ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

"Lief Kuiltje! waar de God der liefde in ligt verscholen,Als in een zacht satijnen bed!...."

"Lief Kuiltje! waar de God der liefde in ligt verscholen,Als in een zacht satijnen bed!...."

"Een satijnen bed.—Juist! recht poëtisch!"—viel Reekalf in.

"Van waar hij pijltjens schiet, die in het wilde dolen,Maar treffen steeds, en gloeiend zijn als kolen,Wier vier elk hart in vlammen zet."

"Van waar hij pijltjens schiet, die in het wilde dolen,Maar treffen steeds, en gloeiend zijn als kolen,Wier vier elk hart in vlammen zet."

"Precies!" zeide Contour: "er kwam van kolen in."

"Die kolen maken eenlumineuxeffect," zeide Reynhove.

"Wier vier het hart in vlammen zet."

"Wier vier het hart in vlammen zet."

herhaalde Reekalf: "wat is het aardig uitgedacht en geestig volgehouden:gloeiende koleneneen vlammend hart! Laten wij eens drinken, om dien geweldigen brand te blusschen. Uwe gezondheid, Monsieur Helding!"

"Om u te bedanken, Mijne Heeren!" vervolgde hij: "maar het zal mijn tijd worden, om huiswaarts te keeren."

"Ja!" zeide ik: "ik begin ook te vinden, dat het laat genoeg wordt. Wij zullen een eindweegs samen gaan, vriend Helding!"

"Wel ja! Waarom niet den geheelen weg," zeide Lodewijk, mij spottend aanziende: "dan kunt gij nog in 't voorbijgaan een bezoek afleggen bij uw Dulcinea, die beneden hem woont.—Neen, neen! Wij gaan allen samen heen."

"Ik heb geen Dulcinea, die beneden Helding woont," zeide ik, op een ernstigen toon: "en gij, mijnheer Blaek! weet dat zoogoed als iemand."

"Nu! wij blijven ook niet lang meer," zeide Reynhove: "en wij gaan samen heen; maar wij moeten toch het vervolg van het gedicht hooren."

"Kottorie neen!" zeide Weinstübe: "wou je nu al opkrassen? het mooie moet nog ankomen."

"Wel, het zij zoo!" hernam ik: "maar dan gaan wij ook."

"Als de Heeren het dan zoo verkiezen," zeide Helding: en hij vervolgde aldus met zijn gedicht:

"Lief Kuiltje! zeg mij toch, indien gij 't kunt verhalen,En prent het mij ter dege in,Hoe zijt gij toch ontstaan? en wat toch deed u pralen,Zoo schoon, als geen Apèl het beter konde malen,In 't midden van die ronde kin?"

"Lief Kuiltje! zeg mij toch, indien gij 't kunt verhalen,En prent het mij ter dege in,Hoe zijt gij toch ontstaan? en wat toch deed u pralen,Zoo schoon, als geen Apèl het beter konde malen,In 't midden van die ronde kin?"

"Bravo! bravo!—Maar drink eens, Helding! dat opzeggen moet u vermoeien na een zoo lange wandeling."

"In 't minste niet:—nu antwoordt het Kuiltje, Mijne Héeren!"

"Een sprekend Kuiltje! hoe geestig!"

"Toen Venus zelf 't gelaat, waarin men mij ziet prijken,Door hare gunst te voorschijn bracht,Deed zij haar eigen merk in alle trekken blijken.Zij schiep die schoone verf, waarvoor de roos moet wijken,Die oogen, vol van tooverkracht."

"Toen Venus zelf 't gelaat, waarin men mij ziet prijken,Door hare gunst te voorschijn bracht,Deed zij haar eigen merk in alle trekken blijken.Zij schiep die schoone verf, waarvoor de roos moet wijken,Die oogen, vol van tooverkracht."

"'t Is onnavolgbaar!" galmde Reekalf uit.

"Dat geestig kopje, rijk versierd met blonde lokken,Dien fijnen neus, zoo wel besneên,Dien wenkbrauwboog, om 't oog zoo zuiver heengetrokken,Dat mondje, slechts bestemd tot kussen en tot jokken."

"Dat geestig kopje, rijk versierd met blonde lokken,Dien fijnen neus, zoo wel besneên,Dien wenkbrauwboog, om 't oog zoo zuiver heengetrokken,Dat mondje, slechts bestemd tot kussen en tot jokken."

"Foei! Jokte Phyllis?" merkte Reynhove binnensmonds aan.

"'t Komt zoo in 't rijm te pas," fluisterde ik hem toe.

"Jokken beteekent hier zooveel als schertsen," zeide Helding, aan wiens nauwluisterend oor de aanmerking niet ontsnapt was. Hij vervolgde:

"Die tandjes, wit als elpenbeen,"Toen zei zij: "aan mijn werk mag heden niets ontbreken.En, als de moeder van de min,Wil ik, hetgeen ik schiep, doen prijken met het teeken,Dat elk herken." Zoo sprak ze, en drukte, al onder 't spreken,Haar duimpjen in de kin."

"Die tandjes, wit als elpenbeen,"Toen zei zij: "aan mijn werk mag heden niets ontbreken.En, als de moeder van de min,Wil ik, hetgeen ik schiep, doen prijken met het teeken,Dat elk herken." Zoo sprak ze, en drukte, al onder 't spreken,Haar duimpjen in de kin."

Hier werd dit kreupele rijm vervangen door een algemeen concert van toejuichingen, en zoovele gezondheden den maker gebracht, dat ik berouw begon te gevoelen, van hem niet vóór het einde van het gedicht te hebben medegevoerd, daar ik wel voorzag, dat hij den hem gespreiden strik niet ontgaan zou. Vreezende bovendien, dat ook de overigen, terwijl zij hem de laag gaven, zelven mede hun bekomst zouden krijgen, rees ik op en wenschte nu de eerste gelegenheid te baat te nemen om te vertrekken, en, zoo mogelijk, Helding mede te krijgen, toen het gesprek opeens een wending begon te nemen, welke mij blijven deed.

"Wat ik bovenal admireer," zeide Reynhove, terwijl hij den dichter bij zijn knoopsgat hield, "is de variëteit, respireerende in de differente poësies, die gij aan Mejuffrouw Blaek hebt gedediëerd. Zeker heeft u het sujet geïnspireerd."

"Ongetwijfeld, Mijnheer!" zeide Helding: "wie zou niet in heilig vuur ontstoken raken, wanneer hij zulk een engel moet bezingen? Zouden wij hare gezondheid niet eens drinken, Mijne Héeren?"

Ik gevoelde een hoogst onaangename gewaarwording, en het was mij, of de naam van Henriëtte ontheiligd werd, dat men dien bij een gelegenheid als deze dorst uitspreken. Dan ik had spoedig meer gegronde reden tot ontevredenheid.

De gezondheid van Mejuffrouw Blaek werd gedronken, en die ellendige Weinstübe voegde er bij: "dat is een gonditie, die onze frund Plaek zich vooral wel zal aantrekken wollen. Immers; hoe staat es? Pin je al keënkacheerd met haar? En wanneer sollen wir op je prijloft tansen?"

"Niet zoo mal," antwoordde Lodewijk: "zij is geen onaardig bekje en zou wel willen, geloof ik; maar wij zullen er niet aan doen."

Ik gevoelde een innigen trek, om den pochhans op zijn gezicht te trommelen—en bedwong slechts met moeite mijn toorn.

"Maar toch, Plaek!" zeide Weinstübe: "man sagt, der Her papa wil mit alle kraft und keweld, dat je haar trauwen solt."

"Ja! dat heeft de ouwe zich in 't hoofd gezet, Joost weet waarom! althans hij gunt haar aan geen andere."—Hier zag hij mij aan met een schampere uitdrukking, die mij het bloed in 't gezicht deed stijgen: "doch," vervolgde hij: "als ik ooit zoo gek worde om mijn vrijheid te verkoopen, zal ik ten minste een half millioentje in ruil moeten hebben, en geen kale rot, die op haar best," enz. Hier bezigde hij eenige uitdrukkingen, te gemeen om herhaald te worden, maar die door Weinstübe en de officieren met een luid gelach werden aangehoord.

Er had een hevige strijd in mijn binnenste plaats. Ik had te veel eerbied voor Henriëtte, om haar op zulk een tijd en plaats en in een dergelijk gezelschap tot onderwerp van een twist te doen strekken, en haar partij te trekken tegen haar eigen bloedverwant: maar aan een anderen kant was het in mijn oogen een ellendige laagheid, te dulden, dat zij in mijn bijzijn tot onderwerp moest strekken van zulk nietswaardig gesnap. Terwijl ik mijn denkbeelden zocht in orde te schikken, ten einde aan Blaek mijn ongenoegen op een betamende wijze te kennen te geven, kwam Reynhove mij voor en gaf mij daardoor de gezochte aanleiding, om mij, zonder stof tot opspraak te geven, in het onderhoud te mengen.

"Vriend Blaek!" zeide Reynhove: "gij doet verkeerd, aldus over uw cousine te spreken: zij is een charmant meisje, en zou ook zonder geld in staat zijn, iemand gelukkig te maken, die haar wist te appreciëeren: en daar zijt gij de man niet naar."

"Dunkt u dat?" vroeg Lodewijk: "welnu! trouw haar dan zelf: en geluk er mede."

"Het verwondert mij," sprak ik nu op mijn beurt, "dat de Heer Blaek op een zoo losse wijze spreekt van een naastbestaande, die wellicht door geene onzer jonge dames overtroffen wordt, en wier zedigheid althans boven alle lofspraak verheven is."

"Wat weet gij daarvan?" vroeg Lodewijk: "omdat gij een paar keeren alleen met de meid geweest zijt, en zij tegen u misschien de preutsche gespeeld heeft, denkt gij, dat zij tegen een iegelijk zoo zijn moet. Loop heen! wij weten, wat wij weten."

"Ik weet," zeide ik, "dat ik in twijfel sta, of ik uwe taal met den naam van laster of met dien van kinderpraat moet bestempelen."

"Wat!" riep Lodewijk uit, terwijl hij opstoof van zijn stoel: "weet gij wel wat gij zegt?"

"Niet alleen, dat ik het weet; maar ik ben bereid, het te herhalen, en geen woord meer te verdragen ten nadeele van Mejuffrouw uwe nicht."

"En wie duivel heeft u opgedragen haar ridder te zijn?" vroeg Lodewijk: "maar dat is hetzelfde: wij zullen elkander nader spreken, Mijnheer Huyck!"

"Ik ben uw seconde, Blaek!" zeide Van Ranst, zich oprichtende, en de breede borst omhoogzettende.

"Ja kottorie! dat kun je niet onder je laten, Plaek!" zeide Weinstübe.

"Wees toch zoo dwaas niet, Blaek! zeide Reynhove, tusschen beiden tredende: "onze vriend Huyck heeft perfect gelijk. Gij hebt op een impardonnable wijze van uwe nicht gesproken: en gij zoudt de zaak niet amelioreeren, door er verdere suites aan te geven. Laat alles liever enétatblijven, haar naam niet meer geprononceerd, en de quaestie afgedronken worden."

"Ja!" mompelde Heldring: "dat is naar mijn hart gesproken, laat de quaestie afgedronken worden."

"De Heer Reynhove heeft volmaakt gelijk," zeide Contour tegen Lodewijk: "gij kunt niet vechten tegen iemand, die het opneemt voor uwe eigene nicht."

"Ja! das ist auch waar," zeide Weinstübe: laten wij er maar nicht meer over spreken und ein klaasje von frundschap trinken."

"Met genoegen," zeide Lodewijk: "indien Huyck mij naar behooren excuus wil vragen voor de onbehoorlijke taal, die hij zich tegen mij heeft veroorloofd."

"Ik geloof," zeide ik, "dat mijne uitdrukkingen gematigd genoeg zijn geweest, en kan geene verschooning vragen voor hetgeen ik op goede gronden gezegd heb. Dit alleen wil ik verklaren, dat ik geen oogmerk had, u te beleedigen, maar alleen de eer van Mejuffrouw uwe nicht tegen alle blaam te handhaven."

"Die reparatie moet u genoeg wezen, Blaek!" zeide Reynhove: "kom! wees geen kind en begin geen dispuut, waardoor gij u-zelf een ridicule zoudt geven.—De eer van een jong meisje is een teeder punt en behoort niet zoo lichtvaardig onder een glas wijn gecompromitteerd te worden."

"Ach ja!" zeide Helding, terwijl Lodewijk, hoezeer onwillig, het glas aannam, dat Contour hem opdrong: "de eer van een meisje is een teeder punt. Och! mijn Klaartje! mijn Klaartje! wanneer men zoo los over u sprak, niemand zou het voor u willen opnemen!"—Hier liepen de tranen den man, wien de wijn in een aandoenlijke stemming gebracht had, langs de wangen.

"Wat ist das!" vroeg Weinstübe: "wat hebje te hijlen und te lamenteeren? Trink liever een schlok, dan dat je zoo staat te balken."

"Och! mijn waarde Heer!" zeide Helding, terwijl hij den aangeboden roemer al snikkend ledigde: "Ik kan nooit over een lief meisje hooren spreken, of ik denk om mijn arme dochter, die ook eens zoo braaf en goed was, en thans ... och! och!—Mijnheer Lodewijk zal zich wel herinneren, welk een braaf, beminnelijk schepseltje het was, alvorens een schelm haar ... och! och!"

"Ik!" zeide Lodewijk, terwijl hij bleek werd, hetzij door de uitwerking van den wijn, of uit eenige andere oorzaak: "wat weet ik van uw dochter af?... Doch ja!... ik herinner mij ... zij is het pad opgegaan, nietwaar?"

"Ja Mijnheer!" antwoordde Helding, blijkbaar door de woorden van Lodewijk beleedigd, en hem aanziende met een vrijmoedigen blik; want de kracht des wijns had de afstanden tusschen hen gelijkgemaakt: "zij is het pad opgegaan: en ik kan het zonder blozen zeggen; want ik heb haar altijd het goede voorgehouden en liefgehad:—en haar schande komt alleen op den schelm neer, die haar bedorven heeft. Ziet Mijne Heeren! ik ben maar een oude, afgeleefde vent; maar indien ik den verleider wist, die mijn geluk verstoord heeft: ik zou hem opzoeken en in 't aangezicht slaan. Neemt het mij niet kwalijk, Mijne Heeren! Gij zijt allen nog jong en neemt het misschien zoo nauw niet; maar indien gij nadacht, hoe uwe onbezonnenheid iemands geluk voor eeuwig kunnen verstoren, gij zoudt over zulke onderwerpen niet schertsen. Och! Ik zou al die verzen, welke UEd. geprezen hebt, met vermaak op het vuur gooien, indien ik daardoor slechts mijne arme dochter terughad."

Helding had op dit oogenblik iets ernstigs, iets waardigs in zijn houding: het gevoel van eigenwaarde, dat anders bij hem sluimerde en hem elken hoon lafhartig deed slikken, was opgewekt geworden nu het zijne dochter gold: de wijn had hem vrijmoedigheid geschonken om zich te uiten, en de beschroomde, laffe, kruipende tafelschuimer had in mijn oog iets eerbiedwekkends verkregen.—Het was echter niet meer dan een flikkervlam, bestemd om even spoedig te zijn uitgedoofd als zij ontstaan was.

Het scheen, dat zijn zedenpreek Lodewijk en zijn vrienden weinig aanstond; althans de eerste deed weldra het voorstel, om de paarden te gaan zoeken: en ik nam deze gelegenheid waar, om den dichter te beduiden, dat wij nu lang genoeg gebleven waren en het tijd werd om naar huis te gaan. Na een korte tegenstribbeling liet hij zich gezeggen, en, afscheid van het gezelschap genomen hebbende, verlieten wij de herberg.

Ik had nog nauwelijks twintig stappen stadwaarts gedaan, toen die zelfde Helding, die even te voren zoo verstandig gesproken had, mij plotseling bij den arm nam: "het is toch zonde en jammer," zeide hij: "te moeten aftrekken, zoolang er nog zulke goede wijn in de flesch is."

Ik zag hem aan: de oogen puilden hem uit het hoofd: en een misstap, dien hij op dat oogenblik deed, en waardoor hij bijkans tegen mij aantuimelde, deed mij overtuigend zien, dat hij dronken was, althans door den plotselingen overgang uit den warmen koepel in de lucht, bevangen geraakt.

"Hou u maar bedaard, vriend Helding!" zeide ik: "en laat ons voortstappen, zonder de menschen te dwingen van naar ons te kijken."

Wij wandelden verder op, en ik deed mijn best, den sukkel voort te krijgen, die bij elken stap tegen mij aankwakte en met de beenen al de bewegingen maakte van een schaatsenrijder. Het begon gelukkig al te schemeren, en er waren weinig menschen meer voor de herbergen; maar ik schaamde mij toch om met een dronken man de poort in te komen. Reeds had ik een paar keeren stilgestaan en rondgezien naar iemand om een rijtuig te bestellen, toen tot mijn blijdschap Reynhove met twee der Officieren ons achterop kwam geloopen. Ik wenkte hen toe en zij hadden niet veel moeite om te zien hoe de zaak geschapen stond. De Hagenaar bood mij terstond zijn hulp aan; doch de beide anderen, die waarschijnlijk haast hadden, wenschten ons in 't voorbijgaan pleizierige wandeling en stapten voort, zonder zich wijders over ons te bekommeren. Reynhove nam nu Helding bij den anderen arm en op die wijze gelukte het ons, hem tot in de poort te krijgen. Op het Haarlemmerplein gekomen, bestelden wij een slede en pakten onzen maat, die zoo gedwee als een schaap was en nergens meer besef van had, daarin, terwijl wij gearmd naast het voertuig voort bleven wandelen. Ik vroeg aan Reynhove, hoe het met zijn paard gesteld was.

"O!" zeide Reynhove: "het is zoo gezond als een visch. Ik laat het uit precautie op stal staan; moest hij morgen weer aan den gang, hij zou aan de blessen van Blaek desnoods een zeshonderd roe vooruit geven; want, wat die betreft, ik geloof niet, dat hij er ooit weer mede zal kunnen rijden."

"Dit is dan," zeide ik, "een weddenschap geweest, waar niemand bij gewonnen heeft: gij zijt het geld kwijt, en Blaek een paar brave paarden."

"Hij verliest er meer bij dan ik," zeide Reynhove, lachende.

"Ik zie niet, dat zulks u eenigen troost kan geven, dat twee edele schepselen buiten gebruik raken en het wellicht met den dood bekoopen; terwijl zij buiten deze dwaasheden den eigenaar tot nut en genoegen hadden kunnen strekken."

"Ma foi!het is hun lot! waar zijn de harddravers voor, anders als om te loopen? Gij zult toch een echt nationale gewoonte als de harddraverijen niet willen condemneeren?"

"Volstrekt niet," hernam ik: "maar de paarden, welke men daartoe bezigt, worden er uitdrukkelijk toe bestemd, en door een gestadige oefening bekwaam gemaakt om het lang uit te houden en sterke beweging te doen zonder nadeel voor hun gezondheid: en bovendien bereden door lieden, die de noodige zorg dragen, dat zij zich niet boven hunne krachten inspannen. Wat ik veroordeel, zijn die bijzondere weddenschappen, waarbij welopgevoede lieden zich met rostuischers gelijk stellen, hun paarden slaan, mishandelen en bederven, en per slot slechts een schralen roem inoogsten. Ik geloof, dat ik mij des te vrijer jegens u aldus mag uitlaten, omdat ik bespeurd heb, dat gij, uit liefde voor uw beest, en om het niet te bederven, de kans der overwinning verspeeld hebt. Doch juist dit toont aan, dat gij althans voor dergelijke grappen de man niet zijt. Om die mede te doen, moet men beginnen met alle gevoel van deernis uit te schudden."

"Ik geloof, dat gij gelijk hebt," zeide Reynhove: "mais que voulez-vous?"

"Gij althans," vervolgde ik, "zoudt niet handelen, gelijk Blaek gedaan heeft ten opzichte van Velters. Gij ziet waar die paardekoopers-zedenkunde toe brengt."

"Ik verzeker u," zeide Reynhove, "dat, toen ik kennis maakte met Lodewijk, ik hem voor een boncompagnonaanzag, die wellicht zijn gebreken had, maar rond en voor de vuist was;—maar hij is mij erg tegengevallen:—en dan de manier, waarop hij over zijnecousinespreekt!—foei!—Apropos! is het een indiscretie, u te vragen, of gijvuesop haar hebt?"

"'t Is nu de tijd niet, daarover te spreken," antwoordde ik, ongenegen hem tot mijn vertrouweling te maken.

"Integendeel!" hernam hij: "en gij behoeft voor mij niet te vreezen:—er zal tusschen ons geen rivaliteit bestaan.—Maar wat kan de reden zijn, dat haar oom zoo geweldig op een huwelijk tusschen haar en Lodewijk gesteld is, en zich daar zoo zonderling en dringend over uitlaat?"

"Heeft hij dat in uw bijzijn gedaan?" vroeg ik, verrast.

"Aha!—die vraag is een antwoord op hetgeen ik zooeven vroeg:—In mijn bijzijn?mieux que ça, tegen mijzelven, vriendlief!"

"Hoe dat?"

"Luister eens. In den gepasseerden nacht lag ik gerust op mijn bed, toen opeens de deur van mijn slaapkamer wordt opengedaan: "wie is daar?" vraag; ik.—Geen antwoord.—Ik ga overeind in mijn bed zitten, en zie: daar nadert mij een lange gestalte, blootsvoets en 't lijf in een nachtjapon gewikkeld, met een slaapmuts op au een kaars in de hand, die naar mij toetreedt. Het was de oude Heer Blaek."

"Inderdaad! En wat kwam die u vertellen?"

"Daarnaar was ik niet minder nieuwsgierig dan gij. "Mijn God! Mijnheer Blaek! Wat is er gebeurd?" vroeg ik.—Maar hij, zonder mij te antwoorden, zette de kaars op de tafel, en, een stoel nemende, plaatste hij zich aan het hoofdeneind van mijn bed. Toen bemerkte ik eerst, dat hij een slaapwandelaar was."

"En hij sprak met u?"

"Hij nam mijne hand tusschen de zijne, en toen, mij met een gelaat vol angst aanziende: "om Gods wil, Lodewijk!" zeide hij: "maak uw ouden vader niet ongelukkig. Heb medelijden met mij. Geef mij de rust mijner ziel weer en neem Henriëtte tot vrouw. Ik heb heden weer een aanzoek voor haar afgeslagen.""

"Hij zeide dit?"

"Ik herhaal u zijn eigen woorden: "O! Wist gij," vervolgde hij, "wat het zegt, jaren lang de folteringen des gewetens te gevoelen, en slechts één middel tot herstel van het misdrijf te kennen. Het is in uwe macht mijn Lodewijk! mij de rust terug te geven. Ik heb u altijd uwen wil laten doen;—ik heb u wellicht te veel liefgehad: ja! God weet het: veel te veel:—doe gij dan het eenige, wat gij voor mij doen kunt.""

"Onbegrijpelijk! En welk geheim kan het zijn, dat hem zoo zwaar op het hart ligt?"

"Ik weet het niet; en ik was liever de kamer uitgeloopen dan op een zoodanige wijze de confident te worden van iemand, aan wiens huis ik hospitaliteit geniet.—De slapende vervolgde: ""gij weet het niet, waarom ik zoo sterk op dat huwelijk insisteer. En gij zult het ook nooit weten dan in de ure mijns doods. En die zal niet ver meer verwijderd zijn, indien gij aldus voortgaat, mijn beden te weerstreven.""

"Schrikkelijk! En wat toch kan het zijn, dat hier achter schuilt."

"Het tooneel begon mij te vervelen. Ik trok mijn hand los, en kroop zoo dicht tegen den wand, dat ik buiten zijn bereik lag. Hij tastte nog eenige oogenblikken naar mij, zuchtte toen diep, rees op, nam den kandelaar en trok af gelijk hij gekomen was."

"Ik zou dit geval maar niet rondvertellen," zeide ik: "hetgeen u gezegd is, was niet voor uwe ooren bestemd, en openhartig gezegd, steekt er niet een soort van misbruik van vertrouwen in, het aan derden mede te deelen?"

"Dat zegt gij nu gij 't weet," zeide Reynhove, lachende: "maar gij hebt gelijk, en ik zou het u ook niet verhaald hebben, dacht ik niet, dat het u interesseeren kon en u den sleutel geven van het refus, dat gij geleden hebt. Aan Lodewijk echter heb ik gemeend het te moeten zeggen, die er hartelijk om heeft gelachen, en gezegd, dat hem dergelijke bezoeken zoo dikwijls gebeurden, tot hij eindelijk de resolutie had genomen, van zijn deur te sluiten, wanneer hij naar bed ging. Ik geloof, dat ik zijn voorbeeld volgen zal voor de weinige dagen, die ik nog denk te blijven; want ik ben niet op de herhaling dier visites gesteld en zou wellicht meer hooren dan mij aangenaam was."

"Denkt gij spoedig weer naar Den Haag te gaan?"

"Ik geloof van ja: ik verlang met die Blaeken niet intiem te worden: en bovendien, uw vader heeft mij een goeden raad gegeven: en het zal den mijnen aangenaam zijn, indien ik mij in deze of gene carrière begeef. Voor mijn vertrek echter, kom ik stellig nog eens ten uwent aan."

Wij spraken nu over onverschillige zaken, totdat wij ons aan de deur der woning van Heynsz bevonden. Mijn oogmerk was om, ten einde de gelegenheid te vermijden van Amelia opnieuw te ontmoeten, onzen patiënt aan Heynsz over te leveren, en dezen de verdere bezorging op te dragen. Doch de huisheer was uit: en daar de meid natuurlijk geen kans zag, om Helding, die gevoelloos als een blok in de slede lag, naar de derde verdieping te sjouwen, zagen wij ons wel genoodzaakt deze taak zelven te aanvaarden. Juist op het oogenblik, dat wij den poëet uit de slede tilden, kwam Lodewijk aangeloopen, gevolgd van zijn bediende. "Zoo!" zeide hij: "zijt gij daar eindelijk? Ik heb mij in 't zweet geloopen, om u in te halen. Gij vergeet, dat ik ook bij de grap hoor."

Dit zeggende, pakte hij mede een been van Helding aan; doch ik bemerkte dadelijk, dat zijne hulp ons weinig baten zoude, want hij waggelde zelf, en had allen schijn van onder den invloed van den wijn te handelen. Ook liet hij, zoodra wij den beschonkene de benedentrappen opgesjouwd hadden, dezen los, en ging op het portaal zitten. Intusschen sleepten wij Helding hooger op; maar ik had in 't voorbijgaan gemerkt, dat de deur van Amelia's kamer even was geopend geworden, en dat haar vader, waarschijnlijk ongerust over het buitengewoon gedruisch, om het hoekje gekeken had. Lodewijk, die misschien ook niet zonder doel was achtergebleven, had hem ook bespeurd, was weder opgestaan en de kamer van Amelia binnengetreden. Ik zag dit met een zwenk.

"O wee!" zeide ik tegen Reynhove: "laten wij ons haasten: anders komt er gekheid daar beneden."

Wij legden dan ook, zonder verderen omslag te maken, den snorkenden Helding op zijn bed, en stoven de trappen weer af. De deur van Amelia's kamer stond open: zijzelve zat aan haar werktafel, bleek van schrik en met de handen krampachtig saamgevouwen. Haar vader stond midden in het vertrek, met de armen over elkander geslagen, en staarde Lodewijk aan, die nauwelijks op de beenen staan kon en al vloekende uitriep:

"Nu zie ik het eindelijk, Juffertje!—Al wil je mij niet tot galant, gij ontvangt toch visites van Heeren.—Voor Huyck blijft de deur niet gesloten, en wie is deze snaak? Zeker de betaalmeester en chef! He?"

"Blaek!" riepen Reynhove en ik, hem van weerszijden bij de hand nemende: "Stel u toch zoo niet aan.—Ga met ons!"

"Met uw verlof!" zeide Bos: "is deze de Heer Blaek, die de onbeschaamdheid heeft gehad, aan mijne dochter schandelijke voorstellen te doen?"

"Uw dochter!" herhaalde Lodewijk, een oogenblik verrast: "nu ja! wat doet het er toe?" vervolgde hij met zijne gewone onbeschaamdheid: "ik heb haar rijk willen maken: en zoo gij een verstandig man zijt, zul je er niets tegen hebben. Er steekt immers geen kwaad in, op een mooi meisje te verlieven?—En zij neemt ook presenten aan, al houdt zij zich fijn."

"Wacht!" zeide Bos: en meteen, een lade openhalende, kreeg hij het doosje met juweelen voor den dag en stak het Lodewijk tusschen vest en hemd; waarna hij, zonder er een woord bij te voegen, hem met de andere hand een heftigen slag in 't aangezicht gaf.

"Mijnheer!" zeide Reynhove, onthutst: "wij zullen wel zorgen, dat hij u niet incommodeert: maar zoo gij hem slaat, laten wij hem los."

"Mijne Heeren!" zeide Bos, op een bedaarden toon: "hij bekomt niet als het honderdste deel van hetgeen hij verdient; en het is hoog noodig, dat hij eens leere, hoe hij hier in 't vervolg ontvangen zal worden."

"Gij zult het mij betalen," brulde Lodewijk, pogingen aanwendende om zich los te rukken: "houdt mij niet vast, lamme, valsche vrienden die gij zijt! Pieter! mijn zweep! ik wil dien schoft mores leeren."

En Pieter, die geen haar beter was dan zijn Heer, stormde binnen en kwam met opgeheven zweep op Bos aan. Ik sprong tusschen beiden; maar zag mij hierdoor genoodzaakt, Lodewijk los te laten, die, zich nu ook van Reynhove bevrijdende, als een razende Roeland op Bos toeschoot. Maar deze, hem zonder schroom afwachtende, greep hem met de eene hand in de das en met de andere in den gordel, droeg hem, ondanks zijn tegenspartelen, de deur uit en smeet hem toen van al de trappen af.

"O God! wat zal het gevolg van dit alles zijn?" riep Amelia: "Mijnheer Huyck! in 's Hemelsnaam!—Help hem toch aan 't bedaren."

"Ga uw Heer oprapen," zeide Bos, terugkeerende, tegen Pieter: "of ik zal u denzelfden weg wijzen."

Pieter, hoewel anders een onbeschofte, ruwe kerel, en voor geen kleintje vervaard, scheen echter ongenegen een nieuw bewijs uit te lokken van de kracht des forschgespierden mans, die voor hem stond, en begaf zich, zonder een tweede bevel af te wachten, naar beneden. Reynhove trad nader: "is dit niet wat hard geprocedeerd, Mijnheer?" vroeg hij: "onze vriend is een weinig beschonken, en...."

"En ik behandel hem als zoodanig," zeide Bos: "gij zult mij genoegen doen, hem te volgen: ik verlang vrij op mijne kamer te zijn en van bezoeken verschoond te blijven.—Mijnheer Huyck! een woord met u eer gij gaat."

"Ik verlaat u, Mijnheer!" zeide Reynhove: "want ik erken, dat gij hier meester zijt: maar permitteer mij om u te zeggen, dat ik hier toevallig ben ingekomen, en wel, om een dispuut, dat ik vreesde, te preveniëeren: en dat ik uwe forsche manier van ageeren jegens iemand, die zich niet wel defendeeren kan, nimmer zal approbeeren."

"Al genoeg!" hernam Bos, met een beweging van ongeduld, en terwijl hij hem de deur wees. Reynhove haalde de schouders op, boog zich voor Amelia, gaf Bos zijn trotschen blik terug en vertrok.

"Wat is de aanleiding van dit tooneel?" vroeg Bos, zoodra hij weg was: "ik had niet verwacht dat dergelijke onaangenaamheden herhaald zouden worden."

Ik gaf hem een kort verslag van de oorzaak onzer komst en betuigde, hoezeer het mijzelf speet, zonder opzet opnieuw in een geschil als dit gewikkeld te zijn geweest.

"'t Is wel!" zeide hij: "ik geloof u: en ik ben overtuigd, dat ik niets van den Heer Huyck te wachten had, als wat betamelijk en voegzaam is."

"De Hemel geve," zeide Amelia, "dat deze ontmoeting geene onaangename gevolgen voor u hebbe."

"Dat ware van weinig aanbelang," zeide ik: "maar zij kan de aandacht der Justitie trekken: en zoo Blaek, om zich te wreken, een beklag inlevert, vrees ik, dat UEd. wellicht niet langer hier veilig zult zijn."

"Het is zeker, dat ons alles te duchten staat," zeide Bos: "maar het baat mij niet, of ik angstig de toekomst inzie; ik heb mij in erger gevaren bevonden, en mijn gestarnte heeft mij immer daaruit gered. Tot nog toe schijnt men geen achterdocht tegen mij te voeden: en wellicht heb ik slechts twee dagen meer noodig, om mijn zaken hier af te doen en voor altijd dit land te verlaten."

"Vlei u niet te veel," zeide ik, het hoofd schuddende: "UEd. begaat onvoorzichtigheden.—Of is het geene onvoorzichtigheid, aan de zuster van den Hoofdschout een bezoek te geven?"

"Integendeel!" zeide hij: "niets is meer geschikt, om de vermoedens af te wenden;—maar ik wil u niet langer ophouden. Vaarwel! En dat de Hemel met u zij."

Ik vertrok. Op straat gekomen, zag ik de slede vertrekken, met den bediende van Lodewijk er naast, terwijl Reynhove mij nog stond af te wachten.

"Ik heb Blaek aangeraden, om van die équipage gebruik te maken," zeide hij: "maar verhaal mij, bid ik u, wie is toch die Sinjeur daarboven, die een paar vuisten heeft als een smidsgezel, en een houding als een Burgemeester? Gij schijnt hem te kennen."

Ik was op deze vraag voorbereid, en antwoordde zonder aarzelen: "dien Heer heb ik laatst op een dichterskrans bij Helding ontmoet: zijn rechten naam weet ik u niet te zeggen."

"Ma foi!hij heeft een schoone dochter, en ik begrijp licht, dat Lodewijk er een kansje op wagen wilde;—maar in allen gevalle heeft de oude Heer het toch wat erg gemaakt en ik zal het Lodewijk niet kwalijk nemen, indien hij hem satisfactie vraagt wegens de geledene injurie;—zoo namelijk die heer een man is, aan wien men, zonder zich te compromitteeren, een uitdaging zenden kan."

"Lodewijk zal, hoop ik, verstandiger zijn," zeide ik, beschroomd over de gevolgen, welke een zoodanige handelwijze, ook voor mij, zoude kunnen met zich brengen: "hij is de oorspronkelijke beleediger geweest: en niemand zou het toch kunnen goedkeuren, dat hij den vader voor den degen eischte, omdat deze het voor zijn verongelijkte dochter had opgenomen."

"Dat is waar ook," zeide Reynhove: "en gij moet niet denken, dat ik het gedrag van Lodewijk approuveer;—maar die andere, met zijn rooden rok, heeft het toch ook wat erg gemaakt.... Enfin! het is zooals het is:—en nu zult gij mij niet kwalijk nemen, dat ik u verlaat en naar mijn logies ga: Lodewijk zou anders met reden klagen, dat ik hem geheel aan zijn lot abandonneer: en ik zal toch al werks genoeg hebben, om hem te apaiseeren.—Vaarwel!"

Wij namen afscheid: Reynhove volgde den weg, dien de slede gegaan was, en ik trok naar huis. Waarschijnlijk droeg mijn gelaat eenige blijken van de gemoedsaandoeningen, door het gebeurde bij mij verwekt; althans mijn vader zag mij ernstig en mijn moeder enigszins bezorgd aan, terwijl Suzanna, toen ik, zonder van de laatste ontmoeting te reppen, in korte woorden verhaalde, dat ik in gezelschap met Blaek, Reynhove enz. geweest was, mij verklaarde, dat zij mij op mijn verjaardag een zweepje en een bokaaltje zoude present doen, aangezien ik bij mijn overige beminnelijke hoedanigheden die van een rostuischer en een drinker scheen te willen voegen. Mijn moeder zuchtte, en mijn vader zeide bij het scheiden: "Ferdinand! teleurgestelde liefde kan somtijds tot dwaze stappen vervoeren. Neem u in acht!"

Den volgenden dag op de beurs zijnde, werd ik aangesproken door den makelaar Velters, die, na met mij eenige woorden gewisseld te hebben over de commissies, welke hij voor ons kantoor te verrichten had, mij vergunning verzocht, mij een eind weegs huiswaarts te vergezellen. Ik verbeeldde mij, dat er deze of gene verkooping ophanden was, waarbij hij in aanmerking wenschte te komen en deswege mijn voorspraak verlangde: en ik was niet weinig verwonderd toen hij, zoodra wij de beurs verlaten hadden, mij vroeg of het mij hetzelfde was, de Pijpenmarkt om te loopen, dewijl wij daar minder gedrang zouden vinden en meer ongestoord kunnen spreken, dan op het Rokin of in de Kalverstraat.

"Is het zoo belangrijk?" vroeg ik, verwonderd over deze geheimzinnige handelwijze: "waarom komt UEd. dan niet liever bij mij aan huis?"

"Verschoon mij," was zijn antwoord: "maar het is beter, dat ik met UEd. spreek, voordat UEd. te huis zijt."

"Er is toch geen samenzwering ophanden," vroeg ik lachende, terwijl ik aan zijn verzoek voldeed en met hem den stillen weg ging, dien hij verkozen had. Nauwelijks waren wij op de Pijpenmarkt, of hij ving het gesprek aan door mij met warmte te danken, voor hetgeen ik ten zijnen behoeve gedaan had.

"Gij meent mijn voorspraak bij den Heer Van Baalen," zeide ik: "maar lieve vriend! daarvoor hebt gij mij gisteren immers reeds aan de beurs uw dank betuigd."

"Daarvoor kan ik nooit dankbaar genoeg zijn," zeide hij: "maar ik bedoel een dienst van een anderen aard ... in die zaak over dat paard van den Heer Blaek:—niemand als UEd. kan mij die hebben bewezen."

"Gij zijt misleid," zeide ik, "of ik begrijp u niet. Ik verklaar u, dat ik eerst gisteravond kennis ontvangen heb van de geheele geschiedenis."

"Nu! dat is om 't even," zeide hij: "dat bewijst mij alleen, dat UEd. niet rust, zoodra UEd. het onrecht verneemt, om het ook te herstellen."

"Gij spreekt raadsels," hernam ik, "en wekt mijn nieuwsgierigheid op. Wat is er dan gebeurd? En welk onrecht is er hersteld?—In allen gevalle is het buiten mijn toedoen geschied."

"Wel!" zeide Velters: "UEd. weet dan, op welke lage wijze de Heer Lodewijk Blaek mij misleid heeft. Hij dacht voorzeker, dat, omdat ik in zekere opzichten van zijn vader afhankelijk ben, hij met mij zou kunnen handelen gelijk de leeuw met zijne jachtgezellen; maar, toen ik de ware toedracht der zaak vernam, zegevierde mijn verontwaardiging boven alle andere bedenkingen en liep ik naar een Advocaat om raad te vragen. Deze stelde mij voor oogen, hoe dwaas het zou zijn tegen een vermogend man te procedeeren, ik, de aarden pot tegen den ijzeren. Zijn taal overreedde mij: ik besloot, hoe ongaarne ook, mijn wraakzucht op te geven, en dacht aan de zaak niet meer; dan, hedenmorgen vroeg ontving ik een uitnoodiging om mij aan het kantoor van den Heer Hoofdschout te vervoegen. Ik kwam daar op den bepaalden tijd, meldde mij aan en werd terstond bij uw Heer vader binnengelaten, waar ik ook den schelmschen Jaspersz vond, die nu, door de scherpe ondervragingen van den Heer Hoofdschout gedrongen, alles moest opbiechten. Uw Heer Vader vroeg mij toen, of ik mijn geld terugbegeerde, dan of ik vreesde, dat zulks mij nadeel in mijne betrekking zoude doen. Ik aarzelde een oogenblik; doch de zucht om te toonen, dat geene vrees voor geldelijke schade mij verhinderde mijn recht te zoeken, en de hoop, dat alle eerlijke lieden mijne partij nemen, en mij daarom hunne klandizie niet ontzeggen zouden, deden mij besluiten, aan Z.-Ed.-Gestr. te antwoorden, dat ik mijn geld gaarne terug zou bekomen. Toen Z.-Ed.-Gestr. dit hoorde, gelastte hij, dat de Heer Lodewijk, die mede ontboden was en in een ander vertrek toefde, zou worden binnengeroepen. Hij kwam en stond eenigszins beteuterd geloof ik, van mij en Jaspersz daar te zien. Uw Heer vader stelde hem op een treffende wijze het schandelijke van zijn gedrag voor oogen en besloot met hem te zeggen, dat hij de som terug moest geven of de gevolgen van een proces wegens oplichterij afwachten. De jonge Heer bromde en pruttelde wel wat; doch beloofde eindelijk zulks te doen. Hij liet zich bij die gelegenheid ontvallen, dat UEd. het zeker waart, die den Heer Hoofdschout tegen hem had opgezet door de zaak te verdraaien.—Daaruit nam ik aanleiding om UEd. te houden voor dengenen, die mijne voorspraak bij Z.-Ed.-Gestr. waart."

"Gij hadt het beiden mis," zeide ik: "de Hoofdschout behoeft niet door zijn zoon onderricht te worden, om te weten, wat er omgaat: en er is geene voorspraak bij hem noodig om hem rechtvaardig te doen handelen."

"Maar dit is niet alles," vervolgde Velters: "in 't heengaan herhaalde de Heer Lodewijk, dat hij zeer wel wist, aan wien hij dit alles te danken had, en dat niets dergelijks hem verwonderde van iemand, die hem in een vreemd huis lokte, om hem te mishandelen."

"Hoe! meende hij mij?" riep ik uit, ontsteld en verontwaardigd tevens.

"De Heer Hoofdschout vroeg hem terstond, wat die woorden te beduiden hadden, en zeide, dat, zoo hij een klacht had in te brengen, al ware die tegen zijn eigen zoon gericht, hij daarmede dan terstond voor den dag moest komen. De Heer Blaek scheen zich nu een wijl te bedenken, en zeide vervolgens, dat hij de zaak liever blauw blauw zoude laten."

"Dat geloof ik wel," hernam ik: "hij kan door laster mij meer nadeel doen dan door een loyale aanklacht."

"Vervolgens," zeide Velters: "vroeg hem Z.-Ed.-Gestr., wie hem gisteravond, ten huize van den Portretteur Heynsz van de trappen gesmeten had, en of UEd. dat gedaan had."

"Hoe mijn vader wist dit reeds?——maar waarover verwonder ik mij?"

"Mijnheer!" zeide Blaek toen: "ik beschuldig voor alsnog niemand; maar uw zoon heeft zich niet zoo gedragen, gelijk ik van een fatsoenlijk man verwachtende was. Zoo UEd. mijn knecht verkiest te hooren, zal deze u zeggen, dat uw zoon hem verhinderde mij ter hulpe te komen, terwijl een ander mij in de borst greep en mishandelde."

"Die ellendige!" riep ik: "voorzeker, als de zaak op die wijze wordt voorgedragen, moet mijn handelwijze vreemd en berispelijk schijnen."

"Z.-Ed.-Gestr. antwoordde niet; maar, na zich een korten tijd bedacht te hebben, zeide hij: "Mijnheer Blaek! wij zullen deze zaak nader onderzoeken: en hoe dat onderzoek afloope, wees verzekerd, dat wij UEd. recht zullen doen wedervaren."—Daarmede kreeg de Jongeheer zijn afscheid.—Maar toen kwam er nog wat, en ik vrees daarbij verkeerd gehandeld te hebben. Uw Heer vader vroeg mij, zoodra wij alleen waren, of ik UEd. kende. Ik antwoordde toestemmend." "Ja!" zeide Z.-Ed.-Gestr.: "ik weet, gij hebt te zamen een avond bij Monsieur Helding doorgebracht. Vergun mij, u eene vraag te doen. Is UEd. het niet, dien hij naar huis heeft gebracht?"—"Ed.-Gestrenge!" antwoordde ik, eenigszins verwonderd; "die eer heb ik niet gehad: uw zoon is vroeger vertrokken."

"Ach!" zeide ik: "daar begint de straf van mijn logen."

"Het ernstig gelaat van uw Heer vader," vervolgde Velters, "liet geen de minste verandering bespeuren: en toch was het mij, toen hij mij zeide, dat ik afgedaan had, alsof zijne stem mij te kennen gaf, dat hij ontevreden was: en ik gevoelde, dat ik UEd. een kwaden dienst gedaan had, door de waarheid te spreken. Dit smertte mij:—maar ik mocht toch niet liegen:—en nu meende ik, ware het best, UEd. vooraf te waarschuwen van het voorgevallene, ten einde UEd. in staat te stellen, van naar bevind van zaken te handelen."

"Het is waar," zeide ik, na eenig stilzwijgen, "gij hebt mij een slechten dienst gedaan; maar God beware mij van te wenschen, dat gij om mijnentwille aan de waarheid zoudt hebben te kort gedaan. Ik heb, ofschoon om bestwil, mij met een logen moeten behelpen, en dien er thans de gevolgen van te dragen.—Maar wij naderen ons huis! laten wij hier afscheid nemen: het zou ook u in onaangenaamheden kunnen wikkelen, zoo men ons thans bijeen zag. Geloof, dat ik u dankbaar blijf voor den dienst, mij door u bewezen:—al is die dienst genoegzaam geweest, om mij mijn eetlust voor dezen middag te benemen."

Velters verliet mij en ik kwam in een vrij onaangename stemming te huis. Nauwelijks dorst ik de oogen opslaan toen ik binnentrad: mijn vader was ernstig en sprak weinig: mijn moeder zuchtte, zag mij nu en dan met een weemoedigen blik aan, en ik kon duidelijk aan haar gezwollen oogen bemerken, dat zij geweend had. Mijn zuster Suzanna deed in den beginne eenige pogingen om het gesprek gaande te houden; doch zij bemerkte alras, dat zij zich vruchtelooze moeite gaf, en onze afgetrokkenheid, althans die van mijn moeder en de mijne, waarschijnlijk toeschrijvende aan verdriet over het mislukken mijner vrijage, hield zij af en zweeg; zoodat ons middagmaal, zonder de kinderen, die nu en dan hun stem verhieven, veel op een Trappisten-vergadering zoude geleken hebben.—Zoodra het nagebed was gedaan, rees mijn vader op en zeide tot mij, dat het hem aangenaam zoude zijn, mij een oogenblik te spreken, indien namelijk mijn kantoorzaken—"of andere bezigheden," voegde hij er op een schamperen toon bij, "mij den tijd tot een kort onderhoud vergunden."

Ik betuigde, dat ik tot zijn dienst was en volgde hem met een kloppend hart naar zijn studeervertrek. Aldaar gekomen, nam hij plaats en verzocht mij te gaan zitten, met een plechtigheid, die mij tot een slecht voorteeken strekte van hetgeen volgen zoude. Zijn gelaat stond strak als gewoonlijk: maar, behalve dien trek van ernst, was er in de bijna onmerkbare beweging van het oog en in de opgetrokken hoeken van den mond een uitdrukking van droefheid te lezen, die getuigde, dat zijn ziel meer leed, dan hij verlangde dat zou opgemerkt worden.

"Mijnheer!" zeide hij, na mij gedurende eenige oogenblikken te hebben aangezien, als had hij in het diepste mijns gemoeds willen lezen: "ik begin zeer goed te begrijpen, dat de Heer Blaek uwe verdere kennismaking met zijn pupil niet heeft willen toelaten: en het doet mij leed, dat ik mij door de gebeden uwer goede moeder tot den dwazen stap, dien ik deed, heb laten bepraten."

"Hoe dat, Vader?" vroeg ik, bevende: "een dwaze stap!... Ik begrijp u niet."

"Ik prijs den voorzichtigen man," vervolgde mijn vader, "die het hem toevertrouwde pand niet wil overgeven aan iemand, wiens gedrag niets dan ongunstige waarborgen oplevert voor het toekomstig geluk zijner gade."

"Mijn gedrag!" herhaalde ik, verblijd over de gedachte, dat ik mij ten minste van die zijde onschuldig gevoelde: "wat kan de Heer Blaek mij te verwijten hebben?"

"Hoe, Mijnheer!—Iemand, die zich niet schaamt, op den dag zijner terugkomst bij zijn ouderen, den dag, waarop zijn hart alleen vervuld behoorde te zijn met reine en betamende gedachten aan het geluk, dat hem te beurt viel, van zijns vaders huis en zijne betrekkingen in gezondheid terug te zien, die, zeg ik, op zulk een dag zich niet schaamt, eenmaitresmet zich te brengen en te kameren! die gedoogt, dat zijn vrome en niet ergdenkende Tante in kennis komt met een slecht voorwerp: die, om zijn bezoeken bij haar te bewimpelen, mij wijs maakt, dat hij nachtwandelingen met Velters doet: die, van een dronkenmanspartij terugkeerende, een mede-vrijer van de trappen laat smijten!...

quem frangere postesNon pudet, et rixas inseruisse iuvat.

quem frangere postesNon pudet, et rixas inseruisse iuvat.

Gij ziet dat ik van alles onderricht ben... en die, onder de bedrijven, zich nog inbeeldt, dat hij aanspraak op de hand van een fatsoenlijk meisje kan maken!—Ferdinand! Ferdinand! hoe diep zijt gij gevallen!

Tantane te, fallax! cepere oblivia nostri?"

Tantane te, fallax! cepere oblivia nostri?"

"Vader!" zeide ik, met zooveel bedaardheid als ik machtig kon blijven: "Van al wat UEd. daar opnoemt is er slechts ééne aantijging, waarop ik schuld bekennen moet:—namelijk, dat ik u voorgelogen heb betreffende mijn wandeling met Velters.—Wat mijn kennis betreft aan de Juffer, die bij Heynsz logeert,—deze schaam ik mij niet. UEd. hadt mij beloofd, daarnaar niet meer te vragen."

"Dit had ik gedaan, omdat ik een vast vertrouwen stelde in uw oprechtheid en in uw godsdienstig gevoel.—Maar nu gij eenmaal, en gij bekent het zelf, mij bedrogen hebt in één punt, hoe wilt gij dan, dat ik, in het overige, staat make op de woorden van iemand,quem non periuria terrent? Is het nu mijn plicht niet, als vader, die zijn zoon moet terughouden, wanneer hij hem met rassche schreden den weg ten verderve ziet inslaan, en als Hoofdschout, die voor de goede orde in de stad moet waken, een perk te stellen aan dergelijke ongeregeldheden?"

"Ik ben wel te beklagen," zeide ik: "te meer, omdat mijn verdediging zoo gemakkelijk mogelijk zou zijn, indien mij niet een heilige, maar noodlottige plicht het spreken verbood."

"Het is genoeg, Mijnheer!" zeide mijn vader, oprijzende: "ik weet dergelijken kinderpraat op zijn waarde te schatten. Voortaan zullen uwe gangen worden nagegaan, daar kunt gij op rekenen. Als vader zal ik zorg dragen, dat gij mijn eerlijken naam geen verdere schande aandoet: als Hoofdschout zal ik waken, dat gij de goede orde in deze stad niet weder verstoort.—Gij hebt afgedaan: ik wil u niet langer ophouden."

"Neen, mijn vader!" riep ik uit, oprijzende en hem de hand drukkende, die hij niet gaf noch terugtrok, maar bewegingloos in de mijne liet: "zoo kunnen wij niet scheiden: ik moet ten minste de hoop medenemen, dat UEd. eenmaal mijn gedrag beter beoordeelen zult."

Hier werd aan de geheime deur getikt: het was het sein van Heynsz.

"Wacht een oogenblik!" riep mijn vader, snel het hoofd omwendende: "maar neen!" vervolgde hij, zich bezinnende: "het is beter zoo!—binnen!"

Hij ging weer zitten. Heynsz trad de kamer in en zag mij eenigszins verwonderd aan.

"Ga gerust uw gang," zeide mijn vader: "gij kent mijn zoon. Welk nieuws is er?"

Heynsz nam zijn boekje en begon te lezen:

"N°. 1. De zielverkoopers op den Zeedijk hebben opgelicht twee knapen, die bezopen kwamen uit een nachthuis. Het zijn lichtmissen, daar niets aan is bedorven en die geteekend zijn met een zwarte kool."

"Om 't even!" zeide mijn vader: "er moet huiszoeking gedaan worden bij dat volkje, en de beide knapen zoowel als de zielverkoopers morgen voor mij gebracht worden.—Verder!"

"N°. 2. De zoon van de Weduwe Lette is geprest door de zielverkoopers van de O.-I. Compagnie. 't Is wel jammer! Zulk een oppassende jongen:—de eenige kostwinner zijner moeder!"

"'t Is jammer!" herhaalde mijn vader, het hoofd schuddende: "maar hier valt niets aan te doen. Zorg mij de woonplaats der Weduwe en hare bestaansmiddelen te doen weten. Het is niet meer dan billijk, dat de O.-I. Compagnie haar onderhoude, nu zij haar haren zoon neemt."

Ondanks de kwellingen, die mij bezig hielden, kon ik niet nalaten, een onaangename gewaarwording te gevoelen bij de gedachte, dat gewone zielverkoopers streng gestraft werden, terwijl de menschenroof, voor rekening der Compagnie gepleegd, onverhinderd zijn gang mocht gaan: en ik had een zucht over voor de arme Weduwe, aan wie men het verlies van een zoon met een geldelijke schadeloosstelling zoude denken te vergoeden.—En dan nog was ik verzekerd, dat het niet de Compagnie, maar mijn vader zoude zijn, van wien zij die aalmoes zoude bekomen.

Heynsz vervolgde zijn lijst:

"N°. 3. Men is voornemens te bestelen hedenavond het pakhuis van de Wed. Pietersz en Comp. Een der dieven heeft zich laten opsluiten daarin, en zal de klokke 12 uren zijn makkers daar binnenlaten."

"Wij zullen zorgen," zeide mijn vader, "dat zij er niet alleen hun maat, maar ook nog een behoorlijk aantal dienaars in vinden."

"N°. 4. Het gouden horloge van den slachter Fleischhauer is terugbekomen bij Mozes Nathans. Hij had het van Fleischhauers eigen zoon gekocht, die van zijn vader zeker te weinig ontvangt om te verslempen."

"De Jood en de jongeling beiden zullen een plaats in 't Spinhuis bekomen. Geen genade voor een zoon, die zijn vader bedriegt.—Is er niets meer?—Niets van den Vliesridder?"

"Niets: ofschoon hij zich naar alle gedachten nog hier, of in de buurt moet ophouden; want er is weer geld voor hem uit de Bank gelicht, gelijk onze spion bij de Bank mij verteld heeft. Het is onbegrijpelijk, dat wij hem niet op het spoor komen."

"Vrij onhandig zeker: en zoo ik u niet beter kende, Heynsz, zou ik waarachtig denken, dat de Vliesridder u omgekocht heeft.—Is er niets meer?"

"Niets, Ed.-Gestrenge! buiten eenige zakkenrollerijen op den Haarlemmerweg gisteravond gepleegd, bij gelegenheid eener harddraverij."

"Niets anders?"

"Waarlijk niets," antwoordde Heynsz, zijn zakboekje naziende.

"Niets?—Ei! Ei! dan is het mijne beurt," zeide mijn vader, hem scherp aanziende: "N°. 1. Er heeft gisteravond ten huize van Zacharias Heynsz een twist plaats gehad, ten gevolge waarvan de Heer Lodewijk Blaek van al de trappen is gesmeten.—Monsieur Heynsz, die zoo goed bekend is met al wat in de stad omgaat, schijnt dus niet te weten, wat er in zijn eigen huis gebeurt."

"Edel-Gestrenge!" stamelde Heynsz, terwijl hij mij verlegen aanzag: "met uw permissie. Die zaak heeft gehad geen gevolgen. Ik achtte het niet waardig de moeite, daarvan te spreken."

"Dat staat u niet te beoordeelen. Wie heeft aanleiding tot dat rumoer gegeven? Nu! kijk mijn zoon maar niet aan.—Antwoord zonder omwegen."

"Edel Gestrenge! Ik weet waarachtig weinig of niets van de zaak af. Ik was niet te huis, en dacht, toen ik vernam wat er had plaats gehad, het ware best, dergelijke gevalletjes, waar jongelieden van de eerste familiën in betrokken zijn, maar niet te fijn uit te pluizen."

"Zoo! dus denkt uwe wijsheid, dat er een andere schaal bestaat, waarin de eerste, als waarin de mindere klasse behoort gewogen te worden?—Maar ik ben nog niet ten einde.—N°. 2. De gezegde Zacharias Heynsz geeft huisvesting aan verdachte personen, en schaamt zich niet oogluikend te dulden, dat zekere Juffer, die een kamer tot zijnent betrokken heeft, bezoeken ontvangt van jonge losbollen."—Hier zag mijn vader mij veelbeteekenend aan.

"Met uw verlof, Edel-Gestrenge! kan ik kwaad denken van een Juffer, die is vereerd geworden door UEd. Gestrengen zoon met zijn bezoeken, en bekend is bij Mejuffer uwe zuster? En bovendien, wat heb ik er mede te maken, sedert haar eigen vader gekomen is en mede bij mij inwoont? Laat elk zorgen voor de zijnen. Ik kan den man geven geen ongelijk, zoo hij gooit den Heer Blaek van de trappen, omdat die dringt in zijne kamer. Elk moet wezen vrij in zijn huis."

"Voorzeker!" zeide mijn vader. "Hoe heet uw logeergast ook?"

"De Heer Van Beveren uit Deventer."

"N°. 3. Zacharias Heynsz huist iemand, die zich Van Beveren uit Deventer noemt, zonder te onderzoeken, of er een zoodanige persoon bestaat. Intusschen kan ik hem verzekeren, dat, volgens mijn berichten, zoodanige naam en zoodanige persoon te Deventer onbekend zijn."

"Onbekend!" herhaalde Heynsz, met verbazing: "en de Notaris Bouvelt heeft mij nog wel aanbevolen die lieden."

"Pas maar op," zeide mijn vader: "is,qui fugitivum celavit, fur est. Maar misschien zal mijn zoon u den waren naam van die personen wel kunnen aan de hand doen."

"Ik ben geen verklikker," zeide ik, wrevelig: "en al wist ik de geheimen van dien vreemdeling, het zou een laagheid zijn, die te openbaren. Dit kunt gij niet eischen, mijn vader!"

Mijn vader zag mij lang en scherp in 't gezicht;—maar omtrent dit punt althans was mijn geweten zuiver en wist ik, dat ik naar behooren handelde en de oogen niet behoefde neder te slaan. Na een langdurig stilzwijgen hervatte hij:

"Er schuilt hier iets achter, dat ik niet begrijp.—Intusschen, Ferdinand! ofschoon ik vooralsnog wil gelooven, dat gij minder schuldig zijt, dan ik waande, mag ik niet nalaten, zoodanige maatregelen te nemen als de omstandigheden vorderen. Heynsz! gij zorgt, dat ik in alles van de gangen uwer huisgenooten onderricht worde, en tevens houdt gij ook mijn zoon in 't oog. Zoodra gij iets bespeurt, dat u verdacht voorkomt, zult gij er mij van onderrichten. Bemerk ik, dat gij voor mij de minste kleinigheid verzwijgt, dan heb ik voor 't vervolg uwe diensten niet meer noodig."

"Hoe, mijn vader!" riep ik uit: "het is op een blooten schijn, dat UEd. mij gelijkstelt met misdadigers, waarvan het ergste te wachten is. Ik bid u, laat Heynsz nog een oogenblik blijven. Hij kan getuigen, of ik meer dan driemalen te zijnen huize ben geweest, en of niet telken reize Helding de oorzaak mijner komst was, terwijl slechts toevallige omstandigheden mij met dien vreemdeling of zijn dochter in betrekking gebracht hebben."

"Ik heb u reeds te kennen gegeven, dat ik mijn oordeel wederom opschort," zeide mijn vader: "zoo gij onschuldig zijt, hebt gij niets van een onderzoek uwer daden te vreezen: en zoo gij verkeerd gehandeld hebt, welnu! gij zijt gewaarschuwd voor het vervolg.—Maar ik houd u niet langer op: men zal u reeds wachten aan het kantoor."

Hier viel niets op te antwoorden: ik groette, verwijderde mij met een beklemd hart en ging naar het kantoor.

"Aha!" zeide de Heer Van Baalen, zoodra hij mij gewaarwerd: "ik wachtte u reeds met ongeduld. Gij moet mij en u zelf een dienst bewijzen, en even naar den Notaris Bouvelt wandelen. Hij is beter, en ik weet, dat hij reeds menschen gesproken heeft. Gij moet u niet laten afschrikken door een afwijzende boodschap en u vooral niet tevreden stellen, zoo men u zegt, dat de eerste Klerk u wel helpen zal."

"Naar den Notaris Bouvelt!" herhaalde ik: "en wat moet ik hem vertellen?"

"Ziehier de zaak: hij heeft altijd onze volmachten opgemaakt op onze vrienden van over zee. Heden heb ik die wederom als naar gewoonte ontvangen: maar zoo het mij voorkomt zijn er abuizen in, en is men althans, ik weet niet om welke reden, van het gewone formulier afgeweken. Ziehier de stukken. Gij, die gestudeerd hebt, zult mij wel kunnen zeggen, of ik gelijk heb."

"Dat is nog niet zeker," antwoordde ik: "want tusschen theoretische en practische kennis bestaat een groot verschil. Een rechtsgeleerde, al is hij een Bijnckershoeck, zal somtijds in dergelijke stukken een flater over 't hoofd zien, die een kantoorklerk ontdekken zal.—Maar laten wij de volmachten eens doorloopen."

Ik zette mij naast Van Baalen neder, terwijl deze mij, onder 't lezen, de verkeerdheden aanwees, welke hij in de opgemaakte stukken meende te vinden. Ik kon niet nalaten, mij, in de meeste opzichten, met zijn gevoelen te vereenigen.

"Ik begrijp zeer goed, waaraan die abuizen moeten worden toegeschreven," zeide Van Baalen: "gedurende de ziekte van den Notaris heeft zijn eerste Klerk die stukken gesteld, en Bouvelt, te zwak van hoofd om dat alles over te lezen, heeft maar op goed geloof geteekend. Intusschen moet dit geredresseerd, en wel spoedig; want Pulver wacht er op en kan zonder dat niet vertrekken. Eilieve! wees dus zoo goed, en ga zelf naar den Notaris. Het is beter dat UEd. er heengaat, dan ik of een ander; want uw titel als Meester in de Rechten zal nog eenigen invloed bij hem hebben, ingeval hij eens koppig ware en geen ongelijk wilde erkennen."

"Ik ga," zeide ik, "ofschoon ik geloof, dat hij nog meer deferentie zoude hebben voor uwe opinie dan voor de mijne.—Maar UEd. zal mij een parapluie moeten leenen: want ik zie, dat het frisch is begonnen te regenen, sedert ik hier ben."

"Van harte gaarne.—Wil ik anders de koets ook laten inspannen."

"Ik dank u wel," zeide ik: "dat houdt maar op.—Tot straks; want ik zal u bescheid komen brengen."

Ik ging dan op weg, bij mijzelven de zonderlinge grillen van mijn lot overdenkende, waardoor alles, wat ik hoorde of verrichten moest, zich op deze of gene wijze in verband stelde met den Heer Bos of zijne dochter. Ik was niet ongelijk aan iemand, die zich in een sterrebosch bevindt, en, welke laan hij ook insla, altijd den grooten boom of het standbeeld voor oogen heeft, waar al de lanen op uit loopen. Met dat al gevoelde ik eene zekere nieuwsgierigheid, om dien Notaris te zien, wiens naam ik in de laatste dagen zoo dikwerf had hooren noemen, en aan wien ik niet denken kon, zonder mij een machtigen toovenaar voor te stellen, die den sleutel bezat der ingewikkelde geheimenissen, welke mij zooveel kwelling veroorzaakten, en door zijn wil in staat zoude zijn, de ontknooping te bewerken dier voor mij zoo lastige raadsels. Want dat dit bezoek, hoezeer ten gevolge van zeer prozaïsche en alledaagsche beroepsbezigheden afgelegd, wederom aanleiding zoude geven tot nieuwe verwarring in het drama, 't welk ik onwillig medespeelde, daar aan twijfelde ik geen oogenblik: en de uitkomst deed zien dat mijn voorgevoel mij niet bedroog.

De kantoorbediende van den Notaris, die mij de deur opendeed, liet mij, nadat ik mijn naam en betrekking genoemd, en hem verklaard had, dat ik zijn Patroon persoonlijk spreken moest, een zijvertrek binnen, hetwelk tot spreekkamertje diende, en waar hij mij verzocht mijne beurt af te wachten. Ik vond aldaar slechts één persoon aanwezig, wien ik aan zijn duffelsch gewaad, aan zijn vierkanten lichaamsbouw, aan de stevige wijze, waarop hij met de knieën wijd van elkander en de handen op de knieën gezeten was, en vooral aan het in een bont geruiten doek geknoopt pakje, dat tusschen zijn beenen lag, voor een Zaankanter, althans voor iemand van de overzijde van het IJ herkende. Hij beantwoordde mijn groet als een Chineesche Mandarijn, namelijk met een hoofdknik: en vermoedende, dat er geen heil uit een onderhoud met dit lomp stuk vleesch te halen ware, ging ik voor het raam staan, en keek, zooveel de tegen de ruiten kletterende regen zulks gedoogde, naar de voorbijgangers. Nauwelijks had ik eenige minuten aldaar doorgebracht, of een rijtuig hield voor de deur stil, waarvan ik de kleur en livrei spoedig genoeg herkende. Ik zag, nadat er gebeld en opengedaan was, den Heer Jacobus Blaek uit het portier stijgen en een oogenblik later het vertrek binnentreden.

Er zijn weinige ontmoetingen lastiger, dan die tusschen twee personen, waarvan de een kort te voren den anderen een gewichtig verzoek heeft afgeslagen. Beiden maken bij die gelegenheid een gek figuur, vooral wanneer zij overigens van denzelfden stand in de maatschappij zijn en elkander vroeger op een gemeenzamen voet gezien hebben, zoodat er althans eenige woorden van beleefdheid gewisseld moeten worden. De een is dan bang, dat er op het verzoek zal teruggekomen, en dat hem verklaring of uitlegging zijner handelwijze zal afgevergd worden: hij vreest, zoo hij te beleefd is, bij den anderen hoop te verwekken op iets, dat toch niet verwezenlijkt kan worden, en hij wil toch niet, door lomp te zijn, nieuwe en onnoodige reden tot misnoegdheid verwekken:—de ander is evenmin op zijn gemak; want bij den wrevel, dien men in hem over de geleden weigering veronderstellen moet, wil hij niet te beleefd zijn, uit angst dat men hem van laagheid verdenken zal, en toch wil hij ook niet, door gebrek aan beleefdheid, de goede kansen, die hij misschien nog hebben mocht, ten eenenmale verspelen. In mijn geval kwam hier nog de onaangename omstandigheid bij, dat ik niet wist, of den Heer Blaek het geval met zijn zoon ten huize van Heynsz bewust was, en zoo ja, op welke wijze hem zulks voorgesteld was en of ik mij deswege al of niet moest verontschuldigen.

Hoe dit ware, het bleek mij duidelijk, dat mijn tegenwoordigheid hem alles behalve aangenaam was. Hij beantwoordde mijn groet met een stijve buiging, nam geen notitie van den Zaankanter, zette zich, haalde een zakboekje voor den dag en doorliep eenige papieren, welke hij daaruit nam. Dit gold zooveel als een wenk, dat hij in geen onderhoud verlangde te treden: en ik hervatte dus mijn vorige houding, zonder acht op hem te slaan.

Op deze wijze verliep er een vrij onaangenaam kwartieruurs, en ik voorzag, dat mijn toestand nog lastiger zou worden, wanneer de derde man, die zich in 't vertrek bevond, en wiens tegenwoordigheid ons wederzijdsch stilzwijgen nog eenigszins wettigde, zou binnengeroepen worden, en ik mij alzoo met den Heer Blaek alleen bevinden. Weldra scheen dat oogenblik te zullen komen. Ik hoorde de schel van den Notaris klingelen, den Klerk de trappen ophollen en kort daarop weder beneden komen, om dengenen, wiens audiëntie was afgeloopen, uitgeleide te doen, en een nieuwen bezoeker op te roepen. Werkelijk werd de deur van het vertrek geopend en de stem van den Klerk noodigde Kneel Poppes uit, hem te volgen.

De Zaankanter rees op, mompelde een goeden avond tegen ons en volgde den Klerk naar boven. Terzelfder tijd hoorde ik den man, die van boven gekomen was, zeggen: "met uw verlof! ik heb mijn parapluie in de zijkamer laten staan."—De spreker trad binnen: en tot mijn spijt herkende ik in hem niemand anders dan Amelia's vader, met zijn scharlaken rok en zijn bril.

Hij herkende mij insgelijks, gelijk ik uit een schier onmerkbaar gefronsel zijner wenkbrauwen opmaakte. Om zijn parapluie te krijgen, die in een hoek van het vertrek stond, moest hij den Heer Blaek voorbij, die nog altijd in dezelfde houding was blijven zitten en geen acht op hem scheen te slaan. Voor hem gekomen, bleef de Heer Bos even staan, hield het oog op hem gevestigd, deed een stap achteruit en zeide toen met een duidelijke, doch zachte stem:

"Jacobus Blaek!"

"Frederik Van Lintz!" riep deze, verbleekende, terwijl hij opsprong en zijn bekende van vroegere jaren met een blik van verbazing en schrik aanstaarde.

"Ikzelf!" zeide Van Lintz: "ik zie dat gij, in spijt mijner vermomming, mijn stem nog herkent."

"Maar hoe durft gij...? Lieve God!... bedenk toch...." en de Heer Blaek scheen hem door een zijdelingschen blik te willen doen opmerken, dat zij zich niet alleen bevonden.

"O! dat is niets!" zeide Van Lintz, met een glimlach: "de Heer Huyck zal mij niet verklappen:—en bovendien, ik heb geene keuze en moet de gelegenheid, nu zij zich voordoet, bij de haren vatten. Er kon voor mij geene gelukkiger ontmoeting zijn dan deze; want ik had al op de middelen gepeinsd om een onderhoud met u te hebben."

"Met mij! en wat kunt gij mij toch te zeggen hebben?... Maar spreek toch zacht om 's Hemels wil! Bedenk, dat uwe veiligheid...."

"Die hangt van u af. Gij alleen kunt mij helpen: gij zult dit doen om onzer oude vriendschaps wille: om den wille van onzen braven broeder, die in den Hemel is."

Ik zag, dat de Heer Blaek opnieuw van kleur verschoot. "Zwijg toch, bid ik u," fluisterde hij: "ik wil u immers gaarne helpen; maar laten wij ergens anders gaan dan hier!" En hij haalde zijn zakdoek voor den dag om de zweetdroppelen af te vegen, die langs zijn voorhoofd dropen.

Ik trad nader. "Vergeeft mij, Mijne Heeren!" zeide ik: "ik wil niet onbescheiden zijn. Ik zal wel even in het voorhuis gaan en u gelegenheid geven, te zamen te praten. Men zal mij wel zoo aanstonds roepen."

"Ach! wat helpt dat?" vroeg de Heer Blaek, terwijl hij zijn angstige blikken beurtelings van mij op Van Lintz liet wandelen: "Mijnheer Huyck heeft toch reeds te veel gehoord!—Hoe kan men zoo onvoorzichtig zijn!"

"En wat is er toch," vroeg Van Lintz, terwijl hij met gekruiste armen tegen den wand stond, "waarover gij u bekommert? Wie toch in de wereld kan het u kwalijk nemen, dat gij eenige woorden wisselt met een ouden kennis, met den zwager van uw broeder? De Heer Huyck weet, zoogoed als gij, dat ik vogelvrij verklaard ben: en het had slechts van hem afgehangen, het had hem slechts één woord gekost, om mij mijn vrijheid, en bijgevolg mijn leven te doen verliezen: maar hij heeft dat woord niet gesproken, en zal het ook niet spreken.—Van zijnentwege heb ik dus niets te vreezen: en ik vertrouw, dat hij het u ook niet kwalijk zal nemen, indien gij mij hoe eerder hoe beter hier vandaan helpt."

"Integendeel!" zeide ik, met overhaasting—"het verblijf van den Heer Van Lintz, of zooals Mijnheer heeten mag, en dat vervloekte geheim, hebben mij reeds last en onaangenaamheden genoeg veroorzaakt, en ik zal den Heer Blaek uiterst dankbaar zijn, indien zijne bemoeiingen daar een einde aan maken."

"Alzoo," zeide Van Lintz, glimlachende: "zoudt gij u van het bewaren van ons geheim ontslagen rekenen, wanneer ik eens van hier ware."

"Ongetwijfeld!" antwoordde ik: "dat was immers de afspraak?"

"Voorzeker!" zeide Van Lintz: "maar het zou den Heer Blaek wellicht onaangenaam zijn, indien men wist, dat hij eenig aandeel in mijn ontkoming had."

"Waarom zou ik dit uitbrengen?" vroeg ik: "ik hoop, dat de Heer Blaek te goede gedachten van mij heeft, dan dat hij mij voor een verklikker zoude aanzien."

"Voorzeker!" zeide Blaek, in blijkbare verwarring: "ik heb uitmuntende, ik heb de beste gedachten ter wereld van den Heer Huyck; maar," vervolgde hij tegen Van Lintz: "is het hier een plaats, om over uwe zaken te spreken? Kom met mij, naar mijn huis, of...."

"Naar uw huis?" herhaalde Van Lintz: "neen dat niet! Het zou wellicht uw zoon niet zeer aangenaam zijn, mij te ontmoeten, na de les, die ik hem gisteravond gegeven heb."

"Hoe! wat!—Zijt gij die Heer Van Beveren, met wien hij die affaire gehad heeft?... doch gij hebt gelijk; mijn huis is ongeschikt;... maar ga toch met mij: ik zal een veilige schuilplaats voor u uitdenken. Wij zullen dat in het rijtuig overleggen. Mijnheer Huyck zal wel zoo goed willen zijn, mij bij den Notaris te willen verontschuldigen, door hem te zeggen, dat ik geen tijd had ... of wat hij verkiest."

"Wel! het zij zoo!" hernam Van Lintz: "Mijnheer Huyck! Ik zeg u nog geen vaarwel; want het schijnt, dat ons noodlot ons, 't zij wij willen of niet, telkens weder in aanraking wil brengen: en wij zullen elkander waarschijnlijk nog wel eens ontmoeten."

"Nog slechts één raad neb ik u te geven," zeide ik: "haast u! want een uur verwijl kan u noodlottig zijn: en daarvan althans kan ik u de verzekering geven, dat het huis van Heynsz voor u tegenwoordig een onveilige schuilplaats is."

"En UEd. belooft mij, van deze ontmoeting niet te zullen spreken," zeide Blaek, zich naar mij toewendende en mij de hand krampachtig drukkende, terwijl Van Lintz mij met een hoofdknik voor mijn raad bedankte.

"Ik heb u reeds gezegd, dat ik geen verklikker ben," antwoordde ik met eenigen trots: "en ik herhaal u, wat ik eenmaal aan den Heer Van Lintz zeide, dat ik slechts dan zal spreken, wanneer mijn plicht het gebiedt."

Ik weet niet of de Heer Blaek zich met deze belofte volkomen tevreden stelde; doch hij diende er wel genoegen mede te nemen: de beide Heeren vertrokken en ik zag hen een oogenblik daarna gezamenlijk wegrijden: waarheen, was mij onbewust.

Weinige oogenblikken daarna kwam de Zaankanter de trappen weder af en werd ik bij den Notaris binnengelaten.

Ik zal mijn geschrijf niet nutteloos vermeerderen met een verslag te geven van hetgeen ik met den Heer Bouvelt verhandelde: want hoe dikwijls zijn naam ook in den loop mijns verhaal genoemd is, en welken invloed hij onwetend en middellijk uitoefende op de gebeurtenissen, welke ik te boek stel, zijn deel daaraan was echter van een ondergeschikten of liever van een verwijderden aard, en hij was in zekere opzichten te vergelijken met den kaarsenmaker van den Schouwburg, die de verlichting bezorgt en zonder wien het spel niet vertoond, althans niet gezien zoude worden; maar die zelf nimmer ten tooneele treedt.—Voor hen echter, wier nieuwsgierigheid eenigszins door het voorafgaande geprikkeld en thans teleurgesteld is, wil ik er wel bijvoegen, dat de Notaris Bouvelt een klein, schraal ineengedrongen ventje was van ongeveer zestig jaren, met een ziekelijke, saffraangele tronie, een baard van zes dagen en een knijpbril op den neus, een slaapmuts op het hoofd en een servet daarover heen; een gebloemde japon met een roode sjerp aan 't lijf, dat lijf gedoken in een met sits bekleeden leunstoel en de in pantoffels gestoken voeten rustende op een koperen stoof: dat hij gezeten was achter een breede tafel, vol schrifturen, akten, drankfleschjes, contracten, cachoutdoosjes, schepenkennissen en likkepotjes: en dat hij na een vrij langdurig gesprek, hetwelk hij door herhaalde hoestbuien meer dan eens gedwongen was af te breken, erkende, dat zijn oudste klerk gedwaald had, en de akten naar mijn zin of liever naar dien van den Heer Van Baalen veranderde.


Back to IndexNext