LEVE DE KONINGIN.

Beste vriend!Gij verkeert in een gevaarlijken toestand, maar als gij mijn raad wilt opvolgen, zult gij herstellen. Gij hebt in uw ingewanden een gevaarlijk dier, een lintworm met zeven bekken; dit beest moet ik zelf in bedwang brengen en daarom moet gij bij mij komen.Maar in de eerste plaats moet ik uw melden: gij moogt niet rijden of varen, maar moet loopende hier heen komen, want anders zou het dier met zijn zeven bekken, even zoo vele darmen beschadigen.Ten tweede moet gij niet meer eten dan tweemaal daags een bordje groenten, des middags met een stukje vleesch en des avonds met een ei; verder, als gij opstaat, moogt ge een kop bouillon drinken. Eet gij meer, dan wordt de lintworm dagelijks grooter en drukt u de lever in.Ziehier mijn raad, en als gij dien niet opvolgt, zult gij het volgende jaar de koekoek niet meer hooren. Doet nu wat gij wilt.

Beste vriend!

Gij verkeert in een gevaarlijken toestand, maar als gij mijn raad wilt opvolgen, zult gij herstellen. Gij hebt in uw ingewanden een gevaarlijk dier, een lintworm met zeven bekken; dit beest moet ik zelf in bedwang brengen en daarom moet gij bij mij komen.

Maar in de eerste plaats moet ik uw melden: gij moogt niet rijden of varen, maar moet loopende hier heen komen, want anders zou het dier met zijn zeven bekken, even zoo vele darmen beschadigen.

Ten tweede moet gij niet meer eten dan tweemaal daags een bordje groenten, des middags met een stukje vleesch en des avonds met een ei; verder, als gij opstaat, moogt ge een kop bouillon drinken. Eet gij meer, dan wordt de lintworm dagelijks grooter en drukt u de lever in.

Ziehier mijn raad, en als gij dien niet opvolgt, zult gij het volgende jaar de koekoek niet meer hooren. Doet nu wat gij wilt.

Toen de zieke dit vonnis gelezen had, liet hij den volgenden morgen zijn schoenen poetsen en begaf zich volgens het voorschrift van den dokter op weg.

Den eersten dag kroop hij zoo langzaam over den weg, dat een slak hem wel hadkunnen bijhouden. Hij was niet in staat de voorbijgangers te groeten of voor een worm te wijken.

Den tweeden en derden dag kwam het hem voor dat de vogels liefelijker zongen dan vroeger, de dauw vond hij zoo aangenaam, de koornbloemen zoo prachtig rood, de menschen, die hem tegen kwamen, waren vroolijker en zelf gevoelde hij zich opgewekter.

Iederen morgen, als hij zijn logement verliet, vond hij de natuur schooner, en ging het wandelen gemakkelijker. En toen hij den achttienden dag ontwaakte in de stad waar de geneesheer woonde, was hij zoo volmaakt gezond, dat hij tegen zich zelve zeide: „Nu had ik toch nooit op ongelegener tijd zoo gezond kunnen zijn, als op het oogenblik dat ik bij den geneesheer zal komen. Als er nu maar iets was dat niet goed was; had ik nu maar pijn in het lijf of in het hoofd, maar ik ben volmaakt gezond.”

Toen hij bij den geneesheer kwam, nam deze hem bij de hand en zeide: „Vertel mij nu eens breedvoerig wat u scheelt.”

De zieke antwoordde: „Mijnheer de dokter, mij mankeert niets; als gij zoo gezondzijt als ik dan hebt gij redenen om tevreden te zijn.”

De geneesheer antwoordde: „Gij hebt wijs gehandeld met mijn raad op te volgen. De lintworm bestaat niet meer, maar zij heeft haar eieren nog achtergelaten; daarom moet gij weder te voet naar huis gaan, en dagelijks een uur lang hout zagen, zonder dat iemand het ziet en niet meer eten dan hoog noodig is, want anders ontwikkelen de eieren zich. Als gij op die manier leeft, kunt gij oud worden.”

De rijke vreemdeling antwoordde: „Ik begrijp u, dokter, gij hebt mij een goede les gegeven.”

Hij volgde den raad en stierf op 87jarigen leeftijd.

Een Engelschman zat reeds een half uur in een hoek van een koffiehuis in een Duitsch dorpje op een tandmeester te wachten; hij beet zich de tanden op elkander van ongeduld, want een dezer veroorzaakte hem geweldige pijn. Eensklaps trad er een pruikenmaker binnen en zette zich bij hem aan tafel neder. Het duurde niet lang of deze wilde een aardigheid hebben. Hij verbeeldde zich, dat de Engelschman niet heel vernuftig en daarbij een vreemdeling in het land was. Hij begon met hem een lang gesprek, waarop de Engelschman niet veel antwoord gaf. Hij hemelde Frankrijk hoog op, vertelde, dat het een buitengewoon rijk land was, en dat men een best paard hebben moest, wilde men het in drie en een half jaar doorrijden. Hij prees den koning en de koningin en riep: „Op hun gezondheid wil ik met u drinken!” Toen zij met elkander geklonken hadden, verscheurde de pruikenmaker de manchetten van zijn overhemd en zeide: „Leve de koningin!Gentleman, gij moet ook uw manchetten verscheuren op het welzijn van de koningin; ik heb ze ook verscheurd.”

„Loop heen,” riep de Engelschman, „gij hebt zeker een papieren overhemd. Het mijne is nieuw en komt pas van de naaister.”

De pruikenmaker herhaalde: „Mijnheer, ik versta geen tegenspraak, nogmaals verzoek ik u: verscheur uwe manchetten, of wij zullen vechten op leven of dood!” Wilde de Engelschman onaangenaamheden voorkomen, dan was hij genoodzaakt zijn manchetten te verscheuren. Hij voldeed aan het verlangen van den pruikenmaker en werd daarna zeer spraakzaam. Hij vertelde veel over Engeland en Londen, over den grooten kerktoren, en dat men buitengewoon goede oogen hebben moest, wilde men op de klok van den toren zien hoe laat het was. Hij vertelde altijd door, totdat eindelijk de tandmeester kwam. Toen de tandmeester binnen trad, en vroeg wat de vreemdeling van hem wilde, zeide de Engelschman: „Haal mij dien tand uit den mond, de derde, op het welzijn van de koningin van Engeland! Mijnheer,” zeide hij tot den pruikenmaker, „gij blijft daar zitten en verroer u niet.”—Toende tand getrokken was, zeide hij tegen den tandmeester: „Wees nu zoo goed en trek dezen heer ook den derden tand uit, op het welzijn van de koningin. Goede vriend,” vervolgde hij tot den pruikenmaker, „ik heb er mij een laten uittrekken, dus, gij moet dit insgelijks laten doen.”—Nu maakte de pruikenmaker geen gekheid, hij kreeg een kleur tot achter de ooren en riep: „Die zaak staat niet gelijk. Ziedaar, uw tand is hol, er kan wel een konijn door; de mijne zijn alle gaaf en ik kan er wel een breinaald mede doorbijten, ja, als gij wilt, zult gij zien dat ik er een geldstuk mede doorbijt,” doch de Engelschman luisterde niet naar deze redeneering. „Mijnheer,” antwoordde hij, „ik versta geen tegenspraak. Nogmaals: gij laat u de derde tand uittrekken, of wij vechten op leven of dood en ik doorboor u met dezen degen, totdat de punt in de deur steekt!” Toen dacht de pruikenmaker: „een tand—een leven—ik heb te huis negen kinderen, dus liever een tand missen.” Hij ging hierop bedaard zitten en liet zich een tand trekken.

De pruikenmaker en de Engelschman verlieten als goede vrienden het koffiehuis.

Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 7antwoordeantwoorddeBlz. 12[Niet in Bron.]„Blz. 12[Niet in Bron.]”Blz. 29[Niet in Bron.]”Blz. 30[Niet in Bron.]”Blz. 30GottholffGotthelffBlz. 31onverwachtteonverwachteBlz. 31”[Verwijderd.]Blz. 33[Niet in Bron.]”Blz. 34„[Verwijderd.]Blz. 35,[Verwijderd.]Blz. 35[Niet in Bron.]”Blz. 40[Niet in Bron.]”Blz. 41[Niet in Bron.]”Blz. 41?.Blz. 44vier-en-zevenstigstevier-en-zeventigsteBlz. 49vaargevaarBlz. 50duldedulddeBlz. 56[Niet in Bron.]”Blz. 58ooggetuiggeooggetuigeBlz. 63losttelosteBlz. 67[Niet in Bron.]”Blz. 71[Niet in Bron.]”Blz. 72[Niet in Bron.]”Blz. 75nieuwgierignieuwsgierigBlz. 93[Niet in Bron.]”Blz. 94”[Verwijderd.]

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext