VIII.De zon scheen warm en koesterend op Hugo Freeze neer, toen hij het huis zijnerzuster verliet en door de drukke straten werktuiglijk den weg naar zijne kamers nam; maar evengoed had het kunnen stormen en regenen, zonder dat hij het bemerkt zou hebben.Naast hem klonk gelach en gepraat; straatjongens staken vuurwerk af; hier en daar zelfs knalde een pistoolschot in zijne nabijheid ter eere van het nieuwe jaar; maar hem ging het alles voorbij als een droom.Hij zag slechts die meisjesgestalte in haar lichtkleurig gewaad, staande in den gloed der zonnestralen; hij zag dat lieve, onschuldige gelaat en den blik vol vast vertrouwen; en hij hoorde maar steeds die zachte woorden: “Dat zal hij niet doen.”O, die toon vol onwrikbaar geloof! Diep had hij hem in het hart gegrepen. Want die woorden golden hèm, hèm alleen, daarvan was hij overtuigd. Het was juist iets voor haar oprecht karakter om zich aldus te verraden, hoewel met hooger blos, als zelf verschrikt over hare vrijmoedigheid.En nog gisteren was hij in een gesprekmet een paar vrienden—een heel philosophisch gesprek en heel philosophische vrienden—tot de conclusie gekomen dat een getrouwd man.... nu ja, dat hij zich wel eens wat meer vrijheid mag veroorloven dan een getrouwde vrouw. Zij hadden prachtige bewijsgronden aangevoerd, onomstootelijke argumenten;—en nu!.... Deze vielen alle in elkaar als dorre geraamten voor dien éenen, reinen, vertrouwenden blik....In gedachten verzonken bereikte hij zijne kamer, maar zette daar zijn wandeling voort, altijd met gebogen hoofd en starenden blik. Hij zag plotseling al de armzaligheid der sophismen van zwakke mannen, nu er het licht op neerstraalde eener smettelooze vrouwenziel, en als een openbaring kwam de gedachte tot hem hoe schoon het leven kan zijn voor den mensch, in wiens hart de liefde haar gewijden intocht houdt, als dat hart nog onbedorven is. Hij zag het plotseling, als in een visioen, welke machtige, heerlijke gewaarwordingen het zijne zouden vervuld hebben, had hij de liefde niet andersgekend dan als deze zachte, heilige aandoening, welke hem door de ziel voer als een gebed....Nu begreep hij Albert’s woorden: “Zij weten niet eens het verschil tusschen passie en liefde.” Nu wist hij het—voor het eerst.Zijne vuisten balden zich krampachtig, zich samentrekkend in jeugdige, pas ontwaakte geestdrift; zijne borst zwoegde van pijnlijk berouw. Iets zeide hem dat, als hij waarlijk liefhad, hij hare wederliefde niet vragen zou, eer hij een ander man geworden zou zijn. En wild drukte hij zich de handen tegen het voorhoofd. Titanen worstelden in zijn brein en hij zag sidderend den strijd aan. Al wat eenmaal goed en edel in hem geleefd had, als kind, als knaap en als jongeling, ontwaakte opnieuw; en het hief zich op, hoog, hoog, als een lang getergd en ten doode gemarteld dier en ving opnieuw de worsteling aan tegen Begeerte, Zelfzucht en Zwakheid. Hij zag den strijd aan, langen, langen tijd en.... hielp de laatsten overwinnen.Ja, hij wist het wel, hij was harer niet waardig, maar hij wilde het worden. Hij wilde het verleden afschudden, vergeten; het bestond reeds niet meer voor hem, meende hij.... En hij zou haar alles bekennen.... Of alles wel niet, maar toch veel, zóóveel, dat het hem bevrijden zou van dien drukkenden gedachtenlast, als pleegde hij verraad tegen haar....Ja, met dat verleden zou hij breken, en voortaan slechts voor háár leven, voor háár geluk. En deze week nog zou hij haar vragen. Morgenavond misschien, als zij weer bij den haard zouden zitten schemeren, want dan zouden zij geheel alleen zijn. Albert zou niet vóór Dinsdag terugkomen. En als hij maar eenmaalRenée’swoord had, zou hij Lucie vragen Alberts toestemming te verkrijgen; het was haar toevertrouwd! Wat wist Albert trouwens kwaad van hem.... Hij kon wel gissen, maar niet weten, en op gissingen zou hij geen weigering durven gronden.Niet met zijne vrienden wilde hij gaanrijden, neen, hij moest alleen zijn. Zijn gemoed ging open voor de weelde van dezen heerlijken winterdag, die wel een lentedag geleek. Hij wilde ver gaan, heel ver, altijd voort, diep ademhalend van geluk, bijna het uitjubelend.... denkende aan haar, steeds maar denkende aan haar!“Zoo alleen op weg?” vroeg hij eenige uren later aan zijne zuster, die hij hier ver van haar huis ontmoette.“Ik zou je dezelfde vraag kunnen doen,” antwoordde zij lachend, terwijl zij zijn vurig paard beschouwde, dat nauwelijks geduld had tot stilstaan.“Ja, ik ga maar alleen vandaag.”“Ga niet te ver, Huug. De lucht betrekt zoo.”“Neen.... Renée thuis gebleven?”“Zij had geen lust.—Adieu!”En zij gingen beiden hun weegs, ieder met zijne eigene tevreden gedachten.Lucie’s poging was gelukt; zij was uitgegaanin de hoop hem te ontmoeten, opdat hij weten zou dat Renée alleen tehuis was. Er was nu zulk een goede gelegenheid voor een beslissing, vond zij; Albert van huis, zij uit—bijna nooit hadden de kinderen zulk een kansje.De slotsom van Hugo’s gedachtengang voerde hem inderdaad in vollen draf huiswaarts. Snel verwisselde hij zijne rijkleeding voor een andere, en spoedde zich toen naar de woning zijner zuster, waar de meid hem mededeelde dat alleen de juffrouw thuis was en dat hij haar in de serre zou vinden.Zijn hart klopte wilder, toen hij de kamerdeur zacht opende en sloot, en over het mollig tapijt onhoorbaar naar de serre trad. Bij de opengeschoven deur bleef hij staan. Zij zat half van hem afgewend; op haar schoot lag een boek, maar zij las niet; haar blik was peinzend op den grond gevestigd. Als gevoelde zij echter zijne tegenwoordigheid, zag zij op, en weer kleurde een blos hare wangen, een blos, die vanonstuimigen hartslag sprak en Hugo Freeze opeens iedere inleiding overbodig deed achten. Want er zijn oogenblikken in het leven, wanneer onze gemoedsaandoeningen ons zoo geheel beheerschen, dat ons alles, wat naar conventioneele vormen zweemt, belachelijk schijnt; en iets daarvan gevoelde Hugo Freeze, toen hij met zwoegende borst daar stond en haar blik ontmoette.“Renée!”Hij zag haar aan, niet overmoedig als gewoonlijk, maar ernstig, smeekend. En zij begreep dat het oogenblik gekomen was, waarnaar zij zoolang had uitgezien. Zij legde haar boek ter zijde en stond op, als aangegrepen door den ernst van dezen stond;—want wat voor den een soms niet meer is dan een “interessante emotie,” is voor den ander als een heilige plechtigheid. Renée beefde van het hoofd tot de voeten en haar blos week voor een teedere bleekheid.Hij trad nader en vatte hare hand.“Renée!”—en zijne anders zoo klankvollestem klonk dof van ontroering—“ik wilde je vragen of je nòg niet weet wat ik mij dit jaar als geluk droom.”Zij zweeg en boog diep het hoofd, als ontbrak haar de moed het zelf in woorden te brengen.“Magikhet zeggen?”Een nauw hoorbaar ja kwam over hare lippen.“Ik zou een goed en dapper aanvoerder willen worden,” zeide hij zacht, “en ik zal dat worden, als jij mijn kleine schildwacht zijn wilt.... Wil je?”Nu sloeg zij de oogen naar hem op. Een wereld van zaligheid lag in die schuchtere meisjesoogen, een juichend ja, en toen verborg zij het gelaat aan zijne borst.En hij wachtte niet meer op antwoord; hij was tevreden en zag teeder neer op het hoofdje, dat zoo gelukkig aan zijn schouder lag.... zóó gelukkig, dat zij plotseling in tranen uitbarstte.“Het is niets,” zeide zij echter dadelijk om hem gerust te stellen, het is alleenvan geluk....” en zij lachte hem toe met stralenden blik en wischte haastig hare tranen weg.“Ik zal een goed aanvoerder zijn,” ging hij voort, want juist het bewustzijn zijner zedelijke zwakheid deed hem kracht zoeken in beloften. “Geloof je dat, kind?” en hij streelde liefkoozend haar lokkig hoofd.“O, ja!” antwoordde zij, als vond zij het volkomen overbodig daarvan te spreken.—“O Huug, het is zoo heerlijk dat je mij liefhebt!”Maar hij ging door over hetzelfde onderwerp; hij had zich immers voorgenomen een bekentenis te doen.“En wil jij dan mijn kleine, trouwe schildwacht zijn.... die mij helpt en....”“Dat beloof ik,” viel zij hem in de rede; groote tranen welden opnieuw in hare oogen en zij reikte hem met zekere plechtigheid de hand, al klonken hare woorden eenvoudig: “Je zult mij altijd trouw op post vinden, bij nacht en bij dag. Je hebt het immers zelf gezegd van morgen: “Vooreen aanvoerder tegen wien een soldaat kan opzien, doet hij alles.” En tegen jou kan ik opzien, Huug; wat zou ik voor jou niet kunnen!”“Maar je moogt niet al te goed van mij denken, kind. Bedenk eens:.... ik ben al twee en dertig en....”Zij zag hem verwonderd aan; blijkbaar was het haar onmogelijk verband te vinden tusschen zijne eerste en zijne laatste woorden. Maar daar ging haar een licht op.....“O, je meent dat je voor dien leeftijd nog niet ver genoeg ben naar je zin?.... Wees gerust,”vervolgde zij met een engelachtigen glimlach, “je denkt veel te nederig van jezelf, Huug. In ieder geval is de aanvoerder zijn klein schildwachtje ver vooruit.”Zij, die alle mannen beoordeelde naar haar ernstigen, edelen vader en het een eenvoudigen plicht achtte voor ieder mensch er naar te streven elken dag beter te zijn dan den vorigen, veronderstelde dat verlangen naar volmaking in anderen ook;en daar zij Hugo Freeze met de oogen der liefde beschouwde, dacht zij dit in de eerste plaats van hem en sprak met zóóveel overtuiging, dat hij er zelf bijna door overtuigd geraakte. Toch vond hij dat hij nog niet genoeg gezegd had; hij wilde nu als het ware biechten om met zijnen aflaatbrief heen te gaan en het verledene voor altijd te vergeten. Dat verleden was harer niet waardig, maar zijne toekomst zou dit zijn. Hijzouen hijwilde! Nu kon hij begrijpen dat men behoefte kon gevoelen aan een dagboek. Hij ook—hij zou het willen opschrijven.... of ten minste wilde hij het uiten.... als een toekomstigen dwang, dien hij zichzelf oplegde.Maar telkens als hij weer in dat onschuldige gelaat staarde, verstomden hem de woorden op de lippen.... O God, neen, het was onmogelijk—onmogelijk! Hij wilde haar zóó behouden, zoo smetteloos en kinderlijk, zoo onwetend van alles wat lag buiten haar klein meisjeswereldje van boeken en snuisterijen, en mooie verzen en muziekstukjesen ideaaltjes. Zóó juist zou zij hem het beste schild zijn.Dit alles ging in zijn hoofd om, terwijl hij haar stil in de oogen zag, en zij dronk zijn teederen blik in, zwijgend en gelukkig.“Ik heb bijna wroeging, dat ik mij zoo zalig kan gevoelen, Huug, terwijl papa zoo kort geleden is heengegaan.... Wat zou hij veel van je gehouden hebben?”Een sombere wolk vloog over zijn gelaat; telkens als hij aan dien vader dacht, van wien hij steeds met zeker ontzag had hooren spreken, was het hem als plaatste diens schim zich tusschen hem en Renée. Maar hij had geleerd zijne gedachten te verbergen en antwoordde schertsend: “Je moet het in ieder geval maar dadelijk aan Caesar schrijven.”Zij glimlachte weemoedig.“Ja, en als wij getrouwd zijn, mag hij komen, niet waar?”“Natuurlijk!”—en toen zag hij haar peinzend aan met vergodenden blik.“Onveranderlijk trouw!” zeide hij. “Ikgeloof dat ik een goed schildwachtje heb uitgekozen.”“En ik een heerlijken aanvoerder,” lachte zij en toen drukte hij in vervoering het ranke kind aan zijne borst, waar zij stil bleef rusten, overstelpt door geluk. Want háár was alles nieuw, iedere liefkoozing, ieder teeder woord, iedere zwevende, vage gedachte aan de toekomst, het was voor haar een zaligheid op zichzelf, nooit gekend, nooit begrepen.“Wat bedoelde je straks toch?” vroeg zij, opeens het hoofd opheffende. “Je bent immers niet nòg eens geëngageerd geweest?”“Och, wel neen! Maar.... misschien heb ik wel eens iets gedaan wat je verdriet zou doen, als je ’t wist, en nu wilde ik je beloven....”“Neen, doe dat niet!” bad zij zacht. “Het ware berouw belooft niet; het handelt. Als er ooit zoo iets gebeurd is, denk er dan maar niet meer aan. Je hadt toen immers nog geen verplichtingen aan mij.”“Neen, misschien niet,” antwoordde hijpeinzend; want hij dacht er aan dat toch eigenlijk iedere jonge man, die eenmaal denkt te huwen, verplichtingen heeft tegenover het hem nog onbekende jonge schepseltje, dat zich aan hem toevertrouwen zal. En hij gevoelde—als een ontdekking—dat hij nu zeer zeker verplichtingen aan haar had en dat zij het als niet meer dan natuurlijk beschouwde dat hij die trouw zou nakomen, even trouw, met evenveel lust, als zij de hare nakomen zou.“Maar ik geloof het niet,” liet zij op eens lachend volgen, “o, ik weet zeker dat het niet waar is, en ik wil er ook niet aan denken.... Maar laten wij niet vergeten dat er ieder oogenblik bezoek komen kan.”En zij gingen deftig tegenover elkander zitten, ieder aan een kant van de rieten tafel. Zij hadden zooveel, zoo eindeloos veel te praten: over het publiek worden van hun engagement, over de toestemming van oom Albert en over hun huwelijk, dat Hugo zoo spoedig mogelijk wilde laten voltrekken. Waarop zouden zij wachten?En zij liet hem maar redeneeren. Zij had geen behoefte aan gedachten over iets, wat later komen zou. Zij was reeds tevreden met de zoete zekerheid dat zij in zijn hart woonde, dat zij voortaan voor hem leven mocht, dat zij hem nu vrijelijk alles mocht zeggen. Het was haar reeds zaligheid genoeg daar stil tegenover hem te zitten en hem in het gelaat te mogen zien, terwijl hij sprak, met de gedachte dat hij de hare was; en zij antwoordde slechts nu en dan fluisterend met een teeder woord of met de zoete verzekering dat zij niet van hem zou afzien, al verzette oom Albert en de geheele wereld zich tegen hunne vereeniging.Hare vermoeide ziel, die zoo lang zoekende was rondgegaan in die vreemde wereld, had eindelijk de vleugelen dichtgevouwen en rustte in zalige, liefelijke rust. Zij had haar tehuis gevonden.IX.De paarden draafden lustig voort en Renée liet de schoone wereld aan zich voorbijglijden.Eerst villa’s met welonderhouden tuinen, vol geurige seringen en levendig getinte tulpenbedden, trotsche hyacinten en rozerooden Meidoorn. Dan boerenhofsteden met beplante moestuinen of vriendelijke hutjes met wilden wingerd begroeid; en eindelijk de ruime, wijde wereld—de schoone aarde beneden, de hemel daarboven. Weilanden, aan met bloemen doorwerkte tapijten gelijk, waarboven vlinders dartelen en goudgestreepte hommels gonsden; hier en daar doorsneden door een zilveren beekje, waaraan vergeet-mij-nieten zich droomend wiegelden.De lauwe lentewind streek liefkoozend langs hare wangen en haar. Telkens gleed een vluchtige boomschaduw over haar heen, om dan weer plaats te maken voor onafgebroken licht. Warme geuren stegen op uit verschgeploegde akkers.Hoog in de boomen klonk zacht gekweel, en, als het rijtuig naderde, zag men de kleine zangers met rappen wiekslag wegijlen in de lucht, helder bestraald door de zilveren zonnestralen. O, die zonneschijn, dat vogelenlied, die lentegeuren! Die vage gedachten van iets verhevens, iets schoons, iets “ver van de menschen”; een droom van zaligheid, een dronkenheid van genot. Renée sloeg onwillekeurig de oogen op naar de groote witte wolken vol glans, die boven haar zeilden, ver boven haar in de blauwe ruimte van eindelooze lucht. Haar hart was als een tempel, waarin altijd zachte orgelmuziek ruischte; maar in deze omgeving was haar geluk als verdubbeld en het orgel bruiste en jubelde. Duizend stemmen paarden er zich juichend aan in dankbaar lofgezang en zij luisterde....Maar tante sprak zoo luide over ontdekkingen op het meidenkamertje gedaan, en oom en Huug lachten. Zij zagen geen van drieën rond en er was toch zooveel met de oogen te genieten. Over het meidenkamertjekon men thuis ook praten, vond Renée. Moest men daarvoor op een heerlijken Meidag uit rijden gaan!Maar zij liet zich hare stemming niet bederven. Zij vonden haar alleen wat stil; doch glimlachend antwoordde zij dat zij genoot en toen waren zij tevreden.En zij mijmerde weer voort.... Straks zou zij met Huug alleen zijn. Wat zouden zij dan weer heerlijk samen praten! Hij had den sleutel gevonden tot die gesloten schatkamer, haar hart, en zij toonde hem al hare kostbaarheden.... Niets ging haar boven die uren van gedachtenwisseling, waarin zij als het ware in elkanders zielen schouwden, als in tot dusver gesloten boeken. Voor lezen was nog niet altijd gelegenheid; dat zou later komen. En zij liet hem vrij bladeren; hij mocht haar zieleboek openslaan, waar hij wilde: het was overal blank en onbevlekt. Maar haar minnaar was voorzichtiger en wees haar alleen de minst bezoedelde bladzijden aan.Wat konden zij ook tehuis heerlijk zittenredeneeren, het liefst nog over beider levensbeschouwing. Dan sprak hij het meest en zij luisterde—zij leerde. Zijne denkbeelden waren veel minder idealistisch dan die haars vaders, maar er lag toch blijkbaar veel waarheid in. Daarbij sprak hij met zooveel overtuiging. Zij vond hem knap en verstandig, heel verstandig. Maar als hij te ver ging met zijn pessimisme, dan bestreed zij hem met warmte.Hoe kon hij zoo spreken, hij die toch even gelukkig moest zijn als zij! Hij bedroefde haar.Washij dan niet even gelukkig? Of was hij in jarenlang niet gelukkig geweest en was dit misschien nog maar gewoonte van hem om zoo te spreken?En dan gaf hij toe dat voor hem alles veranderd was sedert hij haar kende, maar hij sprak van het leven in het algemeen, het leven van alle menschen. Zij mochten immers niet alleen naar zichzelf oordeelen!Zij echter kende het leven niet anders dan uit haar eigene, eenvoudige geschiedenis, en ondanks veel weemoed scheen het haareen liefelijk Eden vol genot. Zij wilde dat hij het ook zoo vinden zou; langzamerhand zou zij er hem toe brengen, dacht zij. Want zij wist niet dat hij roekeloos de bloemen, die langs zijn levensweg groeiden, in den knop had opengebroken, lang eer zij zich tot bloem hadden ontplooid, om te rechter tijd zijn pad te verlieflijken.Toch waren er oogenblikken in zijn leven—neen, uren en dagen wanneer hij aan die mogelijkheid ook geloofde. Eerst had hij slechts hare schoonheid liefgehad, hare jeugd, hare onschuld, en hij had haar begeerd juist om die frissche ongereptheid; maar nu hij ook nog vrijelijk blikken mocht in hare ziel, even frisch en ongerept als haar lichaam, nu was het hem dikwerf als moest hij zich voor haar neerbuigen in het stof. Dan was er deemoed in zijn hart, waarachtige deemoed, omdat hij al zijne zwakheid, al zijne zedelijke nietigheid gevoelde. En dan hoopte hij dat van haar zóóveel kracht zou uitgaan, dat deze hem sterken zou. Dan waren daar vele heerlijke gedachten in hem aan eennieuw en beter leven—dan was hijgoed.Doch daar waren ook andere oogenblikken, wanneer hij opgewonden door wijn of lectuur of schouwburgbezoek, aanvechtingen kon hebben van verlangens, die hij haar nimmer zou hebben durven bekennen; wenschen naar vernieuwing van onedele genietingen, welke hem eens bekoord, eens hem geheel in hare macht gehad hadden. En hij riep de oude drogredenen voor zijn geest terug, die zijne philosophische vrienden hem hadden voorgezegd, vond dat er toch eigenlijk veel waars in was, heel veel waars—en gaf zich toe.Als dan de opwinding voorbij was en de koele nachtlucht langs zijn verhit gelaat streek, als hij de sterren boven zijn hoofd zag vonkelen in stille majesteit, dan ontwaakte hij als het ware. Dan dacht hij aan zijne Renée, zijne schoone lieveling, rustig slapend, omgeven door dat waas van onschuld en vertrouwen, dat haar altijd omgaf, in de gezelschapszaal zoowel als in zijne armen. Dan verfoeide hij zichzelf en mompelde een:“Ellendeling!” uit den grond van zijn hart, maar dat maakte hem harer niet waardig; en den volgenden dag stond hij dan weer tegenover haar, glimlachend en zelfingenomen, alleen met een klein weinigje heimelijk berouw, dat echter zijne stemming niet bedierf.Na de thee wandelden zij samen weg. Oom en tante hadden kennissen aangetroffen en lieten de jongelui hun gang gaan.Renée wandelde aan Hugo’s arm door het dorp naar het bosch en samen lieten zij zich door de boeren en boerinnen aangapen, of misschien bewonderen. Zij liep als op wolken in een gouden nevel van geluk. Zij had al die menschen wel aan haar hart kunnen drukken. Sedert de laatste maanden scheen de aarde haar een paradijs. Overal lachten haar nu geluk en liefde en schoonheid toe. Duizend heerlijke beloften scheen het leven haar te doen. Wel was het tegenwoordige reeds vol zaligheid, maar vooral toch door dat verschiet van altijd klimmend geluk, zooals een landschap paszijne schoonheid en volmaking bereikt door een fraaien achtergrond. Vroeger leefde zij niet; neen, dat was een rupsenleven, eentonig en werktuiglijk. Maar nu was zij als de vlinder, tallooze schoone bloemen op zijn weg vindend en dartelend in den zonneschijn. Nu meende zij niet meer dat een meisje tot een huwelijk komt als een jongen tot een beroep. Welk een heiligschennis!....“O Huug,” zeide zij, toen zij het bosch hadden bereikt en zij sloeg hare kleine handen om zijn arm, “ik zou het wel kunnen uitjubelen van geluk!”Al hare aandoeningen waren zoo echt, zoo natuurlijk, zoo waar; wild opwellend uit het diepst van haar gemoed, niet eerst onbewust van buiten geleerd uit de boeken.“Laten we dan eens zingen.”“Neen, zingen helpt niet of ik moest zelf componiste zijn. Ik kan mij niet herinneren dat één componist iets gemaakt heeft, wat mij nu bevredigen zou. Misschien ook uit zulk een stemming zich het bestin een weemoedig lied of.... is er geen uiting voor te vinden.”“Misschien wel, ja.”“Voel jij zoo iets wel eens?”“Wat?”“Zoo iets jubelends. Zoo’n overstelpend geluk.”“Ja, soms,” antwoordde hij, denkende aan zijne beste oogenblikken.Zij zag hem even van ter zijde aan, terwijl zij luchtig over de bemoste paden stapten.“Huug, soms vind ik het net, alsof je niet openhartig met mij ben,” zeide zij opeens met de haar eigene klakkelooze oprechtheid. “Je bent toch niet boos dat ik dit maar zoo zeg?.... Je geeft mij soms den indruk, niet bepaald alsof je iets voor mij verzwijgt of verbergt, dat niet,—maar toch alsof je mij niet alles zegt, wat je denkt.”“Verbeelding, kind!” antwoordde hij, met een stokje een hoop bijeengewaaide dorre bladeren van het vorig jaar uiteenslaande.“Je moet er niet boos om zijn. Ik dacht het maar zoo. En wij moeten elkaar geheel vertrouwen, als we gelukkig willen worden. Geloof je dat ook niet?”“Ja, dat is zeker,” zeide hij flauw, en zijn peinzenden blik verried den tweestrijd in zijne ziel. Hij dacht er aan dat het oogenblik voorbij was, toen hij haar alles hadkunnenzeggen; nu had hij slechts in hare tegenwoordigheid te waken over zijne woorden en daden. Want hij vreesde haar te kunnen verliezen door een enkel ondoordacht woord, gelijk hij ze vroeger roekeloos bij dozijnen uitte. O, hoe wenschte hij in dit oogenblik, nu zij door hare schoonheid en lieftalligheid hem weder tot in het diepst zijner ziel roerde, geen enkel duister plekje in zijne herinnering te hebben!Zij hoorde het in zijne stem, zij las het in zijne oogen, dat hij niet zeide wat hij dacht; en plotseling als een bliksemschicht op een schoonen zomeravond, viel de argwaan in hare ziel. Voor het eerst sedert den zonnigen dag harer verloving rees ietsals een twijfel in haar, een vage vrees, een spook, dat haar aangrijnsde, een donkere wolk, die een oogenblik een dreigende slagschaduw wierp over de zonnige vlakte van haar geluk.“Huug!” zeide zij, plotseling stilstaande en de handen tegen zijne borst vouwend terwijl zij hem recht in het gelaat zag, “je verbergt immers niets voor mij?”Toen vermande hij zich, zag haar verwijtend aan en zeide op den toon der koelste verontwaardiging: “Dat je me wantrouwen zoudt, had ik niet gedacht.”“O neen!” riep zij verschrikt uit, “ik vraag je duizendmaal vergeving. Je hebt gelijk, het was heel, heel leelijk van me. Kom, geef me een zoen, dan is alles weer over, hè?”Zij zag hem vol liefde en vertrouwen aan, en hij kuste haar op de oogen. Was het om ze te sluiten?“Zie je, Huug,”—en zij wandelden weer voort,—“het kwam maar doordat ik zelf zoo’n flapuit ben. Alles, wat ik denk, alsik bij je ben, zeg ik ook dadelijk. En ik vond jou soms zoo.... ja ik weet niet hoe. Maar ik begrijp wel dat ik je verkeerd beoordeelde. Wij zullen elkaar alles zeggen, vindt je niet? Je weet: het hoogste geluk tusschen man en vrouw kan alleen bestaan bij volkomen wederzijdsch vertrouwen.”“Daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde hij met gemaakten ernst, terwijl toch het vurig verlangen in hem rees tegenover dit kind, dat hij zoo afgodisch beminde even oprecht te kunnen staan als zij tegenover hèm stond. “Wij moeten als twee vrienden zijn, niet waar? En als vriendschap en liefde ons tegelijk gelukkig maken, wat zullen wij dan een paar gelukkige menschenkinderen zijn.”En zoo sprak hij voort, terwijl zij zich op een omgewaaiden stam neerzetten; en hij fluisterde zoo zoet, dat de donkere slagschaduw als alle slagschaduwen in een oogwenk verdween.Toen zij terugreden, was het reeds bijna donker. En Renée zag naar den wittendauw, die langzaam opsteeg uit de velden, onzichtbaar van nabij, maar ver in het rond zich uitbreidend over de velden, als een witte zee. Droomerig rees de gouden sikkel der maan, en trouw kwamen de flonkerende sterren op haar post, een voor een, vriendelijk oogwenkend naar de aarde.Renée sloot de oogen. O, altijd zóó gelukkig te mogen zijn! Zóó gelukkig te blijven als heden,—levend in zonneschijn en Meigroen, onder een blauwen hemel of flonkerende sterren. Zoo maar stil voort te glijden door het leven—met hem!—en de menschen te laten praten, zooals zij nu oom en tante praten liet, die er over kibbelden of zij morgen naar de komedie zouden gaan of niet! Haar mond en haar hart gesloten te houden en haar geluk te verbergen voor de geheele buitenwereld, zooals zij nu mond en hart gesloten hield, ofschoon overvloeiend van geluk!”’t Kind slaapt zoowaar,” zeide oom Albert, die tegenover haar zat.“Zij is zeker moe,” zeide Huug vergoelijkendvan de andere zijde der voorbank.Maar zij sliep niet en lag hem maar stil uit haar donker hoekje aan te staren, genietende van den aanblik van zijn schoon gelaat, dat met zijne scherpe trekken en donkere, eigenaardig gevormde wenkbrauwbogen nog duidelijk te onderscheiden was. En zij dacht er aan met een zucht van genot hoe lief zij hem had. Zijn leven was met het hare ineengeweven voor altijd. De gedachte aan zijn mogelijken dood deed haar het hart ineenkrimpen; dan zou zij nimmermeer den blik naar den schoonen hemel durven heffen, dacht zij. En zij herinnerde zich op eens een tekst, lang geleden in de dorpskerk vernomen, dien zij zich in het geheugen had gegrift, omdat zij toen daarbij aan haar vader dacht. Het waren de woorden van Ruth: “Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan; en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven: aldaar zal ik begraven worden. Alzoo doe mij de Heer enalzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u.”Nu dacht zij daarbij aan Huug. En zij zeide ze zacht voor zich heen, telkens weer, die schoone woorden vol liefde en poëzie: “zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u.”Zij was als een kwijnende plant geweest, die vruchteloos de zon zoekt, maar opleeft, zoodra deze haar beschijnt;—dan zich in teedere schoonheid naar die zon keerend, tallooze jonge knoppen ontplooiend, bloem en blad gevend, alles gevend, om het kopje te laten hangen, als zij verdwijnt.Hijwas haar zon; was hij weg, dan leefde zij slechts droomend voort; dan kwam het haar vreemd voor dat niemand haar miste, dat men geen leegte gevoelde zooals zij;—keerde hij terug, dan ontwaakte zij en glimlachte en straalde.Even vóór zij de stad inreden, passeerden zij een van die stille buitenstraten, gelijkom elke stad gevonden worden. Renée lag kalm opwaarts te kijken naar de eindelooze reeks gelijkvormige vensters, die rusteloos voorbijgleden, als zou er nooit een eind aan komen. Voor één dier vensters zag zij een vrouwengelaat, dat haar bijzonder trof. Het was in het oog vallend schoon met zijne rossig-blonde lokken en lichtblauwe oogen en fraaie kleur, maar tegelijk was het wreed, coquet en zinnelijk; trekken, die Renée zag zonder ze te kunnen ontleden, maar die haar toch afkeer inboezemden.Het licht van een straatlantaarn scheen op dat gelaat en... zag Renée goed?.... kwam daar niet plotseling een lach als van geheime verstandhouding in die oogen, terwijl zij op den voorbijrollenden landauer neerzagen?....Wiengold die blik?Niemand meer was wakker dan Huug; maar nu de lantaarn voorbij was, kon Renée zijn gezicht niet meer onderscheiden.Zij sloot de oogen.... O God, als tòch eens....!Maar toen verjoeg zij die gedachte metverontwaardiging uit haar hart. Zij kon—neen, zijmoestzich vergist hebben. Zij verweet zich haar argwaan, en bij het afscheid kuste zij hem met de innigste liefde goedennacht en bad hem nog eens met teedere stem haar te vergeven wat zij dien middag gezegd had.X.“Och kind,” zeide mevrouw Verhulst en zij zag Renée aan met den beschermenden glimlach, dien een ervaren wereldlinge zich veroorloven mag tegenover een pas getrouwd vrouwtje, dat zoo juist met schitterende oogen over de heerlijkheid van het leven heeft uitgeweid, “als men ouder wordt, beschouwt men alles zoo anders. Dan krijgt men een geheel ander kijkje op het leven.”“Maar het huwelijksgeluk....”“Juist dat huwelijksgeluk is zoo hersenschimmig,” zeide mevrouw Verhulst metde hand wuivend. “Natuurlijk—als men jong is, heeft men idealen, dat is bij alle menschen eender. Kijk maar naar de geëngageerde luidjes, die loopen allemaal met de hoofden naar elkaar gebogen, maar na tien jaar doen ze heel anders. Idealen en hersenschimmen behooren bij de jeugd en gaan ook met de jeugd over.”“Maar de liefde kan toch blijven,” wierp Renée bescheiden tegen, bescheiden alleen om haar verschil in jaren met de spreekster, maar met heilige, onwrikbare overtuiging in het hart.“Och, liefde is ook al een hersenschim, bij de mannen ten minste. Het egoïsme drijft bij hen altijd weer boven. Ieder klein gekkinnetje droomt er van een meester, een meerdere te zullen vinden, tegen wien zij kan opzien; maar hoe anders komt dat meestal uit! De vrouwen moeten tegenwoordig als schildwachten staan bij de deugd van hare mannen!” En zij lachte, maar bitter, weemoedig bitter, zoodat Renée heimelijk dacht dat wel een diepleed ten grondslag moest liggen aan zulk een hard oordeel.Hoe gelukkig, hoe trotsch, hoe rijk voelde zij zichzelf! School al eenige waarheid in zulke beweringen, dat alles ging toch buitenhaarklein paradijsje om, waar “de tijdgeest” niet binnen mocht treden, maar waar slechts geofferd werd op het altaar van het eeuwig schoone en goede: liefde en trouw. Zij luisterde wel is waar met huivering naar de voorbeelden, door hare bezoekster te berde gebracht, maar twijfelde heimelijk aan de waarheid er van. Wel begreep zij nu het leven en de maatschappij een weinig anders dan vóór haar huwelijk; wel dacht zij er soms met weemoed aan hoeveel zonde en schuld in de wereld rondwaarden; doch er was geen punt van aanraking tusschen die wereld en haar zonnig huis, haar kleinen tempel van geluk.Daaraan dacht zij, toen zij, alleen gebleven, aan het venster post vatte om naar haar man uit te zien. ’t Was eigenlijk nog wel wat vroeg, maar op hem wachtenwas ook een heerlijke bezigheid. Wat zou zij ook anders doen? Van den morgen tot den avond was haar leven een genieten van zijne tegenwoordigheid, een verlangen naar zijn terugkeer.Die arme mevrouw Verhulst, dacht zij. Zou zij ongelukkig gehuwd zijn?.... Haar man zag er niet prettig uit, heel anders dan Huug, haar Huug....Hare borst rees en daalde sneller bij de gedachte aan hem.... O, dat was immers juist zoo heerlijk in het leven dat men alleen door de liefde tot het huwelijk komen mocht; “want,” zoo redeneerde zij heel wijsgeerig, “immers de liefde alleen geeft ons de kracht om onze gebreken te bestrijden en dan veredeld en gelouterd te zamen het leven in te gaan!”Die arme mevrouw Verhulst! Kon zij haar toch maar overtuigen!.... En andere menschen, die ook al zoo dom praatten.... Maar daartoe zou zij eigene gedachten en gewaarwordingen moeten brengen in vreemde harten, en dat ging niet. Misschienook was niemand ooit zoo gelukkig geweest als zij, en al was zij nu bijna reeds vijf maanden getrouwd, het was alsof dat geluk nog dagelijks grooter werd.Nu voelde zij iets aan hare hand; het was Caesar, die zijn kouden neus liefkoozend tusschen hare vingers duwde. En zij streek hem teeder over den kop en dacht aan dien heerlijken Augustusdag, toen zij van hun huwelijksreisje thuis kwamen en Huug, de deur openend, lachend zeide: “Treed binnen, mevrouwtje!” Wie was toen de eerste geweest, die haar verwelkomend te gemoet was gesprongen, die met luid geblaf en woeste sprongen gezegd had: “Ik heb zoo naar je verlangd.” Niemand anders dan Caesar, die lieve, goede Caesar! O, dat gevoel—zoo lang ontbeerd—van dien vochtigen snoet en die zachte, warme haren! Tallooze herinneringen waren er plotseling mede voor haar geest gerezen; het was als een groet, een zegening voor haar uit het oude huis, juist nu zij hare intrede deed in een nieuwe, eigene woning! En toenzij, met hare armen nog om Caesar’s hals, bij wien zij was neergeknield, den vochtigen blik naar Huug had opgeheven, toen had zij aan zijne stralende oogen gezien dat zij niemand anders dan hem deze verrassing te danken had.Weer zag zij naar buiten. De straten waren dik besneeuwd. Nu en dan rinkelde een ar voorbij. Jongens waren aan het sleden, en sneeuwballen vlogen van alle zijden door de straat. Maar het was toch geen vroolijk schouwspel, want de lucht hing er zwaar en droevig over, geelachtig grauw, als was zij vol nieuwe sneeuw.Maar in Renée’s hart scheen een warme zomerzon. Zij dacht aan die hooggeplaatste Russische vrouw, van wie zij pas gelezen had dat deze haar echtgenoot gevolgd was naar Siberië en zij dacht dat zij dit zelf ook zou doen. Zij zou hem volgen door ontbering en ellende, tot in “de schaduwen des doods”. In hare hooge stemming hield zij er van versregels of bekende uitdrukkingen uit gewijde literatuur zacht bijzichzelf op te zeggen, uitdrukkingen, die zij zich van vroeger herinnerde, maar waarvan zij nu pas recht al de diepte en schoonheid begreep. Alle hadden zij betrekking op Huug, op hare koning, haar afgod! Zoolang zij elkander zóó liefhadden, welk leed kon hen dan treffen: slechts de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, gelijk de bijbeltekst zeide. Zoolang dat zalige gevoel van vereering haar hart vervulde, zoolang zij met geheel hare ziel dien man aanhing, hem haar leven wijdde, een leven van stille, maar diepe vereering, omgaf haar een pantser, dat haar tegen ieder leed beveiligde. Zij was niet godsdienstig opgevoed, maar zij begreep nu volkomen het geluk, dat geloof, liefde en vertrouwen in een aangebeden godheid den mensch kunnen schenken; zij begreep den drang, die in oude tijden de menschen zich had doen werpen onder de alles verpletterende wielen van den wagen des Gods, dien zij liefhadden; zij begreep de doodsverachting der martelaren en de zelfontzeggingder kloosterlingen.Vereering—zoo heette de sleutel tot al die raadselen, en die zaligmakende kracht was ook in hare ziel gekomen en vervulde er alles met gouden glans.Nu was haar ideaal werkelijkheid geworden: zijn kleine schildwacht was zij; van den morgen tot den avond mocht zij waken over zijn geluk. Des morgens omgaf zij hem met duizend teedere oplettendheden; niemand mocht ooit die kleine zorgen en bezigheidjes van haar overnemen. Des middags ontving zij bezoeken om zijnentwil of legde ze af, bij allerlei vreemde menschen, die haar volkomen onverschillig waren, maar aan wie zij door haar stralend gezichtje steeds de overtuiging gaf dat hij “de beste man der wereld” was, gelijk zij hem werkelijk soms in intiemer kring ook lachend noemde, wanneer de stroom van zoete gedachten haar te machtig werd en uitmoestbarsten, ondanks haarzelf. En des avonds vulde haar salon zich met bezoekers—o, zoo vermoeiend soms!—maar heerlijk tochook, als zij zag hoe hij genoot; als zijn blik dwaalde langs de smaakvol versierde wanden of op háár bleef rusten, zooals ze daar zat, slank en bevallig, achter haar theegoed, dat zij zoo aardig hanteerde. Nooit, zoolang zijne moeder van hem was heengegaan, had hij zich zootehuisgevoeld; nooit was hij omringd geweest van zooveel oplettendheid.En hoe graag ging hij met haar uit! Zij was zoo mooi, dat de menschen op straat bleven stilstaan om haar na te zien; het was als straalde er licht van haar af, als omgaf een aureool dat reine, lieve kindergelaat, en menig dof oog verhelderde, menige in bitterheid saamgenepen mond ontspande zich tot een glimlach, als zooveel geluk voorbijging.Ha, daar kwam hij! Hunne blikken kruisten elkaar als gouden stralen.Bij de deur wachtte zij hem op. Een lange kus, een wisseling van teedere, zoete woordjes.... zij waren nog even dwaas verliefd als in hun kort engagement.“Wachtte je op me?” vroeg hij.“Ja,” antwoordde zij glimlachend. “Je weet wel: als je weg ben, wacht ik altijd op je. Dan leef ik maar half.—Kom, doe nu gauw dat vervelende paradepak uit, dan ben je meer op je gemak.”“En de receptie bij den kolonel dan?”Een uitdrukking van groote teleurstelling kwam over haar opgewekt gezichtje.“O, die had ik vergeten.... Hè, hoe saai!”“Ik kwam maar eens even naar je kijken. Ik geloof dat ik ook alweer verlangde,” en toen glimlachten zij elkaar toe.“Maar er is niets aan te doen,” hervatte zij dapper. “Ga maar gauw. Het kan vlug afloopen, niet?”“Een uur gaat er spoedig mee heen,” zeide hij haar vertroostend op het voorhoofd kussend.“Neem een rijtuig, Huug. Kijk, het begint te sneeuwen.”“Ja, wees maar niet bezorgd, kleintje.”Hij behandelde haar met een teederheid, die een reus voor een kind zou aan den dag leggen, maar het was een eerbiedigeteederheid. Hij gevoelde haar louterenden invloed op zijn zieleleven, hoewel dan ook onbewust uitgeoefend, en was er dankbaar voor. Hij wist het: wat zij in hem zag, was hij nog niet, maar meer en meer wilde hij het worden. Hij vorderde: hij won krachten en de tijd zou komen, wanneer hij haar waardig zouzijn.Soms, als hij haar toefluisterde hoe lief hij haar had, voelde hij plotseling tranen in zijne oogen wellen—van overstelpend geluk. Want zijne liefde, vroeger zoo vol zelfzucht, had zich gewijzigd tot dat vurig verlangen, alle ware liefde eigen: het beminde voorwerp te beschermen en veilig door het leven te doen gaan, geschraagd door zijne kracht, beschut door zijne armen....“Adieu, lieveling!”Het laatste, wat hij van haar zag, was haar blozend, lief gezichtje, dat hem achter de groote spiegelruit vriendelijk toelachte, tot de sneeuwvlokken haar voor hem onzichtbaar maakten.XI.In eenzaamheid bleef zij achter, die liefelijke eenzaamheid van een weelderig salon, waarvan ieder meubeltje slechts zoete herinneringen wakker roept, waar een knappend vuur gezelligheid brengt en de droomerige tik der pendule tot aangename overpeinzingen stemt.Hugo’s portret was er ook; dat had zij zoo gewild. En boven in haar boudoirtje hing zijne buste levensgroot, haar glimlachend aanziende. Dikwijls in zijne afwezigheid had zij uit verlangen naar dat gelaat haar handwerkje of boek neergelegd en was naar boven gesneld om het te beschouwen.In de straat werd het stiller, naarmate de sneeuwvlokken dichter begonnen te vallen. Nu en dan blies een gure windvlaag ze tegen het venster, maar zij keek er glimlachend naar met een zalig gevoel van veiligheid. In háár warm, gezellig nestje, zoo zeide zij zacht, kon geen windvlaag of sneeuwvlok doordringen.Maar iets anders kon daar binnenkomen, kouder en verstijvender dan de Noordenwind; iets, wat haar warm bloed verkillen en haar warm hart met een ijskorst omgeven zou: iets, wat met één slag alle jeugdige geluksbloesems zou doen verdorren: het noodlot;—het noodlot, dat de schuld en de zwakheid der mannen wreekt aan jonge, reine, gelukkige schepselen, die zich vertrouwend aan hen overgaven. Hugo Freeze, die gemeend had het verleden te kunnen afschudden als het stof van zijne zolen, zou gevoelen dat het zich als een slang gekronkeld had om zijn voet en met hem gaan zou, het lange leven door, waar hij ging.En terwijl Renée, mijmerend over haar geluk, als een tevreden kind de reusachtige sneeuwvlokken met het oog volgde of de figuren bewonderde, die zij er in kon waarnemen, als zij tegen het glas bleven kleven, naderde het noodlot, stil maar zeker. Reeds was het in de naaste straat...., het kwam dichter, altijd dichter.Nu had het haar huis gevonden; het was op haar drempel....De schel klonk door de gang, brutaal en bevelend.“Mevrouw,” zeide Frederik de oppasser, “daar is een vrouw om u te spreken. Zij zegt dat zij niet weg zal gaan, vóór zij u gesproken heeft, en.... het is misschien beter dat u maar gaat, dan dat ze.... schandaal maakt,” voegde hij er zacht bij.Renée rees haastig op.“Maar ik wil haar immers wel spreken, Frederik”, antwoordde zij met zacht verwijt. “Je moogt in deze koude geen enkelen arme wegzenden.”Frederik’s gezicht had een zeer bekommerde, bijna ontroerde uitdrukking, maar hij zeide niets meer en liet zijne mevrouw voorbijgaan.Rustig ging zij de trap af, die naar het portaal leidde, denkende hoe wreed de winter is voor de armen. Toen echter haar oog op de vrouw viel, die haar achter de glazen tochtdeur stond op te wachten, lietzij haastig hare goedgevulde portemonnaie weer in haar zak glijden en bleef, als door den bliksem getroffen, een oogenblik roerloos staan. Een rilling ging door al hare leden en zij gevoelde haar gelaat koud worden, als verbleekte zij.Maar snel herwon zij hare zelfbeheersching en trad vooruit.Zij wist nauwkeurig waar zij dat gelaat nog eens gezien had en herinnerde zich den vreeselijken lach, die haar zoozeer gepijnigd had. Nu echter lachten die oogen niet; zij fonkelden haar tegen als gloeiende kolen, vol haat wegens meerdere rechten, vol afgunst wegens meerderen rijkdom, vol zegepralenden wraaklust wegens teleurgestelde hoop, en vol woede wegens de reine schoonheid, de kalme waardigheid, die zij aanschouwden.Een oogenblik stonden zij zwijgend tegenover elkaar, als overstelpt door eigen aandoeningen, die nooit een vrouw machtiger overweldigen dan wanneer het hare liefde geldt, en Frederik, die achter zijne mevrouwwas aangekomen om naar het sousterrain terug te keeren, zeide later dat het was geweest of er een engel en een duivelin tegenover elkander hadden gestaan.Toen klonk Renée’s bevende stem: “U wilt mij spreken, juffrouw? Kom even met uwe kindertjes in het spreekkamertje.”Want de jonge vrouw had twee kinderen bij zich, een knaapje van twee jaar en een kleintje van weinige weken.Renée’s blik bleef op het gezichtje van het jongentje staren; aan wien herinnerde het haar toch met zijne donkere oogen en eigenaardigen wenkbrauwboog?Toen traden zij het spreekkamertje binnen en de deur sloot zich achter hen.—-Een half uur later trad de vrouw weer naar buiten; een glimlach van voldoening over gestilde hebzucht lag om hare lippen en over gestilde wraakzucht tevens; vergeten was zij, maar gewroken ook....!En daar binnen stond Renée, roerloos, versteend. Zij staarde recht voor zich uit, minuten lang, met vaalbleek gelaat enonbeweeglijken blik. Maar in haar hart was een storm, een orkaan, welks koude adem dat gloeiende, hartstochtelijk liefhebbende hart tot een klomp ijs verstijfde.In haar stierf langzaam het schoone jonge leven weg; hare liefde, haar geluk, haar verleden, hare toekomstidealen, één voor één stierven zij weg, als bloemen voor de zeis des maaiers.Met dien starenden blik schouwde zij in een afgrond, waarvan zij nauwelijks het bestaan had vermoed; en op den bodem van dien afgrond zag zij haar koning, haar god, zich wentelend in het slijk, hem, dien zij smetteloos gewaand had als zichzelf.Geld had die vrouw gevraagd, geld voor.... o God, voorzijnekinderen! En de waarheid harer woorden lag die kleinen in het gezicht geschreven. Dat kind van enkele weken—het was onbewust zoo wreed geweest, het had haar de ziel verscheurd.De stem van een der dienstboden in het sousterrain deed haar opschrikken en zijbegreep hier niet zoo te kunnen blijven.Was zij nog dezelfde Renée van straks?—Neen, de kleine, gelukkige Renée, die zich als een koningin gevoeld had in haar huis, als een gezegende onder de stervelingen, was dood; zij zou nimmer terugkeeren, nimmer, nimmermeer.Nu sloop daar een vreemde de trap op, een verguisde en bedrogen vrouw, ging de slaapkamer door en verdween in het kleine vertrekje daarnaast: haar boudoir.Daar sloot zij de deur, nauwkeurig en schijnbaar kalm, altijd met die starende oogen en dat bleek gelaat; deed toen enkele stappen vooruit en bleef staan leunen tegen het hoofdeinde van de rustbank, juist zooals zij beneden gestaan had, bewegingloos, gevoelloos.De schaduwen vielen dichter; buiten werd het stiller en stiller; beneden in de eetkamer klonk het bezige gedruisch van het tafeldekken. Maar zij bemerkte het niet.Eens klonk het vreemd en hard door het stille vertrekje: “Hij was slecht,slecht!”en toen weer dat vreeselijk staren, dat opgaan in een enkele verpletterende gedachte, waarbij het lichaam niet meer gevoeld wordt en de mensch slechts geest is geworden.Op eens ontwelde daar een kermende kreet aan hare lippen; zij wierp zich bij de sofa neer, het gelaat in de handen verbergend, het hoofd diep, diep neerdrukkend in de fluweelen kussens. Toch weende zij niet. Zij steunde slechts zacht, zacht en klagend, altijd weer hetzelfde geluid.Telkens viel daar weer een andere gedachte in hare ziel, een gedachte als een dolkmes, die haar kermen deed van pijn. Herinneringen, ontdekkingen, gevolgtrekkingen.... o, hoeveel begreep zij nu op eens! Hoe zag zij alles in een ander licht; hoe voelde zij zich misleid en bedrogen! Duizend kleinigheden, eerst niet door haar opgemerkt of overdacht, voegden zich nu samen tot een lange reeks van bewijzen en beschuldigingen.Met krampachtigen greep vatte zij haarhoofd, zoodat de golvende haren losraakten en de sidderende gestalte omhulden; en toen zij het bemerkte, deed het haar goed. Zich verbergen, onzichtbaar worden.... voor de meiden, voor hare kennissen, voor de wereld.... Er was iets belachelijks aan haar, iets schandelijks!.... De menschen zouden er naar wijzen.... Iets bespottelijks was het en toch iets vreeselijks, en alle menschen zouden haar belachen, haar beklagen,.... O weg, weg!Zij sprong op als om te vluchten, toen haar blik op het portret van haar man viel, dat haar glimlachend aanzag.Toen hoorden de meiden beneden, uit het boudoir een wilden lach, een lach, als van een waanzinnige, kort en luid en vreemd, die echter spoedig weer door diepe stilte gevolgd werd....Zij staarde op dat fraaie, lachende mannengelaat, waarin zij nu plotseling zwakheid en karakterloosheid las. Hare lippen krulden zich minachtend, haar blik nam een uitdrukking van afkeer aan, het jonge gezichtjewas op eens dat eener vrouw, eener diep beleedigde vrouw.Langzamerhand werd die blik zachter, maar geen verzoening sprak er uit; medelijden slechtsen.... een lang, een eeuwig vaarwel; een afscheidsgroet tegelijk aan den man, dien zij had bemind, en aan den zwakkeling, dien zij niet beminnen, niet meer toebehoorenkon; een vrijwillige, eeuwige scheiding van de reine vrouw aan den verachtelijken slaaf zijner lusten. Ach, nog iets anders, iets oneindig wreeders dan de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, maar dááraan had zij nooit gedacht....!“O, Huug,” fluisterde zij, dicht voor het portret tredend, “hoe lief heb ik je gehad! Hoe heb ik je aangebeden! Ik geloofde in je.... Ik wist niets van die vuile, walgelijke wereld, waarin de mannen leven. Ik zag het leven, zooals het werkelijk is, niet, zooals het door de ellendelingetjes, die zich mannen noemen, is ontheiligd en verlaagd. Je staat daar rechtop tegenover mij, netjesaangekleed in je uniform met goudgalon en blinkende knoopen, maar geen mannenhart slaat daarachter. Ik veracht je,.... ikkanniet anders, en dat ik je verachten moet, doodt mij.”Weer kreunde zij zacht en wendde het gelaat van die eens zoo beminde trekken.Het was haar als bestond zij niet meer; de vroegere Renée was verdwenen; haar geest was reeds gestorven in haar, alleen dat rampzalig lichaam stond daar nog, dat maar niet zoo spoedig sterven wilde als de ziel.En weg wilde zij toch, naar lichaam en geest, weg, ver weg, naar een toevluchtsoord, waarheen niemand haar volgen kon en vanwaar geen wreede, menschelijke wet de beleedigde vrouw tot terugkeer dwingen kan.En zij dacht er over, kalm, volkomen onverschillig, hoe zij het jonge, sterke leven in haar vernietigen zou.... Dat gehate, bloeiende lichaam, dat nergens meer toe diende, het moest weg; dat kloppende, eens zoo gloeiende hart moest dood; het wasimmers toch maar een bedrogen, misleid hart. Als zij nog vier en twintig uren leven moest, zou zij krankzinnig zijn. Misschien was zij het reeds; zij wist het zelf niet recht. Het kon haar ook niet schelen.... Als zij maar inslapen kon—voor altijd!Haar afgod was van zijn voetstuk gevallen en had in zijn val haar hart verbrijzeld. Nimmer, nimmer kon hij weer opgericht worden.“Ha, ha!” zeide zij overluid en hare eigene stem klonk haar vreemd in de ooren, “zelf de scherven aaneenlijmen en dan mijzelf en anderen wijsmaken dat dit nu weer....!Hare woorden eindigden in een vlijmenden spotlach.Eens had zij gevoeld altijd meer vrouw dan wereldlinge te zullen zijn, en zoo zeide zij nu ook tot zichzelf dat zij niet behoorde tot de vrouwen, die kunnen voortleven met een ongeneeslijke wonde in het hart; wier lichaam nog altijd rondloopt en werktuiglijk zijne plichten vervult, terwijl de ziel reeds gestorven is in haar, lang geleden reeds,toen haar liefde en vertrouwen gebroken werden, evenals de hare nu. Of ja, misschien zou zij er toe in staat zijn geweest ter wille eener moeder of van hulpelooze kinderen, maar.... zij had geen andere schatten, geen anderen rijkdom gehad dan hèm!Rustig keerde zij zich naar de deur en trad de slaapkamer binnen. Hier opende zij een kast en zag zoekend rond....Ja, daar in den hoek stond wat zij zocht. Hij had haar dikwerf gewaarschuwd het nooit te verzetten, opdat het niet verward zou worden met een der fleschjes op de toilettafel.Nu nam zij het in handen en las het opschrift. Enkele druppels waren voldoende om een sterken man den slaap te bezorgen, dien hij soms vruchteloos zocht, en met wreed genot mat zij den inhoud met de oogen. Het waren zeker wel honderd droppels.... ja, zeker wel honderd! En als een schat drukte zij het kleine voorwerp tegen hare borst, trad er het boudoir mede binnen en sloot de deur achter zich.Een kwartier later stak Hugo Freeze den sleutel in zijne huisdeur.Hij kwam fluitend de trap op, verlangend zijn paradepakje uit te doen. Maar eerst wilde hij rondzien naar Renée. Een blik in het salon—neen, zij was daar niet.Toen hij zich omkeerde, om haar elders te zoeken, trad Frederik hem in den weg, sloeg aan met neergeslagen oogen en vroeg aarzelend of hij mijnheer even spreken mocht.“Spreek op!” klonk het ongeduldig antwoord.Toen daalde Frederik’s stem tot gefluister en toen hij had uitgesproken, was het gelaat van zijn meester doodsbleek.“Dank je—je bent een beste kerel, hoor! Ik zal aan je denken,” zeide hij ontroerd, hem de hand reikende: en toen, nauwelijks in staat zich goed te houden, verdween hij in de slaapkamer.Goddank—zij was hier niet. Waarschijnlijk was zij in het boudoir. Hij zou zich stilhouden, want haar onder de oogentreden kon hij nog niet. Eerst moest hij zich herstellen en dan wilde hij tot haar gaan en haar vergeving vragen;.... haar zeggen hoe lief hij haar toch had, hoe haar invloed reeds een ander, een beter mensch van hem gemaakt had.... Hij zou zichzelf beschuldigen en vrijpleiten tegelijk.Maar dan dacht hij weer aan die reine kinderoogen vol geloof en vertrouwen.... en hij deinsde voor een ontmoeting terug....O God, dat dit nu had moeten gebeuren!Hij zat maar roerloos, schrijlings op een stoel neergevallen, de armen over de leuning en het gelaat in de handen geborgen.... Zou zij in het boudoir zijn?Hij luisterde geruimen tijd.Geen geluid.Hij ging naar de deur, aarzelde weder in zijn bewustzijn van schuld, trad weer nader en moed vattende, zeide hij smeekend: “Renée!”Maar geen antwoord volgde.Toen opende hij de deur en daar, neergezonken op de rustbank, half verborgen inhare fraaie lokken, lag haar slank meisjesfiguur. Was zij ingesluimerd?In de schemering kon hij haar gelaat slechts flauw onderscheiden, maar hij trad nader en knielde bij haar, zijn gelaat aan hare borst verbergend en verwachtende dat zij ontwaken zou.Maar zij bewoog zich niet.“Renée—lieveling?”Hij wilde hare hand vatten.... Maar wat hield zij er mede omklemd?Een kreet onsnapte hem, een ijskoude rilling ging hem van het hoofd tot de voeten.Hij zag haar oplettend aan.... En toen hij in dat doode, welbeminde gelaat zag, toen begreep hij plotseling dat het nooit weer in vertrouwende liefde aan zijne borst zou rusten; dat hij nimmer, nimmermeer, ondanks boete en rouw, het zoete: “Huug, ik heb je zoo lief!” van hare lippen zou hooren; dat een vreeselijk “te laat!” op die dierbare trekken geschreven stond.Op eens, als door waanzin bevangen,riep hij op hartverscheurenden toon, die van de diepste zielesmart getuigde:“Renée, Renée!.... Mijn vrouwtje!.... Word wakker? Geef antwoord!.... Zeg me dat je leeft.... O, spreek toch, spreek toch!”Maar zijne stem kon haar niet meer bereiken. De kleine schildwacht had haar post verlaten.
VIII.De zon scheen warm en koesterend op Hugo Freeze neer, toen hij het huis zijnerzuster verliet en door de drukke straten werktuiglijk den weg naar zijne kamers nam; maar evengoed had het kunnen stormen en regenen, zonder dat hij het bemerkt zou hebben.Naast hem klonk gelach en gepraat; straatjongens staken vuurwerk af; hier en daar zelfs knalde een pistoolschot in zijne nabijheid ter eere van het nieuwe jaar; maar hem ging het alles voorbij als een droom.Hij zag slechts die meisjesgestalte in haar lichtkleurig gewaad, staande in den gloed der zonnestralen; hij zag dat lieve, onschuldige gelaat en den blik vol vast vertrouwen; en hij hoorde maar steeds die zachte woorden: “Dat zal hij niet doen.”O, die toon vol onwrikbaar geloof! Diep had hij hem in het hart gegrepen. Want die woorden golden hèm, hèm alleen, daarvan was hij overtuigd. Het was juist iets voor haar oprecht karakter om zich aldus te verraden, hoewel met hooger blos, als zelf verschrikt over hare vrijmoedigheid.En nog gisteren was hij in een gesprekmet een paar vrienden—een heel philosophisch gesprek en heel philosophische vrienden—tot de conclusie gekomen dat een getrouwd man.... nu ja, dat hij zich wel eens wat meer vrijheid mag veroorloven dan een getrouwde vrouw. Zij hadden prachtige bewijsgronden aangevoerd, onomstootelijke argumenten;—en nu!.... Deze vielen alle in elkaar als dorre geraamten voor dien éenen, reinen, vertrouwenden blik....In gedachten verzonken bereikte hij zijne kamer, maar zette daar zijn wandeling voort, altijd met gebogen hoofd en starenden blik. Hij zag plotseling al de armzaligheid der sophismen van zwakke mannen, nu er het licht op neerstraalde eener smettelooze vrouwenziel, en als een openbaring kwam de gedachte tot hem hoe schoon het leven kan zijn voor den mensch, in wiens hart de liefde haar gewijden intocht houdt, als dat hart nog onbedorven is. Hij zag het plotseling, als in een visioen, welke machtige, heerlijke gewaarwordingen het zijne zouden vervuld hebben, had hij de liefde niet andersgekend dan als deze zachte, heilige aandoening, welke hem door de ziel voer als een gebed....Nu begreep hij Albert’s woorden: “Zij weten niet eens het verschil tusschen passie en liefde.” Nu wist hij het—voor het eerst.Zijne vuisten balden zich krampachtig, zich samentrekkend in jeugdige, pas ontwaakte geestdrift; zijne borst zwoegde van pijnlijk berouw. Iets zeide hem dat, als hij waarlijk liefhad, hij hare wederliefde niet vragen zou, eer hij een ander man geworden zou zijn. En wild drukte hij zich de handen tegen het voorhoofd. Titanen worstelden in zijn brein en hij zag sidderend den strijd aan. Al wat eenmaal goed en edel in hem geleefd had, als kind, als knaap en als jongeling, ontwaakte opnieuw; en het hief zich op, hoog, hoog, als een lang getergd en ten doode gemarteld dier en ving opnieuw de worsteling aan tegen Begeerte, Zelfzucht en Zwakheid. Hij zag den strijd aan, langen, langen tijd en.... hielp de laatsten overwinnen.Ja, hij wist het wel, hij was harer niet waardig, maar hij wilde het worden. Hij wilde het verleden afschudden, vergeten; het bestond reeds niet meer voor hem, meende hij.... En hij zou haar alles bekennen.... Of alles wel niet, maar toch veel, zóóveel, dat het hem bevrijden zou van dien drukkenden gedachtenlast, als pleegde hij verraad tegen haar....Ja, met dat verleden zou hij breken, en voortaan slechts voor háár leven, voor háár geluk. En deze week nog zou hij haar vragen. Morgenavond misschien, als zij weer bij den haard zouden zitten schemeren, want dan zouden zij geheel alleen zijn. Albert zou niet vóór Dinsdag terugkomen. En als hij maar eenmaalRenée’swoord had, zou hij Lucie vragen Alberts toestemming te verkrijgen; het was haar toevertrouwd! Wat wist Albert trouwens kwaad van hem.... Hij kon wel gissen, maar niet weten, en op gissingen zou hij geen weigering durven gronden.Niet met zijne vrienden wilde hij gaanrijden, neen, hij moest alleen zijn. Zijn gemoed ging open voor de weelde van dezen heerlijken winterdag, die wel een lentedag geleek. Hij wilde ver gaan, heel ver, altijd voort, diep ademhalend van geluk, bijna het uitjubelend.... denkende aan haar, steeds maar denkende aan haar!“Zoo alleen op weg?” vroeg hij eenige uren later aan zijne zuster, die hij hier ver van haar huis ontmoette.“Ik zou je dezelfde vraag kunnen doen,” antwoordde zij lachend, terwijl zij zijn vurig paard beschouwde, dat nauwelijks geduld had tot stilstaan.“Ja, ik ga maar alleen vandaag.”“Ga niet te ver, Huug. De lucht betrekt zoo.”“Neen.... Renée thuis gebleven?”“Zij had geen lust.—Adieu!”En zij gingen beiden hun weegs, ieder met zijne eigene tevreden gedachten.Lucie’s poging was gelukt; zij was uitgegaanin de hoop hem te ontmoeten, opdat hij weten zou dat Renée alleen tehuis was. Er was nu zulk een goede gelegenheid voor een beslissing, vond zij; Albert van huis, zij uit—bijna nooit hadden de kinderen zulk een kansje.De slotsom van Hugo’s gedachtengang voerde hem inderdaad in vollen draf huiswaarts. Snel verwisselde hij zijne rijkleeding voor een andere, en spoedde zich toen naar de woning zijner zuster, waar de meid hem mededeelde dat alleen de juffrouw thuis was en dat hij haar in de serre zou vinden.Zijn hart klopte wilder, toen hij de kamerdeur zacht opende en sloot, en over het mollig tapijt onhoorbaar naar de serre trad. Bij de opengeschoven deur bleef hij staan. Zij zat half van hem afgewend; op haar schoot lag een boek, maar zij las niet; haar blik was peinzend op den grond gevestigd. Als gevoelde zij echter zijne tegenwoordigheid, zag zij op, en weer kleurde een blos hare wangen, een blos, die vanonstuimigen hartslag sprak en Hugo Freeze opeens iedere inleiding overbodig deed achten. Want er zijn oogenblikken in het leven, wanneer onze gemoedsaandoeningen ons zoo geheel beheerschen, dat ons alles, wat naar conventioneele vormen zweemt, belachelijk schijnt; en iets daarvan gevoelde Hugo Freeze, toen hij met zwoegende borst daar stond en haar blik ontmoette.“Renée!”Hij zag haar aan, niet overmoedig als gewoonlijk, maar ernstig, smeekend. En zij begreep dat het oogenblik gekomen was, waarnaar zij zoolang had uitgezien. Zij legde haar boek ter zijde en stond op, als aangegrepen door den ernst van dezen stond;—want wat voor den een soms niet meer is dan een “interessante emotie,” is voor den ander als een heilige plechtigheid. Renée beefde van het hoofd tot de voeten en haar blos week voor een teedere bleekheid.Hij trad nader en vatte hare hand.“Renée!”—en zijne anders zoo klankvollestem klonk dof van ontroering—“ik wilde je vragen of je nòg niet weet wat ik mij dit jaar als geluk droom.”Zij zweeg en boog diep het hoofd, als ontbrak haar de moed het zelf in woorden te brengen.“Magikhet zeggen?”Een nauw hoorbaar ja kwam over hare lippen.“Ik zou een goed en dapper aanvoerder willen worden,” zeide hij zacht, “en ik zal dat worden, als jij mijn kleine schildwacht zijn wilt.... Wil je?”Nu sloeg zij de oogen naar hem op. Een wereld van zaligheid lag in die schuchtere meisjesoogen, een juichend ja, en toen verborg zij het gelaat aan zijne borst.En hij wachtte niet meer op antwoord; hij was tevreden en zag teeder neer op het hoofdje, dat zoo gelukkig aan zijn schouder lag.... zóó gelukkig, dat zij plotseling in tranen uitbarstte.“Het is niets,” zeide zij echter dadelijk om hem gerust te stellen, het is alleenvan geluk....” en zij lachte hem toe met stralenden blik en wischte haastig hare tranen weg.“Ik zal een goed aanvoerder zijn,” ging hij voort, want juist het bewustzijn zijner zedelijke zwakheid deed hem kracht zoeken in beloften. “Geloof je dat, kind?” en hij streelde liefkoozend haar lokkig hoofd.“O, ja!” antwoordde zij, als vond zij het volkomen overbodig daarvan te spreken.—“O Huug, het is zoo heerlijk dat je mij liefhebt!”Maar hij ging door over hetzelfde onderwerp; hij had zich immers voorgenomen een bekentenis te doen.“En wil jij dan mijn kleine, trouwe schildwacht zijn.... die mij helpt en....”“Dat beloof ik,” viel zij hem in de rede; groote tranen welden opnieuw in hare oogen en zij reikte hem met zekere plechtigheid de hand, al klonken hare woorden eenvoudig: “Je zult mij altijd trouw op post vinden, bij nacht en bij dag. Je hebt het immers zelf gezegd van morgen: “Vooreen aanvoerder tegen wien een soldaat kan opzien, doet hij alles.” En tegen jou kan ik opzien, Huug; wat zou ik voor jou niet kunnen!”“Maar je moogt niet al te goed van mij denken, kind. Bedenk eens:.... ik ben al twee en dertig en....”Zij zag hem verwonderd aan; blijkbaar was het haar onmogelijk verband te vinden tusschen zijne eerste en zijne laatste woorden. Maar daar ging haar een licht op.....“O, je meent dat je voor dien leeftijd nog niet ver genoeg ben naar je zin?.... Wees gerust,”vervolgde zij met een engelachtigen glimlach, “je denkt veel te nederig van jezelf, Huug. In ieder geval is de aanvoerder zijn klein schildwachtje ver vooruit.”Zij, die alle mannen beoordeelde naar haar ernstigen, edelen vader en het een eenvoudigen plicht achtte voor ieder mensch er naar te streven elken dag beter te zijn dan den vorigen, veronderstelde dat verlangen naar volmaking in anderen ook;en daar zij Hugo Freeze met de oogen der liefde beschouwde, dacht zij dit in de eerste plaats van hem en sprak met zóóveel overtuiging, dat hij er zelf bijna door overtuigd geraakte. Toch vond hij dat hij nog niet genoeg gezegd had; hij wilde nu als het ware biechten om met zijnen aflaatbrief heen te gaan en het verledene voor altijd te vergeten. Dat verleden was harer niet waardig, maar zijne toekomst zou dit zijn. Hijzouen hijwilde! Nu kon hij begrijpen dat men behoefte kon gevoelen aan een dagboek. Hij ook—hij zou het willen opschrijven.... of ten minste wilde hij het uiten.... als een toekomstigen dwang, dien hij zichzelf oplegde.Maar telkens als hij weer in dat onschuldige gelaat staarde, verstomden hem de woorden op de lippen.... O God, neen, het was onmogelijk—onmogelijk! Hij wilde haar zóó behouden, zoo smetteloos en kinderlijk, zoo onwetend van alles wat lag buiten haar klein meisjeswereldje van boeken en snuisterijen, en mooie verzen en muziekstukjesen ideaaltjes. Zóó juist zou zij hem het beste schild zijn.Dit alles ging in zijn hoofd om, terwijl hij haar stil in de oogen zag, en zij dronk zijn teederen blik in, zwijgend en gelukkig.“Ik heb bijna wroeging, dat ik mij zoo zalig kan gevoelen, Huug, terwijl papa zoo kort geleden is heengegaan.... Wat zou hij veel van je gehouden hebben?”Een sombere wolk vloog over zijn gelaat; telkens als hij aan dien vader dacht, van wien hij steeds met zeker ontzag had hooren spreken, was het hem als plaatste diens schim zich tusschen hem en Renée. Maar hij had geleerd zijne gedachten te verbergen en antwoordde schertsend: “Je moet het in ieder geval maar dadelijk aan Caesar schrijven.”Zij glimlachte weemoedig.“Ja, en als wij getrouwd zijn, mag hij komen, niet waar?”“Natuurlijk!”—en toen zag hij haar peinzend aan met vergodenden blik.“Onveranderlijk trouw!” zeide hij. “Ikgeloof dat ik een goed schildwachtje heb uitgekozen.”“En ik een heerlijken aanvoerder,” lachte zij en toen drukte hij in vervoering het ranke kind aan zijne borst, waar zij stil bleef rusten, overstelpt door geluk. Want háár was alles nieuw, iedere liefkoozing, ieder teeder woord, iedere zwevende, vage gedachte aan de toekomst, het was voor haar een zaligheid op zichzelf, nooit gekend, nooit begrepen.“Wat bedoelde je straks toch?” vroeg zij, opeens het hoofd opheffende. “Je bent immers niet nòg eens geëngageerd geweest?”“Och, wel neen! Maar.... misschien heb ik wel eens iets gedaan wat je verdriet zou doen, als je ’t wist, en nu wilde ik je beloven....”“Neen, doe dat niet!” bad zij zacht. “Het ware berouw belooft niet; het handelt. Als er ooit zoo iets gebeurd is, denk er dan maar niet meer aan. Je hadt toen immers nog geen verplichtingen aan mij.”“Neen, misschien niet,” antwoordde hijpeinzend; want hij dacht er aan dat toch eigenlijk iedere jonge man, die eenmaal denkt te huwen, verplichtingen heeft tegenover het hem nog onbekende jonge schepseltje, dat zich aan hem toevertrouwen zal. En hij gevoelde—als een ontdekking—dat hij nu zeer zeker verplichtingen aan haar had en dat zij het als niet meer dan natuurlijk beschouwde dat hij die trouw zou nakomen, even trouw, met evenveel lust, als zij de hare nakomen zou.“Maar ik geloof het niet,” liet zij op eens lachend volgen, “o, ik weet zeker dat het niet waar is, en ik wil er ook niet aan denken.... Maar laten wij niet vergeten dat er ieder oogenblik bezoek komen kan.”En zij gingen deftig tegenover elkander zitten, ieder aan een kant van de rieten tafel. Zij hadden zooveel, zoo eindeloos veel te praten: over het publiek worden van hun engagement, over de toestemming van oom Albert en over hun huwelijk, dat Hugo zoo spoedig mogelijk wilde laten voltrekken. Waarop zouden zij wachten?En zij liet hem maar redeneeren. Zij had geen behoefte aan gedachten over iets, wat later komen zou. Zij was reeds tevreden met de zoete zekerheid dat zij in zijn hart woonde, dat zij voortaan voor hem leven mocht, dat zij hem nu vrijelijk alles mocht zeggen. Het was haar reeds zaligheid genoeg daar stil tegenover hem te zitten en hem in het gelaat te mogen zien, terwijl hij sprak, met de gedachte dat hij de hare was; en zij antwoordde slechts nu en dan fluisterend met een teeder woord of met de zoete verzekering dat zij niet van hem zou afzien, al verzette oom Albert en de geheele wereld zich tegen hunne vereeniging.Hare vermoeide ziel, die zoo lang zoekende was rondgegaan in die vreemde wereld, had eindelijk de vleugelen dichtgevouwen en rustte in zalige, liefelijke rust. Zij had haar tehuis gevonden.IX.De paarden draafden lustig voort en Renée liet de schoone wereld aan zich voorbijglijden.Eerst villa’s met welonderhouden tuinen, vol geurige seringen en levendig getinte tulpenbedden, trotsche hyacinten en rozerooden Meidoorn. Dan boerenhofsteden met beplante moestuinen of vriendelijke hutjes met wilden wingerd begroeid; en eindelijk de ruime, wijde wereld—de schoone aarde beneden, de hemel daarboven. Weilanden, aan met bloemen doorwerkte tapijten gelijk, waarboven vlinders dartelen en goudgestreepte hommels gonsden; hier en daar doorsneden door een zilveren beekje, waaraan vergeet-mij-nieten zich droomend wiegelden.De lauwe lentewind streek liefkoozend langs hare wangen en haar. Telkens gleed een vluchtige boomschaduw over haar heen, om dan weer plaats te maken voor onafgebroken licht. Warme geuren stegen op uit verschgeploegde akkers.Hoog in de boomen klonk zacht gekweel, en, als het rijtuig naderde, zag men de kleine zangers met rappen wiekslag wegijlen in de lucht, helder bestraald door de zilveren zonnestralen. O, die zonneschijn, dat vogelenlied, die lentegeuren! Die vage gedachten van iets verhevens, iets schoons, iets “ver van de menschen”; een droom van zaligheid, een dronkenheid van genot. Renée sloeg onwillekeurig de oogen op naar de groote witte wolken vol glans, die boven haar zeilden, ver boven haar in de blauwe ruimte van eindelooze lucht. Haar hart was als een tempel, waarin altijd zachte orgelmuziek ruischte; maar in deze omgeving was haar geluk als verdubbeld en het orgel bruiste en jubelde. Duizend stemmen paarden er zich juichend aan in dankbaar lofgezang en zij luisterde....Maar tante sprak zoo luide over ontdekkingen op het meidenkamertje gedaan, en oom en Huug lachten. Zij zagen geen van drieën rond en er was toch zooveel met de oogen te genieten. Over het meidenkamertjekon men thuis ook praten, vond Renée. Moest men daarvoor op een heerlijken Meidag uit rijden gaan!Maar zij liet zich hare stemming niet bederven. Zij vonden haar alleen wat stil; doch glimlachend antwoordde zij dat zij genoot en toen waren zij tevreden.En zij mijmerde weer voort.... Straks zou zij met Huug alleen zijn. Wat zouden zij dan weer heerlijk samen praten! Hij had den sleutel gevonden tot die gesloten schatkamer, haar hart, en zij toonde hem al hare kostbaarheden.... Niets ging haar boven die uren van gedachtenwisseling, waarin zij als het ware in elkanders zielen schouwden, als in tot dusver gesloten boeken. Voor lezen was nog niet altijd gelegenheid; dat zou later komen. En zij liet hem vrij bladeren; hij mocht haar zieleboek openslaan, waar hij wilde: het was overal blank en onbevlekt. Maar haar minnaar was voorzichtiger en wees haar alleen de minst bezoedelde bladzijden aan.Wat konden zij ook tehuis heerlijk zittenredeneeren, het liefst nog over beider levensbeschouwing. Dan sprak hij het meest en zij luisterde—zij leerde. Zijne denkbeelden waren veel minder idealistisch dan die haars vaders, maar er lag toch blijkbaar veel waarheid in. Daarbij sprak hij met zooveel overtuiging. Zij vond hem knap en verstandig, heel verstandig. Maar als hij te ver ging met zijn pessimisme, dan bestreed zij hem met warmte.Hoe kon hij zoo spreken, hij die toch even gelukkig moest zijn als zij! Hij bedroefde haar.Washij dan niet even gelukkig? Of was hij in jarenlang niet gelukkig geweest en was dit misschien nog maar gewoonte van hem om zoo te spreken?En dan gaf hij toe dat voor hem alles veranderd was sedert hij haar kende, maar hij sprak van het leven in het algemeen, het leven van alle menschen. Zij mochten immers niet alleen naar zichzelf oordeelen!Zij echter kende het leven niet anders dan uit haar eigene, eenvoudige geschiedenis, en ondanks veel weemoed scheen het haareen liefelijk Eden vol genot. Zij wilde dat hij het ook zoo vinden zou; langzamerhand zou zij er hem toe brengen, dacht zij. Want zij wist niet dat hij roekeloos de bloemen, die langs zijn levensweg groeiden, in den knop had opengebroken, lang eer zij zich tot bloem hadden ontplooid, om te rechter tijd zijn pad te verlieflijken.Toch waren er oogenblikken in zijn leven—neen, uren en dagen wanneer hij aan die mogelijkheid ook geloofde. Eerst had hij slechts hare schoonheid liefgehad, hare jeugd, hare onschuld, en hij had haar begeerd juist om die frissche ongereptheid; maar nu hij ook nog vrijelijk blikken mocht in hare ziel, even frisch en ongerept als haar lichaam, nu was het hem dikwerf als moest hij zich voor haar neerbuigen in het stof. Dan was er deemoed in zijn hart, waarachtige deemoed, omdat hij al zijne zwakheid, al zijne zedelijke nietigheid gevoelde. En dan hoopte hij dat van haar zóóveel kracht zou uitgaan, dat deze hem sterken zou. Dan waren daar vele heerlijke gedachten in hem aan eennieuw en beter leven—dan was hijgoed.Doch daar waren ook andere oogenblikken, wanneer hij opgewonden door wijn of lectuur of schouwburgbezoek, aanvechtingen kon hebben van verlangens, die hij haar nimmer zou hebben durven bekennen; wenschen naar vernieuwing van onedele genietingen, welke hem eens bekoord, eens hem geheel in hare macht gehad hadden. En hij riep de oude drogredenen voor zijn geest terug, die zijne philosophische vrienden hem hadden voorgezegd, vond dat er toch eigenlijk veel waars in was, heel veel waars—en gaf zich toe.Als dan de opwinding voorbij was en de koele nachtlucht langs zijn verhit gelaat streek, als hij de sterren boven zijn hoofd zag vonkelen in stille majesteit, dan ontwaakte hij als het ware. Dan dacht hij aan zijne Renée, zijne schoone lieveling, rustig slapend, omgeven door dat waas van onschuld en vertrouwen, dat haar altijd omgaf, in de gezelschapszaal zoowel als in zijne armen. Dan verfoeide hij zichzelf en mompelde een:“Ellendeling!” uit den grond van zijn hart, maar dat maakte hem harer niet waardig; en den volgenden dag stond hij dan weer tegenover haar, glimlachend en zelfingenomen, alleen met een klein weinigje heimelijk berouw, dat echter zijne stemming niet bedierf.Na de thee wandelden zij samen weg. Oom en tante hadden kennissen aangetroffen en lieten de jongelui hun gang gaan.Renée wandelde aan Hugo’s arm door het dorp naar het bosch en samen lieten zij zich door de boeren en boerinnen aangapen, of misschien bewonderen. Zij liep als op wolken in een gouden nevel van geluk. Zij had al die menschen wel aan haar hart kunnen drukken. Sedert de laatste maanden scheen de aarde haar een paradijs. Overal lachten haar nu geluk en liefde en schoonheid toe. Duizend heerlijke beloften scheen het leven haar te doen. Wel was het tegenwoordige reeds vol zaligheid, maar vooral toch door dat verschiet van altijd klimmend geluk, zooals een landschap paszijne schoonheid en volmaking bereikt door een fraaien achtergrond. Vroeger leefde zij niet; neen, dat was een rupsenleven, eentonig en werktuiglijk. Maar nu was zij als de vlinder, tallooze schoone bloemen op zijn weg vindend en dartelend in den zonneschijn. Nu meende zij niet meer dat een meisje tot een huwelijk komt als een jongen tot een beroep. Welk een heiligschennis!....“O Huug,” zeide zij, toen zij het bosch hadden bereikt en zij sloeg hare kleine handen om zijn arm, “ik zou het wel kunnen uitjubelen van geluk!”Al hare aandoeningen waren zoo echt, zoo natuurlijk, zoo waar; wild opwellend uit het diepst van haar gemoed, niet eerst onbewust van buiten geleerd uit de boeken.“Laten we dan eens zingen.”“Neen, zingen helpt niet of ik moest zelf componiste zijn. Ik kan mij niet herinneren dat één componist iets gemaakt heeft, wat mij nu bevredigen zou. Misschien ook uit zulk een stemming zich het bestin een weemoedig lied of.... is er geen uiting voor te vinden.”“Misschien wel, ja.”“Voel jij zoo iets wel eens?”“Wat?”“Zoo iets jubelends. Zoo’n overstelpend geluk.”“Ja, soms,” antwoordde hij, denkende aan zijne beste oogenblikken.Zij zag hem even van ter zijde aan, terwijl zij luchtig over de bemoste paden stapten.“Huug, soms vind ik het net, alsof je niet openhartig met mij ben,” zeide zij opeens met de haar eigene klakkelooze oprechtheid. “Je bent toch niet boos dat ik dit maar zoo zeg?.... Je geeft mij soms den indruk, niet bepaald alsof je iets voor mij verzwijgt of verbergt, dat niet,—maar toch alsof je mij niet alles zegt, wat je denkt.”“Verbeelding, kind!” antwoordde hij, met een stokje een hoop bijeengewaaide dorre bladeren van het vorig jaar uiteenslaande.“Je moet er niet boos om zijn. Ik dacht het maar zoo. En wij moeten elkaar geheel vertrouwen, als we gelukkig willen worden. Geloof je dat ook niet?”“Ja, dat is zeker,” zeide hij flauw, en zijn peinzenden blik verried den tweestrijd in zijne ziel. Hij dacht er aan dat het oogenblik voorbij was, toen hij haar alles hadkunnenzeggen; nu had hij slechts in hare tegenwoordigheid te waken over zijne woorden en daden. Want hij vreesde haar te kunnen verliezen door een enkel ondoordacht woord, gelijk hij ze vroeger roekeloos bij dozijnen uitte. O, hoe wenschte hij in dit oogenblik, nu zij door hare schoonheid en lieftalligheid hem weder tot in het diepst zijner ziel roerde, geen enkel duister plekje in zijne herinnering te hebben!Zij hoorde het in zijne stem, zij las het in zijne oogen, dat hij niet zeide wat hij dacht; en plotseling als een bliksemschicht op een schoonen zomeravond, viel de argwaan in hare ziel. Voor het eerst sedert den zonnigen dag harer verloving rees ietsals een twijfel in haar, een vage vrees, een spook, dat haar aangrijnsde, een donkere wolk, die een oogenblik een dreigende slagschaduw wierp over de zonnige vlakte van haar geluk.“Huug!” zeide zij, plotseling stilstaande en de handen tegen zijne borst vouwend terwijl zij hem recht in het gelaat zag, “je verbergt immers niets voor mij?”Toen vermande hij zich, zag haar verwijtend aan en zeide op den toon der koelste verontwaardiging: “Dat je me wantrouwen zoudt, had ik niet gedacht.”“O neen!” riep zij verschrikt uit, “ik vraag je duizendmaal vergeving. Je hebt gelijk, het was heel, heel leelijk van me. Kom, geef me een zoen, dan is alles weer over, hè?”Zij zag hem vol liefde en vertrouwen aan, en hij kuste haar op de oogen. Was het om ze te sluiten?“Zie je, Huug,”—en zij wandelden weer voort,—“het kwam maar doordat ik zelf zoo’n flapuit ben. Alles, wat ik denk, alsik bij je ben, zeg ik ook dadelijk. En ik vond jou soms zoo.... ja ik weet niet hoe. Maar ik begrijp wel dat ik je verkeerd beoordeelde. Wij zullen elkaar alles zeggen, vindt je niet? Je weet: het hoogste geluk tusschen man en vrouw kan alleen bestaan bij volkomen wederzijdsch vertrouwen.”“Daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde hij met gemaakten ernst, terwijl toch het vurig verlangen in hem rees tegenover dit kind, dat hij zoo afgodisch beminde even oprecht te kunnen staan als zij tegenover hèm stond. “Wij moeten als twee vrienden zijn, niet waar? En als vriendschap en liefde ons tegelijk gelukkig maken, wat zullen wij dan een paar gelukkige menschenkinderen zijn.”En zoo sprak hij voort, terwijl zij zich op een omgewaaiden stam neerzetten; en hij fluisterde zoo zoet, dat de donkere slagschaduw als alle slagschaduwen in een oogwenk verdween.Toen zij terugreden, was het reeds bijna donker. En Renée zag naar den wittendauw, die langzaam opsteeg uit de velden, onzichtbaar van nabij, maar ver in het rond zich uitbreidend over de velden, als een witte zee. Droomerig rees de gouden sikkel der maan, en trouw kwamen de flonkerende sterren op haar post, een voor een, vriendelijk oogwenkend naar de aarde.Renée sloot de oogen. O, altijd zóó gelukkig te mogen zijn! Zóó gelukkig te blijven als heden,—levend in zonneschijn en Meigroen, onder een blauwen hemel of flonkerende sterren. Zoo maar stil voort te glijden door het leven—met hem!—en de menschen te laten praten, zooals zij nu oom en tante praten liet, die er over kibbelden of zij morgen naar de komedie zouden gaan of niet! Haar mond en haar hart gesloten te houden en haar geluk te verbergen voor de geheele buitenwereld, zooals zij nu mond en hart gesloten hield, ofschoon overvloeiend van geluk!”’t Kind slaapt zoowaar,” zeide oom Albert, die tegenover haar zat.“Zij is zeker moe,” zeide Huug vergoelijkendvan de andere zijde der voorbank.Maar zij sliep niet en lag hem maar stil uit haar donker hoekje aan te staren, genietende van den aanblik van zijn schoon gelaat, dat met zijne scherpe trekken en donkere, eigenaardig gevormde wenkbrauwbogen nog duidelijk te onderscheiden was. En zij dacht er aan met een zucht van genot hoe lief zij hem had. Zijn leven was met het hare ineengeweven voor altijd. De gedachte aan zijn mogelijken dood deed haar het hart ineenkrimpen; dan zou zij nimmermeer den blik naar den schoonen hemel durven heffen, dacht zij. En zij herinnerde zich op eens een tekst, lang geleden in de dorpskerk vernomen, dien zij zich in het geheugen had gegrift, omdat zij toen daarbij aan haar vader dacht. Het waren de woorden van Ruth: “Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan; en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven: aldaar zal ik begraven worden. Alzoo doe mij de Heer enalzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u.”Nu dacht zij daarbij aan Huug. En zij zeide ze zacht voor zich heen, telkens weer, die schoone woorden vol liefde en poëzie: “zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u.”Zij was als een kwijnende plant geweest, die vruchteloos de zon zoekt, maar opleeft, zoodra deze haar beschijnt;—dan zich in teedere schoonheid naar die zon keerend, tallooze jonge knoppen ontplooiend, bloem en blad gevend, alles gevend, om het kopje te laten hangen, als zij verdwijnt.Hijwas haar zon; was hij weg, dan leefde zij slechts droomend voort; dan kwam het haar vreemd voor dat niemand haar miste, dat men geen leegte gevoelde zooals zij;—keerde hij terug, dan ontwaakte zij en glimlachte en straalde.Even vóór zij de stad inreden, passeerden zij een van die stille buitenstraten, gelijkom elke stad gevonden worden. Renée lag kalm opwaarts te kijken naar de eindelooze reeks gelijkvormige vensters, die rusteloos voorbijgleden, als zou er nooit een eind aan komen. Voor één dier vensters zag zij een vrouwengelaat, dat haar bijzonder trof. Het was in het oog vallend schoon met zijne rossig-blonde lokken en lichtblauwe oogen en fraaie kleur, maar tegelijk was het wreed, coquet en zinnelijk; trekken, die Renée zag zonder ze te kunnen ontleden, maar die haar toch afkeer inboezemden.Het licht van een straatlantaarn scheen op dat gelaat en... zag Renée goed?.... kwam daar niet plotseling een lach als van geheime verstandhouding in die oogen, terwijl zij op den voorbijrollenden landauer neerzagen?....Wiengold die blik?Niemand meer was wakker dan Huug; maar nu de lantaarn voorbij was, kon Renée zijn gezicht niet meer onderscheiden.Zij sloot de oogen.... O God, als tòch eens....!Maar toen verjoeg zij die gedachte metverontwaardiging uit haar hart. Zij kon—neen, zijmoestzich vergist hebben. Zij verweet zich haar argwaan, en bij het afscheid kuste zij hem met de innigste liefde goedennacht en bad hem nog eens met teedere stem haar te vergeven wat zij dien middag gezegd had.X.“Och kind,” zeide mevrouw Verhulst en zij zag Renée aan met den beschermenden glimlach, dien een ervaren wereldlinge zich veroorloven mag tegenover een pas getrouwd vrouwtje, dat zoo juist met schitterende oogen over de heerlijkheid van het leven heeft uitgeweid, “als men ouder wordt, beschouwt men alles zoo anders. Dan krijgt men een geheel ander kijkje op het leven.”“Maar het huwelijksgeluk....”“Juist dat huwelijksgeluk is zoo hersenschimmig,” zeide mevrouw Verhulst metde hand wuivend. “Natuurlijk—als men jong is, heeft men idealen, dat is bij alle menschen eender. Kijk maar naar de geëngageerde luidjes, die loopen allemaal met de hoofden naar elkaar gebogen, maar na tien jaar doen ze heel anders. Idealen en hersenschimmen behooren bij de jeugd en gaan ook met de jeugd over.”“Maar de liefde kan toch blijven,” wierp Renée bescheiden tegen, bescheiden alleen om haar verschil in jaren met de spreekster, maar met heilige, onwrikbare overtuiging in het hart.“Och, liefde is ook al een hersenschim, bij de mannen ten minste. Het egoïsme drijft bij hen altijd weer boven. Ieder klein gekkinnetje droomt er van een meester, een meerdere te zullen vinden, tegen wien zij kan opzien; maar hoe anders komt dat meestal uit! De vrouwen moeten tegenwoordig als schildwachten staan bij de deugd van hare mannen!” En zij lachte, maar bitter, weemoedig bitter, zoodat Renée heimelijk dacht dat wel een diepleed ten grondslag moest liggen aan zulk een hard oordeel.Hoe gelukkig, hoe trotsch, hoe rijk voelde zij zichzelf! School al eenige waarheid in zulke beweringen, dat alles ging toch buitenhaarklein paradijsje om, waar “de tijdgeest” niet binnen mocht treden, maar waar slechts geofferd werd op het altaar van het eeuwig schoone en goede: liefde en trouw. Zij luisterde wel is waar met huivering naar de voorbeelden, door hare bezoekster te berde gebracht, maar twijfelde heimelijk aan de waarheid er van. Wel begreep zij nu het leven en de maatschappij een weinig anders dan vóór haar huwelijk; wel dacht zij er soms met weemoed aan hoeveel zonde en schuld in de wereld rondwaarden; doch er was geen punt van aanraking tusschen die wereld en haar zonnig huis, haar kleinen tempel van geluk.Daaraan dacht zij, toen zij, alleen gebleven, aan het venster post vatte om naar haar man uit te zien. ’t Was eigenlijk nog wel wat vroeg, maar op hem wachtenwas ook een heerlijke bezigheid. Wat zou zij ook anders doen? Van den morgen tot den avond was haar leven een genieten van zijne tegenwoordigheid, een verlangen naar zijn terugkeer.Die arme mevrouw Verhulst, dacht zij. Zou zij ongelukkig gehuwd zijn?.... Haar man zag er niet prettig uit, heel anders dan Huug, haar Huug....Hare borst rees en daalde sneller bij de gedachte aan hem.... O, dat was immers juist zoo heerlijk in het leven dat men alleen door de liefde tot het huwelijk komen mocht; “want,” zoo redeneerde zij heel wijsgeerig, “immers de liefde alleen geeft ons de kracht om onze gebreken te bestrijden en dan veredeld en gelouterd te zamen het leven in te gaan!”Die arme mevrouw Verhulst! Kon zij haar toch maar overtuigen!.... En andere menschen, die ook al zoo dom praatten.... Maar daartoe zou zij eigene gedachten en gewaarwordingen moeten brengen in vreemde harten, en dat ging niet. Misschienook was niemand ooit zoo gelukkig geweest als zij, en al was zij nu bijna reeds vijf maanden getrouwd, het was alsof dat geluk nog dagelijks grooter werd.Nu voelde zij iets aan hare hand; het was Caesar, die zijn kouden neus liefkoozend tusschen hare vingers duwde. En zij streek hem teeder over den kop en dacht aan dien heerlijken Augustusdag, toen zij van hun huwelijksreisje thuis kwamen en Huug, de deur openend, lachend zeide: “Treed binnen, mevrouwtje!” Wie was toen de eerste geweest, die haar verwelkomend te gemoet was gesprongen, die met luid geblaf en woeste sprongen gezegd had: “Ik heb zoo naar je verlangd.” Niemand anders dan Caesar, die lieve, goede Caesar! O, dat gevoel—zoo lang ontbeerd—van dien vochtigen snoet en die zachte, warme haren! Tallooze herinneringen waren er plotseling mede voor haar geest gerezen; het was als een groet, een zegening voor haar uit het oude huis, juist nu zij hare intrede deed in een nieuwe, eigene woning! En toenzij, met hare armen nog om Caesar’s hals, bij wien zij was neergeknield, den vochtigen blik naar Huug had opgeheven, toen had zij aan zijne stralende oogen gezien dat zij niemand anders dan hem deze verrassing te danken had.Weer zag zij naar buiten. De straten waren dik besneeuwd. Nu en dan rinkelde een ar voorbij. Jongens waren aan het sleden, en sneeuwballen vlogen van alle zijden door de straat. Maar het was toch geen vroolijk schouwspel, want de lucht hing er zwaar en droevig over, geelachtig grauw, als was zij vol nieuwe sneeuw.Maar in Renée’s hart scheen een warme zomerzon. Zij dacht aan die hooggeplaatste Russische vrouw, van wie zij pas gelezen had dat deze haar echtgenoot gevolgd was naar Siberië en zij dacht dat zij dit zelf ook zou doen. Zij zou hem volgen door ontbering en ellende, tot in “de schaduwen des doods”. In hare hooge stemming hield zij er van versregels of bekende uitdrukkingen uit gewijde literatuur zacht bijzichzelf op te zeggen, uitdrukkingen, die zij zich van vroeger herinnerde, maar waarvan zij nu pas recht al de diepte en schoonheid begreep. Alle hadden zij betrekking op Huug, op hare koning, haar afgod! Zoolang zij elkander zóó liefhadden, welk leed kon hen dan treffen: slechts de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, gelijk de bijbeltekst zeide. Zoolang dat zalige gevoel van vereering haar hart vervulde, zoolang zij met geheel hare ziel dien man aanhing, hem haar leven wijdde, een leven van stille, maar diepe vereering, omgaf haar een pantser, dat haar tegen ieder leed beveiligde. Zij was niet godsdienstig opgevoed, maar zij begreep nu volkomen het geluk, dat geloof, liefde en vertrouwen in een aangebeden godheid den mensch kunnen schenken; zij begreep den drang, die in oude tijden de menschen zich had doen werpen onder de alles verpletterende wielen van den wagen des Gods, dien zij liefhadden; zij begreep de doodsverachting der martelaren en de zelfontzeggingder kloosterlingen.Vereering—zoo heette de sleutel tot al die raadselen, en die zaligmakende kracht was ook in hare ziel gekomen en vervulde er alles met gouden glans.Nu was haar ideaal werkelijkheid geworden: zijn kleine schildwacht was zij; van den morgen tot den avond mocht zij waken over zijn geluk. Des morgens omgaf zij hem met duizend teedere oplettendheden; niemand mocht ooit die kleine zorgen en bezigheidjes van haar overnemen. Des middags ontving zij bezoeken om zijnentwil of legde ze af, bij allerlei vreemde menschen, die haar volkomen onverschillig waren, maar aan wie zij door haar stralend gezichtje steeds de overtuiging gaf dat hij “de beste man der wereld” was, gelijk zij hem werkelijk soms in intiemer kring ook lachend noemde, wanneer de stroom van zoete gedachten haar te machtig werd en uitmoestbarsten, ondanks haarzelf. En des avonds vulde haar salon zich met bezoekers—o, zoo vermoeiend soms!—maar heerlijk tochook, als zij zag hoe hij genoot; als zijn blik dwaalde langs de smaakvol versierde wanden of op háár bleef rusten, zooals ze daar zat, slank en bevallig, achter haar theegoed, dat zij zoo aardig hanteerde. Nooit, zoolang zijne moeder van hem was heengegaan, had hij zich zootehuisgevoeld; nooit was hij omringd geweest van zooveel oplettendheid.En hoe graag ging hij met haar uit! Zij was zoo mooi, dat de menschen op straat bleven stilstaan om haar na te zien; het was als straalde er licht van haar af, als omgaf een aureool dat reine, lieve kindergelaat, en menig dof oog verhelderde, menige in bitterheid saamgenepen mond ontspande zich tot een glimlach, als zooveel geluk voorbijging.Ha, daar kwam hij! Hunne blikken kruisten elkaar als gouden stralen.Bij de deur wachtte zij hem op. Een lange kus, een wisseling van teedere, zoete woordjes.... zij waren nog even dwaas verliefd als in hun kort engagement.“Wachtte je op me?” vroeg hij.“Ja,” antwoordde zij glimlachend. “Je weet wel: als je weg ben, wacht ik altijd op je. Dan leef ik maar half.—Kom, doe nu gauw dat vervelende paradepak uit, dan ben je meer op je gemak.”“En de receptie bij den kolonel dan?”Een uitdrukking van groote teleurstelling kwam over haar opgewekt gezichtje.“O, die had ik vergeten.... Hè, hoe saai!”“Ik kwam maar eens even naar je kijken. Ik geloof dat ik ook alweer verlangde,” en toen glimlachten zij elkaar toe.“Maar er is niets aan te doen,” hervatte zij dapper. “Ga maar gauw. Het kan vlug afloopen, niet?”“Een uur gaat er spoedig mee heen,” zeide hij haar vertroostend op het voorhoofd kussend.“Neem een rijtuig, Huug. Kijk, het begint te sneeuwen.”“Ja, wees maar niet bezorgd, kleintje.”Hij behandelde haar met een teederheid, die een reus voor een kind zou aan den dag leggen, maar het was een eerbiedigeteederheid. Hij gevoelde haar louterenden invloed op zijn zieleleven, hoewel dan ook onbewust uitgeoefend, en was er dankbaar voor. Hij wist het: wat zij in hem zag, was hij nog niet, maar meer en meer wilde hij het worden. Hij vorderde: hij won krachten en de tijd zou komen, wanneer hij haar waardig zouzijn.Soms, als hij haar toefluisterde hoe lief hij haar had, voelde hij plotseling tranen in zijne oogen wellen—van overstelpend geluk. Want zijne liefde, vroeger zoo vol zelfzucht, had zich gewijzigd tot dat vurig verlangen, alle ware liefde eigen: het beminde voorwerp te beschermen en veilig door het leven te doen gaan, geschraagd door zijne kracht, beschut door zijne armen....“Adieu, lieveling!”Het laatste, wat hij van haar zag, was haar blozend, lief gezichtje, dat hem achter de groote spiegelruit vriendelijk toelachte, tot de sneeuwvlokken haar voor hem onzichtbaar maakten.XI.In eenzaamheid bleef zij achter, die liefelijke eenzaamheid van een weelderig salon, waarvan ieder meubeltje slechts zoete herinneringen wakker roept, waar een knappend vuur gezelligheid brengt en de droomerige tik der pendule tot aangename overpeinzingen stemt.Hugo’s portret was er ook; dat had zij zoo gewild. En boven in haar boudoirtje hing zijne buste levensgroot, haar glimlachend aanziende. Dikwijls in zijne afwezigheid had zij uit verlangen naar dat gelaat haar handwerkje of boek neergelegd en was naar boven gesneld om het te beschouwen.In de straat werd het stiller, naarmate de sneeuwvlokken dichter begonnen te vallen. Nu en dan blies een gure windvlaag ze tegen het venster, maar zij keek er glimlachend naar met een zalig gevoel van veiligheid. In háár warm, gezellig nestje, zoo zeide zij zacht, kon geen windvlaag of sneeuwvlok doordringen.Maar iets anders kon daar binnenkomen, kouder en verstijvender dan de Noordenwind; iets, wat haar warm bloed verkillen en haar warm hart met een ijskorst omgeven zou: iets, wat met één slag alle jeugdige geluksbloesems zou doen verdorren: het noodlot;—het noodlot, dat de schuld en de zwakheid der mannen wreekt aan jonge, reine, gelukkige schepselen, die zich vertrouwend aan hen overgaven. Hugo Freeze, die gemeend had het verleden te kunnen afschudden als het stof van zijne zolen, zou gevoelen dat het zich als een slang gekronkeld had om zijn voet en met hem gaan zou, het lange leven door, waar hij ging.En terwijl Renée, mijmerend over haar geluk, als een tevreden kind de reusachtige sneeuwvlokken met het oog volgde of de figuren bewonderde, die zij er in kon waarnemen, als zij tegen het glas bleven kleven, naderde het noodlot, stil maar zeker. Reeds was het in de naaste straat...., het kwam dichter, altijd dichter.Nu had het haar huis gevonden; het was op haar drempel....De schel klonk door de gang, brutaal en bevelend.“Mevrouw,” zeide Frederik de oppasser, “daar is een vrouw om u te spreken. Zij zegt dat zij niet weg zal gaan, vóór zij u gesproken heeft, en.... het is misschien beter dat u maar gaat, dan dat ze.... schandaal maakt,” voegde hij er zacht bij.Renée rees haastig op.“Maar ik wil haar immers wel spreken, Frederik”, antwoordde zij met zacht verwijt. “Je moogt in deze koude geen enkelen arme wegzenden.”Frederik’s gezicht had een zeer bekommerde, bijna ontroerde uitdrukking, maar hij zeide niets meer en liet zijne mevrouw voorbijgaan.Rustig ging zij de trap af, die naar het portaal leidde, denkende hoe wreed de winter is voor de armen. Toen echter haar oog op de vrouw viel, die haar achter de glazen tochtdeur stond op te wachten, lietzij haastig hare goedgevulde portemonnaie weer in haar zak glijden en bleef, als door den bliksem getroffen, een oogenblik roerloos staan. Een rilling ging door al hare leden en zij gevoelde haar gelaat koud worden, als verbleekte zij.Maar snel herwon zij hare zelfbeheersching en trad vooruit.Zij wist nauwkeurig waar zij dat gelaat nog eens gezien had en herinnerde zich den vreeselijken lach, die haar zoozeer gepijnigd had. Nu echter lachten die oogen niet; zij fonkelden haar tegen als gloeiende kolen, vol haat wegens meerdere rechten, vol afgunst wegens meerderen rijkdom, vol zegepralenden wraaklust wegens teleurgestelde hoop, en vol woede wegens de reine schoonheid, de kalme waardigheid, die zij aanschouwden.Een oogenblik stonden zij zwijgend tegenover elkaar, als overstelpt door eigen aandoeningen, die nooit een vrouw machtiger overweldigen dan wanneer het hare liefde geldt, en Frederik, die achter zijne mevrouwwas aangekomen om naar het sousterrain terug te keeren, zeide later dat het was geweest of er een engel en een duivelin tegenover elkander hadden gestaan.Toen klonk Renée’s bevende stem: “U wilt mij spreken, juffrouw? Kom even met uwe kindertjes in het spreekkamertje.”Want de jonge vrouw had twee kinderen bij zich, een knaapje van twee jaar en een kleintje van weinige weken.Renée’s blik bleef op het gezichtje van het jongentje staren; aan wien herinnerde het haar toch met zijne donkere oogen en eigenaardigen wenkbrauwboog?Toen traden zij het spreekkamertje binnen en de deur sloot zich achter hen.—-Een half uur later trad de vrouw weer naar buiten; een glimlach van voldoening over gestilde hebzucht lag om hare lippen en over gestilde wraakzucht tevens; vergeten was zij, maar gewroken ook....!En daar binnen stond Renée, roerloos, versteend. Zij staarde recht voor zich uit, minuten lang, met vaalbleek gelaat enonbeweeglijken blik. Maar in haar hart was een storm, een orkaan, welks koude adem dat gloeiende, hartstochtelijk liefhebbende hart tot een klomp ijs verstijfde.In haar stierf langzaam het schoone jonge leven weg; hare liefde, haar geluk, haar verleden, hare toekomstidealen, één voor één stierven zij weg, als bloemen voor de zeis des maaiers.Met dien starenden blik schouwde zij in een afgrond, waarvan zij nauwelijks het bestaan had vermoed; en op den bodem van dien afgrond zag zij haar koning, haar god, zich wentelend in het slijk, hem, dien zij smetteloos gewaand had als zichzelf.Geld had die vrouw gevraagd, geld voor.... o God, voorzijnekinderen! En de waarheid harer woorden lag die kleinen in het gezicht geschreven. Dat kind van enkele weken—het was onbewust zoo wreed geweest, het had haar de ziel verscheurd.De stem van een der dienstboden in het sousterrain deed haar opschrikken en zijbegreep hier niet zoo te kunnen blijven.Was zij nog dezelfde Renée van straks?—Neen, de kleine, gelukkige Renée, die zich als een koningin gevoeld had in haar huis, als een gezegende onder de stervelingen, was dood; zij zou nimmer terugkeeren, nimmer, nimmermeer.Nu sloop daar een vreemde de trap op, een verguisde en bedrogen vrouw, ging de slaapkamer door en verdween in het kleine vertrekje daarnaast: haar boudoir.Daar sloot zij de deur, nauwkeurig en schijnbaar kalm, altijd met die starende oogen en dat bleek gelaat; deed toen enkele stappen vooruit en bleef staan leunen tegen het hoofdeinde van de rustbank, juist zooals zij beneden gestaan had, bewegingloos, gevoelloos.De schaduwen vielen dichter; buiten werd het stiller en stiller; beneden in de eetkamer klonk het bezige gedruisch van het tafeldekken. Maar zij bemerkte het niet.Eens klonk het vreemd en hard door het stille vertrekje: “Hij was slecht,slecht!”en toen weer dat vreeselijk staren, dat opgaan in een enkele verpletterende gedachte, waarbij het lichaam niet meer gevoeld wordt en de mensch slechts geest is geworden.Op eens ontwelde daar een kermende kreet aan hare lippen; zij wierp zich bij de sofa neer, het gelaat in de handen verbergend, het hoofd diep, diep neerdrukkend in de fluweelen kussens. Toch weende zij niet. Zij steunde slechts zacht, zacht en klagend, altijd weer hetzelfde geluid.Telkens viel daar weer een andere gedachte in hare ziel, een gedachte als een dolkmes, die haar kermen deed van pijn. Herinneringen, ontdekkingen, gevolgtrekkingen.... o, hoeveel begreep zij nu op eens! Hoe zag zij alles in een ander licht; hoe voelde zij zich misleid en bedrogen! Duizend kleinigheden, eerst niet door haar opgemerkt of overdacht, voegden zich nu samen tot een lange reeks van bewijzen en beschuldigingen.Met krampachtigen greep vatte zij haarhoofd, zoodat de golvende haren losraakten en de sidderende gestalte omhulden; en toen zij het bemerkte, deed het haar goed. Zich verbergen, onzichtbaar worden.... voor de meiden, voor hare kennissen, voor de wereld.... Er was iets belachelijks aan haar, iets schandelijks!.... De menschen zouden er naar wijzen.... Iets bespottelijks was het en toch iets vreeselijks, en alle menschen zouden haar belachen, haar beklagen,.... O weg, weg!Zij sprong op als om te vluchten, toen haar blik op het portret van haar man viel, dat haar glimlachend aanzag.Toen hoorden de meiden beneden, uit het boudoir een wilden lach, een lach, als van een waanzinnige, kort en luid en vreemd, die echter spoedig weer door diepe stilte gevolgd werd....Zij staarde op dat fraaie, lachende mannengelaat, waarin zij nu plotseling zwakheid en karakterloosheid las. Hare lippen krulden zich minachtend, haar blik nam een uitdrukking van afkeer aan, het jonge gezichtjewas op eens dat eener vrouw, eener diep beleedigde vrouw.Langzamerhand werd die blik zachter, maar geen verzoening sprak er uit; medelijden slechtsen.... een lang, een eeuwig vaarwel; een afscheidsgroet tegelijk aan den man, dien zij had bemind, en aan den zwakkeling, dien zij niet beminnen, niet meer toebehoorenkon; een vrijwillige, eeuwige scheiding van de reine vrouw aan den verachtelijken slaaf zijner lusten. Ach, nog iets anders, iets oneindig wreeders dan de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, maar dááraan had zij nooit gedacht....!“O, Huug,” fluisterde zij, dicht voor het portret tredend, “hoe lief heb ik je gehad! Hoe heb ik je aangebeden! Ik geloofde in je.... Ik wist niets van die vuile, walgelijke wereld, waarin de mannen leven. Ik zag het leven, zooals het werkelijk is, niet, zooals het door de ellendelingetjes, die zich mannen noemen, is ontheiligd en verlaagd. Je staat daar rechtop tegenover mij, netjesaangekleed in je uniform met goudgalon en blinkende knoopen, maar geen mannenhart slaat daarachter. Ik veracht je,.... ikkanniet anders, en dat ik je verachten moet, doodt mij.”Weer kreunde zij zacht en wendde het gelaat van die eens zoo beminde trekken.Het was haar als bestond zij niet meer; de vroegere Renée was verdwenen; haar geest was reeds gestorven in haar, alleen dat rampzalig lichaam stond daar nog, dat maar niet zoo spoedig sterven wilde als de ziel.En weg wilde zij toch, naar lichaam en geest, weg, ver weg, naar een toevluchtsoord, waarheen niemand haar volgen kon en vanwaar geen wreede, menschelijke wet de beleedigde vrouw tot terugkeer dwingen kan.En zij dacht er over, kalm, volkomen onverschillig, hoe zij het jonge, sterke leven in haar vernietigen zou.... Dat gehate, bloeiende lichaam, dat nergens meer toe diende, het moest weg; dat kloppende, eens zoo gloeiende hart moest dood; het wasimmers toch maar een bedrogen, misleid hart. Als zij nog vier en twintig uren leven moest, zou zij krankzinnig zijn. Misschien was zij het reeds; zij wist het zelf niet recht. Het kon haar ook niet schelen.... Als zij maar inslapen kon—voor altijd!Haar afgod was van zijn voetstuk gevallen en had in zijn val haar hart verbrijzeld. Nimmer, nimmer kon hij weer opgericht worden.“Ha, ha!” zeide zij overluid en hare eigene stem klonk haar vreemd in de ooren, “zelf de scherven aaneenlijmen en dan mijzelf en anderen wijsmaken dat dit nu weer....!Hare woorden eindigden in een vlijmenden spotlach.Eens had zij gevoeld altijd meer vrouw dan wereldlinge te zullen zijn, en zoo zeide zij nu ook tot zichzelf dat zij niet behoorde tot de vrouwen, die kunnen voortleven met een ongeneeslijke wonde in het hart; wier lichaam nog altijd rondloopt en werktuiglijk zijne plichten vervult, terwijl de ziel reeds gestorven is in haar, lang geleden reeds,toen haar liefde en vertrouwen gebroken werden, evenals de hare nu. Of ja, misschien zou zij er toe in staat zijn geweest ter wille eener moeder of van hulpelooze kinderen, maar.... zij had geen andere schatten, geen anderen rijkdom gehad dan hèm!Rustig keerde zij zich naar de deur en trad de slaapkamer binnen. Hier opende zij een kast en zag zoekend rond....Ja, daar in den hoek stond wat zij zocht. Hij had haar dikwerf gewaarschuwd het nooit te verzetten, opdat het niet verward zou worden met een der fleschjes op de toilettafel.Nu nam zij het in handen en las het opschrift. Enkele druppels waren voldoende om een sterken man den slaap te bezorgen, dien hij soms vruchteloos zocht, en met wreed genot mat zij den inhoud met de oogen. Het waren zeker wel honderd droppels.... ja, zeker wel honderd! En als een schat drukte zij het kleine voorwerp tegen hare borst, trad er het boudoir mede binnen en sloot de deur achter zich.Een kwartier later stak Hugo Freeze den sleutel in zijne huisdeur.Hij kwam fluitend de trap op, verlangend zijn paradepakje uit te doen. Maar eerst wilde hij rondzien naar Renée. Een blik in het salon—neen, zij was daar niet.Toen hij zich omkeerde, om haar elders te zoeken, trad Frederik hem in den weg, sloeg aan met neergeslagen oogen en vroeg aarzelend of hij mijnheer even spreken mocht.“Spreek op!” klonk het ongeduldig antwoord.Toen daalde Frederik’s stem tot gefluister en toen hij had uitgesproken, was het gelaat van zijn meester doodsbleek.“Dank je—je bent een beste kerel, hoor! Ik zal aan je denken,” zeide hij ontroerd, hem de hand reikende: en toen, nauwelijks in staat zich goed te houden, verdween hij in de slaapkamer.Goddank—zij was hier niet. Waarschijnlijk was zij in het boudoir. Hij zou zich stilhouden, want haar onder de oogentreden kon hij nog niet. Eerst moest hij zich herstellen en dan wilde hij tot haar gaan en haar vergeving vragen;.... haar zeggen hoe lief hij haar toch had, hoe haar invloed reeds een ander, een beter mensch van hem gemaakt had.... Hij zou zichzelf beschuldigen en vrijpleiten tegelijk.Maar dan dacht hij weer aan die reine kinderoogen vol geloof en vertrouwen.... en hij deinsde voor een ontmoeting terug....O God, dat dit nu had moeten gebeuren!Hij zat maar roerloos, schrijlings op een stoel neergevallen, de armen over de leuning en het gelaat in de handen geborgen.... Zou zij in het boudoir zijn?Hij luisterde geruimen tijd.Geen geluid.Hij ging naar de deur, aarzelde weder in zijn bewustzijn van schuld, trad weer nader en moed vattende, zeide hij smeekend: “Renée!”Maar geen antwoord volgde.Toen opende hij de deur en daar, neergezonken op de rustbank, half verborgen inhare fraaie lokken, lag haar slank meisjesfiguur. Was zij ingesluimerd?In de schemering kon hij haar gelaat slechts flauw onderscheiden, maar hij trad nader en knielde bij haar, zijn gelaat aan hare borst verbergend en verwachtende dat zij ontwaken zou.Maar zij bewoog zich niet.“Renée—lieveling?”Hij wilde hare hand vatten.... Maar wat hield zij er mede omklemd?Een kreet onsnapte hem, een ijskoude rilling ging hem van het hoofd tot de voeten.Hij zag haar oplettend aan.... En toen hij in dat doode, welbeminde gelaat zag, toen begreep hij plotseling dat het nooit weer in vertrouwende liefde aan zijne borst zou rusten; dat hij nimmer, nimmermeer, ondanks boete en rouw, het zoete: “Huug, ik heb je zoo lief!” van hare lippen zou hooren; dat een vreeselijk “te laat!” op die dierbare trekken geschreven stond.Op eens, als door waanzin bevangen,riep hij op hartverscheurenden toon, die van de diepste zielesmart getuigde:“Renée, Renée!.... Mijn vrouwtje!.... Word wakker? Geef antwoord!.... Zeg me dat je leeft.... O, spreek toch, spreek toch!”Maar zijne stem kon haar niet meer bereiken. De kleine schildwacht had haar post verlaten.
VIII.De zon scheen warm en koesterend op Hugo Freeze neer, toen hij het huis zijnerzuster verliet en door de drukke straten werktuiglijk den weg naar zijne kamers nam; maar evengoed had het kunnen stormen en regenen, zonder dat hij het bemerkt zou hebben.Naast hem klonk gelach en gepraat; straatjongens staken vuurwerk af; hier en daar zelfs knalde een pistoolschot in zijne nabijheid ter eere van het nieuwe jaar; maar hem ging het alles voorbij als een droom.Hij zag slechts die meisjesgestalte in haar lichtkleurig gewaad, staande in den gloed der zonnestralen; hij zag dat lieve, onschuldige gelaat en den blik vol vast vertrouwen; en hij hoorde maar steeds die zachte woorden: “Dat zal hij niet doen.”O, die toon vol onwrikbaar geloof! Diep had hij hem in het hart gegrepen. Want die woorden golden hèm, hèm alleen, daarvan was hij overtuigd. Het was juist iets voor haar oprecht karakter om zich aldus te verraden, hoewel met hooger blos, als zelf verschrikt over hare vrijmoedigheid.En nog gisteren was hij in een gesprekmet een paar vrienden—een heel philosophisch gesprek en heel philosophische vrienden—tot de conclusie gekomen dat een getrouwd man.... nu ja, dat hij zich wel eens wat meer vrijheid mag veroorloven dan een getrouwde vrouw. Zij hadden prachtige bewijsgronden aangevoerd, onomstootelijke argumenten;—en nu!.... Deze vielen alle in elkaar als dorre geraamten voor dien éenen, reinen, vertrouwenden blik....In gedachten verzonken bereikte hij zijne kamer, maar zette daar zijn wandeling voort, altijd met gebogen hoofd en starenden blik. Hij zag plotseling al de armzaligheid der sophismen van zwakke mannen, nu er het licht op neerstraalde eener smettelooze vrouwenziel, en als een openbaring kwam de gedachte tot hem hoe schoon het leven kan zijn voor den mensch, in wiens hart de liefde haar gewijden intocht houdt, als dat hart nog onbedorven is. Hij zag het plotseling, als in een visioen, welke machtige, heerlijke gewaarwordingen het zijne zouden vervuld hebben, had hij de liefde niet andersgekend dan als deze zachte, heilige aandoening, welke hem door de ziel voer als een gebed....Nu begreep hij Albert’s woorden: “Zij weten niet eens het verschil tusschen passie en liefde.” Nu wist hij het—voor het eerst.Zijne vuisten balden zich krampachtig, zich samentrekkend in jeugdige, pas ontwaakte geestdrift; zijne borst zwoegde van pijnlijk berouw. Iets zeide hem dat, als hij waarlijk liefhad, hij hare wederliefde niet vragen zou, eer hij een ander man geworden zou zijn. En wild drukte hij zich de handen tegen het voorhoofd. Titanen worstelden in zijn brein en hij zag sidderend den strijd aan. Al wat eenmaal goed en edel in hem geleefd had, als kind, als knaap en als jongeling, ontwaakte opnieuw; en het hief zich op, hoog, hoog, als een lang getergd en ten doode gemarteld dier en ving opnieuw de worsteling aan tegen Begeerte, Zelfzucht en Zwakheid. Hij zag den strijd aan, langen, langen tijd en.... hielp de laatsten overwinnen.Ja, hij wist het wel, hij was harer niet waardig, maar hij wilde het worden. Hij wilde het verleden afschudden, vergeten; het bestond reeds niet meer voor hem, meende hij.... En hij zou haar alles bekennen.... Of alles wel niet, maar toch veel, zóóveel, dat het hem bevrijden zou van dien drukkenden gedachtenlast, als pleegde hij verraad tegen haar....Ja, met dat verleden zou hij breken, en voortaan slechts voor háár leven, voor háár geluk. En deze week nog zou hij haar vragen. Morgenavond misschien, als zij weer bij den haard zouden zitten schemeren, want dan zouden zij geheel alleen zijn. Albert zou niet vóór Dinsdag terugkomen. En als hij maar eenmaalRenée’swoord had, zou hij Lucie vragen Alberts toestemming te verkrijgen; het was haar toevertrouwd! Wat wist Albert trouwens kwaad van hem.... Hij kon wel gissen, maar niet weten, en op gissingen zou hij geen weigering durven gronden.Niet met zijne vrienden wilde hij gaanrijden, neen, hij moest alleen zijn. Zijn gemoed ging open voor de weelde van dezen heerlijken winterdag, die wel een lentedag geleek. Hij wilde ver gaan, heel ver, altijd voort, diep ademhalend van geluk, bijna het uitjubelend.... denkende aan haar, steeds maar denkende aan haar!“Zoo alleen op weg?” vroeg hij eenige uren later aan zijne zuster, die hij hier ver van haar huis ontmoette.“Ik zou je dezelfde vraag kunnen doen,” antwoordde zij lachend, terwijl zij zijn vurig paard beschouwde, dat nauwelijks geduld had tot stilstaan.“Ja, ik ga maar alleen vandaag.”“Ga niet te ver, Huug. De lucht betrekt zoo.”“Neen.... Renée thuis gebleven?”“Zij had geen lust.—Adieu!”En zij gingen beiden hun weegs, ieder met zijne eigene tevreden gedachten.Lucie’s poging was gelukt; zij was uitgegaanin de hoop hem te ontmoeten, opdat hij weten zou dat Renée alleen tehuis was. Er was nu zulk een goede gelegenheid voor een beslissing, vond zij; Albert van huis, zij uit—bijna nooit hadden de kinderen zulk een kansje.De slotsom van Hugo’s gedachtengang voerde hem inderdaad in vollen draf huiswaarts. Snel verwisselde hij zijne rijkleeding voor een andere, en spoedde zich toen naar de woning zijner zuster, waar de meid hem mededeelde dat alleen de juffrouw thuis was en dat hij haar in de serre zou vinden.Zijn hart klopte wilder, toen hij de kamerdeur zacht opende en sloot, en over het mollig tapijt onhoorbaar naar de serre trad. Bij de opengeschoven deur bleef hij staan. Zij zat half van hem afgewend; op haar schoot lag een boek, maar zij las niet; haar blik was peinzend op den grond gevestigd. Als gevoelde zij echter zijne tegenwoordigheid, zag zij op, en weer kleurde een blos hare wangen, een blos, die vanonstuimigen hartslag sprak en Hugo Freeze opeens iedere inleiding overbodig deed achten. Want er zijn oogenblikken in het leven, wanneer onze gemoedsaandoeningen ons zoo geheel beheerschen, dat ons alles, wat naar conventioneele vormen zweemt, belachelijk schijnt; en iets daarvan gevoelde Hugo Freeze, toen hij met zwoegende borst daar stond en haar blik ontmoette.“Renée!”Hij zag haar aan, niet overmoedig als gewoonlijk, maar ernstig, smeekend. En zij begreep dat het oogenblik gekomen was, waarnaar zij zoolang had uitgezien. Zij legde haar boek ter zijde en stond op, als aangegrepen door den ernst van dezen stond;—want wat voor den een soms niet meer is dan een “interessante emotie,” is voor den ander als een heilige plechtigheid. Renée beefde van het hoofd tot de voeten en haar blos week voor een teedere bleekheid.Hij trad nader en vatte hare hand.“Renée!”—en zijne anders zoo klankvollestem klonk dof van ontroering—“ik wilde je vragen of je nòg niet weet wat ik mij dit jaar als geluk droom.”Zij zweeg en boog diep het hoofd, als ontbrak haar de moed het zelf in woorden te brengen.“Magikhet zeggen?”Een nauw hoorbaar ja kwam over hare lippen.“Ik zou een goed en dapper aanvoerder willen worden,” zeide hij zacht, “en ik zal dat worden, als jij mijn kleine schildwacht zijn wilt.... Wil je?”Nu sloeg zij de oogen naar hem op. Een wereld van zaligheid lag in die schuchtere meisjesoogen, een juichend ja, en toen verborg zij het gelaat aan zijne borst.En hij wachtte niet meer op antwoord; hij was tevreden en zag teeder neer op het hoofdje, dat zoo gelukkig aan zijn schouder lag.... zóó gelukkig, dat zij plotseling in tranen uitbarstte.“Het is niets,” zeide zij echter dadelijk om hem gerust te stellen, het is alleenvan geluk....” en zij lachte hem toe met stralenden blik en wischte haastig hare tranen weg.“Ik zal een goed aanvoerder zijn,” ging hij voort, want juist het bewustzijn zijner zedelijke zwakheid deed hem kracht zoeken in beloften. “Geloof je dat, kind?” en hij streelde liefkoozend haar lokkig hoofd.“O, ja!” antwoordde zij, als vond zij het volkomen overbodig daarvan te spreken.—“O Huug, het is zoo heerlijk dat je mij liefhebt!”Maar hij ging door over hetzelfde onderwerp; hij had zich immers voorgenomen een bekentenis te doen.“En wil jij dan mijn kleine, trouwe schildwacht zijn.... die mij helpt en....”“Dat beloof ik,” viel zij hem in de rede; groote tranen welden opnieuw in hare oogen en zij reikte hem met zekere plechtigheid de hand, al klonken hare woorden eenvoudig: “Je zult mij altijd trouw op post vinden, bij nacht en bij dag. Je hebt het immers zelf gezegd van morgen: “Vooreen aanvoerder tegen wien een soldaat kan opzien, doet hij alles.” En tegen jou kan ik opzien, Huug; wat zou ik voor jou niet kunnen!”“Maar je moogt niet al te goed van mij denken, kind. Bedenk eens:.... ik ben al twee en dertig en....”Zij zag hem verwonderd aan; blijkbaar was het haar onmogelijk verband te vinden tusschen zijne eerste en zijne laatste woorden. Maar daar ging haar een licht op.....“O, je meent dat je voor dien leeftijd nog niet ver genoeg ben naar je zin?.... Wees gerust,”vervolgde zij met een engelachtigen glimlach, “je denkt veel te nederig van jezelf, Huug. In ieder geval is de aanvoerder zijn klein schildwachtje ver vooruit.”Zij, die alle mannen beoordeelde naar haar ernstigen, edelen vader en het een eenvoudigen plicht achtte voor ieder mensch er naar te streven elken dag beter te zijn dan den vorigen, veronderstelde dat verlangen naar volmaking in anderen ook;en daar zij Hugo Freeze met de oogen der liefde beschouwde, dacht zij dit in de eerste plaats van hem en sprak met zóóveel overtuiging, dat hij er zelf bijna door overtuigd geraakte. Toch vond hij dat hij nog niet genoeg gezegd had; hij wilde nu als het ware biechten om met zijnen aflaatbrief heen te gaan en het verledene voor altijd te vergeten. Dat verleden was harer niet waardig, maar zijne toekomst zou dit zijn. Hijzouen hijwilde! Nu kon hij begrijpen dat men behoefte kon gevoelen aan een dagboek. Hij ook—hij zou het willen opschrijven.... of ten minste wilde hij het uiten.... als een toekomstigen dwang, dien hij zichzelf oplegde.Maar telkens als hij weer in dat onschuldige gelaat staarde, verstomden hem de woorden op de lippen.... O God, neen, het was onmogelijk—onmogelijk! Hij wilde haar zóó behouden, zoo smetteloos en kinderlijk, zoo onwetend van alles wat lag buiten haar klein meisjeswereldje van boeken en snuisterijen, en mooie verzen en muziekstukjesen ideaaltjes. Zóó juist zou zij hem het beste schild zijn.Dit alles ging in zijn hoofd om, terwijl hij haar stil in de oogen zag, en zij dronk zijn teederen blik in, zwijgend en gelukkig.“Ik heb bijna wroeging, dat ik mij zoo zalig kan gevoelen, Huug, terwijl papa zoo kort geleden is heengegaan.... Wat zou hij veel van je gehouden hebben?”Een sombere wolk vloog over zijn gelaat; telkens als hij aan dien vader dacht, van wien hij steeds met zeker ontzag had hooren spreken, was het hem als plaatste diens schim zich tusschen hem en Renée. Maar hij had geleerd zijne gedachten te verbergen en antwoordde schertsend: “Je moet het in ieder geval maar dadelijk aan Caesar schrijven.”Zij glimlachte weemoedig.“Ja, en als wij getrouwd zijn, mag hij komen, niet waar?”“Natuurlijk!”—en toen zag hij haar peinzend aan met vergodenden blik.“Onveranderlijk trouw!” zeide hij. “Ikgeloof dat ik een goed schildwachtje heb uitgekozen.”“En ik een heerlijken aanvoerder,” lachte zij en toen drukte hij in vervoering het ranke kind aan zijne borst, waar zij stil bleef rusten, overstelpt door geluk. Want háár was alles nieuw, iedere liefkoozing, ieder teeder woord, iedere zwevende, vage gedachte aan de toekomst, het was voor haar een zaligheid op zichzelf, nooit gekend, nooit begrepen.“Wat bedoelde je straks toch?” vroeg zij, opeens het hoofd opheffende. “Je bent immers niet nòg eens geëngageerd geweest?”“Och, wel neen! Maar.... misschien heb ik wel eens iets gedaan wat je verdriet zou doen, als je ’t wist, en nu wilde ik je beloven....”“Neen, doe dat niet!” bad zij zacht. “Het ware berouw belooft niet; het handelt. Als er ooit zoo iets gebeurd is, denk er dan maar niet meer aan. Je hadt toen immers nog geen verplichtingen aan mij.”“Neen, misschien niet,” antwoordde hijpeinzend; want hij dacht er aan dat toch eigenlijk iedere jonge man, die eenmaal denkt te huwen, verplichtingen heeft tegenover het hem nog onbekende jonge schepseltje, dat zich aan hem toevertrouwen zal. En hij gevoelde—als een ontdekking—dat hij nu zeer zeker verplichtingen aan haar had en dat zij het als niet meer dan natuurlijk beschouwde dat hij die trouw zou nakomen, even trouw, met evenveel lust, als zij de hare nakomen zou.“Maar ik geloof het niet,” liet zij op eens lachend volgen, “o, ik weet zeker dat het niet waar is, en ik wil er ook niet aan denken.... Maar laten wij niet vergeten dat er ieder oogenblik bezoek komen kan.”En zij gingen deftig tegenover elkander zitten, ieder aan een kant van de rieten tafel. Zij hadden zooveel, zoo eindeloos veel te praten: over het publiek worden van hun engagement, over de toestemming van oom Albert en over hun huwelijk, dat Hugo zoo spoedig mogelijk wilde laten voltrekken. Waarop zouden zij wachten?En zij liet hem maar redeneeren. Zij had geen behoefte aan gedachten over iets, wat later komen zou. Zij was reeds tevreden met de zoete zekerheid dat zij in zijn hart woonde, dat zij voortaan voor hem leven mocht, dat zij hem nu vrijelijk alles mocht zeggen. Het was haar reeds zaligheid genoeg daar stil tegenover hem te zitten en hem in het gelaat te mogen zien, terwijl hij sprak, met de gedachte dat hij de hare was; en zij antwoordde slechts nu en dan fluisterend met een teeder woord of met de zoete verzekering dat zij niet van hem zou afzien, al verzette oom Albert en de geheele wereld zich tegen hunne vereeniging.Hare vermoeide ziel, die zoo lang zoekende was rondgegaan in die vreemde wereld, had eindelijk de vleugelen dichtgevouwen en rustte in zalige, liefelijke rust. Zij had haar tehuis gevonden.
De zon scheen warm en koesterend op Hugo Freeze neer, toen hij het huis zijnerzuster verliet en door de drukke straten werktuiglijk den weg naar zijne kamers nam; maar evengoed had het kunnen stormen en regenen, zonder dat hij het bemerkt zou hebben.
Naast hem klonk gelach en gepraat; straatjongens staken vuurwerk af; hier en daar zelfs knalde een pistoolschot in zijne nabijheid ter eere van het nieuwe jaar; maar hem ging het alles voorbij als een droom.
Hij zag slechts die meisjesgestalte in haar lichtkleurig gewaad, staande in den gloed der zonnestralen; hij zag dat lieve, onschuldige gelaat en den blik vol vast vertrouwen; en hij hoorde maar steeds die zachte woorden: “Dat zal hij niet doen.”
O, die toon vol onwrikbaar geloof! Diep had hij hem in het hart gegrepen. Want die woorden golden hèm, hèm alleen, daarvan was hij overtuigd. Het was juist iets voor haar oprecht karakter om zich aldus te verraden, hoewel met hooger blos, als zelf verschrikt over hare vrijmoedigheid.
En nog gisteren was hij in een gesprekmet een paar vrienden—een heel philosophisch gesprek en heel philosophische vrienden—tot de conclusie gekomen dat een getrouwd man.... nu ja, dat hij zich wel eens wat meer vrijheid mag veroorloven dan een getrouwde vrouw. Zij hadden prachtige bewijsgronden aangevoerd, onomstootelijke argumenten;—en nu!.... Deze vielen alle in elkaar als dorre geraamten voor dien éenen, reinen, vertrouwenden blik....
In gedachten verzonken bereikte hij zijne kamer, maar zette daar zijn wandeling voort, altijd met gebogen hoofd en starenden blik. Hij zag plotseling al de armzaligheid der sophismen van zwakke mannen, nu er het licht op neerstraalde eener smettelooze vrouwenziel, en als een openbaring kwam de gedachte tot hem hoe schoon het leven kan zijn voor den mensch, in wiens hart de liefde haar gewijden intocht houdt, als dat hart nog onbedorven is. Hij zag het plotseling, als in een visioen, welke machtige, heerlijke gewaarwordingen het zijne zouden vervuld hebben, had hij de liefde niet andersgekend dan als deze zachte, heilige aandoening, welke hem door de ziel voer als een gebed....
Nu begreep hij Albert’s woorden: “Zij weten niet eens het verschil tusschen passie en liefde.” Nu wist hij het—voor het eerst.
Zijne vuisten balden zich krampachtig, zich samentrekkend in jeugdige, pas ontwaakte geestdrift; zijne borst zwoegde van pijnlijk berouw. Iets zeide hem dat, als hij waarlijk liefhad, hij hare wederliefde niet vragen zou, eer hij een ander man geworden zou zijn. En wild drukte hij zich de handen tegen het voorhoofd. Titanen worstelden in zijn brein en hij zag sidderend den strijd aan. Al wat eenmaal goed en edel in hem geleefd had, als kind, als knaap en als jongeling, ontwaakte opnieuw; en het hief zich op, hoog, hoog, als een lang getergd en ten doode gemarteld dier en ving opnieuw de worsteling aan tegen Begeerte, Zelfzucht en Zwakheid. Hij zag den strijd aan, langen, langen tijd en.... hielp de laatsten overwinnen.
Ja, hij wist het wel, hij was harer niet waardig, maar hij wilde het worden. Hij wilde het verleden afschudden, vergeten; het bestond reeds niet meer voor hem, meende hij.... En hij zou haar alles bekennen.... Of alles wel niet, maar toch veel, zóóveel, dat het hem bevrijden zou van dien drukkenden gedachtenlast, als pleegde hij verraad tegen haar....
Ja, met dat verleden zou hij breken, en voortaan slechts voor háár leven, voor háár geluk. En deze week nog zou hij haar vragen. Morgenavond misschien, als zij weer bij den haard zouden zitten schemeren, want dan zouden zij geheel alleen zijn. Albert zou niet vóór Dinsdag terugkomen. En als hij maar eenmaalRenée’swoord had, zou hij Lucie vragen Alberts toestemming te verkrijgen; het was haar toevertrouwd! Wat wist Albert trouwens kwaad van hem.... Hij kon wel gissen, maar niet weten, en op gissingen zou hij geen weigering durven gronden.
Niet met zijne vrienden wilde hij gaanrijden, neen, hij moest alleen zijn. Zijn gemoed ging open voor de weelde van dezen heerlijken winterdag, die wel een lentedag geleek. Hij wilde ver gaan, heel ver, altijd voort, diep ademhalend van geluk, bijna het uitjubelend.... denkende aan haar, steeds maar denkende aan haar!
“Zoo alleen op weg?” vroeg hij eenige uren later aan zijne zuster, die hij hier ver van haar huis ontmoette.
“Ik zou je dezelfde vraag kunnen doen,” antwoordde zij lachend, terwijl zij zijn vurig paard beschouwde, dat nauwelijks geduld had tot stilstaan.
“Ja, ik ga maar alleen vandaag.”
“Ga niet te ver, Huug. De lucht betrekt zoo.”
“Neen.... Renée thuis gebleven?”
“Zij had geen lust.—Adieu!”
En zij gingen beiden hun weegs, ieder met zijne eigene tevreden gedachten.
Lucie’s poging was gelukt; zij was uitgegaanin de hoop hem te ontmoeten, opdat hij weten zou dat Renée alleen tehuis was. Er was nu zulk een goede gelegenheid voor een beslissing, vond zij; Albert van huis, zij uit—bijna nooit hadden de kinderen zulk een kansje.
De slotsom van Hugo’s gedachtengang voerde hem inderdaad in vollen draf huiswaarts. Snel verwisselde hij zijne rijkleeding voor een andere, en spoedde zich toen naar de woning zijner zuster, waar de meid hem mededeelde dat alleen de juffrouw thuis was en dat hij haar in de serre zou vinden.
Zijn hart klopte wilder, toen hij de kamerdeur zacht opende en sloot, en over het mollig tapijt onhoorbaar naar de serre trad. Bij de opengeschoven deur bleef hij staan. Zij zat half van hem afgewend; op haar schoot lag een boek, maar zij las niet; haar blik was peinzend op den grond gevestigd. Als gevoelde zij echter zijne tegenwoordigheid, zag zij op, en weer kleurde een blos hare wangen, een blos, die vanonstuimigen hartslag sprak en Hugo Freeze opeens iedere inleiding overbodig deed achten. Want er zijn oogenblikken in het leven, wanneer onze gemoedsaandoeningen ons zoo geheel beheerschen, dat ons alles, wat naar conventioneele vormen zweemt, belachelijk schijnt; en iets daarvan gevoelde Hugo Freeze, toen hij met zwoegende borst daar stond en haar blik ontmoette.
“Renée!”
Hij zag haar aan, niet overmoedig als gewoonlijk, maar ernstig, smeekend. En zij begreep dat het oogenblik gekomen was, waarnaar zij zoolang had uitgezien. Zij legde haar boek ter zijde en stond op, als aangegrepen door den ernst van dezen stond;—want wat voor den een soms niet meer is dan een “interessante emotie,” is voor den ander als een heilige plechtigheid. Renée beefde van het hoofd tot de voeten en haar blos week voor een teedere bleekheid.
Hij trad nader en vatte hare hand.
“Renée!”—en zijne anders zoo klankvollestem klonk dof van ontroering—“ik wilde je vragen of je nòg niet weet wat ik mij dit jaar als geluk droom.”
Zij zweeg en boog diep het hoofd, als ontbrak haar de moed het zelf in woorden te brengen.
“Magikhet zeggen?”
Een nauw hoorbaar ja kwam over hare lippen.
“Ik zou een goed en dapper aanvoerder willen worden,” zeide hij zacht, “en ik zal dat worden, als jij mijn kleine schildwacht zijn wilt.... Wil je?”
Nu sloeg zij de oogen naar hem op. Een wereld van zaligheid lag in die schuchtere meisjesoogen, een juichend ja, en toen verborg zij het gelaat aan zijne borst.
En hij wachtte niet meer op antwoord; hij was tevreden en zag teeder neer op het hoofdje, dat zoo gelukkig aan zijn schouder lag.... zóó gelukkig, dat zij plotseling in tranen uitbarstte.
“Het is niets,” zeide zij echter dadelijk om hem gerust te stellen, het is alleenvan geluk....” en zij lachte hem toe met stralenden blik en wischte haastig hare tranen weg.
“Ik zal een goed aanvoerder zijn,” ging hij voort, want juist het bewustzijn zijner zedelijke zwakheid deed hem kracht zoeken in beloften. “Geloof je dat, kind?” en hij streelde liefkoozend haar lokkig hoofd.
“O, ja!” antwoordde zij, als vond zij het volkomen overbodig daarvan te spreken.—“O Huug, het is zoo heerlijk dat je mij liefhebt!”
Maar hij ging door over hetzelfde onderwerp; hij had zich immers voorgenomen een bekentenis te doen.
“En wil jij dan mijn kleine, trouwe schildwacht zijn.... die mij helpt en....”
“Dat beloof ik,” viel zij hem in de rede; groote tranen welden opnieuw in hare oogen en zij reikte hem met zekere plechtigheid de hand, al klonken hare woorden eenvoudig: “Je zult mij altijd trouw op post vinden, bij nacht en bij dag. Je hebt het immers zelf gezegd van morgen: “Vooreen aanvoerder tegen wien een soldaat kan opzien, doet hij alles.” En tegen jou kan ik opzien, Huug; wat zou ik voor jou niet kunnen!”
“Maar je moogt niet al te goed van mij denken, kind. Bedenk eens:.... ik ben al twee en dertig en....”
Zij zag hem verwonderd aan; blijkbaar was het haar onmogelijk verband te vinden tusschen zijne eerste en zijne laatste woorden. Maar daar ging haar een licht op.
....“O, je meent dat je voor dien leeftijd nog niet ver genoeg ben naar je zin?.... Wees gerust,”vervolgde zij met een engelachtigen glimlach, “je denkt veel te nederig van jezelf, Huug. In ieder geval is de aanvoerder zijn klein schildwachtje ver vooruit.”
Zij, die alle mannen beoordeelde naar haar ernstigen, edelen vader en het een eenvoudigen plicht achtte voor ieder mensch er naar te streven elken dag beter te zijn dan den vorigen, veronderstelde dat verlangen naar volmaking in anderen ook;en daar zij Hugo Freeze met de oogen der liefde beschouwde, dacht zij dit in de eerste plaats van hem en sprak met zóóveel overtuiging, dat hij er zelf bijna door overtuigd geraakte. Toch vond hij dat hij nog niet genoeg gezegd had; hij wilde nu als het ware biechten om met zijnen aflaatbrief heen te gaan en het verledene voor altijd te vergeten. Dat verleden was harer niet waardig, maar zijne toekomst zou dit zijn. Hijzouen hijwilde! Nu kon hij begrijpen dat men behoefte kon gevoelen aan een dagboek. Hij ook—hij zou het willen opschrijven.... of ten minste wilde hij het uiten.... als een toekomstigen dwang, dien hij zichzelf oplegde.
Maar telkens als hij weer in dat onschuldige gelaat staarde, verstomden hem de woorden op de lippen.... O God, neen, het was onmogelijk—onmogelijk! Hij wilde haar zóó behouden, zoo smetteloos en kinderlijk, zoo onwetend van alles wat lag buiten haar klein meisjeswereldje van boeken en snuisterijen, en mooie verzen en muziekstukjesen ideaaltjes. Zóó juist zou zij hem het beste schild zijn.
Dit alles ging in zijn hoofd om, terwijl hij haar stil in de oogen zag, en zij dronk zijn teederen blik in, zwijgend en gelukkig.
“Ik heb bijna wroeging, dat ik mij zoo zalig kan gevoelen, Huug, terwijl papa zoo kort geleden is heengegaan.... Wat zou hij veel van je gehouden hebben?”
Een sombere wolk vloog over zijn gelaat; telkens als hij aan dien vader dacht, van wien hij steeds met zeker ontzag had hooren spreken, was het hem als plaatste diens schim zich tusschen hem en Renée. Maar hij had geleerd zijne gedachten te verbergen en antwoordde schertsend: “Je moet het in ieder geval maar dadelijk aan Caesar schrijven.”
Zij glimlachte weemoedig.
“Ja, en als wij getrouwd zijn, mag hij komen, niet waar?”
“Natuurlijk!”—en toen zag hij haar peinzend aan met vergodenden blik.
“Onveranderlijk trouw!” zeide hij. “Ikgeloof dat ik een goed schildwachtje heb uitgekozen.”
“En ik een heerlijken aanvoerder,” lachte zij en toen drukte hij in vervoering het ranke kind aan zijne borst, waar zij stil bleef rusten, overstelpt door geluk. Want háár was alles nieuw, iedere liefkoozing, ieder teeder woord, iedere zwevende, vage gedachte aan de toekomst, het was voor haar een zaligheid op zichzelf, nooit gekend, nooit begrepen.
“Wat bedoelde je straks toch?” vroeg zij, opeens het hoofd opheffende. “Je bent immers niet nòg eens geëngageerd geweest?”
“Och, wel neen! Maar.... misschien heb ik wel eens iets gedaan wat je verdriet zou doen, als je ’t wist, en nu wilde ik je beloven....”
“Neen, doe dat niet!” bad zij zacht. “Het ware berouw belooft niet; het handelt. Als er ooit zoo iets gebeurd is, denk er dan maar niet meer aan. Je hadt toen immers nog geen verplichtingen aan mij.”
“Neen, misschien niet,” antwoordde hijpeinzend; want hij dacht er aan dat toch eigenlijk iedere jonge man, die eenmaal denkt te huwen, verplichtingen heeft tegenover het hem nog onbekende jonge schepseltje, dat zich aan hem toevertrouwen zal. En hij gevoelde—als een ontdekking—dat hij nu zeer zeker verplichtingen aan haar had en dat zij het als niet meer dan natuurlijk beschouwde dat hij die trouw zou nakomen, even trouw, met evenveel lust, als zij de hare nakomen zou.
“Maar ik geloof het niet,” liet zij op eens lachend volgen, “o, ik weet zeker dat het niet waar is, en ik wil er ook niet aan denken.... Maar laten wij niet vergeten dat er ieder oogenblik bezoek komen kan.”
En zij gingen deftig tegenover elkander zitten, ieder aan een kant van de rieten tafel. Zij hadden zooveel, zoo eindeloos veel te praten: over het publiek worden van hun engagement, over de toestemming van oom Albert en over hun huwelijk, dat Hugo zoo spoedig mogelijk wilde laten voltrekken. Waarop zouden zij wachten?
En zij liet hem maar redeneeren. Zij had geen behoefte aan gedachten over iets, wat later komen zou. Zij was reeds tevreden met de zoete zekerheid dat zij in zijn hart woonde, dat zij voortaan voor hem leven mocht, dat zij hem nu vrijelijk alles mocht zeggen. Het was haar reeds zaligheid genoeg daar stil tegenover hem te zitten en hem in het gelaat te mogen zien, terwijl hij sprak, met de gedachte dat hij de hare was; en zij antwoordde slechts nu en dan fluisterend met een teeder woord of met de zoete verzekering dat zij niet van hem zou afzien, al verzette oom Albert en de geheele wereld zich tegen hunne vereeniging.
Hare vermoeide ziel, die zoo lang zoekende was rondgegaan in die vreemde wereld, had eindelijk de vleugelen dichtgevouwen en rustte in zalige, liefelijke rust. Zij had haar tehuis gevonden.
IX.De paarden draafden lustig voort en Renée liet de schoone wereld aan zich voorbijglijden.Eerst villa’s met welonderhouden tuinen, vol geurige seringen en levendig getinte tulpenbedden, trotsche hyacinten en rozerooden Meidoorn. Dan boerenhofsteden met beplante moestuinen of vriendelijke hutjes met wilden wingerd begroeid; en eindelijk de ruime, wijde wereld—de schoone aarde beneden, de hemel daarboven. Weilanden, aan met bloemen doorwerkte tapijten gelijk, waarboven vlinders dartelen en goudgestreepte hommels gonsden; hier en daar doorsneden door een zilveren beekje, waaraan vergeet-mij-nieten zich droomend wiegelden.De lauwe lentewind streek liefkoozend langs hare wangen en haar. Telkens gleed een vluchtige boomschaduw over haar heen, om dan weer plaats te maken voor onafgebroken licht. Warme geuren stegen op uit verschgeploegde akkers.Hoog in de boomen klonk zacht gekweel, en, als het rijtuig naderde, zag men de kleine zangers met rappen wiekslag wegijlen in de lucht, helder bestraald door de zilveren zonnestralen. O, die zonneschijn, dat vogelenlied, die lentegeuren! Die vage gedachten van iets verhevens, iets schoons, iets “ver van de menschen”; een droom van zaligheid, een dronkenheid van genot. Renée sloeg onwillekeurig de oogen op naar de groote witte wolken vol glans, die boven haar zeilden, ver boven haar in de blauwe ruimte van eindelooze lucht. Haar hart was als een tempel, waarin altijd zachte orgelmuziek ruischte; maar in deze omgeving was haar geluk als verdubbeld en het orgel bruiste en jubelde. Duizend stemmen paarden er zich juichend aan in dankbaar lofgezang en zij luisterde....Maar tante sprak zoo luide over ontdekkingen op het meidenkamertje gedaan, en oom en Huug lachten. Zij zagen geen van drieën rond en er was toch zooveel met de oogen te genieten. Over het meidenkamertjekon men thuis ook praten, vond Renée. Moest men daarvoor op een heerlijken Meidag uit rijden gaan!Maar zij liet zich hare stemming niet bederven. Zij vonden haar alleen wat stil; doch glimlachend antwoordde zij dat zij genoot en toen waren zij tevreden.En zij mijmerde weer voort.... Straks zou zij met Huug alleen zijn. Wat zouden zij dan weer heerlijk samen praten! Hij had den sleutel gevonden tot die gesloten schatkamer, haar hart, en zij toonde hem al hare kostbaarheden.... Niets ging haar boven die uren van gedachtenwisseling, waarin zij als het ware in elkanders zielen schouwden, als in tot dusver gesloten boeken. Voor lezen was nog niet altijd gelegenheid; dat zou later komen. En zij liet hem vrij bladeren; hij mocht haar zieleboek openslaan, waar hij wilde: het was overal blank en onbevlekt. Maar haar minnaar was voorzichtiger en wees haar alleen de minst bezoedelde bladzijden aan.Wat konden zij ook tehuis heerlijk zittenredeneeren, het liefst nog over beider levensbeschouwing. Dan sprak hij het meest en zij luisterde—zij leerde. Zijne denkbeelden waren veel minder idealistisch dan die haars vaders, maar er lag toch blijkbaar veel waarheid in. Daarbij sprak hij met zooveel overtuiging. Zij vond hem knap en verstandig, heel verstandig. Maar als hij te ver ging met zijn pessimisme, dan bestreed zij hem met warmte.Hoe kon hij zoo spreken, hij die toch even gelukkig moest zijn als zij! Hij bedroefde haar.Washij dan niet even gelukkig? Of was hij in jarenlang niet gelukkig geweest en was dit misschien nog maar gewoonte van hem om zoo te spreken?En dan gaf hij toe dat voor hem alles veranderd was sedert hij haar kende, maar hij sprak van het leven in het algemeen, het leven van alle menschen. Zij mochten immers niet alleen naar zichzelf oordeelen!Zij echter kende het leven niet anders dan uit haar eigene, eenvoudige geschiedenis, en ondanks veel weemoed scheen het haareen liefelijk Eden vol genot. Zij wilde dat hij het ook zoo vinden zou; langzamerhand zou zij er hem toe brengen, dacht zij. Want zij wist niet dat hij roekeloos de bloemen, die langs zijn levensweg groeiden, in den knop had opengebroken, lang eer zij zich tot bloem hadden ontplooid, om te rechter tijd zijn pad te verlieflijken.Toch waren er oogenblikken in zijn leven—neen, uren en dagen wanneer hij aan die mogelijkheid ook geloofde. Eerst had hij slechts hare schoonheid liefgehad, hare jeugd, hare onschuld, en hij had haar begeerd juist om die frissche ongereptheid; maar nu hij ook nog vrijelijk blikken mocht in hare ziel, even frisch en ongerept als haar lichaam, nu was het hem dikwerf als moest hij zich voor haar neerbuigen in het stof. Dan was er deemoed in zijn hart, waarachtige deemoed, omdat hij al zijne zwakheid, al zijne zedelijke nietigheid gevoelde. En dan hoopte hij dat van haar zóóveel kracht zou uitgaan, dat deze hem sterken zou. Dan waren daar vele heerlijke gedachten in hem aan eennieuw en beter leven—dan was hijgoed.Doch daar waren ook andere oogenblikken, wanneer hij opgewonden door wijn of lectuur of schouwburgbezoek, aanvechtingen kon hebben van verlangens, die hij haar nimmer zou hebben durven bekennen; wenschen naar vernieuwing van onedele genietingen, welke hem eens bekoord, eens hem geheel in hare macht gehad hadden. En hij riep de oude drogredenen voor zijn geest terug, die zijne philosophische vrienden hem hadden voorgezegd, vond dat er toch eigenlijk veel waars in was, heel veel waars—en gaf zich toe.Als dan de opwinding voorbij was en de koele nachtlucht langs zijn verhit gelaat streek, als hij de sterren boven zijn hoofd zag vonkelen in stille majesteit, dan ontwaakte hij als het ware. Dan dacht hij aan zijne Renée, zijne schoone lieveling, rustig slapend, omgeven door dat waas van onschuld en vertrouwen, dat haar altijd omgaf, in de gezelschapszaal zoowel als in zijne armen. Dan verfoeide hij zichzelf en mompelde een:“Ellendeling!” uit den grond van zijn hart, maar dat maakte hem harer niet waardig; en den volgenden dag stond hij dan weer tegenover haar, glimlachend en zelfingenomen, alleen met een klein weinigje heimelijk berouw, dat echter zijne stemming niet bedierf.Na de thee wandelden zij samen weg. Oom en tante hadden kennissen aangetroffen en lieten de jongelui hun gang gaan.Renée wandelde aan Hugo’s arm door het dorp naar het bosch en samen lieten zij zich door de boeren en boerinnen aangapen, of misschien bewonderen. Zij liep als op wolken in een gouden nevel van geluk. Zij had al die menschen wel aan haar hart kunnen drukken. Sedert de laatste maanden scheen de aarde haar een paradijs. Overal lachten haar nu geluk en liefde en schoonheid toe. Duizend heerlijke beloften scheen het leven haar te doen. Wel was het tegenwoordige reeds vol zaligheid, maar vooral toch door dat verschiet van altijd klimmend geluk, zooals een landschap paszijne schoonheid en volmaking bereikt door een fraaien achtergrond. Vroeger leefde zij niet; neen, dat was een rupsenleven, eentonig en werktuiglijk. Maar nu was zij als de vlinder, tallooze schoone bloemen op zijn weg vindend en dartelend in den zonneschijn. Nu meende zij niet meer dat een meisje tot een huwelijk komt als een jongen tot een beroep. Welk een heiligschennis!....“O Huug,” zeide zij, toen zij het bosch hadden bereikt en zij sloeg hare kleine handen om zijn arm, “ik zou het wel kunnen uitjubelen van geluk!”Al hare aandoeningen waren zoo echt, zoo natuurlijk, zoo waar; wild opwellend uit het diepst van haar gemoed, niet eerst onbewust van buiten geleerd uit de boeken.“Laten we dan eens zingen.”“Neen, zingen helpt niet of ik moest zelf componiste zijn. Ik kan mij niet herinneren dat één componist iets gemaakt heeft, wat mij nu bevredigen zou. Misschien ook uit zulk een stemming zich het bestin een weemoedig lied of.... is er geen uiting voor te vinden.”“Misschien wel, ja.”“Voel jij zoo iets wel eens?”“Wat?”“Zoo iets jubelends. Zoo’n overstelpend geluk.”“Ja, soms,” antwoordde hij, denkende aan zijne beste oogenblikken.Zij zag hem even van ter zijde aan, terwijl zij luchtig over de bemoste paden stapten.“Huug, soms vind ik het net, alsof je niet openhartig met mij ben,” zeide zij opeens met de haar eigene klakkelooze oprechtheid. “Je bent toch niet boos dat ik dit maar zoo zeg?.... Je geeft mij soms den indruk, niet bepaald alsof je iets voor mij verzwijgt of verbergt, dat niet,—maar toch alsof je mij niet alles zegt, wat je denkt.”“Verbeelding, kind!” antwoordde hij, met een stokje een hoop bijeengewaaide dorre bladeren van het vorig jaar uiteenslaande.“Je moet er niet boos om zijn. Ik dacht het maar zoo. En wij moeten elkaar geheel vertrouwen, als we gelukkig willen worden. Geloof je dat ook niet?”“Ja, dat is zeker,” zeide hij flauw, en zijn peinzenden blik verried den tweestrijd in zijne ziel. Hij dacht er aan dat het oogenblik voorbij was, toen hij haar alles hadkunnenzeggen; nu had hij slechts in hare tegenwoordigheid te waken over zijne woorden en daden. Want hij vreesde haar te kunnen verliezen door een enkel ondoordacht woord, gelijk hij ze vroeger roekeloos bij dozijnen uitte. O, hoe wenschte hij in dit oogenblik, nu zij door hare schoonheid en lieftalligheid hem weder tot in het diepst zijner ziel roerde, geen enkel duister plekje in zijne herinnering te hebben!Zij hoorde het in zijne stem, zij las het in zijne oogen, dat hij niet zeide wat hij dacht; en plotseling als een bliksemschicht op een schoonen zomeravond, viel de argwaan in hare ziel. Voor het eerst sedert den zonnigen dag harer verloving rees ietsals een twijfel in haar, een vage vrees, een spook, dat haar aangrijnsde, een donkere wolk, die een oogenblik een dreigende slagschaduw wierp over de zonnige vlakte van haar geluk.“Huug!” zeide zij, plotseling stilstaande en de handen tegen zijne borst vouwend terwijl zij hem recht in het gelaat zag, “je verbergt immers niets voor mij?”Toen vermande hij zich, zag haar verwijtend aan en zeide op den toon der koelste verontwaardiging: “Dat je me wantrouwen zoudt, had ik niet gedacht.”“O neen!” riep zij verschrikt uit, “ik vraag je duizendmaal vergeving. Je hebt gelijk, het was heel, heel leelijk van me. Kom, geef me een zoen, dan is alles weer over, hè?”Zij zag hem vol liefde en vertrouwen aan, en hij kuste haar op de oogen. Was het om ze te sluiten?“Zie je, Huug,”—en zij wandelden weer voort,—“het kwam maar doordat ik zelf zoo’n flapuit ben. Alles, wat ik denk, alsik bij je ben, zeg ik ook dadelijk. En ik vond jou soms zoo.... ja ik weet niet hoe. Maar ik begrijp wel dat ik je verkeerd beoordeelde. Wij zullen elkaar alles zeggen, vindt je niet? Je weet: het hoogste geluk tusschen man en vrouw kan alleen bestaan bij volkomen wederzijdsch vertrouwen.”“Daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde hij met gemaakten ernst, terwijl toch het vurig verlangen in hem rees tegenover dit kind, dat hij zoo afgodisch beminde even oprecht te kunnen staan als zij tegenover hèm stond. “Wij moeten als twee vrienden zijn, niet waar? En als vriendschap en liefde ons tegelijk gelukkig maken, wat zullen wij dan een paar gelukkige menschenkinderen zijn.”En zoo sprak hij voort, terwijl zij zich op een omgewaaiden stam neerzetten; en hij fluisterde zoo zoet, dat de donkere slagschaduw als alle slagschaduwen in een oogwenk verdween.Toen zij terugreden, was het reeds bijna donker. En Renée zag naar den wittendauw, die langzaam opsteeg uit de velden, onzichtbaar van nabij, maar ver in het rond zich uitbreidend over de velden, als een witte zee. Droomerig rees de gouden sikkel der maan, en trouw kwamen de flonkerende sterren op haar post, een voor een, vriendelijk oogwenkend naar de aarde.Renée sloot de oogen. O, altijd zóó gelukkig te mogen zijn! Zóó gelukkig te blijven als heden,—levend in zonneschijn en Meigroen, onder een blauwen hemel of flonkerende sterren. Zoo maar stil voort te glijden door het leven—met hem!—en de menschen te laten praten, zooals zij nu oom en tante praten liet, die er over kibbelden of zij morgen naar de komedie zouden gaan of niet! Haar mond en haar hart gesloten te houden en haar geluk te verbergen voor de geheele buitenwereld, zooals zij nu mond en hart gesloten hield, ofschoon overvloeiend van geluk!”’t Kind slaapt zoowaar,” zeide oom Albert, die tegenover haar zat.“Zij is zeker moe,” zeide Huug vergoelijkendvan de andere zijde der voorbank.Maar zij sliep niet en lag hem maar stil uit haar donker hoekje aan te staren, genietende van den aanblik van zijn schoon gelaat, dat met zijne scherpe trekken en donkere, eigenaardig gevormde wenkbrauwbogen nog duidelijk te onderscheiden was. En zij dacht er aan met een zucht van genot hoe lief zij hem had. Zijn leven was met het hare ineengeweven voor altijd. De gedachte aan zijn mogelijken dood deed haar het hart ineenkrimpen; dan zou zij nimmermeer den blik naar den schoonen hemel durven heffen, dacht zij. En zij herinnerde zich op eens een tekst, lang geleden in de dorpskerk vernomen, dien zij zich in het geheugen had gegrift, omdat zij toen daarbij aan haar vader dacht. Het waren de woorden van Ruth: “Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan; en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven: aldaar zal ik begraven worden. Alzoo doe mij de Heer enalzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u.”Nu dacht zij daarbij aan Huug. En zij zeide ze zacht voor zich heen, telkens weer, die schoone woorden vol liefde en poëzie: “zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u.”Zij was als een kwijnende plant geweest, die vruchteloos de zon zoekt, maar opleeft, zoodra deze haar beschijnt;—dan zich in teedere schoonheid naar die zon keerend, tallooze jonge knoppen ontplooiend, bloem en blad gevend, alles gevend, om het kopje te laten hangen, als zij verdwijnt.Hijwas haar zon; was hij weg, dan leefde zij slechts droomend voort; dan kwam het haar vreemd voor dat niemand haar miste, dat men geen leegte gevoelde zooals zij;—keerde hij terug, dan ontwaakte zij en glimlachte en straalde.Even vóór zij de stad inreden, passeerden zij een van die stille buitenstraten, gelijkom elke stad gevonden worden. Renée lag kalm opwaarts te kijken naar de eindelooze reeks gelijkvormige vensters, die rusteloos voorbijgleden, als zou er nooit een eind aan komen. Voor één dier vensters zag zij een vrouwengelaat, dat haar bijzonder trof. Het was in het oog vallend schoon met zijne rossig-blonde lokken en lichtblauwe oogen en fraaie kleur, maar tegelijk was het wreed, coquet en zinnelijk; trekken, die Renée zag zonder ze te kunnen ontleden, maar die haar toch afkeer inboezemden.Het licht van een straatlantaarn scheen op dat gelaat en... zag Renée goed?.... kwam daar niet plotseling een lach als van geheime verstandhouding in die oogen, terwijl zij op den voorbijrollenden landauer neerzagen?....Wiengold die blik?Niemand meer was wakker dan Huug; maar nu de lantaarn voorbij was, kon Renée zijn gezicht niet meer onderscheiden.Zij sloot de oogen.... O God, als tòch eens....!Maar toen verjoeg zij die gedachte metverontwaardiging uit haar hart. Zij kon—neen, zijmoestzich vergist hebben. Zij verweet zich haar argwaan, en bij het afscheid kuste zij hem met de innigste liefde goedennacht en bad hem nog eens met teedere stem haar te vergeven wat zij dien middag gezegd had.
De paarden draafden lustig voort en Renée liet de schoone wereld aan zich voorbijglijden.
Eerst villa’s met welonderhouden tuinen, vol geurige seringen en levendig getinte tulpenbedden, trotsche hyacinten en rozerooden Meidoorn. Dan boerenhofsteden met beplante moestuinen of vriendelijke hutjes met wilden wingerd begroeid; en eindelijk de ruime, wijde wereld—de schoone aarde beneden, de hemel daarboven. Weilanden, aan met bloemen doorwerkte tapijten gelijk, waarboven vlinders dartelen en goudgestreepte hommels gonsden; hier en daar doorsneden door een zilveren beekje, waaraan vergeet-mij-nieten zich droomend wiegelden.
De lauwe lentewind streek liefkoozend langs hare wangen en haar. Telkens gleed een vluchtige boomschaduw over haar heen, om dan weer plaats te maken voor onafgebroken licht. Warme geuren stegen op uit verschgeploegde akkers.
Hoog in de boomen klonk zacht gekweel, en, als het rijtuig naderde, zag men de kleine zangers met rappen wiekslag wegijlen in de lucht, helder bestraald door de zilveren zonnestralen. O, die zonneschijn, dat vogelenlied, die lentegeuren! Die vage gedachten van iets verhevens, iets schoons, iets “ver van de menschen”; een droom van zaligheid, een dronkenheid van genot. Renée sloeg onwillekeurig de oogen op naar de groote witte wolken vol glans, die boven haar zeilden, ver boven haar in de blauwe ruimte van eindelooze lucht. Haar hart was als een tempel, waarin altijd zachte orgelmuziek ruischte; maar in deze omgeving was haar geluk als verdubbeld en het orgel bruiste en jubelde. Duizend stemmen paarden er zich juichend aan in dankbaar lofgezang en zij luisterde....
Maar tante sprak zoo luide over ontdekkingen op het meidenkamertje gedaan, en oom en Huug lachten. Zij zagen geen van drieën rond en er was toch zooveel met de oogen te genieten. Over het meidenkamertjekon men thuis ook praten, vond Renée. Moest men daarvoor op een heerlijken Meidag uit rijden gaan!
Maar zij liet zich hare stemming niet bederven. Zij vonden haar alleen wat stil; doch glimlachend antwoordde zij dat zij genoot en toen waren zij tevreden.
En zij mijmerde weer voort.... Straks zou zij met Huug alleen zijn. Wat zouden zij dan weer heerlijk samen praten! Hij had den sleutel gevonden tot die gesloten schatkamer, haar hart, en zij toonde hem al hare kostbaarheden.... Niets ging haar boven die uren van gedachtenwisseling, waarin zij als het ware in elkanders zielen schouwden, als in tot dusver gesloten boeken. Voor lezen was nog niet altijd gelegenheid; dat zou later komen. En zij liet hem vrij bladeren; hij mocht haar zieleboek openslaan, waar hij wilde: het was overal blank en onbevlekt. Maar haar minnaar was voorzichtiger en wees haar alleen de minst bezoedelde bladzijden aan.
Wat konden zij ook tehuis heerlijk zittenredeneeren, het liefst nog over beider levensbeschouwing. Dan sprak hij het meest en zij luisterde—zij leerde. Zijne denkbeelden waren veel minder idealistisch dan die haars vaders, maar er lag toch blijkbaar veel waarheid in. Daarbij sprak hij met zooveel overtuiging. Zij vond hem knap en verstandig, heel verstandig. Maar als hij te ver ging met zijn pessimisme, dan bestreed zij hem met warmte.
Hoe kon hij zoo spreken, hij die toch even gelukkig moest zijn als zij! Hij bedroefde haar.Washij dan niet even gelukkig? Of was hij in jarenlang niet gelukkig geweest en was dit misschien nog maar gewoonte van hem om zoo te spreken?
En dan gaf hij toe dat voor hem alles veranderd was sedert hij haar kende, maar hij sprak van het leven in het algemeen, het leven van alle menschen. Zij mochten immers niet alleen naar zichzelf oordeelen!
Zij echter kende het leven niet anders dan uit haar eigene, eenvoudige geschiedenis, en ondanks veel weemoed scheen het haareen liefelijk Eden vol genot. Zij wilde dat hij het ook zoo vinden zou; langzamerhand zou zij er hem toe brengen, dacht zij. Want zij wist niet dat hij roekeloos de bloemen, die langs zijn levensweg groeiden, in den knop had opengebroken, lang eer zij zich tot bloem hadden ontplooid, om te rechter tijd zijn pad te verlieflijken.
Toch waren er oogenblikken in zijn leven—neen, uren en dagen wanneer hij aan die mogelijkheid ook geloofde. Eerst had hij slechts hare schoonheid liefgehad, hare jeugd, hare onschuld, en hij had haar begeerd juist om die frissche ongereptheid; maar nu hij ook nog vrijelijk blikken mocht in hare ziel, even frisch en ongerept als haar lichaam, nu was het hem dikwerf als moest hij zich voor haar neerbuigen in het stof. Dan was er deemoed in zijn hart, waarachtige deemoed, omdat hij al zijne zwakheid, al zijne zedelijke nietigheid gevoelde. En dan hoopte hij dat van haar zóóveel kracht zou uitgaan, dat deze hem sterken zou. Dan waren daar vele heerlijke gedachten in hem aan eennieuw en beter leven—dan was hijgoed.
Doch daar waren ook andere oogenblikken, wanneer hij opgewonden door wijn of lectuur of schouwburgbezoek, aanvechtingen kon hebben van verlangens, die hij haar nimmer zou hebben durven bekennen; wenschen naar vernieuwing van onedele genietingen, welke hem eens bekoord, eens hem geheel in hare macht gehad hadden. En hij riep de oude drogredenen voor zijn geest terug, die zijne philosophische vrienden hem hadden voorgezegd, vond dat er toch eigenlijk veel waars in was, heel veel waars—en gaf zich toe.
Als dan de opwinding voorbij was en de koele nachtlucht langs zijn verhit gelaat streek, als hij de sterren boven zijn hoofd zag vonkelen in stille majesteit, dan ontwaakte hij als het ware. Dan dacht hij aan zijne Renée, zijne schoone lieveling, rustig slapend, omgeven door dat waas van onschuld en vertrouwen, dat haar altijd omgaf, in de gezelschapszaal zoowel als in zijne armen. Dan verfoeide hij zichzelf en mompelde een:“Ellendeling!” uit den grond van zijn hart, maar dat maakte hem harer niet waardig; en den volgenden dag stond hij dan weer tegenover haar, glimlachend en zelfingenomen, alleen met een klein weinigje heimelijk berouw, dat echter zijne stemming niet bedierf.
Na de thee wandelden zij samen weg. Oom en tante hadden kennissen aangetroffen en lieten de jongelui hun gang gaan.
Renée wandelde aan Hugo’s arm door het dorp naar het bosch en samen lieten zij zich door de boeren en boerinnen aangapen, of misschien bewonderen. Zij liep als op wolken in een gouden nevel van geluk. Zij had al die menschen wel aan haar hart kunnen drukken. Sedert de laatste maanden scheen de aarde haar een paradijs. Overal lachten haar nu geluk en liefde en schoonheid toe. Duizend heerlijke beloften scheen het leven haar te doen. Wel was het tegenwoordige reeds vol zaligheid, maar vooral toch door dat verschiet van altijd klimmend geluk, zooals een landschap paszijne schoonheid en volmaking bereikt door een fraaien achtergrond. Vroeger leefde zij niet; neen, dat was een rupsenleven, eentonig en werktuiglijk. Maar nu was zij als de vlinder, tallooze schoone bloemen op zijn weg vindend en dartelend in den zonneschijn. Nu meende zij niet meer dat een meisje tot een huwelijk komt als een jongen tot een beroep. Welk een heiligschennis!....
“O Huug,” zeide zij, toen zij het bosch hadden bereikt en zij sloeg hare kleine handen om zijn arm, “ik zou het wel kunnen uitjubelen van geluk!”
Al hare aandoeningen waren zoo echt, zoo natuurlijk, zoo waar; wild opwellend uit het diepst van haar gemoed, niet eerst onbewust van buiten geleerd uit de boeken.
“Laten we dan eens zingen.”
“Neen, zingen helpt niet of ik moest zelf componiste zijn. Ik kan mij niet herinneren dat één componist iets gemaakt heeft, wat mij nu bevredigen zou. Misschien ook uit zulk een stemming zich het bestin een weemoedig lied of.... is er geen uiting voor te vinden.”
“Misschien wel, ja.”
“Voel jij zoo iets wel eens?”
“Wat?”
“Zoo iets jubelends. Zoo’n overstelpend geluk.”
“Ja, soms,” antwoordde hij, denkende aan zijne beste oogenblikken.
Zij zag hem even van ter zijde aan, terwijl zij luchtig over de bemoste paden stapten.
“Huug, soms vind ik het net, alsof je niet openhartig met mij ben,” zeide zij opeens met de haar eigene klakkelooze oprechtheid. “Je bent toch niet boos dat ik dit maar zoo zeg?.... Je geeft mij soms den indruk, niet bepaald alsof je iets voor mij verzwijgt of verbergt, dat niet,—maar toch alsof je mij niet alles zegt, wat je denkt.”
“Verbeelding, kind!” antwoordde hij, met een stokje een hoop bijeengewaaide dorre bladeren van het vorig jaar uiteenslaande.
“Je moet er niet boos om zijn. Ik dacht het maar zoo. En wij moeten elkaar geheel vertrouwen, als we gelukkig willen worden. Geloof je dat ook niet?”
“Ja, dat is zeker,” zeide hij flauw, en zijn peinzenden blik verried den tweestrijd in zijne ziel. Hij dacht er aan dat het oogenblik voorbij was, toen hij haar alles hadkunnenzeggen; nu had hij slechts in hare tegenwoordigheid te waken over zijne woorden en daden. Want hij vreesde haar te kunnen verliezen door een enkel ondoordacht woord, gelijk hij ze vroeger roekeloos bij dozijnen uitte. O, hoe wenschte hij in dit oogenblik, nu zij door hare schoonheid en lieftalligheid hem weder tot in het diepst zijner ziel roerde, geen enkel duister plekje in zijne herinnering te hebben!
Zij hoorde het in zijne stem, zij las het in zijne oogen, dat hij niet zeide wat hij dacht; en plotseling als een bliksemschicht op een schoonen zomeravond, viel de argwaan in hare ziel. Voor het eerst sedert den zonnigen dag harer verloving rees ietsals een twijfel in haar, een vage vrees, een spook, dat haar aangrijnsde, een donkere wolk, die een oogenblik een dreigende slagschaduw wierp over de zonnige vlakte van haar geluk.
“Huug!” zeide zij, plotseling stilstaande en de handen tegen zijne borst vouwend terwijl zij hem recht in het gelaat zag, “je verbergt immers niets voor mij?”
Toen vermande hij zich, zag haar verwijtend aan en zeide op den toon der koelste verontwaardiging: “Dat je me wantrouwen zoudt, had ik niet gedacht.”
“O neen!” riep zij verschrikt uit, “ik vraag je duizendmaal vergeving. Je hebt gelijk, het was heel, heel leelijk van me. Kom, geef me een zoen, dan is alles weer over, hè?”
Zij zag hem vol liefde en vertrouwen aan, en hij kuste haar op de oogen. Was het om ze te sluiten?
“Zie je, Huug,”—en zij wandelden weer voort,—“het kwam maar doordat ik zelf zoo’n flapuit ben. Alles, wat ik denk, alsik bij je ben, zeg ik ook dadelijk. En ik vond jou soms zoo.... ja ik weet niet hoe. Maar ik begrijp wel dat ik je verkeerd beoordeelde. Wij zullen elkaar alles zeggen, vindt je niet? Je weet: het hoogste geluk tusschen man en vrouw kan alleen bestaan bij volkomen wederzijdsch vertrouwen.”
“Daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde hij met gemaakten ernst, terwijl toch het vurig verlangen in hem rees tegenover dit kind, dat hij zoo afgodisch beminde even oprecht te kunnen staan als zij tegenover hèm stond. “Wij moeten als twee vrienden zijn, niet waar? En als vriendschap en liefde ons tegelijk gelukkig maken, wat zullen wij dan een paar gelukkige menschenkinderen zijn.”
En zoo sprak hij voort, terwijl zij zich op een omgewaaiden stam neerzetten; en hij fluisterde zoo zoet, dat de donkere slagschaduw als alle slagschaduwen in een oogwenk verdween.
Toen zij terugreden, was het reeds bijna donker. En Renée zag naar den wittendauw, die langzaam opsteeg uit de velden, onzichtbaar van nabij, maar ver in het rond zich uitbreidend over de velden, als een witte zee. Droomerig rees de gouden sikkel der maan, en trouw kwamen de flonkerende sterren op haar post, een voor een, vriendelijk oogwenkend naar de aarde.
Renée sloot de oogen. O, altijd zóó gelukkig te mogen zijn! Zóó gelukkig te blijven als heden,—levend in zonneschijn en Meigroen, onder een blauwen hemel of flonkerende sterren. Zoo maar stil voort te glijden door het leven—met hem!—en de menschen te laten praten, zooals zij nu oom en tante praten liet, die er over kibbelden of zij morgen naar de komedie zouden gaan of niet! Haar mond en haar hart gesloten te houden en haar geluk te verbergen voor de geheele buitenwereld, zooals zij nu mond en hart gesloten hield, ofschoon overvloeiend van geluk!
”’t Kind slaapt zoowaar,” zeide oom Albert, die tegenover haar zat.
“Zij is zeker moe,” zeide Huug vergoelijkendvan de andere zijde der voorbank.
Maar zij sliep niet en lag hem maar stil uit haar donker hoekje aan te staren, genietende van den aanblik van zijn schoon gelaat, dat met zijne scherpe trekken en donkere, eigenaardig gevormde wenkbrauwbogen nog duidelijk te onderscheiden was. En zij dacht er aan met een zucht van genot hoe lief zij hem had. Zijn leven was met het hare ineengeweven voor altijd. De gedachte aan zijn mogelijken dood deed haar het hart ineenkrimpen; dan zou zij nimmermeer den blik naar den schoonen hemel durven heffen, dacht zij. En zij herinnerde zich op eens een tekst, lang geleden in de dorpskerk vernomen, dien zij zich in het geheugen had gegrift, omdat zij toen daarbij aan haar vader dacht. Het waren de woorden van Ruth: “Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan; en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven: aldaar zal ik begraven worden. Alzoo doe mij de Heer enalzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u.”
Nu dacht zij daarbij aan Huug. En zij zeide ze zacht voor zich heen, telkens weer, die schoone woorden vol liefde en poëzie: “zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u.”
Zij was als een kwijnende plant geweest, die vruchteloos de zon zoekt, maar opleeft, zoodra deze haar beschijnt;—dan zich in teedere schoonheid naar die zon keerend, tallooze jonge knoppen ontplooiend, bloem en blad gevend, alles gevend, om het kopje te laten hangen, als zij verdwijnt.Hijwas haar zon; was hij weg, dan leefde zij slechts droomend voort; dan kwam het haar vreemd voor dat niemand haar miste, dat men geen leegte gevoelde zooals zij;—keerde hij terug, dan ontwaakte zij en glimlachte en straalde.
Even vóór zij de stad inreden, passeerden zij een van die stille buitenstraten, gelijkom elke stad gevonden worden. Renée lag kalm opwaarts te kijken naar de eindelooze reeks gelijkvormige vensters, die rusteloos voorbijgleden, als zou er nooit een eind aan komen. Voor één dier vensters zag zij een vrouwengelaat, dat haar bijzonder trof. Het was in het oog vallend schoon met zijne rossig-blonde lokken en lichtblauwe oogen en fraaie kleur, maar tegelijk was het wreed, coquet en zinnelijk; trekken, die Renée zag zonder ze te kunnen ontleden, maar die haar toch afkeer inboezemden.
Het licht van een straatlantaarn scheen op dat gelaat en... zag Renée goed?.... kwam daar niet plotseling een lach als van geheime verstandhouding in die oogen, terwijl zij op den voorbijrollenden landauer neerzagen?....Wiengold die blik?
Niemand meer was wakker dan Huug; maar nu de lantaarn voorbij was, kon Renée zijn gezicht niet meer onderscheiden.
Zij sloot de oogen.... O God, als tòch eens....!
Maar toen verjoeg zij die gedachte metverontwaardiging uit haar hart. Zij kon—neen, zijmoestzich vergist hebben. Zij verweet zich haar argwaan, en bij het afscheid kuste zij hem met de innigste liefde goedennacht en bad hem nog eens met teedere stem haar te vergeven wat zij dien middag gezegd had.
X.“Och kind,” zeide mevrouw Verhulst en zij zag Renée aan met den beschermenden glimlach, dien een ervaren wereldlinge zich veroorloven mag tegenover een pas getrouwd vrouwtje, dat zoo juist met schitterende oogen over de heerlijkheid van het leven heeft uitgeweid, “als men ouder wordt, beschouwt men alles zoo anders. Dan krijgt men een geheel ander kijkje op het leven.”“Maar het huwelijksgeluk....”“Juist dat huwelijksgeluk is zoo hersenschimmig,” zeide mevrouw Verhulst metde hand wuivend. “Natuurlijk—als men jong is, heeft men idealen, dat is bij alle menschen eender. Kijk maar naar de geëngageerde luidjes, die loopen allemaal met de hoofden naar elkaar gebogen, maar na tien jaar doen ze heel anders. Idealen en hersenschimmen behooren bij de jeugd en gaan ook met de jeugd over.”“Maar de liefde kan toch blijven,” wierp Renée bescheiden tegen, bescheiden alleen om haar verschil in jaren met de spreekster, maar met heilige, onwrikbare overtuiging in het hart.“Och, liefde is ook al een hersenschim, bij de mannen ten minste. Het egoïsme drijft bij hen altijd weer boven. Ieder klein gekkinnetje droomt er van een meester, een meerdere te zullen vinden, tegen wien zij kan opzien; maar hoe anders komt dat meestal uit! De vrouwen moeten tegenwoordig als schildwachten staan bij de deugd van hare mannen!” En zij lachte, maar bitter, weemoedig bitter, zoodat Renée heimelijk dacht dat wel een diepleed ten grondslag moest liggen aan zulk een hard oordeel.Hoe gelukkig, hoe trotsch, hoe rijk voelde zij zichzelf! School al eenige waarheid in zulke beweringen, dat alles ging toch buitenhaarklein paradijsje om, waar “de tijdgeest” niet binnen mocht treden, maar waar slechts geofferd werd op het altaar van het eeuwig schoone en goede: liefde en trouw. Zij luisterde wel is waar met huivering naar de voorbeelden, door hare bezoekster te berde gebracht, maar twijfelde heimelijk aan de waarheid er van. Wel begreep zij nu het leven en de maatschappij een weinig anders dan vóór haar huwelijk; wel dacht zij er soms met weemoed aan hoeveel zonde en schuld in de wereld rondwaarden; doch er was geen punt van aanraking tusschen die wereld en haar zonnig huis, haar kleinen tempel van geluk.Daaraan dacht zij, toen zij, alleen gebleven, aan het venster post vatte om naar haar man uit te zien. ’t Was eigenlijk nog wel wat vroeg, maar op hem wachtenwas ook een heerlijke bezigheid. Wat zou zij ook anders doen? Van den morgen tot den avond was haar leven een genieten van zijne tegenwoordigheid, een verlangen naar zijn terugkeer.Die arme mevrouw Verhulst, dacht zij. Zou zij ongelukkig gehuwd zijn?.... Haar man zag er niet prettig uit, heel anders dan Huug, haar Huug....Hare borst rees en daalde sneller bij de gedachte aan hem.... O, dat was immers juist zoo heerlijk in het leven dat men alleen door de liefde tot het huwelijk komen mocht; “want,” zoo redeneerde zij heel wijsgeerig, “immers de liefde alleen geeft ons de kracht om onze gebreken te bestrijden en dan veredeld en gelouterd te zamen het leven in te gaan!”Die arme mevrouw Verhulst! Kon zij haar toch maar overtuigen!.... En andere menschen, die ook al zoo dom praatten.... Maar daartoe zou zij eigene gedachten en gewaarwordingen moeten brengen in vreemde harten, en dat ging niet. Misschienook was niemand ooit zoo gelukkig geweest als zij, en al was zij nu bijna reeds vijf maanden getrouwd, het was alsof dat geluk nog dagelijks grooter werd.Nu voelde zij iets aan hare hand; het was Caesar, die zijn kouden neus liefkoozend tusschen hare vingers duwde. En zij streek hem teeder over den kop en dacht aan dien heerlijken Augustusdag, toen zij van hun huwelijksreisje thuis kwamen en Huug, de deur openend, lachend zeide: “Treed binnen, mevrouwtje!” Wie was toen de eerste geweest, die haar verwelkomend te gemoet was gesprongen, die met luid geblaf en woeste sprongen gezegd had: “Ik heb zoo naar je verlangd.” Niemand anders dan Caesar, die lieve, goede Caesar! O, dat gevoel—zoo lang ontbeerd—van dien vochtigen snoet en die zachte, warme haren! Tallooze herinneringen waren er plotseling mede voor haar geest gerezen; het was als een groet, een zegening voor haar uit het oude huis, juist nu zij hare intrede deed in een nieuwe, eigene woning! En toenzij, met hare armen nog om Caesar’s hals, bij wien zij was neergeknield, den vochtigen blik naar Huug had opgeheven, toen had zij aan zijne stralende oogen gezien dat zij niemand anders dan hem deze verrassing te danken had.Weer zag zij naar buiten. De straten waren dik besneeuwd. Nu en dan rinkelde een ar voorbij. Jongens waren aan het sleden, en sneeuwballen vlogen van alle zijden door de straat. Maar het was toch geen vroolijk schouwspel, want de lucht hing er zwaar en droevig over, geelachtig grauw, als was zij vol nieuwe sneeuw.Maar in Renée’s hart scheen een warme zomerzon. Zij dacht aan die hooggeplaatste Russische vrouw, van wie zij pas gelezen had dat deze haar echtgenoot gevolgd was naar Siberië en zij dacht dat zij dit zelf ook zou doen. Zij zou hem volgen door ontbering en ellende, tot in “de schaduwen des doods”. In hare hooge stemming hield zij er van versregels of bekende uitdrukkingen uit gewijde literatuur zacht bijzichzelf op te zeggen, uitdrukkingen, die zij zich van vroeger herinnerde, maar waarvan zij nu pas recht al de diepte en schoonheid begreep. Alle hadden zij betrekking op Huug, op hare koning, haar afgod! Zoolang zij elkander zóó liefhadden, welk leed kon hen dan treffen: slechts de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, gelijk de bijbeltekst zeide. Zoolang dat zalige gevoel van vereering haar hart vervulde, zoolang zij met geheel hare ziel dien man aanhing, hem haar leven wijdde, een leven van stille, maar diepe vereering, omgaf haar een pantser, dat haar tegen ieder leed beveiligde. Zij was niet godsdienstig opgevoed, maar zij begreep nu volkomen het geluk, dat geloof, liefde en vertrouwen in een aangebeden godheid den mensch kunnen schenken; zij begreep den drang, die in oude tijden de menschen zich had doen werpen onder de alles verpletterende wielen van den wagen des Gods, dien zij liefhadden; zij begreep de doodsverachting der martelaren en de zelfontzeggingder kloosterlingen.Vereering—zoo heette de sleutel tot al die raadselen, en die zaligmakende kracht was ook in hare ziel gekomen en vervulde er alles met gouden glans.Nu was haar ideaal werkelijkheid geworden: zijn kleine schildwacht was zij; van den morgen tot den avond mocht zij waken over zijn geluk. Des morgens omgaf zij hem met duizend teedere oplettendheden; niemand mocht ooit die kleine zorgen en bezigheidjes van haar overnemen. Des middags ontving zij bezoeken om zijnentwil of legde ze af, bij allerlei vreemde menschen, die haar volkomen onverschillig waren, maar aan wie zij door haar stralend gezichtje steeds de overtuiging gaf dat hij “de beste man der wereld” was, gelijk zij hem werkelijk soms in intiemer kring ook lachend noemde, wanneer de stroom van zoete gedachten haar te machtig werd en uitmoestbarsten, ondanks haarzelf. En des avonds vulde haar salon zich met bezoekers—o, zoo vermoeiend soms!—maar heerlijk tochook, als zij zag hoe hij genoot; als zijn blik dwaalde langs de smaakvol versierde wanden of op háár bleef rusten, zooals ze daar zat, slank en bevallig, achter haar theegoed, dat zij zoo aardig hanteerde. Nooit, zoolang zijne moeder van hem was heengegaan, had hij zich zootehuisgevoeld; nooit was hij omringd geweest van zooveel oplettendheid.En hoe graag ging hij met haar uit! Zij was zoo mooi, dat de menschen op straat bleven stilstaan om haar na te zien; het was als straalde er licht van haar af, als omgaf een aureool dat reine, lieve kindergelaat, en menig dof oog verhelderde, menige in bitterheid saamgenepen mond ontspande zich tot een glimlach, als zooveel geluk voorbijging.Ha, daar kwam hij! Hunne blikken kruisten elkaar als gouden stralen.Bij de deur wachtte zij hem op. Een lange kus, een wisseling van teedere, zoete woordjes.... zij waren nog even dwaas verliefd als in hun kort engagement.“Wachtte je op me?” vroeg hij.“Ja,” antwoordde zij glimlachend. “Je weet wel: als je weg ben, wacht ik altijd op je. Dan leef ik maar half.—Kom, doe nu gauw dat vervelende paradepak uit, dan ben je meer op je gemak.”“En de receptie bij den kolonel dan?”Een uitdrukking van groote teleurstelling kwam over haar opgewekt gezichtje.“O, die had ik vergeten.... Hè, hoe saai!”“Ik kwam maar eens even naar je kijken. Ik geloof dat ik ook alweer verlangde,” en toen glimlachten zij elkaar toe.“Maar er is niets aan te doen,” hervatte zij dapper. “Ga maar gauw. Het kan vlug afloopen, niet?”“Een uur gaat er spoedig mee heen,” zeide hij haar vertroostend op het voorhoofd kussend.“Neem een rijtuig, Huug. Kijk, het begint te sneeuwen.”“Ja, wees maar niet bezorgd, kleintje.”Hij behandelde haar met een teederheid, die een reus voor een kind zou aan den dag leggen, maar het was een eerbiedigeteederheid. Hij gevoelde haar louterenden invloed op zijn zieleleven, hoewel dan ook onbewust uitgeoefend, en was er dankbaar voor. Hij wist het: wat zij in hem zag, was hij nog niet, maar meer en meer wilde hij het worden. Hij vorderde: hij won krachten en de tijd zou komen, wanneer hij haar waardig zouzijn.Soms, als hij haar toefluisterde hoe lief hij haar had, voelde hij plotseling tranen in zijne oogen wellen—van overstelpend geluk. Want zijne liefde, vroeger zoo vol zelfzucht, had zich gewijzigd tot dat vurig verlangen, alle ware liefde eigen: het beminde voorwerp te beschermen en veilig door het leven te doen gaan, geschraagd door zijne kracht, beschut door zijne armen....“Adieu, lieveling!”Het laatste, wat hij van haar zag, was haar blozend, lief gezichtje, dat hem achter de groote spiegelruit vriendelijk toelachte, tot de sneeuwvlokken haar voor hem onzichtbaar maakten.
“Och kind,” zeide mevrouw Verhulst en zij zag Renée aan met den beschermenden glimlach, dien een ervaren wereldlinge zich veroorloven mag tegenover een pas getrouwd vrouwtje, dat zoo juist met schitterende oogen over de heerlijkheid van het leven heeft uitgeweid, “als men ouder wordt, beschouwt men alles zoo anders. Dan krijgt men een geheel ander kijkje op het leven.”
“Maar het huwelijksgeluk....”
“Juist dat huwelijksgeluk is zoo hersenschimmig,” zeide mevrouw Verhulst metde hand wuivend. “Natuurlijk—als men jong is, heeft men idealen, dat is bij alle menschen eender. Kijk maar naar de geëngageerde luidjes, die loopen allemaal met de hoofden naar elkaar gebogen, maar na tien jaar doen ze heel anders. Idealen en hersenschimmen behooren bij de jeugd en gaan ook met de jeugd over.”
“Maar de liefde kan toch blijven,” wierp Renée bescheiden tegen, bescheiden alleen om haar verschil in jaren met de spreekster, maar met heilige, onwrikbare overtuiging in het hart.
“Och, liefde is ook al een hersenschim, bij de mannen ten minste. Het egoïsme drijft bij hen altijd weer boven. Ieder klein gekkinnetje droomt er van een meester, een meerdere te zullen vinden, tegen wien zij kan opzien; maar hoe anders komt dat meestal uit! De vrouwen moeten tegenwoordig als schildwachten staan bij de deugd van hare mannen!” En zij lachte, maar bitter, weemoedig bitter, zoodat Renée heimelijk dacht dat wel een diepleed ten grondslag moest liggen aan zulk een hard oordeel.
Hoe gelukkig, hoe trotsch, hoe rijk voelde zij zichzelf! School al eenige waarheid in zulke beweringen, dat alles ging toch buitenhaarklein paradijsje om, waar “de tijdgeest” niet binnen mocht treden, maar waar slechts geofferd werd op het altaar van het eeuwig schoone en goede: liefde en trouw. Zij luisterde wel is waar met huivering naar de voorbeelden, door hare bezoekster te berde gebracht, maar twijfelde heimelijk aan de waarheid er van. Wel begreep zij nu het leven en de maatschappij een weinig anders dan vóór haar huwelijk; wel dacht zij er soms met weemoed aan hoeveel zonde en schuld in de wereld rondwaarden; doch er was geen punt van aanraking tusschen die wereld en haar zonnig huis, haar kleinen tempel van geluk.
Daaraan dacht zij, toen zij, alleen gebleven, aan het venster post vatte om naar haar man uit te zien. ’t Was eigenlijk nog wel wat vroeg, maar op hem wachtenwas ook een heerlijke bezigheid. Wat zou zij ook anders doen? Van den morgen tot den avond was haar leven een genieten van zijne tegenwoordigheid, een verlangen naar zijn terugkeer.
Die arme mevrouw Verhulst, dacht zij. Zou zij ongelukkig gehuwd zijn?.... Haar man zag er niet prettig uit, heel anders dan Huug, haar Huug....
Hare borst rees en daalde sneller bij de gedachte aan hem.... O, dat was immers juist zoo heerlijk in het leven dat men alleen door de liefde tot het huwelijk komen mocht; “want,” zoo redeneerde zij heel wijsgeerig, “immers de liefde alleen geeft ons de kracht om onze gebreken te bestrijden en dan veredeld en gelouterd te zamen het leven in te gaan!”
Die arme mevrouw Verhulst! Kon zij haar toch maar overtuigen!.... En andere menschen, die ook al zoo dom praatten.... Maar daartoe zou zij eigene gedachten en gewaarwordingen moeten brengen in vreemde harten, en dat ging niet. Misschienook was niemand ooit zoo gelukkig geweest als zij, en al was zij nu bijna reeds vijf maanden getrouwd, het was alsof dat geluk nog dagelijks grooter werd.
Nu voelde zij iets aan hare hand; het was Caesar, die zijn kouden neus liefkoozend tusschen hare vingers duwde. En zij streek hem teeder over den kop en dacht aan dien heerlijken Augustusdag, toen zij van hun huwelijksreisje thuis kwamen en Huug, de deur openend, lachend zeide: “Treed binnen, mevrouwtje!” Wie was toen de eerste geweest, die haar verwelkomend te gemoet was gesprongen, die met luid geblaf en woeste sprongen gezegd had: “Ik heb zoo naar je verlangd.” Niemand anders dan Caesar, die lieve, goede Caesar! O, dat gevoel—zoo lang ontbeerd—van dien vochtigen snoet en die zachte, warme haren! Tallooze herinneringen waren er plotseling mede voor haar geest gerezen; het was als een groet, een zegening voor haar uit het oude huis, juist nu zij hare intrede deed in een nieuwe, eigene woning! En toenzij, met hare armen nog om Caesar’s hals, bij wien zij was neergeknield, den vochtigen blik naar Huug had opgeheven, toen had zij aan zijne stralende oogen gezien dat zij niemand anders dan hem deze verrassing te danken had.
Weer zag zij naar buiten. De straten waren dik besneeuwd. Nu en dan rinkelde een ar voorbij. Jongens waren aan het sleden, en sneeuwballen vlogen van alle zijden door de straat. Maar het was toch geen vroolijk schouwspel, want de lucht hing er zwaar en droevig over, geelachtig grauw, als was zij vol nieuwe sneeuw.
Maar in Renée’s hart scheen een warme zomerzon. Zij dacht aan die hooggeplaatste Russische vrouw, van wie zij pas gelezen had dat deze haar echtgenoot gevolgd was naar Siberië en zij dacht dat zij dit zelf ook zou doen. Zij zou hem volgen door ontbering en ellende, tot in “de schaduwen des doods”. In hare hooge stemming hield zij er van versregels of bekende uitdrukkingen uit gewijde literatuur zacht bijzichzelf op te zeggen, uitdrukkingen, die zij zich van vroeger herinnerde, maar waarvan zij nu pas recht al de diepte en schoonheid begreep. Alle hadden zij betrekking op Huug, op hare koning, haar afgod! Zoolang zij elkander zóó liefhadden, welk leed kon hen dan treffen: slechts de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, gelijk de bijbeltekst zeide. Zoolang dat zalige gevoel van vereering haar hart vervulde, zoolang zij met geheel hare ziel dien man aanhing, hem haar leven wijdde, een leven van stille, maar diepe vereering, omgaf haar een pantser, dat haar tegen ieder leed beveiligde. Zij was niet godsdienstig opgevoed, maar zij begreep nu volkomen het geluk, dat geloof, liefde en vertrouwen in een aangebeden godheid den mensch kunnen schenken; zij begreep den drang, die in oude tijden de menschen zich had doen werpen onder de alles verpletterende wielen van den wagen des Gods, dien zij liefhadden; zij begreep de doodsverachting der martelaren en de zelfontzeggingder kloosterlingen.Vereering—zoo heette de sleutel tot al die raadselen, en die zaligmakende kracht was ook in hare ziel gekomen en vervulde er alles met gouden glans.
Nu was haar ideaal werkelijkheid geworden: zijn kleine schildwacht was zij; van den morgen tot den avond mocht zij waken over zijn geluk. Des morgens omgaf zij hem met duizend teedere oplettendheden; niemand mocht ooit die kleine zorgen en bezigheidjes van haar overnemen. Des middags ontving zij bezoeken om zijnentwil of legde ze af, bij allerlei vreemde menschen, die haar volkomen onverschillig waren, maar aan wie zij door haar stralend gezichtje steeds de overtuiging gaf dat hij “de beste man der wereld” was, gelijk zij hem werkelijk soms in intiemer kring ook lachend noemde, wanneer de stroom van zoete gedachten haar te machtig werd en uitmoestbarsten, ondanks haarzelf. En des avonds vulde haar salon zich met bezoekers—o, zoo vermoeiend soms!—maar heerlijk tochook, als zij zag hoe hij genoot; als zijn blik dwaalde langs de smaakvol versierde wanden of op háár bleef rusten, zooals ze daar zat, slank en bevallig, achter haar theegoed, dat zij zoo aardig hanteerde. Nooit, zoolang zijne moeder van hem was heengegaan, had hij zich zootehuisgevoeld; nooit was hij omringd geweest van zooveel oplettendheid.
En hoe graag ging hij met haar uit! Zij was zoo mooi, dat de menschen op straat bleven stilstaan om haar na te zien; het was als straalde er licht van haar af, als omgaf een aureool dat reine, lieve kindergelaat, en menig dof oog verhelderde, menige in bitterheid saamgenepen mond ontspande zich tot een glimlach, als zooveel geluk voorbijging.
Ha, daar kwam hij! Hunne blikken kruisten elkaar als gouden stralen.
Bij de deur wachtte zij hem op. Een lange kus, een wisseling van teedere, zoete woordjes.... zij waren nog even dwaas verliefd als in hun kort engagement.
“Wachtte je op me?” vroeg hij.
“Ja,” antwoordde zij glimlachend. “Je weet wel: als je weg ben, wacht ik altijd op je. Dan leef ik maar half.—Kom, doe nu gauw dat vervelende paradepak uit, dan ben je meer op je gemak.”
“En de receptie bij den kolonel dan?”
Een uitdrukking van groote teleurstelling kwam over haar opgewekt gezichtje.
“O, die had ik vergeten.... Hè, hoe saai!”
“Ik kwam maar eens even naar je kijken. Ik geloof dat ik ook alweer verlangde,” en toen glimlachten zij elkaar toe.
“Maar er is niets aan te doen,” hervatte zij dapper. “Ga maar gauw. Het kan vlug afloopen, niet?”
“Een uur gaat er spoedig mee heen,” zeide hij haar vertroostend op het voorhoofd kussend.
“Neem een rijtuig, Huug. Kijk, het begint te sneeuwen.”
“Ja, wees maar niet bezorgd, kleintje.”
Hij behandelde haar met een teederheid, die een reus voor een kind zou aan den dag leggen, maar het was een eerbiedigeteederheid. Hij gevoelde haar louterenden invloed op zijn zieleleven, hoewel dan ook onbewust uitgeoefend, en was er dankbaar voor. Hij wist het: wat zij in hem zag, was hij nog niet, maar meer en meer wilde hij het worden. Hij vorderde: hij won krachten en de tijd zou komen, wanneer hij haar waardig zouzijn.
Soms, als hij haar toefluisterde hoe lief hij haar had, voelde hij plotseling tranen in zijne oogen wellen—van overstelpend geluk. Want zijne liefde, vroeger zoo vol zelfzucht, had zich gewijzigd tot dat vurig verlangen, alle ware liefde eigen: het beminde voorwerp te beschermen en veilig door het leven te doen gaan, geschraagd door zijne kracht, beschut door zijne armen....
“Adieu, lieveling!”
Het laatste, wat hij van haar zag, was haar blozend, lief gezichtje, dat hem achter de groote spiegelruit vriendelijk toelachte, tot de sneeuwvlokken haar voor hem onzichtbaar maakten.
XI.In eenzaamheid bleef zij achter, die liefelijke eenzaamheid van een weelderig salon, waarvan ieder meubeltje slechts zoete herinneringen wakker roept, waar een knappend vuur gezelligheid brengt en de droomerige tik der pendule tot aangename overpeinzingen stemt.Hugo’s portret was er ook; dat had zij zoo gewild. En boven in haar boudoirtje hing zijne buste levensgroot, haar glimlachend aanziende. Dikwijls in zijne afwezigheid had zij uit verlangen naar dat gelaat haar handwerkje of boek neergelegd en was naar boven gesneld om het te beschouwen.In de straat werd het stiller, naarmate de sneeuwvlokken dichter begonnen te vallen. Nu en dan blies een gure windvlaag ze tegen het venster, maar zij keek er glimlachend naar met een zalig gevoel van veiligheid. In háár warm, gezellig nestje, zoo zeide zij zacht, kon geen windvlaag of sneeuwvlok doordringen.Maar iets anders kon daar binnenkomen, kouder en verstijvender dan de Noordenwind; iets, wat haar warm bloed verkillen en haar warm hart met een ijskorst omgeven zou: iets, wat met één slag alle jeugdige geluksbloesems zou doen verdorren: het noodlot;—het noodlot, dat de schuld en de zwakheid der mannen wreekt aan jonge, reine, gelukkige schepselen, die zich vertrouwend aan hen overgaven. Hugo Freeze, die gemeend had het verleden te kunnen afschudden als het stof van zijne zolen, zou gevoelen dat het zich als een slang gekronkeld had om zijn voet en met hem gaan zou, het lange leven door, waar hij ging.En terwijl Renée, mijmerend over haar geluk, als een tevreden kind de reusachtige sneeuwvlokken met het oog volgde of de figuren bewonderde, die zij er in kon waarnemen, als zij tegen het glas bleven kleven, naderde het noodlot, stil maar zeker. Reeds was het in de naaste straat...., het kwam dichter, altijd dichter.Nu had het haar huis gevonden; het was op haar drempel....De schel klonk door de gang, brutaal en bevelend.“Mevrouw,” zeide Frederik de oppasser, “daar is een vrouw om u te spreken. Zij zegt dat zij niet weg zal gaan, vóór zij u gesproken heeft, en.... het is misschien beter dat u maar gaat, dan dat ze.... schandaal maakt,” voegde hij er zacht bij.Renée rees haastig op.“Maar ik wil haar immers wel spreken, Frederik”, antwoordde zij met zacht verwijt. “Je moogt in deze koude geen enkelen arme wegzenden.”Frederik’s gezicht had een zeer bekommerde, bijna ontroerde uitdrukking, maar hij zeide niets meer en liet zijne mevrouw voorbijgaan.Rustig ging zij de trap af, die naar het portaal leidde, denkende hoe wreed de winter is voor de armen. Toen echter haar oog op de vrouw viel, die haar achter de glazen tochtdeur stond op te wachten, lietzij haastig hare goedgevulde portemonnaie weer in haar zak glijden en bleef, als door den bliksem getroffen, een oogenblik roerloos staan. Een rilling ging door al hare leden en zij gevoelde haar gelaat koud worden, als verbleekte zij.Maar snel herwon zij hare zelfbeheersching en trad vooruit.Zij wist nauwkeurig waar zij dat gelaat nog eens gezien had en herinnerde zich den vreeselijken lach, die haar zoozeer gepijnigd had. Nu echter lachten die oogen niet; zij fonkelden haar tegen als gloeiende kolen, vol haat wegens meerdere rechten, vol afgunst wegens meerderen rijkdom, vol zegepralenden wraaklust wegens teleurgestelde hoop, en vol woede wegens de reine schoonheid, de kalme waardigheid, die zij aanschouwden.Een oogenblik stonden zij zwijgend tegenover elkaar, als overstelpt door eigen aandoeningen, die nooit een vrouw machtiger overweldigen dan wanneer het hare liefde geldt, en Frederik, die achter zijne mevrouwwas aangekomen om naar het sousterrain terug te keeren, zeide later dat het was geweest of er een engel en een duivelin tegenover elkander hadden gestaan.Toen klonk Renée’s bevende stem: “U wilt mij spreken, juffrouw? Kom even met uwe kindertjes in het spreekkamertje.”Want de jonge vrouw had twee kinderen bij zich, een knaapje van twee jaar en een kleintje van weinige weken.Renée’s blik bleef op het gezichtje van het jongentje staren; aan wien herinnerde het haar toch met zijne donkere oogen en eigenaardigen wenkbrauwboog?Toen traden zij het spreekkamertje binnen en de deur sloot zich achter hen.—-Een half uur later trad de vrouw weer naar buiten; een glimlach van voldoening over gestilde hebzucht lag om hare lippen en over gestilde wraakzucht tevens; vergeten was zij, maar gewroken ook....!En daar binnen stond Renée, roerloos, versteend. Zij staarde recht voor zich uit, minuten lang, met vaalbleek gelaat enonbeweeglijken blik. Maar in haar hart was een storm, een orkaan, welks koude adem dat gloeiende, hartstochtelijk liefhebbende hart tot een klomp ijs verstijfde.In haar stierf langzaam het schoone jonge leven weg; hare liefde, haar geluk, haar verleden, hare toekomstidealen, één voor één stierven zij weg, als bloemen voor de zeis des maaiers.Met dien starenden blik schouwde zij in een afgrond, waarvan zij nauwelijks het bestaan had vermoed; en op den bodem van dien afgrond zag zij haar koning, haar god, zich wentelend in het slijk, hem, dien zij smetteloos gewaand had als zichzelf.Geld had die vrouw gevraagd, geld voor.... o God, voorzijnekinderen! En de waarheid harer woorden lag die kleinen in het gezicht geschreven. Dat kind van enkele weken—het was onbewust zoo wreed geweest, het had haar de ziel verscheurd.De stem van een der dienstboden in het sousterrain deed haar opschrikken en zijbegreep hier niet zoo te kunnen blijven.Was zij nog dezelfde Renée van straks?—Neen, de kleine, gelukkige Renée, die zich als een koningin gevoeld had in haar huis, als een gezegende onder de stervelingen, was dood; zij zou nimmer terugkeeren, nimmer, nimmermeer.Nu sloop daar een vreemde de trap op, een verguisde en bedrogen vrouw, ging de slaapkamer door en verdween in het kleine vertrekje daarnaast: haar boudoir.Daar sloot zij de deur, nauwkeurig en schijnbaar kalm, altijd met die starende oogen en dat bleek gelaat; deed toen enkele stappen vooruit en bleef staan leunen tegen het hoofdeinde van de rustbank, juist zooals zij beneden gestaan had, bewegingloos, gevoelloos.De schaduwen vielen dichter; buiten werd het stiller en stiller; beneden in de eetkamer klonk het bezige gedruisch van het tafeldekken. Maar zij bemerkte het niet.Eens klonk het vreemd en hard door het stille vertrekje: “Hij was slecht,slecht!”en toen weer dat vreeselijk staren, dat opgaan in een enkele verpletterende gedachte, waarbij het lichaam niet meer gevoeld wordt en de mensch slechts geest is geworden.Op eens ontwelde daar een kermende kreet aan hare lippen; zij wierp zich bij de sofa neer, het gelaat in de handen verbergend, het hoofd diep, diep neerdrukkend in de fluweelen kussens. Toch weende zij niet. Zij steunde slechts zacht, zacht en klagend, altijd weer hetzelfde geluid.Telkens viel daar weer een andere gedachte in hare ziel, een gedachte als een dolkmes, die haar kermen deed van pijn. Herinneringen, ontdekkingen, gevolgtrekkingen.... o, hoeveel begreep zij nu op eens! Hoe zag zij alles in een ander licht; hoe voelde zij zich misleid en bedrogen! Duizend kleinigheden, eerst niet door haar opgemerkt of overdacht, voegden zich nu samen tot een lange reeks van bewijzen en beschuldigingen.Met krampachtigen greep vatte zij haarhoofd, zoodat de golvende haren losraakten en de sidderende gestalte omhulden; en toen zij het bemerkte, deed het haar goed. Zich verbergen, onzichtbaar worden.... voor de meiden, voor hare kennissen, voor de wereld.... Er was iets belachelijks aan haar, iets schandelijks!.... De menschen zouden er naar wijzen.... Iets bespottelijks was het en toch iets vreeselijks, en alle menschen zouden haar belachen, haar beklagen,.... O weg, weg!Zij sprong op als om te vluchten, toen haar blik op het portret van haar man viel, dat haar glimlachend aanzag.Toen hoorden de meiden beneden, uit het boudoir een wilden lach, een lach, als van een waanzinnige, kort en luid en vreemd, die echter spoedig weer door diepe stilte gevolgd werd....Zij staarde op dat fraaie, lachende mannengelaat, waarin zij nu plotseling zwakheid en karakterloosheid las. Hare lippen krulden zich minachtend, haar blik nam een uitdrukking van afkeer aan, het jonge gezichtjewas op eens dat eener vrouw, eener diep beleedigde vrouw.Langzamerhand werd die blik zachter, maar geen verzoening sprak er uit; medelijden slechtsen.... een lang, een eeuwig vaarwel; een afscheidsgroet tegelijk aan den man, dien zij had bemind, en aan den zwakkeling, dien zij niet beminnen, niet meer toebehoorenkon; een vrijwillige, eeuwige scheiding van de reine vrouw aan den verachtelijken slaaf zijner lusten. Ach, nog iets anders, iets oneindig wreeders dan de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, maar dááraan had zij nooit gedacht....!“O, Huug,” fluisterde zij, dicht voor het portret tredend, “hoe lief heb ik je gehad! Hoe heb ik je aangebeden! Ik geloofde in je.... Ik wist niets van die vuile, walgelijke wereld, waarin de mannen leven. Ik zag het leven, zooals het werkelijk is, niet, zooals het door de ellendelingetjes, die zich mannen noemen, is ontheiligd en verlaagd. Je staat daar rechtop tegenover mij, netjesaangekleed in je uniform met goudgalon en blinkende knoopen, maar geen mannenhart slaat daarachter. Ik veracht je,.... ikkanniet anders, en dat ik je verachten moet, doodt mij.”Weer kreunde zij zacht en wendde het gelaat van die eens zoo beminde trekken.Het was haar als bestond zij niet meer; de vroegere Renée was verdwenen; haar geest was reeds gestorven in haar, alleen dat rampzalig lichaam stond daar nog, dat maar niet zoo spoedig sterven wilde als de ziel.En weg wilde zij toch, naar lichaam en geest, weg, ver weg, naar een toevluchtsoord, waarheen niemand haar volgen kon en vanwaar geen wreede, menschelijke wet de beleedigde vrouw tot terugkeer dwingen kan.En zij dacht er over, kalm, volkomen onverschillig, hoe zij het jonge, sterke leven in haar vernietigen zou.... Dat gehate, bloeiende lichaam, dat nergens meer toe diende, het moest weg; dat kloppende, eens zoo gloeiende hart moest dood; het wasimmers toch maar een bedrogen, misleid hart. Als zij nog vier en twintig uren leven moest, zou zij krankzinnig zijn. Misschien was zij het reeds; zij wist het zelf niet recht. Het kon haar ook niet schelen.... Als zij maar inslapen kon—voor altijd!Haar afgod was van zijn voetstuk gevallen en had in zijn val haar hart verbrijzeld. Nimmer, nimmer kon hij weer opgericht worden.“Ha, ha!” zeide zij overluid en hare eigene stem klonk haar vreemd in de ooren, “zelf de scherven aaneenlijmen en dan mijzelf en anderen wijsmaken dat dit nu weer....!Hare woorden eindigden in een vlijmenden spotlach.Eens had zij gevoeld altijd meer vrouw dan wereldlinge te zullen zijn, en zoo zeide zij nu ook tot zichzelf dat zij niet behoorde tot de vrouwen, die kunnen voortleven met een ongeneeslijke wonde in het hart; wier lichaam nog altijd rondloopt en werktuiglijk zijne plichten vervult, terwijl de ziel reeds gestorven is in haar, lang geleden reeds,toen haar liefde en vertrouwen gebroken werden, evenals de hare nu. Of ja, misschien zou zij er toe in staat zijn geweest ter wille eener moeder of van hulpelooze kinderen, maar.... zij had geen andere schatten, geen anderen rijkdom gehad dan hèm!Rustig keerde zij zich naar de deur en trad de slaapkamer binnen. Hier opende zij een kast en zag zoekend rond....Ja, daar in den hoek stond wat zij zocht. Hij had haar dikwerf gewaarschuwd het nooit te verzetten, opdat het niet verward zou worden met een der fleschjes op de toilettafel.Nu nam zij het in handen en las het opschrift. Enkele druppels waren voldoende om een sterken man den slaap te bezorgen, dien hij soms vruchteloos zocht, en met wreed genot mat zij den inhoud met de oogen. Het waren zeker wel honderd droppels.... ja, zeker wel honderd! En als een schat drukte zij het kleine voorwerp tegen hare borst, trad er het boudoir mede binnen en sloot de deur achter zich.Een kwartier later stak Hugo Freeze den sleutel in zijne huisdeur.Hij kwam fluitend de trap op, verlangend zijn paradepakje uit te doen. Maar eerst wilde hij rondzien naar Renée. Een blik in het salon—neen, zij was daar niet.Toen hij zich omkeerde, om haar elders te zoeken, trad Frederik hem in den weg, sloeg aan met neergeslagen oogen en vroeg aarzelend of hij mijnheer even spreken mocht.“Spreek op!” klonk het ongeduldig antwoord.Toen daalde Frederik’s stem tot gefluister en toen hij had uitgesproken, was het gelaat van zijn meester doodsbleek.“Dank je—je bent een beste kerel, hoor! Ik zal aan je denken,” zeide hij ontroerd, hem de hand reikende: en toen, nauwelijks in staat zich goed te houden, verdween hij in de slaapkamer.Goddank—zij was hier niet. Waarschijnlijk was zij in het boudoir. Hij zou zich stilhouden, want haar onder de oogentreden kon hij nog niet. Eerst moest hij zich herstellen en dan wilde hij tot haar gaan en haar vergeving vragen;.... haar zeggen hoe lief hij haar toch had, hoe haar invloed reeds een ander, een beter mensch van hem gemaakt had.... Hij zou zichzelf beschuldigen en vrijpleiten tegelijk.Maar dan dacht hij weer aan die reine kinderoogen vol geloof en vertrouwen.... en hij deinsde voor een ontmoeting terug....O God, dat dit nu had moeten gebeuren!Hij zat maar roerloos, schrijlings op een stoel neergevallen, de armen over de leuning en het gelaat in de handen geborgen.... Zou zij in het boudoir zijn?Hij luisterde geruimen tijd.Geen geluid.Hij ging naar de deur, aarzelde weder in zijn bewustzijn van schuld, trad weer nader en moed vattende, zeide hij smeekend: “Renée!”Maar geen antwoord volgde.Toen opende hij de deur en daar, neergezonken op de rustbank, half verborgen inhare fraaie lokken, lag haar slank meisjesfiguur. Was zij ingesluimerd?In de schemering kon hij haar gelaat slechts flauw onderscheiden, maar hij trad nader en knielde bij haar, zijn gelaat aan hare borst verbergend en verwachtende dat zij ontwaken zou.Maar zij bewoog zich niet.“Renée—lieveling?”Hij wilde hare hand vatten.... Maar wat hield zij er mede omklemd?Een kreet onsnapte hem, een ijskoude rilling ging hem van het hoofd tot de voeten.Hij zag haar oplettend aan.... En toen hij in dat doode, welbeminde gelaat zag, toen begreep hij plotseling dat het nooit weer in vertrouwende liefde aan zijne borst zou rusten; dat hij nimmer, nimmermeer, ondanks boete en rouw, het zoete: “Huug, ik heb je zoo lief!” van hare lippen zou hooren; dat een vreeselijk “te laat!” op die dierbare trekken geschreven stond.Op eens, als door waanzin bevangen,riep hij op hartverscheurenden toon, die van de diepste zielesmart getuigde:“Renée, Renée!.... Mijn vrouwtje!.... Word wakker? Geef antwoord!.... Zeg me dat je leeft.... O, spreek toch, spreek toch!”Maar zijne stem kon haar niet meer bereiken. De kleine schildwacht had haar post verlaten.
In eenzaamheid bleef zij achter, die liefelijke eenzaamheid van een weelderig salon, waarvan ieder meubeltje slechts zoete herinneringen wakker roept, waar een knappend vuur gezelligheid brengt en de droomerige tik der pendule tot aangename overpeinzingen stemt.
Hugo’s portret was er ook; dat had zij zoo gewild. En boven in haar boudoirtje hing zijne buste levensgroot, haar glimlachend aanziende. Dikwijls in zijne afwezigheid had zij uit verlangen naar dat gelaat haar handwerkje of boek neergelegd en was naar boven gesneld om het te beschouwen.
In de straat werd het stiller, naarmate de sneeuwvlokken dichter begonnen te vallen. Nu en dan blies een gure windvlaag ze tegen het venster, maar zij keek er glimlachend naar met een zalig gevoel van veiligheid. In háár warm, gezellig nestje, zoo zeide zij zacht, kon geen windvlaag of sneeuwvlok doordringen.
Maar iets anders kon daar binnenkomen, kouder en verstijvender dan de Noordenwind; iets, wat haar warm bloed verkillen en haar warm hart met een ijskorst omgeven zou: iets, wat met één slag alle jeugdige geluksbloesems zou doen verdorren: het noodlot;—het noodlot, dat de schuld en de zwakheid der mannen wreekt aan jonge, reine, gelukkige schepselen, die zich vertrouwend aan hen overgaven. Hugo Freeze, die gemeend had het verleden te kunnen afschudden als het stof van zijne zolen, zou gevoelen dat het zich als een slang gekronkeld had om zijn voet en met hem gaan zou, het lange leven door, waar hij ging.
En terwijl Renée, mijmerend over haar geluk, als een tevreden kind de reusachtige sneeuwvlokken met het oog volgde of de figuren bewonderde, die zij er in kon waarnemen, als zij tegen het glas bleven kleven, naderde het noodlot, stil maar zeker. Reeds was het in de naaste straat...., het kwam dichter, altijd dichter.
Nu had het haar huis gevonden; het was op haar drempel....
De schel klonk door de gang, brutaal en bevelend.
“Mevrouw,” zeide Frederik de oppasser, “daar is een vrouw om u te spreken. Zij zegt dat zij niet weg zal gaan, vóór zij u gesproken heeft, en.... het is misschien beter dat u maar gaat, dan dat ze.... schandaal maakt,” voegde hij er zacht bij.
Renée rees haastig op.
“Maar ik wil haar immers wel spreken, Frederik”, antwoordde zij met zacht verwijt. “Je moogt in deze koude geen enkelen arme wegzenden.”
Frederik’s gezicht had een zeer bekommerde, bijna ontroerde uitdrukking, maar hij zeide niets meer en liet zijne mevrouw voorbijgaan.
Rustig ging zij de trap af, die naar het portaal leidde, denkende hoe wreed de winter is voor de armen. Toen echter haar oog op de vrouw viel, die haar achter de glazen tochtdeur stond op te wachten, lietzij haastig hare goedgevulde portemonnaie weer in haar zak glijden en bleef, als door den bliksem getroffen, een oogenblik roerloos staan. Een rilling ging door al hare leden en zij gevoelde haar gelaat koud worden, als verbleekte zij.
Maar snel herwon zij hare zelfbeheersching en trad vooruit.
Zij wist nauwkeurig waar zij dat gelaat nog eens gezien had en herinnerde zich den vreeselijken lach, die haar zoozeer gepijnigd had. Nu echter lachten die oogen niet; zij fonkelden haar tegen als gloeiende kolen, vol haat wegens meerdere rechten, vol afgunst wegens meerderen rijkdom, vol zegepralenden wraaklust wegens teleurgestelde hoop, en vol woede wegens de reine schoonheid, de kalme waardigheid, die zij aanschouwden.
Een oogenblik stonden zij zwijgend tegenover elkaar, als overstelpt door eigen aandoeningen, die nooit een vrouw machtiger overweldigen dan wanneer het hare liefde geldt, en Frederik, die achter zijne mevrouwwas aangekomen om naar het sousterrain terug te keeren, zeide later dat het was geweest of er een engel en een duivelin tegenover elkander hadden gestaan.
Toen klonk Renée’s bevende stem: “U wilt mij spreken, juffrouw? Kom even met uwe kindertjes in het spreekkamertje.”
Want de jonge vrouw had twee kinderen bij zich, een knaapje van twee jaar en een kleintje van weinige weken.
Renée’s blik bleef op het gezichtje van het jongentje staren; aan wien herinnerde het haar toch met zijne donkere oogen en eigenaardigen wenkbrauwboog?
Toen traden zij het spreekkamertje binnen en de deur sloot zich achter hen.—-
Een half uur later trad de vrouw weer naar buiten; een glimlach van voldoening over gestilde hebzucht lag om hare lippen en over gestilde wraakzucht tevens; vergeten was zij, maar gewroken ook....!
En daar binnen stond Renée, roerloos, versteend. Zij staarde recht voor zich uit, minuten lang, met vaalbleek gelaat enonbeweeglijken blik. Maar in haar hart was een storm, een orkaan, welks koude adem dat gloeiende, hartstochtelijk liefhebbende hart tot een klomp ijs verstijfde.
In haar stierf langzaam het schoone jonge leven weg; hare liefde, haar geluk, haar verleden, hare toekomstidealen, één voor één stierven zij weg, als bloemen voor de zeis des maaiers.
Met dien starenden blik schouwde zij in een afgrond, waarvan zij nauwelijks het bestaan had vermoed; en op den bodem van dien afgrond zag zij haar koning, haar god, zich wentelend in het slijk, hem, dien zij smetteloos gewaand had als zichzelf.
Geld had die vrouw gevraagd, geld voor.... o God, voorzijnekinderen! En de waarheid harer woorden lag die kleinen in het gezicht geschreven. Dat kind van enkele weken—het was onbewust zoo wreed geweest, het had haar de ziel verscheurd.
De stem van een der dienstboden in het sousterrain deed haar opschrikken en zijbegreep hier niet zoo te kunnen blijven.
Was zij nog dezelfde Renée van straks?—Neen, de kleine, gelukkige Renée, die zich als een koningin gevoeld had in haar huis, als een gezegende onder de stervelingen, was dood; zij zou nimmer terugkeeren, nimmer, nimmermeer.
Nu sloop daar een vreemde de trap op, een verguisde en bedrogen vrouw, ging de slaapkamer door en verdween in het kleine vertrekje daarnaast: haar boudoir.
Daar sloot zij de deur, nauwkeurig en schijnbaar kalm, altijd met die starende oogen en dat bleek gelaat; deed toen enkele stappen vooruit en bleef staan leunen tegen het hoofdeinde van de rustbank, juist zooals zij beneden gestaan had, bewegingloos, gevoelloos.
De schaduwen vielen dichter; buiten werd het stiller en stiller; beneden in de eetkamer klonk het bezige gedruisch van het tafeldekken. Maar zij bemerkte het niet.
Eens klonk het vreemd en hard door het stille vertrekje: “Hij was slecht,slecht!”en toen weer dat vreeselijk staren, dat opgaan in een enkele verpletterende gedachte, waarbij het lichaam niet meer gevoeld wordt en de mensch slechts geest is geworden.
Op eens ontwelde daar een kermende kreet aan hare lippen; zij wierp zich bij de sofa neer, het gelaat in de handen verbergend, het hoofd diep, diep neerdrukkend in de fluweelen kussens. Toch weende zij niet. Zij steunde slechts zacht, zacht en klagend, altijd weer hetzelfde geluid.
Telkens viel daar weer een andere gedachte in hare ziel, een gedachte als een dolkmes, die haar kermen deed van pijn. Herinneringen, ontdekkingen, gevolgtrekkingen.... o, hoeveel begreep zij nu op eens! Hoe zag zij alles in een ander licht; hoe voelde zij zich misleid en bedrogen! Duizend kleinigheden, eerst niet door haar opgemerkt of overdacht, voegden zich nu samen tot een lange reeks van bewijzen en beschuldigingen.
Met krampachtigen greep vatte zij haarhoofd, zoodat de golvende haren losraakten en de sidderende gestalte omhulden; en toen zij het bemerkte, deed het haar goed. Zich verbergen, onzichtbaar worden.... voor de meiden, voor hare kennissen, voor de wereld.... Er was iets belachelijks aan haar, iets schandelijks!.... De menschen zouden er naar wijzen.... Iets bespottelijks was het en toch iets vreeselijks, en alle menschen zouden haar belachen, haar beklagen,.... O weg, weg!
Zij sprong op als om te vluchten, toen haar blik op het portret van haar man viel, dat haar glimlachend aanzag.
Toen hoorden de meiden beneden, uit het boudoir een wilden lach, een lach, als van een waanzinnige, kort en luid en vreemd, die echter spoedig weer door diepe stilte gevolgd werd....
Zij staarde op dat fraaie, lachende mannengelaat, waarin zij nu plotseling zwakheid en karakterloosheid las. Hare lippen krulden zich minachtend, haar blik nam een uitdrukking van afkeer aan, het jonge gezichtjewas op eens dat eener vrouw, eener diep beleedigde vrouw.
Langzamerhand werd die blik zachter, maar geen verzoening sprak er uit; medelijden slechtsen.... een lang, een eeuwig vaarwel; een afscheidsgroet tegelijk aan den man, dien zij had bemind, en aan den zwakkeling, dien zij niet beminnen, niet meer toebehoorenkon; een vrijwillige, eeuwige scheiding van de reine vrouw aan den verachtelijken slaaf zijner lusten. Ach, nog iets anders, iets oneindig wreeders dan de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, maar dááraan had zij nooit gedacht....!
“O, Huug,” fluisterde zij, dicht voor het portret tredend, “hoe lief heb ik je gehad! Hoe heb ik je aangebeden! Ik geloofde in je.... Ik wist niets van die vuile, walgelijke wereld, waarin de mannen leven. Ik zag het leven, zooals het werkelijk is, niet, zooals het door de ellendelingetjes, die zich mannen noemen, is ontheiligd en verlaagd. Je staat daar rechtop tegenover mij, netjesaangekleed in je uniform met goudgalon en blinkende knoopen, maar geen mannenhart slaat daarachter. Ik veracht je,.... ikkanniet anders, en dat ik je verachten moet, doodt mij.”
Weer kreunde zij zacht en wendde het gelaat van die eens zoo beminde trekken.
Het was haar als bestond zij niet meer; de vroegere Renée was verdwenen; haar geest was reeds gestorven in haar, alleen dat rampzalig lichaam stond daar nog, dat maar niet zoo spoedig sterven wilde als de ziel.
En weg wilde zij toch, naar lichaam en geest, weg, ver weg, naar een toevluchtsoord, waarheen niemand haar volgen kon en vanwaar geen wreede, menschelijke wet de beleedigde vrouw tot terugkeer dwingen kan.
En zij dacht er over, kalm, volkomen onverschillig, hoe zij het jonge, sterke leven in haar vernietigen zou.... Dat gehate, bloeiende lichaam, dat nergens meer toe diende, het moest weg; dat kloppende, eens zoo gloeiende hart moest dood; het wasimmers toch maar een bedrogen, misleid hart. Als zij nog vier en twintig uren leven moest, zou zij krankzinnig zijn. Misschien was zij het reeds; zij wist het zelf niet recht. Het kon haar ook niet schelen.... Als zij maar inslapen kon—voor altijd!
Haar afgod was van zijn voetstuk gevallen en had in zijn val haar hart verbrijzeld. Nimmer, nimmer kon hij weer opgericht worden.
“Ha, ha!” zeide zij overluid en hare eigene stem klonk haar vreemd in de ooren, “zelf de scherven aaneenlijmen en dan mijzelf en anderen wijsmaken dat dit nu weer....!
Hare woorden eindigden in een vlijmenden spotlach.
Eens had zij gevoeld altijd meer vrouw dan wereldlinge te zullen zijn, en zoo zeide zij nu ook tot zichzelf dat zij niet behoorde tot de vrouwen, die kunnen voortleven met een ongeneeslijke wonde in het hart; wier lichaam nog altijd rondloopt en werktuiglijk zijne plichten vervult, terwijl de ziel reeds gestorven is in haar, lang geleden reeds,toen haar liefde en vertrouwen gebroken werden, evenals de hare nu. Of ja, misschien zou zij er toe in staat zijn geweest ter wille eener moeder of van hulpelooze kinderen, maar.... zij had geen andere schatten, geen anderen rijkdom gehad dan hèm!
Rustig keerde zij zich naar de deur en trad de slaapkamer binnen. Hier opende zij een kast en zag zoekend rond....
Ja, daar in den hoek stond wat zij zocht. Hij had haar dikwerf gewaarschuwd het nooit te verzetten, opdat het niet verward zou worden met een der fleschjes op de toilettafel.
Nu nam zij het in handen en las het opschrift. Enkele druppels waren voldoende om een sterken man den slaap te bezorgen, dien hij soms vruchteloos zocht, en met wreed genot mat zij den inhoud met de oogen. Het waren zeker wel honderd droppels.... ja, zeker wel honderd! En als een schat drukte zij het kleine voorwerp tegen hare borst, trad er het boudoir mede binnen en sloot de deur achter zich.
Een kwartier later stak Hugo Freeze den sleutel in zijne huisdeur.
Hij kwam fluitend de trap op, verlangend zijn paradepakje uit te doen. Maar eerst wilde hij rondzien naar Renée. Een blik in het salon—neen, zij was daar niet.
Toen hij zich omkeerde, om haar elders te zoeken, trad Frederik hem in den weg, sloeg aan met neergeslagen oogen en vroeg aarzelend of hij mijnheer even spreken mocht.
“Spreek op!” klonk het ongeduldig antwoord.
Toen daalde Frederik’s stem tot gefluister en toen hij had uitgesproken, was het gelaat van zijn meester doodsbleek.
“Dank je—je bent een beste kerel, hoor! Ik zal aan je denken,” zeide hij ontroerd, hem de hand reikende: en toen, nauwelijks in staat zich goed te houden, verdween hij in de slaapkamer.
Goddank—zij was hier niet. Waarschijnlijk was zij in het boudoir. Hij zou zich stilhouden, want haar onder de oogentreden kon hij nog niet. Eerst moest hij zich herstellen en dan wilde hij tot haar gaan en haar vergeving vragen;.... haar zeggen hoe lief hij haar toch had, hoe haar invloed reeds een ander, een beter mensch van hem gemaakt had.... Hij zou zichzelf beschuldigen en vrijpleiten tegelijk.
Maar dan dacht hij weer aan die reine kinderoogen vol geloof en vertrouwen.... en hij deinsde voor een ontmoeting terug....
O God, dat dit nu had moeten gebeuren!
Hij zat maar roerloos, schrijlings op een stoel neergevallen, de armen over de leuning en het gelaat in de handen geborgen.... Zou zij in het boudoir zijn?
Hij luisterde geruimen tijd.
Geen geluid.
Hij ging naar de deur, aarzelde weder in zijn bewustzijn van schuld, trad weer nader en moed vattende, zeide hij smeekend: “Renée!”
Maar geen antwoord volgde.
Toen opende hij de deur en daar, neergezonken op de rustbank, half verborgen inhare fraaie lokken, lag haar slank meisjesfiguur. Was zij ingesluimerd?
In de schemering kon hij haar gelaat slechts flauw onderscheiden, maar hij trad nader en knielde bij haar, zijn gelaat aan hare borst verbergend en verwachtende dat zij ontwaken zou.
Maar zij bewoog zich niet.
“Renée—lieveling?”
Hij wilde hare hand vatten.... Maar wat hield zij er mede omklemd?
Een kreet onsnapte hem, een ijskoude rilling ging hem van het hoofd tot de voeten.
Hij zag haar oplettend aan.... En toen hij in dat doode, welbeminde gelaat zag, toen begreep hij plotseling dat het nooit weer in vertrouwende liefde aan zijne borst zou rusten; dat hij nimmer, nimmermeer, ondanks boete en rouw, het zoete: “Huug, ik heb je zoo lief!” van hare lippen zou hooren; dat een vreeselijk “te laat!” op die dierbare trekken geschreven stond.
Op eens, als door waanzin bevangen,riep hij op hartverscheurenden toon, die van de diepste zielesmart getuigde:
“Renée, Renée!.... Mijn vrouwtje!.... Word wakker? Geef antwoord!.... Zeg me dat je leeft.... O, spreek toch, spreek toch!”
Maar zijne stem kon haar niet meer bereiken. De kleine schildwacht had haar post verlaten.