Tweede hoofdstuk.Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weêr bestreek hij haar voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen, terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, haalde hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden, om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, ’s konings zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische wol, nauwelijks met de teenen beroerde, tot aan het bed der lijdende vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd, waarop groote zweetdroppelen parelden; maar telkens was zij door den Egyptischen arts met strengen, afkeurenden blik naar het zijvertrek verdreven.Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele, plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding, dat hij iedere gemoedsbeweging hetbest onderdrukken of vergeten kon, wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten.Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam, ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dat de koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland binnentrok, brandende fakkels in steden en tempels wierp, en met geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden, vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude, koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte zijn hart, gelijk de aderen der stervende aan zijne zijde.—Wederom opende zich het voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa binnen, en legde ditmaal de hand op zijn schouder. Huiverend sprong hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke droomen den overspannene en vermoeide overvielen?Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd, voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis, die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand, bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte, die de heilige boeken van Toth1en de verhandelingen van een oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth, betreffende de oogheelkunde2.” Na zijn dood moest zijn werk het eigendom der boekverzameling te Thebe3worden, opdat al zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen, en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.—Zie, daar staat zijn oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en—hoor! hun spotlach, die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende en spottende woorden vloeien vande lippen des konings, het gelaat van Neithotep gloeit van helsche vreugde.Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes, en vroeg haar in het Egyptisch: »Hebt gij goed geslapen, meesteres?”»Ik weet het niet,” antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. »Wel was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Atossa niet meermalen bij mij geweest?”»Juist.”»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in.”»Hoe weet gij dat?”»Ik heb het gezien!”Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in den tuin achter dit huis gebracht?”»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart over uw lijden een poos te vergeten.”»O, neen, dat weet ik beter! Orapastes heeft mij geleerd, dat bij iederen stervenden Pers honden4worden gebracht, opdat de Diw des doods in deze beesten vare.”»Gij leeft nog, gebiedster, en....”»O, ik ga sterven, dat weet ik! Al had ik niet gezien, hoe gij en die andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te leven heb. Het vergif is doodelijk!”»Gij spreekt te veel, meesteres; het spreken zal u kwaad doen.”»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen, voordat ik sterf.”»Beveel, ik ben uw dienstknecht!”»Neen, Nebenchari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin gebleven.—Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu moet gij mij ook beloven, mij niet door honden en gieren te zullen laten verscheuren. O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! Niet waar, gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?”»Als de koning het veroorlooft.”»O, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?”»Mijne kunst staat u ten dienste!”»Ik dank u. Maar nog heb ik éene bede.”»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u het stilzwijgen moet opleggen.”»Kunt gij hen niet voor een oogenblik verwijderen?”»Ik wil het beproeven.”Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen; daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij eene groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden.Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik vrijer adem, en zeide: »Geef mij uw priesterzegen mede op de lange reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar het rijk van Osiris!”Nebenchari knielde aan hare sponde neder, en prevelde met nauw verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt5.Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld, als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees, dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd.—Nitetis, dieeenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vriendelijk glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: »Niet waar, ik zal bij de doodenrechters genade vinden?”»Ik hoop en geloof het!”»Misschien vind ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader....”»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen, aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden.”»Ik versta u niet.”»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven ontroofden!” riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in angstige spanning op de stervende nederziende. »Vloek de boozen, mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere genade doen vinden, dan duizend goede werken!”—Onder het uitspreken dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met hevigheid in de zijne.Nitetis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!”»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!”»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden! O—ach—mijn hart!Uitgeput zonk zij in haar kussen neder.Nebenchari boog zich over de lijderes, drukte, voordat de geneesheeren van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der stervende, en mompelde: »Zij sterft als mijne bondgenoote. De goden hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als mijn eigen, maar ook als koning Hophra’s wreker breng ik het zwaard over Egypte!”Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen.Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Cresus stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen het ijzersterke lichaam van den koning, die, geheel overweldigd door zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds verstijvende lippen,—den eersten en den laatsten, dien hij haar had mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke lippen; toen zonk zij in Atossa’s armen, en ontsliep.Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe, op een teeken van den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van Nebenchari en Cresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Naçus door deze dieren te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd te worden; hoe men alle vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des doods6; hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest, talrijke wasschingen met water en runderurine moest ondergaan.Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal, de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof, om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene, op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden, wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor de eeuwigheid te verwachten had7. Ook de koning, Cassandane en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden, als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de regels der kunst, het lichaam begon te balsemen8.Negen dagen lang bleef Cambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van den ongelukkigen jongeling te sparen. Een uur later werd hem het vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus:»Heil den koning!Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij, de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven, dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en zijne gestalte,—welke de goden, in hunne gunst en genade, aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus, Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,—nogmaals tot schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden9, ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!”Cambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, ’t welk nog dienzelfden dag ten uitvoer werd gelegd.Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder te spreken; de schande hem aangedaan krenkte echter den eergierigen man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem daarom zoo spoedig mogelijk Babylon te verlaten, en een landhuis te betrekken, dat hij op den berg Arakadris10bezat.Gedurende de laatste dagen had zich een armoedig gekleede vrouw, wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was,dag en nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met een boosaardigen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood, dat meêdoogende spijsuitdeelers haar toewierpen. Toen Gaumata drie dagen later in eene gesloten harmamaxa, met een verband om ’t hoofd, de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht, om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich spoedig herstellende, vroeg hij: »Wat wilt gij van mij, Mandane?”De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep: »O verlaat mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat gij over mij en mijne arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief, en wil u verplegen en voor u zorgen, als uwe geringste dienstmaagd!”De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijne armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude medeleerlingen aan de priesterschool. Schaamte overmeesterde hem; hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester, meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde de muildieren weder in, die, daar de weg bergopwaarts ging, minder spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman van zijn driesnoerigengeesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong als een dolksteek in de wonden van den verminkte.Op den twaalfden dag, na den dood van Nitetis, ging Cambyzes weder jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en haar opwekkenden invloed, was het meest geschikt om hem afleiding te geven. De grooten en waardigheidsbekleeders ontvingen hun heer met daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uit zijne blikken; hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak, monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich, en vroeg naar Phanes.»Mijn koning heeft niet bevolen....”»Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons geleide. Roep hem, en volg ons!”Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na een halfuur met Phanes wederom bij ’s konings gevolg.Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moest wekken, omdat er in den regel geene afgunstiger menschen zijn dan hovelingen, en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van door vele nijdige oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen, had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas wist te brengen, zoo vroolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen na, allen het gezelschap van den Athener hoogst aangenaam was.Toen hij zich van den stoet gescheiden had, om met den koning een wilden ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien.Men bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der gevangenenaan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij ’s konings gunst had weten te winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den strijd met een beer als een bij uitnemendheid stout en geoefend jager. Toen de hovelingen op den terugtocht al dezeeigenschappenhemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe, dat deze Helleen, die zich overigens ook reeds in den krijg van de beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudt gij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling, als hij niet iets nieuws voor u was.”Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van den spreker, hoewel dichte struiken hem voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend: »Ik heb uwe gesprekken verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste, daar het toch de door mij zelven reeds gemaakte opmerking bevestigde, dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja, zelfs nog hooger aanschrijft dan uwe eigene.”Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend aan. Phanes vervolgde: »Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle verstandigen en den haat der geheele wereld op den hals. En dan de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk zich aanstelt! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een echte Egyptenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden, zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij, wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niet te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egypte heeft mij met dat land nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken,niet is opgewassen.—Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Nijl. Ik houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!”Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze welberekende woorden van den Athener.Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het woord te nemen, en antwoordde, dat de Achaemeniden hunne blijdschap niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van een nieuwen oorlog.»Welken oorlog?” vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd lachende.»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen,” antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed den koning op zijde. Zijne stem nam een welluidenden, tot het hart doordringenden toon aan. Met welsprekenden blik zag hij den koning in de oogen en zeide: »O, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was een schoon, een heerlijk schoon kind!.... Maar dat wilde ik u niet zeggen, ik..... Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoedigheid, o koning?”»Hoe zou ik dat kunnen?” vroeg de monarch, tot wien, vóor den Athener, niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken.»Tot op den huidigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen.”»Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!”»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken!”»Gij maakt mij nieuwsgierig.”»Men heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd,die voor weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt.”Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat.»Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde het kind van Amasis te zijn. Zij...”»Maar dat is onmogelijk!”»Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitetis, het schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!”Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne laatste woorden beter te doen werken, een tijdlang gezwegen had: »Verder! Verder! Ik moet meer weten!”»De onttroonde koning had twintig jaren11lang in lichte gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht12, eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van toorn ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die, gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. De weduwevan Hophra schonk daar het leven aan een meisje, doch bezweek zelve onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij van eene dochter.—Doch wij zijn hier aan de poort van het paleis genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het bericht van den vroedmeester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog, doen voorlezen. Zijne aanteekeningen zijn, door eene wonderbare beschikking der goden, waarvan ik u later meer zal verhalen, in mijne handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis in Egypte, woont hier te Babylon en kent alle schrijfwijzen13van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal storten, aan den dag te brengen.”»Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis zelven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens zijn huis te koesteren.”Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den koning. De gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen op een doodshoofd zou hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóor den koning in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit als sneeuw, doch hier en daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter onder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen, zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke ’s mans rug steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den in alle mysteriën ingewijdenopperpriester, maar ook den hoogbejaarden grijsaard14. Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus, Darius en Prexaspes.De koning was op zijn troon gezeten. Zijn gelaat stond ernstig en somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldus begon te spreken: »De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen, heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!”Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooren.»Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor dit bedrog te leveren.”Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming.»Thans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant: Is u Nitetis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden?”»Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven, en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in karakter, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn schoonste en liefste kind toevertrouwde.”»Dat schreef hij, ja!”»En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het zusterenpaar,” zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van den gezant. »Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling van den koning en van de koningin was!”»Zeer zeker!” liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens onder den maaltijd zeggende: »Zie niet te diep in de oogen van Tachot, want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar naar Perzië voerdet!”—De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe: ‘Vader, denk aan Phanes!’ Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had.”»Aan Phanes?”»Ja mijn koning,” antwoordde de Athener. »Amasis had mij eens, in zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten.”»Verhaal mij ook dit geval!”»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde,. werd er een groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg, des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan, en zeide: »Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt, Athener, dan geef ik u Nitetis tot gemalin! Ik zou u gaarne tot mijn schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat meisje, Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra....” Psamtik liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond, en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken.”Cambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth15werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid, want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel zij voorspoedig van een zwak dochterken.—Toen de min het kindje had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van Hophra’s weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde kindje, en zeide: »Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermen16, zoo hebbenLadice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille, zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog, zonder een woord te spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen eenige oogenblikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten.”Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen, vervolgde Onoephis onmiddellijk: »Op den zesden dag der maand Toth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen een dienaar van den koning, met het mij toegezegde goud en een brief, die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de oude vrouw, die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij wilde van haar gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden, gaf zij toe. In mijne groote artsenijkast, die ditmaal mijn zoon Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra’s weduwe. Het kind van het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde ik haar maar mededeelen welk een heerlijk lot hare lieveling na den dood wacht.—Zoo even werd Nebenchari voor den koning ontboden.”Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift melding maakt?”»Nebenchari,” antwoordde Phanes, »is de zoon van denzelfden Imhotep, die de beide kinderen verruilde!”De oogarts keek somber voor zich.Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoephis, beschouwde een oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten, naderde toen den geneesheer, en zeide:»Bezie deze teekens, en zeg mij of uw vader ze waarlijk geschreven heeft?”Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smeekend op.»Heeft uw vader deze teekenen geschreven? vraag ik.”»Ik weet niet, of.... Inderdaad....”»De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen?”»Ja, mijn koning; maar...”»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij als uw koning hebt te beschouwen. Cassandane heeft mij doen weten, dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt wedergeven. Waagt gij niet te veel?”»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!”»Nog eens, wist gij van dit bedrog af?”»Ja—mijn vorst.”»En gij liet mij in mijne dwaling?”»Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en een eed...”»De eed is heilig!—Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan betere voeding te hebben, oude!”»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein gewaad om den goden en mij zelven te behagen, en een eigen kleine kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest dan op den huidigen dag.”»Hoezoo?”»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken.”»Gij spreekt in raadselen.”»Ik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin een kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn; wanneer deze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter, zoodra zich een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van mijn schoon vaderland.”Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde: »Ook heb ik in de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan; maar dat de kroon van Egypte voor u is bestemd.”»Ik zal de sterren niet tot leugenaars maken!” riep Cambyzes, »U echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het komt er niet op aan welken.”»Laat mij in een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten.”»Het zij zoo! Laat mij thans alleen, vrienden, en zorgt dat alle dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen de Massageten!”»Heil den koning!” riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan- en uitkleeders ontbood, om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk gewaad te verwisselen.Cresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met zijne schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het gelaat van den Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde.»Hebt gij wel bedacht, Helleen,” begon de laatste, »welk een fakkel gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?”»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht.”»Gij vergeet de door hartstocht verblinden.”»Tot dezen behoor ik niet.”»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten.”»Ja, als men er in eene oogenblikkelijke opwelling gehoor aan geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn plicht.”»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk minder te achten dan dat van zijn vaderland.”»Dat weet ik....”»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!”»Dit ben ik niet met u eens.”»Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal laten, als het eens in ’t bezit is van al de overige kusten der middelzee?”»Volstrekt niet; maar ik ken mijne Hellenen, en houd het er voor, dat zij alle legers der barbaren met roem zullen wederstaan,en als het gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit te voren. De nood zal al onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen.”»Altemaal droomen!”»Die verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra gewroken zal zijn!”»Ik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordeelen, daar de tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft, en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk in ’t verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk, dat eene gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele, zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht zoo geweldig heeft doen ontbranden!”»Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af te brengen! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden; zij de vriendin van alle Hellenen, en in het bijzonder de mijne. Toen ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis nam hen in haar huis en onder hare bescherming. Een ellendeling had het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In den volgenden nacht werd het huis der Thracische vrouw omsingeld en doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten zoon de handen geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen jongen.... te....”»Hij liet hem dooden?”»Gij zegt het.”»En uw tweede kind?”»Het meisje is thans nog in zijne macht.”»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt....”»Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten grave dalen!”»Ik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon eischt wraak.”Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den Athener, die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te hebben uitriep: »Kom, thans naar den krijgsraad!Niemand heeft grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst.”»En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen zijn nueenmaalzoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren dan hunne weldoeners. Hoevele liederen zijn er niet ter eere van Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de wijze regeering van Pittacus te bezingen17?”»Er behoort dan ook meer moeds toe, om bloed te vergieten dan om boomen te planten.”»Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden te slaan.—Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene dringende vraag doen. Zal Bartja, als Amasis met de ontwerpen van den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?”»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden.”»Was hij aanstonds daartoe bereid?”»Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te gehoorzamen.”»In ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem aan te raden op zijne hoede te zijn.”»Wij zullen dit den koning verzoeken.”»Kom thans! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den hofstoet bevatten, de keuken uit.”»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd?”»Omtrent vijftien duizend18.”»Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts éen maaltijd daags houden!”1Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken, schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde geroemd.2In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden, of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van zekeren Anana, die Ebers inWardalaat optreden. Van de hermetische boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus komt ook de arts Nebsecht voor, die inWardazulk eene belangrijke rol vervult.3De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift voerde: “Inrichting tot genezing der ziel”, bevatte 20,000 hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk een bibliothecaris was, overste of“chef der boeken.” Bibliotheken schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden.4Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184.5zie boven bl.182.6’s Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, ’s zomers eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht worden.7Zie boven blz.263.8Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig gehandeld inWarda, Dl. II.9Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.10Zoo genoemd in een opschrift van Behistân.11Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene Europeesche op den leeftijd van zestig.12zie boven bl.24.13Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift) niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer goed te herkennen zijn.14Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk in den papyrus Prisse is weergevonden.15Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze 2de Sept.16Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.17Vgl. blz.9.18Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost.
Tweede hoofdstuk.Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weêr bestreek hij haar voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen, terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, haalde hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden, om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, ’s konings zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische wol, nauwelijks met de teenen beroerde, tot aan het bed der lijdende vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd, waarop groote zweetdroppelen parelden; maar telkens was zij door den Egyptischen arts met strengen, afkeurenden blik naar het zijvertrek verdreven.Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele, plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding, dat hij iedere gemoedsbeweging hetbest onderdrukken of vergeten kon, wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten.Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam, ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dat de koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland binnentrok, brandende fakkels in steden en tempels wierp, en met geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden, vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude, koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte zijn hart, gelijk de aderen der stervende aan zijne zijde.—Wederom opende zich het voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa binnen, en legde ditmaal de hand op zijn schouder. Huiverend sprong hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke droomen den overspannene en vermoeide overvielen?Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd, voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis, die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand, bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte, die de heilige boeken van Toth1en de verhandelingen van een oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth, betreffende de oogheelkunde2.” Na zijn dood moest zijn werk het eigendom der boekverzameling te Thebe3worden, opdat al zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen, en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.—Zie, daar staat zijn oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en—hoor! hun spotlach, die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende en spottende woorden vloeien vande lippen des konings, het gelaat van Neithotep gloeit van helsche vreugde.Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes, en vroeg haar in het Egyptisch: »Hebt gij goed geslapen, meesteres?”»Ik weet het niet,” antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. »Wel was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Atossa niet meermalen bij mij geweest?”»Juist.”»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in.”»Hoe weet gij dat?”»Ik heb het gezien!”Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in den tuin achter dit huis gebracht?”»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart over uw lijden een poos te vergeten.”»O, neen, dat weet ik beter! Orapastes heeft mij geleerd, dat bij iederen stervenden Pers honden4worden gebracht, opdat de Diw des doods in deze beesten vare.”»Gij leeft nog, gebiedster, en....”»O, ik ga sterven, dat weet ik! Al had ik niet gezien, hoe gij en die andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te leven heb. Het vergif is doodelijk!”»Gij spreekt te veel, meesteres; het spreken zal u kwaad doen.”»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen, voordat ik sterf.”»Beveel, ik ben uw dienstknecht!”»Neen, Nebenchari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin gebleven.—Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu moet gij mij ook beloven, mij niet door honden en gieren te zullen laten verscheuren. O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! Niet waar, gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?”»Als de koning het veroorlooft.”»O, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?”»Mijne kunst staat u ten dienste!”»Ik dank u. Maar nog heb ik éene bede.”»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u het stilzwijgen moet opleggen.”»Kunt gij hen niet voor een oogenblik verwijderen?”»Ik wil het beproeven.”Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen; daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij eene groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden.Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik vrijer adem, en zeide: »Geef mij uw priesterzegen mede op de lange reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar het rijk van Osiris!”Nebenchari knielde aan hare sponde neder, en prevelde met nauw verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt5.Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld, als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees, dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd.—Nitetis, dieeenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vriendelijk glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: »Niet waar, ik zal bij de doodenrechters genade vinden?”»Ik hoop en geloof het!”»Misschien vind ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader....”»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen, aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden.”»Ik versta u niet.”»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven ontroofden!” riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in angstige spanning op de stervende nederziende. »Vloek de boozen, mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere genade doen vinden, dan duizend goede werken!”—Onder het uitspreken dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met hevigheid in de zijne.Nitetis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!”»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!”»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden! O—ach—mijn hart!Uitgeput zonk zij in haar kussen neder.Nebenchari boog zich over de lijderes, drukte, voordat de geneesheeren van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der stervende, en mompelde: »Zij sterft als mijne bondgenoote. De goden hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als mijn eigen, maar ook als koning Hophra’s wreker breng ik het zwaard over Egypte!”Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen.Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Cresus stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen het ijzersterke lichaam van den koning, die, geheel overweldigd door zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds verstijvende lippen,—den eersten en den laatsten, dien hij haar had mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke lippen; toen zonk zij in Atossa’s armen, en ontsliep.Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe, op een teeken van den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van Nebenchari en Cresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Naçus door deze dieren te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd te worden; hoe men alle vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des doods6; hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest, talrijke wasschingen met water en runderurine moest ondergaan.Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal, de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof, om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene, op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden, wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor de eeuwigheid te verwachten had7. Ook de koning, Cassandane en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden, als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de regels der kunst, het lichaam begon te balsemen8.Negen dagen lang bleef Cambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van den ongelukkigen jongeling te sparen. Een uur later werd hem het vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus:»Heil den koning!Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij, de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven, dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en zijne gestalte,—welke de goden, in hunne gunst en genade, aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus, Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,—nogmaals tot schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden9, ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!”Cambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, ’t welk nog dienzelfden dag ten uitvoer werd gelegd.Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder te spreken; de schande hem aangedaan krenkte echter den eergierigen man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem daarom zoo spoedig mogelijk Babylon te verlaten, en een landhuis te betrekken, dat hij op den berg Arakadris10bezat.Gedurende de laatste dagen had zich een armoedig gekleede vrouw, wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was,dag en nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met een boosaardigen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood, dat meêdoogende spijsuitdeelers haar toewierpen. Toen Gaumata drie dagen later in eene gesloten harmamaxa, met een verband om ’t hoofd, de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht, om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich spoedig herstellende, vroeg hij: »Wat wilt gij van mij, Mandane?”De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep: »O verlaat mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat gij over mij en mijne arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief, en wil u verplegen en voor u zorgen, als uwe geringste dienstmaagd!”De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijne armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude medeleerlingen aan de priesterschool. Schaamte overmeesterde hem; hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester, meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde de muildieren weder in, die, daar de weg bergopwaarts ging, minder spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman van zijn driesnoerigengeesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong als een dolksteek in de wonden van den verminkte.Op den twaalfden dag, na den dood van Nitetis, ging Cambyzes weder jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en haar opwekkenden invloed, was het meest geschikt om hem afleiding te geven. De grooten en waardigheidsbekleeders ontvingen hun heer met daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uit zijne blikken; hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak, monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich, en vroeg naar Phanes.»Mijn koning heeft niet bevolen....”»Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons geleide. Roep hem, en volg ons!”Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na een halfuur met Phanes wederom bij ’s konings gevolg.Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moest wekken, omdat er in den regel geene afgunstiger menschen zijn dan hovelingen, en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van door vele nijdige oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen, had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas wist te brengen, zoo vroolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen na, allen het gezelschap van den Athener hoogst aangenaam was.Toen hij zich van den stoet gescheiden had, om met den koning een wilden ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien.Men bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der gevangenenaan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij ’s konings gunst had weten te winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den strijd met een beer als een bij uitnemendheid stout en geoefend jager. Toen de hovelingen op den terugtocht al dezeeigenschappenhemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe, dat deze Helleen, die zich overigens ook reeds in den krijg van de beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudt gij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling, als hij niet iets nieuws voor u was.”Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van den spreker, hoewel dichte struiken hem voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend: »Ik heb uwe gesprekken verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste, daar het toch de door mij zelven reeds gemaakte opmerking bevestigde, dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja, zelfs nog hooger aanschrijft dan uwe eigene.”Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend aan. Phanes vervolgde: »Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle verstandigen en den haat der geheele wereld op den hals. En dan de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk zich aanstelt! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een echte Egyptenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden, zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij, wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niet te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egypte heeft mij met dat land nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken,niet is opgewassen.—Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Nijl. Ik houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!”Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze welberekende woorden van den Athener.Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het woord te nemen, en antwoordde, dat de Achaemeniden hunne blijdschap niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van een nieuwen oorlog.»Welken oorlog?” vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd lachende.»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen,” antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed den koning op zijde. Zijne stem nam een welluidenden, tot het hart doordringenden toon aan. Met welsprekenden blik zag hij den koning in de oogen en zeide: »O, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was een schoon, een heerlijk schoon kind!.... Maar dat wilde ik u niet zeggen, ik..... Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoedigheid, o koning?”»Hoe zou ik dat kunnen?” vroeg de monarch, tot wien, vóor den Athener, niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken.»Tot op den huidigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen.”»Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!”»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken!”»Gij maakt mij nieuwsgierig.”»Men heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd,die voor weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt.”Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat.»Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde het kind van Amasis te zijn. Zij...”»Maar dat is onmogelijk!”»Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitetis, het schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!”Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne laatste woorden beter te doen werken, een tijdlang gezwegen had: »Verder! Verder! Ik moet meer weten!”»De onttroonde koning had twintig jaren11lang in lichte gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht12, eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van toorn ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die, gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. De weduwevan Hophra schonk daar het leven aan een meisje, doch bezweek zelve onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij van eene dochter.—Doch wij zijn hier aan de poort van het paleis genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het bericht van den vroedmeester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog, doen voorlezen. Zijne aanteekeningen zijn, door eene wonderbare beschikking der goden, waarvan ik u later meer zal verhalen, in mijne handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis in Egypte, woont hier te Babylon en kent alle schrijfwijzen13van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal storten, aan den dag te brengen.”»Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis zelven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens zijn huis te koesteren.”Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den koning. De gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen op een doodshoofd zou hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóor den koning in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit als sneeuw, doch hier en daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter onder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen, zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke ’s mans rug steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den in alle mysteriën ingewijdenopperpriester, maar ook den hoogbejaarden grijsaard14. Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus, Darius en Prexaspes.De koning was op zijn troon gezeten. Zijn gelaat stond ernstig en somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldus begon te spreken: »De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen, heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!”Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooren.»Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor dit bedrog te leveren.”Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming.»Thans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant: Is u Nitetis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden?”»Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven, en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in karakter, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn schoonste en liefste kind toevertrouwde.”»Dat schreef hij, ja!”»En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het zusterenpaar,” zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van den gezant. »Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling van den koning en van de koningin was!”»Zeer zeker!” liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens onder den maaltijd zeggende: »Zie niet te diep in de oogen van Tachot, want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar naar Perzië voerdet!”—De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe: ‘Vader, denk aan Phanes!’ Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had.”»Aan Phanes?”»Ja mijn koning,” antwoordde de Athener. »Amasis had mij eens, in zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten.”»Verhaal mij ook dit geval!”»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde,. werd er een groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg, des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan, en zeide: »Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt, Athener, dan geef ik u Nitetis tot gemalin! Ik zou u gaarne tot mijn schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat meisje, Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra....” Psamtik liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond, en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken.”Cambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth15werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid, want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel zij voorspoedig van een zwak dochterken.—Toen de min het kindje had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van Hophra’s weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde kindje, en zeide: »Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermen16, zoo hebbenLadice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille, zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog, zonder een woord te spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen eenige oogenblikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten.”Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen, vervolgde Onoephis onmiddellijk: »Op den zesden dag der maand Toth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen een dienaar van den koning, met het mij toegezegde goud en een brief, die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de oude vrouw, die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij wilde van haar gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden, gaf zij toe. In mijne groote artsenijkast, die ditmaal mijn zoon Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra’s weduwe. Het kind van het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde ik haar maar mededeelen welk een heerlijk lot hare lieveling na den dood wacht.—Zoo even werd Nebenchari voor den koning ontboden.”Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift melding maakt?”»Nebenchari,” antwoordde Phanes, »is de zoon van denzelfden Imhotep, die de beide kinderen verruilde!”De oogarts keek somber voor zich.Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoephis, beschouwde een oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten, naderde toen den geneesheer, en zeide:»Bezie deze teekens, en zeg mij of uw vader ze waarlijk geschreven heeft?”Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smeekend op.»Heeft uw vader deze teekenen geschreven? vraag ik.”»Ik weet niet, of.... Inderdaad....”»De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen?”»Ja, mijn koning; maar...”»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij als uw koning hebt te beschouwen. Cassandane heeft mij doen weten, dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt wedergeven. Waagt gij niet te veel?”»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!”»Nog eens, wist gij van dit bedrog af?”»Ja—mijn vorst.”»En gij liet mij in mijne dwaling?”»Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en een eed...”»De eed is heilig!—Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan betere voeding te hebben, oude!”»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein gewaad om den goden en mij zelven te behagen, en een eigen kleine kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest dan op den huidigen dag.”»Hoezoo?”»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken.”»Gij spreekt in raadselen.”»Ik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin een kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn; wanneer deze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter, zoodra zich een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van mijn schoon vaderland.”Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde: »Ook heb ik in de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan; maar dat de kroon van Egypte voor u is bestemd.”»Ik zal de sterren niet tot leugenaars maken!” riep Cambyzes, »U echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het komt er niet op aan welken.”»Laat mij in een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten.”»Het zij zoo! Laat mij thans alleen, vrienden, en zorgt dat alle dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen de Massageten!”»Heil den koning!” riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan- en uitkleeders ontbood, om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk gewaad te verwisselen.Cresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met zijne schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het gelaat van den Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde.»Hebt gij wel bedacht, Helleen,” begon de laatste, »welk een fakkel gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?”»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht.”»Gij vergeet de door hartstocht verblinden.”»Tot dezen behoor ik niet.”»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten.”»Ja, als men er in eene oogenblikkelijke opwelling gehoor aan geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn plicht.”»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk minder te achten dan dat van zijn vaderland.”»Dat weet ik....”»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!”»Dit ben ik niet met u eens.”»Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal laten, als het eens in ’t bezit is van al de overige kusten der middelzee?”»Volstrekt niet; maar ik ken mijne Hellenen, en houd het er voor, dat zij alle legers der barbaren met roem zullen wederstaan,en als het gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit te voren. De nood zal al onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen.”»Altemaal droomen!”»Die verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra gewroken zal zijn!”»Ik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordeelen, daar de tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft, en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk in ’t verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk, dat eene gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele, zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht zoo geweldig heeft doen ontbranden!”»Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af te brengen! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden; zij de vriendin van alle Hellenen, en in het bijzonder de mijne. Toen ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis nam hen in haar huis en onder hare bescherming. Een ellendeling had het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In den volgenden nacht werd het huis der Thracische vrouw omsingeld en doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten zoon de handen geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen jongen.... te....”»Hij liet hem dooden?”»Gij zegt het.”»En uw tweede kind?”»Het meisje is thans nog in zijne macht.”»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt....”»Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten grave dalen!”»Ik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon eischt wraak.”Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den Athener, die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te hebben uitriep: »Kom, thans naar den krijgsraad!Niemand heeft grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst.”»En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen zijn nueenmaalzoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren dan hunne weldoeners. Hoevele liederen zijn er niet ter eere van Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de wijze regeering van Pittacus te bezingen17?”»Er behoort dan ook meer moeds toe, om bloed te vergieten dan om boomen te planten.”»Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden te slaan.—Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene dringende vraag doen. Zal Bartja, als Amasis met de ontwerpen van den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?”»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden.”»Was hij aanstonds daartoe bereid?”»Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te gehoorzamen.”»In ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem aan te raden op zijne hoede te zijn.”»Wij zullen dit den koning verzoeken.”»Kom thans! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den hofstoet bevatten, de keuken uit.”»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd?”»Omtrent vijftien duizend18.”»Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts éen maaltijd daags houden!”1Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken, schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde geroemd.2In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden, of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van zekeren Anana, die Ebers inWardalaat optreden. Van de hermetische boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus komt ook de arts Nebsecht voor, die inWardazulk eene belangrijke rol vervult.3De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift voerde: “Inrichting tot genezing der ziel”, bevatte 20,000 hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk een bibliothecaris was, overste of“chef der boeken.” Bibliotheken schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden.4Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184.5zie boven bl.182.6’s Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, ’s zomers eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht worden.7Zie boven blz.263.8Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig gehandeld inWarda, Dl. II.9Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.10Zoo genoemd in een opschrift van Behistân.11Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene Europeesche op den leeftijd van zestig.12zie boven bl.24.13Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift) niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer goed te herkennen zijn.14Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk in den papyrus Prisse is weergevonden.15Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze 2de Sept.16Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.17Vgl. blz.9.18Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost.
Tweede hoofdstuk.Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weêr bestreek hij haar voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen, terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, haalde hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden, om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, ’s konings zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische wol, nauwelijks met de teenen beroerde, tot aan het bed der lijdende vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd, waarop groote zweetdroppelen parelden; maar telkens was zij door den Egyptischen arts met strengen, afkeurenden blik naar het zijvertrek verdreven.Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele, plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding, dat hij iedere gemoedsbeweging hetbest onderdrukken of vergeten kon, wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten.Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam, ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dat de koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland binnentrok, brandende fakkels in steden en tempels wierp, en met geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden, vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude, koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte zijn hart, gelijk de aderen der stervende aan zijne zijde.—Wederom opende zich het voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa binnen, en legde ditmaal de hand op zijn schouder. Huiverend sprong hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke droomen den overspannene en vermoeide overvielen?Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd, voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis, die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand, bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte, die de heilige boeken van Toth1en de verhandelingen van een oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth, betreffende de oogheelkunde2.” Na zijn dood moest zijn werk het eigendom der boekverzameling te Thebe3worden, opdat al zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen, en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.—Zie, daar staat zijn oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en—hoor! hun spotlach, die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende en spottende woorden vloeien vande lippen des konings, het gelaat van Neithotep gloeit van helsche vreugde.Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes, en vroeg haar in het Egyptisch: »Hebt gij goed geslapen, meesteres?”»Ik weet het niet,” antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. »Wel was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Atossa niet meermalen bij mij geweest?”»Juist.”»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in.”»Hoe weet gij dat?”»Ik heb het gezien!”Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in den tuin achter dit huis gebracht?”»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart over uw lijden een poos te vergeten.”»O, neen, dat weet ik beter! Orapastes heeft mij geleerd, dat bij iederen stervenden Pers honden4worden gebracht, opdat de Diw des doods in deze beesten vare.”»Gij leeft nog, gebiedster, en....”»O, ik ga sterven, dat weet ik! Al had ik niet gezien, hoe gij en die andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te leven heb. Het vergif is doodelijk!”»Gij spreekt te veel, meesteres; het spreken zal u kwaad doen.”»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen, voordat ik sterf.”»Beveel, ik ben uw dienstknecht!”»Neen, Nebenchari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin gebleven.—Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu moet gij mij ook beloven, mij niet door honden en gieren te zullen laten verscheuren. O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! Niet waar, gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?”»Als de koning het veroorlooft.”»O, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?”»Mijne kunst staat u ten dienste!”»Ik dank u. Maar nog heb ik éene bede.”»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u het stilzwijgen moet opleggen.”»Kunt gij hen niet voor een oogenblik verwijderen?”»Ik wil het beproeven.”Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen; daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij eene groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden.Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik vrijer adem, en zeide: »Geef mij uw priesterzegen mede op de lange reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar het rijk van Osiris!”Nebenchari knielde aan hare sponde neder, en prevelde met nauw verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt5.Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld, als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees, dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd.—Nitetis, dieeenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vriendelijk glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: »Niet waar, ik zal bij de doodenrechters genade vinden?”»Ik hoop en geloof het!”»Misschien vind ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader....”»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen, aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden.”»Ik versta u niet.”»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven ontroofden!” riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in angstige spanning op de stervende nederziende. »Vloek de boozen, mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere genade doen vinden, dan duizend goede werken!”—Onder het uitspreken dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met hevigheid in de zijne.Nitetis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!”»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!”»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden! O—ach—mijn hart!Uitgeput zonk zij in haar kussen neder.Nebenchari boog zich over de lijderes, drukte, voordat de geneesheeren van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der stervende, en mompelde: »Zij sterft als mijne bondgenoote. De goden hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als mijn eigen, maar ook als koning Hophra’s wreker breng ik het zwaard over Egypte!”Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen.Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Cresus stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen het ijzersterke lichaam van den koning, die, geheel overweldigd door zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds verstijvende lippen,—den eersten en den laatsten, dien hij haar had mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke lippen; toen zonk zij in Atossa’s armen, en ontsliep.Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe, op een teeken van den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van Nebenchari en Cresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Naçus door deze dieren te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd te worden; hoe men alle vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des doods6; hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest, talrijke wasschingen met water en runderurine moest ondergaan.Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal, de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof, om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene, op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden, wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor de eeuwigheid te verwachten had7. Ook de koning, Cassandane en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden, als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de regels der kunst, het lichaam begon te balsemen8.Negen dagen lang bleef Cambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van den ongelukkigen jongeling te sparen. Een uur later werd hem het vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus:»Heil den koning!Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij, de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven, dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en zijne gestalte,—welke de goden, in hunne gunst en genade, aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus, Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,—nogmaals tot schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden9, ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!”Cambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, ’t welk nog dienzelfden dag ten uitvoer werd gelegd.Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder te spreken; de schande hem aangedaan krenkte echter den eergierigen man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem daarom zoo spoedig mogelijk Babylon te verlaten, en een landhuis te betrekken, dat hij op den berg Arakadris10bezat.Gedurende de laatste dagen had zich een armoedig gekleede vrouw, wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was,dag en nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met een boosaardigen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood, dat meêdoogende spijsuitdeelers haar toewierpen. Toen Gaumata drie dagen later in eene gesloten harmamaxa, met een verband om ’t hoofd, de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht, om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich spoedig herstellende, vroeg hij: »Wat wilt gij van mij, Mandane?”De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep: »O verlaat mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat gij over mij en mijne arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief, en wil u verplegen en voor u zorgen, als uwe geringste dienstmaagd!”De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijne armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude medeleerlingen aan de priesterschool. Schaamte overmeesterde hem; hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester, meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde de muildieren weder in, die, daar de weg bergopwaarts ging, minder spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman van zijn driesnoerigengeesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong als een dolksteek in de wonden van den verminkte.Op den twaalfden dag, na den dood van Nitetis, ging Cambyzes weder jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en haar opwekkenden invloed, was het meest geschikt om hem afleiding te geven. De grooten en waardigheidsbekleeders ontvingen hun heer met daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uit zijne blikken; hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak, monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich, en vroeg naar Phanes.»Mijn koning heeft niet bevolen....”»Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons geleide. Roep hem, en volg ons!”Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na een halfuur met Phanes wederom bij ’s konings gevolg.Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moest wekken, omdat er in den regel geene afgunstiger menschen zijn dan hovelingen, en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van door vele nijdige oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen, had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas wist te brengen, zoo vroolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen na, allen het gezelschap van den Athener hoogst aangenaam was.Toen hij zich van den stoet gescheiden had, om met den koning een wilden ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien.Men bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der gevangenenaan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij ’s konings gunst had weten te winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den strijd met een beer als een bij uitnemendheid stout en geoefend jager. Toen de hovelingen op den terugtocht al dezeeigenschappenhemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe, dat deze Helleen, die zich overigens ook reeds in den krijg van de beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudt gij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling, als hij niet iets nieuws voor u was.”Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van den spreker, hoewel dichte struiken hem voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend: »Ik heb uwe gesprekken verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste, daar het toch de door mij zelven reeds gemaakte opmerking bevestigde, dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja, zelfs nog hooger aanschrijft dan uwe eigene.”Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend aan. Phanes vervolgde: »Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle verstandigen en den haat der geheele wereld op den hals. En dan de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk zich aanstelt! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een echte Egyptenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden, zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij, wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niet te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egypte heeft mij met dat land nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken,niet is opgewassen.—Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Nijl. Ik houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!”Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze welberekende woorden van den Athener.Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het woord te nemen, en antwoordde, dat de Achaemeniden hunne blijdschap niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van een nieuwen oorlog.»Welken oorlog?” vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd lachende.»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen,” antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed den koning op zijde. Zijne stem nam een welluidenden, tot het hart doordringenden toon aan. Met welsprekenden blik zag hij den koning in de oogen en zeide: »O, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was een schoon, een heerlijk schoon kind!.... Maar dat wilde ik u niet zeggen, ik..... Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoedigheid, o koning?”»Hoe zou ik dat kunnen?” vroeg de monarch, tot wien, vóor den Athener, niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken.»Tot op den huidigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen.”»Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!”»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken!”»Gij maakt mij nieuwsgierig.”»Men heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd,die voor weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt.”Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat.»Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde het kind van Amasis te zijn. Zij...”»Maar dat is onmogelijk!”»Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitetis, het schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!”Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne laatste woorden beter te doen werken, een tijdlang gezwegen had: »Verder! Verder! Ik moet meer weten!”»De onttroonde koning had twintig jaren11lang in lichte gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht12, eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van toorn ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die, gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. De weduwevan Hophra schonk daar het leven aan een meisje, doch bezweek zelve onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij van eene dochter.—Doch wij zijn hier aan de poort van het paleis genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het bericht van den vroedmeester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog, doen voorlezen. Zijne aanteekeningen zijn, door eene wonderbare beschikking der goden, waarvan ik u later meer zal verhalen, in mijne handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis in Egypte, woont hier te Babylon en kent alle schrijfwijzen13van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal storten, aan den dag te brengen.”»Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis zelven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens zijn huis te koesteren.”Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den koning. De gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen op een doodshoofd zou hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóor den koning in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit als sneeuw, doch hier en daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter onder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen, zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke ’s mans rug steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den in alle mysteriën ingewijdenopperpriester, maar ook den hoogbejaarden grijsaard14. Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus, Darius en Prexaspes.De koning was op zijn troon gezeten. Zijn gelaat stond ernstig en somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldus begon te spreken: »De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen, heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!”Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooren.»Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor dit bedrog te leveren.”Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming.»Thans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant: Is u Nitetis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden?”»Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven, en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in karakter, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn schoonste en liefste kind toevertrouwde.”»Dat schreef hij, ja!”»En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het zusterenpaar,” zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van den gezant. »Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling van den koning en van de koningin was!”»Zeer zeker!” liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens onder den maaltijd zeggende: »Zie niet te diep in de oogen van Tachot, want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar naar Perzië voerdet!”—De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe: ‘Vader, denk aan Phanes!’ Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had.”»Aan Phanes?”»Ja mijn koning,” antwoordde de Athener. »Amasis had mij eens, in zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten.”»Verhaal mij ook dit geval!”»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde,. werd er een groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg, des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan, en zeide: »Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt, Athener, dan geef ik u Nitetis tot gemalin! Ik zou u gaarne tot mijn schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat meisje, Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra....” Psamtik liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond, en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken.”Cambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth15werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid, want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel zij voorspoedig van een zwak dochterken.—Toen de min het kindje had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van Hophra’s weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde kindje, en zeide: »Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermen16, zoo hebbenLadice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille, zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog, zonder een woord te spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen eenige oogenblikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten.”Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen, vervolgde Onoephis onmiddellijk: »Op den zesden dag der maand Toth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen een dienaar van den koning, met het mij toegezegde goud en een brief, die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de oude vrouw, die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij wilde van haar gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden, gaf zij toe. In mijne groote artsenijkast, die ditmaal mijn zoon Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra’s weduwe. Het kind van het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde ik haar maar mededeelen welk een heerlijk lot hare lieveling na den dood wacht.—Zoo even werd Nebenchari voor den koning ontboden.”Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift melding maakt?”»Nebenchari,” antwoordde Phanes, »is de zoon van denzelfden Imhotep, die de beide kinderen verruilde!”De oogarts keek somber voor zich.Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoephis, beschouwde een oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten, naderde toen den geneesheer, en zeide:»Bezie deze teekens, en zeg mij of uw vader ze waarlijk geschreven heeft?”Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smeekend op.»Heeft uw vader deze teekenen geschreven? vraag ik.”»Ik weet niet, of.... Inderdaad....”»De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen?”»Ja, mijn koning; maar...”»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij als uw koning hebt te beschouwen. Cassandane heeft mij doen weten, dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt wedergeven. Waagt gij niet te veel?”»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!”»Nog eens, wist gij van dit bedrog af?”»Ja—mijn vorst.”»En gij liet mij in mijne dwaling?”»Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en een eed...”»De eed is heilig!—Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan betere voeding te hebben, oude!”»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein gewaad om den goden en mij zelven te behagen, en een eigen kleine kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest dan op den huidigen dag.”»Hoezoo?”»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken.”»Gij spreekt in raadselen.”»Ik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin een kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn; wanneer deze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter, zoodra zich een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van mijn schoon vaderland.”Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde: »Ook heb ik in de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan; maar dat de kroon van Egypte voor u is bestemd.”»Ik zal de sterren niet tot leugenaars maken!” riep Cambyzes, »U echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het komt er niet op aan welken.”»Laat mij in een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten.”»Het zij zoo! Laat mij thans alleen, vrienden, en zorgt dat alle dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen de Massageten!”»Heil den koning!” riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan- en uitkleeders ontbood, om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk gewaad te verwisselen.Cresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met zijne schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het gelaat van den Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde.»Hebt gij wel bedacht, Helleen,” begon de laatste, »welk een fakkel gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?”»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht.”»Gij vergeet de door hartstocht verblinden.”»Tot dezen behoor ik niet.”»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten.”»Ja, als men er in eene oogenblikkelijke opwelling gehoor aan geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn plicht.”»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk minder te achten dan dat van zijn vaderland.”»Dat weet ik....”»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!”»Dit ben ik niet met u eens.”»Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal laten, als het eens in ’t bezit is van al de overige kusten der middelzee?”»Volstrekt niet; maar ik ken mijne Hellenen, en houd het er voor, dat zij alle legers der barbaren met roem zullen wederstaan,en als het gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit te voren. De nood zal al onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen.”»Altemaal droomen!”»Die verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra gewroken zal zijn!”»Ik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordeelen, daar de tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft, en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk in ’t verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk, dat eene gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele, zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht zoo geweldig heeft doen ontbranden!”»Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af te brengen! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden; zij de vriendin van alle Hellenen, en in het bijzonder de mijne. Toen ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis nam hen in haar huis en onder hare bescherming. Een ellendeling had het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In den volgenden nacht werd het huis der Thracische vrouw omsingeld en doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten zoon de handen geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen jongen.... te....”»Hij liet hem dooden?”»Gij zegt het.”»En uw tweede kind?”»Het meisje is thans nog in zijne macht.”»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt....”»Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten grave dalen!”»Ik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon eischt wraak.”Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den Athener, die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te hebben uitriep: »Kom, thans naar den krijgsraad!Niemand heeft grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst.”»En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen zijn nueenmaalzoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren dan hunne weldoeners. Hoevele liederen zijn er niet ter eere van Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de wijze regeering van Pittacus te bezingen17?”»Er behoort dan ook meer moeds toe, om bloed te vergieten dan om boomen te planten.”»Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden te slaan.—Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene dringende vraag doen. Zal Bartja, als Amasis met de ontwerpen van den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?”»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden.”»Was hij aanstonds daartoe bereid?”»Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te gehoorzamen.”»In ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem aan te raden op zijne hoede te zijn.”»Wij zullen dit den koning verzoeken.”»Kom thans! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den hofstoet bevatten, de keuken uit.”»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd?”»Omtrent vijftien duizend18.”»Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts éen maaltijd daags houden!”1Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken, schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde geroemd.2In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden, of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van zekeren Anana, die Ebers inWardalaat optreden. Van de hermetische boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus komt ook de arts Nebsecht voor, die inWardazulk eene belangrijke rol vervult.3De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift voerde: “Inrichting tot genezing der ziel”, bevatte 20,000 hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk een bibliothecaris was, overste of“chef der boeken.” Bibliotheken schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden.4Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184.5zie boven bl.182.6’s Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, ’s zomers eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht worden.7Zie boven blz.263.8Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig gehandeld inWarda, Dl. II.9Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.10Zoo genoemd in een opschrift van Behistân.11Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene Europeesche op den leeftijd van zestig.12zie boven bl.24.13Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift) niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer goed te herkennen zijn.14Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk in den papyrus Prisse is weergevonden.15Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze 2de Sept.16Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.17Vgl. blz.9.18Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost.
Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weêr bestreek hij haar voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen, terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, haalde hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden, om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, ’s konings zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische wol, nauwelijks met de teenen beroerde, tot aan het bed der lijdende vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd, waarop groote zweetdroppelen parelden; maar telkens was zij door den Egyptischen arts met strengen, afkeurenden blik naar het zijvertrek verdreven.
Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele, plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding, dat hij iedere gemoedsbeweging hetbest onderdrukken of vergeten kon, wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten.
Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam, ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dat de koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland binnentrok, brandende fakkels in steden en tempels wierp, en met geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden, vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude, koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte zijn hart, gelijk de aderen der stervende aan zijne zijde.—Wederom opende zich het voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa binnen, en legde ditmaal de hand op zijn schouder. Huiverend sprong hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke droomen den overspannene en vermoeide overvielen?
Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd, voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis, die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand, bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte, die de heilige boeken van Toth1en de verhandelingen van een oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth, betreffende de oogheelkunde2.” Na zijn dood moest zijn werk het eigendom der boekverzameling te Thebe3worden, opdat al zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen, en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.—Zie, daar staat zijn oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en—hoor! hun spotlach, die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende en spottende woorden vloeien vande lippen des konings, het gelaat van Neithotep gloeit van helsche vreugde.
Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes, en vroeg haar in het Egyptisch: »Hebt gij goed geslapen, meesteres?”
»Ik weet het niet,” antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. »Wel was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Atossa niet meermalen bij mij geweest?”
»Juist.”
»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in.”
»Hoe weet gij dat?”
»Ik heb het gezien!”
Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in den tuin achter dit huis gebracht?”
»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart over uw lijden een poos te vergeten.”
»O, neen, dat weet ik beter! Orapastes heeft mij geleerd, dat bij iederen stervenden Pers honden4worden gebracht, opdat de Diw des doods in deze beesten vare.”
»Gij leeft nog, gebiedster, en....”
»O, ik ga sterven, dat weet ik! Al had ik niet gezien, hoe gij en die andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te leven heb. Het vergif is doodelijk!”
»Gij spreekt te veel, meesteres; het spreken zal u kwaad doen.”
»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen, voordat ik sterf.”
»Beveel, ik ben uw dienstknecht!”
»Neen, Nebenchari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin gebleven.—Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu moet gij mij ook beloven, mij niet door honden en gieren te zullen laten verscheuren. O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! Niet waar, gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?”
»Als de koning het veroorlooft.”
»O, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?”
»Mijne kunst staat u ten dienste!”
»Ik dank u. Maar nog heb ik éene bede.”
»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u het stilzwijgen moet opleggen.”
»Kunt gij hen niet voor een oogenblik verwijderen?”
»Ik wil het beproeven.”
Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen; daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij eene groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden.
Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik vrijer adem, en zeide: »Geef mij uw priesterzegen mede op de lange reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar het rijk van Osiris!”
Nebenchari knielde aan hare sponde neder, en prevelde met nauw verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt5.
Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld, als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees, dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd.—Nitetis, dieeenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vriendelijk glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: »Niet waar, ik zal bij de doodenrechters genade vinden?”
»Ik hoop en geloof het!”
»Misschien vind ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader....”
»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen, aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden.”
»Ik versta u niet.”
»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven ontroofden!” riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in angstige spanning op de stervende nederziende. »Vloek de boozen, mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere genade doen vinden, dan duizend goede werken!”—Onder het uitspreken dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met hevigheid in de zijne.
Nitetis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!”
»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!”
»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden! O—ach—mijn hart!
Uitgeput zonk zij in haar kussen neder.
Nebenchari boog zich over de lijderes, drukte, voordat de geneesheeren van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der stervende, en mompelde: »Zij sterft als mijne bondgenoote. De goden hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als mijn eigen, maar ook als koning Hophra’s wreker breng ik het zwaard over Egypte!”
Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen.
Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Cresus stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen het ijzersterke lichaam van den koning, die, geheel overweldigd door zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds verstijvende lippen,—den eersten en den laatsten, dien hij haar had mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke lippen; toen zonk zij in Atossa’s armen, en ontsliep.
Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe, op een teeken van den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van Nebenchari en Cresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Naçus door deze dieren te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd te worden; hoe men alle vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des doods6; hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest, talrijke wasschingen met water en runderurine moest ondergaan.
Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal, de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof, om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene, op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden, wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor de eeuwigheid te verwachten had7. Ook de koning, Cassandane en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden, als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de regels der kunst, het lichaam begon te balsemen8.
Negen dagen lang bleef Cambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van den ongelukkigen jongeling te sparen. Een uur later werd hem het vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus:
»Heil den koning!Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij, de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven, dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en zijne gestalte,—welke de goden, in hunne gunst en genade, aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus, Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,—nogmaals tot schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden9, ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!”
»Heil den koning!
Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij, de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven, dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en zijne gestalte,—welke de goden, in hunne gunst en genade, aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus, Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,—nogmaals tot schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden9, ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!”
Cambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, ’t welk nog dienzelfden dag ten uitvoer werd gelegd.
Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder te spreken; de schande hem aangedaan krenkte echter den eergierigen man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem daarom zoo spoedig mogelijk Babylon te verlaten, en een landhuis te betrekken, dat hij op den berg Arakadris10bezat.
Gedurende de laatste dagen had zich een armoedig gekleede vrouw, wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was,dag en nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met een boosaardigen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood, dat meêdoogende spijsuitdeelers haar toewierpen. Toen Gaumata drie dagen later in eene gesloten harmamaxa, met een verband om ’t hoofd, de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht, om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich spoedig herstellende, vroeg hij: »Wat wilt gij van mij, Mandane?”
De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep: »O verlaat mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat gij over mij en mijne arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief, en wil u verplegen en voor u zorgen, als uwe geringste dienstmaagd!”
De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijne armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude medeleerlingen aan de priesterschool. Schaamte overmeesterde hem; hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester, meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde de muildieren weder in, die, daar de weg bergopwaarts ging, minder spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman van zijn driesnoerigengeesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong als een dolksteek in de wonden van den verminkte.
Op den twaalfden dag, na den dood van Nitetis, ging Cambyzes weder jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en haar opwekkenden invloed, was het meest geschikt om hem afleiding te geven. De grooten en waardigheidsbekleeders ontvingen hun heer met daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uit zijne blikken; hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak, monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich, en vroeg naar Phanes.
»Mijn koning heeft niet bevolen....”
»Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons geleide. Roep hem, en volg ons!”
Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na een halfuur met Phanes wederom bij ’s konings gevolg.
Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moest wekken, omdat er in den regel geene afgunstiger menschen zijn dan hovelingen, en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van door vele nijdige oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen, had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas wist te brengen, zoo vroolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen na, allen het gezelschap van den Athener hoogst aangenaam was.Toen hij zich van den stoet gescheiden had, om met den koning een wilden ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien.Men bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der gevangenenaan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij ’s konings gunst had weten te winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den strijd met een beer als een bij uitnemendheid stout en geoefend jager. Toen de hovelingen op den terugtocht al dezeeigenschappenhemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe, dat deze Helleen, die zich overigens ook reeds in den krijg van de beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudt gij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling, als hij niet iets nieuws voor u was.”
Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van den spreker, hoewel dichte struiken hem voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend: »Ik heb uwe gesprekken verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste, daar het toch de door mij zelven reeds gemaakte opmerking bevestigde, dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja, zelfs nog hooger aanschrijft dan uwe eigene.”
Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend aan. Phanes vervolgde: »Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle verstandigen en den haat der geheele wereld op den hals. En dan de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk zich aanstelt! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een echte Egyptenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden, zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij, wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niet te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egypte heeft mij met dat land nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken,niet is opgewassen.—Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Nijl. Ik houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!”
Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze welberekende woorden van den Athener.
Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het woord te nemen, en antwoordde, dat de Achaemeniden hunne blijdschap niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van een nieuwen oorlog.
»Welken oorlog?” vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd lachende.
»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen,” antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed den koning op zijde. Zijne stem nam een welluidenden, tot het hart doordringenden toon aan. Met welsprekenden blik zag hij den koning in de oogen en zeide: »O, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was een schoon, een heerlijk schoon kind!.... Maar dat wilde ik u niet zeggen, ik..... Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoedigheid, o koning?”
»Hoe zou ik dat kunnen?” vroeg de monarch, tot wien, vóor den Athener, niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken.
»Tot op den huidigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen.”
»Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!”
»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken!”
»Gij maakt mij nieuwsgierig.”
»Men heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd,die voor weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt.”
Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat.
»Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde het kind van Amasis te zijn. Zij...”
»Maar dat is onmogelijk!”
»Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitetis, het schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!”
Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne laatste woorden beter te doen werken, een tijdlang gezwegen had: »Verder! Verder! Ik moet meer weten!”
»De onttroonde koning had twintig jaren11lang in lichte gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht12, eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van toorn ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die, gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. De weduwevan Hophra schonk daar het leven aan een meisje, doch bezweek zelve onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij van eene dochter.—Doch wij zijn hier aan de poort van het paleis genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het bericht van den vroedmeester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog, doen voorlezen. Zijne aanteekeningen zijn, door eene wonderbare beschikking der goden, waarvan ik u later meer zal verhalen, in mijne handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis in Egypte, woont hier te Babylon en kent alle schrijfwijzen13van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal storten, aan den dag te brengen.”
»Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis zelven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens zijn huis te koesteren.”
Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den koning. De gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen op een doodshoofd zou hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóor den koning in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit als sneeuw, doch hier en daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter onder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen, zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke ’s mans rug steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den in alle mysteriën ingewijdenopperpriester, maar ook den hoogbejaarden grijsaard14. Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus, Darius en Prexaspes.
De koning was op zijn troon gezeten. Zijn gelaat stond ernstig en somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldus begon te spreken: »De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen, heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!”
Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooren.
»Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor dit bedrog te leveren.”
Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming.
»Thans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant: Is u Nitetis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden?”
»Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven, en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in karakter, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn schoonste en liefste kind toevertrouwde.”
»Dat schreef hij, ja!”
»En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het zusterenpaar,” zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van den gezant. »Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling van den koning en van de koningin was!”
»Zeer zeker!” liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens onder den maaltijd zeggende: »Zie niet te diep in de oogen van Tachot, want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar naar Perzië voerdet!”—De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe: ‘Vader, denk aan Phanes!’ Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had.”
»Aan Phanes?”
»Ja mijn koning,” antwoordde de Athener. »Amasis had mij eens, in zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten.”
»Verhaal mij ook dit geval!”
»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde,. werd er een groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg, des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan, en zeide: »Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt, Athener, dan geef ik u Nitetis tot gemalin! Ik zou u gaarne tot mijn schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat meisje, Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra....” Psamtik liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond, en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken.”
Cambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth15werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid, want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel zij voorspoedig van een zwak dochterken.—Toen de min het kindje had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van Hophra’s weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde kindje, en zeide: »Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermen16, zoo hebbenLadice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille, zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog, zonder een woord te spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen eenige oogenblikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten.”
Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen, vervolgde Onoephis onmiddellijk: »Op den zesden dag der maand Toth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen een dienaar van den koning, met het mij toegezegde goud en een brief, die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de oude vrouw, die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij wilde van haar gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden, gaf zij toe. In mijne groote artsenijkast, die ditmaal mijn zoon Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra’s weduwe. Het kind van het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde ik haar maar mededeelen welk een heerlijk lot hare lieveling na den dood wacht.—Zoo even werd Nebenchari voor den koning ontboden.”
Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift melding maakt?”
»Nebenchari,” antwoordde Phanes, »is de zoon van denzelfden Imhotep, die de beide kinderen verruilde!”
De oogarts keek somber voor zich.
Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoephis, beschouwde een oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten, naderde toen den geneesheer, en zeide:»Bezie deze teekens, en zeg mij of uw vader ze waarlijk geschreven heeft?”
Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smeekend op.
»Heeft uw vader deze teekenen geschreven? vraag ik.”
»Ik weet niet, of.... Inderdaad....”
»De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen?”
»Ja, mijn koning; maar...”
»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij als uw koning hebt te beschouwen. Cassandane heeft mij doen weten, dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt wedergeven. Waagt gij niet te veel?”
»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!”
»Nog eens, wist gij van dit bedrog af?”
»Ja—mijn vorst.”
»En gij liet mij in mijne dwaling?”
»Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en een eed...”
»De eed is heilig!—Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan betere voeding te hebben, oude!”
»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein gewaad om den goden en mij zelven te behagen, en een eigen kleine kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest dan op den huidigen dag.”
»Hoezoo?”
»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken.”
»Gij spreekt in raadselen.”
»Ik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin een kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn; wanneer deze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter, zoodra zich een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van mijn schoon vaderland.”
Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde: »Ook heb ik in de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan; maar dat de kroon van Egypte voor u is bestemd.”
»Ik zal de sterren niet tot leugenaars maken!” riep Cambyzes, »U echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het komt er niet op aan welken.”
»Laat mij in een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten.”
»Het zij zoo! Laat mij thans alleen, vrienden, en zorgt dat alle dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen de Massageten!”
»Heil den koning!” riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan- en uitkleeders ontbood, om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk gewaad te verwisselen.
Cresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met zijne schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het gelaat van den Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde.
»Hebt gij wel bedacht, Helleen,” begon de laatste, »welk een fakkel gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?”
»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht.”
»Gij vergeet de door hartstocht verblinden.”
»Tot dezen behoor ik niet.”
»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten.”
»Ja, als men er in eene oogenblikkelijke opwelling gehoor aan geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn plicht.”
»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk minder te achten dan dat van zijn vaderland.”
»Dat weet ik....”
»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!”
»Dit ben ik niet met u eens.”
»Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal laten, als het eens in ’t bezit is van al de overige kusten der middelzee?”
»Volstrekt niet; maar ik ken mijne Hellenen, en houd het er voor, dat zij alle legers der barbaren met roem zullen wederstaan,en als het gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit te voren. De nood zal al onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen.”
»Altemaal droomen!”
»Die verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra gewroken zal zijn!”
»Ik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordeelen, daar de tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft, en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk in ’t verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk, dat eene gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele, zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht zoo geweldig heeft doen ontbranden!”
»Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af te brengen! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden; zij de vriendin van alle Hellenen, en in het bijzonder de mijne. Toen ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis nam hen in haar huis en onder hare bescherming. Een ellendeling had het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In den volgenden nacht werd het huis der Thracische vrouw omsingeld en doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten zoon de handen geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen jongen.... te....”
»Hij liet hem dooden?”
»Gij zegt het.”
»En uw tweede kind?”
»Het meisje is thans nog in zijne macht.”
»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt....”
»Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten grave dalen!”
»Ik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon eischt wraak.”
Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den Athener, die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te hebben uitriep: »Kom, thans naar den krijgsraad!Niemand heeft grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst.”
»En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen zijn nueenmaalzoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren dan hunne weldoeners. Hoevele liederen zijn er niet ter eere van Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de wijze regeering van Pittacus te bezingen17?”
»Er behoort dan ook meer moeds toe, om bloed te vergieten dan om boomen te planten.”
»Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden te slaan.—Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene dringende vraag doen. Zal Bartja, als Amasis met de ontwerpen van den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?”
»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden.”
»Was hij aanstonds daartoe bereid?”
»Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te gehoorzamen.”
»In ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem aan te raden op zijne hoede te zijn.”
»Wij zullen dit den koning verzoeken.”
»Kom thans! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den hofstoet bevatten, de keuken uit.”
»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd?”
»Omtrent vijftien duizend18.”
»Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts éen maaltijd daags houden!”
1Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken, schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde geroemd.2In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden, of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van zekeren Anana, die Ebers inWardalaat optreden. Van de hermetische boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus komt ook de arts Nebsecht voor, die inWardazulk eene belangrijke rol vervult.3De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift voerde: “Inrichting tot genezing der ziel”, bevatte 20,000 hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk een bibliothecaris was, overste of“chef der boeken.” Bibliotheken schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden.4Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184.5zie boven bl.182.6’s Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, ’s zomers eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht worden.7Zie boven blz.263.8Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig gehandeld inWarda, Dl. II.9Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.10Zoo genoemd in een opschrift van Behistân.11Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene Europeesche op den leeftijd van zestig.12zie boven bl.24.13Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift) niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer goed te herkennen zijn.14Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk in den papyrus Prisse is weergevonden.15Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze 2de Sept.16Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.17Vgl. blz.9.18Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost.
1Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken, schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde geroemd.
2In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden, of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van zekeren Anana, die Ebers inWardalaat optreden. Van de hermetische boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus komt ook de arts Nebsecht voor, die inWardazulk eene belangrijke rol vervult.
3De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift voerde: “Inrichting tot genezing der ziel”, bevatte 20,000 hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk een bibliothecaris was, overste of“chef der boeken.” Bibliotheken schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden.
4Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184.
5zie boven bl.182.
6’s Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, ’s zomers eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht worden.
7Zie boven blz.263.
8Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig gehandeld inWarda, Dl. II.
9Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.
10Zoo genoemd in een opschrift van Behistân.
11Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene Europeesche op den leeftijd van zestig.
12zie boven bl.24.
13Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift) niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer goed te herkennen zijn.
14Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk in den papyrus Prisse is weergevonden.
15Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze 2de Sept.
16Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.
17Vgl. blz.9.
18Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost.