weer veel jonger dan voor een paar jaar.”
„Echte vrouwenpraatjes,” zei de jonge man; „Marie me dunkt het is een historische datum vandaag, help me eens.”
„Zeker, 1578, Amsterdam verlaat de Spaansche zijde op 26 Mei; die roemrijke omwenteling zonder bloedvergieten. Toen was het ook vol op den Dam.”
„Je hebt gelijk, waar Naatje staat, bevond zich de wolwaag, daar stormden de gewapenden uit naar het Stadhuis, en ze brachten de vroedschap op de schuiten, die in het Damrak lagen bij de Papenbrug hè?”
„Juist zoo, Fer; en allen jammerden, want ze meenden men zou hen nu eens verdrinken; maar ze werden alleen netjes aan den Diemerdijk gezet; 'k zei van morgen tegen Vader: Zonder 26 Mei 1578 hadden we heden dezen dag hier niet.”
„En wat zei Vader toen, Marie?”
„Wie weet kind! Wie weet! En hij voegde er bij:
De verlichte Westertoren te Amsterdam.De verlichte Westertoren te Amsterdam.
De verlichte Westertoren te Amsterdam.
Weg heeft Hij allerwegenEn middelen zonder tal,Zijn doen is louter zegen.
Weg heeft Hij allerwegenEn middelen zonder tal,Zijn doen is louter zegen.
Toen keerde hij zich om en ging uit.”
Al pratende bemerkte dit drietal, hoe allengs de tijd verliep; en ze in hun hoekje van alles konden waarnemen.
„Daar staat de gouden koets voor de koninklijke deur, Fer!”
„Ja, in 't Ochtendblad werd verzekerd, dat Prinses Juliana daarin zou binnenrijden.”
„Wat is de Koningin toch beleefd en dankbaar; de eerste keer dat het lieve Kind hier binnentrekt, gebruikt H. M. het geschenk der Amsterdammers; evenals toen Prins Hendrik de eerste maal hier was; toen is het Koninklijk Paar in de gouden koets naar den Schouwburg gereden. Het leek wel een sprookje; zoo schilderachtig zaten die twee daarin, ik zie het nog als ik m'n oogen toedoe.”
„Niet zoo familiaardie twee; Coosje, Coosje! Maar zeker zal de Koningin het Prinsesje dan op Haar schoot nemen; dat zal ook een sprookje lijken;” zei Marie.
„Houd stil! Gauw! hoor de muziek!” riep Gladschaaf thans.
„Kijk, kijk de Koningin draagt zelve Haar Kindje, hoe snoezig, hoe moederlijk! Nu de koets in; daar zit ons Prinsesje op Moeders schoot!”
Het is een schoon, overweldigend oogenblik van hooge, nationale geestdrift, het is niet te schilderen! Die jubelkreten, dat buigen der vaandels en banieren, die honderdduizenden, dicht opeengepakt, verlangend, reikhalzend om de jongste Oranjespruit te aanschouwen! En stapvoets gaat de sprookjeskoets verder, door zes prachtige, zwarte paarden getrokken, van den bok door den gepruikten koetsier gereden en à la daumont bespannen. De Koningin neemt het handje van Haar Dochtertje en laat het Haar juichenden Amsterdammers toewuiven; 't lijkt wel alsof Prinsesje schik heeft in al dat gejubel.
Daar komt de stoet voor het paleis. De Koningin wendt het Prinsesje naar rechts en laat Haar aan de Janmaats der eerewacht het eerste zien. Even stilte, want de Koninklijke Familie heeft de gouden koets verlaten, aller oogen richten zich naar het balcon.
Daar gaan de deuren weer open, de Koningin verschijnt, neemt plaats op een zetel en toont de vorstelijke telg zittende op Haar Moeders schoot! Even huilt de kleine, geen wonder! Zoovele stemmen, zoovele kreten, zulk een gejubel zou een grooter kind ontstellen; maar 't is gauw over; Moeders schoot is ook voor een vorstenkind de veiligste schuilplaats.
De menschen genieten van dien aanblik en jubelen het blozende, allerliefste gezichtje tegen, dat verwonderde, groote oogen opzet of naar Haar Koninklijke Moeder vertrouwelijk opziet.
Niemand werd het jubelen moe en zelfs toen de Koninklijke Familie naar binnen ging klonken de hoera's nog helder en blij op!
Wel te rusten Prinses Juliana! We zien elkander weer!
De 2 kaarten van Papa worden niet vervijfvoudigd naar Lize's wensch, doch dijen wel genoegzaam uit om de vrouwelijke oogen in staat te stellen H. M. voor de aubade op het balcon te zien komen met Prinses Juliana op Haar arm. Daar kijken de lieve, blauwe oogjes neer op dieduizenden totHaaropgeheven, blijde gezichtjes. De vlaggetjes met hun kransjes, (de firma Simons maakte ze in enkele dagen alle 8000, van duizenden oranjebloempjes, groene blaadjes en een half millioen meter lint) worden gezwaaid, de stemmetjes roepen Hoera! Hoezee! Oranje boven! Leve 't Prinsesje, van alles, weer door Hoera's overstemd!
Maar de heer den Hertog heft den dirigeerstok op, na enkele oogenblikken van stilte ruischt het echte, het geliefde volkslied door de lucht; zang en orkest hebben coupletten van het Wilhelmus (nieuwe zetting) geëindigd. Daar schalt het Oranjeliedje, gevolgd door Heye's vlaggelied (getoonzet door Wilhelmus Smits.) Hadden die twee dàt eens beleefd; zóó mooi gezongen; zóó vol gevoel, die verheerlijking van onze dierbare driekleur, en nog wel voor zulke doorluchtige ooren, ter eerevanhet aanvallige, afgebeden Kindje!
Reeds wordt het vlaggelied gevolgd door 't aardige versje, zóó gepast voor deze gelegenheid vervaardigd: „Ons Prinsesje.” De kleine zangers en zangeressen leggen er al hun liefde en geestdrift in, en Ons Prinsesje, dat daar boven hentegen de ruiten klopt, kiekeboe speelt of weer naar al die kindertjes kijkt, neemt overal deel in op Haar manier. De dichter Nijk en de componist den Hertog, die twee genoten, in levende lijve, van hun welgeslaagde poëzie en muziek. Wel hebben de zangertjes hun best gedaan, want onberispelijk heffen ze nogmaals het Wilhelmus aan, nu naar de oude zetting en dat.... zonder orkest!
De Koningin blijft, zichtbaar ontroerd, even zwijgend toeven; daarna laat H. M. de heeren Prof. Fabius, den Hertog, en Nijk bij zich nooden.
„Ja, Mama, die eerste is de professor, de tweede de heer die de maat sloeg, ze gaan met een derde naar binnen; nu moeten we tot van avond wachten eer we hooren wat de Koningin zegt.”
„Kijk Ida, Dora, Mademoiselle! daar komt de professor op den hoogen stoel; hij roept wat door een koperen spreekbuis.”('t Was een scheepsroeper!) „De Koningin laat de kinderen zeer hartelijk bedanken, dat ze zóó mooi en zóó treffend hebben gezongen; en de onderwijzers voor de vele zorgen door hen aan het instudeeren besteed. De Koningin heeft de aubade heel mooi gevonden!”
Die boodschap wordt met luid gejubel, gewuif en vlaggengezwaai van die 8000 jeugdige Nederlanders ontvangen. Nogmaals hoera! en hoezee! Leve 't Prinsesje; en 4 aan 4 trekken ze de Nieuwe Kerk weer in, even ordelijk als ze er uitgemarcheerd waren.—Alle kinderen ontvingen een portret van het Koninklijk Gezin, opzettelijk vervaardigd voor deze gelegenheid.
„Jammer dat wij niet schoolgaan! hè Ida en Lize? Het Prinsesje staat er zoo snoeperig lief op, Juliaantje steekt haar dikke poezelhandje in de blouse der Koningin! Ze is om te stelen, zoo lief! Ga mee naar beneden, het nichtje van Anna heeft meegezongen, zij is in de keuken om het haar tante te laten zien; Anton riep mij daarvoor,” zoo uitte Dora haar bewondering voor de koninklijke gift aan de zingende kinderen!
„Ja, het is allerbeelderigst!” betuigden de grooteren,„en de datum staat er onder gedrukt en het is zoo lief op licht bruin karton afgezet; 't is wezenlijk fraai!”
Niet alleen H. M. onderhield zich met de 3 heeren, de Prins betuigde zijn verbazing over de buitengewone eenheid in den zang van dit reusachtigkinderkoor. Wel wist Z. K. H. dat de heer den Hertog 8 maal met telkens 1000 kinderen gerepeteerd had, maar zulk een eenheid had Z. K. H. voor deze uitvoering niet mogelijk geacht.
H. M. huldigde den heer den Hertog voor de toonzetting en uitvoering van „Ons Prinsesje.” De Koningin sprak van de bekoring, die de tekst van dit liedje op Haar had uitgeoefend; en ook verblijdde H. M. zich, dat Prinses Juliana zich tijdens de uitvoering zoo goed had gehouden.
Dit laatste gaf gewis 't grootste genot aan de zingenden, reeds opgetogen door de onderscheiding dat zij de Amsterdamsche schooljeugd vertegenwoordigden en daarbij van ochtend de zoo mooi versierde Dam heel alleen voor hen was.
„Al worre me kindere 100 jaar, ze vergete van daag nooit meheer,” zoo sprak een moeder uit het volk, die vóór 8 uur bij den Dam was met de kleintjes, en den vorigen dag, daar op het trottoir, met allen gekampeerd had van 8 tot 5½ uur om alles te zien, slechts nu en dan op den rand gezeten om van het meegebrachte brood en de flesch koude koffie te gebruiken.
In de Van Speykzaal sliep ons Prinsesje zekerrustig en goed, al weet Zij in de eerste jaren nog niet wie de meubelen daarvan bestelde; n.l. Z. M. Willem III, en dat, toen de Kon. Tapijtfabriek te Deventer schreef geen tapijt in enkel rood en zwart, voor die zaal passende en dat de fabriek eer aan zou doen, te kunnen leveren, dat toen Z. M. zelf een teekening ontwierp, waarnaar het kleed in de Amsterdamsche kleuren vervaardigd werd en ook Koning Leopold behaagde, toen deze vorst in 1883 door Z. M. ten paleize alhier ontvangen werd. Het vervaarlijk groote ruiterbeeld van Koning Willem II stond toen nog in de groote zaal, waarboven de vlag van Chassé hing, die vlag werd door Leopold II opzettelijk gegroet. Hij zeide: „Hulde aan den dappere!”
„Vooruit dan,” zou Louis roepen en hij heeft gelijk. Daar staat het hofrijtuig en Prinses Juliana rijdt met Freule van der Poll en juffrouw Manting uit. Voor het eerst komt de wacht in het geweer voor de Prinses alléén! Wacht maar! Nu draait Zij het hoofdje slechts om naar de mannen in uniform, over een paar jaar, zal Juliana, net als ons Prinsesje Wilhelmientje, de wapens groeten met haar handje. „Ze keek naar ons, zag julliehet wel?” zoo vraagt men elkaar. En onwillekeurig komt de geschiedenis van den schildwacht bij den tuin van het Noord-Einde op het tapijt.
Daar in een eenzaam hoekje op post, ziet hij de verpleegster met 't Prinsesje op den arm in den tuin komen; goed soldaat als hij is, presenteert hij het geweer. De zuster ziet er niets van, de kleine Hoogheid nog minder, doch Prins Hendrik, juist voor een der ramen in den achtergevel, merkt het op. De schildwacht wordt afgelost en moet op orde van H. M. (aan wie Z. H. het verteld had) in het paleis komen. De Prins prijst zijn gevoel van gehoorzaamheid, en uit naam der Koningin ter gedachtenis aan het feit dat de Prinses heel alleen een eersten militairen groet ontving biedt Z. H. hem de keus aan tusschen een juweelen dasspeld en een gouden horloge met toepasselijk inschrift.
Waarheen is de Prinses intusschen getogen? Naar het Vondelpark; heeren bestuurders van dit park, door rijke en vermogende Amsterdammers voor hun stadgenooten aangelegd en onderhouden, hebben H. M. een afgerasterd gedeelte tot kindertuin voor ons Prinsesje aangebodentijdens Haar verblijf in ons midden. Dankbaar aanvaardde H. M. deze vriendelijke schikking. Daar kan het lieve Kindje zonder gedrang of gedruisch frissche lucht genieten. En waarin rijdt Prinses Juliana rond? In den Zeeuwschen wagen. 't Is te hopen dat de Zeeuwen van de Zanghulde dit eens gaan zien, ze zullen er in groeien! Wij Amsterdammers althans vinden het uitnemend dat de Prinses in onze wieg rustte, al bood Moeders eigen kinder-slaapstede Haar voor den nacht een gezelliger hoekje.
Soms tweemaal per dag gaat het lieve Kindje naar haar tuin; op het gras dicht bij den vijver wordt Haar wagen gereden en kijkt Zij naar de zwanen. Op heen- en terugtocht altijd honderden om ons Prinsesje te zien. Eens, daar bemerkt het scherpziend oog eener moeder, dat de kleine Prinses op weg naar huis begint te knikkebollen. „Ze is zeker moe, laten we niet hoera roepen!” Dit liefdevol besluit vindt dadelijk instemming. Zij legt haar vinger op den mond, dit wordt nagevolgd; de wacht wordt gewaarschuwd en komt naar buiten, doch de trom zwijgt, en ingesluimerd wordt het Liefje naar binnen gedragen. Zoo vindtde wacht het ook goed, al kregen ze er al schik in, dat Prinses Juliana soms naar hen omkijkt over den schouder der verpleegster heen.
„Gauw, gauw! Jan en Louis,” roept een hunner vrindjes, die juist vernomen heeft, hoe ons Prinsesje van morgen niet naar het Vondelpark rijdt en op weg is naar Artis. „Gauw, jongens! gauw op de fiets dwars door de Jodenbuurt zijn wij er nog eer!” Heelemaal lukte dit niet, maar toch zat Haar Hoogheid pas in den witten wagen, toen de knapen hun fiets stalden; doch H. M. die Zelve Haar Dochtertje bracht, Die hadden ze niet herkend in de eenvoudig gekleede dame, die naast den wagen ging.
„Gaat Prinsesje eerst naar het mooie apenhuis, wat denk je Jan?”
„Neen, Louis, die maken soms zoo'n geschreeuw—en dan kon ze wel eens schrikken; Ze zal de eendjes voeren.”
En zoo ging het ook. Bij den vijver gekomen nam uit een mandje Prinsesjes handje stukjes brood; doch als alle kleintjes, stak Prinsesje eerst wat in het eigen mondje; en bij den zwanenvijver gooide Zij onder luide toejuiching het heele mandjeal zwaaiende in den vijver. Een kiekje werd van H. K. H. genomen op den arm van zuster Manting. Daarna met Freule v. d. Poll tusschen de steenen, liggende beelden gezeten, werden twee lorretjes met hun standaards bij Prinsesje neergezet. Groote oogjes zette 't Prinsesje op, als die kromme snavels in het geweekte brood pikten en als ze hun mooie gekuifde koppen weer oplichtten, dan strekte de Kleine de handjes uit van pret.
„Kijk Jan! die is ferm hè?”
„Goed zoo, 't komt niet te pas,” zei hij.
Deze tweespraak betrof een juffrouw, die den wagen naderde en van 't Prinsesje een handje wilde hebben en voor die vrijpostigheid met de parasol van freule v. d. Poll, welke de lakei droeg, een tikje op haar vingers kreeg.
De freule schudt weldra de lakentjes en 't dekentje uit, want de kleine Hoogheid had wat gekruimeld, dekt alles met een fraai wagenkleedje toe en begeeft zich daarna met de kinderjuffrouw, die het Prinsesje op haar arm draagt, naar den Aquarium-uitgang, waar het hofrijtuig en een groote menigte het Kindje opwachten.
Het publiek, onderwijl veel talrijker geworden, gedroeg zich niet altijd zeer bescheiden, holde zelfs over grasperken heen, om dichtbij te komen; doch vergeeflijk was het misschien? omdat Ons Prinsesje pas voor de eerste maal in Amsterdam en in Artis kwam!
Kom vaak terug, lief Kindje! Bezoek dikwijls onze geheel eenige, en zoo rijke diergaarde!
„Daar is oom de burgemeester, en Jets aanstaande schoonpapa! Die gaan morgen naar het paleis voor de Cour van gelukwensching,” zoo verklaarde Lize bij de aankomst der twee eerste gasten, die van Amsterdams jubelen kwamen genieten. Niet alleen bij Dora's ouders, bij tal van andere Amsterdammers namen bloedverwanten of vrienden hun intrek, heden voor de Zanghulde, en later om den optocht en de illuminatie te zien.
Van het allerschoonste, het geheel eenige, dat de laatste te zien zal geven, kunnen we reeds genieten, van onzen Westertoren! Hoe onbeschrijflijk lieflijk en teeder schittert die goudglans, en geeft van omloop en trans, van kroon en kruis den omtrek nauwkeurig weer! De donkere torenis er als achter verdwenen en wordt slechts, als het uur slaat en de lichtjes dooven, weder als reusachtige, sombere massa zichtbaar! Maar dadelijk daarna gloeien ze weer aan de 5000 lichten, en pralen in stillen gloed, sprekende van Amstels blijdschap, nu Prinses Juliana voor het eerst binnen de gordel der 3 koninklijke grachten sluimert.
Nooit of nimmer heeft de gevel van ons statig paleis op den Dam zulk een gejubel van geestdrift gehoord, als toen H. M. met Prinses Juliana op den arm het balcon betrad. 't Leek wel of die 6000 dames en heeren uit alle oorden des lands met die 4000 kinderen alleen daartoe hier gekomen waren om voor Koningin en Prinses te juichen!
Maar 't doel hunner tegenwoordigheid reeds lang te voren vastgesteld is een zanghulde! Een Oranje-Nassau-Cantate op muziek van den heer M. H. van 't Kruys met woorden van den heer P. Landsman zal worden voorgedragen. Eén generale repetitie hield men van morgen achter Oranje-Nassau. En thans, Prinses Juliana zichtbaar voor een der ramen, H. M. en Z. K. H. gezeten op het balcon, daar klinkt de oproep:
„Blaast de bazuin, juicht nu vroolijk gij landen,Volk van de zee en gij volk van de stranden,Volken in Oost en in West!”
„Blaast de bazuin, juicht nu vroolijk gij landen,Volk van de zee en gij volk van de stranden,Volken in Oost en in West!”
Zij zullen ze lezen in Oost en West, die schoone Feest-Cantate en lezende zullen ze genieten. Maar daar, onder die heerlijke Meizon te hooren, hoe de paleisklokken den zang der kinderen daar van uit den koepel inluiden, hoe ze mede instemmen die muziekkorpsen, in dien feestzang! Dien zang zoo te hooren, uit naam van gansch een volk toegezongen aan Neerlands Koningin, toegezongen aan de Koningin, als Moeder, toegezongen aan den Prins-Gemaal, als Vader, toegezongen op huppelende tonen door de kinderen aan hun Prinsesje Juliana, toegezongen aan de (afwezige) geliefde Koningin-Moeder, eenmaal Koningin-Regentes, nu Koningin-Grootmoeder, 't is en blijft onbeschrijflijk, hoe die zang daar onder den vrijen hemel opklonk; en hoe de zangers bezield door Vondel met den Vlissinger in bond, in naam van de geheele natie, het hart verheffen in hun zang tot Aller Heeren Heer! om Hem te danken en hoe zij verklaren nimmer Zijn liefde en trouw te willen vergeten!
Niet minder geroerd dan 's morgens luistert het Koninklijk Echtpaar toe en volgt aandachtig den tekst der Cantate.
't Is voorbij! De laatste woorden, „Willem van Nassau,” zijn gezongen, de laatste tonen smelten weg. De zanghulde is geëindigd!—
Prof. Fabius en de heer Van 't Kruys worden bij H. M. ontboden, de dirigent-componist heeft de vriendelijkste gelukwenschen in ontvangst te nemen, Prof. Fabius krijgt in opdracht namens H. M. in de warmste bewoordingen aan alle deelnemers Hr. Ms. hartelijken dank over te brengen voor die uitvoering, voor die uitnemend geslaagde zanghulde, en Hr. Ms. blijdschap te betuigen dat eruit alle deelen des landsdeelnemers voor deze zanghulde zijn opgekomen!
Een luide ovatie beantwoordt Hr. Ms. boodschap en allen trekken in rijen van 4 al groetende voorbij het balcon, steeds teruggegroet door H. M., Z. K. H. en het snoezige Prinsesje, die nu eens in het rechter, dan weer in het linkerhandje met een klein wit zakdoekje wuift; het gansche half uur, dat het voorbijtrekken duurt.
Prins Hendrik schijnt schik te hebben in hetfanfarencorps „St. Caecilia” der Volendammers in hun eigenaardige kleedij gedost met de Astrakan mutsen op het hoofd. Kwartier over zessen gaan H. M. en Z. K. H. weer naar binnen;—zeker zal die zanghulde nog menigmaal het onderwerp van Hun gesprek zijn.
„De Koningin heeft het geducht druk dezer dagen. Zaterdag, evenals Vrijdagmorgen, de Cour van gelukwensching ten hove; en 's namiddags de rijtoeren, maar niet tot verfrissching of om uit te rusten, Zaterdagavond de raout; 70 dames werden in de troonzaal aan H. M. voorgesteld en toen zaten of stonden de Koningin en de Prins in de Burgerzaal tot half twaalf; en met tal van personen onderhield zich H. M., die met de sieraden van het Nationale huldeblijk van '98 getooid was.”
„Papa, waarover sprak de Koningin wel met die heeren?” vroeg Jet.
„Daar er geen audiëntie plaats had, kon H. M. dezen en genen niet bedanken voor al de feestelijkheden hier ter stede ter eere van H. M. en Prinses Juliana; zoo o. a. ontving de heer C. W.R. Scholten als voorzitter der Vondelparkcommissie Hr. Ms. bijzonderen dank voor den vriendelijken afstand van een deel van dat park als Prinsesjes tuin; zoo onderhield de Prins zich ook met de heeren der feestcommissie en roemde hoogelijk deze heerlijke week.”
„Toen de Koningin en de Prins de Burgerzaal verlieten wendde H. M. zich nogmaals tot Hare gasten en groette allen met een diepe buiging.”
„H. M. buigt zeer bevallig niet waar, Mama?”
„Zoo is het, Ida. Heb je gisteren in Artis het Koninklijk Echtpaar ook nog gezien?”
„Ja, Mama; en de jongens ook in de Kerk; Louis wou, dat de Koningin elken Zondagmorgen hier kerkte.”
„Waarom, jongste zoon?”
„Omdat de dominee zoo kort preekte, Mama.”
„Foei! Louis, vindt jij het niet heerlijk om naar de kerk te gaan,” vroeg zijn jongste zus.
„Neen, niet als ik er niets van begrijp, wel als de dominé uit den Bijbel preekt, dan is 't mooi.”
„Ze preken altijd uit den Bijbel, jongen, maar je bedoelt zeker over een geschiedenis;” zeide zijn Grootmama.
„Was het prachtig op de raout, Amélie?” vervolgde de oude dame.
„Ja, Mama. Fijne toiletten, niet te veel geschitter van paarlen en juweelen; vele heeren in rokken, vele ook in hofcostuum en dan de hoofdofficieren in groot tenue, en Roomsche geestelijken in purperen kleedij maakten het schouwspel zeer belangwekkend.”
Deze en dergelijke gesprekken kortten den tijd, waarin men op den historisch-allegorischen optocht wachtte bij Dora's ouders, waar hij al vroeg voorbijtrok; oom de burgemeester en de Friesche baron namen de meisjes mede om nog eens en nog eens op straat den stoet te zien voorbij trekken. Het ambtsgewaad van eerstgenoemde, dat hij om de nichtjes te plezieren had aangetrokken, deed menigeen voor het zestal ruimte maken, temeer daar Jetje's aanstaande schoonvader zijn kolonelsuniform van vroeger had aangedaan.
Bij de Gladschaafs was men ook al vroeg bijeen om van het kleurenrijk voorbijtrekken toch ten volle te genieten.
„Nog nooit leenden zichin Amsterdamechte, jonge dames tot opluistering van een stoet.Heeren, zelfs van onze patriciërs, vormden vaak een eerewacht; maar zooals heden, de optocht ter eere van Prinses Juliana's komst in ons midden, neen! zoo is 't bij menschenheugenis hier nooit gebeurd,” zei de vader.
Ziet ze daar voorbijtrekken, deftig opgezeten, terwijl ze of vriendelijk buigen voor het gejuich, of bekenden groeten met gebaar of blik; in die rijke dracht der XVI en XVII eeuw, vormen ze een levend stuk geschiedenis. Zoo oordeelen allen, die zich de moeite getroost hebben, het programma der opstelling vooraf goed over te lezen. En ze leven als voor ons oog op, die droeve èn die glorierijke dagen!
Een Egmond en Hoorne onthoofd, een Willem van Oranje vermoord, zoowel als zijn vertegenwoordigers, een Ripperda, een Ruichaver,een Cabeliau, een Van der Does, en een Van der Werff, burgemeesters en bevelhebbers van belegerde vesten.
Een Amsterdammer als De Rijck met een Treslong en Boisot, vergezeld van hun Watergeuzen, ze roepen Gods beproevende en reddende hand voor onze aandacht.
Daar is het tweetal, die Willems werk voortzetten; Maurits en Willem Lodewijk, door tal van door hen gevormde krijgslieden omgeven. En de heer Van Dieden draagt de banier niet minder fier, dan toen hij Wezel verraste en zoo den Stedendwinger in staat stelde te kunnen uitroepen: „Dit Bosch is mijn!” En wat al vreemdelingen en groote heeren verdringen zich om hem, die wel den Vrede van Munster niet meer beleefde, maar wist, dat die niet verre meer was.
Hoe aardig stellen die in het witgehulde jonge dames dien vrede voor. Jammer dat de wagen en zijn hoog toestel niet bestand is tegen het schokken op de keien, en het op en afgaan der hooge bruggen. Ach, de Vrede van Munster bracht geen voortdurende rust, en dit zijn zinnebeeld, werd zelfs door pieken gestut! en moest een poos uit den stoet verwijderd worden!
Hoe jammer, dat Willem Frederik en Albertina Agnes ontbreken, wier huwelijk de verbindende schakel vormt tusschen 't geslacht van Prins Willem en van Jan den Ouden; door hen toch stamt onze Koningin ook in rechte lijn van den Vader des Vaderlands af.
Kon de praalwagen, die het Muiderslot voorstelt, alle dichters en kunstenaars niet herbergen; al evenmin kon de oorlogsbodem allen zeehelden, plaats verleenen, die Neêrlands waterleeuw op zeeën en stroomen deden eerbiedigen.
Staatslieden en Amsterdamsche burgers, volgen den wagen, die
Aan d' Amstel en aan 't IJ,Daar doet zich heerlijk opeDe Koningin der aard,Het sieraad van Europe
Aan d' Amstel en aan 't IJ,Daar doet zich heerlijk opeDe Koningin der aard,Het sieraad van Europe
zinnebeeldig vertoont, de Friesche stadhouder met zijn Maykemoe, toen even bemind als Us-Heit weleer, voorafgegaan door den Koning-Stadhouder met zijn vrome gemalin, Maria II Stuart, hij die Europa's evenwicht handhaafde tegen de staatkundige en godsdienstige dwinglandij van een Lodewijk XIV; zij allen roepen ons het grootsch verleden van ons land voor den geest.
Hoe jammer, dat de Scheveningsche bom, zoo eigenaardig van pas hier, moest achterblijven; en Koning Willem I en de dappere Prins van Oranje, de held van Quatre-Bras en Waterloo, niet tothun recht komen, zoo zelfs dat aan het einde van den stoet een gevoel van teleurstelling zich van velen meester maakt.
Precies half twee komt de stoet op den Dam. Prins Hendrik aan de achterzijde van het paleis bespiedt vooraf den rijken aanblik; en komt nu met 't Prinsesje op den arm van freule V. d. Poll en H. H. M. M. op 't balcon, want heden morgen, na 't bezoek aan de collectie Drucker, hebben onder een toeloop van duizenden en nogmaals duizenden de Koningin en de Prins aan het Centraal-Station Koningin Emma afgehaald.
Toen was er weer gejuicht en gejubeld voor het paleis, Koningin Emma met Haar Kleinkind op Haar arm kwam met het Koninklijk Echtpaar op het balcon. Het gansche Koninklijk Huis bijeen! Moge God nog vele takken aan den dierbaren, alouden Oranjestam doen uitspruiten!
Een der vendels van den optocht heft plechtig het Wilhelmus aan en de pages der Oranjevorsten en -vorstinnen leggen groote bloemkransen als hulde neer, terwijl de voorstellers van Hr. Ms. voorgeslacht een rij vormen en zoo dicht mogelijknaderen om hun eerbiedigen groet te brengen.
Rondom het gedenkteeken van Neêrlands volksgeest in 1831 zijn de muziekcorpsen en vendels geschaard en daar omheen, in groote haag van de Nieuwe kerk tot de Groote club, de geheele stoet met de praalwagens en hun begeleiders.
De stoet vormt zich opnieuw en trekt onder het spelen van vroolijke marschen of het zingen van Geuzenliederen verder. Die geuzenliedekens hebben in gansch andere tijden weerklonken, toen de maker, drukker, verkooper, of zanger vaak zijn vermetelheid met zijn leven boette.
Prins Hendrik vindt het geheel zoo mooi, dat Z. K. H. den optocht nog eens wil zien, daartoe spoedt de Prins-Gemaal zich naar den heer Van Loon-Egidius, uit wiens rijk versierd huis het prachtige schouwspel op nieuw door den Prins bewonderd wordt.
„Waar zullen we van avond heengaan voor de illuminatie Ferdinand,” zoo vraagt zijn vrouw voor zich en de zusters, toen men een beetje uitgepraat raakte over den optocht.
„We gaan de Nederlandsche Bank zien, de Gekroonde Valk, de Heemskerck, de HoogeSluis, het Museum-Kwartier en al het voornaamste daar tusschen gelegen. De trams rijden, dus we zullen in een uur of drie misschien vier dien tocht wel zonder al te groote vermoeienis volbrengen. Vader is kras genoeg om mee te gaan, maar die houdt Moeder gezelschap, die hier van avond op Mientje komt passen; zóó heeft Vader het met mij afgesproken, wat dunkt jullie daarvan?”
„Het is opperbest, mooi geschikt en Vader en Moeder denken, als altijd, eerst aan de kinderen!”
„Net zoo Margreet,” vulde Marie aan.
Een jaarlijksch koninklijk bezoek duurt gewoonlijk slechts 5 dagen, ditmaal blijven de hooge gasten langer; en, nadat H. H. M. M. en Z. K. H. van de illuminatie hadden genoten, waarbij ook die binnenshuis niet onopgemerkt bleven, de Westertoren doofde bij derzelver komst, maar door het zoeklicht van de Heemskerck opgespoord, spreidde hij weldra weder zijn stillen luister ten toon, kreeg Arti Dinsdag een bezoek. Het bestuur van dit genootschap had uitvoering gegeven aan het lieve denkbeeld om een tentoonstelling van kinderportretten te openen.
Tweemaal zou de schoone Amstel op dienzelfden dag de doorluchtige bezoekers aan zijn oevers zien neergezeten en zelfs op zijn golfjes medevoeren.
„Anton, jij hebt van middag maar heel mooi alles kunnen zien en wij zagen niets!” zoo verklaarde de keukenmaagd des avonds laat, onder een kopje koffie.
„Ja, alles heb 'k gezien en heel mooi ook; maar ik had het toch druk met het bedienen van alle genoodigden op mijnheers plezierboot. De veranda van „De Hoop” leek een echte serre, met 3 vergulde stoelen, dus enkel voor de Koninginnen en den Prins, begrijp jullie? Dan hoorde ik vertellen dat de zaal veranderd, of ze zeggen dan omgetooverd was, in een Oud-Hollandsch woonvertrek, dan kon H. M. daar even uitrusten, want de Koningin had de sport op 't IJsclub-terrein ook al bijgewoond. Van het terras, daar je zoo'n mooi gezicht op den Amstel hebt, hadden ze het dek van een mailboot gemaakt, en daar zag je de trap naar den aanlegsteiger. Een havenbootje lag gemeerd en leek op 'n plezierjacht, het wachtte alleen op de deftige bezoekers.
Het woei aardig, maar de Koningin schijnt overal tegen te kunnen, trouwens je moet zeggen, wel een beetje moe, maar uitstekend ziet de Koningin er uit; en zoo echt gelukkig als men Haar met Haar Kindje ziet, dat vertelden ze allemaal aan elkaar. 'k Hoorde van dames die Zondagmorgen door het Vondelpark naar de kerk gingen, en het juist troffen, toen de Koningin zelve, vóór Zij naar de Nieuwe Kerk moest, even het Prinsesje naar dat stukje park voor het Kleintje bestemd, wegbracht.
Vandaag voeren Ze tot vlak bij het Kalfje, een paar mooie bochten langs, hè? Allebei de kanten stonden stikvol menschen, en voor alle ramen en op de daken stonden of zaten ze.”
„Op een dak zie je toch niks,” meende Greta.
„Net mis, je ziet de gezichten van de lui niet, maar de booten en de versieringen zie je opperbest en zoo ver weg kan je kijken. De Amstel, niet de Hoop, heeft de Julianabeker gewonnen, ze moesten bijna 5000 M. roeien. Zulk roeien! Zoo gelijk gaan die riemen op en neer, 't lijkt of 't er maar één is; en toen de Koningin terugkwam, gingen de versierde schuitjes, een 60, voorbij;met 2 dames en 2 heeren er in, die groetten ook allemaal.”
„Hoe doen ze dat Anton, wuiven de dames?”
„Wel neen! Net als de matrozen in de sloepen, trekken ze de riemen in en die houden ze in eens steil rechtop in de hoogte. Als je het nooit zag, kijk je er eerst beduusd van.”
„Van avond woei het veel te hard voor de illuminatie en het vuurwerk; maar ze kunnen de dingen niet uitstellen of afzeggen, dat begrijpen jullie ook wel. 't Was echt jammer van het geld voor het vuurwerk. Van het groote, het mooie stuk was bijna niets te zien door de rook die niet optrok; en van de versierde en geïllumineerde bootjes en schuitjes woeien de lichtjes uit; aan „De Hoop” konden zelfs de vetpotjes niet branden.
Maar dat schip veroveren, dat was toch zóó mooi, dat ging zoo goed; 't verbeeldde een echt gevecht uit den Spaanschen tijd.”
„Wie gaven dat, Anton?”
„De vereeniging Volksweerbaarheid; gisteren vroeg ik den jongejuffrouwtjes er naar en die vertelden mij, hoe dat al in 1573 gebeurd was, verbeeldt je. Maar we moeten naar bed.”
„Kom, vertel het nog effentjes, morgen is er weer wat anders, 't is nu toch laat.”
De knecht liet zich niet lang bidden en ging voort. „Juffrouw Ida zei: Alva had Haarlem ingenomen en schandelijk was daar gemoord en geplunderd en ze hadden vast en zeker beloofd, dat ze den menschen niets zouden doen. Toen hebben ze Alkmaar willen nemen, maar dat lukte niet zoo gauw, als ze gedacht hadden; en ik weet niet krek meer hoe, maar ze hoorden dat Oranje ze allemaal zou laten verdrinken en toen zijn ze aan den loop gegaan, 't was in October.
Onder de hand had Alva een vloot in de Zuiderzee laten komen, groote, flinke schepen met soldaten en kanonnen er op bij de vleet; de Hollanders hadden maar kleine scheepjes, maar die durfden toch maar van alles in dien tijd.
De admiraal van die vloot van den Spanjool was een Hollandsche graaf, wat 'n schande hè? en zijn schip heette de Inquisitie, dat was de naam van de rechtbank, die in dien tijd de menschen, die niet Roomsch wilden blijven of weer wilden worden, liet gevangen nemen en dooden. Nu 't leek wel, zei Ida, of Alva voor temptatiedien naam aan dat schip gegeven had. Toen die vloot uit Amsterdam, (daar hielpen ze toen die Spanjaarden) zeilde en op de Zuiderzee kwam, probeerden 3 scheepjes om die Inquisitie te nemen en vechten, dat ze er op deden, dat was dan maar raak. Maar die graaf van Bossu (ja, zoo heette hij) wou zich niet overgeven. Toen dreven ze, aldoor maar aan 't vechten, rond, tot dicht bij Hoorn en daarvandaan kwamen toen vletten en schuitjes met nieuwe geweren en kogels en mannen, die nog niets moe waren en toen moest hij zich laten gevangen nemen, bijna al zijn soldaten waren gewond of dood, en toen hebben ze dien graaf in het weeshuis in Hoorn gevangen gezet; maar later heeft hij zich gebeterd en Oranje trouw geholpen. Maar nu zou ik haast vergeten, dat hij eigenlijk al lang zich had moeten overgeven; want een man, Jan Haring heet die, was tusschen die Spanjaards doorgeslopen, en rukte de vlag van den grooten mast; dit beteekent dat je overwonnen bent, begrijp je? Die arme kerel viel met de vlag in zijn hand dood op het dek, ze schoten zoo op hem.
„Nu van avond hebben ze ook zoo gedaan bijde Hooge Sluis; het leek zoo precies op echt schieten en alles werd zoo mooi verlicht door de Heemskercks zoeklichten; toen die man (die Jan Haring verbeelden moest) de vlag er afrukte, hadt je dat Hoera! eens moeten hooren.”
„Ze schoten hem toch niet dood, Anton!”
„Wel, neen, Anna! 't Verbeeldde immers maar wat die Watergeuzen vroeger deden. En ze heschen er meteen een vlag op Oranje, wit en blauw, dat was de vlag van Prins Willem I, toen werd er nog veel harder hoera! geroepen en meteen zongen ze Wilhelmus naar den kant van „De Hoop” en aan den wal deden ze hard mee. Jongens, jongens! dit was niet nog mooier, maar toch begrijpelijker dan die prachtige optocht; daar moest je zooveel voor weten, zeiden de juffertjes. Ik heb dit mooi gevonden en heel mooi ook, omdat ik het zoo goed begreep. Maar meisjes, naar bed hoor! en stilletjes ook, kijk me die klok eens!”
Met het water heeft H. M. nog niet afgedaan, het grootste schip ooit in Nederland gebouwd zou 1 Juni van stapel loopen; daar zullen deKoningin met den Prins bij tegenwoordig wezen en zoo doende rijdt H. M. met Z. K. H. 's Woensdags om even één uur uit naar de Conradstraat.
Op het J. D. Meyerplein wacht H. M. een verrassing. Voor de Ned. Isr. hoofdsynagoge bevinden zich 300 kinderen en 100 zangers. De deuren staan wijd open, alle lichten branden, de rabijnen staan op den drempel; zoodra het koninklijke rijtuig stilstaat heffen de kristalheldere kinderstemmen met de zware mannenstemmen te zamen een Hebreeuwsche aubade aan. Het fraaie gedicht, vervaardigd door den heer Woudhuyzen en op muziek gebracht door den heer Schlesinger klinkt indrukwekkend plechtig.
Voor het heil van H. M. zoowel als voor dat der teere telg van Oranje-Nassau klimt de bede ten hemel, in de taal van den Koning-Dichter van Israël.
H. M. en Z. K. H. ontvingen de aubade in het Hebreeuwsch en Nederlandsch fraai gecalligrafeerd, en ook onzen E.A. heer burgemeester en den hoofd-commissaris van politie werden afschriften aangeboden.
Beiden heeren werd door H. M. in vleiendebewoordingen dank gezegd voor die lieflijke hulde; terwijl twee peuzels H. M. een bouquet mochten overhandigen, waarbij de eene haar witte rozen „voor Ons Prinsesje” bestemde.
„Hoe heerlijk vol is het hier! Wat mooie bloemen en planten in het kantoor! Wat hooge tribune! Moet de Koningin die oploopen?”
Zulke en dergelijke uitroepen hoort men niet alleen van onze Dora maar van menig ander kind en als H. M. en de Prins naar de aanspraak van Jhr. Op ten Noort luisteren, is er ademlooze stilte om toch, als H. M. antwoorden gaat, geen woord te missen. De heer Op ten Noort „dankt voor de eer die H. M. de Stoomvaartmaatschappij Nederland en de Nederlandsche Scheepsbouwmaatschappij bewijst en dankt Z. K. H. voor de zijden vlag, (die op hetzelfde oogenblik geheschen wordt,) welke voor de Maatschappij een blijvend aandenken aan deze plechtige gebeurtenis zal zijn; hierbij voegt Z. H. W. G. den wensch dat het S.S. „Prinses Juliana” op alle zeeën, welke het zal bevaren, den naam van Hare Koninklijke naamgeefster eere zal aandoen en een sieraad zal zijn der Nederlandsche koopvaardijvloot.”
De heer Goedkoop, directeur der Ned. Scheepsbouwmaatschappij noodigt H. M. uit het schip te willen doopen en te water laten.
Hierop antwoordt H. M.:
„Het was mij zeer aangenaam gevolg te kunnen geven aan de uitnoodiging van de besturen der „Stoomvaartmaatschappij Nederland,” en der „Ned. Scheepsbouwmaatschappij” om het schroefstoomschip „Prinses Juliana” te water te laten, en gaarne geef ik u de verzekering dat ik hoogelijk waardeer de gevoelens, die u geleid hebben tot het kiezen van dezen naam voor het grootste schip tot heden in ons vaderland gebouwd.
Moge het S.S. „Prinses Juliana” tot eer strekken van de Nederlandsche industrie en er toe bijdragen dat de Stoomvaartmaatschappij „Nederland” haar roeping ten allen tijde hoog houde.”
Met verheffing van Haar klankrijke stem:
„Stoomschip „Prinses Juliana” moge God u met uwe opvarenden steeds veilig geleiden over den oceaan!”
Niet alleen blanke, ook bruine onderdanen begroeten H. M. hier; een aantal Javanen in dienst op de booten der Mij. Nederland maken hun „sembah”(Javaansche groet) voor hun blanke Vorstin.
Zondag in Artis bevonden zich in den Hollandschen tuin aldaar ook een 12-tal Javanen en Maleiers, naar Europa ontboden om werkzaamheden der Indische nijverheid op de tentoonstelling te Brussel te verrichten. Zij en hun hoofd waren slechts voor deze reis te vinden geweest, als men beloofde de Radjah Blanda hun te laten zien, de groote gebiedster van hun land. Op het gras neergehurkt maakten zij driemaal hun sembah en daarna oogden zij schuchter die vorstelijke gestalte na, die zoo vriendelijk voor hen neeg.
Doch H. M. drukt op een electrischen knop, de klinken worden weggeslagen, de flesch champagne door de Koninklijke hand tegen de stalen huid verbrijzeld spat schuimend op en.... het trotsche zeekasteel zet zich in beweging, glijdt in steeds sneller vaart de helling af, terwijl de Koningin op het uiteinde der tribune gaat staan om onbelemmerd het schouwspel gade te slaan.
Onder luide toejuichingen keerde het Koninklijke Echtpaar naar den Dam terug om.... voor de eerste maal mèt Prinses Juliana een rijtoer te maken.
Langs den heelen, langen weg ziet men honderden en nogmaals honderden: vrouwen, moeders, jongens en meisjes! Al wie maar even kan, wacht op het Koninklijke gezin in de roode gala-koets. De kleuters worden opgetild, de grooteren klimmen op stoepen en karren, in lantaarnpalen, in boomen om toch maar goed dat lieve Kindje in haar witte jurkje en hoedje te zien. Ons dierbaar Prinsesje! De gansche stad jubelde nogmaals. Geen zanghulde, maar een onafgebroken gejuich van heel een bevolking klonk den gelukkigen Ouders tegen.
Weesjes in de Tesselschadestraat, vereenzaamde kinderen uit de toevlucht van den heer Jonker, allen verheugen zich, als het kleine handje alleen, of met een zakdoekje wuift; doch liefst, dat merkt men wel, kijkt ze naar Haar Koninklijke Moeder, of ze beproeft zich op te heffen om naar de gouden epauletten van Haar Prinselijken Vader te grijpen!
En Prins Hendrik hield zijn belofte, aan de bemanning van de Heemskerck op zee gedaan; n.l. dat Z. K. H. hen in staat zou stellen de jonge Prinses te huldigen. En daar stonden ze nu, onzeJanmaats, van Hr. Ms. oorlogsbodem 350 koppen vóór het paleis geschaard bij de thuiskomst van dezen rijtoer, uiterst langzaam reed de koets hen voorbij, een uitnemende gelegenheid werd hun zóó geboden om het Koninklijke Kind te zien.
Ging vroeger de Koninklijke Familie altijd Zaterdags naar den Stads-Schouwburg, dit jaar woonde H.H. M.M. en Z. K. H. de gala-voorstelling van „De Stedendwinger” door J. Huf van Buren, op den laatsten avond van het verblijf (1 Juni) bij. Op den heen- en terugweg weer hartelijk door de menigte begroet.
Talloos velen begaven zich naar den Dam en het Damrak om bij het vertrek den geliefden, hoogen bezoekers een laatsten groet te brengen en een laatsten blik op Prinses Juliana te vestigen! Tusschen dichte drommen reed het Koninklijk gezin naar het Centraal-Station. Ons lief Prinsesje, weder op den schoot Harer beminde Moeder gezeten, wuifde gedurig met Haar handje en zag zich even hartelijk uitgeleiden als binnenhalen.
In het Koninklijk paviljoen verzoekt H. M. denburgemeester, Haar dank aan de burgerij wel te willen overbrengen, daar Zij zeer getroffen was door de hartelijke ontvangst Haar en Prinses Juliana in 's Rijks hoofdstad bereid en gaf in de meest vriendschappelijke bewoordingen uiting aan Haar gevoelens.
En Donderdag 2 Juni 10 uur behoorde het onvergetelijk eerste bezoek van Prinses Juliana tot het verleden!
De woorden van afscheid door H. M. gesproken, vormen een naklank van die, geuit bij Hr. Ms. heildronk op Amsterdam aan den disch ten paleize op 31 Mei; aan het gastmaal door H. M. den gemeenteraad en den leden van het bureau der feest-commissie aangeboden:
Mijnheer de Burgemeester,
„Ik gevoel mij gedrongen bij gelegenheid van ons eerste bezoek met ons innig geliefd Kind aan de hoofdstad des Rijks aan dezen feestdisch een enkel woord te spreken ook voor den Prins, ofschoon ik mij wel bewust ben, dat het moeilijk is weer te geven, wat op dit oogenblik in ons omgaat. Wij zijn diep bewogen, zoowel door deindrukwekkende uiting van blijdschap, welke aan de schoone en welgeslaagde feesten ten grondslag ligt, als door de geestdrift, die er de bezieling aan gaf, bovenal stemt het ons ouderhart tot groote dankbaarheid getuige te hebben mogen zijn van de liefde, waarmede Zij, die wij zoo gaarne ons „zonneschijntje” noemen, allerwege is ontvangen en begroet.
Er is in deze korte spanne tijds meer dan één band voor geheel het leven gevlochten.
Wij stellen ons voor, Haar later dikwijls van haar eerste verblijf alhier te vertellen en wij koesteren de hoop, dat Zij, ouder geworden zijnde, zal toonen te beseffen, welk een groote plicht der dankbaarheid op Haar rust. God geve Haar daartoe overvloedige gelegenheid!
Als wij nu weldra Amsterdam gaan verlaten, dan zal het zijn met een gevoel van bijzondere erkentelijkheid voor de dagen, welke de bevolking zoo gelukkig en onvergetelijk voor ons heeft gemaakt en dan zal mijn afscheidsgroet een innig gevoelde wensch zijn voor den toenemenden bloei en voorspoed van de hoofdstad, wier belangen Mij zoo na ter harte gaan en waaraan wij doorvele historische en enge persoonlijke banden gehecht zijn.
Mede namens Mijne Moeder en Mijn Gemaal stel ik dezen heildronk in op het geluk en het welzijn van Amsterdam!”
De burgemeester, Jhr. Mr. Dr. A. Roëll, antwoordde het volgende:
Mevrouw! Koninklijke Hoogheid!
„Wilt mij veroorloven U. M. eerbiedig dank te zeggen voor den heildronk, mede namens H. M. de Koningin-Moeder en Z. K. H. den Prins der Nederlanden uitgebracht op het welzijn van Amsterdam, maar bovenal voor de treffende woorden, die H. M. aan dien dronk heeft willen doen voorafgaan. Woorden, die voorzeker zullen gegrift blijven in het gemoed van allen, die ze hoorden, en die voor stad en ingezetenen juist daarom van zooveel beteekenis zijn, omdat zij worden uitgesproken aan den disch, die U. M. heeft bereid aan de vertegenwoordigers van de burgerij.
Dat U. M. en Z. K. H. de Prins der Nederlanden tot dezen disch ook—andermaal—de leden van het dagelijksch bestuur der gemeenteen een deputatie uit de feestcommissie noodden, is voor hen een reden van groote erkentelijkheid, die het mij vergund zij tevens te vertolken.
U. M. heeft in bewoordingen, die door ons allen niet genoegzaam kunnen worden gewaardeerd, uitdrukking gegeven aan de gevoelens, die de geestdrift dezer dagen in Uwe harten, Koninklijke Ouders van de aanvallige Prinses heeft opgewekt. Laat mij wederkeerig aan U. M. de eerbiedige verzekering mogen geven, dat die geestdrift slechts de onbedwingbare uiting was van de aloude, maar toch altijd jeugdige en frissche verknochtheid aan U. M. en Haar Huis en dat die geestdrift wel haar toppunt moest bereiken, nu die nieuwe loot aan den Oranjestam „Het Zonneschijntje” is het zonnetje in het Koninklijk Gezin, maar waarvan de stralen in deze dagen zoo talloos velen hebben verwarmd en gekoesterd.
Het koninklijk bezoek aan de hoofdstad staat dit jaar in het teeken van het kind en het zal aan U. M. niet zijn ontgaan, hoe ditmaal, vooral aan de Kinderen, aan de kleine en misdeelden niet het minst, bij de feestviering eene plaats is ingeruimd. Als U. M. dan later aan de Prinseszal verhalen van Haar eerste verblijf te Amsterdam en van het gejubel, dat Hare komst daar te weeg bracht, moge het dan vooral ook zijn van de liefde en van de bewondering, die het Koningskind in de harten der kinderen heeft doen ontbranden. Zij toch zijn de mannen en vrouwen van straks, de toekomst der natie, op wier hou en trou de Prinses, als zij ouder zal zijn geworden, onder alle omstandigheden zal moeten bouwen.
En wij ouderen, kunnen slechts de vurigste wenschen stamelen voor het voorspoedig opgroeien van Uw Kind, dat, 't zij met allen eerbied gezegd, door het vertrouwen, waarmede U. M. het onder de burgerij heeft laten verkeeren, ook eenigermateonskind geworden is, en de bede opzenden, dat God aan de Prinses het leven en de gezondheid spare, Haar alles schenke wat Uw ouderhart slechts verlangen kan, Haar in één woord in lengte van jaren krone met de keur Zijner zegeningen.
Amsterdam is U. M. en den Prins der Nederlanden innig dankbaar voor dit eerste bezoek met de Prinses; het zal met gulden letteren geboekstaafdblijven in de stadshistoriebladen.
Vergunne mij dan U. M. deze dankbaarheid te bezegelen met den heildronk van de Amsterdamsche burgerij op het gansche Koninklijke Huis.
Lang leve onze geliefde Koningin met onzen hoog vereerden Prins der Nederlanden! Leve H. M. de Koningin-Moeder! Leve, groeie en gedije Prinses Juliana!”
Heel Amsterdam gaf in die woorden van zijn burgervader uiting aan wat in ieders gemoed leeft.
„De stad begint er weer gewoon uit te zien na die drukke dagen; hoe aangenaam ook, het gewone werken is toch beter vol te houden dan feestvieren, vindt u dat ook niet, Vader?”vroeg Ferdinand Gladschaaf.
„Ja, jongen! de arbeid is een zegen Gods, Wee! die niet werkenwil, als hijkan. Allen zijn diep te beklagen, die om werk vragen en het niet kunnen krijgen; maar Ferdinand, zulke dagen van algemeene vreugde door het verblijf der Koningin en dan nu zoo geheel anders nog door de komst van ons Prinsesje, o, zulke dagen doen mijn hart zoo recht goed.”
„Hoe bedoel je dat, Man?”
„Wel, de vreugde over het aanschouwen van onze Vorstin, de blijde juichkreten als Zij in ons midden is, de blijdschap van jullie jongeren vooral, dat je zóó en zóó dikwijls de Koningin, den Prins en Prinses Juliana gezien hebt, dat doet me telkens denken aan wat mijn vader me vertelde. Hij ging juist eens den Dam over, toen Koning Willem II op het balcon kwam. De held van Waterloo en van den Tiendaagschen Veldtocht werd zeer bemind en gevierd. Vader staat stil en juicht hartelijk mede en wil daarna (hij was op weg naar een klant,) verder gaan, toen een buitenman tot hem zegt: „Wat een gejuich.” „Ja,” zegt mijn vader, „als de koning zich vertoont, is het volk verheugd!” En de buitenman zegt: „Wat zal het zijn als de hoogste Koning komt!”
„Dan is er eeuwige vreugde en blijdschap op hunne hoofden,” luidt vaders antwoord.
Die twee onbekenden zien elkaar blijde aan en drukken elkander de hand; wel bewust dat zij eenmaal dien Koning in Zijne schoonheid zien zullen.”
Het gesprek aan de koffietafel bij de Gladschaafsliep nu van zelf over allerlei bijzonderheden, in hun familie vroeger voorgevallen en terwijl zij daarover kouten, luisteren wij nog even aan de keukendeur der zoo gezellig saam levende dienstboden in Dora's thuis.
„Weet je al Greta, dat de Koningin, 'k denk puur om jou te plezieren, de armen zoo goed bedacht heeft?”
„Och, kom Anton, plaag me niet.”
„'t Is de zuivere waarheid, maar de Koningin doet het altijd bij Haar vertrek, weet je.”
Allen hadden schik, dat Anton Greta in het zonnetje zette; maar in de eetkamer zat de kleine meid, anders de vroolijkheid in eigen persoon, bedrukt te kijken.
„Dora, kindje, wat scheelt er aan?” vroeg haar Papa; „je eet niet en je kijkt telkens naar de ramen, waar denk je zoo bedrukt over, kleintje?”
„Neen Papa, mij scheelt niets, maar.... maar.... De Koningin is weg, de Prins is weg, Koningin Emma ging van daag weg en het duurt een heel, heel jaar voor ik ons lief Prinsesje, de snoeperige Juliaantje weer zien kan.”
De waterlanders stonden op het punt van tekomen, en Mijnheer keek Mevrouw vragend aan.
„Ze is zeker wat moe van al het genieten, niet waar, Mademoiselle?”
„Ja, Mevrouw, ze zal enkele avonden vroeger naar bed moeten gaan, dat helpt het beste.”
„Ik wil wel om 6 uur naar bed, als alles maar wat langer duurde. Kijk daar breken ze aan den overkant de versieringen al weg; en morgen kan niemand meer iets zien van al het moois, dat hier in Amsterdam was voor ons lief Prinsesje.”
„Nu,” zei Jet, „vertel jij dan aan je poppekinderen, dat Papa en Mama, evenals meer dames en heeren besloten hebben, die bloembakken voor de ramen te laten blijven en ze telkens weer te laten vullen, dan zal het je zeker helpen om zonder tranen nog dikwijls aan het versierde en jubelende Amsterdam te denken en als Prinses Juliana het volgende jaar weer hier komt, wie weet hoe dikwijls jij Haar dan zien zult!”
decoratieve illustratie
3)School door Z. M. koning Willem III gesticht voor de kinderen van allen, die op het Paleis of in het Park op 't Loo dienst doen.
rand
rand