Tiende hoofdstuk.

Tiende hoofdstuk.Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden te zijn, betreffende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven Cambyzes, en de verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen uit deze geschiedenis.Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucratis de tijding aangebracht, dat de satraap van Lydië, Oroetes, zijn ouden vijand Polycrates door list naar Sardes had gelokt, en hem had doen kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis betreffende het treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. De satraap had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden, die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden.Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te weerhouden in verzet of tot opstand te komen, zeer verzwakt. De geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde, deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl het bericht, dat hij uit louter overmoed duizenden landskinderen in de Ethiopische en Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hem bezielde, die door de machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot afval en openlijken opstand aanzette.De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die door Cambyzes tot stadhouder was aangesteld, plaatste zich aan het hoofd der beweging, met oogmerk zichzelven te verheffen en te bevoordeelen. Hij zocht het volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste, ziende hoe erkentelijk men wasvoor zijne zachtheid, door bedrog de Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Bartja, den zoon van Cyrus, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling, het besluit, Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te geven, en hem in de plaats van Cambyzes op den troon te zetten. Deze list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in al de provinciën van het land werden rondgezonden, met de boodschap, dat de jongere zoon van Cyrus, in spijt van het gerucht omtrent zijn dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend.De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea1, in de Medische vlakte, betrokken, zich de kroon op het hoofd gezet, den harem des konings voor den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs, verdeelde. Toen hij vasten grond onder de voeten meende te hebben, zond hij den eunuch Ixabates naar Egypte, met den last, om aan het leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval van Cambyzes en tot het omhelzen van Bartja’s partij over te halen, welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch bemind werd.De voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den nieuwen koning gewonnen, toen hij door eenige Syriërs, die op eene goede belooning hoopten, gevangengenomenen naar Memphis gebracht werd. In de pyramidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte was doorgedrongen, dat Bartja den troon van Cyrus had bestegen, en reeds door het grootste deel van het rijk erkend was geworden.Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het graf ziet opstaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongelukkigen Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had.Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelf den nieuwen koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige misverstand van vroeger, dat door de treffende gelijkenis van Gaumata op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer, dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs.Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaemenide, werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te nemen op den trouwloozen stadhouder, gunde de koning zich geene rust, en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk te kwetsen2. Nadat hij dagen lang bewusteloos had neêrgelegen, sloeg hij de oogen op, en verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijkAtossa te zien, ofschoon deze drie reeds voor maanden waren afgereisd. Uit al zijne woorden bleek, dat hij de laatste vier jaren, sedert het begin dier heftige koortsen, tot op het oogenblik zijner verwonding, als in een diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uit dien tijd verhaalde, was hem geheel nieuw, en vervulde hem met groote smart. Alleen van den dood zijns broeders bleek hij kennis te dragen. Hij wist, dat Prexaspes dezen, op zijn bevel, vermoord en hem gezegd had, dat Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag.—In den nacht die volgde op dit ontwaken, werd het hem zelven duidelijk, dat hij langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen viel hij in een gerusten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dezen hem uitvoerig mede te deelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had.De grijze raadsman voldeed aan ’s konings verlangen, en verzweeg hem geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne blijdschap was daarom dubbel groot, toen hij bemerkte, dat zijne woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den koning. Met tranen in de oogen verklaarde deze, dat zijne euveldaden hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis, dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen.De eerbiedwaardige Lydiër weende tranen van vreugde, en hield niet op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd, en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen, zijne legerstede op eene hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel, niettegenstaande de geneesheeren zich hiertegen verzetten, was voldaan, liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende:»Het is thans tijd, Perzen, dat ik u mijn grootste geheim openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven hem te vermoorden. Prexaspes heeft, op mijn uitdrukkelijk bevel, de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze stervensure voor mij zoo vreeselijk maakt.—Deze bekentenis moge u overtuigen, dat mijnbroeder Bartja niet meer onder de levenden is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester gemaakt. Aan hun hoofd staan de, door mij tot stadhouder aangestelde opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intaphernes en mijn oom, de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij door de magiërs aangedanen hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet in het leven terugroepen en daarom benoem ik ulieden tot uitvoerders van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich door list van de kroon meester gemaakt, zoekt die hun dan door list wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd, ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal ieder Pers even rampzalig aan zijn einde komen als ik!”Toen de Achaemeniden den koning na deze woorden zagen weenen en uitgeput nederzijgen, scheurden zij hunne kleederen en hieven een klaaggeschrei aan. Weinige uren later gaf Cambyzes in de armen van Cresus den geest. In zijne laatste oogenblikken dacht hij aan Nitetis, en hij stierf met haar naam op de lippen, en met tranen van berouw in de oogen3.Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er voor neder, en riep, zijne hand ten hemel heffende: »Groote Cyrus! Ik heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!”Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde, als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden, door al zijne tijdgenooten geprezen.Na den dood van Cambyzes hielden de hoofden van de zevenPerzische stammen4te zamen raad, en besloten zich vóor alle dingen zekerheid te verschaffen, omtrent den persoon van den overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den geheelen te Nisaea achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de gunstige gelegenheid aangrepen, om na eene veeljarige afwezigheid tot hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de eunuch, die met smart verwacht werd, terug, aan Otanes de volgende boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der eunuchen, en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van Suza ontmoet, en hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag.”—Ten slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk te stellen, om den magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen.Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime’s tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betreffende den persoon des overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list of geweld de kroon te ontrukken.Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waren binnengetrokken, en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den tuin leiden, hieldenzich in hun paleis verborgen, verzamelden in de vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden, en zetten hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bartja’s bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken, of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle Perzen hoog aangeschreven, en kon dus door te verzekeren, dat hij Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht betreffende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet Oropastes den gezant, die sedert ’s konings mededeeling door zijns gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en bood hem eene ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen, en aan het in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even met eigen oogen den nieuwen koning had gezien, en in hem den jongeren zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener, wedergevonden en herkend had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam, terwijl zich het volk in het voorhof opeenhoopte, een teeder afscheid van de zijnen, zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en begaf zich dan met fieren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op weg daarheen ontmoette hij de hoofden van de zeven stammen. Toen hij zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe: »Ik verdien uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergiffenis te verwerven!”Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe, vatte zijne hand, en zeide: »Ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken, gevleugelde Darius!”Daarop beklom hij met trotsche houding den hoogen toren. De duizenden burgers uit Nisaea verstonden hem woord voor woord, toen hij, zijn stem zooveel hij kon uitzettende, het volgende sprak: »Gij allen weet, dat de koningen, die tot dusver roem en eer over u hebben gebracht, tot het geslacht der Achaemeniden behoorden. Cyrus regeerde over u als een billijk vader, Cambyzes als een streng gebieder, en Bartja zou u, als een bruidegom zijne bruid, hebben geleid, zoo hij niet door deze mijne eigene hand aan den oever der Roode Zee verslagen was geworden. Deze schandelijke daad, die ik, bij Mithra, met een bloedend hart pleegde, volbracht ik, als een gehoorzaam onderdaan, overeenkomstig het bevel van mijn heer en koning. Toch kon ik bij dag noch nacht rust vinden. Als het opgejaagde wild werd ik, vier jaren lang, door de geesten der duisternis, die den slaap van het leger eens moordenaars verdrijven, vervolgd en gemarteld. Thans echter heb ik het besluitgenomen, dat leven vol angst en vertwijfeling met eene goede daad te besluiten. Zal ik ook aan de brug Chinvat5geene genade vinden, toch hoop ik mij bij de menschen den naam van een braaf man weder waardig te maken, dien ik eens verbeurde. Weet dan, dat hij, die zich voor den zoon van Cyrus uitgeeft, mij op dezen toren zond, en eene groote belooning toezeide, als ik u bedriegen wilde, en de verzekering voor u afleggen, dat hij Bartja, de Achaemenide, is. Ik lach met zijne beloften, en zweer hier met den duursten eed, dien ik ken, bij Mithra en de Feruers der koningen, dat hij, die thans over u heerscht, niemand anders is, dan de van zijne ooren beroofde Gaumata, de broeder van den opperpriester en stadhouder Oropastes, dien gij allen kent! Wilt gij den roem vergeten, dien gij aan de Achaemeniden te danken hebt, wilt gij niet alleen ondankbaar maar ook laf en laaghartig zijn, welnu, erkent dan die ellendelingen als uwe koningen. Maar verfoeit gij den leugen, en acht gij u zelven te edel, om nietswaardige bedriegers te gehoorzamen, verjaagt dan de magiërs, voordat Mithra den hemel verlaat, en roept den edelste der Achaemeniden, in wien gij een tweeden Cyrus zult wedervinden, roept dan Darius, den verheven zoon van Hystaspes, tot koning uit. Opdat gij echter geloof moogt hechten aan mijne woorden, en niet meenen, dat Darius mij hierheen heeft gezonden, om u voor hem te winnen, wil ik thans eene daad volbrengen, die aan allen twijfel een einde maken en bewijzen zal, dat mij de waarheid en de eer der Achaemeniden liever zijn dan mijn leven. Weest gezegend, als gij mijn raad volgt; weest vervloekt, als gij u niet op de magiërs wreekt, noch den schepter in de handen der Achaemeniden overlevert! Ziet, ik sterf als een waarheidlievend en braaf man!”Nadat hij dit gezegd had, beklom de spreker den hoogsten top van den toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende.Het volk, dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren van het paleis, en stond gereed om met den kreet: »De dood aan de magiërs!” naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen den woedenden hoop in den weg traden.Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger, en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!”Door den volkshoop als in triomf voortgedragen, plaatste zich de zoon van Hystaspes thans op eene verhevenheid, en deelde van daar het volk mede, dat de magiërs zoo even, als leugenaars en roovers, door de handen der Achaemeniden den dood hadden ontvangen. Met nieuwe vreugdekreten werd dit bericht begroet. Nadat vervolgens de bloedende hoofden van Oropastes en Gaumata den volke vertoond waren, vloog de van woede en wraaklust uitgelaten menigte de straten door, iederen magiër doodende, dien zij meester kon worden. Alleen de nacht vermocht een einde te maken aan dat vreeselijke bloedbad6. Vier dagen later werd de zoon van Hystaspes, op grond van zijne geboorte en uitnemende hoedanigheden, door de hoofden der Achaemeniden tot koning gekozen, en als zoodanig door de Perzen met geestdrift begroet.Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde oogenblik dat Megabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus, daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch in weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de hand, stiet Intaphernes een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek van Megabyzus een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een zijvertrek gevlucht, en wilde juist de deur dichtgrendelen, toen Darius en Gobryas naar binnen drongen. De laatste omvatte den magiër met zijne armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen, van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij door toe testooten ook Gobryas zou treffen. Deze bemerkte dit en riep: »Stoot toe, al moest gij ook ons beiden doorboren!” Darius gehoorzaamde, doch trof gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudo” of »valschen Smerdis” bekenden Gaumata.Ettelijke weken nadat Darius tot koning was uitgeroepen, waarbij hij, gelijk de Perzen verhaalden, door wonderbare goddelijke teekens en de list van een stalmeester7ondersteund was geworden, vierde de zoon van Hystaspes te Pasargadae een prachtig kronings- en een nog luisterrijker huwelijksfeest met de geliefde zijns harten, Atossa8, de dochter van Cyrus. De door het lijden ontwikkelde en gerijpte jonge vrouw bleef, tot aan het einde van het werkzame en roemrijke leven van haar gemaal, zijne vurig beminde en hooggeachte gemalin. Gelijk Prexaspes had voorspeld, werd Darius een koning, wiens daden en werken hem den naam van »tweeden Cyrus” en van »den groote” ten volle waardig maakten.Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmetelijk rijk zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als het die zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken te geven, zonder ooitmeer te vorderen dan hem toekwam. In plaats van die willekeurige geldafpersingen, die onder de regeering van Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting van de zijde der Achaemeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren, en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramer” noemden, deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn geheele rijk, en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk muntstelsel invoerde.De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende, veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was wedergevonden, met het bouwen van hun tempel voort te gaan. Den Ionischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd hadden.In de staathuishoudkunde had hij, als in zoovele andere dingen, veel van de Egyptenaren geleerd. Vandaar dat hij dit volk eene bijzondere achting toedroeg en vele weldaden bewees. Zoo liet hij onder anderen, tot opbeuring van den Egyptischen handel, een kanaal graven, dat den Nijl met de Roode Zee verbond9. Gedurende zijne gansche regeering deed hij zijn uiterste best de hardheid, waarmede Cambyzes de Egyptenaren behandeld had, door zachtheid weder goed te maken, en nog op hoogen leeftijd hield hij zich gaarne onledig met het bestudeeren van de werken van dit wijze volk, welks zeden en godsdienst zoolang hij leefde door niemand ooit mocht worden aangerand. De grijze priester Neithotep, die eens zijn leermeester was geweest, mocht zich tot aan den dood in de gunst van dezen vorst verheugen, die zich niet zelden de sterrenkundige kennis van den ouden wijze ten nutte maakte.De Egyptenaren erkenden ook van hunne zijde de goedheid van den nieuwen vorst, en noemden Darius, evenals hunne vroegere koningen, eene godheid10. Desniettemin vergaten zijop het einde zijner regeering de groote verplichtingen, die zij aan hem hadden, en beproefden, toegevende aan hun verlangen naar zelfstandigheid, het zachte juk van de schouders te werpen11. Hun edele vorst en beschermer mocht het einde van dezen strijd niet meer beleven. Xerxes, de opvolger en zoon van Darius en Atossa, was bestemd om de bewoners van het Nijldal tot eene meer slaafsche onderwerping terug te brengen, die juist daarom onmogelijk duurzaam kon zijn.Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen, welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Cambyzes indertijd naar Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekken heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning.Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistân, nabij welke plaats Darius eens het leven zijner Atossa had gered, liet hij de geschiedenis zijner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assyrisch en Perzisch gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in allen deele door de genade van Aoeramazda. Nadat de koningen afvallig waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van hen, Gaumata, een Mediër, loog, toen hij dus sprak: ‘Ik ben Bardiya (Bartja), de zoon van Cyrus.’ Deze maakte Perzië afvallig.”Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en opeene andere plaats leest men: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda en de overige bestaande goden schonken mij hun bijstand, daarom, dat ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was, ik noch mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze tafel zult zien, die ik geschreven heb, of deze teekens, vernietigt ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz.”Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon van Megabyzus, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en hem vroeg: »Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als deze appel pitten bevat?” antwoordde Darius, zonder zich te bedenken: »Mijn Zopyrus!”Deze wist de goedheid van zijn koninklijken vriend weerkeerig met vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had, om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne dochteren, wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen, en voor zijne vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij: »Honderd Babels zou ik willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!”—Daarop benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus, met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk eene edele daad had volbracht als Zopyrus.Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen als Darius, daar weinigen als hij den plicht der dankbaarheid in beoefening wisten te brengen. Toen Syloson, de broeder van den vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem als zijn vriend, stelde schepen en soldaten te zijner beschikking, en hielp hem de Samiërs onder zijne heerschappij terug te brengen. De eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten.Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den Milesiër en Kallias den Athener. GeheelNaucratisbeweende den dood dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en Sappho bericht te geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van de hand van Darius:»Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,—overmits hare kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener koningin geniet,—overmits ik eindelijk de achterkleindochter der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho, kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis, die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der overledene worden verzameld.Gedaan in het nieuwe rijkspaleis te Persepolis,Darius, zoon van Hystaspes,koning.1Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van Behistân leest men: “Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood.” Het valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.2Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan opzettelijken zelfmoord te denken.3Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes’ berouw in zijne laatste oogenblikken.4Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en DariusHystaspes.5Zie boven blz.263.6De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het feest van den moord der magiërs.7Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen, op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht, deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.8Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd, ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is geweest. Aeschylus prijst haar in de “Perzen” als eene hooggeëerde, achtenswaardige vrouw.9Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd het voltooid.10Darius’ naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam van Darius luidt gewoonlijk: “de door Ammon en Ra geliefde.” Overal, bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels der pharao’s.11De eerste opstand, die uitbrak onder den doorCambyzesaangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede opstand begon eerst vier jaren voor Darius’ dood. Xerxes bedwong de opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn broeder Acha emenes tot stadhouder.

Tiende hoofdstuk.Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden te zijn, betreffende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven Cambyzes, en de verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen uit deze geschiedenis.Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucratis de tijding aangebracht, dat de satraap van Lydië, Oroetes, zijn ouden vijand Polycrates door list naar Sardes had gelokt, en hem had doen kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis betreffende het treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. De satraap had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden, die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden.Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te weerhouden in verzet of tot opstand te komen, zeer verzwakt. De geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde, deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl het bericht, dat hij uit louter overmoed duizenden landskinderen in de Ethiopische en Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hem bezielde, die door de machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot afval en openlijken opstand aanzette.De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die door Cambyzes tot stadhouder was aangesteld, plaatste zich aan het hoofd der beweging, met oogmerk zichzelven te verheffen en te bevoordeelen. Hij zocht het volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste, ziende hoe erkentelijk men wasvoor zijne zachtheid, door bedrog de Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Bartja, den zoon van Cyrus, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling, het besluit, Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te geven, en hem in de plaats van Cambyzes op den troon te zetten. Deze list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in al de provinciën van het land werden rondgezonden, met de boodschap, dat de jongere zoon van Cyrus, in spijt van het gerucht omtrent zijn dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend.De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea1, in de Medische vlakte, betrokken, zich de kroon op het hoofd gezet, den harem des konings voor den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs, verdeelde. Toen hij vasten grond onder de voeten meende te hebben, zond hij den eunuch Ixabates naar Egypte, met den last, om aan het leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval van Cambyzes en tot het omhelzen van Bartja’s partij over te halen, welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch bemind werd.De voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den nieuwen koning gewonnen, toen hij door eenige Syriërs, die op eene goede belooning hoopten, gevangengenomenen naar Memphis gebracht werd. In de pyramidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte was doorgedrongen, dat Bartja den troon van Cyrus had bestegen, en reeds door het grootste deel van het rijk erkend was geworden.Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het graf ziet opstaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongelukkigen Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had.Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelf den nieuwen koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige misverstand van vroeger, dat door de treffende gelijkenis van Gaumata op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer, dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs.Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaemenide, werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te nemen op den trouwloozen stadhouder, gunde de koning zich geene rust, en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk te kwetsen2. Nadat hij dagen lang bewusteloos had neêrgelegen, sloeg hij de oogen op, en verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijkAtossa te zien, ofschoon deze drie reeds voor maanden waren afgereisd. Uit al zijne woorden bleek, dat hij de laatste vier jaren, sedert het begin dier heftige koortsen, tot op het oogenblik zijner verwonding, als in een diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uit dien tijd verhaalde, was hem geheel nieuw, en vervulde hem met groote smart. Alleen van den dood zijns broeders bleek hij kennis te dragen. Hij wist, dat Prexaspes dezen, op zijn bevel, vermoord en hem gezegd had, dat Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag.—In den nacht die volgde op dit ontwaken, werd het hem zelven duidelijk, dat hij langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen viel hij in een gerusten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dezen hem uitvoerig mede te deelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had.De grijze raadsman voldeed aan ’s konings verlangen, en verzweeg hem geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne blijdschap was daarom dubbel groot, toen hij bemerkte, dat zijne woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den koning. Met tranen in de oogen verklaarde deze, dat zijne euveldaden hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis, dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen.De eerbiedwaardige Lydiër weende tranen van vreugde, en hield niet op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd, en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen, zijne legerstede op eene hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel, niettegenstaande de geneesheeren zich hiertegen verzetten, was voldaan, liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende:»Het is thans tijd, Perzen, dat ik u mijn grootste geheim openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven hem te vermoorden. Prexaspes heeft, op mijn uitdrukkelijk bevel, de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze stervensure voor mij zoo vreeselijk maakt.—Deze bekentenis moge u overtuigen, dat mijnbroeder Bartja niet meer onder de levenden is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester gemaakt. Aan hun hoofd staan de, door mij tot stadhouder aangestelde opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intaphernes en mijn oom, de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij door de magiërs aangedanen hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet in het leven terugroepen en daarom benoem ik ulieden tot uitvoerders van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich door list van de kroon meester gemaakt, zoekt die hun dan door list wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd, ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal ieder Pers even rampzalig aan zijn einde komen als ik!”Toen de Achaemeniden den koning na deze woorden zagen weenen en uitgeput nederzijgen, scheurden zij hunne kleederen en hieven een klaaggeschrei aan. Weinige uren later gaf Cambyzes in de armen van Cresus den geest. In zijne laatste oogenblikken dacht hij aan Nitetis, en hij stierf met haar naam op de lippen, en met tranen van berouw in de oogen3.Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er voor neder, en riep, zijne hand ten hemel heffende: »Groote Cyrus! Ik heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!”Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde, als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden, door al zijne tijdgenooten geprezen.Na den dood van Cambyzes hielden de hoofden van de zevenPerzische stammen4te zamen raad, en besloten zich vóor alle dingen zekerheid te verschaffen, omtrent den persoon van den overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den geheelen te Nisaea achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de gunstige gelegenheid aangrepen, om na eene veeljarige afwezigheid tot hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de eunuch, die met smart verwacht werd, terug, aan Otanes de volgende boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der eunuchen, en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van Suza ontmoet, en hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag.”—Ten slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk te stellen, om den magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen.Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime’s tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betreffende den persoon des overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list of geweld de kroon te ontrukken.Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waren binnengetrokken, en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den tuin leiden, hieldenzich in hun paleis verborgen, verzamelden in de vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden, en zetten hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bartja’s bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken, of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle Perzen hoog aangeschreven, en kon dus door te verzekeren, dat hij Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht betreffende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet Oropastes den gezant, die sedert ’s konings mededeeling door zijns gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en bood hem eene ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen, en aan het in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even met eigen oogen den nieuwen koning had gezien, en in hem den jongeren zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener, wedergevonden en herkend had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam, terwijl zich het volk in het voorhof opeenhoopte, een teeder afscheid van de zijnen, zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en begaf zich dan met fieren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op weg daarheen ontmoette hij de hoofden van de zeven stammen. Toen hij zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe: »Ik verdien uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergiffenis te verwerven!”Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe, vatte zijne hand, en zeide: »Ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken, gevleugelde Darius!”Daarop beklom hij met trotsche houding den hoogen toren. De duizenden burgers uit Nisaea verstonden hem woord voor woord, toen hij, zijn stem zooveel hij kon uitzettende, het volgende sprak: »Gij allen weet, dat de koningen, die tot dusver roem en eer over u hebben gebracht, tot het geslacht der Achaemeniden behoorden. Cyrus regeerde over u als een billijk vader, Cambyzes als een streng gebieder, en Bartja zou u, als een bruidegom zijne bruid, hebben geleid, zoo hij niet door deze mijne eigene hand aan den oever der Roode Zee verslagen was geworden. Deze schandelijke daad, die ik, bij Mithra, met een bloedend hart pleegde, volbracht ik, als een gehoorzaam onderdaan, overeenkomstig het bevel van mijn heer en koning. Toch kon ik bij dag noch nacht rust vinden. Als het opgejaagde wild werd ik, vier jaren lang, door de geesten der duisternis, die den slaap van het leger eens moordenaars verdrijven, vervolgd en gemarteld. Thans echter heb ik het besluitgenomen, dat leven vol angst en vertwijfeling met eene goede daad te besluiten. Zal ik ook aan de brug Chinvat5geene genade vinden, toch hoop ik mij bij de menschen den naam van een braaf man weder waardig te maken, dien ik eens verbeurde. Weet dan, dat hij, die zich voor den zoon van Cyrus uitgeeft, mij op dezen toren zond, en eene groote belooning toezeide, als ik u bedriegen wilde, en de verzekering voor u afleggen, dat hij Bartja, de Achaemenide, is. Ik lach met zijne beloften, en zweer hier met den duursten eed, dien ik ken, bij Mithra en de Feruers der koningen, dat hij, die thans over u heerscht, niemand anders is, dan de van zijne ooren beroofde Gaumata, de broeder van den opperpriester en stadhouder Oropastes, dien gij allen kent! Wilt gij den roem vergeten, dien gij aan de Achaemeniden te danken hebt, wilt gij niet alleen ondankbaar maar ook laf en laaghartig zijn, welnu, erkent dan die ellendelingen als uwe koningen. Maar verfoeit gij den leugen, en acht gij u zelven te edel, om nietswaardige bedriegers te gehoorzamen, verjaagt dan de magiërs, voordat Mithra den hemel verlaat, en roept den edelste der Achaemeniden, in wien gij een tweeden Cyrus zult wedervinden, roept dan Darius, den verheven zoon van Hystaspes, tot koning uit. Opdat gij echter geloof moogt hechten aan mijne woorden, en niet meenen, dat Darius mij hierheen heeft gezonden, om u voor hem te winnen, wil ik thans eene daad volbrengen, die aan allen twijfel een einde maken en bewijzen zal, dat mij de waarheid en de eer der Achaemeniden liever zijn dan mijn leven. Weest gezegend, als gij mijn raad volgt; weest vervloekt, als gij u niet op de magiërs wreekt, noch den schepter in de handen der Achaemeniden overlevert! Ziet, ik sterf als een waarheidlievend en braaf man!”Nadat hij dit gezegd had, beklom de spreker den hoogsten top van den toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende.Het volk, dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren van het paleis, en stond gereed om met den kreet: »De dood aan de magiërs!” naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen den woedenden hoop in den weg traden.Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger, en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!”Door den volkshoop als in triomf voortgedragen, plaatste zich de zoon van Hystaspes thans op eene verhevenheid, en deelde van daar het volk mede, dat de magiërs zoo even, als leugenaars en roovers, door de handen der Achaemeniden den dood hadden ontvangen. Met nieuwe vreugdekreten werd dit bericht begroet. Nadat vervolgens de bloedende hoofden van Oropastes en Gaumata den volke vertoond waren, vloog de van woede en wraaklust uitgelaten menigte de straten door, iederen magiër doodende, dien zij meester kon worden. Alleen de nacht vermocht een einde te maken aan dat vreeselijke bloedbad6. Vier dagen later werd de zoon van Hystaspes, op grond van zijne geboorte en uitnemende hoedanigheden, door de hoofden der Achaemeniden tot koning gekozen, en als zoodanig door de Perzen met geestdrift begroet.Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde oogenblik dat Megabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus, daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch in weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de hand, stiet Intaphernes een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek van Megabyzus een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een zijvertrek gevlucht, en wilde juist de deur dichtgrendelen, toen Darius en Gobryas naar binnen drongen. De laatste omvatte den magiër met zijne armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen, van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij door toe testooten ook Gobryas zou treffen. Deze bemerkte dit en riep: »Stoot toe, al moest gij ook ons beiden doorboren!” Darius gehoorzaamde, doch trof gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudo” of »valschen Smerdis” bekenden Gaumata.Ettelijke weken nadat Darius tot koning was uitgeroepen, waarbij hij, gelijk de Perzen verhaalden, door wonderbare goddelijke teekens en de list van een stalmeester7ondersteund was geworden, vierde de zoon van Hystaspes te Pasargadae een prachtig kronings- en een nog luisterrijker huwelijksfeest met de geliefde zijns harten, Atossa8, de dochter van Cyrus. De door het lijden ontwikkelde en gerijpte jonge vrouw bleef, tot aan het einde van het werkzame en roemrijke leven van haar gemaal, zijne vurig beminde en hooggeachte gemalin. Gelijk Prexaspes had voorspeld, werd Darius een koning, wiens daden en werken hem den naam van »tweeden Cyrus” en van »den groote” ten volle waardig maakten.Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmetelijk rijk zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als het die zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken te geven, zonder ooitmeer te vorderen dan hem toekwam. In plaats van die willekeurige geldafpersingen, die onder de regeering van Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting van de zijde der Achaemeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren, en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramer” noemden, deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn geheele rijk, en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk muntstelsel invoerde.De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende, veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was wedergevonden, met het bouwen van hun tempel voort te gaan. Den Ionischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd hadden.In de staathuishoudkunde had hij, als in zoovele andere dingen, veel van de Egyptenaren geleerd. Vandaar dat hij dit volk eene bijzondere achting toedroeg en vele weldaden bewees. Zoo liet hij onder anderen, tot opbeuring van den Egyptischen handel, een kanaal graven, dat den Nijl met de Roode Zee verbond9. Gedurende zijne gansche regeering deed hij zijn uiterste best de hardheid, waarmede Cambyzes de Egyptenaren behandeld had, door zachtheid weder goed te maken, en nog op hoogen leeftijd hield hij zich gaarne onledig met het bestudeeren van de werken van dit wijze volk, welks zeden en godsdienst zoolang hij leefde door niemand ooit mocht worden aangerand. De grijze priester Neithotep, die eens zijn leermeester was geweest, mocht zich tot aan den dood in de gunst van dezen vorst verheugen, die zich niet zelden de sterrenkundige kennis van den ouden wijze ten nutte maakte.De Egyptenaren erkenden ook van hunne zijde de goedheid van den nieuwen vorst, en noemden Darius, evenals hunne vroegere koningen, eene godheid10. Desniettemin vergaten zijop het einde zijner regeering de groote verplichtingen, die zij aan hem hadden, en beproefden, toegevende aan hun verlangen naar zelfstandigheid, het zachte juk van de schouders te werpen11. Hun edele vorst en beschermer mocht het einde van dezen strijd niet meer beleven. Xerxes, de opvolger en zoon van Darius en Atossa, was bestemd om de bewoners van het Nijldal tot eene meer slaafsche onderwerping terug te brengen, die juist daarom onmogelijk duurzaam kon zijn.Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen, welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Cambyzes indertijd naar Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekken heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning.Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistân, nabij welke plaats Darius eens het leven zijner Atossa had gered, liet hij de geschiedenis zijner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assyrisch en Perzisch gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in allen deele door de genade van Aoeramazda. Nadat de koningen afvallig waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van hen, Gaumata, een Mediër, loog, toen hij dus sprak: ‘Ik ben Bardiya (Bartja), de zoon van Cyrus.’ Deze maakte Perzië afvallig.”Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en opeene andere plaats leest men: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda en de overige bestaande goden schonken mij hun bijstand, daarom, dat ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was, ik noch mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze tafel zult zien, die ik geschreven heb, of deze teekens, vernietigt ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz.”Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon van Megabyzus, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en hem vroeg: »Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als deze appel pitten bevat?” antwoordde Darius, zonder zich te bedenken: »Mijn Zopyrus!”Deze wist de goedheid van zijn koninklijken vriend weerkeerig met vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had, om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne dochteren, wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen, en voor zijne vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij: »Honderd Babels zou ik willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!”—Daarop benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus, met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk eene edele daad had volbracht als Zopyrus.Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen als Darius, daar weinigen als hij den plicht der dankbaarheid in beoefening wisten te brengen. Toen Syloson, de broeder van den vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem als zijn vriend, stelde schepen en soldaten te zijner beschikking, en hielp hem de Samiërs onder zijne heerschappij terug te brengen. De eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten.Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den Milesiër en Kallias den Athener. GeheelNaucratisbeweende den dood dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en Sappho bericht te geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van de hand van Darius:»Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,—overmits hare kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener koningin geniet,—overmits ik eindelijk de achterkleindochter der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho, kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis, die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der overledene worden verzameld.Gedaan in het nieuwe rijkspaleis te Persepolis,Darius, zoon van Hystaspes,koning.1Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van Behistân leest men: “Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood.” Het valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.2Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan opzettelijken zelfmoord te denken.3Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes’ berouw in zijne laatste oogenblikken.4Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en DariusHystaspes.5Zie boven blz.263.6De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het feest van den moord der magiërs.7Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen, op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht, deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.8Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd, ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is geweest. Aeschylus prijst haar in de “Perzen” als eene hooggeëerde, achtenswaardige vrouw.9Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd het voltooid.10Darius’ naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam van Darius luidt gewoonlijk: “de door Ammon en Ra geliefde.” Overal, bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels der pharao’s.11De eerste opstand, die uitbrak onder den doorCambyzesaangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede opstand begon eerst vier jaren voor Darius’ dood. Xerxes bedwong de opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn broeder Acha emenes tot stadhouder.

Tiende hoofdstuk.Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden te zijn, betreffende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven Cambyzes, en de verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen uit deze geschiedenis.Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucratis de tijding aangebracht, dat de satraap van Lydië, Oroetes, zijn ouden vijand Polycrates door list naar Sardes had gelokt, en hem had doen kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis betreffende het treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. De satraap had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden, die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden.Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te weerhouden in verzet of tot opstand te komen, zeer verzwakt. De geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde, deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl het bericht, dat hij uit louter overmoed duizenden landskinderen in de Ethiopische en Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hem bezielde, die door de machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot afval en openlijken opstand aanzette.De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die door Cambyzes tot stadhouder was aangesteld, plaatste zich aan het hoofd der beweging, met oogmerk zichzelven te verheffen en te bevoordeelen. Hij zocht het volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste, ziende hoe erkentelijk men wasvoor zijne zachtheid, door bedrog de Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Bartja, den zoon van Cyrus, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling, het besluit, Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te geven, en hem in de plaats van Cambyzes op den troon te zetten. Deze list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in al de provinciën van het land werden rondgezonden, met de boodschap, dat de jongere zoon van Cyrus, in spijt van het gerucht omtrent zijn dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend.De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea1, in de Medische vlakte, betrokken, zich de kroon op het hoofd gezet, den harem des konings voor den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs, verdeelde. Toen hij vasten grond onder de voeten meende te hebben, zond hij den eunuch Ixabates naar Egypte, met den last, om aan het leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval van Cambyzes en tot het omhelzen van Bartja’s partij over te halen, welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch bemind werd.De voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den nieuwen koning gewonnen, toen hij door eenige Syriërs, die op eene goede belooning hoopten, gevangengenomenen naar Memphis gebracht werd. In de pyramidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte was doorgedrongen, dat Bartja den troon van Cyrus had bestegen, en reeds door het grootste deel van het rijk erkend was geworden.Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het graf ziet opstaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongelukkigen Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had.Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelf den nieuwen koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige misverstand van vroeger, dat door de treffende gelijkenis van Gaumata op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer, dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs.Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaemenide, werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te nemen op den trouwloozen stadhouder, gunde de koning zich geene rust, en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk te kwetsen2. Nadat hij dagen lang bewusteloos had neêrgelegen, sloeg hij de oogen op, en verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijkAtossa te zien, ofschoon deze drie reeds voor maanden waren afgereisd. Uit al zijne woorden bleek, dat hij de laatste vier jaren, sedert het begin dier heftige koortsen, tot op het oogenblik zijner verwonding, als in een diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uit dien tijd verhaalde, was hem geheel nieuw, en vervulde hem met groote smart. Alleen van den dood zijns broeders bleek hij kennis te dragen. Hij wist, dat Prexaspes dezen, op zijn bevel, vermoord en hem gezegd had, dat Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag.—In den nacht die volgde op dit ontwaken, werd het hem zelven duidelijk, dat hij langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen viel hij in een gerusten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dezen hem uitvoerig mede te deelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had.De grijze raadsman voldeed aan ’s konings verlangen, en verzweeg hem geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne blijdschap was daarom dubbel groot, toen hij bemerkte, dat zijne woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den koning. Met tranen in de oogen verklaarde deze, dat zijne euveldaden hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis, dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen.De eerbiedwaardige Lydiër weende tranen van vreugde, en hield niet op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd, en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen, zijne legerstede op eene hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel, niettegenstaande de geneesheeren zich hiertegen verzetten, was voldaan, liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende:»Het is thans tijd, Perzen, dat ik u mijn grootste geheim openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven hem te vermoorden. Prexaspes heeft, op mijn uitdrukkelijk bevel, de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze stervensure voor mij zoo vreeselijk maakt.—Deze bekentenis moge u overtuigen, dat mijnbroeder Bartja niet meer onder de levenden is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester gemaakt. Aan hun hoofd staan de, door mij tot stadhouder aangestelde opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intaphernes en mijn oom, de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij door de magiërs aangedanen hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet in het leven terugroepen en daarom benoem ik ulieden tot uitvoerders van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich door list van de kroon meester gemaakt, zoekt die hun dan door list wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd, ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal ieder Pers even rampzalig aan zijn einde komen als ik!”Toen de Achaemeniden den koning na deze woorden zagen weenen en uitgeput nederzijgen, scheurden zij hunne kleederen en hieven een klaaggeschrei aan. Weinige uren later gaf Cambyzes in de armen van Cresus den geest. In zijne laatste oogenblikken dacht hij aan Nitetis, en hij stierf met haar naam op de lippen, en met tranen van berouw in de oogen3.Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er voor neder, en riep, zijne hand ten hemel heffende: »Groote Cyrus! Ik heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!”Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde, als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden, door al zijne tijdgenooten geprezen.Na den dood van Cambyzes hielden de hoofden van de zevenPerzische stammen4te zamen raad, en besloten zich vóor alle dingen zekerheid te verschaffen, omtrent den persoon van den overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den geheelen te Nisaea achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de gunstige gelegenheid aangrepen, om na eene veeljarige afwezigheid tot hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de eunuch, die met smart verwacht werd, terug, aan Otanes de volgende boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der eunuchen, en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van Suza ontmoet, en hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag.”—Ten slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk te stellen, om den magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen.Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime’s tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betreffende den persoon des overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list of geweld de kroon te ontrukken.Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waren binnengetrokken, en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den tuin leiden, hieldenzich in hun paleis verborgen, verzamelden in de vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden, en zetten hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bartja’s bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken, of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle Perzen hoog aangeschreven, en kon dus door te verzekeren, dat hij Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht betreffende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet Oropastes den gezant, die sedert ’s konings mededeeling door zijns gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en bood hem eene ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen, en aan het in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even met eigen oogen den nieuwen koning had gezien, en in hem den jongeren zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener, wedergevonden en herkend had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam, terwijl zich het volk in het voorhof opeenhoopte, een teeder afscheid van de zijnen, zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en begaf zich dan met fieren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op weg daarheen ontmoette hij de hoofden van de zeven stammen. Toen hij zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe: »Ik verdien uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergiffenis te verwerven!”Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe, vatte zijne hand, en zeide: »Ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken, gevleugelde Darius!”Daarop beklom hij met trotsche houding den hoogen toren. De duizenden burgers uit Nisaea verstonden hem woord voor woord, toen hij, zijn stem zooveel hij kon uitzettende, het volgende sprak: »Gij allen weet, dat de koningen, die tot dusver roem en eer over u hebben gebracht, tot het geslacht der Achaemeniden behoorden. Cyrus regeerde over u als een billijk vader, Cambyzes als een streng gebieder, en Bartja zou u, als een bruidegom zijne bruid, hebben geleid, zoo hij niet door deze mijne eigene hand aan den oever der Roode Zee verslagen was geworden. Deze schandelijke daad, die ik, bij Mithra, met een bloedend hart pleegde, volbracht ik, als een gehoorzaam onderdaan, overeenkomstig het bevel van mijn heer en koning. Toch kon ik bij dag noch nacht rust vinden. Als het opgejaagde wild werd ik, vier jaren lang, door de geesten der duisternis, die den slaap van het leger eens moordenaars verdrijven, vervolgd en gemarteld. Thans echter heb ik het besluitgenomen, dat leven vol angst en vertwijfeling met eene goede daad te besluiten. Zal ik ook aan de brug Chinvat5geene genade vinden, toch hoop ik mij bij de menschen den naam van een braaf man weder waardig te maken, dien ik eens verbeurde. Weet dan, dat hij, die zich voor den zoon van Cyrus uitgeeft, mij op dezen toren zond, en eene groote belooning toezeide, als ik u bedriegen wilde, en de verzekering voor u afleggen, dat hij Bartja, de Achaemenide, is. Ik lach met zijne beloften, en zweer hier met den duursten eed, dien ik ken, bij Mithra en de Feruers der koningen, dat hij, die thans over u heerscht, niemand anders is, dan de van zijne ooren beroofde Gaumata, de broeder van den opperpriester en stadhouder Oropastes, dien gij allen kent! Wilt gij den roem vergeten, dien gij aan de Achaemeniden te danken hebt, wilt gij niet alleen ondankbaar maar ook laf en laaghartig zijn, welnu, erkent dan die ellendelingen als uwe koningen. Maar verfoeit gij den leugen, en acht gij u zelven te edel, om nietswaardige bedriegers te gehoorzamen, verjaagt dan de magiërs, voordat Mithra den hemel verlaat, en roept den edelste der Achaemeniden, in wien gij een tweeden Cyrus zult wedervinden, roept dan Darius, den verheven zoon van Hystaspes, tot koning uit. Opdat gij echter geloof moogt hechten aan mijne woorden, en niet meenen, dat Darius mij hierheen heeft gezonden, om u voor hem te winnen, wil ik thans eene daad volbrengen, die aan allen twijfel een einde maken en bewijzen zal, dat mij de waarheid en de eer der Achaemeniden liever zijn dan mijn leven. Weest gezegend, als gij mijn raad volgt; weest vervloekt, als gij u niet op de magiërs wreekt, noch den schepter in de handen der Achaemeniden overlevert! Ziet, ik sterf als een waarheidlievend en braaf man!”Nadat hij dit gezegd had, beklom de spreker den hoogsten top van den toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende.Het volk, dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren van het paleis, en stond gereed om met den kreet: »De dood aan de magiërs!” naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen den woedenden hoop in den weg traden.Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger, en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!”Door den volkshoop als in triomf voortgedragen, plaatste zich de zoon van Hystaspes thans op eene verhevenheid, en deelde van daar het volk mede, dat de magiërs zoo even, als leugenaars en roovers, door de handen der Achaemeniden den dood hadden ontvangen. Met nieuwe vreugdekreten werd dit bericht begroet. Nadat vervolgens de bloedende hoofden van Oropastes en Gaumata den volke vertoond waren, vloog de van woede en wraaklust uitgelaten menigte de straten door, iederen magiër doodende, dien zij meester kon worden. Alleen de nacht vermocht een einde te maken aan dat vreeselijke bloedbad6. Vier dagen later werd de zoon van Hystaspes, op grond van zijne geboorte en uitnemende hoedanigheden, door de hoofden der Achaemeniden tot koning gekozen, en als zoodanig door de Perzen met geestdrift begroet.Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde oogenblik dat Megabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus, daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch in weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de hand, stiet Intaphernes een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek van Megabyzus een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een zijvertrek gevlucht, en wilde juist de deur dichtgrendelen, toen Darius en Gobryas naar binnen drongen. De laatste omvatte den magiër met zijne armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen, van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij door toe testooten ook Gobryas zou treffen. Deze bemerkte dit en riep: »Stoot toe, al moest gij ook ons beiden doorboren!” Darius gehoorzaamde, doch trof gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudo” of »valschen Smerdis” bekenden Gaumata.Ettelijke weken nadat Darius tot koning was uitgeroepen, waarbij hij, gelijk de Perzen verhaalden, door wonderbare goddelijke teekens en de list van een stalmeester7ondersteund was geworden, vierde de zoon van Hystaspes te Pasargadae een prachtig kronings- en een nog luisterrijker huwelijksfeest met de geliefde zijns harten, Atossa8, de dochter van Cyrus. De door het lijden ontwikkelde en gerijpte jonge vrouw bleef, tot aan het einde van het werkzame en roemrijke leven van haar gemaal, zijne vurig beminde en hooggeachte gemalin. Gelijk Prexaspes had voorspeld, werd Darius een koning, wiens daden en werken hem den naam van »tweeden Cyrus” en van »den groote” ten volle waardig maakten.Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmetelijk rijk zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als het die zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken te geven, zonder ooitmeer te vorderen dan hem toekwam. In plaats van die willekeurige geldafpersingen, die onder de regeering van Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting van de zijde der Achaemeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren, en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramer” noemden, deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn geheele rijk, en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk muntstelsel invoerde.De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende, veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was wedergevonden, met het bouwen van hun tempel voort te gaan. Den Ionischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd hadden.In de staathuishoudkunde had hij, als in zoovele andere dingen, veel van de Egyptenaren geleerd. Vandaar dat hij dit volk eene bijzondere achting toedroeg en vele weldaden bewees. Zoo liet hij onder anderen, tot opbeuring van den Egyptischen handel, een kanaal graven, dat den Nijl met de Roode Zee verbond9. Gedurende zijne gansche regeering deed hij zijn uiterste best de hardheid, waarmede Cambyzes de Egyptenaren behandeld had, door zachtheid weder goed te maken, en nog op hoogen leeftijd hield hij zich gaarne onledig met het bestudeeren van de werken van dit wijze volk, welks zeden en godsdienst zoolang hij leefde door niemand ooit mocht worden aangerand. De grijze priester Neithotep, die eens zijn leermeester was geweest, mocht zich tot aan den dood in de gunst van dezen vorst verheugen, die zich niet zelden de sterrenkundige kennis van den ouden wijze ten nutte maakte.De Egyptenaren erkenden ook van hunne zijde de goedheid van den nieuwen vorst, en noemden Darius, evenals hunne vroegere koningen, eene godheid10. Desniettemin vergaten zijop het einde zijner regeering de groote verplichtingen, die zij aan hem hadden, en beproefden, toegevende aan hun verlangen naar zelfstandigheid, het zachte juk van de schouders te werpen11. Hun edele vorst en beschermer mocht het einde van dezen strijd niet meer beleven. Xerxes, de opvolger en zoon van Darius en Atossa, was bestemd om de bewoners van het Nijldal tot eene meer slaafsche onderwerping terug te brengen, die juist daarom onmogelijk duurzaam kon zijn.Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen, welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Cambyzes indertijd naar Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekken heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning.Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistân, nabij welke plaats Darius eens het leven zijner Atossa had gered, liet hij de geschiedenis zijner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assyrisch en Perzisch gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in allen deele door de genade van Aoeramazda. Nadat de koningen afvallig waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van hen, Gaumata, een Mediër, loog, toen hij dus sprak: ‘Ik ben Bardiya (Bartja), de zoon van Cyrus.’ Deze maakte Perzië afvallig.”Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en opeene andere plaats leest men: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda en de overige bestaande goden schonken mij hun bijstand, daarom, dat ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was, ik noch mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze tafel zult zien, die ik geschreven heb, of deze teekens, vernietigt ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz.”Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon van Megabyzus, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en hem vroeg: »Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als deze appel pitten bevat?” antwoordde Darius, zonder zich te bedenken: »Mijn Zopyrus!”Deze wist de goedheid van zijn koninklijken vriend weerkeerig met vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had, om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne dochteren, wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen, en voor zijne vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij: »Honderd Babels zou ik willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!”—Daarop benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus, met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk eene edele daad had volbracht als Zopyrus.Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen als Darius, daar weinigen als hij den plicht der dankbaarheid in beoefening wisten te brengen. Toen Syloson, de broeder van den vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem als zijn vriend, stelde schepen en soldaten te zijner beschikking, en hielp hem de Samiërs onder zijne heerschappij terug te brengen. De eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten.Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den Milesiër en Kallias den Athener. GeheelNaucratisbeweende den dood dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en Sappho bericht te geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van de hand van Darius:»Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,—overmits hare kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener koningin geniet,—overmits ik eindelijk de achterkleindochter der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho, kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis, die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der overledene worden verzameld.Gedaan in het nieuwe rijkspaleis te Persepolis,Darius, zoon van Hystaspes,koning.1Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van Behistân leest men: “Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood.” Het valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.2Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan opzettelijken zelfmoord te denken.3Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes’ berouw in zijne laatste oogenblikken.4Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en DariusHystaspes.5Zie boven blz.263.6De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het feest van den moord der magiërs.7Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen, op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht, deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.8Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd, ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is geweest. Aeschylus prijst haar in de “Perzen” als eene hooggeëerde, achtenswaardige vrouw.9Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd het voltooid.10Darius’ naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam van Darius luidt gewoonlijk: “de door Ammon en Ra geliefde.” Overal, bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels der pharao’s.11De eerste opstand, die uitbrak onder den doorCambyzesaangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede opstand begon eerst vier jaren voor Darius’ dood. Xerxes bedwong de opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn broeder Acha emenes tot stadhouder.

Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden te zijn, betreffende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven Cambyzes, en de verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen uit deze geschiedenis.

Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucratis de tijding aangebracht, dat de satraap van Lydië, Oroetes, zijn ouden vijand Polycrates door list naar Sardes had gelokt, en hem had doen kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis betreffende het treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. De satraap had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden, die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden.

Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te weerhouden in verzet of tot opstand te komen, zeer verzwakt. De geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde, deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl het bericht, dat hij uit louter overmoed duizenden landskinderen in de Ethiopische en Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hem bezielde, die door de machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot afval en openlijken opstand aanzette.

De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die door Cambyzes tot stadhouder was aangesteld, plaatste zich aan het hoofd der beweging, met oogmerk zichzelven te verheffen en te bevoordeelen. Hij zocht het volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste, ziende hoe erkentelijk men wasvoor zijne zachtheid, door bedrog de Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Bartja, den zoon van Cyrus, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling, het besluit, Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te geven, en hem in de plaats van Cambyzes op den troon te zetten. Deze list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in al de provinciën van het land werden rondgezonden, met de boodschap, dat de jongere zoon van Cyrus, in spijt van het gerucht omtrent zijn dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend.

De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea1, in de Medische vlakte, betrokken, zich de kroon op het hoofd gezet, den harem des konings voor den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs, verdeelde. Toen hij vasten grond onder de voeten meende te hebben, zond hij den eunuch Ixabates naar Egypte, met den last, om aan het leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval van Cambyzes en tot het omhelzen van Bartja’s partij over te halen, welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch bemind werd.

De voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den nieuwen koning gewonnen, toen hij door eenige Syriërs, die op eene goede belooning hoopten, gevangengenomenen naar Memphis gebracht werd. In de pyramidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte was doorgedrongen, dat Bartja den troon van Cyrus had bestegen, en reeds door het grootste deel van het rijk erkend was geworden.

Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het graf ziet opstaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongelukkigen Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had.

Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelf den nieuwen koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige misverstand van vroeger, dat door de treffende gelijkenis van Gaumata op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer, dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs.

Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaemenide, werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te nemen op den trouwloozen stadhouder, gunde de koning zich geene rust, en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk te kwetsen2. Nadat hij dagen lang bewusteloos had neêrgelegen, sloeg hij de oogen op, en verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijkAtossa te zien, ofschoon deze drie reeds voor maanden waren afgereisd. Uit al zijne woorden bleek, dat hij de laatste vier jaren, sedert het begin dier heftige koortsen, tot op het oogenblik zijner verwonding, als in een diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uit dien tijd verhaalde, was hem geheel nieuw, en vervulde hem met groote smart. Alleen van den dood zijns broeders bleek hij kennis te dragen. Hij wist, dat Prexaspes dezen, op zijn bevel, vermoord en hem gezegd had, dat Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag.—In den nacht die volgde op dit ontwaken, werd het hem zelven duidelijk, dat hij langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen viel hij in een gerusten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dezen hem uitvoerig mede te deelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had.

De grijze raadsman voldeed aan ’s konings verlangen, en verzweeg hem geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne blijdschap was daarom dubbel groot, toen hij bemerkte, dat zijne woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den koning. Met tranen in de oogen verklaarde deze, dat zijne euveldaden hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis, dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen.

De eerbiedwaardige Lydiër weende tranen van vreugde, en hield niet op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd, en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen, zijne legerstede op eene hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel, niettegenstaande de geneesheeren zich hiertegen verzetten, was voldaan, liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende:

»Het is thans tijd, Perzen, dat ik u mijn grootste geheim openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven hem te vermoorden. Prexaspes heeft, op mijn uitdrukkelijk bevel, de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze stervensure voor mij zoo vreeselijk maakt.—Deze bekentenis moge u overtuigen, dat mijnbroeder Bartja niet meer onder de levenden is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester gemaakt. Aan hun hoofd staan de, door mij tot stadhouder aangestelde opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intaphernes en mijn oom, de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij door de magiërs aangedanen hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet in het leven terugroepen en daarom benoem ik ulieden tot uitvoerders van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich door list van de kroon meester gemaakt, zoekt die hun dan door list wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd, ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal ieder Pers even rampzalig aan zijn einde komen als ik!”

Toen de Achaemeniden den koning na deze woorden zagen weenen en uitgeput nederzijgen, scheurden zij hunne kleederen en hieven een klaaggeschrei aan. Weinige uren later gaf Cambyzes in de armen van Cresus den geest. In zijne laatste oogenblikken dacht hij aan Nitetis, en hij stierf met haar naam op de lippen, en met tranen van berouw in de oogen3.

Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er voor neder, en riep, zijne hand ten hemel heffende: »Groote Cyrus! Ik heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!”

Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde, als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden, door al zijne tijdgenooten geprezen.

Na den dood van Cambyzes hielden de hoofden van de zevenPerzische stammen4te zamen raad, en besloten zich vóor alle dingen zekerheid te verschaffen, omtrent den persoon van den overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den geheelen te Nisaea achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de gunstige gelegenheid aangrepen, om na eene veeljarige afwezigheid tot hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de eunuch, die met smart verwacht werd, terug, aan Otanes de volgende boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der eunuchen, en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van Suza ontmoet, en hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag.”—Ten slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk te stellen, om den magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen.

Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime’s tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betreffende den persoon des overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list of geweld de kroon te ontrukken.

Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waren binnengetrokken, en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den tuin leiden, hieldenzich in hun paleis verborgen, verzamelden in de vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden, en zetten hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bartja’s bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken, of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle Perzen hoog aangeschreven, en kon dus door te verzekeren, dat hij Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht betreffende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet Oropastes den gezant, die sedert ’s konings mededeeling door zijns gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en bood hem eene ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen, en aan het in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even met eigen oogen den nieuwen koning had gezien, en in hem den jongeren zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener, wedergevonden en herkend had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam, terwijl zich het volk in het voorhof opeenhoopte, een teeder afscheid van de zijnen, zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en begaf zich dan met fieren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op weg daarheen ontmoette hij de hoofden van de zeven stammen. Toen hij zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe: »Ik verdien uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergiffenis te verwerven!”

Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe, vatte zijne hand, en zeide: »Ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken, gevleugelde Darius!”

Daarop beklom hij met trotsche houding den hoogen toren. De duizenden burgers uit Nisaea verstonden hem woord voor woord, toen hij, zijn stem zooveel hij kon uitzettende, het volgende sprak: »Gij allen weet, dat de koningen, die tot dusver roem en eer over u hebben gebracht, tot het geslacht der Achaemeniden behoorden. Cyrus regeerde over u als een billijk vader, Cambyzes als een streng gebieder, en Bartja zou u, als een bruidegom zijne bruid, hebben geleid, zoo hij niet door deze mijne eigene hand aan den oever der Roode Zee verslagen was geworden. Deze schandelijke daad, die ik, bij Mithra, met een bloedend hart pleegde, volbracht ik, als een gehoorzaam onderdaan, overeenkomstig het bevel van mijn heer en koning. Toch kon ik bij dag noch nacht rust vinden. Als het opgejaagde wild werd ik, vier jaren lang, door de geesten der duisternis, die den slaap van het leger eens moordenaars verdrijven, vervolgd en gemarteld. Thans echter heb ik het besluitgenomen, dat leven vol angst en vertwijfeling met eene goede daad te besluiten. Zal ik ook aan de brug Chinvat5geene genade vinden, toch hoop ik mij bij de menschen den naam van een braaf man weder waardig te maken, dien ik eens verbeurde. Weet dan, dat hij, die zich voor den zoon van Cyrus uitgeeft, mij op dezen toren zond, en eene groote belooning toezeide, als ik u bedriegen wilde, en de verzekering voor u afleggen, dat hij Bartja, de Achaemenide, is. Ik lach met zijne beloften, en zweer hier met den duursten eed, dien ik ken, bij Mithra en de Feruers der koningen, dat hij, die thans over u heerscht, niemand anders is, dan de van zijne ooren beroofde Gaumata, de broeder van den opperpriester en stadhouder Oropastes, dien gij allen kent! Wilt gij den roem vergeten, dien gij aan de Achaemeniden te danken hebt, wilt gij niet alleen ondankbaar maar ook laf en laaghartig zijn, welnu, erkent dan die ellendelingen als uwe koningen. Maar verfoeit gij den leugen, en acht gij u zelven te edel, om nietswaardige bedriegers te gehoorzamen, verjaagt dan de magiërs, voordat Mithra den hemel verlaat, en roept den edelste der Achaemeniden, in wien gij een tweeden Cyrus zult wedervinden, roept dan Darius, den verheven zoon van Hystaspes, tot koning uit. Opdat gij echter geloof moogt hechten aan mijne woorden, en niet meenen, dat Darius mij hierheen heeft gezonden, om u voor hem te winnen, wil ik thans eene daad volbrengen, die aan allen twijfel een einde maken en bewijzen zal, dat mij de waarheid en de eer der Achaemeniden liever zijn dan mijn leven. Weest gezegend, als gij mijn raad volgt; weest vervloekt, als gij u niet op de magiërs wreekt, noch den schepter in de handen der Achaemeniden overlevert! Ziet, ik sterf als een waarheidlievend en braaf man!”

Nadat hij dit gezegd had, beklom de spreker den hoogsten top van den toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende.

Het volk, dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren van het paleis, en stond gereed om met den kreet: »De dood aan de magiërs!” naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen den woedenden hoop in den weg traden.

Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger, en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!”

Door den volkshoop als in triomf voortgedragen, plaatste zich de zoon van Hystaspes thans op eene verhevenheid, en deelde van daar het volk mede, dat de magiërs zoo even, als leugenaars en roovers, door de handen der Achaemeniden den dood hadden ontvangen. Met nieuwe vreugdekreten werd dit bericht begroet. Nadat vervolgens de bloedende hoofden van Oropastes en Gaumata den volke vertoond waren, vloog de van woede en wraaklust uitgelaten menigte de straten door, iederen magiër doodende, dien zij meester kon worden. Alleen de nacht vermocht een einde te maken aan dat vreeselijke bloedbad6. Vier dagen later werd de zoon van Hystaspes, op grond van zijne geboorte en uitnemende hoedanigheden, door de hoofden der Achaemeniden tot koning gekozen, en als zoodanig door de Perzen met geestdrift begroet.

Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde oogenblik dat Megabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus, daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch in weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de hand, stiet Intaphernes een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek van Megabyzus een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een zijvertrek gevlucht, en wilde juist de deur dichtgrendelen, toen Darius en Gobryas naar binnen drongen. De laatste omvatte den magiër met zijne armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen, van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij door toe testooten ook Gobryas zou treffen. Deze bemerkte dit en riep: »Stoot toe, al moest gij ook ons beiden doorboren!” Darius gehoorzaamde, doch trof gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudo” of »valschen Smerdis” bekenden Gaumata.

Ettelijke weken nadat Darius tot koning was uitgeroepen, waarbij hij, gelijk de Perzen verhaalden, door wonderbare goddelijke teekens en de list van een stalmeester7ondersteund was geworden, vierde de zoon van Hystaspes te Pasargadae een prachtig kronings- en een nog luisterrijker huwelijksfeest met de geliefde zijns harten, Atossa8, de dochter van Cyrus. De door het lijden ontwikkelde en gerijpte jonge vrouw bleef, tot aan het einde van het werkzame en roemrijke leven van haar gemaal, zijne vurig beminde en hooggeachte gemalin. Gelijk Prexaspes had voorspeld, werd Darius een koning, wiens daden en werken hem den naam van »tweeden Cyrus” en van »den groote” ten volle waardig maakten.

Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmetelijk rijk zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als het die zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken te geven, zonder ooitmeer te vorderen dan hem toekwam. In plaats van die willekeurige geldafpersingen, die onder de regeering van Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting van de zijde der Achaemeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren, en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramer” noemden, deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn geheele rijk, en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk muntstelsel invoerde.

De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende, veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was wedergevonden, met het bouwen van hun tempel voort te gaan. Den Ionischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd hadden.

In de staathuishoudkunde had hij, als in zoovele andere dingen, veel van de Egyptenaren geleerd. Vandaar dat hij dit volk eene bijzondere achting toedroeg en vele weldaden bewees. Zoo liet hij onder anderen, tot opbeuring van den Egyptischen handel, een kanaal graven, dat den Nijl met de Roode Zee verbond9. Gedurende zijne gansche regeering deed hij zijn uiterste best de hardheid, waarmede Cambyzes de Egyptenaren behandeld had, door zachtheid weder goed te maken, en nog op hoogen leeftijd hield hij zich gaarne onledig met het bestudeeren van de werken van dit wijze volk, welks zeden en godsdienst zoolang hij leefde door niemand ooit mocht worden aangerand. De grijze priester Neithotep, die eens zijn leermeester was geweest, mocht zich tot aan den dood in de gunst van dezen vorst verheugen, die zich niet zelden de sterrenkundige kennis van den ouden wijze ten nutte maakte.

De Egyptenaren erkenden ook van hunne zijde de goedheid van den nieuwen vorst, en noemden Darius, evenals hunne vroegere koningen, eene godheid10. Desniettemin vergaten zijop het einde zijner regeering de groote verplichtingen, die zij aan hem hadden, en beproefden, toegevende aan hun verlangen naar zelfstandigheid, het zachte juk van de schouders te werpen11. Hun edele vorst en beschermer mocht het einde van dezen strijd niet meer beleven. Xerxes, de opvolger en zoon van Darius en Atossa, was bestemd om de bewoners van het Nijldal tot eene meer slaafsche onderwerping terug te brengen, die juist daarom onmogelijk duurzaam kon zijn.

Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen, welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Cambyzes indertijd naar Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekken heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning.

Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistân, nabij welke plaats Darius eens het leven zijner Atossa had gered, liet hij de geschiedenis zijner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assyrisch en Perzisch gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in allen deele door de genade van Aoeramazda. Nadat de koningen afvallig waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van hen, Gaumata, een Mediër, loog, toen hij dus sprak: ‘Ik ben Bardiya (Bartja), de zoon van Cyrus.’ Deze maakte Perzië afvallig.”

Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en opeene andere plaats leest men: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda en de overige bestaande goden schonken mij hun bijstand, daarom, dat ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was, ik noch mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze tafel zult zien, die ik geschreven heb, of deze teekens, vernietigt ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz.”

Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon van Megabyzus, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en hem vroeg: »Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als deze appel pitten bevat?” antwoordde Darius, zonder zich te bedenken: »Mijn Zopyrus!”

Deze wist de goedheid van zijn koninklijken vriend weerkeerig met vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had, om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne dochteren, wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen, en voor zijne vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij: »Honderd Babels zou ik willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!”—Daarop benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus, met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk eene edele daad had volbracht als Zopyrus.

Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen als Darius, daar weinigen als hij den plicht der dankbaarheid in beoefening wisten te brengen. Toen Syloson, de broeder van den vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem als zijn vriend, stelde schepen en soldaten te zijner beschikking, en hielp hem de Samiërs onder zijne heerschappij terug te brengen. De eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten.

Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den Milesiër en Kallias den Athener. GeheelNaucratisbeweende den dood dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en Sappho bericht te geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van de hand van Darius:

»Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,—overmits hare kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener koningin geniet,—overmits ik eindelijk de achterkleindochter der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho, kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis, die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der overledene worden verzameld.Gedaan in het nieuwe rijkspaleis te Persepolis,Darius, zoon van Hystaspes,koning.

»Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,—overmits hare kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener koningin geniet,—overmits ik eindelijk de achterkleindochter der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho, kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis, die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der overledene worden verzameld.

Gedaan in het nieuwe rijkspaleis te Persepolis,

Darius, zoon van Hystaspes,koning.

1Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van Behistân leest men: “Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood.” Het valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.2Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan opzettelijken zelfmoord te denken.3Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes’ berouw in zijne laatste oogenblikken.4Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en DariusHystaspes.5Zie boven blz.263.6De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het feest van den moord der magiërs.7Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen, op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht, deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.8Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd, ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is geweest. Aeschylus prijst haar in de “Perzen” als eene hooggeëerde, achtenswaardige vrouw.9Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd het voltooid.10Darius’ naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam van Darius luidt gewoonlijk: “de door Ammon en Ra geliefde.” Overal, bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels der pharao’s.11De eerste opstand, die uitbrak onder den doorCambyzesaangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede opstand begon eerst vier jaren voor Darius’ dood. Xerxes bedwong de opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn broeder Acha emenes tot stadhouder.

1Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van Behistân leest men: “Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood.” Het valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.

2Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan opzettelijken zelfmoord te denken.

3Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes’ berouw in zijne laatste oogenblikken.

4Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en DariusHystaspes.

5Zie boven blz.263.

6De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het feest van den moord der magiërs.

7Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen, op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht, deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.

8Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd, ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is geweest. Aeschylus prijst haar in de “Perzen” als eene hooggeëerde, achtenswaardige vrouw.

9Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd het voltooid.

10Darius’ naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam van Darius luidt gewoonlijk: “de door Ammon en Ra geliefde.” Overal, bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels der pharao’s.

11De eerste opstand, die uitbrak onder den doorCambyzesaangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede opstand begon eerst vier jaren voor Darius’ dood. Xerxes bedwong de opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn broeder Acha emenes tot stadhouder.


Back to IndexNext