"Verbeeld u mijn schrik, toen ik eenige dagen geleden, den man, dien ik dood waande, ten huize van den Notaris Bouvelt ontmoette en van hem hoorde, dat de bewuste inventaris zich onder andere papieren bevond, die hij indertijd, wel verzegeld, naar Amsterdam had overgezonden en nu was komen terugeischen; terwijl hij tevens dreigde, mijn gedrag openbaar te zullen maken. Ik had ook toen nog mijn volslagen schande kunnen voorkomen, door aan mijn nicht haar vermogen uit te keeren en er bij te voegen, dat ik haar om wijze redenen tot nog toe verborgen had gehouden, hoe rijk zij: was; maar valsche schaamte belette mij, dien stap te doen, daar ik vreesde, dat de ware toedracht der zaak bekend zoude worden. Ik smeekte derhalve den Heer Van Lintz, mij mijn goeden naam niet te ontrooven: ik stelde hem uw huwelijk met Henriëtte als een bepaalde zaak voor: ik bood hem mijn invloed bij onze bewindslieden, mijn hulp ter ontvluchting aan. Door mijn gebeden verwonnen, nam hij aan om, zoodra hij in veiligheid zou zijn en de tijding van uw huwelijk bekomen had, mij het noodlottig duplicaat te zenden.
"Uw onberaden daad, om den man, van wien ik alles te vreezen had, in handen der Justitie te leveren, heeft al mijn pogingen verijdeld. Het bewuste stuk is daardoor, met de overige bij hem gevonden papieren, in beslag genomen, naar Amsterdam gezonden, en in handen van den Heer Hoofdofficier. Zooeven kom ik van zijn kantoor. Hij had mij laten roepen om te vernemen, wat het opschrift:Inventaris der juweelen enz., toebehoord hebbende aan den Heer Hendrik Blaek en thans het eigendom zijner dochter Henriëtte Blaek, te beduiden had. Wat ik geantwoord heb, weet ik niet, maar ik weet wat het gevolg zal zijn, indien dit stuk geopend wordt: en de schande, die mij wacht, wil ik niet beleven. God vergeve mij de misdadige wijze, waarop ik dit leven verlaat: Hij vergeve mij de slechte tucht, waaronder ik u gehouden heb, en doe u tot inkeer komen, opdat gij van den verkeerden weg terugtreedt, dien gij tot nog toe bewandeld hebt, en u spiegelt aan het vreeselijk voorbeeld van
Uw ongelukkigen vaderJACOBUS BLAEK."
"Gij ziet het, Mijne Heeren!" zeide Lodewijk, toen ik ten einde gelezen had, terwijl hij zijn hoofd in de handen verborg: "ik ben de oorzaak van mijns vaders dood.—Maar thans vraag ik u om raad, u, die tot nog toe alleen met het geheim bekend zijt, is er niets aan te doen om zijn nagedachtenis te sparen.—Wat Henriëtte betreft, zij zal hebben wat haar toekomt, en meer dan dat."
"Mijnheer!" antwoordde Van Lintz: "de Heer Reynhove heeft mij de mij ontnomen papieren teruggebracht: indien het bewuste stuk zich daarbij bevindt, zal ik het aan uw nicht zenden. Zij alleen kan beslissen, wat daarmede gedaan moet worden."
Hier werd aan de deur getikt en de Notaris aangediend, met wien wij den lijder alleen lieten: twee dagen later, gedurende welke ik hem vaak bezocht had, blies hij den laatsten adem uit. Na het lijk te hebben doen kisten, nam ik, met dat overschot, en onze Hollandsche vrienden, de terugreis aan naar Amsterdam.
Het was te Harlingen, dat ik afscheid nam van den Heer Van Lintz en zijn dochter, die nu voornemens waren hun reis te land voort te zetten. "Nu! mijn vriend!" zeide de eerstgenoemde, terwijl hij mij de hand schudde: "nu zal het toch eindelijk wel voor goed zijn, dat ik u vaarwel zeg. Veel zegen op uw ondernemingen. Ik draag u de belangen mijner nicht Blaek op, want ik verwijt mij half en half, dat ik er niet beter voor gezorgd heb; doch, zoo iemand, zult gij die behartigen: gij hebt er dubbele reden toe."
"Ik vrees maar," zeide ik, "dat zij nog te veel tegen mij zal ingenomen zijn, om mij tot haar zaakwaarnemer te benoemen."
"Heb ik u niet van het tegendeel verzekerd?" zeide Amelia, langzaam het hoofd schuddende en op een toon van weemoedig verwijt: "ga tot haar, en vrees niet, haar de geheele, onbewimpelde waarheid te verhalen; zij zal u geloven;—wees daar overtuigd van: en wanneer gij haar ziet, stel haar dan uit naam van haar nicht dit aandenken ter hand, en verzoek haar, het uit liefde voor mij te willen dragen."
Dit zeggende, reikte zij mij een halsband toe, dien zij gedurende haar verblijf op Ter-Schelling van haar eigen schoone haren gevlochten had, en aan welks uiteinde zij uiteinde zij een effen gouden kruisje had vastgemaakt.
"En zult gij mij geen aandenken laten?" vroeg ik, terwijl ik haar met hartelijkheid de hand drukte.
"Thans niet: ik zal u wellicht er een zenden, wanneer wij op de plaats onzer bestemming zullen zijn:—en dan wacht ik er een van u—en van uwe vrouw."
Met deze woorden beantwoordde zij mijn handdruk, sloeg zich den sluier over 't gelaat en stapte haastig in den wagen, die haar wachtte. Haar vader nam plaats nevens haar: de zweep des voermans klapte en het rijtuig voerde beiden uit mijn gezicht. Ik heb hen nimmer teruggezien.
Achttien uren later was ik te huis, in de armen mijner moeder. Ik zal niet beproeven de gewaarwordingen te beschrijven, welke ons allen bij dit wederzien bezielden.
Den volgenden dag kwam Reynhove mij afhalen, om naar Mejuffrouw Blaek te gaan, die naar zijn zeggen, verlangd had, ons beiden te spreken. Wij vonden haar alleen, in een voegzaam rouwgewaad, bevallig als altijd, maar bleek, afgemat en diep bedroefd. Zij bloosde even, toen zij mij wederzag, maar herstelde zich terstond, bood ons stoelen aan en zette zich over ons.
"Gij beiden, mijne Heeren!" ving zij aan, "zijt getuigen geweest van het overlijden van mijn rampzaligen Neef...?
"Ja Mejuffrouw!" antwoordde ik, naar eenige papieren tastende, die ik in mijn rokzak had: "en ik ben belast...."
"Een oogenblik!" hernam zij: "aleer wij over iets anders spreken, wenschte ik te weten, of iemand buiten u en den Heer Van Lintz kennis draagt van zekeren brief, door mijn oom aan Lodewijk geschreven?"
"Niemand," antwoordde ik: "ik heb dien brief en zal u dien, zoo UEd. verlangt, ter hand stellen, benevens...."
"Ik zal dien afwachten," zeide zij: "maar vooraf moet ik u nog zeggen, dat ik een brief heb van mijn oom Van Lintz, waarin hij mij de aanleiding mededeelt, welke mijn ongelukkigen oom Blaek tot den stap, dien hij deed, bewogen heeft, en mij tevens een stuk zendt, volgens hetwelk ik recht op een aanzienlijk vermogen zou hebben. Ik heb geweend bij het zien van mijns vaders naamteekening, en bij de gedachte aan al de moeite, die de brave man zich gegeven heeft, om voor mij een vermogen te vergaderen;—ik heb die naamteekening er uitgesneden en het stuk zelf verbrand."
"Hoe!" riep Reynhove verbaasd uit:, een zooprécieuxdocument!..."
"Ik ben te veel aan mijn oom verschuldigd, ik heb te veel bewijzen van zijn liefde ontvangen, om tot loon daarvan, nu hij dood is, zijn goeden naam aan te randen. Niemand dan ons is het geheim bewust. Lodewijk heeft het in het graf medegenomen: mijn oom Van Lintz zal zwijgen, indien ik het hem verzoek: ook van u, mijne Heeren! wacht ik hetzelfde: men schrijft den dood mijns ooms aan een beroerte toe:—de ware toedracht der zaak kan dus voor elk verborgen blijven."
"Maar weet UEd. wel, Mejuffer!" zeide Reynhove, "dat gij eenimportantkapitaal hebt opgeofferd, ten gerieve van een paar dozijn collateralen, die er u geen dank voor zullen weten?"
"Mejuffrouw offert niets op," zeide ik: "en, hoewel de verdiensten van haar handelwijze even groot blijven, de nadeelen daarvan worden geheel weggenomen door het stuk, dat ik de eer heb haar te overhandigen. Het is het testament van den Heer Lodewijk Blaek, natuurlijken erfgenaam zijns vaders, waarbij hij, op eenige legaten na, zijn nicht, Mejuffrouw Henriëtte Blaek, aanstelt tot zijn universeele erfgename."
Henriëtte nam bevende het papier aan, dat ik haar ter hand stelde. Haar ontroering belette haar te spreken en zij antwoordde niets op de gelukwenschingen van Reynhove.
"Mejuffrouw!" vervolgde ik, toen zij weder wat bedaarder was geworden: "de overledene heeft in de laatste uren zijns levens verlangd, dat ik de man zou zijn, die u dit afschrift van zijn uitersten wil aanbood: hij voegde er bij, dat het u wellicht ... aangenaam zou zijn ... dat stuk uit mijne handen te ontvangen. Mag ik mij vleien, dat hij waarheid gesproken heeft?"
"Mijn Heer!" antwoordde zij, terwijl een hoogrood haar gelaat overdekte: "het is u ongetwijfeld bekend, dat ik, op den morgen van haar vertrek uit Amsterdam, een bezoek heb gehad van mijn nicht Amelia."
Ik zag verbaasd op. Zoo had die brave ziel niet geschroomd zich aan een wellicht onaangename ontvangst te wagen, om mijne voorspraak te zijn. Het stellige der verzekering, die zij mij gegeven had, was mij thans opgelost.
"En mag ik hopen," zeide ik, "dat dit bezoek u gunstiger gedachten van mij heeft doen opvatten?"
"Amelia is een engel," zeide Henriëtte, "en ik vergeef het u nooit, dat gij niet smoorlijk op haar verliefd zijt geraakt. Wat zij zeide ... hoe zij ... in 't kort, ik ben verplicht u verschooning te vragen voor de verkeerde gedachten, die ik van U had opgevat."
Zes maanden later kondigde de Voorzanger in de Oude Kerk met zijn neusstem (waarvan in het derde Hoofdstuk dezer geschiedenis gesproken is), werkelijk aan, dat er trouwbeloften bestonden tusschen Willem Andries Reynhove, Heer van Wijdeplas, Groenewoud en Binnengeest, Jonkman, met Mejuffrouw Susanna Aletta Huyck, Jonge Dochter; maar liet daarop een gelijke aankondiging volgen, betreffende Meester Ferdinand Huyck en Mejuffrouw Henriëtte Blaek.
Hier eindigt het verhaal van den heer Huyck. Daarachter stond, met de hand van Mejuffrouw Stauffacher, het navolgende geschreven:
Hier eindigt het verhaal van den heer Huyck. Daarachter stond, met de hand van Mejuffrouw Stauffacher, het navolgende geschreven:
Indien het bovenstaande verhaal een roman ware, zoû men den schrijver met recht te laste kunnen leggen, dat hij den lezer in 't onzekere laat omtrent het lot van sommige personen, die in zijn lotgevallen een merkwaardige rol spelen. Daar het echter zijn doel schijnt geweest te zijn, naar waarheid te vertellen wat hem overkomen is, moet men hem veeleer prijzen, dat hij niet meer heeft te boek gesteld, dan hij met zekerheid wist. Vreemd intusschen komt het mij voor, dat hij niet met een woord melding maakt van hetgeen er verder geschied is met den Baron Van Lintz en zijne beminnelijke dochter. Wellicht was hun latere levensloop aan zijne kinderen, voor wie hij zijn opstel vervaardigde, genoegzaam bekend. Wat mij betreft, ik wil niet ontveinzen, dat ik mij zeer teleurgesteld vond, toen ik, aan het slot komende, niet te weten kwam, of hij met den zwerver en zijn lieve dochter later nog door briefwisseling of anderszins de betrekking onderhouden bleef. Gelukkig echter kende ik den waren naam des mans, die in het Handschrift onder zooveel verdichte namen voorkomt, en wist ik uit de geschiedenis, hoe hij den Russischen Tsaar belangrijke diensten bewees en tot hooge waardigheden opklom, zonder echter ooit de bijzondere vriendschap des Alleenheerschers te verwerven. Dezelfde onbuigzaamheid van karakter, die hem vroeger reeds zooveel vijanden en tegenspoeden berokkend had, en die er met de jaren niet op verbeterd was, maar veeleer in balsturige hoofdigheid en wrevel ontaard, was niet geschikt om hem bemind te maken bij een Vorst, die zelf een onverzettelijken wil bezat, waarnaar hij alles wilde doen buigen. Er ontstonden vaak hoogloopende verschillen tusschen hen beiden: en alleen het nut, dat hij begreep van den Baron Van Lintz te kunnen trekken, om zijn Moskoviten in bedwang te houden, weerhield Peter, hem naar Siberiën te bannen. Wat Amelia betreft, ziehier de narichten, die ik omtrent haar bekomen heb van lieden, die zich harer nog herinnerden. Zij leidde, in de eerste jaren van haar verblijf in Rusland, een stil en afgetrokken leven, en wederstond al dien tijd het verlangen haars vaders, dat zij zich ten hove zoude vertoonen. Eindelijk echter gaf zij toe, en schonk zelfs haar hand aan een gunsteling des Tsaars, een beschaafd en waardig edelman, maar die tweemaal hare jaren had. Onzeker is het, of zij dit huwelijk alleen aanging om haar vader te believen: misschien was zij werkelijk den vreemdeling genegen en had zij de ongelukkige neiging, die zij in Holland had opgevat, overwonnen, welke haar handelingen bestuurde, meer dan de woorden van het verhaal doen vermoeden. Hoe dit zij, zij leidde een voorbeeldig leven, verspreidde weldaden om zich heen en stierf in hoogen ouderdom, gezegend door al wie haar gekend had.
De Heer Hoofdofficier Huyck en zijn brave gade hadden het geluk, meest al hun kinderen en zelfs ettelijke hunner kleinkinderen gehuwd en in goeden doen te zien. Uit den aanvang van het Handschrift kan men zien, dat het Ferdinand en den zijnen voorspoedig was gegaan: en nog zijn hun nakomelingen in Amsterdam en elders geacht en gezien. Ook Mevrouw Reynhove leefde zeer gelukkig met haar man, die, gelijk men heeft kunnen opmerken, innerlijk veel beter was dan hij zich oppervlakkig had doen kennen. Zij wist hem met verstand te leiden en tot een nuttig en werkzaam leven op te wekken: hij zeide dan ook, na zijn huwelijk, of reeds vroeger aan alle slempmalen en wilde partijen vaarwel, klom tot hooge eereambten op en bewees den Staat belangrijke diensten.
Caspar Weinstübe, na vruchteloos gepoogd te hebben, zich toegang te verschaffen tot de hoogere kringen der maatschappij, en zich daar een echtvriendin te zoeken, toch niet ongehuwd willende sterven, trouwde met zijn keukenmeid, bij wie hij ettelijke kinderen verwekte, die, betere opvoeding ontvangende dan hem te beurt was gevallen, hun geringe afkomst langzamerhand deden vergeten: ook zij wonnen geld, en hun nageslacht verkeert thans dagelijks met die familiën, wierbekäntschafftde wellust van Caspar zoû hebben uitgemaakt.
Van den Makelaar Velters heb ik weinig kunnen vernemen. Alleen blijkt mij uit een oud adresboekje, dat hij in de laatste helft der vorige eeuw Kerkmeester van de Ooster Kerk en dus nog in leven was. Hij schijnt wijselijk de poëzie voor meer winstgevende werkzaamheden te hebben laten varen: althans gedichten van hem zijn mij nooit voorgekomen. DeMengelingenvan Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. Gerustelijk mag men aannemen, dat hij het dubbele huwelijk, waar het verhaal mede sluit, zal bezongen hebben, en dat Tante Van Bempden niet achterlijk gebleven zal zijn, om te dier gelegenheid een luisterrijk feest te geven.
Zacharias Heynsz ging ijverig voort met aan de Justitie trouwe diensten te bewijzen: met de aanvaarding zijner nieuwe betrekking zeide hij het schilderen vaarwel: en de kunst heeft er niet bij verloren.
Eindelijk kan ik hier nog bijvoegen, dat, volgens getuigenis mijner vrienden, een afstammeling van kleinen Simon den Marskramer, die sterk verdacht wordt gehouden van, op het voetspoor zijns voorvaders, der Politie bijwijlen ten dienste te staan, nog dagelijks op het Schapenplein te zien is, 's winters met een vuurtest, 's zomers met een schoenenbak, al roepende: "gheen dijt rijk, zoo waar solje ghesond blijven."
Marie Stauffacher.
INHOUD
INLEIDING
HOOFDSTUK 1.
Waarin, onder meer andere wetenswaardige zaken, het portret van den held dezer geschiedenis gevonden wordt.
Waarin, onder meer andere wetenswaardige zaken, het portret van den held dezer geschiedenis gevonden wordt.
HOOFDSTUK 2.
Waarin men lezen zal, wat in en voor de herberg te Zoest voorviel.
Waarin men lezen zal, wat in en voor de herberg te Zoest voorviel.
HOOFDSTUK 3.
Waarin wordt bewezen, hoe gevaarlijk het is zonder parapluie uit te gaan, en de beschrijving gevonden van een mooi meisje en een mooien koepel.
Waarin wordt bewezen, hoe gevaarlijk het is zonder parapluie uit te gaan, en de beschrijving gevonden van een mooi meisje en een mooien koepel.
HOOFDSTUK 4.
't Geen verhaalt wat me verder in den koepel voorviel.
't Geen verhaalt wat me verder in den koepel voorviel.
HOOFDSTUK 5.
Hetwelk bange lieden bij avond niet moeten lezen.
Hetwelk bange lieden bij avond niet moeten lezen.
HOOFDSTUK 6.
Waarin onze held voor de tweede reis op denzelfden dag gevaar loopt van zijn hart te verliezen.
Waarin onze held voor de tweede reis op denzelfden dag gevaar loopt van zijn hart te verliezen.
HOOFDSTUK 7.
Vermeldende, wat de heer Bos aan Ferdinand vertelde, en hoe deze per slot nog even wijs bleef, gelijk ook het geval met den lezer zal zijn.
Vermeldende, wat de heer Bos aan Ferdinand vertelde, en hoe deze per slot nog even wijs bleef, gelijk ook het geval met den lezer zal zijn.
HOOFDSTUK 8.
Waarin meer geredeneerd dan gedaan wordt.
Waarin meer geredeneerd dan gedaan wordt.
HOOFDSTUK 9.
Behelzende het verhaal eener schuitreis van Naarden naar Amsterdam.
Behelzende het verhaal eener schuitreis van Naarden naar Amsterdam.
HOOFDSTUK 10.
Waarin verhaald wordt, hoe Ferdinand te huis kwam en hoe hij insliep, welk voorbeeld de lezer mag volgen, zoo het hem goeddunkt.
Waarin verhaald wordt, hoe Ferdinand te huis kwam en hoe hij insliep, welk voorbeeld de lezer mag volgen, zoo het hem goeddunkt.
HOOFDSTUK 11.
Hetwelk ettelijke politie-geheimen aan den dag brengt.
Hetwelk ettelijke politie-geheimen aan den dag brengt.
HOOFDSTUK 12.
Waarin men nadere kennis maakt met de leden des familie en waarin tante Letje een confituurvlek op haar halsdoek bekomt.
Waarin men nadere kennis maakt met de leden des familie en waarin tante Letje een confituurvlek op haar halsdoek bekomt.
HOOFDSTUK 13.
Behelzende, hoe Suzanna en Ferdinand harrewarren, en hoe de laatste in een welkomstdicht verheerlijkt wordt.
Behelzende, hoe Suzanna en Ferdinand harrewarren, en hoe de laatste in een welkomstdicht verheerlijkt wordt.
HOOFDSTUK 14.
Waarin Ferdinand op cognac onthaald en tegen wil en dank in nieuwe avonturen gesleept wordt.
Waarin Ferdinand op cognac onthaald en tegen wil en dank in nieuwe avonturen gesleept wordt.
HOOFDSTUK 15.
Vermeldende, hoe Ferdinand en Suzanna uit logeeren gingen en wat er op Heizicht gebeurde.
Vermeldende, hoe Ferdinand en Suzanna uit logeeren gingen en wat er op Heizicht gebeurde.
HOOFDSTUK 16.
Waarin verhaald wordt, wien Ferdinand in de kerk zag: en welke gasten op Heizicht kwamen eten.
Waarin verhaald wordt, wien Ferdinand in de kerk zag: en welke gasten op Heizicht kwamen eten.
HOOFDSTUK 17.
Verhalende, hoe Zwarte Piet Ferdinand met een commissie belastte en hoe Suzanna een grooten koek trok.
Verhalende, hoe Zwarte Piet Ferdinand met een commissie belastte en hoe Suzanna een grooten koek trok.
HOOFDSTUK 18.
Waarin Ferdinand op zijn kantoor geïnstalleerd, en, als Krelis Louwen, op een poëtenmaal wordt genoodigd.
Waarin Ferdinand op zijn kantoor geïnstalleerd, en, als Krelis Louwen, op een poëtenmaal wordt genoodigd.
HOOFDSTUK 19.
Bevattende 't geen er op de dichterlijke samenkomst bij Helding verhandeld werd.
Bevattende 't geen er op de dichterlijke samenkomst bij Helding verhandeld werd.
HOOFDSTUK 20.
Waarin verhaald wordt, wie de heer in 't karmozijn was, en hoe deerlijk Ferdinand er zich in werkte.
Waarin verhaald wordt, wie de heer in 't karmozijn was, en hoe deerlijk Ferdinand er zich in werkte.
HOOFDSTUK 21.
Waarin eenige oude kennissen weder op het tooneel verschijnen en een paar nieuwe worden ingevoerd.
Waarin eenige oude kennissen weder op het tooneel verschijnen en een paar nieuwe worden ingevoerd.
HOOFDSTUK 22.
Hetwelk aantoont, dat men niet naar de Oost-Indien behoeft te varen, om schipbreuk te lijden.
Hetwelk aantoont, dat men niet naar de Oost-Indien behoeft te varen, om schipbreuk te lijden.
HOOFDSTUK 23.
Vermeldende hoe dames voor spoken worden aangezien, en wat de schipbreukelingen al zoo verder deden om een verkoudheid te voorkomen.
Vermeldende hoe dames voor spoken worden aangezien, en wat de schipbreukelingen al zoo verder deden om een verkoudheid te voorkomen.
HOOFDSTUK 24.
Hetwelk over 't geheel van een vrij sentimenteelen aard is; doch vrij slaperig eindigt.
Hetwelk over 't geheel van een vrij sentimenteelen aard is; doch vrij slaperig eindigt.
HOOFDSTUK 25.
Hetwelk een vervolg is op het vier-en-twintigste.
Hetwelk een vervolg is op het vier-en-twintigste.
HOOFDSTUK 26.
Waarin geleerd wordt, hoe men best oude paarden verkoopt, en jonge bederft.
Waarin geleerd wordt, hoe men best oude paarden verkoopt, en jonge bederft.
HOOFDSTUK 27.
Waarin onze held in nieuwe onaangenaamheden wordt gewikkeld.
Waarin onze held in nieuwe onaangenaamheden wordt gewikkeld.
HOOFDSTUK 28.
Waarin leelijke donderbuien boven het hoofd van Ferdinand samenpakken.
Waarin leelijke donderbuien boven het hoofd van Ferdinand samenpakken.
HOOFDSTUK 29.
Vermeldende wat er ten huize van den notaris Bouvelt voorviel.
Vermeldende wat er ten huize van den notaris Bouvelt voorviel.
HOOFDSTUK 30.
Hetgeen langer dan het voorgaande, en niet meer of minder belangrijk wezen zal.
Hetgeen langer dan het voorgaande, en niet meer of minder belangrijk wezen zal.
HOOFDSTUK 31.
Waarin het gedrag van Mejuffrouw Blaek ten opzichte van Ferdinand wordt verklaard en de vader van Amelia weder op de proppen komt.
Waarin het gedrag van Mejuffrouw Blaek ten opzichte van Ferdinand wordt verklaard en de vader van Amelia weder op de proppen komt.
HOOFDSTUK 32.
Waarin overtuigend bewezen wordt, dat de behendigste vogelaar ook wel eens vogels laat ontsnappen.
Waarin overtuigend bewezen wordt, dat de behendigste vogelaar ook wel eens vogels laat ontsnappen.
HOOFDSTUK 33.
Vermeldende, wie Ferdinand in den beurtman aantrof, hoe hij op Terschelling aankwam en welke zonderlinge ontmoeting hij aldaar had.
Vermeldende, wie Ferdinand in den beurtman aantrof, hoe hij op Terschelling aankwam en welke zonderlinge ontmoeting hij aldaar had.
HOOFDSTUK 34.
Waarin verhaald wordt, hoe de thee aan boord van de Kjöbenhavn werd gebracht, en den lezer vele verrassingen worden voorbereid.
Waarin verhaald wordt, hoe de thee aan boord van de Kjöbenhavn werd gebracht, en den lezer vele verrassingen worden voorbereid.
HOOFDSTUK 35.
Waarin de geschiedenissen van de heeren Bos, Van Beveren, den Vliesridder, den Baron van Lintz, den Graaf van Talavera, den Zeeroover Don Manoël enz. enz. worden verhandeld, en hetgeen evenwel, wat de lengte betreft, mee zal vallen.
Waarin de geschiedenissen van de heeren Bos, Van Beveren, den Vliesridder, den Baron van Lintz, den Graaf van Talavera, den Zeeroover Don Manoël enz. enz. worden verhandeld, en hetgeen evenwel, wat de lengte betreft, mee zal vallen.
HOOFDSTUK 36.
Waarin zich het oude spreekwoord bevestigd vindt, dat men geen hei moet roepen, eer men over den dam is.
Waarin zich het oude spreekwoord bevestigd vindt, dat men geen hei moet roepen, eer men over den dam is.
HOOFDSTUK 37.
Waarin treurige en indrukwekkende tooneelen voorkomem, gelijk men die somtijds in het dagelijksche leven, maar zeer dikwijls in romans en versierde geschiedenissen aantreft.
Waarin treurige en indrukwekkende tooneelen voorkomem, gelijk men die somtijds in het dagelijksche leven, maar zeer dikwijls in romans en versierde geschiedenissen aantreft.
HOOFDSTUK 38.
Waarin onze held zich volstrekt niet op zijn gemak bevindt.
Waarin onze held zich volstrekt niet op zijn gemak bevindt.
HOOFDSTUK 39.
Hetwelk bekentenissen en sterfbedden afschetst: zeer melancholiek om te lezen.
Hetwelk bekentenissen en sterfbedden afschetst: zeer melancholiek om te lezen.
BESLUIT