"Brave lieden? Op de geheele wereld kan men er geene betere vinden."
De onder-officiers bedankten hem, hernamen met spoed hunnen weg en kwamen inderdaad, kort daarna, voor de aangewezen hofstede, in welker deur eene tamelijk bejaarde vrouw stond, die met eenen stillen, minzamen glimlach hunne komst scheen af te wachten.
"Is het hier bij de weduwe Houtman?" vroeg de sergeant-majoor.
"Ja, ja, vrienden, komt maar binnen. Het is nogal heet, niet waar? Gij ziet er vermoeid uit; wil ik u helpen uwen ransel afleggen?"
"Trees, Trees," riep zij naar achter, "laat uw werk maar staan. Hier zijn onze Belgen!"
Een meisje kwam met lachend gelaat toegeloopen en begon, evenals hare moeder, de krijgslieden te helpen, om zich van ransel en draagbanden te ontlasten.
De fourier was bovenal over de zoete vriendelijkheid der jonge boerin getroffen, en het deed hem waarlijk leed, dat zij zoo deerlijk van de kinderpokjes was geschonden. Zulk goed hart onder zulk leelijk aangezicht, het was groote spijt, inderdaad!
"Sa, bazin," gromde de sergeant-majoor, "ik bedank u wel voor uwe dienstwilligheid; maar ik scheur van honger. Ik zou willen eten.... seffens en iets anders dan brood!"
"Ik denk er reeds aan," antwoordde de weduwe. "Gij zijt zeker met het krieken van den dag op weg gegaan, en het is nog zoo verre van den middag, niet waar? Een beetje geduld, ik zal de pan op het vuur zetten. Doorgeregen spek en eieren, is dit goed?"
"Goed?" riep de sergeant-majoor, "wel, gij braaf mensch! Waren wij uwe zonen, gij zoudt ons niet vriendelijker kunnen onthalen. Mag ik u eens omhelzen? Ik zal denken, dat ik mijne moeder in de armen heb."
"Doe maar," lachte de oude vrouw.
En waarlijk, de sergeant-majoor omhelsde haar,—niet om te lachen: ernstig en met ware ontroering.
Weinige oogenblikken daarna vlamde het vuur van rijshout onder de pan, en werd de kamer vervuld met eenen geur, die den sergeant-majoor de lippen deed roeren als zate hij reeds aan den smakelijken disch.
Intusschen had het meisje de ransels en patroontasschen opgenomen, en de soldaten verzocht, haar te volgen naar de kamer die hun was bestemd.
Het was onder het dak; want, zooals gewoonlijk bij de boeren het geval is, het huis had geen verdiep; maar het vertrek was tamelijk ruim en alles er zoo rein en zoo net geschikt zelfs de gordijntjes aan het zoldervenster, dat de krijgslieden moesten bekennen, voortreffelijk te zijn geherbergd.
Op den roep der moeder gingen ze beneden, en namen onmiddellijk plaats aan de tafel, waarop, nevens den lekkeren eierkoek, twee pinten bier en een bruingebakken kramik,—dit is te zeggen wit brood van fijne roggebloem,—hen aanlachten.
Onder het murmelen van dankbetuigingen aten de vergenoegde gasten totdat hun honger was gestild. Het duurde waarlijk niet lang.
Dan vroeg de sergeant-majoor:
"Maar, moederken, gij zijt weduwe, volgens wij op ons biljet hebben gezien. Woont gij hier alleen met uwe goede dochter?"
"Ik heb nog eenen zoon," antwoordde zij, "maar hij is naar Herenthals, met een kalf dat wij verkocht hebben. Voor den middag zal hij terug zijn."
Nog eene wijl koutten de soldaten zeer minzaam met deze gastvrije lieden, en de sergeant-majoor, die eerst zoo tot barschheid scheen gestemd, was nu de minst vriendelijke niet. Hij betuigde welhaast, dat het hem leed zou doen, de weduwe en hare dochter van hun werk af te houden. Buiten de zorg voor hun eten, moesten zij maar handelen alsof zij in het geheel niemand gelogeerd hadden. Hij herinnerde daarenboven zijnen kameraad, dat zij te elf uren in het dorp moesten zijn, om zich te verzekeren dat al de mannen behoorlijk geherbergd waren, en er de bevelen des kapiteins te ontvangen; zij zouden dus nu maar heengaan en tegen den middag wederkeeren. Lichtaert was niet verre en zij hadden tijds genoeg.
De weduwe vergezelde hen tot op een vijftigtal stappen en toonde hun een voetpad, dat door de velden liep en hunnen weg nog eenige minuten zou verkorten.
"Nu, God geleide u, kameraden," zeide de oude vrouw. "Tot middag!"
"Ja, tot middag, moederken. Wij zullen u niet laten wachten," riepen de onder-officiers....
Toen zij op het gezegde uur van het dorp terugkeerden, vonden zij Frans, den zoon der weduwe, te huis. Hij kwam hen tegemoet, drukte hun de hand en wenschte hun hartelijk welkom; doch het verraste de krijgslieden alras, hem zoo tot zwijgen genegen te vinden. Op al wat zij hem zeiden of vroegen, antwoordde hij wel minzaam, doch zeer kort en niet zelden dwaalde hij zoodanig weg met zijne gepeinzen, dat hij in droomen scheen verslonden. Hij was welgebouwd en sterk van leden nogtans, en, ware het niet geweest dat zijn aangezicht eenigszins bleek was, men had hem kunnen aanzien als een toonbeeld van lichaamskracht en gezondheid.
Het middagmaal was haast ten einde. Dan wenschte Frans hun eenen stillen goeden dag, tot den avond; want nu moest hij naar den veldarbeid met het paard.
Zoo gingen er eenige dagen voorbij.
De sergeant-majoor sleet zijnen meesten tijd in het dorp, hetzij voor zijnen dienst, hetzij in de herbergen, te midden zijner vrienden, terwijl integendeel de jonge fourier al zijne beschikbare oogenblikken op de hofstede en in de omstreken doorbracht, wandelende door de velden, op de heide of in de mastbosschen. Hij kon tevens gemakkelijker en vrijer met de lieden kouten, aangezien hij, een Antwerpenaar zijnde, denzelfden tongval had als zij. De sergeant-majoor was integendeel een West-Vlaming, en alhoewel zijne taal meer naar zuiver Hollandsch dan naar een Vlaamsch dialekt zweefde, kon men hem, wanneer hij wat vlug sprak, niet altijd wel verstaan.
Daaruit volgde natuurlijk dat de fourier, meer dan zijn kameraad, gemeenzaam met de weduwe en hare kinderen werd.
Hij meende te moeten denken, dat eene geheime treurnis deze lieden op het hart woog; en ongetwijfeld was Frans het voorwerp of de oorzaak van dit verdriet; want de fourier had meer dan eens opgemerkt, hoe de moeder en de zuster den droomachtigen jongeling medelijdend bezagen, wanneer hij stilzwijgend onder den schoorsteen was gezeten of met hangend hoofd het huis verliet, om naar zijn werk te gaan.
De sergeant-majoor scheen intusschen zoodanig door het dorp aangetrokken, dat hij somwijlen vergat naar zijn logement te komen om het middagmaal te nemen. Een ander onder-officier had den fourier gezegd, dat de schoone oogen eener herbergdochter, bij de Markt, daarvan de oorzaak waren.
Met zijnen kameraad van eenen morgendienst naar huis komende, nam de fourier de gelegenheid waar, om hem daarover te ondervragen en nu ook eens op zijne beurt met deze vooronderstelde zwakheid te spotten.
Eerst antwoordde de sergeant-majoor met zijne gewone onverschilligheid; doch bij de lange scherts van zijnen gezel, werd hij allengs ongeduldig, en zeide met zekeren ernst in de stem:
"Fourier, uw lachen pijnigt mij. Dit verwondert u? Mijne gevoelloosheid is geveinsd, meent gij? Welnu, gij bedriegt u niet: ik drang eene smartelijke herinnering in het hart, eene wonde, die licht aan het bloeden gaat. Eens in mijn leven heb ik eene vrouw bemind, ik bemin ze nog; zonder de minste hoop evenwel. Wat mij aandrijft om de eenzaamheid te ontvluchten en luidruchtig gezelschap te zoeken, om te spotten, en, was het mogelijk, mij geheel gevoelloos te maken, is de wensch om haar te kunnen vergeten.... Nutteloos! Zelfs terwijl ik nu spreek, staat ze voor mijne oogen. Geloof dus de malle praat van sergeant Boutin niet: mijn hart is voor alle andere neiging gesloten. Wilt gij mij toonen, dat gij een goede jongen en verkleefd kameraad zijt, zooals ik het denk, wees vroolijk, scherts en spot ... maar met dit eene ding, met de verborgene treurnis, die in mijn hart knaagt, daarmede niet.... Er zal waarschijnlijk een dag komen, dat ik u zal zeggen, wie ik ben en wat mij vroeger is geschied. Tot dan, ik bid u, geen woord daarover."
De fourier gevoelde wel, dat het ernstig gemeend was. Om den wensch van zijnen kameraad te eerbiedigen, begon hij van Frans Houtman en dezes zichtbare treurigheid te kouten, en sprak sedert dan geen woord meer, dat de sergeant-majoor aan de wonde zijns harten kon doen denken.
Eens op eenen namiddag, toen de fourier achter de hofstede door de eenzame velden wandelde, zag hij niet zonder verrassing Frans Houtman, den zoon der weduwe, met de hand voor het aangezicht nevens den weg op eenen gevelden boom zitten.
Hij wekte den jongen boer uit zijne mijmering op, door hem eenen goeden dag te wenschen. Frans hief het hoofd op; tranen blonken in zijne oogen en het was op den toon der diepste bedruktheid, dat hij eenen stillen groet murmelde, waarna hij als beschaamd den blik ten gronde sloeg.
"Gij hebt verdriet, nietwaar, Frans?" zeide de fourier. "Ik heb het opgemerkt van den eersten dag onzer komst in uw huis. Wat is het, dat u zoo moedeloos maakt?"
Hij bekwam geen antwoord.
"Nu, vertel het mij. Gij zult het misschien niet gelooven, maar ik denk den ganschen dag aan u. Uwe zichtbare treurigheid boezemt mij medelijden in; ik zou u willen troosten."
"Mij troosten?" zuchtte de jongeling. "Ach, het is onmogelijk; ik ben veroordeeld tot eeuwige wanhoop!"
De fourier zette zich nevens hem op den boom.
"Frans," zeide hij, "ik vermoed wel, wat u zoo bitter doet lijden. Uwe moeder en uwe zuster zijn gezond, de zaken op uwe hofstede gaan niet slecht. Hebt gij ergens eene pijnlijke wonde, zij kan slechts aan het hart zijn. Bedrieg ik mij?"
"Eilaas, mocht ik sterven!" klaagde Frans.
"Maar gij hebt ongelijk, kameraad. Wij zijn insgelijks jong en weten ook al iets van zulke dingen. Het gemoed der meisjes is veranderlijk als het weder. Heeft uwe vriendin gisteren u koel bejegend, morgen zal zij u lachend tegemoet komen. Dat gaat zoo op en af, als het water in de Schelde.... en in afwachting martelen wij ons nutteloos. Een jongen als gij, fiksch van gelaat, sterk en geheel anders dan arm, welk meisje dezer streek zou niet met blijdschap en trotschheid zijne hand aanvaarden? Kom, kom, wees maar moedig; de wolk zal afdrijven, en dan wordt de hemel weer helder voor u."
"Nooit, nooit meer," mompelde de jongen.
"Heeft zij u dan beslissend verstooten?"
"Neen, zij bemint mij uit al de krachten harer ziel."
"Ho, ho, Frans, gij hebt misschien uwen blik te hoog gericht .... en de ouders weigeren?"
"Neen, de ouders niet."
"Maar wat is er dan van die onverstaanbare zaak? Nu, zeg het mij. Wees zeker, al kon ik waarlijk niets om u te troosten, ons verdriet eenen vriend mede te deelen verlicht altijd onze smart."
"Het kan zijn in andere gevallen. Voor mij is alles, alles nutteloos.... Evenwel om u te voldoen, die mij onverdiend zooveel genegenheid betuigt, wil ik u wel uitleggen wat wij voor eeuwig hopeloos moet maken.... Zijt gij nog niet in het Bonte Kalf geweest?"
"Neen, slechts eens heb ik met den waard, geloof ik, voor zijne deur gesproken."
"Welnu, baas Noppe heeft eene dochter, die Lisa heet, een vroolijk, goedhartig en eerbaar meisje. Van kindsbeen af waren wij onafscheidbare vrienden en door onze ouders bestemd om eens man en vrouw te worden. Later beminden wij elkander altijd meer en meer. Nu was eindelijk de tijd gekomen, dat het huwelijk ons zou vereenigen. Wij wisten reeds welk hofstedeken wij zouden pachten; mijne moeder hield zich in het geheim bezig met het een en ander voor ons huishouden te koopen, en zag op voorhand uit naar eenen goeden knecht, die mij bij haar voor den veldarbeid zou vervangen. Alles ging naar wensch: Lisa gevoelde zich zoo gelukkig; het was als lachte de hemel ons toe.... Daar komt eensklaps een jongen uit de stad,—Theodoor, de zoon van onzen gemeente-secretaris, die allengs de gewoonte aanneemt, bijna dagelijks in het Bonte Kalf te gaan.... en welhaast begint moeder Noppe te zeggen, dat hare dochter nog te jong is om te trouwen en wij het huwelijk moeten uitstellen."
"Ai, ai, ik begrijp: er komen maaien in uwe kaas!" mompelde de fourier. "Lisa heeft hare zinnen op Theodoor...."
"Neen, neen, verdenk haar niet!" smeekte de jonge boer met opgeheven handen. "Wel hebben anderen dit insgelijks gedacht; maar ik weet, dat haar zuiver en eenvoudig hart mij trouw is gebleven. Zij is even ongelukkig als ik."
"Ha, ik heb het op: de moeder wil Lisa met den zoon van den secretaris doen trouwen?"
"Eilaas, neen, de moeder niet."
"Maar wie dan?"
"Hij, voor wien de geheele wereld nederknielt: God zelf."
"Het wat zegt ge daar?" riep de fourier verbaasd. "Ik versta u niet. God wil Lisa met Theodoor doen trouwen? Frans, Frans, ik zou gaan twijfelen aan de vastheid van uw verstand. Gij zijt toch niet kinderachtig genoeg om zulks te gelooven. Ik verdenk hier moeder Noppe; gij hebt u in de kleeren laten steken, jongen."
"Mocht gij de waarheid zeggen! maar, neen, een uitdrukkelijk vonnis van hierboven beeft mij onherroepelijk tot smart en wanhoop veroordeeld.... en Lisa, de arme Lisa, moet zoowel als ik, zoowel als onze ouders, het hoofd bukken onder den wil van God."
"Maar mijne hersens worden er duizelig van; gij maakt mij dwaas," morde de fourier. "Wie heeft u gezegd, dat men in den hemel zoo geheel bijzonderlijk zich met uw huwelijk bezighoudt? Theodoor of moeder Noppe? Jongen, jongen, wat gij u toch laat wijsmaken!"
"Ja, ik weet het wel," antwoordde Frans met gelatenheid, "dat de soldaten, evenals de lieden uit de stad, weinig geloof hebben; maar oordeel niet voorbarig. Zoohaast ik u zal gezegd hebben, hoe God ons zijnen wil openbaarde, zult gij niet meer twijfelen. Luister slechts."
En de jonge boer vertelde hem met alle bijzonderheden, hoe moeder Noppe het wonderei in het hennennest had gevonden en welke woorden er op stonden te lezen.
Een lange schaterlach hergalmde over het veld, terwijl Frans, door zulke verregaande ongeloovigheid gekwetst en verschrikt, van den fourier terugdeinsde en hem met afkeurenden blik in de oogen zag.
"Wel, wel, eenvoudige sukkelaar," riep deze, "ziet gij niet, dat men u heeft gefopt? Een kluchtspeler,—Theodoor waarschijnlijk,—heeft die vreeselijke woorden op het ei geschreven."
"Zwijg, zwijg," stamelde Frans, "gij dwaalt: de woorden waren niet geschreven."
"Geschilderd misschien?"
"Neen, geene menschenhand heeft ze gemaakt."
"Sa, hoe stonden de letteren dan op het ei?"
"Zij waren er ingegroeid. Geen verschil was er tusschen de stof der schaal en die der letteren. Hadden ze er niet een weinig verheven opgestaan, men zou ze zelfs misschien niet bemerkt hebben."
Als daalde er eensklaps eene even sterke overtuiging in des fouriers geest, hij sloeg den blik in gedachten ten gronde en antwoordde zelfs niet meer, toen Frans hem vroeg, of hij nog twijfelde aan de waarheid der openbaring. Maar welhaast hief hij het hoofd op, en terwijl een half ernstige en half schertsende glimlach op zijn gelaat zweefde, zeide hij:
"Ik weet niet, Frans, maar in mij is het denkbeeld ontstaan, dat ik misschien u gelukkig zou kunnen maken. Wat is die Theodoor voor een kerel? Nu spreek, ik bid u."
"Theodoor is de zoon van den gemeente-secretaris. Goed of kwaad weet ik van hem niet veel te zeggen."
"Is hij geleerd?"
"Ik geloof van ja; hij heeft in Antwerpen gewoond, om den Apothekers-stiel te...."
"Genoeg, genoeg, daar hebben wij het!" riep de fourier met blijdschap uit. "Hij is het, de valschaard, die het ei heeft gemaakt en in het nest gelegd. Ha, ha, nu zal de kaart gaan keeren! Gij zult trouwen met Lisa. Twijfelt gij daaraan? Ik zal in het Bonte Kalf de lieden gaan bewijzen, dat Theodoor hen voor den zot heeft gehouden en zich niet schaamde, den naam van God te gebruiken om hen te bedriegen. Zullen de ouders van Lisa, eens ten volle overtuigd dat men hun eene hatelijke klucht heeft gespeeld, den schurk niet verstooten en zich gelukkig achten u met hunne dochter te laten trouwen?"
Zoo snel en met zulke blijde geestdrift had de fourier deze woorden gesproken, dat Frans hem in angstige verbaasdheid aanzag. Er kwam wel eenige aarzeling in zijn geloof, doch zijn wantrouwend hart bleef nog voor de minste hoop gesloten.
"Uw twijfel doet mij pijn," hernam de fourier even aangejaagd. "Ik zal hem te niet doen. Luister. Voor eenige jaren ging ik nog ter school bij zekeren onderwijzer,—hij heette Mr. Shaw.—Deze vermaakte ons na de schooluren met allerlei kleine kunstgrepen uit de physica,—dit wil zeggen de natuurkunde,—en een dezer kunstjes bestond in het maken van zulke eieren als Theodoor er een in het hennennest van het Bonte Kalf heeft gelegd. Weet gij hoe dit toegaat? Men neemt een ei en schrijft of teekent daarop, met vet of beter met vernis, al wat men wil. Dan legt men het ei een paar uren, min of meer, in sterken azijn of in een ander zuur. Het zuur bijt gedeeltelijk de kalkstof weg, overal waar deze niet met vet bedekt is, en zoo staan dan eindelijk de letters verheven op de schaal. Men wascht het ei met wijngeest, om het vet of het vernis weg te nemen, en niemand, indien hij van het geheim niet weet, kan gissen dat het ei zoo door een kunstmiddel werd gemaakt. Begrijpt gij het nu, Frans? Ik zal zulk een ei maken en het de ouders van Lisa gaan toonen."
"Ach, zij zullen u niet gelooven!" zuchtte de jonge boer.
"Mij niet gelooven?.... Zie, daar dacht ik niet aan; gij hebt misschien gelijk. Ja, de zaak moet anders worden aan boord gelegd.... Ik heb het gevonden! De hen zal nog eieren leggen, eieren die Theodoor van verraad en goddeloosheid zullen beschuldigen. Ha, ha, het zou mij niet verwonderen, dat de slimmerik met zijne klikken en klakken in het Bonte Kalf aan de deur vloog.... Zeg eens, Frans, is er een apotheker in het dorp?"
"Neen," was het antwoord, "maar onze paardenmeester, bij de kerk, verkoopt ook medicamenten."
"Dit is voldoende. Ik ga naar zijnen winkel; de tijd ontbreekt mij gelukkiglijk niet. Onderweg zal ik een glas bier in het Bonte Kalf gaan drinken, en pogen het ei te zien."
"Dit zal u niet veel moeite kosten. Zeg, dat gij er van hebt hooren spreken, men zal het u seffens toonen; maar lach er niet mede, de bazin zou het u nooit vergeven."
"Er is geen gevaar voor, Frans; ik zal ernstig veinzen, aan de zaak te gelooven; doch intusschen, onder een of ander voorwendsel, op den voorhof gaan om te ontdekken waar het nest is en hoe men er bij kan geraken.... Gij, Frans, zeg van dit alles niets aan wie het ook weze, zelfs niet aan uwe moeder; andere mis ik nog mijn doel.... Waarom glimlacht gij zoo bitter en schudt het hoofd? Hebt gij dan ook geen vertrouwen in mijne woorden? Kom, wees maar blijde. Daar is mijne hand: ik geef u mijn woord, dat Lisa uwe bruid zal worden, of er zouden andere beletsels moeten tusschen zijn dan het voorondersteld bevel van God.... Wandel dezen avond, tusschen licht en donker, in den wegel achter uwe haag; ik zal bij u komen en u zeggen hoe de zaken staan. Heb ik nog inlichtingen noodig, gij zult ze mij geven. Zwijg intusschen. Nu tot wederziens, bedorvendans van het lot!"
Onder het uitspreken van dezen gelukwensch, liep de fourier den aardenweg in naar het dorp.
Den derden dag na het onderhoud van den fourier met Frans Houtman, traden de beide onder-officiers in het Bonte Kalf en vroegen elk een glas bier. Het was nog vroeg, want, volgens zij zeiden, kwamen zij van hetmorgen-appèl.
Baas Noppe was alleen in zijne herberg, en hij meldde hun, vooraleer het hem werd gevraagd, dat zijne dochter naar het dorp was gegaan met versche boter voor den notaris.
De vrouw was echter te huis, want zij hoorden haar tegen de koeien in den stal spreken.
Na eenige woorden met baas Kobus over het weder en over het uitzicht van den toekomenden oogst te hebben gewisseld, vroegen de krijgslieden een spel kaarten. Zij wilden, zeiden ze, het partijtje voortzetten dat zij gisteren, omdat het te laat geworden was, hadden onderbroken.
Het pak kaarten werd hun toegereikt en zij begonnen, in schijn met aandacht en inspanning, te spelen, maar zij waren integendeel zeer verstrooid, en zagen naar de achterdeur zoohaast zij het minste gerucht op den voorhof hoorden. Ongetwijfeld wist de sergeant-majoor alles; want hij glimlachte en pinkoogde nu en dan zoo onvoorzichtig, dat zijn jonge kameraad hem berispend in het oor fluisterde:
"Schei uit, houd u ernstig, of gij gaat ons verraden!"
De baas, die tot dan zich achter den toog had beziggehouden met glazen te spoelen en flesschen te vullen, kwam achter den rug van den fourier staan en zag het spel gedurende eenigen tijd stilzwijgend na. Eindelijk kon hij zulke misgrepen, als hij hier zag begaan, niet langer verdragen en zeide met ernst en nadruk, hoe een echt liefhebber in het voorhandig geval zou gespeeld hebben. Was de fourier zoo deerlijk geklopt geworden; dit mocht hij slechts aan zich zelven wijten; want had hij, Kobus Noppe, de kaart in de hand gehad, zeker de sergeant-majoor zou geene drie slagen opgehaald hebben. Hij was gereed, het hun te bewijzen, indien de fourier toestemde, hem met dezelfde kaarten tegen den sergeant-majoor te laten kampen.
Men voldeed aan zijn verlangen; hij nam de kaarten op en begon te spelen, met evenveel drift alsof zijne goede faam en zijn geluk van den uitslag dezer partij hadden afgehangen.
Maar nauwelijks had bij, met een hart dat van fierheid klopte, de twee eerste slagen opgehaald, of een zonderlinge schreeuw deed hem verschieten; hij liet de kaarten ter tafel vallen, sprong op en riep met vervaardheid:
"Hemel, wat is er nu gebeurd? Die vrouw zal mij nog den dood op het lijf jagen!"
Inderdaad, moeder Noppe had, onder het slaken van eenen angstkreet, de achterdeur opengeworpen, en stond daar nu, ontsteld en bleek, te midden der kamer met een ei in de hand.
"Ik heb het wel gevreesd!" klaagde zij. "Kobus, Kobus, dit is uwe schuld. Het huwelijk onzer dochter mocht zoo haastig niet gaan. Nu is God op ons vergramd. Zie, een nieuw bevel!"
De onder-officiers bezagen elkander met eenen listigen glimlach, doch de fourier legde zich den vinger op de lippen, om zijnen kameraad het stilzwijgen aan te raden.
"Hoe staat gij daar nu als van den hamer geslagen?" viel moeder Noppe tegen haren man uit. "Dat zal u leeren, goddelooze twijfelaar. Daar, neem het ei en lees. Wie weet wat schrikkelijke dingen er ditmaal opstaan!"
Kobus aanvaardde het ei met bevende hand en bekeek het eene wijl; maar dan hief hij het hoofd op en staarde zijne vrouw met strakken blik en wijdgeopenden mond aan, als iemand, die zijne eigene oogen niet kan gelooven.
"Welnu, zijt gij stom geworden? Zeg, wat staat er dan op het ei?" riep de bazin met toornig ongeduld.
"Er staat.... er staat op, dat Lisa met Frans Houtman moet trouwen."
"Met Frans Houtman, o hemel! Dit is niet mogelijk: gij hebt slecht gelezen."
"Neen, Christien, het is wel zoo. Zie, het staat er duidelijk op:Lisa moet trouwen met Frans, het is Gods wil....En daar, vrienden, leest gij zelf en getuigt, of ik mij bedrieg." De sergeant-majoor nam het ei.
"Uw man heeft gelijk," bevestigde hij; "het staat er op;Lisa moet trouwen met Frans, het is Gods wil."
Ware de donder boven het hoofd van vrouw Noppe losgeborsten, zij had niet dieper verschrikt en verbluft kunnen zijn. Zij sloeg zich de hand aan het voorhoofd en martelde zich de hersens, om het raadselwoord van zulk onbegrijpelijk voorval te vinden. Dat God van besluit was veranderd, dit durfde zij niet gelooven.... en het ei was toch geheel gelijk aan het vorige! Hemel, wat, wat ging er om? Waren zij de speelbal der listen van den boozen geest?
In haren twijfel hield zij de oogen ten gronde en scheen de vloersteenen te ondervragen. Even stom en ontsteld staarde baas Noppe rondom de kamer, als vreesde hij den duivel zelf te zien verschijnen.
De fourier kreeg medelijden met hunnen pijnlijken toestand; hij trad vooruit, naderde moeder Noppe en zeide:
"Bazin, kom tot u zelve en wees gerust. In geheel deze zaak der eieren heeft een valsche kerel zonder hart u bedrogen, en zich niet ontzien uwe gekende godvruchtigheid te misbruiken, om u en uw kind de slachtoffers zijner snoode begeerlijkheid te maken."
Zij keek den jongen krijgsman, die zoo ernstig en met zooveel zekerheid sprak, verwonderd aan, doch schudde in twijfel het hoofd.
"Gij meent dat ik het ben, die u wil bedriegen, vrouw? Gij gelooft eerder wat de eieren u zeggen? Welaan! zie, ik insgelijks heb een ei, dat kan spreken; het is juist gelijk aan de anderen. Beschouw het maar goed. Dat uw man leze wat er op staat: hij zal er de verklaring van het schrikkelijk raadsel op vinden."
Baas Kobus nam het ei, dat de fourier uit den zak had gehaald, en las met de grootste verbaasdheid:
"Theodoor heeft den spot met u gedreven."
"O, mijn God, wat wil dit zeggen?" riep moeder Noppe, die eenen lichtstraal in haren geest voelde dringen.
"Wat dit beteekent? Het wil zeggen, dat Theodoor,—om onmiddellijk de hand uwer dochter te bekomen, en tevens om de liefde voor Frans Houtman in haar hart uit te dooven,—eene verfoeielijke goddeloosheid heeft begaan. Hij is het, die de letteren op het ei heeft geschreven en het daarna in het nest gelegd."
"En dit tweede ei dan? Hij zal toch niet tegen zich zelven... Welke gedachte! De berouwende zondaar heeft zijne slechte daad willen herstellen."
"Neen, bazin, dit tweede ei heb ik gemaakt en gisteravond in het nest gelegd, met het enkel inzicht u van Theodoors valschheid te overtuigen en den strik te breken, dien hij u heeft gespannen."
"Gij, gij hebt dit ei gemaakt?" stamelde de vrouw.
"Ja, ik; en zulke eieren kunnen honderden lieden in de stad even goed maken als Theodoor. Het is een kinderspel voor hen die de kunstgreep kennen. Zoohaast ik had vernomen, dat de zoon van den secretaris bij eenen apotheker heeft gewoond, bleef mij geen twijfel over. Hij alleen had belang in het bedrog, en waarschijnlijk wist hij alleen in het gansche dorp, hoe men zulke eieren maakt."
"Ha, ha, daarom trok de bedrieger, van toen af, zulk schijnheilig aangezicht!" riep baas Noppe met gramschap uit.
Hij verklaarde zich ten volle overtuigd, dat de fourier niets zeide dan de zuivere waarheid; maar de vrouw liet zich zoo gemakkelijk niet overwinnen, alhoewel haar geloof aan het wonder reeds diep was geschokt.
De beide krijgslieden deden zooveel doorslaande redenen gelden; de fourier legde haar zoo duidelijk uit, hoe men zulke eieren maakt, dat zij eindelijk zich overgaf en hare langbeklemde woede uitstortte in allerlei scheldwoorden tegen den zoon van den secretaris, iets waarin zij terdege geholpen werd door haren man, die van niets anders sprak dan van Theodoor hals en beenen te breken.
Terwijl zij nog immer bezig waren met dus aan hunne verontwaardiging lucht te geven, hoorden zij eensklaps achter hunnen rug eene zachte minzame stem, die hun zeide:
"Dag, baas Kobus, dag, bazin Noppe. Heeft men goed geslapen dezen nacht?"
Theodoor Peeters had zijn hoofd in de deur gestoken.
"Wacht wat, ik zal u eenen goeden dag gaan geven, gij vuile schurk, gij laffe schobbejak!" schreeuwde de baas, zijne vest afwerpende en zijne hemdsmouwen opstroopende.
Maar de sergeant-majoor en de fourier sprongen toe en weerhielden hem met geweld.
"Waarom zijt gij boos op mij? Wat is er gebeurd?" stamelde de verbaasde jongeling.
"Wat er gebeurd is, valsche fleemer?" snauwde de vrouw, met de vuisten vooruit, hem toe. "Ha, men zal u leeren, eieren in ons hennennest te komen leggen! Hoe, leelijke ketter, gij durft den heiligen naam des Heeren misbruiken om ons te bedriegen en te bespotten? Ga weg, vlucht, goddelooze booswicht, of de baas doet u een ongeluk."
"Uit mijn huis, uit mijn huis, ik breek u den hals!" bulderde Kobus Noppe, terwijl hij, om los te raken, tegen de krijgslieden worstelde. "Ha, valschaard, gij moest met Lisa trouwen! Uit mijne oogen; en komt gij nog over onzen dorpel...."
Maar Theodoor, die zich schuldig gevoelde en geenen lust had om zich door den uitzinnigen baas den kop te laten inslaan, deinsde terug de deur uit en liep met spoed naar het dorp.
De herbergier was niet te stillen. Om zijne gramschap toch op iets uit te werken, had hij met zijne zware handen reeds eenen stoel aan stukken getrokken en twee pinten verbrijzeld. Slechts de bedreigingen zijner vrouw brachten hem eindelijk tot bedaren. Evenwel mompelde hij nog van den burgemeester, van den tribunaal, van de gevangenis; en hem scheen het niet onmogelijk Theodoor op het schavot voor zijne verfoeilijke valschheid te doen boeten.
Zijne vrouw was echter zoo wraakzuchtig niet. Volgens haar gevoelen was het beter, den zoon van den secretaris maar aan de knaging van zijn eigen geweten over te laten, dan door zulke vervolging nieuw schandaal te verwekken.
"Zoo kan het toch niet blijven," wedersprak hij. "Wij moeten evenwel iets doen om zijnen hatelijken aanslag te straffen."
"Het is uiterst eenvoudig," bemerkte de sergeant-majoor. "Gij heb in gevaar verkeerd, uwe dochter en dien goeden Frans Houtman ongelukkig te maken voor hun leven. Hersteld maar seffens uwe dwaling en maakt de kinderen gelukkig. Zoo zal Theodoor genoeg gestraft zijn, en de kwade tongen, indien er zijn, zullen geenen tijd hebben om veel te praten."
"De majoor heeft gelijk," murmelde de oude vrouw.
"Zeker heeft hij gelijk: hij spreekt als een boek!" riep de baas.
"Dus gij stemt toe in hun huwelijk?"
"Wij moeten wel."
"Laat gij toe, bazin, dat wij de goede tijding aan Frans Houtman en zijne moeder gaan melden?" vroeg de fourier.
"Met veel genoegen.... Maar zie ik ginder onze Lisa niet komen? Ja, zij is het."
"Vrouw, laat mij haar tegemoet loopen en het haar zeggen!" smeekte de baas.
"Neen, ik ben het, die haar huwelijk met Frans heb gedwarsboomd: uit mijnen mond moet zij het vernemen."
"Het is waar, Christien, gij hebt gelijk."
Nauwelijks was het meisje in de kamer getreden, of bazin Noppe greep hare beide handen aan en zeide haar:
"Kind, kind lief, ziet gij niet in mijne oogen dat ik u gelukkig wil maken? Gij twijfelt? Welnu, gij moogt trouwen met Frans Houtman."
"Hemeltje lief, is het waar?" stamelde Lisa.
"Ja, ja, wij geven onze toestemming!" juichte de herbergier. "Hoe gauwer, hoe liever de bruiloft. Wij zullen dansen dat het huis invalt. Het is bliksems lang geleden, dat ik mijnen laatsten flikker heb geslagen; maar voor den gelukkigen dag zal ik mijne oude beenen nog eens insmeren!"
Het meisje lag van zalige ontroering in de armen harer moeder te weenen, en zij zoende haar en zij zegende haar zoo teeder en zoo dikwijls, dat de oude vrouw insgelijks tranen over hare wangen voelde lekken.
Ook haren vader omhelsde zij.
Dan vroeg zij eensklaps:
"Weet Frans het?.... Niet? O, hemel, hij lijdt nog onder die schrikkelijke wanhoop? Vader, laat mij naar de hofstede loopen, om hem, om zijne moeder, om zijne zuster de blijde tijding te brengen! Indien ze maar niet kwalijk vallen van geluk ..."
"Kom, kind, ik ga mede," zeide de vrouw.
"Ik insgelijks!" riep de baas.
"Wat? gij zoudt de herberg durven alleen laten? Blijf te huis gij!"
Moeder en dochter sprongen de deur uit en liepen, door de twee krijgslieden van verre gevolgd, zoo hard zij maar konden den veldweg in.
Bij het naderen der hofstede hoorden de sergeant-majoor en de fourier daarbinnen blijde kreten en een verward geschater van vroolijke stemmen.... En—alsof de natuur en de dieren zelven over het geluk van twee eenvoudige, zuivere zielen wilden medejuichen, de lentezon verguldde met haren milden gloed het dak der eens zoo treurige woning, de koeien bulkten in den stal, de hennen kakelden op den mesthoop, de haan kraaide boven het hondenhok, de vogelen zongen in de boomen....
Toen de onder-officiers binnentraden, klonken luide dankzeggingen hun tegemoet, en drukten allen hun de handen, ja, de gelukkige Frans sloot den fourier met tranen volle oogen op zijn hart.
Van dien dag af zagen zij, in allerhaast en stuk voor stuk, die dingen bijeendragen, welke tot het inrichten van een jong huishouden worden vereischt; maar de bruiloft konden zij, eilaas, niet bijwonen; want er kwam een ontijdig bevel, dat zij met hunne compagnie naar Turnhout moesten vertrekken, om daar hunne volledige soldaten-kleeding te ontvangen. Deze kleeding zou zijn van groen laken met roode biesjes, en de troep van generaal Niellon zou voortaan het 2de Regiment Jagers te voet uitmaken.
Op den treurigen dag gingen Frans Houtman en zijne zuster, Lisa Noppe en hare moeder met de onder-officiers naar Lichtaert, om hunne redders, hunne weldoeners, zoo zij zeiden, uitgeleide te doen.
En toen de trom had aangevangen te slaan en de troep reeds een eind verre was, konden nog de sergeant-majoor en de fourier, door het hoofd om te keeren, tranen zien glinsteren in de oogen der goede vrienden, die zij wellicht nooit meer zouden wederzien.
Omtrent het midden der maand Juli 1831, lagen er twee compagnies van het 2de Regiment Jagers te Moll, een aanzienlijk dorp in de Kempen, op een paar uren afstand van Gheel.
Tot eene dezer compagnies behoorden de sergeant-majoor en de fourier, die te Lichtaert zooveel tot het geluk van Frans Houtman en Lisa Noppe hadden bijgedragen.
Nu waren zij gelogeerd in de Zwaan, eene herberg te midden des dorps, en het was daar dat de mannen der compagnie alle twee dagen het vleesch en brood, en alle vijf dagen hunne solde kwamen halen.
Wanneer men nu inziet, dat te dien tijde de minste Belgische soldaat dagelijks 25 Centen of 52 Centimen trok, en dus bij elke betaling niet minder dan Fr. 2,60 ontving, welke hij op weinig na tot niets anders dan tot drinken kon aanwenden, zal men begrijpen wat vertier er in de Zwaan werd gemaakt, dewijl de honderd man der compagnie er ten minste viermaal in de week op de uitdeeling hunner mondbehoeften of hunner solde te wachten hadden.
Ook was de baas der herberg de onder-officieren, wier tegenwoordigheid hem deze ongewone winst aanbracht, ten uiterste dankbaar. Om hun dit te bewijzen stond hem echter geen ander middel ter hand, dan hun naar zijn best vermogen het lekkerste eten op te disschen: niet alleenlijk hesp met eieren, zooveel zij wilden, maar duiven, kiekens, jonge erwtjes en daarbij nog elken dag eene goede flesch wijn.
Dit beviel den sergeant-majoor ten hoogste. Hij was de boezemvriend van den baas en dezes huisgenooten geworden, en riep niet zelden uit, dat hij tusschen deze brave en minzame lieden zijne dagen zou willen slijten.
De fourier, integendeel, werd na eenige dagen dit woelig en luidruchtig herbergleven moede, en hernam welhaast zijne eenzame wandelingen in de velden of op de heide.
Eene der twee compagnies had vroeger te Gheel gelegen. Zoo kwam het, dat de fourier dikwijls door de onder-officiers dezer compagnie zeer vreemde dingen hoorde vertellen over dit groote dorp of, beter gezegd, dit volkrijke stadje, waar volgens hun beweren een duizendtal krankzinnige menschen in volle vrijheid tusschen de inwoners leefden, op straat wandelden, ter herberg gingen en zelfs deel maakten van gezelschappen, door de burgerij ingericht tot vermaak of tot beoefening der muziek. Allengs ontstond in hem de lust om eens, op eenen sehoonen dag, naar Gheel te gaan, dat slechts twee uren van Moll was verwijderd. Hij wist daarenboven, dat te Gheel een zijner goede vrienden, een sergeant, Antwerpenaar als hij, gelogeerd was, en dien hadde hij wel gaarne gezien en gesproken.
Zonder moeite zou hij tot zulke wandeling verlof van zijnen kapitein bekomen; dit verlof had hij zelfs niet noodig, want met kort na den middag te vertrekken, zou hij reeds voor drie uren te Gheel zijn, kon er alles op zijn gemak nazien, een pintje met zijnen vriend drinken, en dan terug zijn voor het einde van den dag.
Het was ten gevolge van dit voornemen, dat de fourier, even nadat hij van tafel was opgestaan, den draagband waaraan zijne sabel hing, zich over den schouder wierp en met snelle stappen de Zwaan verliet, om zich naar Gheel te begeven.
Nu droeg hij den blauwen kiel en de haren muts van vroeger niet meer. Hij was uitgedost in fijn groen laken, waarop de roode afzetsels, de roode boordsels en de vele vergulde knoopen prachtig uitlosten en schitterden. Op zijne schouders prijkten epauletten van saaienkoordjes met gouddraad doorweven, aan zijne schako blonk een Belgische leeuw van glanzend koper, en aan de handgreep van zijne sabel waggelde een fraaie groene kwispel.
Hij moest gevoelen of gelooven, dat dit nieuwe kleedsel hem een indrukwekkend voorkomen gaf; want terwijl hij de laatste huizen des dorps voorbijging en de lieden hem nakeken, hield hij het hoofd rechtop en stapte zelfs een weinig met het kunstmatig gewiggel, eigen aan personen, die vol zijn van hunne ware of gewaande verdiensten en meenen, dat iedereen hen bewondert.
Hij was nogtans niet van hooge gestalte, de fourier, daarbij zeer jong en opmerkelijk tenger van lichaamsbouw; maar wat doet dit alles; zoo men maar over zich zelven tevreden is?
Waarschijnlijk was ijdele hoogmoed geen grondtrek van zijn karakter; want nauwelijks kon hij buiten het dorp geraakt zijn, of hij vergat zijne nieuwe kleeding en tevens zijne hoedanigheid van krijgsman, om in vrijheid rond te kijken, hier en daar eene bloem te plukken, op de boorden der Neeth in het vlietend water te gaan staren, of wel, in eenen langen droom weggerukt, zoo achteloos over den hobbeligen weg te stappen, dat hij zelfs eens bijna met zijnen neus in het zand was gevallen.
Dit alles belette niet, dat hij, kwart voor drie uren, het gehucht Kevermont bereikte en welhaast te Gheel zou aankomen.
Hier zag hij van verre een welgekleed persoon tegen den eikenkant in de lommer zitten, met zijnen hoed voor het aangezicht waaiende, ah iemand die het te heet heeft en uitrust.
Op het oogenblik, dat de onder-officier hem zou voorbijgaan, stond hij op en kwam in de baan om zijnen weg naar Gheel te hernemen.
"Goeden dag, fourier," zeide hij zeer beleefd en minzaam. "Het is een heet weder, niet waar? De vogelen zitten met open bek op de boomen te hijgen. Geen wonder, wij zijn de hondsdagen ingetreden.... Gij ligt zeker met uw half bataljon te Gheel?"
"Neen, mijnheer, wij liggen te Moll," antwoordde de fourier. "Ik doe een wandeling naar Gheel, om dit stadje eens te bezichtigen. Is het nog verre?"
"Ongeveer twintig minuten. Ik ga er insgelijks naar toe, en indien mijn gezelschap u niet hindert...."
"In het geheel niet: het is te veel eer voor mij."
Zij deden eenige stappen zonder spreken. Deze verpoozing nam de fourier te baat, om zijnen onbekenden gezel van terzijde te bezien. Hij moest wel meer dan vijftig jaar oud zijn; het geheel zijner kalme, vastgeteekende wezenstrekken kon eerbied inboezemen. Zijne kleeding was van uitgekozen stof en liet vermoeden, dat hij tot den bemiddelden burgerstand behoorde.
"Men heeft mij verzekerd, mijnheer, dat Gheel de moeite waard is om te zien," zeide de fourier. "Volgens men mij vertelde, wonen daar eenige honderden zotten[1]."
"Wel duizend, fourier, wel duizend!"
"En is het waar, dat zij in volle vrijheid op de Markt en langs de straten wandelen?"
"Zeker.... en eer gij te Gheel aankomt, zult gij er ongetwijfeld meer dan eenen ontmoeten. Gaat de arme sukkelaars voorbij zonder ze aan te spreken, dan hebt gij er geenen last van.... Zie, fourier, ginder onder den lindeboom staat er reeds een. Hij houdt de wacht op den Groenen Heuvel bij de kapel der heilige Dymphna."
De onder-officier richtte het oog op den aangewezen man en mompelde met verrassing:
"Ja, die is ongetwijfeld zot."
"Stapelzot," bevestigde de burger. "Hij staat daar op schildwacht sedert tien jaar en meer, winter en zomer, van den morgen tot den avond; en wanneer het duister wordt, moet men met geweld hem naar huis leiden, of anders zou hij hier zelfs den nacht doorbrengen. Iets anders doet hij in zijn leven niet."
Nu naderden zij den zinnelooze. Hij was in gescheurde lompen gekleed, waarop eene menigte bijeengeraapte knoopen van allerlei vorm en grootte waren genaaid. Een oude, geblutste schako, met eene papieren kokarde en een bos hanenvederen, stond hem scheef op het hoofd, en in den arm droeg hij eenen zwaren bezemstok tot geweer. Zijne voeten en beenen waren naakt tot aan de knieën.
Toen de fourier hem zou voorbijgaan, stelde hij zich met den rug tegen eenen boom enpresenteerdehet geweer, met evenveel ernst als een ware soldaat, die eenen hoogen overste zijnen eerbiedigen groet toebrengt.
"Arme mensch!" zuchtte de onder-officier. "Hoe komt hij toch op het denkbeeld, daar altijd onder die boomen de wacht te houden? Hij is misschien soldaat geweest?"
"Juist geraden, fourier: de man heeft gediend onder Napoleon. Toen hij eens voor den vijand op schildwacht stond, verraste men hem slapende op zijnen post, en hij werd veroordeeld om voor den kop te worden geschoten; maar toen men reeds gereed stond om het vonnis uit te voeren, schonk de generaal hem genade des levens.... Gij hebt gezien wat groote, sterke man het is; hij moet evenwel maar een klein hart in het lijf gehad hebben, want de schrik des doods had hem zoodanig in de hersens getroffen, dat hij stapelzot was geworden en men hem uit den dienst moest ontslaan. Nu meent hij gewis, den plicht te vervullen dien hij vroeger heeft verzuimd."
"En de ongelukkige staat daar zoo, reeds sedert tien jaar, zomer en winter, in nat en droog?"
"Sedert veel langer, fourier. Ik woon hier reeds twaalf jaar en heb hem daar altoos zien staan, van den eersten dag mijner aankomst in deze streek."
"Woont mijnheer te Gheel?" vroog de onder-officier.
"Neen," was het antwoord. "Heb ik Brussel verlaten, het was niet om te midden der huizen te wonen.... Ziet gij, ginder verre achter de boomen, den gulden weerhaan niet glinsteren?"
"Waar meent gij, mijnheer?" mompelde de fourier, vruchteloos in de aangewezene richting blikkende.
"Boven het donker bosch....Het is inderdaad moeilijk te ontdekken, voor iemand die niet juist weet waar mijn kasteel gelegen is."
"Uw kasteel?"
"Ja, mijn kasteel. Het is een zeer schoon buitengoed, met eenige honderden bunders land, bosch en heide. Voortreffelijke jacht; het krielt er van hazen, patrijzen en fazanten. Ik heb Engelsche paarden, prachtige rijtuigen; maar voor mijne gezondheid ga ik liever te voet. Gij schijnt verwonderd? Omdat ik nederig gekleed ga en mijnen rijkdom niet ten toon spreid, aanziet gij mij waarschijnlijk voor een gemeen burgerman? Ik ben baron en mijne inkomsten beloopen tot meer dan vijftigduizend gulden. Niets is gemakkelijker dan u daarvan te overtuigen: kom mij bezoeken op mijn kasteel."
De fourier meende door eene dankbetuiging op zijne minzame uitnoodiging te antwoorden; maar nu viel er onverwachte eene jonge vrouw geknield voor zijne voeten neder; en terwijl zij de handen tot hem ophief, smeekte zij:
"O, hoogwaardige heer bisschop, geef mij toch de absolutie mijner zonden, anders moet ik recht naar de hel! Uwen zegen, uwen zegen, of Lucifer, met al zijne duivels, komt dezen nacht om mijne...."
De baron duwde deze vrouw zeer barsch achteruit en zeide tot den fourier:
"Geef geene acht op de zottin; zij valt zoo iedereen te voet, die voorbijgaat. Ik zal over haar klagen aan den burgemeester...."
De zinnelooze was eensklaps rechtgesprongen en borst nu los in eenen schaterlach:
"Ha, ha!" riep zij, "ziet hem daar nu eens staan, den luizigen jonker van Mageren Hutspot! Ik eene zottin? Geloof hem niet, mijnheer de generaal: hij is zelf zot, zot genoeg om geboeid te worden, terwijl ik, arme zondares, uwen zegen afsmeek om mijn arm zieltje te redden.... Zot, leelijke zot!"
Zij voer immer voort met tegen den baron te razen; maar deze trok den fourier bij den arm, en zeide hem met kalme verontwaardiging, na eenige stappen te hebben gedaan:
"Die verstandelooze wezens eerbiedigen niets. Geen deftig man kan hier voorbijkomen, zonder uitgescholden te worden. Men moest al de zotten, die zich onbeleefd en onbetamelijk gedragen, maar opsluiten. Hoe denkt gij daarover, fourier?"
De verblufte soldaat wist niet wat te denken of zeggen; zijn hoofd was duizelig; hij kon het gezicht niet afkeeren van die jonge vrouw, een oogenblik vroeger voor hem nedergeknield met zoet en biddend gelaat, en nu, schuimbekkend en knarsetandend als eene dolle, in de grofste scheldwoorden uitvarende.
Hij meende zijn medelijden uit te drukken, toen eensklaps achter hem een scherpe noodkreet herklonk en de schreeuw: "gare, gare au cheval!" hem ter zijde deed springen.
Hem liep een kerel voorbij, die eenen stok tusschen de beenen hield en, dravend als een paard, welhaast verre voorbij was.
"Dit is de postiljon van Luik," zeide de baron lachende. "Hij is vroeger, op de baan zijnde, zoo ongelukkig van zijn paard gevallen, dat men hem voor dood heeft opgeraapt. De wonde van zijn hoofd genas, maar zijn verstand bleef verloren. Nu draaft hij over en weder van Kevermont naar Gheel en van Gheel naar Kevermont. Hij is anders een goed ruiter. Zoudt gij gelooven, dat die kerel mij bijna dagelijks op mijn kasteel komt smeeken, hem aan te nemen voor mijn koetsier; maar gij kunt wel denken, dat ik mijn leven aan zulken zot niet zal toevertrouwen. Zoudt gij het durven, fourier?"
"Ik, mijnheer de baron? O, neen, daarvoor beware mij God!.... Maar wat gebeurt u? Gij zijt bleek en beeft? Wat verschrikt u zoo diep?"
De baron wees vooruit en zeide:
"Ziet gij ginder, bij de kerk van St.-Dymphna, dien man met zijne groote sabel? Hij is mijn bloedvijand en wil mij dooden. Ik moet vluchten."
En de hand als een bedelaar uitstekende, smeekte hij: "Ach, mijnheer de fourier, om 's hemels wille, geef mij haastig twee of drie eenten om wat snuif te koopen!"
"Centen .... om snuif .... voor u, baron?" stamelde de onder-officier, van verbaasdheid bijna stom.
"Ja, ja, ik ben millioenrijk, maar ik heb mijn geld op mijn kasteel laten liggen. O, fourierken lief, gauw, gauw, daar komt mijn vijand!"
De jonge krijgsman haalde eenige centen uit den zak en legde ze, verbluft en aarzelende, in de hand van den krankzinnigen man, die met een wild gejuich van blijdschap zich omkeerde en uit al zijne kracht in de baan wegvlood.
Als van den donder getroffen, bleef de fourier bewegingloos staan en hield de oogen ten gronde; hij was beschaamd, gekwetst, verdrietig, en vroeg zich zelven, of hij niet beter zou doen met onmiddellijk maar naar Moll terug te keeren.
Evenwel na eenige overweging vatte hij weder moed. Hij was slechts nog eenige boogschoten van het doel zijner reis verwijderd, en het hing van hem af, meende hij, voortaan alle aanraking met de zinneloozen te vermijden. Was het waar, dat een vreemdeling hier moeilijk de krankzinnige van de redelijke menschen wist te onderscheiden, dan kon hij evenwel, door niemand, wie het ook ware, het woord toe te sturen, aan zulke vernederende misgrepen ontsnappen.
Met dit vast voornemen stapte hij voorbij de schoone kerk van St.-Dymphna en trad het stadje in.
Hij bevond zich nog tusschen de eerste huizen der zeer lange Nieuwstraat, toen hij reeds vele zinneloozen bemerkte: kinderen, vrouwen, mannen, die men genoeg aan hunne belachelijke kleeding en aan hunne dwaze gebaren kon herkennen; maar dewijl zij hem slechts lachend of grijnzend aankeken, zette hij zijnen weg voort zonder te toonen, dat hij eenige aandacht op hen sloeg.
Anders was het evenwel met een ruig en verwilderd wezen, dat hem nu scheen tegemoet te komen. Daar naderde een man van hooge gestalte, met breede schouders en een bijna vierkant hoofd, dat met den verwarden haarbos en de wentelende oogen er uitzag als een dreigende leeuwenkop. Zijne beide voeten waren aan elkander geboeid bij middel eener korte ijzeren ketting, zoodat hij, om voort te gaan, gedwongen was als een kangaroe te springen.
De fourier meende te bemerken, dat iedereen, krankzinnigen en wijzen, bij de nadering van den schrikwekkenden man zich van hem verwijderde en uit den weg ging, evenals men doet voor een hollend rijtuig om niet te worden verpletterd.
Zoo deed insgelijks de onder-officier: hij omschreef al gaande een halven cirkel rondom den geboeiden zinnelooze en geraakte op deze wijze zonder aanstoot noch hinder hem voorbij.
Het was met eene soort van angst, dat hij de groote Markt bereikte, niet twijfelende of hij zou daar aan nog meer verrassende ontmoetingen blootgesteld zijn; maar gelukkiglijk ontwaarde hij, bij zijne eerste stappen op de ruime plaats, den sergeant, zijn stadgenoot en vriend, die, hem insgelijks herkend hebbende, glimlachend tot hem kwam loopen.
Na de uitstorting hunner blijdschap over dit wederzien, begon de nog ontstelde fourier hem te verhalen, wat zonderlinge krankzinnigen hij onderweg had ontmoet, en bovenal hoe de vraag van den baron, om wat centen voor snuif te bekomen, hem uit zijn lood geslagen had.
"Ja," antwoordde zijn vriend, "ik heb van dien baron-bedelaar in mijn logement hooren spreken. Het schijnt, dat hij inderdaad rijk is geweest en een kasteel heeft bezeten; maar hij heeft in de Oostenrijksche fondsen gespeeld en daaraan zijn gansch fortuin verloren. Zijne familie betaalt mildelijk voor zijne verpleging; maar geld mag men hem niet geven, anders drinkt hij, en wordt zijne ziekte veel erger. Verwondert de gekheid van dezen man u zoo uitermate? Ha, ik heb er wel wonderlijkere gezien! Het krielt hier van zotten; men kan zich wenden noch keeren, of men is er van omringd. Zie, daar zijn er reeds zes of zeven, die ons aangapen. Geef geene acht op hen, anders zullen zij nader komen en ons vervelen.... In den eerste was ik insgelijks een weinig vervaard; want om de waarheid te zeggen, ik heb het nooit met zinneloozen opgehad. In mijn logement wonen er vijf; ik ben er reeds zoo goed aan gewend dat ik,—gij zult het niet gelooven,—dat ik dagelijks op het dambord speel met een hunner."
"Met eenen zot?"
"Ja, met eenen woedenden zot. Maar het is een wonderlijk geval; hij is elken dag slechts gedurende een uur van zijne zinnen, en dit uur verspringt regelmatig volgens den tijd van het jaar. Nu en dan, wanneer er een onweder opkomt en de lucht zeer duister wordt, overvalt hem evenwel zijne kwaal in den loop van den dag; maar dit gebeurt zelden."
"Eilaas, wij, menschen, die zoo trotsch zijn op onze rede!" zuchtte de fourier. "Ziedaar das wat eene ziekte, welke men krankzinnigheid noemt, van ons verstand maakt!"
"De man, dien ik bedoel, heeft geene ziekte gehad," wedersprak de sergeant. "Hij is, volgens men mij verteld heeft, in den nacht overvallen en uitgeplunderd geworden door dieven, die hem waarschijnlijk erg mishandeld en met den dood bedreigd hebben; want de doorgestane angst heeft zijne hersens ontschikt. Nu, bij het naderen der duisternis, springt hij eensklaps op, begint om hulp te schreeuwen tegen moordenaars, welke hij meent te zien, huilt, worstelt, slaat in het ronde en valt eindelijk met eenen akeligen doodsgil op den vloer.... Een uur daarna is hij weder stil en in bezit van zijn volle verstand. Treed ik dan binnen, hij smeekt mij zoo beleefd en zoo minzaam, met hem op het dambord te spelen, dat ik het waarlijk niet kan weigeren. In alle geval, de man speelt goed en hem ontsnapt geen onbetamelijk of onredelijk woord.... Alzoo, gij zijt te Gheel gekomen om de zotten te zien?"
"Ik heb er evenwel reeds meer dan genoeg van," mompelde de fourier. "Was het niet het vermaak, eenige oogenblikken in uw gezelschap te mogen doorbrengen, ik trok seffens en zonder omzien terug naar Moll."
"Ik begrijp, zoo is altoos de eerste indruk, maar hij gaat spoedig voorbij. Wij zullen eene goede pint te zamen drinken, ginder achter den hoek in den Toren. Gij moet het uithangbord opgemerkt hebben. Daar komen vele onder-officiers. Ga er naar toe en wacht er eenige oogenblikken op mij. Ik moet met een rapport naar den adjudant. Gisteren had ik de wacht; er is daar een erge zaak voorgevallen: de korporaal en twee man zullen waarschijnlijk voor den krijgsraad verschijnen. Nu, vraag een glas bier in den Toren. De adjudant zal mij niet lang wederhouden. Tot straks."
De fourier stapte over de Markt naar de aangewezen herberg. Wat hem onderweg verwonderde, was het schouwspel der houding van de burgers tegenover de zinneloozen. De meesten gingen voorbij zonder acht op hen te slaan; maar hij zag er insgelijks die, vriendelijk en in schijn ernstig, met de krankzinnigen spraken of hun de hand drukten; burgervrouwen, die arm aan arm met eene zottin wandelden; gezonde kinderen die aan de spelen van zinnelooze kinderen deelnamen. En het was blijkbaar aan den stillen, welwillenden glimlach, op het gelaat der redelijke lieden, dat slechts een gevoel van medelijden en liefdadigheid hen dus aanspoorde om de arme, dolende zielen door vriendschap en toegevendheid hun ongeluk te laten vergeten.
Dit aandoenlijk voorbeeld verlichtte het gemoed van den fourier. Hoewel hij zich de macht nog niet gevoelde om het na te volgen, begreep hij nogtans, dat het edeler en moediger was den krankzinnigen mensch broederlijk de hand toe te reiken, dan hem door afschrik of misprijzen nog dieper in den afgrond zijner ellende terug te stooten.
Dus overwegend wat onder zijne oogen gebeurde, kwam hij in den Toren en vroeg den waard, die achter de toog stond, een glas bier.
Op dit oogenblik bevond er zich niemand in de herberg dan een deftig heer, met eene meerschuimen pijp aan den mond. Zijn lange jas van blauw laken, gesloten tot onder de kin, gaf hem het voorkomen van een uitgediend officier, maar hij droeg knevels noch bakkebaarden. Hij had schoon wit haar, dat tegen zijne slapen opkrulde. Meer dan zestig jaar kon hij evenwel niet oud zijn, want zijne oogen waren helder en levendig, en zijne wangen, vol en blozend, getuigden van gezondheid en welbehouden levenskracht.
Aan de tafel waarbij deze heer was gezeten, nam de fourier plaats, om reden dat zij onder het venster stond en hij vandaar zijnen kameraad kon zien komen.
Na eene lange wijl stilte vroeg de onder-officier,—om toch iets te zeggen,—aan den heer, die voor hem zat, of Gheel eene uitgestrekte gemeente was.
"Ja, zeer uitgestrekt," kreeg hij ten antwoord. "Om haar grondgebied geheel rondom te gaan, heeft men wel negen uren noodig. Onder haar behooren zeventien buitengehuchten, waarvan vijf of zes hunne eigene kerk of kapel hebben; maar dit belet niet dat de kom van het dorp, afzonderlijk genomen, nog boven de vierduizend zielen telt."
"De zotten er onder begrepen, zoo verstaat het mijnheer ongetwijfeld?" bemerkte de fourier.
"Inderdaad, maar die zijn slechts ten getale van ongeveer 900, en wonen voor de grootste helft in de naastliggende gehuchten."
"Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik misbruik van uwe goedwilligheid maak. Ik zie Gheel voor de eerste maal. Alles schijnt mij hier zonderling en belangwekkend. Van waar komen al deze zinnelooze menschen?"
"Uit onze provinciën, uit Duitschland, uit Frankrijk; het grootste getal komt evenwel van Brussel, omdat de godshuizen dezer stad al hunne zotten te Gheel besteden."
"Betaalt men veel voor het onderhoud van elken zot?"
"Dit is volgens de zorgen welke zij vereischen, het werk dat zij nog kunnen doen of den welstand, dien men hun wil verzekeren. Voor de armsten, die nog tot eenigen arbeid bekwaam zijn, betaalt men iets als vijfentwintig centen daags, en voor de rijksten, waar tusschen er zich bevinden die deftig gekleed gaan, uitgekozen voedsel krijgen en wijn drinken, soms wel tot 2,000 gulden en meer nog 's jaars. Dat de bewoners van Gheel hunne zinneloozen met liefde en zorg behandelen, dit is onbetwistbaar; maar even onbetwistbaar is het, dat zij in de verpleging dier ongelukkigen eene milde bron van voorspoed vinden."
Deze heer scheen de zaken der gemeente zoo nauw te kennen, dat de fourier in twijfel geraakte of hij niet de eer genoot, met den burgemeester zelven of ten minste met eenen schepen in samenspraak te zijn. Na eenige malen van achter het venster te hebben uitgekeken, of de sergeant niet kwam, vergat hij eindelijk zijnen vriend geheel, om te luisteren op hetgeen de bereidwillige heer hem zeide over de merkwaardigheden der gemeente, en onder andere aangaande de prachtige kerk van St. Dymphna, patronesse der zinneloozen, en de roerende legende harer stichting, die vertelt hoe deze martelaresse, op den grond waar de kerk nu staat, door haren eigen vader het hoofd werd afgeslagen.
Zeer welsprekend was de oude heer; hij doormengde zijn verhaal met wijsgeerige overwegingen, die getuigden van geleerdheid en verstand. Ook luisterde de fourier met waar genoegen en zelf met verslondenheid.... toen zijne aandacht eensklaps werd afgekeerd door het verschijnen in de herberg van zijnen vriend.
Maar de sergeant, na hem eenen glimlach en eenen groet te hebben toegestuurd, ging rechtstreeks naar den toog, als om van den baas een glas bier te eischen. Hier keerde hij zich echter om en spiedde de gelegenheid af om zijnen kameraad, door eenen wenk van zijnen vinger, tot zich te roepen.
Toen de fourier hem genaderd was, fluisterde hij hem in het oor:
"Volg mij; ik heb u iets mede te deelen, dat u zal verwonderen."
Beiden gingen op den achterhof, en daar vroeg de sergeant:
"Wat dunkt u over den ouden heer met wien gij aan het spreken waart? Een verstandig man, niet waar?"
"Zeer geleerd en diep verstandig, inderdaad."
"Onnoozele, het is een zot!"
"Hij een zot?" wedervoer de fourier met ongeloovigen spotlach. "Indien er vele zulke heldere hoofden in Gheel zijn...."
"Kom, kom, laat ons daar niet langer over twisten. Ik ga er u het bewijs van geven. Ik zal hem het woord toesturen en slechts, als bij geval, den naam van Napoleon uitspreken. Indien gij dan nog twijfelt, of hij zot is, zal ik twijfelen of gij het niet zijt."
"Neen, doe dit niet!" smeekte de fourier.
"Bah, het schaadt hem niet; integendeel, het maakt hem voor eenige oogenblikken gelukkig. Gij hebt er u niet mede te bemoeien; zie en hoor, dit is voldoende."
Zij keerden terug in de gelagkamer; de fourier bleef bij den toog staan, terwijl zijn kameraad den heer met den toegeknoopten jas naderde, en als onverschillig hem zeide:
"Het is zeer heet vandaag, niet waar? Een ander weder dan toen Napoleon met zijn groot leger in Rusland...."
Hij kon niet eindigen; reeds was de heer rechtgesprongen, en riep nu met oogen die van trotschheid fonkelden:
"Napoleon? De groote Napoleon? Hij is hier te midden der Markt gekomen, op een wit paard; hij heeft mij vriendelijk op den schouder geklopt en mij gezegd: u maak ik burgemeester van Gheel voor geheel uw leven! En om uw groot verstand en uwe geleerdheid te beloonen, daar is het eerekruis, daar zijn al mijne kruisen!.... Gij gelooft het niet? Ziehier!"
En onder het uiten dezer woorden, rukte hij zoo geweldig zijnen jas open, dat twee of drie knoopen lossprongen.
Op zijne borst blonken, aan vuile linten van allerlei kleur, medailles, ongangbare munten, blikken schijven, ja, zelfs het tinnen deksel eener pint.
Terwijl de fourier, bleek van aandoening en medelijden, den gewaanden filosoof aanstaarde, ging deze immer voort met over de bijzondere genegenheid van den grooten Napoleon voor hem te roemen, en verklaarde, met gekken ophef, van wie en waarom hij zijne schitterende eereteekens had bekomen: dit was het Fransche legioen van eer, dat was de Nederlandsche Leeuw, een derde het kruis van Oostenrijk, de anderen de kruisen van Spanje, van Rusland, van Turkije, ja, zelfs van de Kaap der Goede Hoop!
Na eene wijl met eenen halven glimlach dit tooneel te hebben nagezien, kwam de baas van achter zijnen toog, legde zijnen arm den opgewonden man over den schouder en fluisterde hem iets aan het oor.
De oude heer, als bij tooverslag bedarend, knoopte zijnen jas toe, zakte op zijnen stoel terug en bleef zeer stil en bewegingloos, met het gezicht neergeslagen zitten.
Op dit oogenblik traden drie andere onder-officiers in de herberg. Zij kenden den fourier niet; maar de sergeant hun gezegd hebbende wie hij was, werden de handdrukken gewisseld en de kennis gemaakt.
Onderwijl had de heer met de toegeknoopte jas zijne pint bier geledigd en zonder spreken de herberg verlaten.
Natuurlijk was,—toen de onder-officiers te zamen bij eene tafel hadden plaats genomen,—het eerste onderwerp hunner redekaveling de wonderlijke zinnelooze, die daar juist was weggegaan.
De sergeant legde hun uit, wat hij over dezen man had vernomen. Het scheen dat hij waarlijk, ten tijde van Napoleon, had gehoopt tot burgemeester eener groote gemeente in Brabant benoemd te worden; maar dat hij, in zijne eerzucht bedrogen, het verstand was kwijtgeraakt.
Dan begonnen de andere onder-officiers te zeggen, wat soort van zinneloozen in hun logement werden verpleegd, en welke zonderlinge tooneelen zij dagelijks bijwoonden.
De eerste vertelde, dat er in zijn logement eene zottin was, die zich verbeeldde Onze Lieve Vrouw zelve te zijn; en, het wonderlijkste van al, de andere zinneloozen schenen daarvan zoo innig overtuigd, dat zij bijna gedurig voor haar op de knieën zaten te bidden.... Er was ook een man,—een heer van Brussel,—die den ganschen dag niets deed dan in het veld met eene roede den grond af te meten en op een boekje de bekomene maten te berekenen. In den eerste weigerde deze man hem het geheim van zijnen arbeid te openbaren; maar het was hem toch eindelijk gelukt, den zot tot spreken te brengen. Uit zijne verklaringen bleek, dat hij een ontwerp vormde om van Gheel eene zeehaven te maken; daartoe wilde hij eene breede vaart doen graven, die boven Antwerpen in de Schelde zou monden. Eenige millioenen waren toereikend om dit werk te bekostigen. Aan de belangen van handel of landbouw liet hij zich in deze zaak weinig gelegen, aangezien zijn eenig doel was, de zinneloozen van Amerika, van Batavia en van geheel de wereld naar Gheel te lokken, door hun de reis gemakkelijk te maken.
In het logement van den tweede woonde een zot, die voor karaktertrek had, alles te stelen waar hij aan of bij kon komen, de gestolen voorwerpen onder zijn bed verborg en ze dan geheel vergat. Zoo had hij reeds eens den schako en tweemaal de schoenen van den onder-officier op den zoek gebracht; maar de lieden van den huize, wanneer er iets werd gemist, waren zeker het onder het bed van den zot terug te vinden.... Nevens deze sliep een Paus, die altoos statig rondwandelde, met eenen grooten houten sleutel in de linkerhand, terwijl hij met de andere niets deed dan zegeningen uitdeelen.
De derde vertelde van eene vrouw, die de onwrikbare overtuiging had, dat zij sedert lang was gestorven en zich in de andere wereld bevond. Ook zag zij in hare gezellen en in de burgers van Gheel niets dan spoken of zielen van overledenen, die, evenals zij, in hunnen aardschen vorm op het laatste oordeel wachtten. Den onder-officier deed zij echter eene bijzondere eer aan, want zij hield hem voor den aartsengel St.-Michiel in persoon.
Nog spraken zij van eenen afgedankten kapitein, die zich opper-generaal van het Nederlandsch leger waande; van een Lodewijk XVII, die beweerde aan zijnen bewaker Simon te zijn ontsnapt; van eenen ouden huissier, wien men niet uit het hoofd kon praten dat hij een weerwolf was, en van meer andere gevallen.
Waarschijnlijk dat zij, allengs door hunne eigene verhalen aangeprikkeld of volgens soldaten-gewoonte, de zaken begonnen te overdrijven en er wel iets van eigen vinding bijvoegden, want een hunner riep uit:
"Het schoonste zou ik nog vergeten! Wat mij gebeurd is, op den eersten dag mijner aankomst te Gheel, overtreft alles. Ik stond op de Markt; daar naderde mij een man met eene kroon van verguld papier op het hoofd, en langzaam en rechtop gaande, met geheimzinnige blikken en gebaren als een profeet. Ik twijfelde niet, of het moest een dier zotten zijn, welke zich keizer of koning wanen; maar hij stak den vinger gebiedend tot mij uit en zeide op plechtigen toon: 'Kniel en bid, ik ben God-de-zoon!'—Maar even ras kwam een andere zot toegeloopen, en deze riep met koddige verontwaardiging: 'Geloof hem niet, mijnheer; hij liegt. Ik ben God-de-vader en ik ken hem niet!'"
Dit vertelsel deed eenen langen schaterlach ontstaan. De fourier alleen bleef ernstig en was in het geheel niet tot vroolijkheid gestemd. Het lot dezer arme, ongelukkige menschen scheen hem zoo ellendig en beklagenswaardig, dat hij met eene soort van afkeer de scherts zijner makkers aanhoorde. Een onuitlegbaar gevoel van angstigheid ontstelde hem, en sedert eene wijl begon hij te zeggen, dat zijn uur om naar Moll terug te keeren was verschenen, en hij welhaast hun vaarwel zou moeten wenschen.
Hij drukte tevens met zooveel aandringen den wensch uit, door zijnen vriend, den sergeant, ten minste tot bij het gehucht Kevermont te worden vergezeld, dat deze met hem de herberg verliet.
Onderweg zeide de sergeant glimlachende:
"Ik doe u gaarne uitgeleide, gij twijfelt daar zeker niet aan; maar waarom scheen mijn gezelschap nu zoo bijzonder veel prijs voor u te hebben? Gij zijt vervaard van de zotten en gaat liever met twee dan alleen tot aan de palen der gemeente? Bedrieg ik mij?"
"Neen, het is wel zoo," antwoordde de fourier half beschaamd. "Ik weet niet wat ik heb, maar ik gevoel mij geheel ontsteld en ben niet op mijn gemak."
"Och, gij zijt nog altijd dezelfde droomer als toen wij te Borgerhout te zamen speelden. De wereld is nu zoo; wij hebben ze niet gemaakt en kunnen ze niet veranderen."
"Maar hoe is het mogelijk, sergeant, dat men lache en spotte met het ellendig lot der arme zotten? Het zijn toch menschen zooals wij."
"Misschien; wat ik evenwel heb opgemerkt, is, dat de krankzinnigheid der meesten onder hen slechts de straf van ijdelheid en hoogmoed is."
"Neen, sergeant, daarin bedriegt gij u zeker. Verlies van fortuin, liefdesverdriet, wonden aan het hoofd, ongeluk en tegenspoed, ziedaar de oorzaken welke den mensch van het verstand berooven."
"Gij gelooft het, fourier? Maar dan nog griffelt de verwaandheid en de ijdele hoogmoed zich op de eerste oorzaak. Wat zien wij hier anders dan Goden, pausen, keizers, koningen, oorlogshelden en millioenrijke lieden? Op weinige uitzonderingen na, niets dan hoogmoed en ijdelheid."
Zoo redekavelende, vervorderden de beide onder-officiers hunnen weg. Nog zagen zij vele zinneloozen; maar die, welke hen naderen wilden, hield de sergeant door zijnen strengen blik en dreigende gebaren achteruit, en zoo bereikten zij eindelijk het gehucht Kevermont, waar zij van elkander afscheid namen.
De sergeant keerde terug naar Gheel en de fourier, nadenkend en mismoedig, ging de baan naar Moll op.