Derde hoofdstuk.

Derde hoofdstuk.Mijn jeugd en gebrek aan ervaring en de geringheid der overtreding, waaraan ik mij had schuldig gemaakt, in aanmerking nemende, zal de strengste tuchtmeester moeten toegeven, dat ditmaal de eerste officier mij onrechtvaardig hard behandelde. Blijkbaar hadden mijne vijanden invloed op hem gehad. De tweede officier en Murphy deden niet eens moeite om te verbergen, hoeveel genoegen hun mijn ongenade deed.Ons schip kreeg last om naar Portsmouth te zeilen, alwaar de commandant, die met verlof was, aanboord zou komen. Wij zagen hem dan ook spoedig na aankomst opdagen, en toen had de eerste officier aan hem te rapporteeren over hetgene in zijne afwezigheid was voorgevallen. Ik had nu tien dagen achtereen dienst in den voortop gedaan, en het was de bedoeling van Mr. Handstone geweest, dat ik nog bovendien aan een der stukken lichamelijk afgestraft zou worden voor het laten wegloopen van mijn volk. Hoewel aanvankelijk de kolonel daar wel ooren naar had, bleef toch dit gedeelte mijner straf achterwege. Voor het overige was ik nog steeds uit de voorlongroom gebannen en at, hoewel lid van de algemeene tafel gebleven, steeds mijn maal eenzaam op mijn kist. Mijn jongste kameraads spraken alleen tersluiks met mij, uit vrees voor de ouderen, die mij zoo goed als doodverklaard hadden.De straf van dienst doen in den voortop had niet veel te beduiden. Ik ging als »alle hens op” was naar boven, zoo ook gedurende den tijd, dien ik anders de wacht zou hebben, en troostte mij met een boek, zoolang ik niet zelf nu en dan de handen uit de mouw moest steken. De matrozen beschouwden mij eenigszins als martelaar in hunne zaak en beijverden zich om strijd, mij voort te helpen in het leeren splitsen en knoopen, reven, vastmaken der zeilen enz.; eerlijk moet ik bekennen, dat het de beste uren van mijn scheepsleven waren, die ik met die eerlijke pikbroeken sleet.Of dit nu door mijne vijanden opgemerkt werd, weet ik niet; maar kort na zijne aankomst werd ik bij den commandant in de kajuit geroepen, en ontving daar een lesje over mijn wangedrag, zoowel wat betrof mijn overgevoelig en twistziek karakter, als het wegloopen van mijn manschappen.»Ware het niet,” zoo vervolgde hij, »om uw overigens goed gedrag, dan zoude uwe straf veel zwaarder geweest zijn; ik wil nu niet betwijfelen, dat deze kleine correctie er toe zal bijdragen, dat gij u in ’t vervolg beter in acht neemt. Wij zullen het nu hierbij laten blijven; gij kunt weer uwe gewone diensten hervatten.”De tranen, die eene harde behandeling mij niet had kunnen afpersen, kwamen mij nu in de oogen, en het duurde eenige oogenblikken vóór ik genoegzaam bedaard was om voor de ondervonden goedheid te bedanken en een uitlegging te geven van de oorzaken mijner ongenade. Ik vertelde nu, hoe ik sedert mijn komst aan boord als een hond behandeld was geworden, en dat ik nu voor het eerst eens menschelijk was toegesproken. Ik gaf een overzicht van al mijn lijden, aanvangende met dat noodlottige glas wijn, waarvan ik de bedoeling niet dadelijk had begrepen. Ik verzweeg niet, dat ik Murphy’s kooi had afgesneden en hem een koperen kandelaar naar het hoofd had geworpen, en gaf daarbij de verzekering, dat ik nooit de eerste aanleiding gaf en nooit mijn vuist oplichtte vóór ik zelf geslagen was. Ik zeide bovendien, dat ik niet voornemens was ooit een slag te ontvangen, of mij een onbehoorlijken naam te hooren toevoegen, zonder dit kwalijk te nemen. Dat was nu eenmaal mijn aard, en al zoude dit mij het leven kosten, ik kon het niet veranderen. »Sedert ik aan boord ben,” vervolgde ik, »zijn er dikwijls matrozen van sloepen weggeloopen, en de betrokken officieren of adelborsten kwamen er altijd met een berisping af, terwijl ik, nog zoo goed als vreemd aan boord, met de grootste en vernederendste gestrengheid behandeld ben geworden.”De kolonel luisterde aandachtig naar mijne verdediging, welke, naar ik meende, eenigen indruk op hem maakte. Later vernam ik, dat hij den heer Handstone onder handen had genomen over de bijzondere gestrengheid, die hij in mijn geval getoond had; hij merkte op, dat ik òf later een uitstekend officier zou worden, òf dat er niets van mij zou terechtkomen. Mijzelf was gebleken, dat ik tegenover de grootere vijandschap van mijn oudste kameraden, door mijn weerstand bieden aan hun wederrechtelijke handelingen, eenige machtige vrienden in het schip had gekregen, van welken de commandant een was. Ook enkele officieren begonnen mij recht te laten wedervaren en bewonderden dien, voor de gevolgen zoo onverschilligen, geest van verzet in mij. De omkeer in de algemeene stemmingbleek uit de talrijke uitnoodigingen die ikaan de kajuits- en officierstafel kreeg. De jongste kadets ontvingen mij nu weer openlijk in hun midden; doch de ouderen bleven mij met achterdocht behandelen.Spoedig maakte ik nu met de jongens van mijn leeftijd een geregeld verbond van onderlinge bescherming, dat een gewichtige rol zou vervullen in onze toekomstige twisten. Een paar hunner hielden zich flink aan de gemaakte overeenkomst; de anderen beloofden wel, maar kwamen op het gewichtige oogenblik niet uit den hoek. Ons contract was hoogst eenvoudig, slechts uit twee artikelen samengesteld. Het eerste hield de op elk rustende verplichting in: om het eerste harde of zware voorwerp, dat men grijpen kon, dengene naar het hoofd te smijten, die een onzer sloeg, altijd wanneer de aanvaller te sterk scheen te zijn om hem op de gewone manier te bevechten. Het tweede artikel was een herinnering aan onze rechten als deelgenoot van de tafel, waaraan wij allen hetzelfde bedrag betaalden, en bepaalde, dat wij ons door list zouden zien te verschaffen, wat ons door kracht werd onthouden.Mijn uitlegging bij art. 1 was, dat wij ons daardoor een behoorlijke, beleefde behandeling van de anderen zouden verzekeren; want voortaan zouden zij zich wel wachten om met ons te beginnen, nu het voor hen zoo gevaarlijk kon afloopen;—bij art. 2, dat wij nu voortaan gelijk zouden opdeelen en niet langer behoefden aan te zien, dat de oudsten mooi weer speelden van de smakelijkste aan ons gezamenlijk toebehoorende provisiën en dranken. Aangezien ik de uitvinder van dit contract was, kon men mij met recht als de leider van de oppositie beschouwen.Eindelijk zeilden wij uit, met last om ons te vereenigen met de vloot, die onder bevel van lord Nelson vóór Cadix kruiste. Ik wil niet uitvoerig zijn in mijn beschrijving van den overtocht door het Kanaal en de golf van Biscaye. Ik was meesttijds zoo zeeziek als een juffrouw die den overtocht maakt in de Dover-packet, maar had niet zooveel gelegenheid als deze om er mij aan toe te geven, daar voor mij de dienst boven in het tuig of als wachthebbende aan dek, onverbiddelijk was. Wij bereikten ons station en kwamen onder de orders van den onsterfelijken Nelson, slechts weinige uren vóór den zeeslag, die hem het leven kostte toen hij ’s lands eer ophield. De geschiedenis van dien gedenkwaardigen slag is zoo dikwijls en uitvoerig beschreven, dat ik er niets meer aan weet toe te voegen. Inderdaad echter verbaast het mij, dat bij zulk eenverwarring en de overeenstemming van alle zeegevechten, van zulk een treffen nog zooveel bijzonderheden kunnen gemeld worden. Ik maakte destijds een opmerking, die mij later telkens met verdubbelde overtuiging weer in de gedachte kwam, en die was: dat de admiraal, als eenmaal het gevecht aan den gang was, weinig meer aan het oppercommando kon doen, want hij kon evenmin zien als gezien worden; hij kon geen partij trekken van ’s vijands zwakke punten of fouten, evenmin als die aan zijne eigene zijde verdedigen of verbergen; zijn eigen vlaggeschip, de Victory, een onzer schoonste driedekkers, lag, als ’t ware vastgemeerd, langs zijde van een Fransch linieschip van 80 stukken.Dezelfde opmerkingen las ik later in een werk over de zeetactiek, en zij bevestigden volkomen mijne meening. Er was in het begin van den slag een oogenblik waarin ik, jong als ik was, een geweldigen angst gevoelde voor den roem en de eer van mijn vaderland. Het was toen ik de trotsche leiders onzer beide liniën blootgesteld zag aan het vereenigd kruisvuur van zoovele schepen. Ik vond, dat Nelson zich te veel blootgaf, en dat denk ik nu nog. Ondervinding heeft bewaarheid, wat jeugdige phantaisie zich verbeeldde; ’s vijands centrum had vernield moeten worden door onze zeven driedeksschepen, waarvan thans sommige, die in de achterhoede behoorden, weinig aandeel aan den strijd konden nemen. Behalve om den indruk, dien zij maakten, hadden zij zeer geschikt op de reede van Spithead kunnen blijven. Het is geenszins mijn bedoeling om hier een aanmerking te maken op de bevelhebbers dier schepen: neen, alleen toevallige omstandigheden, zwakke koelte en de plicht aan elk opgelegd om zijn standplaats in de linie te behouden, veroorzaakten, dat zij het grootste deel van den dagnolens volenswerkeloos op den achtergrond moesten blijven. Andere schepen daarentegen hadden benijdenswaardige positiën, doch maakten, zooals ik later van enkele daarop dienende officieren vernam, niet al het gebruik, dat zij daarvan konden. Deze fout aan onzen kant werd echter ruim opgewogen door dergelijke, op gelijke wijze veroorzaakte misslagen bij den vijand, en zoo is toch stellig de overwinning door ons behaald. De Britsche vloot had een hooge waarde; en wij moeten erkennen dat op dien dag »toen Engeland verwachtte, dat ieder zijn plicht zou doen”, slechts weinigen de hoop van hun vaderland teleurstelden.Ik zal nimmer de electrieke schok vergeten, die het ophijschen vanhet sein tot het gevecht op de geheele vloot teweegbracht. Bij niets is het beter te vergelijken dan bij een lange, in brand gestoken loop buskruit. Aannemende, dat alle Engelschen in hoofdkaraktertrekken overeenstemmen, was hetzelfde gevoel, dezelfde geestdrift op elk schip te bespeuren; menigen verharden zeebonk rolden de tranen langs de wangen, toen de woorden, die het sein inhield, hardop herhaald werden. Zij brachten elk vroeger roemrijk feit in herinnering, en vervulden den geest met nieuwe, stoute verwachtingen, die voor zoovelen, helaas! echter nooit werden verwezenlijkt. Zonder de minste verwarring nam elk zijn plaats in de batterij of elders voor het gevecht in, en van dat oogenblik af lag op ieders gelaat kalme, besliste vastberadenheid te lezen.Mijn commandant was, ofschoon ons schip in geene der liniën behoorde, volstrekt niet bang voor de schoten, en hoewel wij niet in het vuur behoefden te komen, vóór wij daartoe sein ontvingen, achtte hij het toch plichtmatig zoo dicht mogelijk in de nabijheid onzer in den strijd gewikkelde schepen te blijven, om waar het noodig was, hulp te kunnen bieden. Ik was geplaatst bij de allervoorste stukken van onze kuilbatterij, toen ook voor ons de order kwam om slagvaardig te zijn. Ofschoon op een betrekkelijk kleine schaal, ken ik weinig tooneelen, die zulk een indruk maken als een schip bij »alarm”. Het sein daartoe wordt op last van den bevelhebber door den tamboer gegeven en benedendeks herhaald. Onmiddellijk worden alle loopende werkzaamheden gestaakt, en moet ieder man aan boord de hem alleen voor die gelegenheden opgedragen bezigheid vervullen. Slechts kort duurt de schijnbare verwarring, die hiervan het gevolg is. Aan dek worden de minst handige zeilen geborgen, op de onderra’s de enterdreggen uitgebracht, in de marsen en in de rusten de valreepen van het steng- en onderwant met de gesjorde hangmatten beveiligd, de pompen en brandspuit gereedgemaakt om water te geven. In de batterijen wordt de noodige voorraad scherp opgehaald, worden de kanonnen ontsjord, gewischt en geladen, en eindelijk door elk schepeling het hem aangewezen wapen, hetzij geweer, pistool, piek of enterbijl ter hand genomen. Het einde der manoeuvre is, dat elk zijn plaats bij de kanonnen weer inneemt. Hiermede treedt een volledige stilte in, waarbij slechts de bevelen gehoord mogen worden, voorzoover dit onder eene kanonade van zoovele schepen mogelijk kan zijn. Trotsch is het gezicht op de lange rijen vuurmonden, elk met een tiental matrozen en mariniers bemand. Achter elk stukstaat de commandant met het richten en afvuren belast, in het midscheeps worden de lonten brandende gehouden. Over een zeker aantal stukken beveelt een der officieren. Aan dek is de commandant, meer dan ooit de groote man, de ziel van het schip. Hij heeft naast zich den eersten officier, achter zich een paar jonkers om bevelen naar voren of naar omlaag over te brengen. Onder het groote luik in het tusschendeks is het slagverband klaargemaakt, en zijn de dokters in afwachting der gekwetsten, die hun toegezonden zullen worden: messen, zagen, tangen, sponzen, kommen met azijn en water, deden op de verbandtafel liggende of gereedgezet, aan allerlei pijnlijke operatiën denken; deze dingen althans benemen alle poëzie aan een zeegevecht. Vóór op den bak is de schipper of opperbootsman geplaatst; en in de ware beteekenis van het woord »overal” de baas timmerman met zijn helper. Waar toch door een kogel schade in den romp of in de rondhouten wordt teweeggebracht, is hij de man om het te herstellen. Het gezicht op de ambulance werkte, zooals ik zeg, alleen wat ontnuchterend op mijn gevoel. »Wie weet,” dacht ik, »hoe spoedig ik, verminkt en bloedende en bewusteloos naar hier wordt gebracht, om met al die snijwerktuigen kennis te maken!” Ik wendde mij af, en deed mijn best aan die mogelijkheid niet te denken.Zoodra de vloot op kwam zeilen, om den vijand aan te tasten, deden wij hetzelfde, zoo na mogelijk bij het vlaggeschip houdende, waarvan wij bevel kregen de seinen te herhalen. De handige wijze, waarop dit plaats vond, verbaasde mij. Het was onbegrijpelijk, hoe bijna gelijktijdig van onzen top dezelfde seinvlaggen woeien, die bij den admiraal waren opgeheschen. Die vlaggen gingen nog wel ineengerold naar boven, dáár werden zij eerst losgetrokken. Er was dus veel handigheid aan boord van den repetiteur noodig om ze zoo snel op een afstand te herkennen.Het zal niet overbodig zijn hier mede te deelen, dat het in die tijden een soort van stilzwijgende overeenkomst bij het vechten was, dat een linieschip nooit een fregat aantastte of dit moest zelf met den aanval begonnen zijn, of wel zich tusschen de strijdende partijen in begeven hebben. Iets soortgelijks had bij den zeeslag van Aboukir plaats gevonden, waar onze Orion, met ééne volle laag het Fransche fregat l’Artemise, tot straf voor zijne vermetelheid, had in den grond geboord. Op grond hiervan zouden wij zeker schotvrij gebleven zijn, ware hetniet, dat menige verdwaalde kogel, voor een ander schip bestemd, ons ongelukkigerwijze onder weg ontmoet had. Sommige hiervan richtten onder onze bemanning nog heel wat schade aan.Trotsch zeilden de twee Britsche liniën, evenwijdig aan elkander, bijna loodrecht in op de gebogen slagorde van de vereenigde vijandelijke vloten. De voorhoede was nauwelijks binnen kanonschots afstand, of de Royal Sovereign en de Victory ontvingen een hevig vuur; maar toen eerstgenoemde opstak achter den spiegel van de Spaansche Santa Anna, en de laatste de Fransche Redoutable aan boord klampte, waren beide vloten door een dikke rookkolom van kruitdamp omhuld en viel er weinig meer te zien dan het overboord gaan van masten, of het hier en daar afdrijven van eenig geheel onttakeld schip.Het bleek, dat een dezer een Engelsch schip was, en onze commandant ziende, dat het tusschen twee vijandelijke vaartuigen in zou geraken, zeilde er op af, om het op sleeptouw te nemen; juist echter openden twee der linieschepen, in wier vuurlijn wij kwamen, een hevig vuur op elkander en werden wij het doelwit hunner misschoten. Ik lag juist uit een der boegpoorten te kijken, toen ons op die hoogte, tusschen wind en water, een kogel trof. Voor het eerst zag ik van zoo nabij de uitwerking van een zwaar schot: het maakte een grooten plas, daarbij een voor mij zeer vreemd geluid en overstelpte mij met water. Onwillekeurig sprong ik achteruit, wat ik meen dat menigen dapperen kerel zou overkomen zijn, doch ik werd daarvoor uitgelachen door een paar der aan mijne stukken geplaatste matrozen. Hierdoor beschaamd, nam ik mij voor, niet andermaal dergelijke zwakheid te laten blijken.Dit schot werd spoedig door meerdere gevolgd, die niet zoo onschuldig waren; een kwam dezelfde boegpoort in en doodde toevallig de twee man, die getuigen van mijne wankeling waren geweest. Ik moet tot mijne schande erkennen, dat hun verlies mij alleen ongevoelig liet, omdat zij nu niets meer van mij konden navertellen. Overigens zouden mijne gewaarwordingen bij deze gelegenheid, moeielijk zijn weer te geven. Het was nog geen zes weken geleden, dat ik allerlei streken op de school uithaalde en den ondermeester in den vijver liet duikelen,—en nu, in eens als ’t ware, zonder de minste voorbereiding, was ik in het midden van een bloedigen strijd, zelf een medespeler in de gewichtige gebeurtenissen, die voor het lot der beschaafde wereld zoo gewichtig waren.Een versnelde bloedsomloop, een soort van vrees voor den dood, een nog grooter vrees voor schande, dwongen mij dikwijls van plaats te veranderen; en er werd eenige tijd toe gevorderd en vooral redeneerkracht om mij daarover heen te brengen en mij zoo veilig te doen gevoelen als in de haven. Eindelijk kwam ik daartoe, en toen was ik verlegen over de zenuwachtige stemming, waarin ik verkeerd had vóór het vuren begon. Het is waar, ik bad in stilte: maar mijn gebed was niet gegrond op geloof, op vertrouwen of op hoop—ik bad alleen om uitredding uit mijn oogenblikkelijk gevaarlijken toestand; mijn woorden waren slechts korte, vrome ontboezemingen, zonder de minste gedachte of berouw over vroeger gedrag of voornemen tot beterschap in de toekomst.Toen echter eenmaal het gevecht in vollen gang was, ging dit gevoel ook over, en bleef ik even onverschillig bij het gezicht van een armen kerel, die middendoor geschoten was, alsof ik voorbij een slagerswinkel ging. Ik weet niet of dit voor een bewijs mag gelden, dat ik ongevoelig van aard was; maar zeker weet ik, dat meer mijne nieuwsgierigheid voldaan, dan mijn hart gepijnigd was, toen een kartetsschot van den vijand bij ons zeven man doodde en nog drie bovendien verwondde. Het speet mij voor degenen die het trof, en voor niets ter wereld zou ik hun kwaad toegewenscht hebben, doch in mijn soort was ik een wijsgeer: gaarne bracht ik oorzaak en gevolg in verband; en in ’t geheim was ik voldaan het effect van een kartetsschot met eigen oogen gezien te hebben.Tegen vier uren des namiddags begon het gevecht te verflauwen, klaarde de lucht op en werd de kalme zeespiegel door een aanwakkerend koeltje gerimpeld. De twee vijandelijke vloten konden elkaars verliezen in oogenschouw nemen. Wij telden nog negentien of twintig linieschepen. Sommige van ’s vijands schepen zagen wij in de richting van Cadix vluchten; vier andere ontsnapten ons te loefwaarts. Toen er een sloep van ons naar een andernabijzijndschip ging, sprong ik er in, en vernam toen den dood van lord Nelson. Toen ik dit bericht bij onzen kolonel overbracht, bracht hij hulde aan de nagedachtenis van dien held en liet daarna zijn oog met welgevallen op mij rusten. Ik was de eenige jonker, die bijzonder veel activiteit had aan den dag gelegd, en werd op grond daarvan onmiddellijk met een boodschap naar een nabij liggend vaartuig gezonden. De eerste officier gaf in overwegingom een officier van eenigen meerderen diensttijd weg te zenden. »Neen,” zeide de commandant, »laat hem gaan; de jongen is daar zeer geschikt voor!” Ik stak van boord, niet weinig verheugd over het in mij gestelde vertrouwen.Toen ik bij het avondeten mijne kameraads in de voorlongroom ontmoette, deed het mij leed weer het onaangename gelaat van Murphy te aanschouwen. Ik had mij zoo gevleid, dat een of andere gelukkige kogel mij van zijn gehate persoonlijkheid voor goed zou verlost hebben; maar zijn tijd scheen nog niet gekomen te zijn.»De duivel heeft een mooie vangst gehad vandaag,” zeide een aan onze tafel deelnemende oude masters-assistent, terwijl hij zijn glas grog aan den mond bracht.»Jammer genoeg, dat gij en een paar anderen, die ik niet noemen zal, dien dans zijt ontsprongen,” dacht ik bij mijzelve.»Als er dan toch veel dooden moeten zijn,” zeide een ander, »dan voor mijn part maar wat luitenants, dat geeft nog bevordering!”Bij het aan boord gehouden appèl, bleken er van onze equipage negen man gedood en dertien gekwetst te zijn. Dit betrekkelijk groot aantal was voor sommigen een soort van voldoening en volstrekt geen reden tot spijt. Hunne ijdelheid was er door gestreeld, dat er onder de linieschepen voorkwamen, waar de slachting zooveel geringer was geweest.Wanneer ik daartoe gelegenheid kon vinden, was ik in de ziekenboeg tegenwoordig bij de verpleging onzer gewonden en getuige van het afzetten van armen en beenen, zonder dat zulks mij bijzonder aandeed; menigeen, die zich in het gevecht met de grootste koelbloedigheid had gedragen, werd weekhartig bij dit lijden. Tot mijn schande moet ik erkennen, dat ik, uit louter zucht om achter de tot nu toe voor mij verborgen zaken te komen, met belangstelling de werkzaamheden der chirurgijns naging en de pijn van de arme lijders in het geheel niet telde. Was ik dan werkelijk zoo verhard van gemoed, dat ik er alles voor overhad om een goed inzicht te krijgen in de samenstelling van het menschelijke lichaam?Kort na den slag bij Trafalgar werd ons schip naar Portsmouth gezonden, om duplicaat-brieven over te brengen. Op een morgen, dat wij het onder ons over de aanstaande tehuiskomst hadden, hoorde ik een van de adelborsten zeggen, dat »hij zijn ouden vader voor eene nieuweuitrusting zou laten opdokken.” Ik vroeg, wat hij daarmede bedoelde, werd uitgemaakt voor een »baar,” omdat ik dit niet wist, en toen ingelicht. »Weet ge niet,” zeide mijn leermeester, »dat na elk zeegevecht, in het schippersboek veel meer zeildoek, touwwerk en verf wordt afgeschreven dan door den vijand weggeschoten of beschadigd is?”Ik nam dit op het gezag van den spreker aan, niet wetende of het waar of onwaar was, waarop hij voortging: »Waar zouden witte verschans- en sloepskleeden, bovenbramstengen, vergulde wapenborden en andere versierselen op een schip vandaan moeten komen, als het niet heette, dat al die zaken in het gevecht verloren of overboord gevallen waren? De schadelijst wordt aan den admiraal ingediend, hij teekent de aanvragen, en de magazijnmeester moet, of hij wil of niet, met de behoeften op de proppen komen. Ik diende eens op een korvet, toen een zwaar fregat van vierenveertig stukken, ons zoo netjes aanzeilde dat ons kluifhout medeging en zijn groote (mooiweers-) kluiver over onze fokkera kwam te hangen. Hij was van fijn Russisch linnen gemaakt en werd bij ons versneden voor verschansingkleeden, terwijl ieder van de matrozen er nog een broek uit kreeg. Welnu, op dezelfde wijze, waarop wij oom George (hiermede bedoelde hij ons geëerbiedigd hoofd van den Staat) voor onzen inventaris beetnemen, zoo ben ik voornemens mijn ouden heer voor een nieuw stel kleeren in den nek te zien. Daarvoor heet nu mijn heele kist overboord te gaan met al wat ik heb, en dan kom ik bij mijne oudjes thuis, precies klaar om naar de laatste mode weer opgetuigd te worden.”»En wilt ge nu werkelijk uwe ouders op die manier oplichten?” vroeg ik op schijnbaar hoogst onschuldigen toon.»Wel zeker, goedaardige domoor. Hoe kan ik op den duur fatsoenlijk voor den dag komen, als ik niet een goed gebruik weet te maken van een zeeslag, zooals nu door ons bijgewoond werd?”De ontvangen wenk stemde mij tot nadenken. Het kwam niet eens in mij op, dat, als ik op een redelijke wijze mijnen ouders aan het verstand had gebracht, dat mijne uitrusting onvoldoende was, om altijd netjes gekleed op het halfdek te verschijnen, zij met alle liefde nog van alles voor mij aangekocht zouden hebben. Maar het zat nu eenmaal in mij om onoprecht te zijn, met streken om te gaan. Waar het in mijn eigen belang was, wist ik op zijn tijd evengoed de waarheid te vertellen als een leugen; maar hier verbeeldde ik mij, dat bedriegerij eenflink stuk van verdienste was, en daarom besloot ik die in practijk te brengen, al was het alleen om daarmede opgang te maken bij mijne onwaardige makkers. Wat ik langs eervollen weg zou gedaan gekregen hebben, wilde ik nu, louter uit zucht om te bedriegen, uit genoegen om mijn vader om den tuin te leiden, langs slinkschen weg verwerven.Aan het schip waren eenige herstellingen te doen, en door de goedheid van den commandant, die nog al met mij ingenomen was, kreeg ik verlof,—ik, die juist zoo noodig had gehad om aan boord te blijven en tegenwoordig te zijn bij het af- en weder optuigen, ledighalen, verstuwen van den ballast en het dokken, om uit een en ander de noodige leering te trekken. Dat verlof vroeg ik minder uit verlangen om mijn ouders eens weer te zien, dan wel om, thuis komende, den noodigen ophef te kunnen maken, zoowel van den belangrijken zeeslag, als van al het andere, wat ik in dien korten tijd van drie maanden had bijgewoond. Het was mij een behoefte om effect te maken, en daarom wist ik (door briefwisseling met een mijner zusters op de hoogte daarvan) voor het oogenblik van mijne thuiskomst een dag te kiezen, waarop mijne ouders een groot gezelschap ontvingen, en een uur, waarop zij juist aan tafel waren gezeten.Vierde hoofdstuk.Aan de deur van ons huis gekomen, liet ik zachtjes den klopper vallen, zei geen woord tegen den bediende die mij de deur opende, doch stoof met een groote drukte de eetzaal in, waar ik als een dakpan binnen en mijne moeder om den hals viel. »Goede hemel, mijn kind!” was al wat zij kon uitbrengen, vóór zij flauw viel. Mijn vader, die juist de helft van zijn bord soep verorberd had, vloog op, om mij te omhelzen en om moeder bij te brengen. Het geheele gezelschap rees overeind alseen vlucht opgeschrikte patrijzen; een van de dames zou juist een lepel soep aan den mond brengen, toen haar buurman haar die met de elleboog uit de handen sloeg, waardoor zij een spiksplinternieuwe zijden japon bedierf; ons kleine schoothondje Carlo hief een oorverdoovend gekef aan; kortom, ik had er niet beter in kunnen slagen om de grootst mogelijke verwarring teweeg te brengen.Goede hemel, mijn kind!Goede hemel, mijn kind!Pag. 45.Langzamerhand kwam alles tot rust en mijn moeder ook weer bij,—mijn vader schudde mij de hand,—de gasten stemden overeen in de verklaring, dat ik een knappe, belangwekkende jongen was, de dames namen weer plaats, en het was mij aangenaam te kunnen opmerken, dat ik den eetlust niet had verstoord. Ik was in de gelegenheid spoedig te toonen dat ik hierin niet achterlijk was. De ontberingen, van het scheepsleven hadden mij van een goede tafel niet afkeerig gemaakt, en ik speelde mijn partij goed mede, als de heeren op mijn gezondheid dronken. De tot mij gerichte vragen wist ik alle even vloeiend te beantwoorden, en ik was zoo woordenrijk, dat de vragers zeker wel eens spijt kregen mij aan den praat gebracht te hebben.Ik gaf een opgesmukte beschrijving van den zeeslag, sprak, opgeblazen als ik was, met lof over sommige van de vlag- en hoofdofficieren, haalde minachtend mijne schouders op over anderen en beschuldigde er zelfs eenigen van niets minder dan lafhartigheid. Nu en dan gebruikte ik, om mijn woorden meer kracht bij te zetten, een hartigen vloek; dan keek mijn vader ernstig, hief mijn moeder bestraffend een vinger op, lachten de heeren en zeiden de dames heel toegefelijk: »zoo’n jongen!—wat een vuur—wat een verrukking—wat heeft hij opgemerkt!” Zij brachten het hierdoor echter niet verder bij mij, dan dat ik ze in mijzelf met den naam van »domme ganzen” betitelde.Des anderen daags, toen de hartelijkheid van het wederzien nog niet bekoeld was, bracht ik bij het ontbijt bij mijne ouders mijne kist met goed ter sprake; toevallig gaf, gelukkig voor mij, mijn vader juist hiertoe aanleiding, door te vragen, hoe mijne kleeren zich gehouden hadden.»Vrij treurig,” zeide ik, onder het verwerken van mijn derde eitje, (ik was nog uitgerammeld van den honger).»Vrij treurig?” herhaalde mijn vader. »Mij dunkt, gij waart toch in allen deele ruim voorzien.”»Dat is zoo, vader,” zeide ik; »maar u kunt u geene voorstelling maken,van wat het zeggen wil, als een schip klaar voor ’t gevecht wordt gemaakt; al wat niet te heet of te zwaar is om aan te pakken, wordt overboord geslingerd met eene handigheid, zooals.... zooals ik bijvoorbeeld deze boterham inneem. »Van wie is die steken-doos?”—»Van Mr. Spratt, mijnheer.”—»Die verd..... Mr. Spratt, ik zal hem leeren hoe hij een andermaal op zijn steken-doos moet passen; weg er mee”—en over de lijvalreep zeilde de doos in zee. Spratt’s vader was een hoedenmaker in Londen, wij lachten er dus om.”»Eilieve Frank,” vroeg mijne moeder, »deden zij met uw doos ook zoo?”»Zij ging denzelfden weg op. Ik keek haar na, toen zij naar achteren dreef, en kreeg tranen in de oogen, toen ik bedacht, hoe boos u zoudt zijn.”»Maar de kist, Frank, wat is er met uwe kist gebeurd? Ge hebt gezegd, dat die Vandalen ten minste zware voorwerpen ontzagen, en de uwe was, ik heb nog de rekeningen liggen, van een eerbiedwekkend gewicht.”»Dat is zoo, vader; hoeveel lichter zij haar ook gemaakt hebben, den eersten dag in zee. Ik lag er op,—zoo zeeziek als een hond,—toen de eerste officier en de luitenant van de week omlaag de ronde deden na het schoonschip maken; ik en mijne Noachs arke lagen in den weg.—»Wel, wien hebben wij daar?” zeide mijnheer Handstone. »O, het is jonker Mildmay maar, met zijn kist,” zeide de sergeant van de mariniers, van wiens terrein ik erkennen moet een stuk in beslag genomen te hebben. »Zoo!” herhaalde de eerste officier, »ik zag het aan voor een van de pijlers van de nieuwe brug, en de eigenaar voor een dronken Ierschen heibaas.”—Ik was te ziek om op hunne woorden te letten.”»Gij laat uw ontbijt in den steek,” waarschuwde mijn zuster.»O, ik wil graag nog een half broodje en een kop koffie,” zeide ik.»Die arme jongen!” zeide mijne moeder, »wat moet hij uitgestaan hebben!”»O, ik heb nog lang niet alles verteld, beste moeder; het is een wonder, dat ik het er levend afgebracht heb.”»Levend afgebracht!” zeide mijne tante Julia. »Hier is een kleinigheid, beste jongen, voor de vernieuwing van hetgeen gij in dienst van den lande verloren hebt. Wel, flinke vent! wat zouden wij er naar aan toe zijn, als wij geen zeelui hadden!”Ik stak de kleine gift—het was een bankje van tien pond—op, maakte een eind aan mijn ontbijt, door de toevoeging van een snede ham op een Fransch broodje, aan de reeds ingescheepte eetwaren en vervolgde mijn verhaal. »Het eerste wat Mr. Handstone zeide was, dat mijn kist veel te groot was; daarop liet hij volgen:»Roep mij den timmerman hier.—Kijk, baas, neem deze kist onder handen; er moet minstens een voet in de lengte, en een voet in de hoogte af.”—»Best, meneer,” zeide de baas. »Kom jonker, ga er eens af en geef mij den sleutel.” Zoo ziek als ik was, begreep ik volkomen, dat hier noch tegenwerpingen, noch smeekingen zouden baten; dus scharrelde ik van mijne ligplaats af, gaf den sleutel aan den timmerman, die de kist openmaakte, en met de noodige vlugheid al mijn schatten op het dek uitpakte. Spoedig had ik al de adelborsten om mij heen. De potjes met confituren en het krentenbrood, door u, beste aller moeders, met zoo veel zorg ingepakt, werden voor mijn oogen verdeeld en verslonden. Een hunner stak zijn morsigen poot in een pot vlierbessen-gelei, die u mij medegegeven hadt voor het geval van verkoudheid, en hield mij een handvol voor den mond, en dat, terwijl hij wist, dat ik het zoo te kwaad had met de zeeziekte.”»O,” riep mijne zuster, »ik zal nooit van mijn leven weer gelei kunnen zien!”»Die ruwe vlegels!” zei tante.»Om kort te gaan,” vervolgde ik, »al wat bruikbaar was, werd ingerekend, en daar ik mij zoo ziek gevoelde, liet mij dit onverschillig; maar toen zij op een lachenden toon oneerbiedig over u, dierbare moeder, begonnen te spreken, werd ik woedend en zou hen aangevlogen zijn.”»Nu ’t is niets, mijn jongen,” zeide moeder. »Wij zullen alles wel weer in orde brengen.”»Ja, dat zal wel dienen,” bracht vader hiertusschen in; »maar als ’t je blieft, geen confituren of koek meer, mijn waarde.—Vertel verder, Frank!”»Wel, vader, een half uur later was mijn kist weer klaar; maar nu zij toch eens aan het afzagen waren, hadden zij er nog best een voet meer af kunnen nemen, want er bleef ruimte te over om op te bergen, wat men mij overgelaten had. De ledige potjes kwamen natuurlijk aan de mariniers, om hun poetsolie in te bewaren; en daar eenige andere zwareartikelen weggekaapt waren, was ik niet meer in zorg waar ik die stoppen moest. Daarna, dat weet u, kwam de zeeslag, en toen gingen kist en hangmat, de heele rommel naar den——.”»Worden bij zoo’n gelegenheid alle kisten en kooigoederen overboord geworpen?” vroeg mijn vader, mij in de oogen ziende met een strengen, uitvorschenden blik, dien ik moeite had om te doorstaan.»Ja, altijd alles wat in den weg staat, en mijn kist hinderde, en voort er mede. Ik had vreeselijk het land; maar u begrijpt, dat ik den eersten officier niet kon aanvliegen; zij zouden mij behoorlijk aan een der raas opgeknoopt hebben.”»De Hemel zij gedankt, lieveling, dat gij u ingehouden hebt,” zeide mijn moeder. »Wat gebeurd is, kan hersteld worden, maar zoo iets zou ik nooit te boven gekomen zijn. En uwe boeken, wat is daarmede gebeurd?”»Alles ging mede. Zij liggen ergens vóór de straat van Gibraltar;—ik ben ze alle kwijt, behalve mijn Bijbel; die is gered, omdat ik er juist daags vóór het gevecht in had liggen lezen.”»Voortreffelijke jongen!” riepen moeder en tante in koor uit, »ik weet zeker, dat hij de waarheid zegt.”»Ik hoop het,” zeide mijn vader droogjes; »maar men moet toch erkennen, dat die zeegevechten, hoe roemrijk ook voor Oud-Engeland, zeer kostbare genoegens zijn voor de ouders van jonge adelborsten, tenzij die jongens er zelf hun hachje bij inschieten.”Of mijn vader nu wantrouwig begon te worden, dan wel tegen nog meer vragen opzag, uit vrees van nog meer sterke stukjes te hooren, weet ik niet; maar ik was blijde, dat het verhoor een einde had genomen en ik met goed fatsoen weg kon gaan. Tot mijn schande moet ik zeggen, dat de Bijbel, die zoo goed dienst had gedaan om mij moeders gunst te verzekeren, slechts ééns open was geslagen sedert ik van huis ging, en dat was om na te zien of er ook bankbriefjes tusschen de bladen in weggestopt waren, wat ik gehoord had, dat men wel eens meer bij jongelui deed om te zien of zij wel trouw in dat Boek lazen.Mijn nieuwe eischen werden alle ingewilligd met te meer spoed, daar ik thuis erg lastig begon te worden; mijn zee-manieren waren dikwijls erg stuitend in onze huiskamer. Mijn moeder, tante en zuster waren heel andere dames dan die, welke ik in onze zeeplaatsen ontmoethad. Mijn vloeken en den baas spelen over onze bedienden was zeer hinderlijk en bracht er toe bij, dat men tegen mijn ophanden vertrek niet erg opzag. Met blijdschap hoorde men mij het einde van mijn verlof aankondigen. Daar ik er nu alles van gehad had, kon ik de familie koeltjes verlaten, en toen de wagen vóórkwam, sprong ik er in, reed naar het Gouden Kruis, en meldde mij den volgenden morgen weer aan boord.Door het meerendeel mijner kameraden werd ik hartelijk verwelkomd; Murphy en een paar zijner trawanten deden daarin niet mede. Geen enkel oogenblik dacht ik met wroeging aan de leugens en huichelarij, waarmede ik mijne brave ouders bedrogen en opgelicht had. De lezer zal wel begrepen hebben, dat in het omstandig verhaal omtrent mijne kist geen woord waarheid was, behalve dat verkleinen op last van den eersten officier en het rooven van mijn lekkernijen. Dat ik veel van mijn uitrusting kwijt was, was de waarheid; maar ik had een en ander verloren door eigen zorgeloosheid, niet omdat het overboord geworpen was. Toen ik daags na mijn komst op het schip den sleutel van mijn kist miste, overtuigde de snelle vermindering mijner bezittingen den eersten officier, dat het restant heel wat beknopter kon gepakt worden, en dit had het inkorten van mijn kist ten gevolge.Mijn nieuwe kleeren bracht ik in een koffer mede, en daar deze zeer handig was, slaagde ik er voortaan in, den boel beter bij elkaar te houden dan vroeger. Het geld, dat mij toegestopt was, vond zijn weg wel. Ik begon eenigszins meer aan mijn uiterlijk te hechten, daar ik opgemerkt had, dat de best gekleede adelborsten in den regel de aangenaamste dienstbaantjes hadden. Ik werd daardoor dikwijls aangewezen om gezelschappen met dames, die het schip kwamen bekijken of bij commandant of officieren kwamen dineeren, met de sloep af te halen. Ik had tamelijk veel praats en was geen onknappe jongen, en hoewel nog al ontwikkeld, had ik bij de dames veel vóór, omdat ik zoo’n aardig, lief jonkertje was, zoo schijnbaar doodonschuldig van hart en manieren. De reden was, dat ik aan boord onder heel wat strenger tucht stond, dan in het ouderlijk huis, waar ik mijn vader, die overigens een zeer knap man was en zijn wereld wel kende, doch van zeezaken verbazend slecht op de hoogte was, in een zekeren zin, als hij op mijn terrein kwam, behandelde als dien ondermeester: ook hij en zijn gansche gezelschap gingen kopje onder in den vijver hunner onwetendheid. Zoogroot is de macht van plaatselijke kennis en slimheid over abstracte wetenschap en ervaring.Mijn laatste slagen te huis had mijn zelfvertrouwen in niet geringe mate ontwikkeld. Aan schijnbare zedigheid paarde ik eene onovertroffen schaamteloosheid en hierin won ik het verre van mijne tijdgenooten. Ik meen hiermede van mijne jongensjaren voor goed te kunnen afstappen. De drie eerste proefjaren van een leven als adelborst leveren alleen lotgevallen, die als zij in alle bijzonderheden verteld werden, meer zouden tegenstaan dan met genoegen worden gelezen en veel eer tot een afschrikkend dan een aanmoedigend voorbeeld zouden strekken; stilzwijgend stap ik dus dien tijd voorbij om over te gaan tot mijn leeftijd van zestien jaren, toen ik reeds zeer opgeschoten was en een uiterlijk voorkomen had gekregen, waarop ik met recht meende trotsch te mogen zijn.In allen deele, behalve waar het godsdienst en zedelijkheid betrof, hield de vooruitgang van mijn geest gelijken tred met dien van mijn lichaam. In moraliteit kwam ik meer en meer te kort, ja er brak een tijd aan, dat ik die, als nuttelooze lading, als ballast, overboord had gezet. Bij mijn flink gebouwd lichaam deed de verdorvenheid mijner ziel slechts denken aan een prachtig gepleisterd praalgraf, waarin van binnen bederf heerschte,—aan een prachtige slang, die, in weerwil van hare gouden en azuren schubben, een hevig gif verborg. Ik koesterde hooghartigheid, wraakzucht, bedrog en eigenliefde;—mijne beste vermogens gingen op in de onedelste bedoelingen.In de kennis van mijn vak maakte ik goede vorderingen. Het was mij toen een groot genoegen mij daarvoor in te spannen. Hierbij had ik het voorrecht om aan mijne eigene krachten overgelaten te zijn, daar ik nog steeds met mijn oudere collega’s op een gespannen voet was en daardoor weinig voortgeholpen werd. Kostte het mij wat meer moeite, het geleerde kwam er beter bij mij in door eigen onderzoek. Door den tijd werd ik een goed navigateur, en tevens een bekwaam zeeman.Mijne verhouding tot de jongere adelborsten en ook tot de mindere schepelingen liet weinig te wenschen over. Ik was zoowel te trotsch om zelf een tiran te zijn, als om mij aan de dwingelandij van anderen te onderwerpen. Naarmate ik krachtiger werd, wist ik beter mijne plaats te bewaren, mij te doen eerbiedigen. De kleine schermutselingen, diezoo al eens onder ons voorvielen, waren eene goede oefenschool en bezorgden mij, door de vele kleine overwinningen, eene vreedzame onzijdigheid. Vocht ik wel eens met de ouderen en was ik daarbij niet gelukkig, toch had ik het voorrecht dat ik, om de toenemende hardheid mijner vuisten, meer en meer door elk, Murphy hiervan niet uitgezonderd, met volkomen vrede gelaten werd.Aan mijn betere opvoeding had ik bovendien een zedelijk overwicht in de voor-longroom te danken. Doch helaas! ook dit was werkelijk slechts weinig in mijn waar belang. Ik werd daardoor in veel opzichten de vraagbaak en albeslisser bij letterkundige twisten, en liet mij daarop weer veel te veel voorstaan. Mijn omgang werd dikwijls gezocht; dit bracht mij menigmaal in minder gewenschte gezelschappen. Ik had een goede stem en bespeelde een paar muziekinstrumenten; hieraan had ik veel vrijaf in den dienst, en tal van uitnoodigingen in de officiers-longroom te danken, waar ik meer wijn en grog te drinken en meer onbehoorlijke gesprekken te hooren kreeg, dan mij dienstig waren.Wij kregen bevel tot een kruistocht op de Fransche kust, en daar nu de jongste haven-admiraal een oude grief tegen onzen kolonel had, zwoer hij bij hoog en laag, dat wij dadelijk uitzeilen zouden, klaar of niet klaar. Het sein daartoe werd geheschen op het oogenblik, dat wij aan weerszijden bezig waren water en victualie, buskruit en munitie van de lichters in te hijschen en de halfdeksbatterij nog geheel en al van zijne plaats stond. Schot op schot viel van de Royal William, te gelijk met het sein tot anker lichten door de Gladiator, het vlaggeschip van den haven-admiraal, herhaald.De commandant, eenigszins bevreesd voor het mogelijk, per telegraaf, verkeerd overbrengen van het relaas naar Londen, en wellicht inziende, dat hij het wel wat veel op den eersten officier had laten aankomen, gaf den last om er maar goedschiks aan te voldoen; alles werd met onvergefelijken spoed aan boord gesmeten, wat niet op het schip thuis behoorde naar den wal gejaagd, het anker gelicht, de zeilen in top geheschen en voort ging het met een flinke Noordelijke bries, over de roede van Yarmouth langs de Needles in zee, in een staat van verwarring, zooals ik nooit meer hoop te aanschouwen.De schout-bij-nacht sir Hurricane Humbug stond, zooals ik later vernam, boven bij de strandbatterij naar ons te kijken en mompelde:»Die verd..... kerel!” (onzen kolonel bedoelende) »daar gaat hij eindelijk. Ik was al bang, dat hij van het lange liggen zich een bank onder het schip gemaakt had!”Dat »haastige spoed, zelden goed is” komt nog meer in zeezaken dan in andere omstandigheden uit. Zoo was het voor ons schip thans bijna noodlottig geworden. Hadden wij een vijand ontmoet, dan zouden wij òf de vlag hebben moeten onteeren door te vluchten, òf genomen zijn geworden. Nauwelijks waren wij de Needles gepasseerd, of de nacht brak aan en daarmede kwam een zware NNW. storm. Alle hens was tot vier uren des morgens in de weer om de sloepen en ankers te sjorren, zijtakels op te brengen, de aan dek gebleven victualie op te ruimen en het onderwant met de stagen aan te zetten, daar dit ten gevolge van het werken van het schip, verontrustend bijgerekt was. Toen dit met groote inspanning ten uitvoer gebracht was en de kanonnen buitengewoon gesjord waren, ging de storm in een orkaan over.Ongeveer te negen uren des morgens viel een, pas kort te voren te Portsmouth aangeworven, marinier overboord; en hoewel nu verscheidene ferme gasten in een van de sloepen sprongen en verzochten, dat deze zoude gestreken worden om hem te redden, werd zulks door den commandant geweigerd, daar hij koel berekende, dat de kans grooter was om zeven man er bij te verliezen dan dien eenen te redden,—en zoo werd de arme kerel aan zijn lot overgelaten. Wel lag het schip bij en had geene vaart, doch het dreef veel harder dwars uit, dan de ongelukkige, die evenwel een uitstekend zwemmer bleek te zijn, zwemmen kon.Het was zeer hard, om de krachtige, maar onvoldoende pogingen aan te zien, die de arme man aanwendde om het schip weer te bereiken; al zijne inspanning had alleen tot uitwerking, zijn doodstrijd te verlengen. Wij bleven hem in ’t zicht houden tot hij eene mijl aan loevert was, nu eens op den kop eener berghooge golf, dan weer in de diepte tusschen twee golven wegzinkende; eindelijk zagen wij niets meer! Zijn droevig einde werd lang in het schip betreurd. Destijds meende ik, dat het wreedheid van den commandant was, om niet de sloep tot zijne redding van boord te zenden; maar nu ik meer ondervinding heb, denk ik er anders over en ben overtuigd, dat hij alleen uit harde noodzakelijkheid van twee rampen de minste koos.Het lot van dezen jongen man was een ernstige waarschuwing voor mij. Ik had mij aangewend erg roekeloos te zijn en met nieuwaangeleerde acrobatische toeren te koop te loopen, zoodat enkele oude kwartiermeesters en sommige officieren reeds voorspeld hadden, dat het slecht met mij af zou loopen. Er was alleen verschil van meening of ik verdrinken zou, dan wel bestemd was mijn nek te breken; voor het laatste deed ik genoeg mijn best door als een aap in het tuig op en neer te vliegen. Geen van der marsgasten was daarin zoo vlug als ik. Ik liep over de marsraas tot aan den nok uit, zonder mijne handen vast te houden, ging langs de stagen van mast tot mast, of gleed in een oogwenk langs het marseval naar omlaag; en daar ik een volleerd zwemmer was, telde ik de kans om te verdrinken al zeer weinig. Toen ik echter dien armen marinier had zien verdrinken, die even goed, zoo niet beter dan ik zwemmen kon, werd ik veel voorzichtiger. Ik had opgemerkt, dat er gevallen kunnen voorkomen, waarin zwemmen nutteloos is; en hoe gezien ik ook bij de matrozen mocht wezen, was het duidelijk dat, zelfs al ontbrak het hun niet aan den goeden wil, zij daarom nog niet altijd in de mogelijkheid zouden zijn om mij te hulp te komen. Van dien tijd afpasteik boven wat meer op mijn tellen.Kort nadat wij in zee gestoken waren, gebeurde er iets, dat mij een groote voldoening gaf. Murphy, wiens aard er toe leidde om tegen iedereen, dien hij de baas meende te zijn, onbeschoft te wezen, kreeg twist met een bedaard, hoogst fatsoenlijk jongmensch, een adelborst, die slechts tijdelijk aan boord was als passagier, om overgevoerd te worden naar zijn eigen, in de Golf van Biskaye kruisend schip. De jonge man, gevoelig voor die onbehoorlijke behandeling, daagde Murphy tot vechten uit, wat door dezen werd aangenomen; maar daar onze passagier aangenomen had om bij den commandant te gaan dineeren, stelde hij voor den strijd tot na tafel uit te stellen, daar hij liever niet met een blauw geslagen oog in de kajuit wilde verschijnen. Murphy beschouwde dit als een voorwendsel en beleedigde zijne tegenpartij nog eens opnieuw, door hem toe te voegen, dat hij niet durfde, als hij niet door den wijn opgewonden was en dat hij stellig wel niet vechten zou, als hij aan tafel geen wijn genoeg te drinken had gekregen.De kordate jongeling gaf geen antwoord op dien schimp; hij kleedde zich en ging naar de kajuit. Het diner was voorbij, en na het opzetten van de wacht, riep hij Murphy op de achterkoebrug, waar hij hem een pak slaag toediende, zooals hij nog nooit in zijn leven gehad had. Het gevecht, of beter gezegd, het pak, duurde niet langer dan een kwartier,en de jonge bovenrolsgast legde daarbij zooveel handigheid aan den dag en maakte zoo’n uitmuntend gebruik van zijne vuisten, dat de ruwe kracht van zijn vijand dezen niets baatte, hij slechts verdedigender wijze kon te werk gaan, en blijde was zich in het logies terug te kunnen trekken, in koor uitgejouwd door al de adelborsten, waarbij ik zorgde niet achter te blijven. Met zoo’n duidelijk bewijs voor oogen van de voordeelen der kunst van zelfverdediging, besloot ik mij daarop bijzonder toe te leggen; met den jongen vreemdeling als leermeester, werd ik in korten tijd zoo’n goed bokser, dat ik Murphy en zijn aanhang gerust staan durfde.Op één gedeelte van mijnen dienst had ik, eerlijk moet ik er voor uitkomen, veel tegen: dit was het wacht doen met den nacht. Ik was een liefhebber van slapen en kon ’s avonds na tien uren mijne oogen niet meer openhouden. Er was volstrekt niets tegen te doen; vergeefs besproeiden mijn eigen kameraden mij zeer vrijgevig uit eene puts met water, vergeefs werd ik onderhouden of bestraft door den eersten officier,—als de eerste helft van mijne wacht om was, kon niets mijnslapendegeestkracht doen ontwaken. Ik was een der dweepziekste dienaars van den god Morpheus; en in zijne vereering leed ik allerlei vervolging. De eerste officier nam mij op zijn eigen wacht en beproefde alle mogelijke middelen, zoowel met goedheid, als met strengheid, om mij die hebbelijkheid af te leeren. Ik wist steeds aan zijn waakzaam oog te ontsnappen en hier of daar een verborgen hoek te vinden, om het overige van de wacht te slapen; en den volgenden morgen werd ik even geregeld naar de voormars gezonden, om het grootste deel van den dag te boeten voor mijne tekortkomingen in de duisternis. Ik geloof, dat ik van mijne twee eerste dienstjaren wel de helft van mijne wakende uren in de bovenste verdiepingen doorbracht.Dáár zorgde ik evenwel altijd boeken bij mij te hebben, en zeker sleet ik zóó beter en gezonder mijn tijd, dan ik anders omlaag in ons donker logies zou gedaan hebben. Mr. Handstone, ofschoon een lastig zeeschip, was op-en-top een gentleman; veel belang stellende in de jonge, onder hem dienende officieren, deed hij alle moeite hen voort te helpen en te onderrichten. Meermalen onderhield hij mij ernstig over deze onbehoorlijkheid in mijn gedrag; mijn antwoord was trouw, dat ik daarvan evenzeer overtuigd was als hijzelf, maar dat ik er niets aan kon veranderen; dat ik alle straffen daarvoor eerlijk verdiende, en mijin dit opzicht geheel op zijne goedheid verliet. Dikwijls riep hij mij op de wacht te loefwaarts bij zich en knoopte een gesprek aan over alles wat hij meende, dat mij belangstelling kon inboezemen of opwekken. Bemerkende, dat ik nog al veel aan geschiedenis had gedaan, vroeg hij dikwijls mijne zienswijze, of gaf zijne eigene met een groote dosis gezond verstand; maar altijd werd op een gegeven oogenblik het gewicht mijner oogleden zoo zwaar, dat ik soms, als hij midden in eene lange redeneering was, stil de kuiltrap wist af te sluipen en hem zijne slot-oratie tegen de wolken liet ten einde brengen.Nu, dit was toch wel een beetje al te erg en werd ook als zoodanig beschouwd. Ik had niet alleen dienstverzuim gepleegd, maar ook gebrek aan eerbied aan mijn meerdere getoond. Bovendien was hij nog het meeste boos geworden, omdat hij mijn verdwijnen eerst opgemerkt had uit de kwalijk verborgen vroolijkheid van het andere wachtpersoneel.Eindelijk werd mijne ongenade bij hem voltooid door eene handeling, waarbij ik echter niet alle schuld had. Eens op een morgen had hij mij reeds te zeven uren naar de vóórbramzaling gezonden, en liet mij daar, hetzij omdat hij in een kwade luim was, hetzij doordien hij mij vergat, den geheelen dag blijven. Toen hij omlaag ging om te eten, liet ik mij in de mars zakken, vond daar een gezellig plekje om te slapen in een der bramlijzeilen, en had den uitkijk boven opgedragen mij te wekken, als de eerste officier weer aan dek kon komen. Juist was ik druk in den dienst van mijn geliefden god Morpheus, de uitkijk had verzuimd een oogje op de achtertrap te houden, de eerste officier kwam op dek, en zich mijner herinnerende, keek hij naar boven en riep mij toe.Die stem hoorende, schrikte ik op en klom aan den voorkant der steng weer zoo vlug mogelijk naar boven, hopende dat hij mij bij de reeds ingevallen schemering niet zien zou. Maar ik had hierin misgerekend. Hij zag, wat voor alle partijen maar beter was geweest niet te zien. Hij riep de drie man die in de mars werkzaam waren toe hem te zeggen, waar ik mij bevond. Zij antwoordden: »Op de zaling.” »Wat!” schreeuwde Handstone, met een vloek er op: »wilt ge soms vertellen, dat ik hem niet duidelijk juist naar boven zag klimmen?”»Neen, mijnheer,” antwoordden de matrozen, »hij zit nu zeker op de bramzaling te slapen.”»Kom allen naar omlaag, jelui leugenbeesten,” beval de eerste officier »en ik zal je leeren waarheid te spreken!”Ik, die op dat oogenblik kalm mijnen strafzetel weer ingenomen had, kreeg ook bevel om af te komen; alle vier moesten wij op ’t halfdek komen, waar wij volgenderwijze ondervraagd werden:»Welnu” zeide de eerste officier tegen den marsgast, »hoe durft gij zeggen, dat de jonker op de zaling zat, terwijl ik hem met eigen oogen langs de marsdraaireep zag opklimmen?”Het speet mij voor de kerels, die om mij te helpen, zich in moeielijkheden hadden gewerkt, en ik wilde juist met de volle waarheid voor den dag komen, toen tot mijne groote verbazing de man stoutweg antwoordde: »Ik verzeker u, dat hij op de zalingzat, mijnheer, op mijn eerewoord.”»Uw eerewoord!” riep de eerste officier verachtelijk. Daarop zich achtereenvolgens tot de beide andere mannen wendende, deed hij hun dezelfde vraag en ontving hetzelfde besliste antwoord; dit was zoo sterk, dat ik mij nu al begon in te beelden, dat ik werkelijk boven gebleven was en de rest maar gedroomd had. »En nu, mijnheer,” wendde hij zich het laatste tot mij, »ik vraag u thans op uw woord van eer als officier en als fatsoenlijk man: waar waart gij, toen ik het eerste naar boven riep?”»Op de zaling, sir,” was mijn antwoord.»Dan zal ik het aannemen,” zeide hij; »daar gij officier en gentleman zijt, ben ik verplicht u te gelooven.” Hierop keerde hij zich om en ging heen woedend, zooals ik hem nog nooit gezien had.Ik begreep duidelijk, dat hij mij toch niet geloofde en dat ik nu voortaan voor goed uit zijne gunst was. Maar als men nu eens onpartijdig over mijne handeling wil nadenken, hoe kon ik in dit geval anders gedaan hebben? Men had mij bepaald op de bramzaling vergeten; ik was al mijn eten misgeloopen; en die arme matrozen hadden alleen om mij voor straf te vrijwaren, een onbeschaamden leugen verteld, met groote kans om daarvoor een pak op hun broek op te loopen. Had ik hen nu in den steek gelaten, dan zouden zij hiervan niet vrijgekomen zijn, en ikzelf zou bij iedereen aan boord afgedaan hebben; vandaar dat ik werkelijk meende, dat ik als man van eer en van fatsoen verplicht was een leugen te vertellen, ten einde die arme kerels voor een zeer wreede bestraffing te vrijwaren.Ware ik alleen in deze zaak betrokken gebleven, ik zou zeker, ofschoon geen aanspraak op martelaarschap beoogende, eerlijk de waarheid hebben gezegd. Het was alles de schuld van den eersten officier zelf: ten eerste was hij begonnen met te gestreng te zijn, en ten tweede had hij het onderzoek in eene zaak van zoo ondergeschikt belang veel te ver doorgezet. Toch hinderde het mij geweldig, dat ik er in was geraakt; zoodra dan ook de eerste officier genoegzaam bekoeld was, zoodat ik veronderstellen kon, dat de betrokken matrozen vrij van straf zouden blijven, ging ik naar hem toe en verklaarde hem mijn gedrag en den tweestrijd, waarin ik geweest was. Hij ontving mijne excuses zeer koel en nooit zijn wij weer goede vrienden geworden.Onze kolonel, die nog al vermetel was, slaagde er in den vijand op de Fransche kust eenig nadeel toe te brengen. Ik zag kans om bij een onzer sloepen-expedities mede te slippen; wij landden, overrompelden een batterij en vernagelden de stukken. De Fransche soldaten vluchtten in aller ijl en gaven ons gelegenheid om eenige visschershutten te plunderen. Ik liep met de anderen mede om ook eenigen buit te snappen, en..... ik snapte een koopje. Buiten een der hutten lag een kolossale visch met den bek open; ik stak er een vinger in om hem weg te sleepen; maar mijne vangst was nog allesbehalve dood, hapte toe en beet mij het vleesch door tot op het been. Mijn bloed vloeide, en dit was het eenige dat deze tocht ons gekost heeft.Ofschoon ik er zelf ook aan schuldig was, kon ik dat plunderen door de anderen niet goed aanzien. De matrozen kaapten allerlei dingen, waar zij letterlijk niets aan hadden, om weer weg te smijten in ruil voor even nuttelooze dingen. Meermalen bedacht ik later dat ik voor mijn aandeel behoorlijk gestraft werd en dat het ook niet aanging geheel onschuldige, ongelukkige wezens de ellende van den oorlog te laten medegevoelen. Onze volgende ontmoeting had echter nog meer ernstige gevolgen voor de grootste, de onschuldigste slachtoffers van den oorlog, waarvan de bewerkers intusschen rustig op hunne donzen bedden sliepen, als hadden zij aan dat alles geen deel.

Derde hoofdstuk.Mijn jeugd en gebrek aan ervaring en de geringheid der overtreding, waaraan ik mij had schuldig gemaakt, in aanmerking nemende, zal de strengste tuchtmeester moeten toegeven, dat ditmaal de eerste officier mij onrechtvaardig hard behandelde. Blijkbaar hadden mijne vijanden invloed op hem gehad. De tweede officier en Murphy deden niet eens moeite om te verbergen, hoeveel genoegen hun mijn ongenade deed.Ons schip kreeg last om naar Portsmouth te zeilen, alwaar de commandant, die met verlof was, aanboord zou komen. Wij zagen hem dan ook spoedig na aankomst opdagen, en toen had de eerste officier aan hem te rapporteeren over hetgene in zijne afwezigheid was voorgevallen. Ik had nu tien dagen achtereen dienst in den voortop gedaan, en het was de bedoeling van Mr. Handstone geweest, dat ik nog bovendien aan een der stukken lichamelijk afgestraft zou worden voor het laten wegloopen van mijn volk. Hoewel aanvankelijk de kolonel daar wel ooren naar had, bleef toch dit gedeelte mijner straf achterwege. Voor het overige was ik nog steeds uit de voorlongroom gebannen en at, hoewel lid van de algemeene tafel gebleven, steeds mijn maal eenzaam op mijn kist. Mijn jongste kameraads spraken alleen tersluiks met mij, uit vrees voor de ouderen, die mij zoo goed als doodverklaard hadden.De straf van dienst doen in den voortop had niet veel te beduiden. Ik ging als »alle hens op” was naar boven, zoo ook gedurende den tijd, dien ik anders de wacht zou hebben, en troostte mij met een boek, zoolang ik niet zelf nu en dan de handen uit de mouw moest steken. De matrozen beschouwden mij eenigszins als martelaar in hunne zaak en beijverden zich om strijd, mij voort te helpen in het leeren splitsen en knoopen, reven, vastmaken der zeilen enz.; eerlijk moet ik bekennen, dat het de beste uren van mijn scheepsleven waren, die ik met die eerlijke pikbroeken sleet.Of dit nu door mijne vijanden opgemerkt werd, weet ik niet; maar kort na zijne aankomst werd ik bij den commandant in de kajuit geroepen, en ontving daar een lesje over mijn wangedrag, zoowel wat betrof mijn overgevoelig en twistziek karakter, als het wegloopen van mijn manschappen.»Ware het niet,” zoo vervolgde hij, »om uw overigens goed gedrag, dan zoude uwe straf veel zwaarder geweest zijn; ik wil nu niet betwijfelen, dat deze kleine correctie er toe zal bijdragen, dat gij u in ’t vervolg beter in acht neemt. Wij zullen het nu hierbij laten blijven; gij kunt weer uwe gewone diensten hervatten.”De tranen, die eene harde behandeling mij niet had kunnen afpersen, kwamen mij nu in de oogen, en het duurde eenige oogenblikken vóór ik genoegzaam bedaard was om voor de ondervonden goedheid te bedanken en een uitlegging te geven van de oorzaken mijner ongenade. Ik vertelde nu, hoe ik sedert mijn komst aan boord als een hond behandeld was geworden, en dat ik nu voor het eerst eens menschelijk was toegesproken. Ik gaf een overzicht van al mijn lijden, aanvangende met dat noodlottige glas wijn, waarvan ik de bedoeling niet dadelijk had begrepen. Ik verzweeg niet, dat ik Murphy’s kooi had afgesneden en hem een koperen kandelaar naar het hoofd had geworpen, en gaf daarbij de verzekering, dat ik nooit de eerste aanleiding gaf en nooit mijn vuist oplichtte vóór ik zelf geslagen was. Ik zeide bovendien, dat ik niet voornemens was ooit een slag te ontvangen, of mij een onbehoorlijken naam te hooren toevoegen, zonder dit kwalijk te nemen. Dat was nu eenmaal mijn aard, en al zoude dit mij het leven kosten, ik kon het niet veranderen. »Sedert ik aan boord ben,” vervolgde ik, »zijn er dikwijls matrozen van sloepen weggeloopen, en de betrokken officieren of adelborsten kwamen er altijd met een berisping af, terwijl ik, nog zoo goed als vreemd aan boord, met de grootste en vernederendste gestrengheid behandeld ben geworden.”De kolonel luisterde aandachtig naar mijne verdediging, welke, naar ik meende, eenigen indruk op hem maakte. Later vernam ik, dat hij den heer Handstone onder handen had genomen over de bijzondere gestrengheid, die hij in mijn geval getoond had; hij merkte op, dat ik òf later een uitstekend officier zou worden, òf dat er niets van mij zou terechtkomen. Mijzelf was gebleken, dat ik tegenover de grootere vijandschap van mijn oudste kameraden, door mijn weerstand bieden aan hun wederrechtelijke handelingen, eenige machtige vrienden in het schip had gekregen, van welken de commandant een was. Ook enkele officieren begonnen mij recht te laten wedervaren en bewonderden dien, voor de gevolgen zoo onverschilligen, geest van verzet in mij. De omkeer in de algemeene stemmingbleek uit de talrijke uitnoodigingen die ikaan de kajuits- en officierstafel kreeg. De jongste kadets ontvingen mij nu weer openlijk in hun midden; doch de ouderen bleven mij met achterdocht behandelen.Spoedig maakte ik nu met de jongens van mijn leeftijd een geregeld verbond van onderlinge bescherming, dat een gewichtige rol zou vervullen in onze toekomstige twisten. Een paar hunner hielden zich flink aan de gemaakte overeenkomst; de anderen beloofden wel, maar kwamen op het gewichtige oogenblik niet uit den hoek. Ons contract was hoogst eenvoudig, slechts uit twee artikelen samengesteld. Het eerste hield de op elk rustende verplichting in: om het eerste harde of zware voorwerp, dat men grijpen kon, dengene naar het hoofd te smijten, die een onzer sloeg, altijd wanneer de aanvaller te sterk scheen te zijn om hem op de gewone manier te bevechten. Het tweede artikel was een herinnering aan onze rechten als deelgenoot van de tafel, waaraan wij allen hetzelfde bedrag betaalden, en bepaalde, dat wij ons door list zouden zien te verschaffen, wat ons door kracht werd onthouden.Mijn uitlegging bij art. 1 was, dat wij ons daardoor een behoorlijke, beleefde behandeling van de anderen zouden verzekeren; want voortaan zouden zij zich wel wachten om met ons te beginnen, nu het voor hen zoo gevaarlijk kon afloopen;—bij art. 2, dat wij nu voortaan gelijk zouden opdeelen en niet langer behoefden aan te zien, dat de oudsten mooi weer speelden van de smakelijkste aan ons gezamenlijk toebehoorende provisiën en dranken. Aangezien ik de uitvinder van dit contract was, kon men mij met recht als de leider van de oppositie beschouwen.Eindelijk zeilden wij uit, met last om ons te vereenigen met de vloot, die onder bevel van lord Nelson vóór Cadix kruiste. Ik wil niet uitvoerig zijn in mijn beschrijving van den overtocht door het Kanaal en de golf van Biscaye. Ik was meesttijds zoo zeeziek als een juffrouw die den overtocht maakt in de Dover-packet, maar had niet zooveel gelegenheid als deze om er mij aan toe te geven, daar voor mij de dienst boven in het tuig of als wachthebbende aan dek, onverbiddelijk was. Wij bereikten ons station en kwamen onder de orders van den onsterfelijken Nelson, slechts weinige uren vóór den zeeslag, die hem het leven kostte toen hij ’s lands eer ophield. De geschiedenis van dien gedenkwaardigen slag is zoo dikwijls en uitvoerig beschreven, dat ik er niets meer aan weet toe te voegen. Inderdaad echter verbaast het mij, dat bij zulk eenverwarring en de overeenstemming van alle zeegevechten, van zulk een treffen nog zooveel bijzonderheden kunnen gemeld worden. Ik maakte destijds een opmerking, die mij later telkens met verdubbelde overtuiging weer in de gedachte kwam, en die was: dat de admiraal, als eenmaal het gevecht aan den gang was, weinig meer aan het oppercommando kon doen, want hij kon evenmin zien als gezien worden; hij kon geen partij trekken van ’s vijands zwakke punten of fouten, evenmin als die aan zijne eigene zijde verdedigen of verbergen; zijn eigen vlaggeschip, de Victory, een onzer schoonste driedekkers, lag, als ’t ware vastgemeerd, langs zijde van een Fransch linieschip van 80 stukken.Dezelfde opmerkingen las ik later in een werk over de zeetactiek, en zij bevestigden volkomen mijne meening. Er was in het begin van den slag een oogenblik waarin ik, jong als ik was, een geweldigen angst gevoelde voor den roem en de eer van mijn vaderland. Het was toen ik de trotsche leiders onzer beide liniën blootgesteld zag aan het vereenigd kruisvuur van zoovele schepen. Ik vond, dat Nelson zich te veel blootgaf, en dat denk ik nu nog. Ondervinding heeft bewaarheid, wat jeugdige phantaisie zich verbeeldde; ’s vijands centrum had vernield moeten worden door onze zeven driedeksschepen, waarvan thans sommige, die in de achterhoede behoorden, weinig aandeel aan den strijd konden nemen. Behalve om den indruk, dien zij maakten, hadden zij zeer geschikt op de reede van Spithead kunnen blijven. Het is geenszins mijn bedoeling om hier een aanmerking te maken op de bevelhebbers dier schepen: neen, alleen toevallige omstandigheden, zwakke koelte en de plicht aan elk opgelegd om zijn standplaats in de linie te behouden, veroorzaakten, dat zij het grootste deel van den dagnolens volenswerkeloos op den achtergrond moesten blijven. Andere schepen daarentegen hadden benijdenswaardige positiën, doch maakten, zooals ik later van enkele daarop dienende officieren vernam, niet al het gebruik, dat zij daarvan konden. Deze fout aan onzen kant werd echter ruim opgewogen door dergelijke, op gelijke wijze veroorzaakte misslagen bij den vijand, en zoo is toch stellig de overwinning door ons behaald. De Britsche vloot had een hooge waarde; en wij moeten erkennen dat op dien dag »toen Engeland verwachtte, dat ieder zijn plicht zou doen”, slechts weinigen de hoop van hun vaderland teleurstelden.Ik zal nimmer de electrieke schok vergeten, die het ophijschen vanhet sein tot het gevecht op de geheele vloot teweegbracht. Bij niets is het beter te vergelijken dan bij een lange, in brand gestoken loop buskruit. Aannemende, dat alle Engelschen in hoofdkaraktertrekken overeenstemmen, was hetzelfde gevoel, dezelfde geestdrift op elk schip te bespeuren; menigen verharden zeebonk rolden de tranen langs de wangen, toen de woorden, die het sein inhield, hardop herhaald werden. Zij brachten elk vroeger roemrijk feit in herinnering, en vervulden den geest met nieuwe, stoute verwachtingen, die voor zoovelen, helaas! echter nooit werden verwezenlijkt. Zonder de minste verwarring nam elk zijn plaats in de batterij of elders voor het gevecht in, en van dat oogenblik af lag op ieders gelaat kalme, besliste vastberadenheid te lezen.Mijn commandant was, ofschoon ons schip in geene der liniën behoorde, volstrekt niet bang voor de schoten, en hoewel wij niet in het vuur behoefden te komen, vóór wij daartoe sein ontvingen, achtte hij het toch plichtmatig zoo dicht mogelijk in de nabijheid onzer in den strijd gewikkelde schepen te blijven, om waar het noodig was, hulp te kunnen bieden. Ik was geplaatst bij de allervoorste stukken van onze kuilbatterij, toen ook voor ons de order kwam om slagvaardig te zijn. Ofschoon op een betrekkelijk kleine schaal, ken ik weinig tooneelen, die zulk een indruk maken als een schip bij »alarm”. Het sein daartoe wordt op last van den bevelhebber door den tamboer gegeven en benedendeks herhaald. Onmiddellijk worden alle loopende werkzaamheden gestaakt, en moet ieder man aan boord de hem alleen voor die gelegenheden opgedragen bezigheid vervullen. Slechts kort duurt de schijnbare verwarring, die hiervan het gevolg is. Aan dek worden de minst handige zeilen geborgen, op de onderra’s de enterdreggen uitgebracht, in de marsen en in de rusten de valreepen van het steng- en onderwant met de gesjorde hangmatten beveiligd, de pompen en brandspuit gereedgemaakt om water te geven. In de batterijen wordt de noodige voorraad scherp opgehaald, worden de kanonnen ontsjord, gewischt en geladen, en eindelijk door elk schepeling het hem aangewezen wapen, hetzij geweer, pistool, piek of enterbijl ter hand genomen. Het einde der manoeuvre is, dat elk zijn plaats bij de kanonnen weer inneemt. Hiermede treedt een volledige stilte in, waarbij slechts de bevelen gehoord mogen worden, voorzoover dit onder eene kanonade van zoovele schepen mogelijk kan zijn. Trotsch is het gezicht op de lange rijen vuurmonden, elk met een tiental matrozen en mariniers bemand. Achter elk stukstaat de commandant met het richten en afvuren belast, in het midscheeps worden de lonten brandende gehouden. Over een zeker aantal stukken beveelt een der officieren. Aan dek is de commandant, meer dan ooit de groote man, de ziel van het schip. Hij heeft naast zich den eersten officier, achter zich een paar jonkers om bevelen naar voren of naar omlaag over te brengen. Onder het groote luik in het tusschendeks is het slagverband klaargemaakt, en zijn de dokters in afwachting der gekwetsten, die hun toegezonden zullen worden: messen, zagen, tangen, sponzen, kommen met azijn en water, deden op de verbandtafel liggende of gereedgezet, aan allerlei pijnlijke operatiën denken; deze dingen althans benemen alle poëzie aan een zeegevecht. Vóór op den bak is de schipper of opperbootsman geplaatst; en in de ware beteekenis van het woord »overal” de baas timmerman met zijn helper. Waar toch door een kogel schade in den romp of in de rondhouten wordt teweeggebracht, is hij de man om het te herstellen. Het gezicht op de ambulance werkte, zooals ik zeg, alleen wat ontnuchterend op mijn gevoel. »Wie weet,” dacht ik, »hoe spoedig ik, verminkt en bloedende en bewusteloos naar hier wordt gebracht, om met al die snijwerktuigen kennis te maken!” Ik wendde mij af, en deed mijn best aan die mogelijkheid niet te denken.Zoodra de vloot op kwam zeilen, om den vijand aan te tasten, deden wij hetzelfde, zoo na mogelijk bij het vlaggeschip houdende, waarvan wij bevel kregen de seinen te herhalen. De handige wijze, waarop dit plaats vond, verbaasde mij. Het was onbegrijpelijk, hoe bijna gelijktijdig van onzen top dezelfde seinvlaggen woeien, die bij den admiraal waren opgeheschen. Die vlaggen gingen nog wel ineengerold naar boven, dáár werden zij eerst losgetrokken. Er was dus veel handigheid aan boord van den repetiteur noodig om ze zoo snel op een afstand te herkennen.Het zal niet overbodig zijn hier mede te deelen, dat het in die tijden een soort van stilzwijgende overeenkomst bij het vechten was, dat een linieschip nooit een fregat aantastte of dit moest zelf met den aanval begonnen zijn, of wel zich tusschen de strijdende partijen in begeven hebben. Iets soortgelijks had bij den zeeslag van Aboukir plaats gevonden, waar onze Orion, met ééne volle laag het Fransche fregat l’Artemise, tot straf voor zijne vermetelheid, had in den grond geboord. Op grond hiervan zouden wij zeker schotvrij gebleven zijn, ware hetniet, dat menige verdwaalde kogel, voor een ander schip bestemd, ons ongelukkigerwijze onder weg ontmoet had. Sommige hiervan richtten onder onze bemanning nog heel wat schade aan.Trotsch zeilden de twee Britsche liniën, evenwijdig aan elkander, bijna loodrecht in op de gebogen slagorde van de vereenigde vijandelijke vloten. De voorhoede was nauwelijks binnen kanonschots afstand, of de Royal Sovereign en de Victory ontvingen een hevig vuur; maar toen eerstgenoemde opstak achter den spiegel van de Spaansche Santa Anna, en de laatste de Fransche Redoutable aan boord klampte, waren beide vloten door een dikke rookkolom van kruitdamp omhuld en viel er weinig meer te zien dan het overboord gaan van masten, of het hier en daar afdrijven van eenig geheel onttakeld schip.Het bleek, dat een dezer een Engelsch schip was, en onze commandant ziende, dat het tusschen twee vijandelijke vaartuigen in zou geraken, zeilde er op af, om het op sleeptouw te nemen; juist echter openden twee der linieschepen, in wier vuurlijn wij kwamen, een hevig vuur op elkander en werden wij het doelwit hunner misschoten. Ik lag juist uit een der boegpoorten te kijken, toen ons op die hoogte, tusschen wind en water, een kogel trof. Voor het eerst zag ik van zoo nabij de uitwerking van een zwaar schot: het maakte een grooten plas, daarbij een voor mij zeer vreemd geluid en overstelpte mij met water. Onwillekeurig sprong ik achteruit, wat ik meen dat menigen dapperen kerel zou overkomen zijn, doch ik werd daarvoor uitgelachen door een paar der aan mijne stukken geplaatste matrozen. Hierdoor beschaamd, nam ik mij voor, niet andermaal dergelijke zwakheid te laten blijken.Dit schot werd spoedig door meerdere gevolgd, die niet zoo onschuldig waren; een kwam dezelfde boegpoort in en doodde toevallig de twee man, die getuigen van mijne wankeling waren geweest. Ik moet tot mijne schande erkennen, dat hun verlies mij alleen ongevoelig liet, omdat zij nu niets meer van mij konden navertellen. Overigens zouden mijne gewaarwordingen bij deze gelegenheid, moeielijk zijn weer te geven. Het was nog geen zes weken geleden, dat ik allerlei streken op de school uithaalde en den ondermeester in den vijver liet duikelen,—en nu, in eens als ’t ware, zonder de minste voorbereiding, was ik in het midden van een bloedigen strijd, zelf een medespeler in de gewichtige gebeurtenissen, die voor het lot der beschaafde wereld zoo gewichtig waren.Een versnelde bloedsomloop, een soort van vrees voor den dood, een nog grooter vrees voor schande, dwongen mij dikwijls van plaats te veranderen; en er werd eenige tijd toe gevorderd en vooral redeneerkracht om mij daarover heen te brengen en mij zoo veilig te doen gevoelen als in de haven. Eindelijk kwam ik daartoe, en toen was ik verlegen over de zenuwachtige stemming, waarin ik verkeerd had vóór het vuren begon. Het is waar, ik bad in stilte: maar mijn gebed was niet gegrond op geloof, op vertrouwen of op hoop—ik bad alleen om uitredding uit mijn oogenblikkelijk gevaarlijken toestand; mijn woorden waren slechts korte, vrome ontboezemingen, zonder de minste gedachte of berouw over vroeger gedrag of voornemen tot beterschap in de toekomst.Toen echter eenmaal het gevecht in vollen gang was, ging dit gevoel ook over, en bleef ik even onverschillig bij het gezicht van een armen kerel, die middendoor geschoten was, alsof ik voorbij een slagerswinkel ging. Ik weet niet of dit voor een bewijs mag gelden, dat ik ongevoelig van aard was; maar zeker weet ik, dat meer mijne nieuwsgierigheid voldaan, dan mijn hart gepijnigd was, toen een kartetsschot van den vijand bij ons zeven man doodde en nog drie bovendien verwondde. Het speet mij voor degenen die het trof, en voor niets ter wereld zou ik hun kwaad toegewenscht hebben, doch in mijn soort was ik een wijsgeer: gaarne bracht ik oorzaak en gevolg in verband; en in ’t geheim was ik voldaan het effect van een kartetsschot met eigen oogen gezien te hebben.Tegen vier uren des namiddags begon het gevecht te verflauwen, klaarde de lucht op en werd de kalme zeespiegel door een aanwakkerend koeltje gerimpeld. De twee vijandelijke vloten konden elkaars verliezen in oogenschouw nemen. Wij telden nog negentien of twintig linieschepen. Sommige van ’s vijands schepen zagen wij in de richting van Cadix vluchten; vier andere ontsnapten ons te loefwaarts. Toen er een sloep van ons naar een andernabijzijndschip ging, sprong ik er in, en vernam toen den dood van lord Nelson. Toen ik dit bericht bij onzen kolonel overbracht, bracht hij hulde aan de nagedachtenis van dien held en liet daarna zijn oog met welgevallen op mij rusten. Ik was de eenige jonker, die bijzonder veel activiteit had aan den dag gelegd, en werd op grond daarvan onmiddellijk met een boodschap naar een nabij liggend vaartuig gezonden. De eerste officier gaf in overwegingom een officier van eenigen meerderen diensttijd weg te zenden. »Neen,” zeide de commandant, »laat hem gaan; de jongen is daar zeer geschikt voor!” Ik stak van boord, niet weinig verheugd over het in mij gestelde vertrouwen.Toen ik bij het avondeten mijne kameraads in de voorlongroom ontmoette, deed het mij leed weer het onaangename gelaat van Murphy te aanschouwen. Ik had mij zoo gevleid, dat een of andere gelukkige kogel mij van zijn gehate persoonlijkheid voor goed zou verlost hebben; maar zijn tijd scheen nog niet gekomen te zijn.»De duivel heeft een mooie vangst gehad vandaag,” zeide een aan onze tafel deelnemende oude masters-assistent, terwijl hij zijn glas grog aan den mond bracht.»Jammer genoeg, dat gij en een paar anderen, die ik niet noemen zal, dien dans zijt ontsprongen,” dacht ik bij mijzelve.»Als er dan toch veel dooden moeten zijn,” zeide een ander, »dan voor mijn part maar wat luitenants, dat geeft nog bevordering!”Bij het aan boord gehouden appèl, bleken er van onze equipage negen man gedood en dertien gekwetst te zijn. Dit betrekkelijk groot aantal was voor sommigen een soort van voldoening en volstrekt geen reden tot spijt. Hunne ijdelheid was er door gestreeld, dat er onder de linieschepen voorkwamen, waar de slachting zooveel geringer was geweest.Wanneer ik daartoe gelegenheid kon vinden, was ik in de ziekenboeg tegenwoordig bij de verpleging onzer gewonden en getuige van het afzetten van armen en beenen, zonder dat zulks mij bijzonder aandeed; menigeen, die zich in het gevecht met de grootste koelbloedigheid had gedragen, werd weekhartig bij dit lijden. Tot mijn schande moet ik erkennen, dat ik, uit louter zucht om achter de tot nu toe voor mij verborgen zaken te komen, met belangstelling de werkzaamheden der chirurgijns naging en de pijn van de arme lijders in het geheel niet telde. Was ik dan werkelijk zoo verhard van gemoed, dat ik er alles voor overhad om een goed inzicht te krijgen in de samenstelling van het menschelijke lichaam?Kort na den slag bij Trafalgar werd ons schip naar Portsmouth gezonden, om duplicaat-brieven over te brengen. Op een morgen, dat wij het onder ons over de aanstaande tehuiskomst hadden, hoorde ik een van de adelborsten zeggen, dat »hij zijn ouden vader voor eene nieuweuitrusting zou laten opdokken.” Ik vroeg, wat hij daarmede bedoelde, werd uitgemaakt voor een »baar,” omdat ik dit niet wist, en toen ingelicht. »Weet ge niet,” zeide mijn leermeester, »dat na elk zeegevecht, in het schippersboek veel meer zeildoek, touwwerk en verf wordt afgeschreven dan door den vijand weggeschoten of beschadigd is?”Ik nam dit op het gezag van den spreker aan, niet wetende of het waar of onwaar was, waarop hij voortging: »Waar zouden witte verschans- en sloepskleeden, bovenbramstengen, vergulde wapenborden en andere versierselen op een schip vandaan moeten komen, als het niet heette, dat al die zaken in het gevecht verloren of overboord gevallen waren? De schadelijst wordt aan den admiraal ingediend, hij teekent de aanvragen, en de magazijnmeester moet, of hij wil of niet, met de behoeften op de proppen komen. Ik diende eens op een korvet, toen een zwaar fregat van vierenveertig stukken, ons zoo netjes aanzeilde dat ons kluifhout medeging en zijn groote (mooiweers-) kluiver over onze fokkera kwam te hangen. Hij was van fijn Russisch linnen gemaakt en werd bij ons versneden voor verschansingkleeden, terwijl ieder van de matrozen er nog een broek uit kreeg. Welnu, op dezelfde wijze, waarop wij oom George (hiermede bedoelde hij ons geëerbiedigd hoofd van den Staat) voor onzen inventaris beetnemen, zoo ben ik voornemens mijn ouden heer voor een nieuw stel kleeren in den nek te zien. Daarvoor heet nu mijn heele kist overboord te gaan met al wat ik heb, en dan kom ik bij mijne oudjes thuis, precies klaar om naar de laatste mode weer opgetuigd te worden.”»En wilt ge nu werkelijk uwe ouders op die manier oplichten?” vroeg ik op schijnbaar hoogst onschuldigen toon.»Wel zeker, goedaardige domoor. Hoe kan ik op den duur fatsoenlijk voor den dag komen, als ik niet een goed gebruik weet te maken van een zeeslag, zooals nu door ons bijgewoond werd?”De ontvangen wenk stemde mij tot nadenken. Het kwam niet eens in mij op, dat, als ik op een redelijke wijze mijnen ouders aan het verstand had gebracht, dat mijne uitrusting onvoldoende was, om altijd netjes gekleed op het halfdek te verschijnen, zij met alle liefde nog van alles voor mij aangekocht zouden hebben. Maar het zat nu eenmaal in mij om onoprecht te zijn, met streken om te gaan. Waar het in mijn eigen belang was, wist ik op zijn tijd evengoed de waarheid te vertellen als een leugen; maar hier verbeeldde ik mij, dat bedriegerij eenflink stuk van verdienste was, en daarom besloot ik die in practijk te brengen, al was het alleen om daarmede opgang te maken bij mijne onwaardige makkers. Wat ik langs eervollen weg zou gedaan gekregen hebben, wilde ik nu, louter uit zucht om te bedriegen, uit genoegen om mijn vader om den tuin te leiden, langs slinkschen weg verwerven.Aan het schip waren eenige herstellingen te doen, en door de goedheid van den commandant, die nog al met mij ingenomen was, kreeg ik verlof,—ik, die juist zoo noodig had gehad om aan boord te blijven en tegenwoordig te zijn bij het af- en weder optuigen, ledighalen, verstuwen van den ballast en het dokken, om uit een en ander de noodige leering te trekken. Dat verlof vroeg ik minder uit verlangen om mijn ouders eens weer te zien, dan wel om, thuis komende, den noodigen ophef te kunnen maken, zoowel van den belangrijken zeeslag, als van al het andere, wat ik in dien korten tijd van drie maanden had bijgewoond. Het was mij een behoefte om effect te maken, en daarom wist ik (door briefwisseling met een mijner zusters op de hoogte daarvan) voor het oogenblik van mijne thuiskomst een dag te kiezen, waarop mijne ouders een groot gezelschap ontvingen, en een uur, waarop zij juist aan tafel waren gezeten.

Mijn jeugd en gebrek aan ervaring en de geringheid der overtreding, waaraan ik mij had schuldig gemaakt, in aanmerking nemende, zal de strengste tuchtmeester moeten toegeven, dat ditmaal de eerste officier mij onrechtvaardig hard behandelde. Blijkbaar hadden mijne vijanden invloed op hem gehad. De tweede officier en Murphy deden niet eens moeite om te verbergen, hoeveel genoegen hun mijn ongenade deed.

Ons schip kreeg last om naar Portsmouth te zeilen, alwaar de commandant, die met verlof was, aanboord zou komen. Wij zagen hem dan ook spoedig na aankomst opdagen, en toen had de eerste officier aan hem te rapporteeren over hetgene in zijne afwezigheid was voorgevallen. Ik had nu tien dagen achtereen dienst in den voortop gedaan, en het was de bedoeling van Mr. Handstone geweest, dat ik nog bovendien aan een der stukken lichamelijk afgestraft zou worden voor het laten wegloopen van mijn volk. Hoewel aanvankelijk de kolonel daar wel ooren naar had, bleef toch dit gedeelte mijner straf achterwege. Voor het overige was ik nog steeds uit de voorlongroom gebannen en at, hoewel lid van de algemeene tafel gebleven, steeds mijn maal eenzaam op mijn kist. Mijn jongste kameraads spraken alleen tersluiks met mij, uit vrees voor de ouderen, die mij zoo goed als doodverklaard hadden.

De straf van dienst doen in den voortop had niet veel te beduiden. Ik ging als »alle hens op” was naar boven, zoo ook gedurende den tijd, dien ik anders de wacht zou hebben, en troostte mij met een boek, zoolang ik niet zelf nu en dan de handen uit de mouw moest steken. De matrozen beschouwden mij eenigszins als martelaar in hunne zaak en beijverden zich om strijd, mij voort te helpen in het leeren splitsen en knoopen, reven, vastmaken der zeilen enz.; eerlijk moet ik bekennen, dat het de beste uren van mijn scheepsleven waren, die ik met die eerlijke pikbroeken sleet.

Of dit nu door mijne vijanden opgemerkt werd, weet ik niet; maar kort na zijne aankomst werd ik bij den commandant in de kajuit geroepen, en ontving daar een lesje over mijn wangedrag, zoowel wat betrof mijn overgevoelig en twistziek karakter, als het wegloopen van mijn manschappen.»Ware het niet,” zoo vervolgde hij, »om uw overigens goed gedrag, dan zoude uwe straf veel zwaarder geweest zijn; ik wil nu niet betwijfelen, dat deze kleine correctie er toe zal bijdragen, dat gij u in ’t vervolg beter in acht neemt. Wij zullen het nu hierbij laten blijven; gij kunt weer uwe gewone diensten hervatten.”

De tranen, die eene harde behandeling mij niet had kunnen afpersen, kwamen mij nu in de oogen, en het duurde eenige oogenblikken vóór ik genoegzaam bedaard was om voor de ondervonden goedheid te bedanken en een uitlegging te geven van de oorzaken mijner ongenade. Ik vertelde nu, hoe ik sedert mijn komst aan boord als een hond behandeld was geworden, en dat ik nu voor het eerst eens menschelijk was toegesproken. Ik gaf een overzicht van al mijn lijden, aanvangende met dat noodlottige glas wijn, waarvan ik de bedoeling niet dadelijk had begrepen. Ik verzweeg niet, dat ik Murphy’s kooi had afgesneden en hem een koperen kandelaar naar het hoofd had geworpen, en gaf daarbij de verzekering, dat ik nooit de eerste aanleiding gaf en nooit mijn vuist oplichtte vóór ik zelf geslagen was. Ik zeide bovendien, dat ik niet voornemens was ooit een slag te ontvangen, of mij een onbehoorlijken naam te hooren toevoegen, zonder dit kwalijk te nemen. Dat was nu eenmaal mijn aard, en al zoude dit mij het leven kosten, ik kon het niet veranderen. »Sedert ik aan boord ben,” vervolgde ik, »zijn er dikwijls matrozen van sloepen weggeloopen, en de betrokken officieren of adelborsten kwamen er altijd met een berisping af, terwijl ik, nog zoo goed als vreemd aan boord, met de grootste en vernederendste gestrengheid behandeld ben geworden.”

De kolonel luisterde aandachtig naar mijne verdediging, welke, naar ik meende, eenigen indruk op hem maakte. Later vernam ik, dat hij den heer Handstone onder handen had genomen over de bijzondere gestrengheid, die hij in mijn geval getoond had; hij merkte op, dat ik òf later een uitstekend officier zou worden, òf dat er niets van mij zou terechtkomen. Mijzelf was gebleken, dat ik tegenover de grootere vijandschap van mijn oudste kameraden, door mijn weerstand bieden aan hun wederrechtelijke handelingen, eenige machtige vrienden in het schip had gekregen, van welken de commandant een was. Ook enkele officieren begonnen mij recht te laten wedervaren en bewonderden dien, voor de gevolgen zoo onverschilligen, geest van verzet in mij. De omkeer in de algemeene stemmingbleek uit de talrijke uitnoodigingen die ikaan de kajuits- en officierstafel kreeg. De jongste kadets ontvingen mij nu weer openlijk in hun midden; doch de ouderen bleven mij met achterdocht behandelen.

Spoedig maakte ik nu met de jongens van mijn leeftijd een geregeld verbond van onderlinge bescherming, dat een gewichtige rol zou vervullen in onze toekomstige twisten. Een paar hunner hielden zich flink aan de gemaakte overeenkomst; de anderen beloofden wel, maar kwamen op het gewichtige oogenblik niet uit den hoek. Ons contract was hoogst eenvoudig, slechts uit twee artikelen samengesteld. Het eerste hield de op elk rustende verplichting in: om het eerste harde of zware voorwerp, dat men grijpen kon, dengene naar het hoofd te smijten, die een onzer sloeg, altijd wanneer de aanvaller te sterk scheen te zijn om hem op de gewone manier te bevechten. Het tweede artikel was een herinnering aan onze rechten als deelgenoot van de tafel, waaraan wij allen hetzelfde bedrag betaalden, en bepaalde, dat wij ons door list zouden zien te verschaffen, wat ons door kracht werd onthouden.

Mijn uitlegging bij art. 1 was, dat wij ons daardoor een behoorlijke, beleefde behandeling van de anderen zouden verzekeren; want voortaan zouden zij zich wel wachten om met ons te beginnen, nu het voor hen zoo gevaarlijk kon afloopen;—bij art. 2, dat wij nu voortaan gelijk zouden opdeelen en niet langer behoefden aan te zien, dat de oudsten mooi weer speelden van de smakelijkste aan ons gezamenlijk toebehoorende provisiën en dranken. Aangezien ik de uitvinder van dit contract was, kon men mij met recht als de leider van de oppositie beschouwen.

Eindelijk zeilden wij uit, met last om ons te vereenigen met de vloot, die onder bevel van lord Nelson vóór Cadix kruiste. Ik wil niet uitvoerig zijn in mijn beschrijving van den overtocht door het Kanaal en de golf van Biscaye. Ik was meesttijds zoo zeeziek als een juffrouw die den overtocht maakt in de Dover-packet, maar had niet zooveel gelegenheid als deze om er mij aan toe te geven, daar voor mij de dienst boven in het tuig of als wachthebbende aan dek, onverbiddelijk was. Wij bereikten ons station en kwamen onder de orders van den onsterfelijken Nelson, slechts weinige uren vóór den zeeslag, die hem het leven kostte toen hij ’s lands eer ophield. De geschiedenis van dien gedenkwaardigen slag is zoo dikwijls en uitvoerig beschreven, dat ik er niets meer aan weet toe te voegen. Inderdaad echter verbaast het mij, dat bij zulk eenverwarring en de overeenstemming van alle zeegevechten, van zulk een treffen nog zooveel bijzonderheden kunnen gemeld worden. Ik maakte destijds een opmerking, die mij later telkens met verdubbelde overtuiging weer in de gedachte kwam, en die was: dat de admiraal, als eenmaal het gevecht aan den gang was, weinig meer aan het oppercommando kon doen, want hij kon evenmin zien als gezien worden; hij kon geen partij trekken van ’s vijands zwakke punten of fouten, evenmin als die aan zijne eigene zijde verdedigen of verbergen; zijn eigen vlaggeschip, de Victory, een onzer schoonste driedekkers, lag, als ’t ware vastgemeerd, langs zijde van een Fransch linieschip van 80 stukken.

Dezelfde opmerkingen las ik later in een werk over de zeetactiek, en zij bevestigden volkomen mijne meening. Er was in het begin van den slag een oogenblik waarin ik, jong als ik was, een geweldigen angst gevoelde voor den roem en de eer van mijn vaderland. Het was toen ik de trotsche leiders onzer beide liniën blootgesteld zag aan het vereenigd kruisvuur van zoovele schepen. Ik vond, dat Nelson zich te veel blootgaf, en dat denk ik nu nog. Ondervinding heeft bewaarheid, wat jeugdige phantaisie zich verbeeldde; ’s vijands centrum had vernield moeten worden door onze zeven driedeksschepen, waarvan thans sommige, die in de achterhoede behoorden, weinig aandeel aan den strijd konden nemen. Behalve om den indruk, dien zij maakten, hadden zij zeer geschikt op de reede van Spithead kunnen blijven. Het is geenszins mijn bedoeling om hier een aanmerking te maken op de bevelhebbers dier schepen: neen, alleen toevallige omstandigheden, zwakke koelte en de plicht aan elk opgelegd om zijn standplaats in de linie te behouden, veroorzaakten, dat zij het grootste deel van den dagnolens volenswerkeloos op den achtergrond moesten blijven. Andere schepen daarentegen hadden benijdenswaardige positiën, doch maakten, zooals ik later van enkele daarop dienende officieren vernam, niet al het gebruik, dat zij daarvan konden. Deze fout aan onzen kant werd echter ruim opgewogen door dergelijke, op gelijke wijze veroorzaakte misslagen bij den vijand, en zoo is toch stellig de overwinning door ons behaald. De Britsche vloot had een hooge waarde; en wij moeten erkennen dat op dien dag »toen Engeland verwachtte, dat ieder zijn plicht zou doen”, slechts weinigen de hoop van hun vaderland teleurstelden.

Ik zal nimmer de electrieke schok vergeten, die het ophijschen vanhet sein tot het gevecht op de geheele vloot teweegbracht. Bij niets is het beter te vergelijken dan bij een lange, in brand gestoken loop buskruit. Aannemende, dat alle Engelschen in hoofdkaraktertrekken overeenstemmen, was hetzelfde gevoel, dezelfde geestdrift op elk schip te bespeuren; menigen verharden zeebonk rolden de tranen langs de wangen, toen de woorden, die het sein inhield, hardop herhaald werden. Zij brachten elk vroeger roemrijk feit in herinnering, en vervulden den geest met nieuwe, stoute verwachtingen, die voor zoovelen, helaas! echter nooit werden verwezenlijkt. Zonder de minste verwarring nam elk zijn plaats in de batterij of elders voor het gevecht in, en van dat oogenblik af lag op ieders gelaat kalme, besliste vastberadenheid te lezen.

Mijn commandant was, ofschoon ons schip in geene der liniën behoorde, volstrekt niet bang voor de schoten, en hoewel wij niet in het vuur behoefden te komen, vóór wij daartoe sein ontvingen, achtte hij het toch plichtmatig zoo dicht mogelijk in de nabijheid onzer in den strijd gewikkelde schepen te blijven, om waar het noodig was, hulp te kunnen bieden. Ik was geplaatst bij de allervoorste stukken van onze kuilbatterij, toen ook voor ons de order kwam om slagvaardig te zijn. Ofschoon op een betrekkelijk kleine schaal, ken ik weinig tooneelen, die zulk een indruk maken als een schip bij »alarm”. Het sein daartoe wordt op last van den bevelhebber door den tamboer gegeven en benedendeks herhaald. Onmiddellijk worden alle loopende werkzaamheden gestaakt, en moet ieder man aan boord de hem alleen voor die gelegenheden opgedragen bezigheid vervullen. Slechts kort duurt de schijnbare verwarring, die hiervan het gevolg is. Aan dek worden de minst handige zeilen geborgen, op de onderra’s de enterdreggen uitgebracht, in de marsen en in de rusten de valreepen van het steng- en onderwant met de gesjorde hangmatten beveiligd, de pompen en brandspuit gereedgemaakt om water te geven. In de batterijen wordt de noodige voorraad scherp opgehaald, worden de kanonnen ontsjord, gewischt en geladen, en eindelijk door elk schepeling het hem aangewezen wapen, hetzij geweer, pistool, piek of enterbijl ter hand genomen. Het einde der manoeuvre is, dat elk zijn plaats bij de kanonnen weer inneemt. Hiermede treedt een volledige stilte in, waarbij slechts de bevelen gehoord mogen worden, voorzoover dit onder eene kanonade van zoovele schepen mogelijk kan zijn. Trotsch is het gezicht op de lange rijen vuurmonden, elk met een tiental matrozen en mariniers bemand. Achter elk stukstaat de commandant met het richten en afvuren belast, in het midscheeps worden de lonten brandende gehouden. Over een zeker aantal stukken beveelt een der officieren. Aan dek is de commandant, meer dan ooit de groote man, de ziel van het schip. Hij heeft naast zich den eersten officier, achter zich een paar jonkers om bevelen naar voren of naar omlaag over te brengen. Onder het groote luik in het tusschendeks is het slagverband klaargemaakt, en zijn de dokters in afwachting der gekwetsten, die hun toegezonden zullen worden: messen, zagen, tangen, sponzen, kommen met azijn en water, deden op de verbandtafel liggende of gereedgezet, aan allerlei pijnlijke operatiën denken; deze dingen althans benemen alle poëzie aan een zeegevecht. Vóór op den bak is de schipper of opperbootsman geplaatst; en in de ware beteekenis van het woord »overal” de baas timmerman met zijn helper. Waar toch door een kogel schade in den romp of in de rondhouten wordt teweeggebracht, is hij de man om het te herstellen. Het gezicht op de ambulance werkte, zooals ik zeg, alleen wat ontnuchterend op mijn gevoel. »Wie weet,” dacht ik, »hoe spoedig ik, verminkt en bloedende en bewusteloos naar hier wordt gebracht, om met al die snijwerktuigen kennis te maken!” Ik wendde mij af, en deed mijn best aan die mogelijkheid niet te denken.

Zoodra de vloot op kwam zeilen, om den vijand aan te tasten, deden wij hetzelfde, zoo na mogelijk bij het vlaggeschip houdende, waarvan wij bevel kregen de seinen te herhalen. De handige wijze, waarop dit plaats vond, verbaasde mij. Het was onbegrijpelijk, hoe bijna gelijktijdig van onzen top dezelfde seinvlaggen woeien, die bij den admiraal waren opgeheschen. Die vlaggen gingen nog wel ineengerold naar boven, dáár werden zij eerst losgetrokken. Er was dus veel handigheid aan boord van den repetiteur noodig om ze zoo snel op een afstand te herkennen.

Het zal niet overbodig zijn hier mede te deelen, dat het in die tijden een soort van stilzwijgende overeenkomst bij het vechten was, dat een linieschip nooit een fregat aantastte of dit moest zelf met den aanval begonnen zijn, of wel zich tusschen de strijdende partijen in begeven hebben. Iets soortgelijks had bij den zeeslag van Aboukir plaats gevonden, waar onze Orion, met ééne volle laag het Fransche fregat l’Artemise, tot straf voor zijne vermetelheid, had in den grond geboord. Op grond hiervan zouden wij zeker schotvrij gebleven zijn, ware hetniet, dat menige verdwaalde kogel, voor een ander schip bestemd, ons ongelukkigerwijze onder weg ontmoet had. Sommige hiervan richtten onder onze bemanning nog heel wat schade aan.

Trotsch zeilden de twee Britsche liniën, evenwijdig aan elkander, bijna loodrecht in op de gebogen slagorde van de vereenigde vijandelijke vloten. De voorhoede was nauwelijks binnen kanonschots afstand, of de Royal Sovereign en de Victory ontvingen een hevig vuur; maar toen eerstgenoemde opstak achter den spiegel van de Spaansche Santa Anna, en de laatste de Fransche Redoutable aan boord klampte, waren beide vloten door een dikke rookkolom van kruitdamp omhuld en viel er weinig meer te zien dan het overboord gaan van masten, of het hier en daar afdrijven van eenig geheel onttakeld schip.

Het bleek, dat een dezer een Engelsch schip was, en onze commandant ziende, dat het tusschen twee vijandelijke vaartuigen in zou geraken, zeilde er op af, om het op sleeptouw te nemen; juist echter openden twee der linieschepen, in wier vuurlijn wij kwamen, een hevig vuur op elkander en werden wij het doelwit hunner misschoten. Ik lag juist uit een der boegpoorten te kijken, toen ons op die hoogte, tusschen wind en water, een kogel trof. Voor het eerst zag ik van zoo nabij de uitwerking van een zwaar schot: het maakte een grooten plas, daarbij een voor mij zeer vreemd geluid en overstelpte mij met water. Onwillekeurig sprong ik achteruit, wat ik meen dat menigen dapperen kerel zou overkomen zijn, doch ik werd daarvoor uitgelachen door een paar der aan mijne stukken geplaatste matrozen. Hierdoor beschaamd, nam ik mij voor, niet andermaal dergelijke zwakheid te laten blijken.

Dit schot werd spoedig door meerdere gevolgd, die niet zoo onschuldig waren; een kwam dezelfde boegpoort in en doodde toevallig de twee man, die getuigen van mijne wankeling waren geweest. Ik moet tot mijne schande erkennen, dat hun verlies mij alleen ongevoelig liet, omdat zij nu niets meer van mij konden navertellen. Overigens zouden mijne gewaarwordingen bij deze gelegenheid, moeielijk zijn weer te geven. Het was nog geen zes weken geleden, dat ik allerlei streken op de school uithaalde en den ondermeester in den vijver liet duikelen,—en nu, in eens als ’t ware, zonder de minste voorbereiding, was ik in het midden van een bloedigen strijd, zelf een medespeler in de gewichtige gebeurtenissen, die voor het lot der beschaafde wereld zoo gewichtig waren.

Een versnelde bloedsomloop, een soort van vrees voor den dood, een nog grooter vrees voor schande, dwongen mij dikwijls van plaats te veranderen; en er werd eenige tijd toe gevorderd en vooral redeneerkracht om mij daarover heen te brengen en mij zoo veilig te doen gevoelen als in de haven. Eindelijk kwam ik daartoe, en toen was ik verlegen over de zenuwachtige stemming, waarin ik verkeerd had vóór het vuren begon. Het is waar, ik bad in stilte: maar mijn gebed was niet gegrond op geloof, op vertrouwen of op hoop—ik bad alleen om uitredding uit mijn oogenblikkelijk gevaarlijken toestand; mijn woorden waren slechts korte, vrome ontboezemingen, zonder de minste gedachte of berouw over vroeger gedrag of voornemen tot beterschap in de toekomst.

Toen echter eenmaal het gevecht in vollen gang was, ging dit gevoel ook over, en bleef ik even onverschillig bij het gezicht van een armen kerel, die middendoor geschoten was, alsof ik voorbij een slagerswinkel ging. Ik weet niet of dit voor een bewijs mag gelden, dat ik ongevoelig van aard was; maar zeker weet ik, dat meer mijne nieuwsgierigheid voldaan, dan mijn hart gepijnigd was, toen een kartetsschot van den vijand bij ons zeven man doodde en nog drie bovendien verwondde. Het speet mij voor degenen die het trof, en voor niets ter wereld zou ik hun kwaad toegewenscht hebben, doch in mijn soort was ik een wijsgeer: gaarne bracht ik oorzaak en gevolg in verband; en in ’t geheim was ik voldaan het effect van een kartetsschot met eigen oogen gezien te hebben.

Tegen vier uren des namiddags begon het gevecht te verflauwen, klaarde de lucht op en werd de kalme zeespiegel door een aanwakkerend koeltje gerimpeld. De twee vijandelijke vloten konden elkaars verliezen in oogenschouw nemen. Wij telden nog negentien of twintig linieschepen. Sommige van ’s vijands schepen zagen wij in de richting van Cadix vluchten; vier andere ontsnapten ons te loefwaarts. Toen er een sloep van ons naar een andernabijzijndschip ging, sprong ik er in, en vernam toen den dood van lord Nelson. Toen ik dit bericht bij onzen kolonel overbracht, bracht hij hulde aan de nagedachtenis van dien held en liet daarna zijn oog met welgevallen op mij rusten. Ik was de eenige jonker, die bijzonder veel activiteit had aan den dag gelegd, en werd op grond daarvan onmiddellijk met een boodschap naar een nabij liggend vaartuig gezonden. De eerste officier gaf in overwegingom een officier van eenigen meerderen diensttijd weg te zenden. »Neen,” zeide de commandant, »laat hem gaan; de jongen is daar zeer geschikt voor!” Ik stak van boord, niet weinig verheugd over het in mij gestelde vertrouwen.

Toen ik bij het avondeten mijne kameraads in de voorlongroom ontmoette, deed het mij leed weer het onaangename gelaat van Murphy te aanschouwen. Ik had mij zoo gevleid, dat een of andere gelukkige kogel mij van zijn gehate persoonlijkheid voor goed zou verlost hebben; maar zijn tijd scheen nog niet gekomen te zijn.

»De duivel heeft een mooie vangst gehad vandaag,” zeide een aan onze tafel deelnemende oude masters-assistent, terwijl hij zijn glas grog aan den mond bracht.

»Jammer genoeg, dat gij en een paar anderen, die ik niet noemen zal, dien dans zijt ontsprongen,” dacht ik bij mijzelve.

»Als er dan toch veel dooden moeten zijn,” zeide een ander, »dan voor mijn part maar wat luitenants, dat geeft nog bevordering!”

Bij het aan boord gehouden appèl, bleken er van onze equipage negen man gedood en dertien gekwetst te zijn. Dit betrekkelijk groot aantal was voor sommigen een soort van voldoening en volstrekt geen reden tot spijt. Hunne ijdelheid was er door gestreeld, dat er onder de linieschepen voorkwamen, waar de slachting zooveel geringer was geweest.

Wanneer ik daartoe gelegenheid kon vinden, was ik in de ziekenboeg tegenwoordig bij de verpleging onzer gewonden en getuige van het afzetten van armen en beenen, zonder dat zulks mij bijzonder aandeed; menigeen, die zich in het gevecht met de grootste koelbloedigheid had gedragen, werd weekhartig bij dit lijden. Tot mijn schande moet ik erkennen, dat ik, uit louter zucht om achter de tot nu toe voor mij verborgen zaken te komen, met belangstelling de werkzaamheden der chirurgijns naging en de pijn van de arme lijders in het geheel niet telde. Was ik dan werkelijk zoo verhard van gemoed, dat ik er alles voor overhad om een goed inzicht te krijgen in de samenstelling van het menschelijke lichaam?

Kort na den slag bij Trafalgar werd ons schip naar Portsmouth gezonden, om duplicaat-brieven over te brengen. Op een morgen, dat wij het onder ons over de aanstaande tehuiskomst hadden, hoorde ik een van de adelborsten zeggen, dat »hij zijn ouden vader voor eene nieuweuitrusting zou laten opdokken.” Ik vroeg, wat hij daarmede bedoelde, werd uitgemaakt voor een »baar,” omdat ik dit niet wist, en toen ingelicht. »Weet ge niet,” zeide mijn leermeester, »dat na elk zeegevecht, in het schippersboek veel meer zeildoek, touwwerk en verf wordt afgeschreven dan door den vijand weggeschoten of beschadigd is?”

Ik nam dit op het gezag van den spreker aan, niet wetende of het waar of onwaar was, waarop hij voortging: »Waar zouden witte verschans- en sloepskleeden, bovenbramstengen, vergulde wapenborden en andere versierselen op een schip vandaan moeten komen, als het niet heette, dat al die zaken in het gevecht verloren of overboord gevallen waren? De schadelijst wordt aan den admiraal ingediend, hij teekent de aanvragen, en de magazijnmeester moet, of hij wil of niet, met de behoeften op de proppen komen. Ik diende eens op een korvet, toen een zwaar fregat van vierenveertig stukken, ons zoo netjes aanzeilde dat ons kluifhout medeging en zijn groote (mooiweers-) kluiver over onze fokkera kwam te hangen. Hij was van fijn Russisch linnen gemaakt en werd bij ons versneden voor verschansingkleeden, terwijl ieder van de matrozen er nog een broek uit kreeg. Welnu, op dezelfde wijze, waarop wij oom George (hiermede bedoelde hij ons geëerbiedigd hoofd van den Staat) voor onzen inventaris beetnemen, zoo ben ik voornemens mijn ouden heer voor een nieuw stel kleeren in den nek te zien. Daarvoor heet nu mijn heele kist overboord te gaan met al wat ik heb, en dan kom ik bij mijne oudjes thuis, precies klaar om naar de laatste mode weer opgetuigd te worden.”

»En wilt ge nu werkelijk uwe ouders op die manier oplichten?” vroeg ik op schijnbaar hoogst onschuldigen toon.

»Wel zeker, goedaardige domoor. Hoe kan ik op den duur fatsoenlijk voor den dag komen, als ik niet een goed gebruik weet te maken van een zeeslag, zooals nu door ons bijgewoond werd?”

De ontvangen wenk stemde mij tot nadenken. Het kwam niet eens in mij op, dat, als ik op een redelijke wijze mijnen ouders aan het verstand had gebracht, dat mijne uitrusting onvoldoende was, om altijd netjes gekleed op het halfdek te verschijnen, zij met alle liefde nog van alles voor mij aangekocht zouden hebben. Maar het zat nu eenmaal in mij om onoprecht te zijn, met streken om te gaan. Waar het in mijn eigen belang was, wist ik op zijn tijd evengoed de waarheid te vertellen als een leugen; maar hier verbeeldde ik mij, dat bedriegerij eenflink stuk van verdienste was, en daarom besloot ik die in practijk te brengen, al was het alleen om daarmede opgang te maken bij mijne onwaardige makkers. Wat ik langs eervollen weg zou gedaan gekregen hebben, wilde ik nu, louter uit zucht om te bedriegen, uit genoegen om mijn vader om den tuin te leiden, langs slinkschen weg verwerven.

Aan het schip waren eenige herstellingen te doen, en door de goedheid van den commandant, die nog al met mij ingenomen was, kreeg ik verlof,—ik, die juist zoo noodig had gehad om aan boord te blijven en tegenwoordig te zijn bij het af- en weder optuigen, ledighalen, verstuwen van den ballast en het dokken, om uit een en ander de noodige leering te trekken. Dat verlof vroeg ik minder uit verlangen om mijn ouders eens weer te zien, dan wel om, thuis komende, den noodigen ophef te kunnen maken, zoowel van den belangrijken zeeslag, als van al het andere, wat ik in dien korten tijd van drie maanden had bijgewoond. Het was mij een behoefte om effect te maken, en daarom wist ik (door briefwisseling met een mijner zusters op de hoogte daarvan) voor het oogenblik van mijne thuiskomst een dag te kiezen, waarop mijne ouders een groot gezelschap ontvingen, en een uur, waarop zij juist aan tafel waren gezeten.

Vierde hoofdstuk.Aan de deur van ons huis gekomen, liet ik zachtjes den klopper vallen, zei geen woord tegen den bediende die mij de deur opende, doch stoof met een groote drukte de eetzaal in, waar ik als een dakpan binnen en mijne moeder om den hals viel. »Goede hemel, mijn kind!” was al wat zij kon uitbrengen, vóór zij flauw viel. Mijn vader, die juist de helft van zijn bord soep verorberd had, vloog op, om mij te omhelzen en om moeder bij te brengen. Het geheele gezelschap rees overeind alseen vlucht opgeschrikte patrijzen; een van de dames zou juist een lepel soep aan den mond brengen, toen haar buurman haar die met de elleboog uit de handen sloeg, waardoor zij een spiksplinternieuwe zijden japon bedierf; ons kleine schoothondje Carlo hief een oorverdoovend gekef aan; kortom, ik had er niet beter in kunnen slagen om de grootst mogelijke verwarring teweeg te brengen.Goede hemel, mijn kind!Goede hemel, mijn kind!Pag. 45.Langzamerhand kwam alles tot rust en mijn moeder ook weer bij,—mijn vader schudde mij de hand,—de gasten stemden overeen in de verklaring, dat ik een knappe, belangwekkende jongen was, de dames namen weer plaats, en het was mij aangenaam te kunnen opmerken, dat ik den eetlust niet had verstoord. Ik was in de gelegenheid spoedig te toonen dat ik hierin niet achterlijk was. De ontberingen, van het scheepsleven hadden mij van een goede tafel niet afkeerig gemaakt, en ik speelde mijn partij goed mede, als de heeren op mijn gezondheid dronken. De tot mij gerichte vragen wist ik alle even vloeiend te beantwoorden, en ik was zoo woordenrijk, dat de vragers zeker wel eens spijt kregen mij aan den praat gebracht te hebben.Ik gaf een opgesmukte beschrijving van den zeeslag, sprak, opgeblazen als ik was, met lof over sommige van de vlag- en hoofdofficieren, haalde minachtend mijne schouders op over anderen en beschuldigde er zelfs eenigen van niets minder dan lafhartigheid. Nu en dan gebruikte ik, om mijn woorden meer kracht bij te zetten, een hartigen vloek; dan keek mijn vader ernstig, hief mijn moeder bestraffend een vinger op, lachten de heeren en zeiden de dames heel toegefelijk: »zoo’n jongen!—wat een vuur—wat een verrukking—wat heeft hij opgemerkt!” Zij brachten het hierdoor echter niet verder bij mij, dan dat ik ze in mijzelf met den naam van »domme ganzen” betitelde.Des anderen daags, toen de hartelijkheid van het wederzien nog niet bekoeld was, bracht ik bij het ontbijt bij mijne ouders mijne kist met goed ter sprake; toevallig gaf, gelukkig voor mij, mijn vader juist hiertoe aanleiding, door te vragen, hoe mijne kleeren zich gehouden hadden.»Vrij treurig,” zeide ik, onder het verwerken van mijn derde eitje, (ik was nog uitgerammeld van den honger).»Vrij treurig?” herhaalde mijn vader. »Mij dunkt, gij waart toch in allen deele ruim voorzien.”»Dat is zoo, vader,” zeide ik; »maar u kunt u geene voorstelling maken,van wat het zeggen wil, als een schip klaar voor ’t gevecht wordt gemaakt; al wat niet te heet of te zwaar is om aan te pakken, wordt overboord geslingerd met eene handigheid, zooals.... zooals ik bijvoorbeeld deze boterham inneem. »Van wie is die steken-doos?”—»Van Mr. Spratt, mijnheer.”—»Die verd..... Mr. Spratt, ik zal hem leeren hoe hij een andermaal op zijn steken-doos moet passen; weg er mee”—en over de lijvalreep zeilde de doos in zee. Spratt’s vader was een hoedenmaker in Londen, wij lachten er dus om.”»Eilieve Frank,” vroeg mijne moeder, »deden zij met uw doos ook zoo?”»Zij ging denzelfden weg op. Ik keek haar na, toen zij naar achteren dreef, en kreeg tranen in de oogen, toen ik bedacht, hoe boos u zoudt zijn.”»Maar de kist, Frank, wat is er met uwe kist gebeurd? Ge hebt gezegd, dat die Vandalen ten minste zware voorwerpen ontzagen, en de uwe was, ik heb nog de rekeningen liggen, van een eerbiedwekkend gewicht.”»Dat is zoo, vader; hoeveel lichter zij haar ook gemaakt hebben, den eersten dag in zee. Ik lag er op,—zoo zeeziek als een hond,—toen de eerste officier en de luitenant van de week omlaag de ronde deden na het schoonschip maken; ik en mijne Noachs arke lagen in den weg.—»Wel, wien hebben wij daar?” zeide mijnheer Handstone. »O, het is jonker Mildmay maar, met zijn kist,” zeide de sergeant van de mariniers, van wiens terrein ik erkennen moet een stuk in beslag genomen te hebben. »Zoo!” herhaalde de eerste officier, »ik zag het aan voor een van de pijlers van de nieuwe brug, en de eigenaar voor een dronken Ierschen heibaas.”—Ik was te ziek om op hunne woorden te letten.”»Gij laat uw ontbijt in den steek,” waarschuwde mijn zuster.»O, ik wil graag nog een half broodje en een kop koffie,” zeide ik.»Die arme jongen!” zeide mijne moeder, »wat moet hij uitgestaan hebben!”»O, ik heb nog lang niet alles verteld, beste moeder; het is een wonder, dat ik het er levend afgebracht heb.”»Levend afgebracht!” zeide mijne tante Julia. »Hier is een kleinigheid, beste jongen, voor de vernieuwing van hetgeen gij in dienst van den lande verloren hebt. Wel, flinke vent! wat zouden wij er naar aan toe zijn, als wij geen zeelui hadden!”Ik stak de kleine gift—het was een bankje van tien pond—op, maakte een eind aan mijn ontbijt, door de toevoeging van een snede ham op een Fransch broodje, aan de reeds ingescheepte eetwaren en vervolgde mijn verhaal. »Het eerste wat Mr. Handstone zeide was, dat mijn kist veel te groot was; daarop liet hij volgen:»Roep mij den timmerman hier.—Kijk, baas, neem deze kist onder handen; er moet minstens een voet in de lengte, en een voet in de hoogte af.”—»Best, meneer,” zeide de baas. »Kom jonker, ga er eens af en geef mij den sleutel.” Zoo ziek als ik was, begreep ik volkomen, dat hier noch tegenwerpingen, noch smeekingen zouden baten; dus scharrelde ik van mijne ligplaats af, gaf den sleutel aan den timmerman, die de kist openmaakte, en met de noodige vlugheid al mijn schatten op het dek uitpakte. Spoedig had ik al de adelborsten om mij heen. De potjes met confituren en het krentenbrood, door u, beste aller moeders, met zoo veel zorg ingepakt, werden voor mijn oogen verdeeld en verslonden. Een hunner stak zijn morsigen poot in een pot vlierbessen-gelei, die u mij medegegeven hadt voor het geval van verkoudheid, en hield mij een handvol voor den mond, en dat, terwijl hij wist, dat ik het zoo te kwaad had met de zeeziekte.”»O,” riep mijne zuster, »ik zal nooit van mijn leven weer gelei kunnen zien!”»Die ruwe vlegels!” zei tante.»Om kort te gaan,” vervolgde ik, »al wat bruikbaar was, werd ingerekend, en daar ik mij zoo ziek gevoelde, liet mij dit onverschillig; maar toen zij op een lachenden toon oneerbiedig over u, dierbare moeder, begonnen te spreken, werd ik woedend en zou hen aangevlogen zijn.”»Nu ’t is niets, mijn jongen,” zeide moeder. »Wij zullen alles wel weer in orde brengen.”»Ja, dat zal wel dienen,” bracht vader hiertusschen in; »maar als ’t je blieft, geen confituren of koek meer, mijn waarde.—Vertel verder, Frank!”»Wel, vader, een half uur later was mijn kist weer klaar; maar nu zij toch eens aan het afzagen waren, hadden zij er nog best een voet meer af kunnen nemen, want er bleef ruimte te over om op te bergen, wat men mij overgelaten had. De ledige potjes kwamen natuurlijk aan de mariniers, om hun poetsolie in te bewaren; en daar eenige andere zwareartikelen weggekaapt waren, was ik niet meer in zorg waar ik die stoppen moest. Daarna, dat weet u, kwam de zeeslag, en toen gingen kist en hangmat, de heele rommel naar den——.”»Worden bij zoo’n gelegenheid alle kisten en kooigoederen overboord geworpen?” vroeg mijn vader, mij in de oogen ziende met een strengen, uitvorschenden blik, dien ik moeite had om te doorstaan.»Ja, altijd alles wat in den weg staat, en mijn kist hinderde, en voort er mede. Ik had vreeselijk het land; maar u begrijpt, dat ik den eersten officier niet kon aanvliegen; zij zouden mij behoorlijk aan een der raas opgeknoopt hebben.”»De Hemel zij gedankt, lieveling, dat gij u ingehouden hebt,” zeide mijn moeder. »Wat gebeurd is, kan hersteld worden, maar zoo iets zou ik nooit te boven gekomen zijn. En uwe boeken, wat is daarmede gebeurd?”»Alles ging mede. Zij liggen ergens vóór de straat van Gibraltar;—ik ben ze alle kwijt, behalve mijn Bijbel; die is gered, omdat ik er juist daags vóór het gevecht in had liggen lezen.”»Voortreffelijke jongen!” riepen moeder en tante in koor uit, »ik weet zeker, dat hij de waarheid zegt.”»Ik hoop het,” zeide mijn vader droogjes; »maar men moet toch erkennen, dat die zeegevechten, hoe roemrijk ook voor Oud-Engeland, zeer kostbare genoegens zijn voor de ouders van jonge adelborsten, tenzij die jongens er zelf hun hachje bij inschieten.”Of mijn vader nu wantrouwig begon te worden, dan wel tegen nog meer vragen opzag, uit vrees van nog meer sterke stukjes te hooren, weet ik niet; maar ik was blijde, dat het verhoor een einde had genomen en ik met goed fatsoen weg kon gaan. Tot mijn schande moet ik zeggen, dat de Bijbel, die zoo goed dienst had gedaan om mij moeders gunst te verzekeren, slechts ééns open was geslagen sedert ik van huis ging, en dat was om na te zien of er ook bankbriefjes tusschen de bladen in weggestopt waren, wat ik gehoord had, dat men wel eens meer bij jongelui deed om te zien of zij wel trouw in dat Boek lazen.Mijn nieuwe eischen werden alle ingewilligd met te meer spoed, daar ik thuis erg lastig begon te worden; mijn zee-manieren waren dikwijls erg stuitend in onze huiskamer. Mijn moeder, tante en zuster waren heel andere dames dan die, welke ik in onze zeeplaatsen ontmoethad. Mijn vloeken en den baas spelen over onze bedienden was zeer hinderlijk en bracht er toe bij, dat men tegen mijn ophanden vertrek niet erg opzag. Met blijdschap hoorde men mij het einde van mijn verlof aankondigen. Daar ik er nu alles van gehad had, kon ik de familie koeltjes verlaten, en toen de wagen vóórkwam, sprong ik er in, reed naar het Gouden Kruis, en meldde mij den volgenden morgen weer aan boord.Door het meerendeel mijner kameraden werd ik hartelijk verwelkomd; Murphy en een paar zijner trawanten deden daarin niet mede. Geen enkel oogenblik dacht ik met wroeging aan de leugens en huichelarij, waarmede ik mijne brave ouders bedrogen en opgelicht had. De lezer zal wel begrepen hebben, dat in het omstandig verhaal omtrent mijne kist geen woord waarheid was, behalve dat verkleinen op last van den eersten officier en het rooven van mijn lekkernijen. Dat ik veel van mijn uitrusting kwijt was, was de waarheid; maar ik had een en ander verloren door eigen zorgeloosheid, niet omdat het overboord geworpen was. Toen ik daags na mijn komst op het schip den sleutel van mijn kist miste, overtuigde de snelle vermindering mijner bezittingen den eersten officier, dat het restant heel wat beknopter kon gepakt worden, en dit had het inkorten van mijn kist ten gevolge.Mijn nieuwe kleeren bracht ik in een koffer mede, en daar deze zeer handig was, slaagde ik er voortaan in, den boel beter bij elkaar te houden dan vroeger. Het geld, dat mij toegestopt was, vond zijn weg wel. Ik begon eenigszins meer aan mijn uiterlijk te hechten, daar ik opgemerkt had, dat de best gekleede adelborsten in den regel de aangenaamste dienstbaantjes hadden. Ik werd daardoor dikwijls aangewezen om gezelschappen met dames, die het schip kwamen bekijken of bij commandant of officieren kwamen dineeren, met de sloep af te halen. Ik had tamelijk veel praats en was geen onknappe jongen, en hoewel nog al ontwikkeld, had ik bij de dames veel vóór, omdat ik zoo’n aardig, lief jonkertje was, zoo schijnbaar doodonschuldig van hart en manieren. De reden was, dat ik aan boord onder heel wat strenger tucht stond, dan in het ouderlijk huis, waar ik mijn vader, die overigens een zeer knap man was en zijn wereld wel kende, doch van zeezaken verbazend slecht op de hoogte was, in een zekeren zin, als hij op mijn terrein kwam, behandelde als dien ondermeester: ook hij en zijn gansche gezelschap gingen kopje onder in den vijver hunner onwetendheid. Zoogroot is de macht van plaatselijke kennis en slimheid over abstracte wetenschap en ervaring.Mijn laatste slagen te huis had mijn zelfvertrouwen in niet geringe mate ontwikkeld. Aan schijnbare zedigheid paarde ik eene onovertroffen schaamteloosheid en hierin won ik het verre van mijne tijdgenooten. Ik meen hiermede van mijne jongensjaren voor goed te kunnen afstappen. De drie eerste proefjaren van een leven als adelborst leveren alleen lotgevallen, die als zij in alle bijzonderheden verteld werden, meer zouden tegenstaan dan met genoegen worden gelezen en veel eer tot een afschrikkend dan een aanmoedigend voorbeeld zouden strekken; stilzwijgend stap ik dus dien tijd voorbij om over te gaan tot mijn leeftijd van zestien jaren, toen ik reeds zeer opgeschoten was en een uiterlijk voorkomen had gekregen, waarop ik met recht meende trotsch te mogen zijn.In allen deele, behalve waar het godsdienst en zedelijkheid betrof, hield de vooruitgang van mijn geest gelijken tred met dien van mijn lichaam. In moraliteit kwam ik meer en meer te kort, ja er brak een tijd aan, dat ik die, als nuttelooze lading, als ballast, overboord had gezet. Bij mijn flink gebouwd lichaam deed de verdorvenheid mijner ziel slechts denken aan een prachtig gepleisterd praalgraf, waarin van binnen bederf heerschte,—aan een prachtige slang, die, in weerwil van hare gouden en azuren schubben, een hevig gif verborg. Ik koesterde hooghartigheid, wraakzucht, bedrog en eigenliefde;—mijne beste vermogens gingen op in de onedelste bedoelingen.In de kennis van mijn vak maakte ik goede vorderingen. Het was mij toen een groot genoegen mij daarvoor in te spannen. Hierbij had ik het voorrecht om aan mijne eigene krachten overgelaten te zijn, daar ik nog steeds met mijn oudere collega’s op een gespannen voet was en daardoor weinig voortgeholpen werd. Kostte het mij wat meer moeite, het geleerde kwam er beter bij mij in door eigen onderzoek. Door den tijd werd ik een goed navigateur, en tevens een bekwaam zeeman.Mijne verhouding tot de jongere adelborsten en ook tot de mindere schepelingen liet weinig te wenschen over. Ik was zoowel te trotsch om zelf een tiran te zijn, als om mij aan de dwingelandij van anderen te onderwerpen. Naarmate ik krachtiger werd, wist ik beter mijne plaats te bewaren, mij te doen eerbiedigen. De kleine schermutselingen, diezoo al eens onder ons voorvielen, waren eene goede oefenschool en bezorgden mij, door de vele kleine overwinningen, eene vreedzame onzijdigheid. Vocht ik wel eens met de ouderen en was ik daarbij niet gelukkig, toch had ik het voorrecht dat ik, om de toenemende hardheid mijner vuisten, meer en meer door elk, Murphy hiervan niet uitgezonderd, met volkomen vrede gelaten werd.Aan mijn betere opvoeding had ik bovendien een zedelijk overwicht in de voor-longroom te danken. Doch helaas! ook dit was werkelijk slechts weinig in mijn waar belang. Ik werd daardoor in veel opzichten de vraagbaak en albeslisser bij letterkundige twisten, en liet mij daarop weer veel te veel voorstaan. Mijn omgang werd dikwijls gezocht; dit bracht mij menigmaal in minder gewenschte gezelschappen. Ik had een goede stem en bespeelde een paar muziekinstrumenten; hieraan had ik veel vrijaf in den dienst, en tal van uitnoodigingen in de officiers-longroom te danken, waar ik meer wijn en grog te drinken en meer onbehoorlijke gesprekken te hooren kreeg, dan mij dienstig waren.Wij kregen bevel tot een kruistocht op de Fransche kust, en daar nu de jongste haven-admiraal een oude grief tegen onzen kolonel had, zwoer hij bij hoog en laag, dat wij dadelijk uitzeilen zouden, klaar of niet klaar. Het sein daartoe werd geheschen op het oogenblik, dat wij aan weerszijden bezig waren water en victualie, buskruit en munitie van de lichters in te hijschen en de halfdeksbatterij nog geheel en al van zijne plaats stond. Schot op schot viel van de Royal William, te gelijk met het sein tot anker lichten door de Gladiator, het vlaggeschip van den haven-admiraal, herhaald.De commandant, eenigszins bevreesd voor het mogelijk, per telegraaf, verkeerd overbrengen van het relaas naar Londen, en wellicht inziende, dat hij het wel wat veel op den eersten officier had laten aankomen, gaf den last om er maar goedschiks aan te voldoen; alles werd met onvergefelijken spoed aan boord gesmeten, wat niet op het schip thuis behoorde naar den wal gejaagd, het anker gelicht, de zeilen in top geheschen en voort ging het met een flinke Noordelijke bries, over de roede van Yarmouth langs de Needles in zee, in een staat van verwarring, zooals ik nooit meer hoop te aanschouwen.De schout-bij-nacht sir Hurricane Humbug stond, zooals ik later vernam, boven bij de strandbatterij naar ons te kijken en mompelde:»Die verd..... kerel!” (onzen kolonel bedoelende) »daar gaat hij eindelijk. Ik was al bang, dat hij van het lange liggen zich een bank onder het schip gemaakt had!”Dat »haastige spoed, zelden goed is” komt nog meer in zeezaken dan in andere omstandigheden uit. Zoo was het voor ons schip thans bijna noodlottig geworden. Hadden wij een vijand ontmoet, dan zouden wij òf de vlag hebben moeten onteeren door te vluchten, òf genomen zijn geworden. Nauwelijks waren wij de Needles gepasseerd, of de nacht brak aan en daarmede kwam een zware NNW. storm. Alle hens was tot vier uren des morgens in de weer om de sloepen en ankers te sjorren, zijtakels op te brengen, de aan dek gebleven victualie op te ruimen en het onderwant met de stagen aan te zetten, daar dit ten gevolge van het werken van het schip, verontrustend bijgerekt was. Toen dit met groote inspanning ten uitvoer gebracht was en de kanonnen buitengewoon gesjord waren, ging de storm in een orkaan over.Ongeveer te negen uren des morgens viel een, pas kort te voren te Portsmouth aangeworven, marinier overboord; en hoewel nu verscheidene ferme gasten in een van de sloepen sprongen en verzochten, dat deze zoude gestreken worden om hem te redden, werd zulks door den commandant geweigerd, daar hij koel berekende, dat de kans grooter was om zeven man er bij te verliezen dan dien eenen te redden,—en zoo werd de arme kerel aan zijn lot overgelaten. Wel lag het schip bij en had geene vaart, doch het dreef veel harder dwars uit, dan de ongelukkige, die evenwel een uitstekend zwemmer bleek te zijn, zwemmen kon.Het was zeer hard, om de krachtige, maar onvoldoende pogingen aan te zien, die de arme man aanwendde om het schip weer te bereiken; al zijne inspanning had alleen tot uitwerking, zijn doodstrijd te verlengen. Wij bleven hem in ’t zicht houden tot hij eene mijl aan loevert was, nu eens op den kop eener berghooge golf, dan weer in de diepte tusschen twee golven wegzinkende; eindelijk zagen wij niets meer! Zijn droevig einde werd lang in het schip betreurd. Destijds meende ik, dat het wreedheid van den commandant was, om niet de sloep tot zijne redding van boord te zenden; maar nu ik meer ondervinding heb, denk ik er anders over en ben overtuigd, dat hij alleen uit harde noodzakelijkheid van twee rampen de minste koos.Het lot van dezen jongen man was een ernstige waarschuwing voor mij. Ik had mij aangewend erg roekeloos te zijn en met nieuwaangeleerde acrobatische toeren te koop te loopen, zoodat enkele oude kwartiermeesters en sommige officieren reeds voorspeld hadden, dat het slecht met mij af zou loopen. Er was alleen verschil van meening of ik verdrinken zou, dan wel bestemd was mijn nek te breken; voor het laatste deed ik genoeg mijn best door als een aap in het tuig op en neer te vliegen. Geen van der marsgasten was daarin zoo vlug als ik. Ik liep over de marsraas tot aan den nok uit, zonder mijne handen vast te houden, ging langs de stagen van mast tot mast, of gleed in een oogwenk langs het marseval naar omlaag; en daar ik een volleerd zwemmer was, telde ik de kans om te verdrinken al zeer weinig. Toen ik echter dien armen marinier had zien verdrinken, die even goed, zoo niet beter dan ik zwemmen kon, werd ik veel voorzichtiger. Ik had opgemerkt, dat er gevallen kunnen voorkomen, waarin zwemmen nutteloos is; en hoe gezien ik ook bij de matrozen mocht wezen, was het duidelijk dat, zelfs al ontbrak het hun niet aan den goeden wil, zij daarom nog niet altijd in de mogelijkheid zouden zijn om mij te hulp te komen. Van dien tijd afpasteik boven wat meer op mijn tellen.Kort nadat wij in zee gestoken waren, gebeurde er iets, dat mij een groote voldoening gaf. Murphy, wiens aard er toe leidde om tegen iedereen, dien hij de baas meende te zijn, onbeschoft te wezen, kreeg twist met een bedaard, hoogst fatsoenlijk jongmensch, een adelborst, die slechts tijdelijk aan boord was als passagier, om overgevoerd te worden naar zijn eigen, in de Golf van Biskaye kruisend schip. De jonge man, gevoelig voor die onbehoorlijke behandeling, daagde Murphy tot vechten uit, wat door dezen werd aangenomen; maar daar onze passagier aangenomen had om bij den commandant te gaan dineeren, stelde hij voor den strijd tot na tafel uit te stellen, daar hij liever niet met een blauw geslagen oog in de kajuit wilde verschijnen. Murphy beschouwde dit als een voorwendsel en beleedigde zijne tegenpartij nog eens opnieuw, door hem toe te voegen, dat hij niet durfde, als hij niet door den wijn opgewonden was en dat hij stellig wel niet vechten zou, als hij aan tafel geen wijn genoeg te drinken had gekregen.De kordate jongeling gaf geen antwoord op dien schimp; hij kleedde zich en ging naar de kajuit. Het diner was voorbij, en na het opzetten van de wacht, riep hij Murphy op de achterkoebrug, waar hij hem een pak slaag toediende, zooals hij nog nooit in zijn leven gehad had. Het gevecht, of beter gezegd, het pak, duurde niet langer dan een kwartier,en de jonge bovenrolsgast legde daarbij zooveel handigheid aan den dag en maakte zoo’n uitmuntend gebruik van zijne vuisten, dat de ruwe kracht van zijn vijand dezen niets baatte, hij slechts verdedigender wijze kon te werk gaan, en blijde was zich in het logies terug te kunnen trekken, in koor uitgejouwd door al de adelborsten, waarbij ik zorgde niet achter te blijven. Met zoo’n duidelijk bewijs voor oogen van de voordeelen der kunst van zelfverdediging, besloot ik mij daarop bijzonder toe te leggen; met den jongen vreemdeling als leermeester, werd ik in korten tijd zoo’n goed bokser, dat ik Murphy en zijn aanhang gerust staan durfde.Op één gedeelte van mijnen dienst had ik, eerlijk moet ik er voor uitkomen, veel tegen: dit was het wacht doen met den nacht. Ik was een liefhebber van slapen en kon ’s avonds na tien uren mijne oogen niet meer openhouden. Er was volstrekt niets tegen te doen; vergeefs besproeiden mijn eigen kameraden mij zeer vrijgevig uit eene puts met water, vergeefs werd ik onderhouden of bestraft door den eersten officier,—als de eerste helft van mijne wacht om was, kon niets mijnslapendegeestkracht doen ontwaken. Ik was een der dweepziekste dienaars van den god Morpheus; en in zijne vereering leed ik allerlei vervolging. De eerste officier nam mij op zijn eigen wacht en beproefde alle mogelijke middelen, zoowel met goedheid, als met strengheid, om mij die hebbelijkheid af te leeren. Ik wist steeds aan zijn waakzaam oog te ontsnappen en hier of daar een verborgen hoek te vinden, om het overige van de wacht te slapen; en den volgenden morgen werd ik even geregeld naar de voormars gezonden, om het grootste deel van den dag te boeten voor mijne tekortkomingen in de duisternis. Ik geloof, dat ik van mijne twee eerste dienstjaren wel de helft van mijne wakende uren in de bovenste verdiepingen doorbracht.Dáár zorgde ik evenwel altijd boeken bij mij te hebben, en zeker sleet ik zóó beter en gezonder mijn tijd, dan ik anders omlaag in ons donker logies zou gedaan hebben. Mr. Handstone, ofschoon een lastig zeeschip, was op-en-top een gentleman; veel belang stellende in de jonge, onder hem dienende officieren, deed hij alle moeite hen voort te helpen en te onderrichten. Meermalen onderhield hij mij ernstig over deze onbehoorlijkheid in mijn gedrag; mijn antwoord was trouw, dat ik daarvan evenzeer overtuigd was als hijzelf, maar dat ik er niets aan kon veranderen; dat ik alle straffen daarvoor eerlijk verdiende, en mijin dit opzicht geheel op zijne goedheid verliet. Dikwijls riep hij mij op de wacht te loefwaarts bij zich en knoopte een gesprek aan over alles wat hij meende, dat mij belangstelling kon inboezemen of opwekken. Bemerkende, dat ik nog al veel aan geschiedenis had gedaan, vroeg hij dikwijls mijne zienswijze, of gaf zijne eigene met een groote dosis gezond verstand; maar altijd werd op een gegeven oogenblik het gewicht mijner oogleden zoo zwaar, dat ik soms, als hij midden in eene lange redeneering was, stil de kuiltrap wist af te sluipen en hem zijne slot-oratie tegen de wolken liet ten einde brengen.Nu, dit was toch wel een beetje al te erg en werd ook als zoodanig beschouwd. Ik had niet alleen dienstverzuim gepleegd, maar ook gebrek aan eerbied aan mijn meerdere getoond. Bovendien was hij nog het meeste boos geworden, omdat hij mijn verdwijnen eerst opgemerkt had uit de kwalijk verborgen vroolijkheid van het andere wachtpersoneel.Eindelijk werd mijne ongenade bij hem voltooid door eene handeling, waarbij ik echter niet alle schuld had. Eens op een morgen had hij mij reeds te zeven uren naar de vóórbramzaling gezonden, en liet mij daar, hetzij omdat hij in een kwade luim was, hetzij doordien hij mij vergat, den geheelen dag blijven. Toen hij omlaag ging om te eten, liet ik mij in de mars zakken, vond daar een gezellig plekje om te slapen in een der bramlijzeilen, en had den uitkijk boven opgedragen mij te wekken, als de eerste officier weer aan dek kon komen. Juist was ik druk in den dienst van mijn geliefden god Morpheus, de uitkijk had verzuimd een oogje op de achtertrap te houden, de eerste officier kwam op dek, en zich mijner herinnerende, keek hij naar boven en riep mij toe.Die stem hoorende, schrikte ik op en klom aan den voorkant der steng weer zoo vlug mogelijk naar boven, hopende dat hij mij bij de reeds ingevallen schemering niet zien zou. Maar ik had hierin misgerekend. Hij zag, wat voor alle partijen maar beter was geweest niet te zien. Hij riep de drie man die in de mars werkzaam waren toe hem te zeggen, waar ik mij bevond. Zij antwoordden: »Op de zaling.” »Wat!” schreeuwde Handstone, met een vloek er op: »wilt ge soms vertellen, dat ik hem niet duidelijk juist naar boven zag klimmen?”»Neen, mijnheer,” antwoordden de matrozen, »hij zit nu zeker op de bramzaling te slapen.”»Kom allen naar omlaag, jelui leugenbeesten,” beval de eerste officier »en ik zal je leeren waarheid te spreken!”Ik, die op dat oogenblik kalm mijnen strafzetel weer ingenomen had, kreeg ook bevel om af te komen; alle vier moesten wij op ’t halfdek komen, waar wij volgenderwijze ondervraagd werden:»Welnu” zeide de eerste officier tegen den marsgast, »hoe durft gij zeggen, dat de jonker op de zaling zat, terwijl ik hem met eigen oogen langs de marsdraaireep zag opklimmen?”Het speet mij voor de kerels, die om mij te helpen, zich in moeielijkheden hadden gewerkt, en ik wilde juist met de volle waarheid voor den dag komen, toen tot mijne groote verbazing de man stoutweg antwoordde: »Ik verzeker u, dat hij op de zalingzat, mijnheer, op mijn eerewoord.”»Uw eerewoord!” riep de eerste officier verachtelijk. Daarop zich achtereenvolgens tot de beide andere mannen wendende, deed hij hun dezelfde vraag en ontving hetzelfde besliste antwoord; dit was zoo sterk, dat ik mij nu al begon in te beelden, dat ik werkelijk boven gebleven was en de rest maar gedroomd had. »En nu, mijnheer,” wendde hij zich het laatste tot mij, »ik vraag u thans op uw woord van eer als officier en als fatsoenlijk man: waar waart gij, toen ik het eerste naar boven riep?”»Op de zaling, sir,” was mijn antwoord.»Dan zal ik het aannemen,” zeide hij; »daar gij officier en gentleman zijt, ben ik verplicht u te gelooven.” Hierop keerde hij zich om en ging heen woedend, zooals ik hem nog nooit gezien had.Ik begreep duidelijk, dat hij mij toch niet geloofde en dat ik nu voortaan voor goed uit zijne gunst was. Maar als men nu eens onpartijdig over mijne handeling wil nadenken, hoe kon ik in dit geval anders gedaan hebben? Men had mij bepaald op de bramzaling vergeten; ik was al mijn eten misgeloopen; en die arme matrozen hadden alleen om mij voor straf te vrijwaren, een onbeschaamden leugen verteld, met groote kans om daarvoor een pak op hun broek op te loopen. Had ik hen nu in den steek gelaten, dan zouden zij hiervan niet vrijgekomen zijn, en ikzelf zou bij iedereen aan boord afgedaan hebben; vandaar dat ik werkelijk meende, dat ik als man van eer en van fatsoen verplicht was een leugen te vertellen, ten einde die arme kerels voor een zeer wreede bestraffing te vrijwaren.Ware ik alleen in deze zaak betrokken gebleven, ik zou zeker, ofschoon geen aanspraak op martelaarschap beoogende, eerlijk de waarheid hebben gezegd. Het was alles de schuld van den eersten officier zelf: ten eerste was hij begonnen met te gestreng te zijn, en ten tweede had hij het onderzoek in eene zaak van zoo ondergeschikt belang veel te ver doorgezet. Toch hinderde het mij geweldig, dat ik er in was geraakt; zoodra dan ook de eerste officier genoegzaam bekoeld was, zoodat ik veronderstellen kon, dat de betrokken matrozen vrij van straf zouden blijven, ging ik naar hem toe en verklaarde hem mijn gedrag en den tweestrijd, waarin ik geweest was. Hij ontving mijne excuses zeer koel en nooit zijn wij weer goede vrienden geworden.Onze kolonel, die nog al vermetel was, slaagde er in den vijand op de Fransche kust eenig nadeel toe te brengen. Ik zag kans om bij een onzer sloepen-expedities mede te slippen; wij landden, overrompelden een batterij en vernagelden de stukken. De Fransche soldaten vluchtten in aller ijl en gaven ons gelegenheid om eenige visschershutten te plunderen. Ik liep met de anderen mede om ook eenigen buit te snappen, en..... ik snapte een koopje. Buiten een der hutten lag een kolossale visch met den bek open; ik stak er een vinger in om hem weg te sleepen; maar mijne vangst was nog allesbehalve dood, hapte toe en beet mij het vleesch door tot op het been. Mijn bloed vloeide, en dit was het eenige dat deze tocht ons gekost heeft.Ofschoon ik er zelf ook aan schuldig was, kon ik dat plunderen door de anderen niet goed aanzien. De matrozen kaapten allerlei dingen, waar zij letterlijk niets aan hadden, om weer weg te smijten in ruil voor even nuttelooze dingen. Meermalen bedacht ik later dat ik voor mijn aandeel behoorlijk gestraft werd en dat het ook niet aanging geheel onschuldige, ongelukkige wezens de ellende van den oorlog te laten medegevoelen. Onze volgende ontmoeting had echter nog meer ernstige gevolgen voor de grootste, de onschuldigste slachtoffers van den oorlog, waarvan de bewerkers intusschen rustig op hunne donzen bedden sliepen, als hadden zij aan dat alles geen deel.

Aan de deur van ons huis gekomen, liet ik zachtjes den klopper vallen, zei geen woord tegen den bediende die mij de deur opende, doch stoof met een groote drukte de eetzaal in, waar ik als een dakpan binnen en mijne moeder om den hals viel. »Goede hemel, mijn kind!” was al wat zij kon uitbrengen, vóór zij flauw viel. Mijn vader, die juist de helft van zijn bord soep verorberd had, vloog op, om mij te omhelzen en om moeder bij te brengen. Het geheele gezelschap rees overeind alseen vlucht opgeschrikte patrijzen; een van de dames zou juist een lepel soep aan den mond brengen, toen haar buurman haar die met de elleboog uit de handen sloeg, waardoor zij een spiksplinternieuwe zijden japon bedierf; ons kleine schoothondje Carlo hief een oorverdoovend gekef aan; kortom, ik had er niet beter in kunnen slagen om de grootst mogelijke verwarring teweeg te brengen.

Goede hemel, mijn kind!Goede hemel, mijn kind!Pag. 45.

Goede hemel, mijn kind!

Pag. 45.

Langzamerhand kwam alles tot rust en mijn moeder ook weer bij,—mijn vader schudde mij de hand,—de gasten stemden overeen in de verklaring, dat ik een knappe, belangwekkende jongen was, de dames namen weer plaats, en het was mij aangenaam te kunnen opmerken, dat ik den eetlust niet had verstoord. Ik was in de gelegenheid spoedig te toonen dat ik hierin niet achterlijk was. De ontberingen, van het scheepsleven hadden mij van een goede tafel niet afkeerig gemaakt, en ik speelde mijn partij goed mede, als de heeren op mijn gezondheid dronken. De tot mij gerichte vragen wist ik alle even vloeiend te beantwoorden, en ik was zoo woordenrijk, dat de vragers zeker wel eens spijt kregen mij aan den praat gebracht te hebben.

Ik gaf een opgesmukte beschrijving van den zeeslag, sprak, opgeblazen als ik was, met lof over sommige van de vlag- en hoofdofficieren, haalde minachtend mijne schouders op over anderen en beschuldigde er zelfs eenigen van niets minder dan lafhartigheid. Nu en dan gebruikte ik, om mijn woorden meer kracht bij te zetten, een hartigen vloek; dan keek mijn vader ernstig, hief mijn moeder bestraffend een vinger op, lachten de heeren en zeiden de dames heel toegefelijk: »zoo’n jongen!—wat een vuur—wat een verrukking—wat heeft hij opgemerkt!” Zij brachten het hierdoor echter niet verder bij mij, dan dat ik ze in mijzelf met den naam van »domme ganzen” betitelde.

Des anderen daags, toen de hartelijkheid van het wederzien nog niet bekoeld was, bracht ik bij het ontbijt bij mijne ouders mijne kist met goed ter sprake; toevallig gaf, gelukkig voor mij, mijn vader juist hiertoe aanleiding, door te vragen, hoe mijne kleeren zich gehouden hadden.

»Vrij treurig,” zeide ik, onder het verwerken van mijn derde eitje, (ik was nog uitgerammeld van den honger).

»Vrij treurig?” herhaalde mijn vader. »Mij dunkt, gij waart toch in allen deele ruim voorzien.”

»Dat is zoo, vader,” zeide ik; »maar u kunt u geene voorstelling maken,van wat het zeggen wil, als een schip klaar voor ’t gevecht wordt gemaakt; al wat niet te heet of te zwaar is om aan te pakken, wordt overboord geslingerd met eene handigheid, zooals.... zooals ik bijvoorbeeld deze boterham inneem. »Van wie is die steken-doos?”—»Van Mr. Spratt, mijnheer.”—»Die verd..... Mr. Spratt, ik zal hem leeren hoe hij een andermaal op zijn steken-doos moet passen; weg er mee”—en over de lijvalreep zeilde de doos in zee. Spratt’s vader was een hoedenmaker in Londen, wij lachten er dus om.”

»Eilieve Frank,” vroeg mijne moeder, »deden zij met uw doos ook zoo?”

»Zij ging denzelfden weg op. Ik keek haar na, toen zij naar achteren dreef, en kreeg tranen in de oogen, toen ik bedacht, hoe boos u zoudt zijn.”

»Maar de kist, Frank, wat is er met uwe kist gebeurd? Ge hebt gezegd, dat die Vandalen ten minste zware voorwerpen ontzagen, en de uwe was, ik heb nog de rekeningen liggen, van een eerbiedwekkend gewicht.”

»Dat is zoo, vader; hoeveel lichter zij haar ook gemaakt hebben, den eersten dag in zee. Ik lag er op,—zoo zeeziek als een hond,—toen de eerste officier en de luitenant van de week omlaag de ronde deden na het schoonschip maken; ik en mijne Noachs arke lagen in den weg.—»Wel, wien hebben wij daar?” zeide mijnheer Handstone. »O, het is jonker Mildmay maar, met zijn kist,” zeide de sergeant van de mariniers, van wiens terrein ik erkennen moet een stuk in beslag genomen te hebben. »Zoo!” herhaalde de eerste officier, »ik zag het aan voor een van de pijlers van de nieuwe brug, en de eigenaar voor een dronken Ierschen heibaas.”—Ik was te ziek om op hunne woorden te letten.”

»Gij laat uw ontbijt in den steek,” waarschuwde mijn zuster.

»O, ik wil graag nog een half broodje en een kop koffie,” zeide ik.

»Die arme jongen!” zeide mijne moeder, »wat moet hij uitgestaan hebben!”

»O, ik heb nog lang niet alles verteld, beste moeder; het is een wonder, dat ik het er levend afgebracht heb.”

»Levend afgebracht!” zeide mijne tante Julia. »Hier is een kleinigheid, beste jongen, voor de vernieuwing van hetgeen gij in dienst van den lande verloren hebt. Wel, flinke vent! wat zouden wij er naar aan toe zijn, als wij geen zeelui hadden!”

Ik stak de kleine gift—het was een bankje van tien pond—op, maakte een eind aan mijn ontbijt, door de toevoeging van een snede ham op een Fransch broodje, aan de reeds ingescheepte eetwaren en vervolgde mijn verhaal. »Het eerste wat Mr. Handstone zeide was, dat mijn kist veel te groot was; daarop liet hij volgen:»Roep mij den timmerman hier.—Kijk, baas, neem deze kist onder handen; er moet minstens een voet in de lengte, en een voet in de hoogte af.”—»Best, meneer,” zeide de baas. »Kom jonker, ga er eens af en geef mij den sleutel.” Zoo ziek als ik was, begreep ik volkomen, dat hier noch tegenwerpingen, noch smeekingen zouden baten; dus scharrelde ik van mijne ligplaats af, gaf den sleutel aan den timmerman, die de kist openmaakte, en met de noodige vlugheid al mijn schatten op het dek uitpakte. Spoedig had ik al de adelborsten om mij heen. De potjes met confituren en het krentenbrood, door u, beste aller moeders, met zoo veel zorg ingepakt, werden voor mijn oogen verdeeld en verslonden. Een hunner stak zijn morsigen poot in een pot vlierbessen-gelei, die u mij medegegeven hadt voor het geval van verkoudheid, en hield mij een handvol voor den mond, en dat, terwijl hij wist, dat ik het zoo te kwaad had met de zeeziekte.”

»O,” riep mijne zuster, »ik zal nooit van mijn leven weer gelei kunnen zien!”

»Die ruwe vlegels!” zei tante.

»Om kort te gaan,” vervolgde ik, »al wat bruikbaar was, werd ingerekend, en daar ik mij zoo ziek gevoelde, liet mij dit onverschillig; maar toen zij op een lachenden toon oneerbiedig over u, dierbare moeder, begonnen te spreken, werd ik woedend en zou hen aangevlogen zijn.”

»Nu ’t is niets, mijn jongen,” zeide moeder. »Wij zullen alles wel weer in orde brengen.”

»Ja, dat zal wel dienen,” bracht vader hiertusschen in; »maar als ’t je blieft, geen confituren of koek meer, mijn waarde.—Vertel verder, Frank!”

»Wel, vader, een half uur later was mijn kist weer klaar; maar nu zij toch eens aan het afzagen waren, hadden zij er nog best een voet meer af kunnen nemen, want er bleef ruimte te over om op te bergen, wat men mij overgelaten had. De ledige potjes kwamen natuurlijk aan de mariniers, om hun poetsolie in te bewaren; en daar eenige andere zwareartikelen weggekaapt waren, was ik niet meer in zorg waar ik die stoppen moest. Daarna, dat weet u, kwam de zeeslag, en toen gingen kist en hangmat, de heele rommel naar den——.”

»Worden bij zoo’n gelegenheid alle kisten en kooigoederen overboord geworpen?” vroeg mijn vader, mij in de oogen ziende met een strengen, uitvorschenden blik, dien ik moeite had om te doorstaan.

»Ja, altijd alles wat in den weg staat, en mijn kist hinderde, en voort er mede. Ik had vreeselijk het land; maar u begrijpt, dat ik den eersten officier niet kon aanvliegen; zij zouden mij behoorlijk aan een der raas opgeknoopt hebben.”

»De Hemel zij gedankt, lieveling, dat gij u ingehouden hebt,” zeide mijn moeder. »Wat gebeurd is, kan hersteld worden, maar zoo iets zou ik nooit te boven gekomen zijn. En uwe boeken, wat is daarmede gebeurd?”

»Alles ging mede. Zij liggen ergens vóór de straat van Gibraltar;—ik ben ze alle kwijt, behalve mijn Bijbel; die is gered, omdat ik er juist daags vóór het gevecht in had liggen lezen.”

»Voortreffelijke jongen!” riepen moeder en tante in koor uit, »ik weet zeker, dat hij de waarheid zegt.”

»Ik hoop het,” zeide mijn vader droogjes; »maar men moet toch erkennen, dat die zeegevechten, hoe roemrijk ook voor Oud-Engeland, zeer kostbare genoegens zijn voor de ouders van jonge adelborsten, tenzij die jongens er zelf hun hachje bij inschieten.”

Of mijn vader nu wantrouwig begon te worden, dan wel tegen nog meer vragen opzag, uit vrees van nog meer sterke stukjes te hooren, weet ik niet; maar ik was blijde, dat het verhoor een einde had genomen en ik met goed fatsoen weg kon gaan. Tot mijn schande moet ik zeggen, dat de Bijbel, die zoo goed dienst had gedaan om mij moeders gunst te verzekeren, slechts ééns open was geslagen sedert ik van huis ging, en dat was om na te zien of er ook bankbriefjes tusschen de bladen in weggestopt waren, wat ik gehoord had, dat men wel eens meer bij jongelui deed om te zien of zij wel trouw in dat Boek lazen.

Mijn nieuwe eischen werden alle ingewilligd met te meer spoed, daar ik thuis erg lastig begon te worden; mijn zee-manieren waren dikwijls erg stuitend in onze huiskamer. Mijn moeder, tante en zuster waren heel andere dames dan die, welke ik in onze zeeplaatsen ontmoethad. Mijn vloeken en den baas spelen over onze bedienden was zeer hinderlijk en bracht er toe bij, dat men tegen mijn ophanden vertrek niet erg opzag. Met blijdschap hoorde men mij het einde van mijn verlof aankondigen. Daar ik er nu alles van gehad had, kon ik de familie koeltjes verlaten, en toen de wagen vóórkwam, sprong ik er in, reed naar het Gouden Kruis, en meldde mij den volgenden morgen weer aan boord.

Door het meerendeel mijner kameraden werd ik hartelijk verwelkomd; Murphy en een paar zijner trawanten deden daarin niet mede. Geen enkel oogenblik dacht ik met wroeging aan de leugens en huichelarij, waarmede ik mijne brave ouders bedrogen en opgelicht had. De lezer zal wel begrepen hebben, dat in het omstandig verhaal omtrent mijne kist geen woord waarheid was, behalve dat verkleinen op last van den eersten officier en het rooven van mijn lekkernijen. Dat ik veel van mijn uitrusting kwijt was, was de waarheid; maar ik had een en ander verloren door eigen zorgeloosheid, niet omdat het overboord geworpen was. Toen ik daags na mijn komst op het schip den sleutel van mijn kist miste, overtuigde de snelle vermindering mijner bezittingen den eersten officier, dat het restant heel wat beknopter kon gepakt worden, en dit had het inkorten van mijn kist ten gevolge.

Mijn nieuwe kleeren bracht ik in een koffer mede, en daar deze zeer handig was, slaagde ik er voortaan in, den boel beter bij elkaar te houden dan vroeger. Het geld, dat mij toegestopt was, vond zijn weg wel. Ik begon eenigszins meer aan mijn uiterlijk te hechten, daar ik opgemerkt had, dat de best gekleede adelborsten in den regel de aangenaamste dienstbaantjes hadden. Ik werd daardoor dikwijls aangewezen om gezelschappen met dames, die het schip kwamen bekijken of bij commandant of officieren kwamen dineeren, met de sloep af te halen. Ik had tamelijk veel praats en was geen onknappe jongen, en hoewel nog al ontwikkeld, had ik bij de dames veel vóór, omdat ik zoo’n aardig, lief jonkertje was, zoo schijnbaar doodonschuldig van hart en manieren. De reden was, dat ik aan boord onder heel wat strenger tucht stond, dan in het ouderlijk huis, waar ik mijn vader, die overigens een zeer knap man was en zijn wereld wel kende, doch van zeezaken verbazend slecht op de hoogte was, in een zekeren zin, als hij op mijn terrein kwam, behandelde als dien ondermeester: ook hij en zijn gansche gezelschap gingen kopje onder in den vijver hunner onwetendheid. Zoogroot is de macht van plaatselijke kennis en slimheid over abstracte wetenschap en ervaring.

Mijn laatste slagen te huis had mijn zelfvertrouwen in niet geringe mate ontwikkeld. Aan schijnbare zedigheid paarde ik eene onovertroffen schaamteloosheid en hierin won ik het verre van mijne tijdgenooten. Ik meen hiermede van mijne jongensjaren voor goed te kunnen afstappen. De drie eerste proefjaren van een leven als adelborst leveren alleen lotgevallen, die als zij in alle bijzonderheden verteld werden, meer zouden tegenstaan dan met genoegen worden gelezen en veel eer tot een afschrikkend dan een aanmoedigend voorbeeld zouden strekken; stilzwijgend stap ik dus dien tijd voorbij om over te gaan tot mijn leeftijd van zestien jaren, toen ik reeds zeer opgeschoten was en een uiterlijk voorkomen had gekregen, waarop ik met recht meende trotsch te mogen zijn.

In allen deele, behalve waar het godsdienst en zedelijkheid betrof, hield de vooruitgang van mijn geest gelijken tred met dien van mijn lichaam. In moraliteit kwam ik meer en meer te kort, ja er brak een tijd aan, dat ik die, als nuttelooze lading, als ballast, overboord had gezet. Bij mijn flink gebouwd lichaam deed de verdorvenheid mijner ziel slechts denken aan een prachtig gepleisterd praalgraf, waarin van binnen bederf heerschte,—aan een prachtige slang, die, in weerwil van hare gouden en azuren schubben, een hevig gif verborg. Ik koesterde hooghartigheid, wraakzucht, bedrog en eigenliefde;—mijne beste vermogens gingen op in de onedelste bedoelingen.

In de kennis van mijn vak maakte ik goede vorderingen. Het was mij toen een groot genoegen mij daarvoor in te spannen. Hierbij had ik het voorrecht om aan mijne eigene krachten overgelaten te zijn, daar ik nog steeds met mijn oudere collega’s op een gespannen voet was en daardoor weinig voortgeholpen werd. Kostte het mij wat meer moeite, het geleerde kwam er beter bij mij in door eigen onderzoek. Door den tijd werd ik een goed navigateur, en tevens een bekwaam zeeman.

Mijne verhouding tot de jongere adelborsten en ook tot de mindere schepelingen liet weinig te wenschen over. Ik was zoowel te trotsch om zelf een tiran te zijn, als om mij aan de dwingelandij van anderen te onderwerpen. Naarmate ik krachtiger werd, wist ik beter mijne plaats te bewaren, mij te doen eerbiedigen. De kleine schermutselingen, diezoo al eens onder ons voorvielen, waren eene goede oefenschool en bezorgden mij, door de vele kleine overwinningen, eene vreedzame onzijdigheid. Vocht ik wel eens met de ouderen en was ik daarbij niet gelukkig, toch had ik het voorrecht dat ik, om de toenemende hardheid mijner vuisten, meer en meer door elk, Murphy hiervan niet uitgezonderd, met volkomen vrede gelaten werd.

Aan mijn betere opvoeding had ik bovendien een zedelijk overwicht in de voor-longroom te danken. Doch helaas! ook dit was werkelijk slechts weinig in mijn waar belang. Ik werd daardoor in veel opzichten de vraagbaak en albeslisser bij letterkundige twisten, en liet mij daarop weer veel te veel voorstaan. Mijn omgang werd dikwijls gezocht; dit bracht mij menigmaal in minder gewenschte gezelschappen. Ik had een goede stem en bespeelde een paar muziekinstrumenten; hieraan had ik veel vrijaf in den dienst, en tal van uitnoodigingen in de officiers-longroom te danken, waar ik meer wijn en grog te drinken en meer onbehoorlijke gesprekken te hooren kreeg, dan mij dienstig waren.

Wij kregen bevel tot een kruistocht op de Fransche kust, en daar nu de jongste haven-admiraal een oude grief tegen onzen kolonel had, zwoer hij bij hoog en laag, dat wij dadelijk uitzeilen zouden, klaar of niet klaar. Het sein daartoe werd geheschen op het oogenblik, dat wij aan weerszijden bezig waren water en victualie, buskruit en munitie van de lichters in te hijschen en de halfdeksbatterij nog geheel en al van zijne plaats stond. Schot op schot viel van de Royal William, te gelijk met het sein tot anker lichten door de Gladiator, het vlaggeschip van den haven-admiraal, herhaald.

De commandant, eenigszins bevreesd voor het mogelijk, per telegraaf, verkeerd overbrengen van het relaas naar Londen, en wellicht inziende, dat hij het wel wat veel op den eersten officier had laten aankomen, gaf den last om er maar goedschiks aan te voldoen; alles werd met onvergefelijken spoed aan boord gesmeten, wat niet op het schip thuis behoorde naar den wal gejaagd, het anker gelicht, de zeilen in top geheschen en voort ging het met een flinke Noordelijke bries, over de roede van Yarmouth langs de Needles in zee, in een staat van verwarring, zooals ik nooit meer hoop te aanschouwen.

De schout-bij-nacht sir Hurricane Humbug stond, zooals ik later vernam, boven bij de strandbatterij naar ons te kijken en mompelde:»Die verd..... kerel!” (onzen kolonel bedoelende) »daar gaat hij eindelijk. Ik was al bang, dat hij van het lange liggen zich een bank onder het schip gemaakt had!”

Dat »haastige spoed, zelden goed is” komt nog meer in zeezaken dan in andere omstandigheden uit. Zoo was het voor ons schip thans bijna noodlottig geworden. Hadden wij een vijand ontmoet, dan zouden wij òf de vlag hebben moeten onteeren door te vluchten, òf genomen zijn geworden. Nauwelijks waren wij de Needles gepasseerd, of de nacht brak aan en daarmede kwam een zware NNW. storm. Alle hens was tot vier uren des morgens in de weer om de sloepen en ankers te sjorren, zijtakels op te brengen, de aan dek gebleven victualie op te ruimen en het onderwant met de stagen aan te zetten, daar dit ten gevolge van het werken van het schip, verontrustend bijgerekt was. Toen dit met groote inspanning ten uitvoer gebracht was en de kanonnen buitengewoon gesjord waren, ging de storm in een orkaan over.

Ongeveer te negen uren des morgens viel een, pas kort te voren te Portsmouth aangeworven, marinier overboord; en hoewel nu verscheidene ferme gasten in een van de sloepen sprongen en verzochten, dat deze zoude gestreken worden om hem te redden, werd zulks door den commandant geweigerd, daar hij koel berekende, dat de kans grooter was om zeven man er bij te verliezen dan dien eenen te redden,—en zoo werd de arme kerel aan zijn lot overgelaten. Wel lag het schip bij en had geene vaart, doch het dreef veel harder dwars uit, dan de ongelukkige, die evenwel een uitstekend zwemmer bleek te zijn, zwemmen kon.

Het was zeer hard, om de krachtige, maar onvoldoende pogingen aan te zien, die de arme man aanwendde om het schip weer te bereiken; al zijne inspanning had alleen tot uitwerking, zijn doodstrijd te verlengen. Wij bleven hem in ’t zicht houden tot hij eene mijl aan loevert was, nu eens op den kop eener berghooge golf, dan weer in de diepte tusschen twee golven wegzinkende; eindelijk zagen wij niets meer! Zijn droevig einde werd lang in het schip betreurd. Destijds meende ik, dat het wreedheid van den commandant was, om niet de sloep tot zijne redding van boord te zenden; maar nu ik meer ondervinding heb, denk ik er anders over en ben overtuigd, dat hij alleen uit harde noodzakelijkheid van twee rampen de minste koos.

Het lot van dezen jongen man was een ernstige waarschuwing voor mij. Ik had mij aangewend erg roekeloos te zijn en met nieuwaangeleerde acrobatische toeren te koop te loopen, zoodat enkele oude kwartiermeesters en sommige officieren reeds voorspeld hadden, dat het slecht met mij af zou loopen. Er was alleen verschil van meening of ik verdrinken zou, dan wel bestemd was mijn nek te breken; voor het laatste deed ik genoeg mijn best door als een aap in het tuig op en neer te vliegen. Geen van der marsgasten was daarin zoo vlug als ik. Ik liep over de marsraas tot aan den nok uit, zonder mijne handen vast te houden, ging langs de stagen van mast tot mast, of gleed in een oogwenk langs het marseval naar omlaag; en daar ik een volleerd zwemmer was, telde ik de kans om te verdrinken al zeer weinig. Toen ik echter dien armen marinier had zien verdrinken, die even goed, zoo niet beter dan ik zwemmen kon, werd ik veel voorzichtiger. Ik had opgemerkt, dat er gevallen kunnen voorkomen, waarin zwemmen nutteloos is; en hoe gezien ik ook bij de matrozen mocht wezen, was het duidelijk dat, zelfs al ontbrak het hun niet aan den goeden wil, zij daarom nog niet altijd in de mogelijkheid zouden zijn om mij te hulp te komen. Van dien tijd afpasteik boven wat meer op mijn tellen.

Kort nadat wij in zee gestoken waren, gebeurde er iets, dat mij een groote voldoening gaf. Murphy, wiens aard er toe leidde om tegen iedereen, dien hij de baas meende te zijn, onbeschoft te wezen, kreeg twist met een bedaard, hoogst fatsoenlijk jongmensch, een adelborst, die slechts tijdelijk aan boord was als passagier, om overgevoerd te worden naar zijn eigen, in de Golf van Biskaye kruisend schip. De jonge man, gevoelig voor die onbehoorlijke behandeling, daagde Murphy tot vechten uit, wat door dezen werd aangenomen; maar daar onze passagier aangenomen had om bij den commandant te gaan dineeren, stelde hij voor den strijd tot na tafel uit te stellen, daar hij liever niet met een blauw geslagen oog in de kajuit wilde verschijnen. Murphy beschouwde dit als een voorwendsel en beleedigde zijne tegenpartij nog eens opnieuw, door hem toe te voegen, dat hij niet durfde, als hij niet door den wijn opgewonden was en dat hij stellig wel niet vechten zou, als hij aan tafel geen wijn genoeg te drinken had gekregen.

De kordate jongeling gaf geen antwoord op dien schimp; hij kleedde zich en ging naar de kajuit. Het diner was voorbij, en na het opzetten van de wacht, riep hij Murphy op de achterkoebrug, waar hij hem een pak slaag toediende, zooals hij nog nooit in zijn leven gehad had. Het gevecht, of beter gezegd, het pak, duurde niet langer dan een kwartier,en de jonge bovenrolsgast legde daarbij zooveel handigheid aan den dag en maakte zoo’n uitmuntend gebruik van zijne vuisten, dat de ruwe kracht van zijn vijand dezen niets baatte, hij slechts verdedigender wijze kon te werk gaan, en blijde was zich in het logies terug te kunnen trekken, in koor uitgejouwd door al de adelborsten, waarbij ik zorgde niet achter te blijven. Met zoo’n duidelijk bewijs voor oogen van de voordeelen der kunst van zelfverdediging, besloot ik mij daarop bijzonder toe te leggen; met den jongen vreemdeling als leermeester, werd ik in korten tijd zoo’n goed bokser, dat ik Murphy en zijn aanhang gerust staan durfde.

Op één gedeelte van mijnen dienst had ik, eerlijk moet ik er voor uitkomen, veel tegen: dit was het wacht doen met den nacht. Ik was een liefhebber van slapen en kon ’s avonds na tien uren mijne oogen niet meer openhouden. Er was volstrekt niets tegen te doen; vergeefs besproeiden mijn eigen kameraden mij zeer vrijgevig uit eene puts met water, vergeefs werd ik onderhouden of bestraft door den eersten officier,—als de eerste helft van mijne wacht om was, kon niets mijnslapendegeestkracht doen ontwaken. Ik was een der dweepziekste dienaars van den god Morpheus; en in zijne vereering leed ik allerlei vervolging. De eerste officier nam mij op zijn eigen wacht en beproefde alle mogelijke middelen, zoowel met goedheid, als met strengheid, om mij die hebbelijkheid af te leeren. Ik wist steeds aan zijn waakzaam oog te ontsnappen en hier of daar een verborgen hoek te vinden, om het overige van de wacht te slapen; en den volgenden morgen werd ik even geregeld naar de voormars gezonden, om het grootste deel van den dag te boeten voor mijne tekortkomingen in de duisternis. Ik geloof, dat ik van mijne twee eerste dienstjaren wel de helft van mijne wakende uren in de bovenste verdiepingen doorbracht.

Dáár zorgde ik evenwel altijd boeken bij mij te hebben, en zeker sleet ik zóó beter en gezonder mijn tijd, dan ik anders omlaag in ons donker logies zou gedaan hebben. Mr. Handstone, ofschoon een lastig zeeschip, was op-en-top een gentleman; veel belang stellende in de jonge, onder hem dienende officieren, deed hij alle moeite hen voort te helpen en te onderrichten. Meermalen onderhield hij mij ernstig over deze onbehoorlijkheid in mijn gedrag; mijn antwoord was trouw, dat ik daarvan evenzeer overtuigd was als hijzelf, maar dat ik er niets aan kon veranderen; dat ik alle straffen daarvoor eerlijk verdiende, en mijin dit opzicht geheel op zijne goedheid verliet. Dikwijls riep hij mij op de wacht te loefwaarts bij zich en knoopte een gesprek aan over alles wat hij meende, dat mij belangstelling kon inboezemen of opwekken. Bemerkende, dat ik nog al veel aan geschiedenis had gedaan, vroeg hij dikwijls mijne zienswijze, of gaf zijne eigene met een groote dosis gezond verstand; maar altijd werd op een gegeven oogenblik het gewicht mijner oogleden zoo zwaar, dat ik soms, als hij midden in eene lange redeneering was, stil de kuiltrap wist af te sluipen en hem zijne slot-oratie tegen de wolken liet ten einde brengen.

Nu, dit was toch wel een beetje al te erg en werd ook als zoodanig beschouwd. Ik had niet alleen dienstverzuim gepleegd, maar ook gebrek aan eerbied aan mijn meerdere getoond. Bovendien was hij nog het meeste boos geworden, omdat hij mijn verdwijnen eerst opgemerkt had uit de kwalijk verborgen vroolijkheid van het andere wachtpersoneel.

Eindelijk werd mijne ongenade bij hem voltooid door eene handeling, waarbij ik echter niet alle schuld had. Eens op een morgen had hij mij reeds te zeven uren naar de vóórbramzaling gezonden, en liet mij daar, hetzij omdat hij in een kwade luim was, hetzij doordien hij mij vergat, den geheelen dag blijven. Toen hij omlaag ging om te eten, liet ik mij in de mars zakken, vond daar een gezellig plekje om te slapen in een der bramlijzeilen, en had den uitkijk boven opgedragen mij te wekken, als de eerste officier weer aan dek kon komen. Juist was ik druk in den dienst van mijn geliefden god Morpheus, de uitkijk had verzuimd een oogje op de achtertrap te houden, de eerste officier kwam op dek, en zich mijner herinnerende, keek hij naar boven en riep mij toe.

Die stem hoorende, schrikte ik op en klom aan den voorkant der steng weer zoo vlug mogelijk naar boven, hopende dat hij mij bij de reeds ingevallen schemering niet zien zou. Maar ik had hierin misgerekend. Hij zag, wat voor alle partijen maar beter was geweest niet te zien. Hij riep de drie man die in de mars werkzaam waren toe hem te zeggen, waar ik mij bevond. Zij antwoordden: »Op de zaling.” »Wat!” schreeuwde Handstone, met een vloek er op: »wilt ge soms vertellen, dat ik hem niet duidelijk juist naar boven zag klimmen?”

»Neen, mijnheer,” antwoordden de matrozen, »hij zit nu zeker op de bramzaling te slapen.”

»Kom allen naar omlaag, jelui leugenbeesten,” beval de eerste officier »en ik zal je leeren waarheid te spreken!”

Ik, die op dat oogenblik kalm mijnen strafzetel weer ingenomen had, kreeg ook bevel om af te komen; alle vier moesten wij op ’t halfdek komen, waar wij volgenderwijze ondervraagd werden:

»Welnu” zeide de eerste officier tegen den marsgast, »hoe durft gij zeggen, dat de jonker op de zaling zat, terwijl ik hem met eigen oogen langs de marsdraaireep zag opklimmen?”

Het speet mij voor de kerels, die om mij te helpen, zich in moeielijkheden hadden gewerkt, en ik wilde juist met de volle waarheid voor den dag komen, toen tot mijne groote verbazing de man stoutweg antwoordde: »Ik verzeker u, dat hij op de zalingzat, mijnheer, op mijn eerewoord.”

»Uw eerewoord!” riep de eerste officier verachtelijk. Daarop zich achtereenvolgens tot de beide andere mannen wendende, deed hij hun dezelfde vraag en ontving hetzelfde besliste antwoord; dit was zoo sterk, dat ik mij nu al begon in te beelden, dat ik werkelijk boven gebleven was en de rest maar gedroomd had. »En nu, mijnheer,” wendde hij zich het laatste tot mij, »ik vraag u thans op uw woord van eer als officier en als fatsoenlijk man: waar waart gij, toen ik het eerste naar boven riep?”

»Op de zaling, sir,” was mijn antwoord.

»Dan zal ik het aannemen,” zeide hij; »daar gij officier en gentleman zijt, ben ik verplicht u te gelooven.” Hierop keerde hij zich om en ging heen woedend, zooals ik hem nog nooit gezien had.

Ik begreep duidelijk, dat hij mij toch niet geloofde en dat ik nu voortaan voor goed uit zijne gunst was. Maar als men nu eens onpartijdig over mijne handeling wil nadenken, hoe kon ik in dit geval anders gedaan hebben? Men had mij bepaald op de bramzaling vergeten; ik was al mijn eten misgeloopen; en die arme matrozen hadden alleen om mij voor straf te vrijwaren, een onbeschaamden leugen verteld, met groote kans om daarvoor een pak op hun broek op te loopen. Had ik hen nu in den steek gelaten, dan zouden zij hiervan niet vrijgekomen zijn, en ikzelf zou bij iedereen aan boord afgedaan hebben; vandaar dat ik werkelijk meende, dat ik als man van eer en van fatsoen verplicht was een leugen te vertellen, ten einde die arme kerels voor een zeer wreede bestraffing te vrijwaren.

Ware ik alleen in deze zaak betrokken gebleven, ik zou zeker, ofschoon geen aanspraak op martelaarschap beoogende, eerlijk de waarheid hebben gezegd. Het was alles de schuld van den eersten officier zelf: ten eerste was hij begonnen met te gestreng te zijn, en ten tweede had hij het onderzoek in eene zaak van zoo ondergeschikt belang veel te ver doorgezet. Toch hinderde het mij geweldig, dat ik er in was geraakt; zoodra dan ook de eerste officier genoegzaam bekoeld was, zoodat ik veronderstellen kon, dat de betrokken matrozen vrij van straf zouden blijven, ging ik naar hem toe en verklaarde hem mijn gedrag en den tweestrijd, waarin ik geweest was. Hij ontving mijne excuses zeer koel en nooit zijn wij weer goede vrienden geworden.

Onze kolonel, die nog al vermetel was, slaagde er in den vijand op de Fransche kust eenig nadeel toe te brengen. Ik zag kans om bij een onzer sloepen-expedities mede te slippen; wij landden, overrompelden een batterij en vernagelden de stukken. De Fransche soldaten vluchtten in aller ijl en gaven ons gelegenheid om eenige visschershutten te plunderen. Ik liep met de anderen mede om ook eenigen buit te snappen, en..... ik snapte een koopje. Buiten een der hutten lag een kolossale visch met den bek open; ik stak er een vinger in om hem weg te sleepen; maar mijne vangst was nog allesbehalve dood, hapte toe en beet mij het vleesch door tot op het been. Mijn bloed vloeide, en dit was het eenige dat deze tocht ons gekost heeft.

Ofschoon ik er zelf ook aan schuldig was, kon ik dat plunderen door de anderen niet goed aanzien. De matrozen kaapten allerlei dingen, waar zij letterlijk niets aan hadden, om weer weg te smijten in ruil voor even nuttelooze dingen. Meermalen bedacht ik later dat ik voor mijn aandeel behoorlijk gestraft werd en dat het ook niet aanging geheel onschuldige, ongelukkige wezens de ellende van den oorlog te laten medegevoelen. Onze volgende ontmoeting had echter nog meer ernstige gevolgen voor de grootste, de onschuldigste slachtoffers van den oorlog, waarvan de bewerkers intusschen rustig op hunne donzen bedden sliepen, als hadden zij aan dat alles geen deel.


Back to IndexNext