Zevende hoofdstuk

Zevende hoofdstukDe Nijl begon wederom te wassen. Sedert het vertrek van Phanes waren twee maanden voorbijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden dag, op welken de Athener Egypte verliet, had Sappho haar Bartja eene dochter geschonken. Onder de verpleging harer grootmoeder was zij spoedig zoo ver hersteld, dat zij aan een tochtje op den Nijl, hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te Memphis, daar Bartja met ’s konings toestemming het paleis te Saïs had betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken, die sedert de vlucht van Phanes zeer waren toegenomen. Ook Rhodopis, in wier huis de Lydiër met zijn zoon, Bartja, Darius en Zopyrus zich vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan.Aan den morgen van het feest besteeg men, omstreeks acht mijlen beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voer den stroom op, door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder het deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak, dat het midden van het dek overwelfde, had zich het reisgezelschap neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats genomen; de Milesiër Theopompus zat aan hare voeten. Sappho liet haar hoofdjen op Bartja’s schouder rusten. Syloson, de broeder van Polycrates, lag naast Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken in het water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de bloemen, die een Egyptische slaaf hun ter hand stelde, kransen voor de hoofden der beide vrouwen vlochten.»Het is bijkans niet te gelooven,” zeide Bartja, »dat wij den stroomtegen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water.”»Dat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voorhoofd verfrischt,” antwoordde Theopompus. »Ook verstaan de Egyptische roeiers hun werk in den grond.”»En werken met verdubbelden ijver,” liet Cresus er op volgen, »wijl het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegenstand vinden, zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen.”»Terwijl wij ons zelven bezwaren scheppen,” sprak Rhodopis, »wanneer het lot onze levensboot met een kalmen, gunstigen stroom voortstuwt.”»Zoo is het!” riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onder werkelooze rust zijn alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te kunnen toonen, dat wij beter zijn en meer vermogen dan anderen.”»Maar de edele strijders moeten zich wachten, twist- en tweedrachtstokers te worden,” merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid liggen? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geene enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd en arbeid, ziedaar ’s menschen bestemming. Maar ook hierin moet hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden, zal zijn streven de gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden, dat is het geheim van den wijze.”»O, dat de koning u hoorde spreken!” riep Cresus. »In plaats van met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze onderdanen bedacht te zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes, bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen.”»Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op hem?” vroeg Rhodopis.»Zij heeft hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal moeten bijwonen!”»Arme Atossa!” fluisterde Sappho.»Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen,” zeide Cresus, »en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal, zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij niet minder opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos behandelen, daar hij in haar altijd nog slechts een kind ziet. De Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijkniets buitengewoons, want ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw.”1»En ook in Perzië,” merkte Darius aan, ofschoon hij niet het geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken.”»Om echter op den koning terug te komen,” zeide Cresus, die, om den zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk eene andere wending gaf, »ik verzeker u, Rhodopis, dat hij toch volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw, en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij, gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had, hoe de Perzen wel over hem, in vergelijking met zijn vader, dachten.”»En wat was het antwoord?” vroeg Rhodopis.»Intaphernes redde ons handig uit de verlegenheid,” zeide Zopyrus lachend. »Want hij antwoordde den koning: ‘Wij houden het er voor, dat gij uw vader overtreft, omdat gij het gebied van Cyrus niet alleen ongeschonden weet te bewaren, maar ons rijk door de verovering van Egypte zelfs over de zee hebt weten uit te breiden!’Maar dit antwoord behaagde den koning niet, want hij sloeg met de vuist op de tafel, en riep: ‘Vleier, ellendige vleier!’ Intaphernes schrok geweldig van dezen onverwachten uitval. De koning wendde zich vervolgens tot Cresus, en vroeg dezen naar zijne meening. ‘Mij dunkt,’ antwoordde onze wijze vriend, ‘dat gij het hooge standpunt uws vaders nog niet hebt bereikt; want’—voegde hij er vergoelijkend bij,—‘u ontbreekt nog een zoon, gelijk de doorluchtige afgestorvene in u achterliet.’”»Recht goed! Uitmuntend!” riep Rhodopis, in de handen klappende, en den edelen man toelachende, »dit woord zou den behendigen Odysseus tot eere hebben gestrekt! Maar hoe slikte de koning deze met zoeten honig bestreken pil?”»Hij was er uitermate mede ingenomen, dankte Cresus voor dit antwoord, en noemde hem zijn vriend.”»En ik,” sprak de grijsaard, »maakte mij deze gelegenheid ten nutte, om hem af te brengen van zijn plan, om de langlevende Ethiopiërs, Ammoniërs en Carthagers te gaan beoorlogen. Van het eerste der genoemde volken verhaalt men allerlei fabelachtige dingen, en het is zeker dat men, met het den oorlog aante doen, ten koste van groote offers, altijd slechts weinig zou winnen. De oase van Ammon is, uithoofde van de woestijn die haar van Egypte scheidt, voor een groot leger ter nauwernood bereikbaar, en mij schijnt het zonde krijg te voeren tegen een God en zijne schatten, ook al behoort men niet tot zijne vereerders. Wat eindelijk de Carthagers aangaat, zoo heeft de uitkomst reeds de waarheid mijner voorspelling gestaafd. De matrozen van onze vloot zijn bijna allen Syriërs en Phoeniciërs, en hebben dus natuurlijk geweigerd, tegen hunne broeders te vechten. Cambyzes spotte met mijne redenen, noemde mij een lafaard, en zwoer eindelijk, toen de wijn zijn verstand begon te benevelen, dat hij, ook zonder Phanes en zonder Bartja, in staat zou zijn moeilijke ondernemingen door te zetten en groote volkeren tot onderwerping te brengen.”»Wat beteekent deze toespeling op u, mijn zoon?” vroeg Rhodopis.»Hij heeft den slag van Pelusium gewonnen, en niemand anders!” riep Zopyrus, zijn vriend voorkomende.»Maar gij,” hervatte Cresus, »en uwe vrienden hadden voorzichtiger kunnen zijn, en moeten bedenken, dat het hoogst gevaarlijk is de ijverzucht van een man als Cambyzes op te wekken. Gij vergeet te vaak, dat zijn hart gewond en zeer gevoelig is, zoowel voor het kleinste verdriet als voor de felste smart. Het noodlot heeft hem de vrouw die hij liefhad, en den vriend die hem dierbaar was ontnomen; thans meent hij, dat het uw toeleg is hem ook nog het laatste dat hem ter harte gaat, zijn krijgsroem, te betwisten.”»Beoordeel hem niet te hard,” riep Bartja, terwijl hij de hand van den grijsaard vatte. »Mijn broeder is nooit onrechtvaardig geweest en het is niet in hem opgekomen, mij mijn geluk,—want als verdienste moet gij mij dien aanval op het juiste tijdstip niet toerekenen,—te benijden. Gij weet, dat hij mij na den slag deze prachtige sabel, honderd edele rossen en een gouden handmolen2schonk, als belooning voor mijne dapperheid!”De woorden van Cresus hadden in Sappho’s ziel eenige bezorgdheid doen rijzen, die evenwel, na het geruststellend antwoord van haar gemaal, weder spoedig verdreven werd, en geheel en al vergeten was, toen Zopyrus zijn krans gereed had en dezen op het hoofd der oude vrouw plaatste.Gyges bood den zijnen der jeugdige moeder aan, die het kroontje van sneeuwwitte waterleliën op hare volle bruine lokken drukte, en met dezen eenvoudigen tooi er zoo lief en schoon uitzag, datBartja, ondanks de tegenwoordigheid van zoovele getuigen, niet kon nalaten, haar op het voorhoofd te kussen. Het gesprek nam nu eene meer vroolijke wending. Allen deden wat zij konden, om iets tot elkanders genoegen bij te dragen; ja zelfs Darius vergat zijn ernst, om met de vrienden, die de sedert eenige oogenblikken opgedragene spijzen en dranken eer aandeden, te lachen en te schertsen. Toen eindelijk de zon achter het Mokattam-gebergte was ondergegaan, plaatsten de slaven kunstig gesneden stoelen, voetbanken en tafeltjes op het open dek, waarheen het vroolijke gezelschap zich thans begaf, en waar zich een heerlijk schouwspel aan hen vertoonde, dat aller verwachting overtrof.Het Neith-feest, dat de Egyptenaren het lampen branden noemden, en door het geheele land met eene algemeene verlichting der huizen placht gevierd te worden, had met het opkomen der maan een aanvang genomen. De oevers van den stroom geleken onafzienbaar lange vuurstrepen. Iedere tempel, ieder huis, iedere hut was, al naar het vermogen der bewoners, met brandende lampen versierd. In de portalen der landhuizen, en op de torentjes der grootere gebouwen flikkerden de pekvlammen in steenen pannen; dichte rookwolken stegen op, die zich uitspreidden, en te midden der talrijke vanen en wimpels bleven hangen. De palmen en sykomoren, waarover de maan haar zilverglans uitgoot, spiegelden zich, in allerlei wonderlijke vormen, in de golfjes langs den oever, die door het schijnsel der vlammen tintelden met een rooden gloed. Maar al die lampen en vuren waren op verre na niet toereikend, om ook het midden van den reusachtigen stroom, waar de bark der spelevarende vrienden zachtkens voortgleed, te verlichten. Het was als voeren zij tusschen twee heldere dagen in een duisteren nacht. Soms ontmoette men barken, die, met lampen verlicht, als vurige zwanen over het water dreven, en als zij op den oever aanhielden, een stroom van gloeiend vloeibaar metaal schenen te doorklieven. Sneeuwwitte lotusbloemen dobberden op de golven, en vertoonden zich aan hen, die daar heenvoeren, als de oogen der rivier. Niet het geringste geluid drong van de oevers tot hunne ooren door, ofschoon zij zwijgend neerzaten. De kracht van de door den noordenwind voortgedragen tonen was te gering, om het midden van den stroom te bereiken. Alleen de riemslagen en het eentonige gezang der matrozen braken de diepe stilte af van den helderen nacht.Lang vermeiden zich de vrienden, zonder een woord te spreken, in de aanschouwing van dit zeldzaam en onvergelijkelijk schoon tafereel, dat voor hunne oogen langzaam scheen voorbij te gaan. Eindelijk maakteZopyruseen einde aan de stilte, met een diepen zucht uitroepende: »Hoezeer benijd ik u, Bartja! Als het wasgelijk het behoort, dan had ieder onzer in dit uur een lief wijfje aan zijne zijde!”»Wie heeft u dan verboden een uwer uitverkorene vrouwen met u te nemen?” antwoordde de gelukkige echtgenoot.»Mijne vijf andere levensgezellinnen,” zeide de jonge man met een zucht. »Had ik Parysatis, het dochterke van Oroetes, de jongste mijner lievelingen, alleen met mij genomen, dan zou dit gelukkig uur wel mijn laatste wezen; want morgen zouden er zeker een paar oogen minder op de wereld zijn geweest!”Bartja glimlachte en zeide, de hand van zijne Sappho drukkende: »Ik geloof haast, dat ik mij mijn leven lang met éene vrouw zal vergenoegen!”De jonge moeder beantwoordde den zachten druk der geliefde hand, en zeide: »Ik vertrouw u niet, vriend Zopyrus, want het komt mij voor, dat gij minder den toorn ducht dier schepseltjes, die u toch vrij onverschillig zijn, dan wel terugdeinst voor eene overtreding van de zeden en gebruiken van uw vaderland. Men heeft mij reeds verhaald, dat men in de vrouwenvertrekken tegen mijn armen Bartja uitvaart, omdat hij mij niet door eunuchen laat bewaken, en mij vergunt aan zijne zijde het leven te genieten.”»Hij verwent u schrikbarend,” hernam Zopyrus, »en onze vrouwen beginnen, wanneer wij haar een weinig korthouden, zich reeds te beroepen op zijne goedheid en toegeeflijkheid. Let op, binnenkort zal aan de poort des konings een oproer onder de vrouwen uitbarsten, en de Achaemeniden, die de scherpste zwaarden en de best gerichte pijlen niet vreezen, zullen met spitse tongen doorstoken en in een zilten tranenvloed verdronken worden.”»O, gij onbeschaamde Pers,” sprak Syloson met een lach, »het zal noodig zijn, dat wij u leeren wat meer eerbied te hebben voor de evenbeelden van Aphrodite!”»Wilt gij, Hellenen, ons leeren?” vroeg de jonkman. »Bij Mithra, onze vrouwen hebben het even goed als de uwe! Alleen de Egyptische leven ongelooflijk vrij.”»Dat is waar!” zeide Rhodopis. »De bewoners van dit vreemde land kennen sinds duizenden jaren aan ons zwak geslacht dezelfde rechten toe, waarop de mannen voor zich aanspraak maken. In vele opzichten genieten wij zelfs nog grootere onderscheiding dan zij. De Egyptische wet bijvoorbeeld beveelt niet den zonen, maar den dochteren hare grijze ouders te onderhouden en te verplegen. Het gebod bewijst, hoe juist de wijze voorvaderen van het thans zoo diep vernederde volk de natuur der vrouw wisten te beoordeelen; hoe zij begrepen, dat wij u, mannen, in trouwe zorg, oplettende hulpvaardigheid en opofferende liefde verre overtreffen!—Spot niet met deze dierenaanbidders, die ik, ik beken het gaarne,niet begrijp, maar daarom toch bewonder, daar Pythagoras, de meester van alle wetenschap, mij verzekerd heeft, dat de wijsheid, in de leeringen der priesters verborgen, even ontzagwekkend is als de pyramiden.”»En uw groote meester heeft gelijk!” sprak Darius. »Gij weet, dat ik sedert verscheidene weken dagelijks met Neithotep, den opperpriester van Neith, dien ik uit zijne gevangenis heb laten bevrijden, en met den ouden Onoephis verkeer, of, beter gezegd, mij door hen laat onderrichten. Hoeveel nieuws heb ik van die twee grijsaards niet geleerd! Hoeveel treurigs vergeet ik niet, als ik naar hun onderwijs luister! De geheele geschiedenis van den hemel en van de aarde is hun bekend. Zij weten den naam van iederen koning, de toedracht van elke belangrijke gebeurtenis sedert de laatste vierduizend jaren. Zij dragen kennis van den loop van alle sterren, en van de werken en stelsels van alle kunstenaars en wijzen gedurende hetzelfde tijdsverloop. Want dat alles staat opgeteekend in groote boeken, die te Thebe in een paleis, dat zij ‘Inrichting ter bevordering van de gezondheid der ziel’ noemen, bewaard worden. Hunne wetten zijn eene rijke bron van wijsheid, en de geheele staatsinrichting is met verwonderlijk doorzicht geheel berekend voor de behoeften des lands. Ik wilde wel, dat wij in ons vaderland op zulk eene orde, zulk eene regelmaat konden roemen! Al hunne wetenschap berust op het gebruik der getallen, met welker hulp het alleen mogelijk is de banen der sterren te berekenen, het bestaande nauwkeurig te beschrijven en te bepalen, ja zelfs door verlenging en verkorting der snaren de tonen te regelen. Het getal is het eenig zekere, dat met alle willekeur en met elke uitlegging spot. Ieder volk heeft zijne eigene begrippen van recht en onrecht, iedere wet kan door veranderde omstandigheden onbruikbaar worden; doch waarheden, die haar grondslag in getallen hebben, staan voor eeuwig onomstootelijk vast. Wie zal ooit weerspreken, dat tweemaal twee vier is? De getallen bepalen duidelijk en zeker den inhoud van al het bestaande. Al wat bestaat is gelijk aan zijn inhoud. Daarom vindt men in de getallen het ware zijn, het wezen van alle dingen!”»In naam van Mithra, Darius, houd op, het schemert mij voor de oogen!” riep Zopyrus, zijn vriend in de rede vallende. »Wie u zoo hoort spreken, moet wel denken dat gij uw geheele leven in het gezelschap dier spitsvondige haarkloovers gesleten en nooit een zwaard gehanteerd hebt! Wat gaan ons die getallen aan?”»Meer dan gij denkt!” antwoordde Rhodopis, »ook Pythagoras is in deze leerstellingen, die tot de geheimenissen der Egyptische priesters behooren, door denzelfden Onoephis ingewijd, die u, Darius, thans den toegang tot de mysteriën ontsluit. Breng mijeens spoedig een bezoek, dan zal ik u mededeelen hoe heerlijk schoon de groote Samiër de wetten der getallen met die der tonen in overeenstemming heeft gebracht.—Maar zie, zie, daar zijn de pyramiden!”De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen op den linker oever van den stroom, door de maan met een zilverachtig licht beschenen, de aloude reuzengraven van machtige heerschers, in hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende kracht van den menschelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg had opgestapeld; van dien Chafra, die de goden verachtte, en prat op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten3om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken, ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig was geweest? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt4.Daar lagen de pyramiden te midden van de nachtelijke stilte, door de sterren verlicht, onder de hoede van den wachter der woestijn, den reusachtigen sphinx, hare spitsen verheffende boven de naakte rotsen der Lybische steenheuvels. Aan hare voeten sluimerden in kostbare graven de mummiën van de getrouwe dienaars harer oprichters, en tegenover het verhevene grafteeken van den vromen Menkera verrees een tempel, waarin de priesters van Osiris voor de zielen van de tallooze, in de doodenstad van Memphis bijgezette afgestorvenen gebeden opzonden. Westwaarts, daar waar de zon zich achter de Lybische bergen had verscholen, waar de vruchtdragende bodem vervangen werd door de dorre woestijn, hadden de Memphiten hunne graven gebouwd. Daarheenhielden de vrienden hunne blikken gericht, terwijl eene heilige huivering en eene eerbiedige bewondering hunne lippen gesloten hielden.Toen het ranke vaartuig, door den noordenwind gestuwd, de rustplaats der dooden en de ontzaglijke dammen5, die de stad van Menes tegen de overstroomingen van den machtigen vloed beveiligden, voorbijgedreven was, en men de residentie der vorige pharao’s nader en nader kwam, en ten laatste de millioenen en millioenen lichten zichtbaar werden, die ter eere der godin Neith allerwegen ontstoken waren, raakten eindelijk de tongen los. Woorden van bewondering en verrukking stroomden over de lippen, toen de reuzentempel van Ptah6, het oudste bouwwerk van dit eeuwenoude land, zich aan hunne oogen vertoonde. Duizenden lampen verlichtten het huis van den god, honderden vuren brandden op de poorten, op de tinnen der muren en op de daken van het heiligdom. Tusschen de sphinxenrijen, die de onderscheidene ingangen met het hoofdgebouw verbonden, gloeiden brandende fakkels, en het ledige huis van den heiligen stier Apis7glinsterde bij het flikkeren van ontelbare veelkleurige vlammen, als een door het tropisch avondrood beschenen krijtberg. En boven dien, langs al zijne omtrekken verlichten tempel fladderden wimpels, en wapperden vanen, slingerden zich bloemfestoenen, en golfden de welluidende tonen van muziek en gezang.»Heerlijk, heerlijk!” riep Rhodopis, die naar woorden zocht, om hare opgetogenheid over dit betooverend schouwspel uit te drukken. »Zie hoe die bont beschilderde zuilen en wanden schitteren; zie welke zonderlinge schaduwen de obelisken en sphinxen werpen op den gelen gladgepleisterden vloer der voorhoven!”»En welk een geheimzinnig donker,” liet Cresus er op volgen, »heerscht ginds in het heilige woud van den god! Nooit te voren heb ik iets schooners gezien!”»Ik echter,” verzekerde Darius, heb nog wonderlijker dingen aanschouwd, en gij zult mij gelooven, als ik u zeg, dat ik getuige ben geweest van de mysteriën van Neith.”»O, verhaal ons daar iets van!” riepen de vrienden.»Neithotep weigerde eerst mij toegang te verschaffen. Toen ik hem evenwel beloofde, dat ik mij verborgen zou houden en de vrijstelling van zijn kind zou bewerken, bracht hij mij op zijne sterrenwacht, vanwaar ik ver in het rond kon zien, en zeide, dat ik eene voorstelling van de lotgevallen van Osiris en zijne gade Isis zou aanschouwen8.»Nauwelijks had hij mij verlaten, of ik zag vreemdsoortige, veelkleurige lichten, die zulk een helderen gloed door het geheele woud verspreidden, dat mijn blik tot in het binnenste gedeelte kon doordringen. Voor mij lag een spiegelglad meer, door fraaie boomen en bonte bloembedden omgeven. Vergulde booten dobberden op het heldere water. In die booten zaten schoone knapen en meisjes in sneeuwwitte kleederen, en zongen heerlijke liederen. Geen schipper was er om ze te sturen, en toch gleden de vaartuigjes, met allerlei sierlijke wendingen, als door eene tooverhand bestuurd over het effen watervlak. Te midden dezer booten dreef een prachtig groot schip, welks boorden flonkerden van edelgesteenten. Een schoone knaap scheen de geheele bemanning uit te maken, maar het wonderbaarste was, dat het roer hetwelk hij bestuurde, slechts uit eene witte lotusbloem bestond, welker teedere blaadjes den waterspiegel te nauwernood beroerden. In het midden van het vaartuig rustte op zijden kussens eene met vorstelijke pracht uitgedoste vrouw van zeldzame schoonheid. Aan hare zijde zat een man van meer dan menschelijke grootte, die eene met klimop omkranste hooge kroon op de golvende lokken, een pantervel om de schouders en een van boven omgebogen staf in de rechterhand droeg. Op het achterschip stond, onder een dak van rozen, klimop en lotusbloemen, eene sneeuwwitte koe9, met gouden horens en een purperen dekkleed over den rug. Die man was Osiris, die vrouw Isis, die knaap aan het roer Horus, de zoon van het goddelijk paar, de koe het heilige dier der onsterfelijke vrouw. Al de kleine booten voeren het groote schip voorbij. Zoodra zij de bewoners des hemels naderden, hieven de jongelingen en maagden een groot gejuich aan, welk eerbewijs door een regen van bloemen en vruchten werd beantwoord. Eensklaps barstte een onweder los, welks gerommel zich luider en luider deed hooren, en ten laatste in een ijselijk gekraakoverging. Toen trad uit het donkerste gedeelte van het woud een vreeselijk man te voorschijn. Hij was bedekt met de huid van een everzwijn, en zijn afschuwelijk gelaat was omgeven door eene dichte massa roode verwarde haren. Door zeventig mannen vergezeld, die er eveneens uitzagen, sprong hij in het meer en zwom naar het schip van Osiris10.»Snel als de wind namen de kleine booten de vlucht, en de lotusbloem ontzonk aan de bevende hand van den jeugdigen stuurman. Sneller dan de gedachte wierp zich het monster op Osiris en versloeg hem, bijgestaan door zijn ijzingwekkend gevolg, wierp het lijk in eene mummiekist en deze in de golven, die als door tooverkracht de drijvende doodkist met zich voerden. Intusschen had Isis in eene der kleine booten den vasten wal bereikt, en dwaalde nu met loshangende haren, onder het uiten van luide weeklachten en gevolgd door de jonkvrouwen, die evenals zij de booten verlaten hadden, langs den oever. Allen zochten nu, onder het uitvoeren van fantastische dansen en het zingen van roerende liederen, waarbij de maagden met zwarte byssus-doeken, velerlei vreemde bogen beschreven, het lijk van den verslagene.—De jongelingen bleven evenmin werkeloos, maar brachten onder dans en hamerslag eene kostbare doodkist voor het spoorloos verdwenen lijk in gereedheid. Toen deze voltooid was, sloten zij zich bij de vrouwen van de droeve Isis aan, en zwierven met haar, ijverig zoekende en treurliederen zingende, langs den oever.»Op eens vernam men eene zachte liefelijke stem, uit een onzichtbaren mond, die, gedurig luider wordende, zong:“Spoed u langs des Nijlstrooms boorden,Treurende Isis, naar het Noorden;Waar Egypte’s heil’ge vloed’t Brakke vocht van ’t meer ontmoet,Vindt gij den geliefde weder:Aan den oever ligt hij neder,Op zijn rietbed uitgestrekt,’t Hoofd van leliën omgeven,En door schom’lend groen gedekt.Rozige flammingo’s zweven,Als zijn wachters dag en nachtOm zijn goddelijke sponde,En der nachtegalen klachtTrilt weemoedig in het ronde.”»Alzoo zong die wonderbare stem, tevens meldende, dat hetlijk van den god naar Gebal11in Phoenicië was gedreven. De zoon van Neithotep, die bij mij gebleven was, noemde dit gezang, dat mij in de ziel greep, ‘den wind van het gerucht’.»Nauwelijks had Isis deze blijde tijding vernomen, of zij wierp haar rouwgewaad af, en hief, begeleid door de stemmen van haar bekoorlijk gevolg, een vroolijk jubellied aan. Het gerucht had haar niet misleid: werkelijk vond de godin op den noordelijken oever van het meer de lijkkist en het lichaam van haar god weder. Zoodra de kist onder zang en dans aan wal was gebracht, wierp Isis zich op het geliefde lijk. Zij riep Osiris bij zijn naam, en bedekte de mummie met duizend kussen, terwijl de jongelingen een sierlijk grafgewelf van lotusbloemen en klimopranken voor den doode vlochten.»Nadat het stoffelijk overschot van den geliefde was bijgezet, verliet Isis de plaats van gejammer, om haar zoon op te zoeken. Zij vond hem op den oostelijken oever van het meer, waar ik sedert lang reeds een beeldschoonen jongeling had opgemerkt, die zich met andere knapen van denzelfden leeftijd in het wapenspel oefende. Deze stelde den intusschen veel grooter geworden Horus voor.»Terwijl zich de moeder in de aanschouwing van haar schoon kind verheugde, ontstond er plotseling opnieuw een geweldig onweder, dat ten tweeden male de nadering van den Typhon aankondigde. Het monster wierp zich op het bloeiende graf van zijn slachtoffer, rukte het lichaam uit de kist, en hieuw het in veertien stukken, die hij onder bazuingeschal en zware donderslagen her- en derwaarts langs den oever strooide.»Toen Isis wederom het graf van haar echtgenoot naderde, vond zij niets dan verwelkte bloemen en eene ledige kist; maar langs het meer vlamden, op veertien verschillende plaatsen, in allerlei kleuren veertien vuren op. De weduwe snelde met hare maagden op deze vuren toe, terwijl de jongelingen met Horus aan hunne spits op den tegenoverliggenden oever Typhon bevochten.»Ik wist niet, waarheen oogen en ooren het eerst te wenden. Hier woedde, onder het ratelen van den donder en het geschetter van trompetten, een verschrikkelijke krijg, waarvan ik de oogen niet afwenden kon. Daar zongen lieftallige maagden, onder het uitvoeren van tooverachtige dansen, onbeschrijfelijk opwekkende liederen. Isis toch had bij ieder der plotseling ontvlamde vuren, waarvan ik zoo even melding maakte, een der ledematen van haar echtvriend teruggevonden, en vierde thans feest.»Dat dansen hadt gij moeten zien, Zopyrus! Het is mij onmogelijk u de bevalligheid van al de bewegingen der jonkvrouwente schetsen, en gij kunt u evenmin voorstellen, hoe schoon het was, toen zij, na schijnbaar in de grootste verwarring door elkander te hebben gezwierd, op eens in onberispelijk regelmatige rijen tegenover elkaar stonden, om dan opnieuw in een oogwenk de grootste verwarring met de volkomenste orde te verwisselen. Bovendien schoten er gestadig verblindende lichtstralen uit de dwarlende rijen. Ze werden veroorzaakt doordat iedere danseres een spiegel tusschen de schouders had, die bij iedere beweging eene flikkering teweegbracht, en wanneer zij stilstonden het beeld van eene andere maagd weerkaatste.»Nauwelijks had Isis op éen na het laatste der ledematen12van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu, om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen, die zich op den westelijken oever van het meer bevond, en bewaakt werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard13.»Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp- en fluittonen hooren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aarde op, en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw in plaats van zijn zwaard eene lotusbloem in de hand, en strooide bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder een met klimop omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van de aarde en den Amenthes14ontving.”Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord.»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zin wildet verklaren van deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere beteekenis is.”»Uw vermoeden is juist,” antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eede beloofd, niet uit de school te zullen klappen!”»Zal ik u zeggen,” vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, opgrond van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn, Osiris het water dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste overwint Osiris, dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geliefden gade, dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoedt, wedervindt. Eindelijk is Horus, de jeugdige groeikracht der natuur, in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde, opnieuw in het gezegende Nijldal.”»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg,” schertste Zopyrus, »ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge vertooning, de hulde van alle bewoners van den Haméstegân, Duzakh en Gorothman15, of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische zielenheir ook noeme!”»Amenti wordt zij genoemd!” antwoordde Darius, terwijl hij een meer opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar verkondigt ook dat de menschelijke ziel na den lichamelijken dood, evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven.”»Wel bedankt,” antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil.”»Ik deel uw wensch,” zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is.”»Gij blijft eeuwig jong!” viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder als uw oog!”»Vergeef mij,” riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet gehoord, »dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt,dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is.”»Hij is zeer te beklagen!” antwoordde Darius. »Reeds gedurende den tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang metiedereen, zoodat hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niets wilde weten. Niemand dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking stond te lezen, trad hij voor den koning, om hem verlof te vragen, Megabyzus naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier stad tot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen, spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester, die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproerige burgers, en een door hem gehaten oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde hun, dat zij, tot straf voor het verbranden van zekere geschriften, van dien dag tot hun dood een Pers, aan wien hij hen zou verkoopen, in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dat ik een zekere vrees, waarvan ik mij zelven geen rekenschap kon geven, voor den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen, zonder den minsten angst te laten blijken: ‘Als gij, dwaze zoon, ter wille van uwe verbrande geschriften, uw vaderland verraden hebt, zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb uwe kostbare werken met zorg bewaard; ik heb ze in onzen tempel doen bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde had. Psamtik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten, u, tot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren, die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden, die op u betrekking hebben.’»De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij zijn testament op, waarbij hij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den volgenden morgen vondmen hem dood. Door gebruik van het vreeselijke strychnos-sap16had hij een einde aan zijn leven gemaakt.”»Ongelukkige man!” riep Cresus, »Door de goden met blindheid geslagen, moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak, wanhoop oogsten.”»Ik beklaag hem van harte!” zeide Rhodopis zachtkens, als in gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en wagens. Het is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt mij spoedig te Naucratis opzoeken. Ik keer met Syloson en Theopompus aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden nacht, Cresus,—goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!”De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja keerde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op, Bartja! Het spelt geen geluk, als men bij het aan wal stappen valt.—Ook ik ben gevallen, toen wij te Naucratis het schip verlieten.”1De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken voor.2Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan van zijn vorst kon ontvangen.3Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de zware heerendiensten nimmer vergeten kon.4De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.5Zie boven blz.75.6Zie boven blz.25.7Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat, maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000 gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd, alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.8Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. “Deze schouwspelen,” zegt Herodotus, “moesten de lotgevallen van bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën.”9De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.10Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van denHorus-tempelte Edfoe.11Door de Grieken Byblos genoemd.12Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken.13Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen “draak van Amenthes” zijn oorsprong te danken.14De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.15Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs der Perzen.16zie boven bl.239.Achtste hoofdstuk.Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uit het land der langlevende Ethiopiërs, waarheen Cambyzes hem had afgevaardigd, teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen de wonderlijkste dingen. De Ethiopiërs waren gewoon den schoonste en sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderdtwintig jaren oud; niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron, welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de stad op lange rijen.De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Cambyzes aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord, dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit iets in den weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen boog,” zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken, tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren als wij. Overigens mag Cambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door veroveringenhun gebied te vergrooten!” Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog, en gaf dien aan Prexaspes.Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn vorst ter hand. Cambyzes maakte zich zeer vroolijk over den pochenden Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze, waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde, dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan den hemel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van mobeds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande, doch stemde hem vervolgens tot nadenken.»Hebt gij niet,” zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder overvloedige reden tot wraakneming gegeven? Kan hij het wel vergeten zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen? Want wat hebt gij ooit gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat kunt gij in het vervolg doen, om hen te winnen? Bestaat er sedert den dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?”Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan het koken, dat hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch lever ik mij zelven over in de handen van wie mij haten, omdat ik rechtvaardig ben geweest en zware overtredingen door zware straffen heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal; achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem!—Zelfs de goden zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem, die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles, wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap, eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de woestijn steeds dorder wordt.—Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook aan den hemel! Slechts éen mag de grootste zijn in Perzië! Hij of ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw liederen doen voorzingenen zijn kind in slaap sussen, terwijl ik in den strijd met de Ethiopiërs roem verwerf, dien mij dan niemand betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en een fikschen morgendrank! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de rechte manbenom koning over de Ethiopiërs te zijn, en hen allen in het boogspannen de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen, ook al ware de pees een scheepskabel, en de boog een cederboom!”Dit gezegd hebbende, ledigde hij in éen teug een reusachtigen, ten boorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande zegepraal, naar den slottuin, waar al de grooten van het rijk den koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den top dier staken roode, gele en donkerblauwe vanen1. Talrijke banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en noodigden de aanwezigen uit, om zich neder te zetten, terwijl vlugge schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden.Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht de aanwezigen hun geluk vóor hem te beproeven. Hij overhandigde den boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste der Achaemeniden.Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan de door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde, bracht hij het niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met trotschen blik zijne bloedverwanten en grootenaanziende: »Geef mij thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is, om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts éen bij machte is, dezen boog te spannen!”Nu vatte hij het wapen aan, omklemde het hout met de linker-, en de vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne krachten samen, en spande al zijne spieren, tot zij gevaar liepen vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen, en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen;—maar alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was hij volkomen uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af, en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar! Geen sterveling heeft ooit dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed, want ik wil den ellendigen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!”Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende: »Ik kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving, mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog ter juister ure gekomen? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp dus, dat gij, de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen, dat ons kind mij een weinig heeft opgehouden. Het popje lachte heden voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen mooi laat werd.—Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de ster van mijn halsketengerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning, een begin maken?”»Geef hem den boog, Prexaspes!” antwoordde Cambyzes, den jongen man nauwelijks met een blik verwaardigende.Toen Bartja het wapen in de handen had genomen, en boog en pees zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide de koning met een smadelijken lach: »Ik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met de kracht van mannen spot!”Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja’s gelaat met een blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Hij nam den reusachtigen pijl, die vóor hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand, plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten, trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog, en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht, dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl de houten schacht aan splinters vloog2.De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bartja aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart, zijne waardigheid, zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: »Arme Bartja!”Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe, beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen hij een bepaald besluit te hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van Prexaspes, de zaal te verlaten,en riep dezen, toen de anderen zich verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe: »Dit leven is niet langer uit te houden! Ruim gij mij dien vijand uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!”Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en hief smeekend de handen tot hem op. Doch Cambyzes had te veel wijn gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan, dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit troetelkind der fortuin iets weten. Ga en neem, als de daad volbracht is, zooveel uit mijne schatkamer als gij wilt! Maar wees voorzichtig, want de knaap heeft een sterken arm en verstaat de kunst zich vrienden te maken. Bedenk wel, als hij u met zijne gladde tong uw plicht doet verzaken, dat uwe vrouw en kinderen in mijne macht zijn!”Dit zeggende ledigde hij opnieuw een beker vol onaangelengden wijn, verliet met wankelende schreden het vertrek, en stamelde, terwijl hij Prexaspes den rug toekeerde, alsof hij tot zichzelven sprak, met een heesche keel en met gebalde vuist: »Wee over u en de uwen, indien die vrouwenheld, dat gelukskind, die eerroover in het leven blijft!”Reeds lang had de koning de zaal verlaten, en nog altijd stond Prexaspes op dezelfde plaats, als ware hij plotseling versteend. De eerzuchtige, maar niet onedele hoveling was verplet door dien vreeselijken hem opgedragen last. Hij wist dat, zoo hij weigerde dezen ten uitvoer te brengen, dood of ongenade hem en de zijnen bedreigde. Maar hij had Bartja lief, en gruwde bij de gedachte, dat hij zich tot een sluipmoordenaar zou laten gebruiken. Hij had in zijn binnenste een geweldigen strijd te strijden, die nog voortwoedde, lang nadat hij het paleis reeds verlaten had. Op weg naar zijn huis ontmoette hij Cresus en Darius. Hij verborg zich voor hen achter de vooruitspringende poort van een groot Egyptisch huis, want het was hem als moesten zij het hem aanzien, dat hij op het punt was het pad der misdaad te betreden. Toen de twee mannen voorbijgingen, hoorde hij Cresus zeggen: »Ik heb den voortreffelijken jongeling bitter verweten, dat hij zoo ontijdig zijne krachten heeft getoond, en wij moeten inderdaad de goden danken, dat Cambyzes in een aanval van razernij zich niet aan hem vergrepen heeft. Hij heeft thans aan mijn raad gehoor gegeven, en is met zijne vrouw naar Saïs geweken. Hij moet in de eerste dagen den koning maar niet onder de oogenkomen; de wrok van Cambyzes mocht eens opnieuw ontwaken, en een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren....”Bij deze laatste, nog ter nauwernood voor Prexaspes verstaanbare woorden kromp hij van schaamte ineen, als had Cresus hem reeds in het aangezicht dezen schandelijken moord verweten; hij besloot, wat er ook de gevolgen van mochten zijn, zich rein te houden van het bloed van zijn vriend. Nu trad hij weder met opgerichten hoofde voort, tot hij het huis bereikte, dat hem tot verblijf was aangewezen. Aan den ingang huppelden hem zijne twee zonen te gemoet. Zij waren voor een oogenblik uit de speelplaats der jonge Achaemeniden, die als altijd het leger waren gevolgd, weggeslopen om hun vader te begroeten. Met eene buitengewone ontroering, van welke hij zichzelven geene rekenschap kon geven, drukte hij de schoone kinderen aan zijn hart, en omarmde hen nogmaals, toen zij zeiden naar de speelplaats te moeten terugkeeren, zoo zij geene straf wilden oploopen. In zijne woning vond hij zijne meest geliefde vrouw, met haar jongste kind, een aanvallig meisje, op den schoot spelende. Zoodra hij haar zag werd hij bij vernieuwing door die onverklaarbare ontroering aangegrepen. Hij bedwong haar echter, om der geliefde vrouw zijn geheim niet te verraden, en zonderde zich ijlings in zijn vertrek af.Intusschen was het nacht geworden. Tevergeefs poogde hij den slaap te vatten; onophoudelijk wentelde hij zich op zijn leger heen en weder, gefolterd door de ijselijke gedachte, dat zijne weigering om aan ’s konings verlangen te voldoen, ook zijne vrouw en kinderen in het verderf zou sleepen. Ten laatste had hij de kracht niet meer bij zijn edel voornemen te volharden, en hetzelfde woord van Cresus, dat een beter gevoel in zijne borst de zege had doen behalen, bracht de stem van zijn geweten thans tot zwijgen. »Een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren!” Hierin lag eene beschuldiging tegen hem opgesloten, ja, maar het gaf tevens te kennen, dat, zoo hij den koning ook al trotseerde, honderd anderen bereid zouden zijn diens bevel ten uitvoer te brengen. Nauwelijks was hem deze waarheid volkomen duidelijk geworden, of hij sprong van zijn leger op, onderzocht de dolken, die in geregelde orde boven hem waren opgehangen, en legde den scherpsten op het voor hem staande tafeltje. Daarop liep hij de kamer in gepeins op en neder, telkens naar het venster gaande, om te zien of het niet begon te lichten, en om zijn gloeiend voorhoofd af te koelen.Toen eindelijk de duisternis van den nacht had plaats gemaakt voor het heldere morgenlicht, en de klank van het metalen bekken, dat de knapen tot het ochtendgebed opriep, hem opnieuw aan zijne zonen herinnerde, onderzocht hij bij vernieuwing descherpte van zijn dolk. Toen eenige rijkgetooide hovelingen, die op weg waren naar den koning, zijne woning voorbijreden, bevestigde hij het wapen aan zijn gordel. Toen ten laatste het vroolijk lachen van zijn jongste kind uit het vrouwenvertrek tot hem doordrong, zette hij met zekere haast zijn tulband op, en ging, zonder zijne vrouw vaarwel te zeggen, door verscheidene slaven vergezeld naar den Nijl, wierp zich daar in eene boot, en beval den roeiers hem dadelijk naar Saïs te brengen.Eenige uren na het noodlottige boogschot had Bartja, gehoor gevende aan den raad van Cresus, zich met zijne jonge vrouw naar Saïs begeven. Daar vond hij Rhodopis, die naar Saïs was gegaan, in plaats van naar Naucratis terug te keeren. Een onverklaarbaar angstig voorgevoel had de oude vrouw daarheen doen trekken. Na dat pleiziertochtje was Bartja gevallen, gelijk wij weten, en met eigen oogen had zij gezien hoe een uil, van de linkerzijde komende, dicht langs zijn hoofd was voorbijgevlogen. Waren deze slechte voorteekens reeds meer dan voldoende om haar hart, dat nog niet geheel verheven was boven het bijgeloof van dien tijd, te verontrusten, en in haar den wensch te doen oprijzen, in de nabijheid van het jeugdig echtpaar te blijven, de daaraan volgende nacht, in welken zij door allerlei verwarde droomen als bestormd werd, bracht haar besluit tot rijpheid, om te Saïs hare kleindochter op te wachten.Het vorstelijke paar verheugde zich hartelijk over de lieve onverwachte gast, en voerde Rhodopis, nadat deze haar achterkleindochter, die den naam Parmys3droeg, naar hartelust geliefkoosd had, in de voor haar bestemde vertrekken. Het waren dezelfde, waar de ongelukkige Tachot de laatste treurige maanden van haar leven had doorgebracht. Met aandoening beschouwde Rhodopis al die kleine voorwerpen, die niet alleen de kunne en den leeftijd der overledene, maar ook hare neigingen en haar gemoedstoestand verrieden. Op de kleedtafel stonden een aantal zalfpotjes en fleschjes4met reukwerk, blanketsel en oliën. In eene doos5die met verrassende juistheid de gedaante eener Nijlgansvertoonde, en in eene andere, op welker eene zijde eene luitspeelster was geschilderd, werden eenmaal de rijke gouden sieraden van de koningsdochter bewaard. Die metalen spiegel, welks handvat eene sluimerende jonkvrouw voorstelde6, had meermalen het schoone, zacht blozende gelaat der afgestorvene weerkaatst. Het geheele meubilair van het vertrek, van het sierlijke rustbed, door leeuwenklauwen gedragen, tot de uit elpenbeen kunstig gesneden kammen, die op de kleedtafel lagen, bewezen, dat de vroegere bewoneres dezer vertrekken met haar geheele hart aan de uitwendigheden des levens was gehecht geweest. Het gouden sistrum en de kunstig bewerkte nabla, waarvan de snaren voorlang reeds gesprongen waren, getuigden van de liefde der koningsdochter voor de muziek, terwijl het in een hoek liggende gebrokene elpenbeenen spinrokken en eenige begonnen netten van koralen7bewezen, dat zij ook niet afkeerig was geweest van vrouwelijken arbeid.Met een weemoedig welgevallen beschouwde Rhodopis al deze voorwerpen. In hare verbeelding maakte zij zich uit deze gegevens eene voorstelling van het Egyptische leven, die slechts weinig van de waarheid afweek. Eindelijk ging zij, door nieuwsgierigheid en belangstelling gedreven, naar eene groote beschilderde kist, en opende het lichte deksel ervan. Dadelijk viel haar oog op eenige gedroogde bloemen: daarop ontdekte zij een bal, die door eene bekwame hand in sinds lang reeds verdroogde rozebladeren was gewikkeld; vervolgens zag zij eene menigte amuletten van onderscheidene gedaanten, waarvan sommige de godin der waarheid voorstelden, terwijl andere bestonden uit met tooverspreuken beschreven papyrusblaadjes, die in een gouden doosje waren geborgen. Eindelijk zag zij eenige met Grieksche letters geschrevene brieven. Zij kon de verzoeking niet weerstaan die in handen te nemen, en bij het schijnsel der lamp te lezen. Het waren brieven door Nitetis uit Perzië geschreven aan hare gewaande zuster, van wier ziekte zij geene kennis droeg. Toen Rhodopis deze brieven weer nederlegde baadden hare oogen in tranen. Het geheim der overledene lag thans voor haar open en bloot. Nu wist zij, dat Tachot Bartja bemind had, dat zij die verlepte bloemen van hem ontvangen en dien bal, als eene gedachtenis aan het oogenblik, waarin hij haar dezen toewierp, in rozen gewikkeld had. De amuletten waren voorzeker bestemd geweest, òf om haar krank hartte genezen, òf om in de borst van den koningszoon wederliefde op te wekken en aan te kweeken.Toen zij ten laatste deze brieven op hunne oude plaats wilde nederleggen, en eenige doeken, die den bodem der kist schenen te bedekken, met de hand aanraakte, bespeurde zij, dat zij een hard, rond voorwerp verborgen. Zij lichtte ze dus op, en vond nu eene kleine buste van gekleurd was, welke Nitetis voorstelde, en zoo volkomen geleek, dat Rhodopis een kreet van verbazing niet kon onderdrukken, en gedurende geruimen tijd de oogen van dit meesterstuk van Theodorus den Samiër niet af kon wenden. Eindelijk begaf zij zich ter ruste en sliep spoedig in, hare laatste gedachten aan het ongelukkige lot der Egyptische koningsdochter wijdende.Den volgenden morgen trad zij den tuin in, dien wij bij het leven van Amasis reeds eenmaal bezochten, en vond daar in een priëel van wijngaardloof hen, die zij zocht. Sappho zat op een fijn gevlochten stoel. In haar schoot lag haar zuigeling, geheel naakt. Het kindeke strekte de mollige handjes en voetjes nu eens naar zijn vader, die voor de jonge vrouw lag neergeknield, dan naar zijne moeder uit. Als de vingertjes van het wichtje bij wijle verdwaald raakten in de lokken of den baard van den jongen held, trok hij zijn hoofd zachtkens terug, om de kracht van de kleine te meten en haar het gevoel te geven, als had zij duchtig huisgehouden in zijne haren. Als de spartelende voetjes zijn gezicht raakten, nam hij ze in de hand en kuste de roode, fijn gevormde teentjes en voetzolen, die nog zoo zacht en teeder waren als de wangen eener maagd. Als de kleine Parmys een zijner vingers omklemde, deed hij alsof hij zijne hand niet los kon krijgen, en hield hij niet op de mollige schouders, òf de kuiltjes in de ellebogen, òf het blanke rugje van het aanvallige schepseltje te kussen.Sappho genoot onuitsprekelijk in de aanschouwing van dit onschuldig spel, en beproefde de aandacht van het kind uitsluitend op den vader te vestigen. Af en toe boog zij zich over de kleine heen, om een kus te drukken op het gevulde halsje of op de koraalroode lipjes, en dan gebeurde het wel eens, dat haar voorhoofd in aanraking kwam met de lokken van haar echtvriend, die dan geregeld den voor het kindje bestemden kus van hare lippen stal.Rhodopis was eenige oogenblikken ongemerkt getuige van dit schuldelooze spel. Met tranen in de oogen bad zij de goden, dit onuitsprekelijke reine geluk toch niet te verstoren. Ten laatste trad zij nader, riep beiden een opgeruimd »goeden morgen” toe, en prees de oude Melitta voor hare trouwe zorg, daar zij, met een groot zonnescherm gewapend, gekomen was om de kleineParmys te slapen te leggen en aan het blakerende zonnelicht te onttrekken. De oude slavin was tot eerste voedster van de vorstelijke zuigeling aangesteld, welk ambt zij met de uiterste nauwgezetheid en met eene koddige waardigheid bekleedde. Zij had de oude stramme leden in een rijk Perzisch gewaad gestoken, en voelde zich onbeschrijfelijk gelukkig nu zij bevelen mocht uitdeelen, iets dat haar nog nooit was overkomen, terwijl zij de vele onder haar staande slavinnen met eene nederbuigende goedheid bejegende en onophoudelijk in beweging hield.Sappho volgde de oude dienstmaagd op den voet, na nog haar molligen arm om den hals van haar man geslagen en hem op vleienden toon in het oor gefluisterd te hebben: »Zeg toch alles aan grootmoeder en vraag haar, of zij u gelijkgeeft!”Voor dat Bartja haar kon antwoorden, had zij hem op den mond gekust, en was zij de statig voortstappende Melitta nagesneld.De koningszoon zag haar lachend na, en vergat een oogenblik het bijzijn der eerwaardige vrouw, weggesleept door zijne bewondering van haar zwevenden tred en hare schoone gestalte. Spoedig echter bezon hij zich, en vroeg, Rhodopis aanziende: »Vindt gij ook niet, dat zij den laatsten tijd grooter is geworden?”»Dat schijnt maar zoo,” was het antwoord. »Als maagd heeft de vrouw zeker iets eigenaardigs en bekoorlijks: doch eerst de moedernaam schenkt haar de rechte waardigheid. Als moeder mag zij ’t hoofd met meer fierheid oprichten. Wij meenen dan, dat zij lichamelijk grooter is geworden, terwijl zij zich slechts door het bewustzijn, aan hare bestemming beantwoord te hebben, innerlijk veredeld voelt!”»Ja, ik geloof dat zij gelukkig is,” zeide Bartja. »Gisteren voor het eerst verschilden wij van zienswijze. Toen zij ons daareven verliet, verzocht zij mij ons geschil aan uw oordeel te onderwerpen, ’t geen ik volgaarne doe, daar ik uwe wijsheid en ondervinding even hoog schat, als ik haar om hare kinderlijke onervarenheid liefheb.”En nu verhaalde Bartja haar de geheele toedracht van de noodlottige geschiedenis met den boog, en eindigde aldus: »Cresus berispte mijne onvoorzichtigheid; maar ik ken mijn broeder, en weet dat hij, ja, in zijn toorn tot iedere daad van geweld in staat is, en dat het niet te verwonderen zou geweest zijn als hij mij op het oogenblik zijner nederlaag vermoord had; maar wanneer zijn toorn een weinig heeft uitgewoed, dan zal hij mijne vermetelheid vergeten, en er slechts naar streven mij in het vervolg door edele daden te overtreffen. Een jaar geleden was hij verreweg nog de beste schutter in geheel Perzië, en dat zou hij nog zijn, als zijne reuzenkrachten door zijne onmatigheid en doordie booze krampen niet zooveel geleden hadden. Ik daarentegen gevoel, dat mijne krachten met den dag toenemen.”»Waarachtig geluk,” viel Rhodopis den jongen man in de rede, »verstaalt de armen van den man, gelijk het de schoonheid der vrouw verhoogt; terwijl onmatigheid en kwalen lichaam en ziel zekerder sloopen dan ziekte en ouderdom. Neem u in acht voor uw broeder, mijn zoon, want even goed als zijn oorspronkelijk zoo krachtige arm kon verlammen, kan zijne van nature edele ziel haar adeldom verliezen. Vertrouw op mijne ervaring: deze heeft mij geleerd, dat hij, die de slaaf van éen boozen hartstocht is geworden, zeer zelden zijne andere driften meester blijft. Buitendien valt het geen mensch zwaarder eene vernedering te dragen dan hem, die zedelijk daalt en zijne krachten voelt afnemen. Nog eens, neem u in acht voor uw broeder, en vertrouw eer de waarschuwende stem der ervaring, dan uw eigen hart, dat zoo gaarne ieder ander hart voor edel en rein houdt, wijl het zichzelf bewust is edel en rein te zijn.”»Deze woorden,” antwoordde Bartja, »doen me begrijpen, dat gij het met Sappho volkomen eens zult zijn. Zij heeft mij toch gebeden, hoe zwaar het haar ook moge vallen van u te scheiden, Egypte te verlaten en met haar naar Perzië te trekken. Zij denkt dat Cambyzes, als hij mij niet meer ziet en niets van mij hoort, zijn wrok vergeten zal. Maar ik houd hare bezorgdheid voor mijne veiligheid voor ongegrond, en zou mij zelven niet gaarne het genoegen ontzeggen, om den veldtocht tegen de Ethiopiërs mede te maken....”»En ik,” viel Rhodopis hem nogmaals in de rede, »bid u dringend haar raad, die door eene juiste beoordeeling der omstandigheden en door oprechte liefde is ingegeven, te volgen. De goden weten hoezeer mij de scheiding van u zal smarten, maar toch roep ik u duizend en duizendmaal toe: Keer naar Perzië terug en bedenk, dat slechts dwazen hun leven en hun geluk doelloos op het spel zetten!—De oorlog tegen de Ethiopiërs is het ontwerp van een waanzinnige, want gij zult niet te strijden hebben met de zwarte bewoners van het zuiden, maar met hitte, dorst, en al de verschrikkingen der woestijn. Dit geldt den voorgenomen veldtocht in het algemeen; wat u in het bijzonder betreft, bedenk, dat gij uw geluk en dat der uwen vergeefs op het spel zet, wanneer er geen krijgsroem te behalen is; dat gij daarentegen, zoo gij u weder mocht onderscheiden, slechts den toorn en de ijverzucht van uw broeder opnieuw zoudt prikkelen. Ga naar Perzië, en wel zoo spoedig mogelijk!”Juist wilde Bartja beproeven de drangredenen der schrandere vrouw te ontzenuwen, toen Prexaspes met een bleek gelaat naar hem toekwam.Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met de ringen van zijn rechterhand spelende: »De koning zendt mij tot u. Gij hebt hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabië te reizen, en daar zooveel kameelen8te koopen, als er maar te krijgen zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het water en de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van uwe vrouw en zorg,—aldus luidt ’s konings bevel—dat gij vóor de nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult ten minste éene maand uitblijven.Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane, uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast hun zoo spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van ’s konings edele moeder, het veiligst zullen zijn.”Bartja had Prexaspes aangehoord, zonder dat het hem was opgevallen, dat de gezant zoo kortaf sprak, als aarzelde hij zijn last te volbrengen. Hij verheugde zich over de schijnbare gematigdheid van zijn broeder en over dit bevel, dat hem verder allen twijfel benam betreffende zijn al of niet terugkeeren naar Perzië. Hij reikte zijn gewaanden vriend de hand ten kus, en noodigde hem uit hem in zijn paleis te volgen. Toen het koeler begon te worden, nam hij van Sappho en het kind, dat op Melitta’s armen sliep, een kort maar hartelijk afscheid, beval zijne vrouw zoo spoedig mogelijk naar Cassandane te vertrekken, riep zijne schoonmoeder nog schertsend toe, dat zij zich ditmaal in de beoordeeling van een mensch, namelijk van zijn broeder, toch zeer vergist had, en wierp zich in den zadel.Toen Prexaspes zijn paard wilde bestijgen, fluisterde Sappho hem in: »Pas toch goed op hemen herinner den waaghals, dat hij vrouw en kind heeft, zoo hij zich soms noodeloos in gevaar mocht willen begeven!”»Te Pelusium moet ik hem reeds verlaten,” antwoordde de gezant, terwijl hij, om de blikken van de jonge vrouw te ontwijken, zich hield als herstelde hij iets aan het tuig van zijn paard.»Dan mogen de goden hem beschermen!” riep Sappho, de geliefdehand van den vertrekkende vattende en uitbarstende in tranen, die zij vruchteloos beproefde terug te houden.En hij, zijne anders zoo moedige gade ziende weenen, werd evenzeer door zekere tot nog toe hem onbekende ontroering aangegrepen. Liefderijk boog hij zich tot haar neder, sloeg zijn krachtigen arm om haar middel, hief haar tot zich op en drukte haar, terwijl haar voet op den zijnen rustte, aan zijn hart, als moest hij voor eeuwig afscheid van haar nemen. Daarop liet hij haar met vasten arm zacht op den grond neder, nam nog eens zijn kind bij zich in den zadel, om het te kussen en schertsend op het hart te drukken, dat het zoet moest zijn. Toen riep hij Rhodopis nog een hartelijk woord tot afscheid toe, en vloog, zijn hengst de sporen gevende, zoodat het edele dier steigerende voortgaloppeerde, door Prexaspes gevolgd, de poort van het paleis der pharao’s uit.Nauwelijks was het geluid van den hoefslag der paarden in de verte weggestorven, of Sappho wierp zich aan de borst van hare grootmoeder, en weende lang onafgebroken, in weerwil van de ernstige vermaningen en de strenge berisping van de oude vrouw.1De Perzische kleuren.2Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede boogschutters te zijn.3Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis), Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam.4In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao’s bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene schoone vrouw.5Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.6Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden, alsmede kammen, enz.7Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.8Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van den haan, verboden was.

Zevende hoofdstukDe Nijl begon wederom te wassen. Sedert het vertrek van Phanes waren twee maanden voorbijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden dag, op welken de Athener Egypte verliet, had Sappho haar Bartja eene dochter geschonken. Onder de verpleging harer grootmoeder was zij spoedig zoo ver hersteld, dat zij aan een tochtje op den Nijl, hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te Memphis, daar Bartja met ’s konings toestemming het paleis te Saïs had betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken, die sedert de vlucht van Phanes zeer waren toegenomen. Ook Rhodopis, in wier huis de Lydiër met zijn zoon, Bartja, Darius en Zopyrus zich vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan.Aan den morgen van het feest besteeg men, omstreeks acht mijlen beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voer den stroom op, door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder het deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak, dat het midden van het dek overwelfde, had zich het reisgezelschap neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats genomen; de Milesiër Theopompus zat aan hare voeten. Sappho liet haar hoofdjen op Bartja’s schouder rusten. Syloson, de broeder van Polycrates, lag naast Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken in het water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de bloemen, die een Egyptische slaaf hun ter hand stelde, kransen voor de hoofden der beide vrouwen vlochten.»Het is bijkans niet te gelooven,” zeide Bartja, »dat wij den stroomtegen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water.”»Dat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voorhoofd verfrischt,” antwoordde Theopompus. »Ook verstaan de Egyptische roeiers hun werk in den grond.”»En werken met verdubbelden ijver,” liet Cresus er op volgen, »wijl het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegenstand vinden, zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen.”»Terwijl wij ons zelven bezwaren scheppen,” sprak Rhodopis, »wanneer het lot onze levensboot met een kalmen, gunstigen stroom voortstuwt.”»Zoo is het!” riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onder werkelooze rust zijn alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te kunnen toonen, dat wij beter zijn en meer vermogen dan anderen.”»Maar de edele strijders moeten zich wachten, twist- en tweedrachtstokers te worden,” merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid liggen? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geene enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd en arbeid, ziedaar ’s menschen bestemming. Maar ook hierin moet hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden, zal zijn streven de gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden, dat is het geheim van den wijze.”»O, dat de koning u hoorde spreken!” riep Cresus. »In plaats van met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze onderdanen bedacht te zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes, bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen.”»Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op hem?” vroeg Rhodopis.»Zij heeft hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal moeten bijwonen!”»Arme Atossa!” fluisterde Sappho.»Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen,” zeide Cresus, »en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal, zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij niet minder opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos behandelen, daar hij in haar altijd nog slechts een kind ziet. De Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijkniets buitengewoons, want ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw.”1»En ook in Perzië,” merkte Darius aan, ofschoon hij niet het geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken.”»Om echter op den koning terug te komen,” zeide Cresus, die, om den zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk eene andere wending gaf, »ik verzeker u, Rhodopis, dat hij toch volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw, en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij, gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had, hoe de Perzen wel over hem, in vergelijking met zijn vader, dachten.”»En wat was het antwoord?” vroeg Rhodopis.»Intaphernes redde ons handig uit de verlegenheid,” zeide Zopyrus lachend. »Want hij antwoordde den koning: ‘Wij houden het er voor, dat gij uw vader overtreft, omdat gij het gebied van Cyrus niet alleen ongeschonden weet te bewaren, maar ons rijk door de verovering van Egypte zelfs over de zee hebt weten uit te breiden!’Maar dit antwoord behaagde den koning niet, want hij sloeg met de vuist op de tafel, en riep: ‘Vleier, ellendige vleier!’ Intaphernes schrok geweldig van dezen onverwachten uitval. De koning wendde zich vervolgens tot Cresus, en vroeg dezen naar zijne meening. ‘Mij dunkt,’ antwoordde onze wijze vriend, ‘dat gij het hooge standpunt uws vaders nog niet hebt bereikt; want’—voegde hij er vergoelijkend bij,—‘u ontbreekt nog een zoon, gelijk de doorluchtige afgestorvene in u achterliet.’”»Recht goed! Uitmuntend!” riep Rhodopis, in de handen klappende, en den edelen man toelachende, »dit woord zou den behendigen Odysseus tot eere hebben gestrekt! Maar hoe slikte de koning deze met zoeten honig bestreken pil?”»Hij was er uitermate mede ingenomen, dankte Cresus voor dit antwoord, en noemde hem zijn vriend.”»En ik,” sprak de grijsaard, »maakte mij deze gelegenheid ten nutte, om hem af te brengen van zijn plan, om de langlevende Ethiopiërs, Ammoniërs en Carthagers te gaan beoorlogen. Van het eerste der genoemde volken verhaalt men allerlei fabelachtige dingen, en het is zeker dat men, met het den oorlog aante doen, ten koste van groote offers, altijd slechts weinig zou winnen. De oase van Ammon is, uithoofde van de woestijn die haar van Egypte scheidt, voor een groot leger ter nauwernood bereikbaar, en mij schijnt het zonde krijg te voeren tegen een God en zijne schatten, ook al behoort men niet tot zijne vereerders. Wat eindelijk de Carthagers aangaat, zoo heeft de uitkomst reeds de waarheid mijner voorspelling gestaafd. De matrozen van onze vloot zijn bijna allen Syriërs en Phoeniciërs, en hebben dus natuurlijk geweigerd, tegen hunne broeders te vechten. Cambyzes spotte met mijne redenen, noemde mij een lafaard, en zwoer eindelijk, toen de wijn zijn verstand begon te benevelen, dat hij, ook zonder Phanes en zonder Bartja, in staat zou zijn moeilijke ondernemingen door te zetten en groote volkeren tot onderwerping te brengen.”»Wat beteekent deze toespeling op u, mijn zoon?” vroeg Rhodopis.»Hij heeft den slag van Pelusium gewonnen, en niemand anders!” riep Zopyrus, zijn vriend voorkomende.»Maar gij,” hervatte Cresus, »en uwe vrienden hadden voorzichtiger kunnen zijn, en moeten bedenken, dat het hoogst gevaarlijk is de ijverzucht van een man als Cambyzes op te wekken. Gij vergeet te vaak, dat zijn hart gewond en zeer gevoelig is, zoowel voor het kleinste verdriet als voor de felste smart. Het noodlot heeft hem de vrouw die hij liefhad, en den vriend die hem dierbaar was ontnomen; thans meent hij, dat het uw toeleg is hem ook nog het laatste dat hem ter harte gaat, zijn krijgsroem, te betwisten.”»Beoordeel hem niet te hard,” riep Bartja, terwijl hij de hand van den grijsaard vatte. »Mijn broeder is nooit onrechtvaardig geweest en het is niet in hem opgekomen, mij mijn geluk,—want als verdienste moet gij mij dien aanval op het juiste tijdstip niet toerekenen,—te benijden. Gij weet, dat hij mij na den slag deze prachtige sabel, honderd edele rossen en een gouden handmolen2schonk, als belooning voor mijne dapperheid!”De woorden van Cresus hadden in Sappho’s ziel eenige bezorgdheid doen rijzen, die evenwel, na het geruststellend antwoord van haar gemaal, weder spoedig verdreven werd, en geheel en al vergeten was, toen Zopyrus zijn krans gereed had en dezen op het hoofd der oude vrouw plaatste.Gyges bood den zijnen der jeugdige moeder aan, die het kroontje van sneeuwwitte waterleliën op hare volle bruine lokken drukte, en met dezen eenvoudigen tooi er zoo lief en schoon uitzag, datBartja, ondanks de tegenwoordigheid van zoovele getuigen, niet kon nalaten, haar op het voorhoofd te kussen. Het gesprek nam nu eene meer vroolijke wending. Allen deden wat zij konden, om iets tot elkanders genoegen bij te dragen; ja zelfs Darius vergat zijn ernst, om met de vrienden, die de sedert eenige oogenblikken opgedragene spijzen en dranken eer aandeden, te lachen en te schertsen. Toen eindelijk de zon achter het Mokattam-gebergte was ondergegaan, plaatsten de slaven kunstig gesneden stoelen, voetbanken en tafeltjes op het open dek, waarheen het vroolijke gezelschap zich thans begaf, en waar zich een heerlijk schouwspel aan hen vertoonde, dat aller verwachting overtrof.Het Neith-feest, dat de Egyptenaren het lampen branden noemden, en door het geheele land met eene algemeene verlichting der huizen placht gevierd te worden, had met het opkomen der maan een aanvang genomen. De oevers van den stroom geleken onafzienbaar lange vuurstrepen. Iedere tempel, ieder huis, iedere hut was, al naar het vermogen der bewoners, met brandende lampen versierd. In de portalen der landhuizen, en op de torentjes der grootere gebouwen flikkerden de pekvlammen in steenen pannen; dichte rookwolken stegen op, die zich uitspreidden, en te midden der talrijke vanen en wimpels bleven hangen. De palmen en sykomoren, waarover de maan haar zilverglans uitgoot, spiegelden zich, in allerlei wonderlijke vormen, in de golfjes langs den oever, die door het schijnsel der vlammen tintelden met een rooden gloed. Maar al die lampen en vuren waren op verre na niet toereikend, om ook het midden van den reusachtigen stroom, waar de bark der spelevarende vrienden zachtkens voortgleed, te verlichten. Het was als voeren zij tusschen twee heldere dagen in een duisteren nacht. Soms ontmoette men barken, die, met lampen verlicht, als vurige zwanen over het water dreven, en als zij op den oever aanhielden, een stroom van gloeiend vloeibaar metaal schenen te doorklieven. Sneeuwwitte lotusbloemen dobberden op de golven, en vertoonden zich aan hen, die daar heenvoeren, als de oogen der rivier. Niet het geringste geluid drong van de oevers tot hunne ooren door, ofschoon zij zwijgend neerzaten. De kracht van de door den noordenwind voortgedragen tonen was te gering, om het midden van den stroom te bereiken. Alleen de riemslagen en het eentonige gezang der matrozen braken de diepe stilte af van den helderen nacht.Lang vermeiden zich de vrienden, zonder een woord te spreken, in de aanschouwing van dit zeldzaam en onvergelijkelijk schoon tafereel, dat voor hunne oogen langzaam scheen voorbij te gaan. Eindelijk maakteZopyruseen einde aan de stilte, met een diepen zucht uitroepende: »Hoezeer benijd ik u, Bartja! Als het wasgelijk het behoort, dan had ieder onzer in dit uur een lief wijfje aan zijne zijde!”»Wie heeft u dan verboden een uwer uitverkorene vrouwen met u te nemen?” antwoordde de gelukkige echtgenoot.»Mijne vijf andere levensgezellinnen,” zeide de jonge man met een zucht. »Had ik Parysatis, het dochterke van Oroetes, de jongste mijner lievelingen, alleen met mij genomen, dan zou dit gelukkig uur wel mijn laatste wezen; want morgen zouden er zeker een paar oogen minder op de wereld zijn geweest!”Bartja glimlachte en zeide, de hand van zijne Sappho drukkende: »Ik geloof haast, dat ik mij mijn leven lang met éene vrouw zal vergenoegen!”De jonge moeder beantwoordde den zachten druk der geliefde hand, en zeide: »Ik vertrouw u niet, vriend Zopyrus, want het komt mij voor, dat gij minder den toorn ducht dier schepseltjes, die u toch vrij onverschillig zijn, dan wel terugdeinst voor eene overtreding van de zeden en gebruiken van uw vaderland. Men heeft mij reeds verhaald, dat men in de vrouwenvertrekken tegen mijn armen Bartja uitvaart, omdat hij mij niet door eunuchen laat bewaken, en mij vergunt aan zijne zijde het leven te genieten.”»Hij verwent u schrikbarend,” hernam Zopyrus, »en onze vrouwen beginnen, wanneer wij haar een weinig korthouden, zich reeds te beroepen op zijne goedheid en toegeeflijkheid. Let op, binnenkort zal aan de poort des konings een oproer onder de vrouwen uitbarsten, en de Achaemeniden, die de scherpste zwaarden en de best gerichte pijlen niet vreezen, zullen met spitse tongen doorstoken en in een zilten tranenvloed verdronken worden.”»O, gij onbeschaamde Pers,” sprak Syloson met een lach, »het zal noodig zijn, dat wij u leeren wat meer eerbied te hebben voor de evenbeelden van Aphrodite!”»Wilt gij, Hellenen, ons leeren?” vroeg de jonkman. »Bij Mithra, onze vrouwen hebben het even goed als de uwe! Alleen de Egyptische leven ongelooflijk vrij.”»Dat is waar!” zeide Rhodopis. »De bewoners van dit vreemde land kennen sinds duizenden jaren aan ons zwak geslacht dezelfde rechten toe, waarop de mannen voor zich aanspraak maken. In vele opzichten genieten wij zelfs nog grootere onderscheiding dan zij. De Egyptische wet bijvoorbeeld beveelt niet den zonen, maar den dochteren hare grijze ouders te onderhouden en te verplegen. Het gebod bewijst, hoe juist de wijze voorvaderen van het thans zoo diep vernederde volk de natuur der vrouw wisten te beoordeelen; hoe zij begrepen, dat wij u, mannen, in trouwe zorg, oplettende hulpvaardigheid en opofferende liefde verre overtreffen!—Spot niet met deze dierenaanbidders, die ik, ik beken het gaarne,niet begrijp, maar daarom toch bewonder, daar Pythagoras, de meester van alle wetenschap, mij verzekerd heeft, dat de wijsheid, in de leeringen der priesters verborgen, even ontzagwekkend is als de pyramiden.”»En uw groote meester heeft gelijk!” sprak Darius. »Gij weet, dat ik sedert verscheidene weken dagelijks met Neithotep, den opperpriester van Neith, dien ik uit zijne gevangenis heb laten bevrijden, en met den ouden Onoephis verkeer, of, beter gezegd, mij door hen laat onderrichten. Hoeveel nieuws heb ik van die twee grijsaards niet geleerd! Hoeveel treurigs vergeet ik niet, als ik naar hun onderwijs luister! De geheele geschiedenis van den hemel en van de aarde is hun bekend. Zij weten den naam van iederen koning, de toedracht van elke belangrijke gebeurtenis sedert de laatste vierduizend jaren. Zij dragen kennis van den loop van alle sterren, en van de werken en stelsels van alle kunstenaars en wijzen gedurende hetzelfde tijdsverloop. Want dat alles staat opgeteekend in groote boeken, die te Thebe in een paleis, dat zij ‘Inrichting ter bevordering van de gezondheid der ziel’ noemen, bewaard worden. Hunne wetten zijn eene rijke bron van wijsheid, en de geheele staatsinrichting is met verwonderlijk doorzicht geheel berekend voor de behoeften des lands. Ik wilde wel, dat wij in ons vaderland op zulk eene orde, zulk eene regelmaat konden roemen! Al hunne wetenschap berust op het gebruik der getallen, met welker hulp het alleen mogelijk is de banen der sterren te berekenen, het bestaande nauwkeurig te beschrijven en te bepalen, ja zelfs door verlenging en verkorting der snaren de tonen te regelen. Het getal is het eenig zekere, dat met alle willekeur en met elke uitlegging spot. Ieder volk heeft zijne eigene begrippen van recht en onrecht, iedere wet kan door veranderde omstandigheden onbruikbaar worden; doch waarheden, die haar grondslag in getallen hebben, staan voor eeuwig onomstootelijk vast. Wie zal ooit weerspreken, dat tweemaal twee vier is? De getallen bepalen duidelijk en zeker den inhoud van al het bestaande. Al wat bestaat is gelijk aan zijn inhoud. Daarom vindt men in de getallen het ware zijn, het wezen van alle dingen!”»In naam van Mithra, Darius, houd op, het schemert mij voor de oogen!” riep Zopyrus, zijn vriend in de rede vallende. »Wie u zoo hoort spreken, moet wel denken dat gij uw geheele leven in het gezelschap dier spitsvondige haarkloovers gesleten en nooit een zwaard gehanteerd hebt! Wat gaan ons die getallen aan?”»Meer dan gij denkt!” antwoordde Rhodopis, »ook Pythagoras is in deze leerstellingen, die tot de geheimenissen der Egyptische priesters behooren, door denzelfden Onoephis ingewijd, die u, Darius, thans den toegang tot de mysteriën ontsluit. Breng mijeens spoedig een bezoek, dan zal ik u mededeelen hoe heerlijk schoon de groote Samiër de wetten der getallen met die der tonen in overeenstemming heeft gebracht.—Maar zie, zie, daar zijn de pyramiden!”De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen op den linker oever van den stroom, door de maan met een zilverachtig licht beschenen, de aloude reuzengraven van machtige heerschers, in hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende kracht van den menschelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg had opgestapeld; van dien Chafra, die de goden verachtte, en prat op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten3om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken, ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig was geweest? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt4.Daar lagen de pyramiden te midden van de nachtelijke stilte, door de sterren verlicht, onder de hoede van den wachter der woestijn, den reusachtigen sphinx, hare spitsen verheffende boven de naakte rotsen der Lybische steenheuvels. Aan hare voeten sluimerden in kostbare graven de mummiën van de getrouwe dienaars harer oprichters, en tegenover het verhevene grafteeken van den vromen Menkera verrees een tempel, waarin de priesters van Osiris voor de zielen van de tallooze, in de doodenstad van Memphis bijgezette afgestorvenen gebeden opzonden. Westwaarts, daar waar de zon zich achter de Lybische bergen had verscholen, waar de vruchtdragende bodem vervangen werd door de dorre woestijn, hadden de Memphiten hunne graven gebouwd. Daarheenhielden de vrienden hunne blikken gericht, terwijl eene heilige huivering en eene eerbiedige bewondering hunne lippen gesloten hielden.Toen het ranke vaartuig, door den noordenwind gestuwd, de rustplaats der dooden en de ontzaglijke dammen5, die de stad van Menes tegen de overstroomingen van den machtigen vloed beveiligden, voorbijgedreven was, en men de residentie der vorige pharao’s nader en nader kwam, en ten laatste de millioenen en millioenen lichten zichtbaar werden, die ter eere der godin Neith allerwegen ontstoken waren, raakten eindelijk de tongen los. Woorden van bewondering en verrukking stroomden over de lippen, toen de reuzentempel van Ptah6, het oudste bouwwerk van dit eeuwenoude land, zich aan hunne oogen vertoonde. Duizenden lampen verlichtten het huis van den god, honderden vuren brandden op de poorten, op de tinnen der muren en op de daken van het heiligdom. Tusschen de sphinxenrijen, die de onderscheidene ingangen met het hoofdgebouw verbonden, gloeiden brandende fakkels, en het ledige huis van den heiligen stier Apis7glinsterde bij het flikkeren van ontelbare veelkleurige vlammen, als een door het tropisch avondrood beschenen krijtberg. En boven dien, langs al zijne omtrekken verlichten tempel fladderden wimpels, en wapperden vanen, slingerden zich bloemfestoenen, en golfden de welluidende tonen van muziek en gezang.»Heerlijk, heerlijk!” riep Rhodopis, die naar woorden zocht, om hare opgetogenheid over dit betooverend schouwspel uit te drukken. »Zie hoe die bont beschilderde zuilen en wanden schitteren; zie welke zonderlinge schaduwen de obelisken en sphinxen werpen op den gelen gladgepleisterden vloer der voorhoven!”»En welk een geheimzinnig donker,” liet Cresus er op volgen, »heerscht ginds in het heilige woud van den god! Nooit te voren heb ik iets schooners gezien!”»Ik echter,” verzekerde Darius, heb nog wonderlijker dingen aanschouwd, en gij zult mij gelooven, als ik u zeg, dat ik getuige ben geweest van de mysteriën van Neith.”»O, verhaal ons daar iets van!” riepen de vrienden.»Neithotep weigerde eerst mij toegang te verschaffen. Toen ik hem evenwel beloofde, dat ik mij verborgen zou houden en de vrijstelling van zijn kind zou bewerken, bracht hij mij op zijne sterrenwacht, vanwaar ik ver in het rond kon zien, en zeide, dat ik eene voorstelling van de lotgevallen van Osiris en zijne gade Isis zou aanschouwen8.»Nauwelijks had hij mij verlaten, of ik zag vreemdsoortige, veelkleurige lichten, die zulk een helderen gloed door het geheele woud verspreidden, dat mijn blik tot in het binnenste gedeelte kon doordringen. Voor mij lag een spiegelglad meer, door fraaie boomen en bonte bloembedden omgeven. Vergulde booten dobberden op het heldere water. In die booten zaten schoone knapen en meisjes in sneeuwwitte kleederen, en zongen heerlijke liederen. Geen schipper was er om ze te sturen, en toch gleden de vaartuigjes, met allerlei sierlijke wendingen, als door eene tooverhand bestuurd over het effen watervlak. Te midden dezer booten dreef een prachtig groot schip, welks boorden flonkerden van edelgesteenten. Een schoone knaap scheen de geheele bemanning uit te maken, maar het wonderbaarste was, dat het roer hetwelk hij bestuurde, slechts uit eene witte lotusbloem bestond, welker teedere blaadjes den waterspiegel te nauwernood beroerden. In het midden van het vaartuig rustte op zijden kussens eene met vorstelijke pracht uitgedoste vrouw van zeldzame schoonheid. Aan hare zijde zat een man van meer dan menschelijke grootte, die eene met klimop omkranste hooge kroon op de golvende lokken, een pantervel om de schouders en een van boven omgebogen staf in de rechterhand droeg. Op het achterschip stond, onder een dak van rozen, klimop en lotusbloemen, eene sneeuwwitte koe9, met gouden horens en een purperen dekkleed over den rug. Die man was Osiris, die vrouw Isis, die knaap aan het roer Horus, de zoon van het goddelijk paar, de koe het heilige dier der onsterfelijke vrouw. Al de kleine booten voeren het groote schip voorbij. Zoodra zij de bewoners des hemels naderden, hieven de jongelingen en maagden een groot gejuich aan, welk eerbewijs door een regen van bloemen en vruchten werd beantwoord. Eensklaps barstte een onweder los, welks gerommel zich luider en luider deed hooren, en ten laatste in een ijselijk gekraakoverging. Toen trad uit het donkerste gedeelte van het woud een vreeselijk man te voorschijn. Hij was bedekt met de huid van een everzwijn, en zijn afschuwelijk gelaat was omgeven door eene dichte massa roode verwarde haren. Door zeventig mannen vergezeld, die er eveneens uitzagen, sprong hij in het meer en zwom naar het schip van Osiris10.»Snel als de wind namen de kleine booten de vlucht, en de lotusbloem ontzonk aan de bevende hand van den jeugdigen stuurman. Sneller dan de gedachte wierp zich het monster op Osiris en versloeg hem, bijgestaan door zijn ijzingwekkend gevolg, wierp het lijk in eene mummiekist en deze in de golven, die als door tooverkracht de drijvende doodkist met zich voerden. Intusschen had Isis in eene der kleine booten den vasten wal bereikt, en dwaalde nu met loshangende haren, onder het uiten van luide weeklachten en gevolgd door de jonkvrouwen, die evenals zij de booten verlaten hadden, langs den oever. Allen zochten nu, onder het uitvoeren van fantastische dansen en het zingen van roerende liederen, waarbij de maagden met zwarte byssus-doeken, velerlei vreemde bogen beschreven, het lijk van den verslagene.—De jongelingen bleven evenmin werkeloos, maar brachten onder dans en hamerslag eene kostbare doodkist voor het spoorloos verdwenen lijk in gereedheid. Toen deze voltooid was, sloten zij zich bij de vrouwen van de droeve Isis aan, en zwierven met haar, ijverig zoekende en treurliederen zingende, langs den oever.»Op eens vernam men eene zachte liefelijke stem, uit een onzichtbaren mond, die, gedurig luider wordende, zong:“Spoed u langs des Nijlstrooms boorden,Treurende Isis, naar het Noorden;Waar Egypte’s heil’ge vloed’t Brakke vocht van ’t meer ontmoet,Vindt gij den geliefde weder:Aan den oever ligt hij neder,Op zijn rietbed uitgestrekt,’t Hoofd van leliën omgeven,En door schom’lend groen gedekt.Rozige flammingo’s zweven,Als zijn wachters dag en nachtOm zijn goddelijke sponde,En der nachtegalen klachtTrilt weemoedig in het ronde.”»Alzoo zong die wonderbare stem, tevens meldende, dat hetlijk van den god naar Gebal11in Phoenicië was gedreven. De zoon van Neithotep, die bij mij gebleven was, noemde dit gezang, dat mij in de ziel greep, ‘den wind van het gerucht’.»Nauwelijks had Isis deze blijde tijding vernomen, of zij wierp haar rouwgewaad af, en hief, begeleid door de stemmen van haar bekoorlijk gevolg, een vroolijk jubellied aan. Het gerucht had haar niet misleid: werkelijk vond de godin op den noordelijken oever van het meer de lijkkist en het lichaam van haar god weder. Zoodra de kist onder zang en dans aan wal was gebracht, wierp Isis zich op het geliefde lijk. Zij riep Osiris bij zijn naam, en bedekte de mummie met duizend kussen, terwijl de jongelingen een sierlijk grafgewelf van lotusbloemen en klimopranken voor den doode vlochten.»Nadat het stoffelijk overschot van den geliefde was bijgezet, verliet Isis de plaats van gejammer, om haar zoon op te zoeken. Zij vond hem op den oostelijken oever van het meer, waar ik sedert lang reeds een beeldschoonen jongeling had opgemerkt, die zich met andere knapen van denzelfden leeftijd in het wapenspel oefende. Deze stelde den intusschen veel grooter geworden Horus voor.»Terwijl zich de moeder in de aanschouwing van haar schoon kind verheugde, ontstond er plotseling opnieuw een geweldig onweder, dat ten tweeden male de nadering van den Typhon aankondigde. Het monster wierp zich op het bloeiende graf van zijn slachtoffer, rukte het lichaam uit de kist, en hieuw het in veertien stukken, die hij onder bazuingeschal en zware donderslagen her- en derwaarts langs den oever strooide.»Toen Isis wederom het graf van haar echtgenoot naderde, vond zij niets dan verwelkte bloemen en eene ledige kist; maar langs het meer vlamden, op veertien verschillende plaatsen, in allerlei kleuren veertien vuren op. De weduwe snelde met hare maagden op deze vuren toe, terwijl de jongelingen met Horus aan hunne spits op den tegenoverliggenden oever Typhon bevochten.»Ik wist niet, waarheen oogen en ooren het eerst te wenden. Hier woedde, onder het ratelen van den donder en het geschetter van trompetten, een verschrikkelijke krijg, waarvan ik de oogen niet afwenden kon. Daar zongen lieftallige maagden, onder het uitvoeren van tooverachtige dansen, onbeschrijfelijk opwekkende liederen. Isis toch had bij ieder der plotseling ontvlamde vuren, waarvan ik zoo even melding maakte, een der ledematen van haar echtvriend teruggevonden, en vierde thans feest.»Dat dansen hadt gij moeten zien, Zopyrus! Het is mij onmogelijk u de bevalligheid van al de bewegingen der jonkvrouwente schetsen, en gij kunt u evenmin voorstellen, hoe schoon het was, toen zij, na schijnbaar in de grootste verwarring door elkander te hebben gezwierd, op eens in onberispelijk regelmatige rijen tegenover elkaar stonden, om dan opnieuw in een oogwenk de grootste verwarring met de volkomenste orde te verwisselen. Bovendien schoten er gestadig verblindende lichtstralen uit de dwarlende rijen. Ze werden veroorzaakt doordat iedere danseres een spiegel tusschen de schouders had, die bij iedere beweging eene flikkering teweegbracht, en wanneer zij stilstonden het beeld van eene andere maagd weerkaatste.»Nauwelijks had Isis op éen na het laatste der ledematen12van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu, om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen, die zich op den westelijken oever van het meer bevond, en bewaakt werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard13.»Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp- en fluittonen hooren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aarde op, en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw in plaats van zijn zwaard eene lotusbloem in de hand, en strooide bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder een met klimop omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van de aarde en den Amenthes14ontving.”Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord.»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zin wildet verklaren van deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere beteekenis is.”»Uw vermoeden is juist,” antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eede beloofd, niet uit de school te zullen klappen!”»Zal ik u zeggen,” vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, opgrond van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn, Osiris het water dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste overwint Osiris, dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geliefden gade, dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoedt, wedervindt. Eindelijk is Horus, de jeugdige groeikracht der natuur, in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde, opnieuw in het gezegende Nijldal.”»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg,” schertste Zopyrus, »ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge vertooning, de hulde van alle bewoners van den Haméstegân, Duzakh en Gorothman15, of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische zielenheir ook noeme!”»Amenti wordt zij genoemd!” antwoordde Darius, terwijl hij een meer opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar verkondigt ook dat de menschelijke ziel na den lichamelijken dood, evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven.”»Wel bedankt,” antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil.”»Ik deel uw wensch,” zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is.”»Gij blijft eeuwig jong!” viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder als uw oog!”»Vergeef mij,” riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet gehoord, »dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt,dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is.”»Hij is zeer te beklagen!” antwoordde Darius. »Reeds gedurende den tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang metiedereen, zoodat hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niets wilde weten. Niemand dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking stond te lezen, trad hij voor den koning, om hem verlof te vragen, Megabyzus naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier stad tot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen, spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester, die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproerige burgers, en een door hem gehaten oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde hun, dat zij, tot straf voor het verbranden van zekere geschriften, van dien dag tot hun dood een Pers, aan wien hij hen zou verkoopen, in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dat ik een zekere vrees, waarvan ik mij zelven geen rekenschap kon geven, voor den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen, zonder den minsten angst te laten blijken: ‘Als gij, dwaze zoon, ter wille van uwe verbrande geschriften, uw vaderland verraden hebt, zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb uwe kostbare werken met zorg bewaard; ik heb ze in onzen tempel doen bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde had. Psamtik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten, u, tot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren, die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden, die op u betrekking hebben.’»De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij zijn testament op, waarbij hij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den volgenden morgen vondmen hem dood. Door gebruik van het vreeselijke strychnos-sap16had hij een einde aan zijn leven gemaakt.”»Ongelukkige man!” riep Cresus, »Door de goden met blindheid geslagen, moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak, wanhoop oogsten.”»Ik beklaag hem van harte!” zeide Rhodopis zachtkens, als in gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en wagens. Het is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt mij spoedig te Naucratis opzoeken. Ik keer met Syloson en Theopompus aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden nacht, Cresus,—goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!”De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja keerde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op, Bartja! Het spelt geen geluk, als men bij het aan wal stappen valt.—Ook ik ben gevallen, toen wij te Naucratis het schip verlieten.”1De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken voor.2Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan van zijn vorst kon ontvangen.3Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de zware heerendiensten nimmer vergeten kon.4De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.5Zie boven blz.75.6Zie boven blz.25.7Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat, maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000 gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd, alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.8Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. “Deze schouwspelen,” zegt Herodotus, “moesten de lotgevallen van bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën.”9De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.10Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van denHorus-tempelte Edfoe.11Door de Grieken Byblos genoemd.12Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken.13Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen “draak van Amenthes” zijn oorsprong te danken.14De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.15Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs der Perzen.16zie boven bl.239.Achtste hoofdstuk.Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uit het land der langlevende Ethiopiërs, waarheen Cambyzes hem had afgevaardigd, teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen de wonderlijkste dingen. De Ethiopiërs waren gewoon den schoonste en sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderdtwintig jaren oud; niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron, welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de stad op lange rijen.De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Cambyzes aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord, dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit iets in den weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen boog,” zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken, tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren als wij. Overigens mag Cambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door veroveringenhun gebied te vergrooten!” Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog, en gaf dien aan Prexaspes.Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn vorst ter hand. Cambyzes maakte zich zeer vroolijk over den pochenden Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze, waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde, dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan den hemel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van mobeds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande, doch stemde hem vervolgens tot nadenken.»Hebt gij niet,” zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder overvloedige reden tot wraakneming gegeven? Kan hij het wel vergeten zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen? Want wat hebt gij ooit gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat kunt gij in het vervolg doen, om hen te winnen? Bestaat er sedert den dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?”Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan het koken, dat hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch lever ik mij zelven over in de handen van wie mij haten, omdat ik rechtvaardig ben geweest en zware overtredingen door zware straffen heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal; achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem!—Zelfs de goden zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem, die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles, wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap, eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de woestijn steeds dorder wordt.—Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook aan den hemel! Slechts éen mag de grootste zijn in Perzië! Hij of ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw liederen doen voorzingenen zijn kind in slaap sussen, terwijl ik in den strijd met de Ethiopiërs roem verwerf, dien mij dan niemand betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en een fikschen morgendrank! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de rechte manbenom koning over de Ethiopiërs te zijn, en hen allen in het boogspannen de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen, ook al ware de pees een scheepskabel, en de boog een cederboom!”Dit gezegd hebbende, ledigde hij in éen teug een reusachtigen, ten boorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande zegepraal, naar den slottuin, waar al de grooten van het rijk den koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den top dier staken roode, gele en donkerblauwe vanen1. Talrijke banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en noodigden de aanwezigen uit, om zich neder te zetten, terwijl vlugge schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden.Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht de aanwezigen hun geluk vóor hem te beproeven. Hij overhandigde den boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste der Achaemeniden.Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan de door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde, bracht hij het niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met trotschen blik zijne bloedverwanten en grootenaanziende: »Geef mij thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is, om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts éen bij machte is, dezen boog te spannen!”Nu vatte hij het wapen aan, omklemde het hout met de linker-, en de vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne krachten samen, en spande al zijne spieren, tot zij gevaar liepen vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen, en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen;—maar alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was hij volkomen uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af, en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar! Geen sterveling heeft ooit dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed, want ik wil den ellendigen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!”Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende: »Ik kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving, mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog ter juister ure gekomen? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp dus, dat gij, de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen, dat ons kind mij een weinig heeft opgehouden. Het popje lachte heden voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen mooi laat werd.—Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de ster van mijn halsketengerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning, een begin maken?”»Geef hem den boog, Prexaspes!” antwoordde Cambyzes, den jongen man nauwelijks met een blik verwaardigende.Toen Bartja het wapen in de handen had genomen, en boog en pees zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide de koning met een smadelijken lach: »Ik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met de kracht van mannen spot!”Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja’s gelaat met een blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Hij nam den reusachtigen pijl, die vóor hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand, plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten, trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog, en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht, dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl de houten schacht aan splinters vloog2.De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bartja aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart, zijne waardigheid, zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: »Arme Bartja!”Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe, beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen hij een bepaald besluit te hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van Prexaspes, de zaal te verlaten,en riep dezen, toen de anderen zich verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe: »Dit leven is niet langer uit te houden! Ruim gij mij dien vijand uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!”Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en hief smeekend de handen tot hem op. Doch Cambyzes had te veel wijn gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan, dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit troetelkind der fortuin iets weten. Ga en neem, als de daad volbracht is, zooveel uit mijne schatkamer als gij wilt! Maar wees voorzichtig, want de knaap heeft een sterken arm en verstaat de kunst zich vrienden te maken. Bedenk wel, als hij u met zijne gladde tong uw plicht doet verzaken, dat uwe vrouw en kinderen in mijne macht zijn!”Dit zeggende ledigde hij opnieuw een beker vol onaangelengden wijn, verliet met wankelende schreden het vertrek, en stamelde, terwijl hij Prexaspes den rug toekeerde, alsof hij tot zichzelven sprak, met een heesche keel en met gebalde vuist: »Wee over u en de uwen, indien die vrouwenheld, dat gelukskind, die eerroover in het leven blijft!”Reeds lang had de koning de zaal verlaten, en nog altijd stond Prexaspes op dezelfde plaats, als ware hij plotseling versteend. De eerzuchtige, maar niet onedele hoveling was verplet door dien vreeselijken hem opgedragen last. Hij wist dat, zoo hij weigerde dezen ten uitvoer te brengen, dood of ongenade hem en de zijnen bedreigde. Maar hij had Bartja lief, en gruwde bij de gedachte, dat hij zich tot een sluipmoordenaar zou laten gebruiken. Hij had in zijn binnenste een geweldigen strijd te strijden, die nog voortwoedde, lang nadat hij het paleis reeds verlaten had. Op weg naar zijn huis ontmoette hij Cresus en Darius. Hij verborg zich voor hen achter de vooruitspringende poort van een groot Egyptisch huis, want het was hem als moesten zij het hem aanzien, dat hij op het punt was het pad der misdaad te betreden. Toen de twee mannen voorbijgingen, hoorde hij Cresus zeggen: »Ik heb den voortreffelijken jongeling bitter verweten, dat hij zoo ontijdig zijne krachten heeft getoond, en wij moeten inderdaad de goden danken, dat Cambyzes in een aanval van razernij zich niet aan hem vergrepen heeft. Hij heeft thans aan mijn raad gehoor gegeven, en is met zijne vrouw naar Saïs geweken. Hij moet in de eerste dagen den koning maar niet onder de oogenkomen; de wrok van Cambyzes mocht eens opnieuw ontwaken, en een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren....”Bij deze laatste, nog ter nauwernood voor Prexaspes verstaanbare woorden kromp hij van schaamte ineen, als had Cresus hem reeds in het aangezicht dezen schandelijken moord verweten; hij besloot, wat er ook de gevolgen van mochten zijn, zich rein te houden van het bloed van zijn vriend. Nu trad hij weder met opgerichten hoofde voort, tot hij het huis bereikte, dat hem tot verblijf was aangewezen. Aan den ingang huppelden hem zijne twee zonen te gemoet. Zij waren voor een oogenblik uit de speelplaats der jonge Achaemeniden, die als altijd het leger waren gevolgd, weggeslopen om hun vader te begroeten. Met eene buitengewone ontroering, van welke hij zichzelven geene rekenschap kon geven, drukte hij de schoone kinderen aan zijn hart, en omarmde hen nogmaals, toen zij zeiden naar de speelplaats te moeten terugkeeren, zoo zij geene straf wilden oploopen. In zijne woning vond hij zijne meest geliefde vrouw, met haar jongste kind, een aanvallig meisje, op den schoot spelende. Zoodra hij haar zag werd hij bij vernieuwing door die onverklaarbare ontroering aangegrepen. Hij bedwong haar echter, om der geliefde vrouw zijn geheim niet te verraden, en zonderde zich ijlings in zijn vertrek af.Intusschen was het nacht geworden. Tevergeefs poogde hij den slaap te vatten; onophoudelijk wentelde hij zich op zijn leger heen en weder, gefolterd door de ijselijke gedachte, dat zijne weigering om aan ’s konings verlangen te voldoen, ook zijne vrouw en kinderen in het verderf zou sleepen. Ten laatste had hij de kracht niet meer bij zijn edel voornemen te volharden, en hetzelfde woord van Cresus, dat een beter gevoel in zijne borst de zege had doen behalen, bracht de stem van zijn geweten thans tot zwijgen. »Een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren!” Hierin lag eene beschuldiging tegen hem opgesloten, ja, maar het gaf tevens te kennen, dat, zoo hij den koning ook al trotseerde, honderd anderen bereid zouden zijn diens bevel ten uitvoer te brengen. Nauwelijks was hem deze waarheid volkomen duidelijk geworden, of hij sprong van zijn leger op, onderzocht de dolken, die in geregelde orde boven hem waren opgehangen, en legde den scherpsten op het voor hem staande tafeltje. Daarop liep hij de kamer in gepeins op en neder, telkens naar het venster gaande, om te zien of het niet begon te lichten, en om zijn gloeiend voorhoofd af te koelen.Toen eindelijk de duisternis van den nacht had plaats gemaakt voor het heldere morgenlicht, en de klank van het metalen bekken, dat de knapen tot het ochtendgebed opriep, hem opnieuw aan zijne zonen herinnerde, onderzocht hij bij vernieuwing descherpte van zijn dolk. Toen eenige rijkgetooide hovelingen, die op weg waren naar den koning, zijne woning voorbijreden, bevestigde hij het wapen aan zijn gordel. Toen ten laatste het vroolijk lachen van zijn jongste kind uit het vrouwenvertrek tot hem doordrong, zette hij met zekere haast zijn tulband op, en ging, zonder zijne vrouw vaarwel te zeggen, door verscheidene slaven vergezeld naar den Nijl, wierp zich daar in eene boot, en beval den roeiers hem dadelijk naar Saïs te brengen.Eenige uren na het noodlottige boogschot had Bartja, gehoor gevende aan den raad van Cresus, zich met zijne jonge vrouw naar Saïs begeven. Daar vond hij Rhodopis, die naar Saïs was gegaan, in plaats van naar Naucratis terug te keeren. Een onverklaarbaar angstig voorgevoel had de oude vrouw daarheen doen trekken. Na dat pleiziertochtje was Bartja gevallen, gelijk wij weten, en met eigen oogen had zij gezien hoe een uil, van de linkerzijde komende, dicht langs zijn hoofd was voorbijgevlogen. Waren deze slechte voorteekens reeds meer dan voldoende om haar hart, dat nog niet geheel verheven was boven het bijgeloof van dien tijd, te verontrusten, en in haar den wensch te doen oprijzen, in de nabijheid van het jeugdig echtpaar te blijven, de daaraan volgende nacht, in welken zij door allerlei verwarde droomen als bestormd werd, bracht haar besluit tot rijpheid, om te Saïs hare kleindochter op te wachten.Het vorstelijke paar verheugde zich hartelijk over de lieve onverwachte gast, en voerde Rhodopis, nadat deze haar achterkleindochter, die den naam Parmys3droeg, naar hartelust geliefkoosd had, in de voor haar bestemde vertrekken. Het waren dezelfde, waar de ongelukkige Tachot de laatste treurige maanden van haar leven had doorgebracht. Met aandoening beschouwde Rhodopis al die kleine voorwerpen, die niet alleen de kunne en den leeftijd der overledene, maar ook hare neigingen en haar gemoedstoestand verrieden. Op de kleedtafel stonden een aantal zalfpotjes en fleschjes4met reukwerk, blanketsel en oliën. In eene doos5die met verrassende juistheid de gedaante eener Nijlgansvertoonde, en in eene andere, op welker eene zijde eene luitspeelster was geschilderd, werden eenmaal de rijke gouden sieraden van de koningsdochter bewaard. Die metalen spiegel, welks handvat eene sluimerende jonkvrouw voorstelde6, had meermalen het schoone, zacht blozende gelaat der afgestorvene weerkaatst. Het geheele meubilair van het vertrek, van het sierlijke rustbed, door leeuwenklauwen gedragen, tot de uit elpenbeen kunstig gesneden kammen, die op de kleedtafel lagen, bewezen, dat de vroegere bewoneres dezer vertrekken met haar geheele hart aan de uitwendigheden des levens was gehecht geweest. Het gouden sistrum en de kunstig bewerkte nabla, waarvan de snaren voorlang reeds gesprongen waren, getuigden van de liefde der koningsdochter voor de muziek, terwijl het in een hoek liggende gebrokene elpenbeenen spinrokken en eenige begonnen netten van koralen7bewezen, dat zij ook niet afkeerig was geweest van vrouwelijken arbeid.Met een weemoedig welgevallen beschouwde Rhodopis al deze voorwerpen. In hare verbeelding maakte zij zich uit deze gegevens eene voorstelling van het Egyptische leven, die slechts weinig van de waarheid afweek. Eindelijk ging zij, door nieuwsgierigheid en belangstelling gedreven, naar eene groote beschilderde kist, en opende het lichte deksel ervan. Dadelijk viel haar oog op eenige gedroogde bloemen: daarop ontdekte zij een bal, die door eene bekwame hand in sinds lang reeds verdroogde rozebladeren was gewikkeld; vervolgens zag zij eene menigte amuletten van onderscheidene gedaanten, waarvan sommige de godin der waarheid voorstelden, terwijl andere bestonden uit met tooverspreuken beschreven papyrusblaadjes, die in een gouden doosje waren geborgen. Eindelijk zag zij eenige met Grieksche letters geschrevene brieven. Zij kon de verzoeking niet weerstaan die in handen te nemen, en bij het schijnsel der lamp te lezen. Het waren brieven door Nitetis uit Perzië geschreven aan hare gewaande zuster, van wier ziekte zij geene kennis droeg. Toen Rhodopis deze brieven weer nederlegde baadden hare oogen in tranen. Het geheim der overledene lag thans voor haar open en bloot. Nu wist zij, dat Tachot Bartja bemind had, dat zij die verlepte bloemen van hem ontvangen en dien bal, als eene gedachtenis aan het oogenblik, waarin hij haar dezen toewierp, in rozen gewikkeld had. De amuletten waren voorzeker bestemd geweest, òf om haar krank hartte genezen, òf om in de borst van den koningszoon wederliefde op te wekken en aan te kweeken.Toen zij ten laatste deze brieven op hunne oude plaats wilde nederleggen, en eenige doeken, die den bodem der kist schenen te bedekken, met de hand aanraakte, bespeurde zij, dat zij een hard, rond voorwerp verborgen. Zij lichtte ze dus op, en vond nu eene kleine buste van gekleurd was, welke Nitetis voorstelde, en zoo volkomen geleek, dat Rhodopis een kreet van verbazing niet kon onderdrukken, en gedurende geruimen tijd de oogen van dit meesterstuk van Theodorus den Samiër niet af kon wenden. Eindelijk begaf zij zich ter ruste en sliep spoedig in, hare laatste gedachten aan het ongelukkige lot der Egyptische koningsdochter wijdende.Den volgenden morgen trad zij den tuin in, dien wij bij het leven van Amasis reeds eenmaal bezochten, en vond daar in een priëel van wijngaardloof hen, die zij zocht. Sappho zat op een fijn gevlochten stoel. In haar schoot lag haar zuigeling, geheel naakt. Het kindeke strekte de mollige handjes en voetjes nu eens naar zijn vader, die voor de jonge vrouw lag neergeknield, dan naar zijne moeder uit. Als de vingertjes van het wichtje bij wijle verdwaald raakten in de lokken of den baard van den jongen held, trok hij zijn hoofd zachtkens terug, om de kracht van de kleine te meten en haar het gevoel te geven, als had zij duchtig huisgehouden in zijne haren. Als de spartelende voetjes zijn gezicht raakten, nam hij ze in de hand en kuste de roode, fijn gevormde teentjes en voetzolen, die nog zoo zacht en teeder waren als de wangen eener maagd. Als de kleine Parmys een zijner vingers omklemde, deed hij alsof hij zijne hand niet los kon krijgen, en hield hij niet op de mollige schouders, òf de kuiltjes in de ellebogen, òf het blanke rugje van het aanvallige schepseltje te kussen.Sappho genoot onuitsprekelijk in de aanschouwing van dit onschuldig spel, en beproefde de aandacht van het kind uitsluitend op den vader te vestigen. Af en toe boog zij zich over de kleine heen, om een kus te drukken op het gevulde halsje of op de koraalroode lipjes, en dan gebeurde het wel eens, dat haar voorhoofd in aanraking kwam met de lokken van haar echtvriend, die dan geregeld den voor het kindje bestemden kus van hare lippen stal.Rhodopis was eenige oogenblikken ongemerkt getuige van dit schuldelooze spel. Met tranen in de oogen bad zij de goden, dit onuitsprekelijke reine geluk toch niet te verstoren. Ten laatste trad zij nader, riep beiden een opgeruimd »goeden morgen” toe, en prees de oude Melitta voor hare trouwe zorg, daar zij, met een groot zonnescherm gewapend, gekomen was om de kleineParmys te slapen te leggen en aan het blakerende zonnelicht te onttrekken. De oude slavin was tot eerste voedster van de vorstelijke zuigeling aangesteld, welk ambt zij met de uiterste nauwgezetheid en met eene koddige waardigheid bekleedde. Zij had de oude stramme leden in een rijk Perzisch gewaad gestoken, en voelde zich onbeschrijfelijk gelukkig nu zij bevelen mocht uitdeelen, iets dat haar nog nooit was overkomen, terwijl zij de vele onder haar staande slavinnen met eene nederbuigende goedheid bejegende en onophoudelijk in beweging hield.Sappho volgde de oude dienstmaagd op den voet, na nog haar molligen arm om den hals van haar man geslagen en hem op vleienden toon in het oor gefluisterd te hebben: »Zeg toch alles aan grootmoeder en vraag haar, of zij u gelijkgeeft!”Voor dat Bartja haar kon antwoorden, had zij hem op den mond gekust, en was zij de statig voortstappende Melitta nagesneld.De koningszoon zag haar lachend na, en vergat een oogenblik het bijzijn der eerwaardige vrouw, weggesleept door zijne bewondering van haar zwevenden tred en hare schoone gestalte. Spoedig echter bezon hij zich, en vroeg, Rhodopis aanziende: »Vindt gij ook niet, dat zij den laatsten tijd grooter is geworden?”»Dat schijnt maar zoo,” was het antwoord. »Als maagd heeft de vrouw zeker iets eigenaardigs en bekoorlijks: doch eerst de moedernaam schenkt haar de rechte waardigheid. Als moeder mag zij ’t hoofd met meer fierheid oprichten. Wij meenen dan, dat zij lichamelijk grooter is geworden, terwijl zij zich slechts door het bewustzijn, aan hare bestemming beantwoord te hebben, innerlijk veredeld voelt!”»Ja, ik geloof dat zij gelukkig is,” zeide Bartja. »Gisteren voor het eerst verschilden wij van zienswijze. Toen zij ons daareven verliet, verzocht zij mij ons geschil aan uw oordeel te onderwerpen, ’t geen ik volgaarne doe, daar ik uwe wijsheid en ondervinding even hoog schat, als ik haar om hare kinderlijke onervarenheid liefheb.”En nu verhaalde Bartja haar de geheele toedracht van de noodlottige geschiedenis met den boog, en eindigde aldus: »Cresus berispte mijne onvoorzichtigheid; maar ik ken mijn broeder, en weet dat hij, ja, in zijn toorn tot iedere daad van geweld in staat is, en dat het niet te verwonderen zou geweest zijn als hij mij op het oogenblik zijner nederlaag vermoord had; maar wanneer zijn toorn een weinig heeft uitgewoed, dan zal hij mijne vermetelheid vergeten, en er slechts naar streven mij in het vervolg door edele daden te overtreffen. Een jaar geleden was hij verreweg nog de beste schutter in geheel Perzië, en dat zou hij nog zijn, als zijne reuzenkrachten door zijne onmatigheid en doordie booze krampen niet zooveel geleden hadden. Ik daarentegen gevoel, dat mijne krachten met den dag toenemen.”»Waarachtig geluk,” viel Rhodopis den jongen man in de rede, »verstaalt de armen van den man, gelijk het de schoonheid der vrouw verhoogt; terwijl onmatigheid en kwalen lichaam en ziel zekerder sloopen dan ziekte en ouderdom. Neem u in acht voor uw broeder, mijn zoon, want even goed als zijn oorspronkelijk zoo krachtige arm kon verlammen, kan zijne van nature edele ziel haar adeldom verliezen. Vertrouw op mijne ervaring: deze heeft mij geleerd, dat hij, die de slaaf van éen boozen hartstocht is geworden, zeer zelden zijne andere driften meester blijft. Buitendien valt het geen mensch zwaarder eene vernedering te dragen dan hem, die zedelijk daalt en zijne krachten voelt afnemen. Nog eens, neem u in acht voor uw broeder, en vertrouw eer de waarschuwende stem der ervaring, dan uw eigen hart, dat zoo gaarne ieder ander hart voor edel en rein houdt, wijl het zichzelf bewust is edel en rein te zijn.”»Deze woorden,” antwoordde Bartja, »doen me begrijpen, dat gij het met Sappho volkomen eens zult zijn. Zij heeft mij toch gebeden, hoe zwaar het haar ook moge vallen van u te scheiden, Egypte te verlaten en met haar naar Perzië te trekken. Zij denkt dat Cambyzes, als hij mij niet meer ziet en niets van mij hoort, zijn wrok vergeten zal. Maar ik houd hare bezorgdheid voor mijne veiligheid voor ongegrond, en zou mij zelven niet gaarne het genoegen ontzeggen, om den veldtocht tegen de Ethiopiërs mede te maken....”»En ik,” viel Rhodopis hem nogmaals in de rede, »bid u dringend haar raad, die door eene juiste beoordeeling der omstandigheden en door oprechte liefde is ingegeven, te volgen. De goden weten hoezeer mij de scheiding van u zal smarten, maar toch roep ik u duizend en duizendmaal toe: Keer naar Perzië terug en bedenk, dat slechts dwazen hun leven en hun geluk doelloos op het spel zetten!—De oorlog tegen de Ethiopiërs is het ontwerp van een waanzinnige, want gij zult niet te strijden hebben met de zwarte bewoners van het zuiden, maar met hitte, dorst, en al de verschrikkingen der woestijn. Dit geldt den voorgenomen veldtocht in het algemeen; wat u in het bijzonder betreft, bedenk, dat gij uw geluk en dat der uwen vergeefs op het spel zet, wanneer er geen krijgsroem te behalen is; dat gij daarentegen, zoo gij u weder mocht onderscheiden, slechts den toorn en de ijverzucht van uw broeder opnieuw zoudt prikkelen. Ga naar Perzië, en wel zoo spoedig mogelijk!”Juist wilde Bartja beproeven de drangredenen der schrandere vrouw te ontzenuwen, toen Prexaspes met een bleek gelaat naar hem toekwam.Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met de ringen van zijn rechterhand spelende: »De koning zendt mij tot u. Gij hebt hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabië te reizen, en daar zooveel kameelen8te koopen, als er maar te krijgen zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het water en de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van uwe vrouw en zorg,—aldus luidt ’s konings bevel—dat gij vóor de nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult ten minste éene maand uitblijven.Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane, uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast hun zoo spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van ’s konings edele moeder, het veiligst zullen zijn.”Bartja had Prexaspes aangehoord, zonder dat het hem was opgevallen, dat de gezant zoo kortaf sprak, als aarzelde hij zijn last te volbrengen. Hij verheugde zich over de schijnbare gematigdheid van zijn broeder en over dit bevel, dat hem verder allen twijfel benam betreffende zijn al of niet terugkeeren naar Perzië. Hij reikte zijn gewaanden vriend de hand ten kus, en noodigde hem uit hem in zijn paleis te volgen. Toen het koeler begon te worden, nam hij van Sappho en het kind, dat op Melitta’s armen sliep, een kort maar hartelijk afscheid, beval zijne vrouw zoo spoedig mogelijk naar Cassandane te vertrekken, riep zijne schoonmoeder nog schertsend toe, dat zij zich ditmaal in de beoordeeling van een mensch, namelijk van zijn broeder, toch zeer vergist had, en wierp zich in den zadel.Toen Prexaspes zijn paard wilde bestijgen, fluisterde Sappho hem in: »Pas toch goed op hemen herinner den waaghals, dat hij vrouw en kind heeft, zoo hij zich soms noodeloos in gevaar mocht willen begeven!”»Te Pelusium moet ik hem reeds verlaten,” antwoordde de gezant, terwijl hij, om de blikken van de jonge vrouw te ontwijken, zich hield als herstelde hij iets aan het tuig van zijn paard.»Dan mogen de goden hem beschermen!” riep Sappho, de geliefdehand van den vertrekkende vattende en uitbarstende in tranen, die zij vruchteloos beproefde terug te houden.En hij, zijne anders zoo moedige gade ziende weenen, werd evenzeer door zekere tot nog toe hem onbekende ontroering aangegrepen. Liefderijk boog hij zich tot haar neder, sloeg zijn krachtigen arm om haar middel, hief haar tot zich op en drukte haar, terwijl haar voet op den zijnen rustte, aan zijn hart, als moest hij voor eeuwig afscheid van haar nemen. Daarop liet hij haar met vasten arm zacht op den grond neder, nam nog eens zijn kind bij zich in den zadel, om het te kussen en schertsend op het hart te drukken, dat het zoet moest zijn. Toen riep hij Rhodopis nog een hartelijk woord tot afscheid toe, en vloog, zijn hengst de sporen gevende, zoodat het edele dier steigerende voortgaloppeerde, door Prexaspes gevolgd, de poort van het paleis der pharao’s uit.Nauwelijks was het geluid van den hoefslag der paarden in de verte weggestorven, of Sappho wierp zich aan de borst van hare grootmoeder, en weende lang onafgebroken, in weerwil van de ernstige vermaningen en de strenge berisping van de oude vrouw.1De Perzische kleuren.2Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede boogschutters te zijn.3Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis), Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam.4In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao’s bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene schoone vrouw.5Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.6Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden, alsmede kammen, enz.7Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.8Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van den haan, verboden was.

Zevende hoofdstukDe Nijl begon wederom te wassen. Sedert het vertrek van Phanes waren twee maanden voorbijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden dag, op welken de Athener Egypte verliet, had Sappho haar Bartja eene dochter geschonken. Onder de verpleging harer grootmoeder was zij spoedig zoo ver hersteld, dat zij aan een tochtje op den Nijl, hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te Memphis, daar Bartja met ’s konings toestemming het paleis te Saïs had betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken, die sedert de vlucht van Phanes zeer waren toegenomen. Ook Rhodopis, in wier huis de Lydiër met zijn zoon, Bartja, Darius en Zopyrus zich vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan.Aan den morgen van het feest besteeg men, omstreeks acht mijlen beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voer den stroom op, door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder het deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak, dat het midden van het dek overwelfde, had zich het reisgezelschap neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats genomen; de Milesiër Theopompus zat aan hare voeten. Sappho liet haar hoofdjen op Bartja’s schouder rusten. Syloson, de broeder van Polycrates, lag naast Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken in het water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de bloemen, die een Egyptische slaaf hun ter hand stelde, kransen voor de hoofden der beide vrouwen vlochten.»Het is bijkans niet te gelooven,” zeide Bartja, »dat wij den stroomtegen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water.”»Dat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voorhoofd verfrischt,” antwoordde Theopompus. »Ook verstaan de Egyptische roeiers hun werk in den grond.”»En werken met verdubbelden ijver,” liet Cresus er op volgen, »wijl het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegenstand vinden, zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen.”»Terwijl wij ons zelven bezwaren scheppen,” sprak Rhodopis, »wanneer het lot onze levensboot met een kalmen, gunstigen stroom voortstuwt.”»Zoo is het!” riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onder werkelooze rust zijn alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te kunnen toonen, dat wij beter zijn en meer vermogen dan anderen.”»Maar de edele strijders moeten zich wachten, twist- en tweedrachtstokers te worden,” merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid liggen? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geene enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd en arbeid, ziedaar ’s menschen bestemming. Maar ook hierin moet hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden, zal zijn streven de gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden, dat is het geheim van den wijze.”»O, dat de koning u hoorde spreken!” riep Cresus. »In plaats van met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze onderdanen bedacht te zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes, bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen.”»Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op hem?” vroeg Rhodopis.»Zij heeft hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal moeten bijwonen!”»Arme Atossa!” fluisterde Sappho.»Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen,” zeide Cresus, »en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal, zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij niet minder opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos behandelen, daar hij in haar altijd nog slechts een kind ziet. De Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijkniets buitengewoons, want ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw.”1»En ook in Perzië,” merkte Darius aan, ofschoon hij niet het geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken.”»Om echter op den koning terug te komen,” zeide Cresus, die, om den zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk eene andere wending gaf, »ik verzeker u, Rhodopis, dat hij toch volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw, en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij, gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had, hoe de Perzen wel over hem, in vergelijking met zijn vader, dachten.”»En wat was het antwoord?” vroeg Rhodopis.»Intaphernes redde ons handig uit de verlegenheid,” zeide Zopyrus lachend. »Want hij antwoordde den koning: ‘Wij houden het er voor, dat gij uw vader overtreft, omdat gij het gebied van Cyrus niet alleen ongeschonden weet te bewaren, maar ons rijk door de verovering van Egypte zelfs over de zee hebt weten uit te breiden!’Maar dit antwoord behaagde den koning niet, want hij sloeg met de vuist op de tafel, en riep: ‘Vleier, ellendige vleier!’ Intaphernes schrok geweldig van dezen onverwachten uitval. De koning wendde zich vervolgens tot Cresus, en vroeg dezen naar zijne meening. ‘Mij dunkt,’ antwoordde onze wijze vriend, ‘dat gij het hooge standpunt uws vaders nog niet hebt bereikt; want’—voegde hij er vergoelijkend bij,—‘u ontbreekt nog een zoon, gelijk de doorluchtige afgestorvene in u achterliet.’”»Recht goed! Uitmuntend!” riep Rhodopis, in de handen klappende, en den edelen man toelachende, »dit woord zou den behendigen Odysseus tot eere hebben gestrekt! Maar hoe slikte de koning deze met zoeten honig bestreken pil?”»Hij was er uitermate mede ingenomen, dankte Cresus voor dit antwoord, en noemde hem zijn vriend.”»En ik,” sprak de grijsaard, »maakte mij deze gelegenheid ten nutte, om hem af te brengen van zijn plan, om de langlevende Ethiopiërs, Ammoniërs en Carthagers te gaan beoorlogen. Van het eerste der genoemde volken verhaalt men allerlei fabelachtige dingen, en het is zeker dat men, met het den oorlog aante doen, ten koste van groote offers, altijd slechts weinig zou winnen. De oase van Ammon is, uithoofde van de woestijn die haar van Egypte scheidt, voor een groot leger ter nauwernood bereikbaar, en mij schijnt het zonde krijg te voeren tegen een God en zijne schatten, ook al behoort men niet tot zijne vereerders. Wat eindelijk de Carthagers aangaat, zoo heeft de uitkomst reeds de waarheid mijner voorspelling gestaafd. De matrozen van onze vloot zijn bijna allen Syriërs en Phoeniciërs, en hebben dus natuurlijk geweigerd, tegen hunne broeders te vechten. Cambyzes spotte met mijne redenen, noemde mij een lafaard, en zwoer eindelijk, toen de wijn zijn verstand begon te benevelen, dat hij, ook zonder Phanes en zonder Bartja, in staat zou zijn moeilijke ondernemingen door te zetten en groote volkeren tot onderwerping te brengen.”»Wat beteekent deze toespeling op u, mijn zoon?” vroeg Rhodopis.»Hij heeft den slag van Pelusium gewonnen, en niemand anders!” riep Zopyrus, zijn vriend voorkomende.»Maar gij,” hervatte Cresus, »en uwe vrienden hadden voorzichtiger kunnen zijn, en moeten bedenken, dat het hoogst gevaarlijk is de ijverzucht van een man als Cambyzes op te wekken. Gij vergeet te vaak, dat zijn hart gewond en zeer gevoelig is, zoowel voor het kleinste verdriet als voor de felste smart. Het noodlot heeft hem de vrouw die hij liefhad, en den vriend die hem dierbaar was ontnomen; thans meent hij, dat het uw toeleg is hem ook nog het laatste dat hem ter harte gaat, zijn krijgsroem, te betwisten.”»Beoordeel hem niet te hard,” riep Bartja, terwijl hij de hand van den grijsaard vatte. »Mijn broeder is nooit onrechtvaardig geweest en het is niet in hem opgekomen, mij mijn geluk,—want als verdienste moet gij mij dien aanval op het juiste tijdstip niet toerekenen,—te benijden. Gij weet, dat hij mij na den slag deze prachtige sabel, honderd edele rossen en een gouden handmolen2schonk, als belooning voor mijne dapperheid!”De woorden van Cresus hadden in Sappho’s ziel eenige bezorgdheid doen rijzen, die evenwel, na het geruststellend antwoord van haar gemaal, weder spoedig verdreven werd, en geheel en al vergeten was, toen Zopyrus zijn krans gereed had en dezen op het hoofd der oude vrouw plaatste.Gyges bood den zijnen der jeugdige moeder aan, die het kroontje van sneeuwwitte waterleliën op hare volle bruine lokken drukte, en met dezen eenvoudigen tooi er zoo lief en schoon uitzag, datBartja, ondanks de tegenwoordigheid van zoovele getuigen, niet kon nalaten, haar op het voorhoofd te kussen. Het gesprek nam nu eene meer vroolijke wending. Allen deden wat zij konden, om iets tot elkanders genoegen bij te dragen; ja zelfs Darius vergat zijn ernst, om met de vrienden, die de sedert eenige oogenblikken opgedragene spijzen en dranken eer aandeden, te lachen en te schertsen. Toen eindelijk de zon achter het Mokattam-gebergte was ondergegaan, plaatsten de slaven kunstig gesneden stoelen, voetbanken en tafeltjes op het open dek, waarheen het vroolijke gezelschap zich thans begaf, en waar zich een heerlijk schouwspel aan hen vertoonde, dat aller verwachting overtrof.Het Neith-feest, dat de Egyptenaren het lampen branden noemden, en door het geheele land met eene algemeene verlichting der huizen placht gevierd te worden, had met het opkomen der maan een aanvang genomen. De oevers van den stroom geleken onafzienbaar lange vuurstrepen. Iedere tempel, ieder huis, iedere hut was, al naar het vermogen der bewoners, met brandende lampen versierd. In de portalen der landhuizen, en op de torentjes der grootere gebouwen flikkerden de pekvlammen in steenen pannen; dichte rookwolken stegen op, die zich uitspreidden, en te midden der talrijke vanen en wimpels bleven hangen. De palmen en sykomoren, waarover de maan haar zilverglans uitgoot, spiegelden zich, in allerlei wonderlijke vormen, in de golfjes langs den oever, die door het schijnsel der vlammen tintelden met een rooden gloed. Maar al die lampen en vuren waren op verre na niet toereikend, om ook het midden van den reusachtigen stroom, waar de bark der spelevarende vrienden zachtkens voortgleed, te verlichten. Het was als voeren zij tusschen twee heldere dagen in een duisteren nacht. Soms ontmoette men barken, die, met lampen verlicht, als vurige zwanen over het water dreven, en als zij op den oever aanhielden, een stroom van gloeiend vloeibaar metaal schenen te doorklieven. Sneeuwwitte lotusbloemen dobberden op de golven, en vertoonden zich aan hen, die daar heenvoeren, als de oogen der rivier. Niet het geringste geluid drong van de oevers tot hunne ooren door, ofschoon zij zwijgend neerzaten. De kracht van de door den noordenwind voortgedragen tonen was te gering, om het midden van den stroom te bereiken. Alleen de riemslagen en het eentonige gezang der matrozen braken de diepe stilte af van den helderen nacht.Lang vermeiden zich de vrienden, zonder een woord te spreken, in de aanschouwing van dit zeldzaam en onvergelijkelijk schoon tafereel, dat voor hunne oogen langzaam scheen voorbij te gaan. Eindelijk maakteZopyruseen einde aan de stilte, met een diepen zucht uitroepende: »Hoezeer benijd ik u, Bartja! Als het wasgelijk het behoort, dan had ieder onzer in dit uur een lief wijfje aan zijne zijde!”»Wie heeft u dan verboden een uwer uitverkorene vrouwen met u te nemen?” antwoordde de gelukkige echtgenoot.»Mijne vijf andere levensgezellinnen,” zeide de jonge man met een zucht. »Had ik Parysatis, het dochterke van Oroetes, de jongste mijner lievelingen, alleen met mij genomen, dan zou dit gelukkig uur wel mijn laatste wezen; want morgen zouden er zeker een paar oogen minder op de wereld zijn geweest!”Bartja glimlachte en zeide, de hand van zijne Sappho drukkende: »Ik geloof haast, dat ik mij mijn leven lang met éene vrouw zal vergenoegen!”De jonge moeder beantwoordde den zachten druk der geliefde hand, en zeide: »Ik vertrouw u niet, vriend Zopyrus, want het komt mij voor, dat gij minder den toorn ducht dier schepseltjes, die u toch vrij onverschillig zijn, dan wel terugdeinst voor eene overtreding van de zeden en gebruiken van uw vaderland. Men heeft mij reeds verhaald, dat men in de vrouwenvertrekken tegen mijn armen Bartja uitvaart, omdat hij mij niet door eunuchen laat bewaken, en mij vergunt aan zijne zijde het leven te genieten.”»Hij verwent u schrikbarend,” hernam Zopyrus, »en onze vrouwen beginnen, wanneer wij haar een weinig korthouden, zich reeds te beroepen op zijne goedheid en toegeeflijkheid. Let op, binnenkort zal aan de poort des konings een oproer onder de vrouwen uitbarsten, en de Achaemeniden, die de scherpste zwaarden en de best gerichte pijlen niet vreezen, zullen met spitse tongen doorstoken en in een zilten tranenvloed verdronken worden.”»O, gij onbeschaamde Pers,” sprak Syloson met een lach, »het zal noodig zijn, dat wij u leeren wat meer eerbied te hebben voor de evenbeelden van Aphrodite!”»Wilt gij, Hellenen, ons leeren?” vroeg de jonkman. »Bij Mithra, onze vrouwen hebben het even goed als de uwe! Alleen de Egyptische leven ongelooflijk vrij.”»Dat is waar!” zeide Rhodopis. »De bewoners van dit vreemde land kennen sinds duizenden jaren aan ons zwak geslacht dezelfde rechten toe, waarop de mannen voor zich aanspraak maken. In vele opzichten genieten wij zelfs nog grootere onderscheiding dan zij. De Egyptische wet bijvoorbeeld beveelt niet den zonen, maar den dochteren hare grijze ouders te onderhouden en te verplegen. Het gebod bewijst, hoe juist de wijze voorvaderen van het thans zoo diep vernederde volk de natuur der vrouw wisten te beoordeelen; hoe zij begrepen, dat wij u, mannen, in trouwe zorg, oplettende hulpvaardigheid en opofferende liefde verre overtreffen!—Spot niet met deze dierenaanbidders, die ik, ik beken het gaarne,niet begrijp, maar daarom toch bewonder, daar Pythagoras, de meester van alle wetenschap, mij verzekerd heeft, dat de wijsheid, in de leeringen der priesters verborgen, even ontzagwekkend is als de pyramiden.”»En uw groote meester heeft gelijk!” sprak Darius. »Gij weet, dat ik sedert verscheidene weken dagelijks met Neithotep, den opperpriester van Neith, dien ik uit zijne gevangenis heb laten bevrijden, en met den ouden Onoephis verkeer, of, beter gezegd, mij door hen laat onderrichten. Hoeveel nieuws heb ik van die twee grijsaards niet geleerd! Hoeveel treurigs vergeet ik niet, als ik naar hun onderwijs luister! De geheele geschiedenis van den hemel en van de aarde is hun bekend. Zij weten den naam van iederen koning, de toedracht van elke belangrijke gebeurtenis sedert de laatste vierduizend jaren. Zij dragen kennis van den loop van alle sterren, en van de werken en stelsels van alle kunstenaars en wijzen gedurende hetzelfde tijdsverloop. Want dat alles staat opgeteekend in groote boeken, die te Thebe in een paleis, dat zij ‘Inrichting ter bevordering van de gezondheid der ziel’ noemen, bewaard worden. Hunne wetten zijn eene rijke bron van wijsheid, en de geheele staatsinrichting is met verwonderlijk doorzicht geheel berekend voor de behoeften des lands. Ik wilde wel, dat wij in ons vaderland op zulk eene orde, zulk eene regelmaat konden roemen! Al hunne wetenschap berust op het gebruik der getallen, met welker hulp het alleen mogelijk is de banen der sterren te berekenen, het bestaande nauwkeurig te beschrijven en te bepalen, ja zelfs door verlenging en verkorting der snaren de tonen te regelen. Het getal is het eenig zekere, dat met alle willekeur en met elke uitlegging spot. Ieder volk heeft zijne eigene begrippen van recht en onrecht, iedere wet kan door veranderde omstandigheden onbruikbaar worden; doch waarheden, die haar grondslag in getallen hebben, staan voor eeuwig onomstootelijk vast. Wie zal ooit weerspreken, dat tweemaal twee vier is? De getallen bepalen duidelijk en zeker den inhoud van al het bestaande. Al wat bestaat is gelijk aan zijn inhoud. Daarom vindt men in de getallen het ware zijn, het wezen van alle dingen!”»In naam van Mithra, Darius, houd op, het schemert mij voor de oogen!” riep Zopyrus, zijn vriend in de rede vallende. »Wie u zoo hoort spreken, moet wel denken dat gij uw geheele leven in het gezelschap dier spitsvondige haarkloovers gesleten en nooit een zwaard gehanteerd hebt! Wat gaan ons die getallen aan?”»Meer dan gij denkt!” antwoordde Rhodopis, »ook Pythagoras is in deze leerstellingen, die tot de geheimenissen der Egyptische priesters behooren, door denzelfden Onoephis ingewijd, die u, Darius, thans den toegang tot de mysteriën ontsluit. Breng mijeens spoedig een bezoek, dan zal ik u mededeelen hoe heerlijk schoon de groote Samiër de wetten der getallen met die der tonen in overeenstemming heeft gebracht.—Maar zie, zie, daar zijn de pyramiden!”De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen op den linker oever van den stroom, door de maan met een zilverachtig licht beschenen, de aloude reuzengraven van machtige heerschers, in hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende kracht van den menschelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg had opgestapeld; van dien Chafra, die de goden verachtte, en prat op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten3om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken, ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig was geweest? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt4.Daar lagen de pyramiden te midden van de nachtelijke stilte, door de sterren verlicht, onder de hoede van den wachter der woestijn, den reusachtigen sphinx, hare spitsen verheffende boven de naakte rotsen der Lybische steenheuvels. Aan hare voeten sluimerden in kostbare graven de mummiën van de getrouwe dienaars harer oprichters, en tegenover het verhevene grafteeken van den vromen Menkera verrees een tempel, waarin de priesters van Osiris voor de zielen van de tallooze, in de doodenstad van Memphis bijgezette afgestorvenen gebeden opzonden. Westwaarts, daar waar de zon zich achter de Lybische bergen had verscholen, waar de vruchtdragende bodem vervangen werd door de dorre woestijn, hadden de Memphiten hunne graven gebouwd. Daarheenhielden de vrienden hunne blikken gericht, terwijl eene heilige huivering en eene eerbiedige bewondering hunne lippen gesloten hielden.Toen het ranke vaartuig, door den noordenwind gestuwd, de rustplaats der dooden en de ontzaglijke dammen5, die de stad van Menes tegen de overstroomingen van den machtigen vloed beveiligden, voorbijgedreven was, en men de residentie der vorige pharao’s nader en nader kwam, en ten laatste de millioenen en millioenen lichten zichtbaar werden, die ter eere der godin Neith allerwegen ontstoken waren, raakten eindelijk de tongen los. Woorden van bewondering en verrukking stroomden over de lippen, toen de reuzentempel van Ptah6, het oudste bouwwerk van dit eeuwenoude land, zich aan hunne oogen vertoonde. Duizenden lampen verlichtten het huis van den god, honderden vuren brandden op de poorten, op de tinnen der muren en op de daken van het heiligdom. Tusschen de sphinxenrijen, die de onderscheidene ingangen met het hoofdgebouw verbonden, gloeiden brandende fakkels, en het ledige huis van den heiligen stier Apis7glinsterde bij het flikkeren van ontelbare veelkleurige vlammen, als een door het tropisch avondrood beschenen krijtberg. En boven dien, langs al zijne omtrekken verlichten tempel fladderden wimpels, en wapperden vanen, slingerden zich bloemfestoenen, en golfden de welluidende tonen van muziek en gezang.»Heerlijk, heerlijk!” riep Rhodopis, die naar woorden zocht, om hare opgetogenheid over dit betooverend schouwspel uit te drukken. »Zie hoe die bont beschilderde zuilen en wanden schitteren; zie welke zonderlinge schaduwen de obelisken en sphinxen werpen op den gelen gladgepleisterden vloer der voorhoven!”»En welk een geheimzinnig donker,” liet Cresus er op volgen, »heerscht ginds in het heilige woud van den god! Nooit te voren heb ik iets schooners gezien!”»Ik echter,” verzekerde Darius, heb nog wonderlijker dingen aanschouwd, en gij zult mij gelooven, als ik u zeg, dat ik getuige ben geweest van de mysteriën van Neith.”»O, verhaal ons daar iets van!” riepen de vrienden.»Neithotep weigerde eerst mij toegang te verschaffen. Toen ik hem evenwel beloofde, dat ik mij verborgen zou houden en de vrijstelling van zijn kind zou bewerken, bracht hij mij op zijne sterrenwacht, vanwaar ik ver in het rond kon zien, en zeide, dat ik eene voorstelling van de lotgevallen van Osiris en zijne gade Isis zou aanschouwen8.»Nauwelijks had hij mij verlaten, of ik zag vreemdsoortige, veelkleurige lichten, die zulk een helderen gloed door het geheele woud verspreidden, dat mijn blik tot in het binnenste gedeelte kon doordringen. Voor mij lag een spiegelglad meer, door fraaie boomen en bonte bloembedden omgeven. Vergulde booten dobberden op het heldere water. In die booten zaten schoone knapen en meisjes in sneeuwwitte kleederen, en zongen heerlijke liederen. Geen schipper was er om ze te sturen, en toch gleden de vaartuigjes, met allerlei sierlijke wendingen, als door eene tooverhand bestuurd over het effen watervlak. Te midden dezer booten dreef een prachtig groot schip, welks boorden flonkerden van edelgesteenten. Een schoone knaap scheen de geheele bemanning uit te maken, maar het wonderbaarste was, dat het roer hetwelk hij bestuurde, slechts uit eene witte lotusbloem bestond, welker teedere blaadjes den waterspiegel te nauwernood beroerden. In het midden van het vaartuig rustte op zijden kussens eene met vorstelijke pracht uitgedoste vrouw van zeldzame schoonheid. Aan hare zijde zat een man van meer dan menschelijke grootte, die eene met klimop omkranste hooge kroon op de golvende lokken, een pantervel om de schouders en een van boven omgebogen staf in de rechterhand droeg. Op het achterschip stond, onder een dak van rozen, klimop en lotusbloemen, eene sneeuwwitte koe9, met gouden horens en een purperen dekkleed over den rug. Die man was Osiris, die vrouw Isis, die knaap aan het roer Horus, de zoon van het goddelijk paar, de koe het heilige dier der onsterfelijke vrouw. Al de kleine booten voeren het groote schip voorbij. Zoodra zij de bewoners des hemels naderden, hieven de jongelingen en maagden een groot gejuich aan, welk eerbewijs door een regen van bloemen en vruchten werd beantwoord. Eensklaps barstte een onweder los, welks gerommel zich luider en luider deed hooren, en ten laatste in een ijselijk gekraakoverging. Toen trad uit het donkerste gedeelte van het woud een vreeselijk man te voorschijn. Hij was bedekt met de huid van een everzwijn, en zijn afschuwelijk gelaat was omgeven door eene dichte massa roode verwarde haren. Door zeventig mannen vergezeld, die er eveneens uitzagen, sprong hij in het meer en zwom naar het schip van Osiris10.»Snel als de wind namen de kleine booten de vlucht, en de lotusbloem ontzonk aan de bevende hand van den jeugdigen stuurman. Sneller dan de gedachte wierp zich het monster op Osiris en versloeg hem, bijgestaan door zijn ijzingwekkend gevolg, wierp het lijk in eene mummiekist en deze in de golven, die als door tooverkracht de drijvende doodkist met zich voerden. Intusschen had Isis in eene der kleine booten den vasten wal bereikt, en dwaalde nu met loshangende haren, onder het uiten van luide weeklachten en gevolgd door de jonkvrouwen, die evenals zij de booten verlaten hadden, langs den oever. Allen zochten nu, onder het uitvoeren van fantastische dansen en het zingen van roerende liederen, waarbij de maagden met zwarte byssus-doeken, velerlei vreemde bogen beschreven, het lijk van den verslagene.—De jongelingen bleven evenmin werkeloos, maar brachten onder dans en hamerslag eene kostbare doodkist voor het spoorloos verdwenen lijk in gereedheid. Toen deze voltooid was, sloten zij zich bij de vrouwen van de droeve Isis aan, en zwierven met haar, ijverig zoekende en treurliederen zingende, langs den oever.»Op eens vernam men eene zachte liefelijke stem, uit een onzichtbaren mond, die, gedurig luider wordende, zong:“Spoed u langs des Nijlstrooms boorden,Treurende Isis, naar het Noorden;Waar Egypte’s heil’ge vloed’t Brakke vocht van ’t meer ontmoet,Vindt gij den geliefde weder:Aan den oever ligt hij neder,Op zijn rietbed uitgestrekt,’t Hoofd van leliën omgeven,En door schom’lend groen gedekt.Rozige flammingo’s zweven,Als zijn wachters dag en nachtOm zijn goddelijke sponde,En der nachtegalen klachtTrilt weemoedig in het ronde.”»Alzoo zong die wonderbare stem, tevens meldende, dat hetlijk van den god naar Gebal11in Phoenicië was gedreven. De zoon van Neithotep, die bij mij gebleven was, noemde dit gezang, dat mij in de ziel greep, ‘den wind van het gerucht’.»Nauwelijks had Isis deze blijde tijding vernomen, of zij wierp haar rouwgewaad af, en hief, begeleid door de stemmen van haar bekoorlijk gevolg, een vroolijk jubellied aan. Het gerucht had haar niet misleid: werkelijk vond de godin op den noordelijken oever van het meer de lijkkist en het lichaam van haar god weder. Zoodra de kist onder zang en dans aan wal was gebracht, wierp Isis zich op het geliefde lijk. Zij riep Osiris bij zijn naam, en bedekte de mummie met duizend kussen, terwijl de jongelingen een sierlijk grafgewelf van lotusbloemen en klimopranken voor den doode vlochten.»Nadat het stoffelijk overschot van den geliefde was bijgezet, verliet Isis de plaats van gejammer, om haar zoon op te zoeken. Zij vond hem op den oostelijken oever van het meer, waar ik sedert lang reeds een beeldschoonen jongeling had opgemerkt, die zich met andere knapen van denzelfden leeftijd in het wapenspel oefende. Deze stelde den intusschen veel grooter geworden Horus voor.»Terwijl zich de moeder in de aanschouwing van haar schoon kind verheugde, ontstond er plotseling opnieuw een geweldig onweder, dat ten tweeden male de nadering van den Typhon aankondigde. Het monster wierp zich op het bloeiende graf van zijn slachtoffer, rukte het lichaam uit de kist, en hieuw het in veertien stukken, die hij onder bazuingeschal en zware donderslagen her- en derwaarts langs den oever strooide.»Toen Isis wederom het graf van haar echtgenoot naderde, vond zij niets dan verwelkte bloemen en eene ledige kist; maar langs het meer vlamden, op veertien verschillende plaatsen, in allerlei kleuren veertien vuren op. De weduwe snelde met hare maagden op deze vuren toe, terwijl de jongelingen met Horus aan hunne spits op den tegenoverliggenden oever Typhon bevochten.»Ik wist niet, waarheen oogen en ooren het eerst te wenden. Hier woedde, onder het ratelen van den donder en het geschetter van trompetten, een verschrikkelijke krijg, waarvan ik de oogen niet afwenden kon. Daar zongen lieftallige maagden, onder het uitvoeren van tooverachtige dansen, onbeschrijfelijk opwekkende liederen. Isis toch had bij ieder der plotseling ontvlamde vuren, waarvan ik zoo even melding maakte, een der ledematen van haar echtvriend teruggevonden, en vierde thans feest.»Dat dansen hadt gij moeten zien, Zopyrus! Het is mij onmogelijk u de bevalligheid van al de bewegingen der jonkvrouwente schetsen, en gij kunt u evenmin voorstellen, hoe schoon het was, toen zij, na schijnbaar in de grootste verwarring door elkander te hebben gezwierd, op eens in onberispelijk regelmatige rijen tegenover elkaar stonden, om dan opnieuw in een oogwenk de grootste verwarring met de volkomenste orde te verwisselen. Bovendien schoten er gestadig verblindende lichtstralen uit de dwarlende rijen. Ze werden veroorzaakt doordat iedere danseres een spiegel tusschen de schouders had, die bij iedere beweging eene flikkering teweegbracht, en wanneer zij stilstonden het beeld van eene andere maagd weerkaatste.»Nauwelijks had Isis op éen na het laatste der ledematen12van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu, om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen, die zich op den westelijken oever van het meer bevond, en bewaakt werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard13.»Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp- en fluittonen hooren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aarde op, en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw in plaats van zijn zwaard eene lotusbloem in de hand, en strooide bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder een met klimop omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van de aarde en den Amenthes14ontving.”Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord.»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zin wildet verklaren van deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere beteekenis is.”»Uw vermoeden is juist,” antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eede beloofd, niet uit de school te zullen klappen!”»Zal ik u zeggen,” vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, opgrond van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn, Osiris het water dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste overwint Osiris, dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geliefden gade, dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoedt, wedervindt. Eindelijk is Horus, de jeugdige groeikracht der natuur, in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde, opnieuw in het gezegende Nijldal.”»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg,” schertste Zopyrus, »ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge vertooning, de hulde van alle bewoners van den Haméstegân, Duzakh en Gorothman15, of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische zielenheir ook noeme!”»Amenti wordt zij genoemd!” antwoordde Darius, terwijl hij een meer opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar verkondigt ook dat de menschelijke ziel na den lichamelijken dood, evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven.”»Wel bedankt,” antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil.”»Ik deel uw wensch,” zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is.”»Gij blijft eeuwig jong!” viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder als uw oog!”»Vergeef mij,” riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet gehoord, »dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt,dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is.”»Hij is zeer te beklagen!” antwoordde Darius. »Reeds gedurende den tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang metiedereen, zoodat hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niets wilde weten. Niemand dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking stond te lezen, trad hij voor den koning, om hem verlof te vragen, Megabyzus naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier stad tot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen, spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester, die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproerige burgers, en een door hem gehaten oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde hun, dat zij, tot straf voor het verbranden van zekere geschriften, van dien dag tot hun dood een Pers, aan wien hij hen zou verkoopen, in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dat ik een zekere vrees, waarvan ik mij zelven geen rekenschap kon geven, voor den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen, zonder den minsten angst te laten blijken: ‘Als gij, dwaze zoon, ter wille van uwe verbrande geschriften, uw vaderland verraden hebt, zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb uwe kostbare werken met zorg bewaard; ik heb ze in onzen tempel doen bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde had. Psamtik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten, u, tot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren, die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden, die op u betrekking hebben.’»De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij zijn testament op, waarbij hij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den volgenden morgen vondmen hem dood. Door gebruik van het vreeselijke strychnos-sap16had hij een einde aan zijn leven gemaakt.”»Ongelukkige man!” riep Cresus, »Door de goden met blindheid geslagen, moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak, wanhoop oogsten.”»Ik beklaag hem van harte!” zeide Rhodopis zachtkens, als in gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en wagens. Het is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt mij spoedig te Naucratis opzoeken. Ik keer met Syloson en Theopompus aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden nacht, Cresus,—goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!”De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja keerde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op, Bartja! Het spelt geen geluk, als men bij het aan wal stappen valt.—Ook ik ben gevallen, toen wij te Naucratis het schip verlieten.”1De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken voor.2Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan van zijn vorst kon ontvangen.3Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de zware heerendiensten nimmer vergeten kon.4De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.5Zie boven blz.75.6Zie boven blz.25.7Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat, maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000 gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd, alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.8Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. “Deze schouwspelen,” zegt Herodotus, “moesten de lotgevallen van bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën.”9De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.10Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van denHorus-tempelte Edfoe.11Door de Grieken Byblos genoemd.12Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken.13Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen “draak van Amenthes” zijn oorsprong te danken.14De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.15Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs der Perzen.16zie boven bl.239.

De Nijl begon wederom te wassen. Sedert het vertrek van Phanes waren twee maanden voorbijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden dag, op welken de Athener Egypte verliet, had Sappho haar Bartja eene dochter geschonken. Onder de verpleging harer grootmoeder was zij spoedig zoo ver hersteld, dat zij aan een tochtje op den Nijl, hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te Memphis, daar Bartja met ’s konings toestemming het paleis te Saïs had betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken, die sedert de vlucht van Phanes zeer waren toegenomen. Ook Rhodopis, in wier huis de Lydiër met zijn zoon, Bartja, Darius en Zopyrus zich vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan.

Aan den morgen van het feest besteeg men, omstreeks acht mijlen beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voer den stroom op, door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder het deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak, dat het midden van het dek overwelfde, had zich het reisgezelschap neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats genomen; de Milesiër Theopompus zat aan hare voeten. Sappho liet haar hoofdjen op Bartja’s schouder rusten. Syloson, de broeder van Polycrates, lag naast Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken in het water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de bloemen, die een Egyptische slaaf hun ter hand stelde, kransen voor de hoofden der beide vrouwen vlochten.

»Het is bijkans niet te gelooven,” zeide Bartja, »dat wij den stroomtegen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water.”

»Dat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voorhoofd verfrischt,” antwoordde Theopompus. »Ook verstaan de Egyptische roeiers hun werk in den grond.”

»En werken met verdubbelden ijver,” liet Cresus er op volgen, »wijl het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegenstand vinden, zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen.”

»Terwijl wij ons zelven bezwaren scheppen,” sprak Rhodopis, »wanneer het lot onze levensboot met een kalmen, gunstigen stroom voortstuwt.”

»Zoo is het!” riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onder werkelooze rust zijn alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te kunnen toonen, dat wij beter zijn en meer vermogen dan anderen.”

»Maar de edele strijders moeten zich wachten, twist- en tweedrachtstokers te worden,” merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid liggen? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geene enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd en arbeid, ziedaar ’s menschen bestemming. Maar ook hierin moet hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden, zal zijn streven de gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden, dat is het geheim van den wijze.”

»O, dat de koning u hoorde spreken!” riep Cresus. »In plaats van met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze onderdanen bedacht te zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes, bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen.”

»Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op hem?” vroeg Rhodopis.

»Zij heeft hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal moeten bijwonen!”

»Arme Atossa!” fluisterde Sappho.

»Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen,” zeide Cresus, »en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal, zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij niet minder opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos behandelen, daar hij in haar altijd nog slechts een kind ziet. De Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijkniets buitengewoons, want ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw.”1

»En ook in Perzië,” merkte Darius aan, ofschoon hij niet het geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken.”

»Om echter op den koning terug te komen,” zeide Cresus, die, om den zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk eene andere wending gaf, »ik verzeker u, Rhodopis, dat hij toch volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw, en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij, gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had, hoe de Perzen wel over hem, in vergelijking met zijn vader, dachten.”

»En wat was het antwoord?” vroeg Rhodopis.

»Intaphernes redde ons handig uit de verlegenheid,” zeide Zopyrus lachend. »Want hij antwoordde den koning: ‘Wij houden het er voor, dat gij uw vader overtreft, omdat gij het gebied van Cyrus niet alleen ongeschonden weet te bewaren, maar ons rijk door de verovering van Egypte zelfs over de zee hebt weten uit te breiden!’Maar dit antwoord behaagde den koning niet, want hij sloeg met de vuist op de tafel, en riep: ‘Vleier, ellendige vleier!’ Intaphernes schrok geweldig van dezen onverwachten uitval. De koning wendde zich vervolgens tot Cresus, en vroeg dezen naar zijne meening. ‘Mij dunkt,’ antwoordde onze wijze vriend, ‘dat gij het hooge standpunt uws vaders nog niet hebt bereikt; want’—voegde hij er vergoelijkend bij,—‘u ontbreekt nog een zoon, gelijk de doorluchtige afgestorvene in u achterliet.’”

»Recht goed! Uitmuntend!” riep Rhodopis, in de handen klappende, en den edelen man toelachende, »dit woord zou den behendigen Odysseus tot eere hebben gestrekt! Maar hoe slikte de koning deze met zoeten honig bestreken pil?”

»Hij was er uitermate mede ingenomen, dankte Cresus voor dit antwoord, en noemde hem zijn vriend.”

»En ik,” sprak de grijsaard, »maakte mij deze gelegenheid ten nutte, om hem af te brengen van zijn plan, om de langlevende Ethiopiërs, Ammoniërs en Carthagers te gaan beoorlogen. Van het eerste der genoemde volken verhaalt men allerlei fabelachtige dingen, en het is zeker dat men, met het den oorlog aante doen, ten koste van groote offers, altijd slechts weinig zou winnen. De oase van Ammon is, uithoofde van de woestijn die haar van Egypte scheidt, voor een groot leger ter nauwernood bereikbaar, en mij schijnt het zonde krijg te voeren tegen een God en zijne schatten, ook al behoort men niet tot zijne vereerders. Wat eindelijk de Carthagers aangaat, zoo heeft de uitkomst reeds de waarheid mijner voorspelling gestaafd. De matrozen van onze vloot zijn bijna allen Syriërs en Phoeniciërs, en hebben dus natuurlijk geweigerd, tegen hunne broeders te vechten. Cambyzes spotte met mijne redenen, noemde mij een lafaard, en zwoer eindelijk, toen de wijn zijn verstand begon te benevelen, dat hij, ook zonder Phanes en zonder Bartja, in staat zou zijn moeilijke ondernemingen door te zetten en groote volkeren tot onderwerping te brengen.”

»Wat beteekent deze toespeling op u, mijn zoon?” vroeg Rhodopis.

»Hij heeft den slag van Pelusium gewonnen, en niemand anders!” riep Zopyrus, zijn vriend voorkomende.

»Maar gij,” hervatte Cresus, »en uwe vrienden hadden voorzichtiger kunnen zijn, en moeten bedenken, dat het hoogst gevaarlijk is de ijverzucht van een man als Cambyzes op te wekken. Gij vergeet te vaak, dat zijn hart gewond en zeer gevoelig is, zoowel voor het kleinste verdriet als voor de felste smart. Het noodlot heeft hem de vrouw die hij liefhad, en den vriend die hem dierbaar was ontnomen; thans meent hij, dat het uw toeleg is hem ook nog het laatste dat hem ter harte gaat, zijn krijgsroem, te betwisten.”

»Beoordeel hem niet te hard,” riep Bartja, terwijl hij de hand van den grijsaard vatte. »Mijn broeder is nooit onrechtvaardig geweest en het is niet in hem opgekomen, mij mijn geluk,—want als verdienste moet gij mij dien aanval op het juiste tijdstip niet toerekenen,—te benijden. Gij weet, dat hij mij na den slag deze prachtige sabel, honderd edele rossen en een gouden handmolen2schonk, als belooning voor mijne dapperheid!”

De woorden van Cresus hadden in Sappho’s ziel eenige bezorgdheid doen rijzen, die evenwel, na het geruststellend antwoord van haar gemaal, weder spoedig verdreven werd, en geheel en al vergeten was, toen Zopyrus zijn krans gereed had en dezen op het hoofd der oude vrouw plaatste.

Gyges bood den zijnen der jeugdige moeder aan, die het kroontje van sneeuwwitte waterleliën op hare volle bruine lokken drukte, en met dezen eenvoudigen tooi er zoo lief en schoon uitzag, datBartja, ondanks de tegenwoordigheid van zoovele getuigen, niet kon nalaten, haar op het voorhoofd te kussen. Het gesprek nam nu eene meer vroolijke wending. Allen deden wat zij konden, om iets tot elkanders genoegen bij te dragen; ja zelfs Darius vergat zijn ernst, om met de vrienden, die de sedert eenige oogenblikken opgedragene spijzen en dranken eer aandeden, te lachen en te schertsen. Toen eindelijk de zon achter het Mokattam-gebergte was ondergegaan, plaatsten de slaven kunstig gesneden stoelen, voetbanken en tafeltjes op het open dek, waarheen het vroolijke gezelschap zich thans begaf, en waar zich een heerlijk schouwspel aan hen vertoonde, dat aller verwachting overtrof.

Het Neith-feest, dat de Egyptenaren het lampen branden noemden, en door het geheele land met eene algemeene verlichting der huizen placht gevierd te worden, had met het opkomen der maan een aanvang genomen. De oevers van den stroom geleken onafzienbaar lange vuurstrepen. Iedere tempel, ieder huis, iedere hut was, al naar het vermogen der bewoners, met brandende lampen versierd. In de portalen der landhuizen, en op de torentjes der grootere gebouwen flikkerden de pekvlammen in steenen pannen; dichte rookwolken stegen op, die zich uitspreidden, en te midden der talrijke vanen en wimpels bleven hangen. De palmen en sykomoren, waarover de maan haar zilverglans uitgoot, spiegelden zich, in allerlei wonderlijke vormen, in de golfjes langs den oever, die door het schijnsel der vlammen tintelden met een rooden gloed. Maar al die lampen en vuren waren op verre na niet toereikend, om ook het midden van den reusachtigen stroom, waar de bark der spelevarende vrienden zachtkens voortgleed, te verlichten. Het was als voeren zij tusschen twee heldere dagen in een duisteren nacht. Soms ontmoette men barken, die, met lampen verlicht, als vurige zwanen over het water dreven, en als zij op den oever aanhielden, een stroom van gloeiend vloeibaar metaal schenen te doorklieven. Sneeuwwitte lotusbloemen dobberden op de golven, en vertoonden zich aan hen, die daar heenvoeren, als de oogen der rivier. Niet het geringste geluid drong van de oevers tot hunne ooren door, ofschoon zij zwijgend neerzaten. De kracht van de door den noordenwind voortgedragen tonen was te gering, om het midden van den stroom te bereiken. Alleen de riemslagen en het eentonige gezang der matrozen braken de diepe stilte af van den helderen nacht.

Lang vermeiden zich de vrienden, zonder een woord te spreken, in de aanschouwing van dit zeldzaam en onvergelijkelijk schoon tafereel, dat voor hunne oogen langzaam scheen voorbij te gaan. Eindelijk maakteZopyruseen einde aan de stilte, met een diepen zucht uitroepende: »Hoezeer benijd ik u, Bartja! Als het wasgelijk het behoort, dan had ieder onzer in dit uur een lief wijfje aan zijne zijde!”

»Wie heeft u dan verboden een uwer uitverkorene vrouwen met u te nemen?” antwoordde de gelukkige echtgenoot.

»Mijne vijf andere levensgezellinnen,” zeide de jonge man met een zucht. »Had ik Parysatis, het dochterke van Oroetes, de jongste mijner lievelingen, alleen met mij genomen, dan zou dit gelukkig uur wel mijn laatste wezen; want morgen zouden er zeker een paar oogen minder op de wereld zijn geweest!”

Bartja glimlachte en zeide, de hand van zijne Sappho drukkende: »Ik geloof haast, dat ik mij mijn leven lang met éene vrouw zal vergenoegen!”

De jonge moeder beantwoordde den zachten druk der geliefde hand, en zeide: »Ik vertrouw u niet, vriend Zopyrus, want het komt mij voor, dat gij minder den toorn ducht dier schepseltjes, die u toch vrij onverschillig zijn, dan wel terugdeinst voor eene overtreding van de zeden en gebruiken van uw vaderland. Men heeft mij reeds verhaald, dat men in de vrouwenvertrekken tegen mijn armen Bartja uitvaart, omdat hij mij niet door eunuchen laat bewaken, en mij vergunt aan zijne zijde het leven te genieten.”

»Hij verwent u schrikbarend,” hernam Zopyrus, »en onze vrouwen beginnen, wanneer wij haar een weinig korthouden, zich reeds te beroepen op zijne goedheid en toegeeflijkheid. Let op, binnenkort zal aan de poort des konings een oproer onder de vrouwen uitbarsten, en de Achaemeniden, die de scherpste zwaarden en de best gerichte pijlen niet vreezen, zullen met spitse tongen doorstoken en in een zilten tranenvloed verdronken worden.”

»O, gij onbeschaamde Pers,” sprak Syloson met een lach, »het zal noodig zijn, dat wij u leeren wat meer eerbied te hebben voor de evenbeelden van Aphrodite!”

»Wilt gij, Hellenen, ons leeren?” vroeg de jonkman. »Bij Mithra, onze vrouwen hebben het even goed als de uwe! Alleen de Egyptische leven ongelooflijk vrij.”

»Dat is waar!” zeide Rhodopis. »De bewoners van dit vreemde land kennen sinds duizenden jaren aan ons zwak geslacht dezelfde rechten toe, waarop de mannen voor zich aanspraak maken. In vele opzichten genieten wij zelfs nog grootere onderscheiding dan zij. De Egyptische wet bijvoorbeeld beveelt niet den zonen, maar den dochteren hare grijze ouders te onderhouden en te verplegen. Het gebod bewijst, hoe juist de wijze voorvaderen van het thans zoo diep vernederde volk de natuur der vrouw wisten te beoordeelen; hoe zij begrepen, dat wij u, mannen, in trouwe zorg, oplettende hulpvaardigheid en opofferende liefde verre overtreffen!—Spot niet met deze dierenaanbidders, die ik, ik beken het gaarne,niet begrijp, maar daarom toch bewonder, daar Pythagoras, de meester van alle wetenschap, mij verzekerd heeft, dat de wijsheid, in de leeringen der priesters verborgen, even ontzagwekkend is als de pyramiden.”

»En uw groote meester heeft gelijk!” sprak Darius. »Gij weet, dat ik sedert verscheidene weken dagelijks met Neithotep, den opperpriester van Neith, dien ik uit zijne gevangenis heb laten bevrijden, en met den ouden Onoephis verkeer, of, beter gezegd, mij door hen laat onderrichten. Hoeveel nieuws heb ik van die twee grijsaards niet geleerd! Hoeveel treurigs vergeet ik niet, als ik naar hun onderwijs luister! De geheele geschiedenis van den hemel en van de aarde is hun bekend. Zij weten den naam van iederen koning, de toedracht van elke belangrijke gebeurtenis sedert de laatste vierduizend jaren. Zij dragen kennis van den loop van alle sterren, en van de werken en stelsels van alle kunstenaars en wijzen gedurende hetzelfde tijdsverloop. Want dat alles staat opgeteekend in groote boeken, die te Thebe in een paleis, dat zij ‘Inrichting ter bevordering van de gezondheid der ziel’ noemen, bewaard worden. Hunne wetten zijn eene rijke bron van wijsheid, en de geheele staatsinrichting is met verwonderlijk doorzicht geheel berekend voor de behoeften des lands. Ik wilde wel, dat wij in ons vaderland op zulk eene orde, zulk eene regelmaat konden roemen! Al hunne wetenschap berust op het gebruik der getallen, met welker hulp het alleen mogelijk is de banen der sterren te berekenen, het bestaande nauwkeurig te beschrijven en te bepalen, ja zelfs door verlenging en verkorting der snaren de tonen te regelen. Het getal is het eenig zekere, dat met alle willekeur en met elke uitlegging spot. Ieder volk heeft zijne eigene begrippen van recht en onrecht, iedere wet kan door veranderde omstandigheden onbruikbaar worden; doch waarheden, die haar grondslag in getallen hebben, staan voor eeuwig onomstootelijk vast. Wie zal ooit weerspreken, dat tweemaal twee vier is? De getallen bepalen duidelijk en zeker den inhoud van al het bestaande. Al wat bestaat is gelijk aan zijn inhoud. Daarom vindt men in de getallen het ware zijn, het wezen van alle dingen!”

»In naam van Mithra, Darius, houd op, het schemert mij voor de oogen!” riep Zopyrus, zijn vriend in de rede vallende. »Wie u zoo hoort spreken, moet wel denken dat gij uw geheele leven in het gezelschap dier spitsvondige haarkloovers gesleten en nooit een zwaard gehanteerd hebt! Wat gaan ons die getallen aan?”

»Meer dan gij denkt!” antwoordde Rhodopis, »ook Pythagoras is in deze leerstellingen, die tot de geheimenissen der Egyptische priesters behooren, door denzelfden Onoephis ingewijd, die u, Darius, thans den toegang tot de mysteriën ontsluit. Breng mijeens spoedig een bezoek, dan zal ik u mededeelen hoe heerlijk schoon de groote Samiër de wetten der getallen met die der tonen in overeenstemming heeft gebracht.—Maar zie, zie, daar zijn de pyramiden!”

De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen op den linker oever van den stroom, door de maan met een zilverachtig licht beschenen, de aloude reuzengraven van machtige heerschers, in hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende kracht van den menschelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg had opgestapeld; van dien Chafra, die de goden verachtte, en prat op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten3om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken, ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig was geweest? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt4.

Daar lagen de pyramiden te midden van de nachtelijke stilte, door de sterren verlicht, onder de hoede van den wachter der woestijn, den reusachtigen sphinx, hare spitsen verheffende boven de naakte rotsen der Lybische steenheuvels. Aan hare voeten sluimerden in kostbare graven de mummiën van de getrouwe dienaars harer oprichters, en tegenover het verhevene grafteeken van den vromen Menkera verrees een tempel, waarin de priesters van Osiris voor de zielen van de tallooze, in de doodenstad van Memphis bijgezette afgestorvenen gebeden opzonden. Westwaarts, daar waar de zon zich achter de Lybische bergen had verscholen, waar de vruchtdragende bodem vervangen werd door de dorre woestijn, hadden de Memphiten hunne graven gebouwd. Daarheenhielden de vrienden hunne blikken gericht, terwijl eene heilige huivering en eene eerbiedige bewondering hunne lippen gesloten hielden.

Toen het ranke vaartuig, door den noordenwind gestuwd, de rustplaats der dooden en de ontzaglijke dammen5, die de stad van Menes tegen de overstroomingen van den machtigen vloed beveiligden, voorbijgedreven was, en men de residentie der vorige pharao’s nader en nader kwam, en ten laatste de millioenen en millioenen lichten zichtbaar werden, die ter eere der godin Neith allerwegen ontstoken waren, raakten eindelijk de tongen los. Woorden van bewondering en verrukking stroomden over de lippen, toen de reuzentempel van Ptah6, het oudste bouwwerk van dit eeuwenoude land, zich aan hunne oogen vertoonde. Duizenden lampen verlichtten het huis van den god, honderden vuren brandden op de poorten, op de tinnen der muren en op de daken van het heiligdom. Tusschen de sphinxenrijen, die de onderscheidene ingangen met het hoofdgebouw verbonden, gloeiden brandende fakkels, en het ledige huis van den heiligen stier Apis7glinsterde bij het flikkeren van ontelbare veelkleurige vlammen, als een door het tropisch avondrood beschenen krijtberg. En boven dien, langs al zijne omtrekken verlichten tempel fladderden wimpels, en wapperden vanen, slingerden zich bloemfestoenen, en golfden de welluidende tonen van muziek en gezang.

»Heerlijk, heerlijk!” riep Rhodopis, die naar woorden zocht, om hare opgetogenheid over dit betooverend schouwspel uit te drukken. »Zie hoe die bont beschilderde zuilen en wanden schitteren; zie welke zonderlinge schaduwen de obelisken en sphinxen werpen op den gelen gladgepleisterden vloer der voorhoven!”

»En welk een geheimzinnig donker,” liet Cresus er op volgen, »heerscht ginds in het heilige woud van den god! Nooit te voren heb ik iets schooners gezien!”

»Ik echter,” verzekerde Darius, heb nog wonderlijker dingen aanschouwd, en gij zult mij gelooven, als ik u zeg, dat ik getuige ben geweest van de mysteriën van Neith.”

»O, verhaal ons daar iets van!” riepen de vrienden.

»Neithotep weigerde eerst mij toegang te verschaffen. Toen ik hem evenwel beloofde, dat ik mij verborgen zou houden en de vrijstelling van zijn kind zou bewerken, bracht hij mij op zijne sterrenwacht, vanwaar ik ver in het rond kon zien, en zeide, dat ik eene voorstelling van de lotgevallen van Osiris en zijne gade Isis zou aanschouwen8.

»Nauwelijks had hij mij verlaten, of ik zag vreemdsoortige, veelkleurige lichten, die zulk een helderen gloed door het geheele woud verspreidden, dat mijn blik tot in het binnenste gedeelte kon doordringen. Voor mij lag een spiegelglad meer, door fraaie boomen en bonte bloembedden omgeven. Vergulde booten dobberden op het heldere water. In die booten zaten schoone knapen en meisjes in sneeuwwitte kleederen, en zongen heerlijke liederen. Geen schipper was er om ze te sturen, en toch gleden de vaartuigjes, met allerlei sierlijke wendingen, als door eene tooverhand bestuurd over het effen watervlak. Te midden dezer booten dreef een prachtig groot schip, welks boorden flonkerden van edelgesteenten. Een schoone knaap scheen de geheele bemanning uit te maken, maar het wonderbaarste was, dat het roer hetwelk hij bestuurde, slechts uit eene witte lotusbloem bestond, welker teedere blaadjes den waterspiegel te nauwernood beroerden. In het midden van het vaartuig rustte op zijden kussens eene met vorstelijke pracht uitgedoste vrouw van zeldzame schoonheid. Aan hare zijde zat een man van meer dan menschelijke grootte, die eene met klimop omkranste hooge kroon op de golvende lokken, een pantervel om de schouders en een van boven omgebogen staf in de rechterhand droeg. Op het achterschip stond, onder een dak van rozen, klimop en lotusbloemen, eene sneeuwwitte koe9, met gouden horens en een purperen dekkleed over den rug. Die man was Osiris, die vrouw Isis, die knaap aan het roer Horus, de zoon van het goddelijk paar, de koe het heilige dier der onsterfelijke vrouw. Al de kleine booten voeren het groote schip voorbij. Zoodra zij de bewoners des hemels naderden, hieven de jongelingen en maagden een groot gejuich aan, welk eerbewijs door een regen van bloemen en vruchten werd beantwoord. Eensklaps barstte een onweder los, welks gerommel zich luider en luider deed hooren, en ten laatste in een ijselijk gekraakoverging. Toen trad uit het donkerste gedeelte van het woud een vreeselijk man te voorschijn. Hij was bedekt met de huid van een everzwijn, en zijn afschuwelijk gelaat was omgeven door eene dichte massa roode verwarde haren. Door zeventig mannen vergezeld, die er eveneens uitzagen, sprong hij in het meer en zwom naar het schip van Osiris10.

»Snel als de wind namen de kleine booten de vlucht, en de lotusbloem ontzonk aan de bevende hand van den jeugdigen stuurman. Sneller dan de gedachte wierp zich het monster op Osiris en versloeg hem, bijgestaan door zijn ijzingwekkend gevolg, wierp het lijk in eene mummiekist en deze in de golven, die als door tooverkracht de drijvende doodkist met zich voerden. Intusschen had Isis in eene der kleine booten den vasten wal bereikt, en dwaalde nu met loshangende haren, onder het uiten van luide weeklachten en gevolgd door de jonkvrouwen, die evenals zij de booten verlaten hadden, langs den oever. Allen zochten nu, onder het uitvoeren van fantastische dansen en het zingen van roerende liederen, waarbij de maagden met zwarte byssus-doeken, velerlei vreemde bogen beschreven, het lijk van den verslagene.—De jongelingen bleven evenmin werkeloos, maar brachten onder dans en hamerslag eene kostbare doodkist voor het spoorloos verdwenen lijk in gereedheid. Toen deze voltooid was, sloten zij zich bij de vrouwen van de droeve Isis aan, en zwierven met haar, ijverig zoekende en treurliederen zingende, langs den oever.

»Op eens vernam men eene zachte liefelijke stem, uit een onzichtbaren mond, die, gedurig luider wordende, zong:

“Spoed u langs des Nijlstrooms boorden,Treurende Isis, naar het Noorden;Waar Egypte’s heil’ge vloed’t Brakke vocht van ’t meer ontmoet,Vindt gij den geliefde weder:Aan den oever ligt hij neder,Op zijn rietbed uitgestrekt,’t Hoofd van leliën omgeven,En door schom’lend groen gedekt.Rozige flammingo’s zweven,Als zijn wachters dag en nachtOm zijn goddelijke sponde,En der nachtegalen klachtTrilt weemoedig in het ronde.”

“Spoed u langs des Nijlstrooms boorden,

Treurende Isis, naar het Noorden;

Waar Egypte’s heil’ge vloed

’t Brakke vocht van ’t meer ontmoet,

Vindt gij den geliefde weder:

Aan den oever ligt hij neder,

Op zijn rietbed uitgestrekt,

’t Hoofd van leliën omgeven,

En door schom’lend groen gedekt.

Rozige flammingo’s zweven,

Als zijn wachters dag en nacht

Om zijn goddelijke sponde,

En der nachtegalen klacht

Trilt weemoedig in het ronde.”

»Alzoo zong die wonderbare stem, tevens meldende, dat hetlijk van den god naar Gebal11in Phoenicië was gedreven. De zoon van Neithotep, die bij mij gebleven was, noemde dit gezang, dat mij in de ziel greep, ‘den wind van het gerucht’.

»Nauwelijks had Isis deze blijde tijding vernomen, of zij wierp haar rouwgewaad af, en hief, begeleid door de stemmen van haar bekoorlijk gevolg, een vroolijk jubellied aan. Het gerucht had haar niet misleid: werkelijk vond de godin op den noordelijken oever van het meer de lijkkist en het lichaam van haar god weder. Zoodra de kist onder zang en dans aan wal was gebracht, wierp Isis zich op het geliefde lijk. Zij riep Osiris bij zijn naam, en bedekte de mummie met duizend kussen, terwijl de jongelingen een sierlijk grafgewelf van lotusbloemen en klimopranken voor den doode vlochten.

»Nadat het stoffelijk overschot van den geliefde was bijgezet, verliet Isis de plaats van gejammer, om haar zoon op te zoeken. Zij vond hem op den oostelijken oever van het meer, waar ik sedert lang reeds een beeldschoonen jongeling had opgemerkt, die zich met andere knapen van denzelfden leeftijd in het wapenspel oefende. Deze stelde den intusschen veel grooter geworden Horus voor.

»Terwijl zich de moeder in de aanschouwing van haar schoon kind verheugde, ontstond er plotseling opnieuw een geweldig onweder, dat ten tweeden male de nadering van den Typhon aankondigde. Het monster wierp zich op het bloeiende graf van zijn slachtoffer, rukte het lichaam uit de kist, en hieuw het in veertien stukken, die hij onder bazuingeschal en zware donderslagen her- en derwaarts langs den oever strooide.

»Toen Isis wederom het graf van haar echtgenoot naderde, vond zij niets dan verwelkte bloemen en eene ledige kist; maar langs het meer vlamden, op veertien verschillende plaatsen, in allerlei kleuren veertien vuren op. De weduwe snelde met hare maagden op deze vuren toe, terwijl de jongelingen met Horus aan hunne spits op den tegenoverliggenden oever Typhon bevochten.

»Ik wist niet, waarheen oogen en ooren het eerst te wenden. Hier woedde, onder het ratelen van den donder en het geschetter van trompetten, een verschrikkelijke krijg, waarvan ik de oogen niet afwenden kon. Daar zongen lieftallige maagden, onder het uitvoeren van tooverachtige dansen, onbeschrijfelijk opwekkende liederen. Isis toch had bij ieder der plotseling ontvlamde vuren, waarvan ik zoo even melding maakte, een der ledematen van haar echtvriend teruggevonden, en vierde thans feest.

»Dat dansen hadt gij moeten zien, Zopyrus! Het is mij onmogelijk u de bevalligheid van al de bewegingen der jonkvrouwente schetsen, en gij kunt u evenmin voorstellen, hoe schoon het was, toen zij, na schijnbaar in de grootste verwarring door elkander te hebben gezwierd, op eens in onberispelijk regelmatige rijen tegenover elkaar stonden, om dan opnieuw in een oogwenk de grootste verwarring met de volkomenste orde te verwisselen. Bovendien schoten er gestadig verblindende lichtstralen uit de dwarlende rijen. Ze werden veroorzaakt doordat iedere danseres een spiegel tusschen de schouders had, die bij iedere beweging eene flikkering teweegbracht, en wanneer zij stilstonden het beeld van eene andere maagd weerkaatste.

»Nauwelijks had Isis op éen na het laatste der ledematen12van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu, om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen, die zich op den westelijken oever van het meer bevond, en bewaakt werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard13.

»Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp- en fluittonen hooren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aarde op, en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw in plaats van zijn zwaard eene lotusbloem in de hand, en strooide bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder een met klimop omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van de aarde en den Amenthes14ontving.”

Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord.

»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zin wildet verklaren van deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere beteekenis is.”

»Uw vermoeden is juist,” antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eede beloofd, niet uit de school te zullen klappen!”

»Zal ik u zeggen,” vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, opgrond van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn, Osiris het water dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste overwint Osiris, dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geliefden gade, dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoedt, wedervindt. Eindelijk is Horus, de jeugdige groeikracht der natuur, in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde, opnieuw in het gezegende Nijldal.”

»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg,” schertste Zopyrus, »ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge vertooning, de hulde van alle bewoners van den Haméstegân, Duzakh en Gorothman15, of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische zielenheir ook noeme!”

»Amenti wordt zij genoemd!” antwoordde Darius, terwijl hij een meer opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar verkondigt ook dat de menschelijke ziel na den lichamelijken dood, evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven.”

»Wel bedankt,” antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil.”

»Ik deel uw wensch,” zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is.”

»Gij blijft eeuwig jong!” viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder als uw oog!”

»Vergeef mij,” riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet gehoord, »dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt,dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is.”

»Hij is zeer te beklagen!” antwoordde Darius. »Reeds gedurende den tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang metiedereen, zoodat hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niets wilde weten. Niemand dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking stond te lezen, trad hij voor den koning, om hem verlof te vragen, Megabyzus naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier stad tot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen, spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester, die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproerige burgers, en een door hem gehaten oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde hun, dat zij, tot straf voor het verbranden van zekere geschriften, van dien dag tot hun dood een Pers, aan wien hij hen zou verkoopen, in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dat ik een zekere vrees, waarvan ik mij zelven geen rekenschap kon geven, voor den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen, zonder den minsten angst te laten blijken: ‘Als gij, dwaze zoon, ter wille van uwe verbrande geschriften, uw vaderland verraden hebt, zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb uwe kostbare werken met zorg bewaard; ik heb ze in onzen tempel doen bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde had. Psamtik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten, u, tot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren, die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden, die op u betrekking hebben.’

»De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij zijn testament op, waarbij hij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den volgenden morgen vondmen hem dood. Door gebruik van het vreeselijke strychnos-sap16had hij een einde aan zijn leven gemaakt.”

»Ongelukkige man!” riep Cresus, »Door de goden met blindheid geslagen, moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak, wanhoop oogsten.”

»Ik beklaag hem van harte!” zeide Rhodopis zachtkens, als in gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en wagens. Het is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt mij spoedig te Naucratis opzoeken. Ik keer met Syloson en Theopompus aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden nacht, Cresus,—goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!”

De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja keerde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op, Bartja! Het spelt geen geluk, als men bij het aan wal stappen valt.—Ook ik ben gevallen, toen wij te Naucratis het schip verlieten.”

1De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken voor.2Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan van zijn vorst kon ontvangen.3Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de zware heerendiensten nimmer vergeten kon.4De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.5Zie boven blz.75.6Zie boven blz.25.7Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat, maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000 gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd, alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.8Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. “Deze schouwspelen,” zegt Herodotus, “moesten de lotgevallen van bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën.”9De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.10Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van denHorus-tempelte Edfoe.11Door de Grieken Byblos genoemd.12Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken.13Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen “draak van Amenthes” zijn oorsprong te danken.14De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.15Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs der Perzen.16zie boven bl.239.

1De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken voor.

2Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan van zijn vorst kon ontvangen.

3Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de zware heerendiensten nimmer vergeten kon.

4De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.

5Zie boven blz.75.

6Zie boven blz.25.

7Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat, maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000 gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd, alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.

8Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. “Deze schouwspelen,” zegt Herodotus, “moesten de lotgevallen van bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën.”

9De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.

10Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van denHorus-tempelte Edfoe.

11Door de Grieken Byblos genoemd.

12Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken.

13Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen “draak van Amenthes” zijn oorsprong te danken.

14De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.

15Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs der Perzen.

16zie boven bl.239.

Achtste hoofdstuk.Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uit het land der langlevende Ethiopiërs, waarheen Cambyzes hem had afgevaardigd, teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen de wonderlijkste dingen. De Ethiopiërs waren gewoon den schoonste en sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderdtwintig jaren oud; niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron, welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de stad op lange rijen.De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Cambyzes aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord, dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit iets in den weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen boog,” zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken, tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren als wij. Overigens mag Cambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door veroveringenhun gebied te vergrooten!” Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog, en gaf dien aan Prexaspes.Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn vorst ter hand. Cambyzes maakte zich zeer vroolijk over den pochenden Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze, waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde, dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan den hemel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van mobeds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande, doch stemde hem vervolgens tot nadenken.»Hebt gij niet,” zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder overvloedige reden tot wraakneming gegeven? Kan hij het wel vergeten zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen? Want wat hebt gij ooit gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat kunt gij in het vervolg doen, om hen te winnen? Bestaat er sedert den dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?”Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan het koken, dat hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch lever ik mij zelven over in de handen van wie mij haten, omdat ik rechtvaardig ben geweest en zware overtredingen door zware straffen heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal; achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem!—Zelfs de goden zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem, die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles, wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap, eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de woestijn steeds dorder wordt.—Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook aan den hemel! Slechts éen mag de grootste zijn in Perzië! Hij of ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw liederen doen voorzingenen zijn kind in slaap sussen, terwijl ik in den strijd met de Ethiopiërs roem verwerf, dien mij dan niemand betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en een fikschen morgendrank! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de rechte manbenom koning over de Ethiopiërs te zijn, en hen allen in het boogspannen de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen, ook al ware de pees een scheepskabel, en de boog een cederboom!”Dit gezegd hebbende, ledigde hij in éen teug een reusachtigen, ten boorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande zegepraal, naar den slottuin, waar al de grooten van het rijk den koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den top dier staken roode, gele en donkerblauwe vanen1. Talrijke banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en noodigden de aanwezigen uit, om zich neder te zetten, terwijl vlugge schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden.Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht de aanwezigen hun geluk vóor hem te beproeven. Hij overhandigde den boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste der Achaemeniden.Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan de door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde, bracht hij het niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met trotschen blik zijne bloedverwanten en grootenaanziende: »Geef mij thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is, om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts éen bij machte is, dezen boog te spannen!”Nu vatte hij het wapen aan, omklemde het hout met de linker-, en de vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne krachten samen, en spande al zijne spieren, tot zij gevaar liepen vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen, en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen;—maar alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was hij volkomen uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af, en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar! Geen sterveling heeft ooit dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed, want ik wil den ellendigen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!”Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende: »Ik kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving, mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog ter juister ure gekomen? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp dus, dat gij, de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen, dat ons kind mij een weinig heeft opgehouden. Het popje lachte heden voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen mooi laat werd.—Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de ster van mijn halsketengerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning, een begin maken?”»Geef hem den boog, Prexaspes!” antwoordde Cambyzes, den jongen man nauwelijks met een blik verwaardigende.Toen Bartja het wapen in de handen had genomen, en boog en pees zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide de koning met een smadelijken lach: »Ik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met de kracht van mannen spot!”Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja’s gelaat met een blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Hij nam den reusachtigen pijl, die vóor hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand, plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten, trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog, en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht, dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl de houten schacht aan splinters vloog2.De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bartja aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart, zijne waardigheid, zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: »Arme Bartja!”Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe, beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen hij een bepaald besluit te hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van Prexaspes, de zaal te verlaten,en riep dezen, toen de anderen zich verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe: »Dit leven is niet langer uit te houden! Ruim gij mij dien vijand uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!”Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en hief smeekend de handen tot hem op. Doch Cambyzes had te veel wijn gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan, dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit troetelkind der fortuin iets weten. Ga en neem, als de daad volbracht is, zooveel uit mijne schatkamer als gij wilt! Maar wees voorzichtig, want de knaap heeft een sterken arm en verstaat de kunst zich vrienden te maken. Bedenk wel, als hij u met zijne gladde tong uw plicht doet verzaken, dat uwe vrouw en kinderen in mijne macht zijn!”Dit zeggende ledigde hij opnieuw een beker vol onaangelengden wijn, verliet met wankelende schreden het vertrek, en stamelde, terwijl hij Prexaspes den rug toekeerde, alsof hij tot zichzelven sprak, met een heesche keel en met gebalde vuist: »Wee over u en de uwen, indien die vrouwenheld, dat gelukskind, die eerroover in het leven blijft!”Reeds lang had de koning de zaal verlaten, en nog altijd stond Prexaspes op dezelfde plaats, als ware hij plotseling versteend. De eerzuchtige, maar niet onedele hoveling was verplet door dien vreeselijken hem opgedragen last. Hij wist dat, zoo hij weigerde dezen ten uitvoer te brengen, dood of ongenade hem en de zijnen bedreigde. Maar hij had Bartja lief, en gruwde bij de gedachte, dat hij zich tot een sluipmoordenaar zou laten gebruiken. Hij had in zijn binnenste een geweldigen strijd te strijden, die nog voortwoedde, lang nadat hij het paleis reeds verlaten had. Op weg naar zijn huis ontmoette hij Cresus en Darius. Hij verborg zich voor hen achter de vooruitspringende poort van een groot Egyptisch huis, want het was hem als moesten zij het hem aanzien, dat hij op het punt was het pad der misdaad te betreden. Toen de twee mannen voorbijgingen, hoorde hij Cresus zeggen: »Ik heb den voortreffelijken jongeling bitter verweten, dat hij zoo ontijdig zijne krachten heeft getoond, en wij moeten inderdaad de goden danken, dat Cambyzes in een aanval van razernij zich niet aan hem vergrepen heeft. Hij heeft thans aan mijn raad gehoor gegeven, en is met zijne vrouw naar Saïs geweken. Hij moet in de eerste dagen den koning maar niet onder de oogenkomen; de wrok van Cambyzes mocht eens opnieuw ontwaken, en een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren....”Bij deze laatste, nog ter nauwernood voor Prexaspes verstaanbare woorden kromp hij van schaamte ineen, als had Cresus hem reeds in het aangezicht dezen schandelijken moord verweten; hij besloot, wat er ook de gevolgen van mochten zijn, zich rein te houden van het bloed van zijn vriend. Nu trad hij weder met opgerichten hoofde voort, tot hij het huis bereikte, dat hem tot verblijf was aangewezen. Aan den ingang huppelden hem zijne twee zonen te gemoet. Zij waren voor een oogenblik uit de speelplaats der jonge Achaemeniden, die als altijd het leger waren gevolgd, weggeslopen om hun vader te begroeten. Met eene buitengewone ontroering, van welke hij zichzelven geene rekenschap kon geven, drukte hij de schoone kinderen aan zijn hart, en omarmde hen nogmaals, toen zij zeiden naar de speelplaats te moeten terugkeeren, zoo zij geene straf wilden oploopen. In zijne woning vond hij zijne meest geliefde vrouw, met haar jongste kind, een aanvallig meisje, op den schoot spelende. Zoodra hij haar zag werd hij bij vernieuwing door die onverklaarbare ontroering aangegrepen. Hij bedwong haar echter, om der geliefde vrouw zijn geheim niet te verraden, en zonderde zich ijlings in zijn vertrek af.Intusschen was het nacht geworden. Tevergeefs poogde hij den slaap te vatten; onophoudelijk wentelde hij zich op zijn leger heen en weder, gefolterd door de ijselijke gedachte, dat zijne weigering om aan ’s konings verlangen te voldoen, ook zijne vrouw en kinderen in het verderf zou sleepen. Ten laatste had hij de kracht niet meer bij zijn edel voornemen te volharden, en hetzelfde woord van Cresus, dat een beter gevoel in zijne borst de zege had doen behalen, bracht de stem van zijn geweten thans tot zwijgen. »Een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren!” Hierin lag eene beschuldiging tegen hem opgesloten, ja, maar het gaf tevens te kennen, dat, zoo hij den koning ook al trotseerde, honderd anderen bereid zouden zijn diens bevel ten uitvoer te brengen. Nauwelijks was hem deze waarheid volkomen duidelijk geworden, of hij sprong van zijn leger op, onderzocht de dolken, die in geregelde orde boven hem waren opgehangen, en legde den scherpsten op het voor hem staande tafeltje. Daarop liep hij de kamer in gepeins op en neder, telkens naar het venster gaande, om te zien of het niet begon te lichten, en om zijn gloeiend voorhoofd af te koelen.Toen eindelijk de duisternis van den nacht had plaats gemaakt voor het heldere morgenlicht, en de klank van het metalen bekken, dat de knapen tot het ochtendgebed opriep, hem opnieuw aan zijne zonen herinnerde, onderzocht hij bij vernieuwing descherpte van zijn dolk. Toen eenige rijkgetooide hovelingen, die op weg waren naar den koning, zijne woning voorbijreden, bevestigde hij het wapen aan zijn gordel. Toen ten laatste het vroolijk lachen van zijn jongste kind uit het vrouwenvertrek tot hem doordrong, zette hij met zekere haast zijn tulband op, en ging, zonder zijne vrouw vaarwel te zeggen, door verscheidene slaven vergezeld naar den Nijl, wierp zich daar in eene boot, en beval den roeiers hem dadelijk naar Saïs te brengen.Eenige uren na het noodlottige boogschot had Bartja, gehoor gevende aan den raad van Cresus, zich met zijne jonge vrouw naar Saïs begeven. Daar vond hij Rhodopis, die naar Saïs was gegaan, in plaats van naar Naucratis terug te keeren. Een onverklaarbaar angstig voorgevoel had de oude vrouw daarheen doen trekken. Na dat pleiziertochtje was Bartja gevallen, gelijk wij weten, en met eigen oogen had zij gezien hoe een uil, van de linkerzijde komende, dicht langs zijn hoofd was voorbijgevlogen. Waren deze slechte voorteekens reeds meer dan voldoende om haar hart, dat nog niet geheel verheven was boven het bijgeloof van dien tijd, te verontrusten, en in haar den wensch te doen oprijzen, in de nabijheid van het jeugdig echtpaar te blijven, de daaraan volgende nacht, in welken zij door allerlei verwarde droomen als bestormd werd, bracht haar besluit tot rijpheid, om te Saïs hare kleindochter op te wachten.Het vorstelijke paar verheugde zich hartelijk over de lieve onverwachte gast, en voerde Rhodopis, nadat deze haar achterkleindochter, die den naam Parmys3droeg, naar hartelust geliefkoosd had, in de voor haar bestemde vertrekken. Het waren dezelfde, waar de ongelukkige Tachot de laatste treurige maanden van haar leven had doorgebracht. Met aandoening beschouwde Rhodopis al die kleine voorwerpen, die niet alleen de kunne en den leeftijd der overledene, maar ook hare neigingen en haar gemoedstoestand verrieden. Op de kleedtafel stonden een aantal zalfpotjes en fleschjes4met reukwerk, blanketsel en oliën. In eene doos5die met verrassende juistheid de gedaante eener Nijlgansvertoonde, en in eene andere, op welker eene zijde eene luitspeelster was geschilderd, werden eenmaal de rijke gouden sieraden van de koningsdochter bewaard. Die metalen spiegel, welks handvat eene sluimerende jonkvrouw voorstelde6, had meermalen het schoone, zacht blozende gelaat der afgestorvene weerkaatst. Het geheele meubilair van het vertrek, van het sierlijke rustbed, door leeuwenklauwen gedragen, tot de uit elpenbeen kunstig gesneden kammen, die op de kleedtafel lagen, bewezen, dat de vroegere bewoneres dezer vertrekken met haar geheele hart aan de uitwendigheden des levens was gehecht geweest. Het gouden sistrum en de kunstig bewerkte nabla, waarvan de snaren voorlang reeds gesprongen waren, getuigden van de liefde der koningsdochter voor de muziek, terwijl het in een hoek liggende gebrokene elpenbeenen spinrokken en eenige begonnen netten van koralen7bewezen, dat zij ook niet afkeerig was geweest van vrouwelijken arbeid.Met een weemoedig welgevallen beschouwde Rhodopis al deze voorwerpen. In hare verbeelding maakte zij zich uit deze gegevens eene voorstelling van het Egyptische leven, die slechts weinig van de waarheid afweek. Eindelijk ging zij, door nieuwsgierigheid en belangstelling gedreven, naar eene groote beschilderde kist, en opende het lichte deksel ervan. Dadelijk viel haar oog op eenige gedroogde bloemen: daarop ontdekte zij een bal, die door eene bekwame hand in sinds lang reeds verdroogde rozebladeren was gewikkeld; vervolgens zag zij eene menigte amuletten van onderscheidene gedaanten, waarvan sommige de godin der waarheid voorstelden, terwijl andere bestonden uit met tooverspreuken beschreven papyrusblaadjes, die in een gouden doosje waren geborgen. Eindelijk zag zij eenige met Grieksche letters geschrevene brieven. Zij kon de verzoeking niet weerstaan die in handen te nemen, en bij het schijnsel der lamp te lezen. Het waren brieven door Nitetis uit Perzië geschreven aan hare gewaande zuster, van wier ziekte zij geene kennis droeg. Toen Rhodopis deze brieven weer nederlegde baadden hare oogen in tranen. Het geheim der overledene lag thans voor haar open en bloot. Nu wist zij, dat Tachot Bartja bemind had, dat zij die verlepte bloemen van hem ontvangen en dien bal, als eene gedachtenis aan het oogenblik, waarin hij haar dezen toewierp, in rozen gewikkeld had. De amuletten waren voorzeker bestemd geweest, òf om haar krank hartte genezen, òf om in de borst van den koningszoon wederliefde op te wekken en aan te kweeken.Toen zij ten laatste deze brieven op hunne oude plaats wilde nederleggen, en eenige doeken, die den bodem der kist schenen te bedekken, met de hand aanraakte, bespeurde zij, dat zij een hard, rond voorwerp verborgen. Zij lichtte ze dus op, en vond nu eene kleine buste van gekleurd was, welke Nitetis voorstelde, en zoo volkomen geleek, dat Rhodopis een kreet van verbazing niet kon onderdrukken, en gedurende geruimen tijd de oogen van dit meesterstuk van Theodorus den Samiër niet af kon wenden. Eindelijk begaf zij zich ter ruste en sliep spoedig in, hare laatste gedachten aan het ongelukkige lot der Egyptische koningsdochter wijdende.Den volgenden morgen trad zij den tuin in, dien wij bij het leven van Amasis reeds eenmaal bezochten, en vond daar in een priëel van wijngaardloof hen, die zij zocht. Sappho zat op een fijn gevlochten stoel. In haar schoot lag haar zuigeling, geheel naakt. Het kindeke strekte de mollige handjes en voetjes nu eens naar zijn vader, die voor de jonge vrouw lag neergeknield, dan naar zijne moeder uit. Als de vingertjes van het wichtje bij wijle verdwaald raakten in de lokken of den baard van den jongen held, trok hij zijn hoofd zachtkens terug, om de kracht van de kleine te meten en haar het gevoel te geven, als had zij duchtig huisgehouden in zijne haren. Als de spartelende voetjes zijn gezicht raakten, nam hij ze in de hand en kuste de roode, fijn gevormde teentjes en voetzolen, die nog zoo zacht en teeder waren als de wangen eener maagd. Als de kleine Parmys een zijner vingers omklemde, deed hij alsof hij zijne hand niet los kon krijgen, en hield hij niet op de mollige schouders, òf de kuiltjes in de ellebogen, òf het blanke rugje van het aanvallige schepseltje te kussen.Sappho genoot onuitsprekelijk in de aanschouwing van dit onschuldig spel, en beproefde de aandacht van het kind uitsluitend op den vader te vestigen. Af en toe boog zij zich over de kleine heen, om een kus te drukken op het gevulde halsje of op de koraalroode lipjes, en dan gebeurde het wel eens, dat haar voorhoofd in aanraking kwam met de lokken van haar echtvriend, die dan geregeld den voor het kindje bestemden kus van hare lippen stal.Rhodopis was eenige oogenblikken ongemerkt getuige van dit schuldelooze spel. Met tranen in de oogen bad zij de goden, dit onuitsprekelijke reine geluk toch niet te verstoren. Ten laatste trad zij nader, riep beiden een opgeruimd »goeden morgen” toe, en prees de oude Melitta voor hare trouwe zorg, daar zij, met een groot zonnescherm gewapend, gekomen was om de kleineParmys te slapen te leggen en aan het blakerende zonnelicht te onttrekken. De oude slavin was tot eerste voedster van de vorstelijke zuigeling aangesteld, welk ambt zij met de uiterste nauwgezetheid en met eene koddige waardigheid bekleedde. Zij had de oude stramme leden in een rijk Perzisch gewaad gestoken, en voelde zich onbeschrijfelijk gelukkig nu zij bevelen mocht uitdeelen, iets dat haar nog nooit was overkomen, terwijl zij de vele onder haar staande slavinnen met eene nederbuigende goedheid bejegende en onophoudelijk in beweging hield.Sappho volgde de oude dienstmaagd op den voet, na nog haar molligen arm om den hals van haar man geslagen en hem op vleienden toon in het oor gefluisterd te hebben: »Zeg toch alles aan grootmoeder en vraag haar, of zij u gelijkgeeft!”Voor dat Bartja haar kon antwoorden, had zij hem op den mond gekust, en was zij de statig voortstappende Melitta nagesneld.De koningszoon zag haar lachend na, en vergat een oogenblik het bijzijn der eerwaardige vrouw, weggesleept door zijne bewondering van haar zwevenden tred en hare schoone gestalte. Spoedig echter bezon hij zich, en vroeg, Rhodopis aanziende: »Vindt gij ook niet, dat zij den laatsten tijd grooter is geworden?”»Dat schijnt maar zoo,” was het antwoord. »Als maagd heeft de vrouw zeker iets eigenaardigs en bekoorlijks: doch eerst de moedernaam schenkt haar de rechte waardigheid. Als moeder mag zij ’t hoofd met meer fierheid oprichten. Wij meenen dan, dat zij lichamelijk grooter is geworden, terwijl zij zich slechts door het bewustzijn, aan hare bestemming beantwoord te hebben, innerlijk veredeld voelt!”»Ja, ik geloof dat zij gelukkig is,” zeide Bartja. »Gisteren voor het eerst verschilden wij van zienswijze. Toen zij ons daareven verliet, verzocht zij mij ons geschil aan uw oordeel te onderwerpen, ’t geen ik volgaarne doe, daar ik uwe wijsheid en ondervinding even hoog schat, als ik haar om hare kinderlijke onervarenheid liefheb.”En nu verhaalde Bartja haar de geheele toedracht van de noodlottige geschiedenis met den boog, en eindigde aldus: »Cresus berispte mijne onvoorzichtigheid; maar ik ken mijn broeder, en weet dat hij, ja, in zijn toorn tot iedere daad van geweld in staat is, en dat het niet te verwonderen zou geweest zijn als hij mij op het oogenblik zijner nederlaag vermoord had; maar wanneer zijn toorn een weinig heeft uitgewoed, dan zal hij mijne vermetelheid vergeten, en er slechts naar streven mij in het vervolg door edele daden te overtreffen. Een jaar geleden was hij verreweg nog de beste schutter in geheel Perzië, en dat zou hij nog zijn, als zijne reuzenkrachten door zijne onmatigheid en doordie booze krampen niet zooveel geleden hadden. Ik daarentegen gevoel, dat mijne krachten met den dag toenemen.”»Waarachtig geluk,” viel Rhodopis den jongen man in de rede, »verstaalt de armen van den man, gelijk het de schoonheid der vrouw verhoogt; terwijl onmatigheid en kwalen lichaam en ziel zekerder sloopen dan ziekte en ouderdom. Neem u in acht voor uw broeder, mijn zoon, want even goed als zijn oorspronkelijk zoo krachtige arm kon verlammen, kan zijne van nature edele ziel haar adeldom verliezen. Vertrouw op mijne ervaring: deze heeft mij geleerd, dat hij, die de slaaf van éen boozen hartstocht is geworden, zeer zelden zijne andere driften meester blijft. Buitendien valt het geen mensch zwaarder eene vernedering te dragen dan hem, die zedelijk daalt en zijne krachten voelt afnemen. Nog eens, neem u in acht voor uw broeder, en vertrouw eer de waarschuwende stem der ervaring, dan uw eigen hart, dat zoo gaarne ieder ander hart voor edel en rein houdt, wijl het zichzelf bewust is edel en rein te zijn.”»Deze woorden,” antwoordde Bartja, »doen me begrijpen, dat gij het met Sappho volkomen eens zult zijn. Zij heeft mij toch gebeden, hoe zwaar het haar ook moge vallen van u te scheiden, Egypte te verlaten en met haar naar Perzië te trekken. Zij denkt dat Cambyzes, als hij mij niet meer ziet en niets van mij hoort, zijn wrok vergeten zal. Maar ik houd hare bezorgdheid voor mijne veiligheid voor ongegrond, en zou mij zelven niet gaarne het genoegen ontzeggen, om den veldtocht tegen de Ethiopiërs mede te maken....”»En ik,” viel Rhodopis hem nogmaals in de rede, »bid u dringend haar raad, die door eene juiste beoordeeling der omstandigheden en door oprechte liefde is ingegeven, te volgen. De goden weten hoezeer mij de scheiding van u zal smarten, maar toch roep ik u duizend en duizendmaal toe: Keer naar Perzië terug en bedenk, dat slechts dwazen hun leven en hun geluk doelloos op het spel zetten!—De oorlog tegen de Ethiopiërs is het ontwerp van een waanzinnige, want gij zult niet te strijden hebben met de zwarte bewoners van het zuiden, maar met hitte, dorst, en al de verschrikkingen der woestijn. Dit geldt den voorgenomen veldtocht in het algemeen; wat u in het bijzonder betreft, bedenk, dat gij uw geluk en dat der uwen vergeefs op het spel zet, wanneer er geen krijgsroem te behalen is; dat gij daarentegen, zoo gij u weder mocht onderscheiden, slechts den toorn en de ijverzucht van uw broeder opnieuw zoudt prikkelen. Ga naar Perzië, en wel zoo spoedig mogelijk!”Juist wilde Bartja beproeven de drangredenen der schrandere vrouw te ontzenuwen, toen Prexaspes met een bleek gelaat naar hem toekwam.Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met de ringen van zijn rechterhand spelende: »De koning zendt mij tot u. Gij hebt hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabië te reizen, en daar zooveel kameelen8te koopen, als er maar te krijgen zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het water en de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van uwe vrouw en zorg,—aldus luidt ’s konings bevel—dat gij vóor de nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult ten minste éene maand uitblijven.Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane, uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast hun zoo spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van ’s konings edele moeder, het veiligst zullen zijn.”Bartja had Prexaspes aangehoord, zonder dat het hem was opgevallen, dat de gezant zoo kortaf sprak, als aarzelde hij zijn last te volbrengen. Hij verheugde zich over de schijnbare gematigdheid van zijn broeder en over dit bevel, dat hem verder allen twijfel benam betreffende zijn al of niet terugkeeren naar Perzië. Hij reikte zijn gewaanden vriend de hand ten kus, en noodigde hem uit hem in zijn paleis te volgen. Toen het koeler begon te worden, nam hij van Sappho en het kind, dat op Melitta’s armen sliep, een kort maar hartelijk afscheid, beval zijne vrouw zoo spoedig mogelijk naar Cassandane te vertrekken, riep zijne schoonmoeder nog schertsend toe, dat zij zich ditmaal in de beoordeeling van een mensch, namelijk van zijn broeder, toch zeer vergist had, en wierp zich in den zadel.Toen Prexaspes zijn paard wilde bestijgen, fluisterde Sappho hem in: »Pas toch goed op hemen herinner den waaghals, dat hij vrouw en kind heeft, zoo hij zich soms noodeloos in gevaar mocht willen begeven!”»Te Pelusium moet ik hem reeds verlaten,” antwoordde de gezant, terwijl hij, om de blikken van de jonge vrouw te ontwijken, zich hield als herstelde hij iets aan het tuig van zijn paard.»Dan mogen de goden hem beschermen!” riep Sappho, de geliefdehand van den vertrekkende vattende en uitbarstende in tranen, die zij vruchteloos beproefde terug te houden.En hij, zijne anders zoo moedige gade ziende weenen, werd evenzeer door zekere tot nog toe hem onbekende ontroering aangegrepen. Liefderijk boog hij zich tot haar neder, sloeg zijn krachtigen arm om haar middel, hief haar tot zich op en drukte haar, terwijl haar voet op den zijnen rustte, aan zijn hart, als moest hij voor eeuwig afscheid van haar nemen. Daarop liet hij haar met vasten arm zacht op den grond neder, nam nog eens zijn kind bij zich in den zadel, om het te kussen en schertsend op het hart te drukken, dat het zoet moest zijn. Toen riep hij Rhodopis nog een hartelijk woord tot afscheid toe, en vloog, zijn hengst de sporen gevende, zoodat het edele dier steigerende voortgaloppeerde, door Prexaspes gevolgd, de poort van het paleis der pharao’s uit.Nauwelijks was het geluid van den hoefslag der paarden in de verte weggestorven, of Sappho wierp zich aan de borst van hare grootmoeder, en weende lang onafgebroken, in weerwil van de ernstige vermaningen en de strenge berisping van de oude vrouw.1De Perzische kleuren.2Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede boogschutters te zijn.3Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis), Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam.4In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao’s bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene schoone vrouw.5Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.6Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden, alsmede kammen, enz.7Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.8Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van den haan, verboden was.

Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uit het land der langlevende Ethiopiërs, waarheen Cambyzes hem had afgevaardigd, teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen de wonderlijkste dingen. De Ethiopiërs waren gewoon den schoonste en sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderdtwintig jaren oud; niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron, welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de stad op lange rijen.

De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Cambyzes aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord, dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit iets in den weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen boog,” zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken, tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren als wij. Overigens mag Cambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door veroveringenhun gebied te vergrooten!” Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog, en gaf dien aan Prexaspes.

Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn vorst ter hand. Cambyzes maakte zich zeer vroolijk over den pochenden Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze, waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde, dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan den hemel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van mobeds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande, doch stemde hem vervolgens tot nadenken.

»Hebt gij niet,” zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder overvloedige reden tot wraakneming gegeven? Kan hij het wel vergeten zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen? Want wat hebt gij ooit gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat kunt gij in het vervolg doen, om hen te winnen? Bestaat er sedert den dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?”

Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan het koken, dat hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch lever ik mij zelven over in de handen van wie mij haten, omdat ik rechtvaardig ben geweest en zware overtredingen door zware straffen heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal; achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem!—Zelfs de goden zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem, die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles, wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap, eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de woestijn steeds dorder wordt.—Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook aan den hemel! Slechts éen mag de grootste zijn in Perzië! Hij of ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw liederen doen voorzingenen zijn kind in slaap sussen, terwijl ik in den strijd met de Ethiopiërs roem verwerf, dien mij dan niemand betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en een fikschen morgendrank! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de rechte manbenom koning over de Ethiopiërs te zijn, en hen allen in het boogspannen de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen, ook al ware de pees een scheepskabel, en de boog een cederboom!”

Dit gezegd hebbende, ledigde hij in éen teug een reusachtigen, ten boorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande zegepraal, naar den slottuin, waar al de grooten van het rijk den koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den top dier staken roode, gele en donkerblauwe vanen1. Talrijke banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en noodigden de aanwezigen uit, om zich neder te zetten, terwijl vlugge schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden.

Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht de aanwezigen hun geluk vóor hem te beproeven. Hij overhandigde den boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste der Achaemeniden.

Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan de door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde, bracht hij het niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met trotschen blik zijne bloedverwanten en grootenaanziende: »Geef mij thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is, om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts éen bij machte is, dezen boog te spannen!”

Nu vatte hij het wapen aan, omklemde het hout met de linker-, en de vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne krachten samen, en spande al zijne spieren, tot zij gevaar liepen vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen, en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen;—maar alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was hij volkomen uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af, en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar! Geen sterveling heeft ooit dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed, want ik wil den ellendigen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!”

Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende: »Ik kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving, mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog ter juister ure gekomen? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp dus, dat gij, de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen, dat ons kind mij een weinig heeft opgehouden. Het popje lachte heden voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen mooi laat werd.—Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de ster van mijn halsketengerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning, een begin maken?”

»Geef hem den boog, Prexaspes!” antwoordde Cambyzes, den jongen man nauwelijks met een blik verwaardigende.

Toen Bartja het wapen in de handen had genomen, en boog en pees zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide de koning met een smadelijken lach: »Ik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met de kracht van mannen spot!”

Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja’s gelaat met een blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Hij nam den reusachtigen pijl, die vóor hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand, plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten, trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog, en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht, dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl de houten schacht aan splinters vloog2.

De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bartja aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart, zijne waardigheid, zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: »Arme Bartja!”

Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe, beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen hij een bepaald besluit te hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van Prexaspes, de zaal te verlaten,en riep dezen, toen de anderen zich verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe: »Dit leven is niet langer uit te houden! Ruim gij mij dien vijand uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!”

Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en hief smeekend de handen tot hem op. Doch Cambyzes had te veel wijn gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan, dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit troetelkind der fortuin iets weten. Ga en neem, als de daad volbracht is, zooveel uit mijne schatkamer als gij wilt! Maar wees voorzichtig, want de knaap heeft een sterken arm en verstaat de kunst zich vrienden te maken. Bedenk wel, als hij u met zijne gladde tong uw plicht doet verzaken, dat uwe vrouw en kinderen in mijne macht zijn!”

Dit zeggende ledigde hij opnieuw een beker vol onaangelengden wijn, verliet met wankelende schreden het vertrek, en stamelde, terwijl hij Prexaspes den rug toekeerde, alsof hij tot zichzelven sprak, met een heesche keel en met gebalde vuist: »Wee over u en de uwen, indien die vrouwenheld, dat gelukskind, die eerroover in het leven blijft!”

Reeds lang had de koning de zaal verlaten, en nog altijd stond Prexaspes op dezelfde plaats, als ware hij plotseling versteend. De eerzuchtige, maar niet onedele hoveling was verplet door dien vreeselijken hem opgedragen last. Hij wist dat, zoo hij weigerde dezen ten uitvoer te brengen, dood of ongenade hem en de zijnen bedreigde. Maar hij had Bartja lief, en gruwde bij de gedachte, dat hij zich tot een sluipmoordenaar zou laten gebruiken. Hij had in zijn binnenste een geweldigen strijd te strijden, die nog voortwoedde, lang nadat hij het paleis reeds verlaten had. Op weg naar zijn huis ontmoette hij Cresus en Darius. Hij verborg zich voor hen achter de vooruitspringende poort van een groot Egyptisch huis, want het was hem als moesten zij het hem aanzien, dat hij op het punt was het pad der misdaad te betreden. Toen de twee mannen voorbijgingen, hoorde hij Cresus zeggen: »Ik heb den voortreffelijken jongeling bitter verweten, dat hij zoo ontijdig zijne krachten heeft getoond, en wij moeten inderdaad de goden danken, dat Cambyzes in een aanval van razernij zich niet aan hem vergrepen heeft. Hij heeft thans aan mijn raad gehoor gegeven, en is met zijne vrouw naar Saïs geweken. Hij moet in de eerste dagen den koning maar niet onder de oogenkomen; de wrok van Cambyzes mocht eens opnieuw ontwaken, en een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren....”

Bij deze laatste, nog ter nauwernood voor Prexaspes verstaanbare woorden kromp hij van schaamte ineen, als had Cresus hem reeds in het aangezicht dezen schandelijken moord verweten; hij besloot, wat er ook de gevolgen van mochten zijn, zich rein te houden van het bloed van zijn vriend. Nu trad hij weder met opgerichten hoofde voort, tot hij het huis bereikte, dat hem tot verblijf was aangewezen. Aan den ingang huppelden hem zijne twee zonen te gemoet. Zij waren voor een oogenblik uit de speelplaats der jonge Achaemeniden, die als altijd het leger waren gevolgd, weggeslopen om hun vader te begroeten. Met eene buitengewone ontroering, van welke hij zichzelven geene rekenschap kon geven, drukte hij de schoone kinderen aan zijn hart, en omarmde hen nogmaals, toen zij zeiden naar de speelplaats te moeten terugkeeren, zoo zij geene straf wilden oploopen. In zijne woning vond hij zijne meest geliefde vrouw, met haar jongste kind, een aanvallig meisje, op den schoot spelende. Zoodra hij haar zag werd hij bij vernieuwing door die onverklaarbare ontroering aangegrepen. Hij bedwong haar echter, om der geliefde vrouw zijn geheim niet te verraden, en zonderde zich ijlings in zijn vertrek af.

Intusschen was het nacht geworden. Tevergeefs poogde hij den slaap te vatten; onophoudelijk wentelde hij zich op zijn leger heen en weder, gefolterd door de ijselijke gedachte, dat zijne weigering om aan ’s konings verlangen te voldoen, ook zijne vrouw en kinderen in het verderf zou sleepen. Ten laatste had hij de kracht niet meer bij zijn edel voornemen te volharden, en hetzelfde woord van Cresus, dat een beter gevoel in zijne borst de zege had doen behalen, bracht de stem van zijn geweten thans tot zwijgen. »Een dwingeland vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren!” Hierin lag eene beschuldiging tegen hem opgesloten, ja, maar het gaf tevens te kennen, dat, zoo hij den koning ook al trotseerde, honderd anderen bereid zouden zijn diens bevel ten uitvoer te brengen. Nauwelijks was hem deze waarheid volkomen duidelijk geworden, of hij sprong van zijn leger op, onderzocht de dolken, die in geregelde orde boven hem waren opgehangen, en legde den scherpsten op het voor hem staande tafeltje. Daarop liep hij de kamer in gepeins op en neder, telkens naar het venster gaande, om te zien of het niet begon te lichten, en om zijn gloeiend voorhoofd af te koelen.

Toen eindelijk de duisternis van den nacht had plaats gemaakt voor het heldere morgenlicht, en de klank van het metalen bekken, dat de knapen tot het ochtendgebed opriep, hem opnieuw aan zijne zonen herinnerde, onderzocht hij bij vernieuwing descherpte van zijn dolk. Toen eenige rijkgetooide hovelingen, die op weg waren naar den koning, zijne woning voorbijreden, bevestigde hij het wapen aan zijn gordel. Toen ten laatste het vroolijk lachen van zijn jongste kind uit het vrouwenvertrek tot hem doordrong, zette hij met zekere haast zijn tulband op, en ging, zonder zijne vrouw vaarwel te zeggen, door verscheidene slaven vergezeld naar den Nijl, wierp zich daar in eene boot, en beval den roeiers hem dadelijk naar Saïs te brengen.

Eenige uren na het noodlottige boogschot had Bartja, gehoor gevende aan den raad van Cresus, zich met zijne jonge vrouw naar Saïs begeven. Daar vond hij Rhodopis, die naar Saïs was gegaan, in plaats van naar Naucratis terug te keeren. Een onverklaarbaar angstig voorgevoel had de oude vrouw daarheen doen trekken. Na dat pleiziertochtje was Bartja gevallen, gelijk wij weten, en met eigen oogen had zij gezien hoe een uil, van de linkerzijde komende, dicht langs zijn hoofd was voorbijgevlogen. Waren deze slechte voorteekens reeds meer dan voldoende om haar hart, dat nog niet geheel verheven was boven het bijgeloof van dien tijd, te verontrusten, en in haar den wensch te doen oprijzen, in de nabijheid van het jeugdig echtpaar te blijven, de daaraan volgende nacht, in welken zij door allerlei verwarde droomen als bestormd werd, bracht haar besluit tot rijpheid, om te Saïs hare kleindochter op te wachten.

Het vorstelijke paar verheugde zich hartelijk over de lieve onverwachte gast, en voerde Rhodopis, nadat deze haar achterkleindochter, die den naam Parmys3droeg, naar hartelust geliefkoosd had, in de voor haar bestemde vertrekken. Het waren dezelfde, waar de ongelukkige Tachot de laatste treurige maanden van haar leven had doorgebracht. Met aandoening beschouwde Rhodopis al die kleine voorwerpen, die niet alleen de kunne en den leeftijd der overledene, maar ook hare neigingen en haar gemoedstoestand verrieden. Op de kleedtafel stonden een aantal zalfpotjes en fleschjes4met reukwerk, blanketsel en oliën. In eene doos5die met verrassende juistheid de gedaante eener Nijlgansvertoonde, en in eene andere, op welker eene zijde eene luitspeelster was geschilderd, werden eenmaal de rijke gouden sieraden van de koningsdochter bewaard. Die metalen spiegel, welks handvat eene sluimerende jonkvrouw voorstelde6, had meermalen het schoone, zacht blozende gelaat der afgestorvene weerkaatst. Het geheele meubilair van het vertrek, van het sierlijke rustbed, door leeuwenklauwen gedragen, tot de uit elpenbeen kunstig gesneden kammen, die op de kleedtafel lagen, bewezen, dat de vroegere bewoneres dezer vertrekken met haar geheele hart aan de uitwendigheden des levens was gehecht geweest. Het gouden sistrum en de kunstig bewerkte nabla, waarvan de snaren voorlang reeds gesprongen waren, getuigden van de liefde der koningsdochter voor de muziek, terwijl het in een hoek liggende gebrokene elpenbeenen spinrokken en eenige begonnen netten van koralen7bewezen, dat zij ook niet afkeerig was geweest van vrouwelijken arbeid.

Met een weemoedig welgevallen beschouwde Rhodopis al deze voorwerpen. In hare verbeelding maakte zij zich uit deze gegevens eene voorstelling van het Egyptische leven, die slechts weinig van de waarheid afweek. Eindelijk ging zij, door nieuwsgierigheid en belangstelling gedreven, naar eene groote beschilderde kist, en opende het lichte deksel ervan. Dadelijk viel haar oog op eenige gedroogde bloemen: daarop ontdekte zij een bal, die door eene bekwame hand in sinds lang reeds verdroogde rozebladeren was gewikkeld; vervolgens zag zij eene menigte amuletten van onderscheidene gedaanten, waarvan sommige de godin der waarheid voorstelden, terwijl andere bestonden uit met tooverspreuken beschreven papyrusblaadjes, die in een gouden doosje waren geborgen. Eindelijk zag zij eenige met Grieksche letters geschrevene brieven. Zij kon de verzoeking niet weerstaan die in handen te nemen, en bij het schijnsel der lamp te lezen. Het waren brieven door Nitetis uit Perzië geschreven aan hare gewaande zuster, van wier ziekte zij geene kennis droeg. Toen Rhodopis deze brieven weer nederlegde baadden hare oogen in tranen. Het geheim der overledene lag thans voor haar open en bloot. Nu wist zij, dat Tachot Bartja bemind had, dat zij die verlepte bloemen van hem ontvangen en dien bal, als eene gedachtenis aan het oogenblik, waarin hij haar dezen toewierp, in rozen gewikkeld had. De amuletten waren voorzeker bestemd geweest, òf om haar krank hartte genezen, òf om in de borst van den koningszoon wederliefde op te wekken en aan te kweeken.

Toen zij ten laatste deze brieven op hunne oude plaats wilde nederleggen, en eenige doeken, die den bodem der kist schenen te bedekken, met de hand aanraakte, bespeurde zij, dat zij een hard, rond voorwerp verborgen. Zij lichtte ze dus op, en vond nu eene kleine buste van gekleurd was, welke Nitetis voorstelde, en zoo volkomen geleek, dat Rhodopis een kreet van verbazing niet kon onderdrukken, en gedurende geruimen tijd de oogen van dit meesterstuk van Theodorus den Samiër niet af kon wenden. Eindelijk begaf zij zich ter ruste en sliep spoedig in, hare laatste gedachten aan het ongelukkige lot der Egyptische koningsdochter wijdende.

Den volgenden morgen trad zij den tuin in, dien wij bij het leven van Amasis reeds eenmaal bezochten, en vond daar in een priëel van wijngaardloof hen, die zij zocht. Sappho zat op een fijn gevlochten stoel. In haar schoot lag haar zuigeling, geheel naakt. Het kindeke strekte de mollige handjes en voetjes nu eens naar zijn vader, die voor de jonge vrouw lag neergeknield, dan naar zijne moeder uit. Als de vingertjes van het wichtje bij wijle verdwaald raakten in de lokken of den baard van den jongen held, trok hij zijn hoofd zachtkens terug, om de kracht van de kleine te meten en haar het gevoel te geven, als had zij duchtig huisgehouden in zijne haren. Als de spartelende voetjes zijn gezicht raakten, nam hij ze in de hand en kuste de roode, fijn gevormde teentjes en voetzolen, die nog zoo zacht en teeder waren als de wangen eener maagd. Als de kleine Parmys een zijner vingers omklemde, deed hij alsof hij zijne hand niet los kon krijgen, en hield hij niet op de mollige schouders, òf de kuiltjes in de ellebogen, òf het blanke rugje van het aanvallige schepseltje te kussen.

Sappho genoot onuitsprekelijk in de aanschouwing van dit onschuldig spel, en beproefde de aandacht van het kind uitsluitend op den vader te vestigen. Af en toe boog zij zich over de kleine heen, om een kus te drukken op het gevulde halsje of op de koraalroode lipjes, en dan gebeurde het wel eens, dat haar voorhoofd in aanraking kwam met de lokken van haar echtvriend, die dan geregeld den voor het kindje bestemden kus van hare lippen stal.

Rhodopis was eenige oogenblikken ongemerkt getuige van dit schuldelooze spel. Met tranen in de oogen bad zij de goden, dit onuitsprekelijke reine geluk toch niet te verstoren. Ten laatste trad zij nader, riep beiden een opgeruimd »goeden morgen” toe, en prees de oude Melitta voor hare trouwe zorg, daar zij, met een groot zonnescherm gewapend, gekomen was om de kleineParmys te slapen te leggen en aan het blakerende zonnelicht te onttrekken. De oude slavin was tot eerste voedster van de vorstelijke zuigeling aangesteld, welk ambt zij met de uiterste nauwgezetheid en met eene koddige waardigheid bekleedde. Zij had de oude stramme leden in een rijk Perzisch gewaad gestoken, en voelde zich onbeschrijfelijk gelukkig nu zij bevelen mocht uitdeelen, iets dat haar nog nooit was overkomen, terwijl zij de vele onder haar staande slavinnen met eene nederbuigende goedheid bejegende en onophoudelijk in beweging hield.

Sappho volgde de oude dienstmaagd op den voet, na nog haar molligen arm om den hals van haar man geslagen en hem op vleienden toon in het oor gefluisterd te hebben: »Zeg toch alles aan grootmoeder en vraag haar, of zij u gelijkgeeft!”

Voor dat Bartja haar kon antwoorden, had zij hem op den mond gekust, en was zij de statig voortstappende Melitta nagesneld.

De koningszoon zag haar lachend na, en vergat een oogenblik het bijzijn der eerwaardige vrouw, weggesleept door zijne bewondering van haar zwevenden tred en hare schoone gestalte. Spoedig echter bezon hij zich, en vroeg, Rhodopis aanziende: »Vindt gij ook niet, dat zij den laatsten tijd grooter is geworden?”

»Dat schijnt maar zoo,” was het antwoord. »Als maagd heeft de vrouw zeker iets eigenaardigs en bekoorlijks: doch eerst de moedernaam schenkt haar de rechte waardigheid. Als moeder mag zij ’t hoofd met meer fierheid oprichten. Wij meenen dan, dat zij lichamelijk grooter is geworden, terwijl zij zich slechts door het bewustzijn, aan hare bestemming beantwoord te hebben, innerlijk veredeld voelt!”

»Ja, ik geloof dat zij gelukkig is,” zeide Bartja. »Gisteren voor het eerst verschilden wij van zienswijze. Toen zij ons daareven verliet, verzocht zij mij ons geschil aan uw oordeel te onderwerpen, ’t geen ik volgaarne doe, daar ik uwe wijsheid en ondervinding even hoog schat, als ik haar om hare kinderlijke onervarenheid liefheb.”

En nu verhaalde Bartja haar de geheele toedracht van de noodlottige geschiedenis met den boog, en eindigde aldus: »Cresus berispte mijne onvoorzichtigheid; maar ik ken mijn broeder, en weet dat hij, ja, in zijn toorn tot iedere daad van geweld in staat is, en dat het niet te verwonderen zou geweest zijn als hij mij op het oogenblik zijner nederlaag vermoord had; maar wanneer zijn toorn een weinig heeft uitgewoed, dan zal hij mijne vermetelheid vergeten, en er slechts naar streven mij in het vervolg door edele daden te overtreffen. Een jaar geleden was hij verreweg nog de beste schutter in geheel Perzië, en dat zou hij nog zijn, als zijne reuzenkrachten door zijne onmatigheid en doordie booze krampen niet zooveel geleden hadden. Ik daarentegen gevoel, dat mijne krachten met den dag toenemen.”

»Waarachtig geluk,” viel Rhodopis den jongen man in de rede, »verstaalt de armen van den man, gelijk het de schoonheid der vrouw verhoogt; terwijl onmatigheid en kwalen lichaam en ziel zekerder sloopen dan ziekte en ouderdom. Neem u in acht voor uw broeder, mijn zoon, want even goed als zijn oorspronkelijk zoo krachtige arm kon verlammen, kan zijne van nature edele ziel haar adeldom verliezen. Vertrouw op mijne ervaring: deze heeft mij geleerd, dat hij, die de slaaf van éen boozen hartstocht is geworden, zeer zelden zijne andere driften meester blijft. Buitendien valt het geen mensch zwaarder eene vernedering te dragen dan hem, die zedelijk daalt en zijne krachten voelt afnemen. Nog eens, neem u in acht voor uw broeder, en vertrouw eer de waarschuwende stem der ervaring, dan uw eigen hart, dat zoo gaarne ieder ander hart voor edel en rein houdt, wijl het zichzelf bewust is edel en rein te zijn.”

»Deze woorden,” antwoordde Bartja, »doen me begrijpen, dat gij het met Sappho volkomen eens zult zijn. Zij heeft mij toch gebeden, hoe zwaar het haar ook moge vallen van u te scheiden, Egypte te verlaten en met haar naar Perzië te trekken. Zij denkt dat Cambyzes, als hij mij niet meer ziet en niets van mij hoort, zijn wrok vergeten zal. Maar ik houd hare bezorgdheid voor mijne veiligheid voor ongegrond, en zou mij zelven niet gaarne het genoegen ontzeggen, om den veldtocht tegen de Ethiopiërs mede te maken....”

»En ik,” viel Rhodopis hem nogmaals in de rede, »bid u dringend haar raad, die door eene juiste beoordeeling der omstandigheden en door oprechte liefde is ingegeven, te volgen. De goden weten hoezeer mij de scheiding van u zal smarten, maar toch roep ik u duizend en duizendmaal toe: Keer naar Perzië terug en bedenk, dat slechts dwazen hun leven en hun geluk doelloos op het spel zetten!—De oorlog tegen de Ethiopiërs is het ontwerp van een waanzinnige, want gij zult niet te strijden hebben met de zwarte bewoners van het zuiden, maar met hitte, dorst, en al de verschrikkingen der woestijn. Dit geldt den voorgenomen veldtocht in het algemeen; wat u in het bijzonder betreft, bedenk, dat gij uw geluk en dat der uwen vergeefs op het spel zet, wanneer er geen krijgsroem te behalen is; dat gij daarentegen, zoo gij u weder mocht onderscheiden, slechts den toorn en de ijverzucht van uw broeder opnieuw zoudt prikkelen. Ga naar Perzië, en wel zoo spoedig mogelijk!”

Juist wilde Bartja beproeven de drangredenen der schrandere vrouw te ontzenuwen, toen Prexaspes met een bleek gelaat naar hem toekwam.

Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met de ringen van zijn rechterhand spelende: »De koning zendt mij tot u. Gij hebt hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabië te reizen, en daar zooveel kameelen8te koopen, als er maar te krijgen zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het water en de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van uwe vrouw en zorg,—aldus luidt ’s konings bevel—dat gij vóor de nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult ten minste éene maand uitblijven.Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane, uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast hun zoo spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van ’s konings edele moeder, het veiligst zullen zijn.”

Bartja had Prexaspes aangehoord, zonder dat het hem was opgevallen, dat de gezant zoo kortaf sprak, als aarzelde hij zijn last te volbrengen. Hij verheugde zich over de schijnbare gematigdheid van zijn broeder en over dit bevel, dat hem verder allen twijfel benam betreffende zijn al of niet terugkeeren naar Perzië. Hij reikte zijn gewaanden vriend de hand ten kus, en noodigde hem uit hem in zijn paleis te volgen. Toen het koeler begon te worden, nam hij van Sappho en het kind, dat op Melitta’s armen sliep, een kort maar hartelijk afscheid, beval zijne vrouw zoo spoedig mogelijk naar Cassandane te vertrekken, riep zijne schoonmoeder nog schertsend toe, dat zij zich ditmaal in de beoordeeling van een mensch, namelijk van zijn broeder, toch zeer vergist had, en wierp zich in den zadel.

Toen Prexaspes zijn paard wilde bestijgen, fluisterde Sappho hem in: »Pas toch goed op hemen herinner den waaghals, dat hij vrouw en kind heeft, zoo hij zich soms noodeloos in gevaar mocht willen begeven!”

»Te Pelusium moet ik hem reeds verlaten,” antwoordde de gezant, terwijl hij, om de blikken van de jonge vrouw te ontwijken, zich hield als herstelde hij iets aan het tuig van zijn paard.

»Dan mogen de goden hem beschermen!” riep Sappho, de geliefdehand van den vertrekkende vattende en uitbarstende in tranen, die zij vruchteloos beproefde terug te houden.

En hij, zijne anders zoo moedige gade ziende weenen, werd evenzeer door zekere tot nog toe hem onbekende ontroering aangegrepen. Liefderijk boog hij zich tot haar neder, sloeg zijn krachtigen arm om haar middel, hief haar tot zich op en drukte haar, terwijl haar voet op den zijnen rustte, aan zijn hart, als moest hij voor eeuwig afscheid van haar nemen. Daarop liet hij haar met vasten arm zacht op den grond neder, nam nog eens zijn kind bij zich in den zadel, om het te kussen en schertsend op het hart te drukken, dat het zoet moest zijn. Toen riep hij Rhodopis nog een hartelijk woord tot afscheid toe, en vloog, zijn hengst de sporen gevende, zoodat het edele dier steigerende voortgaloppeerde, door Prexaspes gevolgd, de poort van het paleis der pharao’s uit.

Nauwelijks was het geluid van den hoefslag der paarden in de verte weggestorven, of Sappho wierp zich aan de borst van hare grootmoeder, en weende lang onafgebroken, in weerwil van de ernstige vermaningen en de strenge berisping van de oude vrouw.

1De Perzische kleuren.2Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede boogschutters te zijn.3Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis), Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam.4In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao’s bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene schoone vrouw.5Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.6Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden, alsmede kammen, enz.7Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.8Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van den haan, verboden was.

1De Perzische kleuren.

2Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede boogschutters te zijn.

3Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis), Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam.

4In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao’s bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene schoone vrouw.

5Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.

6Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden, alsmede kammen, enz.

7Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.

8Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van den haan, verboden was.


Back to IndexNext