Vijfde hoofdstuk.

Vijfde hoofdstuk.De overige leden van hetPerzischegezantschap waren van hun tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naarPerziëaanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten, aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven, allen in den rijksten feestdosch.De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken, bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke, hoewel zeer eentonigemelodieënontvingen1. Op hetmidden van den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd, stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken, glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die, onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij in leunstoelen gezeten.Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde, maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als bij gelegenheid van de ontvangst derPerzischegezanten, gedroegen zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel,“mestem”2geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper, gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder de mannen de jongePerzischekoningszoon, Bartja, door schoonheid en bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den pharao, verreweg de bekoorlijksteonder al de Egyptische vrouwen. De koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld, met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem, die het hoofd harer moeder sierde.De koningin Ladice3, eene geborene Griekin, de dochter van Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen4. Haar gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta5, de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis, werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte6. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst verried.»Wat ziet gij bleek, mijne dochter,” sprak Ladice, Nitetis op de wang kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja.”Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik, dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie Nitetis, wie ik nevens haar ‘de roos’ zou kunnen heeten, u bid ik om vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven.”De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes, slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen entamboerijnsde grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers7hunne liederen, en potsenmakers hunne grappen ten beste.Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer wisten te bewaren8. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels droegen. Alleen de krijgsoversten, dePerzischegezanten en eenige waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis,werden door den hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen, en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte, tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao, bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen, zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep: »Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult gij aan deze gelijk zijn”9.»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op deze wijze aan den dood te doen gedenken,” vroeg Bartja, ernstiger wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?”»Sinds eeuwen,” antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter, vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht te nemen.—Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik des levens ongebruikt voorbijga!—Gij zijt een stevig drinker, gij Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte geschonken. Laat mij u kussen, mijn bestejongen, gij ondeugd!—Wat zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben gebracht.—Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naarPerzië!”»Vader!” viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!” De koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër, of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gijPerziëverliet?”Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus: »De meeste bergen van hetPerzischegebergte prijkten met heerlijk groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het heetst van den zomer de sneeuw niet smelt10, en deze zagen wij in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden.”Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte, vroeg hem naar zijn naam.»Ik heet Aristomachus.”»Dien naam heb ik meer gehoord.”»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden naam als ik.”»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt gij misschien een Spartaan?”»Ik was het.”»Zoo zijt gij het dus niet meer?”»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig.”»Verliet gij het vrijwillig?”»Ja!”»Waarom?”»Om de schande te ontvluchten.”»Wat hadt gij misdreven?”»Niets!”»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?”»Ja!”»Wie was de bewerker van uw ongeluk?”»Gij!”Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden.DeSpartaanaarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij, Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen, tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud, dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader vandezen schoonen jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd, en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt.”Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen, om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten en eerbiedwaardigsten aller menschen!”»Geloof mij jongeling,” antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!”»Maar gij, Bartja,” riep Darius, de neef van den koning vanPerzië, »zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?”Bartja bloosde, doch ’t was hem aan te zien, dat ook hij den dood boven de schande zou hebben verkozen.»En gij, Zopyrus?” vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers wendende.»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven verminken!”11riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner beide vrienden.Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij van de gastvrije woning van Rhodopis.Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand, de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in gesprekken met Rhodopis.1Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.2De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij “mestem” noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ebers voor.3Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: “de geëerde, de aangebedene.”4Vgl. Ebers’Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.5Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis’ eerste vrouw geweest te zijn.6Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine’s gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.7Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.8Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: “Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis zonder brood.”9Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: “Vergeet alle zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt.”10Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.11Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid gemaakt.Zesde hoofdstuk.Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden, bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht, terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige, in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht vereischten1. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt.”Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek van een nomarch2om gelden voor onderscheidene afdammingen3, die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde, dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij komen kan!”Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met eerbied nederboog.Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt.”»Vooral voor uw zoon,” antwoordde de kroonprins met bittere ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken, die gij mij heden voor het eerst bewijst.”»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van Nitetis.”»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent.”»Bedoelt gij Phanes?”»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij, dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?”»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb.”»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?”»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelenvan menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is mijn vriend!”»Uwvriend;—maarmijndoodvijand!”»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen.”»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij, uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart moet liggen, omdat gij in mij Egypte’s toekomst ziet. Bedenk toch, dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik, gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte zijn zal.”Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand kan verkeeren.”»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter, en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen.”»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet, dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad4, en bedrogen te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester zoeken te verwerven?”»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan haat en wraak?” vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet, wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij beiden noemen Nitetis onzedochter; wie zal durven beweren dat zij het niet is?—Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken.”»Vader!”»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb, aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar is, vaster aan mij te verbinden.”»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen geweest, hoe Ramses de groote5met onze zegevierende wapenen de verstverwijderdevolken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen, hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste land der aarde noemde.—En wat zijn wij thans? Door uw, door ’s konings eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden, om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin, thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!”»Bedwing uwe tong!” riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeftonze wapenen in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed, schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid onttrekken.—Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen, welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken6ons door de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn, behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!”»En toch zeg ik u,” riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten, naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden, met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja, vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naarhet westen uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand onmogelijk bleek, toenPerziëde halve wereld onderworpen had, en in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde, toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij, die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling, die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en Egypte’s ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!”Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij, Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap, wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!—Gij hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een koudesiddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken, en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken.”Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde: »Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van de zonen Typhons7, omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, desterrekundigenhebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth8. Gij...”Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede vader, en verzwijg ten minste, datik de eenige zoon in Egypte ben, dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!”Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene moeder van den ongelukkige.—Na langen tijd zag hij thans weder voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging, daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze handelingen en toegevend jegens elkander zijn.”Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn vader. »Niet alzoo,” riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader....”»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd is,” viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende.”»Ga zoo niet voort,” hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla,bezit ik ook de macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw hart; ik zal hem inwilligen.”Psamtik’s oogen helderden op; ’t scheen dat zijne vale wangen een oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!”De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij: »Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien, dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij, voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman, een dischgenoot vinden, als hij was?—maar ik zie hem nog niet in uwe macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis’ kleindochter te zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u, dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.—En nu zoudt gij nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis’ afkomst? Welnu, luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen.”Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een krachtigen handdruk.»Vaarwel thans!” zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u, vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden te hebben.”Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem, en reeds zag hij in zijne verbeelding denvermoorden Phanes, nevens de schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;” alzoo poogde hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een glimlach om de lippen zijn kabinet.Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?1Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.2Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p—tasch of hesp) of provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.3De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris is gegraven om de overstrooming te regelen.4Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistân: “Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was.”5Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers’Warda.6De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.7Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet “de almachtige verwoester.” De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook “roode” genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.8De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.

Vijfde hoofdstuk.De overige leden van hetPerzischegezantschap waren van hun tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naarPerziëaanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten, aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven, allen in den rijksten feestdosch.De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken, bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke, hoewel zeer eentonigemelodieënontvingen1. Op hetmidden van den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd, stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken, glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die, onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij in leunstoelen gezeten.Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde, maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als bij gelegenheid van de ontvangst derPerzischegezanten, gedroegen zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel,“mestem”2geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper, gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder de mannen de jongePerzischekoningszoon, Bartja, door schoonheid en bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den pharao, verreweg de bekoorlijksteonder al de Egyptische vrouwen. De koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld, met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem, die het hoofd harer moeder sierde.De koningin Ladice3, eene geborene Griekin, de dochter van Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen4. Haar gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta5, de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis, werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte6. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst verried.»Wat ziet gij bleek, mijne dochter,” sprak Ladice, Nitetis op de wang kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja.”Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik, dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie Nitetis, wie ik nevens haar ‘de roos’ zou kunnen heeten, u bid ik om vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven.”De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes, slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen entamboerijnsde grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers7hunne liederen, en potsenmakers hunne grappen ten beste.Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer wisten te bewaren8. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels droegen. Alleen de krijgsoversten, dePerzischegezanten en eenige waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis,werden door den hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen, en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte, tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao, bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen, zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep: »Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult gij aan deze gelijk zijn”9.»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op deze wijze aan den dood te doen gedenken,” vroeg Bartja, ernstiger wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?”»Sinds eeuwen,” antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter, vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht te nemen.—Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik des levens ongebruikt voorbijga!—Gij zijt een stevig drinker, gij Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte geschonken. Laat mij u kussen, mijn bestejongen, gij ondeugd!—Wat zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben gebracht.—Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naarPerzië!”»Vader!” viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!” De koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër, of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gijPerziëverliet?”Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus: »De meeste bergen van hetPerzischegebergte prijkten met heerlijk groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het heetst van den zomer de sneeuw niet smelt10, en deze zagen wij in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden.”Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte, vroeg hem naar zijn naam.»Ik heet Aristomachus.”»Dien naam heb ik meer gehoord.”»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden naam als ik.”»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt gij misschien een Spartaan?”»Ik was het.”»Zoo zijt gij het dus niet meer?”»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig.”»Verliet gij het vrijwillig?”»Ja!”»Waarom?”»Om de schande te ontvluchten.”»Wat hadt gij misdreven?”»Niets!”»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?”»Ja!”»Wie was de bewerker van uw ongeluk?”»Gij!”Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden.DeSpartaanaarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij, Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen, tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud, dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader vandezen schoonen jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd, en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt.”Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen, om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten en eerbiedwaardigsten aller menschen!”»Geloof mij jongeling,” antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!”»Maar gij, Bartja,” riep Darius, de neef van den koning vanPerzië, »zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?”Bartja bloosde, doch ’t was hem aan te zien, dat ook hij den dood boven de schande zou hebben verkozen.»En gij, Zopyrus?” vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers wendende.»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven verminken!”11riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner beide vrienden.Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij van de gastvrije woning van Rhodopis.Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand, de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in gesprekken met Rhodopis.1Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.2De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij “mestem” noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ebers voor.3Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: “de geëerde, de aangebedene.”4Vgl. Ebers’Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.5Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis’ eerste vrouw geweest te zijn.6Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine’s gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.7Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.8Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: “Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis zonder brood.”9Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: “Vergeet alle zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt.”10Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.11Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid gemaakt.Zesde hoofdstuk.Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden, bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht, terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige, in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht vereischten1. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt.”Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek van een nomarch2om gelden voor onderscheidene afdammingen3, die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde, dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij komen kan!”Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met eerbied nederboog.Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt.”»Vooral voor uw zoon,” antwoordde de kroonprins met bittere ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken, die gij mij heden voor het eerst bewijst.”»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van Nitetis.”»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent.”»Bedoelt gij Phanes?”»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij, dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?”»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb.”»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?”»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelenvan menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is mijn vriend!”»Uwvriend;—maarmijndoodvijand!”»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen.”»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij, uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart moet liggen, omdat gij in mij Egypte’s toekomst ziet. Bedenk toch, dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik, gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte zijn zal.”Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand kan verkeeren.”»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter, en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen.”»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet, dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad4, en bedrogen te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester zoeken te verwerven?”»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan haat en wraak?” vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet, wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij beiden noemen Nitetis onzedochter; wie zal durven beweren dat zij het niet is?—Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken.”»Vader!”»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb, aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar is, vaster aan mij te verbinden.”»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen geweest, hoe Ramses de groote5met onze zegevierende wapenen de verstverwijderdevolken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen, hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste land der aarde noemde.—En wat zijn wij thans? Door uw, door ’s konings eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden, om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin, thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!”»Bedwing uwe tong!” riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeftonze wapenen in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed, schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid onttrekken.—Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen, welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken6ons door de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn, behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!”»En toch zeg ik u,” riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten, naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden, met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja, vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naarhet westen uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand onmogelijk bleek, toenPerziëde halve wereld onderworpen had, en in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde, toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij, die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling, die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en Egypte’s ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!”Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij, Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap, wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!—Gij hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een koudesiddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken, en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken.”Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde: »Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van de zonen Typhons7, omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, desterrekundigenhebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth8. Gij...”Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede vader, en verzwijg ten minste, datik de eenige zoon in Egypte ben, dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!”Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene moeder van den ongelukkige.—Na langen tijd zag hij thans weder voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging, daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze handelingen en toegevend jegens elkander zijn.”Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn vader. »Niet alzoo,” riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader....”»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd is,” viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende.”»Ga zoo niet voort,” hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla,bezit ik ook de macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw hart; ik zal hem inwilligen.”Psamtik’s oogen helderden op; ’t scheen dat zijne vale wangen een oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!”De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij: »Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien, dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij, voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman, een dischgenoot vinden, als hij was?—maar ik zie hem nog niet in uwe macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis’ kleindochter te zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u, dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.—En nu zoudt gij nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis’ afkomst? Welnu, luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen.”Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een krachtigen handdruk.»Vaarwel thans!” zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u, vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden te hebben.”Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem, en reeds zag hij in zijne verbeelding denvermoorden Phanes, nevens de schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;” alzoo poogde hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een glimlach om de lippen zijn kabinet.Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?1Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.2Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p—tasch of hesp) of provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.3De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris is gegraven om de overstrooming te regelen.4Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistân: “Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was.”5Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers’Warda.6De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.7Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet “de almachtige verwoester.” De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook “roode” genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.8De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.

Vijfde hoofdstuk.De overige leden van hetPerzischegezantschap waren van hun tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naarPerziëaanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten, aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven, allen in den rijksten feestdosch.De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken, bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke, hoewel zeer eentonigemelodieënontvingen1. Op hetmidden van den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd, stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken, glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die, onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij in leunstoelen gezeten.Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde, maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als bij gelegenheid van de ontvangst derPerzischegezanten, gedroegen zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel,“mestem”2geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper, gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder de mannen de jongePerzischekoningszoon, Bartja, door schoonheid en bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den pharao, verreweg de bekoorlijksteonder al de Egyptische vrouwen. De koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld, met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem, die het hoofd harer moeder sierde.De koningin Ladice3, eene geborene Griekin, de dochter van Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen4. Haar gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta5, de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis, werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte6. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst verried.»Wat ziet gij bleek, mijne dochter,” sprak Ladice, Nitetis op de wang kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja.”Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik, dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie Nitetis, wie ik nevens haar ‘de roos’ zou kunnen heeten, u bid ik om vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven.”De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes, slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen entamboerijnsde grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers7hunne liederen, en potsenmakers hunne grappen ten beste.Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer wisten te bewaren8. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels droegen. Alleen de krijgsoversten, dePerzischegezanten en eenige waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis,werden door den hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen, en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte, tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao, bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen, zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep: »Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult gij aan deze gelijk zijn”9.»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op deze wijze aan den dood te doen gedenken,” vroeg Bartja, ernstiger wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?”»Sinds eeuwen,” antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter, vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht te nemen.—Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik des levens ongebruikt voorbijga!—Gij zijt een stevig drinker, gij Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte geschonken. Laat mij u kussen, mijn bestejongen, gij ondeugd!—Wat zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben gebracht.—Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naarPerzië!”»Vader!” viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!” De koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër, of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gijPerziëverliet?”Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus: »De meeste bergen van hetPerzischegebergte prijkten met heerlijk groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het heetst van den zomer de sneeuw niet smelt10, en deze zagen wij in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden.”Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte, vroeg hem naar zijn naam.»Ik heet Aristomachus.”»Dien naam heb ik meer gehoord.”»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden naam als ik.”»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt gij misschien een Spartaan?”»Ik was het.”»Zoo zijt gij het dus niet meer?”»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig.”»Verliet gij het vrijwillig?”»Ja!”»Waarom?”»Om de schande te ontvluchten.”»Wat hadt gij misdreven?”»Niets!”»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?”»Ja!”»Wie was de bewerker van uw ongeluk?”»Gij!”Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden.DeSpartaanaarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij, Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen, tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud, dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader vandezen schoonen jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd, en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt.”Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen, om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten en eerbiedwaardigsten aller menschen!”»Geloof mij jongeling,” antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!”»Maar gij, Bartja,” riep Darius, de neef van den koning vanPerzië, »zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?”Bartja bloosde, doch ’t was hem aan te zien, dat ook hij den dood boven de schande zou hebben verkozen.»En gij, Zopyrus?” vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers wendende.»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven verminken!”11riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner beide vrienden.Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij van de gastvrije woning van Rhodopis.Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand, de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in gesprekken met Rhodopis.1Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.2De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij “mestem” noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ebers voor.3Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: “de geëerde, de aangebedene.”4Vgl. Ebers’Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.5Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis’ eerste vrouw geweest te zijn.6Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine’s gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.7Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.8Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: “Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis zonder brood.”9Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: “Vergeet alle zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt.”10Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.11Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid gemaakt.

De overige leden van hetPerzischegezantschap waren van hun tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naarPerziëaanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten, aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven, allen in den rijksten feestdosch.

De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken, bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke, hoewel zeer eentonigemelodieënontvingen1. Op hetmidden van den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd, stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken, glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die, onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij in leunstoelen gezeten.

Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde, maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als bij gelegenheid van de ontvangst derPerzischegezanten, gedroegen zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel,“mestem”2geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper, gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder de mannen de jongePerzischekoningszoon, Bartja, door schoonheid en bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den pharao, verreweg de bekoorlijksteonder al de Egyptische vrouwen. De koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld, met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem, die het hoofd harer moeder sierde.

De koningin Ladice3, eene geborene Griekin, de dochter van Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen4. Haar gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta5, de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.

De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis, werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte6. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst verried.

»Wat ziet gij bleek, mijne dochter,” sprak Ladice, Nitetis op de wang kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja.”

Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik, dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie Nitetis, wie ik nevens haar ‘de roos’ zou kunnen heeten, u bid ik om vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven.”

De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes, slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen entamboerijnsde grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers7hunne liederen, en potsenmakers hunne grappen ten beste.

Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer wisten te bewaren8. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels droegen. Alleen de krijgsoversten, dePerzischegezanten en eenige waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis,werden door den hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen, en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte, tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.

Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao, bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen, zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep: »Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult gij aan deze gelijk zijn”9.

»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op deze wijze aan den dood te doen gedenken,” vroeg Bartja, ernstiger wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?”

»Sinds eeuwen,” antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter, vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht te nemen.—Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik des levens ongebruikt voorbijga!—Gij zijt een stevig drinker, gij Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte geschonken. Laat mij u kussen, mijn bestejongen, gij ondeugd!—Wat zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben gebracht.—Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naarPerzië!”

»Vader!” viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!” De koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.

Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër, of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gijPerziëverliet?”

Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus: »De meeste bergen van hetPerzischegebergte prijkten met heerlijk groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het heetst van den zomer de sneeuw niet smelt10, en deze zagen wij in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden.”

Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte, vroeg hem naar zijn naam.

»Ik heet Aristomachus.”

»Dien naam heb ik meer gehoord.”

»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden naam als ik.”

»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt gij misschien een Spartaan?”

»Ik was het.”

»Zoo zijt gij het dus niet meer?”

»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig.”

»Verliet gij het vrijwillig?”

»Ja!”

»Waarom?”

»Om de schande te ontvluchten.”

»Wat hadt gij misdreven?”

»Niets!”

»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?”

»Ja!”

»Wie was de bewerker van uw ongeluk?”

»Gij!”

Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden.

DeSpartaanaarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij, Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen, tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud, dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader vandezen schoonen jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd, en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt.”

Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen, om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten en eerbiedwaardigsten aller menschen!”

»Geloof mij jongeling,” antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!”

»Maar gij, Bartja,” riep Darius, de neef van den koning vanPerzië, »zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?”

Bartja bloosde, doch ’t was hem aan te zien, dat ook hij den dood boven de schande zou hebben verkozen.

»En gij, Zopyrus?” vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers wendende.

»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven verminken!”11riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner beide vrienden.

Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij van de gastvrije woning van Rhodopis.

Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand, de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in gesprekken met Rhodopis.

1Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.2De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij “mestem” noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ebers voor.3Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: “de geëerde, de aangebedene.”4Vgl. Ebers’Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.5Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis’ eerste vrouw geweest te zijn.6Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine’s gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.7Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.8Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: “Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis zonder brood.”9Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: “Vergeet alle zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt.”10Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.11Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid gemaakt.

1Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.

2De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij “mestem” noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ebers voor.

3Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: “de geëerde, de aangebedene.”

4Vgl. Ebers’Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.

5Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis’ eerste vrouw geweest te zijn.

6Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine’s gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.

7Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.

8Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: “Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis zonder brood.”

9Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: “Vergeet alle zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt.”

10Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.

11Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid gemaakt.

Zesde hoofdstuk.Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden, bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht, terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige, in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht vereischten1. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt.”Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek van een nomarch2om gelden voor onderscheidene afdammingen3, die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde, dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij komen kan!”Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met eerbied nederboog.Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt.”»Vooral voor uw zoon,” antwoordde de kroonprins met bittere ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken, die gij mij heden voor het eerst bewijst.”»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van Nitetis.”»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent.”»Bedoelt gij Phanes?”»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij, dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?”»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb.”»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?”»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelenvan menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is mijn vriend!”»Uwvriend;—maarmijndoodvijand!”»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen.”»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij, uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart moet liggen, omdat gij in mij Egypte’s toekomst ziet. Bedenk toch, dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik, gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte zijn zal.”Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand kan verkeeren.”»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter, en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen.”»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet, dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad4, en bedrogen te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester zoeken te verwerven?”»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan haat en wraak?” vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet, wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij beiden noemen Nitetis onzedochter; wie zal durven beweren dat zij het niet is?—Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken.”»Vader!”»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb, aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar is, vaster aan mij te verbinden.”»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen geweest, hoe Ramses de groote5met onze zegevierende wapenen de verstverwijderdevolken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen, hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste land der aarde noemde.—En wat zijn wij thans? Door uw, door ’s konings eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden, om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin, thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!”»Bedwing uwe tong!” riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeftonze wapenen in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed, schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid onttrekken.—Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen, welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken6ons door de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn, behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!”»En toch zeg ik u,” riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten, naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden, met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja, vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naarhet westen uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand onmogelijk bleek, toenPerziëde halve wereld onderworpen had, en in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde, toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij, die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling, die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en Egypte’s ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!”Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij, Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap, wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!—Gij hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een koudesiddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken, en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken.”Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde: »Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van de zonen Typhons7, omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, desterrekundigenhebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth8. Gij...”Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede vader, en verzwijg ten minste, datik de eenige zoon in Egypte ben, dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!”Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene moeder van den ongelukkige.—Na langen tijd zag hij thans weder voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging, daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze handelingen en toegevend jegens elkander zijn.”Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn vader. »Niet alzoo,” riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader....”»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd is,” viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende.”»Ga zoo niet voort,” hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla,bezit ik ook de macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw hart; ik zal hem inwilligen.”Psamtik’s oogen helderden op; ’t scheen dat zijne vale wangen een oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!”De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij: »Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien, dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij, voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman, een dischgenoot vinden, als hij was?—maar ik zie hem nog niet in uwe macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis’ kleindochter te zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u, dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.—En nu zoudt gij nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis’ afkomst? Welnu, luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen.”Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een krachtigen handdruk.»Vaarwel thans!” zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u, vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden te hebben.”Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem, en reeds zag hij in zijne verbeelding denvermoorden Phanes, nevens de schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;” alzoo poogde hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een glimlach om de lippen zijn kabinet.Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?1Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.2Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p—tasch of hesp) of provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.3De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris is gegraven om de overstrooming te regelen.4Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistân: “Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was.”5Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers’Warda.6De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.7Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet “de almachtige verwoester.” De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook “roode” genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.8De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.

Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden, bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht, terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige, in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht vereischten1. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt.”

Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek van een nomarch2om gelden voor onderscheidene afdammingen3, die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde, dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij komen kan!”

Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met eerbied nederboog.

Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt.”

»Vooral voor uw zoon,” antwoordde de kroonprins met bittere ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken, die gij mij heden voor het eerst bewijst.”

»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van Nitetis.”

»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent.”

»Bedoelt gij Phanes?”

»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij, dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?”

»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb.”

»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?”

»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelenvan menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is mijn vriend!”

»Uwvriend;—maarmijndoodvijand!”

»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen.”

»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij, uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart moet liggen, omdat gij in mij Egypte’s toekomst ziet. Bedenk toch, dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik, gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte zijn zal.”

Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand kan verkeeren.”

»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter, en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen.”

»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet, dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad4, en bedrogen te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester zoeken te verwerven?”

»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan haat en wraak?” vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet, wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij beiden noemen Nitetis onzedochter; wie zal durven beweren dat zij het niet is?—Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken.”

»Vader!”

»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb, aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar is, vaster aan mij te verbinden.”

»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen geweest, hoe Ramses de groote5met onze zegevierende wapenen de verstverwijderdevolken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen, hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste land der aarde noemde.—En wat zijn wij thans? Door uw, door ’s konings eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden, om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin, thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!”

»Bedwing uwe tong!” riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeftonze wapenen in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed, schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid onttrekken.—Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen, welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken6ons door de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn, behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!”

»En toch zeg ik u,” riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten, naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden, met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja, vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naarhet westen uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand onmogelijk bleek, toenPerziëde halve wereld onderworpen had, en in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde, toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij, die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling, die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en Egypte’s ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!”

Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij, Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap, wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!—Gij hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:

»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een koudesiddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken, en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken.”

Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde: »Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van de zonen Typhons7, omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, desterrekundigenhebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth8. Gij...”

Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede vader, en verzwijg ten minste, datik de eenige zoon in Egypte ben, dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!”

Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene moeder van den ongelukkige.—Na langen tijd zag hij thans weder voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:

»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging, daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze handelingen en toegevend jegens elkander zijn.”

Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn vader. »Niet alzoo,” riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader....”

»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd is,” viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende.”

»Ga zoo niet voort,” hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla,bezit ik ook de macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw hart; ik zal hem inwilligen.”

Psamtik’s oogen helderden op; ’t scheen dat zijne vale wangen een oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!”

De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij: »Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien, dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij, voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman, een dischgenoot vinden, als hij was?—maar ik zie hem nog niet in uwe macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis’ kleindochter te zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u, dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.—En nu zoudt gij nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis’ afkomst? Welnu, luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen.”

Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een krachtigen handdruk.

»Vaarwel thans!” zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u, vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden te hebben.”

Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem, en reeds zag hij in zijne verbeelding denvermoorden Phanes, nevens de schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;” alzoo poogde hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een glimlach om de lippen zijn kabinet.

Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?

1Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.2Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p—tasch of hesp) of provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.3De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris is gegraven om de overstrooming te regelen.4Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistân: “Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was.”5Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers’Warda.6De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.7Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet “de almachtige verwoester.” De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook “roode” genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.8De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.

1Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.

2Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p—tasch of hesp) of provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.

3De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris is gegraven om de overstrooming te regelen.

4Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistân: “Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was.”

5Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers’Warda.

6De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.

7Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet “de almachtige verwoester.” De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook “roode” genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.

8De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.


Back to IndexNext