Eenentwintigste hoofdstuk.

Eenentwintigste hoofdstuk.Kort nadat het fregat, waarmede ik New Providence verlaten had, den Amerikaanschen prijs, waarover mij het bevel was toevertrouwd, had losgelaten, waren eenigen van onze matrozen eens tegen de Amerikaansche gevangenen aan het bluffen over het prijsgeld, dat zij weer verdiend hadden.»Loopt heen,” zeiden de Yankees; »van dien prijs, evenmin als van degenen, die er op overgegaan zijn, zult gij ooit meer iets vernemen.”Deze woorden werden overgebracht aan den commandant van het fregat; de stuurman en de matrozen werden nader ondervraagd en daardoor kwam de geheele snoode handeling met dat schip aan het licht. Zij verklaarden, dat het schip in zinkenden staat was op het oogenblik, dat zij het verlieten, en om die reden hadden zij zulk eene groote haast gemaakt om in de boot te komen. De stuurman vertelde verder, dat het onmogelijk was om de lekken te bereiken, die geboord waren in de voorpiek en heel achterin, onder de kajuit; dat het hem bevreemdde, dat kapitein Green zulks verzwegen had; het was zeker geweest doordien hij toen dronken was. »Het schip,” vervolgde de stuurman, »moet ongeveer twaalf uren, nadat wij het verlieten, naar den kelder zijn gegaan.”Dit verslag werd opgenomen in het rapport van mijnen commandant aan de admiraliteit, en mijn arme vader kreeg langs officiëelen weg bericht van deze treurige gebeurtenis. Vijf maanden waren er verloopen, sinds men het laatst van mij gehoord had, en alle hoop omtrent mijn behoud was vervlogen: zoo kwam het dat, toen ik klopte aan de voordeur van mijns vaders huis, ik den bediende, die mij opendeed, in de rouw gekleed zag: hij was iemand, die eerst na mijn vertrek in dienst was gekomen en mij dus volstrekt niet kende. Bij gevolg legde hij geene verwondering aan den dag toen hij mij zag.»Goede hemel!” zeide ik, »wie is hier dood?”»Mijnheers eenige zoon, sir,” antwoordde de man, »mijnheer Frank —— is op zee verdronken.”»O! is dat alles?” zeide ik. »Ik dacht, dat het iets veel ergers was.”De man maakte de gevolgtrekking, dat ik een ongevoelig heer was,en keek mij verstomd na, toen ik hem voorbijstoof, en de trappen op, naar de huiskamer liep. Ik had voorzichtiger behoorentezijn; maar, zooals gewoonlijk, volgde ik slechts den aandrang van mijn gevoel. Toen ik de deur opende, zag ik mijne zuster in diepen rouw aan eene tafel gezeten, en tegenover haar eene andere jonge dame, die met den rug naar mij toegekeerd was. Mijne zuster gaf een gil, toen zij mij gewaarwerd. De andere dame keek om, en ik herkende Emilia, ook zij was in het zwart gekleed. Toen mijne zuster een gil gegeven had, was zij bewusteloos op den grond gevallen. Emilia volgdeonmiddellijkhaar voorbeeld, en daar lagen zij samen, als een paar versteende koninginnen in de Westminster-abdij. Het was een schilderachtig, maar geen verkwikkelijk gezicht.Ik was zelf ontzettend verschrikt en begreep, dat ik een dwazen streek had begaan; doch daar er geen tijd te verliezen was, trok ik onstuimig aan de schel, en eenige vazen ziende staan, waarin men pas versche bloemen scheen gedaan te gedaan te hebben, nam ik die op en besproeide den nek van de jonge dames overvloedig met den inhoud; doch Emilia kreeg er het meeste van, hetgeen bewijst, dat ik noch mijne tegenwoordigheid van geest, noch mijne genegenheid voor haar verloren had.Higgins, de kamenier mijner zuster, was de eerste, die om het harde schellen, vreezende dat er iets ernstigs gebeurd was, kwam aanvliegen. Zij rolde als een richochet-kogel de kamer in. Het was eene oude kennis van mij; toen ik nog een jongen was, had ik haar dikwijls gekust, en zij had mij daarvoor even dikwijls een draai om de ooren gegeven. Toen dezeAbigail, mij, dien zij voor eene verschijning hield, rechtop staande en de beide dames, die zij dood waande, op den grond uitgestrekt zag, gaf zij een luiden, angstwekkenden kreet, holde wat zij loopen kon de kamer uit, daarbij den huisknecht, die juist wilde binnenkomen, bijna omverwerpende.Deze, een lompe boerenknaap, de zoon van een van mijns vaders pachters, stak alleen zijn hoofd binnen de deur en zag de dames op den grond liggen; daar de indruk, dien ik op hem gemaakt had, vooral door mijn opvatting van het bericht van mijn eigen overlijden, niet erg gunstig was, geraakte hij totaal in de war en had daardoor den meesten aanleg als een mandarijn te doen, dat is, het hoofd te schudden en geene hand uit te steken.»Laat dadelijk een paar van de meiden hier komen,” riep ik hem toe; »althans iemand, die hier hulp kan verleenen; vertel hen, dat zij vlugzout, eau de cologne—en zulken rommel medebrengen. Gauw, stommeling! Gans! vlug wat. Hoe staat ge mij zoo aan te gapen?”Ik nam een vaas en besproeide de jonge dames met den inhoud.Ik nam een vaas en besproeide de jonge dames met den inhoud.Pag. 259.De knaap zag mij aan, keek toen naar de vermeende lijken, daarbij zeker denkende, dat ik hier de moordenaar was, en hetzij als door den donder getroffen, of in twijfel omtrent mijn recht hem bevelen te geven, bleef hij met het hoofd binnen en zijn lichaam buiten de kamer, als iemand die te pronk staat. Ik zag, dat hier eenige uitlegging behoorde gegeven te worden, en riep: »Ik ben Mr. Frank. Wilt ge nu doen wat ik zeg, of moet ik u die vaas naar den kop smijten?” een der bloemvazen daarvoor gereedhoudende.Wanneer ik werkelijk de vaas had willen werpen, dan zou ik hem gemist hebben, want de kerel was weggevlogen als een aangeschoten bruinvisch. Hij snelde naar mijn vader, die in zijn studeervertrek zat, en riep dezen reeds op een afstand toe: »O, mijnheer—goed nieuws! slecht nieuws—goed nieuws!”»Wat voor nieuws, gij gek?” vroeg mijn vader, haastig van zijn stoel opspringende.»O, mijnheer, ik weet niet, mijnheer; maar ik geloof, mijnheer, Mr. Frank is weer levend, en de twee dames bennen dood.”Mijn arme vader, wiens gezondheid veel had geleden en wiens gestel nog niet bekomen was van den schok van mijn onderstelden dood, stond bevende, op beide handen zich steunend, over de tafel te rusten en verzocht den man te herhalen, wat hij gezegd had. De knaap deed dit half huilende, en mijn vader, die nu wel begreep wat er gaande was, kwam naar boven. Gaarne had ik in zijne armen gevlogen, doch ik was druk bezig met mijne lieveEmiliaop te richten, terwijl mijne arme zuster, nog evenzeer buiten kennis, aan den anderen kant van mij lag.In den tusschentijd was »alle hens op” geroepen en iedereen toegesneld—ieder levend wezen in huis, de hond niet te vergeten, in de huiskamer vergaderd. De meiden, die mij gekend hadden, weenden en snikten erbarmelijk, en de nieuwe huisknecht hield hen, uit zuivere sympathie, gezelschap. De koetsier, de palfrenier en de staljongen beefden en staarden; de een bracht water, de andere een kom, en die lummel van een huisknecht iets anders, dat ik maar niet noemen zal;in zijne onbekooktheid, had hij maar het eerste het beste gegrepen, dat hem voorkwam bruikbaar te zijn. Zijn ijver op prijs stellende, wenkte ik hem toch om maar weg te gaan. Ongelukkig voor hem had de werkmeid de vergissing bespeurd, die zijne verstrooidheid hem had doen begaan; hem het geheimzinnige meubel met de linkerhand driftig ontrukkende, verborg zij dit onder haar schort en gaf den stakkerd met de rechterhand zoo’n flinken tik op zijne wang, dat ik dadelijk om de walvischboot bij de Bermudas dacht, welke die liefkoozing van den grooten visch ontving. »O, ezelskop!” zeide zij, »wie heeft dat ding nu noodig?”»Die oorveeg beduidt meer!” zeide ik, en het kwam uit, dat ik goed geraden had:—den volgenden zondag trouwde datzelfde paar in de kerk.Eene vernuftige toepassing van vlugzout, koud water en gebrande vederen, te gelijk met het wrijven der slapen, losmaken van de halsboorden en korsetveters van de jonge dames, werd met het gelukkigste succes bekroond. Ieders hand en ieders tong was in beweging; en met al die kunstmiddeltjes gingen ten laatste de oogen van Emilia open, vestigden zich op mij, vreugde en geluk over de schepping verspreidende, als de zon, die zich uit den Atlantischen Oceaan verheft en na een vreeselijken orkaan zijn licht doet schijnen ter opbeuring van de bewoners der Antillen. Binnen het half uur was alles weer op orde gekomen; »de stukken werden gesjord—de aftrap geslagen;” het bediendencorps marcheerde af. Ik werd het middelpunt van het tableau. Emilia hield mijne rechter-, mijn vader mijne linkerhand vast; mijne dierbare Clara hing mij om den hals. Vragen werden gedaan en beantwoord, zoo vlug als de snikken en tranen daarvoor tijdruimte lieten;—dit halve uur vergoedde mij al wat ik geleden had, sinds ik in die duivelsche brik uit Engeland naar Barbados was gezeild.Het verhaal mijner lotgevallen werd gegeven met de zedigheid en de kortheid, die de omstandigheden en de tijd vereischten. De koetsier werd, bovenop een der beste wagenpaarden, naar den heer Sommerville toegezonden, en de postkar was dien dag overladen met brieven aan alle vrienden en familieleden.Toen dit afgeloopen was, gingen allen zich kleeden voor het diner. Welke verandering had één uur gewrocht: het huis van rouw was een huis van vreugde geworden! Helaas! hoe dikwijls vindt het omgekeerdeplaats! Spoedig verschenen de dames in vlekkeloos wit gekleed. Mijn vader had de rouwkleederen afgelegd, en de bedienden kwamen in hunne gewone livrei te voorschijn.Toen de soep gediend was, bood mijn vader Emilia den arm; ik volgde met mijne zuster. Emilia achteromziende, riep mij toe: »Niet jaloersch zijn, Frank!”Mijn vader lachte, en ik nam mij voor mij over die kleine plagerij te wreken.»Gij weet de boete,” zeide ik, »en die zal ik invorderen.”»Het is mij aangenaam te kunnen verklaren, dat ik er in staat en genegen toe ben,” antwoordde zij, en wij zetten ons neder. Mijn vader drukte mij de hand, en zeide »Frank, dit is een geheel ander maal, dan waar wij gisteren aanzaten. Wat wisten wij toen weinig van het geluk dat voor ons was weggelegd!” Bij deze herinnering schoten Emilia en Clara de oogen vol tranen.De jonge dames droogden zich vervolgens de tranen af, maar hun eetlust was over. Tevergeefs beproefde Emilia iets te eten. Ik schonk beiden een glas wijn in. »Kom,” zeide ik, »op zee geldt het spreekwoord, dat despiritualiëngemakkelijker wordt weggestuwd dan de drooge victualie; laten wij op elkanders gezondheid drinken, dan zal het wel beter gaan.”Zij volgden mijn raad, die goed werkte. Onze maaltijd was vroolijk, doch onze vreugde werd gematigd door de herinnering van de geleden droefheid.Nadat de tafel was afgenomen, bleven de dames nog een poos bij ons zitten, ten einde nog verder te hooren vertellen van mijne ontkoming uit verschillende gevaren. Toen ik dat geval ophaalde van dien man, die op de brik overboord was gevallen, en ik vertelde hoe ik hem nasprong en hij door mij gegrepen en boven gehouden werd, tot wij beiden begonnen te zinken, en de zee boven mijn hoofd reeds zoo donker werd, kon Emilia zich niet langer goed houden; zij sprong op, viel toen op hare knieën, verborg haar lieve gelaat in mijns zusters schoot, hartstochtelijk uitroepende. »O, houd op, houd op, lieve Frank,—vertel niet verder,—ik kan het niet aanhooren,—heusch, ik kan het niet hooren!”Wij omringden haar en voerden haar weg naar de huiskamer, waar wij verder over lichter en vroolijker onderwerpen bleven praten. Emiliasloeg een paar noten op de piano aan en deed eene poging om te zingen; doch het wilde niet vlotten; een vroolijk lied kon zij niet zingen, en een ernstig lied bracht haar van streek. Te twaalf uren gingen wij uiteen en ieder zocht zijne eigene kamer op.Des anderen daags reeds was de heer Sommerville overgekomen en ontbeet met ons mede. Dit was voor Emilia weder eene nieuwe beproeving; toen hij binnenkwam, viel zij luid snikkende in zijne armen. De heer Sommerville vatte mijne hand met beide de zijne en vroeg belangstellend om de geschiedenis te mogen hooren van mijne hoogst bijzondere lotgevallen, waarvan ik hem eene verkorte uitgave voordroeg. Ik had, door Clara daarin geholpen, gelegenheid gevonden een uurtje met Emilia alleen te zijn, om eens te spreken over onze voorgenomen huwelijksplannen; en bemerkende, dat daartegen geene andere hinderpalen bestonden dan die, welke gewoonlijk te berde worden gebracht, nam ik mij voor mij deswege tot de beide vaders te wenden.Dit keurde Emilia eindelijk goed, nadat ik haar had herinnerd aan de verschillende gevaren, waarin ik den laatsten tijd verkeerd had. Zoodra dan ook de dames van tafel waren opgestaan, verzocht ik mijn vader om ter harer eere onze glazen eens te vullen; toen ik het mijne, in al het vuur eener grenzenlooze genegenheid, op hare gezondheid had geledigd, stelde ik de vraag aan de beide heeren te gelijk. Mr. Sommerville en mijn vader zagen elkander aan, en de eerste sprak:»Gij schijnt een vreeselijke haast te hebben, Frank.”»Och niet meer, sir,” antwoordde ik, »dan het onderwerp wel verdient.” Hij maakte eene lichte buiging, en nu begon mijn vader.»Ik kan niet zeggen,” merkte de goede oude heer op, »dat ik voor trouwen ben, vóór gij hoofdofficier zijt. Ten minste zoolang gij dien rang niet hebt, kunt ge niet zeggen uw eigen baas te zijn.”»O, als ik daarop wachten moet, vader,” zeide ik, »dan kan het nog heel lang duren. In onzen dienst, althans in Engeland, is niemand zijn eigen baas. De kolonel staat onder de bevelen van den admiraal, de admiraal wordt gecommandeerd door de Admiraliteit, de Admiraliteit door den Hoogen Raad, de Hooge Raad door het Parlement, het Parlement door het volk, en het volk door de uitgevers, drukkers, schrijvers en dergelijk gespuis.”»Ik gevoel eene stille bewondering voor uwen logischen gedachtengang,” zeide mijn vader, »maar vóór alles dienen wij toch eens eerst naarden passementwinkel in Charing-Cross te gaan, om te zien of wij u niet aan een paar epauletten kunnen helpen. Zoodra wij u uw eigene korvet zien commandeeren, zal het mij hoogst gelukkig maken,—wat ik ook geloof van mijn vriend Sommerville te kunnen zeggen,—u ook het commando over zijne dochter te zien aanvaarden.”Niets wat ik aanvoeren kon, was in staat de oude heeren een duim van ditsine qua nonaf te brengen. Men kwam overeen, dat er dadelijk bij de Admiraliteit werk van mijne bevordering zou gemaakt worden; en zoodra deze er was, dan zoude Emilia over mij, voor de wittebroodsdagen, de beschikking krijgen.Dit alles was nu heel aardig voor hen uit het standpunt der voorzichtigheid bezien, doch het klopte niet bijzonder met de inzichten van een vurigen minnaar van eenentwintigjarigen leeftijd; want ofschoon ik alle vertrouwen had in mijns vaders invloed bij de Admiraliteit, wist ik evenzeer, dat er pas eene uitmuntende nieuwe bepaling was gekomen, die verhinderde, dat een luitenant tot den rang van overste kon bevorderd worden, vóór hij minstens twee jaren als zoodanig, en dan nog wel buitengaats, gediend had; evenmin kon een overste voor bevordering in aanmerking komen, tenzij hij minstens één jaar in dien rang had gediend. Dit keurde ik nu uitmuntend voor den dienst in het algemeen, doch ik had het nog niet zoover kunnen brengen om deamor patriaeboven mijne eigenliefde te stellen, en ik wenschte de bepaling zelve en de heeren, die haar in de wereld geschopt hadden, met de grootste innigheid in de grot van New Providence, als het kon, omtrent den tijd van hoog water.Het antwoord van de Admiraliteit luidde in zooverre gunstig, dat men zekerheid gaf, dat ik bevorderd zou worden, zoodra mijn diensttijd vol was, waaraan nu nog twee maanden ontbraken. Ik werd aangewezen voor een schip, dat te Woolwich uitgerust werd, en vóór dit zeeklaar zou zijn, was die tijd om, en zou ik overste worden. Dit was nu geen goed middel om de gereedmaking van het schip te verhaasten, voor zoover ik er bij betrokken was; maar dat viel nu niet te verhelpen; en daar de verblijfplaats mijner geliefde dicht bij Woolwich gelegen was, beproefde ik den tusschentijd te verdeelen tusschen gehoorzaamheid aan mijnen commandant en gehoorzaamheid aan mijne aanstaande, en ik was zoo gelukkig beiden te kunnen voldoen, omdat mijn commandant zich volstrekt niet bemoeide met het schip, noch met de uitrusting daarvan.Vóór ik naar boord ging, beproefde ik nog eenmaal om de hardnekkigheid van mijnen vader aan het wankelen te brengen. Ik herinnerde hem, dat ik een arbeid van Hercules achter den rug had, en dat, als ik weer buitenslands ging, het ongeluk wel eens zou kunnen willen, dat ik niet zoo gelukkig door alles heenrolde, of dat door eene of andere noodlottige bezwering de tooverketting, die mij nu aan Emilia bond, zou kunnen breken. Daar deze dichterlijke ontboezeming hem evenmin vermurwde als mijne prozaïsche opmerking, wendde ik mij nogmaals tot Emilia zelve. »Ongetwijfeld,” zeide ik, »kunt gij niet zoo hardvochtig zijn als onze onverbiddelijke bloedverwanten; zeker zult gij bij deze gelegenheid wel mijne voorspraak willen zijn! Geef slechts een blik van afkeuring aan mijnen vader, en op mijn woord, hij zal niet anders dan de vlag kunnen strijken.”Doch de heks antwoordde met een glimlach (daartoe zeker vanwege het hoofdkwartier opgestookt), dat het haar niets zou aanstaan haren naam in deMorning Postte lezen, als ondertrouwd met een luitenant. »Wat is tegenwoordig een luitenant?” zeide zij—»Niet veel. Het heugt mij, dat ik eens in Farcham logeerde en wij naar Portsmouth gingen om de werf en de schepen te zien, en daar was toen uw oude vriend, die lange admiraal sir Hurricane Humbug, geloof ik dat gij hem noemt, die de arme luitenants voor zich uit dreef als een herdershond de schapen. Er liep er ook altijd een hem vlak achter de hielen, precies als een lakei; en dan was er nog een ander, die mij toescheen, even als een bulhond aan de ketting, voor de deur van het bureau van den admiraal gekluisterd te liggen; alleen als de admiraal met zijne familie uit wandelen ging, mocht hij mede, doch dan liep hij met de gouvernante achteraan. Neen, Frank, het moet minstens een kolonel zijn, met een paar gouden epauletten, aan wien ik mij door het huwelijk verbind.”»Het is mij wel,” hernam ik met het noodige zelfbehagen in den penantspiegel ziende; »als gij verkiest uw geluk vast te knoopen aan de beloften van een eersten lord van de Admiraliteit en aan een paar epauletten, dan moet ik zwijgen. Vrouwelijke smaak, daar kan ik niet bij. Sommige dames verkiezen gouden gallon en rimpels boven jeugd en schoonheid;—het spijt mij voor haar, dat is al.”»Frank,” zeide Emilia, »gij zult moeten erkennen, dat gij ijdel genoeg zijt om minstens admiraal te wezen.”»De admiraals danken u voor het compliment,” zeide ik; »ik vertrouwten minste dat ik de vlag geen schande zou aandoen; doch om u de waarheid te zeggen, beste Emilia, zie ik volstrekt met geen onstuimig verlangen naar mijne verheffing tot dien rang uit. Drie sterretjes op den schouder en drie gouden galons om de mouw zijn, naar mijn inzien, geene vergoeding voor grijze haren, dunne beenen en een gebogen rug.»Het spijt mij wel voor u, mijn waarde held,” zeide de jonge dame; »doch gij moet u in deze schikken.”»Nu dan, als het moet, dan moet het,” zeide ik en werd gestoord door den huisknecht, die mij een dienstbrief bracht, niets meer of minder bevattende dan de lastgeving om met den meesten spoed naar boord te gaan.Sic transit gloria mundi!Mijn teleurstelling zoo goed mogelijk verkroppende, ging ik voort met mij voor de geleden ongemakken schadeloos te stellen, door zooveel pleizier te maken, als ik in den weinigen tijd, die mij overbleef, slechts kon genieten. Gelukkig was de eerste officier van het fregat iemand die, omdat hij weinig vrienden had en slecht bij kas was, nooit aan den wal ging. Trouw op den betaaldag liet hij zijn geld halen en hij kwam er juist mede rond, tot den dag dat er weer uitbetaald werd; en daar ik bemerkte, dat hij bijzonder gesteld was op eene goede Havana-sigaar en op een lekker glas cognac-grog—te veel dronk hij nooit—schonk ik hem een kistje van de eerste en een dozijn flesschen van de laatste, ten einde hem gemakkelijk te verzoenen met mijne veelvuldige afwezigheid van boord.Zoodra het dagwerk was afgeloopen, zeide de goedhartige luitenant: »Kom, Mr. Mildmay, ik weet dat gij gaarne nu en dan eens aan den wal wilt zijn. Hier, gebruik de jol maar; zend haar dadelijk naar boord terug en maak, dat gij morgenochtend te negen uren weer present zijt, om u bij den adelborst met de corvée op de werf aan te sluiten.”Dit trof ik nu bijzonder. Gewoonlijk kwam ik op de tijdelijke verblijfplaats van den heer Sommerville te Blackheath aan, als de klok voor het kleeden tot het diner luidde, en steeds ontmoette ik een aangenaam gezelschap aan tafel. Mijn vader en de beste Clara waren, evenals ik, gasten daar aan huis. Met de vriendelijke vergunning van den heer Sommerville, bracht ik eens Talbot met mij mede, dien ik als volmaakt gentleman in manieren, als man met gezond verstand begaafd, als iemand die eene goede opvoeding had genoten en hooge, voornamekennissen bezat, trotsch was mijn vriend te noemen. Meer bijzonder stelde ik hem voor aan mijne zuster, en vond eens gelegenheid Emilia in het oor te fluisteren, (wel wetende, dat zij dit niet lang voor zich zou houden,) dat hij het onmisbare voorrecht bezat van twee epauletten te dragen. »Daarom,” zeide ik er bij, »houd hem een beetje op een afstand, uit vrees van evenals de Echte Yankee bij verrassing genomen te worden.”Talbot, wetende dat Emilia verloofd was, was niet meer beleefd en voorkomend tegen haar, dan de gewone hoffelijkheid vorderde; doch tegenover Clara was zijne houding anders; hare natuurlijke bekoorlijkheid werd in zijne oogen zeer verhoogd door de vriendschap, welke wij sedert die gedenkwaardige geschiedenis van het te Spithead van boord weg zwemmen voor elkander gehad hadden.Ongelukkigerwijze had Clara bij al hare bekoorlijkheden één gebrek, en dat was in mijne oogen nog al groot. Clara had weinig met zeelieden op en was daarentegen op militairen van de landmacht zeer gesteld. Doch Clara was van eene gevestigde voorkeur moeielijk af te brengen, en waar deze had wortel geschoten, daar groeide en bloeide zij. Met de zeemansmanieren kan zij zich moeielijk vereenigen; zeelieden dachten, vond zij, te veel van zichzelf en van hun schip; in ’t kort gezegd: hunne ruwheid en onbeschaafdheid werd slechts door hun eigenwaan overtroffen.Het was geene geringe verdienste in Talbot, dat hij zulke halsstarrige en diepgewortelde vooroordeelen wist te overwinnen. Doch daar Clara’s sympathie voor het leger slechts een zeer algemeenen vorm had en zij daarbij geen bijzonder persoon op het oog had, was voor Talbot de vesting wel sterk van aanleg, doch totaal zonder garnizoen en dus geenszins onneembaar. Hij begon met haar, aan tafel gaande, den arm aan te bieden en met een zedig zelfvertrouwen naast haar plaats te nemen. Doch haar gebrek stond hem zoo duidelijk voor den geest, dat hij met geen woord repte van ons ongelukkige element, in tegendeel, hij wist haar bezig te houden met eene groote verscheidenheid van onderwerpen naar haren smaak; zoodat zij op het laatst verplicht was te erkennen, dat hij wel een der uitzonderingen zou kunnen zijn op haren regel, waarop ik de vrijheid nam te hopen, dat ik dan eene andere mocht wezen.Tweeëntwintigste hoofdstuk.Het is nu tijd geworden den lezer bekend te maken met mijn nieuwe schip en mijn nieuwen commandant. Het eerste was een fregat van de grootste soort, gebouwd met de bedoeling om te kunnen opwegen tegen de zware dubbel-banks fregatten van de Yankees. Het schip voerde dertig lange 24-ponders in den kuil en hetzelfde aantal 42-ponds caronaden op het bovendek.Ik was eene week aan boord, deed gedurende den dag dienst en was ’s avonds aan den wal, ten huize van den heer Sommerville te Blackheath. Mijn commandant had ik nog niet gezien, en de eerste officier was op een morgen naar den wal gegaan om eens af te stappen. Ik was dus op dat oogenblik de commandeerende officier; de equipage was aan het schaften; zacht motregende het, en ik wandelde eenzaam op het halfdek op en neer, toen er eene boot van den wal op zijde kwam, waarin een persoon gezeten was in burgerkleeren. Ik schonk hem geene bijzondere aandacht, denkende dat het een wijnkooper of kleermaker was, die vergunning kwam vragen om het schip te bedienen. De vreemde keek naar de vuile valreepen, die de stuurmansleerling hem aangaf, en vroeg of er niet een schoon paar was. De jongen antwoordde ontkennend, en de vreemde ziende dat er niets anders kwam, pakte de vuile touwen aan en klom naar boven.Op het halfdek gekomen, stapte hij naar mij toe en mij een paar zwavelkleurige handschoenen toonende, die vol teer en vuil zaten, merkte hij op nijdigen toon op: »Bij God, mijnheer, dat kost mij een paar nieuwe handschoenen!”»Ik trek altijd mijne handschoenen uit, als ik aan boord kom,” zeide ik.»Maar ik verkies de mijne aan te houden,” hernam de vreemdeling. »En waarom kon men mij niet een paar schoone valreepen geven?”»Omdat,” zeide ik, »mijne orders zijn ze alleen te geven, wanneer er valreepsgasten gesloten zijn.”»En waarom werden er mij geene valreepsgasten gegeven, mijnheer?”»Omdat, mijnheer, het nooit gesloten wordt, vóór men weet wie overkomen zal.”»Zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, zal ik van uwe handelwijze aan uwen commandant rapporteeren,” zeide hij.»Wij geven alleen valreepsgasten voor officieren in uniform,” zeide ik; »en ik zou nog wel eens graag willen weten, op welken grond u die eer zou toekomen.”»Mijnheer, ik ben,” zeide hij (zijn kaartje toonende),»........, enz. Kent gij mij nu?”»Ja, mijnheer,” antwoordde ik, »ik ken u als fatsoenlijk man; maar zoolang ik u niet zie in kolonelsuniform, kan ik u het gevraagde eerbewijs niet geven.” Doch terwijlik ditzeide, nam ik eerbiedig mijn hoed af.»In dat geval, mijnheer,” zeide hij, »zult gij, zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, er meer van hooren.” Gevraagd hebbende, of de commandant aan boord was, en een ontkennend antwoord hebbende ontvangen, keerde hij zich om en ging den valreep door, weer in zijne boot, zonder mij de gelegenheid te hebben gegeven een paar schoone touwen voor hem te laten komen. Hij liet weer naar den wal roeien, en nooit vernam ik weer van zijne vuile valreepen en bedorven handschoenen.Later hoorde ik, dat deze officier gewoon was zijne discoursen te doorspekken met dit lievelingsonderwerp zijner eerzucht; doch daar hij nu werkelijk lid van het Hoogerhuis is, mag men aannemen, dat hij deze zijne verklaring tegen eene andere verwisseld heeft. Toen hij een schip commandeerde, was hij gewoon te zeggen: »Zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, zal ik u laten afstraffen, man;” en als de bedreiging in dezen vorm over zijn lippen was gekomen, ging de bestraffing zeker door. Bij ons kwam deze spraakwijze, doch in juist omgekeerden zin, in den smaak: de officieren, adelborsten, matrozen en mariniers bekrachtigden de geloofwaardigheid hunner beweringen door te zeggen: »Zoo zeker als iknietin het Hoogerhuis zal zitten.”Dit nu was de edele lord, die toen hij een Zr. Ms. schepen in de Chineesche wateren commandeerde, een inwoner van dat rijk zijn portret liet maken. Daar de gelijkenis niet bijzonder vleiend was uitgevallen, werd de kunstenaar door zijn patroon ernstig berispt. De arme kerel antwoordde: »Ach meester, hoe kan mooi gezicht maken, als geen mooigezicht heb?” Deze geschiedenis is, als zooveel andere mooie verhalen, gestolen en op allerlei wijzen toegepast geworden; doch ik maak er aanspraak op als wettig eigendom van de marine en kan er voor instaan, dat zij den bovengenoemden oorsprong heeft.Een voor een kwamen mijne kameraden aan boord, totdat wij voltallig waren; en eindelijk kwam er een brief in een adres, gericht aan den eersten officier, met het opschrift »dienst” en aan den benedenhoek links gewaarmerkt met den naam van den edelen schrijver, en hield in, dat onze commandant den volgenden morgen aan boord zou komen. Wij stonden natuurlijk gereed hem te ontvangen, in volle uniform met steek en degen,—de marinierswacht was aangetreden. Hij kwam tegen halféén langs zijde, toen de equipage aan het schaften was, een vreemd uitgezocht tijdstip, daar men niet gewoon is, als het vermeden kan worden, de menschen in hunne maaltijden te storen. Hijzelf droeg een ongekleed jasje met neergeslagen kraag en ankerknoopen, geene epauletten, en een lanciersmuts met breeden, gouden band.Dit was nu niet zooals het behoorde, doch daar hij een lord was, maakte hij aanspraak op enkele voorrechten; en later bevonden wij, dat hij zich bij herhaling plaatste op de rots zijner voorrechten. Na elkander werden wij aan hem voorgesteld, en aan elk onzer verwaardigde hij zich een knik te geven. Zijne vragen waren alleen gericht tot den eersten officier en hadden slechts betrekking op zijn eigen gemak. »Waar moet mijn hofmeester logeeren,—waar mijn bediende slapen,—welke veehokken zijn van mij,—en waar moeten mijne schapen gestopt worden?”Toen wij een half uur in zijn gezelschap waren geweest, ontdekten wij reeds, dat hij zijn eigen edelen persoon verafgoodde. Wat zijn schip betrof, hoe de inrichting, hoe sterk de bemanning was, met de masten, het tuig, de ruimen, provisiën en waterberging,—met niets van dat alles vermoeide hij ooit zijn geest.Toen hij ongeveer een uur aan boord was geweest, liet hij zijne sloep weer gereedmaken en keerde naar den wal terug, en wij zagen niets meer van hem vóór wij te Spithead waren aangekomen, toen zijn lordschap aan boord verscheen, vergezeld van iemand, dien wij spoedig ontdekten een gepensionneerden scheepsschrijver te zijn,—een man, die door de grofste vleierij en tallooze kleine diensten zich bij zijnen patroon zóó onmisbaar had weten te maken, dat hij bij diens reisstoet een even noodzakelijk aanhangsel was geworden als de kofferof de lijfknecht. Deze verachtelijke tafelschuimer was zijn lordschaps dubbelganger. Als zijn lordschap zulks slechts verlangde, dan werd zwart wit—en wit zwart in den mond van den trawant; hij at in de kajuit, deed ontzaglijk veel kwaad in het schip en ontging alleen de noodige hoeveelheid schoppen, omdat hij een te groote ellendeling was om zelfs geschopt te worden.Zoodra wij het bevel ontvingen om naar Spithead te stevenen, maakte de heer Sommerville, die zoolang het schip nog niet gereed was, zijn huis te Blackheath had aangehouden in de hoop, dat mijne bevordering wat eerder nog zou afkomen, aanstalten de plaats te verlaten. Mijn vader had zich nogmaals tot de autoriteiten gewend en ten antwoord gekregen, dat ik om mijne promotie eerst buitengaats moest gaan. Hierdoor ging hij nu over tot het opbreken van zijn zomerkwartier, zeer wijselijk de opmerking makende, dat, als hij dit niet deed, mijne diensten voor het schip zouden verloren zijn. Zoo hij en Emilia mij niet te Woolwich achterlieten, zou misschien mijn commandant mij achterlaten; op grond hiervan deelde hij zijn binnen de vierentwintig uren voorgenomen vertrek mede.Emilia was zeer droevig gestemd. Ik niet minder. Vriendelijk verweet ik haar hare wreedheid; doch zij antwoordde mij met eene flinkheid en verstandigheid, die ik in haar moest bewonderen, dat zij slechts één raadgever had, en dat was haar vader, en dat zij tot haar huwelijk toe nooit naar een ander zou luisteren; dat zij op zijn advies het trouwen had uitgesteld. »En daar wij nog geen van beiden heel erg oud zijn,” vervolgde zij, »vertrouw ik, dat wij elkaar zullen weerzien.” Ik had eerbied voor haren moed, gaf haar een kus, hielp haar in den wagen, drukte haar de handen. Ik behoef er niet bij te voegen, dat ik in elk harer oogen een traan zag blinken. Mr. Sommerville zag, dat er een heele stortbui van in aantocht was; daarom trok hij het portier op, knikte mij vriendelijk toe en liet het rijtuig vertrekken. Het laatste wat ik toen van Emilia zag, was hare rechterhand, waarmede zij een zakdoek voor de oogen hield.Toen de dierbare bewoners afgereisd waren, keerde ik mij met tegenzin van het huis af en liep naar mijne sloep toe met de neerslachtigheid van een hond, dien men een blikken ketel aan den staart heeft gebonden. Toen ik aan boord kwam, haatte ik het gezicht van iedereen en de reuk van alles; pik, verf, ruimwater, teer en rum mengdenzich daar op een afschuwelijke wijze en spanden samen om mij zoo ziek en ellendig te maken, als de meest verliefde zeeman zich kan voorstellen. Ik heb reeds vroeger gezegd, dat wij te Spithead waren aangekomen, en aangezien ik van die plaats niets nieuws te vertellen heb, zal ik mijn verhaal weer opvatten in zee.Wij gingen naar het Noord-Amerikaansche station, wat mij wel het aangenaamste was, nu ik toch niet bij Emilia kon wezen. Onze overtocht duurde lang, en wij werden op rantsoen drinkwater gesteld. Alleen zij, die zulks ondervonden hebben, weten wat dit zeggen wil. Iedereen leed er onder, behalve de commandant, die op grond zijner voorrechten dagelijks twaalf kan extra vorderde voor zijn voetbad; en het daarvoor gebruikte water werd gretig aangenomen en genoten door de matrozen. Dit gaf wel aanleiding tot eenige ontevredenheid, welke den commandant ter oore kwam, doch hij maakte er zich niet moeielijk over en zeide erg onverschillig:»Wel, als iemand geen voorrechten mag hebben, wat zou het dan waard zijn om commandant te zijn?”»Zeer juist, mylord,” zeide de trawant, met eene diepe buiging.Als ik eene beschrijving van zijne lordschap geven wil, dan moet ik zeggen: hij was een kort, kloek, welgemaakt man met een goed gevormd, doch niet bepaald snugger gelaat, altijd keurig net op zijn persoon; geholpen door de inblazingen van zijn pluimstrijker, was hij zeer met zichzelf ingenomen; trotsch op zijne hooge geboorte en nog meer ijdel op zijn uiterlijk voorkomen. Zijne kennis van de meeste zaken was zeer oppervlakkig het leven in de hoogere kringen: en de aardigheden, die daarop betrekking hadden, waren schering en inslag zijner gesprekken; aan zijne eigene tafel, maakte hij zich trouw van het discours meester, en terwijl zijne gasten zijn wijn opdronken, lachten zij met gemaakte vroolijkheid. Zijne bibliotheek bestond uit twee octavo-deelen, de Mémoires van den Hertog de Grammont, welk vroolijk en aristocratisch werk nooit uit zijne handen was. Hij had verscheidene jaren op zee doorgebracht, doch vreemd genoeg, hij wist niets, letterlijk niets van zijn vak af. Van zeemanschap, stuurmanskunst en omtrent alles wat met den dienst samenhing, was hij volkomen onkundig. Vóór hij bij ons kwam, had ik hem als een goed officier hooren beschrijven; en ik moet om rechtvaardig te zijn zeggen, dat hij steeds een aangenaam humeur had, en naar ik geloof zoo dapper was, alsooit iemand, die het zwaard hanteerde. Zelden maakte hij een aanmerking in dienst, omdat hij zich zijn gebrek bewust was, en ook op glibberig terrein waagde hij zich nooit. Wanneer hij op het halfdek kwam, keek hij gewoonlijk naar den loef-grootenbras, en wanneer deze niet snaarstijf stond, gaf hij bevel om hem te laten stijf zetten. Hierdoor kon hij zich niet licht blootgeven; doch het werd een spotwoord, als wij beneden om hem lachten. Hij had de zonderlinge gewoonte om de namen van menschen en voorwerpen te vergeten, of althans te doen alsof hij die vergeten had;—ik geloof, omdat alles zoo verre beneden hem was; en in plaats van de namen gebruikte hij de sierlijke uitdrukkingen: »hoe heet hij ook” en »hoe noemt gij dat”, en »dinges”.Eens kwam hij op dek en gaf mij inderdaad het volgende, zeer duidelijke bevel: »Mijnheer »hoe heet gij ook”, wees zoo goed om de »dinges” te »hoe noemt gij dat”.”»Ja, ja, mylord!” antwoordde ik, »achtergasten de loef, grooten bras beter stijfzetten!” Dit had hij juist bedoeld.Hij was er zeer op gesteld en zag er nauwlettend op toe om behoorlijk toegesproken te worden. Wanneer door een hooger officier een order gegeven wordt, is het niet ongewoon dat hij ten antwoord krijgt »heel goed, mijnheer” hetgeen slechts beduidt, dat men hem goed begrepen heeft en ten vlugste gehoorzamen zal. Ik gebruikte dikwijls dat gezegde en zeide ook eens, toen ik een bevel van hem ontvangen had: »Zeer goed mylord.”»Mijnheer Mildmay,” antwoordde zijn lordschap nu, »ik wil nu wel aannemen, dat gij niets oneerbiedigs bedoelt, doch ik verzoek u mij dat antwoord niet weer te geven; het staat aanmijom te zeggen, dat het »zeer goed” is en niet aan u. Het heeft nu den schijn, alsof gij mijn order goedkeurt, en dat verlang ik niet; ik verzoek u het voortaan na te laten. Begrepen?”»Zeer goed, mylord!” zeide ik uit kracht van gewoonte. »Ik verzoek uwe lordschap om verschooning: ik bedoelde »heel wel.””»Ik kan dat jongmensch niet best zetten,” zeide zijn lordschap tegen zijn trawant, die het halfdek heen en weer achter hemaan wandelde, als een schoothondje. Ik hoorde het antwoord niet, doch het was weer eene echo natuurlijk.Den eersten keer toen wij in zee een reef in de marszeils staken, bevond zich de commandant aan het dek; hij zeide niets, doch zag slechts toe.Den tweeden keer ving hij alle woorden van den eersten officier op en herhaalde die op luiden, hoogdravenden toon, zonder eigenlijk te weten of zij van toepassing waren of niet. Den derden keer verbeeldde hij zich er nu al genoeg van af te weten en op zichzelf te kunnen staan, en het was glad verkeerd, hij maakte een mal figuur. »Loop weg met de voormarsevallen,” riep de eerste officier. »Loop weg met de voormarsevallen,” riep de commandant hem achterna. De matrozen liepen met het touw naar achteren, en de ra ging met vaart langs de steng op, tot zij in eens met een ruk werd tegengehouden.»Wat houdt er aan?” zeide de eerste officier, mij, die op den bak op mijn post was, toeroepende.»Er is iets onklaar aan den draaireep,” antwoordde ik.»Wat houdt er aan?” vroeg de commandant.»De marsedraaireep is onklaar, mylord,” antwoordde de eerste officier.»Laat dien draaireep opd.......! Snijdt hem af. Neem een mes daar boven! Ikwilhet marszeil op hebben; snijdt den marsedraaireep!”Tot goed begrip mijner niet deskundige lezers, moet ik hier opmerken dat de marsedraaireep juist het touw was, waaraan halverwege de hoogte, die hij bereiken moest, de ra hing. Het doorsnijden daarvan zoude het schip hebben belemmerd, totdat hij vernieuwd was; en ware het bevel opgevolgd, dan zou de ra met een ruk zijn neergevallen en waarschijnlijk in twee stukken op den rand van het ezelshoofd zijn terechtgekomen.Wij kwamen, zonder een vijand ontmoet te hebben, te Halifax binnen; en zoodra het schip goed en wel ten anker lag, ging ik naar den wal om mijne oude vrienden te bezoeken. Gelukkig voor hen en voor mijzelven, werd mij niet veel tijd gegund om dwaasheden uit te halen. Spoedig ontvingen wij last om op de kust van Noord-Amerika te gaan kruisen.Het was wintertijd en zeer koud; verscheidene zware stormen hadden wij door te worstelen, waarin wij bijzonder te lijden hadden van plotseling opkomende sneeuwbuien, noordoost-stokers en sterke vorst, die ons loopend touwwerk onhandelbaar maakte en ons verplichtte kokend water over de blokschijven te gieten om deze los te krijgen en het touwwerk er over te laten loopen; ook veroorloofde de koude den commandant niet, ons meer dan eens in de vierentwintig uren met zijne tegenwoordigheid te vereeren.Wij ankerden bij eene kuststrook, waar geene verdedigingswerken waren aangelegd, en de bewoners, door hun eigen gouvernement zonder bescherming gelaten, zich als onzijdig beschouwden en ons zooveel visch, gevogelte en groenten leverden als wij hebben wilden. Zoolang wij daar lagen, gingen commandant en officieren herhaaldelijk aan den wal zonder op eenige wijze daarin verhinderd te worden. Op een avond nadat de commandant aan boord terug was, kwam er een sneeuwstorm met harde vlagen opzetten. De giek, die geheschen had moeten zijn, was nog te water; de vanglijn brak, de sloep ging in drift en was al een poos weg, vóór dit opgemerkt werd. Den volgenden morgen onderzoek doende, bevonden wij, dat het vaartuig eenige mijlen verder op gestrand was en dat de Amerikanen het in bezit hadden genomen en tweeëntwintig mijlen noordwaarts naar een vijandelijk deel der kust hadden weggevoerd. De commandant was zeer teleurgesteld over het verlies zijner giek, welke hij als zijn bijzonder eigendom beschouwde, hoewel zij gebouwd was door ’s konings timmerlieden uit ’s konings planken en klinknagels.»Als mijn privaat eigendom,” zeide zijne lordschap, »behoort zij teruggegeven te worden.”Ik zeide maar niet, dat ikzelf bij het aftimmeren van het vaartuig was tegenwoordig geweest, en dat het ook op den scheepsinventaris in verantwoording liep. Immers dit was mijne zaak niet; maar weinig dacht ik, dat het verlies van die kleine sloep mij bijna het leven zou kosten; zoo was het intusschen, en dit onbeduidende voorval had een grooten nasleep.»Zijmoetenprivaat eigendom eerbiedigen, hoor,” zeide de commandant tegen den eersten officier.»Ja,” antwoordde deze; »maar zij zullen niet weten, dat het privaat eigendom is.”»Dat is zoo; dan zal ik iemand zenden, om het hun te vertellen;” meteen ging hij naar omlaag om te dineeren.Er werd last gegeven om met het aanbreken van den dag de barkas uit te zetten en gereed te maken, en ik ontving bevel daarmede te gaan. Te negen uren ’s morgens werd ik in de kajuit geroepen; zijne lordschap lag nog te bed, en de groenzijden gordijnen waren stijf voor zijn kooi dichtgetrokken.»Mijnheer, hoe heet gij ook,” zeide zijne lordschap, »gij gaat de »dinges” terughalen, weet gij.”»Ja, mylord,” zeide ik.»En dan gaat gij naar die plaats en vraagt om mijn »hoe noemt ge dat?””»Om uwe giek, mylord?” vroeg ik.»Ja,—dat is alles.”»Maar mylord, veronderstel, dat zij hem mij niet willen afgeven.” Wat dan?»Neem hem dan.”»En als nu de giek eens daar niet is; of wel dat zij er is, maar zij haar niet willen afstaan?”»Dan neemt ge alle vaartuigen, die in de haven liggen.”»Zeer wel, mylord. Kan ik de sloepshouwitser medenemen—of slechts de noodige geweren?”»Oh, neen—geen wapens. Neem een witte vlag mede, dat is genoeg.”»En als zij nu niet op de witte vlag believen te letten, mylord?”»Oh, dat zullen zij wel; de witte vlag wordt altijd geëerbiedigd, hoor.”»Uwe lordschap duide mij dit niet ten kwade, doch ik geloof, dat eenige geweren in de sloep van veel nut zouden zijn.”»Neen, neen, neen—geene wapens! Gij zoudt om eene beuzeling aan het vechten raken.—Gij hebt uwe bevelen, mijnheer.”»Ja,” dacht ik, »mijne bevelen heb ik. Als ik slaag, ben ik een roover; en slaag ik niet, dan heb ik kans aan den eersten boom den besten opgeknoopt te worden.”Ik verliet de kajuit en begaf mij naar den eersten officier. Ik vertelde hem de ontvangen bevelen. Deze officier was, zooals ik hiervoor reeds verteld heb, iemand die geen vrienden had, daarom, voor zijne bevordering, geheel afhankelijk van den commandant en dus huiverig om, hoe dwaas die ook waren, tegen zijne orders in te handelen. Ik vertelde hem, dat, wat ook de commandant mocht bevolen hebben, ik niet zonder wapens van boord zou steken.»De bevelen van zijn lordschap moeten gehoorzaamd worden,” zeide de eerste officier.»Nu,” zeide ik, nijdig geworden door die dwaasheid, »dan zijt gij een even snuggere bol als de ander.”Dit beschouwde hij als zulk eene groote beleediging, dat hij omlaag naar zijne hut ging, zeggende: »Hiervoor zult gij nader van mij hooren, mijnheer.”Ik maakte hieruit op, dat hij voornemens was mij voor een krijgsraad te brengen, waartoe ik zeer zeker aanleiding had gegeven door dit ondoordacht gezegde; doch ik ging naar het halfdek en maakte van zijne afwezigheid gebruik, om zooveel geweren en munitie in de sloep te doen afgeven, als ik meende noodig te hebben. Nauwelijks was ik hiermede gereed, toen de eerste officier weer boven kwam en mij een brief overreikte, die niets meer of minder inhield dan de gezellige mededeeling, dat hij, bij mijne terugkomst van dezen tocht, voor de beleediging, die ik hem aangedaan had, voldoening vroeg. Het deed mij intusschen genoegen, dat het niets ergers was. Om zijne bedreiging moest ik lachen, en aangezien de eigenlijke inhoud der beleediging was geweest, dat ik hem met den commandant gelijkgesteld had, was hij verhinderd om openlijk voor zijne verontwaardiging uit te komen, uit vrees zijn chef te mishagen.Na deze voorbarige uitdaging bij mij gestoken te hebben, ging ik den valreep af, stapte in de sloep en roeide weg. Het was nog slechts een uur vóór zonsondergang, toen ik aan de plaats kwam, waar vermoed werd, dat die duivelsche giek zou wezen, en de lucht begon er zeer stormachtig uit te zien. Het is niet aan te nemen, dat er in den zeedienst een andere commandant te vinden zou geweest zijn, die voor zulk eene beuzelachtige reden, op eene vijandelijke kust, die onder de lij was, eene sloep zóó ver van het schip had durven wegsturen.In mijne sloep had ik twintig man en een adelborst. Toen wij vóór den mond van de haven kwamen, zagen wij daarin vier vaartuigen geankerd, waarom wij naar binnen roeiden. Wij hadden evenwel geene gelegenheid om met onze vredes-vlag een proef te nemen, daar wij, nauwelijks binnen geweerschot afstands, een hagelbui van kogels kregen, die ons door twee honderd bedekt opgestelde soldaten werd toegezonden en vier mijner manschappen buiten gevecht stelde. Er schoot dus niets anders over, dan de vaartuigen te enteren en naar buiten te brengen. Twee daarvan zaten gestrand en werden in brand gestoken, daar het (dank zij het oponthoud van ’s morgens aan boord) bot laag water was: hierbij kregen wij nog meer gewonden. De beide andere vaartuigen nam ik daarop in bezit, en een daarvan aan den adelborst, die nog een zeer jong kereltje was, toevertrouwende, verzocht ik hem het anker te lichten. Daartoe stond ik hem de sloep af met al het volk op vier man na, die ik bij mij hield. Het scheen, dat hij nog meer verliezen leed, want hij hakte zijn kabel door en zeilde nog vóór mij uit. Ook iklichtte nu het anker; doch toen wij daarmede bezig waren, verloor ik nog een man, door een geweerschot gedood. Daarop zeilde ik den adelborst achterna. Wij hadden ongeveer den afstand van vier Eng. mijlen uit den naasten wal bereikt, toen een hevige sneeuwstorm kwam opzetten. Alle onze zeilen, die trouwens zeer oud waren, woeien dadelijk weg. Mij bleef niets over dan ten anker te komen, wat ik deed op eene bank met vijfvademen water. Het andere vaartuig verloor evenzoo zijne zeilen en dreef op de kust, omdat het zijn anker kwijt was, werd daar stukgeslagen, en het daarop geplaatste volk gewond, gevangengenomen of, zooals ik later vernam, doodgevroren gevonden.Des anderen daags zag ik het wrak zitten, geheel met ijs overdekt. Zóó was het reeds een treurig vooruitzicht voor mij, en toen wist ik nog niet eens, wat er van de bemanning geworden was. Zelfs mijn eigen toestand was niet benijdenswaardig; het scheepje was zeer licht gebouwd, doch diep geladen met zout: eene lading, die op de eene of andere wijze nat geworden, erger is dan water, omdat zij niet kan worden uitgepompt en op het laatst zwaar wordt als lood. Overkwam ons iets dergelijks, dan zou niets ons drijvende kunnen houden, en bij zulk een ramp hadden wij niet eens eene sloep gehad. Ik had drie man bij mij, behalve nog dien dooden, die door ons in de kajuit was neergelegd. De bottelarij was totaal ledig,—geen enkel artikel bevond er zich in, dat eetbaar was. Ik lag vier mijl uit den wal, met zwaar stormweder, waarvan de vroolijkheid verhoogd werd door sneeuw en de bitterste koude, die ik ooit gevoeld had. Wij gingen het vaartuig eens doorzoeken en vonden een goeden voorraad zeilen, die echter niet passend waren, benevens nog een paar rollen nieuw zeildoek; blijkbaar was een en ander aan boord gebracht om er een nieuw stel zeilen voor het scheepje van te maken, zoodra daaraan de behoefte zou ontstaan; ook was er een overvloed van zeilmakershandplaten, naalden en zeilgaren. Doch om te eten was er letterlijk niets dan zout, en om te drinken slechts één vaatje water. Wij legden in de kajuit een vuur aan en hielden ons zoo warm als wij konden, terwijl wij om beurten eens naar dek gingen, om te zien of het anker hield en het weder eens bedaarde. Hevig stampten wij en namen water bij geheele zeeën te gelijk op den bak over, terwijl alles op het dek stijf vroor. Den daarop volgenden morgen bespeurden wij eene mijl dichter naar den wal te zijn gedreven, terwijl de storm met onverminderde woede aanhield.Het andere vaartuig was nu een masteloos wrak dat ons als het ware als een spooksel aanstaarde.Wij begonnen een nijpenden honger te krijgen; na den tweeden dag waren wij reeds door onze brandstoffen heen,—wij moesten daarvoor de beschotten gaan afbreken. Omlaag hielden wij ons onledig met het aanmaken van een stel zeilen en dronken warm water, om de koude te verdrijven. Doch lang kon dit niet worden volgehouden; de koude werd steeds vinniger en twee malen reeds was er een begin van brand ontstaan, doordien wij te hard stookten, om niet te bevriezen. De tweede nacht ging voorbij als de eerste; en met het aanbreken van den dag bevonden wij binnen twee mijl van de kust te zijn gedreven. Dien dag kwamen onze zeilen gereed, en met veel moeite gelukte het ons de hoogst noodige aan te slaan.De manschappen waren nu uitgeput van koude en honger en verzochten mij het kabeltouw te kappen en op den wal te loopen; doch ik wist hen over te halen om het nog tot den volgenden morgen aan te zien, omdat deze stormen gewoonlijk slechts van korten duur zijn. Weder kropen wij dien nacht dicht bijeen om ons warm te houden, terwijl de buitenste man het lijk, bij wijze van deken, tegen zich aan legde. Dien nacht bedaarde de storm, en tegen den morgen was het weer opgeklaard.De wind was nog steeds uit eene ongunstige streek, en naar ons schip op te boksen was onmogelijk. Door het aanhoudend bevriezen van het overgekomen water, waren boegstagen en want met eene ijskorst van wel vijf duim dikte bedekt, en op den bak lag eene laag van wel twee voet ijs, zóó helder, dat men het touwwerk opgeschoten, daaronder zag liggen.Er bleef nu niets anders te doen over: dus mijne matrozen gelastende, het touw te kappen, was ik besloten het vaartuig den wal op te laten zeilen en mij daar, zoo noodig, over te geven. Wij heschen een stagzeil, en nu was mijn plan om nog iets verder door te zeilen en ons gevangen te geven bij eene groote stad, die ik wist, dat ongeveer twaalf mijlen verder aan de kust gelegen was. Ik zag er tegen op ditzelfde te doen ter plaatse, waar wij de prijzen genomen hadden.Op het oogenblik, waarop wij den derden morgen zeil zetten, waren wij tot binnen den afstand van eene mijl gedreven en bijna terug op de plaats, die wij verlaten hadden. Aldaar had men eenige veldstukkentegen ons in batterij gebracht. Zij waren goed gericht, doch de kogels konden ons niet bereiken. Ik zette nog eenig zeil meer en hield hoog aan den wind langs den wal, tot ik binnen een paar kabellengten van het hoofd kwam, waar mannen, vrouwen en kinderen waren uitgeloopen om ons te zien stranden, toen er plotseling een hevige sneeuwbui kwam opzetten; de wind draaide geheel en was zoo hevig, dat ik niets meer van de haven kon zien en er met geene mogelijkheid het schip meer in had kunnen brengen; aangezien ik nu dadelijk inzag, dat de wind gunstig was om ons schip te bereiken, dat ongeveer veertig mijlen van ons verwijderd was, liet ik het roer opleggen en stuurde ik daarheen.Dit werd goed uitgevoerd. Tegen elf uren des avonds haalden wij het schip en riepen om eene sloep te zenden. Men had ons van boord zien naderen, en de gevraagde sloep werd dadelijk gezonden en bracht ons allen naar het fregat over, terwijl er een paar versche manschappen medekwamen om den prijs te bewaken.Ik was radeloos van honger en koude, en met moeite kwamen wij tegen het schip op, zoo uitgeput en zwak waren wij allen. Ik werd verzocht om in de kajuit te komen, daar het voor den commandant veel te koud was om zijn gelaat op het dek te vertoonen. Ik vond zijne lordschap voor een goed vuur gezeten, met de voeten op het haardijzer; op de tafel stond eene karaf met madera, met een glas en gelukkig, hoewel niet voor mij bestemd, een grooten roemer. Ik greep de karaf met de eene en den roemer met de andere hand, vulde dien boordevol en sloeg den inhoud in eene teug naar binnen, zonder er zelfs over te denken om zijn lordschaps gezondheid te drinken. Hij keek vreemd op en hield mij zeker voor gek geworden. Ik moet erkennen, dat mijne kleeding en uiterlijk voorkomen volmaakt in overeenstemming waren met mijne handelingen. Sinds ik drie dagen geleden het schip had verlaten, had ik mij noch gewasschen, noch geschoren, noch verschoond. Mijn baard was gegroeid, mijne wangen stonden hol, mijne oogen waren ingezonken, en wat mijne maag betreft—iets gelijksoortigs moeten de ongelukkige Franschen, die uit den Russischen veldtocht overbleven, gevoeld hebben. Mijne vervallen persoonlijkheid was in een hoog opstaanden, blauwen duffel gehuld, die bevroren en met ijzel en sneeuw overdekt was als een gesuikerde podding.Zoodra ik spreken kon, zeide ik: »Ik verzoek verschooning, mylord, doch ik had niets te eten of te drinken gehad sedert ik van boord was gegaan.”»O, dan is het heel goed,” zeide zijn lordschap; »ik had niet verwacht u ooit weer te zien.”»Waarom mij dan, voor den duivel, er op uitgezonden?” dacht ik bij mijzelf.Gedurende ons kort gesprek was mij niets aangeboden, geen stoel, ook geene verversching, waaraan ik zoo groote behoefte had; wanneer ik het had kunnen volhouden, zou ik onder het vertellen mijner lotgevallen staande zijn gehouden. Ik wilde juist daarmede beginnen, toen de wijn mij naar het hoofd steeg; en tot steun greep ik de rugleuning van eenen stoel.Ik vulde den roemer zonder zijn Lordschap’s gezondheid te drinken.Ik vulde den roemer zonder zijn Lordschap’s gezondheid te drinken.Pag. 280.»Laat dat nu maar loopen,” zeide de commandant, blijkbaar door mijnen toestand uit zijne lustelooze onverschilligheid ontwaakt; »ga u maar liever op uw gemak stellen; dan zal ik er morgen wel alles van hooren.”Dit was de eerste en eenige vriendelijkheid, die hij mij ooit bewees; en deze kwam zooà propos, dat ik hem er dankbaar voor was. Ik bedankte hem en ging dadelijk naar de longroom, alwaar ik, in weerwil van al wat ik gehoord had van de gevaren van het eten na langdurige onthouding, alles verslond wat men mij voorzette en naar evenredigheid dronk, mijne daar omheen staande kameraden vertellende, hoe weinig het gescheeld had of wij waren er toe overgegaan om het lijk in stukken te snijden en te braden. Het viel hun niet moeielijk dit te gelooven, toen zij zagen, op welke wijze ik aan het eten was gegaan. De drie matrozen, die bij mij waren geweest, beval ik in de zorg van den dokter aan; en met zijne toestemming, schonk ik hun elk een halve kan goed heeten cognacgrog met suiker, bij wijze van »slaapmutsje.” Nadat ik deze voorzorg genomen, voor mij zelf aan de roepstem der natuur, en voor mijne kameraads aan de roepstem der nieuwsgierigheid gevolg gegeven had, zocht ik mijn bed op en viel in een diepen slaap, die tot den volgenden middag voortduurde.Dus eindigde deze onoverlegde en noodlottige tocht: een afgezant met het geheiligde teeken des vredes uit te zenden, om onder de bescherming daarvan een vijandige daad te plegen. Waren wij onder deze omstandigheden gevangengenomen, dan had men ons, als honden, aan den eersten boom den besten kunnen ophangen; ongewapend er op uit te gaan ware een dolle streek geweest, daarom durfde ik op mij nemen om een onrechtvaardige, dwaze order in den wind te slaan. Zulks strekke intusschenniet ten voorbeeld voor de jongeren, doch worde opgevat door de ouderen als eene waarschuwing om nooit bevelen te geven, vóór zij daarvan behoorlijk de gevolgen hebben overwogen. De veiligste maatregel voor jongeren is altijd om te gehoorzamen. Op deze wijze verloor ’s Konings dienst achttien flinke mannen, na zeer zwaar lijden, voor eene boot »hetprivaateigendom” van den commandant, van eene waarde van nog geen twintig pond!Des anderen daags, toen ik mij gekleed had, wenschte de eerste officier mij te spreken. Dadelijk schoot mij die malle uitdaging te binnen. »Dat is een mooi nastukje,” dacht ik, »voor het treurspel, om door den eersten officier doodgeschoten te worden, alleen omdat ik hem juist zoo’n »bol” genoemd had als den commandant.” De eerste officier had echter niet zulke barbaarsche voornemens; hij had na mijn vertrek de juistheid mijner opmerking gewaardeerd, en daar hij een goedhartige noord-landsman was, stak hij mij de hand van verzoening toe, die ik met groot genoegen aannam, daar ik voor den eersten tijd variatie genoeg had gehad.

Eenentwintigste hoofdstuk.Kort nadat het fregat, waarmede ik New Providence verlaten had, den Amerikaanschen prijs, waarover mij het bevel was toevertrouwd, had losgelaten, waren eenigen van onze matrozen eens tegen de Amerikaansche gevangenen aan het bluffen over het prijsgeld, dat zij weer verdiend hadden.»Loopt heen,” zeiden de Yankees; »van dien prijs, evenmin als van degenen, die er op overgegaan zijn, zult gij ooit meer iets vernemen.”Deze woorden werden overgebracht aan den commandant van het fregat; de stuurman en de matrozen werden nader ondervraagd en daardoor kwam de geheele snoode handeling met dat schip aan het licht. Zij verklaarden, dat het schip in zinkenden staat was op het oogenblik, dat zij het verlieten, en om die reden hadden zij zulk eene groote haast gemaakt om in de boot te komen. De stuurman vertelde verder, dat het onmogelijk was om de lekken te bereiken, die geboord waren in de voorpiek en heel achterin, onder de kajuit; dat het hem bevreemdde, dat kapitein Green zulks verzwegen had; het was zeker geweest doordien hij toen dronken was. »Het schip,” vervolgde de stuurman, »moet ongeveer twaalf uren, nadat wij het verlieten, naar den kelder zijn gegaan.”Dit verslag werd opgenomen in het rapport van mijnen commandant aan de admiraliteit, en mijn arme vader kreeg langs officiëelen weg bericht van deze treurige gebeurtenis. Vijf maanden waren er verloopen, sinds men het laatst van mij gehoord had, en alle hoop omtrent mijn behoud was vervlogen: zoo kwam het dat, toen ik klopte aan de voordeur van mijns vaders huis, ik den bediende, die mij opendeed, in de rouw gekleed zag: hij was iemand, die eerst na mijn vertrek in dienst was gekomen en mij dus volstrekt niet kende. Bij gevolg legde hij geene verwondering aan den dag toen hij mij zag.»Goede hemel!” zeide ik, »wie is hier dood?”»Mijnheers eenige zoon, sir,” antwoordde de man, »mijnheer Frank —— is op zee verdronken.”»O! is dat alles?” zeide ik. »Ik dacht, dat het iets veel ergers was.”De man maakte de gevolgtrekking, dat ik een ongevoelig heer was,en keek mij verstomd na, toen ik hem voorbijstoof, en de trappen op, naar de huiskamer liep. Ik had voorzichtiger behoorentezijn; maar, zooals gewoonlijk, volgde ik slechts den aandrang van mijn gevoel. Toen ik de deur opende, zag ik mijne zuster in diepen rouw aan eene tafel gezeten, en tegenover haar eene andere jonge dame, die met den rug naar mij toegekeerd was. Mijne zuster gaf een gil, toen zij mij gewaarwerd. De andere dame keek om, en ik herkende Emilia, ook zij was in het zwart gekleed. Toen mijne zuster een gil gegeven had, was zij bewusteloos op den grond gevallen. Emilia volgdeonmiddellijkhaar voorbeeld, en daar lagen zij samen, als een paar versteende koninginnen in de Westminster-abdij. Het was een schilderachtig, maar geen verkwikkelijk gezicht.Ik was zelf ontzettend verschrikt en begreep, dat ik een dwazen streek had begaan; doch daar er geen tijd te verliezen was, trok ik onstuimig aan de schel, en eenige vazen ziende staan, waarin men pas versche bloemen scheen gedaan te gedaan te hebben, nam ik die op en besproeide den nek van de jonge dames overvloedig met den inhoud; doch Emilia kreeg er het meeste van, hetgeen bewijst, dat ik noch mijne tegenwoordigheid van geest, noch mijne genegenheid voor haar verloren had.Higgins, de kamenier mijner zuster, was de eerste, die om het harde schellen, vreezende dat er iets ernstigs gebeurd was, kwam aanvliegen. Zij rolde als een richochet-kogel de kamer in. Het was eene oude kennis van mij; toen ik nog een jongen was, had ik haar dikwijls gekust, en zij had mij daarvoor even dikwijls een draai om de ooren gegeven. Toen dezeAbigail, mij, dien zij voor eene verschijning hield, rechtop staande en de beide dames, die zij dood waande, op den grond uitgestrekt zag, gaf zij een luiden, angstwekkenden kreet, holde wat zij loopen kon de kamer uit, daarbij den huisknecht, die juist wilde binnenkomen, bijna omverwerpende.Deze, een lompe boerenknaap, de zoon van een van mijns vaders pachters, stak alleen zijn hoofd binnen de deur en zag de dames op den grond liggen; daar de indruk, dien ik op hem gemaakt had, vooral door mijn opvatting van het bericht van mijn eigen overlijden, niet erg gunstig was, geraakte hij totaal in de war en had daardoor den meesten aanleg als een mandarijn te doen, dat is, het hoofd te schudden en geene hand uit te steken.»Laat dadelijk een paar van de meiden hier komen,” riep ik hem toe; »althans iemand, die hier hulp kan verleenen; vertel hen, dat zij vlugzout, eau de cologne—en zulken rommel medebrengen. Gauw, stommeling! Gans! vlug wat. Hoe staat ge mij zoo aan te gapen?”Ik nam een vaas en besproeide de jonge dames met den inhoud.Ik nam een vaas en besproeide de jonge dames met den inhoud.Pag. 259.De knaap zag mij aan, keek toen naar de vermeende lijken, daarbij zeker denkende, dat ik hier de moordenaar was, en hetzij als door den donder getroffen, of in twijfel omtrent mijn recht hem bevelen te geven, bleef hij met het hoofd binnen en zijn lichaam buiten de kamer, als iemand die te pronk staat. Ik zag, dat hier eenige uitlegging behoorde gegeven te worden, en riep: »Ik ben Mr. Frank. Wilt ge nu doen wat ik zeg, of moet ik u die vaas naar den kop smijten?” een der bloemvazen daarvoor gereedhoudende.Wanneer ik werkelijk de vaas had willen werpen, dan zou ik hem gemist hebben, want de kerel was weggevlogen als een aangeschoten bruinvisch. Hij snelde naar mijn vader, die in zijn studeervertrek zat, en riep dezen reeds op een afstand toe: »O, mijnheer—goed nieuws! slecht nieuws—goed nieuws!”»Wat voor nieuws, gij gek?” vroeg mijn vader, haastig van zijn stoel opspringende.»O, mijnheer, ik weet niet, mijnheer; maar ik geloof, mijnheer, Mr. Frank is weer levend, en de twee dames bennen dood.”Mijn arme vader, wiens gezondheid veel had geleden en wiens gestel nog niet bekomen was van den schok van mijn onderstelden dood, stond bevende, op beide handen zich steunend, over de tafel te rusten en verzocht den man te herhalen, wat hij gezegd had. De knaap deed dit half huilende, en mijn vader, die nu wel begreep wat er gaande was, kwam naar boven. Gaarne had ik in zijne armen gevlogen, doch ik was druk bezig met mijne lieveEmiliaop te richten, terwijl mijne arme zuster, nog evenzeer buiten kennis, aan den anderen kant van mij lag.In den tusschentijd was »alle hens op” geroepen en iedereen toegesneld—ieder levend wezen in huis, de hond niet te vergeten, in de huiskamer vergaderd. De meiden, die mij gekend hadden, weenden en snikten erbarmelijk, en de nieuwe huisknecht hield hen, uit zuivere sympathie, gezelschap. De koetsier, de palfrenier en de staljongen beefden en staarden; de een bracht water, de andere een kom, en die lummel van een huisknecht iets anders, dat ik maar niet noemen zal;in zijne onbekooktheid, had hij maar het eerste het beste gegrepen, dat hem voorkwam bruikbaar te zijn. Zijn ijver op prijs stellende, wenkte ik hem toch om maar weg te gaan. Ongelukkig voor hem had de werkmeid de vergissing bespeurd, die zijne verstrooidheid hem had doen begaan; hem het geheimzinnige meubel met de linkerhand driftig ontrukkende, verborg zij dit onder haar schort en gaf den stakkerd met de rechterhand zoo’n flinken tik op zijne wang, dat ik dadelijk om de walvischboot bij de Bermudas dacht, welke die liefkoozing van den grooten visch ontving. »O, ezelskop!” zeide zij, »wie heeft dat ding nu noodig?”»Die oorveeg beduidt meer!” zeide ik, en het kwam uit, dat ik goed geraden had:—den volgenden zondag trouwde datzelfde paar in de kerk.Eene vernuftige toepassing van vlugzout, koud water en gebrande vederen, te gelijk met het wrijven der slapen, losmaken van de halsboorden en korsetveters van de jonge dames, werd met het gelukkigste succes bekroond. Ieders hand en ieders tong was in beweging; en met al die kunstmiddeltjes gingen ten laatste de oogen van Emilia open, vestigden zich op mij, vreugde en geluk over de schepping verspreidende, als de zon, die zich uit den Atlantischen Oceaan verheft en na een vreeselijken orkaan zijn licht doet schijnen ter opbeuring van de bewoners der Antillen. Binnen het half uur was alles weer op orde gekomen; »de stukken werden gesjord—de aftrap geslagen;” het bediendencorps marcheerde af. Ik werd het middelpunt van het tableau. Emilia hield mijne rechter-, mijn vader mijne linkerhand vast; mijne dierbare Clara hing mij om den hals. Vragen werden gedaan en beantwoord, zoo vlug als de snikken en tranen daarvoor tijdruimte lieten;—dit halve uur vergoedde mij al wat ik geleden had, sinds ik in die duivelsche brik uit Engeland naar Barbados was gezeild.Het verhaal mijner lotgevallen werd gegeven met de zedigheid en de kortheid, die de omstandigheden en de tijd vereischten. De koetsier werd, bovenop een der beste wagenpaarden, naar den heer Sommerville toegezonden, en de postkar was dien dag overladen met brieven aan alle vrienden en familieleden.Toen dit afgeloopen was, gingen allen zich kleeden voor het diner. Welke verandering had één uur gewrocht: het huis van rouw was een huis van vreugde geworden! Helaas! hoe dikwijls vindt het omgekeerdeplaats! Spoedig verschenen de dames in vlekkeloos wit gekleed. Mijn vader had de rouwkleederen afgelegd, en de bedienden kwamen in hunne gewone livrei te voorschijn.Toen de soep gediend was, bood mijn vader Emilia den arm; ik volgde met mijne zuster. Emilia achteromziende, riep mij toe: »Niet jaloersch zijn, Frank!”Mijn vader lachte, en ik nam mij voor mij over die kleine plagerij te wreken.»Gij weet de boete,” zeide ik, »en die zal ik invorderen.”»Het is mij aangenaam te kunnen verklaren, dat ik er in staat en genegen toe ben,” antwoordde zij, en wij zetten ons neder. Mijn vader drukte mij de hand, en zeide »Frank, dit is een geheel ander maal, dan waar wij gisteren aanzaten. Wat wisten wij toen weinig van het geluk dat voor ons was weggelegd!” Bij deze herinnering schoten Emilia en Clara de oogen vol tranen.De jonge dames droogden zich vervolgens de tranen af, maar hun eetlust was over. Tevergeefs beproefde Emilia iets te eten. Ik schonk beiden een glas wijn in. »Kom,” zeide ik, »op zee geldt het spreekwoord, dat despiritualiëngemakkelijker wordt weggestuwd dan de drooge victualie; laten wij op elkanders gezondheid drinken, dan zal het wel beter gaan.”Zij volgden mijn raad, die goed werkte. Onze maaltijd was vroolijk, doch onze vreugde werd gematigd door de herinnering van de geleden droefheid.Nadat de tafel was afgenomen, bleven de dames nog een poos bij ons zitten, ten einde nog verder te hooren vertellen van mijne ontkoming uit verschillende gevaren. Toen ik dat geval ophaalde van dien man, die op de brik overboord was gevallen, en ik vertelde hoe ik hem nasprong en hij door mij gegrepen en boven gehouden werd, tot wij beiden begonnen te zinken, en de zee boven mijn hoofd reeds zoo donker werd, kon Emilia zich niet langer goed houden; zij sprong op, viel toen op hare knieën, verborg haar lieve gelaat in mijns zusters schoot, hartstochtelijk uitroepende. »O, houd op, houd op, lieve Frank,—vertel niet verder,—ik kan het niet aanhooren,—heusch, ik kan het niet hooren!”Wij omringden haar en voerden haar weg naar de huiskamer, waar wij verder over lichter en vroolijker onderwerpen bleven praten. Emiliasloeg een paar noten op de piano aan en deed eene poging om te zingen; doch het wilde niet vlotten; een vroolijk lied kon zij niet zingen, en een ernstig lied bracht haar van streek. Te twaalf uren gingen wij uiteen en ieder zocht zijne eigene kamer op.Des anderen daags reeds was de heer Sommerville overgekomen en ontbeet met ons mede. Dit was voor Emilia weder eene nieuwe beproeving; toen hij binnenkwam, viel zij luid snikkende in zijne armen. De heer Sommerville vatte mijne hand met beide de zijne en vroeg belangstellend om de geschiedenis te mogen hooren van mijne hoogst bijzondere lotgevallen, waarvan ik hem eene verkorte uitgave voordroeg. Ik had, door Clara daarin geholpen, gelegenheid gevonden een uurtje met Emilia alleen te zijn, om eens te spreken over onze voorgenomen huwelijksplannen; en bemerkende, dat daartegen geene andere hinderpalen bestonden dan die, welke gewoonlijk te berde worden gebracht, nam ik mij voor mij deswege tot de beide vaders te wenden.Dit keurde Emilia eindelijk goed, nadat ik haar had herinnerd aan de verschillende gevaren, waarin ik den laatsten tijd verkeerd had. Zoodra dan ook de dames van tafel waren opgestaan, verzocht ik mijn vader om ter harer eere onze glazen eens te vullen; toen ik het mijne, in al het vuur eener grenzenlooze genegenheid, op hare gezondheid had geledigd, stelde ik de vraag aan de beide heeren te gelijk. Mr. Sommerville en mijn vader zagen elkander aan, en de eerste sprak:»Gij schijnt een vreeselijke haast te hebben, Frank.”»Och niet meer, sir,” antwoordde ik, »dan het onderwerp wel verdient.” Hij maakte eene lichte buiging, en nu begon mijn vader.»Ik kan niet zeggen,” merkte de goede oude heer op, »dat ik voor trouwen ben, vóór gij hoofdofficier zijt. Ten minste zoolang gij dien rang niet hebt, kunt ge niet zeggen uw eigen baas te zijn.”»O, als ik daarop wachten moet, vader,” zeide ik, »dan kan het nog heel lang duren. In onzen dienst, althans in Engeland, is niemand zijn eigen baas. De kolonel staat onder de bevelen van den admiraal, de admiraal wordt gecommandeerd door de Admiraliteit, de Admiraliteit door den Hoogen Raad, de Hooge Raad door het Parlement, het Parlement door het volk, en het volk door de uitgevers, drukkers, schrijvers en dergelijk gespuis.”»Ik gevoel eene stille bewondering voor uwen logischen gedachtengang,” zeide mijn vader, »maar vóór alles dienen wij toch eens eerst naarden passementwinkel in Charing-Cross te gaan, om te zien of wij u niet aan een paar epauletten kunnen helpen. Zoodra wij u uw eigene korvet zien commandeeren, zal het mij hoogst gelukkig maken,—wat ik ook geloof van mijn vriend Sommerville te kunnen zeggen,—u ook het commando over zijne dochter te zien aanvaarden.”Niets wat ik aanvoeren kon, was in staat de oude heeren een duim van ditsine qua nonaf te brengen. Men kwam overeen, dat er dadelijk bij de Admiraliteit werk van mijne bevordering zou gemaakt worden; en zoodra deze er was, dan zoude Emilia over mij, voor de wittebroodsdagen, de beschikking krijgen.Dit alles was nu heel aardig voor hen uit het standpunt der voorzichtigheid bezien, doch het klopte niet bijzonder met de inzichten van een vurigen minnaar van eenentwintigjarigen leeftijd; want ofschoon ik alle vertrouwen had in mijns vaders invloed bij de Admiraliteit, wist ik evenzeer, dat er pas eene uitmuntende nieuwe bepaling was gekomen, die verhinderde, dat een luitenant tot den rang van overste kon bevorderd worden, vóór hij minstens twee jaren als zoodanig, en dan nog wel buitengaats, gediend had; evenmin kon een overste voor bevordering in aanmerking komen, tenzij hij minstens één jaar in dien rang had gediend. Dit keurde ik nu uitmuntend voor den dienst in het algemeen, doch ik had het nog niet zoover kunnen brengen om deamor patriaeboven mijne eigenliefde te stellen, en ik wenschte de bepaling zelve en de heeren, die haar in de wereld geschopt hadden, met de grootste innigheid in de grot van New Providence, als het kon, omtrent den tijd van hoog water.Het antwoord van de Admiraliteit luidde in zooverre gunstig, dat men zekerheid gaf, dat ik bevorderd zou worden, zoodra mijn diensttijd vol was, waaraan nu nog twee maanden ontbraken. Ik werd aangewezen voor een schip, dat te Woolwich uitgerust werd, en vóór dit zeeklaar zou zijn, was die tijd om, en zou ik overste worden. Dit was nu geen goed middel om de gereedmaking van het schip te verhaasten, voor zoover ik er bij betrokken was; maar dat viel nu niet te verhelpen; en daar de verblijfplaats mijner geliefde dicht bij Woolwich gelegen was, beproefde ik den tusschentijd te verdeelen tusschen gehoorzaamheid aan mijnen commandant en gehoorzaamheid aan mijne aanstaande, en ik was zoo gelukkig beiden te kunnen voldoen, omdat mijn commandant zich volstrekt niet bemoeide met het schip, noch met de uitrusting daarvan.Vóór ik naar boord ging, beproefde ik nog eenmaal om de hardnekkigheid van mijnen vader aan het wankelen te brengen. Ik herinnerde hem, dat ik een arbeid van Hercules achter den rug had, en dat, als ik weer buitenslands ging, het ongeluk wel eens zou kunnen willen, dat ik niet zoo gelukkig door alles heenrolde, of dat door eene of andere noodlottige bezwering de tooverketting, die mij nu aan Emilia bond, zou kunnen breken. Daar deze dichterlijke ontboezeming hem evenmin vermurwde als mijne prozaïsche opmerking, wendde ik mij nogmaals tot Emilia zelve. »Ongetwijfeld,” zeide ik, »kunt gij niet zoo hardvochtig zijn als onze onverbiddelijke bloedverwanten; zeker zult gij bij deze gelegenheid wel mijne voorspraak willen zijn! Geef slechts een blik van afkeuring aan mijnen vader, en op mijn woord, hij zal niet anders dan de vlag kunnen strijken.”Doch de heks antwoordde met een glimlach (daartoe zeker vanwege het hoofdkwartier opgestookt), dat het haar niets zou aanstaan haren naam in deMorning Postte lezen, als ondertrouwd met een luitenant. »Wat is tegenwoordig een luitenant?” zeide zij—»Niet veel. Het heugt mij, dat ik eens in Farcham logeerde en wij naar Portsmouth gingen om de werf en de schepen te zien, en daar was toen uw oude vriend, die lange admiraal sir Hurricane Humbug, geloof ik dat gij hem noemt, die de arme luitenants voor zich uit dreef als een herdershond de schapen. Er liep er ook altijd een hem vlak achter de hielen, precies als een lakei; en dan was er nog een ander, die mij toescheen, even als een bulhond aan de ketting, voor de deur van het bureau van den admiraal gekluisterd te liggen; alleen als de admiraal met zijne familie uit wandelen ging, mocht hij mede, doch dan liep hij met de gouvernante achteraan. Neen, Frank, het moet minstens een kolonel zijn, met een paar gouden epauletten, aan wien ik mij door het huwelijk verbind.”»Het is mij wel,” hernam ik met het noodige zelfbehagen in den penantspiegel ziende; »als gij verkiest uw geluk vast te knoopen aan de beloften van een eersten lord van de Admiraliteit en aan een paar epauletten, dan moet ik zwijgen. Vrouwelijke smaak, daar kan ik niet bij. Sommige dames verkiezen gouden gallon en rimpels boven jeugd en schoonheid;—het spijt mij voor haar, dat is al.”»Frank,” zeide Emilia, »gij zult moeten erkennen, dat gij ijdel genoeg zijt om minstens admiraal te wezen.”»De admiraals danken u voor het compliment,” zeide ik; »ik vertrouwten minste dat ik de vlag geen schande zou aandoen; doch om u de waarheid te zeggen, beste Emilia, zie ik volstrekt met geen onstuimig verlangen naar mijne verheffing tot dien rang uit. Drie sterretjes op den schouder en drie gouden galons om de mouw zijn, naar mijn inzien, geene vergoeding voor grijze haren, dunne beenen en een gebogen rug.»Het spijt mij wel voor u, mijn waarde held,” zeide de jonge dame; »doch gij moet u in deze schikken.”»Nu dan, als het moet, dan moet het,” zeide ik en werd gestoord door den huisknecht, die mij een dienstbrief bracht, niets meer of minder bevattende dan de lastgeving om met den meesten spoed naar boord te gaan.Sic transit gloria mundi!Mijn teleurstelling zoo goed mogelijk verkroppende, ging ik voort met mij voor de geleden ongemakken schadeloos te stellen, door zooveel pleizier te maken, als ik in den weinigen tijd, die mij overbleef, slechts kon genieten. Gelukkig was de eerste officier van het fregat iemand die, omdat hij weinig vrienden had en slecht bij kas was, nooit aan den wal ging. Trouw op den betaaldag liet hij zijn geld halen en hij kwam er juist mede rond, tot den dag dat er weer uitbetaald werd; en daar ik bemerkte, dat hij bijzonder gesteld was op eene goede Havana-sigaar en op een lekker glas cognac-grog—te veel dronk hij nooit—schonk ik hem een kistje van de eerste en een dozijn flesschen van de laatste, ten einde hem gemakkelijk te verzoenen met mijne veelvuldige afwezigheid van boord.Zoodra het dagwerk was afgeloopen, zeide de goedhartige luitenant: »Kom, Mr. Mildmay, ik weet dat gij gaarne nu en dan eens aan den wal wilt zijn. Hier, gebruik de jol maar; zend haar dadelijk naar boord terug en maak, dat gij morgenochtend te negen uren weer present zijt, om u bij den adelborst met de corvée op de werf aan te sluiten.”Dit trof ik nu bijzonder. Gewoonlijk kwam ik op de tijdelijke verblijfplaats van den heer Sommerville te Blackheath aan, als de klok voor het kleeden tot het diner luidde, en steeds ontmoette ik een aangenaam gezelschap aan tafel. Mijn vader en de beste Clara waren, evenals ik, gasten daar aan huis. Met de vriendelijke vergunning van den heer Sommerville, bracht ik eens Talbot met mij mede, dien ik als volmaakt gentleman in manieren, als man met gezond verstand begaafd, als iemand die eene goede opvoeding had genoten en hooge, voornamekennissen bezat, trotsch was mijn vriend te noemen. Meer bijzonder stelde ik hem voor aan mijne zuster, en vond eens gelegenheid Emilia in het oor te fluisteren, (wel wetende, dat zij dit niet lang voor zich zou houden,) dat hij het onmisbare voorrecht bezat van twee epauletten te dragen. »Daarom,” zeide ik er bij, »houd hem een beetje op een afstand, uit vrees van evenals de Echte Yankee bij verrassing genomen te worden.”Talbot, wetende dat Emilia verloofd was, was niet meer beleefd en voorkomend tegen haar, dan de gewone hoffelijkheid vorderde; doch tegenover Clara was zijne houding anders; hare natuurlijke bekoorlijkheid werd in zijne oogen zeer verhoogd door de vriendschap, welke wij sedert die gedenkwaardige geschiedenis van het te Spithead van boord weg zwemmen voor elkander gehad hadden.Ongelukkigerwijze had Clara bij al hare bekoorlijkheden één gebrek, en dat was in mijne oogen nog al groot. Clara had weinig met zeelieden op en was daarentegen op militairen van de landmacht zeer gesteld. Doch Clara was van eene gevestigde voorkeur moeielijk af te brengen, en waar deze had wortel geschoten, daar groeide en bloeide zij. Met de zeemansmanieren kan zij zich moeielijk vereenigen; zeelieden dachten, vond zij, te veel van zichzelf en van hun schip; in ’t kort gezegd: hunne ruwheid en onbeschaafdheid werd slechts door hun eigenwaan overtroffen.Het was geene geringe verdienste in Talbot, dat hij zulke halsstarrige en diepgewortelde vooroordeelen wist te overwinnen. Doch daar Clara’s sympathie voor het leger slechts een zeer algemeenen vorm had en zij daarbij geen bijzonder persoon op het oog had, was voor Talbot de vesting wel sterk van aanleg, doch totaal zonder garnizoen en dus geenszins onneembaar. Hij begon met haar, aan tafel gaande, den arm aan te bieden en met een zedig zelfvertrouwen naast haar plaats te nemen. Doch haar gebrek stond hem zoo duidelijk voor den geest, dat hij met geen woord repte van ons ongelukkige element, in tegendeel, hij wist haar bezig te houden met eene groote verscheidenheid van onderwerpen naar haren smaak; zoodat zij op het laatst verplicht was te erkennen, dat hij wel een der uitzonderingen zou kunnen zijn op haren regel, waarop ik de vrijheid nam te hopen, dat ik dan eene andere mocht wezen.

Kort nadat het fregat, waarmede ik New Providence verlaten had, den Amerikaanschen prijs, waarover mij het bevel was toevertrouwd, had losgelaten, waren eenigen van onze matrozen eens tegen de Amerikaansche gevangenen aan het bluffen over het prijsgeld, dat zij weer verdiend hadden.

»Loopt heen,” zeiden de Yankees; »van dien prijs, evenmin als van degenen, die er op overgegaan zijn, zult gij ooit meer iets vernemen.”

Deze woorden werden overgebracht aan den commandant van het fregat; de stuurman en de matrozen werden nader ondervraagd en daardoor kwam de geheele snoode handeling met dat schip aan het licht. Zij verklaarden, dat het schip in zinkenden staat was op het oogenblik, dat zij het verlieten, en om die reden hadden zij zulk eene groote haast gemaakt om in de boot te komen. De stuurman vertelde verder, dat het onmogelijk was om de lekken te bereiken, die geboord waren in de voorpiek en heel achterin, onder de kajuit; dat het hem bevreemdde, dat kapitein Green zulks verzwegen had; het was zeker geweest doordien hij toen dronken was. »Het schip,” vervolgde de stuurman, »moet ongeveer twaalf uren, nadat wij het verlieten, naar den kelder zijn gegaan.”

Dit verslag werd opgenomen in het rapport van mijnen commandant aan de admiraliteit, en mijn arme vader kreeg langs officiëelen weg bericht van deze treurige gebeurtenis. Vijf maanden waren er verloopen, sinds men het laatst van mij gehoord had, en alle hoop omtrent mijn behoud was vervlogen: zoo kwam het dat, toen ik klopte aan de voordeur van mijns vaders huis, ik den bediende, die mij opendeed, in de rouw gekleed zag: hij was iemand, die eerst na mijn vertrek in dienst was gekomen en mij dus volstrekt niet kende. Bij gevolg legde hij geene verwondering aan den dag toen hij mij zag.

»Goede hemel!” zeide ik, »wie is hier dood?”

»Mijnheers eenige zoon, sir,” antwoordde de man, »mijnheer Frank —— is op zee verdronken.”

»O! is dat alles?” zeide ik. »Ik dacht, dat het iets veel ergers was.”

De man maakte de gevolgtrekking, dat ik een ongevoelig heer was,en keek mij verstomd na, toen ik hem voorbijstoof, en de trappen op, naar de huiskamer liep. Ik had voorzichtiger behoorentezijn; maar, zooals gewoonlijk, volgde ik slechts den aandrang van mijn gevoel. Toen ik de deur opende, zag ik mijne zuster in diepen rouw aan eene tafel gezeten, en tegenover haar eene andere jonge dame, die met den rug naar mij toegekeerd was. Mijne zuster gaf een gil, toen zij mij gewaarwerd. De andere dame keek om, en ik herkende Emilia, ook zij was in het zwart gekleed. Toen mijne zuster een gil gegeven had, was zij bewusteloos op den grond gevallen. Emilia volgdeonmiddellijkhaar voorbeeld, en daar lagen zij samen, als een paar versteende koninginnen in de Westminster-abdij. Het was een schilderachtig, maar geen verkwikkelijk gezicht.

Ik was zelf ontzettend verschrikt en begreep, dat ik een dwazen streek had begaan; doch daar er geen tijd te verliezen was, trok ik onstuimig aan de schel, en eenige vazen ziende staan, waarin men pas versche bloemen scheen gedaan te gedaan te hebben, nam ik die op en besproeide den nek van de jonge dames overvloedig met den inhoud; doch Emilia kreeg er het meeste van, hetgeen bewijst, dat ik noch mijne tegenwoordigheid van geest, noch mijne genegenheid voor haar verloren had.

Higgins, de kamenier mijner zuster, was de eerste, die om het harde schellen, vreezende dat er iets ernstigs gebeurd was, kwam aanvliegen. Zij rolde als een richochet-kogel de kamer in. Het was eene oude kennis van mij; toen ik nog een jongen was, had ik haar dikwijls gekust, en zij had mij daarvoor even dikwijls een draai om de ooren gegeven. Toen dezeAbigail, mij, dien zij voor eene verschijning hield, rechtop staande en de beide dames, die zij dood waande, op den grond uitgestrekt zag, gaf zij een luiden, angstwekkenden kreet, holde wat zij loopen kon de kamer uit, daarbij den huisknecht, die juist wilde binnenkomen, bijna omverwerpende.

Deze, een lompe boerenknaap, de zoon van een van mijns vaders pachters, stak alleen zijn hoofd binnen de deur en zag de dames op den grond liggen; daar de indruk, dien ik op hem gemaakt had, vooral door mijn opvatting van het bericht van mijn eigen overlijden, niet erg gunstig was, geraakte hij totaal in de war en had daardoor den meesten aanleg als een mandarijn te doen, dat is, het hoofd te schudden en geene hand uit te steken.

»Laat dadelijk een paar van de meiden hier komen,” riep ik hem toe; »althans iemand, die hier hulp kan verleenen; vertel hen, dat zij vlugzout, eau de cologne—en zulken rommel medebrengen. Gauw, stommeling! Gans! vlug wat. Hoe staat ge mij zoo aan te gapen?”

Ik nam een vaas en besproeide de jonge dames met den inhoud.Ik nam een vaas en besproeide de jonge dames met den inhoud.Pag. 259.

Ik nam een vaas en besproeide de jonge dames met den inhoud.

Pag. 259.

De knaap zag mij aan, keek toen naar de vermeende lijken, daarbij zeker denkende, dat ik hier de moordenaar was, en hetzij als door den donder getroffen, of in twijfel omtrent mijn recht hem bevelen te geven, bleef hij met het hoofd binnen en zijn lichaam buiten de kamer, als iemand die te pronk staat. Ik zag, dat hier eenige uitlegging behoorde gegeven te worden, en riep: »Ik ben Mr. Frank. Wilt ge nu doen wat ik zeg, of moet ik u die vaas naar den kop smijten?” een der bloemvazen daarvoor gereedhoudende.

Wanneer ik werkelijk de vaas had willen werpen, dan zou ik hem gemist hebben, want de kerel was weggevlogen als een aangeschoten bruinvisch. Hij snelde naar mijn vader, die in zijn studeervertrek zat, en riep dezen reeds op een afstand toe: »O, mijnheer—goed nieuws! slecht nieuws—goed nieuws!”

»Wat voor nieuws, gij gek?” vroeg mijn vader, haastig van zijn stoel opspringende.

»O, mijnheer, ik weet niet, mijnheer; maar ik geloof, mijnheer, Mr. Frank is weer levend, en de twee dames bennen dood.”

Mijn arme vader, wiens gezondheid veel had geleden en wiens gestel nog niet bekomen was van den schok van mijn onderstelden dood, stond bevende, op beide handen zich steunend, over de tafel te rusten en verzocht den man te herhalen, wat hij gezegd had. De knaap deed dit half huilende, en mijn vader, die nu wel begreep wat er gaande was, kwam naar boven. Gaarne had ik in zijne armen gevlogen, doch ik was druk bezig met mijne lieveEmiliaop te richten, terwijl mijne arme zuster, nog evenzeer buiten kennis, aan den anderen kant van mij lag.

In den tusschentijd was »alle hens op” geroepen en iedereen toegesneld—ieder levend wezen in huis, de hond niet te vergeten, in de huiskamer vergaderd. De meiden, die mij gekend hadden, weenden en snikten erbarmelijk, en de nieuwe huisknecht hield hen, uit zuivere sympathie, gezelschap. De koetsier, de palfrenier en de staljongen beefden en staarden; de een bracht water, de andere een kom, en die lummel van een huisknecht iets anders, dat ik maar niet noemen zal;in zijne onbekooktheid, had hij maar het eerste het beste gegrepen, dat hem voorkwam bruikbaar te zijn. Zijn ijver op prijs stellende, wenkte ik hem toch om maar weg te gaan. Ongelukkig voor hem had de werkmeid de vergissing bespeurd, die zijne verstrooidheid hem had doen begaan; hem het geheimzinnige meubel met de linkerhand driftig ontrukkende, verborg zij dit onder haar schort en gaf den stakkerd met de rechterhand zoo’n flinken tik op zijne wang, dat ik dadelijk om de walvischboot bij de Bermudas dacht, welke die liefkoozing van den grooten visch ontving. »O, ezelskop!” zeide zij, »wie heeft dat ding nu noodig?”

»Die oorveeg beduidt meer!” zeide ik, en het kwam uit, dat ik goed geraden had:—den volgenden zondag trouwde datzelfde paar in de kerk.

Eene vernuftige toepassing van vlugzout, koud water en gebrande vederen, te gelijk met het wrijven der slapen, losmaken van de halsboorden en korsetveters van de jonge dames, werd met het gelukkigste succes bekroond. Ieders hand en ieders tong was in beweging; en met al die kunstmiddeltjes gingen ten laatste de oogen van Emilia open, vestigden zich op mij, vreugde en geluk over de schepping verspreidende, als de zon, die zich uit den Atlantischen Oceaan verheft en na een vreeselijken orkaan zijn licht doet schijnen ter opbeuring van de bewoners der Antillen. Binnen het half uur was alles weer op orde gekomen; »de stukken werden gesjord—de aftrap geslagen;” het bediendencorps marcheerde af. Ik werd het middelpunt van het tableau. Emilia hield mijne rechter-, mijn vader mijne linkerhand vast; mijne dierbare Clara hing mij om den hals. Vragen werden gedaan en beantwoord, zoo vlug als de snikken en tranen daarvoor tijdruimte lieten;—dit halve uur vergoedde mij al wat ik geleden had, sinds ik in die duivelsche brik uit Engeland naar Barbados was gezeild.

Het verhaal mijner lotgevallen werd gegeven met de zedigheid en de kortheid, die de omstandigheden en de tijd vereischten. De koetsier werd, bovenop een der beste wagenpaarden, naar den heer Sommerville toegezonden, en de postkar was dien dag overladen met brieven aan alle vrienden en familieleden.

Toen dit afgeloopen was, gingen allen zich kleeden voor het diner. Welke verandering had één uur gewrocht: het huis van rouw was een huis van vreugde geworden! Helaas! hoe dikwijls vindt het omgekeerdeplaats! Spoedig verschenen de dames in vlekkeloos wit gekleed. Mijn vader had de rouwkleederen afgelegd, en de bedienden kwamen in hunne gewone livrei te voorschijn.

Toen de soep gediend was, bood mijn vader Emilia den arm; ik volgde met mijne zuster. Emilia achteromziende, riep mij toe: »Niet jaloersch zijn, Frank!”

Mijn vader lachte, en ik nam mij voor mij over die kleine plagerij te wreken.

»Gij weet de boete,” zeide ik, »en die zal ik invorderen.”

»Het is mij aangenaam te kunnen verklaren, dat ik er in staat en genegen toe ben,” antwoordde zij, en wij zetten ons neder. Mijn vader drukte mij de hand, en zeide »Frank, dit is een geheel ander maal, dan waar wij gisteren aanzaten. Wat wisten wij toen weinig van het geluk dat voor ons was weggelegd!” Bij deze herinnering schoten Emilia en Clara de oogen vol tranen.

De jonge dames droogden zich vervolgens de tranen af, maar hun eetlust was over. Tevergeefs beproefde Emilia iets te eten. Ik schonk beiden een glas wijn in. »Kom,” zeide ik, »op zee geldt het spreekwoord, dat despiritualiëngemakkelijker wordt weggestuwd dan de drooge victualie; laten wij op elkanders gezondheid drinken, dan zal het wel beter gaan.”

Zij volgden mijn raad, die goed werkte. Onze maaltijd was vroolijk, doch onze vreugde werd gematigd door de herinnering van de geleden droefheid.

Nadat de tafel was afgenomen, bleven de dames nog een poos bij ons zitten, ten einde nog verder te hooren vertellen van mijne ontkoming uit verschillende gevaren. Toen ik dat geval ophaalde van dien man, die op de brik overboord was gevallen, en ik vertelde hoe ik hem nasprong en hij door mij gegrepen en boven gehouden werd, tot wij beiden begonnen te zinken, en de zee boven mijn hoofd reeds zoo donker werd, kon Emilia zich niet langer goed houden; zij sprong op, viel toen op hare knieën, verborg haar lieve gelaat in mijns zusters schoot, hartstochtelijk uitroepende. »O, houd op, houd op, lieve Frank,—vertel niet verder,—ik kan het niet aanhooren,—heusch, ik kan het niet hooren!”

Wij omringden haar en voerden haar weg naar de huiskamer, waar wij verder over lichter en vroolijker onderwerpen bleven praten. Emiliasloeg een paar noten op de piano aan en deed eene poging om te zingen; doch het wilde niet vlotten; een vroolijk lied kon zij niet zingen, en een ernstig lied bracht haar van streek. Te twaalf uren gingen wij uiteen en ieder zocht zijne eigene kamer op.

Des anderen daags reeds was de heer Sommerville overgekomen en ontbeet met ons mede. Dit was voor Emilia weder eene nieuwe beproeving; toen hij binnenkwam, viel zij luid snikkende in zijne armen. De heer Sommerville vatte mijne hand met beide de zijne en vroeg belangstellend om de geschiedenis te mogen hooren van mijne hoogst bijzondere lotgevallen, waarvan ik hem eene verkorte uitgave voordroeg. Ik had, door Clara daarin geholpen, gelegenheid gevonden een uurtje met Emilia alleen te zijn, om eens te spreken over onze voorgenomen huwelijksplannen; en bemerkende, dat daartegen geene andere hinderpalen bestonden dan die, welke gewoonlijk te berde worden gebracht, nam ik mij voor mij deswege tot de beide vaders te wenden.

Dit keurde Emilia eindelijk goed, nadat ik haar had herinnerd aan de verschillende gevaren, waarin ik den laatsten tijd verkeerd had. Zoodra dan ook de dames van tafel waren opgestaan, verzocht ik mijn vader om ter harer eere onze glazen eens te vullen; toen ik het mijne, in al het vuur eener grenzenlooze genegenheid, op hare gezondheid had geledigd, stelde ik de vraag aan de beide heeren te gelijk. Mr. Sommerville en mijn vader zagen elkander aan, en de eerste sprak:

»Gij schijnt een vreeselijke haast te hebben, Frank.”

»Och niet meer, sir,” antwoordde ik, »dan het onderwerp wel verdient.” Hij maakte eene lichte buiging, en nu begon mijn vader.

»Ik kan niet zeggen,” merkte de goede oude heer op, »dat ik voor trouwen ben, vóór gij hoofdofficier zijt. Ten minste zoolang gij dien rang niet hebt, kunt ge niet zeggen uw eigen baas te zijn.”

»O, als ik daarop wachten moet, vader,” zeide ik, »dan kan het nog heel lang duren. In onzen dienst, althans in Engeland, is niemand zijn eigen baas. De kolonel staat onder de bevelen van den admiraal, de admiraal wordt gecommandeerd door de Admiraliteit, de Admiraliteit door den Hoogen Raad, de Hooge Raad door het Parlement, het Parlement door het volk, en het volk door de uitgevers, drukkers, schrijvers en dergelijk gespuis.”

»Ik gevoel eene stille bewondering voor uwen logischen gedachtengang,” zeide mijn vader, »maar vóór alles dienen wij toch eens eerst naarden passementwinkel in Charing-Cross te gaan, om te zien of wij u niet aan een paar epauletten kunnen helpen. Zoodra wij u uw eigene korvet zien commandeeren, zal het mij hoogst gelukkig maken,—wat ik ook geloof van mijn vriend Sommerville te kunnen zeggen,—u ook het commando over zijne dochter te zien aanvaarden.”

Niets wat ik aanvoeren kon, was in staat de oude heeren een duim van ditsine qua nonaf te brengen. Men kwam overeen, dat er dadelijk bij de Admiraliteit werk van mijne bevordering zou gemaakt worden; en zoodra deze er was, dan zoude Emilia over mij, voor de wittebroodsdagen, de beschikking krijgen.

Dit alles was nu heel aardig voor hen uit het standpunt der voorzichtigheid bezien, doch het klopte niet bijzonder met de inzichten van een vurigen minnaar van eenentwintigjarigen leeftijd; want ofschoon ik alle vertrouwen had in mijns vaders invloed bij de Admiraliteit, wist ik evenzeer, dat er pas eene uitmuntende nieuwe bepaling was gekomen, die verhinderde, dat een luitenant tot den rang van overste kon bevorderd worden, vóór hij minstens twee jaren als zoodanig, en dan nog wel buitengaats, gediend had; evenmin kon een overste voor bevordering in aanmerking komen, tenzij hij minstens één jaar in dien rang had gediend. Dit keurde ik nu uitmuntend voor den dienst in het algemeen, doch ik had het nog niet zoover kunnen brengen om deamor patriaeboven mijne eigenliefde te stellen, en ik wenschte de bepaling zelve en de heeren, die haar in de wereld geschopt hadden, met de grootste innigheid in de grot van New Providence, als het kon, omtrent den tijd van hoog water.

Het antwoord van de Admiraliteit luidde in zooverre gunstig, dat men zekerheid gaf, dat ik bevorderd zou worden, zoodra mijn diensttijd vol was, waaraan nu nog twee maanden ontbraken. Ik werd aangewezen voor een schip, dat te Woolwich uitgerust werd, en vóór dit zeeklaar zou zijn, was die tijd om, en zou ik overste worden. Dit was nu geen goed middel om de gereedmaking van het schip te verhaasten, voor zoover ik er bij betrokken was; maar dat viel nu niet te verhelpen; en daar de verblijfplaats mijner geliefde dicht bij Woolwich gelegen was, beproefde ik den tusschentijd te verdeelen tusschen gehoorzaamheid aan mijnen commandant en gehoorzaamheid aan mijne aanstaande, en ik was zoo gelukkig beiden te kunnen voldoen, omdat mijn commandant zich volstrekt niet bemoeide met het schip, noch met de uitrusting daarvan.

Vóór ik naar boord ging, beproefde ik nog eenmaal om de hardnekkigheid van mijnen vader aan het wankelen te brengen. Ik herinnerde hem, dat ik een arbeid van Hercules achter den rug had, en dat, als ik weer buitenslands ging, het ongeluk wel eens zou kunnen willen, dat ik niet zoo gelukkig door alles heenrolde, of dat door eene of andere noodlottige bezwering de tooverketting, die mij nu aan Emilia bond, zou kunnen breken. Daar deze dichterlijke ontboezeming hem evenmin vermurwde als mijne prozaïsche opmerking, wendde ik mij nogmaals tot Emilia zelve. »Ongetwijfeld,” zeide ik, »kunt gij niet zoo hardvochtig zijn als onze onverbiddelijke bloedverwanten; zeker zult gij bij deze gelegenheid wel mijne voorspraak willen zijn! Geef slechts een blik van afkeuring aan mijnen vader, en op mijn woord, hij zal niet anders dan de vlag kunnen strijken.”

Doch de heks antwoordde met een glimlach (daartoe zeker vanwege het hoofdkwartier opgestookt), dat het haar niets zou aanstaan haren naam in deMorning Postte lezen, als ondertrouwd met een luitenant. »Wat is tegenwoordig een luitenant?” zeide zij—»Niet veel. Het heugt mij, dat ik eens in Farcham logeerde en wij naar Portsmouth gingen om de werf en de schepen te zien, en daar was toen uw oude vriend, die lange admiraal sir Hurricane Humbug, geloof ik dat gij hem noemt, die de arme luitenants voor zich uit dreef als een herdershond de schapen. Er liep er ook altijd een hem vlak achter de hielen, precies als een lakei; en dan was er nog een ander, die mij toescheen, even als een bulhond aan de ketting, voor de deur van het bureau van den admiraal gekluisterd te liggen; alleen als de admiraal met zijne familie uit wandelen ging, mocht hij mede, doch dan liep hij met de gouvernante achteraan. Neen, Frank, het moet minstens een kolonel zijn, met een paar gouden epauletten, aan wien ik mij door het huwelijk verbind.”

»Het is mij wel,” hernam ik met het noodige zelfbehagen in den penantspiegel ziende; »als gij verkiest uw geluk vast te knoopen aan de beloften van een eersten lord van de Admiraliteit en aan een paar epauletten, dan moet ik zwijgen. Vrouwelijke smaak, daar kan ik niet bij. Sommige dames verkiezen gouden gallon en rimpels boven jeugd en schoonheid;—het spijt mij voor haar, dat is al.”

»Frank,” zeide Emilia, »gij zult moeten erkennen, dat gij ijdel genoeg zijt om minstens admiraal te wezen.”

»De admiraals danken u voor het compliment,” zeide ik; »ik vertrouwten minste dat ik de vlag geen schande zou aandoen; doch om u de waarheid te zeggen, beste Emilia, zie ik volstrekt met geen onstuimig verlangen naar mijne verheffing tot dien rang uit. Drie sterretjes op den schouder en drie gouden galons om de mouw zijn, naar mijn inzien, geene vergoeding voor grijze haren, dunne beenen en een gebogen rug.

»Het spijt mij wel voor u, mijn waarde held,” zeide de jonge dame; »doch gij moet u in deze schikken.”

»Nu dan, als het moet, dan moet het,” zeide ik en werd gestoord door den huisknecht, die mij een dienstbrief bracht, niets meer of minder bevattende dan de lastgeving om met den meesten spoed naar boord te gaan.Sic transit gloria mundi!

Mijn teleurstelling zoo goed mogelijk verkroppende, ging ik voort met mij voor de geleden ongemakken schadeloos te stellen, door zooveel pleizier te maken, als ik in den weinigen tijd, die mij overbleef, slechts kon genieten. Gelukkig was de eerste officier van het fregat iemand die, omdat hij weinig vrienden had en slecht bij kas was, nooit aan den wal ging. Trouw op den betaaldag liet hij zijn geld halen en hij kwam er juist mede rond, tot den dag dat er weer uitbetaald werd; en daar ik bemerkte, dat hij bijzonder gesteld was op eene goede Havana-sigaar en op een lekker glas cognac-grog—te veel dronk hij nooit—schonk ik hem een kistje van de eerste en een dozijn flesschen van de laatste, ten einde hem gemakkelijk te verzoenen met mijne veelvuldige afwezigheid van boord.

Zoodra het dagwerk was afgeloopen, zeide de goedhartige luitenant: »Kom, Mr. Mildmay, ik weet dat gij gaarne nu en dan eens aan den wal wilt zijn. Hier, gebruik de jol maar; zend haar dadelijk naar boord terug en maak, dat gij morgenochtend te negen uren weer present zijt, om u bij den adelborst met de corvée op de werf aan te sluiten.”

Dit trof ik nu bijzonder. Gewoonlijk kwam ik op de tijdelijke verblijfplaats van den heer Sommerville te Blackheath aan, als de klok voor het kleeden tot het diner luidde, en steeds ontmoette ik een aangenaam gezelschap aan tafel. Mijn vader en de beste Clara waren, evenals ik, gasten daar aan huis. Met de vriendelijke vergunning van den heer Sommerville, bracht ik eens Talbot met mij mede, dien ik als volmaakt gentleman in manieren, als man met gezond verstand begaafd, als iemand die eene goede opvoeding had genoten en hooge, voornamekennissen bezat, trotsch was mijn vriend te noemen. Meer bijzonder stelde ik hem voor aan mijne zuster, en vond eens gelegenheid Emilia in het oor te fluisteren, (wel wetende, dat zij dit niet lang voor zich zou houden,) dat hij het onmisbare voorrecht bezat van twee epauletten te dragen. »Daarom,” zeide ik er bij, »houd hem een beetje op een afstand, uit vrees van evenals de Echte Yankee bij verrassing genomen te worden.”

Talbot, wetende dat Emilia verloofd was, was niet meer beleefd en voorkomend tegen haar, dan de gewone hoffelijkheid vorderde; doch tegenover Clara was zijne houding anders; hare natuurlijke bekoorlijkheid werd in zijne oogen zeer verhoogd door de vriendschap, welke wij sedert die gedenkwaardige geschiedenis van het te Spithead van boord weg zwemmen voor elkander gehad hadden.

Ongelukkigerwijze had Clara bij al hare bekoorlijkheden één gebrek, en dat was in mijne oogen nog al groot. Clara had weinig met zeelieden op en was daarentegen op militairen van de landmacht zeer gesteld. Doch Clara was van eene gevestigde voorkeur moeielijk af te brengen, en waar deze had wortel geschoten, daar groeide en bloeide zij. Met de zeemansmanieren kan zij zich moeielijk vereenigen; zeelieden dachten, vond zij, te veel van zichzelf en van hun schip; in ’t kort gezegd: hunne ruwheid en onbeschaafdheid werd slechts door hun eigenwaan overtroffen.

Het was geene geringe verdienste in Talbot, dat hij zulke halsstarrige en diepgewortelde vooroordeelen wist te overwinnen. Doch daar Clara’s sympathie voor het leger slechts een zeer algemeenen vorm had en zij daarbij geen bijzonder persoon op het oog had, was voor Talbot de vesting wel sterk van aanleg, doch totaal zonder garnizoen en dus geenszins onneembaar. Hij begon met haar, aan tafel gaande, den arm aan te bieden en met een zedig zelfvertrouwen naast haar plaats te nemen. Doch haar gebrek stond hem zoo duidelijk voor den geest, dat hij met geen woord repte van ons ongelukkige element, in tegendeel, hij wist haar bezig te houden met eene groote verscheidenheid van onderwerpen naar haren smaak; zoodat zij op het laatst verplicht was te erkennen, dat hij wel een der uitzonderingen zou kunnen zijn op haren regel, waarop ik de vrijheid nam te hopen, dat ik dan eene andere mocht wezen.

Tweeëntwintigste hoofdstuk.Het is nu tijd geworden den lezer bekend te maken met mijn nieuwe schip en mijn nieuwen commandant. Het eerste was een fregat van de grootste soort, gebouwd met de bedoeling om te kunnen opwegen tegen de zware dubbel-banks fregatten van de Yankees. Het schip voerde dertig lange 24-ponders in den kuil en hetzelfde aantal 42-ponds caronaden op het bovendek.Ik was eene week aan boord, deed gedurende den dag dienst en was ’s avonds aan den wal, ten huize van den heer Sommerville te Blackheath. Mijn commandant had ik nog niet gezien, en de eerste officier was op een morgen naar den wal gegaan om eens af te stappen. Ik was dus op dat oogenblik de commandeerende officier; de equipage was aan het schaften; zacht motregende het, en ik wandelde eenzaam op het halfdek op en neer, toen er eene boot van den wal op zijde kwam, waarin een persoon gezeten was in burgerkleeren. Ik schonk hem geene bijzondere aandacht, denkende dat het een wijnkooper of kleermaker was, die vergunning kwam vragen om het schip te bedienen. De vreemde keek naar de vuile valreepen, die de stuurmansleerling hem aangaf, en vroeg of er niet een schoon paar was. De jongen antwoordde ontkennend, en de vreemde ziende dat er niets anders kwam, pakte de vuile touwen aan en klom naar boven.Op het halfdek gekomen, stapte hij naar mij toe en mij een paar zwavelkleurige handschoenen toonende, die vol teer en vuil zaten, merkte hij op nijdigen toon op: »Bij God, mijnheer, dat kost mij een paar nieuwe handschoenen!”»Ik trek altijd mijne handschoenen uit, als ik aan boord kom,” zeide ik.»Maar ik verkies de mijne aan te houden,” hernam de vreemdeling. »En waarom kon men mij niet een paar schoone valreepen geven?”»Omdat,” zeide ik, »mijne orders zijn ze alleen te geven, wanneer er valreepsgasten gesloten zijn.”»En waarom werden er mij geene valreepsgasten gegeven, mijnheer?”»Omdat, mijnheer, het nooit gesloten wordt, vóór men weet wie overkomen zal.”»Zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, zal ik van uwe handelwijze aan uwen commandant rapporteeren,” zeide hij.»Wij geven alleen valreepsgasten voor officieren in uniform,” zeide ik; »en ik zou nog wel eens graag willen weten, op welken grond u die eer zou toekomen.”»Mijnheer, ik ben,” zeide hij (zijn kaartje toonende),»........, enz. Kent gij mij nu?”»Ja, mijnheer,” antwoordde ik, »ik ken u als fatsoenlijk man; maar zoolang ik u niet zie in kolonelsuniform, kan ik u het gevraagde eerbewijs niet geven.” Doch terwijlik ditzeide, nam ik eerbiedig mijn hoed af.»In dat geval, mijnheer,” zeide hij, »zult gij, zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, er meer van hooren.” Gevraagd hebbende, of de commandant aan boord was, en een ontkennend antwoord hebbende ontvangen, keerde hij zich om en ging den valreep door, weer in zijne boot, zonder mij de gelegenheid te hebben gegeven een paar schoone touwen voor hem te laten komen. Hij liet weer naar den wal roeien, en nooit vernam ik weer van zijne vuile valreepen en bedorven handschoenen.Later hoorde ik, dat deze officier gewoon was zijne discoursen te doorspekken met dit lievelingsonderwerp zijner eerzucht; doch daar hij nu werkelijk lid van het Hoogerhuis is, mag men aannemen, dat hij deze zijne verklaring tegen eene andere verwisseld heeft. Toen hij een schip commandeerde, was hij gewoon te zeggen: »Zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, zal ik u laten afstraffen, man;” en als de bedreiging in dezen vorm over zijn lippen was gekomen, ging de bestraffing zeker door. Bij ons kwam deze spraakwijze, doch in juist omgekeerden zin, in den smaak: de officieren, adelborsten, matrozen en mariniers bekrachtigden de geloofwaardigheid hunner beweringen door te zeggen: »Zoo zeker als iknietin het Hoogerhuis zal zitten.”Dit nu was de edele lord, die toen hij een Zr. Ms. schepen in de Chineesche wateren commandeerde, een inwoner van dat rijk zijn portret liet maken. Daar de gelijkenis niet bijzonder vleiend was uitgevallen, werd de kunstenaar door zijn patroon ernstig berispt. De arme kerel antwoordde: »Ach meester, hoe kan mooi gezicht maken, als geen mooigezicht heb?” Deze geschiedenis is, als zooveel andere mooie verhalen, gestolen en op allerlei wijzen toegepast geworden; doch ik maak er aanspraak op als wettig eigendom van de marine en kan er voor instaan, dat zij den bovengenoemden oorsprong heeft.Een voor een kwamen mijne kameraden aan boord, totdat wij voltallig waren; en eindelijk kwam er een brief in een adres, gericht aan den eersten officier, met het opschrift »dienst” en aan den benedenhoek links gewaarmerkt met den naam van den edelen schrijver, en hield in, dat onze commandant den volgenden morgen aan boord zou komen. Wij stonden natuurlijk gereed hem te ontvangen, in volle uniform met steek en degen,—de marinierswacht was aangetreden. Hij kwam tegen halféén langs zijde, toen de equipage aan het schaften was, een vreemd uitgezocht tijdstip, daar men niet gewoon is, als het vermeden kan worden, de menschen in hunne maaltijden te storen. Hijzelf droeg een ongekleed jasje met neergeslagen kraag en ankerknoopen, geene epauletten, en een lanciersmuts met breeden, gouden band.Dit was nu niet zooals het behoorde, doch daar hij een lord was, maakte hij aanspraak op enkele voorrechten; en later bevonden wij, dat hij zich bij herhaling plaatste op de rots zijner voorrechten. Na elkander werden wij aan hem voorgesteld, en aan elk onzer verwaardigde hij zich een knik te geven. Zijne vragen waren alleen gericht tot den eersten officier en hadden slechts betrekking op zijn eigen gemak. »Waar moet mijn hofmeester logeeren,—waar mijn bediende slapen,—welke veehokken zijn van mij,—en waar moeten mijne schapen gestopt worden?”Toen wij een half uur in zijn gezelschap waren geweest, ontdekten wij reeds, dat hij zijn eigen edelen persoon verafgoodde. Wat zijn schip betrof, hoe de inrichting, hoe sterk de bemanning was, met de masten, het tuig, de ruimen, provisiën en waterberging,—met niets van dat alles vermoeide hij ooit zijn geest.Toen hij ongeveer een uur aan boord was geweest, liet hij zijne sloep weer gereedmaken en keerde naar den wal terug, en wij zagen niets meer van hem vóór wij te Spithead waren aangekomen, toen zijn lordschap aan boord verscheen, vergezeld van iemand, dien wij spoedig ontdekten een gepensionneerden scheepsschrijver te zijn,—een man, die door de grofste vleierij en tallooze kleine diensten zich bij zijnen patroon zóó onmisbaar had weten te maken, dat hij bij diens reisstoet een even noodzakelijk aanhangsel was geworden als de kofferof de lijfknecht. Deze verachtelijke tafelschuimer was zijn lordschaps dubbelganger. Als zijn lordschap zulks slechts verlangde, dan werd zwart wit—en wit zwart in den mond van den trawant; hij at in de kajuit, deed ontzaglijk veel kwaad in het schip en ontging alleen de noodige hoeveelheid schoppen, omdat hij een te groote ellendeling was om zelfs geschopt te worden.Zoodra wij het bevel ontvingen om naar Spithead te stevenen, maakte de heer Sommerville, die zoolang het schip nog niet gereed was, zijn huis te Blackheath had aangehouden in de hoop, dat mijne bevordering wat eerder nog zou afkomen, aanstalten de plaats te verlaten. Mijn vader had zich nogmaals tot de autoriteiten gewend en ten antwoord gekregen, dat ik om mijne promotie eerst buitengaats moest gaan. Hierdoor ging hij nu over tot het opbreken van zijn zomerkwartier, zeer wijselijk de opmerking makende, dat, als hij dit niet deed, mijne diensten voor het schip zouden verloren zijn. Zoo hij en Emilia mij niet te Woolwich achterlieten, zou misschien mijn commandant mij achterlaten; op grond hiervan deelde hij zijn binnen de vierentwintig uren voorgenomen vertrek mede.Emilia was zeer droevig gestemd. Ik niet minder. Vriendelijk verweet ik haar hare wreedheid; doch zij antwoordde mij met eene flinkheid en verstandigheid, die ik in haar moest bewonderen, dat zij slechts één raadgever had, en dat was haar vader, en dat zij tot haar huwelijk toe nooit naar een ander zou luisteren; dat zij op zijn advies het trouwen had uitgesteld. »En daar wij nog geen van beiden heel erg oud zijn,” vervolgde zij, »vertrouw ik, dat wij elkaar zullen weerzien.” Ik had eerbied voor haren moed, gaf haar een kus, hielp haar in den wagen, drukte haar de handen. Ik behoef er niet bij te voegen, dat ik in elk harer oogen een traan zag blinken. Mr. Sommerville zag, dat er een heele stortbui van in aantocht was; daarom trok hij het portier op, knikte mij vriendelijk toe en liet het rijtuig vertrekken. Het laatste wat ik toen van Emilia zag, was hare rechterhand, waarmede zij een zakdoek voor de oogen hield.Toen de dierbare bewoners afgereisd waren, keerde ik mij met tegenzin van het huis af en liep naar mijne sloep toe met de neerslachtigheid van een hond, dien men een blikken ketel aan den staart heeft gebonden. Toen ik aan boord kwam, haatte ik het gezicht van iedereen en de reuk van alles; pik, verf, ruimwater, teer en rum mengdenzich daar op een afschuwelijke wijze en spanden samen om mij zoo ziek en ellendig te maken, als de meest verliefde zeeman zich kan voorstellen. Ik heb reeds vroeger gezegd, dat wij te Spithead waren aangekomen, en aangezien ik van die plaats niets nieuws te vertellen heb, zal ik mijn verhaal weer opvatten in zee.Wij gingen naar het Noord-Amerikaansche station, wat mij wel het aangenaamste was, nu ik toch niet bij Emilia kon wezen. Onze overtocht duurde lang, en wij werden op rantsoen drinkwater gesteld. Alleen zij, die zulks ondervonden hebben, weten wat dit zeggen wil. Iedereen leed er onder, behalve de commandant, die op grond zijner voorrechten dagelijks twaalf kan extra vorderde voor zijn voetbad; en het daarvoor gebruikte water werd gretig aangenomen en genoten door de matrozen. Dit gaf wel aanleiding tot eenige ontevredenheid, welke den commandant ter oore kwam, doch hij maakte er zich niet moeielijk over en zeide erg onverschillig:»Wel, als iemand geen voorrechten mag hebben, wat zou het dan waard zijn om commandant te zijn?”»Zeer juist, mylord,” zeide de trawant, met eene diepe buiging.Als ik eene beschrijving van zijne lordschap geven wil, dan moet ik zeggen: hij was een kort, kloek, welgemaakt man met een goed gevormd, doch niet bepaald snugger gelaat, altijd keurig net op zijn persoon; geholpen door de inblazingen van zijn pluimstrijker, was hij zeer met zichzelf ingenomen; trotsch op zijne hooge geboorte en nog meer ijdel op zijn uiterlijk voorkomen. Zijne kennis van de meeste zaken was zeer oppervlakkig het leven in de hoogere kringen: en de aardigheden, die daarop betrekking hadden, waren schering en inslag zijner gesprekken; aan zijne eigene tafel, maakte hij zich trouw van het discours meester, en terwijl zijne gasten zijn wijn opdronken, lachten zij met gemaakte vroolijkheid. Zijne bibliotheek bestond uit twee octavo-deelen, de Mémoires van den Hertog de Grammont, welk vroolijk en aristocratisch werk nooit uit zijne handen was. Hij had verscheidene jaren op zee doorgebracht, doch vreemd genoeg, hij wist niets, letterlijk niets van zijn vak af. Van zeemanschap, stuurmanskunst en omtrent alles wat met den dienst samenhing, was hij volkomen onkundig. Vóór hij bij ons kwam, had ik hem als een goed officier hooren beschrijven; en ik moet om rechtvaardig te zijn zeggen, dat hij steeds een aangenaam humeur had, en naar ik geloof zoo dapper was, alsooit iemand, die het zwaard hanteerde. Zelden maakte hij een aanmerking in dienst, omdat hij zich zijn gebrek bewust was, en ook op glibberig terrein waagde hij zich nooit. Wanneer hij op het halfdek kwam, keek hij gewoonlijk naar den loef-grootenbras, en wanneer deze niet snaarstijf stond, gaf hij bevel om hem te laten stijf zetten. Hierdoor kon hij zich niet licht blootgeven; doch het werd een spotwoord, als wij beneden om hem lachten. Hij had de zonderlinge gewoonte om de namen van menschen en voorwerpen te vergeten, of althans te doen alsof hij die vergeten had;—ik geloof, omdat alles zoo verre beneden hem was; en in plaats van de namen gebruikte hij de sierlijke uitdrukkingen: »hoe heet hij ook” en »hoe noemt gij dat”, en »dinges”.Eens kwam hij op dek en gaf mij inderdaad het volgende, zeer duidelijke bevel: »Mijnheer »hoe heet gij ook”, wees zoo goed om de »dinges” te »hoe noemt gij dat”.”»Ja, ja, mylord!” antwoordde ik, »achtergasten de loef, grooten bras beter stijfzetten!” Dit had hij juist bedoeld.Hij was er zeer op gesteld en zag er nauwlettend op toe om behoorlijk toegesproken te worden. Wanneer door een hooger officier een order gegeven wordt, is het niet ongewoon dat hij ten antwoord krijgt »heel goed, mijnheer” hetgeen slechts beduidt, dat men hem goed begrepen heeft en ten vlugste gehoorzamen zal. Ik gebruikte dikwijls dat gezegde en zeide ook eens, toen ik een bevel van hem ontvangen had: »Zeer goed mylord.”»Mijnheer Mildmay,” antwoordde zijn lordschap nu, »ik wil nu wel aannemen, dat gij niets oneerbiedigs bedoelt, doch ik verzoek u mij dat antwoord niet weer te geven; het staat aanmijom te zeggen, dat het »zeer goed” is en niet aan u. Het heeft nu den schijn, alsof gij mijn order goedkeurt, en dat verlang ik niet; ik verzoek u het voortaan na te laten. Begrepen?”»Zeer goed, mylord!” zeide ik uit kracht van gewoonte. »Ik verzoek uwe lordschap om verschooning: ik bedoelde »heel wel.””»Ik kan dat jongmensch niet best zetten,” zeide zijn lordschap tegen zijn trawant, die het halfdek heen en weer achter hemaan wandelde, als een schoothondje. Ik hoorde het antwoord niet, doch het was weer eene echo natuurlijk.Den eersten keer toen wij in zee een reef in de marszeils staken, bevond zich de commandant aan het dek; hij zeide niets, doch zag slechts toe.Den tweeden keer ving hij alle woorden van den eersten officier op en herhaalde die op luiden, hoogdravenden toon, zonder eigenlijk te weten of zij van toepassing waren of niet. Den derden keer verbeeldde hij zich er nu al genoeg van af te weten en op zichzelf te kunnen staan, en het was glad verkeerd, hij maakte een mal figuur. »Loop weg met de voormarsevallen,” riep de eerste officier. »Loop weg met de voormarsevallen,” riep de commandant hem achterna. De matrozen liepen met het touw naar achteren, en de ra ging met vaart langs de steng op, tot zij in eens met een ruk werd tegengehouden.»Wat houdt er aan?” zeide de eerste officier, mij, die op den bak op mijn post was, toeroepende.»Er is iets onklaar aan den draaireep,” antwoordde ik.»Wat houdt er aan?” vroeg de commandant.»De marsedraaireep is onklaar, mylord,” antwoordde de eerste officier.»Laat dien draaireep opd.......! Snijdt hem af. Neem een mes daar boven! Ikwilhet marszeil op hebben; snijdt den marsedraaireep!”Tot goed begrip mijner niet deskundige lezers, moet ik hier opmerken dat de marsedraaireep juist het touw was, waaraan halverwege de hoogte, die hij bereiken moest, de ra hing. Het doorsnijden daarvan zoude het schip hebben belemmerd, totdat hij vernieuwd was; en ware het bevel opgevolgd, dan zou de ra met een ruk zijn neergevallen en waarschijnlijk in twee stukken op den rand van het ezelshoofd zijn terechtgekomen.Wij kwamen, zonder een vijand ontmoet te hebben, te Halifax binnen; en zoodra het schip goed en wel ten anker lag, ging ik naar den wal om mijne oude vrienden te bezoeken. Gelukkig voor hen en voor mijzelven, werd mij niet veel tijd gegund om dwaasheden uit te halen. Spoedig ontvingen wij last om op de kust van Noord-Amerika te gaan kruisen.Het was wintertijd en zeer koud; verscheidene zware stormen hadden wij door te worstelen, waarin wij bijzonder te lijden hadden van plotseling opkomende sneeuwbuien, noordoost-stokers en sterke vorst, die ons loopend touwwerk onhandelbaar maakte en ons verplichtte kokend water over de blokschijven te gieten om deze los te krijgen en het touwwerk er over te laten loopen; ook veroorloofde de koude den commandant niet, ons meer dan eens in de vierentwintig uren met zijne tegenwoordigheid te vereeren.Wij ankerden bij eene kuststrook, waar geene verdedigingswerken waren aangelegd, en de bewoners, door hun eigen gouvernement zonder bescherming gelaten, zich als onzijdig beschouwden en ons zooveel visch, gevogelte en groenten leverden als wij hebben wilden. Zoolang wij daar lagen, gingen commandant en officieren herhaaldelijk aan den wal zonder op eenige wijze daarin verhinderd te worden. Op een avond nadat de commandant aan boord terug was, kwam er een sneeuwstorm met harde vlagen opzetten. De giek, die geheschen had moeten zijn, was nog te water; de vanglijn brak, de sloep ging in drift en was al een poos weg, vóór dit opgemerkt werd. Den volgenden morgen onderzoek doende, bevonden wij, dat het vaartuig eenige mijlen verder op gestrand was en dat de Amerikanen het in bezit hadden genomen en tweeëntwintig mijlen noordwaarts naar een vijandelijk deel der kust hadden weggevoerd. De commandant was zeer teleurgesteld over het verlies zijner giek, welke hij als zijn bijzonder eigendom beschouwde, hoewel zij gebouwd was door ’s konings timmerlieden uit ’s konings planken en klinknagels.»Als mijn privaat eigendom,” zeide zijne lordschap, »behoort zij teruggegeven te worden.”Ik zeide maar niet, dat ikzelf bij het aftimmeren van het vaartuig was tegenwoordig geweest, en dat het ook op den scheepsinventaris in verantwoording liep. Immers dit was mijne zaak niet; maar weinig dacht ik, dat het verlies van die kleine sloep mij bijna het leven zou kosten; zoo was het intusschen, en dit onbeduidende voorval had een grooten nasleep.»Zijmoetenprivaat eigendom eerbiedigen, hoor,” zeide de commandant tegen den eersten officier.»Ja,” antwoordde deze; »maar zij zullen niet weten, dat het privaat eigendom is.”»Dat is zoo; dan zal ik iemand zenden, om het hun te vertellen;” meteen ging hij naar omlaag om te dineeren.Er werd last gegeven om met het aanbreken van den dag de barkas uit te zetten en gereed te maken, en ik ontving bevel daarmede te gaan. Te negen uren ’s morgens werd ik in de kajuit geroepen; zijne lordschap lag nog te bed, en de groenzijden gordijnen waren stijf voor zijn kooi dichtgetrokken.»Mijnheer, hoe heet gij ook,” zeide zijne lordschap, »gij gaat de »dinges” terughalen, weet gij.”»Ja, mylord,” zeide ik.»En dan gaat gij naar die plaats en vraagt om mijn »hoe noemt ge dat?””»Om uwe giek, mylord?” vroeg ik.»Ja,—dat is alles.”»Maar mylord, veronderstel, dat zij hem mij niet willen afgeven.” Wat dan?»Neem hem dan.”»En als nu de giek eens daar niet is; of wel dat zij er is, maar zij haar niet willen afstaan?”»Dan neemt ge alle vaartuigen, die in de haven liggen.”»Zeer wel, mylord. Kan ik de sloepshouwitser medenemen—of slechts de noodige geweren?”»Oh, neen—geen wapens. Neem een witte vlag mede, dat is genoeg.”»En als zij nu niet op de witte vlag believen te letten, mylord?”»Oh, dat zullen zij wel; de witte vlag wordt altijd geëerbiedigd, hoor.”»Uwe lordschap duide mij dit niet ten kwade, doch ik geloof, dat eenige geweren in de sloep van veel nut zouden zijn.”»Neen, neen, neen—geene wapens! Gij zoudt om eene beuzeling aan het vechten raken.—Gij hebt uwe bevelen, mijnheer.”»Ja,” dacht ik, »mijne bevelen heb ik. Als ik slaag, ben ik een roover; en slaag ik niet, dan heb ik kans aan den eersten boom den besten opgeknoopt te worden.”Ik verliet de kajuit en begaf mij naar den eersten officier. Ik vertelde hem de ontvangen bevelen. Deze officier was, zooals ik hiervoor reeds verteld heb, iemand die geen vrienden had, daarom, voor zijne bevordering, geheel afhankelijk van den commandant en dus huiverig om, hoe dwaas die ook waren, tegen zijne orders in te handelen. Ik vertelde hem, dat, wat ook de commandant mocht bevolen hebben, ik niet zonder wapens van boord zou steken.»De bevelen van zijn lordschap moeten gehoorzaamd worden,” zeide de eerste officier.»Nu,” zeide ik, nijdig geworden door die dwaasheid, »dan zijt gij een even snuggere bol als de ander.”Dit beschouwde hij als zulk eene groote beleediging, dat hij omlaag naar zijne hut ging, zeggende: »Hiervoor zult gij nader van mij hooren, mijnheer.”Ik maakte hieruit op, dat hij voornemens was mij voor een krijgsraad te brengen, waartoe ik zeer zeker aanleiding had gegeven door dit ondoordacht gezegde; doch ik ging naar het halfdek en maakte van zijne afwezigheid gebruik, om zooveel geweren en munitie in de sloep te doen afgeven, als ik meende noodig te hebben. Nauwelijks was ik hiermede gereed, toen de eerste officier weer boven kwam en mij een brief overreikte, die niets meer of minder inhield dan de gezellige mededeeling, dat hij, bij mijne terugkomst van dezen tocht, voor de beleediging, die ik hem aangedaan had, voldoening vroeg. Het deed mij intusschen genoegen, dat het niets ergers was. Om zijne bedreiging moest ik lachen, en aangezien de eigenlijke inhoud der beleediging was geweest, dat ik hem met den commandant gelijkgesteld had, was hij verhinderd om openlijk voor zijne verontwaardiging uit te komen, uit vrees zijn chef te mishagen.Na deze voorbarige uitdaging bij mij gestoken te hebben, ging ik den valreep af, stapte in de sloep en roeide weg. Het was nog slechts een uur vóór zonsondergang, toen ik aan de plaats kwam, waar vermoed werd, dat die duivelsche giek zou wezen, en de lucht begon er zeer stormachtig uit te zien. Het is niet aan te nemen, dat er in den zeedienst een andere commandant te vinden zou geweest zijn, die voor zulk eene beuzelachtige reden, op eene vijandelijke kust, die onder de lij was, eene sloep zóó ver van het schip had durven wegsturen.In mijne sloep had ik twintig man en een adelborst. Toen wij vóór den mond van de haven kwamen, zagen wij daarin vier vaartuigen geankerd, waarom wij naar binnen roeiden. Wij hadden evenwel geene gelegenheid om met onze vredes-vlag een proef te nemen, daar wij, nauwelijks binnen geweerschot afstands, een hagelbui van kogels kregen, die ons door twee honderd bedekt opgestelde soldaten werd toegezonden en vier mijner manschappen buiten gevecht stelde. Er schoot dus niets anders over, dan de vaartuigen te enteren en naar buiten te brengen. Twee daarvan zaten gestrand en werden in brand gestoken, daar het (dank zij het oponthoud van ’s morgens aan boord) bot laag water was: hierbij kregen wij nog meer gewonden. De beide andere vaartuigen nam ik daarop in bezit, en een daarvan aan den adelborst, die nog een zeer jong kereltje was, toevertrouwende, verzocht ik hem het anker te lichten. Daartoe stond ik hem de sloep af met al het volk op vier man na, die ik bij mij hield. Het scheen, dat hij nog meer verliezen leed, want hij hakte zijn kabel door en zeilde nog vóór mij uit. Ook iklichtte nu het anker; doch toen wij daarmede bezig waren, verloor ik nog een man, door een geweerschot gedood. Daarop zeilde ik den adelborst achterna. Wij hadden ongeveer den afstand van vier Eng. mijlen uit den naasten wal bereikt, toen een hevige sneeuwstorm kwam opzetten. Alle onze zeilen, die trouwens zeer oud waren, woeien dadelijk weg. Mij bleef niets over dan ten anker te komen, wat ik deed op eene bank met vijfvademen water. Het andere vaartuig verloor evenzoo zijne zeilen en dreef op de kust, omdat het zijn anker kwijt was, werd daar stukgeslagen, en het daarop geplaatste volk gewond, gevangengenomen of, zooals ik later vernam, doodgevroren gevonden.Des anderen daags zag ik het wrak zitten, geheel met ijs overdekt. Zóó was het reeds een treurig vooruitzicht voor mij, en toen wist ik nog niet eens, wat er van de bemanning geworden was. Zelfs mijn eigen toestand was niet benijdenswaardig; het scheepje was zeer licht gebouwd, doch diep geladen met zout: eene lading, die op de eene of andere wijze nat geworden, erger is dan water, omdat zij niet kan worden uitgepompt en op het laatst zwaar wordt als lood. Overkwam ons iets dergelijks, dan zou niets ons drijvende kunnen houden, en bij zulk een ramp hadden wij niet eens eene sloep gehad. Ik had drie man bij mij, behalve nog dien dooden, die door ons in de kajuit was neergelegd. De bottelarij was totaal ledig,—geen enkel artikel bevond er zich in, dat eetbaar was. Ik lag vier mijl uit den wal, met zwaar stormweder, waarvan de vroolijkheid verhoogd werd door sneeuw en de bitterste koude, die ik ooit gevoeld had. Wij gingen het vaartuig eens doorzoeken en vonden een goeden voorraad zeilen, die echter niet passend waren, benevens nog een paar rollen nieuw zeildoek; blijkbaar was een en ander aan boord gebracht om er een nieuw stel zeilen voor het scheepje van te maken, zoodra daaraan de behoefte zou ontstaan; ook was er een overvloed van zeilmakershandplaten, naalden en zeilgaren. Doch om te eten was er letterlijk niets dan zout, en om te drinken slechts één vaatje water. Wij legden in de kajuit een vuur aan en hielden ons zoo warm als wij konden, terwijl wij om beurten eens naar dek gingen, om te zien of het anker hield en het weder eens bedaarde. Hevig stampten wij en namen water bij geheele zeeën te gelijk op den bak over, terwijl alles op het dek stijf vroor. Den daarop volgenden morgen bespeurden wij eene mijl dichter naar den wal te zijn gedreven, terwijl de storm met onverminderde woede aanhield.Het andere vaartuig was nu een masteloos wrak dat ons als het ware als een spooksel aanstaarde.Wij begonnen een nijpenden honger te krijgen; na den tweeden dag waren wij reeds door onze brandstoffen heen,—wij moesten daarvoor de beschotten gaan afbreken. Omlaag hielden wij ons onledig met het aanmaken van een stel zeilen en dronken warm water, om de koude te verdrijven. Doch lang kon dit niet worden volgehouden; de koude werd steeds vinniger en twee malen reeds was er een begin van brand ontstaan, doordien wij te hard stookten, om niet te bevriezen. De tweede nacht ging voorbij als de eerste; en met het aanbreken van den dag bevonden wij binnen twee mijl van de kust te zijn gedreven. Dien dag kwamen onze zeilen gereed, en met veel moeite gelukte het ons de hoogst noodige aan te slaan.De manschappen waren nu uitgeput van koude en honger en verzochten mij het kabeltouw te kappen en op den wal te loopen; doch ik wist hen over te halen om het nog tot den volgenden morgen aan te zien, omdat deze stormen gewoonlijk slechts van korten duur zijn. Weder kropen wij dien nacht dicht bijeen om ons warm te houden, terwijl de buitenste man het lijk, bij wijze van deken, tegen zich aan legde. Dien nacht bedaarde de storm, en tegen den morgen was het weer opgeklaard.De wind was nog steeds uit eene ongunstige streek, en naar ons schip op te boksen was onmogelijk. Door het aanhoudend bevriezen van het overgekomen water, waren boegstagen en want met eene ijskorst van wel vijf duim dikte bedekt, en op den bak lag eene laag van wel twee voet ijs, zóó helder, dat men het touwwerk opgeschoten, daaronder zag liggen.Er bleef nu niets anders te doen over: dus mijne matrozen gelastende, het touw te kappen, was ik besloten het vaartuig den wal op te laten zeilen en mij daar, zoo noodig, over te geven. Wij heschen een stagzeil, en nu was mijn plan om nog iets verder door te zeilen en ons gevangen te geven bij eene groote stad, die ik wist, dat ongeveer twaalf mijlen verder aan de kust gelegen was. Ik zag er tegen op ditzelfde te doen ter plaatse, waar wij de prijzen genomen hadden.Op het oogenblik, waarop wij den derden morgen zeil zetten, waren wij tot binnen den afstand van eene mijl gedreven en bijna terug op de plaats, die wij verlaten hadden. Aldaar had men eenige veldstukkentegen ons in batterij gebracht. Zij waren goed gericht, doch de kogels konden ons niet bereiken. Ik zette nog eenig zeil meer en hield hoog aan den wind langs den wal, tot ik binnen een paar kabellengten van het hoofd kwam, waar mannen, vrouwen en kinderen waren uitgeloopen om ons te zien stranden, toen er plotseling een hevige sneeuwbui kwam opzetten; de wind draaide geheel en was zoo hevig, dat ik niets meer van de haven kon zien en er met geene mogelijkheid het schip meer in had kunnen brengen; aangezien ik nu dadelijk inzag, dat de wind gunstig was om ons schip te bereiken, dat ongeveer veertig mijlen van ons verwijderd was, liet ik het roer opleggen en stuurde ik daarheen.Dit werd goed uitgevoerd. Tegen elf uren des avonds haalden wij het schip en riepen om eene sloep te zenden. Men had ons van boord zien naderen, en de gevraagde sloep werd dadelijk gezonden en bracht ons allen naar het fregat over, terwijl er een paar versche manschappen medekwamen om den prijs te bewaken.Ik was radeloos van honger en koude, en met moeite kwamen wij tegen het schip op, zoo uitgeput en zwak waren wij allen. Ik werd verzocht om in de kajuit te komen, daar het voor den commandant veel te koud was om zijn gelaat op het dek te vertoonen. Ik vond zijne lordschap voor een goed vuur gezeten, met de voeten op het haardijzer; op de tafel stond eene karaf met madera, met een glas en gelukkig, hoewel niet voor mij bestemd, een grooten roemer. Ik greep de karaf met de eene en den roemer met de andere hand, vulde dien boordevol en sloeg den inhoud in eene teug naar binnen, zonder er zelfs over te denken om zijn lordschaps gezondheid te drinken. Hij keek vreemd op en hield mij zeker voor gek geworden. Ik moet erkennen, dat mijne kleeding en uiterlijk voorkomen volmaakt in overeenstemming waren met mijne handelingen. Sinds ik drie dagen geleden het schip had verlaten, had ik mij noch gewasschen, noch geschoren, noch verschoond. Mijn baard was gegroeid, mijne wangen stonden hol, mijne oogen waren ingezonken, en wat mijne maag betreft—iets gelijksoortigs moeten de ongelukkige Franschen, die uit den Russischen veldtocht overbleven, gevoeld hebben. Mijne vervallen persoonlijkheid was in een hoog opstaanden, blauwen duffel gehuld, die bevroren en met ijzel en sneeuw overdekt was als een gesuikerde podding.Zoodra ik spreken kon, zeide ik: »Ik verzoek verschooning, mylord, doch ik had niets te eten of te drinken gehad sedert ik van boord was gegaan.”»O, dan is het heel goed,” zeide zijn lordschap; »ik had niet verwacht u ooit weer te zien.”»Waarom mij dan, voor den duivel, er op uitgezonden?” dacht ik bij mijzelf.Gedurende ons kort gesprek was mij niets aangeboden, geen stoel, ook geene verversching, waaraan ik zoo groote behoefte had; wanneer ik het had kunnen volhouden, zou ik onder het vertellen mijner lotgevallen staande zijn gehouden. Ik wilde juist daarmede beginnen, toen de wijn mij naar het hoofd steeg; en tot steun greep ik de rugleuning van eenen stoel.Ik vulde den roemer zonder zijn Lordschap’s gezondheid te drinken.Ik vulde den roemer zonder zijn Lordschap’s gezondheid te drinken.Pag. 280.»Laat dat nu maar loopen,” zeide de commandant, blijkbaar door mijnen toestand uit zijne lustelooze onverschilligheid ontwaakt; »ga u maar liever op uw gemak stellen; dan zal ik er morgen wel alles van hooren.”Dit was de eerste en eenige vriendelijkheid, die hij mij ooit bewees; en deze kwam zooà propos, dat ik hem er dankbaar voor was. Ik bedankte hem en ging dadelijk naar de longroom, alwaar ik, in weerwil van al wat ik gehoord had van de gevaren van het eten na langdurige onthouding, alles verslond wat men mij voorzette en naar evenredigheid dronk, mijne daar omheen staande kameraden vertellende, hoe weinig het gescheeld had of wij waren er toe overgegaan om het lijk in stukken te snijden en te braden. Het viel hun niet moeielijk dit te gelooven, toen zij zagen, op welke wijze ik aan het eten was gegaan. De drie matrozen, die bij mij waren geweest, beval ik in de zorg van den dokter aan; en met zijne toestemming, schonk ik hun elk een halve kan goed heeten cognacgrog met suiker, bij wijze van »slaapmutsje.” Nadat ik deze voorzorg genomen, voor mij zelf aan de roepstem der natuur, en voor mijne kameraads aan de roepstem der nieuwsgierigheid gevolg gegeven had, zocht ik mijn bed op en viel in een diepen slaap, die tot den volgenden middag voortduurde.Dus eindigde deze onoverlegde en noodlottige tocht: een afgezant met het geheiligde teeken des vredes uit te zenden, om onder de bescherming daarvan een vijandige daad te plegen. Waren wij onder deze omstandigheden gevangengenomen, dan had men ons, als honden, aan den eersten boom den besten kunnen ophangen; ongewapend er op uit te gaan ware een dolle streek geweest, daarom durfde ik op mij nemen om een onrechtvaardige, dwaze order in den wind te slaan. Zulks strekke intusschenniet ten voorbeeld voor de jongeren, doch worde opgevat door de ouderen als eene waarschuwing om nooit bevelen te geven, vóór zij daarvan behoorlijk de gevolgen hebben overwogen. De veiligste maatregel voor jongeren is altijd om te gehoorzamen. Op deze wijze verloor ’s Konings dienst achttien flinke mannen, na zeer zwaar lijden, voor eene boot »hetprivaateigendom” van den commandant, van eene waarde van nog geen twintig pond!Des anderen daags, toen ik mij gekleed had, wenschte de eerste officier mij te spreken. Dadelijk schoot mij die malle uitdaging te binnen. »Dat is een mooi nastukje,” dacht ik, »voor het treurspel, om door den eersten officier doodgeschoten te worden, alleen omdat ik hem juist zoo’n »bol” genoemd had als den commandant.” De eerste officier had echter niet zulke barbaarsche voornemens; hij had na mijn vertrek de juistheid mijner opmerking gewaardeerd, en daar hij een goedhartige noord-landsman was, stak hij mij de hand van verzoening toe, die ik met groot genoegen aannam, daar ik voor den eersten tijd variatie genoeg had gehad.

Het is nu tijd geworden den lezer bekend te maken met mijn nieuwe schip en mijn nieuwen commandant. Het eerste was een fregat van de grootste soort, gebouwd met de bedoeling om te kunnen opwegen tegen de zware dubbel-banks fregatten van de Yankees. Het schip voerde dertig lange 24-ponders in den kuil en hetzelfde aantal 42-ponds caronaden op het bovendek.

Ik was eene week aan boord, deed gedurende den dag dienst en was ’s avonds aan den wal, ten huize van den heer Sommerville te Blackheath. Mijn commandant had ik nog niet gezien, en de eerste officier was op een morgen naar den wal gegaan om eens af te stappen. Ik was dus op dat oogenblik de commandeerende officier; de equipage was aan het schaften; zacht motregende het, en ik wandelde eenzaam op het halfdek op en neer, toen er eene boot van den wal op zijde kwam, waarin een persoon gezeten was in burgerkleeren. Ik schonk hem geene bijzondere aandacht, denkende dat het een wijnkooper of kleermaker was, die vergunning kwam vragen om het schip te bedienen. De vreemde keek naar de vuile valreepen, die de stuurmansleerling hem aangaf, en vroeg of er niet een schoon paar was. De jongen antwoordde ontkennend, en de vreemde ziende dat er niets anders kwam, pakte de vuile touwen aan en klom naar boven.

Op het halfdek gekomen, stapte hij naar mij toe en mij een paar zwavelkleurige handschoenen toonende, die vol teer en vuil zaten, merkte hij op nijdigen toon op: »Bij God, mijnheer, dat kost mij een paar nieuwe handschoenen!”

»Ik trek altijd mijne handschoenen uit, als ik aan boord kom,” zeide ik.

»Maar ik verkies de mijne aan te houden,” hernam de vreemdeling. »En waarom kon men mij niet een paar schoone valreepen geven?”

»Omdat,” zeide ik, »mijne orders zijn ze alleen te geven, wanneer er valreepsgasten gesloten zijn.”

»En waarom werden er mij geene valreepsgasten gegeven, mijnheer?”

»Omdat, mijnheer, het nooit gesloten wordt, vóór men weet wie overkomen zal.”

»Zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, zal ik van uwe handelwijze aan uwen commandant rapporteeren,” zeide hij.

»Wij geven alleen valreepsgasten voor officieren in uniform,” zeide ik; »en ik zou nog wel eens graag willen weten, op welken grond u die eer zou toekomen.”

»Mijnheer, ik ben,” zeide hij (zijn kaartje toonende),»........, enz. Kent gij mij nu?”

»Ja, mijnheer,” antwoordde ik, »ik ken u als fatsoenlijk man; maar zoolang ik u niet zie in kolonelsuniform, kan ik u het gevraagde eerbewijs niet geven.” Doch terwijlik ditzeide, nam ik eerbiedig mijn hoed af.

»In dat geval, mijnheer,” zeide hij, »zult gij, zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, er meer van hooren.” Gevraagd hebbende, of de commandant aan boord was, en een ontkennend antwoord hebbende ontvangen, keerde hij zich om en ging den valreep door, weer in zijne boot, zonder mij de gelegenheid te hebben gegeven een paar schoone touwen voor hem te laten komen. Hij liet weer naar den wal roeien, en nooit vernam ik weer van zijne vuile valreepen en bedorven handschoenen.

Later hoorde ik, dat deze officier gewoon was zijne discoursen te doorspekken met dit lievelingsonderwerp zijner eerzucht; doch daar hij nu werkelijk lid van het Hoogerhuis is, mag men aannemen, dat hij deze zijne verklaring tegen eene andere verwisseld heeft. Toen hij een schip commandeerde, was hij gewoon te zeggen: »Zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, zal ik u laten afstraffen, man;” en als de bedreiging in dezen vorm over zijn lippen was gekomen, ging de bestraffing zeker door. Bij ons kwam deze spraakwijze, doch in juist omgekeerden zin, in den smaak: de officieren, adelborsten, matrozen en mariniers bekrachtigden de geloofwaardigheid hunner beweringen door te zeggen: »Zoo zeker als iknietin het Hoogerhuis zal zitten.”

Dit nu was de edele lord, die toen hij een Zr. Ms. schepen in de Chineesche wateren commandeerde, een inwoner van dat rijk zijn portret liet maken. Daar de gelijkenis niet bijzonder vleiend was uitgevallen, werd de kunstenaar door zijn patroon ernstig berispt. De arme kerel antwoordde: »Ach meester, hoe kan mooi gezicht maken, als geen mooigezicht heb?” Deze geschiedenis is, als zooveel andere mooie verhalen, gestolen en op allerlei wijzen toegepast geworden; doch ik maak er aanspraak op als wettig eigendom van de marine en kan er voor instaan, dat zij den bovengenoemden oorsprong heeft.

Een voor een kwamen mijne kameraden aan boord, totdat wij voltallig waren; en eindelijk kwam er een brief in een adres, gericht aan den eersten officier, met het opschrift »dienst” en aan den benedenhoek links gewaarmerkt met den naam van den edelen schrijver, en hield in, dat onze commandant den volgenden morgen aan boord zou komen. Wij stonden natuurlijk gereed hem te ontvangen, in volle uniform met steek en degen,—de marinierswacht was aangetreden. Hij kwam tegen halféén langs zijde, toen de equipage aan het schaften was, een vreemd uitgezocht tijdstip, daar men niet gewoon is, als het vermeden kan worden, de menschen in hunne maaltijden te storen. Hijzelf droeg een ongekleed jasje met neergeslagen kraag en ankerknoopen, geene epauletten, en een lanciersmuts met breeden, gouden band.

Dit was nu niet zooals het behoorde, doch daar hij een lord was, maakte hij aanspraak op enkele voorrechten; en later bevonden wij, dat hij zich bij herhaling plaatste op de rots zijner voorrechten. Na elkander werden wij aan hem voorgesteld, en aan elk onzer verwaardigde hij zich een knik te geven. Zijne vragen waren alleen gericht tot den eersten officier en hadden slechts betrekking op zijn eigen gemak. »Waar moet mijn hofmeester logeeren,—waar mijn bediende slapen,—welke veehokken zijn van mij,—en waar moeten mijne schapen gestopt worden?”Toen wij een half uur in zijn gezelschap waren geweest, ontdekten wij reeds, dat hij zijn eigen edelen persoon verafgoodde. Wat zijn schip betrof, hoe de inrichting, hoe sterk de bemanning was, met de masten, het tuig, de ruimen, provisiën en waterberging,—met niets van dat alles vermoeide hij ooit zijn geest.

Toen hij ongeveer een uur aan boord was geweest, liet hij zijne sloep weer gereedmaken en keerde naar den wal terug, en wij zagen niets meer van hem vóór wij te Spithead waren aangekomen, toen zijn lordschap aan boord verscheen, vergezeld van iemand, dien wij spoedig ontdekten een gepensionneerden scheepsschrijver te zijn,—een man, die door de grofste vleierij en tallooze kleine diensten zich bij zijnen patroon zóó onmisbaar had weten te maken, dat hij bij diens reisstoet een even noodzakelijk aanhangsel was geworden als de kofferof de lijfknecht. Deze verachtelijke tafelschuimer was zijn lordschaps dubbelganger. Als zijn lordschap zulks slechts verlangde, dan werd zwart wit—en wit zwart in den mond van den trawant; hij at in de kajuit, deed ontzaglijk veel kwaad in het schip en ontging alleen de noodige hoeveelheid schoppen, omdat hij een te groote ellendeling was om zelfs geschopt te worden.

Zoodra wij het bevel ontvingen om naar Spithead te stevenen, maakte de heer Sommerville, die zoolang het schip nog niet gereed was, zijn huis te Blackheath had aangehouden in de hoop, dat mijne bevordering wat eerder nog zou afkomen, aanstalten de plaats te verlaten. Mijn vader had zich nogmaals tot de autoriteiten gewend en ten antwoord gekregen, dat ik om mijne promotie eerst buitengaats moest gaan. Hierdoor ging hij nu over tot het opbreken van zijn zomerkwartier, zeer wijselijk de opmerking makende, dat, als hij dit niet deed, mijne diensten voor het schip zouden verloren zijn. Zoo hij en Emilia mij niet te Woolwich achterlieten, zou misschien mijn commandant mij achterlaten; op grond hiervan deelde hij zijn binnen de vierentwintig uren voorgenomen vertrek mede.

Emilia was zeer droevig gestemd. Ik niet minder. Vriendelijk verweet ik haar hare wreedheid; doch zij antwoordde mij met eene flinkheid en verstandigheid, die ik in haar moest bewonderen, dat zij slechts één raadgever had, en dat was haar vader, en dat zij tot haar huwelijk toe nooit naar een ander zou luisteren; dat zij op zijn advies het trouwen had uitgesteld. »En daar wij nog geen van beiden heel erg oud zijn,” vervolgde zij, »vertrouw ik, dat wij elkaar zullen weerzien.” Ik had eerbied voor haren moed, gaf haar een kus, hielp haar in den wagen, drukte haar de handen. Ik behoef er niet bij te voegen, dat ik in elk harer oogen een traan zag blinken. Mr. Sommerville zag, dat er een heele stortbui van in aantocht was; daarom trok hij het portier op, knikte mij vriendelijk toe en liet het rijtuig vertrekken. Het laatste wat ik toen van Emilia zag, was hare rechterhand, waarmede zij een zakdoek voor de oogen hield.

Toen de dierbare bewoners afgereisd waren, keerde ik mij met tegenzin van het huis af en liep naar mijne sloep toe met de neerslachtigheid van een hond, dien men een blikken ketel aan den staart heeft gebonden. Toen ik aan boord kwam, haatte ik het gezicht van iedereen en de reuk van alles; pik, verf, ruimwater, teer en rum mengdenzich daar op een afschuwelijke wijze en spanden samen om mij zoo ziek en ellendig te maken, als de meest verliefde zeeman zich kan voorstellen. Ik heb reeds vroeger gezegd, dat wij te Spithead waren aangekomen, en aangezien ik van die plaats niets nieuws te vertellen heb, zal ik mijn verhaal weer opvatten in zee.

Wij gingen naar het Noord-Amerikaansche station, wat mij wel het aangenaamste was, nu ik toch niet bij Emilia kon wezen. Onze overtocht duurde lang, en wij werden op rantsoen drinkwater gesteld. Alleen zij, die zulks ondervonden hebben, weten wat dit zeggen wil. Iedereen leed er onder, behalve de commandant, die op grond zijner voorrechten dagelijks twaalf kan extra vorderde voor zijn voetbad; en het daarvoor gebruikte water werd gretig aangenomen en genoten door de matrozen. Dit gaf wel aanleiding tot eenige ontevredenheid, welke den commandant ter oore kwam, doch hij maakte er zich niet moeielijk over en zeide erg onverschillig:

»Wel, als iemand geen voorrechten mag hebben, wat zou het dan waard zijn om commandant te zijn?”

»Zeer juist, mylord,” zeide de trawant, met eene diepe buiging.

Als ik eene beschrijving van zijne lordschap geven wil, dan moet ik zeggen: hij was een kort, kloek, welgemaakt man met een goed gevormd, doch niet bepaald snugger gelaat, altijd keurig net op zijn persoon; geholpen door de inblazingen van zijn pluimstrijker, was hij zeer met zichzelf ingenomen; trotsch op zijne hooge geboorte en nog meer ijdel op zijn uiterlijk voorkomen. Zijne kennis van de meeste zaken was zeer oppervlakkig het leven in de hoogere kringen: en de aardigheden, die daarop betrekking hadden, waren schering en inslag zijner gesprekken; aan zijne eigene tafel, maakte hij zich trouw van het discours meester, en terwijl zijne gasten zijn wijn opdronken, lachten zij met gemaakte vroolijkheid. Zijne bibliotheek bestond uit twee octavo-deelen, de Mémoires van den Hertog de Grammont, welk vroolijk en aristocratisch werk nooit uit zijne handen was. Hij had verscheidene jaren op zee doorgebracht, doch vreemd genoeg, hij wist niets, letterlijk niets van zijn vak af. Van zeemanschap, stuurmanskunst en omtrent alles wat met den dienst samenhing, was hij volkomen onkundig. Vóór hij bij ons kwam, had ik hem als een goed officier hooren beschrijven; en ik moet om rechtvaardig te zijn zeggen, dat hij steeds een aangenaam humeur had, en naar ik geloof zoo dapper was, alsooit iemand, die het zwaard hanteerde. Zelden maakte hij een aanmerking in dienst, omdat hij zich zijn gebrek bewust was, en ook op glibberig terrein waagde hij zich nooit. Wanneer hij op het halfdek kwam, keek hij gewoonlijk naar den loef-grootenbras, en wanneer deze niet snaarstijf stond, gaf hij bevel om hem te laten stijf zetten. Hierdoor kon hij zich niet licht blootgeven; doch het werd een spotwoord, als wij beneden om hem lachten. Hij had de zonderlinge gewoonte om de namen van menschen en voorwerpen te vergeten, of althans te doen alsof hij die vergeten had;—ik geloof, omdat alles zoo verre beneden hem was; en in plaats van de namen gebruikte hij de sierlijke uitdrukkingen: »hoe heet hij ook” en »hoe noemt gij dat”, en »dinges”.

Eens kwam hij op dek en gaf mij inderdaad het volgende, zeer duidelijke bevel: »Mijnheer »hoe heet gij ook”, wees zoo goed om de »dinges” te »hoe noemt gij dat”.”

»Ja, ja, mylord!” antwoordde ik, »achtergasten de loef, grooten bras beter stijfzetten!” Dit had hij juist bedoeld.

Hij was er zeer op gesteld en zag er nauwlettend op toe om behoorlijk toegesproken te worden. Wanneer door een hooger officier een order gegeven wordt, is het niet ongewoon dat hij ten antwoord krijgt »heel goed, mijnheer” hetgeen slechts beduidt, dat men hem goed begrepen heeft en ten vlugste gehoorzamen zal. Ik gebruikte dikwijls dat gezegde en zeide ook eens, toen ik een bevel van hem ontvangen had: »Zeer goed mylord.”

»Mijnheer Mildmay,” antwoordde zijn lordschap nu, »ik wil nu wel aannemen, dat gij niets oneerbiedigs bedoelt, doch ik verzoek u mij dat antwoord niet weer te geven; het staat aanmijom te zeggen, dat het »zeer goed” is en niet aan u. Het heeft nu den schijn, alsof gij mijn order goedkeurt, en dat verlang ik niet; ik verzoek u het voortaan na te laten. Begrepen?”

»Zeer goed, mylord!” zeide ik uit kracht van gewoonte. »Ik verzoek uwe lordschap om verschooning: ik bedoelde »heel wel.””

»Ik kan dat jongmensch niet best zetten,” zeide zijn lordschap tegen zijn trawant, die het halfdek heen en weer achter hemaan wandelde, als een schoothondje. Ik hoorde het antwoord niet, doch het was weer eene echo natuurlijk.

Den eersten keer toen wij in zee een reef in de marszeils staken, bevond zich de commandant aan het dek; hij zeide niets, doch zag slechts toe.Den tweeden keer ving hij alle woorden van den eersten officier op en herhaalde die op luiden, hoogdravenden toon, zonder eigenlijk te weten of zij van toepassing waren of niet. Den derden keer verbeeldde hij zich er nu al genoeg van af te weten en op zichzelf te kunnen staan, en het was glad verkeerd, hij maakte een mal figuur. »Loop weg met de voormarsevallen,” riep de eerste officier. »Loop weg met de voormarsevallen,” riep de commandant hem achterna. De matrozen liepen met het touw naar achteren, en de ra ging met vaart langs de steng op, tot zij in eens met een ruk werd tegengehouden.

»Wat houdt er aan?” zeide de eerste officier, mij, die op den bak op mijn post was, toeroepende.

»Er is iets onklaar aan den draaireep,” antwoordde ik.

»Wat houdt er aan?” vroeg de commandant.

»De marsedraaireep is onklaar, mylord,” antwoordde de eerste officier.

»Laat dien draaireep opd.......! Snijdt hem af. Neem een mes daar boven! Ikwilhet marszeil op hebben; snijdt den marsedraaireep!”

Tot goed begrip mijner niet deskundige lezers, moet ik hier opmerken dat de marsedraaireep juist het touw was, waaraan halverwege de hoogte, die hij bereiken moest, de ra hing. Het doorsnijden daarvan zoude het schip hebben belemmerd, totdat hij vernieuwd was; en ware het bevel opgevolgd, dan zou de ra met een ruk zijn neergevallen en waarschijnlijk in twee stukken op den rand van het ezelshoofd zijn terechtgekomen.

Wij kwamen, zonder een vijand ontmoet te hebben, te Halifax binnen; en zoodra het schip goed en wel ten anker lag, ging ik naar den wal om mijne oude vrienden te bezoeken. Gelukkig voor hen en voor mijzelven, werd mij niet veel tijd gegund om dwaasheden uit te halen. Spoedig ontvingen wij last om op de kust van Noord-Amerika te gaan kruisen.

Het was wintertijd en zeer koud; verscheidene zware stormen hadden wij door te worstelen, waarin wij bijzonder te lijden hadden van plotseling opkomende sneeuwbuien, noordoost-stokers en sterke vorst, die ons loopend touwwerk onhandelbaar maakte en ons verplichtte kokend water over de blokschijven te gieten om deze los te krijgen en het touwwerk er over te laten loopen; ook veroorloofde de koude den commandant niet, ons meer dan eens in de vierentwintig uren met zijne tegenwoordigheid te vereeren.

Wij ankerden bij eene kuststrook, waar geene verdedigingswerken waren aangelegd, en de bewoners, door hun eigen gouvernement zonder bescherming gelaten, zich als onzijdig beschouwden en ons zooveel visch, gevogelte en groenten leverden als wij hebben wilden. Zoolang wij daar lagen, gingen commandant en officieren herhaaldelijk aan den wal zonder op eenige wijze daarin verhinderd te worden. Op een avond nadat de commandant aan boord terug was, kwam er een sneeuwstorm met harde vlagen opzetten. De giek, die geheschen had moeten zijn, was nog te water; de vanglijn brak, de sloep ging in drift en was al een poos weg, vóór dit opgemerkt werd. Den volgenden morgen onderzoek doende, bevonden wij, dat het vaartuig eenige mijlen verder op gestrand was en dat de Amerikanen het in bezit hadden genomen en tweeëntwintig mijlen noordwaarts naar een vijandelijk deel der kust hadden weggevoerd. De commandant was zeer teleurgesteld over het verlies zijner giek, welke hij als zijn bijzonder eigendom beschouwde, hoewel zij gebouwd was door ’s konings timmerlieden uit ’s konings planken en klinknagels.

»Als mijn privaat eigendom,” zeide zijne lordschap, »behoort zij teruggegeven te worden.”

Ik zeide maar niet, dat ikzelf bij het aftimmeren van het vaartuig was tegenwoordig geweest, en dat het ook op den scheepsinventaris in verantwoording liep. Immers dit was mijne zaak niet; maar weinig dacht ik, dat het verlies van die kleine sloep mij bijna het leven zou kosten; zoo was het intusschen, en dit onbeduidende voorval had een grooten nasleep.

»Zijmoetenprivaat eigendom eerbiedigen, hoor,” zeide de commandant tegen den eersten officier.

»Ja,” antwoordde deze; »maar zij zullen niet weten, dat het privaat eigendom is.”

»Dat is zoo; dan zal ik iemand zenden, om het hun te vertellen;” meteen ging hij naar omlaag om te dineeren.

Er werd last gegeven om met het aanbreken van den dag de barkas uit te zetten en gereed te maken, en ik ontving bevel daarmede te gaan. Te negen uren ’s morgens werd ik in de kajuit geroepen; zijne lordschap lag nog te bed, en de groenzijden gordijnen waren stijf voor zijn kooi dichtgetrokken.

»Mijnheer, hoe heet gij ook,” zeide zijne lordschap, »gij gaat de »dinges” terughalen, weet gij.”

»Ja, mylord,” zeide ik.

»En dan gaat gij naar die plaats en vraagt om mijn »hoe noemt ge dat?””

»Om uwe giek, mylord?” vroeg ik.

»Ja,—dat is alles.”

»Maar mylord, veronderstel, dat zij hem mij niet willen afgeven.” Wat dan?

»Neem hem dan.”

»En als nu de giek eens daar niet is; of wel dat zij er is, maar zij haar niet willen afstaan?”

»Dan neemt ge alle vaartuigen, die in de haven liggen.”

»Zeer wel, mylord. Kan ik de sloepshouwitser medenemen—of slechts de noodige geweren?”

»Oh, neen—geen wapens. Neem een witte vlag mede, dat is genoeg.”

»En als zij nu niet op de witte vlag believen te letten, mylord?”

»Oh, dat zullen zij wel; de witte vlag wordt altijd geëerbiedigd, hoor.”

»Uwe lordschap duide mij dit niet ten kwade, doch ik geloof, dat eenige geweren in de sloep van veel nut zouden zijn.”

»Neen, neen, neen—geene wapens! Gij zoudt om eene beuzeling aan het vechten raken.—Gij hebt uwe bevelen, mijnheer.”

»Ja,” dacht ik, »mijne bevelen heb ik. Als ik slaag, ben ik een roover; en slaag ik niet, dan heb ik kans aan den eersten boom den besten opgeknoopt te worden.”

Ik verliet de kajuit en begaf mij naar den eersten officier. Ik vertelde hem de ontvangen bevelen. Deze officier was, zooals ik hiervoor reeds verteld heb, iemand die geen vrienden had, daarom, voor zijne bevordering, geheel afhankelijk van den commandant en dus huiverig om, hoe dwaas die ook waren, tegen zijne orders in te handelen. Ik vertelde hem, dat, wat ook de commandant mocht bevolen hebben, ik niet zonder wapens van boord zou steken.

»De bevelen van zijn lordschap moeten gehoorzaamd worden,” zeide de eerste officier.

»Nu,” zeide ik, nijdig geworden door die dwaasheid, »dan zijt gij een even snuggere bol als de ander.”

Dit beschouwde hij als zulk eene groote beleediging, dat hij omlaag naar zijne hut ging, zeggende: »Hiervoor zult gij nader van mij hooren, mijnheer.”

Ik maakte hieruit op, dat hij voornemens was mij voor een krijgsraad te brengen, waartoe ik zeer zeker aanleiding had gegeven door dit ondoordacht gezegde; doch ik ging naar het halfdek en maakte van zijne afwezigheid gebruik, om zooveel geweren en munitie in de sloep te doen afgeven, als ik meende noodig te hebben. Nauwelijks was ik hiermede gereed, toen de eerste officier weer boven kwam en mij een brief overreikte, die niets meer of minder inhield dan de gezellige mededeeling, dat hij, bij mijne terugkomst van dezen tocht, voor de beleediging, die ik hem aangedaan had, voldoening vroeg. Het deed mij intusschen genoegen, dat het niets ergers was. Om zijne bedreiging moest ik lachen, en aangezien de eigenlijke inhoud der beleediging was geweest, dat ik hem met den commandant gelijkgesteld had, was hij verhinderd om openlijk voor zijne verontwaardiging uit te komen, uit vrees zijn chef te mishagen.

Na deze voorbarige uitdaging bij mij gestoken te hebben, ging ik den valreep af, stapte in de sloep en roeide weg. Het was nog slechts een uur vóór zonsondergang, toen ik aan de plaats kwam, waar vermoed werd, dat die duivelsche giek zou wezen, en de lucht begon er zeer stormachtig uit te zien. Het is niet aan te nemen, dat er in den zeedienst een andere commandant te vinden zou geweest zijn, die voor zulk eene beuzelachtige reden, op eene vijandelijke kust, die onder de lij was, eene sloep zóó ver van het schip had durven wegsturen.

In mijne sloep had ik twintig man en een adelborst. Toen wij vóór den mond van de haven kwamen, zagen wij daarin vier vaartuigen geankerd, waarom wij naar binnen roeiden. Wij hadden evenwel geene gelegenheid om met onze vredes-vlag een proef te nemen, daar wij, nauwelijks binnen geweerschot afstands, een hagelbui van kogels kregen, die ons door twee honderd bedekt opgestelde soldaten werd toegezonden en vier mijner manschappen buiten gevecht stelde. Er schoot dus niets anders over, dan de vaartuigen te enteren en naar buiten te brengen. Twee daarvan zaten gestrand en werden in brand gestoken, daar het (dank zij het oponthoud van ’s morgens aan boord) bot laag water was: hierbij kregen wij nog meer gewonden. De beide andere vaartuigen nam ik daarop in bezit, en een daarvan aan den adelborst, die nog een zeer jong kereltje was, toevertrouwende, verzocht ik hem het anker te lichten. Daartoe stond ik hem de sloep af met al het volk op vier man na, die ik bij mij hield. Het scheen, dat hij nog meer verliezen leed, want hij hakte zijn kabel door en zeilde nog vóór mij uit. Ook iklichtte nu het anker; doch toen wij daarmede bezig waren, verloor ik nog een man, door een geweerschot gedood. Daarop zeilde ik den adelborst achterna. Wij hadden ongeveer den afstand van vier Eng. mijlen uit den naasten wal bereikt, toen een hevige sneeuwstorm kwam opzetten. Alle onze zeilen, die trouwens zeer oud waren, woeien dadelijk weg. Mij bleef niets over dan ten anker te komen, wat ik deed op eene bank met vijfvademen water. Het andere vaartuig verloor evenzoo zijne zeilen en dreef op de kust, omdat het zijn anker kwijt was, werd daar stukgeslagen, en het daarop geplaatste volk gewond, gevangengenomen of, zooals ik later vernam, doodgevroren gevonden.

Des anderen daags zag ik het wrak zitten, geheel met ijs overdekt. Zóó was het reeds een treurig vooruitzicht voor mij, en toen wist ik nog niet eens, wat er van de bemanning geworden was. Zelfs mijn eigen toestand was niet benijdenswaardig; het scheepje was zeer licht gebouwd, doch diep geladen met zout: eene lading, die op de eene of andere wijze nat geworden, erger is dan water, omdat zij niet kan worden uitgepompt en op het laatst zwaar wordt als lood. Overkwam ons iets dergelijks, dan zou niets ons drijvende kunnen houden, en bij zulk een ramp hadden wij niet eens eene sloep gehad. Ik had drie man bij mij, behalve nog dien dooden, die door ons in de kajuit was neergelegd. De bottelarij was totaal ledig,—geen enkel artikel bevond er zich in, dat eetbaar was. Ik lag vier mijl uit den wal, met zwaar stormweder, waarvan de vroolijkheid verhoogd werd door sneeuw en de bitterste koude, die ik ooit gevoeld had. Wij gingen het vaartuig eens doorzoeken en vonden een goeden voorraad zeilen, die echter niet passend waren, benevens nog een paar rollen nieuw zeildoek; blijkbaar was een en ander aan boord gebracht om er een nieuw stel zeilen voor het scheepje van te maken, zoodra daaraan de behoefte zou ontstaan; ook was er een overvloed van zeilmakershandplaten, naalden en zeilgaren. Doch om te eten was er letterlijk niets dan zout, en om te drinken slechts één vaatje water. Wij legden in de kajuit een vuur aan en hielden ons zoo warm als wij konden, terwijl wij om beurten eens naar dek gingen, om te zien of het anker hield en het weder eens bedaarde. Hevig stampten wij en namen water bij geheele zeeën te gelijk op den bak over, terwijl alles op het dek stijf vroor. Den daarop volgenden morgen bespeurden wij eene mijl dichter naar den wal te zijn gedreven, terwijl de storm met onverminderde woede aanhield.Het andere vaartuig was nu een masteloos wrak dat ons als het ware als een spooksel aanstaarde.

Wij begonnen een nijpenden honger te krijgen; na den tweeden dag waren wij reeds door onze brandstoffen heen,—wij moesten daarvoor de beschotten gaan afbreken. Omlaag hielden wij ons onledig met het aanmaken van een stel zeilen en dronken warm water, om de koude te verdrijven. Doch lang kon dit niet worden volgehouden; de koude werd steeds vinniger en twee malen reeds was er een begin van brand ontstaan, doordien wij te hard stookten, om niet te bevriezen. De tweede nacht ging voorbij als de eerste; en met het aanbreken van den dag bevonden wij binnen twee mijl van de kust te zijn gedreven. Dien dag kwamen onze zeilen gereed, en met veel moeite gelukte het ons de hoogst noodige aan te slaan.

De manschappen waren nu uitgeput van koude en honger en verzochten mij het kabeltouw te kappen en op den wal te loopen; doch ik wist hen over te halen om het nog tot den volgenden morgen aan te zien, omdat deze stormen gewoonlijk slechts van korten duur zijn. Weder kropen wij dien nacht dicht bijeen om ons warm te houden, terwijl de buitenste man het lijk, bij wijze van deken, tegen zich aan legde. Dien nacht bedaarde de storm, en tegen den morgen was het weer opgeklaard.

De wind was nog steeds uit eene ongunstige streek, en naar ons schip op te boksen was onmogelijk. Door het aanhoudend bevriezen van het overgekomen water, waren boegstagen en want met eene ijskorst van wel vijf duim dikte bedekt, en op den bak lag eene laag van wel twee voet ijs, zóó helder, dat men het touwwerk opgeschoten, daaronder zag liggen.

Er bleef nu niets anders te doen over: dus mijne matrozen gelastende, het touw te kappen, was ik besloten het vaartuig den wal op te laten zeilen en mij daar, zoo noodig, over te geven. Wij heschen een stagzeil, en nu was mijn plan om nog iets verder door te zeilen en ons gevangen te geven bij eene groote stad, die ik wist, dat ongeveer twaalf mijlen verder aan de kust gelegen was. Ik zag er tegen op ditzelfde te doen ter plaatse, waar wij de prijzen genomen hadden.

Op het oogenblik, waarop wij den derden morgen zeil zetten, waren wij tot binnen den afstand van eene mijl gedreven en bijna terug op de plaats, die wij verlaten hadden. Aldaar had men eenige veldstukkentegen ons in batterij gebracht. Zij waren goed gericht, doch de kogels konden ons niet bereiken. Ik zette nog eenig zeil meer en hield hoog aan den wind langs den wal, tot ik binnen een paar kabellengten van het hoofd kwam, waar mannen, vrouwen en kinderen waren uitgeloopen om ons te zien stranden, toen er plotseling een hevige sneeuwbui kwam opzetten; de wind draaide geheel en was zoo hevig, dat ik niets meer van de haven kon zien en er met geene mogelijkheid het schip meer in had kunnen brengen; aangezien ik nu dadelijk inzag, dat de wind gunstig was om ons schip te bereiken, dat ongeveer veertig mijlen van ons verwijderd was, liet ik het roer opleggen en stuurde ik daarheen.

Dit werd goed uitgevoerd. Tegen elf uren des avonds haalden wij het schip en riepen om eene sloep te zenden. Men had ons van boord zien naderen, en de gevraagde sloep werd dadelijk gezonden en bracht ons allen naar het fregat over, terwijl er een paar versche manschappen medekwamen om den prijs te bewaken.

Ik was radeloos van honger en koude, en met moeite kwamen wij tegen het schip op, zoo uitgeput en zwak waren wij allen. Ik werd verzocht om in de kajuit te komen, daar het voor den commandant veel te koud was om zijn gelaat op het dek te vertoonen. Ik vond zijne lordschap voor een goed vuur gezeten, met de voeten op het haardijzer; op de tafel stond eene karaf met madera, met een glas en gelukkig, hoewel niet voor mij bestemd, een grooten roemer. Ik greep de karaf met de eene en den roemer met de andere hand, vulde dien boordevol en sloeg den inhoud in eene teug naar binnen, zonder er zelfs over te denken om zijn lordschaps gezondheid te drinken. Hij keek vreemd op en hield mij zeker voor gek geworden. Ik moet erkennen, dat mijne kleeding en uiterlijk voorkomen volmaakt in overeenstemming waren met mijne handelingen. Sinds ik drie dagen geleden het schip had verlaten, had ik mij noch gewasschen, noch geschoren, noch verschoond. Mijn baard was gegroeid, mijne wangen stonden hol, mijne oogen waren ingezonken, en wat mijne maag betreft—iets gelijksoortigs moeten de ongelukkige Franschen, die uit den Russischen veldtocht overbleven, gevoeld hebben. Mijne vervallen persoonlijkheid was in een hoog opstaanden, blauwen duffel gehuld, die bevroren en met ijzel en sneeuw overdekt was als een gesuikerde podding.

Zoodra ik spreken kon, zeide ik: »Ik verzoek verschooning, mylord, doch ik had niets te eten of te drinken gehad sedert ik van boord was gegaan.”

»O, dan is het heel goed,” zeide zijn lordschap; »ik had niet verwacht u ooit weer te zien.”

»Waarom mij dan, voor den duivel, er op uitgezonden?” dacht ik bij mijzelf.

Gedurende ons kort gesprek was mij niets aangeboden, geen stoel, ook geene verversching, waaraan ik zoo groote behoefte had; wanneer ik het had kunnen volhouden, zou ik onder het vertellen mijner lotgevallen staande zijn gehouden. Ik wilde juist daarmede beginnen, toen de wijn mij naar het hoofd steeg; en tot steun greep ik de rugleuning van eenen stoel.

Ik vulde den roemer zonder zijn Lordschap’s gezondheid te drinken.Ik vulde den roemer zonder zijn Lordschap’s gezondheid te drinken.Pag. 280.

Ik vulde den roemer zonder zijn Lordschap’s gezondheid te drinken.

Pag. 280.

»Laat dat nu maar loopen,” zeide de commandant, blijkbaar door mijnen toestand uit zijne lustelooze onverschilligheid ontwaakt; »ga u maar liever op uw gemak stellen; dan zal ik er morgen wel alles van hooren.”

Dit was de eerste en eenige vriendelijkheid, die hij mij ooit bewees; en deze kwam zooà propos, dat ik hem er dankbaar voor was. Ik bedankte hem en ging dadelijk naar de longroom, alwaar ik, in weerwil van al wat ik gehoord had van de gevaren van het eten na langdurige onthouding, alles verslond wat men mij voorzette en naar evenredigheid dronk, mijne daar omheen staande kameraden vertellende, hoe weinig het gescheeld had of wij waren er toe overgegaan om het lijk in stukken te snijden en te braden. Het viel hun niet moeielijk dit te gelooven, toen zij zagen, op welke wijze ik aan het eten was gegaan. De drie matrozen, die bij mij waren geweest, beval ik in de zorg van den dokter aan; en met zijne toestemming, schonk ik hun elk een halve kan goed heeten cognacgrog met suiker, bij wijze van »slaapmutsje.” Nadat ik deze voorzorg genomen, voor mij zelf aan de roepstem der natuur, en voor mijne kameraads aan de roepstem der nieuwsgierigheid gevolg gegeven had, zocht ik mijn bed op en viel in een diepen slaap, die tot den volgenden middag voortduurde.

Dus eindigde deze onoverlegde en noodlottige tocht: een afgezant met het geheiligde teeken des vredes uit te zenden, om onder de bescherming daarvan een vijandige daad te plegen. Waren wij onder deze omstandigheden gevangengenomen, dan had men ons, als honden, aan den eersten boom den besten kunnen ophangen; ongewapend er op uit te gaan ware een dolle streek geweest, daarom durfde ik op mij nemen om een onrechtvaardige, dwaze order in den wind te slaan. Zulks strekke intusschenniet ten voorbeeld voor de jongeren, doch worde opgevat door de ouderen als eene waarschuwing om nooit bevelen te geven, vóór zij daarvan behoorlijk de gevolgen hebben overwogen. De veiligste maatregel voor jongeren is altijd om te gehoorzamen. Op deze wijze verloor ’s Konings dienst achttien flinke mannen, na zeer zwaar lijden, voor eene boot »hetprivaateigendom” van den commandant, van eene waarde van nog geen twintig pond!

Des anderen daags, toen ik mij gekleed had, wenschte de eerste officier mij te spreken. Dadelijk schoot mij die malle uitdaging te binnen. »Dat is een mooi nastukje,” dacht ik, »voor het treurspel, om door den eersten officier doodgeschoten te worden, alleen omdat ik hem juist zoo’n »bol” genoemd had als den commandant.” De eerste officier had echter niet zulke barbaarsche voornemens; hij had na mijn vertrek de juistheid mijner opmerking gewaardeerd, en daar hij een goedhartige noord-landsman was, stak hij mij de hand van verzoening toe, die ik met groot genoegen aannam, daar ik voor den eersten tijd variatie genoeg had gehad.


Back to IndexNext