"Nooit zag men rijker glans van zilveren blazoenen,En gouden wapenen en paarsen, gelen, groenen."
"Nooit zag men rijker glans van zilveren blazoenen,En gouden wapenen en paarsen, gelen, groenen."
Ik kon mij niet onthouden te meesmuilen over deze twee regels, die, behalve dat zij vermoedelijk weinig dichterlijke waarde bezaten, zoo duidelijk bewezen, dat de dichter geen woord van zijn onderwerp verstond.
"Ja," voegde de treurpoëet er op zijne beurt bij: "althans tegenwoordig,
Nu elk, gelijk voorheen verwaande Phaëton,Die trotsche voerman van de kleppers van de zon,Of als Salmoneus, die den Dondergod braveerde,De zweep in handen neemt, schoon hij nooit mennen leerde.
Nu elk, gelijk voorheen verwaande Phaëton,Die trotsche voerman van de kleppers van de zon,Of als Salmoneus, die den Dondergod braveerde,De zweep in handen neemt, schoon hij nooit mennen leerde.
"Heerlijk! fraai gezegd!" riepen allen om strijd.
"Nou! 't zel mijn hard ontgaan," zeide degrappige duivel, in zijn plat Amsterdamschen tongval, "of Jaap de aschkarreman zel mettertijd ook nog een wapen op zijn kar motten hebben."
Deze snedige zet werd met het gewone gejuich ontvangen.
"'t Is juist zooals gij zegt," zeide Heynsz: "de klanten, bij wie ik verdien het meest, zijn niet de adellijke of patricische familiën, maar die champignons van fortuin, die, zoodra zij hebben overgewonnen geld genoeg om te houden rijtuig, zijn van begrip, dat een geschilderd wapen is even onmisbaar daarop als een L op de deur van een Lidmaat of een klopper op die van een Haarlemmer kraamvrouw."
"Maar," vroeg Velters: "hebben zij recht, die wapenen te voeren? Ik dacht dat dit alleen den adel toekwam."
"Welmon ami!" antwoordde Heynsz: "leven wij niet in een vrije republiek? En wat bekreunen zich daarover de Heeren Staten, of er inwoners zijn, die gelieven aan te stellen zich als gekken? En dan, men weet hier in 't generaal zoo weinig af van blazoen" (hier sloeg hij een zijdelingschen blik op den beschrijvenden dichter), "dat de domme menigte bewondert en slechts enkele verstandigen ophalen de schouders."
"t Moet ons toch tot spot doen strekken bij den vreemdeling," zeide Velters: "ik ging van den winter eens op een Zondag met een Franschman rond, die de handen van verbazing ineensloeg, toen wij den Dam over en de Nieuwe Kerk voorbijgingen, waar hij al de koetsen zag, die daar stonden te wachten. "J'avais toujours cru," zeide hij, "que les Hollandois étaient un peuple de commerçans et de bourgeois; mais, voyant toutes ces armoiries, je m'aperçois qu'il y a des nobles ici comme à Venise."—Maar hoe vermeerderde zijn verwondering, toen hij, naderbij komende, sommige dier wapenen met grafelijke en hertogelijke kronen zag prijken, en eindelijk zelfs een paar helmen gewaarwerd, met negen viziergaten, gelijk alleen een Koning die voeren mag. Toen keek hij mij aan, als wilde hij mij vragen of de menschen hier mal waren geworden: ik haalde de schouders op. Wat zou ik gezegd hebben?"
"Doet er dat wat toe, hoe zoo'n helm er uitziet?" vroeg de beschrijvende dichter aan zijn buurman.
"Niet lang geleden," hervatte Heynsz, "kreeg ik een grasmof bij mij, die met twee zesthalven in zijn zak is gekomen naar dit land en bijeengeschraapt heeft een fortuin zooals weinige lieden bezitten: die bestelde mij een wapen op zijn koets: "maar 't zol schön wèzen moeten", zeide hij: "kijk! zoo in dezenart," en meteen rolde bij uit een perkament, dat hij gevonden had, op de een of andere verkooping, en op 't welk blonk, met al zijn quartieren en ornamenten het wapen des Konings van Spanje. Ik wilde den man niet geheel laten rijden voor mal, en zeide hem, dat ik niet volgen kon precies het model dat hij mij gaf, omdat zulks afbeeldde het wapen van een koninklijk persoon, doch dat hij zoude zijn content. Ik verhakstukte dan de ruiten en lieren zoo wat en maakte een wapen, waar Ménetrier niets van zou hebben begrepen. Onze maat was wonderwel in zijn schik; maar toch had ik vergeten een ding! "die goldene ketten," zeide hij: "die fehlde daaran." Ik begreep in 't eerst niet wat hij meende; maar naderhand werd het mij klaar, dat hij bedoelde de orde van 't Gulden Vlies, die versiert het Spaansche wapen en welke hij zich voorstelde, te zullen maken op het zijne geen onaardige uitwerking. Ik had alle moeite om te beduiden aan hem, dat de Keizerlijke en Spaansche gezanten beiden zouden reclameeren tegen zulk een aanmatiging, en voldeed hem eindelijk, door hem te beloven, dat ik zoude vergoeden dit gemis door het bijschilderen van twee wildemannen alstenants, welgewapend met knotsen."
"Je hadt ze lieverzeisenin derlui pooten motten geven," zeide dekoddige snaak: "dat ware naar den aard geweest."
Onder dit praten was de tijd gekomen, waarop de eigenlijke werkzaamheden moesten aanvangen. Het bleek mij nu, dat het de gewoonte bij deze Heeren was, om beurtelings een soort van prijsstof op te geven, welke door anderen beantwoord werd. De antwoorden werden door den opgever beoordeeld en daarna door de vergadering onderzocht, geanatomiseerd, gelikt, beschaafd en ten slotte onkenbaar gemaakt.
De prijsstof, waarover thans geschreven was, luidde als volgt:
"Wat doet in Hollands tuin het best de boomen groeien?Het mesten of het snoeien?"
"Wat doet in Hollands tuin het best de boomen groeien?Het mesten of het snoeien?"
Ofschoon mij, hoewel geen poëet zijnde, de zin dezer vraag zeer duidelijk voorkwam, waren er, tot mijn verwondering, slechts twee onder deze vernuften, die begrepen hadden, dat de opgever door boomen de ingezetenen van ons Gemeenebest had bedoeld en dat de tweede zin in denzelfden figuurlijken zin moest worden opgevat. Doch met dat al ware het nog maar te wenschen geweest, dat deze twee liever de vraag letterlijk hadden verstaan; want hunne redeneering, in slechte rijmen vervat, toonde genoegzaam aan, dat de goede lieden geen de minste denkbeelden hadden van hetgeen tot de huishouding van den Staat behoort.
De opgever had zijn taak insgelijks vervuld, door elke oplossing in een bijzonder versje te recenseeren; terwijl zijn conclusie was, dat hij, uithoofde der treffelijke verdiensten, welke al de antwoorden bezaten, het voorstel deed, den prijs te deelen tusschen de twee medeleden, die zijn vraag het best begrepen hadden. Dit vond algemeene goedkeuring: te meer daar de prijs uit een schellingskoek bestond en dus zeer deelbaar was. Ik was intusschen eenigszins verwonderd, dat Velters, naar het scheen, niet medegedongen had; maar hij gaf kort daarna te kennen, dat hij zich met zulke fijne dichtgeesten niet in een wedstrijd had durven wagen en dus eerst nu, na de bekroning, voor den dag zoude komen met zijn beantwoording. Hij las ons hierop een stukje voor, hetwelk mij althans beter beviel dan al wat ik van de overigen gehoord had. Hij gaf bij den aanhef te kennen, dat hij den zin der vraag wel verstaan, doch het eenigszins ongepast geoordeeld had, met zijn weinige ondervinding, over politieke zaken te schrijven, en dus verkozen had, de vraag in dien geest op te vatten, als ware die op de dichtkunst toepasselijk: in welken zin hij een, naar mijn oordeel, zeer aardige uitwijding had gemaakt, waarin hij de dichters bij boomen vergeleek, die gemest en gevoed moeten worden met kennis en studie, en slechts dan gesnoeid moeten worden, wanneer hun al te groote weelderigheid aan het behoorlijk rijpen hunner dichtvruchten nadeel sticht, of wanneer zij anderen in hun groei of wasdom hinderlijk zijn, enz. Het werk van Velters werd echter, misschien omdat het veel beter was dan de rest, minder toegejuicht en alleen met een soort van aanmoediging beloond, welke in mijn oog iets vernederends had.
Vervolgens ging men aan het beoordeelen en schiften der uitdrukkingen, in de voorgedragen verzen gebezigd: elk gezegde werd op drie of vier wijzen omgezet en bijna elk bijvoeglijk naamwoord door een ander vervangen, totdat langzamerhand alle zweem van oorspronkelijkheid verdwenen was. Ik kon mij niet onthouden bij deze gelegenheid gedurig te denken aan het briefje in denBourgeois gentilhomme, en ik kwam, evenals deze, tot de slotsomque la première façon de dire est sans contredit toujours la meileure.
Daarna werd er gevraagd, of geen der aanwezigen iets bij zich had, waar hij het gezelschap op vergasten kon. Deze vraag was overbodig, want ieder had de zakken vol en zat slechts op een gunstig sein te wachten om zijn kinderen aan 't licht te brengen, schoon zelfs dan niet als schoorvoetende en onder herhaalde betuigingen, dat het niet de moeite waardig ware er de aandacht van zulke fijne vernuften mede te vermoeien. Het eerst was onze heldendichter aan de beurt, die, na de pijp neergelegd, gehoest en zich gesnoten te hebben, eenige vrij groote vellen uit zijn zak haalde, en aan de vergadering mededeelde, dat hij een lijkzang zoude voordragen, "op het noodlottig verscheiden van zekeren krijgsoverste, die kort te voren (schoon niet op het veld van eer, want het was aan een maaltijd) het offer van den dood geworden was." Na een vrij lange voorafspraak, ving hij aan. In zijn gedicht, dat ongemeen hoogdravend was, versierde hij zijn held, die, zooverre ik weet, nooit kruit geroken had, maar zijn rang alleen doorancienneteitverworven had, met alle militaire verdiensten, en stelde hem met Turenne, Marlborough en Prins Eugenius gelijk.
Na dit fraaie stuk, hetwelk de algemeene goedkeuring verwierf, brak de stroom los, en regende het van alle zijden lijk-, geboorte-, huwelijks- en verjaardichten; terwijl onze boertige poëet mede niet achterbleef, maar ons nu en dan een epigram van zijn maaksel opdischte, waar men al om lachte eer hij nog iets gezegd had, ofschoon er niets aan ontbrak als de punt, welke hij echter vergoedde, door op de plaats, waar die behoorde te vallen, zelf in een schaterend gelach uit te barsten. Een staaltje van deze voortbrengselen zij hier genoeg om de rest te beoordeelen.
Aan een Burgemeester.Al wordt gijachtbaar, ja ookzestienbaargeheeten,Toch wordt u, zijt gij dood, slechtsééne baargemeten.
Aan een Burgemeester.
Al wordt gijachtbaar, ja ookzestienbaargeheeten,Toch wordt u, zijt gij dood, slechtsééne baargemeten.
Toen elk zijn beurt had gehad, werden Heynsz en ik evenzeer uitgenoodigd om tot het algemeen genoegen bij te dragen. Vergeefs verschoonde ik mij: men stond er op: ik moest mijn gelag betalen zoowel als de anderen: ik zoude ongetwijfeld ook wel eenmaal in mijn leven aan de Zanggodinnen geofferd hebben, enz. Terwijl ik, met de zaak verlegen, niet wist, hoe ik er mij uit redden zoude, schoot mij een vierregelig versje te binnen, dat ik in een Hoog-duitsch boek gelezen had, en waaraan zin noch slot was. Ik weet niet welke goede of booze geest mij inblies, dat dit stukje een goede uitwerking zou doen, en na het, met verbazing over mijn eigen vlugheid, bij mijzelf in 't Nederduitsch vertaald te hebben (waartoe het zich gereedelijk voegde) dreunde ik het op:
Snedig antwoord:"Zeg Piet, hebt gij dat nieuwe werk gelezenVan Bonifaas? Men zegt het wordt geprezen."Dus vroeg eens Hein. Toen sprak de spotter Piet:"Neen beste Hein! gelezen heb ik 't niet."
Snedig antwoord:
"Zeg Piet, hebt gij dat nieuwe werk gelezenVan Bonifaas? Men zegt het wordt geprezen."Dus vroeg eens Hein. Toen sprak de spotter Piet:"Neen beste Hein! gelezen heb ik 't niet."
"Dat is verduiveld aardig!—wat is dat fijn!—daar zit wat in!—nu, die kan menigeen in zijn zak steken!"—en honderd andere loftuitingen meer begroetten dit epigram, waarin ieder overtuigd was, dat een bijtende satyre lag opgesloten; ofschoon geen van allen natuurlijk wist waar, maar elk hield zich, of hij die begreep. Alleen dedrollige kwant, 't zij uit jaloezie, 't zij dat hij gemerkt had, dat ik spotte, voegde zijn lof niet bij die der overigen, maar zag mij aan of hij mij had willen verslinden.
Wat Heynsz betrof, deze bleef ernstig volhouden, dat hij geene verzen kon voordragen; doch, zoo men zich daarmede tevreden wilde stellen, wel een avontuur uit zijn merkwaardigen levensloop kon mededeelen. Dit voorstel werd aangenomen en nu deed hij de vraag:
"Hebben de Heeren wel ooit gehoord van mijn zonderlinge ontmoeting met den beroemden Cartouche?"
"Neen! neen!" klonk het als uit éénen mond: en allen zwegen en schoven hunne stoelen bij en zagen met aandachtige belangstelling naar den man, die op het voorrecht bogen mocht, van Cartouche te hebben gezien.
"Wel!" zeide Heynsz: "het is nu een goede dertig jaar geleden, ik reisde van Lyon naar Parijs, in vrij berooid equipage en met schraal voorziene beurs of liever met in 't geheel geen beurs en levende van hetgeen de goede lieden mij schonken om Gods wille, etende (als de papa van Uilenspiegel) als ik wat had en vastende als ik net niet had: en meestentijds slapende onder den blauwen hemel. Eens op een nacht gebeurde het, ik weet niet in welk dorp, dat ik genomen had mijn legerstede op een mesthoop aan den weg, (hetgeen inparenthésegezegd, het warmste bed is, dat men hebben kan), en dat ik sliep heel gerust, toen ik wakker werd van een groot licht, dat mij scheen in de oogen, en recht over mij zag ik een huis staan in brand, een groot huis voor een dorp: ik geloof, dat daarin woonde de Notaris of de Schout:—nu dat'ségal. Ik stond op: er was al volk op de been: en spoedig bood iedereen hulp met water dragen, met brandspuiten, etcetera. De bewoner van het huis zat al op straat met een gebranden voet, in zijn nachtjak en zonder dat hij had gehad den tijd te redden een kleinigheid of zelfs meer aandoen dan een oude pantoffel ... nu, 't was zomernacht en het vuur maakte ons heet genoeg: hij zal niet gevat hebben kou, hoewel hij beefde als een juffershondje. Bij hem stond zijn vrouw, of liever lag zijn vrouw; want zij kreeg gedurig toevallen. 't Eene was pas over of 't andere kwam op. De man deed niets als te wringen zijn handen en te roepenmon Dieu! mes enfans!—want zijn kinderen waren nog in het brandende huis; maar zoowel hij als zijn vrouw waren te veel in de war om te zeggen waar zich de arme wichten bevonden, en niemand had de courage om te gaan in het groote huis en te zoeken daar in den blinde. Terwijl wij daar waren bezig, daar komt een Heer, welgekleed met een karmozijnen rok aan, en berijdende een fraai zwart paard, en hoorde den papa, en ook de mama, zoo dikwijls zij weer bijkwam, schreeuwen om haar arme kinderen. "Allons!" riep hij: "twintiglouis d'orvoor dengenen, die toont de courage en redt die arme kinderen."—Er waren er terstond een stuk vijf zes, die wilden naar binnen; maar de vlam sloeg er uit met zulk een geweld, dat zij terugsprongen van schrik. Toen vroeg de vreemde Heer weder aan den kermenden papa: "zeg eens," zeide hij: "is er geene andere deur en waar zitten die kinderen ergens?"—"Ah ma foi!" zeide de arme vader, die weer bij zijn positieven kwam: "er is de tuindeur; maar die is gesloten van binnen: en nu ik mij bezin,pauvre malheureux que je suis!ik heb ook opgesloten die arme schapen in hun kamer: omdat de eene issomnambule,"... slaapwandelaar, zeggen wij, geloof ik.—N'est-ce que ça?" vraagt de vreemdeling. "Qui m'aime me suive." En klets! springt hij met paard en al over de hegge in den tuin: en ik hem achterna, met wel tien anderen. Maar daar stort een brandende balk en een stuk van het dak tusschen ons naar beneden, dat de meesten het opgaven, althans ik was de eenige, die met den ruiter aan 't achterhuis bij de tuindeur kwam. "Vous êtes un brave," zeide hij: "zult gij mij assisteeren?"—zal ik," zeide ik: "maar hoe zullen wij openkrijgen die huisdeur, die van binnen gesloten is?"—"Bah!" zeide hij: en hij keek mij aan, alsof ik gedaan had de onnoozelste vraag van de wereld, terwijl hij meteen tastte in zijn zak en daaruit waarschijnlijk haalde een breekijzer: althans in een oogenblik waren de hengsels uit de deur en de deur omgehaald. Toen sprong hij van 't paard, trok uit rok en vest en liep naar binnen en ik hem achterna. Dit gedeelte van 't huis was nog ongedeerd door het vuur; maar er was rook genoeg om gevaar te loopen van te stikken: en wij zouden niet geweten hebben waarheen ons te wenden, hadden wij niet gehoord de stem van een kind, dat huilde en om hulp schreeuwde: "C'est ici!" zeide de vreemdeling en één, twee drie had hij opengeveterd eene kamerdeur: wij traden binnen en al tastende in het donker op het geluid af vonden wij eerst een jongetje: en toen werd het vertrek verlicht door de vlam en zagen wij ook een meisje, dat half gestikt op den grond lag. Maar nu moesten wij terug en dat was een moeielijker geval. De tocht, die woei door de opene achterdeur, had weder erger gemaakt den brand en de toegang was ons versperd van dien kant. Nu haastten wij ons open te maken het raam: ik sprong er uit en mijn kameraad gooide mij eerst de kinderen één voor één toe en volgde toen mijn voorbeeld. Ik dacht, wij zouden nu terugkeeren bij de ouders; maar de vreemdeling hield mij staande en vroeg wie ik was. "Een arme drommel," zeide ik, "een vreemde zwerver, die niets bezit."—"Tant mieux," zeide hij: "haast u, eer iemand komt: ik moet vluchten om eenaffaire d'honneur. Trek mijne kleederen aan en geef mij uw kiel. In mijn zakken vindt gij geld genoeg." En zonder er iets bij te voegen, had hij mij mijn kiel van 't lijf gehaald, vlugger dan zoude doen de beste kamerdienaar, die aan zijn lijf getrokken, was op het paard gesprongen, en voort, den tuin door, en weg. Wat zou ik doen? Ik trok rok en vest aan; en pas had ik dat gedaan of er kwam een geheele zwerm menschen opdagen: zij hadden uit den weg geruimd het gevallen puin en een vrijen doortocht tot ons verkregen. Ik bracht de kinderen bij papa en mama: zij zagen mij allen aan voor den vreemden Cavalier: niemand kende mij, en ik hield mij goed en lamenteerde slechts, dat mijn paard mij ontstolen was, terwijl ik mij bevond in het brandende huis. Terwijl wij daar bezig waren, kwamen er een stuk of zes dienaars van de wacht aan te paard van Lyon en in vollen draf. "Aha!" zeide de voorste, zoodra hij mij in 't oog kreeg: "daar hebben wij onzen maat. Nu zult gij ons niet ontsnappen, monsieur Cartouche!"—Met pakten zij mij aan, maar een hunner, die Cartouche waarschijnlijk kende, zeide, toen hij mij nader aanschouwde, dat zij zich bedrogen en dat Cartouche veel ouder was:—Ik was toen even over de twintig. Zij wilden mij echter meepakken, onder voorwendsel dat ik bij mij had geene papieren; maar ik zeide, die waren in mijnportemanteaumet mijn paard voort: en al de dorpelingen namen mijn partij, omdat ik mij zoo goed had geweerd: en 't scheelde niet veel of de dienaars hadden gekregen braaf slaag.—De pastoor van 't dorp kwam mij vragen bij hem te blijven dien nacht: ik nam aan en toen ik mij uitkleedde vond ik in mijn karmozijnen rok een beurs met tweehonderdlouis d'or. Ik verstopte mijn broek, die nietà l'unissonwas, met de rest van mijn toilet, leende een andere van den pastoor, onder voorgeven dat de mijne was gezengd en vol gaten en verliet het dorp den volgenden dag, nagevolgd door de zegeningen van iedereen."
Ik dacht, dat Heynsz er nog bij zou voegen, hoe diezelfde beurs (gelijk ik hooger verhaald heb) hem naderhand noodlottig werd; doch hij hield hier op, keek op zijn horloge en sloop, zoodra het gesprek weder algemeen werd, schier onopgemerkt uit het vertrek.
Intusschen was de koffie, die eerst rondgediend was geweest, sedert lang door den wijn vervangen; en onder de gasten begon een vroolijkheid te heerschen, welke hoe langer hoe luidruchtiger werd. Alle aanmatiging zoowel als valsche zedigheid was geweken, ieder schertste en spotte zonder zich meer te bedwingen; er werden vroolijke liedjes gezongen; de rokken gingen uit: de bedaardsten werden snapachtig en de druksten werden stil: in 't kort, het druivennat begon zijn invloed uit te oefenen, en ik te denken dat het voor mij ook welhaast zaak zou worden, het voorbeeld van Heynsz te volgen en mij stil te verwijderen, toen Helding, die een oogenblik naar buiten was geweest om wijn te halen, weder binnenkwam met het bericht, dat er een Heer in 't portaal was om Heynsz te spreken. Deze was echter zoek: en de meid, geroepen zijnde, verklaarde niet te weten, waar Sinjeur gestoven of gevlogen was. Haar verlegen toon bij dit bescheid, deed mij echter vermoeden, dat de Heer des huizes niet verre af was, maar wellicht met dezen of genen over politie-zaken redeneerde.
"Wij kunnen dien Heer toch niet op de trap laten staan", zeide Helding: "'t schijnt een deftig man: en Heynsz zal wel terugkomen. Wat dunkt u, dat ik hem binnenroepe?"
"Wel ja!" zei de treurpoëet, met de vuist op de tafel slaande, dat al de roemers er van dansten: "hoe meer zielen, hoe meer vreugd."—Ook de overigen keurden goed wat de traktant voorstelde, die dan ook vertrok en na een kort vertoeven terugkeerde, een vreemdeling inleidende met een karmozijnen rok, een zwaar gepoederde pruik, een bril met groote glazen, een stok met een amberen knop en een deftig voorkomen.
"Kom binnen, mijn waarde Heer!" zeide Helding, hem als 't ware binnendringende met een ongemeene drukte: "'t is immers beter in een warme kamer te wachten dan op een tochtig portaal. Een stoel voor Mijnheer. Wees zoo goed en neem plaats. Maak, bid ik u, geen complimenten. Hier! een pijp voor Mijnheer! en een schoonen roemer."
De onbekende beantwoordde al deze beleefdheden met stille buigingen; doch sprak zoo weinig of hij stom ware. Hij vlijde zich in den leunstoel, die hem werd aangeschoven, sloeg beleefdelijk met een beweging der hand de aangeboden pijp af, zag met een vluchtigen blik het gezelschap rond, en haalde toen een zijden doek uit, die waarschijnlijk met welriekende wateren doortrokken was; want hij bracht dien dadelijk voor 't gezicht en berook hem met zooveel welbehagen, dat het wel te bespeuren was, dat hij geen liefhebber was van den tabakswalm.
Zijn komst en nog meer de weinige voorkomendheid van zijn manieren brachten die stilte te-weeg, welke doorgaans op dergelijke bezoeken volgt en niet ongelijk is aan die, welke op een school, waar alles lustig en vrolijk toegaat, bij de komst des meesters ontstaat. Helding bespeurde deze onwelkome stemming, en, als een plichtmatig traktant, deed hij zijn best om de vreugd weder aan te wakkeren.
"Komaan, mijn Heer!" zeide hij, den roemer des onbekenden boordevol schenkende: "sta mij toe, dat ik uwe gezondheid drinke. Misschien is UEd. beteren wijn gewend dan deze; maar wij burgerlui doen het ermede, en wij kunnen u niet meer aanbieden dan wij hebben."
"Dat zei Lys Morsebel ook," zeide depoëta comicus, "en zij smeet haar buurvrouw een handvol vlooien naar 't hoofd."
"Uwe gezondheid, Messieurs!" zeide de vreemdeling, met een schorre stem, zich buigende en zijn glas naar de hoogte brengende, dat hij vervolgens bij kleine tusschenpoozen ledigde.
"Wel!" zeide degrappige duivel, met die gemeenzaamheid, welke onzen burgerstand veelal eigen is: "mijn Heer is, geloof ik, ook bang, dat er hoorntjes en schelpen in zitten."—En, om te toonen, dat hij dezelfde vrees niet koesterde, ledigde hij zijn glas in ééne teug.
"Komt!" zeide Helding: "hoe zit gijlieden allen zoo stil? mijn Heer Huyck! laat ik u eens inschenken. Waar waren wij ook gebleven? Komt! lustig aan en leve de pret!"
Maar de pret laat zich niet gebieden: en allen bleven even stemmig kijken, alsof de glazen voor des vreemdelings oogen de uitwerking van Medusaas hoofd bezaten.
"'t Is of wij hier bij de Kwakers zitten," zeide dedrollige vent: "hoe is het? getuigt de geest niet, Pietje?" (dit was de voornaam van dentragicus) "Je zoudt een liedje zingen."
"Wel ja! komaan! een liedje!" zeide Helding;—maar de Treurpoëet was schor of verklaarde althans het te zijn.
"Kom!" zeide eindelijk dekoddige kwant: "'t is of gijlieden bang zijt, dat mijn Heer u op zal eten: mijn Heer is geen bullebak. Jelui kijkt hem aan, of het Cartouche was, daar Heynsz zoo even van vertelde ... en pots seldrementen! dat is nog al grappig! mijn Heer heeft ook een karmozijnen rok aan."
Deze onhebbelijke uitdrukking, in stede van, gelijk anders de kwinkslagen desgeestigen duivels, de vreugd te doen herleven, maakte op de aanwezigen een onaangename uitwerking: en velen, wier gedachten niet meer helder waren, keken den vreemdeling zoo angstig aan, als of zij werkelijk meenden, dat Cartouche uit de andere waereld onder die gedaante te voorschijn kwam. Wat den man zelf betrof, ik zag dat zijn voorhoofd zich fronste: maar hij zeide niets. Ik begreep inmiddels, dat het meer dan ooit tijd voor mij werd om af te trekken; doch wenschte een tijdstip af te wachten, dat mijn vertrek niet bemerkt zoude worden: en daartoe moest het onderhoud weder levendig worden: ik bood derhalve aan, zelf een liedje te zingen, daar al de overigen dit weigerden: en dit met gretigheid aangenomen zijnde, dreunde ik een barcerolla op, die ik te Venetië van de Gondeliers had gehoord en waarvan ik verzocht, dat men het refrein in koor herhalen zou. Dit had de gewenschte uitwerking: nu raakten de tongen weer los: de een zong voor, de andere na en eindelijk zong alles door elkander, behalve alleen de karmozijngekleede Heer, die, gelijk demalle weergahet uitdrukte, er bij bleef zitten alsDucdalfin 'tDoolhof. Ik maakte van de drukte gebruik en sloop onopgemerkt de deur uit
Terwijl ik, in mijn zak schommelende, de meid riep om haar een fooi te geven, hoorde ik mij zachtjes bij mijn naam noemen. Ik keerde mij om en zag Amelia op de trap staan, die naar haar kamer geleidde.
"Hebt gij een oogenblik tijd voor mij?" vroeg zij, met een gesmoorde, eenigszins bevende stem.
"Kan ik u van dienst zijn?" stamelde ik, insgelijks onthutst en kwalijk tevreden van opnieuw in hare zaken bemoeid te worden.
"Volg mij!" zeide zij, op een toon, die meer gebiedend dan smeekend was: en mij bij de mouw vattende, als wilde zij mij den weg wijzen op de donkere trap, ging zij mij voor naar boven. Ik volgde werktuiglijk: en de Hemel vergeve mij de dwaze gedachten, die op dat oogenblik mijn brein vervulden, en den verkeerden dunk, dien ik van hare voornemens opvatte.
Wij kwamen in haar kamer, waar een licht op de tafel brandde. Zij zette de deur aan, zonder echter de kruk om te draaien, nam toen achter de tafel plaats en wenkte mij tegenover haar te gaan zitten, terwijl zij een stoel, die bij haar stond, wegschoof, als wilde zij zorg dragen dat ik niet naast haar zou komen. Deze voorzorgen en nog meer de waardigheid, over haar geheele wezen, in weerwil van haar blijkbare ontsteltenis verspreid, deden mij blozen over mijn ongepaste vermoedens.
"Ik ben recht verheugd," zeide zij op een haastigen toon, "dat ik u nog aantref. Ik had al een poos op de trap vertoefd en vreesde zoo dat er een ander kwame. En ik moet u zoo noodwendig spreken: ik heb hier toch niemand buiten u in de geheele stad, waar ik op vertrouwen kan."
"Ik hoop," zeide ik, met de meeste koelheid, die ik voor kon wenden: "ik hoop, dat ik in staat zal zijn, uw bezwaren weg te ruimen; maar uw toestand is van zulk een ingewikkelden aard...."
"Om u niet op te houden dan.... Ik moet van hier. Ik kan niet langer in dit huis blijven."
"En welke reden noopt u tot dat besluit?"
"Hoor toe: ik begin te vreezen, dat het een afgesproken werk is ... dat mij hier een strik wordt gespannen ... dat men mij met opzet hierheen gebracht heeft. Die Heynsz ... o, 't is afschuwelijk...! Hij is een verklikker: een geheime dienaar der Justitie."
"Dat wist ik," zeide ik, "maar ik wilde u door de mededeeling daarvan geene ongerustheid baren."
"Hoe! gij wist dit? Hebt gij dan zelf misschien?... maar neen! uw aangezicht is te eerlijk ... foei mij, dat ik zulke gedachten van u voeden zou!—Maar hoor verder en oordeel over mijn angsten. Ik was straks op de trap, om...." hier kleurde zij hevig en zweeg plotseling stil.
"Welnu? om...."
"Niets.—Ik hoorde u juist zingen.—In 't kort, ik was op de trap: daar is een reet in 't beschot:—ik keek er door—en ziet: in een vertrekje, waarvan ik het bestaan niet kende, stond de huisheer, die Heynsz, in gesprek met denzelfden Jood, die mij hier bracht."
"Dien Simon?—Gelukkig kent hij u niet, en weet alleen, dat gij met mij hier gekomen zijt. Hij heeft u niet met uw vader gezien."
"Ach! Gij zoekt mij gerust te stellen," zeide zij, het hoofd schuddende: "maar luister verder: in den beginne verstond ik niets van hun discours; maar langzamerhand merkte ik, dat de Jood aan Heynsz berichten gaf omtrent zekere dievenbende, die zich te Naarden heeft opgehouden. Dit ontstelde mij reeds; maar verbeeld u mijn schrik, toen de Jood, op een vraag, hem door Heynsz gedaan, hem vertelde, dat iemand, wien zij alle moeite deden om te ontdekken, en dien ik aan de beschrijving voor mijn vader herkennen moest, in Zuid-Holland had rondgezworven, zich in 's-Hage had opgehouden en morgen, volgens zijne berichten, met de schuit van Utrecht hier te Amsterdam moest komen."
"Hier! in den muil des leeuws?"
"Oordeel, hoe ik te moede was? Ik hoop nog, dat het niet waar moge zijn: want o! mijn vader is verloren, zoo hij herwaarts komt. Alleen uit zijn bezorgdheid omtrent mij zou ik een zoo onvoorzichtigen stap in hem kunnen verklaren. Doch, hoe dit zij, heb ik niet te vreezen, dat men hem naar dit huis wil lokken om hem in de gespreide netten te vangen? Moet ik mij niet uit deze gevaarlijke plaats verwijderen?"
"Met uw verlof?" vroeg ik, na een oogenblik te hebben nagedacht: "hebt gij voor u-zelve iets te vreezen voor de nasporingen der Justitie?"
"Ik!" antwoordde zij, blijkbaar verwonderd: "wat zou ik met haar hebben uit te staan? of strekt men in dit land vijandschap tegen den vader tot zijn kinderen uit."
"Dat juist niet," hernam ik: "maar er worden soms maatregelen van voorzorg genomen.... Ik zou u afraden, deze kamer vooralsnog te verlaten. Weet men nog niets, dan zou dit alleen argwaan wekken en oorzaak zijn, dat men uwe gangen bespiedde:—is men reeds achter de waarheid gekomen, dan is het toch een onnutte voorzorg en geen verwijdering kan u meer baten. Bovendien: gij schijnt zelve onbewust, waar zich uw vader bevindt. Zoudt gij, ingeval gij van hier gaat, hem kunnen verwittigen, waarheen gij u begeeft? De Heer Bouvelt, die de eenige tusschenkomst schijnt te zijn, is ongesteld: zóó zelfs, dat hij voor niemand te spreken is;—ik weet u geen anderen raad te geven, dan de toekomst met gelatenheid af te wachten."
"Met gelatenheid!" herhaalde zij, oprijzende, en de kamer op en neer gaande: "God! Is dat een mogelijkheid in mijn toestand?—o! het ergste lot ware minder onlijdelijk dan deze verschrikkelijke onzekerheid.—En dat is de eenige troost, dien gij mij bieden kunt?"
"Helaas!" zeide ik, zuchtende: "wat wilt gij, dat ik voor u doe? Wanneer zelfs mijn betrekking als zoon van den Hoofdschout mij niet verbood, krachtdadig voor u werkzaam te zijn, zou niet de zorg voor ons beider goeden naam mij van alle dadelijke bemoeiingen in deze moeten doen afzien, ten einde den laster geen stof te geven om iets schuldigs in mijn deelneming te vinden?"
Dit gezegde van mij was hard en zij gevoelde het diep; want, opeens stilstaande, zag zij mij aan met oogen, waarin zich bij eene hevige verontwaardiging eene diepe smart liet lezen.
"Men had het mij voorspeld," zeide zij met bitterheid, "dat ik in dit land slechts koele harten vinden zou. De laster ... ja voorzeker!— Ziedaar de voorwendselen, waarachter men zich verschuilt, wanneer het er op aankomt zijn naasten een dienst te bewijzen; men zou een mensch zien verdrinken, eer men een vooroordeel opofferde.—Is het niet, omdat de Godsdiensten verschillen, dan is het omdat men voor zijn reputatie vreest.—Maar ik zal u niet langer lastig vallen, Mijnheer Huyck. Ik vraag u om verschooning voor de moeite, die ik u veroorzaakt heb."
"Mejuffrouw!" zeide ik, niet zonder verlegenheid: "ik heb u onwillig beleedigd:—en, God weet het, dat was verre van mijn voornemen.—Gij hebt, en hier in dit vertrek, en ten huize mijner tante, naar ik geloof, kunnen bespeuren, dat ik, zoodra het in mijn vermogen stond, bereid was u van dienst te zijn. Waarlijk ik heb een innig medelijden met uw toestand en wenschte slechts, dat iemand mij kon zeggen, wat mijn plicht ware, en hoe ik tot uw voordeel handelen kan?"
"Gij hebt gelijk," zeide zij, zich een traan uit de oogen wisschende: "en ik ben het, die onbillijk en ondankbaar ben. Gij hadt, na al wat gij voor mij gedaan hebt, iets beter dan verwijtingen van mij verdiend. En uw tante ook, zij is zoo goed, zoo minzaam jegens mij geweest.—Ach! zoo mijn vader het mij slechts veroorloofde ... hoe gaarne zou ik haar de vertrouwde van mijn lijden maken.—Zij zou mij bijstaan, daar ben ik zeker van, mij uit dit huis helpen, waar alles mij doet beven: mij verlossen van de onbescheidene aanzoeken van den Heer Blaek, die mij geen oogenblik met rust laat."
"Hoe!" riep ik uit: "heeft hij opnieuw pogingen gedaan om u te spreken?"
"'t Is vruchteloos," zeide zij, "of ik hem zijne brieven en geschenken terugzend: den volgenden dag vind ik die weder op mijne kamer liggen: hij moet hier in huis medeplichtigen hebben. Zie wat hij mij durft zenden."
Dit zeggende, rukte zij met drift een lade open en haalde er een fraai garnituur uit, hetwelk zij voor mij op tafel neerlei: "En dan zijne brieven," vervolgde zij, "waarin hij mij voorslagen doet, die ik mij schamen zou te herhalen! O! ik ben diep ongelukkig."
Hier zegevierde de droefheid over haar kracht van geest: zij bracht den zakdoek voor de oogen en snikte luide. Ik was opgestaan om de juweelen te bezichtigen. Zij stond naast mij en boog onwillekeurig het hoofd voorover, zoodat het op mijn schouder te rusten kwam. Mijn toestand werd netelig: en ik wist niet, hoe ik best daar vandaan zoude geraken, toen wij opeens menschen de trap hoorden opkomen.
Amelia trad sidderend ter zijde. "Mijn God!" riep zij: "zou men hier komen? op dit uur!"
"Hierheen, Mijnheer Van Beveren!" zeide de stem van Heynsz; de deur ging open en de gepoeierde Heer met den karmozijnen rok trad binnen, door Heynsz gevolgd.
"Ik ben het, Amelia!" zeide de Heer Bos (want hij was het zelf): "ik wist niet," voegde hij er op een gestrengen toon bij: "dat gij gezelschap hadt."
Amelia stond als verplet. Zij wrong de handen en zag haar vader aan, met oogen, waarin een onbeschrijfelijke angst was uitgedrukt. Wat Heynsz betrof, hij meesmuilde achter den rug van den Heer Bos en hief spotachtig dreigend den vinger tegen mij op; maar ik was onzeker, of de vroolijke uitdrukking van zijn gelaat teweeggebracht was door zijn blijdschap, dat hij den man, dien hij zocht, in de knip had, of wel alleen uit zekere schalksche vreugde ontstond, dat ik door Amelia's vader zoo te onpas verrast werd.
"Ja mijn kind!" vervolgde de Heer Bos, waarschijnlijk om haar gerust te stellen: "gij hadt mij zoo vroeg niet verwacht; maar ik heb mijn zaken spoediger gedaan gekregen dan ik gehoopt had: en daarenboven is mij, gelijk ik den Heer Heynsz verteld heb, een onaangenaam avontuur overkomen, dat mij wel noodzaakte mijn komst alhier niet langer uit te stellen. Ik merk ook," vervolgde hij met een verheffing van stem en terwijl hij mij scherp aanzag, "dat het tijd werd dat ik kwame."
"Met uw verlof," zeide Heynsz, tusschen beiden tredende: "deze Heer is de Heer Huyck, zoon van onzen achtbaren Hoofdofficier en een eerlijk cavalier, wien Mejuffer zich niet behoeft te schamen van te kennen."
"Met uw verlof," zeide Bos, zich naar Heynsz keerende en op een hoogen toon sprekende, welke mij vreemd genoeg voorkwam jegens iemand, van wien hij zooveel te duchten kon nebben: "ik ben zelf de beste beoordeelaar der kennissen, welke het mijne dochter betaamt te onderhouden: en, terwijl hetgene ik deswege met haar te spreken heb best zonder getuigen wordt afgehandeld, zal ik de vrijheid nemen u te verzoeken...." hier wees hij op de deur met een gebiedenden wenk.
"Niets is billijker," zeide Heynsz, eenigszins overbluft: "ik zal u niet storen:" en meteen verliet hij het vertrek. Ik stond onzeker of ik hem volgen of blijven zoude.
"Blijf Mijnheer!" zeide Bos: "ik heb een woord met u te spreken."
"O God! mijn vader!" zeide Amelia, met een gesmoorde stem, terwijl zij hem omklemde: "wat hebt gij verricht? Weet gij welke onvoorzichtigheid gij begaat? wie de man is, die de kamer daar verlaten heeft?"
"Ik weet alles," antwoordde Bos: "en ik geloof, dat ik niet de onvoorzichtigste ben van ons drieën. Slechts toen was ik het, toen ik op het eerlijke gelaat van Mijnheer vertrouwde." Hier zag hij mij ernstig aan.
"Mijnheer!" zeide ik, geraakt: "ik heb uwe geheimen bewaard, zelfs ten koste van mijne rust. Maar spreek zacht, bid ik u. Men kon ons beluisteren, en...."
"En men zou nog niets verstaan," viel Bos in, "zoolang de vrienden beneden zoo luidruchtig blijven, dat onze woorden door hun gezang gesmoord worden. Ik spreek niet van het bewaren mijner geheimen;—ik vraag, wat uw bezoek op een zoo ongelegen uur, wat de juweelen te beduiden hebben, die ik op de tafel zie?"
"De Heer Huyck is onschuldig, mijn vader!" zeide Amelia, eer ik antwoorden kon: "hij is hier op mijn verzoek gekomen ... hij heeft met deze juweelen niets te maken."
"Hoe!" herhaalde de vader, meer en meer verstoord: "op uw verzoek? En waart gij dan...? o ik onnoozele!" riep hij, zich voor het hoofd slaande.
"De geheele toedracht der zaak is doodeenvoudig," zeide ik, op een toon, zoo kalm als mij maar eenigszins mogelijk was aan te nemen: "indien UEd. aan Mejuffer of mij vergunt, u te verhalen al wat sedert onze komst te Amsterdam heeft plaats gehad, zal het u niet bevreemden dat zij, door den uitersten angst gedreven, mijn raad heeft ingenomen, als van den eenigste, op wien zij wist te kunnen vertrouwen. Door eenige andere uitlegging aan mijne tegenwoordigheid te geven, zou UEd. en haar en mij onbillijk beoordeelen."
"Welaan!" zeide de Heer Bos, terwijl hij plaats nam: "ik luister: het zou mij al te veel kosten, mijn achting en liefde te moeten verliezen voor het eenige voorwerp, dat mij nog aan het leven hechtte."
Hier stak hij de hand aan zijn dochter toe, die ze met vurigheid kuste. Daarop gaven wij hem een beknopt verslag van het voorgevallene. Hij maakte niet een enkele aanmerking, noch gedurende, noch na den afloop van het verhaal, maar vergenoegde zich met nu en dan bedenkelijk het hoofd te schudden en zich het poeder van den rok te schuieren. Hij eindigde met de hand zijner dochter, die nog altijd in de zijne lag, minzaam te drukken; hetgeen mij ten bewijze strekte, dat hij met de gegeven opheldering voldaan was.
"En thans, Mijnheer!" hervatte ik na een korte pauze; "thans moet ik u bekennen, dat de Juffer zich mijns inziens niet zonder recht ongerust maakt, en dat uwe komst alhier niet wel geschikt is, die ongerustheid te doen ophouden."
"Ik ben er zelf evenzeer over verwonderd van mij hier te zien," antwoordde hij, "als de Doge was, toen hij zich aan het hof van Lodewijk XIV bevond: maar ik heb door de ondervinding geleerd, dat onbeschaamde stoutheid soms beter in staat is, de menschen te bedriegen, dan de fijnst gesponnen list. Ik was, Amelia! sedert uw vertrek, hoogst ongerust, geen brief van u te ontvangen, vooral nadat ik reeds een paar reizen onder couvert van den Notaris Bouvelt geschreven had, dat ik mij in 's-Hage bij den Russischen Gezant ophield...."
"Welke brieven," zeide ik, "waarschijnlijk nog ongeopend bij Bouvelt liggen, die gevaarlijk ziek is."
"Ik had intusschen bemerkt," vervolgde de Heer Bos, "dat mijn gangen gevolgd werden door datzelfde Joodje, hetwelk te Soest zoo ongenadig door mij begroet werd. Bekommering over uw lot kwelde mij: ik kon niet langer aan de begeerte weerstaan om iets van u te vernemen. Aan Mijnheer dorst ik niet schrijven: hij had reeds last genoeg van ons gehad: en ik wilde hem geen nieuwe onaangenaamheden veroorzaken. Eindelijk kon ik mijn geduld niet langer bedwingen en ik besloot hierheen te reizen. Maar ik moest eerst mijn lastigen verspieder verschalken. Gisteren was ik te Utrecht: daar zat hij mij weder op te hielen. Ik had mijn plan gevormd en toen ik hem op de straat tegenkwam, vroeg ik hem, of hij een boodschap voor mij wilde doen. Ik zag zijne oogen van blijdschap fonkelen. Toen gaf ik hem geld om de roef af te huren naar Amsterdam voor de schuit van morgenmiddag, niet twijfelende of hij zou de heuglijke tijding van mijn overkomst dadelijk aan zijn betaalmeester overbrengen. Hem dus van 't spoor geleid hebbende, wandelde ik de poort uit, nam te Zeist een rijtuig, dat mij naar Amersfoort bracht, en wachtte daar de komst van den Deventerschen wagen, die mij hier voerde. Onderweg had ik mijn kleeding stuk voor stuk veranderd, mijn haar gepoederd en mij door het opzetten van een bril nog meer onkenbaar gemaakt. Hier gekomen, nam ik mijn intrek in het beste logement, onder den naam van Van Beveren, begaf mij dadelijk naar Bouvelt en vernam daar uw verblijf. Zoodra ik den naam van Heynsz hoorde, was mijn besluit gevormd. Ik kende, om 't even hoe, de geheime betrekkingen, die deze Sinjeur vervult: en wetende, dat niets beter in staat is om ook de schranderste personen te misleiden, dan het streelen hunner ijdelheid, begaf ik mij naar hem toe. Reeds hier beneden had ik aanvankelijk het genoegen van te zien, dat mijn vermomming gelukt was, daar zelfs de Heer Huyck mij niet herkende. Kort na uw vertrek, Mijnheer Huyck! kwam Heynsz binnen. Ik verzocht hem alleen te spreken. Ik meldde hem dadelijk, dat ik de vader was van Amelia, de Overijselsche koopman, waar hem Bouvelt over gesproken had. Voorts verhaalde ik hem, dat ik opgelicht was door zekeren schelm, wien ik zoo juist beschreef, dat zijn portret volkomen overeenkwam met dat van den man, die u bij Naarden heeft aangerand: en zeide, dat hij, Heynsz, mij was aan de hand gedaan als de bekwaamste man om dergelijke fielten te doen opsporen. Ik eindigde mijn verhaal met een fatsoenlijk present en oordeel nu den man gewonnen te hebben. Dat hij mij met dat al te slim is, is mogelijk; doch, naar zijn houding te oordeelen, geloof ik, dat hij niets vermoedt."
"Maar Papa!" zeide Amelia: "al misleidt gij Heynsz, zijt gij niet beducht, dat er hier te Amsterdam nog vele lieden zijn, die u herkennen zullen?"
"En wie zou thans in mij den cadet der marine herkennen, die voor vijf en twintig jaren hier over straat slenterde of den galant speelde bij de jonge schoonen?"
"Bij den eersten opslag niet;—maar, wanneer men weet dat gij u hier in de buurt bevindt?—En dan, vloeit deze stad niet over van vreemdelingen, die u vroeger, in andere landen, hebben kunnen ontmoeten?"
"Ook denk ik mij niet meer dan noodig is op straat te vertoonen. In allen gevalle, ik heb besloten, het te wagen. Hier is toch eene betere gelegenheid dan elders, om mij naar de plaats onzer bestemming in te schepen. Bovendien, ook buiten deze stad was ik niet langer veilig: want ik weet, dat de Spaansche Ambassadeur op mijn uitlevering aandringt, en dat de Staten-Generaal, die anders zoo prat zijn om de vrijheden des lands te bewaren, in dat geval hunnen bondgenoot ter wille zullen zijn.—Wij moeten dus voort: en wel zoodra ik in het bezit ben dier noodlottige papieren."
"En zal ik hier blijven?" vroeg Amelia.
"Ik zie daarin geene zwarigheid. Integendeel, ik heb Heynsz gevraagd of hij mij insgelijks huisvesting verleenen kan: en daar er, zoo hij zegt, bij deze kamer nog een kabinetje is, waar een ledikant gezet kan worden, zal zich dit zeer goed schikken. Voor dezen nacht keer ik naar mijn logement. Wat die juweelen betreft, berg die maar weer: ik zal voor de terugzending zorg dragen."
Ik wilde nu mijn afscheid nemen. De Heer Bos verzocht mij, daar hij toch éénen weg met mij op moest, hem mijn gezelschap te schenken; waarop wij, na Amelia vaarwel gezegd te hebben, het huis verlieten.
Wij gingen eenige oogenblikken zwijgend naast elkanderen. De Heer Bos was de eerste, die het gesprek aanving:
"Ik ben u groote dankbaarheid verschuldigd," zeide hij: "maar ik wensch mijn schuld niet te vermeerderen. Of liever—ik zal u nog erkentelijker zijn, indien UEd. voor het vervolg uwe bezoeken staken wilt."
"Mijnheer!" antwoordde ik, op een koelen toon: "ofschoon ik medelijden met u en met uwe dochter heb, verlang ik niets liever, dan dat ik niets meer van u hoore: de zaak heeft mij reeds kwelling genoeg veroorzaakt."
"Dan verstaan wij elkander volkomen.—Intusschen, wij scheiden in vriendschap. Ik ben u de betuiging schuldig, dat mijn vermoedens mij leed zijn, en dat ik u voor een eerlijk man houde. Het is alleen, omdat ik weet hoe gevaarlijk het is, wanneer jonge lieden elkander vaak, vooral op zulk een geheimzinnige wijze, spreken, dat ik als vader eenige zorg gevoel."
.Mijnheer! Ik schroom niet, u te zeggen, dat mijne affecties elders geplaatst zijn."
"'t Is mogelijk," zeide hij: "maar het hart mijner dochter is nog vrij: en—zonder u een compliment te willen maken—het is niet voor u, het is voor haar, dat ik mij bekommer, en dat ik een dergelijke gemeenzaamheid noodlottig zou achten."
"Mijnheer!" hernam ik: "uw dochter is een beminnenswaardige Juffer, aan wie ik het hoogste geluk toewensch; doch zoo weinig verlang ik, eenige genegenheid voor mij onwaardige bij haar op te wekken, dat ik het als een der aangenaamste tijdingen zal rekenen, wanneer ik verneem, dat zij met u in veiligheid van hier is."
Dit gezegde was niet beleefd, maar het scheen hem echter tevreden te stellen: en hij sprak niet weder, tot wij de deur van de herberg genaderd waren. Toen zeide hij, terwijl hij mij de hand op den schouder legde, op een plechtigen toon: "jongeling! mijn leven ia tot nog toe een afwisseling geweest van hoogheid en tegenspoeden, van macht en vernedering, van weelde en gebrek; maar mocht ik mij ooit weder in de gelegenheid bevinden wèl te doen aan anderen, wees dan verzekerd, dat mijne dankbaarheid jegens u zich met meer dan ijdele woorden toonen zal, en dat ik u door daden het verdriet zal pogen te vergoeden, dat ik u thans onwillig veroorzaakt heb."
Met deze woorden verliet hij mij, en ik vervolgde mijn weg, door deze nieuwe ontmoeting in een vrij onaangename stemming gebracht, mijn gesternte verwenschende, dat mij met dien Bos, Van Beveren, of wat namen hij verder voeren mocht, in kennis gebracht had; en toch begeerig te weten, hoe het met hem en zijn beminnelijke dochter zoude afloopen. Wat mij het meest kwelde, was de valsche stelling, waarin mij deze lastige historie tegenover mijn ouderen geplaatst had. Ik was bijna zeker, dat mijn vader reeds vermoedens koesterde en dat het tot een onderhoud zoude moeten komen, waaruit ik niet wist, hoe mij te redden, daar het aan de eene zijde tegen mijn gemoed en kinderplicht streed, de waarheid voor hem te verbergen, en aan de andere zijde mijn belofte mij het zwijgen opleide. O! hoe folterde mij de gedachte, dat het onderling vertrouwen, hetwelk altijd tusschen mijn ouders en mij had geheerscht, en waar ik zoo grooten prijs op stelde, wellicht voor langdurigen tijd stond verbroken te worden: en dat, al werd mijn gedrag later eenigszins gerechtvaardigd, de eens gegeven indruk niet zoo ras zoude worden uitgewischt. Had iemand mij veertien dagen vroeger gezegd, dat ik, eene week na mijn terugkomst in het ouderlijke huis, met looden schoenen zou derwaarts gaan en zelfs opzien tegen een ontmoeting met mijn vader, hoe buitensporig, ja onmogelijk zoude mij de vervulling eener dergelijke voorspelling zijn voorgekomen. En echter: zoo stonden thans de zaken!—Ik trok met een bevende hand aan de huisschel: ik wenschte, dat mijn ouders, daar het reeds laat was, zich ter ruste mochten begeven hebben, en ik gevoelde een angstige gewaarwording, toen de dienstbode mijn vraag, of mijn ouders nog op waren, toestemmend beantwoordde.
Met een kloppend hart trad ik de eetzaal in, waar de goede lieden mij wachtende waren, beiden in hun nachtgewaad, bij het licht van een paar kaarsen, die reeds dreigden in de pijp te branden. Het gewone avondmaal, brood, kaas en vruchten, stond nog op de tafel: en mijn zorgvolle moeder had een waterkaraf voor zich, met een fleschjespiritus, voor het geval dat ik te veel gebruikt mocht hebben.
"Zoo Ferdinand! ben je eindelijk daar?" vroeg mijn moeder, terwijl ik haar omhelsde: "is dat nu vroeg te huis komen, gelijk gij beloofd hadt? Hoe is het, ben je nuchteren of niet? Laat ik u eens in de pogen zien. Ja: uw oogen staan goed; maar anders zie je er geweldig ontdaan uit. 't Is goed voor eens; anders deugen u die slemppartijen en dat nachtbraken niets."
"Ik hoop," zeide mijn vader, mij bij de hand nemende, en mij insgelijks, doch met een ernstigen blik, aanziende, "dat de slemppartijen en het nachtbraken nog maar de eenige redenen zijn van uw verbleekte kleur en ontstemde pols. Maar mag ik u vragen, is Helding verhuisd? of zijt gij de nachthuizen nog rondgeloopen met uw poëten? Ik weet, dat zulks wel eens de gewoonte is ... een gewoonte, die de zoon van den Hoofdofficier niet moest navolgen."
"Hoe meent UEd. dat?" vroeg ik, niet weinig verlegen: "ik begrijp niet...."
"Reeds eens uur geleden heb ik, op aandrijven uwer moeder, die bezorgd was dat gij de gracht voor den wal zoudt aanzien, Joris met de lantaren naar het huis van Heynsz gezonden: en hij is teruggekomen met de boodschap, dat de Jongeheer reeds vertrokken was."
Ik begreep terstond, dat de knecht daar gekomen was toen ik mij bij Amelia bevond en toen ieder beneden mij vertrokken waande.
"Ik heb," zeide ik stamelend, "een der gasten, met wien ik een zeer belangrijk gesprek voerde, te huis gebracht en ben wat lang met hem blijven staan praten. Maar ik kan u verklaren, dat ik niets gedaan heb, waarover ik mij behoef te schamen."
"Dan behoeft gij ook niet te kleuren," zeide mijn vader: "hoe heette die nieuwe vriend, die zoo belangrijk sprak?"
Deze vraag bracht mij deerlijk in 't nauw; want, in omstandigheden als de mijne waren, zijn de eenvoudigste doorgaans het moeilijkst te beantwoorden. Nu moest de draaierij wel een logen worden: "Velters," zei ik, bevende.
"Velters?—Nu ja, wat schort er aan, dat gij zulk een moeite schijnt te hebben om een zoo eenvoudigen naam uit te spreken? Ik ken Velters bij reputatie. Hij is een braaf jong mensch, die vlijtig oppast, en wel voort zal komen, indien zijn gezondheid zijn goeden wil evenaart. Maar het belangrijkste gesprek had u niet moeten doen vergeten, dat uw moeder ongerust was en gij haar wakende hieldt."
"Nu," zeide die goede moeder: "wij moeten ook denken, Ferdinand is zoo lange jaren buitenshuis geweest en de gewone sleur wat ontwend. Hij zal vergeten hebben, dat wij lieden van de klok zijn. Ik hoop maar, dat dergelijke invitaties niet te dikwijls zullen komen.—Nu! Ik ga naar bed: want ik heb werk dat ik uit mijn oogen zie. Blijft gijlieden nu ook niet langer plakken."
Dit zeggende kuste zij ons goeden nacht en verliet de kamer. Mijn vader rees ook op, en, zich tot mij wendende: "slaap wel!" zeide hij: "maar voor gij u ter ruste begeeft, bid God, dat Hij u vertrouwen inboezeme in een vader, die u liefheeft."
De tranen ontsprongen mijn oogen op het hooren dezer toespraak: "Lieve vader!" riep ik, de hand des braven mans tusschen de mijne drukkende en die aan mijn mond brengende: "God weet het, ik zou niets liever verlangen, dan dat ik spreken mocht; maar...."
"Ik zal geduld hebben en de ure des vertrouwens afwachten," zeide mijn vader, bedaard: "Gij zijt geen kind meer en ik wil u niet tot spreken dwingen, wanneer gij beter acht te zwijgen. Dit slechts wensch ik, dat de Alwijze uw geest verlichte en u leere wat uw plicht medebrengt."—Met deze woorden drukte hij mij nogmaals de hand en vertrok, terwijl ik mij zuchtende naar mijn slaapkamer begaf. Zoo had ik dan voor 't eerst mijn ouderen VOORGELOGEN!—Ach! ik gevoelde te wel de behoefte, om het voorschrift mijns vaders na te volgen: en in angstige verzuchtingen smeekte ik den Almachtige, mijn gangen te bestieren en mij licht te geven op mijn donkeren weg. Dit besluit nam ik echter, om, wat er ook de gevolgen van wezen moesten, mijn vader te overtuigen, dat ik, hoezeer misschien verkeerdelijk mijn woord gegeven hebbende, door hem zelfs niet van mijn belofte ontslagen kon worden.
Het was dan ook met dit oogmerk, dat ik den volgenden dag na den eten, en toen ik wist, dat Heynsz zich verwijderd had, mijn vader kwam opzoeken. Ik had dit oogenblik verkozen, omdat ik wenschte uit te vorschen, of Heynsz den Heer Bos ook verklapt had, in welk geval mijn verplichting tot geheimhouding ophield en ik, door voor de zaak uit te komen, dezen laatste misschien dienst kon doen. Mijn vader bespeurde wel aan mijn houding, dat ik iets op het hart had, en, zijn papieren ter zijde schuivende, vroeg hij met een ongemeene vriendelijkheid:
"Hebt gij iets met mij te spreken? Dan zal ik die stukken wel even laten rusten. Echter heb ik niet lang tijd," vervolgde hij, op zijn uurwerk ziende: "want waarschijnlijk zal er straks een bezoek komen."
"Ik heb u slechts weinige woorden te zeggen, Vader!" zeide ik, "maar ik wenschte wel, dat ons gesprek langdurig zijn kon."
"Wat meent gij? Dat klinkt eenigszins raadselachtig en duister.Fallax sollertia nobis."
"Helaas!" zeide ik. "UEd. heeft te recht opgemerkt, dat er iets is, hetwelk mij als een pak op het hart ligt. Ik ben soms afgetrokken, verstrooid: mijn gangen, zoo UEd. die had doen nasporen, zouden wellicht zonderlinge vermoedens bij u hebben doen ontstaan: ik heb, zeer mijns ondanks, vreemde avonturen gehad sedert ik terug ben:—en hetgeen mij het meest nog hindert, is, dat ik de reden van dat alles aan u niet ontdekken mag."
"Ik kan," zeide mijn vader, de schouders ophalende, "niet oordeelen over uw verplichting tot zwijgen, daar ik de aanleiding niet ken, welke u die heeft doen aangaan. Alleen zoude ik u, in 't afgetrokkene, willen oplettend maken op het gevaarlijke om zich tot iets dergelijks te verbinden. Er zijn slechts weinige zaken, welke een kind aan zijn ouderen niet zoude mogen openbaren. Dan alleen, wanneer het geheimen van derden geldt, kan er een uitzondering bestaan; doch een geheim, dat u niet persoonlijk betreft, kan, dunkt mij, zulk een invloed niet op u gehad hebben, gelijk aan dien, welken uw houding en gedrag mij doen zien dat bij u is teweeggebracht."
"Het is een geheim van derden," zeide ik, niet weinig verheugd, dat mijn vader zelf mij alzoo vrijheid tot zwijgen gaf: "maar een geheim, waar ik door een samenloop van omstandigheden ben ingewikkeld."
"En...." vroeg mijn vader, na zich een wijl bedacht te hebben: "betreft dit geheim ook zekeren Zwarten Piet? Ik vraag u dit als vader, niet als Hoofdschout."
"Slechts zeer zijdelings," antwoordde ik, uit deze vraag de gevolgtrekking makende, dat mijn vader omtrent de wezenlijke oorzaak nog niets wist: "doch, vergun mij ook een vraag, mijn vader! indien deze Zwarte Piet mij het leven gered had en ik zijn verblijf kende, zoude UEd. dan oordeelen, dat ik verplicht ware, het aan den Hoofdschout te openbaren, bijaldien deze er naar vroeg?"
"Gij weet waar Zwarte Piet is?" vroeg mijn vader met drift.
"Neen", antwoordde ik, glimlachende: "en ik heb ook aan hem geene verplichting; maar ik stel dit slechts als een voorbeeld."
"Gij weet te goed," zeide mijn vader, "dat, ofschoon de dankbaarheid slechts eenofficium inperfectumis, en het inlichten der Justitie eenofficium perfectum, als zijnde dit laatste bij Keuren en Ordonnantiën voorgeschreven, de tweede plicht in dezen voor den eersten zoude moeten wijken, aangezien de dankbaarheid door een hoogere dan de aardsche wetgeving is voorgeschreven. Dan, dit daargelaten: zoo gij een geheim bezit, hetwelk gij mij niet vertrouwen moogt, waarom er mij dan over gesproken? want nu kan ik niet nalaten, te gaan gissen en raden."
"Slechts daarom, mijn vader! omdat mij het denkbeeld onverdraaglijk is, dat gij mij van gebrek aan vertrouwen beschuldigen zoudt: omdat ik u smeeken wilde, uw oordeel over mij slechts zoolang op te schorten, tot ik in staat zal wezen, u de noodige opheldering van mijn gedrag te geven en te openbaren wat u thans onverklaarbaar moet voorkomen?"
"Gij hebt welgedaan, mijn zoon! En ik zou een slecht rechter zijn, indien ik u condemneerde, zonder u den tijd te laten om aan te voeren, wat tot uwe defensie dienende kan zijn. Dit slechts moet gij mij verzekeren, dat gij niets hebt beloofd, wat tot nadeel van dezen lande zoude kunnen strekken. Gij weet, dat wanneer het de veiligheid van den Staat geldt, hetcrimen reticentiaehem, die het begaat, tot medeplichtige maakt aan het gesmede landverraad."
"De veiligheid van dezen lande loopt zoo weinig gevaar," zeide ik glimlachende, "dat UEd. zelf mijn stilzwijgen zult billijken."
"Dan ben ik tevreden," zeide mijn vader.
Op dit oogenblik werd hard aan de voordeur gebeld en hield er een rijtuig stil.
"Is het reeds zoo laat?" vroeg mijn vader, op zijn horloge ziende: "ja waarlijk! nu moet gij voort, want ik verwacht een deftig bezoek: of blijf hier: ik zal in de zijkamer gaan: hij, wien ik verbeid, is een man van gewicht en dient als zoodanig ontvangen te worden."
Dit zeggende, haastte hij zich naar de zijkamer; maar de persoon, dien hij verwachtte, verscheen niet: en, gelijk mij later bleek, was het alleen de Onderschout, die met een koets aan de Beerebijt de aankomst der Utrechtsche schuit had staan wachten, ten einde den Heer Bos bij het uitstappen te knippen. Daar deze niet was komen opdagen, en de schipper verklaarde, dat de gehuurde roef ledig gebleven was, kwam de Onderschout alsnu eenvoudig verslag geven van het mislukken der hem opgedragen commissie, en de zaak liep voor 't oogenblik af met een schrobbeering, die Simon ontving, omdat hij zich had laten verschalken.
Den volgenden morgen (Zaterdag) begaf ik mij, volgens de met Tante gemaakte afspraak, weder naar Heizicht, waar ik met een kloppend hart mijn Dulcinea terugvond en door Tante ter verantwoording werd geroepen over mijn ontmoeting met Zwarten Piet. Dewijl ik op haar vragen voorbereid was, kostte het mij minder moeite, die te beantwoorden: en zonder haar de geheele waarheid te vertellen, wist ik haar omtrent de reden van het bezoek des roovers zoodanige opheldering te geven, dat ik haar tevreden stelde en haar ongerustheid wijken deed. Wij aten dien dag zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk van Tante was, met ons naar een boerderij te rijden, welke zij eenigen tijd geleden in de omstreken van Oud-Naarden gekocht had, om daar met wandelen en koffiedrinken den avond door te brengen. Wij reden tegen twee uren af: trokken over de heide naar Laren en van daar over Blarikum den Tafelberg langs, waar wij een zijweg insloegen, die ons in korten tijd aan het doel van onzen tocht voerde. Hier hielden wij voor een schuur stil, welke tot stalling diende, stapten af, en wandelden naar het woonhuis; en niet weinig keek ik op, toen de vrouw, welke ons aan de deur verwelkomde, niemand anders bleek te zijn dan de oude Martha, en haar woning dezelfde, waarin mij de Heer Bos ontvangen had. Zoo ik de gelegenheid niet dadelijk herkend had, het was omdat wij deze reis langs een anderen weg waren gekomen. Nu werd mij duidelijk, waarom de oude vrouw mij op dien noodlottigen avond zoo had aangekeken: en ik verwonderde mij, haar toen reeds niet herkend te hebben, daar zij vroeger tuinvrouw bij mijn Oom Van Bempden geweest was.
De oude vrouw ontving Tante met de gebruikelijkeformulesvan:
"Wel Mevrouw? hoe vaart Mevrouw? Mevrouw is hier in lange niet 'eweest. Ik kan niet zeggen, dat Mevrouw 'er uitzien er op 'ebeterd is!"—een compliment, waar schier alle lieden van die klasse gewoon zijn hunne meesters op te vergasten, als ware het de uitgezochtste vleierij. Mij herkennende, geraakte zij min of meer in verlegenheid en zocht mijn blik te vermijden. "Ik heb het koffiegoed boven klaar gezet," ging zij voort.
"Ja! dat is wel," zeide Tante: "maar het is zulk mooi weer. Wat zeggen de meisjes er van? Zonden wij de koffie niet liever buiten de deur gebruiken?"
Dit voorstel werd toegejuicht en de bevelen dienvolgens gegeven.
"Is uw zoon niet hier?" vroeg Tante, ziende, dat Martha zelve met een tafel en stoelen kwam aandragen.
De oude vrouw zuchtte en haalde de schouders op: "och Mevrouw!" zeide zij, "men zoon is men kruis: sedert acht dagen heb ik hem niet 'ezien: waar hij zit, God weet het."
Ik kan niet ontkennen, dat deze gemankte of schijnbare ongerustheid der moeder mij genoegen deed, want ik beschouwde de tegenwoordigheid van Andries aan de hoeve niet slechts als hoogst gevaarlijk voor de nabuurschap, maar ook als zeer schadelijk voor de belangen mijner Tante; en ik nam voor, om, het mocht kosten wat het wilde, haar in te lichten omtrent de hoedanigheid van dien persoon. Intusschen, onder den schijn van de vrouw te willen helpen in het aandragen der benoodigdheden, volgde ik haar naar binnen. Zoodra wij in de keuken waren, tikte ik haar op den schouder: "Is het stellig waar," vroeg ik, "dat uw zoon verdwenen is?"
"Zoo waar ik leef Meneer!" zeide zij, al bevende: "om Gods wil! maak ons niet ongelukkig."
"Ik geloof ook," vervolgde ik, "dat het raadzaam voor hem zijn zal, zich niet weer hier te vertoonen: want het is genoegzaam bekend bij de Justitie, dat hij met Zwarten Piet en zijn makkers heult, en, zoo men hem krijgt, zal hij den dans van de ladder niet ontspringen."
"O, Meneer Huyck!" zeide zij: "je weet niet, wat ik van den jongen te lijen heb. Och! hij heit nooit willen deugen; maar ik kan het warentig niet helpen: ik heb hem vermaningen genoeg 'egeven."—Vervolgens den toon latende zakken: "UEd. heit toch niet 'esproken met Tante, van dat UEd. hier laatst 'eslapen heit, en van de menschen, die UEd. hier heit 'ezien?"
"Volstrekt niet," antwoordde ik: "maar zeg mij, hoe kent gij die lieden?"
"Hoe ik hen ken?" vroeg zij: "heb ik den jonker niet an men aigen borst 'evoed?—en toen Kapitein Reefzeil op 's-Gravenland weunde, was het toen niet bij mijn an huis, dat hij altijd met Keetje Reefzeil, dat zoete hartje, spreken kwam? Maar kom an, ik mot het theewater buiten brengen," en meteen zich omwendende ging zij naar voren. Ik wilde haar volgen, toen toevallig mijn blik in den tuin viel en ik twee oogen ontmoette, die op mij gevestigd waren.
Ik heb vroeger gezegd, dat de achterdeur, door welke ik de eerste reis in deze woning gekomen was, in de keuken opende en op den tuin uitkwam. Naast deze achterdeur was een openstaand raam: en voor dat raam, op het tuinpad, stond een man, in havelooze lompen gekleed, mij aan te gluren. Zoodra hij merkte, dat ik hem van mijnen kant gezien had, begon hij op een smeekenden toon:
"Meneertje! zoo waar God leeft, gheen dijt rijk! Hik 'eb nog gheen 'andgift gead van dhaag: geen dijt rijk, zoowaar zei je ghezond blijven."
"Gij hier Simon!" riep ik, den man herkennende: "wat komt gij hier zoeken? En waar is de negotie?"
"Neghoossie? Och! was ik mhaar zoo gelikkig, dat hik een klein beetje neghoossie thoen kon:—mhaar een vrouw met zeuven kinderen! Je mot dhenken, dat kan wat an:—gheen dijt rijk...."
"Foei!" zeide ik: "is het geld al op, dat de Jongeheer Blaek u gegeven heeft om de gangen van eerlijke meisjes te bespieden?"
"Heerlijke meissies! Na doch!" zeide Simon, het hoofd schuddende.
"Ja zeker eerlijk! En zoo ik mijn vader dergelijke stukjes van u verhaal, zal hij u afleeren, u met zulke knoeierij op te houden."
"Khom! word dan thoch maar niet boos. Khan ik 't 'elpen? Een bhoodschap is een bhoodschap! As Meneer Blaek theugens me zeit: "Shimon: ga en khijk waar die Jiffrouw blijft: je zelt een ghilden van mier 'ebben—nou khijk! wat mot Shimon dan doen? der steekt gheen kwaad hin, dat Meneer Blaek weet, waar die Jiffrouw whoont, en der stheekt veul goeds hin, dat Shimon voor een dhag of wat den kost heit mit zen hijshouwen.—Maar je vraagt men of het vertheerd is sinds dien thijd?—Och! hik eb sedert gheen dijt verdiend: gheen penning! khan men dhaar van leven hacht dhagen mit 'en hijshouwen? zoowaar zei je ghezond blijven."
"Misschien zult gij mij ook zoeken wijs te maken, dat Heynsz u de reis niet betaalt, die gij heden doet."
"Nou khijk Meneer Hijk! 't Ishomdat je de zeun van dan Oofd-hoffiesier bent—God zegen hem—'t is een schraal loon dat hik van 'Eynsz ontvang.—Hik khan er waarachtig niet van bestaan.—En hik 'eb ommers gheen woord er van ghesproken, dat je met die Jiffrouw in de Naarder schijt 'eb gheseten?"
"Denkt gij," zeide ik wrevelig, "dat ik mij bekommer over hetgeen gij van mij vertelt? Maar wat doet gij nu hier? Wie valt hier bespieden? Het is hier geen publieke grond; en zoo Tante hoort, dat gij op haar erf zijt, zou zij er u wel eens door den koetsier kunnen doen afjagen."
"Na doch! je weet wel, wien hik ier zoeken khom: 't his ommers je papha, die 'et ghelast 'eeft, Shimon is ommers gheen dhief, die wat wegnemen zal."
"Ik geloof, dat gij vergeefsche moeite doet," zeide ik, wel gissende wien hij zocht: "maar wees gewaarschuwd, en pak u weg; want zoo iemand anders u ziet, gij zult niet vriendelijk ontvangen worden."
Met deze woorden wendde ik mij van hem af en keerde terug bij de dames, die reeds onder de breede takken der eiken om de theetafel gezeten waren.—"Wel!" zeide Suzanna, zoodra zij mij zag: "waar heb je nu weer gestoken? Ik dacht, gij waart uitgegaan om de oude Martha te helpen, en gij komt met ledige handen weer. Gij slacht de poes wat, die men naar Rome zendt en diemiaauwzeit, als zij terugkomt. Nu! daar hebben wij ook veel aan, aan zoo'n cavalier, die ons alleen laat zitten: en dat nog wel in een tijd, dat het van dieven en struikroovers grimmelt. Maar zeker! aan uwe hulp zouden wij weinig hebben, daar gij toch ook maatjes zijt met de bende."
"Ik dacht, Santje! wij zouden daar niet meer over spreken," zeide Tante, die niet hield van scherts over zulk een onderwerp.
"Gij ziet hoe mijn lot is," zeide ik tegen Henriëtte, "en hoe ik door mijn zuster behandeld word. Gij, die zoo goed zijt, zoo gij een broeder hadt, zoudt hem zeker niet zoo kwellen."
"Hoe weet gij, of ik goed ben," zeide zij lachende: "vraag maar aan Lodewijk, hij zal u wel zeggen, dat ik er hem ook van langs kan geven."
"Ja kom!" zeide Suzanna; "maar daar heb je geen pleizier van; want Lodewijk wordt boos als men hem kwelt: en dat moet ik tot eere van mijn broeder zeggen, hij neemt het altijd nogal wel op." Hier klopte zij mij op den schouder.
"Dat is nu het beste, dat gij in lang gezegd hebt," zeide ik: "daarvoor moet ik u omhelzen."
"Weg! weg!" zeide Suzanna, mij afwerende: "jeux de mains, jeux de vilains. Gebruik uw mond en niet uw handen."
"Wel, 't is ook juist mijn mond, dien ik gebruiken wil," zeide ik, haar kussende.
"Och Jetje! help mij toch!" zeide Suzanna: "gij blijft daar maar zitten en trekt u het lot niet aan van uw mishandelde vriendin."
"Ik zal wel deugdelijk oppassen, van er mij mede te bemoeien," zeide Henriëtte.
"Integendeel!" zeide ik: "Santje heeft gelijk: en gij zoudt mij een bijzonder genoegen doen, zoo gij er u mede wildet bemoeien."
"Wat is het toch, kinderen?" vroeg Tante, die intusschen met Martha geredeneerd had: "op deze wijze krijgen wij geen koffie."
"Och! 't is Ferdinand, die mij plaagt," zeide Suzanna.
"Men plaagt wie men liefheeft," zeide Tante.
"Zoo dat waar is, dames!" zeide ik, terwijl ik, hoewel in 't algemeen sprekende, het oog bepaaldelijk op Henriëtte gevestigd hield, "hoe meer gij mij dan plaagt, hoe aangenamer het mij zijn zal."
Met deze en dergelijke praatjes, welke toen voor de belanghebbenden vermakelijk waren, maar wier mededeeling den lezer vervelen zoude, hielden wij ons bezig gedurende het koffiedrinken, waarna Tante een wandeling voorsloeg, bij welke gelegenheid ik niet verzuimde alle pogingen aan te wenden om meer en meer de gunst mijner schoone te verwerven. Eindelijk maakte ik het zoo bont, dat zij den arm van Suzanna nam en vooruitholde, bewerende niet meer naar mij te willen luisteren.
Ik was zelf bang wellicht te ver te zijn gegaan, en bleef dus een wijl met Tante achter, aan wie ik, zoowel bijwijze van gesprek als uit nieuwsgierigheid, de vraag deed, of de oude Martha niet vroeger tuinvrouw op Heizicht geweest was.
"Ja!" antwoordde zij: "tot den dood van haren man. Toen heeft zij een woning op het dorp gehad: en naderhand, toen ik deze hoeve kocht, heb ik haar daarop gezet,"
"Heeft zij," vervolgde ik, "niet eerst bij Kapitein Reefzeil gewoond?" —Ik wist wel beter, doch wilde zoodoende het gesprek op die familie brengen.
"Dat geloof ik niet," antwoordde Tante: "het is echter mogelijk; want toen ik met uw oom Van Bempden trouwde, was zij reeds op Heizicht; maar hoe vraagt gij dat zoo?"
Daar zat ik vast. "Och! dat weet ik zelf niet," zeide ik: "daar lag mij iets in 't hoofd, betreffende die Reefzeils."
"De moeder van Jetje was een Reefzeil," zeide Tante: "was het dat, wat gij meendet?"
"Inderdaad?" zeide ik: "neen, dat wist ik niet. Maar was er met nog een zuster?"
"Ja voorzeker!—Keetje Reefzeil! zij waren beiden mooi. Keetje en Letje: de eene was een blonde en de andere een bruinet. Jetje, de blonde, trouwde met den Heer Hendrik Blaek: en de goede man had er niet veel pleizier van; want zij stierf in 't kraambed. Keetje, ja, die heeft het niet best laten liggen: zij is het pad opgegaan met den Baron Van Lintz. Dat is indertijd een fameuze historie geweest."
"Mochten zij dan niet trouwen?" vroeg ik, meer en meer belang stellende in het verhaal.
"Zij had, geloof ik, weinig of niets," zeide Tante: "en Van Lintz ook niet veel meer dan zijn gage als Luitenant bij de Marine. Bovendien was hij Roomsch; maar dat alles hielp niet: hij wist haar te bepraten en trok met haar het land uit. De familie zoude wel weer bijgedraaid zijn; maar hij was deserteur: en dat was erger. Hij heeft zich een poos sobertjes moeten generen, nu hier, dan daar—en vervolgens maar dat weet gij zoogoed als ik—vervolgens is hij in Spaanschen zeedienst gekomen en een groot Heer geworden: en nu is hij, geloof ik, dood of weg: althans men heeft rare dingen van hem verteld. Hij is in ongenade vervallen, dat is zeker, en toen verdwenen. De hemel weet: hij is misschien Turksch geworden en Pacha met een half dozijn paardenstaarten; want ik geloof dat hem de godsdienst ook wel om 't even zijn zoude, mits hij maar voortkwame. Ik had laatst werk genoeg, om Van Baalen te beletten van door te slaan, toen hij in tegenwoordigheid van den Heer Blaek en Jetje over dat onderwerp begon. Zij heeft met defoliesvan haar Tante niet noodig. 't Was anders een aangenaam mensch, die Van Lintz: ik herinner mij nog zeer goed, met hem menigmalen gedanst te hebben. Hij wasla pluie et le beau tempsin zijn tijd."
"Zijn dwaze stap verdient, dunkt mij, eenige verschooning," merkte ik aan. "Er zijn zoovele van die adellijke Heeren uit de land-provinciën, die alleen te Amsterdam komen om een rijk huwelijk te doen, en enkel op geld zien. Hij werd ten minste door liefde gedreven en niet door zucht naar schatten."
"Neen! die waren bij de Reefzeiltjes niet te zoeken," hernam Tante: "nu, Hendrik Blaek is er ook om gebrouilleerd geraakt met zijn familie; want hij was ook slecht bij kas en is te Cadix, of te Lissabon, weet ik het, arm gestorven. Gij weet zeker, dat Henriëtte geheel afhangt van de goedheid van haar oom ... en zij heeft wel reden om dankbaar jegens hem te zijn; want al ware zij zijn eigene dochter, hij kon haar niet teederder liefhebben en beter behandelen. Zij zal ook wel eindigen, denk ik, van zijn wensch te vervullen en met haar neef te trouwen.—Waarom zegt gijhm?"
"Heb ikhmgezegd, Tante?"
"Ja neef!Gijhebt gezegdhm! En waarom? Zoudt gij het zoo bespottelijk vinden, dat zij Lodewijk nam of Lodewijk haar?"
"Wat zal ik u zeggen? Ik bespeur niet, dat zij veel werks van elkander maken: en ik weet althans wel iemand, aan wien ik haar liever zoude gunnen."
"Quel est donc ce héros ou bien ce téméraire?" vroeg Tante, mij scherp aanziende: "gijzelf toch niet, hoop ik?"
"En al ware ik het zelf, Tante? Wat zou UEd. daartegen hebben?"