VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Een pronkstuk dat het oog van ieder kan betooverenOntschaakt door 't gruwzaam feit van goddelooze rooveren,Gelijk de schoone, die Alcides had geroerd,Bij ('k weet niet welken) stroom door een Centaur ontvoerd.

Een pronkstuk dat het oog van ieder kan betooverenOntschaakt door 't gruwzaam feit van goddelooze rooveren,Gelijk de schoone, die Alcides had geroerd,Bij ('k weet niet welken) stroom door een Centaur ontvoerd.

En zoo vroeg ik, of het ook zaak ware, al het fraais, dat de koepel bevatte, naar huis te voeren: "want," zeide ik:

"Want, Heer! geloof mij, volle kastenZijn niet vertrouwd bij zulke gasten."

"Want, Heer! geloof mij, volle kastenZijn niet vertrouwd bij zulke gasten."

"Maar meisje! meisje!" zeide de oude Heer al wederom: "hoe kon je toch zoo onvoorzichtig zijn, dien man hier binnen te laten?"—

"Wel," zei Juffrouw Jetje: "ik heb hem niet binnengelaten: hij is hier vanzelf gekomen. Ik kon hem toch niet wegjagen: of had ik naar huis moeten vluchten en kletsnat worden en den koepel open laten staan voor een iegelijk? Maar ik kon immers wel zien, dat hij een fatsoenlijk man was."—"Taratata!" zei toen de oude Heer: "wat gaat dat mondje weer rad. Nu geef mij maar een zoen, Jetje! wij zullen er niet meer over spreken. Het is eigenlijk de schuld van Lodewijk: die had hier al lang moeten zijn om u af te halen, maar hij heeft zijn tijd met Helding op het biljart verbeuzeld. Kom Lodewijk, geef je nicht een arm."—"Neen," zei mijn lieve Flora: "ik weet wel, dat Lodewijk liever alleen loopt. Helding zal mijn cavalier zijn, zoo hij wil, en zijn regenscherm hem niet hindert."

"Wel," zei ik, "al had ik er duizend te dragen, en nog als Atlas een wereldbol bovendien op mijn schouders, ik zou mijn last niet tellen om zulk een eer te mogen genieten:"—en zoo streek ik met de Juffrouw naar huis: terwijl de oude Heer niets deed als Lodewijk zuur aankijken, en Lodewijk een deuntje floot.—En och heden! ik kan het u wel zeggen, Mijnheer Huyck! UEd. zal er toch geen misbruik van maken: ik weet heel goed, wat het liedje was, daar hij de wijs van neuriede, en waarom de oude Heer er zoo korzelig over was. Het is omtrent zoo:

Ja! Zij is aardig, jong en teer;Maar 'k min de gulde vrijheid meer.Ik wil, ik wil haar niet.Een breidel knelt, ofschoon van goud:Te vroeg getrouwd, te laat berouwd.Ik wil, ik wil haar niet.

Ja! Zij is aardig, jong en teer;Maar 'k min de gulde vrijheid meer.Ik wil, ik wil haar niet.Een breidel knelt, ofschoon van goud:Te vroeg getrouwd, te laat berouwd.Ik wil, ik wil haar niet.

En dat maakte ook, dat de oude Heer geen woord sprak over tafel en dat zij 's avonds vrij wat woorden hadden met elkaar. 't Was goed, dat zij beiden gistermorgen ieder op zijn eigen gelegenheid naar de stad keerden, en daardoor de twist niet hervat kon worden.—Intusschen: de oude Heer is danig op die verbintenis gesteld, en als de Heer Lodewijk wat wijzer en bedaarder is geworden, zal hij zijns vaders zin toch wel doen.—'t Is maar niet pleizierig, dat het zooveel gehaspel geeft;—maar in 's hemels naam: mondje dicht, Mijnheer Huyck!"

"Geen woord zal er van over mijn lippen komen," zeide ik:—"maar mij dunkt, dergelijke tooneelen en een dergelijk vooruitzicht moeten voor Mejuffrouw Blaek allesbehalve aangenaam zijn."

"Dat is waar," hernam Helding: "maar zij heeft het anders kostelijk bij haar oom. 't Is hartje wat lust je, mondje wat begeer je? De oude Heer heeft haar lief als den appel van zijn oogen. En zij verdient het; want zij is een engel. Och! als ik haar zoo aanzie!..." hier hield hij ineens op, schudde het hoofd, zag voor zich: en een paar tranen rolden den ouden man langs de wangen.

"Wat schort er aan?" vroeg ik, eenigszins verbaasd over deze verandering in 's mans gemoedsgesteldheid, en niet wetende, waar ik zulk een plotseling opgekomen droefgeestigheid aan had toe te schrijven.

"Och!" hernam hij met een zucht: "als ik haar aanzie, dan herinner ik mij altijd mijn Klaartje:... dat was ook zulk een lief vroom kind, en had ook zulk een paar groote vriendelijke oogen, evenals zij.—Och ja! zoolang zij bij mij was, ging het mij nog goed en leefde ik niet in ellende en eenzaamheid zooals thans: en schoon wij het niet breed hadden, wij waren tevreden: alles was altijd netjes en knap om mij heen: Klaartje verdiende ook wat voor de huishouding: en als zij dan te huis was van den winkel, en over mij zat om een muts of hoed op te maken, en luisterde naar mijn verzen,—kijk! dan was ik zoo gelukkig, dat ik het met geen Burgemeester zoude geruild hebben; maar nu is dat alles voorbij; ik leef alleen en verlaten en niemand bekommert zich over den armen Helding.—'t Is waar, ik heb den naam van een vroolijke snaak te zijn:—en dat ben ik ook, in gezelschap; omdat ik van aard gezellig hen en die droevige gedachte dan uit het hoofd stel. Maar als ik alleen ben, och! dan heb ik soms bange oogenblikken." "Gij hebt dus het ongeluk gehad, uw dochter zoo jong te verliezen?" vroeg ik deelnemend.

"Te verliezen, juist Mijnheer!" antwoordde hij, somber voor zich ziende.

"Zulk een verlies is zeker onherstelbaar," zeide ik: "maar de herinnering aan de goede hoedanigheden der afgestorvene zal hij u toch niet louter pijnlijke, maar ook wel zachte en streelende aandoeningen verwekken."

"Der afgestorvene!" herhaalde hij: "gave de hemel dat zij gestorven ware!... ofschoon het mogelijk is ... ik weet het niet.—Neen, Mijnheer, zij is mij niet door den dood ontvallen. Zij heeft mij verlaten, mij, haar vader, die haar zoo liefhad. Zij is de wijde wereld ingegaan:—en wat is de wijde wereld anders voor een jong meisje als zij was, dan de verderfenis?—Doch ik moest daarover niet spreken:—het is alles wellicht mijn schuld: ik had haar beter gade moeten slaan. Vergeef mij, Mijnheer! het past mij niet, u over mijn eigen leed te onderhouden."

"En waarom niet?" vroeg ik, een innig medelijden met den man gevoelende: "het geeft altijd troost, zijn pijnlijke gedachten te kunnen uitstorten bij iemand, die het wel met ons meent."

"Neen, Mijnheer!" zeide hij, met meerdere waardigheid dan ik gedacht had, dat hij kon aannemen: "er zijn rampen van dien aard, dat haar mededeeling geen troost kan aanbieden.—Er is slechts één ding, dat mij opbeuring zou kunnen geven, en dit zou het bericht zijn, dat zij van den slechten weg, dien zij bewandelt, ware teruggekeerd. Och! dat het verloren schaap berouwhebbend weder bij mij kwame! Ik zou haar immers weer aan mijn hart drukken en alles zou vergeten en vergeven zijn: zij zou mijn armoedje deelen: en misschien beleefden wij nog gelukkige dagen."

"Maar, zoo ik vragen mag, hebt gijzelf geene pogingen gedaan om haar op te sporen en van het doolpad af te brengen?"

"Och Mijnheer!" antwoordde hij, de schouders ophalende: "tot zulke nasporingen is geld noodig: en dat heb ik niet. Ik ben al meer dan eens bij den Onderschout over de zaak geweest; maar die wil er niets aan doen, en zegt, dat hij wel dagwerk zou kunnen krijgen van al de meisjes op te zoeken, die de Breeveertien op zijn."

"Nu," zeide ik, "zoo de Onderschout u niet wil voorthelpen, waarom zijt gij dan niet tot mijn vader gegaan?"

"Tot den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier! Ho! dat durfde ik zoo niet: dat ware te onbescheiden geweest."

"Onbescheiden!" herhaalde ik: "onbescheiden om mijn vader in zijn ambtsbetrekking te spreken?—Zoo gij daarvoor vreest, dan wil ik uw boodschap wel doen."

"Wel! ik zou UEd. de moeite niet hebben durven vergen; maar och ja! doe dat, Mijnheer Huyck! Ik zal er u levenslang voor dankbaar zijn."—En de tranen glinsterden den man in de oogen, terwijl hij mijn handen drukte: "Och!" vervolgde hij, "wat heb ik een gelukkige ingeving gehad, van UEd. dat gedicht te zenden; anders ware ik nooit met UEd. in kennis gekomen.—Ik was eerst al huiverig, of UEd. het niet te gebrekkig zoudt vinden; want ik had het nog niet in mijn vriendenkrans voorgelezen en het was dus nog onbeschaafd."

"Is dat anders uw gewoonte?" vroeg ik, eenigszins verwonderd, want ik was niet op de hoogte van de manier, die onder onze zoogenaamde dichters heerschte.

"Welzeker, Mijnheer!—Wij hebben een vereeniging om de veertien dagen, waar de braafste dichtgeesten der stad leden van zijn: daar lezen wij onze verzen voor en ieder maakt zijn aanmerkingen: en dan worden de zwakke regels naar het gevoelen der meerderheid verbeterd.—O! het is een zeer vermakelijk gezelschap! Mijn eenig leedwezen is, dat ik de vrienden niet tot mijnent kan ontvangen; want helaas! dat gedoogen mijn omstandigheden niet. Anders, wij mogen een gast inleiden: en ik zou mij het tot eer rekenen,... maar het ware al te onbescheiden, zoo iets te durven hopen."

"Wel, waarom dat?" zeide ik lachende, en in de veronderstelling, dat daarvan wel nooit iets komen zou: "ik zou zeer gaarne dien krans eens bijwonen.—Maar het wordt mijn tijd, Mijnheer Helding! en ik zal u verlaten.—Nu! ik beloof u, ik zal uw zaak ter harte nemen."

Helding hernieuwde zijn betuigingen van dankbaarheid en van vreugde over de eer van mijn bezoek: en, na de twee dukaten behendig in mijn kelkje te hebben laten vallen, wilde ik mij verwijderen; maar, ondanks mijn tegenzeggen, begeerde hij volstrekt mij uitgeleide te doen en mij op de trap voor te gaan, waarvan hij door dagelijksche gewoonte best in staat was mij de afgesleten treden aan te wijzen. Halverwegen gekomen, waar een klein zijportaaltje naar de deur eener voorkamer geleidde, hield hij stil en luisterde.

"'t Is of men het daarbinnen niet eens is," zeide hij, op de gesloten deur wijzende.

"Inderdaad," zeide ik: "mij dankt, er vallen hooge woorden." En ik stond insgelijks stil; want de stemmen kwamen mij bekend voor.

"Het is, zoo waar ik leve, de Heer Lodewijk Blaek!" zeide Helding: "misschien zocht hij mij en heeft hij zich eene verdieping vergist."

"Stil!" zeide ik, met drift, terwijl ik aandachtig luisterde:—ik hoorde een vrouwenstem, welke ik verre was van hier te verwachten, met kracht de navolgende woorden zeggen:

"Nog eens, Mijnheer! ik verzoek u dit vertrek te verlaten, of gij zult mij dwingen om hulp te roepen."

"Is het wel mogelijk!" riep ik: en terstond, door een onwillekeurige gemoedsbeweging voortgestuwd en zonder over de gevolgen na te denken, stootte ik de deur open en trad binnen. Ik had mij niet bedrogen. Midden in het vertrek stond Amelia, met vlammende oogen en in een houding, eener vorstin waardig, en wees met uitgestrekten arm de deur aan Lodewijk Blaek, die volstrekt niet genegen scheen aan den wenk te voldoen.

Mijn binnenkomst veroorzaakte geen geringe uitwerking. Amelia herkende mij terstond; zij kleurde even: en haar arm latende vallen, deed zij een schrede zijwaarts naar mij toe, als wilde zij zich onder mijn bescherming stellen.

"Wie is daar?" vroeg Lodewijk, die met den rug naar ons toe stond en zich eensklaps omkeerde: hij herkende mij, verschoot van kleur, maar herstelde zich dadelijk en zag beurtelings Amelia en mij aan met een schamperen glimlach.

"Aha!" zeide hij: "ziedaar een welkomer gast! Nu zie ik inderdaad, dat ik het veld zal moeten ruimen."

Ik gevoelde de noodzakelijkheid, een poging aan te wenden, om zijn kwade vermoedens weg te nemen.

Mijnheer!" zeide ik, "gij bedriegt u. Ik verklaar u als man van eer: ik was onbewust dat deze Juffer hier woonde, en, van een bezoek bij den Heer Helding terugkomende, vond ik mij genoopt binnen te treden, omdat ik mij verbeeldde, dat hier iemand onbehoorlijk behandeld werd."

"Mijnheer!" zeide Lodewijk: "zoo ik het ben, wien gij een onbehoorlijke handelwijze toeschrijft, dan zult gij mij rekenschap van die uitdrukking geven."

"Ik zeide alleen, dat ik mij zulks verbeeldde," hernam ik, ongezind mij een noodeloozen twist op den hals te halen: "Mejuffrouw alleen kan hier beslissen of mijn vermoeden ongegrond was."

"O!Mademoisellezal u wel gelijk geven," hernam Lodewijk, met bitterheid: "want dat gij, die met haar in de stad zijt gekomen, niet zoudt weten, waar zij zich ophield, dat zult gij mij toch niet wijsmaken."

"Wees voorzichtig!" zeide ik, gevoelende dat ik warm werd: "ik ben niet gewoon, dat iemand aan de waarheid mijner gezegden twijfelt."

"Om 's Hemels wil! Mijnheer Lodewijk! Mijnheer Huyck! bezit uw zielen toch in lijdzaamheid:" riep Helding, angstig tusschen ons intredende; "verstaat elkanderen:

En laat geen dwaze drift u beider ziel doen blaken!"

En laat geen dwaze drift u beider ziel doen blaken!"

"Gij hebt mij geaffronteerd!" zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: "en gij zult er mij rekenschap van geven."

"Wanneer gij wilt," hernam ik in drift: "maar wij zullen eerst beiden dit huis verlaten en aan Mejuffrouw het bijwonen van zulke ergerlijke tooneelen besparen."

"Tot uw dienst," zeide Lodewijk, zich den hoed in de oogen drukkende, en Helding, die hem bij den arm hield, ter zijde schuivende.

"Een oogenblik!" riep Amelia, zich snel bij de deur plaatsende: "Mijnheer! vervolgde zij tot Lodewijk: "ik heb u zooeven verzocht mij te verlaten: thans begeer ik, zoo gij prijs stelt op den naam van een fatsoenlijk man, dat gij mij nog een oogenblik aanhoort. Deze Heer heeft de waarheid gesproken. Hij wist niet, hij kon niet weten, dat ik mij hier in huis bevond. Hoe gij mij hebt weten uit te vorschen, is een raadsel, dat ik niet verlang te onderzoeken. Ik weet niet, welke gedachten gij omtrent mij koestert en wil die ook niet kennen; maar dit verklaar ik u, dat alle beleedigende uitlegging, welke gij aan mijne korte kennis met den Heer Huyck zoudt willen geven, op verkeerde gronden berust."

"Dacht ik het niet?" zeide Lodewijk: "Mademoiselleis te beleefd om Mijnheer tegen te spreken."

"UEd. ziet het, Mejuffer!" zeide ik: "deze Heer wil geen rede verstaan en heeft vast besloten om uit al wat hij ziet of hoort, valsche gevolgtrekkingen te maken."

"Waarlijk, Mijnheer Lodewijk!" zeide Helding: "UEd. is in dwaling: het was wel degelijk aan mij, dat de Heer Huyck een bezoek kwam geven! en ZEd. zou deze deur stilletjes zijn voorbijgeloopen, indien ik ZEd. niet op het gerucht opmerkzaam had gemaakt."

"Mijnheer!" zeide Amelia, zich tot den dichter wendende: "gij zijt een man van jaren: ik bid er u om: vereenig u met mij, om dezen Heeren te verzoeken, mij te verlaten, en te vergeten dat zij mij ooit gekend hebben."

"Kom Helding! gij hoort het," zeide Lodewijk, spottende: "neem mij dan bij den arm en gooi mij de deur uit."

"Het is genoeg, Mijnheer!" zeide ik: "gij hebt verstaan, dat Mejuffrouw alleen wenscht te zijn: en gij zult haar verlangen eerbiedigen zoowel als ik: en zoo gij daaraan niet vrijwillig voldoet, zal ik zoo vrij zijn te doen, wat gij aan Monsieur Helding voorstelt."

Onder het uitspreken dezer woorden nam ik hem bij den arm, an er ware ongetwijfeld een tooneel van geweld op gevolgd, toen de deur weder openging en Heynsz, de huisheer, in eigen persoon binnentrad.

"Mij dunkt," zeide hij, "dat men het hier niet eens is, en dat hier meer leven gemaakt wordt, dan betaamt in een fatsoenlijk huis. Ik wist niet,Mademoiselle! dat UEd. ontving zulke drukke visites. Had ik kunnen raden dat dit was uw habitude, ik had u niet verhuurd deze appartementen; want ik ben niet gewoon... maar wat zie ik? Mijnheer Blaek! gehoorzame dienaar. Hoe vaart uw Heer vader? mijn goede vriend Helding ook al hier! Mijnheer Huyck! welkom in 't Vaderland! Maar mag ik weten, wat dit alles heeft te beduiden?"

"O! niets ter wereld!" zeide Lodewijk: "ik kwam aan de Juffer een bezoek geven; en Mijnheer begrijpt dit kwalijk te moeten nemen."

"Monsieur Heynsz," zeide Amelia met waardigheid: "ik heb deze kamer van u gehuurd en dit geeft mij recht om te vorderen, dat ik er mijn vrijheid op moge genieten."

"Uw vrijheid!Certainement!" zeide Heynsz, die haar verkeerd begreep: "niemand kan u verbieden, te ontvangenvisites; maar dit huis heeft altijdgejouisseerdvan eenhonnettennaam: en ik logeer geene dames, die ... die meen ik ... Heeren bij zich ontvangen. UEd. verstaat mij?"

"Neen, Mijnheer! ik versta u niet," antwoordde Amelia, terwijl zij kleurde van schaamte en verontwaardiging: "en gij verstaat mij nog minder: "ik begeer juist vrij te zijn omniemandte ontvangen: en als Heer des huizes zult gij mij verplichten, zorg te dragen, dat niemand mijne kamer kome oploopen alsof ... het een herberg ware. Ik wil alleen zijn, en zoo mij dit niet vergund wordt, zal ik naar een ander verblijf moeten uitzien."

"Mij dunkt," zeide ik, Heynsz aanziende, "dat Mejuffer niets onbillijks vordert."

"Integendeel!" zeide hij: "zij spreekt als een boek: ik was in erreur. Allons! Mijne Heeren: gij hebt gehoord de intentie van Mejuffer. Kom, vriend Helding! opgemarcheerd."

"Ik heb de eer nederig mijn compliment te maken aan het geëerd gezelschap," zeide Helding, terwijl hij rondboog met de blauwe muts in de hand, en vertrok.

Gerustgesteld door de tegenwoordigheid van Heynsz, in wiens bijzijn ik begreep, dat Amelia geene beleediging te vreezen had, maakte ik insgelijks een buiging en verliet de kamer, doch bleef in 't portaal staan, daar ik Blaek niet wilde ontloopen.

"Vaarwel, fiere schoone!" zeide deze, die nu wel inzag, dat hij voor het oogenblik alle hoop moest opgeven: "het doet mij recht leed, dat ik u misschien gedwongen heb te veinzen, dat gij met dien Heer niets uitstaande hadt. Nu! ik begrijp, dat hij de oudste brieven heeft, en zal u heden niet meer lastig vallen.—Mijnheer Huyck! gij gaat nog niet heen! Ik heb u twee woorden te zeggen."

"Ik wachtte u," zeide ik, langzaam voor hem uit de trappen afdalende.

"Eh bien! wat zal dat zijn?" riep Heynsz, ons achternavolgende: "de Heeren zullen immers zoo dwaas niet zijn, op straat te maken rusie! Indien zij nog quaestie samen hebben, mag ik dan verzoeken, dat zij komen in mijn zijkamer en daar bedaard met elkander spreken over dezeaffaire."

Onder het uiten dezer woorden was hij ons reeds voorbijgeschoten, en, terwijl hij de voordeur met de eene hand dichtsloot, opende hij met de andere die van de zijkamer. Er zat dus niets anders op dan aan zijn verzoek te voldoen. Ik ging dadelijk binnen en bleef tegen den rug van een stoel leunen, in afwachting van hetgeen volgen zoude. Lodewijk trad mij eenigszins schoorvoetende en mompelende na, en hield zich, als ware hij verdiept in de beschouwing van eenige portretten, die aan den wand hingen. Toen trad Heynsz binnen, sloot voorzichtig de deur achter zich toe, schoof stoelen aan en zette zich in een armstoel, met al de deftigheid van een Turkschen Pacha: en ik kon niet nalaten van bij mijzelven te lachen om de vergelijking, welke ik maakte tusschen den gehoorzamen ambtenaar, die de bevelen van den Hoofdschout staande en zonder tegenspraak aanhoorde, en den deftigen huisheer, die des Hoofdschouts zoon in 't verhoor ging nemen.

"Mijne Heeren!" zeide hij, zoodra wij alle drie gezeten waren: "ik weet bij eigene experientie, waartoe jeugdige passie kan vervoeren ons allen. Ik heb daar exempels van gezien bij menigten. De Heeren weten, dat ik al wattraversenenrecontresheb gehad." "Met verlof," zeide Lodewijk, de beenen over elkander kruisende, en op zijn horloge ziende: "kunt gij het niet wat kort maken? want ik moet te zes uren bij La Place zijn om een paar harddravers te probeeren, en het is nu al kwartier."

"Het is verre van mij, UEd. te willen ophouden," hernam Heynsz: "alleen, mag ik zoo vrij zijn van u te vragen, wat het motief is van de quaestie?"

"Ik ben niet gewoon," zeide Lodewijk, "bij een zaak van eer andere lieden in te halen, dan Cavaliers van mijn stand."

"Wat mij betreft," zeide ik, "ik wil gaarne Sinjeur Heynsz tot scheidsman nemen: zijn stand of de onze doet hier niets toe: hij heeft recht te onderzoeken, wat er in zijn huis is voorgevallen: en, oprecht gesproken, ik acht het voor alle partijen verkieslijker, dat over deze zaak buiten af geen gewag gemaakt worde. Ik ben dus bereid, alles, zooals het zich heeft toegedragen, te verhalen: en dan zal de Heer Blaek zelf bespeuren, dat er eigenlijk geen reden tot geschil bestaat."

"Zoo gij mij liever verschooning wilt vragen, dan met mij een wandeling buiten de poort te doen, dan zeker is alles spoedig gevonden," zeide Lodewijk, mij spotachtig aanziende.

"Ziedaar, wat wij nader zien zullen," zeide ik: "laat mij, als 't u belieft, eerst uitspreken. Ik begin met te bekennen, dat UEd., oordeelende naar de omstandigheden, voor zooverre zij bekend zijn, misschien aanleiding hebt kunnen vinden, om te denken, dat de Juffer geen weerstand aan uw voorstellen zou bieden; maar, vergun mij UEd. te zeggen, dat, toen zij u met nadruk verzocht, haar te verlaten, en UEd., in weerwil daarvan, haar met uw bijzijn lastig bleeft vallen, uw gedrag niet langer te rechtvaardigen was."

"Voor den duivel!" riep Lodewijk driftig, "neemt gij het op dien toon?—Bah!" vervolgde hij, lachende: "ik heb er wel honderd gekend, die eerst zoo koppig waren als stieren en naderhand zoo mak als lammetjes, zoodra ik de geeltjes liet klinken."

"Wel mogelijk!" hernam ik op een koelen toon: "maar dat zou niet licht het geval worden met de Juffer hierboven. UEd. hebt haar door uw gedrag beleedigd: en ik, door op het gerucht toe te snellen en haar partij te nemen, heb niets anders gedaan dan hetgeen elk ander en UEd. zelf in mijne plaats verricht zoudt hebben."

"Wel, niets was natuurlijker," zeide Lodewijk: "gij wildet gaarne uw lief voor u alleen houden."

"Ik herhaal nogmaals, en op het plechtigst," vervolgde ik, "dat mijne kennis aan haar slechts toevallig en zeer gering is, en dat ik verder niets met haar uitstaande heb. Wat ons betreft, Mijnheer! wij hebben elkander een paar woorden toegevoegd, waartoe de warmte van het gesprek aanleiding heeft gegeven. Gold het ons alleen, ik zou niet aarzelen, u voldoening te schenken: maar bedenk, dat wij in dit geval, om een armhartig punt van eer, de reputatie van een fatsoenlijk meisje in de waagschaal stellen: en dit betaamt noch u, noch mij."

"Braaf gesproken!" zeide Heynsz: "een fatsoenlijk meisje is het: haar papa woont te Deventer: Van Beveren heet hij: zij is een nicht van den Notaris Bouvelt, en had moeten logeeren bij hem; maar de man, hij is heel ziek, en had daarom hier een kamer voor haar gecommandeerd."

"'t Is zeker wat verhevens! de nicht van een Notaris!" zeide Lodewijk, zijn das ophalende en een gezicht zettende alsof hijzelf de neef ware van den Grooten Mogol.

"Dat is hetzelfde, Mijnheer!" zeide Heynsz: "ik ben maar een portretschilder; maar voordat iemand affronteere die Juffer, ik zelf zoude opnemen haar defensie: ik heb ook de kling leeren maniëeren in Frankrijk, en geëchangeerd kogels met luiden van goedenoblesse. Wat u betreft, Mijne Heeren! ik laat u niet van hier gaan, maar zal zenden een boodschap aan uw ouders, zoo gij niet belooft aan mij, de zaak te termineeren in goeden vrede."

"Gij zijt een onbeschaamde vlegel," zeide Lodewijk, driftig opstaande.

"Neen, Mijnheer! ik hen een portretteur," zeide Heynsz: "maar ik heb genoeg experientie, om te weten hoe te handelen met lieden, dievolontairzijn, als UEd."

"Ik wou wel eens zien, dat iemand mij hier hield," zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: "wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik zie wel, dat alle praatjes niet helpen. Ik zal u hedenavond nog een briefje schrijven en u een plaats aanwijzen, waar wij de zaak kunnen vereffenen. En nu, Heer Portretkladder: ruim baan! en maak de deur open, of ik rijg u aan mijn degen."

"Bah!" zeide Heynsz, bedaard opreizend: "ik ben niet de waard uit het Hagendoornsche Bosch."

"Wat bedoelt gij daarmede?" vroeg Lodewijk, terugdeinzende, terwijl zijn gelaat zoo wit werd als papier.

"Ik bedoel daarmede, dat er geschieden dingen, die men waant niet te zijn bekend, en die het resultaat zouden kunnen hebben, dat zekere lieden,bon gré mal gré, op de binnenplaats van het stadhuis, onder den blauwen hemel, zouden kunnen hooren voorlezen zeer onaangename dingen."[6]

"Gij zult mij die woorden nader ophelderen," zeide Lodewijk, Heynsz bij den arm nemende en ter zijde trekkende, als vreezende, dat ik iets van het antwoord verstaan zoude.

"Direct!" zeide Heynsz: en tegelijk de deur openende, ging hij het portaal in, waar Lodewijk hem volgde als een hond, die slagen heeft bekomen. Heynsz fluisterde hem iets in het oor: en na een kort en driftig gesprek, keerde de onstuimige jongeling terug en zeide, met een heesche stem en zonder mij aan te zien:

"Wij zullen de zaken maar blauw blauw laten, Mijnheer Huyck! Ik ben wat driftig geweest, en Sinjeur Heynsz heeft mij alles opgehelderd."

"Ik verlang niets liever," antwoordde ik, met een stijve buiging. Lodewijk moffelde even aan zijn hoed, 't geen voor een groet moest doorgaan, en vertrok.

"Door welke tooverspreuk hebt gij hem zoo mak gemaakt?" vroeg ik aan Heynsz, zoodra deze terugkeerde.

"Ziedaar wat ik zou vertellen aan UEd., maar aan geen ander," zeide deze: "die Sinjeur Blaek heeft onlangs met eenigeCompagnons, mauvais garnemens comme lui, den boel opgeschept in een nachthuis en den waard gegeven eencoup d'épee, waar de man van heeft moeten houden een maand lang het bed. Die zaak isgeäpaiseerdomdat het waren jongelieden van den fatsoenlijksten stand, en dat een van hen is geweest royaal genoeg om te geven een goede som gelds. Maar deze Sinjeur Blaek, die eigenlijk was het meestcoupabel, heeft niets van zich doen hooren, en dacht, dat niemand hem had verklapt. Nu heb ik hem gegeven te kennen, dat ik dieaffairewist, haarklein."

"En schroomt gij niet," vroeg ik, "dat hij daardoor uw betrekkingen tot de Justitie zal leeren kennen?"

"Geen nood: hij zal niet, alsoupçonneerdehij iets, daarvan spreken durven. Ik heb hem gezegd, dat, zoo hij u molesteerde, het muisje zou hebben een staartje."

"Ik ben u dankbaar voor de genomene moeite; maar toch ongaarne zoude ik zien, dat hij mij voor een lafbek hield."

"Hoor Mijnheer Huyck! doe wat gij wilt op een andere plaats: dat kan ik niet verhinderen; maar te mijnen huize zal, zoo ik helpen kan, uws vaders zoon niet betrokken worden in eenigequerelles. Voelt UEd.? Wat behoeft dattumult?"

"Het was niet uit vrees voor dien Heer Blaek, maar om den wille van de Juffer, dat ik gerucht vermijden wilde."

"Bah!" zeide Heynsz, terwijl hij lachende den vinger omhooghief: "ik heb te veelexperientieom mij te laten foppen. UEd. zal mij geen loer draaien, zooals UEd. gedaan heeft den Heer Blaek. Ik weet ook wel, dat UEd. op een beteren voet staat met die mamsel dan UEd. wel weten wil."

"Wat!" zeide ik, onthutst: "gij weet...."

"Dat UEd. met haar van Naarden gearriveerd zijt! Of ik het weet ... maar wees niet bang: ik weet wat ik moet zeggen of zwijgen. Ik zal het niet oververtellen aan Papa."

Men kan zich licht voorstellen, welk een onaangenaam gevoel ik ondervond, op de gedachte, dat ik van de bescheidenheid diens mans afhing. Maar tevens begon ik vrees te voeden, of Heynsz ook van mijne bekendheid met Amelia's vader bewust ware.

"Nu ja!" zeide ik op een onverschilligen toon: "ik heb met haar in de Naarder schuit gezeten. Wat zou dat?"

"Juste! maar UEd. heeft niet gepasseerd den nacht te Naarden: evenmin als zij."

Ik hield mijn oogen strak op hem gevestigd; maar ik kon niet doorgronden of hij mij wilde toonen, dat hij het geheim wist, dan wel of hij het integendeel zocht uit te vorschen. Ik begreep in allen gevalle zeer voorzichtig en op mijn hoede te moeten zijn, en zeide, zoo bedaard als in mijn vermogen was:

"Gij, die alles weet, gij weet toch niets, dat ten nadeele van die Juffer kan strekken?"

"In het minste niet," antwoordde hij: "ware het anders, ik zou haar niet logeeren in mijn huis. Ho! Ho! Men bedriegt niet Heynsz: ik badineerde maar: dochfranchement, indien het een ander ware geweest als UEd., die met haar had gemaakt de reis, ik zou toch nemen de moeite van mij te informeeren, hoe gij beiden u zoo àl'improvistebevondt te Naarden, zonder dat iemand weet, hoe en vanwaar gij daar zijt gearriveerd."

Ik herleefde; want nu bleek mij, dat hij niets bepaalds wist. "Welnu!" zeide ik, "daar wij geen van beiden verdachte personen zijn, noch Mejuffrouw Van Beveren, noch ik, zoo raad ik u maar, u daarover niet verder te bekommeren. Er zijn zaken van meer belang, die uw onderzoek kunnen bezig houden."

Met deze woorden rees ik op, nam mijn afscheid en verliet het huis, niet weinig ontevreden over het noodlot, dat mij scheen te vervolgen en tegen wil en dank van het eene avontuur in het andere te halen en een rol te doen spelen in allerlei zaken, waarmede ik niet verlangde iets te doen te hebben.

[5]De titel van Mijnheer werd in die dagen alleen aan aanzienlijken gegeven: deftige leden uit den burgerstand heettenSinjeur: en men zeideMonsieurtegen den zoodanige, voor wien bovenstaande benamingen nog te verheven waren. MetMevrouw,MejuffrouwenMademoisellewas het ongeveer hetzelfde.Noot van den uitgever.

[5]De titel van Mijnheer werd in die dagen alleen aan aanzienlijken gegeven: deftige leden uit den burgerstand heettenSinjeur: en men zeideMonsieurtegen den zoodanige, voor wien bovenstaande benamingen nog te verheven waren. MetMevrouw,MejuffrouwenMademoisellewas het ongeveer hetzelfde.Noot van den uitgever.

[6]Aldaar werd voorheen het vonnis aan de ter dood veroordeelden gelezen.Noot van den Uitgever.

[6]Aldaar werd voorheen het vonnis aan de ter dood veroordeelden gelezen.Noot van den Uitgever.

Indien mijn waarde lezers het bovenstaande nauwkeurig hebben gelezen en onthouden, zullen zij zonder veel moeite kunnen uitrekenen, dat de dag, volgende op dien, waarop mijn ontmoeting ten huize van Heynsz plaats had, een Zaterdag was, en wel die, waarop Tante Van Bempden mijn zuster en mij zou komen afhalen om ons naar haar buitengoed te begeven. Niet veel later dan negen uren hield haar koets voor onze deur stil, terwijl Suzanna en ik reeds een geruime poos in de zijkamer hadden staan draaien, onze zakuurwerken met de staande klok vergeleken, over den juisten tijd gekibbeld, en het oneens waren geweest of de Muntklok voor- of achteruitgezet was, en voor de tiende maal aan onze moeder haar tienmaal herhaalde vraag, of wij niets hadden vergeten van hetgeen wij buiten noodig hadden, beantwoord, en gegaapt en opgestaan en weer gaan zitten en alle dergelijke belangrijke handelingen meer bedreven, die men niet doet dan alleen wanneer men wacht en zich verveelt. Na afscheid genomen te hebben van mijn moeder, die ons tot op de stoep vergezelde, hielp ik Suzanna in het rijtuig, van waar mijn Tante haar reeds het welkom toeriep. Ik hoorde mijn zuster een kreet van verbazing uiten, stapte na naar het portier binnen, en, vond mijnez-à-nezmet ... Mejuffrouw Henriëtte Blaek.

Intusschen gaven Govert en Aagt de kleine pakjes aan, die wij mede moesten nemen: er was vrij wat drukte en bereddering: en ieder sprak te gelijk.

"Wel, Jetje-lief! hoe vaar je? wel Tante! wat is dat een lieve verrassing," zeide Suzanna.

"Hoe! gaat Juffrouw Blaek ook mede?" riep mijn moeder, van de stoep af, terwijl zij minzaam goeden dag knikte: "wel Zuster! dat is een recht aangenaam gezelschap, dat gij aan Santje bezorgt."

"Nietwaar, Zuster!" riep Tante weerom: "ja! ik wist wel, dat Santje niet aarden kan zonder een kornuitje: en ik denk altijd: hoe meer zielen, hoe meer vreugd."

"Goeden dag, Mevrouw Huyck!" riep Henriëtte: "is het niet een recht lieve attentie van Mevrouw Van Bempden, dat zij mij wel mee wil hebben?"

"'t Is klaar Joris!" zeide de knecht, het portier sluitende.

"Vaartwel! Adieu!" klonk het over en weer: en het langzaam voortrollen der koets maakte een einde aan de afscheidsgroeten.

Nauwelijks waren wij onderweg, of er ontstond eene oogenblikkelijke stilte: en de verschillendecontenances, die wij hielden, zouden zeker niet onbelangrijk geweest zijn in de oogen van een derde, die met onze innerlijke gevoelens ware bekend geweest. Wij zagen elkander beurtelings aan: Tante Van Bempden met een blik van zegepraal over het welgelukken van haar verrassingsplan: Suzanna met een paar oogen, waarin ik, bij de vreugde over de ontmoeting van haar vriendin, tevens een schalksche nieuwsgierigheid las, om te zien hoe wij ons zouden houden: Henriëtte, die mij eerst vrij stijfjes gegroet had, met een eenigszins verlegen blik. Wat mij betreft, ik was zoo uit het veld geslagen, dat ik niet wist waarheen te kijken en de zotste figuur mogelijk maakte.

"Komaan!" zeide Tante: "Jetje-lief! nu moet ik u mijn neef Ferdinand voorstellen. Ferdinand! Mejuffrouw Blaek."

"Ik heb reeds de eer van Mijnheer te kennen," zeide Henriëtte, met een zoo korte hoofdbuiging en op een zoo drogen toon, dat ik geheel en al van mijn stuk geraakte en kleurde tot achter de ooren toe.

"Hoe! kent gij mijn neef al?" vroeg Tante, met verbazing: "en hoe is dat mogelijk? hij komt pas uit verre landen terug."

Ziende, dat Henriëtte op haar beurt een kleur kreeg en dat Suzanna op haar zakdoek beet om niet te lachen, vatte ik eenigszins moed: "Mejuffrouw," zeide ik, "is de eerste stadgenoot geweest, die ik op den vaderlandschen grond ontmoet heb: en UEd. zal bekennen, dat ik het niet gelukkiger treffen kon."

"Hoe varen Letje? en Keetje?" vroeg Henriëtte, zich naar Suzanna wendende, als wilde zij mij de gelegenheid afsnijden om verder over onze ontmoeting op Guldenhof uit te weiden.

"Wel! zeer wel!" zeide Suzanna, ons beurtelings met een verwonderden blik aanziende: "zij zijn recht in haar schik met het moois, dat Ferdinand haar gebracht heeft," (men ziet, dat zij mij met geweld in hetdiscourswilde sleepen:) "wat mij betreft, ik ben maar half tevreden over hem. Ik had gehoopt, dat zijn tochten hem wat zouden verbeterd hebben; maar och! hij is te huis gekomen zooals hij gegaan is, behalve dat hij deze reis geen pruik ophad."

"Welnu! wat wildet gij dan?" vroeg Tante, met haar gewone levendigheid, en het gezegde van Suzanna voor goede munt opnemende: "hadt gij liever gewild, dat hij terug ware gekomen als een vervreemde knaap, die zijn eigen taal verleerd was en met medelijden of verachting op zijn landgenooten en familie neerzag? Wij hebben, sedert de revocatie van het Edict, al genoeg Fransche poedeljassen in het land gekregen: en het is wel zaak, dat wij ten minste de vaderlandsche gewoonten blijven voorstaan."

"Recht zoo Tante!" zeide Suzanna: "hoe is u de laatste preek van Talard bevallen?"

"Santje! Santje!" zeide Tante, den vinger dreigend opheffende: "is dat geoorloofd, aldus met uw tante te gekscheren, omdat ik nu van den preektrant van Talard houde, waar onze predikanten wel een voorbeeld aan mochten nemen. Ik geloof, dat ik mijn vaderland daarom even liefheb, al ga ik nu en dan eens naar de Walekerk, waar zulk een onstichtelijk gedrang niet is als in onze kerken."

"Neen; maar integendeel een zeer stichtelijk gesprek bij het uitgaan, over alles behalve de preek. Laatst vroeg mij een diaken, dien ik niet noemen zal, juist op het oogenblik, dat ik bij 't uitgaan, mijn gift in 't zakje deed, of ik veel engagementen had voor het bal van Mevrouw Stoppelaar."

"Zoo, ja!" hernam Tante: "maar daar mij zulke vragen niet gedaan worden, heb ik geen stof tot ergernis en blijf ik evengoed Hollandsch-gezind al hoor ik nu en dan een Fransche predikatie."

"Zijn dat de fontanges, die UEd. uit Parijs hebt laten komen, Tante?" vroeg mijn onverbeterlijke zuster, die evenals een echte visscher, nooit kon nalaten de angelroede uit te werpen, waar zij er gelegenheid toe zag.

"Dat is hetzelfde onbeschaamde meid!" zeide Tante, glimlachende: "ik laat mijn fontanges uit Parijs komen, omdat zij hier niet goed gemaakt worden, en ik zou er u haast naar toe sturen, om school te gaan en wat eerbiediger te leeren worden jegens menschen van meer jaren."

"'t Is den moriaan geschuurd," zeide ik: "of UEd. haar al de les leest."

"Zoo! komt gij ook uit den hoek?" zeide Suzanna: "neen! dan is het geen gelijke partij meer! want of ik Jetje al te hulp roep, die weet ik te voren, dat mij altijd afvalt."

"Die overtuiging bewijst niet veel voor de deugdzaamheid van uwe zaak," zeide Henriëtte.

"Zeer nederig aangemerkt," zeide Suzanna.

"En ontegenzeggelijk waar," voegde ik er bij: "want Mejuffrouw Blaek kan zeker nooit een zaak voorstaan dan die billijk en rechtvaardig is."

"'t Is jammer Jetje! dat wij in een rijtuig zitten," zeide Suzanna: "anders zoudt gij zeker opstaan en nijgen, om voor zulk een fraai compliment te bedanken."

"O! ik weet bij ondervinding, dat Mijnheer zeer mooie complimenten kan maken," antwoordde Henriëtte, den toon van terughouding hernemende, die mij zoozeer griefde.

"Waarlijk!" zeide Suzanna: "nu dan hebt gij, niettegenstaande uw korte kennismaking, al meer goede hoedanigheden in mijn broeder ontdekt dan ik: want ik had er hem nog niet op betrapt; maar dat geeft hoop op de toekomst."

"Maar vertel mij toch," zeide Tante, die half naar dit laatste gedeelte van het onderhoud geluisterd had en half gesnuffeld in een paar nieuwe Engelsche boeken, die zij mede naar buiten nam: "waar en hoe hebt gij elkander meer gezien? en laat dat gehakketeer toch eens varen."

Ik voldeed met weinige woorden aan haar verzoek; maar, in weerwil van Tantes vermaning en hoe kort mijn verhaal ook ware, het haalde mij ettelijke zetten en spotternijen van Suzanna op den hals, die nu eens beweerde, dat ik een mannetje van zout ware en voor een klein regenbuitje vreesde; dan weder, dat ik den regen slechts als een voorwendsel had aangegrepen, om te zien; welke Juffer in den koepel zat; dan, dat ik al zeer vrijpostige manieren had opgedaan om mij zoo in te dringen op een plaats, waar ik niets te maken had, enz. Wat Henriëtte betrof, deze scheen te lijden onder dit gesprek en antwoordde slechts met ja en neen op de vragen, welke te dier gelegenheid tot haar gericht werden, zoodat Tante haar houding begon op te merken en haar vroeg of haar iets deerde, of het haar ook tochtte, of zij ook van plaats wilde ruilen enz. Suzanna, die wel bemerkte, dat het hem daar niet zat, doch de reden van Henriëttes handelingen volstrekt niet verklaren kon, werd van zelf stil en zag mij zijdelings met eenige ongerustheid aan. Ik was zelf ook lang niet op mijn gemak; maar, al mijn vermogens inspannende, trachtte ik het zooverre te brengen, dat ik een andere wending aan het onderhoud gaf en begon het een en ander over mijn reizen te vertellen. Suzanna, die mijn oogmerk raadde, hielp mij dezen keer trouw voort. Tante begon belang te stellen in hetgeen ik mededeelde: haar verbeelding raakte met haar tong aan het wedrennen: en Henriëtte zelve, schoon altijd min of meer schoorvoetende, mengde zich nu en dan in het gesprek, glimlachte zelfs bij wijlen, doch verviel, telkens wanneer ik haar bepaaldelijk toesprak, weder in haar afgepaste, koel beleefde houding. Zoo duurde het, totdat wij aankwamen te 's Gravenland en het hek van Heizicht binnenreden.

"Komt kinderen!" zeide Tante, zoodra het rijtuig had stilgehouden voor de prachtige stoep, waarvan elke trede met kostelijke bloemgewassen prijkte: "nu moet gij u zien te vermaken tot den etenstijd: want ik zie daar al dezen en genen, met wien ik het een en ander te behandelen heb: en ik vrees, dat mij de tijd zal ontbreken, om voor den eten met u op den dril te gaan."

Wij zagen, dat zij gelijk had; want het voorhuis stond vol lieden, die, met den hoed in de hand en onder beleefde buigingen, de eigenares van Heizicht opwachtten. Daar was de timmerman van het dorp, met wien zij in onderhandeling moest treden over den aanbouw van eenige nieuwe hokken voor de pauwen en fazanten: de metselaar, die een steenen wal voor den nieuwen achthoekigen vijver maken zou: de schilder, die een nieuwe verf zou geven aan het zomerhuisje, zonder nog te gewagen van eenige leveranciers uit Utrecht en Weesp, die zij besteld had en te woord moest staan. Zij trad dan ook terstond in een zijvertrek, zonder zich den tijd te gunnen van zich van hoed en mantel te ontdoen, en wenkte een der aanwezige personen toe, haar te volgen. Wat de jonge dames en mij betrof, wij begaven ons naar de kamers, welke wij betrekken moesten, en waar de dienstboden ons goed brachten, en maakten ons toilet in behoorlijke orde. Ik althans besteedde daaraan meer tijd en zorg dan ooit te voren mijn geval was geweest: 't zij, dat ik verlangde wat knap voor de oogen van Mejuffrouw Blaek te verschijnen, en een beter figuur te maken, dan toen ik in mijn nat en versleten gewaad op Guldenhof voor haar opdaagde, 't zij, dat de onaangename gewaarwording, die haar koelheid bij mij verwekt had, mij belette den noodigen spoed te maken. Zooveel is zeker, dat, toen ik geheel gekleed en in orde voor den dag kwam en het huis uittrad om de balsemende buitenlucht te genieten, ik mijn zuster reeds kant en klaar vond en druk bezig om een ruiker te maken.

"Te deksel!" zeide Suzanna: "dat toilet heeft lang geduurd. Gij ziet er uit, of gij uit een doosje kwaamt. En dat alles ter eere van Jetje Blaek? Dan vrees ik, dat gij vergeefsche moeite doet; want ... maar zeg mij toch, Ferdinand! zonder gekscheren, is er iets tusschen u beiden voorgevallen? want ze wilde u nauwelijks te woord staan, en keek bij wijlen zoo zuur, gelijk ik haar nog nooit heb zien doen." Dit zeggende hadden de oogen mijner zuster, anders zoo spotacbtig en vroolijk een uitdrukking van belangstelling, die mij wel bewees, hoe lief zij mij innerlijk had, en hoe het haar hinderen zoude, indien ik door haar vriendin niet naar verdiensten behandeld werd.

"Hoor eens, Santje!" antwoordde ik: "ik kan u thans niet alles zeggen; maar zoo gij mij verplichten wilt, doe dan uw best en maak, dat ik, al ware het maar een paar minuten, haar alleen spreke: en ik twijfel niet, of alles zal wel in 't effen komen. Ikzelf gevoel insgelijks behoefte om op een goeden voet met haar te blijven."

"Maar Ferdinand!" zeide zij, groote oogen opzettende: "nu! gij zult mij dat wel nader ophelderen ... mij dunkt, dat gij in dat uurtje, op Guldenhof doorgebracht, uw tijd niet verloren hebt."—En zij keek weer even schalksch als gewoonlijk.

Op hetzelfde oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de verschijning van Henriëtte aan de voordeur, waar zij staan bleef, als in beraad of zij zou naderen of terugkeeren; maar mijn zuster riep haar toe, of zij niet mede eens rond zou wandelen: en met langzame schreden kwam zij de stoep af.

"Kom! "zeide Suzanna, haar onder den arm nemende: "wij zullen ruim den tijd hebben, de plaats rond te gaan, eer Tante heeft afgedaan. Laat ons dit laantje ingaan: ik heb u heel veel te vertellen, en Ferdinand mag meeloopen, mits hij niet luistere."

Wij draaiden een zijlaan in, en de twee jonge dames begonnen met elkander te fluisteren, terwijl ik er naast liep, al bij mijzelf peinzende, wanneer de gelegenheid, waar ik naar verlangde, zich zou opdoen. Eensklaps stond Suzanna stil: "Wat ben ik toch een loszinnige meid," zeide zij: "daar heb ik mijn zakdoek op het toilet laten liggen: wacht! ik ben dadelijk terug." En zonder meer keerde zij zich om, en liep, vlug als een hinde, weder huiswaarts, ons toeroepende, dat wij maar langzaam zouden opwandelen, dat zij ons wel zoude inhalen.

"Maar Santje!... wil ik niet met u gaan?" riep Henriëtte haar achterna, en was reeds van zins haar te volgen.

"Blijf maar! Ferdinand zal u niet opeten," zeide Suzanna van verre: en Henriëtte, ziende, dat er niets anders opzat, bleef stilstaan en trok met de punt van haar zonnescherm figuren in het zand.

Ik stond een poos als versteend: en nu de list van mijn goede zuster mij de gelegenheid verschafte, naar welke ik een oogenblik te voren reikhalzend uitzag, was het mij, alsof ik nooit in staat zoude zijn, daar een goed gebruik van te maken. Ik was als met botheid en stomheid geslagen en ik voelde, dat ik beefde. Eindelijk zamelde ik al mijn moed bijeen en met een flauwe stem stamelde ik de navolgende woorden uit:

"Mejuffrouw! ik weet niet of ik mij bedrieg; maar ik geloof, dat ik onwillekeurig uw ontevredenheid heb opgewekt."

Zij zag mij eenigszins verrast aan; doch haar vorige houding weder hernemende, antwoordde zij op een onverschilligen toon:

"Ik weet niet, Mijnheer! welk recht ik zou hebben om ontevreden op u te zijn."

Het ijs was gebroken en ik moest voortgaan, wilde ik niet als een botmuil worden aangemerkt: "Ik geloof," zeide ik, "dat Mejufvrouw Blaek verheven is boven hetgeen men grilligheid noemt.... Heb ik mij slechts ingebeeld, dat UEd. heden, nu ik bij u bekend ben, in het gezelschap van mijn betrekkingen, mij ... kortom ... mij minder vriendelijk behandelt, dan toen ik mij op Guldenhof bevond?"

"UEd. kan het oogmerk niet hebben om mij te beleedigen?" zeide zij, mij ernstig aanziende.

"God weet, dat dit de laatste mijner gedachten zoude zijn: en ik verwerp alle dergelijke uitleggingen mijner woorden. Maar ik bedrieg mij niet: er is iets voorgevallen ... men heeft mij bij u in een kwaad daglicht doen voorkomen."

"Mijnheer!... ik weet niet ... maar het schijnt of ik een verhoor moet ondergaan," zeide zij, kennelijk ontevreden.

Ik begon te begrijpen, dat zij toch niet voor de reden van de verandering in haar gedrag te mijwaart zou uitkomen, en besloot er dus zelf op te zinspelen, terwijl ik, nu eens aan den gang zijnde en mijne eer op het spel ziende, met meerderen moed en warmte aldus voortvoer:

"Hoe kunt gij mij dus kwellen en een ongunstige wending geven aan al wat ik zeg? Laatstleden Woensdag op Guldenhof hadden wij op zulk een aangename wijze kennis gemaakt en waren op zulk een gullen, vroolijken voet van gemeenzaamheid gekomen, die mij zooveel zoets en genoeglijks voor de toekomst beloofde: en thans wilt gij mij nauwelijks met een antwoord verwaardigen.... Wat zeg ik? reeds toen UEd. mij eergisteren te Muiden voorbijreed, was uw groet zoo kort...."

"Mijnheer!" riep zij verrast uit, terwijl ik in haar oogen haar verontwaardiging las en haar verbazing, dat ik van die ontmoeting gewag durfde maken.

"Of is het wellicht die ontmoeting zelve," vervolgde ik, "welke bij u tot verkeerde oordeelvellingen omtrent mij heeft aanleiding gegeven?—UEd. zwijgt!"

"Inderdaad, ik weet niet, wat ik antwoorden zal," zeide zij, na eenige aarzeling: "ik ben uwe zedenmeesteresse niet, het is mij natuurlijk onverschillig met wie UEd. omgaat...."

Het hooge woord was er uit, en ik zegende mijn besluit om een verklaring uit te lokken.

"Veroorloof mij, de overtuiging te behouden," zeide ik, "dat die ontmoeting alleen u niet tegen mij zoude hebben ingenomen, en dat uw Heer Neef, wien ik te Naarden ontmoette, en die zelf wellicht te mijnen opzichte door den schijn misleid werd, UEd. gedachten heeft ingeboezemd, die het mijn plicht is, u te ontnemen."

Henriëtte werd bleek en een traan glinsterde in haar oog: ik zag, dat ik juist geraden had.

"Ik ben eerst een paar dagen bij de mijnen terug," vervolgde ik, "en er ligt mij veel aan gelegen, dat mijn goede naam ongekrenkt blijve. Vooral stel ik er prijs op, dat UEd. mij niet verkeerd beoordeele. Zoude UEd. weigeren, aan mijn woorden geloof te slaan, wanneer ik u als man van eer verklaar, dat ik de Juffer, met wie ik mij toen bevond, geheel bij toeval heb ontmoet, dat zij mij niets is, en dat er tusschen haar en mij geene andere betrekking bestaan heeft, dan die de gestrengste zedelijkheid zoude kunnen veroorloven? Ware dit anders, zou ik dan schaamteloos genoeg zijn geweest om dit gesprek te beginnen? Had ik niet veeleer gezwegen en gebloosd?"

"Mijnheer!" hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens: "er rustte hoegenaamd geen verplichting op u, mij rekenschap van uwe daden te geven. Het is waar, men heeft mij verteld ... ik heb gedacht ... om 't even wat. Ik beken, ik heb u niet beleefd behandeld..., en dat was verkeerd van mij, ik verzoek verschooning daarvoor."

"In 's hemelsnaam!" riep ik verheugd uit: "spreek toch niet van verschooning vragen, de schijn was tegen mij ... en ik ben het, die u vergiffenis moet afsmeeken voor de onbescheidenheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt."

"Welaan!" zeide zij, met een bekoorlijken glimlach, "dan zullen wij ons maar over en weerquitterekenen en over dat lastige geval niet meer denken."

"Gij geeft mij het leven weder," riep ik: en tevens de lieve hand aanvattende, waarmede zij zich steelsgewijze de oogen had afgedroogd, drukte ik er een eerbiedigen kus op.

"Ei zoo!" riep Suzanna, die huppelende en in de handen klappende kwam aangeloopen: "uit welk land hebt gij die manieren medegebracht?"

"Wel Santje!" zeide Henriëtte, rood wordende: "ik dacht, dat gij nooit terug zoudt komen."

"Hoort gij, Broertje!" zeide Suzanna: "gij schijnt het talent nog niet te bezitten om iemand den tijd kort te doen vallen."

"Wie zegt, dat Mejuffrouw mij vergunnen wil, zulks te beproeven," zeide ik lachende.

Suzanna keek mij zijdelings aan en trok uit de opgeruimdheid van mijn gelaat de juiste gevolgtrekking, dat ik naar wensch geslaagd was: terwijl zij hiervan nog nader de zekerheid bekwam, toen zij op onze verdere wandeling bespeurde, dat Henriëtte een zeer minzamen toon jegens mij aannam, als wilde zij haar koelheid van dien morgen weder goedmaken. Wat mij betrof, ik was door dezen aangenamen omkeer zoo verrast en gevoelde mij zoo innerlijk gelukkig, dat ik er stil van werd en mij zelfs kwalijk verdedigde tegen de plagerijen van Suzanna, die mij beschuldigde een druiloor te zijn, en een zeer slecht gezelschap voor jonge dames. Ik begon op het laatst zelf te gelooven, dat zij gelijk had, en dat ik een mal figuur maakte. Ik bedroog mij echter: en met een weinig meer ondervinding in liefdezaken zoude ik geweten hebben, dat een welopgevoed en weldenkend jong meisje zich meer gestreeld gevoelt, wanneer iemand, die haar zijn hof maakt, zich in haar tegenwoordigheid bedeesd en ingetogen betoont, dan wanneer hij zijne gewone luchthartige vroolijkheid bewaart. In het laatste geval toch kan zij wanen, dat hij slechts aan zich zelven denkt: in het eerste, dat haar tegenwoordigheid hem in ontzag houdt: en het kan niet missen, of deze gedachte moet streelend zijn voor haar eigenliefde,

Doch er was nog een reden, welke mij stil maakte en, zelfs in het bijzijn van de bevallige Henriëtte, stof gaf tot overdenkingen, die haar niet betroffen. Al pratende en wandelende waren wij tot aan het achterste gedeelte der hofstede geraakt. Wij volgden een smal en net opgeharkt laantje, dat rondliep om een vrij aanzienlijk stuk weiland, waarvan het door een doornenhaag was afgescheiden, terwijl aan de andere zijde een elzenschering en greppel de uiterste grenzen afteekenden, die het buitengoed scheidden van de onbebouwde heide, tusschen de niet overal even dichte takken dier elzen kreeg men nu en dan den toren van Naarden en de omgelegen bosschen in 't oog: en het gezicht van het een en ander bracht, gelijk zich begrijpen laat, herinneringen bij mij teweeg, nog te versch en te krachtig, om die zoo opeens te kunnen verbannen. Aan het einde van dit laantje bevond zich een bergje (gelijk men een kleine onevenheid van den grond noemde, door het aanbrengen van plaggen opgehoogd) en daarop een groote groen geschilderde zitbank, die in den vorm eener halve maan rondliep, en gelegenheid gaf, om onder het lommer van een fraaien treur-esch uit te rusten en een niet onbevallig landgezicht te beschouwen. Immers, wanneer men naar de buitenzijde zag, weidde het oog over de uitgestrekte heide, met paarse bloemen overdekt en waarboven die dunne wasem golfde, die zich altijd bij heeten zonneschijn vertoont. Kortbij was een gedeelte van den barren grond afgezand en terwijl het bovenste gedeelte van den daardoor ontstanen heuvel, op het tijdstip, toen wij daar ter plaatse kwamen, met eene kudde lammeren bedekt was, die aan het landschap eenige levendigheid bijzette, stuitten de heete zonnestralen op den benedenkant en deden het witte zand schitteren met een verblindenden glans. Wanneer men de vermoeide oogen van daar afwendde, kon men die binnenwaarts laten uitrusten op het hooge dennenbosch, dat aan den voet van het bergje begon en waar onderscheidene paden en watertjes op een schilderachtige wijze doorheen kronkelden,—of op de nog donkerder beuken, die, verder, hun zware en weelderige takken spreidden over een vrij breed water, hetwelk aan de eene zijde van het weiland liep. Heerlijk was de terugspiegeling van het loof in het heldere nat, waarvan de kalme oppervlakte niet verbroken werd dan door de kringen, welke nu en dan daarin gevormd werden door den koning onzer binnenwateren, den vratigen snoek, of door eenige schoone lakenveldsche koeien, die met een statigen tred het weiland verlieten om koelte en schaduw in den frisschen plas te zoeken; maar, eens daarin gekomen, zoo stil en onbeweeglijk bleven, alsof zij een bekwamen schilder stonden af te wachten, die hem met zijn kunstpenseel op het doek zoude vereeuwigen. Maar wat geen penseel zoude hebben kunnen teruggeven, was de verrassende uitwerking der zonnestralen, die, hier en daar zich een weg banende tusschen de breede takken, door de oppervlakte des waters heen op den zandigen bodem afstuitende, al de kleuren van den regenboog in ontelbare mengelingen te voorschijn riepen.

Terwijl wij, op ons gemak neêrgezeten, ons in deze beschouwing verlustigden, en het verkwikkende genot van de vrije natuur, gepaard met de aangename gewaarwording van uit te rusten na eene vrij verhittende wandeling, ons alle drie in een stille en weldadige stemming gebracht had, hoorden wij opeens in de nabijheid roepen en praten en herkenden weldra de stem van Tante Van Bempden, die zich beurtelings uitzette om hop! hop! te roepen en dan weder een min schellen toon aansloeg en een onderhoud scheen voort te zetten met iemand, die haar vergezelde. Wij stonden op, ofschoon slechts langzaam; want ik geloof, dat geen van ons tevreden was van in zijn mijmeringen gestoord te worden: wij beantwoordden het hop! hop! met al de kracht onzer longen en begaven ons intusschen naar het dennenbosch, waaruit het geluid scheen voort te komen, en waar wij weldra Tante gewaarwerden, in gesprek met een kloeken landman, wien ik terstond herkende voor den man, dien ik in de Soester herberg ontmoet had en onder den naam van Baas Roggeveld heb ten tooneele gevoerd.

"Zoo! eindelijk gevonden?" zeide Tante, terwijl zij ons naderde, "gij laat mij ook mooi loopen. Kunt gijnogverder gaan?"

"Wel Tante-lief!" zeide Suzanna: "wie had ooit kunnen denken, dat UEd. ons zoudt komen opzoeken? Er stonden zooveel menschen om u heen, dat ik mij overtuigd hield, al bleven wij een uur weg, u nog bezig te vinden."

"Neen! dat hebben wij spoediger afgehandeld," zeide Tante: "en dan, de meeste dierbesogneszijn gaandeweg geschied. Daar is Baas Roggeveld, die had ook al lang afgedaan gehad, indien hij zoo stijf niet op zijn stuk stond, om mij zijn koeien eens zoo duur aan te willen smeren als het vorige jaar."

"Mevrouw dolt er altijd mee," zeide Roggeveld, grinnikende en het hoofd schuddende: "eens zoo duur! nou kaik! in dat geval! twaalfhonderd gulden de tien! 't is twintig gulden meer per stut dan in 't leste jaer, dat 's waer; maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, het binnen er ook biestjes naer. Die van verleden zeumer vielen een beetje mager; maar deuze mostje ereis voelen, in dat geval! zoo modderig als klinkklare butter: ik wed, je heit ze in je hiele land zoo niet staen, wil ik er ereis zeggen."

"Neen! dat geloof ik ook," zeide Suzanna: "dat kan Tante niet tegenspreken."

"Hoe heb ik het met u, Santje!" zeide Tante: "wat weet gij van koeien af?"

"Ik weet alleen dat de man letterlijk gelijk heeft," zeide Suzanna: "want in uw heele land staan geen koeien: zij staan alle in 't water."

"Nou kaik! in dat geval, wü ik ereis zeggen," zeide Baas Roggeveld, recht in zijn schik met deze aardigheid: "daar het de Juffer Tante toch ereis beet 'ehad."

"Of jou, Baas Roggeveld," zeide Tante, "maar dat is hetzelfde: ik betaal toch niet meer dan verleden jaar. Gij weet, ik ben een vaste klant van u: en 't vee is anders van 't jaar niet duur."

"Dat is 't net niet," antwoordde de landman; "ofschoon het er dan naer is ook: jae kaik, als je ander slag van biesten hebben wou, die kon je krijgen te kust en te keur: en veur weinig geld ook; maer, in dat geval, wil ik ereis zeggen, 't is maer omdat je op 't soort bent 'esteld, van niet as lakenveldsche te willen hebben: en dan had je reis motten zien, hoe weinig er van te krijgen zijn. 't Is niet, as of ie ze veur een vasten merktprijs kunt koopen: maar je mot ze zoo bij een occasie treffen: en wil je wel eleuven, dat ik er heel veur naer Alfen heb motten rijen, omdat ik hoorde dat er een boer weunde, die er een paer 'efokt had? Jao! vraeg het maer aan Meneer, die zal ook wel weten, dat het zoo gemakkelijk niet is, in dat geval."

"Wat ik er van weet," zeide ik, mij met mijn hoed in 't aangezicht waaiende, opdat hij mij niet herkennen zou, "is, dat gij ze voor fl 80 't stuk gekocht hebt van Peer de Groot en er dus een aardig sommetje aan verdient."

"Wel haegels kaik ereis!" zeide Roggeveld, groote oogen opzettende: "nou in dat geval wil ik ereis zeggen...."

Maar hij zeide niets; doch bleef mij verbaasd staan aangapen.

"Hoe kunt gij dat weten, Neef?" vroeg Tante, insgelijks niet weinig verwonderd.

"Ja Tante! ik ben zoo wat half een toovenaar," zeide ik, lachende, "maar laat hij het maar ontkennen, als hij durft." En, niet verlangende mij aan een herkenning bloot te stellen, welke tot het weder ophalen van vroegere tooneelen aanleiding geven kon, draaide ik mij om en haalde voor Henriëtte, die, waarschijnlijk weinig belang stellende in dit gesprek, een eind vooruitgeloopen was en begeerig opzag naar eenige hoogwassende kamperfoelie, den tak naar beneden, dien zij niet bereiken kon.

Wij waren langzamerhand een uithoek der plaats genaderd, waar een open hek op een buitenweg bracht. Deze plek was bijzonder wild, en met een menigte heestergewassen begroeid; maar wat er den meesten roem aan gaf, waren twee eikeboomen van ongemeene grootte, die aan weerskanten eener vervallene schaapskooi stonden. De eene, door storm of onweder van zijn kruin beroofd, scheen door zijn dikte te vergoeden, wat hij aan hoogte verloren had, en zijn zware armen waren met het dichtste loof bedekt; de andere droeg minder bladeren, en had een holte in den tronk; maar verhief zich nog altijd statig naar boven. Tante Van Bempden had, niet oneigenaardig, dezen met den naam vanPhilemon, en genen met dien vanBaucisgedoopt.

Op deze plek hield Tante stil en voegden wij ons bij haar.

"Nu, zooals gezegd is, Baas Roggeveld!" zeide zij: "vijftien gulden meer dan in 't voorleden jaar wil ik voor 't stuk wel geven; maar ook niet meer."

"'t Is warentig wat te krap," antwoordde hij: "maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, as het zoo mot, dan mot het. Maer dat ik er op verdienen zou, zoo as die jonge Heer daer zeit, dat heit ook al niet over; maer 't is net krek of ik jou ken," vervolgde hij, mij aanziende en zich den kop krabbende.

"Dat is mijn neef," zeide Tante: "misschien hebt gij hem hier wel ontmoet voor een jaar of wat."

"Dat kan wel 'ebeuren," zeide Roggeveld, terwijl hij nogmaals den blik op mij sloeg en de uitdrukking van zijn gelaat bewees, dat hij niet volkomen met deze verklaring tevreden was: "maer zeg ereis Mevrouw!" vervolgde hij, alsof hem eensklaps iets te binnen schoot: "mag ik wel zoo vrij zijn, in dat geval, om je ietwes te vragen?"

"Wat is er van uw dienst?" vroeg Tante.

"Ik zou wel ereis vragen, in dat geval, wil ik zeggen, of de Czaar van Rusland weer in het land is."

"Wel neen!" was het antwoord: "hoe komt gij daar aan?"

"Nou kaik! Hoe kunnen zij de menschen dan zoo foppen?" en hij gaf een verhaal van 't voorgevallene te Soest, hetwelk ik achterlaat, daar het niemand vermaken zoude, dit tweemaal te hooren, doch waarin onze dames ongemeen veel behagen schepten.

"Men heeft u een kool gestoofd," zeide Tante: "maar het schijnt met een goed oogmerk te zijn geschied."

"Ja! dat mag wel zoo!" zeide hij; "in dat geval. Maer is het waer, dat zij het huisje, waar Czaar Peter te Zaandam in 'ewoond heit, niet meer verhuren, maar laten het leeg staan?"

"Wel natuurlijk," zeide Tante.

"Nou kaik! hoe kan een mensch zoo teugens zen aigen zelvers wezen?" riep hij in verbazing uit: "geen geld te trekken van een huisje! Neen! as het zoo most wezen met de weuning, die ik hier op 's Gravenland heb staen, die ik van mijne vrouws mortje geürven heb, weet je, of aigenlijk men vrouw dan, wil ik ereis zeggen, dan verkoft ik het gauw, in dat geval."

"En gij zoudt gelijk hebben," zeide Tante: "maar die menschen te Zaandam hebben ook gelijk; daar zij meer verdienen met het huisje te laten zien dan er huur van te trekken."

"Wel kaik! ze kosten het iene doen en het aêre niet laten," zeide Roggeveld: "maer ik wou toch wel ereis weten, in dat geval, wat er aan zoo'n huisje meer te zien is as an en aêr."

"Maarà propos!" zeide Tante: "wie is die Monsieur Weerglas, aan wien gij uw huisje verhuurd hebt?"

"Wattie doet, weet ik niet, maer hij heit splint en betaelt op zen tijd. 't Is nog een jong gezel en hij weet aerdig te praeten. Hij gaet wat deftig 'ekleed ook Zundags."

"Een jong gezel, die deftig gekleed gaat en geen handwerk uitoefent!" zeide Tante, het hoofd schuddende: "ik hoop maar, dat daar niets achter schuilt."

"Ja! in dat geval, wil ik ereis zeggen," zeide Roggeveld eenigszins onthutst: "as er ietwes after school, had ie gauw bij mij afedaan: maar dat's tot darentoe. Nou Mevrouw! zoo as 'ezeid is; morgenavond kom ik toch hier met de vrouw om de kermis te zien, in dat geval zal ik de koeien Maandagavond of Dinsdag-ochtend hier bezurgen."

"In dat geval zal ik ze hier verwachten," zeide Tante: en de landman wandelde na herhaalde groete het hek uit, terwijl wij den terugtocht aannamen, daar de bengel reeds voor den eten luidde. Wij spoedden ons naar huis, waar wij weldra aan den disch een paar heerlijke tarbotten zagen rooken. Na het middagmaal nam Tante mij ter zijde, om mij te onderhouden over de nieuwe betrekking, welke ik in het huis Van Bempden, Van Baalen & Co. ging vervullen. Daar dit gesprek echter van een geheel mercantiëelen aard was, zal ik er hier geen gewag van maken, zoomin als van hetgeen verder dien avond voorviel, en waarvan ik mij alleen herinner, dat ik smoorlijk verliefd naar bed ging.

Het ontbijt vond ons den volgenden morgen allen kant en klaar om ons naar de kerk te begeven. Hetzij, dat de dorpsklok verzet was, hetzij dat de koetsier te laat met het rijtuig voor was gekomen, de Predikant was reeds op stoel, toen wij het Godshuis binnentraden. Geheel vervuld door de troostrijke gedachte, dat ik, na zoolang uitlandig te zijn geweest, mij weder voor het eerst in een Vaderlandsche kerk bevond, hield ik mij alleen met den plechtigen eeredienst bezig, zonder, gelijk wellicht geschied zou zijn, indien ik vroegtijdig, bij het aangaan, of minder opgewekt ter kerke gekomen ware, mij met de aanwezigen te bemoeien. Toen echter de Predikant het eerste deel zijner rede ten einde had gebracht, en de gemeente van deze gelegenheid gebruik maakte om naar gewoonte te hoesten en zich te snuiten, liet ik even den blik over de vergadering weiden en werd ik in een der meer verwijderde mansbanken iemand gewaar, dien ik verre was te dezer plaats te verwachten, en dien ik tot mijn verbazing herkende voor het hoofd der drie struikroovers, die mij hadden aangerand: den zoo gevreesden Zwarten Piet, nog deftiger gekleed dan toen ik hem op den weg zag. Zijn oogen ontmoetten de mijne: waarschijnlijk had hij mij reeds vroeger opgemerkt: hij knikte mij, vriendelijk, doch bijna onmerkbaar, toe, lei den vinger op den mond, als wilde hij mij stilzwijgendheid aanbevelen, en zag toen weder aandachtig den leeraar aan.

Deze zonderlinge ontmoeting bracht, gelijk men denken kan, geen kleine ontroering bij mij te weeg, en ik raakte geheel uit de stemming, waarin ik mij bevond: zoodat ik in het eerst buiten staat was, eenige oplettendheid te schenken aan de woorden van den Predikant, die mij als ijdele klanken in de poren gonsden, zonder dat mijn hart die gevoelde of mijn verstand die bevatte: ik kon niet nalaten het oog gedurig op den straatroover te werpen, die het zijne daarentegen onafgebroken op den Predikant bleef vestigen, als ware hij bevreesd geweest, dat hem een woord zou ontsnappen. In den beginne schreef ik zijn houding aan goddelooze huichelarij toe; maar weldra bleek mij, dat ik verkeerd oordeelde. Het zou dien avond, gelijk ik reeds met een woord heb doen verstaan, kermis zijn op 's-Gravenland: en, als men weet, zijn de Predikanten bij die gelegenheid gewoon, zoodanige stoffen te kiezen, als welke zij geschikt achten om er gepaste vermaningen en waarschuwingen uit te putten tegen alle soort van losbandigheid, dronkenschap en ontucht, waartoe dergelijke volksfeesten niet dan te vaak aanleiding geven. Zoodanige kermispreeken, hoe nuttig en betamelijk ook, voor zooverre zij bestemd zijn om indruk te maken op de dorpelingen, ten wier behoeve zij worden opgesteld, boeien doorgaans minder de aandacht der meer aanzienlijken onder de toehoorders, die de kermis niet of slechts terloops bezoeken en zeker minder gevaar loopen van aldaar tot die zonden te vervallen, waartegen de stem des leeraars zoo ernstig waarschuwt: te meer, daar de Predikanten bij zoodanige gelegenheden nog wel eens gewoon zijn een oud paard van stal te halen.

Dit was echter thans het geval niet: de leeraar was eerst sedert kort beroepen, en men had dus de zekerheid van, zoo niet iets voortreffelijks, althans iets nieuws te hooren. Doch bovendien was ik reeds bij den aanhef aangenaam verrast geweest door den ernst en de sierlijkheid zijner voordracht, en door de verstandige wijze, waarop hij zijn onderwerp behandelde. Het leerstellige en uitlegkundige slechts even aanroerende, legde hij er zich voornamelijk op toe, om indruk te verwekken en zijn toehoorders door treffende voorbeelden, door ontzettende schilderingen en door krachtige toespraken te schokken, overtuigd, dat zoo de leer, welke bij gewone gelegenheden wordt gepredikt, meer duurzaam werken moest, die, welke hij thans verkondigde, meer dadelijk uitwerkselen moest teweegbrengen.

Het was dan, toen in het tweede deel zijner rede de Predikant een treffend tafereel ophing van de vreeselijke gevolgen, welke, zoo in dit leven als hiernamaals, de zonde met zich sleept, dat ik de duidelijkste bewijzen zag, hoe de aandacht van den struikroover geen veinzerij was. Zijn oogen begonnen in tranen te zwemmen, zijn boezem hijgde, en hij scheen zoodanig door zijn aandoeningen overstelpt, dat hij eindelijk het gelaat op den voor hem liggenden bijbel voorover boog en het, hoorbaar snikkende, met beide handen bedekte. O! dacht ik bij mijzelven, indien eens het goede zaad bij dezen man in vruchtbaren akker gevallen ware, en hij zich bekeeren mocht van den slechten weg, dien hij is ingeslagen! Welk een zegepraal zou dit voor den vromen leeraar zijn, en hoe zou hij juichen over het afgedoolde schaap, dat hij door Gods bijstand tot den eenigen Herder had teruggebracht!—en bij het nagebed zond ik ook het mijne op voor den armen boeteling.—Intusschen was ik niet weinig verwonderd, toen ik in het uitgaan opmerkte, dat onderscheidene notabelen van het dorp, waaronder de timmerman en de schilder, den man heuschelijk groetteden, en zelfs deze en gene hem een woord in 't voorbijgaan toesprak.

Te huis gekeerd, vereenigden wij ons in de zijkamer, om aldaar de gasten af te wachten, die Tante ten eten genoodigd had, bestaande, behalve uit de beide Heeren Blaek, uit mijn nieuwen compagnon, den Heer Van Baalen, en uit zekeren Kapitein Pulver, die voor de firma voer. Niet lang duurde het, of de koets van den Heer Van Baalen kwam het hek binnenrijden. Ik had dezen Heer vroeger meermalen ontmoet; maar hem nooit met die belangstelling gadegeslagen, welke hij thans bij mij moest opwekken, nu het bepaald was, dat ik met hem in een nauwe betrekking zou komen en dagelijkschen omgang hebben. Ik was evenals de zoodanige, die, een verre zeereis zullende ondernemen, den persoon, die hem toevallig aan de haven voorbijgaat, slechts met een onverschilligen blik beschouwt, maar weldra hem met de grootste opmerkzaamheid gadeslaat, nu hij verneemt, dat de onbekende zijn reisgenoot zal wezen: en alsdan uit zijn houding, woorden en gebaren tracht op te maken, of hij in hem een aangenamen, dan wel een lastigen makker zal aantreffen.

Op dezelfde wijze keek ik den Heer Van Baalen aan, toen ik hem, met de dienstvaardigheid, welke ik hem uithoofde zijner meerdere jaren en onzer aanstaande betrekking verschuldigd was, uit het rijtuig hielp. Ik kan niet zeggen, dat de eerste indruk, dien hij op mij maakte, zeer gunstig voor hem uitviel. Wel wist ik uit oude herinnering, dat hij een man was van meer dan gewone lengte, mager en droog en van geen innemend voorkomen; maar het scheen mij toe, als ware hij nog in lengte toegenomen en in vleesch verminderd: zijn bleeke, dorre tronie had een nog onvriendelijker uitdrukking dan voorheen: ja, toen hij, uit de koets gestapt, voor mij stond, deed hij mij volkomen aan een gekleed cadaver denken. Hij beantwoordde ternauwernood mijn eerbiedigen welkomstgroet en buiging, keek mij aan, alsof hij zich bij geene mogelijkheid konde voorstellen, wie ik toch wezen mocht, wendde zich vervolgens tot den koetsier, en riep dezen toe:

"Reinier! gij zorgt dat gij precies te zeven uren weer voor zijt: precies te zeven uren: en gij ziet het rijtuig goed na; want ik vrees dat het heel wat te lijden heeft gehad: en gij brengt het bijdehandsche paard naar den smid en laat het opnieuw beslaan."

Op de beide eerste bevelen had de koetsier eenvoudig: "jawel Mijnheer!" geantwoord; tegen het laatste vermeende hij evenwel te moeten opkomen.

"Mijnheer!" zeide hij: "het beest is gisteren pas beslagen."

"Ik herhaal u, gij brengt het naar den smid," zeide Van Baalen, "'t is of ik altijd bedienden aantref, die mij tegenspreken: ik heb duidelijk gehoord, dat een van die ijzers los zit: en gij komt precies te zeven voor," enz. Hier herhaalde bij zijne bevelen in dezelfde orde.

"De man is punctueel," dacht ik: "en het schijnt moeilijk hem tevreden te stellen: in allen gevalle zal het mijne schuld zijn indien ik zijn begeerte niet begrijp."

Intusschen was Kapitein Pulver, die door zijn patroon was medegenomen, de koets uitgesprongen ongeveer als een bom, die uit den ketel vliegt. Zoo de Heer Van Baalen een contrast had willen uitzoeken om met hem te reizen, had hij er geen beter kunnen aantreffen. Kapitein Pulver was een kort, dik, rond ventje, zoo zwaarlijvig, dat men zich op een afstand van hem plaatsen moest om zijn beenen te zien: en boven het ronde lichaam was een klein, rond hoofdje geplaatst, evenals een knop op een Delftschen trekpot.

Beide gasten begaven zich onder mijn geleide naar de zijkamer, waar Tante hen verwelkomde. De Heer Van Baalen maakte bij het inkomen een buiging in het rond; doch zonder iemand bepaaldelijk aan te zien of toe te spreken, en schijnbaar geheel andere zaken in 't hoofd hebbende. Vervolgens haalde hij zijn horloge uit, vergeleek het met het uurwerk, dat in het vertrek stond, en schudde wrevelig het hoofd.


Back to IndexNext