Gospel,gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars:You must nottakehis wordsfor gospel= als de waarheid;That isgospel truth= de waarachtige waarheid;Gospeller= evangelist; voorlezer van het evangelie.Gossamer,gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier:Old lace, fine as gossamer; adj.Gossamery.Gosse,gos.Gossip,gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar;Gossipverb. babbelen, leuteren;Gossip-monger= wauwelaar;Gossiper; adj.Gossipy= praatziek, prettig keuvelend.Gossoon,gosûn, jongen, knecht.Got,got, imp. en part. perf. vanto get.Goth,goth, Goth, barbaar;Gothic= Gothisch, onbeschaafd; subst. Gothisch, Gothiek;Gothicism;Gothicize= Gothisch maken;Gothland.Gothamist,go(u)thəmist, bewoner v.GothaminNottinghamshire(ongeveer alsKampenofBœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).Gothard (St.),s’ntgothəd, St-Gothard.Gouge,gaudž,gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger (Amer.);Gougeverb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen;Gouge-slip= staal om beitels of gutsen te slijpen;Gouger.Gough,gof;Gould,gûld.Gourd,gûəd, waterflesch of karaf, pompoen;Gourdiness= gezwel, stijfheid;Gourdy= gezwollen (van paardepooten).Gourmand,gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.Gout,gaut, jicht, droppel;Gouty= jichtig, gezwollen.Gout,gû, smaak.Govern,gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren;Governable= bestuurbaar, volgzaam; subst.Governableness;Governess,gɐvənəs, subst. gouvernante;Governverb. gouvernante zijn:That pleases me better thangovernessing= dan voor gouvernante te spelen;Government[229]= bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj.Governmental;Governor= bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in stoommachines);Governorship.Gowan,gauən, madeliefje (Schotl.).Gower,gauə,gôə.Gown,gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit:Town and gown= studenten en professoren tegenover de stedelingen;Band and gown= toga en bef;Morninggown-= morgenjapon;Nightgown= nachtjapon;Gown-boys= leerlingen, die met kost, inwoning en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten;Gown(s)man= getabberde, student; burger.Gozzard,gosəd, ganzenhoeder, verbastering vanGoose-herd.Grab,grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië;Grabverb. grijpen (naar =at), pakken, vatten;Grabble= grabbelen, tasten, spartelen.Grace,greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel;Graceverb. begunstigen, versieren, vereeren:Theysaid grace= zij baden, dankten;Hedid it with a bad grace, with (a) good grace= onvriendelijk, vriendelijk, gepast;You mighthave the graceto offer me something= kon wel eens zoo vriendelijk zijn;Days of grace= loopdagen, respijtdagen;We had butten minutes’ grace= ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan;He wasin her good graces= bij haar in de gunst;The Graces= de (drie) Gratiën;In the year of grace 1894= in het jaar onzes Heeren 1894;Graceful= bevallig; subst.Gracefulness;Graceless= onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst.Gracelessness;Gracious,greišəs, genadig, gunstig;Good(ness) gracious= genadige goedheid, goeie hemel! subst.Graciousness.Gracile,gras(a)il, dun, slank.Gradation,grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj.Gradational;Gradatories,gradətəriz, subst. trap van uit een klooster naar eene kerk;Gradatory= geregeld opklimmend.Grade,greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken:These roads areat grade= waterpas, op dezelfde hoogte;Gradely,greidli, gepast, voegzaam.Gradient,greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj. trapsgewijze, geleidelijk.Gradual,gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. eenresponsegezongen na hetepistle, gradueel of graduale.Graduate,gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren; promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst.gradjuit, iemand met acad. graad; adj. =Graduated:Graduated income-tax= progressieve inkomstenbelasting;These lessons are carefullygraduated tothechildren’spowers= deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen;Graduation,gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping);Graduator,gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.Gradus,greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig.Gradus ad Parnassum).Graft,grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.);Graftverb. enten; zwoegen;Grafting-knife;Grafting-wax.Graham bread,greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe;Grahamite= vegetariër.Grail,greil, (Heilige) Graal.Grain,grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork, harpoen;Grainverb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk):He hasno grain of sense= geen greintje verstand;He hasa grain of allowance= hij krijgt maar een bitter beetje;Against the grain= tegen den draad in;Itgoes against the grainwith me= het stuit mij tegen de borst;First theyrubbedthe old managainst his grain,and then smoothed him down again= eerst maakten zij den ouden man kwaad;Thatis dyed in grain= in de wol geverfd;He isa rogue in grain= doortrapte schurk;Grains= afgewerkte mout:Grains of ParadiseParadijskorrels;Grain shipments= korenladingen;Grained= ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven);Grainer= schilder (die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog, looiersmes;Graining= looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk;Grain-staff,stâf, stok met vorkvormige uiteinden;Grainy= vol graan, korrels of pitten.Gram,gram, keker; gram.Gramercy,grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!Graminaceous,gramineišəs, grasachtig;Graminivorous,graminivərɐs, grasetend.Grammar,gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik;Grammar-school= gymnasium, Latijnsche school;Grammarian,grəmêriən, taalkundige;Grammatical,grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.Gramme,gram, gram (=15,432 troy grains).Gramophone,graməfoun, gramophoon.Grampian,grampiən:The Grampians=Grampian Hills, Mountains.Grampus,grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.Granada,granâdə.Granary,granəri, korenschuur, korenzolder.Grand,grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig:Theydo the grandat our expense= zij hangen den heer uit;Grand total= algemeen totaal;Grand-aunt= oud-tante;Grandchild= kleinkind;Granddaughter= kleindochter;Grand-duke= groothertog;Grandfather= grootvader;Grandfather’s clock= ouderwetsche staanklok;Grand-juror= lid van deGrand-jury= de jury, die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door depetty jury[230]verhoord word;Grand-master= grootmeester;Grandmother= grootmoeder;Grand-nephew= achterneef;Grand-niece= achternicht;Grand-seignior= (oude) titel van den Sultan van Turkije;Grand-stand= groote tribune (bij een wedstrijd);Grandsire= grootvader, voorvader;Grandson= kleinzoon;Grand-uncle= oudoom;Grand-vizier= grootvizier of eerste minister in Turkije;Grandam,grandəm, grootmoeder, oude vrouw;Grandee,grandî, grande (Spaansch edelman);Grande-garde,grandgâd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt;Grandeur,grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid;Grandiloquent,grandiləkwent,Grandiloquous,grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend;Grandiose,grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst.Grandiosity=Grandness.Grange,greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten, heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.);Grangers= Polit. Agrariërs (Amer.).Grangerize,greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit andere boeken vandaan gehaald.Graniferous,grənifərɐs, graandragend;Graniform,graniföm, korrelig (als graan);Granivorous,grənivərɐs, graanetend.Granite,granit, graniet; adj.Granitic.Granny,grani, grootje; ook:Grannam,gran’m.Grant,grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming, overdracht;Grantverb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen:There will be a grantas prayed= de eisch zal toegewezen worden;I claim a grantof letters of administration= ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd;God grant him success= God geve, dat hij slage;Let us grant itfor argument’s sake= laten wij het voor een oogenblik aannemen;Togrant a flavour to= een aangenamen geur (smaak) verleenen aan;I beg your pardon;Granted= ik vraag u excuus; gij hebt het;I take it for granted= ik houd het voor bewezen, uitgemaakt;Grantedyou are right= toegegeven, dat;Grants-in-aid= hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen;Grantable= inwilligbaar, overdraagbaar;Grantee,grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen; concessionaris;Granter= die toestaat of overdraagt;Grantor,grântə,grantö, die iets overdraagt of afstaat.Grantham,grant’m.Granular,granjulə, korrelachtig, korrelig;Granulate,granjuleit, granuleeren; greineeren; korrelig worden;Granule,granjûl, korreltje;Granulous,granjulɐs, vol korrels.Granville,granvil.Grape,greip, druif;Grapes= gezwel (op paardenhiel);Grape-shot= schroot;Grape-sugar= druivensuiker;Grape-stone= druivenpit;Grape-vine= wijndruif;Grapery= druivenkweekerij (-kas).Graphic(al),grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk;Graphology,grəfolədži, graphologie;Graphometer,grəfomətə, graphometer;Graphophone= klankschrijver.Graphite,grafait, graphiet.Grapnel,grapn’l, dreg; klein anker.Grapple,grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak;Grappleverb. aanklampen, vastgrijpen, vechten;Grapplement= worsteling van man tegen man;Grappling-iron= enterhaak.Grapy,greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven, druiven …Grasp,grâsp, subst. greep, houvast, bereik;Graspverb. vasthouden, grijpen, vatten, bezit nemen:He did notgrasp the situation= begreep niet;All grasp all lose= wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus;Grasper= grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon;Grasping= inhalig.Grass,grâs, subst. gras;Grassverb. met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen:We areat grass= vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd;Togo to grass= doodgaan; in de wei loopen (fig.);Go to grass= ruk uit!The horses wereput to (taken (in) to) grass= werden in de wei gedaan;Tosend to grass= neerslaan;What made himhavehis horseup from grass= waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan?He never lets the grass grow under his feet= laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan;While the grass grows, the steed starves= met hopen en verlangen alleen komt men er niet;Grass-blade= grassprietje;Grass-cloth= graslinnen;Grass-green, subst. graskleur; adj. grasgroen;Grass-grown= met gras begroeid;Grass-hand= (nood)letterzetter;Grass-hopper= sprinkhaan;Grass-plot= grasveld;Grass-widow= onbestorven weduwe; ongehuwde moeder;Grassy= met gras bedekt, groen.Grate,greit, subst. rooster, haard, traliewerk;Grateverb. van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen:Itgrates uponmy ears= het doet mijne ooren pijn;Grater,greitə, rasp;Grating,greitiŋ, subst. traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.Grateful,greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst.Gratefulness.Gratian,greiš’n, Gratianus;Gratiano,greišiânou.Gratification,gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging;Gratify,gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn:That must be verygratifying toyou= daarmede moet gij wel ingenomen zijn.Gratis,greitis, gratis.Gratitude,gratitjûd, dankbaarheid.Gratuitous,grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond; subst.Gratuitousness;Gratuity,grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.[231]Gratulate,gratjuleit;Gratulation;Gratulatory. ZieCongratulate.Gravamen,grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.Grave,greiv, subst. graf;Graveverb. graveeren, beitelen;Grave-clothes,greiv-kloudhz, lijkwade;Grave-digger,Grave-maker= doodgraver;Grave-mound= grafheuvel;Grave-stone= grafsteen;Grave-yard= kerkhof;Graveless= onbegraven;Graven= gesneden, gegraveerd;Graver,greivə, graveur, graveerstift.Grave,greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst.Graveness.Grave,greiv, schoonmaken van den bodem van een schip;Graving-dock= droogdok.Gravel,grav’l, subst. kiezel; graveel;Gravelverb. met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken:The editor wasGravelled for matter= de redacteur was verlegen om copie;Gravel-pit= kiezelkuil;Gravel-walk= kiezelpad, grintpad.Gravelin(e),gravəlîn, Grevelingen;Gravesend,greivzend.Gravid,gravid, zwanger.Gravitate,graviteit, (aan)getrokken worden, neigen:He isgravitating towardsconservatism= helt over, voelt zich aangetrokken tot;Gravitation= zwaartekracht;Gravity,graviti, zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht:Specific gravity= soortelijk gewicht;Centre of gravity= zwaartepunt.Gravy,greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).Gray,grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont, das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister;Graybeard= grijsaard; steenen kruik (Schotl.);Gray-fly= paardenvlieg;Gray-friar= Franciskaner monnik;Gray-mare= schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft).Grayling,greiliŋ, vlagzalm.Graze,greiz, subst. schaafje of schram(metje);Grazeverb. schaven, strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met;Grazer= grazend dier;Grazier,greižə, vetweider.Grease,grîs, subst. vet, smeer, kanen;Greaseverb.grîz,grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen:In the grease= ongezuiverd;We shalllet him stew in his own grease= in zijn eigen vet laten gaarkoken:Grease-box;Grease-man(=Greaser,grîzə) = smeerder; smeerlap; scheldn. v. een Mexicaan (Amer.);Grease-pot= vetpot; smeerpoes;Greasiness, subst. v.Greasy= vettig, besmeerd, vuil, mistig, modderig, zalvend.Great,greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste, dik, gezwollen, enz.:Webought them by the great= wij kochten ze in de massa;A great deal= zeer veel;A great many= vele;A great while= sedert lang;Great-coat= overjas;Great-goofGreats= examen voor de B.A. graad;Great-grand-aunt= overoudtante;Great-grandfather= overgrootvader;Great-grandson= achterkleinzoon;Great-hearted= dapper, grootmoedig;Herides the great horse= hij zit op zijn paardje (fig.);Great seal= grootzegel;Great Spirit= naam van het Opperwezen bij de Indianen;Greatness= grootheid, enz.Greaves,grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.Grecian,grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse inChrist’s Hospital(Londen); adj. Grieksch;Grecianize,grîšənaiz, vergriekschen;Grecism,grîsizm, Grieksch idioom;Grecize,grîsaiz, in het Grieksch vertalen, vergriekschen.Gre(e)be,grîb, fuut.Greece,grîs, Griekenland.Greed,grîd, hebzucht, begeerigheid =Greediness; adj.Greedy= begeerig, schrokkig:Greedy of honour= eerzuchtig;Greedy-gut= schrokker, slokop.Greek,grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch;Greek met Greek= twee Joden weten wat een bril kost;Greek Church= de Grieksche kerk;Greek cross= kruis met vier gelijke armen;Greek fire= Grieksch vuur;Greek orders= de Dorische, Ionische en Korintische bouwstijl.Green,grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel;Greens= groenten;Greenverb. groen maken of worden:Do you see any green in my eye= zie ik er zoo onnoozel uit?On the green side of fifty= onder de 50 jaar;Greenback= Amer. bankbiljet;Green cloth= speeltafel:Board of green cloth= een soort van Hof-Rechtbank onder den Hofmaarschalk; biljart;Green-coloured= bleek, ziekelijk;Green-crop= groenteoogst;Green-eyed= groenoogig; ijverzuchtig, jaloersch, achterdochtig:The green-eyed monster= de jaloerschheid;Greenhand= nieuweling;Green-finch= groenling, vlasvink;Green-fly= groene vlieg; bladluis;Greenfoil; zieFoil:Green foil smalls= groenkleurige korte broek;Greengage= reine claude, groene pruim;Greengrocer= handelaar in groenten;Greenhorn= nieuweling, sul;Greenhouse= oranjerie, broeikas;Greenland(er)= Groenland(er);Green-room= kamer voor de niet optredende acteurs;Greensickness= bleekzucht;Green-stall= groentenstalletje;Green-sward= grasveld;Greenwood= woud in den zomer;Greenery,grînəri, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden;Greenhood= onrijpheid, onervarenheid;Greenish= groenachtig; groen (fig.);Greenness= groenheid, jeugd, onervarenheid;Greeny=Greenish.Greenwich,grînidž.Greet,grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen (Schotl.);Greeting= groet.Gregarious,grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst.Gregariousness.Gregorian,grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek);Gregory,gregəri, Gregorius.Grein,grîn.Gremial,grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek(die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop, als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen,[232]op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.Gremio,grîmiou,gremiou.Grenada,grəneidə.Grenade,grəneid, granaat;Grenadier,grenədîə, grenadier.Grenadine,grenədîn,grenədin, grenadine.Gresham,grešəm;Greville,grevil.Grew,grû, imperf. vanTo grow.Grewel,grûəl, straffen, verslaan.Grewsome,grûs’m, ijselijk, leelijk.Grey,grei, grijs (ZieGray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel;Greyverb. grijs maken of worden;Thegrey mare= vrouw, die de broek aan heeft;The Greys= Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden alle schimmels zijn=Scots Greys);Grey-bird= lijster;Grey-hound= hazewind; snelvarende stoomboot (=Ocean grey-hound);Greyish= grijsachtig;Greyness= grijsheid.Grice,grais, speenvarken, jonge das.Griddle,grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef;Griddle-cake= soort pannekoek (Amer.).Gride,graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.Gridiron,gridaiən, rooster; vlag derU. S.;Gridiron-pendulum= compensatieslinger.Grief,grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging:The bridge hascome to grief= is zeer bouwvallig;Hecame to grief= het liep verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het liep slecht met hem af;Hecame to grief overthis obstacle= deze hinderpaal brak hem den nek;Grievance,grîv’ns, grief, bezwaar; leed, kommer:Grief-monger= eeuwige mopperaar, brompot;Grieve,grîv, bedroeven, smarten, krenken, (be)treuren:Tobe grieved at= betreuren, treuren over;Grievous,grîvəs, smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig; subst.Grievousness.Griffe,grif, kind van een neger en eene mulattin.Griffin,grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in Indië is gekomen).Griffith,grifith.Griffon,grifən, affenpinscher.Grig,grig, krekeitje; smelt:As merry as a grig= zoo vroolijk als een vogeltje, erg gezellig.Grill,gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch;Grillverb. roosteren, braden (ookfig.);Grill-room= soort “lunchroom”, restaurant.Grillage,grilidž, roosterwerk (als fundeering).Grille,gril, traliewerk.Grilse,grils, jonge zalm (tweede jaar).Grim,grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst.Grimness.Grimace,grimeis, grijns;Grimaceverb. grijnzen.Grimalkin,grimalkin,grimôlkin, oude kat.Grime,graim, subst. vuil, roet;Grimeverb. bevuilen;Grimy= vuil.Grimm’s law,grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.Grin,grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val;Grinverb. grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen:Togrin and bear it= zich goed houden.Grind,graind, subst. het malen, blokken, ploeteren;Grindverb. malen, slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen, drillen (voor een examen), blokken:It is a frightful grind= een verschrikkelijke toer;A man cannot be alwayson the grind= kan niet altijd ingespannen wezen;He ground the faces of the poor= onderdrukte de armen (Jesaja III, 15);Do notgrind your teeth= knars niet met de tanden;The employergroundusdown= buitte ons uit;Two numbers have beenground offthe wheel= twee nummers (van het tijdschrift) zijn afgewerkt;Grindstone,graindstounofgrin(d)stən, slijpsteen:He haskept his nose to the grindstone= heeft zich afgebeuld;I have beentied to the grindstoneduring the last weeks= door veel werk erg gebonden geweest;Grinder= onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker:He took a grinder= bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide (als om te zeggen: ik maal er wat om);Grindery= slijperij; schoenmakersmateriaal, magazijn daarvan;Grinding= nijpend:Grinding poverty.Grip,grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam voorinfluenzain Amerika;Gripverb. grijpen, goed vasthouden, droogleggen, greppels graven:He hada feeble grip ofmy idea= begreep mij maar half;Take a good grip onthat= onthoud dat goed;Grip-sack= reis of knapzak (Amer.)Gripper= gierigaard;Gripple,grip’l, subst. greep, houvast; adj. grijpend, inhalig.Gripe,graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt, knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek;Gripeverb. grijpen, goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind liggen;Gripes= koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen;He feltgriping painsin the belly= ondragelijke buikpijn;Griper,graipə, afperser, onderdrukker.Griqualand,grîkwəland, in Zuid-Afrika.Griselda,griseldə,Grissel, gris’l, Griselda.Griseous,grisiəs, grauw, grijsachtig.Grisette,grizet, grisette.Grisliness,grizlinəs, gruwelijkheid;Grisly,grizli, akelig, vreeselijk, afschuwelijk; ZieGrizzly.Grisongrais’n, kleine veelvraat (soort marter).Grisons (The),dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.Grist,grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad:Such thingsbring grist to his mill= zulke zaken brengen hem voordeel aan;That’s grist to his mill= koren op zijn molen;Grist-mill= korenmolen.Gristle,gris’l, kraakbeen:In the gristle= jong en weerloos;Gristly= kraakbeenachtig.Grit,grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijkmeervoud), grof deel van meel, gruis,[233]ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed;Gritverb. knarsen, krassen, wrijven:Theyhad not grit enoughto do it= geen flink heid;Her father isfull of grit and go= is een kranige, vooruitstrevende kerel =There is grit in him;All Americansof the true grit= van de echte (energieke) soort;I gritted my teeth;Grit-stone= grof soort v. zandsteen;Grittiness, subst. vanGritty= gruis bevattend, korrelig, hard; flink, kranig (Amer.):Agrittynovel= pittige roman.Grizzle,griz’l, grauwe kleur;Grizzleverb. grijs worden (maken);Grizzled= grijs, grauw, geschimmeld.Grizzly,grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer:I will send you a skin, if I have any luck with thegrizzlies= als ik succes heb op mijne berenjacht;Grizzly-bear= N. Amer. beer.Groan,groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen gevend);Groanverb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).Groat,grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid:Not worth a groat.Groats,grouts, grutten.Grocer,grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier;Groceries= kruidenierswaren;Grocery= kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).Grog,grog, grog;Grog-blossom= roode neus of gezicht;Grog-fight= zuipen;Grog-shop= kroeg =Groggery(Amer.);Grogginess, subst. v.Groggy= dronken; wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).Grogram,grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.Groin,grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf;Groined.Gromet,gromət,grɐmət, strop:Gromet of an oar= krans (van touwwerk).Groom,grûm,subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige hofofficianten;Groomverb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen, enz.):Groom of the stole= opperkamerheer;He waswell groomedand trimly clad= zag er zeer verzorgd uit;Groomsman= bruidsjonker.Groove,grûv, groef, voor, levensloop, sleur;Grooveverb. groeven of voren maken:He hadgot into the groove ofthat kind of life= was gewoon geraakt aan;Teaching tends tofall into grooves= wordt gemakkelijk sleurwerk;A groove in teachingis fatal= sleur bij het onderwijs is noodlottig.Grope,group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden (ook metback), in den blinde rondtasten:She had been walking ingrope-lighttowards a precipice= tastende (in het donker).Gros,grou, zware zijden, stof (Gros de Naples); oud Fransch muntstukje.Gross,grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat, gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa, geheel, hoofdbestanddeel:In the gross= in ’t algemeen, bij de roes, en gros, bruto;Gross-headed= met een dikkop; dom, stomp;Gross-weight= brutogewicht;Grossness= dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid, ruwheid, domheid, afschuwelijkheid.Grossulaceous,grosiuleišəs,Grossular,grosiulə, tot de kruisbessen behoorend; subst. groene granaat.Grosvenor,grouvənə.Grotesque,grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst. grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst.Grotesqueness.Grotius,groušəs, Hugo de Groot.Grotto,grotou, subst. grot, hol;Grotto-work= kunstmatig grotwerk.Ground,graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied, grondtoon; P. Imperf. en P.P. vanto grind;Groundverb. op of in den grond plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten, onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (Ground arms), aan den grond of vast raken (schepen):Ground glass= matglas;Grounds= tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop, koffiedik, grondkleur:The grounds will be cleared at ten= de tuin of het park wordt om 10 uur ontruimd;We havebroken ground already= wij hebben al een begin gemaakt;He hascut the ground from under my feet= hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid;Hechanged his ground= veranderde van positie, methode, etc.;The plan hasfallen to the ground= is in duigen gevallen;We have gained ground= wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen;That idea seemsto gain ground= schijnt veld te winnen, algemeen te worden;They havelost ground= zij zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren;Our troops bravelystood their ground= hielden moedig stand;Ground-angling= visschen met grondangel;Ground-ash= esschescheut(-stek);Ground-bailiff= mijnopzichter;Ground-bait= vischaas;Ground-bridge= brug van houten dwarsliggers door een moeras (Amer.; ZieCorduroy-road);Ground-floor= benedenverdieping;Ground-ice= grondijs;Ground-ivy= hondsdraf;Ground-oak= eikenloot;Ground-plan= platte grond;Ground-plate= raam, grond-(fundatie), plaat, zool;Ground-plot= bouwterrein, platte grond;Ground-rent= grondrente;Ground-sea,Ground-swell= grondzee;Ground-tackle= ankertouwen, -kettingen;Ground-tier= benedenloges (in een theater);Groundwork= grond, grondslag, grondbeginsel, geraamte (van iets);Grounded:Well grounded= goed onderlegd;Groundless= ongegrond: subst.Groundness;Groundling= kleine modderkruiper, bermpje:TheGroundlings= parterrebezoekers, het plebs.Groundage,graundidž, liggeld (v. schepen).Groundsel,graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie =Groundsill,graundsil.Group,grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie);Groupverb. groepeeren.Grouse,graus, korhoen (Black grouse); sneeuwhoen (Red grouse);Grouseverb. schieten opgrouse; huiveren, morren.Grout,graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk;Grout ale= soort bier;Grouts=[234]grutten (brij); droesem;Grouty,grauti, norsch, verdrietig.Grove,grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.):Image of the grove,zie2 Kon. XXI, 7.Grovel,grov’l, (op de aarde) kruipen (ookfig.); liederlijk zijn;Groveller= kruiper, ploert.Grow,grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen, aankleven, kweeken, voortbrengen:The leafgrows out ofthe stem= komt voort uit;Hegrew up tomanhood= bereikte den mannelijken leeftijd;The bookgrows uponthe reader= des lezers belangstelling in het boek neemt bij het lezen toe;Drinking willgrow upona man= de gewoonte van drinken wordt gewoonlijk sterker;Hegrows a moustache= laat zijn snor staan;They havegrown together= zijn volkomen één geworden;Grower= verbouwer:Slow growers= langzaam groeiende boomen;Growing weather= groeizaam weer;Growing-ups= aankomende jongelui;Grown= gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld:Afull-grown man= volwassen man;Over half-grown= meer dan half volwassen;Two thirds grown;When you aregrown= groot;The ground wasgrown overwith weeds= bedekt met onkruid;Growth= groei, toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel, oorsprong:Winesof good growth;Of one’s own growth= zelf gekweekt.Growl,graul, subst. geknor, gebrom, geklaag;Growlverb. brommen, snauwen, knorren;Growler= brompot; rammelkast;Growlery= studeerkamertje.Grub,grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en slordig persoon, voedsel;Grubverb. (op)graven, uitgraven, ploeteren; blokken, schransen, voeren:He knelt down a grub, and rose a butterfly= toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een ridder;An intermediate grub betweensycophant and oppressor= een nieteling tusschen vleier en tiran;In grub= druk aan ’t werk;He isfond of his grub= hij houdt veel van eten;Grub and bub= eten en drinken;Grubber= schranser, blokker, schoffel;Grubbery= volksgaarkeuken;Money grubbing= geldschrapend;Grubbing-axe (Grub-hoe)= schoffel;Grubby= onzindelijk, vuil, versleten, dwergachtig.Grub Street,grɐbstrît, subst. de tegenwoordigeMilton Street(in Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook: nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig, nietswaardig.Grudge,grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst;Grudgeverb. wrok koesteren, onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien, aanmerkingen maken op:Hebears me a grudge= heeft een wrok tegen mij;I owe you a grudgefor doing this= ik ben boos op je, datje …;He grudges himself nothing= ontzegt zich niets;He grudges me the light of my eyes= hij gunt mij … niet;Grudger= afgunstige, brompot;Grudgingly= ongaarne.Gruel,grûəl, gruwel of pap:I havegiven him his gruel= ik heb hem zijn vet gegeven;Take your gruellike a man= houd je taai.Gruesome,grûs’m. ZieGrewsome.Gruff,grɐf, norsch, barsch, ruw;Gruffish; subst.Gruffness.Grugru,grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.Grum,grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.Grumble,grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (Grumbles= ontevreden aard):He had a grumble to himself= mopperde in zichzelf;Grumbler= knorrepot, brompot =Grumbletonian;Grumbly= knorrig.Grummet,grɐmət=Gromet.Grumous,grûməs, geklonterd, geronnen; subst.Grumousness.Grumpiness,grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid; adj.Grumpish,Grumpy.Grundel,grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.Grundy,grɐndi:Mrs. Grundy= de kritiseerende kwaadsprekende wereld:What will Mrs. Grundy say?= wat zal de wereld er wel van zeggen?Grunt,grɐnt, subst. geknor;Gruntverb. knorren, brieschen, klagen, brommen;Grunter= varken;Gruntling= jong varken.Grysbok,graisbok, Zuid-Afr. antilope.Guaniferous,gwânifərɐs, guano opleverend;Guano,gwânou,gjuanou, subst. guano;Guanoverb. met guano bemesten.Guarantee,gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid;Guaranteeverb. waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor:This guarantees you in the possession of your property= waarborgt u;Guarantor,gar’ntə,gar’ntö, borg;Guaranty,gar’ntî; ZieGuarantee.Guard,gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer (ankle-guard), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm (Guards= garde in het leger);Guardverb. bewaken, behoeden, beschermen, zich hoeden:Iam off my guard= ben niet op mijn hoede;Be (stand) on your guard= wees op uw hoede;Hekept guardover me= bewaakte mij;The soldiersmounted guard= betrokken de wacht;Heput me on my guard= waarschuwde mij;Hethrew me off my guard= hij wiegde me in slaap, verschalkte me;Torelieve the guard= de wacht aflossen;The advanced guardhad to defend the bridge= de voorhoede moest de brug verdedigen;You mustguard againstmistakes= gij moet oppassen voor fouten;Guard-boat= wachtboot;Guard-house= wachthuis;Guard-room= wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal;Guard-ship= wachtschip;Guardsman,gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de garde;Guarded(ly)= omzichtig;Guardian,gâdj’n, voogd, opziener, bewaarder, geleider:Guardians of the poor= armvoogden;Guardian-angel= beschermengel;Guardianship= voogdij.Guatemala,gwâtəmâla,gôtəmâla;Guayana,gwaiâna.Gude-wife,gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).[235]Gudgeon,gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel, lokaas; adj. dom.Guebre,Gueber,gîbə,geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.Guelders,geldəz,Guelderland,geldəland, Gelderland.Guelf,Guelph,gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z.Ghibelline);Guelfic= tot de Guelfen behoorende;Guelfic-order= ridderorde voor het oude Hannover (in 1815 ingevoerd).Guerdon,gɐ̂d’n, belooning.Guer(r)illa,gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.Guernsey,gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.Guess,ges, subst. gis, gissing;Guessverb. gissen, onderstellen, raden:Hegave a guess at it= hij raadde er naar;I’ll give you a hundred guesses, and you won’t be on it= ik zet het je het te raden;I guess= ik geloof, ik denk (Amer.);He guessed at it= hij raadde er naar;Guess-work= gissing, onderstelling.Guest,gest, gast, logeergast;Guest-chamber.Guffaw,gəfô, subst. luide lach;Guffawverb. brullen (van lachen).Guggle,gɐg’l. ZieGurgle.Guiana,giâna.Guidable,gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar;Guidance,gaid’ns, geleide, richting, bestuur;Guide,gaid, subst. gids, geleider, bestuurder, regulateur, reisgids;Guideverb. geleiden, besturen, leiden:Guide-board= wegwijzer;Guide-book= reisgids;Guide-post= wijspaal, wegwijzer;Guider= leider (Zie ook:Guidon).Guidon,gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.Guild,gild, gilde, vereeniging:Guild-brother= gildebroeder;Guild-hall= gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert;Guilder= gulden (Nederl.);Guildry= gilde (Schotl.).Guildenstern,gildənstɐ̂n;Guildford,gilfəd.Guile,gail, bedrog, list, valschheid;Guileful= arglistig; subst.Guilefulness;Guileless= argeloos; subst.Guilelessness.Guillotine,gilətîn, subst. guillotine;Guillotineverb.gilətîn, guillotineeren.Guills,gilz, gele ganzebloem.Guilt,gilt, schuld, misdaad;Guiltiness= schuld, strafbaarheid;Guiltless= onschuldig, onschadelijk; subst.Guiltlessness;Guilty= schuldig:He wasguilty ofthat theft= schuldig aan;Helooked guilty-like= hij zag er uit, alsof hij schuldig was.Guinea,gini, subst. guinje (=21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea;Guinea-corn= doerrah; panikkoorn;Guinea-fowl= paarlhoen;Guinea-grains= paradijskorrels;Guinea-pepper= Spaansche peper;Guinea-pig= Guineesch biggetje; waterzwijn; iemand, die zijn naam leent voor industrieele ondernemingen en oorspronkelijk eenguineaals presentiegeld ontving.Guinevere,gwinəv(î)ə, Ginevra.Guise,gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier:In the guise (light) of= bij wijze van.Guitar,gitâ, guitaar.Gulch,gɐlš, diep ravijn (Amer.).Gulden,guld’n, Oostenrijksche florijn.Gules,gjûlz, rood, keel (Herald.).Gulf,gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste nummer op de lijst der geslaagden bij hetMathem. Tripos(Camb.):There is a great gulf fixed between the two;Gulf-stream= golfstroom.Gull,gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals;Gullverb. bedriegen, beetnemen;Gull-catcher= bedrieger, kwartjesvinder;Gullible= gemakkelijk beet te nemen; subst.Gullibility.Gullet,gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).Gully,gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail;Gullyverb. met geraas stroomen;Gully-hole= rioolgat.Gulp,gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking;Gulpverb. met groote teugen inzwelgen, slokken:Hegulped upwhat he had taken= braakte uit;They area brace of gulpings= stelletje drinkebroers.Gum,gɐm, subst. tandvleesch; gom;Gumverb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.):Gum arabic= Arab. gom;Gumboil= zweertje op het tandvleesch;Gum elastic= caoutchouc;Gum-rash= hittepuistjes;Gumsuck= bedriegen (Amer.);Gumsucker= jonge Australiër van Europ. afkomst;Gum-trees= soorten v. Eucalyptus en Acacia;Gumminess, subst. v.Gummy= gomachtig, kleverig, gom bevattend;Gummy!= jeminé!That is gummy= bijna ongeloofelijk, en toch waar.Gump,gɐmp, sul, dwaze kerel.Gumption,gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid;The boys had to write agumption paper= opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen;Gumptionless= dom;Gumptious,gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.Gun,gɐn, subst. geweer, kanon;Gunverb. schieten, jagen:He isa big gun= invloedrijk persoon, groote hans;Son of a gun= pierewaaier (humor.), lammeling;It isas sure as a gun= zoo zeker als 2 × 2;The guns were brought to bear onthe enemy’s ships= werden gericht;Toblow great guns= stormen;Wespiked their guns= vernagelden;Theystood to their guns= bleven standvastig (het geschut bedienen);Gun-barrel= loop van een kanon of geweer;Gun-battery= batterij (van kanonnen);Gunboat= kanonneerboot;Gun-carriage= affuit;Gun-cotton= schietkatoen;Gun-fire= uur van het morgen- en avondschot;Gun-foundry= gieterij;Gun-metal= geschutmetaal;Gunpowder= buskruit; fijne groene thee:The Gunpowder Plot= samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen;Gun-rack= geweerrek(-rak);Gun-reach= kanon- of geweerschotsafstand:He iswithin gun-reach= op kanon- of geweerschotsafstand (ook:Gun-shot) = hij[236]is onder schot;Gun-rod= laadstok;Gun-room= verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip;Gun-shot= geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer;Gunsmith= geweermaker;Gunsmithery= geweermakerskunst, -vak;Gun-stock= geweerlade;Gun-tackle= geschuttalie;Gunned:Heavily gunned= met zwaar geschut;Guner= artillerist, kanonier;Guner’s ladle= laadlepel;Gunnery= artillerie wetenschap;Gunnery-lieutenant= luitenant die, na eenGunnery-courseop eenGunnery-shipte hebben bijgewoond, in het bezit is van eenwarrantdaarvan.
Gospel,gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars:You must nottakehis wordsfor gospel= als de waarheid;That isgospel truth= de waarachtige waarheid;Gospeller= evangelist; voorlezer van het evangelie.Gossamer,gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier:Old lace, fine as gossamer; adj.Gossamery.Gosse,gos.Gossip,gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar;Gossipverb. babbelen, leuteren;Gossip-monger= wauwelaar;Gossiper; adj.Gossipy= praatziek, prettig keuvelend.Gossoon,gosûn, jongen, knecht.Got,got, imp. en part. perf. vanto get.Goth,goth, Goth, barbaar;Gothic= Gothisch, onbeschaafd; subst. Gothisch, Gothiek;Gothicism;Gothicize= Gothisch maken;Gothland.Gothamist,go(u)thəmist, bewoner v.GothaminNottinghamshire(ongeveer alsKampenofBœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).Gothard (St.),s’ntgothəd, St-Gothard.Gouge,gaudž,gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger (Amer.);Gougeverb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen;Gouge-slip= staal om beitels of gutsen te slijpen;Gouger.Gough,gof;Gould,gûld.Gourd,gûəd, waterflesch of karaf, pompoen;Gourdiness= gezwel, stijfheid;Gourdy= gezwollen (van paardepooten).Gourmand,gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.Gout,gaut, jicht, droppel;Gouty= jichtig, gezwollen.Gout,gû, smaak.Govern,gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren;Governable= bestuurbaar, volgzaam; subst.Governableness;Governess,gɐvənəs, subst. gouvernante;Governverb. gouvernante zijn:That pleases me better thangovernessing= dan voor gouvernante te spelen;Government[229]= bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj.Governmental;Governor= bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in stoommachines);Governorship.Gowan,gauən, madeliefje (Schotl.).Gower,gauə,gôə.Gown,gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit:Town and gown= studenten en professoren tegenover de stedelingen;Band and gown= toga en bef;Morninggown-= morgenjapon;Nightgown= nachtjapon;Gown-boys= leerlingen, die met kost, inwoning en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten;Gown(s)man= getabberde, student; burger.Gozzard,gosəd, ganzenhoeder, verbastering vanGoose-herd.Grab,grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië;Grabverb. grijpen (naar =at), pakken, vatten;Grabble= grabbelen, tasten, spartelen.Grace,greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel;Graceverb. begunstigen, versieren, vereeren:Theysaid grace= zij baden, dankten;Hedid it with a bad grace, with (a) good grace= onvriendelijk, vriendelijk, gepast;You mighthave the graceto offer me something= kon wel eens zoo vriendelijk zijn;Days of grace= loopdagen, respijtdagen;We had butten minutes’ grace= ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan;He wasin her good graces= bij haar in de gunst;The Graces= de (drie) Gratiën;In the year of grace 1894= in het jaar onzes Heeren 1894;Graceful= bevallig; subst.Gracefulness;Graceless= onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst.Gracelessness;Gracious,greišəs, genadig, gunstig;Good(ness) gracious= genadige goedheid, goeie hemel! subst.Graciousness.Gracile,gras(a)il, dun, slank.Gradation,grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj.Gradational;Gradatories,gradətəriz, subst. trap van uit een klooster naar eene kerk;Gradatory= geregeld opklimmend.Grade,greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken:These roads areat grade= waterpas, op dezelfde hoogte;Gradely,greidli, gepast, voegzaam.Gradient,greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj. trapsgewijze, geleidelijk.Gradual,gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. eenresponsegezongen na hetepistle, gradueel of graduale.Graduate,gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren; promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst.gradjuit, iemand met acad. graad; adj. =Graduated:Graduated income-tax= progressieve inkomstenbelasting;These lessons are carefullygraduated tothechildren’spowers= deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen;Graduation,gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping);Graduator,gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.Gradus,greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig.Gradus ad Parnassum).Graft,grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.);Graftverb. enten; zwoegen;Grafting-knife;Grafting-wax.Graham bread,greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe;Grahamite= vegetariër.Grail,greil, (Heilige) Graal.Grain,grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork, harpoen;Grainverb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk):He hasno grain of sense= geen greintje verstand;He hasa grain of allowance= hij krijgt maar een bitter beetje;Against the grain= tegen den draad in;Itgoes against the grainwith me= het stuit mij tegen de borst;First theyrubbedthe old managainst his grain,and then smoothed him down again= eerst maakten zij den ouden man kwaad;Thatis dyed in grain= in de wol geverfd;He isa rogue in grain= doortrapte schurk;Grains= afgewerkte mout:Grains of ParadiseParadijskorrels;Grain shipments= korenladingen;Grained= ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven);Grainer= schilder (die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog, looiersmes;Graining= looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk;Grain-staff,stâf, stok met vorkvormige uiteinden;Grainy= vol graan, korrels of pitten.Gram,gram, keker; gram.Gramercy,grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!Graminaceous,gramineišəs, grasachtig;Graminivorous,graminivərɐs, grasetend.Grammar,gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik;Grammar-school= gymnasium, Latijnsche school;Grammarian,grəmêriən, taalkundige;Grammatical,grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.Gramme,gram, gram (=15,432 troy grains).Gramophone,graməfoun, gramophoon.Grampian,grampiən:The Grampians=Grampian Hills, Mountains.Grampus,grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.Granada,granâdə.Granary,granəri, korenschuur, korenzolder.Grand,grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig:Theydo the grandat our expense= zij hangen den heer uit;Grand total= algemeen totaal;Grand-aunt= oud-tante;Grandchild= kleinkind;Granddaughter= kleindochter;Grand-duke= groothertog;Grandfather= grootvader;Grandfather’s clock= ouderwetsche staanklok;Grand-juror= lid van deGrand-jury= de jury, die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door depetty jury[230]verhoord word;Grand-master= grootmeester;Grandmother= grootmoeder;Grand-nephew= achterneef;Grand-niece= achternicht;Grand-seignior= (oude) titel van den Sultan van Turkije;Grand-stand= groote tribune (bij een wedstrijd);Grandsire= grootvader, voorvader;Grandson= kleinzoon;Grand-uncle= oudoom;Grand-vizier= grootvizier of eerste minister in Turkije;Grandam,grandəm, grootmoeder, oude vrouw;Grandee,grandî, grande (Spaansch edelman);Grande-garde,grandgâd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt;Grandeur,grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid;Grandiloquent,grandiləkwent,Grandiloquous,grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend;Grandiose,grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst.Grandiosity=Grandness.Grange,greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten, heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.);Grangers= Polit. Agrariërs (Amer.).Grangerize,greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit andere boeken vandaan gehaald.Graniferous,grənifərɐs, graandragend;Graniform,graniföm, korrelig (als graan);Granivorous,grənivərɐs, graanetend.Granite,granit, graniet; adj.Granitic.Granny,grani, grootje; ook:Grannam,gran’m.Grant,grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming, overdracht;Grantverb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen:There will be a grantas prayed= de eisch zal toegewezen worden;I claim a grantof letters of administration= ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd;God grant him success= God geve, dat hij slage;Let us grant itfor argument’s sake= laten wij het voor een oogenblik aannemen;Togrant a flavour to= een aangenamen geur (smaak) verleenen aan;I beg your pardon;Granted= ik vraag u excuus; gij hebt het;I take it for granted= ik houd het voor bewezen, uitgemaakt;Grantedyou are right= toegegeven, dat;Grants-in-aid= hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen;Grantable= inwilligbaar, overdraagbaar;Grantee,grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen; concessionaris;Granter= die toestaat of overdraagt;Grantor,grântə,grantö, die iets overdraagt of afstaat.Grantham,grant’m.Granular,granjulə, korrelachtig, korrelig;Granulate,granjuleit, granuleeren; greineeren; korrelig worden;Granule,granjûl, korreltje;Granulous,granjulɐs, vol korrels.Granville,granvil.Grape,greip, druif;Grapes= gezwel (op paardenhiel);Grape-shot= schroot;Grape-sugar= druivensuiker;Grape-stone= druivenpit;Grape-vine= wijndruif;Grapery= druivenkweekerij (-kas).Graphic(al),grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk;Graphology,grəfolədži, graphologie;Graphometer,grəfomətə, graphometer;Graphophone= klankschrijver.Graphite,grafait, graphiet.Grapnel,grapn’l, dreg; klein anker.Grapple,grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak;Grappleverb. aanklampen, vastgrijpen, vechten;Grapplement= worsteling van man tegen man;Grappling-iron= enterhaak.Grapy,greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven, druiven …Grasp,grâsp, subst. greep, houvast, bereik;Graspverb. vasthouden, grijpen, vatten, bezit nemen:He did notgrasp the situation= begreep niet;All grasp all lose= wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus;Grasper= grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon;Grasping= inhalig.Grass,grâs, subst. gras;Grassverb. met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen:We areat grass= vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd;Togo to grass= doodgaan; in de wei loopen (fig.);Go to grass= ruk uit!The horses wereput to (taken (in) to) grass= werden in de wei gedaan;Tosend to grass= neerslaan;What made himhavehis horseup from grass= waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan?He never lets the grass grow under his feet= laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan;While the grass grows, the steed starves= met hopen en verlangen alleen komt men er niet;Grass-blade= grassprietje;Grass-cloth= graslinnen;Grass-green, subst. graskleur; adj. grasgroen;Grass-grown= met gras begroeid;Grass-hand= (nood)letterzetter;Grass-hopper= sprinkhaan;Grass-plot= grasveld;Grass-widow= onbestorven weduwe; ongehuwde moeder;Grassy= met gras bedekt, groen.Grate,greit, subst. rooster, haard, traliewerk;Grateverb. van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen:Itgrates uponmy ears= het doet mijne ooren pijn;Grater,greitə, rasp;Grating,greitiŋ, subst. traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.Grateful,greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst.Gratefulness.Gratian,greiš’n, Gratianus;Gratiano,greišiânou.Gratification,gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging;Gratify,gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn:That must be verygratifying toyou= daarmede moet gij wel ingenomen zijn.Gratis,greitis, gratis.Gratitude,gratitjûd, dankbaarheid.Gratuitous,grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond; subst.Gratuitousness;Gratuity,grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.[231]Gratulate,gratjuleit;Gratulation;Gratulatory. ZieCongratulate.Gravamen,grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.Grave,greiv, subst. graf;Graveverb. graveeren, beitelen;Grave-clothes,greiv-kloudhz, lijkwade;Grave-digger,Grave-maker= doodgraver;Grave-mound= grafheuvel;Grave-stone= grafsteen;Grave-yard= kerkhof;Graveless= onbegraven;Graven= gesneden, gegraveerd;Graver,greivə, graveur, graveerstift.Grave,greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst.Graveness.Grave,greiv, schoonmaken van den bodem van een schip;Graving-dock= droogdok.Gravel,grav’l, subst. kiezel; graveel;Gravelverb. met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken:The editor wasGravelled for matter= de redacteur was verlegen om copie;Gravel-pit= kiezelkuil;Gravel-walk= kiezelpad, grintpad.Gravelin(e),gravəlîn, Grevelingen;Gravesend,greivzend.Gravid,gravid, zwanger.Gravitate,graviteit, (aan)getrokken worden, neigen:He isgravitating towardsconservatism= helt over, voelt zich aangetrokken tot;Gravitation= zwaartekracht;Gravity,graviti, zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht:Specific gravity= soortelijk gewicht;Centre of gravity= zwaartepunt.Gravy,greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).Gray,grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont, das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister;Graybeard= grijsaard; steenen kruik (Schotl.);Gray-fly= paardenvlieg;Gray-friar= Franciskaner monnik;Gray-mare= schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft).Grayling,greiliŋ, vlagzalm.Graze,greiz, subst. schaafje of schram(metje);Grazeverb. schaven, strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met;Grazer= grazend dier;Grazier,greižə, vetweider.Grease,grîs, subst. vet, smeer, kanen;Greaseverb.grîz,grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen:In the grease= ongezuiverd;We shalllet him stew in his own grease= in zijn eigen vet laten gaarkoken:Grease-box;Grease-man(=Greaser,grîzə) = smeerder; smeerlap; scheldn. v. een Mexicaan (Amer.);Grease-pot= vetpot; smeerpoes;Greasiness, subst. v.Greasy= vettig, besmeerd, vuil, mistig, modderig, zalvend.Great,greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste, dik, gezwollen, enz.:Webought them by the great= wij kochten ze in de massa;A great deal= zeer veel;A great many= vele;A great while= sedert lang;Great-coat= overjas;Great-goofGreats= examen voor de B.A. graad;Great-grand-aunt= overoudtante;Great-grandfather= overgrootvader;Great-grandson= achterkleinzoon;Great-hearted= dapper, grootmoedig;Herides the great horse= hij zit op zijn paardje (fig.);Great seal= grootzegel;Great Spirit= naam van het Opperwezen bij de Indianen;Greatness= grootheid, enz.Greaves,grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.Grecian,grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse inChrist’s Hospital(Londen); adj. Grieksch;Grecianize,grîšənaiz, vergriekschen;Grecism,grîsizm, Grieksch idioom;Grecize,grîsaiz, in het Grieksch vertalen, vergriekschen.Gre(e)be,grîb, fuut.Greece,grîs, Griekenland.Greed,grîd, hebzucht, begeerigheid =Greediness; adj.Greedy= begeerig, schrokkig:Greedy of honour= eerzuchtig;Greedy-gut= schrokker, slokop.Greek,grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch;Greek met Greek= twee Joden weten wat een bril kost;Greek Church= de Grieksche kerk;Greek cross= kruis met vier gelijke armen;Greek fire= Grieksch vuur;Greek orders= de Dorische, Ionische en Korintische bouwstijl.Green,grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel;Greens= groenten;Greenverb. groen maken of worden:Do you see any green in my eye= zie ik er zoo onnoozel uit?On the green side of fifty= onder de 50 jaar;Greenback= Amer. bankbiljet;Green cloth= speeltafel:Board of green cloth= een soort van Hof-Rechtbank onder den Hofmaarschalk; biljart;Green-coloured= bleek, ziekelijk;Green-crop= groenteoogst;Green-eyed= groenoogig; ijverzuchtig, jaloersch, achterdochtig:The green-eyed monster= de jaloerschheid;Greenhand= nieuweling;Green-finch= groenling, vlasvink;Green-fly= groene vlieg; bladluis;Greenfoil; zieFoil:Green foil smalls= groenkleurige korte broek;Greengage= reine claude, groene pruim;Greengrocer= handelaar in groenten;Greenhorn= nieuweling, sul;Greenhouse= oranjerie, broeikas;Greenland(er)= Groenland(er);Green-room= kamer voor de niet optredende acteurs;Greensickness= bleekzucht;Green-stall= groentenstalletje;Green-sward= grasveld;Greenwood= woud in den zomer;Greenery,grînəri, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden;Greenhood= onrijpheid, onervarenheid;Greenish= groenachtig; groen (fig.);Greenness= groenheid, jeugd, onervarenheid;Greeny=Greenish.Greenwich,grînidž.Greet,grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen (Schotl.);Greeting= groet.Gregarious,grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst.Gregariousness.Gregorian,grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek);Gregory,gregəri, Gregorius.Grein,grîn.Gremial,grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek(die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop, als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen,[232]op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.Gremio,grîmiou,gremiou.Grenada,grəneidə.Grenade,grəneid, granaat;Grenadier,grenədîə, grenadier.Grenadine,grenədîn,grenədin, grenadine.Gresham,grešəm;Greville,grevil.Grew,grû, imperf. vanTo grow.Grewel,grûəl, straffen, verslaan.Grewsome,grûs’m, ijselijk, leelijk.Grey,grei, grijs (ZieGray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel;Greyverb. grijs maken of worden;Thegrey mare= vrouw, die de broek aan heeft;The Greys= Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden alle schimmels zijn=Scots Greys);Grey-bird= lijster;Grey-hound= hazewind; snelvarende stoomboot (=Ocean grey-hound);Greyish= grijsachtig;Greyness= grijsheid.Grice,grais, speenvarken, jonge das.Griddle,grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef;Griddle-cake= soort pannekoek (Amer.).Gride,graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.Gridiron,gridaiən, rooster; vlag derU. S.;Gridiron-pendulum= compensatieslinger.Grief,grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging:The bridge hascome to grief= is zeer bouwvallig;Hecame to grief= het liep verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het liep slecht met hem af;Hecame to grief overthis obstacle= deze hinderpaal brak hem den nek;Grievance,grîv’ns, grief, bezwaar; leed, kommer:Grief-monger= eeuwige mopperaar, brompot;Grieve,grîv, bedroeven, smarten, krenken, (be)treuren:Tobe grieved at= betreuren, treuren over;Grievous,grîvəs, smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig; subst.Grievousness.Griffe,grif, kind van een neger en eene mulattin.Griffin,grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in Indië is gekomen).Griffith,grifith.Griffon,grifən, affenpinscher.Grig,grig, krekeitje; smelt:As merry as a grig= zoo vroolijk als een vogeltje, erg gezellig.Grill,gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch;Grillverb. roosteren, braden (ookfig.);Grill-room= soort “lunchroom”, restaurant.Grillage,grilidž, roosterwerk (als fundeering).Grille,gril, traliewerk.Grilse,grils, jonge zalm (tweede jaar).Grim,grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst.Grimness.Grimace,grimeis, grijns;Grimaceverb. grijnzen.Grimalkin,grimalkin,grimôlkin, oude kat.Grime,graim, subst. vuil, roet;Grimeverb. bevuilen;Grimy= vuil.Grimm’s law,grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.Grin,grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val;Grinverb. grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen:Togrin and bear it= zich goed houden.Grind,graind, subst. het malen, blokken, ploeteren;Grindverb. malen, slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen, drillen (voor een examen), blokken:It is a frightful grind= een verschrikkelijke toer;A man cannot be alwayson the grind= kan niet altijd ingespannen wezen;He ground the faces of the poor= onderdrukte de armen (Jesaja III, 15);Do notgrind your teeth= knars niet met de tanden;The employergroundusdown= buitte ons uit;Two numbers have beenground offthe wheel= twee nummers (van het tijdschrift) zijn afgewerkt;Grindstone,graindstounofgrin(d)stən, slijpsteen:He haskept his nose to the grindstone= heeft zich afgebeuld;I have beentied to the grindstoneduring the last weeks= door veel werk erg gebonden geweest;Grinder= onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker:He took a grinder= bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide (als om te zeggen: ik maal er wat om);Grindery= slijperij; schoenmakersmateriaal, magazijn daarvan;Grinding= nijpend:Grinding poverty.Grip,grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam voorinfluenzain Amerika;Gripverb. grijpen, goed vasthouden, droogleggen, greppels graven:He hada feeble grip ofmy idea= begreep mij maar half;Take a good grip onthat= onthoud dat goed;Grip-sack= reis of knapzak (Amer.)Gripper= gierigaard;Gripple,grip’l, subst. greep, houvast; adj. grijpend, inhalig.Gripe,graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt, knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek;Gripeverb. grijpen, goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind liggen;Gripes= koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen;He feltgriping painsin the belly= ondragelijke buikpijn;Griper,graipə, afperser, onderdrukker.Griqualand,grîkwəland, in Zuid-Afrika.Griselda,griseldə,Grissel, gris’l, Griselda.Griseous,grisiəs, grauw, grijsachtig.Grisette,grizet, grisette.Grisliness,grizlinəs, gruwelijkheid;Grisly,grizli, akelig, vreeselijk, afschuwelijk; ZieGrizzly.Grisongrais’n, kleine veelvraat (soort marter).Grisons (The),dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.Grist,grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad:Such thingsbring grist to his mill= zulke zaken brengen hem voordeel aan;That’s grist to his mill= koren op zijn molen;Grist-mill= korenmolen.Gristle,gris’l, kraakbeen:In the gristle= jong en weerloos;Gristly= kraakbeenachtig.Grit,grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijkmeervoud), grof deel van meel, gruis,[233]ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed;Gritverb. knarsen, krassen, wrijven:Theyhad not grit enoughto do it= geen flink heid;Her father isfull of grit and go= is een kranige, vooruitstrevende kerel =There is grit in him;All Americansof the true grit= van de echte (energieke) soort;I gritted my teeth;Grit-stone= grof soort v. zandsteen;Grittiness, subst. vanGritty= gruis bevattend, korrelig, hard; flink, kranig (Amer.):Agrittynovel= pittige roman.Grizzle,griz’l, grauwe kleur;Grizzleverb. grijs worden (maken);Grizzled= grijs, grauw, geschimmeld.Grizzly,grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer:I will send you a skin, if I have any luck with thegrizzlies= als ik succes heb op mijne berenjacht;Grizzly-bear= N. Amer. beer.Groan,groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen gevend);Groanverb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).Groat,grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid:Not worth a groat.Groats,grouts, grutten.Grocer,grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier;Groceries= kruidenierswaren;Grocery= kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).Grog,grog, grog;Grog-blossom= roode neus of gezicht;Grog-fight= zuipen;Grog-shop= kroeg =Groggery(Amer.);Grogginess, subst. v.Groggy= dronken; wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).Grogram,grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.Groin,grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf;Groined.Gromet,gromət,grɐmət, strop:Gromet of an oar= krans (van touwwerk).Groom,grûm,subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige hofofficianten;Groomverb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen, enz.):Groom of the stole= opperkamerheer;He waswell groomedand trimly clad= zag er zeer verzorgd uit;Groomsman= bruidsjonker.Groove,grûv, groef, voor, levensloop, sleur;Grooveverb. groeven of voren maken:He hadgot into the groove ofthat kind of life= was gewoon geraakt aan;Teaching tends tofall into grooves= wordt gemakkelijk sleurwerk;A groove in teachingis fatal= sleur bij het onderwijs is noodlottig.Grope,group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden (ook metback), in den blinde rondtasten:She had been walking ingrope-lighttowards a precipice= tastende (in het donker).Gros,grou, zware zijden, stof (Gros de Naples); oud Fransch muntstukje.Gross,grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat, gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa, geheel, hoofdbestanddeel:In the gross= in ’t algemeen, bij de roes, en gros, bruto;Gross-headed= met een dikkop; dom, stomp;Gross-weight= brutogewicht;Grossness= dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid, ruwheid, domheid, afschuwelijkheid.Grossulaceous,grosiuleišəs,Grossular,grosiulə, tot de kruisbessen behoorend; subst. groene granaat.Grosvenor,grouvənə.Grotesque,grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst. grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst.Grotesqueness.Grotius,groušəs, Hugo de Groot.Grotto,grotou, subst. grot, hol;Grotto-work= kunstmatig grotwerk.Ground,graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied, grondtoon; P. Imperf. en P.P. vanto grind;Groundverb. op of in den grond plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten, onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (Ground arms), aan den grond of vast raken (schepen):Ground glass= matglas;Grounds= tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop, koffiedik, grondkleur:The grounds will be cleared at ten= de tuin of het park wordt om 10 uur ontruimd;We havebroken ground already= wij hebben al een begin gemaakt;He hascut the ground from under my feet= hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid;Hechanged his ground= veranderde van positie, methode, etc.;The plan hasfallen to the ground= is in duigen gevallen;We have gained ground= wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen;That idea seemsto gain ground= schijnt veld te winnen, algemeen te worden;They havelost ground= zij zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren;Our troops bravelystood their ground= hielden moedig stand;Ground-angling= visschen met grondangel;Ground-ash= esschescheut(-stek);Ground-bailiff= mijnopzichter;Ground-bait= vischaas;Ground-bridge= brug van houten dwarsliggers door een moeras (Amer.; ZieCorduroy-road);Ground-floor= benedenverdieping;Ground-ice= grondijs;Ground-ivy= hondsdraf;Ground-oak= eikenloot;Ground-plan= platte grond;Ground-plate= raam, grond-(fundatie), plaat, zool;Ground-plot= bouwterrein, platte grond;Ground-rent= grondrente;Ground-sea,Ground-swell= grondzee;Ground-tackle= ankertouwen, -kettingen;Ground-tier= benedenloges (in een theater);Groundwork= grond, grondslag, grondbeginsel, geraamte (van iets);Grounded:Well grounded= goed onderlegd;Groundless= ongegrond: subst.Groundness;Groundling= kleine modderkruiper, bermpje:TheGroundlings= parterrebezoekers, het plebs.Groundage,graundidž, liggeld (v. schepen).Groundsel,graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie =Groundsill,graundsil.Group,grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie);Groupverb. groepeeren.Grouse,graus, korhoen (Black grouse); sneeuwhoen (Red grouse);Grouseverb. schieten opgrouse; huiveren, morren.Grout,graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk;Grout ale= soort bier;Grouts=[234]grutten (brij); droesem;Grouty,grauti, norsch, verdrietig.Grove,grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.):Image of the grove,zie2 Kon. XXI, 7.Grovel,grov’l, (op de aarde) kruipen (ookfig.); liederlijk zijn;Groveller= kruiper, ploert.Grow,grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen, aankleven, kweeken, voortbrengen:The leafgrows out ofthe stem= komt voort uit;Hegrew up tomanhood= bereikte den mannelijken leeftijd;The bookgrows uponthe reader= des lezers belangstelling in het boek neemt bij het lezen toe;Drinking willgrow upona man= de gewoonte van drinken wordt gewoonlijk sterker;Hegrows a moustache= laat zijn snor staan;They havegrown together= zijn volkomen één geworden;Grower= verbouwer:Slow growers= langzaam groeiende boomen;Growing weather= groeizaam weer;Growing-ups= aankomende jongelui;Grown= gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld:Afull-grown man= volwassen man;Over half-grown= meer dan half volwassen;Two thirds grown;When you aregrown= groot;The ground wasgrown overwith weeds= bedekt met onkruid;Growth= groei, toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel, oorsprong:Winesof good growth;Of one’s own growth= zelf gekweekt.Growl,graul, subst. geknor, gebrom, geklaag;Growlverb. brommen, snauwen, knorren;Growler= brompot; rammelkast;Growlery= studeerkamertje.Grub,grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en slordig persoon, voedsel;Grubverb. (op)graven, uitgraven, ploeteren; blokken, schransen, voeren:He knelt down a grub, and rose a butterfly= toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een ridder;An intermediate grub betweensycophant and oppressor= een nieteling tusschen vleier en tiran;In grub= druk aan ’t werk;He isfond of his grub= hij houdt veel van eten;Grub and bub= eten en drinken;Grubber= schranser, blokker, schoffel;Grubbery= volksgaarkeuken;Money grubbing= geldschrapend;Grubbing-axe (Grub-hoe)= schoffel;Grubby= onzindelijk, vuil, versleten, dwergachtig.Grub Street,grɐbstrît, subst. de tegenwoordigeMilton Street(in Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook: nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig, nietswaardig.Grudge,grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst;Grudgeverb. wrok koesteren, onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien, aanmerkingen maken op:Hebears me a grudge= heeft een wrok tegen mij;I owe you a grudgefor doing this= ik ben boos op je, datje …;He grudges himself nothing= ontzegt zich niets;He grudges me the light of my eyes= hij gunt mij … niet;Grudger= afgunstige, brompot;Grudgingly= ongaarne.Gruel,grûəl, gruwel of pap:I havegiven him his gruel= ik heb hem zijn vet gegeven;Take your gruellike a man= houd je taai.Gruesome,grûs’m. ZieGrewsome.Gruff,grɐf, norsch, barsch, ruw;Gruffish; subst.Gruffness.Grugru,grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.Grum,grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.Grumble,grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (Grumbles= ontevreden aard):He had a grumble to himself= mopperde in zichzelf;Grumbler= knorrepot, brompot =Grumbletonian;Grumbly= knorrig.Grummet,grɐmət=Gromet.Grumous,grûməs, geklonterd, geronnen; subst.Grumousness.Grumpiness,grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid; adj.Grumpish,Grumpy.Grundel,grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.Grundy,grɐndi:Mrs. Grundy= de kritiseerende kwaadsprekende wereld:What will Mrs. Grundy say?= wat zal de wereld er wel van zeggen?Grunt,grɐnt, subst. geknor;Gruntverb. knorren, brieschen, klagen, brommen;Grunter= varken;Gruntling= jong varken.Grysbok,graisbok, Zuid-Afr. antilope.Guaniferous,gwânifərɐs, guano opleverend;Guano,gwânou,gjuanou, subst. guano;Guanoverb. met guano bemesten.Guarantee,gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid;Guaranteeverb. waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor:This guarantees you in the possession of your property= waarborgt u;Guarantor,gar’ntə,gar’ntö, borg;Guaranty,gar’ntî; ZieGuarantee.Guard,gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer (ankle-guard), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm (Guards= garde in het leger);Guardverb. bewaken, behoeden, beschermen, zich hoeden:Iam off my guard= ben niet op mijn hoede;Be (stand) on your guard= wees op uw hoede;Hekept guardover me= bewaakte mij;The soldiersmounted guard= betrokken de wacht;Heput me on my guard= waarschuwde mij;Hethrew me off my guard= hij wiegde me in slaap, verschalkte me;Torelieve the guard= de wacht aflossen;The advanced guardhad to defend the bridge= de voorhoede moest de brug verdedigen;You mustguard againstmistakes= gij moet oppassen voor fouten;Guard-boat= wachtboot;Guard-house= wachthuis;Guard-room= wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal;Guard-ship= wachtschip;Guardsman,gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de garde;Guarded(ly)= omzichtig;Guardian,gâdj’n, voogd, opziener, bewaarder, geleider:Guardians of the poor= armvoogden;Guardian-angel= beschermengel;Guardianship= voogdij.Guatemala,gwâtəmâla,gôtəmâla;Guayana,gwaiâna.Gude-wife,gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).[235]Gudgeon,gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel, lokaas; adj. dom.Guebre,Gueber,gîbə,geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.Guelders,geldəz,Guelderland,geldəland, Gelderland.Guelf,Guelph,gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z.Ghibelline);Guelfic= tot de Guelfen behoorende;Guelfic-order= ridderorde voor het oude Hannover (in 1815 ingevoerd).Guerdon,gɐ̂d’n, belooning.Guer(r)illa,gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.Guernsey,gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.Guess,ges, subst. gis, gissing;Guessverb. gissen, onderstellen, raden:Hegave a guess at it= hij raadde er naar;I’ll give you a hundred guesses, and you won’t be on it= ik zet het je het te raden;I guess= ik geloof, ik denk (Amer.);He guessed at it= hij raadde er naar;Guess-work= gissing, onderstelling.Guest,gest, gast, logeergast;Guest-chamber.Guffaw,gəfô, subst. luide lach;Guffawverb. brullen (van lachen).Guggle,gɐg’l. ZieGurgle.Guiana,giâna.Guidable,gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar;Guidance,gaid’ns, geleide, richting, bestuur;Guide,gaid, subst. gids, geleider, bestuurder, regulateur, reisgids;Guideverb. geleiden, besturen, leiden:Guide-board= wegwijzer;Guide-book= reisgids;Guide-post= wijspaal, wegwijzer;Guider= leider (Zie ook:Guidon).Guidon,gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.Guild,gild, gilde, vereeniging:Guild-brother= gildebroeder;Guild-hall= gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert;Guilder= gulden (Nederl.);Guildry= gilde (Schotl.).Guildenstern,gildənstɐ̂n;Guildford,gilfəd.Guile,gail, bedrog, list, valschheid;Guileful= arglistig; subst.Guilefulness;Guileless= argeloos; subst.Guilelessness.Guillotine,gilətîn, subst. guillotine;Guillotineverb.gilətîn, guillotineeren.Guills,gilz, gele ganzebloem.Guilt,gilt, schuld, misdaad;Guiltiness= schuld, strafbaarheid;Guiltless= onschuldig, onschadelijk; subst.Guiltlessness;Guilty= schuldig:He wasguilty ofthat theft= schuldig aan;Helooked guilty-like= hij zag er uit, alsof hij schuldig was.Guinea,gini, subst. guinje (=21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea;Guinea-corn= doerrah; panikkoorn;Guinea-fowl= paarlhoen;Guinea-grains= paradijskorrels;Guinea-pepper= Spaansche peper;Guinea-pig= Guineesch biggetje; waterzwijn; iemand, die zijn naam leent voor industrieele ondernemingen en oorspronkelijk eenguineaals presentiegeld ontving.Guinevere,gwinəv(î)ə, Ginevra.Guise,gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier:In the guise (light) of= bij wijze van.Guitar,gitâ, guitaar.Gulch,gɐlš, diep ravijn (Amer.).Gulden,guld’n, Oostenrijksche florijn.Gules,gjûlz, rood, keel (Herald.).Gulf,gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste nummer op de lijst der geslaagden bij hetMathem. Tripos(Camb.):There is a great gulf fixed between the two;Gulf-stream= golfstroom.Gull,gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals;Gullverb. bedriegen, beetnemen;Gull-catcher= bedrieger, kwartjesvinder;Gullible= gemakkelijk beet te nemen; subst.Gullibility.Gullet,gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).Gully,gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail;Gullyverb. met geraas stroomen;Gully-hole= rioolgat.Gulp,gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking;Gulpverb. met groote teugen inzwelgen, slokken:Hegulped upwhat he had taken= braakte uit;They area brace of gulpings= stelletje drinkebroers.Gum,gɐm, subst. tandvleesch; gom;Gumverb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.):Gum arabic= Arab. gom;Gumboil= zweertje op het tandvleesch;Gum elastic= caoutchouc;Gum-rash= hittepuistjes;Gumsuck= bedriegen (Amer.);Gumsucker= jonge Australiër van Europ. afkomst;Gum-trees= soorten v. Eucalyptus en Acacia;Gumminess, subst. v.Gummy= gomachtig, kleverig, gom bevattend;Gummy!= jeminé!That is gummy= bijna ongeloofelijk, en toch waar.Gump,gɐmp, sul, dwaze kerel.Gumption,gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid;The boys had to write agumption paper= opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen;Gumptionless= dom;Gumptious,gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.Gun,gɐn, subst. geweer, kanon;Gunverb. schieten, jagen:He isa big gun= invloedrijk persoon, groote hans;Son of a gun= pierewaaier (humor.), lammeling;It isas sure as a gun= zoo zeker als 2 × 2;The guns were brought to bear onthe enemy’s ships= werden gericht;Toblow great guns= stormen;Wespiked their guns= vernagelden;Theystood to their guns= bleven standvastig (het geschut bedienen);Gun-barrel= loop van een kanon of geweer;Gun-battery= batterij (van kanonnen);Gunboat= kanonneerboot;Gun-carriage= affuit;Gun-cotton= schietkatoen;Gun-fire= uur van het morgen- en avondschot;Gun-foundry= gieterij;Gun-metal= geschutmetaal;Gunpowder= buskruit; fijne groene thee:The Gunpowder Plot= samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen;Gun-rack= geweerrek(-rak);Gun-reach= kanon- of geweerschotsafstand:He iswithin gun-reach= op kanon- of geweerschotsafstand (ook:Gun-shot) = hij[236]is onder schot;Gun-rod= laadstok;Gun-room= verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip;Gun-shot= geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer;Gunsmith= geweermaker;Gunsmithery= geweermakerskunst, -vak;Gun-stock= geweerlade;Gun-tackle= geschuttalie;Gunned:Heavily gunned= met zwaar geschut;Guner= artillerist, kanonier;Guner’s ladle= laadlepel;Gunnery= artillerie wetenschap;Gunnery-lieutenant= luitenant die, na eenGunnery-courseop eenGunnery-shipte hebben bijgewoond, in het bezit is van eenwarrantdaarvan.
Gospel,gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars:You must nottakehis wordsfor gospel= als de waarheid;That isgospel truth= de waarachtige waarheid;Gospeller= evangelist; voorlezer van het evangelie.Gossamer,gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier:Old lace, fine as gossamer; adj.Gossamery.Gosse,gos.Gossip,gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar;Gossipverb. babbelen, leuteren;Gossip-monger= wauwelaar;Gossiper; adj.Gossipy= praatziek, prettig keuvelend.Gossoon,gosûn, jongen, knecht.Got,got, imp. en part. perf. vanto get.Goth,goth, Goth, barbaar;Gothic= Gothisch, onbeschaafd; subst. Gothisch, Gothiek;Gothicism;Gothicize= Gothisch maken;Gothland.Gothamist,go(u)thəmist, bewoner v.GothaminNottinghamshire(ongeveer alsKampenofBœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).Gothard (St.),s’ntgothəd, St-Gothard.Gouge,gaudž,gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger (Amer.);Gougeverb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen;Gouge-slip= staal om beitels of gutsen te slijpen;Gouger.Gough,gof;Gould,gûld.Gourd,gûəd, waterflesch of karaf, pompoen;Gourdiness= gezwel, stijfheid;Gourdy= gezwollen (van paardepooten).Gourmand,gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.Gout,gaut, jicht, droppel;Gouty= jichtig, gezwollen.Gout,gû, smaak.Govern,gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren;Governable= bestuurbaar, volgzaam; subst.Governableness;Governess,gɐvənəs, subst. gouvernante;Governverb. gouvernante zijn:That pleases me better thangovernessing= dan voor gouvernante te spelen;Government[229]= bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj.Governmental;Governor= bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in stoommachines);Governorship.Gowan,gauən, madeliefje (Schotl.).Gower,gauə,gôə.Gown,gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit:Town and gown= studenten en professoren tegenover de stedelingen;Band and gown= toga en bef;Morninggown-= morgenjapon;Nightgown= nachtjapon;Gown-boys= leerlingen, die met kost, inwoning en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten;Gown(s)man= getabberde, student; burger.Gozzard,gosəd, ganzenhoeder, verbastering vanGoose-herd.Grab,grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië;Grabverb. grijpen (naar =at), pakken, vatten;Grabble= grabbelen, tasten, spartelen.Grace,greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel;Graceverb. begunstigen, versieren, vereeren:Theysaid grace= zij baden, dankten;Hedid it with a bad grace, with (a) good grace= onvriendelijk, vriendelijk, gepast;You mighthave the graceto offer me something= kon wel eens zoo vriendelijk zijn;Days of grace= loopdagen, respijtdagen;We had butten minutes’ grace= ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan;He wasin her good graces= bij haar in de gunst;The Graces= de (drie) Gratiën;In the year of grace 1894= in het jaar onzes Heeren 1894;Graceful= bevallig; subst.Gracefulness;Graceless= onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst.Gracelessness;Gracious,greišəs, genadig, gunstig;Good(ness) gracious= genadige goedheid, goeie hemel! subst.Graciousness.Gracile,gras(a)il, dun, slank.Gradation,grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj.Gradational;Gradatories,gradətəriz, subst. trap van uit een klooster naar eene kerk;Gradatory= geregeld opklimmend.Grade,greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken:These roads areat grade= waterpas, op dezelfde hoogte;Gradely,greidli, gepast, voegzaam.Gradient,greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj. trapsgewijze, geleidelijk.Gradual,gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. eenresponsegezongen na hetepistle, gradueel of graduale.Graduate,gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren; promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst.gradjuit, iemand met acad. graad; adj. =Graduated:Graduated income-tax= progressieve inkomstenbelasting;These lessons are carefullygraduated tothechildren’spowers= deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen;Graduation,gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping);Graduator,gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.Gradus,greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig.Gradus ad Parnassum).Graft,grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.);Graftverb. enten; zwoegen;Grafting-knife;Grafting-wax.Graham bread,greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe;Grahamite= vegetariër.Grail,greil, (Heilige) Graal.Grain,grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork, harpoen;Grainverb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk):He hasno grain of sense= geen greintje verstand;He hasa grain of allowance= hij krijgt maar een bitter beetje;Against the grain= tegen den draad in;Itgoes against the grainwith me= het stuit mij tegen de borst;First theyrubbedthe old managainst his grain,and then smoothed him down again= eerst maakten zij den ouden man kwaad;Thatis dyed in grain= in de wol geverfd;He isa rogue in grain= doortrapte schurk;Grains= afgewerkte mout:Grains of ParadiseParadijskorrels;Grain shipments= korenladingen;Grained= ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven);Grainer= schilder (die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog, looiersmes;Graining= looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk;Grain-staff,stâf, stok met vorkvormige uiteinden;Grainy= vol graan, korrels of pitten.Gram,gram, keker; gram.Gramercy,grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!Graminaceous,gramineišəs, grasachtig;Graminivorous,graminivərɐs, grasetend.Grammar,gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik;Grammar-school= gymnasium, Latijnsche school;Grammarian,grəmêriən, taalkundige;Grammatical,grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.Gramme,gram, gram (=15,432 troy grains).Gramophone,graməfoun, gramophoon.Grampian,grampiən:The Grampians=Grampian Hills, Mountains.Grampus,grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.Granada,granâdə.Granary,granəri, korenschuur, korenzolder.Grand,grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig:Theydo the grandat our expense= zij hangen den heer uit;Grand total= algemeen totaal;Grand-aunt= oud-tante;Grandchild= kleinkind;Granddaughter= kleindochter;Grand-duke= groothertog;Grandfather= grootvader;Grandfather’s clock= ouderwetsche staanklok;Grand-juror= lid van deGrand-jury= de jury, die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door depetty jury[230]verhoord word;Grand-master= grootmeester;Grandmother= grootmoeder;Grand-nephew= achterneef;Grand-niece= achternicht;Grand-seignior= (oude) titel van den Sultan van Turkije;Grand-stand= groote tribune (bij een wedstrijd);Grandsire= grootvader, voorvader;Grandson= kleinzoon;Grand-uncle= oudoom;Grand-vizier= grootvizier of eerste minister in Turkije;Grandam,grandəm, grootmoeder, oude vrouw;Grandee,grandî, grande (Spaansch edelman);Grande-garde,grandgâd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt;Grandeur,grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid;Grandiloquent,grandiləkwent,Grandiloquous,grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend;Grandiose,grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst.Grandiosity=Grandness.Grange,greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten, heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.);Grangers= Polit. Agrariërs (Amer.).Grangerize,greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit andere boeken vandaan gehaald.Graniferous,grənifərɐs, graandragend;Graniform,graniföm, korrelig (als graan);Granivorous,grənivərɐs, graanetend.Granite,granit, graniet; adj.Granitic.Granny,grani, grootje; ook:Grannam,gran’m.Grant,grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming, overdracht;Grantverb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen:There will be a grantas prayed= de eisch zal toegewezen worden;I claim a grantof letters of administration= ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd;God grant him success= God geve, dat hij slage;Let us grant itfor argument’s sake= laten wij het voor een oogenblik aannemen;Togrant a flavour to= een aangenamen geur (smaak) verleenen aan;I beg your pardon;Granted= ik vraag u excuus; gij hebt het;I take it for granted= ik houd het voor bewezen, uitgemaakt;Grantedyou are right= toegegeven, dat;Grants-in-aid= hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen;Grantable= inwilligbaar, overdraagbaar;Grantee,grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen; concessionaris;Granter= die toestaat of overdraagt;Grantor,grântə,grantö, die iets overdraagt of afstaat.Grantham,grant’m.Granular,granjulə, korrelachtig, korrelig;Granulate,granjuleit, granuleeren; greineeren; korrelig worden;Granule,granjûl, korreltje;Granulous,granjulɐs, vol korrels.Granville,granvil.Grape,greip, druif;Grapes= gezwel (op paardenhiel);Grape-shot= schroot;Grape-sugar= druivensuiker;Grape-stone= druivenpit;Grape-vine= wijndruif;Grapery= druivenkweekerij (-kas).Graphic(al),grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk;Graphology,grəfolədži, graphologie;Graphometer,grəfomətə, graphometer;Graphophone= klankschrijver.Graphite,grafait, graphiet.Grapnel,grapn’l, dreg; klein anker.Grapple,grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak;Grappleverb. aanklampen, vastgrijpen, vechten;Grapplement= worsteling van man tegen man;Grappling-iron= enterhaak.Grapy,greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven, druiven …Grasp,grâsp, subst. greep, houvast, bereik;Graspverb. vasthouden, grijpen, vatten, bezit nemen:He did notgrasp the situation= begreep niet;All grasp all lose= wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus;Grasper= grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon;Grasping= inhalig.Grass,grâs, subst. gras;Grassverb. met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen:We areat grass= vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd;Togo to grass= doodgaan; in de wei loopen (fig.);Go to grass= ruk uit!The horses wereput to (taken (in) to) grass= werden in de wei gedaan;Tosend to grass= neerslaan;What made himhavehis horseup from grass= waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan?He never lets the grass grow under his feet= laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan;While the grass grows, the steed starves= met hopen en verlangen alleen komt men er niet;Grass-blade= grassprietje;Grass-cloth= graslinnen;Grass-green, subst. graskleur; adj. grasgroen;Grass-grown= met gras begroeid;Grass-hand= (nood)letterzetter;Grass-hopper= sprinkhaan;Grass-plot= grasveld;Grass-widow= onbestorven weduwe; ongehuwde moeder;Grassy= met gras bedekt, groen.Grate,greit, subst. rooster, haard, traliewerk;Grateverb. van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen:Itgrates uponmy ears= het doet mijne ooren pijn;Grater,greitə, rasp;Grating,greitiŋ, subst. traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.Grateful,greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst.Gratefulness.Gratian,greiš’n, Gratianus;Gratiano,greišiânou.Gratification,gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging;Gratify,gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn:That must be verygratifying toyou= daarmede moet gij wel ingenomen zijn.Gratis,greitis, gratis.Gratitude,gratitjûd, dankbaarheid.Gratuitous,grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond; subst.Gratuitousness;Gratuity,grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.[231]Gratulate,gratjuleit;Gratulation;Gratulatory. ZieCongratulate.Gravamen,grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.Grave,greiv, subst. graf;Graveverb. graveeren, beitelen;Grave-clothes,greiv-kloudhz, lijkwade;Grave-digger,Grave-maker= doodgraver;Grave-mound= grafheuvel;Grave-stone= grafsteen;Grave-yard= kerkhof;Graveless= onbegraven;Graven= gesneden, gegraveerd;Graver,greivə, graveur, graveerstift.Grave,greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst.Graveness.Grave,greiv, schoonmaken van den bodem van een schip;Graving-dock= droogdok.Gravel,grav’l, subst. kiezel; graveel;Gravelverb. met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken:The editor wasGravelled for matter= de redacteur was verlegen om copie;Gravel-pit= kiezelkuil;Gravel-walk= kiezelpad, grintpad.Gravelin(e),gravəlîn, Grevelingen;Gravesend,greivzend.Gravid,gravid, zwanger.Gravitate,graviteit, (aan)getrokken worden, neigen:He isgravitating towardsconservatism= helt over, voelt zich aangetrokken tot;Gravitation= zwaartekracht;Gravity,graviti, zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht:Specific gravity= soortelijk gewicht;Centre of gravity= zwaartepunt.Gravy,greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).Gray,grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont, das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister;Graybeard= grijsaard; steenen kruik (Schotl.);Gray-fly= paardenvlieg;Gray-friar= Franciskaner monnik;Gray-mare= schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft).Grayling,greiliŋ, vlagzalm.Graze,greiz, subst. schaafje of schram(metje);Grazeverb. schaven, strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met;Grazer= grazend dier;Grazier,greižə, vetweider.Grease,grîs, subst. vet, smeer, kanen;Greaseverb.grîz,grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen:In the grease= ongezuiverd;We shalllet him stew in his own grease= in zijn eigen vet laten gaarkoken:Grease-box;Grease-man(=Greaser,grîzə) = smeerder; smeerlap; scheldn. v. een Mexicaan (Amer.);Grease-pot= vetpot; smeerpoes;Greasiness, subst. v.Greasy= vettig, besmeerd, vuil, mistig, modderig, zalvend.Great,greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste, dik, gezwollen, enz.:Webought them by the great= wij kochten ze in de massa;A great deal= zeer veel;A great many= vele;A great while= sedert lang;Great-coat= overjas;Great-goofGreats= examen voor de B.A. graad;Great-grand-aunt= overoudtante;Great-grandfather= overgrootvader;Great-grandson= achterkleinzoon;Great-hearted= dapper, grootmoedig;Herides the great horse= hij zit op zijn paardje (fig.);Great seal= grootzegel;Great Spirit= naam van het Opperwezen bij de Indianen;Greatness= grootheid, enz.Greaves,grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.Grecian,grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse inChrist’s Hospital(Londen); adj. Grieksch;Grecianize,grîšənaiz, vergriekschen;Grecism,grîsizm, Grieksch idioom;Grecize,grîsaiz, in het Grieksch vertalen, vergriekschen.Gre(e)be,grîb, fuut.Greece,grîs, Griekenland.Greed,grîd, hebzucht, begeerigheid =Greediness; adj.Greedy= begeerig, schrokkig:Greedy of honour= eerzuchtig;Greedy-gut= schrokker, slokop.Greek,grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch;Greek met Greek= twee Joden weten wat een bril kost;Greek Church= de Grieksche kerk;Greek cross= kruis met vier gelijke armen;Greek fire= Grieksch vuur;Greek orders= de Dorische, Ionische en Korintische bouwstijl.Green,grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel;Greens= groenten;Greenverb. groen maken of worden:Do you see any green in my eye= zie ik er zoo onnoozel uit?On the green side of fifty= onder de 50 jaar;Greenback= Amer. bankbiljet;Green cloth= speeltafel:Board of green cloth= een soort van Hof-Rechtbank onder den Hofmaarschalk; biljart;Green-coloured= bleek, ziekelijk;Green-crop= groenteoogst;Green-eyed= groenoogig; ijverzuchtig, jaloersch, achterdochtig:The green-eyed monster= de jaloerschheid;Greenhand= nieuweling;Green-finch= groenling, vlasvink;Green-fly= groene vlieg; bladluis;Greenfoil; zieFoil:Green foil smalls= groenkleurige korte broek;Greengage= reine claude, groene pruim;Greengrocer= handelaar in groenten;Greenhorn= nieuweling, sul;Greenhouse= oranjerie, broeikas;Greenland(er)= Groenland(er);Green-room= kamer voor de niet optredende acteurs;Greensickness= bleekzucht;Green-stall= groentenstalletje;Green-sward= grasveld;Greenwood= woud in den zomer;Greenery,grînəri, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden;Greenhood= onrijpheid, onervarenheid;Greenish= groenachtig; groen (fig.);Greenness= groenheid, jeugd, onervarenheid;Greeny=Greenish.Greenwich,grînidž.Greet,grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen (Schotl.);Greeting= groet.Gregarious,grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst.Gregariousness.Gregorian,grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek);Gregory,gregəri, Gregorius.Grein,grîn.Gremial,grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek(die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop, als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen,[232]op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.Gremio,grîmiou,gremiou.Grenada,grəneidə.Grenade,grəneid, granaat;Grenadier,grenədîə, grenadier.Grenadine,grenədîn,grenədin, grenadine.Gresham,grešəm;Greville,grevil.Grew,grû, imperf. vanTo grow.Grewel,grûəl, straffen, verslaan.Grewsome,grûs’m, ijselijk, leelijk.Grey,grei, grijs (ZieGray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel;Greyverb. grijs maken of worden;Thegrey mare= vrouw, die de broek aan heeft;The Greys= Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden alle schimmels zijn=Scots Greys);Grey-bird= lijster;Grey-hound= hazewind; snelvarende stoomboot (=Ocean grey-hound);Greyish= grijsachtig;Greyness= grijsheid.Grice,grais, speenvarken, jonge das.Griddle,grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef;Griddle-cake= soort pannekoek (Amer.).Gride,graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.Gridiron,gridaiən, rooster; vlag derU. S.;Gridiron-pendulum= compensatieslinger.Grief,grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging:The bridge hascome to grief= is zeer bouwvallig;Hecame to grief= het liep verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het liep slecht met hem af;Hecame to grief overthis obstacle= deze hinderpaal brak hem den nek;Grievance,grîv’ns, grief, bezwaar; leed, kommer:Grief-monger= eeuwige mopperaar, brompot;Grieve,grîv, bedroeven, smarten, krenken, (be)treuren:Tobe grieved at= betreuren, treuren over;Grievous,grîvəs, smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig; subst.Grievousness.Griffe,grif, kind van een neger en eene mulattin.Griffin,grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in Indië is gekomen).Griffith,grifith.Griffon,grifən, affenpinscher.Grig,grig, krekeitje; smelt:As merry as a grig= zoo vroolijk als een vogeltje, erg gezellig.Grill,gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch;Grillverb. roosteren, braden (ookfig.);Grill-room= soort “lunchroom”, restaurant.Grillage,grilidž, roosterwerk (als fundeering).Grille,gril, traliewerk.Grilse,grils, jonge zalm (tweede jaar).Grim,grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst.Grimness.Grimace,grimeis, grijns;Grimaceverb. grijnzen.Grimalkin,grimalkin,grimôlkin, oude kat.Grime,graim, subst. vuil, roet;Grimeverb. bevuilen;Grimy= vuil.Grimm’s law,grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.Grin,grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val;Grinverb. grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen:Togrin and bear it= zich goed houden.Grind,graind, subst. het malen, blokken, ploeteren;Grindverb. malen, slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen, drillen (voor een examen), blokken:It is a frightful grind= een verschrikkelijke toer;A man cannot be alwayson the grind= kan niet altijd ingespannen wezen;He ground the faces of the poor= onderdrukte de armen (Jesaja III, 15);Do notgrind your teeth= knars niet met de tanden;The employergroundusdown= buitte ons uit;Two numbers have beenground offthe wheel= twee nummers (van het tijdschrift) zijn afgewerkt;Grindstone,graindstounofgrin(d)stən, slijpsteen:He haskept his nose to the grindstone= heeft zich afgebeuld;I have beentied to the grindstoneduring the last weeks= door veel werk erg gebonden geweest;Grinder= onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker:He took a grinder= bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide (als om te zeggen: ik maal er wat om);Grindery= slijperij; schoenmakersmateriaal, magazijn daarvan;Grinding= nijpend:Grinding poverty.Grip,grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam voorinfluenzain Amerika;Gripverb. grijpen, goed vasthouden, droogleggen, greppels graven:He hada feeble grip ofmy idea= begreep mij maar half;Take a good grip onthat= onthoud dat goed;Grip-sack= reis of knapzak (Amer.)Gripper= gierigaard;Gripple,grip’l, subst. greep, houvast; adj. grijpend, inhalig.Gripe,graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt, knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek;Gripeverb. grijpen, goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind liggen;Gripes= koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen;He feltgriping painsin the belly= ondragelijke buikpijn;Griper,graipə, afperser, onderdrukker.Griqualand,grîkwəland, in Zuid-Afrika.Griselda,griseldə,Grissel, gris’l, Griselda.Griseous,grisiəs, grauw, grijsachtig.Grisette,grizet, grisette.Grisliness,grizlinəs, gruwelijkheid;Grisly,grizli, akelig, vreeselijk, afschuwelijk; ZieGrizzly.Grisongrais’n, kleine veelvraat (soort marter).Grisons (The),dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.Grist,grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad:Such thingsbring grist to his mill= zulke zaken brengen hem voordeel aan;That’s grist to his mill= koren op zijn molen;Grist-mill= korenmolen.Gristle,gris’l, kraakbeen:In the gristle= jong en weerloos;Gristly= kraakbeenachtig.Grit,grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijkmeervoud), grof deel van meel, gruis,[233]ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed;Gritverb. knarsen, krassen, wrijven:Theyhad not grit enoughto do it= geen flink heid;Her father isfull of grit and go= is een kranige, vooruitstrevende kerel =There is grit in him;All Americansof the true grit= van de echte (energieke) soort;I gritted my teeth;Grit-stone= grof soort v. zandsteen;Grittiness, subst. vanGritty= gruis bevattend, korrelig, hard; flink, kranig (Amer.):Agrittynovel= pittige roman.Grizzle,griz’l, grauwe kleur;Grizzleverb. grijs worden (maken);Grizzled= grijs, grauw, geschimmeld.Grizzly,grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer:I will send you a skin, if I have any luck with thegrizzlies= als ik succes heb op mijne berenjacht;Grizzly-bear= N. Amer. beer.Groan,groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen gevend);Groanverb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).Groat,grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid:Not worth a groat.Groats,grouts, grutten.Grocer,grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier;Groceries= kruidenierswaren;Grocery= kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).Grog,grog, grog;Grog-blossom= roode neus of gezicht;Grog-fight= zuipen;Grog-shop= kroeg =Groggery(Amer.);Grogginess, subst. v.Groggy= dronken; wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).Grogram,grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.Groin,grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf;Groined.Gromet,gromət,grɐmət, strop:Gromet of an oar= krans (van touwwerk).Groom,grûm,subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige hofofficianten;Groomverb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen, enz.):Groom of the stole= opperkamerheer;He waswell groomedand trimly clad= zag er zeer verzorgd uit;Groomsman= bruidsjonker.Groove,grûv, groef, voor, levensloop, sleur;Grooveverb. groeven of voren maken:He hadgot into the groove ofthat kind of life= was gewoon geraakt aan;Teaching tends tofall into grooves= wordt gemakkelijk sleurwerk;A groove in teachingis fatal= sleur bij het onderwijs is noodlottig.Grope,group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden (ook metback), in den blinde rondtasten:She had been walking ingrope-lighttowards a precipice= tastende (in het donker).Gros,grou, zware zijden, stof (Gros de Naples); oud Fransch muntstukje.Gross,grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat, gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa, geheel, hoofdbestanddeel:In the gross= in ’t algemeen, bij de roes, en gros, bruto;Gross-headed= met een dikkop; dom, stomp;Gross-weight= brutogewicht;Grossness= dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid, ruwheid, domheid, afschuwelijkheid.Grossulaceous,grosiuleišəs,Grossular,grosiulə, tot de kruisbessen behoorend; subst. groene granaat.Grosvenor,grouvənə.Grotesque,grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst. grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst.Grotesqueness.Grotius,groušəs, Hugo de Groot.Grotto,grotou, subst. grot, hol;Grotto-work= kunstmatig grotwerk.Ground,graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied, grondtoon; P. Imperf. en P.P. vanto grind;Groundverb. op of in den grond plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten, onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (Ground arms), aan den grond of vast raken (schepen):Ground glass= matglas;Grounds= tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop, koffiedik, grondkleur:The grounds will be cleared at ten= de tuin of het park wordt om 10 uur ontruimd;We havebroken ground already= wij hebben al een begin gemaakt;He hascut the ground from under my feet= hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid;Hechanged his ground= veranderde van positie, methode, etc.;The plan hasfallen to the ground= is in duigen gevallen;We have gained ground= wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen;That idea seemsto gain ground= schijnt veld te winnen, algemeen te worden;They havelost ground= zij zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren;Our troops bravelystood their ground= hielden moedig stand;Ground-angling= visschen met grondangel;Ground-ash= esschescheut(-stek);Ground-bailiff= mijnopzichter;Ground-bait= vischaas;Ground-bridge= brug van houten dwarsliggers door een moeras (Amer.; ZieCorduroy-road);Ground-floor= benedenverdieping;Ground-ice= grondijs;Ground-ivy= hondsdraf;Ground-oak= eikenloot;Ground-plan= platte grond;Ground-plate= raam, grond-(fundatie), plaat, zool;Ground-plot= bouwterrein, platte grond;Ground-rent= grondrente;Ground-sea,Ground-swell= grondzee;Ground-tackle= ankertouwen, -kettingen;Ground-tier= benedenloges (in een theater);Groundwork= grond, grondslag, grondbeginsel, geraamte (van iets);Grounded:Well grounded= goed onderlegd;Groundless= ongegrond: subst.Groundness;Groundling= kleine modderkruiper, bermpje:TheGroundlings= parterrebezoekers, het plebs.Groundage,graundidž, liggeld (v. schepen).Groundsel,graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie =Groundsill,graundsil.Group,grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie);Groupverb. groepeeren.Grouse,graus, korhoen (Black grouse); sneeuwhoen (Red grouse);Grouseverb. schieten opgrouse; huiveren, morren.Grout,graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk;Grout ale= soort bier;Grouts=[234]grutten (brij); droesem;Grouty,grauti, norsch, verdrietig.Grove,grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.):Image of the grove,zie2 Kon. XXI, 7.Grovel,grov’l, (op de aarde) kruipen (ookfig.); liederlijk zijn;Groveller= kruiper, ploert.Grow,grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen, aankleven, kweeken, voortbrengen:The leafgrows out ofthe stem= komt voort uit;Hegrew up tomanhood= bereikte den mannelijken leeftijd;The bookgrows uponthe reader= des lezers belangstelling in het boek neemt bij het lezen toe;Drinking willgrow upona man= de gewoonte van drinken wordt gewoonlijk sterker;Hegrows a moustache= laat zijn snor staan;They havegrown together= zijn volkomen één geworden;Grower= verbouwer:Slow growers= langzaam groeiende boomen;Growing weather= groeizaam weer;Growing-ups= aankomende jongelui;Grown= gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld:Afull-grown man= volwassen man;Over half-grown= meer dan half volwassen;Two thirds grown;When you aregrown= groot;The ground wasgrown overwith weeds= bedekt met onkruid;Growth= groei, toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel, oorsprong:Winesof good growth;Of one’s own growth= zelf gekweekt.Growl,graul, subst. geknor, gebrom, geklaag;Growlverb. brommen, snauwen, knorren;Growler= brompot; rammelkast;Growlery= studeerkamertje.Grub,grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en slordig persoon, voedsel;Grubverb. (op)graven, uitgraven, ploeteren; blokken, schransen, voeren:He knelt down a grub, and rose a butterfly= toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een ridder;An intermediate grub betweensycophant and oppressor= een nieteling tusschen vleier en tiran;In grub= druk aan ’t werk;He isfond of his grub= hij houdt veel van eten;Grub and bub= eten en drinken;Grubber= schranser, blokker, schoffel;Grubbery= volksgaarkeuken;Money grubbing= geldschrapend;Grubbing-axe (Grub-hoe)= schoffel;Grubby= onzindelijk, vuil, versleten, dwergachtig.Grub Street,grɐbstrît, subst. de tegenwoordigeMilton Street(in Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook: nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig, nietswaardig.Grudge,grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst;Grudgeverb. wrok koesteren, onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien, aanmerkingen maken op:Hebears me a grudge= heeft een wrok tegen mij;I owe you a grudgefor doing this= ik ben boos op je, datje …;He grudges himself nothing= ontzegt zich niets;He grudges me the light of my eyes= hij gunt mij … niet;Grudger= afgunstige, brompot;Grudgingly= ongaarne.Gruel,grûəl, gruwel of pap:I havegiven him his gruel= ik heb hem zijn vet gegeven;Take your gruellike a man= houd je taai.Gruesome,grûs’m. ZieGrewsome.Gruff,grɐf, norsch, barsch, ruw;Gruffish; subst.Gruffness.Grugru,grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.Grum,grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.Grumble,grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (Grumbles= ontevreden aard):He had a grumble to himself= mopperde in zichzelf;Grumbler= knorrepot, brompot =Grumbletonian;Grumbly= knorrig.Grummet,grɐmət=Gromet.Grumous,grûməs, geklonterd, geronnen; subst.Grumousness.Grumpiness,grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid; adj.Grumpish,Grumpy.Grundel,grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.Grundy,grɐndi:Mrs. Grundy= de kritiseerende kwaadsprekende wereld:What will Mrs. Grundy say?= wat zal de wereld er wel van zeggen?Grunt,grɐnt, subst. geknor;Gruntverb. knorren, brieschen, klagen, brommen;Grunter= varken;Gruntling= jong varken.Grysbok,graisbok, Zuid-Afr. antilope.Guaniferous,gwânifərɐs, guano opleverend;Guano,gwânou,gjuanou, subst. guano;Guanoverb. met guano bemesten.Guarantee,gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid;Guaranteeverb. waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor:This guarantees you in the possession of your property= waarborgt u;Guarantor,gar’ntə,gar’ntö, borg;Guaranty,gar’ntî; ZieGuarantee.Guard,gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer (ankle-guard), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm (Guards= garde in het leger);Guardverb. bewaken, behoeden, beschermen, zich hoeden:Iam off my guard= ben niet op mijn hoede;Be (stand) on your guard= wees op uw hoede;Hekept guardover me= bewaakte mij;The soldiersmounted guard= betrokken de wacht;Heput me on my guard= waarschuwde mij;Hethrew me off my guard= hij wiegde me in slaap, verschalkte me;Torelieve the guard= de wacht aflossen;The advanced guardhad to defend the bridge= de voorhoede moest de brug verdedigen;You mustguard againstmistakes= gij moet oppassen voor fouten;Guard-boat= wachtboot;Guard-house= wachthuis;Guard-room= wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal;Guard-ship= wachtschip;Guardsman,gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de garde;Guarded(ly)= omzichtig;Guardian,gâdj’n, voogd, opziener, bewaarder, geleider:Guardians of the poor= armvoogden;Guardian-angel= beschermengel;Guardianship= voogdij.Guatemala,gwâtəmâla,gôtəmâla;Guayana,gwaiâna.Gude-wife,gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).[235]Gudgeon,gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel, lokaas; adj. dom.Guebre,Gueber,gîbə,geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.Guelders,geldəz,Guelderland,geldəland, Gelderland.Guelf,Guelph,gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z.Ghibelline);Guelfic= tot de Guelfen behoorende;Guelfic-order= ridderorde voor het oude Hannover (in 1815 ingevoerd).Guerdon,gɐ̂d’n, belooning.Guer(r)illa,gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.Guernsey,gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.Guess,ges, subst. gis, gissing;Guessverb. gissen, onderstellen, raden:Hegave a guess at it= hij raadde er naar;I’ll give you a hundred guesses, and you won’t be on it= ik zet het je het te raden;I guess= ik geloof, ik denk (Amer.);He guessed at it= hij raadde er naar;Guess-work= gissing, onderstelling.Guest,gest, gast, logeergast;Guest-chamber.Guffaw,gəfô, subst. luide lach;Guffawverb. brullen (van lachen).Guggle,gɐg’l. ZieGurgle.Guiana,giâna.Guidable,gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar;Guidance,gaid’ns, geleide, richting, bestuur;Guide,gaid, subst. gids, geleider, bestuurder, regulateur, reisgids;Guideverb. geleiden, besturen, leiden:Guide-board= wegwijzer;Guide-book= reisgids;Guide-post= wijspaal, wegwijzer;Guider= leider (Zie ook:Guidon).Guidon,gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.Guild,gild, gilde, vereeniging:Guild-brother= gildebroeder;Guild-hall= gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert;Guilder= gulden (Nederl.);Guildry= gilde (Schotl.).Guildenstern,gildənstɐ̂n;Guildford,gilfəd.Guile,gail, bedrog, list, valschheid;Guileful= arglistig; subst.Guilefulness;Guileless= argeloos; subst.Guilelessness.Guillotine,gilətîn, subst. guillotine;Guillotineverb.gilətîn, guillotineeren.Guills,gilz, gele ganzebloem.Guilt,gilt, schuld, misdaad;Guiltiness= schuld, strafbaarheid;Guiltless= onschuldig, onschadelijk; subst.Guiltlessness;Guilty= schuldig:He wasguilty ofthat theft= schuldig aan;Helooked guilty-like= hij zag er uit, alsof hij schuldig was.Guinea,gini, subst. guinje (=21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea;Guinea-corn= doerrah; panikkoorn;Guinea-fowl= paarlhoen;Guinea-grains= paradijskorrels;Guinea-pepper= Spaansche peper;Guinea-pig= Guineesch biggetje; waterzwijn; iemand, die zijn naam leent voor industrieele ondernemingen en oorspronkelijk eenguineaals presentiegeld ontving.Guinevere,gwinəv(î)ə, Ginevra.Guise,gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier:In the guise (light) of= bij wijze van.Guitar,gitâ, guitaar.Gulch,gɐlš, diep ravijn (Amer.).Gulden,guld’n, Oostenrijksche florijn.Gules,gjûlz, rood, keel (Herald.).Gulf,gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste nummer op de lijst der geslaagden bij hetMathem. Tripos(Camb.):There is a great gulf fixed between the two;Gulf-stream= golfstroom.Gull,gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals;Gullverb. bedriegen, beetnemen;Gull-catcher= bedrieger, kwartjesvinder;Gullible= gemakkelijk beet te nemen; subst.Gullibility.Gullet,gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).Gully,gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail;Gullyverb. met geraas stroomen;Gully-hole= rioolgat.Gulp,gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking;Gulpverb. met groote teugen inzwelgen, slokken:Hegulped upwhat he had taken= braakte uit;They area brace of gulpings= stelletje drinkebroers.Gum,gɐm, subst. tandvleesch; gom;Gumverb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.):Gum arabic= Arab. gom;Gumboil= zweertje op het tandvleesch;Gum elastic= caoutchouc;Gum-rash= hittepuistjes;Gumsuck= bedriegen (Amer.);Gumsucker= jonge Australiër van Europ. afkomst;Gum-trees= soorten v. Eucalyptus en Acacia;Gumminess, subst. v.Gummy= gomachtig, kleverig, gom bevattend;Gummy!= jeminé!That is gummy= bijna ongeloofelijk, en toch waar.Gump,gɐmp, sul, dwaze kerel.Gumption,gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid;The boys had to write agumption paper= opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen;Gumptionless= dom;Gumptious,gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.Gun,gɐn, subst. geweer, kanon;Gunverb. schieten, jagen:He isa big gun= invloedrijk persoon, groote hans;Son of a gun= pierewaaier (humor.), lammeling;It isas sure as a gun= zoo zeker als 2 × 2;The guns were brought to bear onthe enemy’s ships= werden gericht;Toblow great guns= stormen;Wespiked their guns= vernagelden;Theystood to their guns= bleven standvastig (het geschut bedienen);Gun-barrel= loop van een kanon of geweer;Gun-battery= batterij (van kanonnen);Gunboat= kanonneerboot;Gun-carriage= affuit;Gun-cotton= schietkatoen;Gun-fire= uur van het morgen- en avondschot;Gun-foundry= gieterij;Gun-metal= geschutmetaal;Gunpowder= buskruit; fijne groene thee:The Gunpowder Plot= samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen;Gun-rack= geweerrek(-rak);Gun-reach= kanon- of geweerschotsafstand:He iswithin gun-reach= op kanon- of geweerschotsafstand (ook:Gun-shot) = hij[236]is onder schot;Gun-rod= laadstok;Gun-room= verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip;Gun-shot= geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer;Gunsmith= geweermaker;Gunsmithery= geweermakerskunst, -vak;Gun-stock= geweerlade;Gun-tackle= geschuttalie;Gunned:Heavily gunned= met zwaar geschut;Guner= artillerist, kanonier;Guner’s ladle= laadlepel;Gunnery= artillerie wetenschap;Gunnery-lieutenant= luitenant die, na eenGunnery-courseop eenGunnery-shipte hebben bijgewoond, in het bezit is van eenwarrantdaarvan.
Gospel,gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars:You must nottakehis wordsfor gospel= als de waarheid;That isgospel truth= de waarachtige waarheid;Gospeller= evangelist; voorlezer van het evangelie.
Gossamer,gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier:Old lace, fine as gossamer; adj.Gossamery.
Gosse,gos.
Gossip,gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar;Gossipverb. babbelen, leuteren;Gossip-monger= wauwelaar;Gossiper; adj.Gossipy= praatziek, prettig keuvelend.
Gossoon,gosûn, jongen, knecht.
Got,got, imp. en part. perf. vanto get.
Goth,goth, Goth, barbaar;Gothic= Gothisch, onbeschaafd; subst. Gothisch, Gothiek;Gothicism;Gothicize= Gothisch maken;Gothland.
Gothamist,go(u)thəmist, bewoner v.GothaminNottinghamshire(ongeveer alsKampenofBœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).
Gothard (St.),s’ntgothəd, St-Gothard.
Gouge,gaudž,gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger (Amer.);Gougeverb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen;Gouge-slip= staal om beitels of gutsen te slijpen;Gouger.
Gough,gof;Gould,gûld.
Gourd,gûəd, waterflesch of karaf, pompoen;Gourdiness= gezwel, stijfheid;Gourdy= gezwollen (van paardepooten).
Gourmand,gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.
Gout,gaut, jicht, droppel;Gouty= jichtig, gezwollen.
Gout,gû, smaak.
Govern,gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren;Governable= bestuurbaar, volgzaam; subst.Governableness;Governess,gɐvənəs, subst. gouvernante;Governverb. gouvernante zijn:That pleases me better thangovernessing= dan voor gouvernante te spelen;Government[229]= bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj.Governmental;Governor= bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in stoommachines);Governorship.
Gowan,gauən, madeliefje (Schotl.).
Gower,gauə,gôə.
Gown,gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit:Town and gown= studenten en professoren tegenover de stedelingen;Band and gown= toga en bef;Morninggown-= morgenjapon;Nightgown= nachtjapon;Gown-boys= leerlingen, die met kost, inwoning en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten;Gown(s)man= getabberde, student; burger.
Gozzard,gosəd, ganzenhoeder, verbastering vanGoose-herd.
Grab,grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië;Grabverb. grijpen (naar =at), pakken, vatten;Grabble= grabbelen, tasten, spartelen.
Grace,greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel;Graceverb. begunstigen, versieren, vereeren:Theysaid grace= zij baden, dankten;Hedid it with a bad grace, with (a) good grace= onvriendelijk, vriendelijk, gepast;You mighthave the graceto offer me something= kon wel eens zoo vriendelijk zijn;Days of grace= loopdagen, respijtdagen;We had butten minutes’ grace= ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan;He wasin her good graces= bij haar in de gunst;The Graces= de (drie) Gratiën;In the year of grace 1894= in het jaar onzes Heeren 1894;Graceful= bevallig; subst.Gracefulness;Graceless= onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst.Gracelessness;Gracious,greišəs, genadig, gunstig;Good(ness) gracious= genadige goedheid, goeie hemel! subst.Graciousness.
Gracile,gras(a)il, dun, slank.
Gradation,grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj.Gradational;Gradatories,gradətəriz, subst. trap van uit een klooster naar eene kerk;Gradatory= geregeld opklimmend.
Grade,greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken:These roads areat grade= waterpas, op dezelfde hoogte;Gradely,greidli, gepast, voegzaam.
Gradient,greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj. trapsgewijze, geleidelijk.
Gradual,gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. eenresponsegezongen na hetepistle, gradueel of graduale.
Graduate,gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren; promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst.gradjuit, iemand met acad. graad; adj. =Graduated:Graduated income-tax= progressieve inkomstenbelasting;These lessons are carefullygraduated tothechildren’spowers= deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen;Graduation,gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping);Graduator,gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.
Gradus,greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig.Gradus ad Parnassum).
Graft,grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.);Graftverb. enten; zwoegen;Grafting-knife;Grafting-wax.
Graham bread,greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe;Grahamite= vegetariër.
Grail,greil, (Heilige) Graal.
Grain,grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork, harpoen;Grainverb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk):He hasno grain of sense= geen greintje verstand;He hasa grain of allowance= hij krijgt maar een bitter beetje;Against the grain= tegen den draad in;Itgoes against the grainwith me= het stuit mij tegen de borst;First theyrubbedthe old managainst his grain,and then smoothed him down again= eerst maakten zij den ouden man kwaad;Thatis dyed in grain= in de wol geverfd;He isa rogue in grain= doortrapte schurk;Grains= afgewerkte mout:Grains of ParadiseParadijskorrels;Grain shipments= korenladingen;Grained= ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven);Grainer= schilder (die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog, looiersmes;Graining= looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk;Grain-staff,stâf, stok met vorkvormige uiteinden;Grainy= vol graan, korrels of pitten.
Gram,gram, keker; gram.
Gramercy,grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!
Graminaceous,gramineišəs, grasachtig;Graminivorous,graminivərɐs, grasetend.
Grammar,gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik;Grammar-school= gymnasium, Latijnsche school;Grammarian,grəmêriən, taalkundige;Grammatical,grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.
Gramme,gram, gram (=15,432 troy grains).
Gramophone,graməfoun, gramophoon.
Grampian,grampiən:The Grampians=Grampian Hills, Mountains.
Grampus,grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.
Granada,granâdə.
Granary,granəri, korenschuur, korenzolder.
Grand,grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig:Theydo the grandat our expense= zij hangen den heer uit;Grand total= algemeen totaal;Grand-aunt= oud-tante;Grandchild= kleinkind;Granddaughter= kleindochter;Grand-duke= groothertog;Grandfather= grootvader;Grandfather’s clock= ouderwetsche staanklok;Grand-juror= lid van deGrand-jury= de jury, die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door depetty jury[230]verhoord word;Grand-master= grootmeester;Grandmother= grootmoeder;Grand-nephew= achterneef;Grand-niece= achternicht;Grand-seignior= (oude) titel van den Sultan van Turkije;Grand-stand= groote tribune (bij een wedstrijd);Grandsire= grootvader, voorvader;Grandson= kleinzoon;Grand-uncle= oudoom;Grand-vizier= grootvizier of eerste minister in Turkije;Grandam,grandəm, grootmoeder, oude vrouw;Grandee,grandî, grande (Spaansch edelman);Grande-garde,grandgâd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt;Grandeur,grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid;Grandiloquent,grandiləkwent,Grandiloquous,grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend;Grandiose,grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst.Grandiosity=Grandness.
Grange,greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten, heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.);Grangers= Polit. Agrariërs (Amer.).
Grangerize,greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit andere boeken vandaan gehaald.
Graniferous,grənifərɐs, graandragend;Graniform,graniföm, korrelig (als graan);Granivorous,grənivərɐs, graanetend.
Granite,granit, graniet; adj.Granitic.
Granny,grani, grootje; ook:Grannam,gran’m.
Grant,grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming, overdracht;Grantverb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen:There will be a grantas prayed= de eisch zal toegewezen worden;I claim a grantof letters of administration= ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd;God grant him success= God geve, dat hij slage;Let us grant itfor argument’s sake= laten wij het voor een oogenblik aannemen;Togrant a flavour to= een aangenamen geur (smaak) verleenen aan;I beg your pardon;Granted= ik vraag u excuus; gij hebt het;I take it for granted= ik houd het voor bewezen, uitgemaakt;Grantedyou are right= toegegeven, dat;Grants-in-aid= hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen;Grantable= inwilligbaar, overdraagbaar;Grantee,grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen; concessionaris;Granter= die toestaat of overdraagt;Grantor,grântə,grantö, die iets overdraagt of afstaat.
Grantham,grant’m.
Granular,granjulə, korrelachtig, korrelig;Granulate,granjuleit, granuleeren; greineeren; korrelig worden;Granule,granjûl, korreltje;Granulous,granjulɐs, vol korrels.
Granville,granvil.
Grape,greip, druif;Grapes= gezwel (op paardenhiel);Grape-shot= schroot;Grape-sugar= druivensuiker;Grape-stone= druivenpit;Grape-vine= wijndruif;Grapery= druivenkweekerij (-kas).
Graphic(al),grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk;Graphology,grəfolədži, graphologie;Graphometer,grəfomətə, graphometer;Graphophone= klankschrijver.
Graphite,grafait, graphiet.
Grapnel,grapn’l, dreg; klein anker.
Grapple,grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak;Grappleverb. aanklampen, vastgrijpen, vechten;Grapplement= worsteling van man tegen man;Grappling-iron= enterhaak.
Grapy,greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven, druiven …
Grasp,grâsp, subst. greep, houvast, bereik;Graspverb. vasthouden, grijpen, vatten, bezit nemen:He did notgrasp the situation= begreep niet;All grasp all lose= wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus;Grasper= grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon;Grasping= inhalig.
Grass,grâs, subst. gras;Grassverb. met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen:We areat grass= vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd;Togo to grass= doodgaan; in de wei loopen (fig.);Go to grass= ruk uit!The horses wereput to (taken (in) to) grass= werden in de wei gedaan;Tosend to grass= neerslaan;What made himhavehis horseup from grass= waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan?He never lets the grass grow under his feet= laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan;While the grass grows, the steed starves= met hopen en verlangen alleen komt men er niet;Grass-blade= grassprietje;Grass-cloth= graslinnen;Grass-green, subst. graskleur; adj. grasgroen;Grass-grown= met gras begroeid;Grass-hand= (nood)letterzetter;Grass-hopper= sprinkhaan;Grass-plot= grasveld;Grass-widow= onbestorven weduwe; ongehuwde moeder;Grassy= met gras bedekt, groen.
Grate,greit, subst. rooster, haard, traliewerk;Grateverb. van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen:Itgrates uponmy ears= het doet mijne ooren pijn;Grater,greitə, rasp;Grating,greitiŋ, subst. traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.
Grateful,greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst.Gratefulness.
Gratian,greiš’n, Gratianus;Gratiano,greišiânou.
Gratification,gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging;Gratify,gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn:That must be verygratifying toyou= daarmede moet gij wel ingenomen zijn.
Gratis,greitis, gratis.
Gratitude,gratitjûd, dankbaarheid.
Gratuitous,grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond; subst.Gratuitousness;Gratuity,grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.[231]
Gratulate,gratjuleit;Gratulation;Gratulatory. ZieCongratulate.
Gravamen,grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.
Grave,greiv, subst. graf;Graveverb. graveeren, beitelen;Grave-clothes,greiv-kloudhz, lijkwade;Grave-digger,Grave-maker= doodgraver;Grave-mound= grafheuvel;Grave-stone= grafsteen;Grave-yard= kerkhof;Graveless= onbegraven;Graven= gesneden, gegraveerd;Graver,greivə, graveur, graveerstift.
Grave,greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst.Graveness.
Grave,greiv, schoonmaken van den bodem van een schip;Graving-dock= droogdok.
Gravel,grav’l, subst. kiezel; graveel;Gravelverb. met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken:The editor wasGravelled for matter= de redacteur was verlegen om copie;Gravel-pit= kiezelkuil;Gravel-walk= kiezelpad, grintpad.
Gravelin(e),gravəlîn, Grevelingen;Gravesend,greivzend.
Gravid,gravid, zwanger.
Gravitate,graviteit, (aan)getrokken worden, neigen:He isgravitating towardsconservatism= helt over, voelt zich aangetrokken tot;Gravitation= zwaartekracht;Gravity,graviti, zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht:Specific gravity= soortelijk gewicht;Centre of gravity= zwaartepunt.
Gravy,greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).
Gray,grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont, das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister;Graybeard= grijsaard; steenen kruik (Schotl.);Gray-fly= paardenvlieg;Gray-friar= Franciskaner monnik;Gray-mare= schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft).
Grayling,greiliŋ, vlagzalm.
Graze,greiz, subst. schaafje of schram(metje);Grazeverb. schaven, strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met;Grazer= grazend dier;Grazier,greižə, vetweider.
Grease,grîs, subst. vet, smeer, kanen;Greaseverb.grîz,grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen:In the grease= ongezuiverd;We shalllet him stew in his own grease= in zijn eigen vet laten gaarkoken:Grease-box;Grease-man(=Greaser,grîzə) = smeerder; smeerlap; scheldn. v. een Mexicaan (Amer.);Grease-pot= vetpot; smeerpoes;Greasiness, subst. v.Greasy= vettig, besmeerd, vuil, mistig, modderig, zalvend.
Great,greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste, dik, gezwollen, enz.:Webought them by the great= wij kochten ze in de massa;A great deal= zeer veel;A great many= vele;A great while= sedert lang;Great-coat= overjas;Great-goofGreats= examen voor de B.A. graad;Great-grand-aunt= overoudtante;Great-grandfather= overgrootvader;Great-grandson= achterkleinzoon;Great-hearted= dapper, grootmoedig;Herides the great horse= hij zit op zijn paardje (fig.);Great seal= grootzegel;Great Spirit= naam van het Opperwezen bij de Indianen;Greatness= grootheid, enz.
Greaves,grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.
Grecian,grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse inChrist’s Hospital(Londen); adj. Grieksch;Grecianize,grîšənaiz, vergriekschen;Grecism,grîsizm, Grieksch idioom;Grecize,grîsaiz, in het Grieksch vertalen, vergriekschen.
Gre(e)be,grîb, fuut.
Greece,grîs, Griekenland.
Greed,grîd, hebzucht, begeerigheid =Greediness; adj.Greedy= begeerig, schrokkig:Greedy of honour= eerzuchtig;Greedy-gut= schrokker, slokop.
Greek,grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch;Greek met Greek= twee Joden weten wat een bril kost;Greek Church= de Grieksche kerk;Greek cross= kruis met vier gelijke armen;Greek fire= Grieksch vuur;Greek orders= de Dorische, Ionische en Korintische bouwstijl.
Green,grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel;Greens= groenten;Greenverb. groen maken of worden:Do you see any green in my eye= zie ik er zoo onnoozel uit?On the green side of fifty= onder de 50 jaar;Greenback= Amer. bankbiljet;Green cloth= speeltafel:Board of green cloth= een soort van Hof-Rechtbank onder den Hofmaarschalk; biljart;Green-coloured= bleek, ziekelijk;Green-crop= groenteoogst;Green-eyed= groenoogig; ijverzuchtig, jaloersch, achterdochtig:The green-eyed monster= de jaloerschheid;Greenhand= nieuweling;Green-finch= groenling, vlasvink;Green-fly= groene vlieg; bladluis;Greenfoil; zieFoil:Green foil smalls= groenkleurige korte broek;Greengage= reine claude, groene pruim;Greengrocer= handelaar in groenten;Greenhorn= nieuweling, sul;Greenhouse= oranjerie, broeikas;Greenland(er)= Groenland(er);Green-room= kamer voor de niet optredende acteurs;Greensickness= bleekzucht;Green-stall= groentenstalletje;Green-sward= grasveld;Greenwood= woud in den zomer;Greenery,grînəri, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden;Greenhood= onrijpheid, onervarenheid;Greenish= groenachtig; groen (fig.);Greenness= groenheid, jeugd, onervarenheid;Greeny=Greenish.
Greenwich,grînidž.
Greet,grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen (Schotl.);Greeting= groet.
Gregarious,grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst.Gregariousness.
Gregorian,grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek);Gregory,gregəri, Gregorius.
Grein,grîn.
Gremial,grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek(die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop, als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen,[232]op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.
Gremio,grîmiou,gremiou.
Grenada,grəneidə.
Grenade,grəneid, granaat;Grenadier,grenədîə, grenadier.
Grenadine,grenədîn,grenədin, grenadine.
Gresham,grešəm;Greville,grevil.
Grew,grû, imperf. vanTo grow.
Grewel,grûəl, straffen, verslaan.
Grewsome,grûs’m, ijselijk, leelijk.
Grey,grei, grijs (ZieGray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel;Greyverb. grijs maken of worden;Thegrey mare= vrouw, die de broek aan heeft;The Greys= Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden alle schimmels zijn=Scots Greys);Grey-bird= lijster;Grey-hound= hazewind; snelvarende stoomboot (=Ocean grey-hound);Greyish= grijsachtig;Greyness= grijsheid.
Grice,grais, speenvarken, jonge das.
Griddle,grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef;Griddle-cake= soort pannekoek (Amer.).
Gride,graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.
Gridiron,gridaiən, rooster; vlag derU. S.;Gridiron-pendulum= compensatieslinger.
Grief,grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging:The bridge hascome to grief= is zeer bouwvallig;Hecame to grief= het liep verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het liep slecht met hem af;Hecame to grief overthis obstacle= deze hinderpaal brak hem den nek;Grievance,grîv’ns, grief, bezwaar; leed, kommer:Grief-monger= eeuwige mopperaar, brompot;Grieve,grîv, bedroeven, smarten, krenken, (be)treuren:Tobe grieved at= betreuren, treuren over;Grievous,grîvəs, smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig; subst.Grievousness.
Griffe,grif, kind van een neger en eene mulattin.
Griffin,grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in Indië is gekomen).
Griffith,grifith.
Griffon,grifən, affenpinscher.
Grig,grig, krekeitje; smelt:As merry as a grig= zoo vroolijk als een vogeltje, erg gezellig.
Grill,gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch;Grillverb. roosteren, braden (ookfig.);Grill-room= soort “lunchroom”, restaurant.
Grillage,grilidž, roosterwerk (als fundeering).
Grille,gril, traliewerk.
Grilse,grils, jonge zalm (tweede jaar).
Grim,grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst.Grimness.
Grimace,grimeis, grijns;Grimaceverb. grijnzen.
Grimalkin,grimalkin,grimôlkin, oude kat.
Grime,graim, subst. vuil, roet;Grimeverb. bevuilen;Grimy= vuil.
Grimm’s law,grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.
Grin,grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val;Grinverb. grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen:Togrin and bear it= zich goed houden.
Grind,graind, subst. het malen, blokken, ploeteren;Grindverb. malen, slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen, drillen (voor een examen), blokken:It is a frightful grind= een verschrikkelijke toer;A man cannot be alwayson the grind= kan niet altijd ingespannen wezen;He ground the faces of the poor= onderdrukte de armen (Jesaja III, 15);Do notgrind your teeth= knars niet met de tanden;The employergroundusdown= buitte ons uit;Two numbers have beenground offthe wheel= twee nummers (van het tijdschrift) zijn afgewerkt;Grindstone,graindstounofgrin(d)stən, slijpsteen:He haskept his nose to the grindstone= heeft zich afgebeuld;I have beentied to the grindstoneduring the last weeks= door veel werk erg gebonden geweest;Grinder= onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker:He took a grinder= bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide (als om te zeggen: ik maal er wat om);Grindery= slijperij; schoenmakersmateriaal, magazijn daarvan;Grinding= nijpend:Grinding poverty.
Grip,grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam voorinfluenzain Amerika;Gripverb. grijpen, goed vasthouden, droogleggen, greppels graven:He hada feeble grip ofmy idea= begreep mij maar half;Take a good grip onthat= onthoud dat goed;Grip-sack= reis of knapzak (Amer.)Gripper= gierigaard;Gripple,grip’l, subst. greep, houvast; adj. grijpend, inhalig.
Gripe,graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt, knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek;Gripeverb. grijpen, goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind liggen;Gripes= koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen;He feltgriping painsin the belly= ondragelijke buikpijn;Griper,graipə, afperser, onderdrukker.
Griqualand,grîkwəland, in Zuid-Afrika.
Griselda,griseldə,Grissel, gris’l, Griselda.
Griseous,grisiəs, grauw, grijsachtig.
Grisette,grizet, grisette.
Grisliness,grizlinəs, gruwelijkheid;Grisly,grizli, akelig, vreeselijk, afschuwelijk; ZieGrizzly.
Grisongrais’n, kleine veelvraat (soort marter).
Grisons (The),dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.
Grist,grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad:Such thingsbring grist to his mill= zulke zaken brengen hem voordeel aan;That’s grist to his mill= koren op zijn molen;Grist-mill= korenmolen.
Gristle,gris’l, kraakbeen:In the gristle= jong en weerloos;Gristly= kraakbeenachtig.
Grit,grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijkmeervoud), grof deel van meel, gruis,[233]ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed;Gritverb. knarsen, krassen, wrijven:Theyhad not grit enoughto do it= geen flink heid;Her father isfull of grit and go= is een kranige, vooruitstrevende kerel =There is grit in him;All Americansof the true grit= van de echte (energieke) soort;I gritted my teeth;Grit-stone= grof soort v. zandsteen;Grittiness, subst. vanGritty= gruis bevattend, korrelig, hard; flink, kranig (Amer.):Agrittynovel= pittige roman.
Grizzle,griz’l, grauwe kleur;Grizzleverb. grijs worden (maken);Grizzled= grijs, grauw, geschimmeld.
Grizzly,grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer:I will send you a skin, if I have any luck with thegrizzlies= als ik succes heb op mijne berenjacht;Grizzly-bear= N. Amer. beer.
Groan,groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen gevend);Groanverb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).
Groat,grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid:Not worth a groat.
Groats,grouts, grutten.
Grocer,grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier;Groceries= kruidenierswaren;Grocery= kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).
Grog,grog, grog;Grog-blossom= roode neus of gezicht;Grog-fight= zuipen;Grog-shop= kroeg =Groggery(Amer.);Grogginess, subst. v.Groggy= dronken; wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).
Grogram,grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.
Groin,grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf;Groined.
Gromet,gromət,grɐmət, strop:Gromet of an oar= krans (van touwwerk).
Groom,grûm,subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige hofofficianten;Groomverb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen, enz.):Groom of the stole= opperkamerheer;He waswell groomedand trimly clad= zag er zeer verzorgd uit;Groomsman= bruidsjonker.
Groove,grûv, groef, voor, levensloop, sleur;Grooveverb. groeven of voren maken:He hadgot into the groove ofthat kind of life= was gewoon geraakt aan;Teaching tends tofall into grooves= wordt gemakkelijk sleurwerk;A groove in teachingis fatal= sleur bij het onderwijs is noodlottig.
Grope,group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden (ook metback), in den blinde rondtasten:She had been walking ingrope-lighttowards a precipice= tastende (in het donker).
Gros,grou, zware zijden, stof (Gros de Naples); oud Fransch muntstukje.
Gross,grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat, gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa, geheel, hoofdbestanddeel:In the gross= in ’t algemeen, bij de roes, en gros, bruto;Gross-headed= met een dikkop; dom, stomp;Gross-weight= brutogewicht;Grossness= dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid, ruwheid, domheid, afschuwelijkheid.
Grossulaceous,grosiuleišəs,Grossular,grosiulə, tot de kruisbessen behoorend; subst. groene granaat.
Grosvenor,grouvənə.
Grotesque,grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst. grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst.Grotesqueness.
Grotius,groušəs, Hugo de Groot.
Grotto,grotou, subst. grot, hol;Grotto-work= kunstmatig grotwerk.
Ground,graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied, grondtoon; P. Imperf. en P.P. vanto grind;Groundverb. op of in den grond plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten, onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (Ground arms), aan den grond of vast raken (schepen):Ground glass= matglas;Grounds= tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop, koffiedik, grondkleur:The grounds will be cleared at ten= de tuin of het park wordt om 10 uur ontruimd;We havebroken ground already= wij hebben al een begin gemaakt;He hascut the ground from under my feet= hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid;Hechanged his ground= veranderde van positie, methode, etc.;The plan hasfallen to the ground= is in duigen gevallen;We have gained ground= wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen;That idea seemsto gain ground= schijnt veld te winnen, algemeen te worden;They havelost ground= zij zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren;Our troops bravelystood their ground= hielden moedig stand;Ground-angling= visschen met grondangel;Ground-ash= esschescheut(-stek);Ground-bailiff= mijnopzichter;Ground-bait= vischaas;Ground-bridge= brug van houten dwarsliggers door een moeras (Amer.; ZieCorduroy-road);Ground-floor= benedenverdieping;Ground-ice= grondijs;Ground-ivy= hondsdraf;Ground-oak= eikenloot;Ground-plan= platte grond;Ground-plate= raam, grond-(fundatie), plaat, zool;Ground-plot= bouwterrein, platte grond;Ground-rent= grondrente;Ground-sea,Ground-swell= grondzee;Ground-tackle= ankertouwen, -kettingen;Ground-tier= benedenloges (in een theater);Groundwork= grond, grondslag, grondbeginsel, geraamte (van iets);Grounded:Well grounded= goed onderlegd;Groundless= ongegrond: subst.Groundness;Groundling= kleine modderkruiper, bermpje:TheGroundlings= parterrebezoekers, het plebs.
Groundage,graundidž, liggeld (v. schepen).
Groundsel,graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie =Groundsill,graundsil.
Group,grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie);Groupverb. groepeeren.
Grouse,graus, korhoen (Black grouse); sneeuwhoen (Red grouse);Grouseverb. schieten opgrouse; huiveren, morren.
Grout,graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk;Grout ale= soort bier;Grouts=[234]grutten (brij); droesem;Grouty,grauti, norsch, verdrietig.
Grove,grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.):Image of the grove,zie2 Kon. XXI, 7.
Grovel,grov’l, (op de aarde) kruipen (ookfig.); liederlijk zijn;Groveller= kruiper, ploert.
Grow,grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen, aankleven, kweeken, voortbrengen:The leafgrows out ofthe stem= komt voort uit;Hegrew up tomanhood= bereikte den mannelijken leeftijd;The bookgrows uponthe reader= des lezers belangstelling in het boek neemt bij het lezen toe;Drinking willgrow upona man= de gewoonte van drinken wordt gewoonlijk sterker;Hegrows a moustache= laat zijn snor staan;They havegrown together= zijn volkomen één geworden;Grower= verbouwer:Slow growers= langzaam groeiende boomen;Growing weather= groeizaam weer;Growing-ups= aankomende jongelui;Grown= gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld:Afull-grown man= volwassen man;Over half-grown= meer dan half volwassen;Two thirds grown;When you aregrown= groot;The ground wasgrown overwith weeds= bedekt met onkruid;Growth= groei, toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel, oorsprong:Winesof good growth;Of one’s own growth= zelf gekweekt.
Growl,graul, subst. geknor, gebrom, geklaag;Growlverb. brommen, snauwen, knorren;Growler= brompot; rammelkast;Growlery= studeerkamertje.
Grub,grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en slordig persoon, voedsel;Grubverb. (op)graven, uitgraven, ploeteren; blokken, schransen, voeren:He knelt down a grub, and rose a butterfly= toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een ridder;An intermediate grub betweensycophant and oppressor= een nieteling tusschen vleier en tiran;In grub= druk aan ’t werk;He isfond of his grub= hij houdt veel van eten;Grub and bub= eten en drinken;Grubber= schranser, blokker, schoffel;Grubbery= volksgaarkeuken;Money grubbing= geldschrapend;Grubbing-axe (Grub-hoe)= schoffel;Grubby= onzindelijk, vuil, versleten, dwergachtig.
Grub Street,grɐbstrît, subst. de tegenwoordigeMilton Street(in Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook: nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig, nietswaardig.
Grudge,grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst;Grudgeverb. wrok koesteren, onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien, aanmerkingen maken op:Hebears me a grudge= heeft een wrok tegen mij;I owe you a grudgefor doing this= ik ben boos op je, datje …;He grudges himself nothing= ontzegt zich niets;He grudges me the light of my eyes= hij gunt mij … niet;Grudger= afgunstige, brompot;Grudgingly= ongaarne.
Gruel,grûəl, gruwel of pap:I havegiven him his gruel= ik heb hem zijn vet gegeven;Take your gruellike a man= houd je taai.
Gruesome,grûs’m. ZieGrewsome.
Gruff,grɐf, norsch, barsch, ruw;Gruffish; subst.Gruffness.
Grugru,grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.
Grum,grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.
Grumble,grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (Grumbles= ontevreden aard):He had a grumble to himself= mopperde in zichzelf;Grumbler= knorrepot, brompot =Grumbletonian;Grumbly= knorrig.
Grummet,grɐmət=Gromet.
Grumous,grûməs, geklonterd, geronnen; subst.Grumousness.
Grumpiness,grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid; adj.Grumpish,Grumpy.
Grundel,grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.
Grundy,grɐndi:Mrs. Grundy= de kritiseerende kwaadsprekende wereld:What will Mrs. Grundy say?= wat zal de wereld er wel van zeggen?
Grunt,grɐnt, subst. geknor;Gruntverb. knorren, brieschen, klagen, brommen;Grunter= varken;Gruntling= jong varken.
Grysbok,graisbok, Zuid-Afr. antilope.
Guaniferous,gwânifərɐs, guano opleverend;Guano,gwânou,gjuanou, subst. guano;Guanoverb. met guano bemesten.
Guarantee,gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid;Guaranteeverb. waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor:This guarantees you in the possession of your property= waarborgt u;Guarantor,gar’ntə,gar’ntö, borg;Guaranty,gar’ntî; ZieGuarantee.
Guard,gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer (ankle-guard), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm (Guards= garde in het leger);Guardverb. bewaken, behoeden, beschermen, zich hoeden:Iam off my guard= ben niet op mijn hoede;Be (stand) on your guard= wees op uw hoede;Hekept guardover me= bewaakte mij;The soldiersmounted guard= betrokken de wacht;Heput me on my guard= waarschuwde mij;Hethrew me off my guard= hij wiegde me in slaap, verschalkte me;Torelieve the guard= de wacht aflossen;The advanced guardhad to defend the bridge= de voorhoede moest de brug verdedigen;You mustguard againstmistakes= gij moet oppassen voor fouten;Guard-boat= wachtboot;Guard-house= wachthuis;Guard-room= wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal;Guard-ship= wachtschip;Guardsman,gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de garde;Guarded(ly)= omzichtig;Guardian,gâdj’n, voogd, opziener, bewaarder, geleider:Guardians of the poor= armvoogden;Guardian-angel= beschermengel;Guardianship= voogdij.
Guatemala,gwâtəmâla,gôtəmâla;Guayana,gwaiâna.
Gude-wife,gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).[235]
Gudgeon,gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel, lokaas; adj. dom.
Guebre,Gueber,gîbə,geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.
Guelders,geldəz,Guelderland,geldəland, Gelderland.
Guelf,Guelph,gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z.Ghibelline);Guelfic= tot de Guelfen behoorende;Guelfic-order= ridderorde voor het oude Hannover (in 1815 ingevoerd).
Guerdon,gɐ̂d’n, belooning.
Guer(r)illa,gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.
Guernsey,gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.
Guess,ges, subst. gis, gissing;Guessverb. gissen, onderstellen, raden:Hegave a guess at it= hij raadde er naar;I’ll give you a hundred guesses, and you won’t be on it= ik zet het je het te raden;I guess= ik geloof, ik denk (Amer.);He guessed at it= hij raadde er naar;Guess-work= gissing, onderstelling.
Guest,gest, gast, logeergast;Guest-chamber.
Guffaw,gəfô, subst. luide lach;Guffawverb. brullen (van lachen).
Guggle,gɐg’l. ZieGurgle.
Guiana,giâna.
Guidable,gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar;Guidance,gaid’ns, geleide, richting, bestuur;Guide,gaid, subst. gids, geleider, bestuurder, regulateur, reisgids;Guideverb. geleiden, besturen, leiden:Guide-board= wegwijzer;Guide-book= reisgids;Guide-post= wijspaal, wegwijzer;Guider= leider (Zie ook:Guidon).
Guidon,gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.
Guild,gild, gilde, vereeniging:Guild-brother= gildebroeder;Guild-hall= gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert;Guilder= gulden (Nederl.);Guildry= gilde (Schotl.).
Guildenstern,gildənstɐ̂n;Guildford,gilfəd.
Guile,gail, bedrog, list, valschheid;Guileful= arglistig; subst.Guilefulness;Guileless= argeloos; subst.Guilelessness.
Guillotine,gilətîn, subst. guillotine;Guillotineverb.gilətîn, guillotineeren.
Guills,gilz, gele ganzebloem.
Guilt,gilt, schuld, misdaad;Guiltiness= schuld, strafbaarheid;Guiltless= onschuldig, onschadelijk; subst.Guiltlessness;Guilty= schuldig:He wasguilty ofthat theft= schuldig aan;Helooked guilty-like= hij zag er uit, alsof hij schuldig was.
Guinea,gini, subst. guinje (=21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea;Guinea-corn= doerrah; panikkoorn;Guinea-fowl= paarlhoen;Guinea-grains= paradijskorrels;Guinea-pepper= Spaansche peper;Guinea-pig= Guineesch biggetje; waterzwijn; iemand, die zijn naam leent voor industrieele ondernemingen en oorspronkelijk eenguineaals presentiegeld ontving.
Guinevere,gwinəv(î)ə, Ginevra.
Guise,gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier:In the guise (light) of= bij wijze van.
Guitar,gitâ, guitaar.
Gulch,gɐlš, diep ravijn (Amer.).
Gulden,guld’n, Oostenrijksche florijn.
Gules,gjûlz, rood, keel (Herald.).
Gulf,gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste nummer op de lijst der geslaagden bij hetMathem. Tripos(Camb.):There is a great gulf fixed between the two;Gulf-stream= golfstroom.
Gull,gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals;Gullverb. bedriegen, beetnemen;Gull-catcher= bedrieger, kwartjesvinder;Gullible= gemakkelijk beet te nemen; subst.Gullibility.
Gullet,gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).
Gully,gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail;Gullyverb. met geraas stroomen;Gully-hole= rioolgat.
Gulp,gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking;Gulpverb. met groote teugen inzwelgen, slokken:Hegulped upwhat he had taken= braakte uit;They area brace of gulpings= stelletje drinkebroers.
Gum,gɐm, subst. tandvleesch; gom;Gumverb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.):Gum arabic= Arab. gom;Gumboil= zweertje op het tandvleesch;Gum elastic= caoutchouc;Gum-rash= hittepuistjes;Gumsuck= bedriegen (Amer.);Gumsucker= jonge Australiër van Europ. afkomst;Gum-trees= soorten v. Eucalyptus en Acacia;Gumminess, subst. v.Gummy= gomachtig, kleverig, gom bevattend;Gummy!= jeminé!That is gummy= bijna ongeloofelijk, en toch waar.
Gump,gɐmp, sul, dwaze kerel.
Gumption,gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid;The boys had to write agumption paper= opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen;Gumptionless= dom;Gumptious,gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.
Gun,gɐn, subst. geweer, kanon;Gunverb. schieten, jagen:He isa big gun= invloedrijk persoon, groote hans;Son of a gun= pierewaaier (humor.), lammeling;It isas sure as a gun= zoo zeker als 2 × 2;The guns were brought to bear onthe enemy’s ships= werden gericht;Toblow great guns= stormen;Wespiked their guns= vernagelden;Theystood to their guns= bleven standvastig (het geschut bedienen);Gun-barrel= loop van een kanon of geweer;Gun-battery= batterij (van kanonnen);Gunboat= kanonneerboot;Gun-carriage= affuit;Gun-cotton= schietkatoen;Gun-fire= uur van het morgen- en avondschot;Gun-foundry= gieterij;Gun-metal= geschutmetaal;Gunpowder= buskruit; fijne groene thee:The Gunpowder Plot= samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen;Gun-rack= geweerrek(-rak);Gun-reach= kanon- of geweerschotsafstand:He iswithin gun-reach= op kanon- of geweerschotsafstand (ook:Gun-shot) = hij[236]is onder schot;Gun-rod= laadstok;Gun-room= verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip;Gun-shot= geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer;Gunsmith= geweermaker;Gunsmithery= geweermakerskunst, -vak;Gun-stock= geweerlade;Gun-tackle= geschuttalie;Gunned:Heavily gunned= met zwaar geschut;Guner= artillerist, kanonier;Guner’s ladle= laadlepel;Gunnery= artillerie wetenschap;Gunnery-lieutenant= luitenant die, na eenGunnery-courseop eenGunnery-shipte hebben bijgewoond, in het bezit is van eenwarrantdaarvan.