IV.

Zij bleven toen lang met elkander praten en er kwam niemand, die hen stoorde. Het kind was weêr gaan zitten bij het raam. De schemering begon hare asch naar binnen te strooien. Zacht wit zag hij Cecile daar zitten, in de melodie harer woorden van halve stem, die weldadig tot hem aanklonken. Zij spraken over veel; over Emerson; over een gedicht van Van Eeden, in den Nieuwen Gids; over hunne levensopvattingen. Hij had een kop thee willen aannemen, alleen om haar zich te zien bewegen met de weeke lijnen harer bevalligheid, staande voor het theetafeltje in den hoek. In haar wit toilet, had zij iets van marmer, dat week zoû zijn van bezieling en leven. En onbewegelijk bleef hij zitten, luisterend met eerbied, opgenomen in eene teedere verrukking van geluk. Het was eene stemming, niet te analyzeeren, zonder zichtbaren oorzaak, alleen wordende uit hun sympathetisch samenzijn, zooals eene bloem wordt uit een onzichtbaar zaad, na een regendrop en wat zonneschijn. Ook zij, ze was gelukkig; ze voelde niet hare pijn om zijn eerbied. Ze was wel een beetje weemoedig, dat hij zoo geleefd had, maar toch was ze gelukkig om het geluk van die stip van het heden. Ze zag nu ook niet haren donkeren stroom, hare inktlucht, haar nalatenschap; ze zag nu alles licht, in kalmte. En het geluk ademde om hen heen, tastbaar, als met eene liefkoozing. Soms zwegen zij, en zagen beiden naar het kind, dat las, of het vroeg hun iets en zij antwoordden. Dan glimlachten zij elkander toe, omdat het zoo zoet was en niet hinderde.

—Ik wilde, dat dit nu altijd zoo bleef! dorst hij te zeggen, toch nog vreezende; dat zulk een woord de kristallen transparantheid van hun geluk zoû breken. Als u nu in me zien kon, hoe goed ik me voel. Ik weet niet waarom, maar ik voel me zoo. Misschien om uw vergeving. Het Roomsche geloof is toch heerlijk met zijn absolutie. Wat een troost voor zwakke menschen.

—Maar u mag u niet zwak vinden. U is dat ook niet. U zegt me, dat u zich soms boven het gewone leven kan stellen, dat u kan neêrzien op de smart van het leven als op een comedie, die maar eventjes droef doet glimlachen, maar niet de waarheid is. Ik geloof ook, dat het leven, zooals wij het zien, alleen maar symbool is van een leven van waarheid, dat er onder schuilt en dat we niet zien. Maar ik kan me niet boven het symbool stellen en u wel. Daarom is u heel sterk en voelt u heel groot.

—Hoe zonderling! en ik voel juist mijzelven zwak en u groot en krachtig. U durft te zijn, die u is, in al uw harmonie en ik verberg me altijd en ben bang voor de menschen, persoonlijk, ook al stel ik me soms boven het leven, als massa. Maar dat zijn raadsels, die ik toch niet kan oplossen, en al mis ik de macht ze op te lossen, ik voel op dit oogenblik niets dan geluk. Ik mag dat wel eens hoorbaar zeggen, nietwaar hóorbaar?

Zij glimlachte hem toe, zalig, dat zij hem het geluk gaf.

—Het is de eerste maal, dat ik zóo het geluk voel, ging hij voort. Eigenlijk is het de eerste maal, dat ik het voel ...

—Analyzeer het dan niet.

—Ik hoef het niet te analyzeeren: ik zie het in al zijn eenvoud voor mij staan. Weet u waarom ik gelukkig ben?

—Analyzeer niet ... herhaalde zij bang.

—Neen, sprak hij, maar mag ik het zeggen zonder analyze?

—Doe dat niet, stamelde zij, want ... want ik weet het ...

Zij smeekte het, zeer bleek, met gevouwen vingers, die trilden. Het kind sloeg acht op hen; het had zijn boek gesloten, het kwam naar zijne moeder en zette zich op zijn plaatsje, met een blik van prille wijsheid in zijne bleekblauwe oogjes.

—Dan gehoorzaam ik! sprak Quaerts met eenige moeite.

En zij zwegen beiden, hunne oogen vergroot als door den glans van een vizioen. Om hen heen scheen het zacht te stralen, door de asch der schemering heen.

Zij had dien avond lang geschreven in haar dagboek, en ze liep nu de kamer op en neêr, hare handen gevouwen neêrhangende, haar hoofd een weinig gebogen, met een blik, die staarde. Er was ernst om haren mond. Vóór zich zag zij het vizioen; dat wat zij geraden had. Hij had haar lief, met alleen zijne ziel, niet lief als eene vrouw die mooi is en goed, maar hooger lief dan dat, lief met de fijnste zielezenuwtrillingen van zijn mensch,—zijn eigenlijke—lief met de supreme Aandoening der essence zijns wezens. Zóó voelde zij, dat hij haar liefhad, met contemplatie en aanbidding, en zoo voelde zij het in waarheid door een raadvermogen van sympathie dat hun elkanders in-wezen deed raden naar waarheid. En dàt was zijn geluk—zijn eerste, zooals hij zeide,—haar zóó lief te hebben en niet anders. O zij begreep hem! Ze begreep zijne illuzie, die hij zag in haar en ze wist nu, dat zoo ze hem in waarheid lief wilde hebben, om hèm en niet om zich, ze voor hèm niets anders mocht zijn en blijven dan illuzie, dan eene vrouw, die geen vleesch was, die niets verlangde van de aarde, welke hij vond in andere vrouwen, die alleen ziel zoû wezen, zusterziel der zijne. En zooals ze het vizioen zijner liefde voor zich zag, kalm en stralend, zoo zag ze ook voor zich den eigen strijd, die haar wachtte: strijd met zichzelve, strijd met haar eigen smart: smart, omdat hij zoo hoog van haar dacht en ze madonna noemde, terwijl zij laag wilde zijn en slavin. Zij zoû moeten schijnen, die hij zag in haar, om zijn geluk, en die rol zoû haar zwáar vallen, want ze had hem lief met o zooveel eenvoud, met geheel haar vrouwewezen, dat zich geheel wilde geven, zóo geven als eene vrouw zich slechts aan éen in haar leven geeft, wat en wie ze ook geven mocht daarvoor, uit onwetendheid van zichzelve, en geven moge daarna in bitterheid en leed. De uiterlijkheid van dien rol en de innerlijkheid van haar zijn: het conflict daartusschen zoû haar zwaar vallen, maar ze dacht aan die zwaarte met een glimlach en met een geluk, stralende door haar hart, want dien zwaren strijd zoû ze strijden voor hèm, ter wille van hem en alleen voor hem. O, de weelde te lijden voor een, dien ze liefhad al ze had hèm; in zich gefolterd te zullen worden van verlangen, dat hij niet tot haar komen zoû met de omhelzing zijner armen en den zoen van zijn mond, en te voelen, dat ze zoo gefolterd zoû worden om zijn geluk, het zijne! Te voelen, dat ze genoeg hem liefhad om tot hem te gaan met open armen en hem den aalmoes zijner liefkoozingen vragen, maar ook te voelen, dat ze hem meer liefhad dan dat en hooger, en—niet uit fierheid en kuischheid, die toch nog egoïsme zijn—maar alleen uit zelfopoffering aan zijn geluk—niet vragen wilde en nooit vragen zoû.

Pijn, pijn om hem! Een zwaard door hare ziel voor hem! Martyre te zijn voor haar god, die op aarde niet gelukkig kon zijn, dan alleen in hare marteling! En ze was door het leven gegaan, jaren lang, zonder tot op dezen dag gevoeld te hebben, dat zulke weelde bestaan kan, niet als verbeelding in verzen, maar als realiteit in haar hart. Ze was jong meisje geweest en ze had hare dichters gelezen en wat zij rijmden over liefde en ze had gemeend dat alles te begrijpen, fijn te begrijpen en toch: zonder ooit het minste voorgeraden te hebben van het Gevoel zelve. En—jonge vrouw was ze geweest, ze was gehuwd geweest, kinderen had ze! Door haren geest flitste heur huwelijksleven in een bliksem van herinneringen en ze bleef staan voor het portret van haren overleden man, dat daar op een ezel stond in een draperie van somber peluche. Het was een masker van heerschzucht: een streng fijn gelaat met scherpe trekken als gegraveerd in fijn staal; koud-verstandige oogen met een strakken portretblik: dunne, baardelooze lippen, beslist op elkaâr gesloten als een slot. Haar man! En ze woonde nog in het zelfde huis, waar ze met hem gewoond had, waar ze hare vele gasten had moeten ontvangen, toen hij minister was geweest van Buitenlandsche Zaken. Hare recepties en diners schitterden als wereldsche tafereelen in haar geest op en ze zag nog duidelijk het oog weêr van haren man, die in een korten cirkelblik van goed- of afkeuring alles opnam: het arrangement harer kamers, hare tafels en haar eigen toilet. Haar huwelijk was niet ongelukkig geweest: haar man was wat koud en zonder expansie, geheel opgenomen in zijne eerzucht, maar hij hield van haar op zijne wijze, en dat zelfs met teederheid: ook zij, ze had van hem gehouden; zij had gemeend hem uit liefde te trouwen: hare aanhankelijke vrouwelijkheid beminde heerschers. Delicaat van gestel, ondermijnd misschien door de te groote energie der gedachte, was hij na eene korte ziekte overleden; Cecile herinnerde zich hare treurigheid, hare eenzaamheid met de twee kinderen, van wie hij reeds gevreesd had, dat zij ze bederven zoû. En hare eenzaamheid was haar zoet geweest, met het gewolk van haar gedroom ...

Waarom had ze dit portret—eene mooie levensgroote fotografie; een koolafdruk, donker van eene Rembrandtsche schaduw—nooit laten naschilderen in olieverf, zooals ze eerst had willen doen? Het voornemen was uit haar weggebleekt; ze had er in maanden niet meer aan gedacht; nù eensklaps dacht zij er aan ... En er was geen zelfverwijt en wroeging in haar. Ze zoû de schilderij niet laten maken. Het was goed, zoo. Zij dacht zonder weemoed aan den doode. Zij had zich niet over hem te beklagen gehad, hij had haar nooit iets kunnen verwijten. En nu, ze was vrij; zij werd er zich bewust van met eene wijde blijdschap. Vrij, te voelen wat ze wilde. Hare vrijheid welfde zich als boven haar uit met blauwe uitspansels, waarin hare nieuwe liefde opsteeg in de immaculate vlucht van een duif. Vrijheid, lucht, licht! Ze wendde zich met een glimlach van verrukking af van het portret; heure armen sloegen zich boven haar uit als wilde zij hare vrijheid, de wijdte van hare lucht, meten, als wilde zij het licht tegemoet. Lief, ze had lief! Er was alleen liefde; er was alleen de harmonie van zielen, de harmonie harer ziel van dienares met die van heur, op aarde verbannen, god. O, wat een gratie, dat die harmonie bestaan kon, tusschen zoo iets hoogs als hij en laags als zij! Maar hij mocht het niet zien, dat ze laag was; madonna moest ze blijven, om hem moest zij die blijven, om hem, in de marteling van zijn eerbied, en de duizeling van het hooge punt, troon van vergoding, waarop hij haar tot zich verhief. Om haar heen voelde zij die duizeling draaien als met ringen van glans. En ze viel neêr op hare bank, hare vingers vouwden zich, hare oogleden knipten; toen bleven hare oogen zelve voor zich uit turen, heel ver weg ...

Jules was een paar dagen niet naar school gegaan, om zware hoofdpijnen, die hem heel bleek maakten en hem een trek van groote treurigheid gaven; maar hij was nu wat beter, en, zich vervelende op zijn eigen kamertje, ging hij naar beneden, naar den leêgen salon en zette zich voor de piano. Papa zat wel te werken in zijn kantoor, maar het zoû papa zeker niet hinderen, dat hij speelde. Dolf bedierf hem, in zijn jongen iets ziende, dat hemzelven vreemd was en hem daardoor aantrok, zooals hem dit misschien vroeger in zijne vrouw ook had aangetrokken; kwaad kon Jules in zijn oogen niet doen en als de jongen maar gewild had, zoû Dolf geen geld gespaard hebben om hem eene zorgvuldige muzikale opvoeding te laten geven, maar Jules kantte zich met handen en voeten tegen alles wat naar lessen zweemde en beweerde bovendien, dat het niet de moeite waard zoû zijn. Eerzucht was er niet in hem; het streelde hem niet, dat Dolf zooveel in hem zag, zooveel meende te hooren in zijn spel: hij speelde alleen voor zichzelven, hij speelde om zich te uiten in de vage taal van muziekklank. Op dit oogenblik voelde hij zich alleen, verlaten in het groote huis, al wist hij, dat papa twee kamers àf zat te werken en dat hij zijn toevlucht zoû kunnen nemen op papa's groote bank; in zijn borst was op dit oogenblik een bijna fyziek gevoel van angst voor die eenzaamheid, welke iets als eene wijdte van in-alleen zijn om hem deed ronddraaien. Hij was veertien jaar, maar hij gevoelde zich niet als een kind, niet als een jongen; iets weeks, behoefte aan bijna vrouwelijke aanhankelijkheid, toewijding aan een, die hem alles zoû zijn, had hem reeds van zijne kleine-kind zijn als in zijne viriliteit getroffen en het doorhuiverde hem met die angst voor in-eenzaamheid, alsof hij zichzelven niet begreep, alsof hij bang was voor zichzelven. Zoo leed hij veel aan vage stemmingen, waarin dat vreemde hem beknelde en op de borst klom, waarin hij niet wist waar hij zijn in-wezen zoû verschuilen en waarin hij spelen ging, om zich te verliezen in de groote klankziel van muziek. Zijne dunne, nerveuze vingers tokkelden tastende over de toetsen; zelve leed hij van valsche akkoorden, die hij zoekende aansloeg; dan liet hij zich gaan, vond een enkel motief, heel kort, van klagende mineur-melancholie, en liefkoosde dat motief, liefkoosde het in vreugde dàt gevonden te hebben, dat te kúnnen vinden, liefkoosde het tot het als eene monotonie van verdriet ieder oogenblik terugkwam. Hij vond het motief zoo mooi, en kon er niet van scheiden; ze zongen zoo goed weêr wat hij voelde, die vier, vijf tonen en hij speelde ze weêr en speelde ze weêr, tot Suzette binnen vloog en hem zei, dat ze dol werd en hem vroeg of hij ophield.

Zoo ook speelde hij nu, en het was erbarmelijk eerst; hij kende nauwelijks de noten weêr; verscheurende cacofoniën kermden op en doorsneden hemzelven zijn arm, nauw van hoofdpijn genezen, brein; hij kreunde of hij weêr pijn had, maar zijne vingers waren als gehypnotizeerd, ze konden niet uitscheiden, ze zochten door en de klanken zuiverden zich; eene korte fraze klaarde los als met een kreet, een kreet, die telkens terugkwam op éen zelfden toon, plotseling hoog na de doffe laagte, die als gepreludeerd had. En die toon was Jules eene verrassing: hij schrikte van ze—ze klonk zoo mooi van verdriet—en hij was nu blij ze gevonden te hebben en blij zoo een mooi verdriet te hebben. Toen bezat hij zich niet meer, en hij speelde door en het was hem of hij niet speelde maar een ander, die in hem was en hem dwong; hij vond de volle accoorden zuiver als bij intuïtie: door het geween der klanken heen liep die zelfde muzikale figuur hooger en hooger op als met zilveren voeten van reinheid, tegen luchtig omhooggeblazen regenbogen van kristal en bereikte ze het hoogste van den glasboog, dan stiet ze haar kreet, maar nu met dronkenschap, uit in majeur, als sloeg ze hare wijde armen blijde op naar hemelen van ontastbaar blauw. En het werden als menschenzielen, die eerst leven en lijden en uitstooten haar klacht, die dan sterven, beginnen te stralen met lichamen van klaarte, wien lange vleugelen ontschieten als weêrlichten van zilver, hunne zieleschouders uit; ze trippelen achter elkaâr de regenbogen over als over bruggen van glazen blauw en rose en geel getintel, en er komen al meer en meer; het zijn volken van zielen en ze reppen en reppen hare zilveren voeten, ze dringen zich over den regenboog, ze lachen en zingen en duwen elkaâr; in hun gedrang stooten hare vleugels elkaâr, verstuift er zilverdons. Op den top van den boog staan ze nu en zien op gróote naïveteit van lachende kinderoogen en ze durven niet, ze durven niet, maar achter hen dringen de zielen; ontèlbare komen ze, meerdere, meerdere altijd door; ze duwen op naar den hoogsten top, hunne vleugels recht in de lucht, vlak tegen elkaâr. En nu, het moet: ze mogen niet meer aarzelen: éen haalt er diep adem, geeft een schok, spreidt open zijn vlucht en slaat zich met éen slag uit den dichten drom, de lucht in. Hem volgen er dadelijk vele, de een na den ander; ze stijgen in blauw in bezwijmeling; het glanst alles om hen rond. Nu, diep onder hen, welft zich, dun als een draad, de boog, maar ze zien er niet naar: stralen vallen er hun te gemoet; zielen zijn het, die ze omhelzen; in omhelzingen nemen zij ze meê. En dan het licht; het licht, dat overstraalt; oplossingen in het supreme licht; niets dan het licht, de klanken zingen het licht, de klanken zijn het licht, er is niets meer dan het Licht, eeuwig ...

—Jules!

Hij zag met een blik, die niet herkende.

—Jules! Jules!

Hij glimlachte nu, als gewekt uit een slaap van droomen; hij stond op, ging naar haar toe, Cecile. Zij stond voor de deur; zij was daar blijven staan, terwijl hij speelde: het was haar geweest of hij iets van hàar speelde.

—Wat speelde je daar, Jules? vroeg zij. En hij was nu geheel wakker en verlegen, omdat hij dacht, dat hij zeker heel veel geluid had gemaakt door het huis, door hun huis ...

—Ik weet niet, tante! zeide hij.

Maar zij omhelsde hem, in een, onstuimig, met dankbaarheid ... Zij was hem Hèt, het Mysterie! verschuldigd, omdat hij eens op haar was boos geweest ...

HOOFDSTUK IV.

"O, dat wat niet te zeggen is, omdat woorden zoo weinige zijn, altijd de zelfde, combinaties van enkele letters en klanken; o, dat wat niet te denken is in de enge grenzen van het verstand; dat wat alleen aan te zweemen is met nauwlijks voelhorens van ziel: Essence der essences der dingen van onszelve ..."

Maar ze schreef niet verder, zij wist niet meer: schreef ze, dat ze geen woorden had en zocht zij ze toch?

Zij verwachtte hem en ze zag nu uit het open venster, of hij kwam. Lang bleef zij daar; toen wist ze, dat hij dadelijk komen zoû en hij kwam ook; ze zag hem naderen langs den Scheveningschen weg; hij duwde het ijzeren hek der villa open, glimlachte haar toe en groette met den hoed.

—Wacht! riep ze. Wacht daar ...

Ze ging vlug de trap af, in den tuin, waar hij gebleven was. Hij zag haar hem tegemoet komen, vreugdig van geluk, en zoo broos bevallig; haar blonde hoofd zoo fijn in het jonge groen van Mei; als van een jong meisje haar figuur in het heel licht grijze toilet met wat zwart fluweel lint en iets van zilverkant hier en daar.

—Ik ben blij je te zien. Je bent in zoo lang niet bij me geweest! sprak ze en gaf hem de hand.

Hij antwoordde nog niet, glimlachend.

—We zullen in den tuin gaan zitten, achter, het weêr is zoo mooi.

—Ja, sprak hij.

Zij wandelden den tuin in, langs de arabesken der paden; de jasmijnen sterrelden wit langs hen heen. In een andere villa speelde men piano, de klanken dwaalden over: het was Rubinsteins romance in es.

—Hoor! zeide Cecile, opschrikkend. Wat is dat?

—Wat? vroeg hij.

—Wat daar gespeeld wordt?

—Rubinstein, geloof ik! sprak hij.

—Rubinstein...? herhaalde zij vaag. Ja ...

En zij smolt weg in de weelde der herinnering van ... wat? Nog éens, zoo, langs die zelfde paden had zij gewandeld, langs zulke jasmijnen, nog eens, heel lang, zoo lang geleden, gewandeld met hem, hem ... Waarom? Keerde dan het zelfde terug, na eeuwen ...

—Je bent in geen drie weken bij me geweest? sprak ze gewoon weg, zich terugwinnende.

—Vergeef me, antwoordde hij.

—Wat was er?

Er kwam weifeling in zijn geheele wezen, het scheen als zocht hij iets.

—Ik weet het niet, sprak hij zacht. U moet het me vergeven, niet waar? Den eenen dag was er dit, en den anderen dat. En dan ... ik weet het niet. Veel redenen bij elkaâr. Het is niet goed, dat ik u veel zie. Niet goed voor u en niet goed voor mij.

—Laten wij eens eerst over het eerste spreken. Waarom niet voor jezelven?

—Laten wij liever over het tweede spreken: dat wat u aangaat. De menschen ...

—De menschen?

—De menschen spreken over ons. Ik ben nu eenmaal een mauvais sujet. Ik wil niet maken, dat uw naam op een profane wijze genoemd wordt met den mijne.

—En gebeurt dat?

—Ja ...

Zij glimlachte.

—Dat kan mij niet schelen.

—Maar dat moet u kunnen schelen; al is het niet voor uzelve, dan voor ...

Hij zweeg; zij begreep hem, hij bedoelde hare kinderen, zij haalde hare schouders op.

—En waarom nu niet goed voor u?

—Omdat men niet zoo dikwijls gelukkig mag zijn.

—Wat een sofisme! Waarom niet?

—Ik weet niet: dat voel ik zoo. Het verwent te veel. Het is te veel.

—Is u dan hier gelukkig?

Hij glimlachte en maakte eene zachte beweging van ja met zijn hoofd.

Zij zwegen, heel lang. Zij waren gaan zitten achter in den tuin op eene bank, die in eene halfrondte van bloeiende rhododendrons stond: de bloemen, satijnig paars en zacht getijgerd in den kelk, omringden hen in een hooge haag van dichte bouquetten, die opgingen van het pad tot boven hunne hoofden; stamrozen wierookten voor hen geur. Stil zaten ze nu, gelukkig bij elkaâr, gelukkig in de sympathie hunner atmosferen, die zich mengden, en toch in dat geluk de onoverkomelijke weemoed, die is in alles van het leven, zelfs in geluk.

—Ik weet niet hoe ik het u zeggen kan! sprak hij. Maar stel eens, dat ik u iederen dag zag, ieder oogenblik, dat ik aan u dacht ... Dat zoû niet gaan. Ik zoû dan zoo verfijnd, zoo subtiel worden, dat ik van louter geluk niet leven kon, want mijn andere mensch zoû niets ontvangen, zooals een dier, dat honger lijdt. Ik ben slecht, ik ben egoïst, dat ik zoo spreken kan, maar ik moet u de waarheid zeggen, opdat u niet te goed van mij denkt. En zoo zoek ik uw gezelschap alleen als iets heel moois, dat ik me een enkele maal vergun te genieten.

Zij zweeg.

—Soms ... dan denk ik, dat ik ook zoo niet goed doe, voor u. Dat ik op de eene of andere manier u beleedig en pijn doe. Dan zit ik altijd daarover te denken en dan geloof ik, dat het goed zoû zijn voor altijd afscheid van u te nemen.

Zij zweeg nog; roerloos zat ze, hare handen slap in den schoot, haar hoofd lichtjes neigend, een glimlach om haren mond.

—Zeg me iets ... vroeg hij.

—Je beleedigt me niet en pijn doe je me ook niet, sprak zij. Kom bij me, wanneer je er behoefte toe voelt. Doe dat alles zoo als je wilt. Zoo vind ik het ook goed en daar moet je niet aan twijfelen.

—Ik zoû zoo gaarne weten hoè u van me hield ...

—Hoe? Zooals een madonna houdt van een zondaar, die berouw heeft en haar zijn ziel geeft, sprak zij schalk. Ik ben immers een madonna?

—Wil u dat gaarne zijn?

—Kent u zoo weinig de vrouwen, dat u niet weet, hoe er in elk van ons iets als een verlangen is te troosten, weldadig te zijn en madonna te spelen?

—Spreek zoo niet, vroeg hij met iets als pijn.

—Ik spreek in ernst ...

Hij zag haar aan; twijfel rees in hem op, maar ze glimlachte hem toe; een kalme glans was om haar; in de bouquetten der rhododendrons zat zij daar als in de bloesemteederheid van éene groote mystieke bloem. Zijn twijfel werd toen als eene wond, die gebalsemd wordt. Hij gaf zich geheel over aan het geluk; het weefde eene atmosfeer om hem heen van zachte levens-kalmte, eene atmosfeer, waarin het leven kalm en hartstochteloos en rustig glimlachend wordt, als de lucht, die fijn is om goden. Het begon te donkeren: een violet geduister viel uit den hemel neêr als floers, dat viel op floers; stil lichtteden de sterren op. De schaduwen in den tuin, tusschen de heesters, waar zij zaten, vloeiden samen; de piano in de andere villa was stil geworden. En het Geluk trok als een sluier tusschen zijne ziel en de wereld daarbuiten: den tuin met zijn aanleg van paden en perken; de villa met gordijnen aan vensters en ijzeren hek; den weg daarachter met geknars van rijtuigen en van trams. Vèr trok zich dat alles terug, het geheele leven der gewoonheid trok zich ver van hem terug, het waasde weg achter den sluier, het stierf af. En het was hem geen gedroom of verzinsel; de werkelijkheid was hem het Geluk, dat gekomen was, terwijl de wereld afstierf; het Geluk, dat ijl was, niet te zien en niet aan te raken, gekomen als het was uit de Liefde, die alleen is sympathie, in kalmte en zonder hartstocht, de Liefde, die loùter is en slechts is om zichzelve, zonder bijgedachte van iets te nemen, zelfs niet van iets te geven, de liefde der goden, die is de ziel der Liefde zelve. Hoog voelde hij zich: de gelijke der illuzie, die hij zag in haar, die ze wezen wilde om hem, die hij nu óok zien bleef in haar, zonder twijfel. Want hij kon niet weten, dat wat hem zóo het Geluk gaf—zijne illuzie,—zoo volkomen en zóo kristalhelder, iets van leed zoû zijn voor haar; hij kon op dit oogenblik zonder zonde niet doordringen in de waarheid der wet, die wil het evenwicht, die wegneemt aan de eene wat zij den andere biedt en die het Geluk geeft met het Leed samen; hij kon niet weten, dat zoo het Geluk was aan hem, aan haar was de smart, de smart, dat ze zich moest voordoen en hem bedriegen om hèm; de smart, dat zij het aardsche wilde, dat zij het aardsche miste, dat zij smachtte naar het aardsche...! En nog minder kon hij weten, dat niettegenstaande dit alles, toch deze wellust was in hare smart: te lijden door hem, te lijden voor hem, kon hij weten, dat geheel hare smart wellust was.

Het werd donker, laat, en zij zaten er nog, toen ze vroeg:

—Willen we wat wandelen?

Hij aarzelde, glimlachend, maar zij vroeg nog eens:

—Waarom niet, als je wilt?

En hij kòn niet meer weigeren.

Zij stonden op, zij gingen langs den achterkant van het huis, en Cecile vroeg aan de meid, die ze bij de deur der keuken zag zitten naaien:

—Greta, haal even mijn kleinen zwarten hoed, mijn zwarte fichu en een paar handschoenen.

De meid stond op en ging het huis in. Cecile merkte hoe een beetje verlegenheid zich sterker uitteekende in Quaerts' geweifel terwijl zij nu wat dralend wachteden tusschen de bloemenperken. Zij glimlachte, plukte eene roos, die ze zich in den ceintuur stak.

—Zijn de jongens naar bed? vroeg hij.

—Ja, antwoordde ze, steeds glimlachend; al lang.

De meid kwam terug; zonder spiegel zette Cecile zich het zwarte tulle hoedje op, sloeg de kant om haar hals, maar nu Greta de handschoenen aanbood, sprak zij:

—Neen, niet deze; haal een paar grijze ...

De meid ging opnieuw en toen Cecile naar Quaerts zag, werd haar glimlach grooter; ze lachte even.

—Wat is er toch? vroeg zij ondeugend, hoewel ze het wel wist.

—Niets, niets! sprak hij vaag en hij moest geduldig wachten, tot Greta terug was gekomen.

Toen gingen zij door het achterhek van den tuin de Boschjes in. Zij liepen langzaam, zonder woorden, Cecile wat spelende met de lange handschoenen, die zij niet aanschoof.

—Heusch ... begon hij, aarzelend.

—Wat dan toch?

—U weet het wel; wat ik u verleden ook zei: het is niet goed ...

—Niet goed?

—Wat we doen. U risqueert te veel.

—Te veel, met u?

—Als iemand ons zag ...

—Nu wat dan?

Hij schudde zijn hoofd.

—U is ondeugend; u weet het heel goed.

Zij knipte met hare oogen; haar mond werd ernstig; ze deed alsof ze zich een beetje boos maakte.

—Hoor eens, u mag niet zoo bang zijn, alsikhet niet ben. Ik doe niets slechts. Onze wandelingen zijn geen geheim. Greta ten minste weet er van. En dan: ik ben vrij, ik doe en laat wat ik wil.

—Het is mijn schuld: den eersten keer, dat we 's avonds wandelden, was het op mijn verzoek ...

—Doe dan nu boete en ga zonder scrupules zoet met me meê opmijnverzoek ... schertste zij.

Hij gaf zich over, te gelukkig als hij was om aan conventie, aan dat wat op dit oogenblik afgestorven was, te offeren.

Zij gingen verder en zij zwegen. En zooals ze meestal hare gevoelens bij schokken van verbazing ontving—zooals zij ze ontvangen had toen Jules was boos geworden, en toen ze hare trap was opgegaan na hun gesprek aan het diner, over cirkels van sympathie,—bij schokken van verbazing, zoo ontving ze ook nu, met een schok, dit gevoel: dat ze toch niet zoo erg leed, als ze eerst meende; dat hare smart, die wellust was, geene marteling kon zijn, dat ze gelukkig was, dat het Geluk om haar heen kwam als de fijne lucht zijner eigene atmosfeer, omdat zij samen waren, samen ... O, waarom te wenschen, nog meer, en dingen, die niet zoo louter waren? Had hij haar niet lief, en was zijne liefde niet een feit, en zoû zijne liefde haar dan niet aardsch genoeg zijn, als ze toch feit was? Had hij haar niet lief met teederheid, die vreesde voor wat haar hinderen mocht in de wereld, zoo ze die wereld vergat en 's avonds met hem dwaalde in het donker? Had hij haar lief met teederheid, maar ook niet met glans, met den glans van het goddelijke zijner ziel, omdat hij haar madonna noemde, dus—zich misschien onbewust in zijn eenvoud—haar met dien naam gelijke maakte aan wat goddelijk in hem was. Had hij haar niet lief? God, had hij haar dan niet lief? En wat wilde ze meer? Neen, o neen, ze wilde niets meer; ze was gelukkig, ze had het Geluk met hem samen; hij gaf het haar, zooals zij het hem gaf; het was een sfeer, die met hen meêtrok, waar zij ook gingen, zoekende hunnen weg, langs de weggedonkerde paden der Boschjes, zij nu aan zijn arm, hij haar leidende, daar ze niets zag in het donker, dat toch louter licht was van hun Geluk. En zoo was het of het niet avond was, maar dag. Middag, middag in den nacht, ure van licht in het duister!

En het donker was het licht; de nacht daagde van het Licht, dat straalde alom. Stil straalde het, het Licht, als éene enkele zonnester, die straalt met zachten glans van klaarheid, hel in een hemel van stil wit zilver licht; hemel, waar zij liepen over melkwegen van licht en muziek; het straalde en het klonk onder hunne voeten en in zeeën van ether verhief het zich hoog boven hunne hoofden en straalde daar weêr en klonk er weêr, hoog en zuiver. Zij waren er alleen, in hunnen hemel, in hunne hemelwijdte, die was als de Ruimte, eindeloos onder hen en boven hen en om hen rond, met eindelooze ruimten van licht en muziek; van licht, dat muziek was. Eeuwigheden lang mat zich hun hemel uit, naar alle zijden mat zich die uit, met zalige verschieten van witte zonneglansen, in glans verschoten en weggeglansde landouwen, als oazen van bloemen en planten aan wateren van licht, stil en klaar en geruischloos van vrede. Want de vrede was er de lucht, waarin alle verlangen oplost en tot kristallen transparantheid wordt en hun leven was er het limpide zijn in verlangenloozen vrede; zij wandelden er voort, in goddelijke sympathie van samenzijn, nauw aan elkaâr, als in éen engen ring omgeven, éen ring van glans, die hen omgaf. Nauwlijks in hen was er herinnering aan de wereld, die was afgestorven en afgeschitterd in het stralen van hunnen hemel; niets was er in hen dan de extaze van hunne liefde, die hunne ziel was geworden, alsof zij geene ziel meer hadden en slechts liefde waren; en toen zij om zich heen zagen en zagen in het Licht, zagen zij, dat hun hemel, waarin hun Geluk het Licht was, niets was dan hunne liefde en zagen zij, dat de landouwen,—de bloemen en planten aan wateren van licht,—niets waren dan hunne liefde, en dat de eindelooze Ruimte, de eeuwigheden van glans en ruimte, van ruimten vol glans en muziek, die zich uitmaten naar alle zijden, onder hen en boven hen en om hen rond, niets waren dan hunne liefde, die geworden was tot hemel en geluk.

En het Doel, dat Cecile eens had vóórgeraden, verscholen in de verte, in de uitstraling van eigen goddelijkheid, traden zij nu middenin, in zijn zonnekern; midden in het Doel traden zij en rondom hen schoot het zijne eindelooze stralen naar alle eeuwigheden heen, alsof hunne Liefde werd tot middenpunt des Heelals ...

Maar zij zaten op eene bank, in het donker, niet wetende, dat het donker was, daar hunne oogen vol waren van het Licht. Zij zaten er naast elkander, eerst zwijgende, en toen hij zich herinnerde, dat hij eene stem had en woorden kon zeggen sprak hij:

—Ik heb nooit zoo een oogenblik doorleefd als dit. Ik vergeet waar we zijn en wie we zijn en dat we menschen zijn. We zijn dat geweest, niet waar; ik herinner me, dat we dat geweest zijn?

—Ja, we zijn nu geen menschen! sprak zij glimlachend en hare vergroote oogen zagen in het donker, dat Licht was.

—Eens, toen waren we menschen, menschen, die leden en verlangden op een wereld, waar heel veel moois was maar ook heel veel leelijks.

—Waarom spreek je daar nu van? vroeg ze en hare stem klonk haarzelve als komende van heel ver en laag onder haar.

—Ik herinnerde me dat ...

—Ik wilde het vergeten.

—Dan zal ik het ook doen. Maar ik mag u toch wel in menschenwoorden danken, dat u mij maakte tot niet meer mensch?

—Deed ik dat?

—Ja; mag ik daarvoor danken, op mijn knieën?

Hij knielde neêr en nam eerbiedig hare handen. Hij zag slechts even den omtrek harer gestalte, stil, onbewegelijk gezeten op de bank; er was iets als het parelgrijze doorschemeren van een sterrenlucht boven hen, tusschen de zwarte takken. Zij voelde hare handen in de zijne, en toen zijn mond zijn zoen op hare hand. Heel zacht maakte zij zich los, en daarna was het met een groote ziel van kuischheid, vol verlangenloos geluk, dat zij hare armen heel zacht boog om zijn hals, zijn hoofd tegen zich nam en hem kuste op het voorhoofd.

—En ik, ik dank je ook! fluisterde zij verrukt.

Hij bleef stil en zij hield hem zacht vast in hare omarming.

—Ik dank je, sprak ze, dat je me dit geleerd hebt en me geleerd hebt zóo gelukkig te zijn als we zijn en niet anders. Zie je, toen ik nog leefde, toen ik een mensch was, een vrouw, meende ik al geleefd te hebben, vóór ik je ontmoette, want ik had een man gehad en ik had kinderen van wie ik heel veel hield. Maar ik leerde pas het leven van jou, het leven zonder egoïsme en zonder verlangen; ik leerde dat van je dezen avond, of ... dezen dag, wat is het? O, je hebt me het leven gegeven en het geluk, en alles! En ik dank je, ik dank je! Zie je, je bent zoo groot en zoo sterk en zoo klaar en je hebt me gedragen naar je eigen Geluk, dat ook het mijne moest zijn, maar dat zoo hoog boven me was, dat ik het zonder je nooit bereikt zoû hebben! Want er was een grens voor me, die er niet voor jou was. Zie je, toen ik nog mensch was—en zij lachte, terwijl zij hem vaster nam—had ik een zuster en die voelde òok, dat ze een grens had tusschen haar en haar geluk, en ze voelde, dat ze dien grens niet kon overschrijden en was daar zoo ongelukkig om, dat ze vreesde gek te zullen worden. Maar ik, ik weet het niet: ik droomde, ik dacht, ik hoopte, ik wachtte, o ik wachtte en toen ben je gekomen, en je hebt me dadelijk doen verstaan, dat je geen mensch, geen man voor me mocht zijn, maar dat je méer voor me kon zijn: mijn engel, o mijn heiland, die me in zijn arm nam en me over den grens opdroeg naar zijn eigen hemel, waar hijzelve god was en mij madonna maakte. O, ik dank je, ik dank je! Ik weet niet hoe ik je danken kan, maar ik kan je alleen zeggen, dat ik van je hoû, dat ik je aanbid, dat ik mijn ziel neêrleg aan je voeten. Blijf zoo en laat me je aanbidden, terwijl je zoo knielt. Zoo mag ik je wel aanbidden, niet waar, terwijl jezelve knielt? Zie je, ik moet je ook biechten, zooals je mij wel eens deed,—ging zij voort, en zij kón nu niet anders dan biechten,—ik ben niet altijd eerlijk tegenover je geweest, ik heb me wel eens moeten voordoen àls een madonna, terwijl ik toen nog gewoon vrouw was, vrouw, die eenvoudig-weg van je hield. Maar ik was oneerlijk voor je eigen geluk, niet waar? Je wilde mij zoo hebben, je was gelukkig als ik zóo was en niet anders. En nu, nu kan je mij het ook vergeven, omdat ik mij nu niet meer behoef voor te doen, omdat dat het verleden is, omdat dat is afgestorven, omdat ikzelve ben afgestorven van mezelve, omdat ik nu geen vrouw en geen mensch meer ben voor mezelve, maar alleen dat wat je me hebben wilt: madonna en schepsel van je, een atoom van je eigen essence en goddelijkheid. Vergeef je me dus het verleden...? En mag ik je danken voor mijn geluk, voor mijn hemel, mijn licht, o mijn God, voor mijn geluk, mijn groot, onmetelijk groot geluk?

Hij was opgestaan, hij zette zich naast haar en nam haar zacht in zijn armen.

—Is u gelukkig? vroeg hij.

—Ja, sprak zij, haar hoofd op zijn schouder leggende in eene zwijmeling van glans. En jij?

—Ja, antwoordde ook hij en hij vroeg verder:

—En verlangt u nu ... niets anders?

—Neen, niets! stamelde zij. Ik wil niets dan dit, niets dan wat ik heb, o niets, niets anders!

—Zweer me dat dan ... bij iets heiligs! vroeg hij.

—Ik zweer het je ... bij jezelven! zwoer zij.

Hij drukte haar hoofd weêr neêr op zijn schouder. Hij glimlachte en zij zag niet, dat er weemoed was in zijn lach, want zij was verblind van glans.

Zij zwegen lang, zoo zittende. Zij herinnerde zich vele woorden gezegd te hebben, ze wist niet meer welke. Om haar heen zag zij, dat het donker was, met alleen dat geschemer van parelgrijs boven hunne hoofden, door de zwarte takken door. Ze voelde, dat ze met haar hoofd op zijn schouder lag; ze hoorde zijn adem. Iets als kilte liep haar langs de schouders, niettegenstaande de warmte zijner omhelzing; ze trok de kant dichter om haar hals en voelde, dat de bank, waarop zij zaten, wat vochtig van dauw was.

—Ik dank je, ik heb je zoo lief, je maakt me zoo gelukkig, herhaalde zij.

Hij zweeg, drukte zeer zacht, met enkel teederheid, haar tegen zich aan. Heure laatste woorden klonken haar nog in de ooren nadat zij ze gezegd had. Toen moest ze zich erkennen, dat ze niet spontaan waren geweest, als alles wat zij hem te voren gezegd had, terwijl hij voor haar geknield lag, met zijn hoofd aan hare borst. Zij had ze gezegd, om hun stilzwijgen te vullen: vroeger had dit stilzwijgen haar nooit gehinderd, waarom dan nu?

—Kom! sprak hij zacht en ze hoorde nog niet den weemoed zijner stem, in dit enkele woord.

Zij stonden op en liepen verder. Hij dacht er aan, dat het laat was, dat ze door dit pad naar huis zouden kunnen gaan: verder dacht hij aan veel treurigs, dat hij niet had kunnen zeggen; het was alleen als schemering, die om hem heen kwam na de verbinding van het Licht hunner hemelen van zoo even. En hij moest voorzichtig zijn: het was hier zeer donker, en maar heel bleek zag hij het pad schemeren voor hunne voeten; boomstammen schuurden zij rakelings aan.

—Ik zie niets! sprak Cecile lachend. Ziet u den weg?

—Vertrouw maar op me: ik zie heel goed in het donker, antwoordde hij. Ik heb de oogen van een lynx ...

Stap voor stap gingen zij voort en zij gevoelde eene zoete vreugde zich te laten leiden door hem; zij klemde zich vaster aan zijn arm, zeide lachend dat ze bang was en dat ze heel bang zoû zijn, als hij haar nu in eens losliet.

—En als ik nu in eens wegliep en u liet staan? schertste Quaerts.

Zij lachte, zij smeekte lachend, dat hij het niet doen zoû. Toen zweeg ze, boos op zichzelve, dat ze gelachen had; een last van weemoed bezwaarde haar om haren scherts en gelach. Ze gevoelde iets, als was ze dàt onwaardig, waarvan zij zoo even in glanzen lichts ontvangen was geworden.

En ook in hem was weemoed: de weemoed, dat hij haar leiden moest door duisternis, over onzichtbare paden, langs rijen van onzichtbare boomstammen, die haar schrammen en kneuzen konden, dat hij haar leiden moest door een donker bosch, door eene zee van zwart, door eene inkt-duistere sfeer, terwijl zij terugkwamen van den hemel, waar alles licht en alles geluk was geweest, zonder weemoed, en duister.

En zoo, in dien weemoed, zwegen zij, tot zij op den grooten weg waren, den ouden Scheveningschen weg. Zij naderden de villa.

Er ging een tram voorbij; twee, drie wandelaars liepen daar: het was een mooie avond. Hij bracht haar thuis en wachtte, tot, op zijn bel, geopend zoû worden. De deur bleef lang dicht, hij drukte intusschen vast hare hand en onwillekeurig deed hij haar een beetje pijn. Greta was zeker in slaap gevallen, meende ze:

—Bel nog eens, wil u?

Hij belde weêr en luider; de deur werd nu na een oogenblik geopend. Zij bood hem ten tweede male de hand, met een glimlach.

—Adieu, mevrouw! groette hij, terwijl hij nu heure vingers eerbiedig aannam en zijn hoed oplichtte, en nu, nu hoorde zij den klank zijner stem, den klank van weemoed ...

HOOFDSTUK V.

Toen wist zij het, den volgenden dag, toen zij alleen zat en nadacht, dat de sfeer van het geluk, van het hoogste en lichtste, niet betreden, mag worden, dat ze slechts tot ons stralen mag als eene zon en dat wij er niet in mogen gaan, in hare heilige zonnekern. Zij hadden dat gedaan ...

Lusteloos zat zij; de kinderen waren bij haar, Christie hing en zag bleek. O ja, ze verweekte ze, maar wat kon ze aan zich veranderen?

Weken gingen er voorbij en Cecile hoorde niets van Quaerts; dat was altijd zoo: nadat ze hem gezien had, gingen er zoo, slepend, weken voorbij, dat ze hem niet zag. Hij was immers tè gelukkig bij haar, dat verwende hem te veel. Hij beschouwde haar als een zeldzaam genot, waarvan men maar weinig genoeg heeft ... En zij, ze had hem eenvoudig lief, met de innigste essence harer ziel, gewoon lief als eene vrouw een man lief heeft ... Zij had hem altijd noodig, iederen dag, ieder uur, bij iederen ademtocht van haar leven.

Bij toeval ontmoette zij hem toen, te Scheveningen, waar zij op een avond was met Amélie en Suzette. Toen weêr eens, bij toeval, op eene receptie, van Mevrouw Hoze. Hij had iets verlegens tegenover haar en zij gevoelde eenigen trots en vroeg hem niet te komen. Ja, er was iets veranderd in wat zich tusschen hen had geweven. Maar zij leed zeer, ook om dien dwazen trots, en dat zij hem niet met nederigheid smeekte, dat hij komen zoû. Hij was immers haar god: wat hij deed was goed.

Zoo zag zij hem niet gedurende weken, weken. Het leven ging voort; zij had iederen dag kleine bezigheden, in haar huishouden, voor heure kinderen; mevrouw Hoze berispte haar om hare afsterving van de wereld en zij dacht voortaan meer aan hare visites, terwille van mevrouw Hoze, die dat gevraagd had. In hare herinnering waren stralen; in die stralen zag zij het diner, hunne gesprekken en wandelingen, geheel hare liefde, geheel zijn opzien tot haar, die hij madonna noemde; hunnen laatsten avond van licht en extaze. Dan glimlachte zij en die glimlach zelve straalde over hare smart heen; hare smart, dat zij hem niet meer zag, en zich trotsch gevoelde en wat bitterheid in zich had. Alles moest immers goed zijn, zooals hij het wilde.

O, de avonden, de zomeravonden, die koelden na warme dagen, de avonden, die zij alleen zat, turende van uit hare kamer, waar de onyxen lamp met halve vlam brandde, turende van uit de open vensterdeuren naar de trammen, die, rinkelend met bellen, kwamen en gingen naar Scheveningen, vol, vol menschen! Het wachten, het eindeloos lange wachten avonden, avonden lang, in eenzaamheid, als de kinderen waren gaan slapen! Het wachten, als zij maar stil zat, de oogen strak voor zich uit, kijkende naar de trammen, die eindelooze, die vervelende trammen. Waar was haar vroegere gelijkmatige zachtheid van droomend geluk? En waar, waar was haar zonnestralend geluk? En waar was haar strijd in zichzelve tusschen wat zij was en wat hij in haar zag? Ook die strijd was niet meer, overwonnen was die strijd; ze voelde niet meer die hevigheid van hartstocht; zij verlangde alleen naar hem, zooals hij altijd gekomen was, zooals hij nu niet meer kwam. Waarom kwam hij niet? Het geluk verwende, de menschen spraken over hen ... Het was niet goed, dat zij veel elkaâr zagen—hij had dat gezegd op den vooravond van hun hoogste geluk—niet goed voor hem en niet goed voor haar.

Zoo zat zij en dacht zij, en stille groote tranen vielen haar uit de oogen, want zij wist, dat al kwam hij ook een beetje om zichzelven niet bij haar, hij vooral niet kwam om haar. Wat had zij niet gezegd, 's avonds op die bank in de Boschjes, met haar armen om zijn hals! O, zij had moeten zwijgen, dat voelde ze nu. Zij had hare verrukking niet moeten uiten, maar ze stil in zichzelve moeten genieten, als een geheim; zij had hèm zich moeten laten uiten: zijzelve had madonna moeten gebleven zijn. Maar het was haar toen te vol, te gelukkig geweest en, in die overmate van geluk, had zij niet anders kunnen zijn dan waar en klaar als een heldere spiegel. Hij had in haar geblikt, hij had haar geheel gezien: zij wist dat, ze was daar zeker van.

Hij wist nu, hòe zij hem liefhad; zij had hem dat zelve geopenbaard. Maar zij had hem immers ook geopenbaard, dat dit alles het verleden was, dat zijnuwas, die hij wilde! Toen, toen was dat óók waar geweest, klaar en waar ... Maar nu? Duurt extaze dan maar één oogenblik en wist hij dat? Wist hij, dat hare zielevlucht heur hoogste bereikt had en nu weêr dalen moest tot gewonere sfeer? Wist hij, dat zij hem nu weêr liefhad, gewoon weg, met alles, geheel en al, niet zoo wijd meer als de hemelen, en nu weêr zoo wijd maar als hare armen konden uitslaan en omvademen? En kon hij haar die liefde zoo klein niet teruggeven en kwam hij daarom niet bij haar?


Back to IndexNext