Tweede boek.Eerste hoofdstuk.Zeven weken later bewoog zich op den grooten koningsweg1, die uit het westen naar Babylon voerde, een lange trein van allerlei wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad, die reeds op verren afstand zichtbaar was.Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier wielen, de zoogenaamde harmamaxa2, die aan de vier zijden door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren, terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden, den trein opende.De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk beladene tarwe-, gerst-, en sesamvelden3, die tweehonderd-, ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen, vol goudgele vruchten, stonden allerwegen verspreid over de akkers, die in alle richtingen door goed onderhouden slooten en kanalen doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was, schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren, uit Griekenland en Klein-Aziëafkomstig, van Thapsacus4naar Babylon brachten. Pompwerktuigen en schepraderen besproeiden de akkers en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan het oog voordeed bewees, dat men het middelpunt van een ouden, met groote zorg bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde.Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek5was bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten, hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koningsdochter, en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichteinder afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramiden een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babylon. Sta mij toe, dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan.—Wat ziet gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing, als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel, bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer weder met een blik verwaardigen.—Moed, mijne dochter, moed! Indien gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan!”Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden, en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus, mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! O, verlaat mij ook in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!”Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare mollige armen om den hals van den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter geweest.Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen6, een der aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalte en zeer gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen, zijn hals en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken, die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken van allerlei sterk riekende oliën.De eunuch, Boges genaamd, boog zich eerbiedig voor de Egyptische maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand voor den mond houdende: »Cambyzes, de beheerscher der wereld, zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht, de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden, wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in een Perzischen diamant veranderen.”Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid, de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt.Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het onderscheidingsteeken van Egyptische vorstendochters7, losmaken, om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden.Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens; de koks begaven zich met den meesten spoed aan denarbeid, en allen hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden, de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen tot gemak beladen, van waterdichte met goud doorwerkte tenten, tot zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks, schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers op wagens medegevoerd.Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen, goed ingerichte vreemdelinghuizen. Hier werden de vermoeide paarden en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations, dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus, die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in zijn wereldrijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben, rende deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste ruiters ter wereld gehouden8.Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had, van tafel opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt »Ha!” ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn harer zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen bogen diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid afgelegd, en met het van goud en edelgesteenteflonkerende zijden gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener koningin aangetogen.Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste der eunuchen9, en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte: »Gij hebt uw plicht gedaan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een loffelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid.”De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot nu toe waren al de vrouwen van Cambyzes Aziatische, en deze plachten altijd, de onbeperkte macht van den overste der eunuchen kennende, al het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen en onderworpenheid te winnen.Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide: »U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch door eenig geschenk vergelden, wat gij aan mij gedaan hebt; want u alleen zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag.—Neem dezen ring,” zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen, gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene zeven10. Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord.Deze zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat ik u wensch: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid, die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven, zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Cresus weer te geven.—Gij, Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster, zoo dikwijls gij de snaren tokkelt.—U, Zopyrus, bied ik deze gouden keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen11.—U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in het metaal gegraveerd12.—Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder, zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem deze amulet van blauw steen13. Mijne zuster Tachot hing ze mij om den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide:‘deze talisman verschaffe allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde.’Zij weende, terwijl ze dat zeide, Bartja!—Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen leg. Houd het er voor, dat Tachot het u door mijne tusschenkomst aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs.”Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richtte zij in gebroken Perzisch het woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren: »Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babylon zal ik u duizend gouden staters14doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges,” vervolgde zij, zich tot den eunuch wendende, »uiterlijk overmorgen deze som onder de lieden te doen verdeelen.—Leid mij thans naar mijn wagen, Cresus!”De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voldoen. Terwijl hij Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm aan hare borst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden, mijn vader?”»Ik zeg u, meisje,” antwoordde de grijsaard, »gij zult aan dit hof de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd zetelt de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig veel te doen. Geloof mij, dat een klein geschenk, gelijk gij het weet te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan een hoop goud, dien men hem voor de voeten werpt. Kostbare geschenken te geven en te ontvangen is de gewoonte der Perzen. Zij verstaan de kunst elkander te verrijken. Gij zult hun leeren, elkaar gelukkiger te maken.—Wat zijt gij schoon!—Zit gij zóó goed, of verlangt gij hooger kussens?—Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed, mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!—Te paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!”Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intusschen al nader en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte, bij eene kromming van den weg, verborgen. Maar op eens vertoonden zich de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik.De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper, goud, zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan den raafzwarten hengst dien hij bereed15. Telkens werd hij door het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen, dat hij juist deman was, om zijn overmoed te temmen. Deze ruiter, wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit, bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk16. Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen van geel leder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt, waarin een korte dolkvormige sabel stak, welker greep en scheede met edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van onder dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte geheel het benedendeel van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen daarentegen waren nog zwarter dan haar en baard, en daaruit straalde geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken, het gevolg van den sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen neus en zijne smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel van groote kracht en mateloozen trots.Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog nooit aanschouwd. Als door toovermacht voelde zij zich tot hem getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als was de gansche wereld, en in de eerste plaats zijzelve, geschapen om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank om den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth17, den vader van al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van haar vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cambyzes zijn woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong, met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij den koning zou hebben erkend, al had niemand het haar gezegd.Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werdsteeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naar hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en, volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad hun vorst ontvingen.Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden ’s konings tapijtenleggers, snel als de gedachte, een zwaar purperen dekkleed op den weg uitgespreid, opdat de voet van den vorst het stof niet beroeren zou, en weinige oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten, terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen, en hem als tolk naar den wagen van Nitetis te volgen.De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden wagen.»Zij is schoon en mijn hart welgevallig,” riep de Perzische vorst den Lydischen grijsaard toe. »Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische, de Assyrische en de Medische taal.”Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden, sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch: »Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd18.”Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig voor. Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: »Het verheugt mij, dat ik zonder tolk metu kan spreken. Ga voort u toe te leggen op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn.”»Gij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel,” antwoordde de grijsaard, »want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen wenschen, dan de dochter van Amasis.”»Zij bevestigt den ouden roem der Egyptische wijsheid,” hervatte de koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs der magiërs, die haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan en in hare ziel opnemen zal.”Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was aanstaande. In plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde goden moeten dienen.Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde: »Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn hart welgevallig. Zorg dat dit zoo blijve! Wij willen beproeven uwe liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad, Boges, dien ik u tegemoet heb gezonden, met minzaamheid te bejegenen, want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de bestuurder is van het vrouwenverblijf.”»Al is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf,” antwoordde Nitetis,»zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen; bedenk evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land afkomstig, waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt; dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe oogen zie lichten, mijn gebieder!—U, den grooten man, mijn gemaal en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maar om de gunst van den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen, dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij mij mocht willen voorschrijven.”De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne macht over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde, bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide: »Gij hebt gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht.”»Dank, duizendwerf dank!” riep Nitetis. »O, zoo gij wist, hoe gelukkig gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde broeder, Bartja, mij veel moeten verhalen; en geene der heerlijkheden van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning, die dezen schoonen berg liet opwerpen.”»Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans, hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?”»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen leeren kennen, zonder hem te beminnen? Wie zou niet de schoonheid der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte, die zich rondom hem verdrong.”Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, trok er eene wolk over ’s konings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden slag, zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babylon.Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in de gelegenheid was geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babylon niet aan éene zijde door ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd. Haar omtrek was meer dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel harer muren verhieven zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van Thebe en Memphis overtroffen19.De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk aangezicht, in liggende houding, verhief20. Deze monsters waren eene zinnebeeldige voorstelling van de almacht der goden. De hoogste kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op; met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen.Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich, overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest, door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had zich dan ook heden geheel Babylon opgemaakt, om den gevreesden gebieder en den geliefden jongsten zoon van Cyrus te zien en te begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en palmtakken bestrooid; allerlei groene boomen stonden voor de deuren; uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis waren bloemguirlanden opgehangen; de geuren van wierook en sandelhout vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen hemden, veelkleurige wollen rokken en korte manteltjes, die lange stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels, vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden21.Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en recht; de van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hoog22. Maar boven alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel, met zijn verbazende trap, die zich buiten om het ronde, torenvormige gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg23.Nu naderde de trein den burcht des konings24, welks afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg van de gansche stad. De muren die het paleis omgaven, waren met verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen, krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts, langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen25, oostwaarts, op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere koningsburcht, met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden.De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil; voetbankdragers hielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw vaderland, en kort daarop in de haar voorloopig tot woning aangewezene vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen.Cambyzes, Bartja en de ons bekende vrienden stonden nog, door honderd aanzienlijke waardigheidbekleeders omgeven, op het slotplein, dat met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen vernam, en eene bij uitnemendheid schoone jonge Perzische maagd, in kostbare kleeding, wier volle blonde harenmet rijke parelsnoeren waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan weer weenende aan Bartja’s hals.De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand ter aarde. Toen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaam u, Atossa! Bedenk dat gij, sedert gij de oorringen draagt26, opgehouden hebt, een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij ’t echter andermaal tot deze plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit, gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Bartja een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus!—Gij wilt niet? Zijt ge boos? Wacht maar, stijfhoofd!”Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn, boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde.Toen Atossa verdwenen was, zeide Bartja: »Gij hebt de arme kleine te hart aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn.”Het gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het barsche antwoord terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen hebben geen rust, vóor dat zij haren aangebeden lieveling weder bij zich hebben. Nitetis zeidemij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mithra27toch gedurig, dat hij u eene eeuwige jeugd schenke, en u de rimpels van den ouderdom spare!”»Wilt gij daarmede zeggen,” vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit, die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken?”»Ik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner woorden. Kom!”»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers achtersta.”»Het gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven.”»Cambyzes!”»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie gij zijt!”Weinige oogenblikken later rustte Bartja aan den boezem zijner blinde moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten, vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op haren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn jongeren broeder ontlastte.Van Cambyzes’ vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden, iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten, hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend geslaagd was. Reeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen.De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassandane, had hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang aan de ouderlijke liefkoozingen onttrokken, toen de jongere broeder het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne koesterende liefde, terwijl Cambyzes zich slechts over de groote toegevendheid van vader en moeder te verblijden had. De toekomstige koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid, maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien; terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks,” aanschouwde.Cambyzes gevoelde zeer goed, dat hij de liefde, die men zijn broeder van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en een weldoener vereerd en bemind werd. Alles wat hem niet behaagde, hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen, en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde zijner moeder en zuster, maar vooral de warme loftuitingen van Nitetis, ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op dien dag niet gekend had.Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning, die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost tot het aanleren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw, wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste mate had gewekt,—had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over Bartja uitgesprokene lofuitingen, en hadden deze slechts gestrekt, om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten.Toen hij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij een kort besluit, en riep hem toe, alvorens van hem te scheiden: »Gij hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren28zijn opgestaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar Rhagae, neem het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!”»Ik dank u, mijn broeder,” riep Bartja; »mogen mijne vrienden Darius, Gyges en Zopyrus mij vergezellen?”»Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten29zal optrekken.”»Morgen reeds vertrek ik!”»Het ga u goed!”»Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer, wilt gij mij dan ééne bede toestaan?”»Dat wil ik.”»O, thans zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik met duizend man tegenover tienduizend Tapoeren!”—’s Jongelings oogen fonkelden. Hij dacht aan Sappho.»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden verwezenlijkt. Maar, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van den edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is uwer waardig, wat hare afkomst betreft.”»O, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik...”»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos.”»Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij, maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van trouwen weten!”»Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden zult zijn teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in het veld te nemen. De Pers vecht gewoonlijk veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten, ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft.”»Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen vader bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet ken en niet mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de vrouwen bemint, geef haar aan Darius of Bessus, beiden verwantenvan Hydarnes. Ik kan haar niet beminnen, en gij zoudt mij dus slechts ongelukkig maken...”Cambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende: »Het is als hadt gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent, slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geen genoegen te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed doen. Trek nu met het leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak gelden. Gij kent mij!”»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid.”»Stel die maar niet te dikwijls op de proef!—Hoe gelukkig ziet gij er uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone alle andere vrouwen veracht.”Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn broeder greep, en riep: »Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?”Cambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon, riep hij scherp en dreigend: »Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij heeft thans anderen die haar bewaken.”Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naar de met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal, waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers, raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit- en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen, oogen en ooren des konings30en boden van allerlei soorthem verbeidden. Herauten met staven in de handen traden voor hem uit, terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel- en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging, elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden, en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten.In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde tafel, die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren vaatwerk, borden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene kleine tafel, bezet met eetgereedschappen, welker waarde vele millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste beweging zijner dischgenooten waarnemen31. Tot het getal dezer dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de grootste onderscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht zich beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen, aan wien slechts een deel van de tafel des konings was toegezonden.Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden zich met eene eerbiedige buiging.Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wijze den disch eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht, en toen de eetlust bevredigd was, werd door een tal van dienaren eene ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen, die later, als »Perzisch nagerecht,” zelfs bij de Grieken groote vermaardheid verkregen32. Daarop verschenen slaven, die de tafel van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een tal van schenkers vulden opde sierlijkste wijze de gouden bekers en proefden den wijn, ten bewijze dat deze geen vergif bevatte. Weldra was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat33.Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich het vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald afkeerig getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder kinderloos was? Waarom wilde hij Nitetis, vóor zijn vertrek naar de Tapoeren, nog eenmaal zien? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed, dat hij van hier gaat, want hij mocht mij anders ook eens de liefde van deze vrouw ontrooven,” dacht de koning. »Ware hij niet mijn broeder, ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert.”Na middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste der eunuchen, verscheen, om hem naar het vrouwenverblijf te geleiden, waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te groot was, placht te begeven.»Phaedime wacht u met ongeduld,” zeide de eunuch.»Laat haar wachten!” antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende tuinen.”»Morgen kan het betrokken worden.”»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?”»De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de gestorvene Amytis.”»Het is goed. Nitetis moet met den grootsten eerbied behandeld worden. Gij zelf hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik u aan haar zal opdragen.”De eunuch boog zich zwijgend.»Zorg er voor, dat niemand, zelfs Cresus niet, met haar spreke, alvorens mijn .... zoo lang ik u geene andere bevelen geef.”»Cresus was hedenavond bij haar.”»Wat wilde hij van mijne gemalin?”»Ik weet het niet, want ik versta geen Grieksch; maar ik hoorde meermalen den naam Bartja uitspreken, en houd het er voor, dat de Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen.Haar gelaat stond droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken was, kwam vernemen, of zij nog iets te bevelen had.”»Angramainjus doe uwe tong verlammen!” bromde de koning, Boges den rug toekeerende, en de fakkeldragers en uitkleeders volgende, die hem naar zijne vertrekken geleidden.Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische grenzen. Cresus verzelde de jonge helden tot aan de poort van Babylon. Toen Bartja zijn grijzen vriend voor het laatst omarmde, fluisterde hij hem toe: »Mocht de bode uit Egypte ook voor mij een schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna.”»Zoudt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen?”»Gyges en Eros zullen mij helpen!”»Nitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten, en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet vergeten.”»Voorzeker niet!”»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader, jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar ter verkrijging van het schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid, aan het muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de zachtmoedigheid van den heerscher maken de menschen gelukkig. Staak den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders, als ’t oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge helden, de overwinning zij met u!”1De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden.2Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als reiswagen.3Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd geperst.4Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van Eratosthenes.5Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig, werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.6Gesnedenen.7Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao’s voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot aan den hals reiken.8Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe zuilen, noemen.9Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk.10Het “moederlooze” getal heeft tot tien geen factor.11zie boven bl.24.12Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was, en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der Ptolemaeën afkomstig.13Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.14Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen werd.15Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard afbeeldingen heeft gegeven.16De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden, volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer 27,000,000 gulden hebben gehad.17zie boven bl.79.18Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.19Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe verbazend groot die stad geweest moet zijn.20Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het nieuwe museum te Berlijn gevonden.21Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.22Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180).23Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven, wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners dier streken “Birs Nimroed,” d. i. burg van Nimrod, genoemd. De hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt 260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan, want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.24Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden, komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.25zie boven bl.94. Aan den oever van den Euphraat in het noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding stonden. Vgl. F. Mürdter,Geschichte Babyloniens und AssyriensStuttgart.26Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol voor gebruikt worden.27De zonne- en lichtgod der Perzen.28Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië.29Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.30Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner speelnooten de rol vervullen van “oog des konings”. Het stelsel van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah, wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de twee ooren des konings van Neder-Egypte.31Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren gemalin des konings met hem aan tafel zaten.32De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.33Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den Granicus zijn leven had gered.
Tweede boek.Eerste hoofdstuk.Zeven weken later bewoog zich op den grooten koningsweg1, die uit het westen naar Babylon voerde, een lange trein van allerlei wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad, die reeds op verren afstand zichtbaar was.Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier wielen, de zoogenaamde harmamaxa2, die aan de vier zijden door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren, terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden, den trein opende.De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk beladene tarwe-, gerst-, en sesamvelden3, die tweehonderd-, ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen, vol goudgele vruchten, stonden allerwegen verspreid over de akkers, die in alle richtingen door goed onderhouden slooten en kanalen doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was, schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren, uit Griekenland en Klein-Aziëafkomstig, van Thapsacus4naar Babylon brachten. Pompwerktuigen en schepraderen besproeiden de akkers en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan het oog voordeed bewees, dat men het middelpunt van een ouden, met groote zorg bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde.Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek5was bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten, hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koningsdochter, en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichteinder afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramiden een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babylon. Sta mij toe, dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan.—Wat ziet gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing, als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel, bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer weder met een blik verwaardigen.—Moed, mijne dochter, moed! Indien gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan!”Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden, en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus, mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! O, verlaat mij ook in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!”Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare mollige armen om den hals van den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter geweest.Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen6, een der aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalte en zeer gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen, zijn hals en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken, die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken van allerlei sterk riekende oliën.De eunuch, Boges genaamd, boog zich eerbiedig voor de Egyptische maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand voor den mond houdende: »Cambyzes, de beheerscher der wereld, zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht, de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden, wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in een Perzischen diamant veranderen.”Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid, de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt.Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het onderscheidingsteeken van Egyptische vorstendochters7, losmaken, om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden.Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens; de koks begaven zich met den meesten spoed aan denarbeid, en allen hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden, de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen tot gemak beladen, van waterdichte met goud doorwerkte tenten, tot zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks, schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers op wagens medegevoerd.Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen, goed ingerichte vreemdelinghuizen. Hier werden de vermoeide paarden en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations, dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus, die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in zijn wereldrijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben, rende deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste ruiters ter wereld gehouden8.Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had, van tafel opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt »Ha!” ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn harer zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen bogen diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid afgelegd, en met het van goud en edelgesteenteflonkerende zijden gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener koningin aangetogen.Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste der eunuchen9, en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte: »Gij hebt uw plicht gedaan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een loffelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid.”De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot nu toe waren al de vrouwen van Cambyzes Aziatische, en deze plachten altijd, de onbeperkte macht van den overste der eunuchen kennende, al het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen en onderworpenheid te winnen.Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide: »U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch door eenig geschenk vergelden, wat gij aan mij gedaan hebt; want u alleen zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag.—Neem dezen ring,” zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen, gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene zeven10. Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord.Deze zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat ik u wensch: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid, die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven, zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Cresus weer te geven.—Gij, Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster, zoo dikwijls gij de snaren tokkelt.—U, Zopyrus, bied ik deze gouden keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen11.—U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in het metaal gegraveerd12.—Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder, zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem deze amulet van blauw steen13. Mijne zuster Tachot hing ze mij om den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide:‘deze talisman verschaffe allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde.’Zij weende, terwijl ze dat zeide, Bartja!—Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen leg. Houd het er voor, dat Tachot het u door mijne tusschenkomst aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs.”Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richtte zij in gebroken Perzisch het woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren: »Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babylon zal ik u duizend gouden staters14doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges,” vervolgde zij, zich tot den eunuch wendende, »uiterlijk overmorgen deze som onder de lieden te doen verdeelen.—Leid mij thans naar mijn wagen, Cresus!”De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voldoen. Terwijl hij Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm aan hare borst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden, mijn vader?”»Ik zeg u, meisje,” antwoordde de grijsaard, »gij zult aan dit hof de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd zetelt de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig veel te doen. Geloof mij, dat een klein geschenk, gelijk gij het weet te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan een hoop goud, dien men hem voor de voeten werpt. Kostbare geschenken te geven en te ontvangen is de gewoonte der Perzen. Zij verstaan de kunst elkander te verrijken. Gij zult hun leeren, elkaar gelukkiger te maken.—Wat zijt gij schoon!—Zit gij zóó goed, of verlangt gij hooger kussens?—Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed, mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!—Te paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!”Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intusschen al nader en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte, bij eene kromming van den weg, verborgen. Maar op eens vertoonden zich de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik.De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper, goud, zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan den raafzwarten hengst dien hij bereed15. Telkens werd hij door het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen, dat hij juist deman was, om zijn overmoed te temmen. Deze ruiter, wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit, bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk16. Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen van geel leder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt, waarin een korte dolkvormige sabel stak, welker greep en scheede met edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van onder dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte geheel het benedendeel van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen daarentegen waren nog zwarter dan haar en baard, en daaruit straalde geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken, het gevolg van den sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen neus en zijne smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel van groote kracht en mateloozen trots.Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog nooit aanschouwd. Als door toovermacht voelde zij zich tot hem getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als was de gansche wereld, en in de eerste plaats zijzelve, geschapen om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank om den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth17, den vader van al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van haar vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cambyzes zijn woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong, met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij den koning zou hebben erkend, al had niemand het haar gezegd.Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werdsteeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naar hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en, volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad hun vorst ontvingen.Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden ’s konings tapijtenleggers, snel als de gedachte, een zwaar purperen dekkleed op den weg uitgespreid, opdat de voet van den vorst het stof niet beroeren zou, en weinige oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten, terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen, en hem als tolk naar den wagen van Nitetis te volgen.De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden wagen.»Zij is schoon en mijn hart welgevallig,” riep de Perzische vorst den Lydischen grijsaard toe. »Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische, de Assyrische en de Medische taal.”Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden, sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch: »Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd18.”Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig voor. Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: »Het verheugt mij, dat ik zonder tolk metu kan spreken. Ga voort u toe te leggen op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn.”»Gij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel,” antwoordde de grijsaard, »want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen wenschen, dan de dochter van Amasis.”»Zij bevestigt den ouden roem der Egyptische wijsheid,” hervatte de koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs der magiërs, die haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan en in hare ziel opnemen zal.”Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was aanstaande. In plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde goden moeten dienen.Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde: »Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn hart welgevallig. Zorg dat dit zoo blijve! Wij willen beproeven uwe liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad, Boges, dien ik u tegemoet heb gezonden, met minzaamheid te bejegenen, want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de bestuurder is van het vrouwenverblijf.”»Al is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf,” antwoordde Nitetis,»zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen; bedenk evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land afkomstig, waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt; dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe oogen zie lichten, mijn gebieder!—U, den grooten man, mijn gemaal en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maar om de gunst van den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen, dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij mij mocht willen voorschrijven.”De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne macht over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde, bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide: »Gij hebt gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht.”»Dank, duizendwerf dank!” riep Nitetis. »O, zoo gij wist, hoe gelukkig gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde broeder, Bartja, mij veel moeten verhalen; en geene der heerlijkheden van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning, die dezen schoonen berg liet opwerpen.”»Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans, hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?”»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen leeren kennen, zonder hem te beminnen? Wie zou niet de schoonheid der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte, die zich rondom hem verdrong.”Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, trok er eene wolk over ’s konings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden slag, zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babylon.Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in de gelegenheid was geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babylon niet aan éene zijde door ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd. Haar omtrek was meer dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel harer muren verhieven zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van Thebe en Memphis overtroffen19.De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk aangezicht, in liggende houding, verhief20. Deze monsters waren eene zinnebeeldige voorstelling van de almacht der goden. De hoogste kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op; met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen.Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich, overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest, door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had zich dan ook heden geheel Babylon opgemaakt, om den gevreesden gebieder en den geliefden jongsten zoon van Cyrus te zien en te begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en palmtakken bestrooid; allerlei groene boomen stonden voor de deuren; uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis waren bloemguirlanden opgehangen; de geuren van wierook en sandelhout vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen hemden, veelkleurige wollen rokken en korte manteltjes, die lange stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels, vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden21.Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en recht; de van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hoog22. Maar boven alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel, met zijn verbazende trap, die zich buiten om het ronde, torenvormige gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg23.Nu naderde de trein den burcht des konings24, welks afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg van de gansche stad. De muren die het paleis omgaven, waren met verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen, krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts, langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen25, oostwaarts, op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere koningsburcht, met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden.De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil; voetbankdragers hielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw vaderland, en kort daarop in de haar voorloopig tot woning aangewezene vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen.Cambyzes, Bartja en de ons bekende vrienden stonden nog, door honderd aanzienlijke waardigheidbekleeders omgeven, op het slotplein, dat met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen vernam, en eene bij uitnemendheid schoone jonge Perzische maagd, in kostbare kleeding, wier volle blonde harenmet rijke parelsnoeren waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan weer weenende aan Bartja’s hals.De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand ter aarde. Toen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaam u, Atossa! Bedenk dat gij, sedert gij de oorringen draagt26, opgehouden hebt, een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij ’t echter andermaal tot deze plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit, gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Bartja een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus!—Gij wilt niet? Zijt ge boos? Wacht maar, stijfhoofd!”Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn, boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde.Toen Atossa verdwenen was, zeide Bartja: »Gij hebt de arme kleine te hart aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn.”Het gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het barsche antwoord terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen hebben geen rust, vóor dat zij haren aangebeden lieveling weder bij zich hebben. Nitetis zeidemij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mithra27toch gedurig, dat hij u eene eeuwige jeugd schenke, en u de rimpels van den ouderdom spare!”»Wilt gij daarmede zeggen,” vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit, die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken?”»Ik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner woorden. Kom!”»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers achtersta.”»Het gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven.”»Cambyzes!”»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie gij zijt!”Weinige oogenblikken later rustte Bartja aan den boezem zijner blinde moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten, vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op haren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn jongeren broeder ontlastte.Van Cambyzes’ vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden, iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten, hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend geslaagd was. Reeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen.De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassandane, had hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang aan de ouderlijke liefkoozingen onttrokken, toen de jongere broeder het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne koesterende liefde, terwijl Cambyzes zich slechts over de groote toegevendheid van vader en moeder te verblijden had. De toekomstige koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid, maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien; terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks,” aanschouwde.Cambyzes gevoelde zeer goed, dat hij de liefde, die men zijn broeder van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en een weldoener vereerd en bemind werd. Alles wat hem niet behaagde, hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen, en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde zijner moeder en zuster, maar vooral de warme loftuitingen van Nitetis, ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op dien dag niet gekend had.Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning, die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost tot het aanleren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw, wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste mate had gewekt,—had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over Bartja uitgesprokene lofuitingen, en hadden deze slechts gestrekt, om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten.Toen hij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij een kort besluit, en riep hem toe, alvorens van hem te scheiden: »Gij hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren28zijn opgestaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar Rhagae, neem het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!”»Ik dank u, mijn broeder,” riep Bartja; »mogen mijne vrienden Darius, Gyges en Zopyrus mij vergezellen?”»Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten29zal optrekken.”»Morgen reeds vertrek ik!”»Het ga u goed!”»Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer, wilt gij mij dan ééne bede toestaan?”»Dat wil ik.”»O, thans zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik met duizend man tegenover tienduizend Tapoeren!”—’s Jongelings oogen fonkelden. Hij dacht aan Sappho.»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden verwezenlijkt. Maar, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van den edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is uwer waardig, wat hare afkomst betreft.”»O, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik...”»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos.”»Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij, maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van trouwen weten!”»Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden zult zijn teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in het veld te nemen. De Pers vecht gewoonlijk veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten, ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft.”»Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen vader bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet ken en niet mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de vrouwen bemint, geef haar aan Darius of Bessus, beiden verwantenvan Hydarnes. Ik kan haar niet beminnen, en gij zoudt mij dus slechts ongelukkig maken...”Cambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende: »Het is als hadt gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent, slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geen genoegen te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed doen. Trek nu met het leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak gelden. Gij kent mij!”»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid.”»Stel die maar niet te dikwijls op de proef!—Hoe gelukkig ziet gij er uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone alle andere vrouwen veracht.”Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn broeder greep, en riep: »Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?”Cambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon, riep hij scherp en dreigend: »Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij heeft thans anderen die haar bewaken.”Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naar de met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal, waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers, raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit- en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen, oogen en ooren des konings30en boden van allerlei soorthem verbeidden. Herauten met staven in de handen traden voor hem uit, terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel- en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging, elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden, en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten.In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde tafel, die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren vaatwerk, borden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene kleine tafel, bezet met eetgereedschappen, welker waarde vele millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste beweging zijner dischgenooten waarnemen31. Tot het getal dezer dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de grootste onderscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht zich beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen, aan wien slechts een deel van de tafel des konings was toegezonden.Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden zich met eene eerbiedige buiging.Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wijze den disch eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht, en toen de eetlust bevredigd was, werd door een tal van dienaren eene ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen, die later, als »Perzisch nagerecht,” zelfs bij de Grieken groote vermaardheid verkregen32. Daarop verschenen slaven, die de tafel van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een tal van schenkers vulden opde sierlijkste wijze de gouden bekers en proefden den wijn, ten bewijze dat deze geen vergif bevatte. Weldra was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat33.Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich het vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald afkeerig getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder kinderloos was? Waarom wilde hij Nitetis, vóor zijn vertrek naar de Tapoeren, nog eenmaal zien? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed, dat hij van hier gaat, want hij mocht mij anders ook eens de liefde van deze vrouw ontrooven,” dacht de koning. »Ware hij niet mijn broeder, ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert.”Na middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste der eunuchen, verscheen, om hem naar het vrouwenverblijf te geleiden, waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te groot was, placht te begeven.»Phaedime wacht u met ongeduld,” zeide de eunuch.»Laat haar wachten!” antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende tuinen.”»Morgen kan het betrokken worden.”»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?”»De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de gestorvene Amytis.”»Het is goed. Nitetis moet met den grootsten eerbied behandeld worden. Gij zelf hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik u aan haar zal opdragen.”De eunuch boog zich zwijgend.»Zorg er voor, dat niemand, zelfs Cresus niet, met haar spreke, alvorens mijn .... zoo lang ik u geene andere bevelen geef.”»Cresus was hedenavond bij haar.”»Wat wilde hij van mijne gemalin?”»Ik weet het niet, want ik versta geen Grieksch; maar ik hoorde meermalen den naam Bartja uitspreken, en houd het er voor, dat de Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen.Haar gelaat stond droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken was, kwam vernemen, of zij nog iets te bevelen had.”»Angramainjus doe uwe tong verlammen!” bromde de koning, Boges den rug toekeerende, en de fakkeldragers en uitkleeders volgende, die hem naar zijne vertrekken geleidden.Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische grenzen. Cresus verzelde de jonge helden tot aan de poort van Babylon. Toen Bartja zijn grijzen vriend voor het laatst omarmde, fluisterde hij hem toe: »Mocht de bode uit Egypte ook voor mij een schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna.”»Zoudt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen?”»Gyges en Eros zullen mij helpen!”»Nitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten, en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet vergeten.”»Voorzeker niet!”»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader, jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar ter verkrijging van het schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid, aan het muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de zachtmoedigheid van den heerscher maken de menschen gelukkig. Staak den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders, als ’t oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge helden, de overwinning zij met u!”1De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden.2Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als reiswagen.3Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd geperst.4Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van Eratosthenes.5Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig, werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.6Gesnedenen.7Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao’s voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot aan den hals reiken.8Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe zuilen, noemen.9Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk.10Het “moederlooze” getal heeft tot tien geen factor.11zie boven bl.24.12Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was, en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der Ptolemaeën afkomstig.13Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.14Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen werd.15Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard afbeeldingen heeft gegeven.16De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden, volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer 27,000,000 gulden hebben gehad.17zie boven bl.79.18Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.19Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe verbazend groot die stad geweest moet zijn.20Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het nieuwe museum te Berlijn gevonden.21Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.22Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180).23Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven, wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners dier streken “Birs Nimroed,” d. i. burg van Nimrod, genoemd. De hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt 260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan, want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.24Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden, komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.25zie boven bl.94. Aan den oever van den Euphraat in het noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding stonden. Vgl. F. Mürdter,Geschichte Babyloniens und AssyriensStuttgart.26Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol voor gebruikt worden.27De zonne- en lichtgod der Perzen.28Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië.29Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.30Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner speelnooten de rol vervullen van “oog des konings”. Het stelsel van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah, wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de twee ooren des konings van Neder-Egypte.31Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren gemalin des konings met hem aan tafel zaten.32De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.33Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den Granicus zijn leven had gered.
Eerste hoofdstuk.Zeven weken later bewoog zich op den grooten koningsweg1, die uit het westen naar Babylon voerde, een lange trein van allerlei wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad, die reeds op verren afstand zichtbaar was.Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier wielen, de zoogenaamde harmamaxa2, die aan de vier zijden door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren, terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden, den trein opende.De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk beladene tarwe-, gerst-, en sesamvelden3, die tweehonderd-, ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen, vol goudgele vruchten, stonden allerwegen verspreid over de akkers, die in alle richtingen door goed onderhouden slooten en kanalen doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was, schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren, uit Griekenland en Klein-Aziëafkomstig, van Thapsacus4naar Babylon brachten. Pompwerktuigen en schepraderen besproeiden de akkers en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan het oog voordeed bewees, dat men het middelpunt van een ouden, met groote zorg bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde.Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek5was bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten, hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koningsdochter, en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichteinder afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramiden een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babylon. Sta mij toe, dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan.—Wat ziet gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing, als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel, bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer weder met een blik verwaardigen.—Moed, mijne dochter, moed! Indien gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan!”Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden, en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus, mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! O, verlaat mij ook in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!”Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare mollige armen om den hals van den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter geweest.Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen6, een der aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalte en zeer gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen, zijn hals en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken, die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken van allerlei sterk riekende oliën.De eunuch, Boges genaamd, boog zich eerbiedig voor de Egyptische maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand voor den mond houdende: »Cambyzes, de beheerscher der wereld, zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht, de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden, wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in een Perzischen diamant veranderen.”Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid, de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt.Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het onderscheidingsteeken van Egyptische vorstendochters7, losmaken, om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden.Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens; de koks begaven zich met den meesten spoed aan denarbeid, en allen hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden, de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen tot gemak beladen, van waterdichte met goud doorwerkte tenten, tot zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks, schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers op wagens medegevoerd.Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen, goed ingerichte vreemdelinghuizen. Hier werden de vermoeide paarden en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations, dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus, die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in zijn wereldrijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben, rende deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste ruiters ter wereld gehouden8.Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had, van tafel opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt »Ha!” ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn harer zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen bogen diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid afgelegd, en met het van goud en edelgesteenteflonkerende zijden gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener koningin aangetogen.Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste der eunuchen9, en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte: »Gij hebt uw plicht gedaan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een loffelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid.”De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot nu toe waren al de vrouwen van Cambyzes Aziatische, en deze plachten altijd, de onbeperkte macht van den overste der eunuchen kennende, al het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen en onderworpenheid te winnen.Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide: »U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch door eenig geschenk vergelden, wat gij aan mij gedaan hebt; want u alleen zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag.—Neem dezen ring,” zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen, gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene zeven10. Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord.Deze zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat ik u wensch: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid, die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven, zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Cresus weer te geven.—Gij, Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster, zoo dikwijls gij de snaren tokkelt.—U, Zopyrus, bied ik deze gouden keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen11.—U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in het metaal gegraveerd12.—Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder, zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem deze amulet van blauw steen13. Mijne zuster Tachot hing ze mij om den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide:‘deze talisman verschaffe allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde.’Zij weende, terwijl ze dat zeide, Bartja!—Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen leg. Houd het er voor, dat Tachot het u door mijne tusschenkomst aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs.”Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richtte zij in gebroken Perzisch het woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren: »Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babylon zal ik u duizend gouden staters14doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges,” vervolgde zij, zich tot den eunuch wendende, »uiterlijk overmorgen deze som onder de lieden te doen verdeelen.—Leid mij thans naar mijn wagen, Cresus!”De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voldoen. Terwijl hij Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm aan hare borst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden, mijn vader?”»Ik zeg u, meisje,” antwoordde de grijsaard, »gij zult aan dit hof de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd zetelt de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig veel te doen. Geloof mij, dat een klein geschenk, gelijk gij het weet te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan een hoop goud, dien men hem voor de voeten werpt. Kostbare geschenken te geven en te ontvangen is de gewoonte der Perzen. Zij verstaan de kunst elkander te verrijken. Gij zult hun leeren, elkaar gelukkiger te maken.—Wat zijt gij schoon!—Zit gij zóó goed, of verlangt gij hooger kussens?—Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed, mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!—Te paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!”Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intusschen al nader en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte, bij eene kromming van den weg, verborgen. Maar op eens vertoonden zich de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik.De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper, goud, zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan den raafzwarten hengst dien hij bereed15. Telkens werd hij door het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen, dat hij juist deman was, om zijn overmoed te temmen. Deze ruiter, wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit, bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk16. Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen van geel leder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt, waarin een korte dolkvormige sabel stak, welker greep en scheede met edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van onder dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte geheel het benedendeel van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen daarentegen waren nog zwarter dan haar en baard, en daaruit straalde geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken, het gevolg van den sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen neus en zijne smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel van groote kracht en mateloozen trots.Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog nooit aanschouwd. Als door toovermacht voelde zij zich tot hem getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als was de gansche wereld, en in de eerste plaats zijzelve, geschapen om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank om den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth17, den vader van al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van haar vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cambyzes zijn woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong, met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij den koning zou hebben erkend, al had niemand het haar gezegd.Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werdsteeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naar hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en, volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad hun vorst ontvingen.Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden ’s konings tapijtenleggers, snel als de gedachte, een zwaar purperen dekkleed op den weg uitgespreid, opdat de voet van den vorst het stof niet beroeren zou, en weinige oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten, terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen, en hem als tolk naar den wagen van Nitetis te volgen.De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden wagen.»Zij is schoon en mijn hart welgevallig,” riep de Perzische vorst den Lydischen grijsaard toe. »Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische, de Assyrische en de Medische taal.”Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden, sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch: »Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd18.”Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig voor. Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: »Het verheugt mij, dat ik zonder tolk metu kan spreken. Ga voort u toe te leggen op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn.”»Gij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel,” antwoordde de grijsaard, »want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen wenschen, dan de dochter van Amasis.”»Zij bevestigt den ouden roem der Egyptische wijsheid,” hervatte de koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs der magiërs, die haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan en in hare ziel opnemen zal.”Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was aanstaande. In plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde goden moeten dienen.Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde: »Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn hart welgevallig. Zorg dat dit zoo blijve! Wij willen beproeven uwe liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad, Boges, dien ik u tegemoet heb gezonden, met minzaamheid te bejegenen, want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de bestuurder is van het vrouwenverblijf.”»Al is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf,” antwoordde Nitetis,»zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen; bedenk evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land afkomstig, waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt; dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe oogen zie lichten, mijn gebieder!—U, den grooten man, mijn gemaal en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maar om de gunst van den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen, dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij mij mocht willen voorschrijven.”De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne macht over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde, bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide: »Gij hebt gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht.”»Dank, duizendwerf dank!” riep Nitetis. »O, zoo gij wist, hoe gelukkig gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde broeder, Bartja, mij veel moeten verhalen; en geene der heerlijkheden van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning, die dezen schoonen berg liet opwerpen.”»Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans, hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?”»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen leeren kennen, zonder hem te beminnen? Wie zou niet de schoonheid der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte, die zich rondom hem verdrong.”Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, trok er eene wolk over ’s konings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden slag, zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babylon.Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in de gelegenheid was geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babylon niet aan éene zijde door ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd. Haar omtrek was meer dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel harer muren verhieven zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van Thebe en Memphis overtroffen19.De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk aangezicht, in liggende houding, verhief20. Deze monsters waren eene zinnebeeldige voorstelling van de almacht der goden. De hoogste kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op; met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen.Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich, overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest, door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had zich dan ook heden geheel Babylon opgemaakt, om den gevreesden gebieder en den geliefden jongsten zoon van Cyrus te zien en te begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en palmtakken bestrooid; allerlei groene boomen stonden voor de deuren; uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis waren bloemguirlanden opgehangen; de geuren van wierook en sandelhout vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen hemden, veelkleurige wollen rokken en korte manteltjes, die lange stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels, vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden21.Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en recht; de van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hoog22. Maar boven alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel, met zijn verbazende trap, die zich buiten om het ronde, torenvormige gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg23.Nu naderde de trein den burcht des konings24, welks afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg van de gansche stad. De muren die het paleis omgaven, waren met verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen, krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts, langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen25, oostwaarts, op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere koningsburcht, met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden.De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil; voetbankdragers hielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw vaderland, en kort daarop in de haar voorloopig tot woning aangewezene vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen.Cambyzes, Bartja en de ons bekende vrienden stonden nog, door honderd aanzienlijke waardigheidbekleeders omgeven, op het slotplein, dat met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen vernam, en eene bij uitnemendheid schoone jonge Perzische maagd, in kostbare kleeding, wier volle blonde harenmet rijke parelsnoeren waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan weer weenende aan Bartja’s hals.De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand ter aarde. Toen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaam u, Atossa! Bedenk dat gij, sedert gij de oorringen draagt26, opgehouden hebt, een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij ’t echter andermaal tot deze plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit, gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Bartja een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus!—Gij wilt niet? Zijt ge boos? Wacht maar, stijfhoofd!”Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn, boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde.Toen Atossa verdwenen was, zeide Bartja: »Gij hebt de arme kleine te hart aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn.”Het gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het barsche antwoord terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen hebben geen rust, vóor dat zij haren aangebeden lieveling weder bij zich hebben. Nitetis zeidemij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mithra27toch gedurig, dat hij u eene eeuwige jeugd schenke, en u de rimpels van den ouderdom spare!”»Wilt gij daarmede zeggen,” vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit, die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken?”»Ik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner woorden. Kom!”»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers achtersta.”»Het gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven.”»Cambyzes!”»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie gij zijt!”Weinige oogenblikken later rustte Bartja aan den boezem zijner blinde moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten, vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op haren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn jongeren broeder ontlastte.Van Cambyzes’ vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden, iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten, hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend geslaagd was. Reeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen.De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassandane, had hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang aan de ouderlijke liefkoozingen onttrokken, toen de jongere broeder het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne koesterende liefde, terwijl Cambyzes zich slechts over de groote toegevendheid van vader en moeder te verblijden had. De toekomstige koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid, maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien; terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks,” aanschouwde.Cambyzes gevoelde zeer goed, dat hij de liefde, die men zijn broeder van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en een weldoener vereerd en bemind werd. Alles wat hem niet behaagde, hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen, en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde zijner moeder en zuster, maar vooral de warme loftuitingen van Nitetis, ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op dien dag niet gekend had.Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning, die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost tot het aanleren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw, wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste mate had gewekt,—had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over Bartja uitgesprokene lofuitingen, en hadden deze slechts gestrekt, om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten.Toen hij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij een kort besluit, en riep hem toe, alvorens van hem te scheiden: »Gij hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren28zijn opgestaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar Rhagae, neem het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!”»Ik dank u, mijn broeder,” riep Bartja; »mogen mijne vrienden Darius, Gyges en Zopyrus mij vergezellen?”»Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten29zal optrekken.”»Morgen reeds vertrek ik!”»Het ga u goed!”»Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer, wilt gij mij dan ééne bede toestaan?”»Dat wil ik.”»O, thans zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik met duizend man tegenover tienduizend Tapoeren!”—’s Jongelings oogen fonkelden. Hij dacht aan Sappho.»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden verwezenlijkt. Maar, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van den edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is uwer waardig, wat hare afkomst betreft.”»O, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik...”»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos.”»Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij, maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van trouwen weten!”»Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden zult zijn teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in het veld te nemen. De Pers vecht gewoonlijk veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten, ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft.”»Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen vader bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet ken en niet mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de vrouwen bemint, geef haar aan Darius of Bessus, beiden verwantenvan Hydarnes. Ik kan haar niet beminnen, en gij zoudt mij dus slechts ongelukkig maken...”Cambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende: »Het is als hadt gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent, slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geen genoegen te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed doen. Trek nu met het leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak gelden. Gij kent mij!”»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid.”»Stel die maar niet te dikwijls op de proef!—Hoe gelukkig ziet gij er uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone alle andere vrouwen veracht.”Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn broeder greep, en riep: »Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?”Cambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon, riep hij scherp en dreigend: »Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij heeft thans anderen die haar bewaken.”Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naar de met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal, waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers, raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit- en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen, oogen en ooren des konings30en boden van allerlei soorthem verbeidden. Herauten met staven in de handen traden voor hem uit, terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel- en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging, elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden, en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten.In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde tafel, die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren vaatwerk, borden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene kleine tafel, bezet met eetgereedschappen, welker waarde vele millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste beweging zijner dischgenooten waarnemen31. Tot het getal dezer dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de grootste onderscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht zich beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen, aan wien slechts een deel van de tafel des konings was toegezonden.Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden zich met eene eerbiedige buiging.Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wijze den disch eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht, en toen de eetlust bevredigd was, werd door een tal van dienaren eene ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen, die later, als »Perzisch nagerecht,” zelfs bij de Grieken groote vermaardheid verkregen32. Daarop verschenen slaven, die de tafel van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een tal van schenkers vulden opde sierlijkste wijze de gouden bekers en proefden den wijn, ten bewijze dat deze geen vergif bevatte. Weldra was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat33.Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich het vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald afkeerig getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder kinderloos was? Waarom wilde hij Nitetis, vóor zijn vertrek naar de Tapoeren, nog eenmaal zien? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed, dat hij van hier gaat, want hij mocht mij anders ook eens de liefde van deze vrouw ontrooven,” dacht de koning. »Ware hij niet mijn broeder, ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert.”Na middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste der eunuchen, verscheen, om hem naar het vrouwenverblijf te geleiden, waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te groot was, placht te begeven.»Phaedime wacht u met ongeduld,” zeide de eunuch.»Laat haar wachten!” antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende tuinen.”»Morgen kan het betrokken worden.”»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?”»De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de gestorvene Amytis.”»Het is goed. Nitetis moet met den grootsten eerbied behandeld worden. Gij zelf hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik u aan haar zal opdragen.”De eunuch boog zich zwijgend.»Zorg er voor, dat niemand, zelfs Cresus niet, met haar spreke, alvorens mijn .... zoo lang ik u geene andere bevelen geef.”»Cresus was hedenavond bij haar.”»Wat wilde hij van mijne gemalin?”»Ik weet het niet, want ik versta geen Grieksch; maar ik hoorde meermalen den naam Bartja uitspreken, en houd het er voor, dat de Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen.Haar gelaat stond droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken was, kwam vernemen, of zij nog iets te bevelen had.”»Angramainjus doe uwe tong verlammen!” bromde de koning, Boges den rug toekeerende, en de fakkeldragers en uitkleeders volgende, die hem naar zijne vertrekken geleidden.Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische grenzen. Cresus verzelde de jonge helden tot aan de poort van Babylon. Toen Bartja zijn grijzen vriend voor het laatst omarmde, fluisterde hij hem toe: »Mocht de bode uit Egypte ook voor mij een schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna.”»Zoudt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen?”»Gyges en Eros zullen mij helpen!”»Nitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten, en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet vergeten.”»Voorzeker niet!”»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader, jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar ter verkrijging van het schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid, aan het muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de zachtmoedigheid van den heerscher maken de menschen gelukkig. Staak den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders, als ’t oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge helden, de overwinning zij met u!”1De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden.2Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als reiswagen.3Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd geperst.4Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van Eratosthenes.5Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig, werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.6Gesnedenen.7Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao’s voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot aan den hals reiken.8Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe zuilen, noemen.9Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk.10Het “moederlooze” getal heeft tot tien geen factor.11zie boven bl.24.12Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was, en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der Ptolemaeën afkomstig.13Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.14Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen werd.15Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard afbeeldingen heeft gegeven.16De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden, volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer 27,000,000 gulden hebben gehad.17zie boven bl.79.18Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.19Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe verbazend groot die stad geweest moet zijn.20Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het nieuwe museum te Berlijn gevonden.21Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.22Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180).23Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven, wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners dier streken “Birs Nimroed,” d. i. burg van Nimrod, genoemd. De hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt 260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan, want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.24Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden, komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.25zie boven bl.94. Aan den oever van den Euphraat in het noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding stonden. Vgl. F. Mürdter,Geschichte Babyloniens und AssyriensStuttgart.26Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol voor gebruikt worden.27De zonne- en lichtgod der Perzen.28Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië.29Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.30Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner speelnooten de rol vervullen van “oog des konings”. Het stelsel van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah, wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de twee ooren des konings van Neder-Egypte.31Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren gemalin des konings met hem aan tafel zaten.32De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.33Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den Granicus zijn leven had gered.
Zeven weken later bewoog zich op den grooten koningsweg1, die uit het westen naar Babylon voerde, een lange trein van allerlei wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad, die reeds op verren afstand zichtbaar was.
Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier wielen, de zoogenaamde harmamaxa2, die aan de vier zijden door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren, terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden, den trein opende.
De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk beladene tarwe-, gerst-, en sesamvelden3, die tweehonderd-, ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen, vol goudgele vruchten, stonden allerwegen verspreid over de akkers, die in alle richtingen door goed onderhouden slooten en kanalen doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was, schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren, uit Griekenland en Klein-Aziëafkomstig, van Thapsacus4naar Babylon brachten. Pompwerktuigen en schepraderen besproeiden de akkers en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan het oog voordeed bewees, dat men het middelpunt van een ouden, met groote zorg bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde.
Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek5was bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten, hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koningsdochter, en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichteinder afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramiden een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babylon. Sta mij toe, dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan.—Wat ziet gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing, als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel, bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer weder met een blik verwaardigen.—Moed, mijne dochter, moed! Indien gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan!”
Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden, en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus, mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! O, verlaat mij ook in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!”
Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare mollige armen om den hals van den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter geweest.
Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen6, een der aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalte en zeer gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen, zijn hals en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken, die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken van allerlei sterk riekende oliën.
De eunuch, Boges genaamd, boog zich eerbiedig voor de Egyptische maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand voor den mond houdende: »Cambyzes, de beheerscher der wereld, zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht, de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden, wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in een Perzischen diamant veranderen.”
Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid, de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt.
Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het onderscheidingsteeken van Egyptische vorstendochters7, losmaken, om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden.
Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens; de koks begaven zich met den meesten spoed aan denarbeid, en allen hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden, de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen tot gemak beladen, van waterdichte met goud doorwerkte tenten, tot zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks, schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers op wagens medegevoerd.
Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen, goed ingerichte vreemdelinghuizen. Hier werden de vermoeide paarden en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations, dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus, die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in zijn wereldrijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben, rende deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste ruiters ter wereld gehouden8.
Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had, van tafel opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt »Ha!” ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn harer zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen bogen diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid afgelegd, en met het van goud en edelgesteenteflonkerende zijden gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener koningin aangetogen.
Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste der eunuchen9, en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte: »Gij hebt uw plicht gedaan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een loffelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid.”
De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot nu toe waren al de vrouwen van Cambyzes Aziatische, en deze plachten altijd, de onbeperkte macht van den overste der eunuchen kennende, al het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen en onderworpenheid te winnen.
Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide: »U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch door eenig geschenk vergelden, wat gij aan mij gedaan hebt; want u alleen zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag.—Neem dezen ring,” zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen, gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene zeven10. Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord.Deze zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat ik u wensch: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid, die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven, zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Cresus weer te geven.—Gij, Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster, zoo dikwijls gij de snaren tokkelt.—U, Zopyrus, bied ik deze gouden keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen11.—U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in het metaal gegraveerd12.—Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder, zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem deze amulet van blauw steen13. Mijne zuster Tachot hing ze mij om den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide:‘deze talisman verschaffe allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde.’Zij weende, terwijl ze dat zeide, Bartja!—Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen leg. Houd het er voor, dat Tachot het u door mijne tusschenkomst aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs.”
Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richtte zij in gebroken Perzisch het woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren: »Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babylon zal ik u duizend gouden staters14doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges,” vervolgde zij, zich tot den eunuch wendende, »uiterlijk overmorgen deze som onder de lieden te doen verdeelen.—Leid mij thans naar mijn wagen, Cresus!”
De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voldoen. Terwijl hij Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm aan hare borst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden, mijn vader?”
»Ik zeg u, meisje,” antwoordde de grijsaard, »gij zult aan dit hof de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd zetelt de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig veel te doen. Geloof mij, dat een klein geschenk, gelijk gij het weet te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan een hoop goud, dien men hem voor de voeten werpt. Kostbare geschenken te geven en te ontvangen is de gewoonte der Perzen. Zij verstaan de kunst elkander te verrijken. Gij zult hun leeren, elkaar gelukkiger te maken.—Wat zijt gij schoon!—Zit gij zóó goed, of verlangt gij hooger kussens?—Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed, mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!—Te paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!”
Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intusschen al nader en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte, bij eene kromming van den weg, verborgen. Maar op eens vertoonden zich de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik.
De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper, goud, zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan den raafzwarten hengst dien hij bereed15. Telkens werd hij door het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen, dat hij juist deman was, om zijn overmoed te temmen. Deze ruiter, wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit, bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk16. Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen van geel leder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt, waarin een korte dolkvormige sabel stak, welker greep en scheede met edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van onder dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte geheel het benedendeel van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen daarentegen waren nog zwarter dan haar en baard, en daaruit straalde geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken, het gevolg van den sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen neus en zijne smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel van groote kracht en mateloozen trots.
Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog nooit aanschouwd. Als door toovermacht voelde zij zich tot hem getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als was de gansche wereld, en in de eerste plaats zijzelve, geschapen om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank om den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth17, den vader van al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van haar vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cambyzes zijn woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong, met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij den koning zou hebben erkend, al had niemand het haar gezegd.
Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werdsteeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naar hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en, volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad hun vorst ontvingen.
Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden ’s konings tapijtenleggers, snel als de gedachte, een zwaar purperen dekkleed op den weg uitgespreid, opdat de voet van den vorst het stof niet beroeren zou, en weinige oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten, terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen, en hem als tolk naar den wagen van Nitetis te volgen.
De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden wagen.
»Zij is schoon en mijn hart welgevallig,” riep de Perzische vorst den Lydischen grijsaard toe. »Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische, de Assyrische en de Medische taal.”
Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden, sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch: »Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd18.”
Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig voor. Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: »Het verheugt mij, dat ik zonder tolk metu kan spreken. Ga voort u toe te leggen op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn.”
»Gij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel,” antwoordde de grijsaard, »want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen wenschen, dan de dochter van Amasis.”
»Zij bevestigt den ouden roem der Egyptische wijsheid,” hervatte de koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs der magiërs, die haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan en in hare ziel opnemen zal.”
Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was aanstaande. In plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde goden moeten dienen.
Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde: »Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn hart welgevallig. Zorg dat dit zoo blijve! Wij willen beproeven uwe liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad, Boges, dien ik u tegemoet heb gezonden, met minzaamheid te bejegenen, want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de bestuurder is van het vrouwenverblijf.”
»Al is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf,” antwoordde Nitetis,»zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen; bedenk evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land afkomstig, waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt; dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe oogen zie lichten, mijn gebieder!—U, den grooten man, mijn gemaal en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maar om de gunst van den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen, dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij mij mocht willen voorschrijven.”
De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne macht over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde, bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide: »Gij hebt gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht.”
»Dank, duizendwerf dank!” riep Nitetis. »O, zoo gij wist, hoe gelukkig gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde broeder, Bartja, mij veel moeten verhalen; en geene der heerlijkheden van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning, die dezen schoonen berg liet opwerpen.”
»Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans, hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?”
»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen leeren kennen, zonder hem te beminnen? Wie zou niet de schoonheid der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte, die zich rondom hem verdrong.”
Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, trok er eene wolk over ’s konings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden slag, zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babylon.
Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in de gelegenheid was geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babylon niet aan éene zijde door ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd. Haar omtrek was meer dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel harer muren verhieven zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van Thebe en Memphis overtroffen19.
De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk aangezicht, in liggende houding, verhief20. Deze monsters waren eene zinnebeeldige voorstelling van de almacht der goden. De hoogste kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op; met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen.
Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich, overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest, door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had zich dan ook heden geheel Babylon opgemaakt, om den gevreesden gebieder en den geliefden jongsten zoon van Cyrus te zien en te begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en palmtakken bestrooid; allerlei groene boomen stonden voor de deuren; uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis waren bloemguirlanden opgehangen; de geuren van wierook en sandelhout vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen hemden, veelkleurige wollen rokken en korte manteltjes, die lange stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels, vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden21.
Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en recht; de van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hoog22. Maar boven alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel, met zijn verbazende trap, die zich buiten om het ronde, torenvormige gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg23.
Nu naderde de trein den burcht des konings24, welks afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg van de gansche stad. De muren die het paleis omgaven, waren met verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen, krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts, langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen25, oostwaarts, op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere koningsburcht, met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden.
De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil; voetbankdragers hielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw vaderland, en kort daarop in de haar voorloopig tot woning aangewezene vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen.
Cambyzes, Bartja en de ons bekende vrienden stonden nog, door honderd aanzienlijke waardigheidbekleeders omgeven, op het slotplein, dat met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen vernam, en eene bij uitnemendheid schoone jonge Perzische maagd, in kostbare kleeding, wier volle blonde harenmet rijke parelsnoeren waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan weer weenende aan Bartja’s hals.
De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand ter aarde. Toen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaam u, Atossa! Bedenk dat gij, sedert gij de oorringen draagt26, opgehouden hebt, een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij ’t echter andermaal tot deze plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit, gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Bartja een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus!—Gij wilt niet? Zijt ge boos? Wacht maar, stijfhoofd!”
Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn, boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde.
Toen Atossa verdwenen was, zeide Bartja: »Gij hebt de arme kleine te hart aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn.”
Het gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het barsche antwoord terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen hebben geen rust, vóor dat zij haren aangebeden lieveling weder bij zich hebben. Nitetis zeidemij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mithra27toch gedurig, dat hij u eene eeuwige jeugd schenke, en u de rimpels van den ouderdom spare!”
»Wilt gij daarmede zeggen,” vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit, die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken?”
»Ik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner woorden. Kom!”
»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers achtersta.”
»Het gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven.”
»Cambyzes!”
»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie gij zijt!”
Weinige oogenblikken later rustte Bartja aan den boezem zijner blinde moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten, vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op haren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn jongeren broeder ontlastte.
Van Cambyzes’ vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden, iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten, hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend geslaagd was. Reeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen.
De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassandane, had hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang aan de ouderlijke liefkoozingen onttrokken, toen de jongere broeder het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne koesterende liefde, terwijl Cambyzes zich slechts over de groote toegevendheid van vader en moeder te verblijden had. De toekomstige koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid, maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien; terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks,” aanschouwde.
Cambyzes gevoelde zeer goed, dat hij de liefde, die men zijn broeder van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en een weldoener vereerd en bemind werd. Alles wat hem niet behaagde, hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen, en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde zijner moeder en zuster, maar vooral de warme loftuitingen van Nitetis, ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op dien dag niet gekend had.
Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning, die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost tot het aanleren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw, wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste mate had gewekt,—had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over Bartja uitgesprokene lofuitingen, en hadden deze slechts gestrekt, om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten.
Toen hij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij een kort besluit, en riep hem toe, alvorens van hem te scheiden: »Gij hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren28zijn opgestaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar Rhagae, neem het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!”
»Ik dank u, mijn broeder,” riep Bartja; »mogen mijne vrienden Darius, Gyges en Zopyrus mij vergezellen?”
»Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten29zal optrekken.”
»Morgen reeds vertrek ik!”
»Het ga u goed!”
»Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer, wilt gij mij dan ééne bede toestaan?”
»Dat wil ik.”
»O, thans zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik met duizend man tegenover tienduizend Tapoeren!”—’s Jongelings oogen fonkelden. Hij dacht aan Sappho.
»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden verwezenlijkt. Maar, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van den edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is uwer waardig, wat hare afkomst betreft.”
»O, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik...”
»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos.”
»Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij, maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van trouwen weten!”
»Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden zult zijn teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in het veld te nemen. De Pers vecht gewoonlijk veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten, ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft.”
»Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen vader bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet ken en niet mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de vrouwen bemint, geef haar aan Darius of Bessus, beiden verwantenvan Hydarnes. Ik kan haar niet beminnen, en gij zoudt mij dus slechts ongelukkig maken...”
Cambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende: »Het is als hadt gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent, slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geen genoegen te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed doen. Trek nu met het leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak gelden. Gij kent mij!”
»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid.”
»Stel die maar niet te dikwijls op de proef!—Hoe gelukkig ziet gij er uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone alle andere vrouwen veracht.”
Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn broeder greep, en riep: »Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?”
Cambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon, riep hij scherp en dreigend: »Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij heeft thans anderen die haar bewaken.”
Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naar de met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal, waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers, raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit- en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen, oogen en ooren des konings30en boden van allerlei soorthem verbeidden. Herauten met staven in de handen traden voor hem uit, terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel- en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging, elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden, en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten.
In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde tafel, die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren vaatwerk, borden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene kleine tafel, bezet met eetgereedschappen, welker waarde vele millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste beweging zijner dischgenooten waarnemen31. Tot het getal dezer dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de grootste onderscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht zich beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen, aan wien slechts een deel van de tafel des konings was toegezonden.
Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden zich met eene eerbiedige buiging.
Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wijze den disch eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht, en toen de eetlust bevredigd was, werd door een tal van dienaren eene ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen, die later, als »Perzisch nagerecht,” zelfs bij de Grieken groote vermaardheid verkregen32. Daarop verschenen slaven, die de tafel van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een tal van schenkers vulden opde sierlijkste wijze de gouden bekers en proefden den wijn, ten bewijze dat deze geen vergif bevatte. Weldra was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat33.
Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich het vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald afkeerig getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder kinderloos was? Waarom wilde hij Nitetis, vóor zijn vertrek naar de Tapoeren, nog eenmaal zien? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed, dat hij van hier gaat, want hij mocht mij anders ook eens de liefde van deze vrouw ontrooven,” dacht de koning. »Ware hij niet mijn broeder, ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert.”
Na middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste der eunuchen, verscheen, om hem naar het vrouwenverblijf te geleiden, waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te groot was, placht te begeven.
»Phaedime wacht u met ongeduld,” zeide de eunuch.
»Laat haar wachten!” antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende tuinen.”
»Morgen kan het betrokken worden.”
»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?”
»De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de gestorvene Amytis.”
»Het is goed. Nitetis moet met den grootsten eerbied behandeld worden. Gij zelf hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik u aan haar zal opdragen.”
De eunuch boog zich zwijgend.
»Zorg er voor, dat niemand, zelfs Cresus niet, met haar spreke, alvorens mijn .... zoo lang ik u geene andere bevelen geef.”
»Cresus was hedenavond bij haar.”
»Wat wilde hij van mijne gemalin?”
»Ik weet het niet, want ik versta geen Grieksch; maar ik hoorde meermalen den naam Bartja uitspreken, en houd het er voor, dat de Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen.Haar gelaat stond droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken was, kwam vernemen, of zij nog iets te bevelen had.”
»Angramainjus doe uwe tong verlammen!” bromde de koning, Boges den rug toekeerende, en de fakkeldragers en uitkleeders volgende, die hem naar zijne vertrekken geleidden.
Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische grenzen. Cresus verzelde de jonge helden tot aan de poort van Babylon. Toen Bartja zijn grijzen vriend voor het laatst omarmde, fluisterde hij hem toe: »Mocht de bode uit Egypte ook voor mij een schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna.”
»Zoudt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen?”
»Gyges en Eros zullen mij helpen!”
»Nitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten, en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet vergeten.”
»Voorzeker niet!”
»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader, jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar ter verkrijging van het schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid, aan het muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de zachtmoedigheid van den heerscher maken de menschen gelukkig. Staak den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders, als ’t oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge helden, de overwinning zij met u!”
1De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden.2Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als reiswagen.3Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd geperst.4Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van Eratosthenes.5Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig, werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.6Gesnedenen.7Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao’s voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot aan den hals reiken.8Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe zuilen, noemen.9Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk.10Het “moederlooze” getal heeft tot tien geen factor.11zie boven bl.24.12Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was, en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der Ptolemaeën afkomstig.13Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.14Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen werd.15Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard afbeeldingen heeft gegeven.16De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden, volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer 27,000,000 gulden hebben gehad.17zie boven bl.79.18Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.19Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe verbazend groot die stad geweest moet zijn.20Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het nieuwe museum te Berlijn gevonden.21Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.22Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180).23Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven, wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners dier streken “Birs Nimroed,” d. i. burg van Nimrod, genoemd. De hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt 260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan, want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.24Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden, komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.25zie boven bl.94. Aan den oever van den Euphraat in het noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding stonden. Vgl. F. Mürdter,Geschichte Babyloniens und AssyriensStuttgart.26Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol voor gebruikt worden.27De zonne- en lichtgod der Perzen.28Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië.29Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.30Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner speelnooten de rol vervullen van “oog des konings”. Het stelsel van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah, wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de twee ooren des konings van Neder-Egypte.31Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren gemalin des konings met hem aan tafel zaten.32De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.33Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den Granicus zijn leven had gered.
1De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden.
2Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als reiswagen.
3Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd geperst.
4Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van Eratosthenes.
5Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig, werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.
6Gesnedenen.
7Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao’s voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot aan den hals reiken.
8Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe zuilen, noemen.
9Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk.
10Het “moederlooze” getal heeft tot tien geen factor.
11zie boven bl.24.
12Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was, en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der Ptolemaeën afkomstig.
13Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.
14Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen werd.
15Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard afbeeldingen heeft gegeven.
16De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden, volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer 27,000,000 gulden hebben gehad.
17zie boven bl.79.
18Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.
19Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe verbazend groot die stad geweest moet zijn.
20Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het nieuwe museum te Berlijn gevonden.
21Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.
22Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180).
23Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven, wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners dier streken “Birs Nimroed,” d. i. burg van Nimrod, genoemd. De hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt 260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan, want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.
24Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden, komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.
25zie boven bl.94. Aan den oever van den Euphraat in het noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding stonden. Vgl. F. Mürdter,Geschichte Babyloniens und AssyriensStuttgart.
26Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol voor gebruikt worden.
27De zonne- en lichtgod der Perzen.
28Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië.
29Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.
30Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner speelnooten de rol vervullen van “oog des konings”. Het stelsel van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah, wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de twee ooren des konings van Neder-Egypte.
31Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren gemalin des konings met hem aan tafel zaten.
32De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.
33Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den Granicus zijn leven had gered.