[Inhoud]Heksenkeuken.Aan een lagen haard staat een groote ketel te vuur. In den damp, die er van omhoog rijst, vertoonen zich verschillende gestalten. EeneMEERKATzit bij den ketel, schuimt hem, en zorgt dat hij niet overkookt. DeMEERKATERmet de jongen zit er naast, en warmt zich. Het zeldzaamste heksenhuisraad ziet men aan wanden en zoldering.FAUST.MEPHISTOPHELES.FAUST.Al dat geheks begint mijn ziel te knellen:Denkt gij nu, dat ik zal herstellenIn dezen kring van razernij?Verlang ik raad van oude draken?En kan die paddenkokerijMe een dertig jaren jonger maken?Wee mij, zoo gij niets beters kent!Reeds acht ik alle hoop verloren.Weet dan natuur en de eedle geest in ’t endNiet hier of daar een balsem op te sporen?MEPHISTOPHELES.Mijn vriend, nu spreekt gij weder zoo ’t behoort.Verjongt ge u graag, ge hebt het maar voor ’t zeggen;Maar ’t boek, waarin het staat, is van eene andre soort,En ’t hoofdstuk niet zoo maklijk uit te leggen.[82]FAUST.Spreek op! Wat meent ge?MEPHISTOPHELES.Spreek op! Wat meent ge?Een middel zonder geldEn arts en tooverkunsten wilt ge weten?Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld,En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten;Beperk u, vóór elk ander ding,In een zeer kleinen, engen kring;Voed u, op ’s landbewoners wijzen,Met schamele, ongekruide spijzen;Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind,Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten:Dat zijn, om te verjongen, vrind,Van alle middelen de besten.FAUST.Dat ben ik niet gewoon; ’t zou mij geheel bevreemenEen spade of schop ter hand te nemen;Zoo’n boerenlevenswijs bevalt mij niet.MEPHISTOPHELES.Dan is ’t alleen de heks, die overschiet.FAUST.Waarom nu juist dat oude wijf?Kunt gij dien drank dan zelf niet brouwen?MEPHISTOPHELES.Dat ware een aardig tijdverdrijf;In dien tijd kon ’k wel duizend bruggen bouwen.Niet kunst en wetenschap alleen maakt iemand sterk,Maar ook geduld behoort bij ’t werk.Een stille geest zit jaren lang te denken;[83]De tijd slechts kan zijn streven rijpheid schenken,En hoe men alles wendt of keert,Het zijn zeer wonderbare zaken:En heeft de duivel ’t iemand ook geleerd,De duivel kan het zelf niet maken.De dieren ziende.Zie welk een regt aanvallig paar!De meid is hier, de knecht is daar!Tot de dieren.De vrouw is, naar het schijnt, niet thuis?DE DIEREN.Stil als een muis,Zonder geluid,Vloog zij den schoorsteen uit.MEPHISTOPHELES.Hoe lang pleegt zij wel weg te blijven?DE DIEREN.Zoo lang we ons hier den tijd verdrijven.MEPHISTOPHELEStot Faust.Hoe vindt gij wel die lieve dieren?FAUST.Zoo flaauw en laf als ’k ooit iets zag.MEPHISTOPHELES.O neen! Een praatje van dit slagKan mij altijd het meest pleizieren.Tot de dieren.Maar zegt me eens, beestjes om te snoepen,[84]Wat kookt en roert gij in dien kliek?DE DIEREN.Wij koken magere armensoepen.MEPHISTOPHELES.Dan krijgt ge vast een groot publiek!DE KATERkomt naar Mephistopheles toe, en zegt vleijend:O schrandere kop,Kom, dobbel eens op,En laat mij eens winnen!Mijn beurs is zoo plat;Maar had ik weêr wat,’k Was vrolijk van zinnen.MEPHISTOPHELES.Wat zou het zulk een aap niet streelen,Zoo hij in ’t lotto meê kon spelen!Intusschen hebben de jonge meerkatjes met een grooten bal gespeeld, en rollen hem vooruit.DE KATER.Zoo is de hoop,Zoo ’s werelds loop!Zij rolt bestendig;Zij klinkt als glas,Zij breekt zoo ras,Is hol inwendig.Hier blinkt zij zeer,En hier nog meer;Ik ben behendig,Maar ’t is uw graf;Kom, blijf er af,Of gij moet sterven;[85]Dit is de straf:Zij spat in scherven.MEPHISTOPHELES.Wat moet die zeef, mijn lief?DE KATERhaalt haar naar beneden.Waart gij een dief,Gij kondt het niet verbloemen.Hij loopt naar de Meerkat, en laat er haar doorheen kijken.Ziehier, mijn lief!Gij kent den dief,En moogt hem toch niet noemen.MEPHISTOPHELES,het vuur naderende.En deze pot?KATER en KAT.De vent is zot!Hij kent geen pot,Hij kent geen ketel!MEPHISTOPHELES.Brutaal gespuis!DE KATER.Doe hier als thuis,En zet u in den zetel.Hij noodigt Mephistopheles plaats te nemen.FAUST,die intusschen voor een spiegel heeft gestaan, dezen nu eens genaderd is, en dan er zich weder van verwijderd heeft.Wat zie ik! Welk een engel uit den hoogen[86]Vertoont zich in deez’ spiegel voor mijne oogen!O liefde, leen me uw snelste vleugelspan,En voer mij waar ’k die schoonheid vinden kan!Ach! zoo ik niet op deze plek blijf staan,Maar ’t wage naderbij te gaan,Kan ’k slechts als in een nevel haar aanschouwen,Dat schoonste beeld van alle vrouwen!Hoe? Is het geen bedrog misschien?Moet ik, als zich mijn oog niet laat verblinden,Dit als ’t sieraad van alle heemlen zien,Of is het ook op aard te vinden?MEPHISTOPHELES.Natuurlijk, als een God zich eerst zes dagen plaagt,En bravo roept, als hem zijn werk behaagt,Dan moet het wel uitstekend blijken.Haal nu uw hart maar op met kijken.Ik ken wel zulk een lieve maagd;Gelukkig hij, die er in slaagt,Er als zijn bruid meê heen te strijken!FAUSTziet bij voortduring in den spiegel.Mephistopheles,zich in zijn stoel uitstrekkende en met zijn staart spelende, gaat voort met spreken.Hier zit ik als een koning op zijn troon;Den scepter hou ik vast; me ontbreekt alleen de kroon.DE DIEREN,die tot hiertoe allerlei wonderlijke bewegingen door elkander gemaakt hebben, brengen Mephistopheles eene kroon, al schreeuwende:O, wees toch zoo goed,Met zweet en met bloedDees kroon eens te lijmen![87]Zij gaan onhandig met de kroon om, zoodat zij in twee stukken breekt, waarmede zij rondspringen.Nu is het geschied!Wij zingen een lied;Wij hooren en rijmen.FAUST,voor den spiegel.Wee mij! ’k Verlies haast mijn verstand!MEPHISTOPHELES,op de dieren wijzende.Ik ook, als ’k zie hoe zij daar hasplen met haar tweeën.DE DIEREN.En gaat het verbandOns goed van de hand,Dan krijgt men ideeën.FAUST,als boven.Mijn hoofd klopt zonder te bedaren;Weg uit dit kattenmagazijn!MEPHISTOPHELES,in opgemelde houding.Nu, zeker moet men wel verklaren,Dat het opregte dichters zijn!De ketel, waarop de katten in den laatsten tijd niet gelet hebben, begint over te loopen; er ontstaat eene groote vlam, die den schoorsteen uitslaat.De Hekskomt, door de vlam heen, met ontzettend geschreeuw naar beneden.DE HEKS.Au! au! au! au!Dat lompe beest loopt van ’t gebrouw,—Verzuimt het vuur, verzengt de vrouw!’t Vervloekte dier![88]Faust en Mephistopheles ziende.Wat is dat hier?Wie zijt gij hier?Wat wilt gij hierIn deze muren?Die sluipmanierZult gij bezuren!Zij steekt de schuimspaan in den ketel, en besprengt Faust, Mephistopheles en de dieren met vuur. De dieren kermen van pijn.MEPHISTOPHELES,terwijl hij zijn staart, dien hij in de hand houdt, omkeert, en er mede onder de glazen en potten slaat.Op zij! op zij!Daar ligt de brij!Het glas ligt daar!’t Was gekheid maar,De maat voorwaarBij uwe melodij!Terwijl de heks gramstorig en vol ontzetting terugtreedt.Herkent ge, ribbekast, oud vel,Uw meester niet? Zeg, totebel!Wat let me, spooksel, of ik trapU en uw kattenboel tot pap!Zal ’t roode wambuis u niet zeggen wie ik ben?Mijn haneveer mijn stand verbloemen?Verberg ik mijn gelaat, dat men mij niet herkenn’?Moet ik misschien mijn naam nog noemen?DE HEKS.O Heer, vergeef mijn lompen groet!Maar waar is dan uw paardenvoet?Waar hebt ge uw raven dan gelaten?[89]MEPHISTOPHELES.’k Hoû thans hiermede mij tevreên;Want zeker, ’t is al lang geleên,Sinds we eens te zamen mogten praten.Ook de beschaving, die thans iedre feil bedekt,Heeft tot den droes zich uitgestrekt;Het oude duivelbeeld is thans niet meer te aanschouwenWaar ziet men horens, staart en klaauwen?En wat den voet betreft, dien ik niet missen kan,Die zou aan vele lieden stuiten:Daarom bedien ik mij, als menig deftig man,Sinds jaren reeds van valsche kuiten.DE HEKS,dansende.Zin en bewustheid begeven mij schier;’k Zie nu het jonkertje Satan weêr hier!MEPHISTOPHELES.Noem mij zoo niet, wijf, en maak geen getier!DE HEKS.Waarom? Wat heeft de naam u dan gedaan?MEPHISTOPHELES.Hij is reeds lang naar ’t fabelboek verdreven.Maar toch, de mensch is er niet beter aan:Is hijden boozekwijt,de boozenzijn gebleven.Noem mij maar “heer baron!” Zoo is mijn titel goed.Ik ben een edelman, als andren die zoo heeten.Gij twijfelt toch niet aan mijn edel bloed?Zie, dit ’s mijn wapen, zoo als gij zult weten!Hij maakt een onvoegelijk gebaar.DE HEKS,in lagchen uitbarstende.Ha! ha! dat is ulieder aard!Gij zijt een schalk, als ge altijd waart.[90]MEPHISTOPHELEStot Faust.Dit ’s de manier, leer ’t wel verstaan,Om met die heksen om te gaan.DE HEKS.Zegt, heeren, waarmeê ’k u nu dienen kan!MEPHISTOPHELES.Met een goed glas—gij zelf weet wel waarvan.Alleen moet ik van d’ oudsten thans verwachten;De jaren toch verdubbelen zijn krachten.DE HEKS.Zeer gaarne. Zie, hier is een flesch,Waaruit ik zelf mijn dorst wel lesch,En die ook niet in ’t minste stinkt.Ik wil u gaarne een glaasje geven.Zacht tot Mephistopheles.Maar als nu deze man onvoorbereid het drinkt,Dan kan hij, zoo gij weet, geen enkel uur meer leven.MEPHISTOPHELES.Het is een goede vriend, dien ik bij u onthaal;Ik gun hem gaarne ’t beste van uw keuken.Trek uwen kring, spreek uwe spreuken,En schenk hem maar een vol bokaal.De heks trekt met vreemde gebaren een kring, en plaatst er allerlei wonderlijke dingen in. Intusschen beginnen de glazen te klinken, de ketel te razen en alles muziek te maken. Eindelijk komt zij met een groot boek voor den dag, plaatst in den kring de meerkatten, die haar tot lessenaar dienen en een fakkel voor haar moeten vasthouden. Zij wenkt Faust om bij haar te komen.[91]FAUSTtot Mephistopheles.Nu zeg mij, wat moet dit beduiden,Die zotteklap, die razende geluiden,Dat goochelspel met pot en pan?Ik ken dat, en ik walg er van.MEPHISTOPHELES.Och kom! Wat valt daaraan te laken?Heb daarvoor nu niet zooveel schroom;Zij moet, als arts, wat hokuspokus maken,Opdat het vocht u wel bekoom’.Hij wenkt Faust om in den kring te treden.DE HEKSbegint met groote emphase uit het boek te declameeren.Wil goed verstaan!Maak tien uit een,Laat twee dan gaan,En drie meteen.Maak dit gelijk,Dan zijt gij rijk.Dat vier nu wijk’Uit zes en vijf,Zoo zegt het wijf;Maak acht en zeven;Dan wordt het even.En tien is geen,En negen een:Dat is het heksen-eenmaal-een!FAUST.Mij dunkt, dat wijf spreekt als in waan!MEPHISTOPHELES.Dat is vooreerst nog niet gedaan:[92]Zoo luidt het heele boek; ik ken die zaak,En heb veel tijd daarmeê verloren;Want een volkomen tegenspraakKlinkt wijz’ en dwazen als orakeltaal in de ooren.De kunst is oud en nieuw, hoe men ’t bezie;’t Was steeds gebruik bij Christen, Jood en Heiden,Door drie en een, en een en drie,Bedrog voor waarheid te verspreiden.Zoo snapt en leert men ongestoord;De gekken laat men rustig kallen;Meestal gelooft de mensch, schoon hij slechts woorden hoort:Er moet daarbij toch iets te denken vallen.DE HEKSvervolgt.De hooge krachtVan wijsheids magtBlijft menigeen verborgen;KwakzalverijOntvangt haar vrij;Zij krijgt haar zonder zorgen.FAUST.Wat kraait ze ons toch voor onzin voor!Mijn hoofd dreigt mij kapot te breken.Mij dunkt, ik hoor een razend koorVan honderdduizend gekken spreken.MEPHISTOPHELES.Genoeg, genoeg, voortreflijke Sibylle!Geef thans uw drank eens hier, en vul nu, mij ten wille,De schaal terstond tot aan den rand!Want deze drank zal aan mijn vriend niet schaden;Hij is een man van vele gradenEn wees nooit beker van de hand.[93]De heks schenkt met vele ceremoniën den drank in eene schaal; zoodra Faust haar aan den mond brengt, slaat er eene ligte vlam uit.Drink maar gerust; het kan geen kwaad;’t Zal voor uw hart noch zuur noch wrang zijn:De duivel is uw kameraad,En zoudt gij voor de vlam dan bang zijn?De heks ontbindt den kring. Faust treedt er uit.MEPHISTOPHELES.Kom! laat ons nu naar buiten spoên!DE HEKS.Moge u de nasmaak steeds behagen!MEPHISTOPHELEStot de heks.En kan ik soms voor u iets doen,Gij hebt mij ’t op Walpurgis slechts te vragen.DE HEKS.Hier is een lied; als gij ’t somwijlen zingt,Zal een bijzondre werking u beheeren.MEPHISTOPHELEStot Faust.Kom nu maar meê, of ’t zou u deren;Gij moet noodwendig transpireeren,Opdat de kracht door heel uw wezen dringt.In d’ eedlen lediggang leer ik daarna u voegen,En dan gevoelt ge ras met innerlijk genoegen,Hoe zich Cupido roert en heen en weder springt.FAUST.Laat me in den spiegel even nog aanschouwenHet beeld, dat zich aan mijnen blik kwam biên.[94]MEPHISTOPHELES.Neen, neen! Gij zult het pronkjuweel der vrouwenHeel spoedig levend voor u zien.Zacht.Gij ziet, met dezen drank in ’t lijf,Een Helena in ieder wijf.[95][Inhoud]Eene straat.FAUST.MARGARETA,voorbijgaande.FAUST.Mijn schoone juffer … Wil niet vreezen!.…Mag ik wel uw geleider wezen?MARGARETA.Ik ben geen juffer, ook niet schoon,En vind alleen wel ’t huis waar ’k woon.Zij maakt zich los en gaat heen.FAUST.Verduiveld, wie dat meisjen is!Iets schooners heb ik nooit gezien.Ze is deugdzaam, zedig, ja gewis,En ook wat spijtig bovendien.Haar koontje bloost, haar oog gebiedt;Mijn leven lang vergeet ik ’t niet.Dat zij zoo ras zich van mij wendt,Staat diep mij in het hart geprent;En, wat nog alles overtrof,Zij was al bijster kort van stof.MEPHISTOPHELEStreedt op.FAUST.Gij moet dat meisje mij bezorgen![96]MEPHISTOPHELES.Wie meent ge?FAUST.Wie meent ge?Zij ging juist voorbij.MEPHISTOPHELES.Die daar? Zij was bij haar’ pastoor deez’ morgen;Hij sprak het kind van alle zonden vrij;Ik sloop den biechtstoel rakelings voorbij.Het is een zeer onschuldig ding,Dat zonder reên ter biechte ging.Geen magt bezit ik over haar.FAUST.Ze is toch reeds meer dan veertien jaar?MEPHISTOPHELES.Gij spreekt zoo als een lichtmis doet,Dien ieder bloempje zet in gloed,En meent dat eer noch gunst bestaat,Die zich door hem niet plukken laat.Maar altijd gaat dat toch niet aan.FAUST.Hoor, vriend! gij moet mij goed verstaan!Houd voor uzelf uw zedepreêken,En dit zeg ik u kort en goed:Als gij niet heden aan mijn wensch voldoet,Zal ’k morgen ons contract verbreken.MEPHISTOPHELES.Zoo’n haast niet, vriend! Waar wil dat heen?’k Behoef meer dan een week alleenOm een gelegenheid te zoeken.[97]FAUST.Had ik slechts zeven uren vrij,’k Behoefde niet uw kunstnarij,Om zulk een meisje te verkloeken.MEPHISTOPHELES.Gij spreekt reeds als een Don Juan;Maar ’k bid u toch, laat af daarvan!Wat helpt u dadelijk genieten?Het zou u al te ras verdrieten.Eerst dient met zorg en veel beleidZoo’n lekkerbeetje goed bereid,Gekneed en smaaklijk toegerigt:Dit leert ons menig Fransch gedicht.FAUST.Dat ’s iets, wat niet ter zake doet;Wilt gij mij helpen, maak dan spoed!MEPHISTOPHELES.Thans zonder gekheid, kort en goed!’t Zal, vriendlief, wat hier dient gedaan,Geloof mij, zoo op eens niet gaan.Met haast is hier niets uit te rigten;Slechts list kan onze taak verligten.FAUST.Bezorg me iets van mijne engelin,Of breng mij hare woning in;Bezorg me iets van mijn waarde pand,Al ware ’t maar een kouseband.MEPHISTOPHELES.Opdat gij zie, dat ik uw pijnZoo veel ik kan wil dienstbaar zijn,[98]Zult gij, ’k beloof het u, nog hedenMet mij haar kamertje betreden.FAUST.En zal ’k haar zien? Omhelzen?MEPHISTOPHELES.En zal ’k haar zien? Omhelzen?Neen!Ze is uit. Intusschen kunt ge alleen,Om u in ’t geen er volgt te schikken,In haren dampkring u verkwikken.FAUST.Gaan we er nu heen?MEPHISTOPHELES.Gaan we er nu heen?’k Ben nog niet klaar.FAUST.Denk ook aan een geschenk voor haar!Vertrekt.MEPHISTOPHELES.Reeds schenken? Goed! dan laat zij zich gezeggen.Ik ken een schoone plek of watEn menig daar begraven schat;Ik moet een weinig overleggen.[99][Inhoud]Een zindelijk kamertje. Het is avond.MARGARETA,terwijl zij haar hoofdhaar vlecht en opbindt.Wie of die heer toch wezen mag,Die mij van morgen tegenkwam?Hij is zoo knap, als ’k immer zag,En wis ook van een eedlen stam:Dat kon ik op zijn voorhoofd lezen;Geen ander zou zoo vrij ook wezen.Vertrekt.MEPHISTOPHELESenFAUSTkomen binnen.MEPHISTOPHELES.Kom in maar! Zachtjes! Hier nu heen!FAUST,na eenig stilzwijgen.Ik bid u, laat mij thans alleen!MEPHISTOPHELES,rondziende.Neen, netter woning is er geen.Vertrekt.FAUST.Wees welkom, zoete schemering,Gij, die dit heiligdom doorzweeft!Doordring me, o minbetoovering,Die van den dauw der hope leeft!Hoe ademt alles stil gevoelen[100]Van orde, van tevredenheidIn deze hut, bevrijd van woelen,In deze hut vol zaligheid!Hij werpt zich op een lederen stoel bij het bed.O neem mij op, die van het aanbegin,Bij vreugde en smart, zoo velen hebt ontvangen!Hoe vaak heeft in deez’ troon van ouderminEen schaar van kindren om u heen gehangen!Misschien heeft, dankbaar en naar hartelust,Mijn liefje hier, met volle kinderwangen,Haar’ voorzaat vroom de stramme hand gekust.Ik voel, o meisje, ’k voel den geest, die u beheert,Den geest van orde mij omzweven,Die moederlijk u daaglijks leertHet tafeldoek te spreiden ongedeerd,Ja, ’t vloerzand deed tot kleine bloempjes weven.O meisje, d’ engelen gelijk,De hut wordt door uw hand een hemelrijk!En hier—Hij schuift de bedgordijn open.En hier—O welk gevoel grijpt me aanEn heeft mijn zinnen ingenomen!Natuur, hier deedt ge in zoete droomenEen engel op deze aarde ontstaan!Hier lag het kind, den teedren boezemMet levenswarmte mild bedeeld,En hier, uit dezen reinen bloesem,Onthulde zich het godenbeeld.En gij! Wat heeft u hier gevoerd?Hoe innig voel ik mij geroerd!Wat wilt gij hier? Wat drukt uw hart zoo neêr?Armzaalge Faust! ik ken u zelf niet meer.Ben ’k hier weêr in een tooverkring gevlugt?[101]Ik had een drang om daadlijk te genieten,En voel dien in een liefdedroom vervlieten!Zijn wij een spel van elken druk der lucht?En als zij hier nu binnentrad,Hoe zoudt gij voor uw wandaad boeten!Gij, Faust, hoe ge ook uzelven schat,Laagt dan vernietigd aan haar voeten!MEPHISTOPHELES.Toe gaauw! Ik zie haar ginder komen.FAUST.Ik blijf; vertrek gij maar alleen.MEPHISTOPHELES.Hier is een kistje; ’t is wel kleen,Maar de inhoud is zeer ongemeen;Ik heb ’t van elders weggenomen.Daar! Zet het nu in gindsche kast;Ik zweer u, haar vergaan de zinnen,Als zij door d’ inhoud wordt verrast;Een andren schat zult ge er meê winnen.Och, kind is kind, en spel bedrog.FAUST.Ik weet niet; zou ’k.…MEPHISTOPHELES.Ik weet niet; zou ’k.…Wat vraagt gij toch!Wilt gij misschien den schat bewaren?Dan raad ik u, tot ons profijt,Uzelv’ den kostelijken tijdEn mij de verdre moeite te besparen.Ik hoop niet dat gij gierig zijt?Ik krab mij ’t hoofd, wrijf mij de leden.…[102]Hij plaatst het koffertje in de kast, en sluit deze weder.Kom nu gezwind,Om ’t jonge kindNaar uwen wensch en wil te kneden;En gij beschouwt de gansche zaakAls een professor, bij ’t aanvaarden van zijn taakIn physiologie of metaphysica.Ik ga nu; kom en volg mij na!Zij vertrekken.MARGARETA,met eene lamp.Wat is het drukkend hier en zoel!Zij opent het venster.En buiten is het toch zoo koel!Ik weet niet, hoe ’k zoo angstig kom.Och, kwam mijn moeder maar weêrom!Mij loopt een rilling door de leden;Ik huiver, en toch zonder reden.Zij begint te zingen, terwijl zij zich ontkleedt.Daar was in Thule een koning,Getrouw tot aan het graf,Wien stervend zijn bemindeEen gouden beker gaf.Het was zijn dierbaarst kleinood,Waarin men wijn hem schonk;Hem werden de oogen vochtig,Zoo vaak hij daaruit dronk.En eindlijk, bij zijn scheiden,Doorliep hij zijn gebied:Hij gunde veel zijn’ erven,Maar toch den beker niet.[103]Hij zat aan ’t hoofd der ridders,Bij feesten, ieder keer,In ’t slot, dat met zijn tinnenZich ginds verheft bij ’t meer.Daar stond nu de oude drinker;Hij slurpte nieuwen gloed,Nam toen op eens den bekerEn wierp hem in den vloed.Hij zag den beker vallen,En hoe hij nederzonk;Daarop sloot hij zijne oogen:Het was zijn laatste dronk.Zij opent de kast, om hare kleederen te bergen, en ziet het juweelkoffertje.Hoe komt dit koffertje hierin?’k Sloot toch de kast, naar ’k mij bezin!Wat zou wel de inhoud zijn? Maar wacht!’t Is zeker hier als pand gebragt.Mijn moeder leende er op misschien.O zie! een sleutel is er bij!Nu moet ik toch eens even zien,Wat of wel de inhoud er van zij!Hoe? Kan ’k mijne oogen wel vertrouwen?Zoo iets mogt ik nog nooit aanschouwen.Een tooisel, waarmeê edelvrouwenTer kerke op hoogtij konden gaan.Hoe zou mij wel dees keten staan?Wien zou dit pronksieraad behooren?Zij doet het schielijk om, en treedt voor den spiegel.En dan die ringen in mijne ooren!Zoo ziet men toch er anders uit!Wat helpt u schoonheid, jonge spruit![104]Zij baart u zeker geen verdriet;Maar dat is alles, meer ook niet.Men prijst u—maar ’t is met erbarmen.Naar ’t goud toch dringt,Naar ’t goud toch wringtZich alles. Ach, wij armen![105][Inhoud]Wandelplaats.FAUSTgaat in gedachten op en neder.MEPHISTOPHELESis bij hem.MEPHISTOPHELES.Bij alle blaauwtjes! Bij de helsche sulferbron!Wist ik iets ergers nog, dat ik vervloeken kon!FAUST.Wat deert u? Zeg! Van waar dat wild gebas?Zulk een gezigt zag ’k nooit mijn gansche leven!MEPHISTOPHELES.’k Zou mij terstond den duivel overgeven,Zoo ik de duivel zelf niet was.FAUST.Wat brengt uw hersens zoo aan ’t spoken?Gij stelt u aan of ge uit het dolhuis zijt gebroken.MEPHISTOPHELES.Denk eens! Het tooisel, waar uw Grete meê moest prijken,Daar is een paap meê heen gaan strijken!De moeder krijgt het ding te zien,En daadlijk ruikt ze lont misschien.Zij snuffelt, wil ze iets onderzoeken,Maar altijd in gebedenboeken,En weet, geloof ik, op de gis,[106]Of iets profaan of heilig is,En aan het tooisel zag zij ras,Dat daarbij niet veel zegen was.“Mijn kind!” riep ze uit, “oneerlijk goed“Verblindt de ziel, bederft het bloed.“De Moeder Gods, zoo rijk aan gaven,“Zal ons met hemelmanna laven.”Margreet vertrekt haar lipje in ’t end:“’t Is,” dacht zij, “toch geen kwaad present,“En godloos waarlijk is hij niet,“Die mij aldus een tooisel biedt.”De moeder liet nu heerom komen;Maar dees had naauw de zaak vernomen,Of dacht: “Zie zoo! dat ’s binnen, vrind!—“’k Zie,” sprak hij, “men is welgezind;“Hij wint voorwaar, die overwint.“De kerk kan alles goed verdragen;“Zij staat voor struis- noch kemelmagen,“En al verslond ze ook heele landen,“Gaaf bleven toch hare ingewanden;“Al drukt een ander ’t op ’t gemoed,“De kerk verteert oneerlijk goed.”FAUST.Dat kan de kerk juist niet alleen,Maar koning, Jood en iedereen.MEPHISTOPHELES.Dat zij zoo ’t wil! De pater stak,Alsof het zoo van zelve sprak,Bedaard het koffertje in zijn zak,Beloofde haar het eeuwig licht,En beide waren zeer gesticht.FAUST.En Grete?[107]MEPHISTOPHELES.En Grete?Zij heeft rust noch duur,Verdiept zich in dit avontuur,Denkt aan het tooisel dag en nacht,Nog meer aan hem, die ’t heeft gebragt.FAUST.Haar kommer spijt mij inderdaad.Bezorg haar gaauw een nieuw sieraad;Het eerste was zoo mooi toch niet.MEPHISTOPHELES.’k Weet dat ge in alles speelgoed ziet.FAUST.En maak en rigt het naar mijn zin.Vervoeg u bij haar buurvriendin.Wees toch als duivel niet zoo flaauw,Maar breng een nieuw versiersel gaauw!MEPHISTOPHELES.Ik zal voor ’t een en ander zorgen.Faust vertrekt.Waarachtig, zoo’n verliefde kwantSteekt zon en maan en sterren morgenTot tijdverdrijf voor ’t liefje in brand![108][Inhoud]Het huis van de buurvriendin.MARTHAalleen.God moog’ ’t mijn goeden man vergeven,Maar dat is toch geen handlen, neen!Hij loopt als door den wind gedreven,En laat mij arme ziel alleen!En ik speelde altoos ja en amen;Wij hadden nooit een woord te zamen.Zij weent.Misschien is hij wel dood, mijn schat;Als ik nu maar zijn doodceêl had!MARGARETA,binnenkomende.Vrouw Martha!MARTHA.Vrouw Martha!Wel mijn kind, wat is ’t?MARGARETA.Ik voel me aan al mijn leden beven.Bedenk maar eens! Ik vind zoo evenAl wederom zoo’n kleine kist,Met halssieraad en andre praal,Veel mooijer nog dan de eerste maal.[109]MARTHA.Zeg dat nu niet aan moeder weêr;’t Gaat anders maar als d’ eersten keer.MARGARETA.O zie, en zeg mij hoe gij ’t vindt!MARTHA.Wat zijt gij een gelukkig kind!MARGARETA.Ik durf het evenwel niet wagenZoo iets in ’t openbaar te dragen.MARTHA.Kom maar bij mij zoo veel ’t u lust,En tooi er u dan meê gerust.Gij wandelt dan eens op en nederEn voor den spiegel heen en weder,En gij en ik, wij beide dan,Wij hebben regt pleizier er van.Dan moeten we ook eens menschen vragen,Waarbij ge eens dit of dat kunt dragen:Den ketting doet ge eens om, de paarlen eens in ’t oor;Maar moeder blijft er buiten, hoor?MARGARETA.Maar waar zijn toch, het schijnt wel droomen,Die koffertjes van daan gekomen?Er wordt geklopt.O, als dat eens mijn moeder was deez’ keer!MARTHA.Het is een vreemdeling.—Treê binnen maar, mijnheer![110]MEPHISTOPHELES,binnentredende.Ik moet u wel verschooning vragen,Dat ik mij zoo maar hier kom wagen!Wendt zich eerbiedig tot Margareta.Ik kom naar Martha Zwaardman informeeren.MARTHA.Ik ben ’t, mijnheer! wat is van uw begeeren?MEPHISTOPHELES,zacht tot haar.Ik ken u thans; dat was de reden van mijn vraag.Die dame wacht voornaam bezoek van daag.Vergeef de vrijheid, die ik heb genomen;’k Zal tegen d’ avond wederkomen.MARTHA.Mijn kind! die heer—hoe kan ’t bestaan?—Noemt u een dame; denk eens aan!MARGARETA.Ik ben een arme, jonge bloed;Voorwaar, mijnheer is al te goed.Dees tooi behoort mij niet—o neen!MEPHISTOPHELES.Het is het tooisel niet alleen:Haar blik wekt eerbied en ontzag;’t Verheugt mij dat ik blijven mag.MARTHA.Wat brengt u hier dan?MEPHISTOPHELES.Wat brengt u hier dan?’k Gaf wel wat,Zoo ik een blijder tijding had.[111]Waarmeê ik hier u mogt ontmoeten!Uw man is dood en laat u groeten.MARTHA.Die trouwe ziel! Och, is hij dood?’k Bezwijk; wie helpt me in dezen nood!MARGARETA.O, wanhoop niet, mijn goede vrouw!MEPHISTOPHELES.’k Verhaal u heel de zaak getrouw.MARGARETA.Ik wilde daarom nooit beminnen;’t Verlies benam mij al mijn zinnen.MEPHISTOPHELES.Hij is nu in een veilge haven.MARTHA.Vertel mij van zijn sterven flus!MEPHISTOPHELES.Hij ligt te Padua begraven,Niet ver van Sint Antonius.Daar rust hij, die van smart bevrijd is,Nu op een plek, die wel gewijd is.MARTHA.Hebt ge anders niets voor mij en de arme weezen?MEPHISTOPHELES.Ja, één verzoek; ’t is groot ter deeg:Laat voor zijn ziel driehonderd missen lezen;En verder zijn mijn zakken leêg.[112]MARTHA.Hoe? Zelfs geen potstuk, zelfs geen ring,Wat zelfs een handwerksman zich uit den mond bespaart,Tot nagedachtenis voor vrouw en kroost bewaart,Zoodat hij toch iets nalaat, hoe gering?MEPHISTOPHELES.Vrouw Martha! ’t spijt me; ik wil ’t wel weten,Maar hoor! zijn geld heeft hij niet weggesmeten.Hij treurde om zijn gebreken zeer,Ja, hij betreurde zelfs zijn ongeluk nog meer.MARGARETA.Ach, dat de menschen toch zoo ongelukkig zijn!Voor hem wordt door mij menig requiem gebeden.MEPHISTOPHELES.O, gij verdiendet wel terstond in d’ echt te treden;Gij zijt een zeer beminlijk maagdelijn.MARGARETA.Och neen; ik ben te jong nog voor een man.MEPHISTOPHELES.Wel nu! vooreerst een minnaar dan.Het is voorwaar een zielsverrukken,Zulk een lief ding aan ’t hart te drukken.MARGARETA.Dat is hier geen gebruik, mijnheer!MEPHISTOPHELES.Gebruik of niet, men ziet het meer.MARTHAtegen Mephistopheles.Vertel nu voort![113]MEPHISTOPHELES.Vertel nu voort!Ik keek eens, toen ik bij zijn sterfbed zat;’t Was weinig meer dan kaf of muffend hooi;Maar toch, hij stierf als Christen—dat was mooi—En vond, dat hij veel meer nog op zijn reekning had.“Hoe!” riep hij: “moet ik nu mijzelv’ niet haten?“Zoo maar mijn vrouw en kindren in den steek te laten!“Ach! die herinring blijft mij tot mijn laatsten snik.“Vergaf zij mij nu nog maar in dit leven!”MARTHA,weenende.Die goede man! Ik heb hem lang vergeven!MEPHISTOPHELES.“Maar zij had altijd veel meer schuld dan ik.”MARTHA.Dat liegt hij! Foei! zoo op den rand des grafs te spreken!MEPHISTOPHELES.’t Verstand was zeker reeds bij hem geweken;Zoo scheen het mij ten minste toe.“Ik moest,” sprak hij, “vroeg opstaan iedren morgen,“Eerst kindren helpen, dan voor ’t brood gaan zorgen,“Met wat daarbij behoort, al wist ik zelf niet hoe.“Ik kon niet eens met vreê mijn eigen portie eten.”MARTHA.Heeft hij zoo al mijn liefde en trouw vergeten,En mijn getob bij dag en nacht!MEPHISTOPHELES.O neen! Hij heeft daaraan wel degelijk gedacht;Hij sprak: “Toen ’k nu op weg naar Malta ging,“Toen bad ik voor mijn vrouw en kroost gestadig:[114]“De Hemel was ons dan ook zoo genadig,“Dat ons fregat een schip der Turken ving,“Dat met een schat den sultan wou verrassen.“Wij namen ’t na een kort besluit,“En ik, zoo als ook wel zou passen,“Ontving mijn aandeel van den buit.”MARTHA.Maar zeg, waar bleef dat dan? Wat moet ik hier gelooven?MEPHISTOPHELES.Wie weet, waar ’t door den wind is heengestoven!Een schoone dame nam zich zijner aan,Toen hij te Napels eenzaam leefde en treurde;Zij heeft met liefde en trouw hem bijgestaan,Zoo als hij tot zijn zalig eind bespeurde.MARTHA.Die schelm! die dief van vrouw en kindren!Zelfs onze ellende en onze noodKon zijn lichtmisserijen niet verhindren!MEPHISTOPHELES.Ja zie, daarom is hij nu dood.Wat me, in uw plaats, te doen thans overschoot:Ik rouwde een jaar nu en zes weken,Terwijl ik, vóór die tijd nog was verstreken,Eens rondkeek naar een nieuwen echtgenoot.MARTHA.Ach! een, zoo als mijn eerste was,Zal ik zoo ligt niet wedervinden!Ik kreeg wat hij me uit de oogen las.Alleen liep hij wat veel in kroegen met zijn vrinden;Ook mogt hij vreemde vrouwen welEn vreemden wijn, en dan dat dobbelspel![115]MEPHISTOPHELES.Nu, nu, dat gaat; en ’t zij hoe ’t zij,Als hij bij u ten naastenbijNiet minder door de vingers had te zien,Ik zweer u, dat ik dan misschienUw tweede man wel wezen wou.MARTHA.Mijnheer schertst met mij, arme vrouw!MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Nu hier van daan! want zulke wijven zoudenDen duivel zelf ook bij zijn woord nog houden.Tot Margareta.Maar zeg! hebt gij alreê bemind?MARGARETA.Wat meent mijnheer daarmeê?MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Wat meent mijnheer daarmeê?Dat goed, onschuldig kind!Overluid tegen de vrouwen.Vaarwel!MARGARETA.Vaarwel!Vaarwel!MARTHA.Vaarwel! Vaarwel!O, zeg eens even nog gezwind:’k Had gaarne van mijn man een doodceêl, om te staven,Waar en wanneer hij is gestorven en begraven.Ik ben in orde altijd een ander voorgegaan.’k Had graag ook, dat het in de krant mogt staan.[116]MEPHISTOPHELES.Hoor, goede vrouw! door tweedehands-berigtKomt meest de waarheid aan het licht.Ik heb een vriend; die zal ’t wel klarenEn u veel moeite en tijd besparen.Ik breng hem hier.MARTHA.Ik breng hem hier.O, doe dat toch!MEPHISTOPHELES.En hier, die dame is ook er nog?Nu, ’t is een brave knaap; hij heeft veel bijgewoond,En hulde en eer aan vrouwen steeds betoond.MARGARETA.’k Zal voor dien heer van schaamte wis bezwijken.MEPHISTOPHELES.Zelfs voor geen koning moet gij die doen blijken.MARTHA.Daarginder ligt mijn tuintje, en over achtenZal ik de heeren daar verwachten.[117]
[Inhoud]Heksenkeuken.Aan een lagen haard staat een groote ketel te vuur. In den damp, die er van omhoog rijst, vertoonen zich verschillende gestalten. EeneMEERKATzit bij den ketel, schuimt hem, en zorgt dat hij niet overkookt. DeMEERKATERmet de jongen zit er naast, en warmt zich. Het zeldzaamste heksenhuisraad ziet men aan wanden en zoldering.FAUST.MEPHISTOPHELES.FAUST.Al dat geheks begint mijn ziel te knellen:Denkt gij nu, dat ik zal herstellenIn dezen kring van razernij?Verlang ik raad van oude draken?En kan die paddenkokerijMe een dertig jaren jonger maken?Wee mij, zoo gij niets beters kent!Reeds acht ik alle hoop verloren.Weet dan natuur en de eedle geest in ’t endNiet hier of daar een balsem op te sporen?MEPHISTOPHELES.Mijn vriend, nu spreekt gij weder zoo ’t behoort.Verjongt ge u graag, ge hebt het maar voor ’t zeggen;Maar ’t boek, waarin het staat, is van eene andre soort,En ’t hoofdstuk niet zoo maklijk uit te leggen.[82]FAUST.Spreek op! Wat meent ge?MEPHISTOPHELES.Spreek op! Wat meent ge?Een middel zonder geldEn arts en tooverkunsten wilt ge weten?Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld,En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten;Beperk u, vóór elk ander ding,In een zeer kleinen, engen kring;Voed u, op ’s landbewoners wijzen,Met schamele, ongekruide spijzen;Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind,Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten:Dat zijn, om te verjongen, vrind,Van alle middelen de besten.FAUST.Dat ben ik niet gewoon; ’t zou mij geheel bevreemenEen spade of schop ter hand te nemen;Zoo’n boerenlevenswijs bevalt mij niet.MEPHISTOPHELES.Dan is ’t alleen de heks, die overschiet.FAUST.Waarom nu juist dat oude wijf?Kunt gij dien drank dan zelf niet brouwen?MEPHISTOPHELES.Dat ware een aardig tijdverdrijf;In dien tijd kon ’k wel duizend bruggen bouwen.Niet kunst en wetenschap alleen maakt iemand sterk,Maar ook geduld behoort bij ’t werk.Een stille geest zit jaren lang te denken;[83]De tijd slechts kan zijn streven rijpheid schenken,En hoe men alles wendt of keert,Het zijn zeer wonderbare zaken:En heeft de duivel ’t iemand ook geleerd,De duivel kan het zelf niet maken.De dieren ziende.Zie welk een regt aanvallig paar!De meid is hier, de knecht is daar!Tot de dieren.De vrouw is, naar het schijnt, niet thuis?DE DIEREN.Stil als een muis,Zonder geluid,Vloog zij den schoorsteen uit.MEPHISTOPHELES.Hoe lang pleegt zij wel weg te blijven?DE DIEREN.Zoo lang we ons hier den tijd verdrijven.MEPHISTOPHELEStot Faust.Hoe vindt gij wel die lieve dieren?FAUST.Zoo flaauw en laf als ’k ooit iets zag.MEPHISTOPHELES.O neen! Een praatje van dit slagKan mij altijd het meest pleizieren.Tot de dieren.Maar zegt me eens, beestjes om te snoepen,[84]Wat kookt en roert gij in dien kliek?DE DIEREN.Wij koken magere armensoepen.MEPHISTOPHELES.Dan krijgt ge vast een groot publiek!DE KATERkomt naar Mephistopheles toe, en zegt vleijend:O schrandere kop,Kom, dobbel eens op,En laat mij eens winnen!Mijn beurs is zoo plat;Maar had ik weêr wat,’k Was vrolijk van zinnen.MEPHISTOPHELES.Wat zou het zulk een aap niet streelen,Zoo hij in ’t lotto meê kon spelen!Intusschen hebben de jonge meerkatjes met een grooten bal gespeeld, en rollen hem vooruit.DE KATER.Zoo is de hoop,Zoo ’s werelds loop!Zij rolt bestendig;Zij klinkt als glas,Zij breekt zoo ras,Is hol inwendig.Hier blinkt zij zeer,En hier nog meer;Ik ben behendig,Maar ’t is uw graf;Kom, blijf er af,Of gij moet sterven;[85]Dit is de straf:Zij spat in scherven.MEPHISTOPHELES.Wat moet die zeef, mijn lief?DE KATERhaalt haar naar beneden.Waart gij een dief,Gij kondt het niet verbloemen.Hij loopt naar de Meerkat, en laat er haar doorheen kijken.Ziehier, mijn lief!Gij kent den dief,En moogt hem toch niet noemen.MEPHISTOPHELES,het vuur naderende.En deze pot?KATER en KAT.De vent is zot!Hij kent geen pot,Hij kent geen ketel!MEPHISTOPHELES.Brutaal gespuis!DE KATER.Doe hier als thuis,En zet u in den zetel.Hij noodigt Mephistopheles plaats te nemen.FAUST,die intusschen voor een spiegel heeft gestaan, dezen nu eens genaderd is, en dan er zich weder van verwijderd heeft.Wat zie ik! Welk een engel uit den hoogen[86]Vertoont zich in deez’ spiegel voor mijne oogen!O liefde, leen me uw snelste vleugelspan,En voer mij waar ’k die schoonheid vinden kan!Ach! zoo ik niet op deze plek blijf staan,Maar ’t wage naderbij te gaan,Kan ’k slechts als in een nevel haar aanschouwen,Dat schoonste beeld van alle vrouwen!Hoe? Is het geen bedrog misschien?Moet ik, als zich mijn oog niet laat verblinden,Dit als ’t sieraad van alle heemlen zien,Of is het ook op aard te vinden?MEPHISTOPHELES.Natuurlijk, als een God zich eerst zes dagen plaagt,En bravo roept, als hem zijn werk behaagt,Dan moet het wel uitstekend blijken.Haal nu uw hart maar op met kijken.Ik ken wel zulk een lieve maagd;Gelukkig hij, die er in slaagt,Er als zijn bruid meê heen te strijken!FAUSTziet bij voortduring in den spiegel.Mephistopheles,zich in zijn stoel uitstrekkende en met zijn staart spelende, gaat voort met spreken.Hier zit ik als een koning op zijn troon;Den scepter hou ik vast; me ontbreekt alleen de kroon.DE DIEREN,die tot hiertoe allerlei wonderlijke bewegingen door elkander gemaakt hebben, brengen Mephistopheles eene kroon, al schreeuwende:O, wees toch zoo goed,Met zweet en met bloedDees kroon eens te lijmen![87]Zij gaan onhandig met de kroon om, zoodat zij in twee stukken breekt, waarmede zij rondspringen.Nu is het geschied!Wij zingen een lied;Wij hooren en rijmen.FAUST,voor den spiegel.Wee mij! ’k Verlies haast mijn verstand!MEPHISTOPHELES,op de dieren wijzende.Ik ook, als ’k zie hoe zij daar hasplen met haar tweeën.DE DIEREN.En gaat het verbandOns goed van de hand,Dan krijgt men ideeën.FAUST,als boven.Mijn hoofd klopt zonder te bedaren;Weg uit dit kattenmagazijn!MEPHISTOPHELES,in opgemelde houding.Nu, zeker moet men wel verklaren,Dat het opregte dichters zijn!De ketel, waarop de katten in den laatsten tijd niet gelet hebben, begint over te loopen; er ontstaat eene groote vlam, die den schoorsteen uitslaat.De Hekskomt, door de vlam heen, met ontzettend geschreeuw naar beneden.DE HEKS.Au! au! au! au!Dat lompe beest loopt van ’t gebrouw,—Verzuimt het vuur, verzengt de vrouw!’t Vervloekte dier![88]Faust en Mephistopheles ziende.Wat is dat hier?Wie zijt gij hier?Wat wilt gij hierIn deze muren?Die sluipmanierZult gij bezuren!Zij steekt de schuimspaan in den ketel, en besprengt Faust, Mephistopheles en de dieren met vuur. De dieren kermen van pijn.MEPHISTOPHELES,terwijl hij zijn staart, dien hij in de hand houdt, omkeert, en er mede onder de glazen en potten slaat.Op zij! op zij!Daar ligt de brij!Het glas ligt daar!’t Was gekheid maar,De maat voorwaarBij uwe melodij!Terwijl de heks gramstorig en vol ontzetting terugtreedt.Herkent ge, ribbekast, oud vel,Uw meester niet? Zeg, totebel!Wat let me, spooksel, of ik trapU en uw kattenboel tot pap!Zal ’t roode wambuis u niet zeggen wie ik ben?Mijn haneveer mijn stand verbloemen?Verberg ik mijn gelaat, dat men mij niet herkenn’?Moet ik misschien mijn naam nog noemen?DE HEKS.O Heer, vergeef mijn lompen groet!Maar waar is dan uw paardenvoet?Waar hebt ge uw raven dan gelaten?[89]MEPHISTOPHELES.’k Hoû thans hiermede mij tevreên;Want zeker, ’t is al lang geleên,Sinds we eens te zamen mogten praten.Ook de beschaving, die thans iedre feil bedekt,Heeft tot den droes zich uitgestrekt;Het oude duivelbeeld is thans niet meer te aanschouwenWaar ziet men horens, staart en klaauwen?En wat den voet betreft, dien ik niet missen kan,Die zou aan vele lieden stuiten:Daarom bedien ik mij, als menig deftig man,Sinds jaren reeds van valsche kuiten.DE HEKS,dansende.Zin en bewustheid begeven mij schier;’k Zie nu het jonkertje Satan weêr hier!MEPHISTOPHELES.Noem mij zoo niet, wijf, en maak geen getier!DE HEKS.Waarom? Wat heeft de naam u dan gedaan?MEPHISTOPHELES.Hij is reeds lang naar ’t fabelboek verdreven.Maar toch, de mensch is er niet beter aan:Is hijden boozekwijt,de boozenzijn gebleven.Noem mij maar “heer baron!” Zoo is mijn titel goed.Ik ben een edelman, als andren die zoo heeten.Gij twijfelt toch niet aan mijn edel bloed?Zie, dit ’s mijn wapen, zoo als gij zult weten!Hij maakt een onvoegelijk gebaar.DE HEKS,in lagchen uitbarstende.Ha! ha! dat is ulieder aard!Gij zijt een schalk, als ge altijd waart.[90]MEPHISTOPHELEStot Faust.Dit ’s de manier, leer ’t wel verstaan,Om met die heksen om te gaan.DE HEKS.Zegt, heeren, waarmeê ’k u nu dienen kan!MEPHISTOPHELES.Met een goed glas—gij zelf weet wel waarvan.Alleen moet ik van d’ oudsten thans verwachten;De jaren toch verdubbelen zijn krachten.DE HEKS.Zeer gaarne. Zie, hier is een flesch,Waaruit ik zelf mijn dorst wel lesch,En die ook niet in ’t minste stinkt.Ik wil u gaarne een glaasje geven.Zacht tot Mephistopheles.Maar als nu deze man onvoorbereid het drinkt,Dan kan hij, zoo gij weet, geen enkel uur meer leven.MEPHISTOPHELES.Het is een goede vriend, dien ik bij u onthaal;Ik gun hem gaarne ’t beste van uw keuken.Trek uwen kring, spreek uwe spreuken,En schenk hem maar een vol bokaal.De heks trekt met vreemde gebaren een kring, en plaatst er allerlei wonderlijke dingen in. Intusschen beginnen de glazen te klinken, de ketel te razen en alles muziek te maken. Eindelijk komt zij met een groot boek voor den dag, plaatst in den kring de meerkatten, die haar tot lessenaar dienen en een fakkel voor haar moeten vasthouden. Zij wenkt Faust om bij haar te komen.[91]FAUSTtot Mephistopheles.Nu zeg mij, wat moet dit beduiden,Die zotteklap, die razende geluiden,Dat goochelspel met pot en pan?Ik ken dat, en ik walg er van.MEPHISTOPHELES.Och kom! Wat valt daaraan te laken?Heb daarvoor nu niet zooveel schroom;Zij moet, als arts, wat hokuspokus maken,Opdat het vocht u wel bekoom’.Hij wenkt Faust om in den kring te treden.DE HEKSbegint met groote emphase uit het boek te declameeren.Wil goed verstaan!Maak tien uit een,Laat twee dan gaan,En drie meteen.Maak dit gelijk,Dan zijt gij rijk.Dat vier nu wijk’Uit zes en vijf,Zoo zegt het wijf;Maak acht en zeven;Dan wordt het even.En tien is geen,En negen een:Dat is het heksen-eenmaal-een!FAUST.Mij dunkt, dat wijf spreekt als in waan!MEPHISTOPHELES.Dat is vooreerst nog niet gedaan:[92]Zoo luidt het heele boek; ik ken die zaak,En heb veel tijd daarmeê verloren;Want een volkomen tegenspraakKlinkt wijz’ en dwazen als orakeltaal in de ooren.De kunst is oud en nieuw, hoe men ’t bezie;’t Was steeds gebruik bij Christen, Jood en Heiden,Door drie en een, en een en drie,Bedrog voor waarheid te verspreiden.Zoo snapt en leert men ongestoord;De gekken laat men rustig kallen;Meestal gelooft de mensch, schoon hij slechts woorden hoort:Er moet daarbij toch iets te denken vallen.DE HEKSvervolgt.De hooge krachtVan wijsheids magtBlijft menigeen verborgen;KwakzalverijOntvangt haar vrij;Zij krijgt haar zonder zorgen.FAUST.Wat kraait ze ons toch voor onzin voor!Mijn hoofd dreigt mij kapot te breken.Mij dunkt, ik hoor een razend koorVan honderdduizend gekken spreken.MEPHISTOPHELES.Genoeg, genoeg, voortreflijke Sibylle!Geef thans uw drank eens hier, en vul nu, mij ten wille,De schaal terstond tot aan den rand!Want deze drank zal aan mijn vriend niet schaden;Hij is een man van vele gradenEn wees nooit beker van de hand.[93]De heks schenkt met vele ceremoniën den drank in eene schaal; zoodra Faust haar aan den mond brengt, slaat er eene ligte vlam uit.Drink maar gerust; het kan geen kwaad;’t Zal voor uw hart noch zuur noch wrang zijn:De duivel is uw kameraad,En zoudt gij voor de vlam dan bang zijn?De heks ontbindt den kring. Faust treedt er uit.MEPHISTOPHELES.Kom! laat ons nu naar buiten spoên!DE HEKS.Moge u de nasmaak steeds behagen!MEPHISTOPHELEStot de heks.En kan ik soms voor u iets doen,Gij hebt mij ’t op Walpurgis slechts te vragen.DE HEKS.Hier is een lied; als gij ’t somwijlen zingt,Zal een bijzondre werking u beheeren.MEPHISTOPHELEStot Faust.Kom nu maar meê, of ’t zou u deren;Gij moet noodwendig transpireeren,Opdat de kracht door heel uw wezen dringt.In d’ eedlen lediggang leer ik daarna u voegen,En dan gevoelt ge ras met innerlijk genoegen,Hoe zich Cupido roert en heen en weder springt.FAUST.Laat me in den spiegel even nog aanschouwenHet beeld, dat zich aan mijnen blik kwam biên.[94]MEPHISTOPHELES.Neen, neen! Gij zult het pronkjuweel der vrouwenHeel spoedig levend voor u zien.Zacht.Gij ziet, met dezen drank in ’t lijf,Een Helena in ieder wijf.[95]
Heksenkeuken.Aan een lagen haard staat een groote ketel te vuur. In den damp, die er van omhoog rijst, vertoonen zich verschillende gestalten. EeneMEERKATzit bij den ketel, schuimt hem, en zorgt dat hij niet overkookt. DeMEERKATERmet de jongen zit er naast, en warmt zich. Het zeldzaamste heksenhuisraad ziet men aan wanden en zoldering.FAUST.MEPHISTOPHELES.FAUST.Al dat geheks begint mijn ziel te knellen:Denkt gij nu, dat ik zal herstellenIn dezen kring van razernij?Verlang ik raad van oude draken?En kan die paddenkokerijMe een dertig jaren jonger maken?Wee mij, zoo gij niets beters kent!Reeds acht ik alle hoop verloren.Weet dan natuur en de eedle geest in ’t endNiet hier of daar een balsem op te sporen?MEPHISTOPHELES.Mijn vriend, nu spreekt gij weder zoo ’t behoort.Verjongt ge u graag, ge hebt het maar voor ’t zeggen;Maar ’t boek, waarin het staat, is van eene andre soort,En ’t hoofdstuk niet zoo maklijk uit te leggen.[82]FAUST.Spreek op! Wat meent ge?MEPHISTOPHELES.Spreek op! Wat meent ge?Een middel zonder geldEn arts en tooverkunsten wilt ge weten?Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld,En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten;Beperk u, vóór elk ander ding,In een zeer kleinen, engen kring;Voed u, op ’s landbewoners wijzen,Met schamele, ongekruide spijzen;Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind,Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten:Dat zijn, om te verjongen, vrind,Van alle middelen de besten.FAUST.Dat ben ik niet gewoon; ’t zou mij geheel bevreemenEen spade of schop ter hand te nemen;Zoo’n boerenlevenswijs bevalt mij niet.MEPHISTOPHELES.Dan is ’t alleen de heks, die overschiet.FAUST.Waarom nu juist dat oude wijf?Kunt gij dien drank dan zelf niet brouwen?MEPHISTOPHELES.Dat ware een aardig tijdverdrijf;In dien tijd kon ’k wel duizend bruggen bouwen.Niet kunst en wetenschap alleen maakt iemand sterk,Maar ook geduld behoort bij ’t werk.Een stille geest zit jaren lang te denken;[83]De tijd slechts kan zijn streven rijpheid schenken,En hoe men alles wendt of keert,Het zijn zeer wonderbare zaken:En heeft de duivel ’t iemand ook geleerd,De duivel kan het zelf niet maken.De dieren ziende.Zie welk een regt aanvallig paar!De meid is hier, de knecht is daar!Tot de dieren.De vrouw is, naar het schijnt, niet thuis?DE DIEREN.Stil als een muis,Zonder geluid,Vloog zij den schoorsteen uit.MEPHISTOPHELES.Hoe lang pleegt zij wel weg te blijven?DE DIEREN.Zoo lang we ons hier den tijd verdrijven.MEPHISTOPHELEStot Faust.Hoe vindt gij wel die lieve dieren?FAUST.Zoo flaauw en laf als ’k ooit iets zag.MEPHISTOPHELES.O neen! Een praatje van dit slagKan mij altijd het meest pleizieren.Tot de dieren.Maar zegt me eens, beestjes om te snoepen,[84]Wat kookt en roert gij in dien kliek?DE DIEREN.Wij koken magere armensoepen.MEPHISTOPHELES.Dan krijgt ge vast een groot publiek!DE KATERkomt naar Mephistopheles toe, en zegt vleijend:O schrandere kop,Kom, dobbel eens op,En laat mij eens winnen!Mijn beurs is zoo plat;Maar had ik weêr wat,’k Was vrolijk van zinnen.MEPHISTOPHELES.Wat zou het zulk een aap niet streelen,Zoo hij in ’t lotto meê kon spelen!Intusschen hebben de jonge meerkatjes met een grooten bal gespeeld, en rollen hem vooruit.DE KATER.Zoo is de hoop,Zoo ’s werelds loop!Zij rolt bestendig;Zij klinkt als glas,Zij breekt zoo ras,Is hol inwendig.Hier blinkt zij zeer,En hier nog meer;Ik ben behendig,Maar ’t is uw graf;Kom, blijf er af,Of gij moet sterven;[85]Dit is de straf:Zij spat in scherven.MEPHISTOPHELES.Wat moet die zeef, mijn lief?DE KATERhaalt haar naar beneden.Waart gij een dief,Gij kondt het niet verbloemen.Hij loopt naar de Meerkat, en laat er haar doorheen kijken.Ziehier, mijn lief!Gij kent den dief,En moogt hem toch niet noemen.MEPHISTOPHELES,het vuur naderende.En deze pot?KATER en KAT.De vent is zot!Hij kent geen pot,Hij kent geen ketel!MEPHISTOPHELES.Brutaal gespuis!DE KATER.Doe hier als thuis,En zet u in den zetel.Hij noodigt Mephistopheles plaats te nemen.FAUST,die intusschen voor een spiegel heeft gestaan, dezen nu eens genaderd is, en dan er zich weder van verwijderd heeft.Wat zie ik! Welk een engel uit den hoogen[86]Vertoont zich in deez’ spiegel voor mijne oogen!O liefde, leen me uw snelste vleugelspan,En voer mij waar ’k die schoonheid vinden kan!Ach! zoo ik niet op deze plek blijf staan,Maar ’t wage naderbij te gaan,Kan ’k slechts als in een nevel haar aanschouwen,Dat schoonste beeld van alle vrouwen!Hoe? Is het geen bedrog misschien?Moet ik, als zich mijn oog niet laat verblinden,Dit als ’t sieraad van alle heemlen zien,Of is het ook op aard te vinden?MEPHISTOPHELES.Natuurlijk, als een God zich eerst zes dagen plaagt,En bravo roept, als hem zijn werk behaagt,Dan moet het wel uitstekend blijken.Haal nu uw hart maar op met kijken.Ik ken wel zulk een lieve maagd;Gelukkig hij, die er in slaagt,Er als zijn bruid meê heen te strijken!FAUSTziet bij voortduring in den spiegel.Mephistopheles,zich in zijn stoel uitstrekkende en met zijn staart spelende, gaat voort met spreken.Hier zit ik als een koning op zijn troon;Den scepter hou ik vast; me ontbreekt alleen de kroon.DE DIEREN,die tot hiertoe allerlei wonderlijke bewegingen door elkander gemaakt hebben, brengen Mephistopheles eene kroon, al schreeuwende:O, wees toch zoo goed,Met zweet en met bloedDees kroon eens te lijmen![87]Zij gaan onhandig met de kroon om, zoodat zij in twee stukken breekt, waarmede zij rondspringen.Nu is het geschied!Wij zingen een lied;Wij hooren en rijmen.FAUST,voor den spiegel.Wee mij! ’k Verlies haast mijn verstand!MEPHISTOPHELES,op de dieren wijzende.Ik ook, als ’k zie hoe zij daar hasplen met haar tweeën.DE DIEREN.En gaat het verbandOns goed van de hand,Dan krijgt men ideeën.FAUST,als boven.Mijn hoofd klopt zonder te bedaren;Weg uit dit kattenmagazijn!MEPHISTOPHELES,in opgemelde houding.Nu, zeker moet men wel verklaren,Dat het opregte dichters zijn!De ketel, waarop de katten in den laatsten tijd niet gelet hebben, begint over te loopen; er ontstaat eene groote vlam, die den schoorsteen uitslaat.De Hekskomt, door de vlam heen, met ontzettend geschreeuw naar beneden.DE HEKS.Au! au! au! au!Dat lompe beest loopt van ’t gebrouw,—Verzuimt het vuur, verzengt de vrouw!’t Vervloekte dier![88]Faust en Mephistopheles ziende.Wat is dat hier?Wie zijt gij hier?Wat wilt gij hierIn deze muren?Die sluipmanierZult gij bezuren!Zij steekt de schuimspaan in den ketel, en besprengt Faust, Mephistopheles en de dieren met vuur. De dieren kermen van pijn.MEPHISTOPHELES,terwijl hij zijn staart, dien hij in de hand houdt, omkeert, en er mede onder de glazen en potten slaat.Op zij! op zij!Daar ligt de brij!Het glas ligt daar!’t Was gekheid maar,De maat voorwaarBij uwe melodij!Terwijl de heks gramstorig en vol ontzetting terugtreedt.Herkent ge, ribbekast, oud vel,Uw meester niet? Zeg, totebel!Wat let me, spooksel, of ik trapU en uw kattenboel tot pap!Zal ’t roode wambuis u niet zeggen wie ik ben?Mijn haneveer mijn stand verbloemen?Verberg ik mijn gelaat, dat men mij niet herkenn’?Moet ik misschien mijn naam nog noemen?DE HEKS.O Heer, vergeef mijn lompen groet!Maar waar is dan uw paardenvoet?Waar hebt ge uw raven dan gelaten?[89]MEPHISTOPHELES.’k Hoû thans hiermede mij tevreên;Want zeker, ’t is al lang geleên,Sinds we eens te zamen mogten praten.Ook de beschaving, die thans iedre feil bedekt,Heeft tot den droes zich uitgestrekt;Het oude duivelbeeld is thans niet meer te aanschouwenWaar ziet men horens, staart en klaauwen?En wat den voet betreft, dien ik niet missen kan,Die zou aan vele lieden stuiten:Daarom bedien ik mij, als menig deftig man,Sinds jaren reeds van valsche kuiten.DE HEKS,dansende.Zin en bewustheid begeven mij schier;’k Zie nu het jonkertje Satan weêr hier!MEPHISTOPHELES.Noem mij zoo niet, wijf, en maak geen getier!DE HEKS.Waarom? Wat heeft de naam u dan gedaan?MEPHISTOPHELES.Hij is reeds lang naar ’t fabelboek verdreven.Maar toch, de mensch is er niet beter aan:Is hijden boozekwijt,de boozenzijn gebleven.Noem mij maar “heer baron!” Zoo is mijn titel goed.Ik ben een edelman, als andren die zoo heeten.Gij twijfelt toch niet aan mijn edel bloed?Zie, dit ’s mijn wapen, zoo als gij zult weten!Hij maakt een onvoegelijk gebaar.DE HEKS,in lagchen uitbarstende.Ha! ha! dat is ulieder aard!Gij zijt een schalk, als ge altijd waart.[90]MEPHISTOPHELEStot Faust.Dit ’s de manier, leer ’t wel verstaan,Om met die heksen om te gaan.DE HEKS.Zegt, heeren, waarmeê ’k u nu dienen kan!MEPHISTOPHELES.Met een goed glas—gij zelf weet wel waarvan.Alleen moet ik van d’ oudsten thans verwachten;De jaren toch verdubbelen zijn krachten.DE HEKS.Zeer gaarne. Zie, hier is een flesch,Waaruit ik zelf mijn dorst wel lesch,En die ook niet in ’t minste stinkt.Ik wil u gaarne een glaasje geven.Zacht tot Mephistopheles.Maar als nu deze man onvoorbereid het drinkt,Dan kan hij, zoo gij weet, geen enkel uur meer leven.MEPHISTOPHELES.Het is een goede vriend, dien ik bij u onthaal;Ik gun hem gaarne ’t beste van uw keuken.Trek uwen kring, spreek uwe spreuken,En schenk hem maar een vol bokaal.De heks trekt met vreemde gebaren een kring, en plaatst er allerlei wonderlijke dingen in. Intusschen beginnen de glazen te klinken, de ketel te razen en alles muziek te maken. Eindelijk komt zij met een groot boek voor den dag, plaatst in den kring de meerkatten, die haar tot lessenaar dienen en een fakkel voor haar moeten vasthouden. Zij wenkt Faust om bij haar te komen.[91]FAUSTtot Mephistopheles.Nu zeg mij, wat moet dit beduiden,Die zotteklap, die razende geluiden,Dat goochelspel met pot en pan?Ik ken dat, en ik walg er van.MEPHISTOPHELES.Och kom! Wat valt daaraan te laken?Heb daarvoor nu niet zooveel schroom;Zij moet, als arts, wat hokuspokus maken,Opdat het vocht u wel bekoom’.Hij wenkt Faust om in den kring te treden.DE HEKSbegint met groote emphase uit het boek te declameeren.Wil goed verstaan!Maak tien uit een,Laat twee dan gaan,En drie meteen.Maak dit gelijk,Dan zijt gij rijk.Dat vier nu wijk’Uit zes en vijf,Zoo zegt het wijf;Maak acht en zeven;Dan wordt het even.En tien is geen,En negen een:Dat is het heksen-eenmaal-een!FAUST.Mij dunkt, dat wijf spreekt als in waan!MEPHISTOPHELES.Dat is vooreerst nog niet gedaan:[92]Zoo luidt het heele boek; ik ken die zaak,En heb veel tijd daarmeê verloren;Want een volkomen tegenspraakKlinkt wijz’ en dwazen als orakeltaal in de ooren.De kunst is oud en nieuw, hoe men ’t bezie;’t Was steeds gebruik bij Christen, Jood en Heiden,Door drie en een, en een en drie,Bedrog voor waarheid te verspreiden.Zoo snapt en leert men ongestoord;De gekken laat men rustig kallen;Meestal gelooft de mensch, schoon hij slechts woorden hoort:Er moet daarbij toch iets te denken vallen.DE HEKSvervolgt.De hooge krachtVan wijsheids magtBlijft menigeen verborgen;KwakzalverijOntvangt haar vrij;Zij krijgt haar zonder zorgen.FAUST.Wat kraait ze ons toch voor onzin voor!Mijn hoofd dreigt mij kapot te breken.Mij dunkt, ik hoor een razend koorVan honderdduizend gekken spreken.MEPHISTOPHELES.Genoeg, genoeg, voortreflijke Sibylle!Geef thans uw drank eens hier, en vul nu, mij ten wille,De schaal terstond tot aan den rand!Want deze drank zal aan mijn vriend niet schaden;Hij is een man van vele gradenEn wees nooit beker van de hand.[93]De heks schenkt met vele ceremoniën den drank in eene schaal; zoodra Faust haar aan den mond brengt, slaat er eene ligte vlam uit.Drink maar gerust; het kan geen kwaad;’t Zal voor uw hart noch zuur noch wrang zijn:De duivel is uw kameraad,En zoudt gij voor de vlam dan bang zijn?De heks ontbindt den kring. Faust treedt er uit.MEPHISTOPHELES.Kom! laat ons nu naar buiten spoên!DE HEKS.Moge u de nasmaak steeds behagen!MEPHISTOPHELEStot de heks.En kan ik soms voor u iets doen,Gij hebt mij ’t op Walpurgis slechts te vragen.DE HEKS.Hier is een lied; als gij ’t somwijlen zingt,Zal een bijzondre werking u beheeren.MEPHISTOPHELEStot Faust.Kom nu maar meê, of ’t zou u deren;Gij moet noodwendig transpireeren,Opdat de kracht door heel uw wezen dringt.In d’ eedlen lediggang leer ik daarna u voegen,En dan gevoelt ge ras met innerlijk genoegen,Hoe zich Cupido roert en heen en weder springt.FAUST.Laat me in den spiegel even nog aanschouwenHet beeld, dat zich aan mijnen blik kwam biên.[94]MEPHISTOPHELES.Neen, neen! Gij zult het pronkjuweel der vrouwenHeel spoedig levend voor u zien.Zacht.Gij ziet, met dezen drank in ’t lijf,Een Helena in ieder wijf.[95]
Heksenkeuken.
Aan een lagen haard staat een groote ketel te vuur. In den damp, die er van omhoog rijst, vertoonen zich verschillende gestalten. EeneMEERKATzit bij den ketel, schuimt hem, en zorgt dat hij niet overkookt. DeMEERKATERmet de jongen zit er naast, en warmt zich. Het zeldzaamste heksenhuisraad ziet men aan wanden en zoldering.
FAUST.MEPHISTOPHELES.
FAUST.Al dat geheks begint mijn ziel te knellen:Denkt gij nu, dat ik zal herstellenIn dezen kring van razernij?Verlang ik raad van oude draken?En kan die paddenkokerijMe een dertig jaren jonger maken?Wee mij, zoo gij niets beters kent!Reeds acht ik alle hoop verloren.Weet dan natuur en de eedle geest in ’t endNiet hier of daar een balsem op te sporen?
FAUST.
Al dat geheks begint mijn ziel te knellen:
Denkt gij nu, dat ik zal herstellen
In dezen kring van razernij?
Verlang ik raad van oude draken?
En kan die paddenkokerij
Me een dertig jaren jonger maken?
Wee mij, zoo gij niets beters kent!
Reeds acht ik alle hoop verloren.
Weet dan natuur en de eedle geest in ’t end
Niet hier of daar een balsem op te sporen?
MEPHISTOPHELES.Mijn vriend, nu spreekt gij weder zoo ’t behoort.Verjongt ge u graag, ge hebt het maar voor ’t zeggen;Maar ’t boek, waarin het staat, is van eene andre soort,En ’t hoofdstuk niet zoo maklijk uit te leggen.
MEPHISTOPHELES.
Mijn vriend, nu spreekt gij weder zoo ’t behoort.
Verjongt ge u graag, ge hebt het maar voor ’t zeggen;
Maar ’t boek, waarin het staat, is van eene andre soort,
En ’t hoofdstuk niet zoo maklijk uit te leggen.
[82]
FAUST.Spreek op! Wat meent ge?
FAUST.
Spreek op! Wat meent ge?
MEPHISTOPHELES.Spreek op! Wat meent ge?Een middel zonder geldEn arts en tooverkunsten wilt ge weten?Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld,En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten;Beperk u, vóór elk ander ding,In een zeer kleinen, engen kring;Voed u, op ’s landbewoners wijzen,Met schamele, ongekruide spijzen;Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind,Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten:Dat zijn, om te verjongen, vrind,Van alle middelen de besten.
MEPHISTOPHELES.
Spreek op! Wat meent ge?Een middel zonder geld
En arts en tooverkunsten wilt ge weten?
Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld,
En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten;
Beperk u, vóór elk ander ding,
In een zeer kleinen, engen kring;
Voed u, op ’s landbewoners wijzen,
Met schamele, ongekruide spijzen;
Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind,
Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten:
Dat zijn, om te verjongen, vrind,
Van alle middelen de besten.
FAUST.Dat ben ik niet gewoon; ’t zou mij geheel bevreemenEen spade of schop ter hand te nemen;Zoo’n boerenlevenswijs bevalt mij niet.
FAUST.
Dat ben ik niet gewoon; ’t zou mij geheel bevreemen
Een spade of schop ter hand te nemen;
Zoo’n boerenlevenswijs bevalt mij niet.
MEPHISTOPHELES.Dan is ’t alleen de heks, die overschiet.
MEPHISTOPHELES.
Dan is ’t alleen de heks, die overschiet.
FAUST.Waarom nu juist dat oude wijf?Kunt gij dien drank dan zelf niet brouwen?
FAUST.
Waarom nu juist dat oude wijf?
Kunt gij dien drank dan zelf niet brouwen?
MEPHISTOPHELES.Dat ware een aardig tijdverdrijf;In dien tijd kon ’k wel duizend bruggen bouwen.Niet kunst en wetenschap alleen maakt iemand sterk,Maar ook geduld behoort bij ’t werk.Een stille geest zit jaren lang te denken;[83]De tijd slechts kan zijn streven rijpheid schenken,En hoe men alles wendt of keert,Het zijn zeer wonderbare zaken:En heeft de duivel ’t iemand ook geleerd,De duivel kan het zelf niet maken.
MEPHISTOPHELES.
Dat ware een aardig tijdverdrijf;
In dien tijd kon ’k wel duizend bruggen bouwen.
Niet kunst en wetenschap alleen maakt iemand sterk,
Maar ook geduld behoort bij ’t werk.
Een stille geest zit jaren lang te denken;[83]
De tijd slechts kan zijn streven rijpheid schenken,
En hoe men alles wendt of keert,
Het zijn zeer wonderbare zaken:
En heeft de duivel ’t iemand ook geleerd,
De duivel kan het zelf niet maken.
De dieren ziende.
Zie welk een regt aanvallig paar!De meid is hier, de knecht is daar!
Zie welk een regt aanvallig paar!
De meid is hier, de knecht is daar!
Tot de dieren.
De vrouw is, naar het schijnt, niet thuis?
De vrouw is, naar het schijnt, niet thuis?
DE DIEREN.Stil als een muis,Zonder geluid,Vloog zij den schoorsteen uit.
DE DIEREN.
Stil als een muis,Zonder geluid,Vloog zij den schoorsteen uit.
Stil als een muis,
Zonder geluid,
Vloog zij den schoorsteen uit.
MEPHISTOPHELES.Hoe lang pleegt zij wel weg te blijven?
MEPHISTOPHELES.
Hoe lang pleegt zij wel weg te blijven?
DE DIEREN.Zoo lang we ons hier den tijd verdrijven.
DE DIEREN.
Zoo lang we ons hier den tijd verdrijven.
MEPHISTOPHELEStot Faust.Hoe vindt gij wel die lieve dieren?
MEPHISTOPHELEStot Faust.
Hoe vindt gij wel die lieve dieren?
FAUST.Zoo flaauw en laf als ’k ooit iets zag.
FAUST.
Zoo flaauw en laf als ’k ooit iets zag.
MEPHISTOPHELES.O neen! Een praatje van dit slagKan mij altijd het meest pleizieren.
MEPHISTOPHELES.
O neen! Een praatje van dit slag
Kan mij altijd het meest pleizieren.
Tot de dieren.
Maar zegt me eens, beestjes om te snoepen,[84]Wat kookt en roert gij in dien kliek?
Maar zegt me eens, beestjes om te snoepen,[84]
Wat kookt en roert gij in dien kliek?
DE DIEREN.Wij koken magere armensoepen.
DE DIEREN.
Wij koken magere armensoepen.
MEPHISTOPHELES.Dan krijgt ge vast een groot publiek!
MEPHISTOPHELES.
Dan krijgt ge vast een groot publiek!
DE KATERkomt naar Mephistopheles toe, en zegt vleijend:O schrandere kop,Kom, dobbel eens op,En laat mij eens winnen!Mijn beurs is zoo plat;Maar had ik weêr wat,’k Was vrolijk van zinnen.
DE KATERkomt naar Mephistopheles toe, en zegt vleijend:
O schrandere kop,Kom, dobbel eens op,En laat mij eens winnen!Mijn beurs is zoo plat;Maar had ik weêr wat,’k Was vrolijk van zinnen.
O schrandere kop,
Kom, dobbel eens op,
En laat mij eens winnen!
Mijn beurs is zoo plat;
Maar had ik weêr wat,
’k Was vrolijk van zinnen.
MEPHISTOPHELES.Wat zou het zulk een aap niet streelen,Zoo hij in ’t lotto meê kon spelen!
MEPHISTOPHELES.
Wat zou het zulk een aap niet streelen,
Zoo hij in ’t lotto meê kon spelen!
Intusschen hebben de jonge meerkatjes met een grooten bal gespeeld, en rollen hem vooruit.
DE KATER.Zoo is de hoop,Zoo ’s werelds loop!Zij rolt bestendig;Zij klinkt als glas,Zij breekt zoo ras,Is hol inwendig.Hier blinkt zij zeer,En hier nog meer;Ik ben behendig,Maar ’t is uw graf;Kom, blijf er af,Of gij moet sterven;[85]Dit is de straf:Zij spat in scherven.
DE KATER.
Zoo is de hoop,Zoo ’s werelds loop!Zij rolt bestendig;Zij klinkt als glas,Zij breekt zoo ras,Is hol inwendig.Hier blinkt zij zeer,En hier nog meer;Ik ben behendig,Maar ’t is uw graf;Kom, blijf er af,Of gij moet sterven;[85]Dit is de straf:Zij spat in scherven.
Zoo is de hoop,
Zoo ’s werelds loop!
Zij rolt bestendig;
Zij klinkt als glas,
Zij breekt zoo ras,
Is hol inwendig.
Hier blinkt zij zeer,
En hier nog meer;
Ik ben behendig,
Maar ’t is uw graf;
Kom, blijf er af,
Of gij moet sterven;[85]
Dit is de straf:
Zij spat in scherven.
MEPHISTOPHELES.Wat moet die zeef, mijn lief?
MEPHISTOPHELES.
Wat moet die zeef, mijn lief?
DE KATERhaalt haar naar beneden.Waart gij een dief,Gij kondt het niet verbloemen.Hij loopt naar de Meerkat, en laat er haar doorheen kijken.Ziehier, mijn lief!Gij kent den dief,En moogt hem toch niet noemen.
DE KATERhaalt haar naar beneden.
Waart gij een dief,Gij kondt het niet verbloemen.
Waart gij een dief,
Gij kondt het niet verbloemen.
Hij loopt naar de Meerkat, en laat er haar doorheen kijken.
Ziehier, mijn lief!Gij kent den dief,En moogt hem toch niet noemen.
Ziehier, mijn lief!
Gij kent den dief,
En moogt hem toch niet noemen.
MEPHISTOPHELES,het vuur naderende.En deze pot?
MEPHISTOPHELES,het vuur naderende.
En deze pot?
En deze pot?
KATER en KAT.De vent is zot!Hij kent geen pot,Hij kent geen ketel!
KATER en KAT.
De vent is zot!Hij kent geen pot,Hij kent geen ketel!
De vent is zot!
Hij kent geen pot,
Hij kent geen ketel!
MEPHISTOPHELES.Brutaal gespuis!
MEPHISTOPHELES.
Brutaal gespuis!
Brutaal gespuis!
DE KATER.Doe hier als thuis,En zet u in den zetel.
DE KATER.
Doe hier als thuis,En zet u in den zetel.
Doe hier als thuis,
En zet u in den zetel.
Hij noodigt Mephistopheles plaats te nemen.
FAUST,die intusschen voor een spiegel heeft gestaan, dezen nu eens genaderd is, en dan er zich weder van verwijderd heeft.Wat zie ik! Welk een engel uit den hoogen[86]Vertoont zich in deez’ spiegel voor mijne oogen!O liefde, leen me uw snelste vleugelspan,En voer mij waar ’k die schoonheid vinden kan!Ach! zoo ik niet op deze plek blijf staan,Maar ’t wage naderbij te gaan,Kan ’k slechts als in een nevel haar aanschouwen,Dat schoonste beeld van alle vrouwen!Hoe? Is het geen bedrog misschien?Moet ik, als zich mijn oog niet laat verblinden,Dit als ’t sieraad van alle heemlen zien,Of is het ook op aard te vinden?
FAUST,die intusschen voor een spiegel heeft gestaan, dezen nu eens genaderd is, en dan er zich weder van verwijderd heeft.
Wat zie ik! Welk een engel uit den hoogen[86]
Vertoont zich in deez’ spiegel voor mijne oogen!
O liefde, leen me uw snelste vleugelspan,
En voer mij waar ’k die schoonheid vinden kan!
Ach! zoo ik niet op deze plek blijf staan,
Maar ’t wage naderbij te gaan,
Kan ’k slechts als in een nevel haar aanschouwen,
Dat schoonste beeld van alle vrouwen!
Hoe? Is het geen bedrog misschien?
Moet ik, als zich mijn oog niet laat verblinden,
Dit als ’t sieraad van alle heemlen zien,
Of is het ook op aard te vinden?
MEPHISTOPHELES.Natuurlijk, als een God zich eerst zes dagen plaagt,En bravo roept, als hem zijn werk behaagt,Dan moet het wel uitstekend blijken.Haal nu uw hart maar op met kijken.Ik ken wel zulk een lieve maagd;Gelukkig hij, die er in slaagt,Er als zijn bruid meê heen te strijken!
MEPHISTOPHELES.
Natuurlijk, als een God zich eerst zes dagen plaagt,
En bravo roept, als hem zijn werk behaagt,
Dan moet het wel uitstekend blijken.
Haal nu uw hart maar op met kijken.
Ik ken wel zulk een lieve maagd;
Gelukkig hij, die er in slaagt,
Er als zijn bruid meê heen te strijken!
FAUSTziet bij voortduring in den spiegel.Mephistopheles,zich in zijn stoel uitstrekkende en met zijn staart spelende, gaat voort met spreken.Hier zit ik als een koning op zijn troon;Den scepter hou ik vast; me ontbreekt alleen de kroon.
FAUSTziet bij voortduring in den spiegel.Mephistopheles,zich in zijn stoel uitstrekkende en met zijn staart spelende, gaat voort met spreken.
Hier zit ik als een koning op zijn troon;
Den scepter hou ik vast; me ontbreekt alleen de kroon.
DE DIEREN,die tot hiertoe allerlei wonderlijke bewegingen door elkander gemaakt hebben, brengen Mephistopheles eene kroon, al schreeuwende:O, wees toch zoo goed,Met zweet en met bloedDees kroon eens te lijmen![87]Zij gaan onhandig met de kroon om, zoodat zij in twee stukken breekt, waarmede zij rondspringen.Nu is het geschied!Wij zingen een lied;Wij hooren en rijmen.
DE DIEREN,
die tot hiertoe allerlei wonderlijke bewegingen door elkander gemaakt hebben, brengen Mephistopheles eene kroon, al schreeuwende:
O, wees toch zoo goed,Met zweet en met bloedDees kroon eens te lijmen!
O, wees toch zoo goed,
Met zweet en met bloed
Dees kroon eens te lijmen!
[87]
Zij gaan onhandig met de kroon om, zoodat zij in twee stukken breekt, waarmede zij rondspringen.
Nu is het geschied!Wij zingen een lied;Wij hooren en rijmen.
Nu is het geschied!
Wij zingen een lied;
Wij hooren en rijmen.
FAUST,voor den spiegel.Wee mij! ’k Verlies haast mijn verstand!
FAUST,voor den spiegel.
Wee mij! ’k Verlies haast mijn verstand!
MEPHISTOPHELES,op de dieren wijzende.Ik ook, als ’k zie hoe zij daar hasplen met haar tweeën.
MEPHISTOPHELES,op de dieren wijzende.
Ik ook, als ’k zie hoe zij daar hasplen met haar tweeën.
DE DIEREN.En gaat het verbandOns goed van de hand,Dan krijgt men ideeën.
DE DIEREN.
En gaat het verbandOns goed van de hand,Dan krijgt men ideeën.
En gaat het verband
Ons goed van de hand,
Dan krijgt men ideeën.
FAUST,als boven.Mijn hoofd klopt zonder te bedaren;Weg uit dit kattenmagazijn!
FAUST,als boven.
Mijn hoofd klopt zonder te bedaren;
Weg uit dit kattenmagazijn!
MEPHISTOPHELES,in opgemelde houding.Nu, zeker moet men wel verklaren,Dat het opregte dichters zijn!
MEPHISTOPHELES,in opgemelde houding.
Nu, zeker moet men wel verklaren,
Dat het opregte dichters zijn!
De ketel, waarop de katten in den laatsten tijd niet gelet hebben, begint over te loopen; er ontstaat eene groote vlam, die den schoorsteen uitslaat.De Hekskomt, door de vlam heen, met ontzettend geschreeuw naar beneden.
DE HEKS.Au! au! au! au!Dat lompe beest loopt van ’t gebrouw,—Verzuimt het vuur, verzengt de vrouw!’t Vervloekte dier![88]Faust en Mephistopheles ziende.Wat is dat hier?Wie zijt gij hier?Wat wilt gij hierIn deze muren?Die sluipmanierZult gij bezuren!
DE HEKS.
Au! au! au! au!Dat lompe beest loopt van ’t gebrouw,—Verzuimt het vuur, verzengt de vrouw!’t Vervloekte dier!
Au! au! au! au!
Dat lompe beest loopt van ’t gebrouw,—
Verzuimt het vuur, verzengt de vrouw!
’t Vervloekte dier!
[88]
Faust en Mephistopheles ziende.
Wat is dat hier?Wie zijt gij hier?Wat wilt gij hierIn deze muren?Die sluipmanierZult gij bezuren!
Wat is dat hier?
Wie zijt gij hier?
Wat wilt gij hier
In deze muren?
Die sluipmanier
Zult gij bezuren!
Zij steekt de schuimspaan in den ketel, en besprengt Faust, Mephistopheles en de dieren met vuur. De dieren kermen van pijn.
MEPHISTOPHELES,terwijl hij zijn staart, dien hij in de hand houdt, omkeert, en er mede onder de glazen en potten slaat.Op zij! op zij!Daar ligt de brij!Het glas ligt daar!’t Was gekheid maar,De maat voorwaarBij uwe melodij!Terwijl de heks gramstorig en vol ontzetting terugtreedt.Herkent ge, ribbekast, oud vel,Uw meester niet? Zeg, totebel!Wat let me, spooksel, of ik trapU en uw kattenboel tot pap!Zal ’t roode wambuis u niet zeggen wie ik ben?Mijn haneveer mijn stand verbloemen?Verberg ik mijn gelaat, dat men mij niet herkenn’?Moet ik misschien mijn naam nog noemen?
MEPHISTOPHELES,terwijl hij zijn staart, dien hij in de hand houdt, omkeert, en er mede onder de glazen en potten slaat.
Op zij! op zij!Daar ligt de brij!Het glas ligt daar!’t Was gekheid maar,De maat voorwaarBij uwe melodij!
Op zij! op zij!
Daar ligt de brij!
Het glas ligt daar!
’t Was gekheid maar,
De maat voorwaar
Bij uwe melodij!
Terwijl de heks gramstorig en vol ontzetting terugtreedt.
Herkent ge, ribbekast, oud vel,Uw meester niet? Zeg, totebel!Wat let me, spooksel, of ik trapU en uw kattenboel tot pap!Zal ’t roode wambuis u niet zeggen wie ik ben?Mijn haneveer mijn stand verbloemen?Verberg ik mijn gelaat, dat men mij niet herkenn’?Moet ik misschien mijn naam nog noemen?
Herkent ge, ribbekast, oud vel,
Uw meester niet? Zeg, totebel!
Wat let me, spooksel, of ik trap
U en uw kattenboel tot pap!
Zal ’t roode wambuis u niet zeggen wie ik ben?
Mijn haneveer mijn stand verbloemen?
Verberg ik mijn gelaat, dat men mij niet herkenn’?
Moet ik misschien mijn naam nog noemen?
DE HEKS.O Heer, vergeef mijn lompen groet!Maar waar is dan uw paardenvoet?Waar hebt ge uw raven dan gelaten?
DE HEKS.
O Heer, vergeef mijn lompen groet!
Maar waar is dan uw paardenvoet?
Waar hebt ge uw raven dan gelaten?
[89]
MEPHISTOPHELES.’k Hoû thans hiermede mij tevreên;Want zeker, ’t is al lang geleên,Sinds we eens te zamen mogten praten.Ook de beschaving, die thans iedre feil bedekt,Heeft tot den droes zich uitgestrekt;Het oude duivelbeeld is thans niet meer te aanschouwenWaar ziet men horens, staart en klaauwen?En wat den voet betreft, dien ik niet missen kan,Die zou aan vele lieden stuiten:Daarom bedien ik mij, als menig deftig man,Sinds jaren reeds van valsche kuiten.
MEPHISTOPHELES.
’k Hoû thans hiermede mij tevreên;
Want zeker, ’t is al lang geleên,
Sinds we eens te zamen mogten praten.
Ook de beschaving, die thans iedre feil bedekt,
Heeft tot den droes zich uitgestrekt;
Het oude duivelbeeld is thans niet meer te aanschouwen
Waar ziet men horens, staart en klaauwen?
En wat den voet betreft, dien ik niet missen kan,
Die zou aan vele lieden stuiten:
Daarom bedien ik mij, als menig deftig man,
Sinds jaren reeds van valsche kuiten.
DE HEKS,dansende.Zin en bewustheid begeven mij schier;’k Zie nu het jonkertje Satan weêr hier!
DE HEKS,dansende.
Zin en bewustheid begeven mij schier;
’k Zie nu het jonkertje Satan weêr hier!
MEPHISTOPHELES.Noem mij zoo niet, wijf, en maak geen getier!
MEPHISTOPHELES.
Noem mij zoo niet, wijf, en maak geen getier!
DE HEKS.Waarom? Wat heeft de naam u dan gedaan?
DE HEKS.
Waarom? Wat heeft de naam u dan gedaan?
MEPHISTOPHELES.Hij is reeds lang naar ’t fabelboek verdreven.Maar toch, de mensch is er niet beter aan:Is hijden boozekwijt,de boozenzijn gebleven.Noem mij maar “heer baron!” Zoo is mijn titel goed.Ik ben een edelman, als andren die zoo heeten.Gij twijfelt toch niet aan mijn edel bloed?Zie, dit ’s mijn wapen, zoo als gij zult weten!
MEPHISTOPHELES.
Hij is reeds lang naar ’t fabelboek verdreven.
Maar toch, de mensch is er niet beter aan:
Is hijden boozekwijt,de boozenzijn gebleven.
Noem mij maar “heer baron!” Zoo is mijn titel goed.
Ik ben een edelman, als andren die zoo heeten.
Gij twijfelt toch niet aan mijn edel bloed?
Zie, dit ’s mijn wapen, zoo als gij zult weten!
Hij maakt een onvoegelijk gebaar.
DE HEKS,in lagchen uitbarstende.Ha! ha! dat is ulieder aard!Gij zijt een schalk, als ge altijd waart.
DE HEKS,in lagchen uitbarstende.
Ha! ha! dat is ulieder aard!
Gij zijt een schalk, als ge altijd waart.
[90]
MEPHISTOPHELEStot Faust.Dit ’s de manier, leer ’t wel verstaan,Om met die heksen om te gaan.
MEPHISTOPHELEStot Faust.
Dit ’s de manier, leer ’t wel verstaan,
Om met die heksen om te gaan.
DE HEKS.Zegt, heeren, waarmeê ’k u nu dienen kan!
DE HEKS.
Zegt, heeren, waarmeê ’k u nu dienen kan!
MEPHISTOPHELES.Met een goed glas—gij zelf weet wel waarvan.Alleen moet ik van d’ oudsten thans verwachten;De jaren toch verdubbelen zijn krachten.
MEPHISTOPHELES.
Met een goed glas—gij zelf weet wel waarvan.
Alleen moet ik van d’ oudsten thans verwachten;
De jaren toch verdubbelen zijn krachten.
DE HEKS.Zeer gaarne. Zie, hier is een flesch,Waaruit ik zelf mijn dorst wel lesch,En die ook niet in ’t minste stinkt.Ik wil u gaarne een glaasje geven.
DE HEKS.
Zeer gaarne. Zie, hier is een flesch,
Waaruit ik zelf mijn dorst wel lesch,
En die ook niet in ’t minste stinkt.
Ik wil u gaarne een glaasje geven.
Zacht tot Mephistopheles.
Maar als nu deze man onvoorbereid het drinkt,Dan kan hij, zoo gij weet, geen enkel uur meer leven.
Maar als nu deze man onvoorbereid het drinkt,
Dan kan hij, zoo gij weet, geen enkel uur meer leven.
MEPHISTOPHELES.Het is een goede vriend, dien ik bij u onthaal;Ik gun hem gaarne ’t beste van uw keuken.Trek uwen kring, spreek uwe spreuken,En schenk hem maar een vol bokaal.
MEPHISTOPHELES.
Het is een goede vriend, dien ik bij u onthaal;
Ik gun hem gaarne ’t beste van uw keuken.
Trek uwen kring, spreek uwe spreuken,
En schenk hem maar een vol bokaal.
De heks trekt met vreemde gebaren een kring, en plaatst er allerlei wonderlijke dingen in. Intusschen beginnen de glazen te klinken, de ketel te razen en alles muziek te maken. Eindelijk komt zij met een groot boek voor den dag, plaatst in den kring de meerkatten, die haar tot lessenaar dienen en een fakkel voor haar moeten vasthouden. Zij wenkt Faust om bij haar te komen.
[91]
FAUSTtot Mephistopheles.Nu zeg mij, wat moet dit beduiden,Die zotteklap, die razende geluiden,Dat goochelspel met pot en pan?Ik ken dat, en ik walg er van.
FAUSTtot Mephistopheles.
Nu zeg mij, wat moet dit beduiden,
Die zotteklap, die razende geluiden,
Dat goochelspel met pot en pan?
Ik ken dat, en ik walg er van.
MEPHISTOPHELES.Och kom! Wat valt daaraan te laken?Heb daarvoor nu niet zooveel schroom;Zij moet, als arts, wat hokuspokus maken,Opdat het vocht u wel bekoom’.
MEPHISTOPHELES.
Och kom! Wat valt daaraan te laken?
Heb daarvoor nu niet zooveel schroom;
Zij moet, als arts, wat hokuspokus maken,
Opdat het vocht u wel bekoom’.
Hij wenkt Faust om in den kring te treden.
DE HEKSbegint met groote emphase uit het boek te declameeren.Wil goed verstaan!Maak tien uit een,Laat twee dan gaan,En drie meteen.Maak dit gelijk,Dan zijt gij rijk.Dat vier nu wijk’Uit zes en vijf,Zoo zegt het wijf;Maak acht en zeven;Dan wordt het even.En tien is geen,En negen een:Dat is het heksen-eenmaal-een!
DE HEKSbegint met groote emphase uit het boek te declameeren.
Wil goed verstaan!Maak tien uit een,Laat twee dan gaan,En drie meteen.Maak dit gelijk,Dan zijt gij rijk.Dat vier nu wijk’Uit zes en vijf,Zoo zegt het wijf;Maak acht en zeven;Dan wordt het even.En tien is geen,En negen een:Dat is het heksen-eenmaal-een!
Wil goed verstaan!
Maak tien uit een,
Laat twee dan gaan,
En drie meteen.
Maak dit gelijk,
Dan zijt gij rijk.
Dat vier nu wijk’
Uit zes en vijf,
Zoo zegt het wijf;
Maak acht en zeven;
Dan wordt het even.
En tien is geen,
En negen een:
Dat is het heksen-eenmaal-een!
FAUST.Mij dunkt, dat wijf spreekt als in waan!
FAUST.
Mij dunkt, dat wijf spreekt als in waan!
MEPHISTOPHELES.Dat is vooreerst nog niet gedaan:[92]Zoo luidt het heele boek; ik ken die zaak,En heb veel tijd daarmeê verloren;Want een volkomen tegenspraakKlinkt wijz’ en dwazen als orakeltaal in de ooren.De kunst is oud en nieuw, hoe men ’t bezie;’t Was steeds gebruik bij Christen, Jood en Heiden,Door drie en een, en een en drie,Bedrog voor waarheid te verspreiden.Zoo snapt en leert men ongestoord;De gekken laat men rustig kallen;Meestal gelooft de mensch, schoon hij slechts woorden hoort:Er moet daarbij toch iets te denken vallen.
MEPHISTOPHELES.
Dat is vooreerst nog niet gedaan:[92]
Zoo luidt het heele boek; ik ken die zaak,
En heb veel tijd daarmeê verloren;
Want een volkomen tegenspraak
Klinkt wijz’ en dwazen als orakeltaal in de ooren.
De kunst is oud en nieuw, hoe men ’t bezie;
’t Was steeds gebruik bij Christen, Jood en Heiden,
Door drie en een, en een en drie,
Bedrog voor waarheid te verspreiden.
Zoo snapt en leert men ongestoord;
De gekken laat men rustig kallen;
Meestal gelooft de mensch, schoon hij slechts woorden hoort:
Er moet daarbij toch iets te denken vallen.
DE HEKSvervolgt.De hooge krachtVan wijsheids magtBlijft menigeen verborgen;KwakzalverijOntvangt haar vrij;Zij krijgt haar zonder zorgen.
DE HEKSvervolgt.
De hooge krachtVan wijsheids magtBlijft menigeen verborgen;KwakzalverijOntvangt haar vrij;Zij krijgt haar zonder zorgen.
De hooge kracht
Van wijsheids magt
Blijft menigeen verborgen;
Kwakzalverij
Ontvangt haar vrij;
Zij krijgt haar zonder zorgen.
FAUST.Wat kraait ze ons toch voor onzin voor!Mijn hoofd dreigt mij kapot te breken.Mij dunkt, ik hoor een razend koorVan honderdduizend gekken spreken.
FAUST.
Wat kraait ze ons toch voor onzin voor!
Mijn hoofd dreigt mij kapot te breken.
Mij dunkt, ik hoor een razend koor
Van honderdduizend gekken spreken.
MEPHISTOPHELES.Genoeg, genoeg, voortreflijke Sibylle!Geef thans uw drank eens hier, en vul nu, mij ten wille,De schaal terstond tot aan den rand!Want deze drank zal aan mijn vriend niet schaden;Hij is een man van vele gradenEn wees nooit beker van de hand.
MEPHISTOPHELES.
Genoeg, genoeg, voortreflijke Sibylle!
Geef thans uw drank eens hier, en vul nu, mij ten wille,
De schaal terstond tot aan den rand!
Want deze drank zal aan mijn vriend niet schaden;
Hij is een man van vele graden
En wees nooit beker van de hand.
[93]
De heks schenkt met vele ceremoniën den drank in eene schaal; zoodra Faust haar aan den mond brengt, slaat er eene ligte vlam uit.
Drink maar gerust; het kan geen kwaad;’t Zal voor uw hart noch zuur noch wrang zijn:De duivel is uw kameraad,En zoudt gij voor de vlam dan bang zijn?
Drink maar gerust; het kan geen kwaad;
’t Zal voor uw hart noch zuur noch wrang zijn:
De duivel is uw kameraad,
En zoudt gij voor de vlam dan bang zijn?
De heks ontbindt den kring. Faust treedt er uit.
MEPHISTOPHELES.Kom! laat ons nu naar buiten spoên!
MEPHISTOPHELES.
Kom! laat ons nu naar buiten spoên!
DE HEKS.Moge u de nasmaak steeds behagen!
DE HEKS.
Moge u de nasmaak steeds behagen!
MEPHISTOPHELEStot de heks.En kan ik soms voor u iets doen,Gij hebt mij ’t op Walpurgis slechts te vragen.
MEPHISTOPHELEStot de heks.
En kan ik soms voor u iets doen,
Gij hebt mij ’t op Walpurgis slechts te vragen.
DE HEKS.Hier is een lied; als gij ’t somwijlen zingt,Zal een bijzondre werking u beheeren.
DE HEKS.
Hier is een lied; als gij ’t somwijlen zingt,
Zal een bijzondre werking u beheeren.
MEPHISTOPHELEStot Faust.Kom nu maar meê, of ’t zou u deren;Gij moet noodwendig transpireeren,Opdat de kracht door heel uw wezen dringt.In d’ eedlen lediggang leer ik daarna u voegen,En dan gevoelt ge ras met innerlijk genoegen,Hoe zich Cupido roert en heen en weder springt.
MEPHISTOPHELEStot Faust.
Kom nu maar meê, of ’t zou u deren;
Gij moet noodwendig transpireeren,
Opdat de kracht door heel uw wezen dringt.
In d’ eedlen lediggang leer ik daarna u voegen,
En dan gevoelt ge ras met innerlijk genoegen,
Hoe zich Cupido roert en heen en weder springt.
FAUST.Laat me in den spiegel even nog aanschouwenHet beeld, dat zich aan mijnen blik kwam biên.
FAUST.
Laat me in den spiegel even nog aanschouwen
Het beeld, dat zich aan mijnen blik kwam biên.
[94]
MEPHISTOPHELES.Neen, neen! Gij zult het pronkjuweel der vrouwenHeel spoedig levend voor u zien.
MEPHISTOPHELES.
Neen, neen! Gij zult het pronkjuweel der vrouwen
Heel spoedig levend voor u zien.
Zacht.
Gij ziet, met dezen drank in ’t lijf,Een Helena in ieder wijf.
Gij ziet, met dezen drank in ’t lijf,
Een Helena in ieder wijf.
[95]
[Inhoud]Eene straat.FAUST.MARGARETA,voorbijgaande.FAUST.Mijn schoone juffer … Wil niet vreezen!.…Mag ik wel uw geleider wezen?MARGARETA.Ik ben geen juffer, ook niet schoon,En vind alleen wel ’t huis waar ’k woon.Zij maakt zich los en gaat heen.FAUST.Verduiveld, wie dat meisjen is!Iets schooners heb ik nooit gezien.Ze is deugdzaam, zedig, ja gewis,En ook wat spijtig bovendien.Haar koontje bloost, haar oog gebiedt;Mijn leven lang vergeet ik ’t niet.Dat zij zoo ras zich van mij wendt,Staat diep mij in het hart geprent;En, wat nog alles overtrof,Zij was al bijster kort van stof.MEPHISTOPHELEStreedt op.FAUST.Gij moet dat meisje mij bezorgen![96]MEPHISTOPHELES.Wie meent ge?FAUST.Wie meent ge?Zij ging juist voorbij.MEPHISTOPHELES.Die daar? Zij was bij haar’ pastoor deez’ morgen;Hij sprak het kind van alle zonden vrij;Ik sloop den biechtstoel rakelings voorbij.Het is een zeer onschuldig ding,Dat zonder reên ter biechte ging.Geen magt bezit ik over haar.FAUST.Ze is toch reeds meer dan veertien jaar?MEPHISTOPHELES.Gij spreekt zoo als een lichtmis doet,Dien ieder bloempje zet in gloed,En meent dat eer noch gunst bestaat,Die zich door hem niet plukken laat.Maar altijd gaat dat toch niet aan.FAUST.Hoor, vriend! gij moet mij goed verstaan!Houd voor uzelf uw zedepreêken,En dit zeg ik u kort en goed:Als gij niet heden aan mijn wensch voldoet,Zal ’k morgen ons contract verbreken.MEPHISTOPHELES.Zoo’n haast niet, vriend! Waar wil dat heen?’k Behoef meer dan een week alleenOm een gelegenheid te zoeken.[97]FAUST.Had ik slechts zeven uren vrij,’k Behoefde niet uw kunstnarij,Om zulk een meisje te verkloeken.MEPHISTOPHELES.Gij spreekt reeds als een Don Juan;Maar ’k bid u toch, laat af daarvan!Wat helpt u dadelijk genieten?Het zou u al te ras verdrieten.Eerst dient met zorg en veel beleidZoo’n lekkerbeetje goed bereid,Gekneed en smaaklijk toegerigt:Dit leert ons menig Fransch gedicht.FAUST.Dat ’s iets, wat niet ter zake doet;Wilt gij mij helpen, maak dan spoed!MEPHISTOPHELES.Thans zonder gekheid, kort en goed!’t Zal, vriendlief, wat hier dient gedaan,Geloof mij, zoo op eens niet gaan.Met haast is hier niets uit te rigten;Slechts list kan onze taak verligten.FAUST.Bezorg me iets van mijne engelin,Of breng mij hare woning in;Bezorg me iets van mijn waarde pand,Al ware ’t maar een kouseband.MEPHISTOPHELES.Opdat gij zie, dat ik uw pijnZoo veel ik kan wil dienstbaar zijn,[98]Zult gij, ’k beloof het u, nog hedenMet mij haar kamertje betreden.FAUST.En zal ’k haar zien? Omhelzen?MEPHISTOPHELES.En zal ’k haar zien? Omhelzen?Neen!Ze is uit. Intusschen kunt ge alleen,Om u in ’t geen er volgt te schikken,In haren dampkring u verkwikken.FAUST.Gaan we er nu heen?MEPHISTOPHELES.Gaan we er nu heen?’k Ben nog niet klaar.FAUST.Denk ook aan een geschenk voor haar!Vertrekt.MEPHISTOPHELES.Reeds schenken? Goed! dan laat zij zich gezeggen.Ik ken een schoone plek of watEn menig daar begraven schat;Ik moet een weinig overleggen.[99]
Eene straat.FAUST.MARGARETA,voorbijgaande.FAUST.Mijn schoone juffer … Wil niet vreezen!.…Mag ik wel uw geleider wezen?MARGARETA.Ik ben geen juffer, ook niet schoon,En vind alleen wel ’t huis waar ’k woon.Zij maakt zich los en gaat heen.FAUST.Verduiveld, wie dat meisjen is!Iets schooners heb ik nooit gezien.Ze is deugdzaam, zedig, ja gewis,En ook wat spijtig bovendien.Haar koontje bloost, haar oog gebiedt;Mijn leven lang vergeet ik ’t niet.Dat zij zoo ras zich van mij wendt,Staat diep mij in het hart geprent;En, wat nog alles overtrof,Zij was al bijster kort van stof.MEPHISTOPHELEStreedt op.FAUST.Gij moet dat meisje mij bezorgen![96]MEPHISTOPHELES.Wie meent ge?FAUST.Wie meent ge?Zij ging juist voorbij.MEPHISTOPHELES.Die daar? Zij was bij haar’ pastoor deez’ morgen;Hij sprak het kind van alle zonden vrij;Ik sloop den biechtstoel rakelings voorbij.Het is een zeer onschuldig ding,Dat zonder reên ter biechte ging.Geen magt bezit ik over haar.FAUST.Ze is toch reeds meer dan veertien jaar?MEPHISTOPHELES.Gij spreekt zoo als een lichtmis doet,Dien ieder bloempje zet in gloed,En meent dat eer noch gunst bestaat,Die zich door hem niet plukken laat.Maar altijd gaat dat toch niet aan.FAUST.Hoor, vriend! gij moet mij goed verstaan!Houd voor uzelf uw zedepreêken,En dit zeg ik u kort en goed:Als gij niet heden aan mijn wensch voldoet,Zal ’k morgen ons contract verbreken.MEPHISTOPHELES.Zoo’n haast niet, vriend! Waar wil dat heen?’k Behoef meer dan een week alleenOm een gelegenheid te zoeken.[97]FAUST.Had ik slechts zeven uren vrij,’k Behoefde niet uw kunstnarij,Om zulk een meisje te verkloeken.MEPHISTOPHELES.Gij spreekt reeds als een Don Juan;Maar ’k bid u toch, laat af daarvan!Wat helpt u dadelijk genieten?Het zou u al te ras verdrieten.Eerst dient met zorg en veel beleidZoo’n lekkerbeetje goed bereid,Gekneed en smaaklijk toegerigt:Dit leert ons menig Fransch gedicht.FAUST.Dat ’s iets, wat niet ter zake doet;Wilt gij mij helpen, maak dan spoed!MEPHISTOPHELES.Thans zonder gekheid, kort en goed!’t Zal, vriendlief, wat hier dient gedaan,Geloof mij, zoo op eens niet gaan.Met haast is hier niets uit te rigten;Slechts list kan onze taak verligten.FAUST.Bezorg me iets van mijne engelin,Of breng mij hare woning in;Bezorg me iets van mijn waarde pand,Al ware ’t maar een kouseband.MEPHISTOPHELES.Opdat gij zie, dat ik uw pijnZoo veel ik kan wil dienstbaar zijn,[98]Zult gij, ’k beloof het u, nog hedenMet mij haar kamertje betreden.FAUST.En zal ’k haar zien? Omhelzen?MEPHISTOPHELES.En zal ’k haar zien? Omhelzen?Neen!Ze is uit. Intusschen kunt ge alleen,Om u in ’t geen er volgt te schikken,In haren dampkring u verkwikken.FAUST.Gaan we er nu heen?MEPHISTOPHELES.Gaan we er nu heen?’k Ben nog niet klaar.FAUST.Denk ook aan een geschenk voor haar!Vertrekt.MEPHISTOPHELES.Reeds schenken? Goed! dan laat zij zich gezeggen.Ik ken een schoone plek of watEn menig daar begraven schat;Ik moet een weinig overleggen.[99]
Eene straat.
FAUST.MARGARETA,voorbijgaande.
FAUST.Mijn schoone juffer … Wil niet vreezen!.…Mag ik wel uw geleider wezen?
FAUST.
Mijn schoone juffer … Wil niet vreezen!.…
Mag ik wel uw geleider wezen?
MARGARETA.Ik ben geen juffer, ook niet schoon,En vind alleen wel ’t huis waar ’k woon.
MARGARETA.
Ik ben geen juffer, ook niet schoon,
En vind alleen wel ’t huis waar ’k woon.
Zij maakt zich los en gaat heen.
FAUST.Verduiveld, wie dat meisjen is!Iets schooners heb ik nooit gezien.Ze is deugdzaam, zedig, ja gewis,En ook wat spijtig bovendien.Haar koontje bloost, haar oog gebiedt;Mijn leven lang vergeet ik ’t niet.Dat zij zoo ras zich van mij wendt,Staat diep mij in het hart geprent;En, wat nog alles overtrof,Zij was al bijster kort van stof.
FAUST.
Verduiveld, wie dat meisjen is!
Iets schooners heb ik nooit gezien.
Ze is deugdzaam, zedig, ja gewis,
En ook wat spijtig bovendien.
Haar koontje bloost, haar oog gebiedt;
Mijn leven lang vergeet ik ’t niet.
Dat zij zoo ras zich van mij wendt,
Staat diep mij in het hart geprent;
En, wat nog alles overtrof,
Zij was al bijster kort van stof.
MEPHISTOPHELEStreedt op.
FAUST.Gij moet dat meisje mij bezorgen!
FAUST.
Gij moet dat meisje mij bezorgen!
[96]
MEPHISTOPHELES.Wie meent ge?
MEPHISTOPHELES.
Wie meent ge?
FAUST.Wie meent ge?Zij ging juist voorbij.
FAUST.
Wie meent ge?Zij ging juist voorbij.
MEPHISTOPHELES.Die daar? Zij was bij haar’ pastoor deez’ morgen;Hij sprak het kind van alle zonden vrij;Ik sloop den biechtstoel rakelings voorbij.Het is een zeer onschuldig ding,Dat zonder reên ter biechte ging.Geen magt bezit ik over haar.
MEPHISTOPHELES.
Die daar? Zij was bij haar’ pastoor deez’ morgen;
Hij sprak het kind van alle zonden vrij;
Ik sloop den biechtstoel rakelings voorbij.
Het is een zeer onschuldig ding,
Dat zonder reên ter biechte ging.
Geen magt bezit ik over haar.
FAUST.Ze is toch reeds meer dan veertien jaar?
FAUST.
Ze is toch reeds meer dan veertien jaar?
MEPHISTOPHELES.Gij spreekt zoo als een lichtmis doet,Dien ieder bloempje zet in gloed,En meent dat eer noch gunst bestaat,Die zich door hem niet plukken laat.Maar altijd gaat dat toch niet aan.
MEPHISTOPHELES.
Gij spreekt zoo als een lichtmis doet,
Dien ieder bloempje zet in gloed,
En meent dat eer noch gunst bestaat,
Die zich door hem niet plukken laat.
Maar altijd gaat dat toch niet aan.
FAUST.Hoor, vriend! gij moet mij goed verstaan!Houd voor uzelf uw zedepreêken,En dit zeg ik u kort en goed:Als gij niet heden aan mijn wensch voldoet,Zal ’k morgen ons contract verbreken.
FAUST.
Hoor, vriend! gij moet mij goed verstaan!
Houd voor uzelf uw zedepreêken,
En dit zeg ik u kort en goed:
Als gij niet heden aan mijn wensch voldoet,
Zal ’k morgen ons contract verbreken.
MEPHISTOPHELES.Zoo’n haast niet, vriend! Waar wil dat heen?’k Behoef meer dan een week alleenOm een gelegenheid te zoeken.
MEPHISTOPHELES.
Zoo’n haast niet, vriend! Waar wil dat heen?
’k Behoef meer dan een week alleen
Om een gelegenheid te zoeken.
[97]
FAUST.Had ik slechts zeven uren vrij,’k Behoefde niet uw kunstnarij,Om zulk een meisje te verkloeken.
FAUST.
Had ik slechts zeven uren vrij,
’k Behoefde niet uw kunstnarij,
Om zulk een meisje te verkloeken.
MEPHISTOPHELES.Gij spreekt reeds als een Don Juan;Maar ’k bid u toch, laat af daarvan!Wat helpt u dadelijk genieten?Het zou u al te ras verdrieten.Eerst dient met zorg en veel beleidZoo’n lekkerbeetje goed bereid,Gekneed en smaaklijk toegerigt:Dit leert ons menig Fransch gedicht.
MEPHISTOPHELES.
Gij spreekt reeds als een Don Juan;
Maar ’k bid u toch, laat af daarvan!
Wat helpt u dadelijk genieten?
Het zou u al te ras verdrieten.
Eerst dient met zorg en veel beleid
Zoo’n lekkerbeetje goed bereid,
Gekneed en smaaklijk toegerigt:
Dit leert ons menig Fransch gedicht.
FAUST.Dat ’s iets, wat niet ter zake doet;Wilt gij mij helpen, maak dan spoed!
FAUST.
Dat ’s iets, wat niet ter zake doet;
Wilt gij mij helpen, maak dan spoed!
MEPHISTOPHELES.Thans zonder gekheid, kort en goed!’t Zal, vriendlief, wat hier dient gedaan,Geloof mij, zoo op eens niet gaan.Met haast is hier niets uit te rigten;Slechts list kan onze taak verligten.
MEPHISTOPHELES.
Thans zonder gekheid, kort en goed!
’t Zal, vriendlief, wat hier dient gedaan,
Geloof mij, zoo op eens niet gaan.
Met haast is hier niets uit te rigten;
Slechts list kan onze taak verligten.
FAUST.Bezorg me iets van mijne engelin,Of breng mij hare woning in;Bezorg me iets van mijn waarde pand,Al ware ’t maar een kouseband.
FAUST.
Bezorg me iets van mijne engelin,
Of breng mij hare woning in;
Bezorg me iets van mijn waarde pand,
Al ware ’t maar een kouseband.
MEPHISTOPHELES.Opdat gij zie, dat ik uw pijnZoo veel ik kan wil dienstbaar zijn,[98]Zult gij, ’k beloof het u, nog hedenMet mij haar kamertje betreden.
MEPHISTOPHELES.
Opdat gij zie, dat ik uw pijn
Zoo veel ik kan wil dienstbaar zijn,[98]
Zult gij, ’k beloof het u, nog heden
Met mij haar kamertje betreden.
FAUST.En zal ’k haar zien? Omhelzen?
FAUST.
En zal ’k haar zien? Omhelzen?
MEPHISTOPHELES.En zal ’k haar zien? Omhelzen?Neen!Ze is uit. Intusschen kunt ge alleen,Om u in ’t geen er volgt te schikken,In haren dampkring u verkwikken.
MEPHISTOPHELES.
En zal ’k haar zien? Omhelzen?Neen!
Ze is uit. Intusschen kunt ge alleen,
Om u in ’t geen er volgt te schikken,
In haren dampkring u verkwikken.
FAUST.Gaan we er nu heen?
FAUST.
Gaan we er nu heen?
MEPHISTOPHELES.Gaan we er nu heen?’k Ben nog niet klaar.
MEPHISTOPHELES.
Gaan we er nu heen?’k Ben nog niet klaar.
FAUST.Denk ook aan een geschenk voor haar!
FAUST.
Denk ook aan een geschenk voor haar!
Vertrekt.
MEPHISTOPHELES.Reeds schenken? Goed! dan laat zij zich gezeggen.Ik ken een schoone plek of watEn menig daar begraven schat;Ik moet een weinig overleggen.
MEPHISTOPHELES.
Reeds schenken? Goed! dan laat zij zich gezeggen.
Ik ken een schoone plek of wat
En menig daar begraven schat;
Ik moet een weinig overleggen.
[99]
[Inhoud]Een zindelijk kamertje. Het is avond.MARGARETA,terwijl zij haar hoofdhaar vlecht en opbindt.Wie of die heer toch wezen mag,Die mij van morgen tegenkwam?Hij is zoo knap, als ’k immer zag,En wis ook van een eedlen stam:Dat kon ik op zijn voorhoofd lezen;Geen ander zou zoo vrij ook wezen.Vertrekt.MEPHISTOPHELESenFAUSTkomen binnen.MEPHISTOPHELES.Kom in maar! Zachtjes! Hier nu heen!FAUST,na eenig stilzwijgen.Ik bid u, laat mij thans alleen!MEPHISTOPHELES,rondziende.Neen, netter woning is er geen.Vertrekt.FAUST.Wees welkom, zoete schemering,Gij, die dit heiligdom doorzweeft!Doordring me, o minbetoovering,Die van den dauw der hope leeft!Hoe ademt alles stil gevoelen[100]Van orde, van tevredenheidIn deze hut, bevrijd van woelen,In deze hut vol zaligheid!Hij werpt zich op een lederen stoel bij het bed.O neem mij op, die van het aanbegin,Bij vreugde en smart, zoo velen hebt ontvangen!Hoe vaak heeft in deez’ troon van ouderminEen schaar van kindren om u heen gehangen!Misschien heeft, dankbaar en naar hartelust,Mijn liefje hier, met volle kinderwangen,Haar’ voorzaat vroom de stramme hand gekust.Ik voel, o meisje, ’k voel den geest, die u beheert,Den geest van orde mij omzweven,Die moederlijk u daaglijks leertHet tafeldoek te spreiden ongedeerd,Ja, ’t vloerzand deed tot kleine bloempjes weven.O meisje, d’ engelen gelijk,De hut wordt door uw hand een hemelrijk!En hier—Hij schuift de bedgordijn open.En hier—O welk gevoel grijpt me aanEn heeft mijn zinnen ingenomen!Natuur, hier deedt ge in zoete droomenEen engel op deze aarde ontstaan!Hier lag het kind, den teedren boezemMet levenswarmte mild bedeeld,En hier, uit dezen reinen bloesem,Onthulde zich het godenbeeld.En gij! Wat heeft u hier gevoerd?Hoe innig voel ik mij geroerd!Wat wilt gij hier? Wat drukt uw hart zoo neêr?Armzaalge Faust! ik ken u zelf niet meer.Ben ’k hier weêr in een tooverkring gevlugt?[101]Ik had een drang om daadlijk te genieten,En voel dien in een liefdedroom vervlieten!Zijn wij een spel van elken druk der lucht?En als zij hier nu binnentrad,Hoe zoudt gij voor uw wandaad boeten!Gij, Faust, hoe ge ook uzelven schat,Laagt dan vernietigd aan haar voeten!MEPHISTOPHELES.Toe gaauw! Ik zie haar ginder komen.FAUST.Ik blijf; vertrek gij maar alleen.MEPHISTOPHELES.Hier is een kistje; ’t is wel kleen,Maar de inhoud is zeer ongemeen;Ik heb ’t van elders weggenomen.Daar! Zet het nu in gindsche kast;Ik zweer u, haar vergaan de zinnen,Als zij door d’ inhoud wordt verrast;Een andren schat zult ge er meê winnen.Och, kind is kind, en spel bedrog.FAUST.Ik weet niet; zou ’k.…MEPHISTOPHELES.Ik weet niet; zou ’k.…Wat vraagt gij toch!Wilt gij misschien den schat bewaren?Dan raad ik u, tot ons profijt,Uzelv’ den kostelijken tijdEn mij de verdre moeite te besparen.Ik hoop niet dat gij gierig zijt?Ik krab mij ’t hoofd, wrijf mij de leden.…[102]Hij plaatst het koffertje in de kast, en sluit deze weder.Kom nu gezwind,Om ’t jonge kindNaar uwen wensch en wil te kneden;En gij beschouwt de gansche zaakAls een professor, bij ’t aanvaarden van zijn taakIn physiologie of metaphysica.Ik ga nu; kom en volg mij na!Zij vertrekken.MARGARETA,met eene lamp.Wat is het drukkend hier en zoel!Zij opent het venster.En buiten is het toch zoo koel!Ik weet niet, hoe ’k zoo angstig kom.Och, kwam mijn moeder maar weêrom!Mij loopt een rilling door de leden;Ik huiver, en toch zonder reden.Zij begint te zingen, terwijl zij zich ontkleedt.Daar was in Thule een koning,Getrouw tot aan het graf,Wien stervend zijn bemindeEen gouden beker gaf.Het was zijn dierbaarst kleinood,Waarin men wijn hem schonk;Hem werden de oogen vochtig,Zoo vaak hij daaruit dronk.En eindlijk, bij zijn scheiden,Doorliep hij zijn gebied:Hij gunde veel zijn’ erven,Maar toch den beker niet.[103]Hij zat aan ’t hoofd der ridders,Bij feesten, ieder keer,In ’t slot, dat met zijn tinnenZich ginds verheft bij ’t meer.Daar stond nu de oude drinker;Hij slurpte nieuwen gloed,Nam toen op eens den bekerEn wierp hem in den vloed.Hij zag den beker vallen,En hoe hij nederzonk;Daarop sloot hij zijne oogen:Het was zijn laatste dronk.Zij opent de kast, om hare kleederen te bergen, en ziet het juweelkoffertje.Hoe komt dit koffertje hierin?’k Sloot toch de kast, naar ’k mij bezin!Wat zou wel de inhoud zijn? Maar wacht!’t Is zeker hier als pand gebragt.Mijn moeder leende er op misschien.O zie! een sleutel is er bij!Nu moet ik toch eens even zien,Wat of wel de inhoud er van zij!Hoe? Kan ’k mijne oogen wel vertrouwen?Zoo iets mogt ik nog nooit aanschouwen.Een tooisel, waarmeê edelvrouwenTer kerke op hoogtij konden gaan.Hoe zou mij wel dees keten staan?Wien zou dit pronksieraad behooren?Zij doet het schielijk om, en treedt voor den spiegel.En dan die ringen in mijne ooren!Zoo ziet men toch er anders uit!Wat helpt u schoonheid, jonge spruit![104]Zij baart u zeker geen verdriet;Maar dat is alles, meer ook niet.Men prijst u—maar ’t is met erbarmen.Naar ’t goud toch dringt,Naar ’t goud toch wringtZich alles. Ach, wij armen![105]
Een zindelijk kamertje. Het is avond.MARGARETA,terwijl zij haar hoofdhaar vlecht en opbindt.Wie of die heer toch wezen mag,Die mij van morgen tegenkwam?Hij is zoo knap, als ’k immer zag,En wis ook van een eedlen stam:Dat kon ik op zijn voorhoofd lezen;Geen ander zou zoo vrij ook wezen.Vertrekt.MEPHISTOPHELESenFAUSTkomen binnen.MEPHISTOPHELES.Kom in maar! Zachtjes! Hier nu heen!FAUST,na eenig stilzwijgen.Ik bid u, laat mij thans alleen!MEPHISTOPHELES,rondziende.Neen, netter woning is er geen.Vertrekt.FAUST.Wees welkom, zoete schemering,Gij, die dit heiligdom doorzweeft!Doordring me, o minbetoovering,Die van den dauw der hope leeft!Hoe ademt alles stil gevoelen[100]Van orde, van tevredenheidIn deze hut, bevrijd van woelen,In deze hut vol zaligheid!Hij werpt zich op een lederen stoel bij het bed.O neem mij op, die van het aanbegin,Bij vreugde en smart, zoo velen hebt ontvangen!Hoe vaak heeft in deez’ troon van ouderminEen schaar van kindren om u heen gehangen!Misschien heeft, dankbaar en naar hartelust,Mijn liefje hier, met volle kinderwangen,Haar’ voorzaat vroom de stramme hand gekust.Ik voel, o meisje, ’k voel den geest, die u beheert,Den geest van orde mij omzweven,Die moederlijk u daaglijks leertHet tafeldoek te spreiden ongedeerd,Ja, ’t vloerzand deed tot kleine bloempjes weven.O meisje, d’ engelen gelijk,De hut wordt door uw hand een hemelrijk!En hier—Hij schuift de bedgordijn open.En hier—O welk gevoel grijpt me aanEn heeft mijn zinnen ingenomen!Natuur, hier deedt ge in zoete droomenEen engel op deze aarde ontstaan!Hier lag het kind, den teedren boezemMet levenswarmte mild bedeeld,En hier, uit dezen reinen bloesem,Onthulde zich het godenbeeld.En gij! Wat heeft u hier gevoerd?Hoe innig voel ik mij geroerd!Wat wilt gij hier? Wat drukt uw hart zoo neêr?Armzaalge Faust! ik ken u zelf niet meer.Ben ’k hier weêr in een tooverkring gevlugt?[101]Ik had een drang om daadlijk te genieten,En voel dien in een liefdedroom vervlieten!Zijn wij een spel van elken druk der lucht?En als zij hier nu binnentrad,Hoe zoudt gij voor uw wandaad boeten!Gij, Faust, hoe ge ook uzelven schat,Laagt dan vernietigd aan haar voeten!MEPHISTOPHELES.Toe gaauw! Ik zie haar ginder komen.FAUST.Ik blijf; vertrek gij maar alleen.MEPHISTOPHELES.Hier is een kistje; ’t is wel kleen,Maar de inhoud is zeer ongemeen;Ik heb ’t van elders weggenomen.Daar! Zet het nu in gindsche kast;Ik zweer u, haar vergaan de zinnen,Als zij door d’ inhoud wordt verrast;Een andren schat zult ge er meê winnen.Och, kind is kind, en spel bedrog.FAUST.Ik weet niet; zou ’k.…MEPHISTOPHELES.Ik weet niet; zou ’k.…Wat vraagt gij toch!Wilt gij misschien den schat bewaren?Dan raad ik u, tot ons profijt,Uzelv’ den kostelijken tijdEn mij de verdre moeite te besparen.Ik hoop niet dat gij gierig zijt?Ik krab mij ’t hoofd, wrijf mij de leden.…[102]Hij plaatst het koffertje in de kast, en sluit deze weder.Kom nu gezwind,Om ’t jonge kindNaar uwen wensch en wil te kneden;En gij beschouwt de gansche zaakAls een professor, bij ’t aanvaarden van zijn taakIn physiologie of metaphysica.Ik ga nu; kom en volg mij na!Zij vertrekken.MARGARETA,met eene lamp.Wat is het drukkend hier en zoel!Zij opent het venster.En buiten is het toch zoo koel!Ik weet niet, hoe ’k zoo angstig kom.Och, kwam mijn moeder maar weêrom!Mij loopt een rilling door de leden;Ik huiver, en toch zonder reden.Zij begint te zingen, terwijl zij zich ontkleedt.Daar was in Thule een koning,Getrouw tot aan het graf,Wien stervend zijn bemindeEen gouden beker gaf.Het was zijn dierbaarst kleinood,Waarin men wijn hem schonk;Hem werden de oogen vochtig,Zoo vaak hij daaruit dronk.En eindlijk, bij zijn scheiden,Doorliep hij zijn gebied:Hij gunde veel zijn’ erven,Maar toch den beker niet.[103]Hij zat aan ’t hoofd der ridders,Bij feesten, ieder keer,In ’t slot, dat met zijn tinnenZich ginds verheft bij ’t meer.Daar stond nu de oude drinker;Hij slurpte nieuwen gloed,Nam toen op eens den bekerEn wierp hem in den vloed.Hij zag den beker vallen,En hoe hij nederzonk;Daarop sloot hij zijne oogen:Het was zijn laatste dronk.Zij opent de kast, om hare kleederen te bergen, en ziet het juweelkoffertje.Hoe komt dit koffertje hierin?’k Sloot toch de kast, naar ’k mij bezin!Wat zou wel de inhoud zijn? Maar wacht!’t Is zeker hier als pand gebragt.Mijn moeder leende er op misschien.O zie! een sleutel is er bij!Nu moet ik toch eens even zien,Wat of wel de inhoud er van zij!Hoe? Kan ’k mijne oogen wel vertrouwen?Zoo iets mogt ik nog nooit aanschouwen.Een tooisel, waarmeê edelvrouwenTer kerke op hoogtij konden gaan.Hoe zou mij wel dees keten staan?Wien zou dit pronksieraad behooren?Zij doet het schielijk om, en treedt voor den spiegel.En dan die ringen in mijne ooren!Zoo ziet men toch er anders uit!Wat helpt u schoonheid, jonge spruit![104]Zij baart u zeker geen verdriet;Maar dat is alles, meer ook niet.Men prijst u—maar ’t is met erbarmen.Naar ’t goud toch dringt,Naar ’t goud toch wringtZich alles. Ach, wij armen![105]
Een zindelijk kamertje. Het is avond.
MARGARETA,terwijl zij haar hoofdhaar vlecht en opbindt.Wie of die heer toch wezen mag,Die mij van morgen tegenkwam?Hij is zoo knap, als ’k immer zag,En wis ook van een eedlen stam:Dat kon ik op zijn voorhoofd lezen;Geen ander zou zoo vrij ook wezen.
MARGARETA,terwijl zij haar hoofdhaar vlecht en opbindt.
Wie of die heer toch wezen mag,
Die mij van morgen tegenkwam?
Hij is zoo knap, als ’k immer zag,
En wis ook van een eedlen stam:
Dat kon ik op zijn voorhoofd lezen;
Geen ander zou zoo vrij ook wezen.
Vertrekt.
MEPHISTOPHELESenFAUSTkomen binnen.
MEPHISTOPHELES.Kom in maar! Zachtjes! Hier nu heen!
MEPHISTOPHELES.
Kom in maar! Zachtjes! Hier nu heen!
FAUST,na eenig stilzwijgen.Ik bid u, laat mij thans alleen!
FAUST,na eenig stilzwijgen.
Ik bid u, laat mij thans alleen!
MEPHISTOPHELES,rondziende.Neen, netter woning is er geen.
MEPHISTOPHELES,rondziende.
Neen, netter woning is er geen.
Vertrekt.
FAUST.Wees welkom, zoete schemering,Gij, die dit heiligdom doorzweeft!Doordring me, o minbetoovering,Die van den dauw der hope leeft!Hoe ademt alles stil gevoelen[100]Van orde, van tevredenheidIn deze hut, bevrijd van woelen,In deze hut vol zaligheid!
FAUST.
Wees welkom, zoete schemering,
Gij, die dit heiligdom doorzweeft!
Doordring me, o minbetoovering,
Die van den dauw der hope leeft!
Hoe ademt alles stil gevoelen[100]
Van orde, van tevredenheid
In deze hut, bevrijd van woelen,
In deze hut vol zaligheid!
Hij werpt zich op een lederen stoel bij het bed.
O neem mij op, die van het aanbegin,Bij vreugde en smart, zoo velen hebt ontvangen!Hoe vaak heeft in deez’ troon van ouderminEen schaar van kindren om u heen gehangen!Misschien heeft, dankbaar en naar hartelust,Mijn liefje hier, met volle kinderwangen,Haar’ voorzaat vroom de stramme hand gekust.Ik voel, o meisje, ’k voel den geest, die u beheert,Den geest van orde mij omzweven,Die moederlijk u daaglijks leertHet tafeldoek te spreiden ongedeerd,Ja, ’t vloerzand deed tot kleine bloempjes weven.O meisje, d’ engelen gelijk,De hut wordt door uw hand een hemelrijk!En hier—
O neem mij op, die van het aanbegin,
Bij vreugde en smart, zoo velen hebt ontvangen!
Hoe vaak heeft in deez’ troon van oudermin
Een schaar van kindren om u heen gehangen!
Misschien heeft, dankbaar en naar hartelust,
Mijn liefje hier, met volle kinderwangen,
Haar’ voorzaat vroom de stramme hand gekust.
Ik voel, o meisje, ’k voel den geest, die u beheert,
Den geest van orde mij omzweven,
Die moederlijk u daaglijks leert
Het tafeldoek te spreiden ongedeerd,
Ja, ’t vloerzand deed tot kleine bloempjes weven.
O meisje, d’ engelen gelijk,
De hut wordt door uw hand een hemelrijk!
En hier—
Hij schuift de bedgordijn open.
En hier—O welk gevoel grijpt me aanEn heeft mijn zinnen ingenomen!Natuur, hier deedt ge in zoete droomenEen engel op deze aarde ontstaan!Hier lag het kind, den teedren boezemMet levenswarmte mild bedeeld,En hier, uit dezen reinen bloesem,Onthulde zich het godenbeeld.En gij! Wat heeft u hier gevoerd?Hoe innig voel ik mij geroerd!Wat wilt gij hier? Wat drukt uw hart zoo neêr?Armzaalge Faust! ik ken u zelf niet meer.Ben ’k hier weêr in een tooverkring gevlugt?[101]Ik had een drang om daadlijk te genieten,En voel dien in een liefdedroom vervlieten!Zijn wij een spel van elken druk der lucht?En als zij hier nu binnentrad,Hoe zoudt gij voor uw wandaad boeten!Gij, Faust, hoe ge ook uzelven schat,Laagt dan vernietigd aan haar voeten!
En hier—O welk gevoel grijpt me aanEn heeft mijn zinnen ingenomen!Natuur, hier deedt ge in zoete droomenEen engel op deze aarde ontstaan!Hier lag het kind, den teedren boezemMet levenswarmte mild bedeeld,En hier, uit dezen reinen bloesem,Onthulde zich het godenbeeld.
En hier—O welk gevoel grijpt me aan
En heeft mijn zinnen ingenomen!
Natuur, hier deedt ge in zoete droomen
Een engel op deze aarde ontstaan!
Hier lag het kind, den teedren boezem
Met levenswarmte mild bedeeld,
En hier, uit dezen reinen bloesem,
Onthulde zich het godenbeeld.
En gij! Wat heeft u hier gevoerd?Hoe innig voel ik mij geroerd!Wat wilt gij hier? Wat drukt uw hart zoo neêr?Armzaalge Faust! ik ken u zelf niet meer.
En gij! Wat heeft u hier gevoerd?
Hoe innig voel ik mij geroerd!
Wat wilt gij hier? Wat drukt uw hart zoo neêr?
Armzaalge Faust! ik ken u zelf niet meer.
Ben ’k hier weêr in een tooverkring gevlugt?[101]Ik had een drang om daadlijk te genieten,En voel dien in een liefdedroom vervlieten!Zijn wij een spel van elken druk der lucht?
Ben ’k hier weêr in een tooverkring gevlugt?[101]
Ik had een drang om daadlijk te genieten,
En voel dien in een liefdedroom vervlieten!
Zijn wij een spel van elken druk der lucht?
En als zij hier nu binnentrad,Hoe zoudt gij voor uw wandaad boeten!Gij, Faust, hoe ge ook uzelven schat,Laagt dan vernietigd aan haar voeten!
En als zij hier nu binnentrad,
Hoe zoudt gij voor uw wandaad boeten!
Gij, Faust, hoe ge ook uzelven schat,
Laagt dan vernietigd aan haar voeten!
MEPHISTOPHELES.Toe gaauw! Ik zie haar ginder komen.
MEPHISTOPHELES.
Toe gaauw! Ik zie haar ginder komen.
FAUST.Ik blijf; vertrek gij maar alleen.
FAUST.
Ik blijf; vertrek gij maar alleen.
MEPHISTOPHELES.Hier is een kistje; ’t is wel kleen,Maar de inhoud is zeer ongemeen;Ik heb ’t van elders weggenomen.Daar! Zet het nu in gindsche kast;Ik zweer u, haar vergaan de zinnen,Als zij door d’ inhoud wordt verrast;Een andren schat zult ge er meê winnen.Och, kind is kind, en spel bedrog.
MEPHISTOPHELES.
Hier is een kistje; ’t is wel kleen,
Maar de inhoud is zeer ongemeen;
Ik heb ’t van elders weggenomen.
Daar! Zet het nu in gindsche kast;
Ik zweer u, haar vergaan de zinnen,
Als zij door d’ inhoud wordt verrast;
Een andren schat zult ge er meê winnen.
Och, kind is kind, en spel bedrog.
FAUST.Ik weet niet; zou ’k.…
FAUST.
Ik weet niet; zou ’k.…
MEPHISTOPHELES.Ik weet niet; zou ’k.…Wat vraagt gij toch!Wilt gij misschien den schat bewaren?Dan raad ik u, tot ons profijt,Uzelv’ den kostelijken tijdEn mij de verdre moeite te besparen.Ik hoop niet dat gij gierig zijt?Ik krab mij ’t hoofd, wrijf mij de leden.…
MEPHISTOPHELES.
Ik weet niet; zou ’k.…Wat vraagt gij toch!
Wilt gij misschien den schat bewaren?
Dan raad ik u, tot ons profijt,
Uzelv’ den kostelijken tijd
En mij de verdre moeite te besparen.
Ik hoop niet dat gij gierig zijt?
Ik krab mij ’t hoofd, wrijf mij de leden.…
[102]
Hij plaatst het koffertje in de kast, en sluit deze weder.
Kom nu gezwind,Om ’t jonge kindNaar uwen wensch en wil te kneden;En gij beschouwt de gansche zaakAls een professor, bij ’t aanvaarden van zijn taakIn physiologie of metaphysica.Ik ga nu; kom en volg mij na!
Kom nu gezwind,
Om ’t jonge kind
Naar uwen wensch en wil te kneden;
En gij beschouwt de gansche zaak
Als een professor, bij ’t aanvaarden van zijn taak
In physiologie of metaphysica.
Ik ga nu; kom en volg mij na!
Zij vertrekken.
MARGARETA,met eene lamp.Wat is het drukkend hier en zoel!Zij opent het venster.En buiten is het toch zoo koel!Ik weet niet, hoe ’k zoo angstig kom.Och, kwam mijn moeder maar weêrom!Mij loopt een rilling door de leden;Ik huiver, en toch zonder reden.Zij begint te zingen, terwijl zij zich ontkleedt.Daar was in Thule een koning,Getrouw tot aan het graf,Wien stervend zijn bemindeEen gouden beker gaf.Het was zijn dierbaarst kleinood,Waarin men wijn hem schonk;Hem werden de oogen vochtig,Zoo vaak hij daaruit dronk.En eindlijk, bij zijn scheiden,Doorliep hij zijn gebied:Hij gunde veel zijn’ erven,Maar toch den beker niet.[103]Hij zat aan ’t hoofd der ridders,Bij feesten, ieder keer,In ’t slot, dat met zijn tinnenZich ginds verheft bij ’t meer.Daar stond nu de oude drinker;Hij slurpte nieuwen gloed,Nam toen op eens den bekerEn wierp hem in den vloed.Hij zag den beker vallen,En hoe hij nederzonk;Daarop sloot hij zijne oogen:Het was zijn laatste dronk.Zij opent de kast, om hare kleederen te bergen, en ziet het juweelkoffertje.Hoe komt dit koffertje hierin?’k Sloot toch de kast, naar ’k mij bezin!Wat zou wel de inhoud zijn? Maar wacht!’t Is zeker hier als pand gebragt.Mijn moeder leende er op misschien.O zie! een sleutel is er bij!Nu moet ik toch eens even zien,Wat of wel de inhoud er van zij!Hoe? Kan ’k mijne oogen wel vertrouwen?Zoo iets mogt ik nog nooit aanschouwen.Een tooisel, waarmeê edelvrouwenTer kerke op hoogtij konden gaan.Hoe zou mij wel dees keten staan?Wien zou dit pronksieraad behooren?Zij doet het schielijk om, en treedt voor den spiegel.En dan die ringen in mijne ooren!Zoo ziet men toch er anders uit!Wat helpt u schoonheid, jonge spruit![104]Zij baart u zeker geen verdriet;Maar dat is alles, meer ook niet.Men prijst u—maar ’t is met erbarmen.Naar ’t goud toch dringt,Naar ’t goud toch wringtZich alles. Ach, wij armen!
MARGARETA,met eene lamp.
Wat is het drukkend hier en zoel!
Wat is het drukkend hier en zoel!
Zij opent het venster.
En buiten is het toch zoo koel!Ik weet niet, hoe ’k zoo angstig kom.Och, kwam mijn moeder maar weêrom!Mij loopt een rilling door de leden;Ik huiver, en toch zonder reden.
En buiten is het toch zoo koel!
Ik weet niet, hoe ’k zoo angstig kom.
Och, kwam mijn moeder maar weêrom!
Mij loopt een rilling door de leden;
Ik huiver, en toch zonder reden.
Zij begint te zingen, terwijl zij zich ontkleedt.
Daar was in Thule een koning,Getrouw tot aan het graf,Wien stervend zijn bemindeEen gouden beker gaf.
Daar was in Thule een koning,
Getrouw tot aan het graf,
Wien stervend zijn beminde
Een gouden beker gaf.
Het was zijn dierbaarst kleinood,Waarin men wijn hem schonk;Hem werden de oogen vochtig,Zoo vaak hij daaruit dronk.
Het was zijn dierbaarst kleinood,
Waarin men wijn hem schonk;
Hem werden de oogen vochtig,
Zoo vaak hij daaruit dronk.
En eindlijk, bij zijn scheiden,Doorliep hij zijn gebied:Hij gunde veel zijn’ erven,Maar toch den beker niet.
En eindlijk, bij zijn scheiden,
Doorliep hij zijn gebied:
Hij gunde veel zijn’ erven,
Maar toch den beker niet.
[103]
Hij zat aan ’t hoofd der ridders,Bij feesten, ieder keer,In ’t slot, dat met zijn tinnenZich ginds verheft bij ’t meer.
Hij zat aan ’t hoofd der ridders,
Bij feesten, ieder keer,
In ’t slot, dat met zijn tinnen
Zich ginds verheft bij ’t meer.
Daar stond nu de oude drinker;Hij slurpte nieuwen gloed,Nam toen op eens den bekerEn wierp hem in den vloed.
Daar stond nu de oude drinker;
Hij slurpte nieuwen gloed,
Nam toen op eens den beker
En wierp hem in den vloed.
Hij zag den beker vallen,En hoe hij nederzonk;Daarop sloot hij zijne oogen:Het was zijn laatste dronk.
Hij zag den beker vallen,
En hoe hij nederzonk;
Daarop sloot hij zijne oogen:
Het was zijn laatste dronk.
Zij opent de kast, om hare kleederen te bergen, en ziet het juweelkoffertje.
Hoe komt dit koffertje hierin?’k Sloot toch de kast, naar ’k mij bezin!Wat zou wel de inhoud zijn? Maar wacht!’t Is zeker hier als pand gebragt.Mijn moeder leende er op misschien.O zie! een sleutel is er bij!Nu moet ik toch eens even zien,Wat of wel de inhoud er van zij!Hoe? Kan ’k mijne oogen wel vertrouwen?Zoo iets mogt ik nog nooit aanschouwen.Een tooisel, waarmeê edelvrouwenTer kerke op hoogtij konden gaan.Hoe zou mij wel dees keten staan?Wien zou dit pronksieraad behooren?
Hoe komt dit koffertje hierin?
’k Sloot toch de kast, naar ’k mij bezin!
Wat zou wel de inhoud zijn? Maar wacht!
’t Is zeker hier als pand gebragt.
Mijn moeder leende er op misschien.
O zie! een sleutel is er bij!
Nu moet ik toch eens even zien,
Wat of wel de inhoud er van zij!
Hoe? Kan ’k mijne oogen wel vertrouwen?
Zoo iets mogt ik nog nooit aanschouwen.
Een tooisel, waarmeê edelvrouwen
Ter kerke op hoogtij konden gaan.
Hoe zou mij wel dees keten staan?
Wien zou dit pronksieraad behooren?
Zij doet het schielijk om, en treedt voor den spiegel.
En dan die ringen in mijne ooren!Zoo ziet men toch er anders uit!Wat helpt u schoonheid, jonge spruit![104]Zij baart u zeker geen verdriet;Maar dat is alles, meer ook niet.Men prijst u—maar ’t is met erbarmen.Naar ’t goud toch dringt,Naar ’t goud toch wringtZich alles. Ach, wij armen!
En dan die ringen in mijne ooren!
Zoo ziet men toch er anders uit!
Wat helpt u schoonheid, jonge spruit![104]
Zij baart u zeker geen verdriet;
Maar dat is alles, meer ook niet.
Men prijst u—maar ’t is met erbarmen.
Naar ’t goud toch dringt,
Naar ’t goud toch wringt
Zich alles. Ach, wij armen!
[105]
[Inhoud]Wandelplaats.FAUSTgaat in gedachten op en neder.MEPHISTOPHELESis bij hem.MEPHISTOPHELES.Bij alle blaauwtjes! Bij de helsche sulferbron!Wist ik iets ergers nog, dat ik vervloeken kon!FAUST.Wat deert u? Zeg! Van waar dat wild gebas?Zulk een gezigt zag ’k nooit mijn gansche leven!MEPHISTOPHELES.’k Zou mij terstond den duivel overgeven,Zoo ik de duivel zelf niet was.FAUST.Wat brengt uw hersens zoo aan ’t spoken?Gij stelt u aan of ge uit het dolhuis zijt gebroken.MEPHISTOPHELES.Denk eens! Het tooisel, waar uw Grete meê moest prijken,Daar is een paap meê heen gaan strijken!De moeder krijgt het ding te zien,En daadlijk ruikt ze lont misschien.Zij snuffelt, wil ze iets onderzoeken,Maar altijd in gebedenboeken,En weet, geloof ik, op de gis,[106]Of iets profaan of heilig is,En aan het tooisel zag zij ras,Dat daarbij niet veel zegen was.“Mijn kind!” riep ze uit, “oneerlijk goed“Verblindt de ziel, bederft het bloed.“De Moeder Gods, zoo rijk aan gaven,“Zal ons met hemelmanna laven.”Margreet vertrekt haar lipje in ’t end:“’t Is,” dacht zij, “toch geen kwaad present,“En godloos waarlijk is hij niet,“Die mij aldus een tooisel biedt.”De moeder liet nu heerom komen;Maar dees had naauw de zaak vernomen,Of dacht: “Zie zoo! dat ’s binnen, vrind!—“’k Zie,” sprak hij, “men is welgezind;“Hij wint voorwaar, die overwint.“De kerk kan alles goed verdragen;“Zij staat voor struis- noch kemelmagen,“En al verslond ze ook heele landen,“Gaaf bleven toch hare ingewanden;“Al drukt een ander ’t op ’t gemoed,“De kerk verteert oneerlijk goed.”FAUST.Dat kan de kerk juist niet alleen,Maar koning, Jood en iedereen.MEPHISTOPHELES.Dat zij zoo ’t wil! De pater stak,Alsof het zoo van zelve sprak,Bedaard het koffertje in zijn zak,Beloofde haar het eeuwig licht,En beide waren zeer gesticht.FAUST.En Grete?[107]MEPHISTOPHELES.En Grete?Zij heeft rust noch duur,Verdiept zich in dit avontuur,Denkt aan het tooisel dag en nacht,Nog meer aan hem, die ’t heeft gebragt.FAUST.Haar kommer spijt mij inderdaad.Bezorg haar gaauw een nieuw sieraad;Het eerste was zoo mooi toch niet.MEPHISTOPHELES.’k Weet dat ge in alles speelgoed ziet.FAUST.En maak en rigt het naar mijn zin.Vervoeg u bij haar buurvriendin.Wees toch als duivel niet zoo flaauw,Maar breng een nieuw versiersel gaauw!MEPHISTOPHELES.Ik zal voor ’t een en ander zorgen.Faust vertrekt.Waarachtig, zoo’n verliefde kwantSteekt zon en maan en sterren morgenTot tijdverdrijf voor ’t liefje in brand![108]
Wandelplaats.FAUSTgaat in gedachten op en neder.MEPHISTOPHELESis bij hem.MEPHISTOPHELES.Bij alle blaauwtjes! Bij de helsche sulferbron!Wist ik iets ergers nog, dat ik vervloeken kon!FAUST.Wat deert u? Zeg! Van waar dat wild gebas?Zulk een gezigt zag ’k nooit mijn gansche leven!MEPHISTOPHELES.’k Zou mij terstond den duivel overgeven,Zoo ik de duivel zelf niet was.FAUST.Wat brengt uw hersens zoo aan ’t spoken?Gij stelt u aan of ge uit het dolhuis zijt gebroken.MEPHISTOPHELES.Denk eens! Het tooisel, waar uw Grete meê moest prijken,Daar is een paap meê heen gaan strijken!De moeder krijgt het ding te zien,En daadlijk ruikt ze lont misschien.Zij snuffelt, wil ze iets onderzoeken,Maar altijd in gebedenboeken,En weet, geloof ik, op de gis,[106]Of iets profaan of heilig is,En aan het tooisel zag zij ras,Dat daarbij niet veel zegen was.“Mijn kind!” riep ze uit, “oneerlijk goed“Verblindt de ziel, bederft het bloed.“De Moeder Gods, zoo rijk aan gaven,“Zal ons met hemelmanna laven.”Margreet vertrekt haar lipje in ’t end:“’t Is,” dacht zij, “toch geen kwaad present,“En godloos waarlijk is hij niet,“Die mij aldus een tooisel biedt.”De moeder liet nu heerom komen;Maar dees had naauw de zaak vernomen,Of dacht: “Zie zoo! dat ’s binnen, vrind!—“’k Zie,” sprak hij, “men is welgezind;“Hij wint voorwaar, die overwint.“De kerk kan alles goed verdragen;“Zij staat voor struis- noch kemelmagen,“En al verslond ze ook heele landen,“Gaaf bleven toch hare ingewanden;“Al drukt een ander ’t op ’t gemoed,“De kerk verteert oneerlijk goed.”FAUST.Dat kan de kerk juist niet alleen,Maar koning, Jood en iedereen.MEPHISTOPHELES.Dat zij zoo ’t wil! De pater stak,Alsof het zoo van zelve sprak,Bedaard het koffertje in zijn zak,Beloofde haar het eeuwig licht,En beide waren zeer gesticht.FAUST.En Grete?[107]MEPHISTOPHELES.En Grete?Zij heeft rust noch duur,Verdiept zich in dit avontuur,Denkt aan het tooisel dag en nacht,Nog meer aan hem, die ’t heeft gebragt.FAUST.Haar kommer spijt mij inderdaad.Bezorg haar gaauw een nieuw sieraad;Het eerste was zoo mooi toch niet.MEPHISTOPHELES.’k Weet dat ge in alles speelgoed ziet.FAUST.En maak en rigt het naar mijn zin.Vervoeg u bij haar buurvriendin.Wees toch als duivel niet zoo flaauw,Maar breng een nieuw versiersel gaauw!MEPHISTOPHELES.Ik zal voor ’t een en ander zorgen.Faust vertrekt.Waarachtig, zoo’n verliefde kwantSteekt zon en maan en sterren morgenTot tijdverdrijf voor ’t liefje in brand![108]
Wandelplaats.
FAUSTgaat in gedachten op en neder.MEPHISTOPHELESis bij hem.
MEPHISTOPHELES.Bij alle blaauwtjes! Bij de helsche sulferbron!Wist ik iets ergers nog, dat ik vervloeken kon!
MEPHISTOPHELES.
Bij alle blaauwtjes! Bij de helsche sulferbron!
Wist ik iets ergers nog, dat ik vervloeken kon!
FAUST.Wat deert u? Zeg! Van waar dat wild gebas?Zulk een gezigt zag ’k nooit mijn gansche leven!
FAUST.
Wat deert u? Zeg! Van waar dat wild gebas?
Zulk een gezigt zag ’k nooit mijn gansche leven!
MEPHISTOPHELES.’k Zou mij terstond den duivel overgeven,Zoo ik de duivel zelf niet was.
MEPHISTOPHELES.
’k Zou mij terstond den duivel overgeven,
Zoo ik de duivel zelf niet was.
FAUST.Wat brengt uw hersens zoo aan ’t spoken?Gij stelt u aan of ge uit het dolhuis zijt gebroken.
FAUST.
Wat brengt uw hersens zoo aan ’t spoken?
Gij stelt u aan of ge uit het dolhuis zijt gebroken.
MEPHISTOPHELES.Denk eens! Het tooisel, waar uw Grete meê moest prijken,Daar is een paap meê heen gaan strijken!De moeder krijgt het ding te zien,En daadlijk ruikt ze lont misschien.Zij snuffelt, wil ze iets onderzoeken,Maar altijd in gebedenboeken,En weet, geloof ik, op de gis,[106]Of iets profaan of heilig is,En aan het tooisel zag zij ras,Dat daarbij niet veel zegen was.“Mijn kind!” riep ze uit, “oneerlijk goed“Verblindt de ziel, bederft het bloed.“De Moeder Gods, zoo rijk aan gaven,“Zal ons met hemelmanna laven.”Margreet vertrekt haar lipje in ’t end:“’t Is,” dacht zij, “toch geen kwaad present,“En godloos waarlijk is hij niet,“Die mij aldus een tooisel biedt.”De moeder liet nu heerom komen;Maar dees had naauw de zaak vernomen,Of dacht: “Zie zoo! dat ’s binnen, vrind!—“’k Zie,” sprak hij, “men is welgezind;“Hij wint voorwaar, die overwint.“De kerk kan alles goed verdragen;“Zij staat voor struis- noch kemelmagen,“En al verslond ze ook heele landen,“Gaaf bleven toch hare ingewanden;“Al drukt een ander ’t op ’t gemoed,“De kerk verteert oneerlijk goed.”
MEPHISTOPHELES.
Denk eens! Het tooisel, waar uw Grete meê moest prijken,
Daar is een paap meê heen gaan strijken!
De moeder krijgt het ding te zien,
En daadlijk ruikt ze lont misschien.
Zij snuffelt, wil ze iets onderzoeken,
Maar altijd in gebedenboeken,
En weet, geloof ik, op de gis,[106]
Of iets profaan of heilig is,
En aan het tooisel zag zij ras,
Dat daarbij niet veel zegen was.
“Mijn kind!” riep ze uit, “oneerlijk goed
“Verblindt de ziel, bederft het bloed.
“De Moeder Gods, zoo rijk aan gaven,
“Zal ons met hemelmanna laven.”
Margreet vertrekt haar lipje in ’t end:
“’t Is,” dacht zij, “toch geen kwaad present,
“En godloos waarlijk is hij niet,
“Die mij aldus een tooisel biedt.”
De moeder liet nu heerom komen;
Maar dees had naauw de zaak vernomen,
Of dacht: “Zie zoo! dat ’s binnen, vrind!—
“’k Zie,” sprak hij, “men is welgezind;
“Hij wint voorwaar, die overwint.
“De kerk kan alles goed verdragen;
“Zij staat voor struis- noch kemelmagen,
“En al verslond ze ook heele landen,
“Gaaf bleven toch hare ingewanden;
“Al drukt een ander ’t op ’t gemoed,
“De kerk verteert oneerlijk goed.”
FAUST.Dat kan de kerk juist niet alleen,Maar koning, Jood en iedereen.
FAUST.
Dat kan de kerk juist niet alleen,
Maar koning, Jood en iedereen.
MEPHISTOPHELES.Dat zij zoo ’t wil! De pater stak,Alsof het zoo van zelve sprak,Bedaard het koffertje in zijn zak,Beloofde haar het eeuwig licht,En beide waren zeer gesticht.
MEPHISTOPHELES.
Dat zij zoo ’t wil! De pater stak,
Alsof het zoo van zelve sprak,
Bedaard het koffertje in zijn zak,
Beloofde haar het eeuwig licht,
En beide waren zeer gesticht.
FAUST.En Grete?
FAUST.
En Grete?
[107]
MEPHISTOPHELES.En Grete?Zij heeft rust noch duur,Verdiept zich in dit avontuur,Denkt aan het tooisel dag en nacht,Nog meer aan hem, die ’t heeft gebragt.
MEPHISTOPHELES.
En Grete?Zij heeft rust noch duur,
Verdiept zich in dit avontuur,
Denkt aan het tooisel dag en nacht,
Nog meer aan hem, die ’t heeft gebragt.
FAUST.Haar kommer spijt mij inderdaad.Bezorg haar gaauw een nieuw sieraad;Het eerste was zoo mooi toch niet.
FAUST.
Haar kommer spijt mij inderdaad.
Bezorg haar gaauw een nieuw sieraad;
Het eerste was zoo mooi toch niet.
MEPHISTOPHELES.’k Weet dat ge in alles speelgoed ziet.
MEPHISTOPHELES.
’k Weet dat ge in alles speelgoed ziet.
FAUST.En maak en rigt het naar mijn zin.Vervoeg u bij haar buurvriendin.Wees toch als duivel niet zoo flaauw,Maar breng een nieuw versiersel gaauw!
FAUST.
En maak en rigt het naar mijn zin.
Vervoeg u bij haar buurvriendin.
Wees toch als duivel niet zoo flaauw,
Maar breng een nieuw versiersel gaauw!
MEPHISTOPHELES.Ik zal voor ’t een en ander zorgen.
MEPHISTOPHELES.
Ik zal voor ’t een en ander zorgen.
Faust vertrekt.
Waarachtig, zoo’n verliefde kwantSteekt zon en maan en sterren morgenTot tijdverdrijf voor ’t liefje in brand!
Waarachtig, zoo’n verliefde kwant
Steekt zon en maan en sterren morgen
Tot tijdverdrijf voor ’t liefje in brand!
[108]
[Inhoud]Het huis van de buurvriendin.MARTHAalleen.God moog’ ’t mijn goeden man vergeven,Maar dat is toch geen handlen, neen!Hij loopt als door den wind gedreven,En laat mij arme ziel alleen!En ik speelde altoos ja en amen;Wij hadden nooit een woord te zamen.Zij weent.Misschien is hij wel dood, mijn schat;Als ik nu maar zijn doodceêl had!MARGARETA,binnenkomende.Vrouw Martha!MARTHA.Vrouw Martha!Wel mijn kind, wat is ’t?MARGARETA.Ik voel me aan al mijn leden beven.Bedenk maar eens! Ik vind zoo evenAl wederom zoo’n kleine kist,Met halssieraad en andre praal,Veel mooijer nog dan de eerste maal.[109]MARTHA.Zeg dat nu niet aan moeder weêr;’t Gaat anders maar als d’ eersten keer.MARGARETA.O zie, en zeg mij hoe gij ’t vindt!MARTHA.Wat zijt gij een gelukkig kind!MARGARETA.Ik durf het evenwel niet wagenZoo iets in ’t openbaar te dragen.MARTHA.Kom maar bij mij zoo veel ’t u lust,En tooi er u dan meê gerust.Gij wandelt dan eens op en nederEn voor den spiegel heen en weder,En gij en ik, wij beide dan,Wij hebben regt pleizier er van.Dan moeten we ook eens menschen vragen,Waarbij ge eens dit of dat kunt dragen:Den ketting doet ge eens om, de paarlen eens in ’t oor;Maar moeder blijft er buiten, hoor?MARGARETA.Maar waar zijn toch, het schijnt wel droomen,Die koffertjes van daan gekomen?Er wordt geklopt.O, als dat eens mijn moeder was deez’ keer!MARTHA.Het is een vreemdeling.—Treê binnen maar, mijnheer![110]MEPHISTOPHELES,binnentredende.Ik moet u wel verschooning vragen,Dat ik mij zoo maar hier kom wagen!Wendt zich eerbiedig tot Margareta.Ik kom naar Martha Zwaardman informeeren.MARTHA.Ik ben ’t, mijnheer! wat is van uw begeeren?MEPHISTOPHELES,zacht tot haar.Ik ken u thans; dat was de reden van mijn vraag.Die dame wacht voornaam bezoek van daag.Vergeef de vrijheid, die ik heb genomen;’k Zal tegen d’ avond wederkomen.MARTHA.Mijn kind! die heer—hoe kan ’t bestaan?—Noemt u een dame; denk eens aan!MARGARETA.Ik ben een arme, jonge bloed;Voorwaar, mijnheer is al te goed.Dees tooi behoort mij niet—o neen!MEPHISTOPHELES.Het is het tooisel niet alleen:Haar blik wekt eerbied en ontzag;’t Verheugt mij dat ik blijven mag.MARTHA.Wat brengt u hier dan?MEPHISTOPHELES.Wat brengt u hier dan?’k Gaf wel wat,Zoo ik een blijder tijding had.[111]Waarmeê ik hier u mogt ontmoeten!Uw man is dood en laat u groeten.MARTHA.Die trouwe ziel! Och, is hij dood?’k Bezwijk; wie helpt me in dezen nood!MARGARETA.O, wanhoop niet, mijn goede vrouw!MEPHISTOPHELES.’k Verhaal u heel de zaak getrouw.MARGARETA.Ik wilde daarom nooit beminnen;’t Verlies benam mij al mijn zinnen.MEPHISTOPHELES.Hij is nu in een veilge haven.MARTHA.Vertel mij van zijn sterven flus!MEPHISTOPHELES.Hij ligt te Padua begraven,Niet ver van Sint Antonius.Daar rust hij, die van smart bevrijd is,Nu op een plek, die wel gewijd is.MARTHA.Hebt ge anders niets voor mij en de arme weezen?MEPHISTOPHELES.Ja, één verzoek; ’t is groot ter deeg:Laat voor zijn ziel driehonderd missen lezen;En verder zijn mijn zakken leêg.[112]MARTHA.Hoe? Zelfs geen potstuk, zelfs geen ring,Wat zelfs een handwerksman zich uit den mond bespaart,Tot nagedachtenis voor vrouw en kroost bewaart,Zoodat hij toch iets nalaat, hoe gering?MEPHISTOPHELES.Vrouw Martha! ’t spijt me; ik wil ’t wel weten,Maar hoor! zijn geld heeft hij niet weggesmeten.Hij treurde om zijn gebreken zeer,Ja, hij betreurde zelfs zijn ongeluk nog meer.MARGARETA.Ach, dat de menschen toch zoo ongelukkig zijn!Voor hem wordt door mij menig requiem gebeden.MEPHISTOPHELES.O, gij verdiendet wel terstond in d’ echt te treden;Gij zijt een zeer beminlijk maagdelijn.MARGARETA.Och neen; ik ben te jong nog voor een man.MEPHISTOPHELES.Wel nu! vooreerst een minnaar dan.Het is voorwaar een zielsverrukken,Zulk een lief ding aan ’t hart te drukken.MARGARETA.Dat is hier geen gebruik, mijnheer!MEPHISTOPHELES.Gebruik of niet, men ziet het meer.MARTHAtegen Mephistopheles.Vertel nu voort![113]MEPHISTOPHELES.Vertel nu voort!Ik keek eens, toen ik bij zijn sterfbed zat;’t Was weinig meer dan kaf of muffend hooi;Maar toch, hij stierf als Christen—dat was mooi—En vond, dat hij veel meer nog op zijn reekning had.“Hoe!” riep hij: “moet ik nu mijzelv’ niet haten?“Zoo maar mijn vrouw en kindren in den steek te laten!“Ach! die herinring blijft mij tot mijn laatsten snik.“Vergaf zij mij nu nog maar in dit leven!”MARTHA,weenende.Die goede man! Ik heb hem lang vergeven!MEPHISTOPHELES.“Maar zij had altijd veel meer schuld dan ik.”MARTHA.Dat liegt hij! Foei! zoo op den rand des grafs te spreken!MEPHISTOPHELES.’t Verstand was zeker reeds bij hem geweken;Zoo scheen het mij ten minste toe.“Ik moest,” sprak hij, “vroeg opstaan iedren morgen,“Eerst kindren helpen, dan voor ’t brood gaan zorgen,“Met wat daarbij behoort, al wist ik zelf niet hoe.“Ik kon niet eens met vreê mijn eigen portie eten.”MARTHA.Heeft hij zoo al mijn liefde en trouw vergeten,En mijn getob bij dag en nacht!MEPHISTOPHELES.O neen! Hij heeft daaraan wel degelijk gedacht;Hij sprak: “Toen ’k nu op weg naar Malta ging,“Toen bad ik voor mijn vrouw en kroost gestadig:[114]“De Hemel was ons dan ook zoo genadig,“Dat ons fregat een schip der Turken ving,“Dat met een schat den sultan wou verrassen.“Wij namen ’t na een kort besluit,“En ik, zoo als ook wel zou passen,“Ontving mijn aandeel van den buit.”MARTHA.Maar zeg, waar bleef dat dan? Wat moet ik hier gelooven?MEPHISTOPHELES.Wie weet, waar ’t door den wind is heengestoven!Een schoone dame nam zich zijner aan,Toen hij te Napels eenzaam leefde en treurde;Zij heeft met liefde en trouw hem bijgestaan,Zoo als hij tot zijn zalig eind bespeurde.MARTHA.Die schelm! die dief van vrouw en kindren!Zelfs onze ellende en onze noodKon zijn lichtmisserijen niet verhindren!MEPHISTOPHELES.Ja zie, daarom is hij nu dood.Wat me, in uw plaats, te doen thans overschoot:Ik rouwde een jaar nu en zes weken,Terwijl ik, vóór die tijd nog was verstreken,Eens rondkeek naar een nieuwen echtgenoot.MARTHA.Ach! een, zoo als mijn eerste was,Zal ik zoo ligt niet wedervinden!Ik kreeg wat hij me uit de oogen las.Alleen liep hij wat veel in kroegen met zijn vrinden;Ook mogt hij vreemde vrouwen welEn vreemden wijn, en dan dat dobbelspel![115]MEPHISTOPHELES.Nu, nu, dat gaat; en ’t zij hoe ’t zij,Als hij bij u ten naastenbijNiet minder door de vingers had te zien,Ik zweer u, dat ik dan misschienUw tweede man wel wezen wou.MARTHA.Mijnheer schertst met mij, arme vrouw!MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Nu hier van daan! want zulke wijven zoudenDen duivel zelf ook bij zijn woord nog houden.Tot Margareta.Maar zeg! hebt gij alreê bemind?MARGARETA.Wat meent mijnheer daarmeê?MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Wat meent mijnheer daarmeê?Dat goed, onschuldig kind!Overluid tegen de vrouwen.Vaarwel!MARGARETA.Vaarwel!Vaarwel!MARTHA.Vaarwel! Vaarwel!O, zeg eens even nog gezwind:’k Had gaarne van mijn man een doodceêl, om te staven,Waar en wanneer hij is gestorven en begraven.Ik ben in orde altijd een ander voorgegaan.’k Had graag ook, dat het in de krant mogt staan.[116]MEPHISTOPHELES.Hoor, goede vrouw! door tweedehands-berigtKomt meest de waarheid aan het licht.Ik heb een vriend; die zal ’t wel klarenEn u veel moeite en tijd besparen.Ik breng hem hier.MARTHA.Ik breng hem hier.O, doe dat toch!MEPHISTOPHELES.En hier, die dame is ook er nog?Nu, ’t is een brave knaap; hij heeft veel bijgewoond,En hulde en eer aan vrouwen steeds betoond.MARGARETA.’k Zal voor dien heer van schaamte wis bezwijken.MEPHISTOPHELES.Zelfs voor geen koning moet gij die doen blijken.MARTHA.Daarginder ligt mijn tuintje, en over achtenZal ik de heeren daar verwachten.[117]
Het huis van de buurvriendin.MARTHAalleen.God moog’ ’t mijn goeden man vergeven,Maar dat is toch geen handlen, neen!Hij loopt als door den wind gedreven,En laat mij arme ziel alleen!En ik speelde altoos ja en amen;Wij hadden nooit een woord te zamen.Zij weent.Misschien is hij wel dood, mijn schat;Als ik nu maar zijn doodceêl had!MARGARETA,binnenkomende.Vrouw Martha!MARTHA.Vrouw Martha!Wel mijn kind, wat is ’t?MARGARETA.Ik voel me aan al mijn leden beven.Bedenk maar eens! Ik vind zoo evenAl wederom zoo’n kleine kist,Met halssieraad en andre praal,Veel mooijer nog dan de eerste maal.[109]MARTHA.Zeg dat nu niet aan moeder weêr;’t Gaat anders maar als d’ eersten keer.MARGARETA.O zie, en zeg mij hoe gij ’t vindt!MARTHA.Wat zijt gij een gelukkig kind!MARGARETA.Ik durf het evenwel niet wagenZoo iets in ’t openbaar te dragen.MARTHA.Kom maar bij mij zoo veel ’t u lust,En tooi er u dan meê gerust.Gij wandelt dan eens op en nederEn voor den spiegel heen en weder,En gij en ik, wij beide dan,Wij hebben regt pleizier er van.Dan moeten we ook eens menschen vragen,Waarbij ge eens dit of dat kunt dragen:Den ketting doet ge eens om, de paarlen eens in ’t oor;Maar moeder blijft er buiten, hoor?MARGARETA.Maar waar zijn toch, het schijnt wel droomen,Die koffertjes van daan gekomen?Er wordt geklopt.O, als dat eens mijn moeder was deez’ keer!MARTHA.Het is een vreemdeling.—Treê binnen maar, mijnheer![110]MEPHISTOPHELES,binnentredende.Ik moet u wel verschooning vragen,Dat ik mij zoo maar hier kom wagen!Wendt zich eerbiedig tot Margareta.Ik kom naar Martha Zwaardman informeeren.MARTHA.Ik ben ’t, mijnheer! wat is van uw begeeren?MEPHISTOPHELES,zacht tot haar.Ik ken u thans; dat was de reden van mijn vraag.Die dame wacht voornaam bezoek van daag.Vergeef de vrijheid, die ik heb genomen;’k Zal tegen d’ avond wederkomen.MARTHA.Mijn kind! die heer—hoe kan ’t bestaan?—Noemt u een dame; denk eens aan!MARGARETA.Ik ben een arme, jonge bloed;Voorwaar, mijnheer is al te goed.Dees tooi behoort mij niet—o neen!MEPHISTOPHELES.Het is het tooisel niet alleen:Haar blik wekt eerbied en ontzag;’t Verheugt mij dat ik blijven mag.MARTHA.Wat brengt u hier dan?MEPHISTOPHELES.Wat brengt u hier dan?’k Gaf wel wat,Zoo ik een blijder tijding had.[111]Waarmeê ik hier u mogt ontmoeten!Uw man is dood en laat u groeten.MARTHA.Die trouwe ziel! Och, is hij dood?’k Bezwijk; wie helpt me in dezen nood!MARGARETA.O, wanhoop niet, mijn goede vrouw!MEPHISTOPHELES.’k Verhaal u heel de zaak getrouw.MARGARETA.Ik wilde daarom nooit beminnen;’t Verlies benam mij al mijn zinnen.MEPHISTOPHELES.Hij is nu in een veilge haven.MARTHA.Vertel mij van zijn sterven flus!MEPHISTOPHELES.Hij ligt te Padua begraven,Niet ver van Sint Antonius.Daar rust hij, die van smart bevrijd is,Nu op een plek, die wel gewijd is.MARTHA.Hebt ge anders niets voor mij en de arme weezen?MEPHISTOPHELES.Ja, één verzoek; ’t is groot ter deeg:Laat voor zijn ziel driehonderd missen lezen;En verder zijn mijn zakken leêg.[112]MARTHA.Hoe? Zelfs geen potstuk, zelfs geen ring,Wat zelfs een handwerksman zich uit den mond bespaart,Tot nagedachtenis voor vrouw en kroost bewaart,Zoodat hij toch iets nalaat, hoe gering?MEPHISTOPHELES.Vrouw Martha! ’t spijt me; ik wil ’t wel weten,Maar hoor! zijn geld heeft hij niet weggesmeten.Hij treurde om zijn gebreken zeer,Ja, hij betreurde zelfs zijn ongeluk nog meer.MARGARETA.Ach, dat de menschen toch zoo ongelukkig zijn!Voor hem wordt door mij menig requiem gebeden.MEPHISTOPHELES.O, gij verdiendet wel terstond in d’ echt te treden;Gij zijt een zeer beminlijk maagdelijn.MARGARETA.Och neen; ik ben te jong nog voor een man.MEPHISTOPHELES.Wel nu! vooreerst een minnaar dan.Het is voorwaar een zielsverrukken,Zulk een lief ding aan ’t hart te drukken.MARGARETA.Dat is hier geen gebruik, mijnheer!MEPHISTOPHELES.Gebruik of niet, men ziet het meer.MARTHAtegen Mephistopheles.Vertel nu voort![113]MEPHISTOPHELES.Vertel nu voort!Ik keek eens, toen ik bij zijn sterfbed zat;’t Was weinig meer dan kaf of muffend hooi;Maar toch, hij stierf als Christen—dat was mooi—En vond, dat hij veel meer nog op zijn reekning had.“Hoe!” riep hij: “moet ik nu mijzelv’ niet haten?“Zoo maar mijn vrouw en kindren in den steek te laten!“Ach! die herinring blijft mij tot mijn laatsten snik.“Vergaf zij mij nu nog maar in dit leven!”MARTHA,weenende.Die goede man! Ik heb hem lang vergeven!MEPHISTOPHELES.“Maar zij had altijd veel meer schuld dan ik.”MARTHA.Dat liegt hij! Foei! zoo op den rand des grafs te spreken!MEPHISTOPHELES.’t Verstand was zeker reeds bij hem geweken;Zoo scheen het mij ten minste toe.“Ik moest,” sprak hij, “vroeg opstaan iedren morgen,“Eerst kindren helpen, dan voor ’t brood gaan zorgen,“Met wat daarbij behoort, al wist ik zelf niet hoe.“Ik kon niet eens met vreê mijn eigen portie eten.”MARTHA.Heeft hij zoo al mijn liefde en trouw vergeten,En mijn getob bij dag en nacht!MEPHISTOPHELES.O neen! Hij heeft daaraan wel degelijk gedacht;Hij sprak: “Toen ’k nu op weg naar Malta ging,“Toen bad ik voor mijn vrouw en kroost gestadig:[114]“De Hemel was ons dan ook zoo genadig,“Dat ons fregat een schip der Turken ving,“Dat met een schat den sultan wou verrassen.“Wij namen ’t na een kort besluit,“En ik, zoo als ook wel zou passen,“Ontving mijn aandeel van den buit.”MARTHA.Maar zeg, waar bleef dat dan? Wat moet ik hier gelooven?MEPHISTOPHELES.Wie weet, waar ’t door den wind is heengestoven!Een schoone dame nam zich zijner aan,Toen hij te Napels eenzaam leefde en treurde;Zij heeft met liefde en trouw hem bijgestaan,Zoo als hij tot zijn zalig eind bespeurde.MARTHA.Die schelm! die dief van vrouw en kindren!Zelfs onze ellende en onze noodKon zijn lichtmisserijen niet verhindren!MEPHISTOPHELES.Ja zie, daarom is hij nu dood.Wat me, in uw plaats, te doen thans overschoot:Ik rouwde een jaar nu en zes weken,Terwijl ik, vóór die tijd nog was verstreken,Eens rondkeek naar een nieuwen echtgenoot.MARTHA.Ach! een, zoo als mijn eerste was,Zal ik zoo ligt niet wedervinden!Ik kreeg wat hij me uit de oogen las.Alleen liep hij wat veel in kroegen met zijn vrinden;Ook mogt hij vreemde vrouwen welEn vreemden wijn, en dan dat dobbelspel![115]MEPHISTOPHELES.Nu, nu, dat gaat; en ’t zij hoe ’t zij,Als hij bij u ten naastenbijNiet minder door de vingers had te zien,Ik zweer u, dat ik dan misschienUw tweede man wel wezen wou.MARTHA.Mijnheer schertst met mij, arme vrouw!MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Nu hier van daan! want zulke wijven zoudenDen duivel zelf ook bij zijn woord nog houden.Tot Margareta.Maar zeg! hebt gij alreê bemind?MARGARETA.Wat meent mijnheer daarmeê?MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Wat meent mijnheer daarmeê?Dat goed, onschuldig kind!Overluid tegen de vrouwen.Vaarwel!MARGARETA.Vaarwel!Vaarwel!MARTHA.Vaarwel! Vaarwel!O, zeg eens even nog gezwind:’k Had gaarne van mijn man een doodceêl, om te staven,Waar en wanneer hij is gestorven en begraven.Ik ben in orde altijd een ander voorgegaan.’k Had graag ook, dat het in de krant mogt staan.[116]MEPHISTOPHELES.Hoor, goede vrouw! door tweedehands-berigtKomt meest de waarheid aan het licht.Ik heb een vriend; die zal ’t wel klarenEn u veel moeite en tijd besparen.Ik breng hem hier.MARTHA.Ik breng hem hier.O, doe dat toch!MEPHISTOPHELES.En hier, die dame is ook er nog?Nu, ’t is een brave knaap; hij heeft veel bijgewoond,En hulde en eer aan vrouwen steeds betoond.MARGARETA.’k Zal voor dien heer van schaamte wis bezwijken.MEPHISTOPHELES.Zelfs voor geen koning moet gij die doen blijken.MARTHA.Daarginder ligt mijn tuintje, en over achtenZal ik de heeren daar verwachten.[117]
Het huis van de buurvriendin.
MARTHAalleen.God moog’ ’t mijn goeden man vergeven,Maar dat is toch geen handlen, neen!Hij loopt als door den wind gedreven,En laat mij arme ziel alleen!En ik speelde altoos ja en amen;Wij hadden nooit een woord te zamen.
MARTHAalleen.
God moog’ ’t mijn goeden man vergeven,
Maar dat is toch geen handlen, neen!
Hij loopt als door den wind gedreven,
En laat mij arme ziel alleen!
En ik speelde altoos ja en amen;
Wij hadden nooit een woord te zamen.
Zij weent.
Misschien is hij wel dood, mijn schat;Als ik nu maar zijn doodceêl had!
Misschien is hij wel dood, mijn schat;
Als ik nu maar zijn doodceêl had!
MARGARETA,binnenkomende.Vrouw Martha!
MARGARETA,binnenkomende.
Vrouw Martha!
MARTHA.Vrouw Martha!Wel mijn kind, wat is ’t?
MARTHA.
Vrouw Martha!Wel mijn kind, wat is ’t?
MARGARETA.Ik voel me aan al mijn leden beven.Bedenk maar eens! Ik vind zoo evenAl wederom zoo’n kleine kist,Met halssieraad en andre praal,Veel mooijer nog dan de eerste maal.
MARGARETA.
Ik voel me aan al mijn leden beven.
Bedenk maar eens! Ik vind zoo even
Al wederom zoo’n kleine kist,
Met halssieraad en andre praal,
Veel mooijer nog dan de eerste maal.
[109]
MARTHA.Zeg dat nu niet aan moeder weêr;’t Gaat anders maar als d’ eersten keer.
MARTHA.
Zeg dat nu niet aan moeder weêr;
’t Gaat anders maar als d’ eersten keer.
MARGARETA.O zie, en zeg mij hoe gij ’t vindt!
MARGARETA.
O zie, en zeg mij hoe gij ’t vindt!
MARTHA.Wat zijt gij een gelukkig kind!
MARTHA.
Wat zijt gij een gelukkig kind!
MARGARETA.Ik durf het evenwel niet wagenZoo iets in ’t openbaar te dragen.
MARGARETA.
Ik durf het evenwel niet wagen
Zoo iets in ’t openbaar te dragen.
MARTHA.Kom maar bij mij zoo veel ’t u lust,En tooi er u dan meê gerust.Gij wandelt dan eens op en nederEn voor den spiegel heen en weder,En gij en ik, wij beide dan,Wij hebben regt pleizier er van.Dan moeten we ook eens menschen vragen,Waarbij ge eens dit of dat kunt dragen:Den ketting doet ge eens om, de paarlen eens in ’t oor;Maar moeder blijft er buiten, hoor?
MARTHA.
Kom maar bij mij zoo veel ’t u lust,
En tooi er u dan meê gerust.
Gij wandelt dan eens op en neder
En voor den spiegel heen en weder,
En gij en ik, wij beide dan,
Wij hebben regt pleizier er van.
Dan moeten we ook eens menschen vragen,
Waarbij ge eens dit of dat kunt dragen:
Den ketting doet ge eens om, de paarlen eens in ’t oor;
Maar moeder blijft er buiten, hoor?
MARGARETA.Maar waar zijn toch, het schijnt wel droomen,Die koffertjes van daan gekomen?
MARGARETA.
Maar waar zijn toch, het schijnt wel droomen,
Die koffertjes van daan gekomen?
Er wordt geklopt.
O, als dat eens mijn moeder was deez’ keer!
O, als dat eens mijn moeder was deez’ keer!
MARTHA.Het is een vreemdeling.—Treê binnen maar, mijnheer!
MARTHA.
Het is een vreemdeling.—Treê binnen maar, mijnheer!
[110]
MEPHISTOPHELES,binnentredende.Ik moet u wel verschooning vragen,Dat ik mij zoo maar hier kom wagen!
MEPHISTOPHELES,binnentredende.
Ik moet u wel verschooning vragen,
Dat ik mij zoo maar hier kom wagen!
Wendt zich eerbiedig tot Margareta.
Ik kom naar Martha Zwaardman informeeren.
Ik kom naar Martha Zwaardman informeeren.
MARTHA.Ik ben ’t, mijnheer! wat is van uw begeeren?
MARTHA.
Ik ben ’t, mijnheer! wat is van uw begeeren?
MEPHISTOPHELES,zacht tot haar.Ik ken u thans; dat was de reden van mijn vraag.Die dame wacht voornaam bezoek van daag.Vergeef de vrijheid, die ik heb genomen;’k Zal tegen d’ avond wederkomen.
MEPHISTOPHELES,zacht tot haar.
Ik ken u thans; dat was de reden van mijn vraag.
Die dame wacht voornaam bezoek van daag.
Vergeef de vrijheid, die ik heb genomen;
’k Zal tegen d’ avond wederkomen.
MARTHA.Mijn kind! die heer—hoe kan ’t bestaan?—Noemt u een dame; denk eens aan!
MARTHA.
Mijn kind! die heer—hoe kan ’t bestaan?—
Noemt u een dame; denk eens aan!
MARGARETA.Ik ben een arme, jonge bloed;Voorwaar, mijnheer is al te goed.Dees tooi behoort mij niet—o neen!
MARGARETA.
Ik ben een arme, jonge bloed;
Voorwaar, mijnheer is al te goed.
Dees tooi behoort mij niet—o neen!
MEPHISTOPHELES.Het is het tooisel niet alleen:Haar blik wekt eerbied en ontzag;’t Verheugt mij dat ik blijven mag.
MEPHISTOPHELES.
Het is het tooisel niet alleen:
Haar blik wekt eerbied en ontzag;
’t Verheugt mij dat ik blijven mag.
MARTHA.Wat brengt u hier dan?
MARTHA.
Wat brengt u hier dan?
MEPHISTOPHELES.Wat brengt u hier dan?’k Gaf wel wat,Zoo ik een blijder tijding had.[111]Waarmeê ik hier u mogt ontmoeten!Uw man is dood en laat u groeten.
MEPHISTOPHELES.
Wat brengt u hier dan?’k Gaf wel wat,
Zoo ik een blijder tijding had.[111]
Waarmeê ik hier u mogt ontmoeten!
Uw man is dood en laat u groeten.
MARTHA.Die trouwe ziel! Och, is hij dood?’k Bezwijk; wie helpt me in dezen nood!
MARTHA.
Die trouwe ziel! Och, is hij dood?
’k Bezwijk; wie helpt me in dezen nood!
MARGARETA.O, wanhoop niet, mijn goede vrouw!
MARGARETA.
O, wanhoop niet, mijn goede vrouw!
MEPHISTOPHELES.’k Verhaal u heel de zaak getrouw.
MEPHISTOPHELES.
’k Verhaal u heel de zaak getrouw.
MARGARETA.Ik wilde daarom nooit beminnen;’t Verlies benam mij al mijn zinnen.
MARGARETA.
Ik wilde daarom nooit beminnen;
’t Verlies benam mij al mijn zinnen.
MEPHISTOPHELES.Hij is nu in een veilge haven.
MEPHISTOPHELES.
Hij is nu in een veilge haven.
MARTHA.Vertel mij van zijn sterven flus!
MARTHA.
Vertel mij van zijn sterven flus!
MEPHISTOPHELES.Hij ligt te Padua begraven,Niet ver van Sint Antonius.Daar rust hij, die van smart bevrijd is,Nu op een plek, die wel gewijd is.
MEPHISTOPHELES.
Hij ligt te Padua begraven,
Niet ver van Sint Antonius.
Daar rust hij, die van smart bevrijd is,
Nu op een plek, die wel gewijd is.
MARTHA.Hebt ge anders niets voor mij en de arme weezen?
MARTHA.
Hebt ge anders niets voor mij en de arme weezen?
MEPHISTOPHELES.Ja, één verzoek; ’t is groot ter deeg:Laat voor zijn ziel driehonderd missen lezen;En verder zijn mijn zakken leêg.
MEPHISTOPHELES.
Ja, één verzoek; ’t is groot ter deeg:
Laat voor zijn ziel driehonderd missen lezen;
En verder zijn mijn zakken leêg.
[112]
MARTHA.Hoe? Zelfs geen potstuk, zelfs geen ring,Wat zelfs een handwerksman zich uit den mond bespaart,Tot nagedachtenis voor vrouw en kroost bewaart,Zoodat hij toch iets nalaat, hoe gering?
MARTHA.
Hoe? Zelfs geen potstuk, zelfs geen ring,
Wat zelfs een handwerksman zich uit den mond bespaart,
Tot nagedachtenis voor vrouw en kroost bewaart,
Zoodat hij toch iets nalaat, hoe gering?
MEPHISTOPHELES.Vrouw Martha! ’t spijt me; ik wil ’t wel weten,Maar hoor! zijn geld heeft hij niet weggesmeten.Hij treurde om zijn gebreken zeer,Ja, hij betreurde zelfs zijn ongeluk nog meer.
MEPHISTOPHELES.
Vrouw Martha! ’t spijt me; ik wil ’t wel weten,
Maar hoor! zijn geld heeft hij niet weggesmeten.
Hij treurde om zijn gebreken zeer,
Ja, hij betreurde zelfs zijn ongeluk nog meer.
MARGARETA.Ach, dat de menschen toch zoo ongelukkig zijn!Voor hem wordt door mij menig requiem gebeden.
MARGARETA.
Ach, dat de menschen toch zoo ongelukkig zijn!
Voor hem wordt door mij menig requiem gebeden.
MEPHISTOPHELES.O, gij verdiendet wel terstond in d’ echt te treden;Gij zijt een zeer beminlijk maagdelijn.
MEPHISTOPHELES.
O, gij verdiendet wel terstond in d’ echt te treden;
Gij zijt een zeer beminlijk maagdelijn.
MARGARETA.Och neen; ik ben te jong nog voor een man.
MARGARETA.
Och neen; ik ben te jong nog voor een man.
MEPHISTOPHELES.Wel nu! vooreerst een minnaar dan.Het is voorwaar een zielsverrukken,Zulk een lief ding aan ’t hart te drukken.
MEPHISTOPHELES.
Wel nu! vooreerst een minnaar dan.
Het is voorwaar een zielsverrukken,
Zulk een lief ding aan ’t hart te drukken.
MARGARETA.Dat is hier geen gebruik, mijnheer!
MARGARETA.
Dat is hier geen gebruik, mijnheer!
MEPHISTOPHELES.Gebruik of niet, men ziet het meer.
MEPHISTOPHELES.
Gebruik of niet, men ziet het meer.
MARTHAtegen Mephistopheles.Vertel nu voort!
MARTHAtegen Mephistopheles.
Vertel nu voort!
[113]
MEPHISTOPHELES.Vertel nu voort!Ik keek eens, toen ik bij zijn sterfbed zat;’t Was weinig meer dan kaf of muffend hooi;Maar toch, hij stierf als Christen—dat was mooi—En vond, dat hij veel meer nog op zijn reekning had.“Hoe!” riep hij: “moet ik nu mijzelv’ niet haten?“Zoo maar mijn vrouw en kindren in den steek te laten!“Ach! die herinring blijft mij tot mijn laatsten snik.“Vergaf zij mij nu nog maar in dit leven!”
MEPHISTOPHELES.
Vertel nu voort!Ik keek eens, toen ik bij zijn sterfbed zat;
’t Was weinig meer dan kaf of muffend hooi;
Maar toch, hij stierf als Christen—dat was mooi—
En vond, dat hij veel meer nog op zijn reekning had.
“Hoe!” riep hij: “moet ik nu mijzelv’ niet haten?
“Zoo maar mijn vrouw en kindren in den steek te laten!
“Ach! die herinring blijft mij tot mijn laatsten snik.
“Vergaf zij mij nu nog maar in dit leven!”
MARTHA,weenende.Die goede man! Ik heb hem lang vergeven!
MARTHA,weenende.
Die goede man! Ik heb hem lang vergeven!
MEPHISTOPHELES.“Maar zij had altijd veel meer schuld dan ik.”
MEPHISTOPHELES.
“Maar zij had altijd veel meer schuld dan ik.”
MARTHA.Dat liegt hij! Foei! zoo op den rand des grafs te spreken!
MARTHA.
Dat liegt hij! Foei! zoo op den rand des grafs te spreken!
MEPHISTOPHELES.’t Verstand was zeker reeds bij hem geweken;Zoo scheen het mij ten minste toe.“Ik moest,” sprak hij, “vroeg opstaan iedren morgen,“Eerst kindren helpen, dan voor ’t brood gaan zorgen,“Met wat daarbij behoort, al wist ik zelf niet hoe.“Ik kon niet eens met vreê mijn eigen portie eten.”
MEPHISTOPHELES.
’t Verstand was zeker reeds bij hem geweken;
Zoo scheen het mij ten minste toe.
“Ik moest,” sprak hij, “vroeg opstaan iedren morgen,
“Eerst kindren helpen, dan voor ’t brood gaan zorgen,
“Met wat daarbij behoort, al wist ik zelf niet hoe.
“Ik kon niet eens met vreê mijn eigen portie eten.”
MARTHA.Heeft hij zoo al mijn liefde en trouw vergeten,En mijn getob bij dag en nacht!
MARTHA.
Heeft hij zoo al mijn liefde en trouw vergeten,
En mijn getob bij dag en nacht!
MEPHISTOPHELES.O neen! Hij heeft daaraan wel degelijk gedacht;Hij sprak: “Toen ’k nu op weg naar Malta ging,“Toen bad ik voor mijn vrouw en kroost gestadig:[114]“De Hemel was ons dan ook zoo genadig,“Dat ons fregat een schip der Turken ving,“Dat met een schat den sultan wou verrassen.“Wij namen ’t na een kort besluit,“En ik, zoo als ook wel zou passen,“Ontving mijn aandeel van den buit.”
MEPHISTOPHELES.
O neen! Hij heeft daaraan wel degelijk gedacht;
Hij sprak: “Toen ’k nu op weg naar Malta ging,
“Toen bad ik voor mijn vrouw en kroost gestadig:[114]
“De Hemel was ons dan ook zoo genadig,
“Dat ons fregat een schip der Turken ving,
“Dat met een schat den sultan wou verrassen.
“Wij namen ’t na een kort besluit,
“En ik, zoo als ook wel zou passen,
“Ontving mijn aandeel van den buit.”
MARTHA.Maar zeg, waar bleef dat dan? Wat moet ik hier gelooven?
MARTHA.
Maar zeg, waar bleef dat dan? Wat moet ik hier gelooven?
MEPHISTOPHELES.Wie weet, waar ’t door den wind is heengestoven!Een schoone dame nam zich zijner aan,Toen hij te Napels eenzaam leefde en treurde;Zij heeft met liefde en trouw hem bijgestaan,Zoo als hij tot zijn zalig eind bespeurde.
MEPHISTOPHELES.
Wie weet, waar ’t door den wind is heengestoven!
Een schoone dame nam zich zijner aan,
Toen hij te Napels eenzaam leefde en treurde;
Zij heeft met liefde en trouw hem bijgestaan,
Zoo als hij tot zijn zalig eind bespeurde.
MARTHA.Die schelm! die dief van vrouw en kindren!Zelfs onze ellende en onze noodKon zijn lichtmisserijen niet verhindren!
MARTHA.
Die schelm! die dief van vrouw en kindren!
Zelfs onze ellende en onze nood
Kon zijn lichtmisserijen niet verhindren!
MEPHISTOPHELES.Ja zie, daarom is hij nu dood.Wat me, in uw plaats, te doen thans overschoot:Ik rouwde een jaar nu en zes weken,Terwijl ik, vóór die tijd nog was verstreken,Eens rondkeek naar een nieuwen echtgenoot.
MEPHISTOPHELES.
Ja zie, daarom is hij nu dood.
Wat me, in uw plaats, te doen thans overschoot:
Ik rouwde een jaar nu en zes weken,
Terwijl ik, vóór die tijd nog was verstreken,
Eens rondkeek naar een nieuwen echtgenoot.
MARTHA.Ach! een, zoo als mijn eerste was,Zal ik zoo ligt niet wedervinden!Ik kreeg wat hij me uit de oogen las.Alleen liep hij wat veel in kroegen met zijn vrinden;Ook mogt hij vreemde vrouwen welEn vreemden wijn, en dan dat dobbelspel!
MARTHA.
Ach! een, zoo als mijn eerste was,
Zal ik zoo ligt niet wedervinden!
Ik kreeg wat hij me uit de oogen las.
Alleen liep hij wat veel in kroegen met zijn vrinden;
Ook mogt hij vreemde vrouwen wel
En vreemden wijn, en dan dat dobbelspel!
[115]
MEPHISTOPHELES.Nu, nu, dat gaat; en ’t zij hoe ’t zij,Als hij bij u ten naastenbijNiet minder door de vingers had te zien,Ik zweer u, dat ik dan misschienUw tweede man wel wezen wou.
MEPHISTOPHELES.
Nu, nu, dat gaat; en ’t zij hoe ’t zij,
Als hij bij u ten naastenbij
Niet minder door de vingers had te zien,
Ik zweer u, dat ik dan misschien
Uw tweede man wel wezen wou.
MARTHA.Mijnheer schertst met mij, arme vrouw!
MARTHA.
Mijnheer schertst met mij, arme vrouw!
MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Nu hier van daan! want zulke wijven zoudenDen duivel zelf ook bij zijn woord nog houden.
MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.
Nu hier van daan! want zulke wijven zouden
Den duivel zelf ook bij zijn woord nog houden.
Tot Margareta.
Maar zeg! hebt gij alreê bemind?
Maar zeg! hebt gij alreê bemind?
MARGARETA.Wat meent mijnheer daarmeê?
MARGARETA.
Wat meent mijnheer daarmeê?
MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Wat meent mijnheer daarmeê?Dat goed, onschuldig kind!
MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.
Wat meent mijnheer daarmeê?Dat goed, onschuldig kind!
Overluid tegen de vrouwen.
Vaarwel!
Vaarwel!
MARGARETA.Vaarwel!Vaarwel!
MARGARETA.
Vaarwel!Vaarwel!
MARTHA.Vaarwel! Vaarwel!O, zeg eens even nog gezwind:’k Had gaarne van mijn man een doodceêl, om te staven,Waar en wanneer hij is gestorven en begraven.Ik ben in orde altijd een ander voorgegaan.’k Had graag ook, dat het in de krant mogt staan.
MARTHA.
Vaarwel! Vaarwel!O, zeg eens even nog gezwind:
’k Had gaarne van mijn man een doodceêl, om te staven,
Waar en wanneer hij is gestorven en begraven.
Ik ben in orde altijd een ander voorgegaan.
’k Had graag ook, dat het in de krant mogt staan.
[116]
MEPHISTOPHELES.Hoor, goede vrouw! door tweedehands-berigtKomt meest de waarheid aan het licht.Ik heb een vriend; die zal ’t wel klarenEn u veel moeite en tijd besparen.Ik breng hem hier.
MEPHISTOPHELES.
Hoor, goede vrouw! door tweedehands-berigt
Komt meest de waarheid aan het licht.
Ik heb een vriend; die zal ’t wel klaren
En u veel moeite en tijd besparen.
Ik breng hem hier.
MARTHA.Ik breng hem hier.O, doe dat toch!
MARTHA.
Ik breng hem hier.O, doe dat toch!
MEPHISTOPHELES.En hier, die dame is ook er nog?Nu, ’t is een brave knaap; hij heeft veel bijgewoond,En hulde en eer aan vrouwen steeds betoond.
MEPHISTOPHELES.
En hier, die dame is ook er nog?
Nu, ’t is een brave knaap; hij heeft veel bijgewoond,
En hulde en eer aan vrouwen steeds betoond.
MARGARETA.’k Zal voor dien heer van schaamte wis bezwijken.
MARGARETA.
’k Zal voor dien heer van schaamte wis bezwijken.
MEPHISTOPHELES.Zelfs voor geen koning moet gij die doen blijken.
MEPHISTOPHELES.
Zelfs voor geen koning moet gij die doen blijken.
MARTHA.Daarginder ligt mijn tuintje, en over achtenZal ik de heeren daar verwachten.
MARTHA.
Daarginder ligt mijn tuintje, en over achten
Zal ik de heeren daar verwachten.
[117]