VI.DE FRIESCHE MEREN.

[Inhoud]DE FRIESCHE MEREN.VI.DE FRIESCHE MEREN.Ik heb eens iemand ontmoet, die veel in Friesland gereisd had, maar van de meren nooit iets had gezien, dan alleen, wat hij noemde, een grooten plas midden in de kale weiden tusschen Workum en IJlst. Dat zijn de Oudegaster Brekken en daar gaat de trein vlak langs. Inderdaad liggen die meren verborgen, haast nooit gaat er een berijdbare weg langs hun oevers of dwars er door heen, zooals dat met de Utrechtsche meren het geval is.Die Friesche meren liggen in een breede strook door de heele provincie heen en hebben door allerlei vaarten en plasjes gemeenschap met elkander. Het land, dat er tusschen ligt, is voor het meerendeel ook laag en dras, maar er is uitstekend hooiland bij en dat maakt, dat het nog al dicht bevolkt is. Het aanleggen van wegen schijnt er echter altijd heel moeilijk geweest te zijn, zoodat tal van boerderijen en gehuchten alleen te water bereikt kunnen worden. Er zijn maar drie rijwegen, die dwars door het gebied heen leiden: de straatweg van de Lemmer naar Sneek, die van Heerenveen naar Leeuwarden en die van Drachten naar Bergum. Geen wonder dus, dat de bewoners van deze streken uitstekende zeilers en schaatsenrijders zijn geworden en dat de Friesche meren in de toeristenwereld een vermaardheid hebben verworven, die misschien nog wel niet gelijk staat met die van de Alpen, maar er toch niet heel ver onder blijft.Wanneer mijn vriend, die niet zeilt of meezeilt, iets van de Friesche waterbeweging te zien wil krijgen, dan kan hij niet beter doen, dan op een mooien zomermorgen eens een uurtje te gaan zitten in de bovenzaal van het hotel Oostergoo (143) te Grouw of op het onmetelijk balkon van de aloude waterherberg Oude Schouw. Wij hebben dat eens gedaan op[78]een winderigen Augustusmorgen, van uit Leeuwarden. We hadden den tijd, om een beetje om te rijden en nu hadden we in ons oude reisgidsje een mooie beschrijving gelezen van de Wiarda state bij Goutum en wilden daar wel eens iets van zien. Wij naar Goutum, maar van de state noch van zijn voorplein en singels en hoog geboomte was geen spoor meer te ontdekken. Alles was geslecht en vergraven, er stonden een paar nieuwe huizen en er was ook nog een overschotje van een terp, dat er misschien ook nog aan moet gelooven. Zoo verandert hier in korten tijd het aangezicht der aarde.Wij bleven onzen binnenweg houden en die leidde aangenaam kronkelend langs mooie boerderijen naar het aanzienlijk dorp Warga. Er is een brug midden in het dorp en als je daarop staat zie je naar het noorden een alleraardigst schilderijtje: huizen en schuurtjes met kleurige tuinen uitkomend aan ’t water, vroolijk beschilderde schepen en op den achtergrond een reusachtige korenmolen met daarnaast een scheepstimmerwerf met een mooi zeilvaartuig op de helling. En al die bedrijvigheid lag nu in de rust van den zonnigen Zondagmorgen.Toen verder langs de Wargaster Vliet. De klinkerweg werd grindweg en de grindweg liep ten slotte uit op niets, daaraan merkten we nu, dat we in het gebied van de Friesche meren kwamen, de streek der blindloopende wegen. Gelukkig konden we bij een watermolen overgezet worden en langs een polderkade met de noodige hekken Eagum bereiken met zijn witte kerkje in de witte wilgen. Vandaar bereikten we over Roordahuizum weer den grooten straatweg en zoo kwamen we vlug tot Irnsumerzijl (132), nadat we ons onderweg nogeeneven hadden opgehouden, om te kijken naar een partijtje jongelui, die met grooten ijver in het weiland aan het kaatsen waren. „Hoe echt Friesch”, zeiden we, maar we begrepen er niets van. Maar als je nagaat, dat kaatsen in het Friesche volksleven al een even belangrijke plaats inneemt als zeilen en schaatsenrijden, dan begrijp je vanzelf, dat het een nobel spel moet zijn. De weg van Irnsumerzijl naar Grouw is ook alweer iets heel aparts; een breede vlakke, harde macadamweg, omzoomd door hooge witte wilgen: een mooie toegang tot een beroemd oord.Even voor het dorp zagen we rechts een mooi park en daarin het borstbeeld van Dr. Eeltje Halbertsma, den bekenden Frieschen dichter en schrijver. Hij is te Grouw (115) geboren in 1797, heeft daar veertig jaar lang gewerkt als geneesheer en is er in 1858 gestorven. Hij en zijn broeders Joost en Tjalling hebben hun leven lang geijverd voor den bloei der Friesche taal en wel op de best mogelijke manier door het schrijven van gedichten en vertellingen, die later verzameld zijn tot één bundel:Rimen in Teltsjesfen de Broarren Halbertsma. Daar zijn er onder, die het zeker voor een Hollander de moeite waard maken om zich eens een maand of zoo te oefenen in het lezen van het Friesch. Het is geen heksenwerk en misschien vindt ge ook nog wel een vriendelijken Fries—ze zitten overal—die u een handje helpen wil met de uitspraak. Voor de aardigheid schrijf ik een paar regels over, probeer maar eens wat ge er van maken kunt.De Moarntiid: It ljocht brekt throch de griene gerdynkes. De klok slacht hjelwei-fîwen. De wylde fuwgels tjirmje oer ’t fjild. De hoanne krait, ind de lipkes liepe yn ’e finne. De protters quele end thjotterje op it uwleboerd[81]ind de scoárstien. De earebarre klaphalzet. De ljurken sjonge oer ’t scuwrre. De âlde mem hjert de klok. „Bauk, seit hja, dou mast er oafkomme, fanke! ind roppe Hidde ind de feint: den ken de âldboer yette hwet lizzen bljouwe”. „Goed,” seit Bauk, ind wrjouwt erris yn ’e eagen, ind strykt oer ’e reade roune wangen. Hja klait hjar oan, ind ropt Hidde ind de feint.[79]121 DE LANGWEERDER WIELEN121 DE LANGWEERDER WIELEN122 HET TJEUKEMEER122 HET TJEUKEMEER123 DE MORRA123 DE MORRA124 DE GALAMADAMMEN124 DE GALAMADAMMEN125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER126 HEEG126 HEEGJAN VOERMAN Jr.[80]127 SNEEKERMEER127 SNEEKERMEER128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN130 AKKRUM—DE BOORN130 AKKRUM—DE BOORN131 OUDE SCHOUW131 OUDE SCHOUW132 IRNSUMERZIJL132 IRNSUMERZIJLJAN VOERMAN Jr.[81]En hier een zeer mooi versje, een schets van een stillen zomeravond op het meer:It MarkeIt wier op en simmerjounIt sintje stoe op e’ grounWol heal yn ’e douwe weiKrek, oaf ’t er yn ’t wetter leiSeafkes in stil wier de wrôadIt wetter lei sonder fôadIn ’t goudene sinnefjoerSpraatte syn gleaunte er o’er.Heel beroemd is ook het:Roalje, roalje wetterweagenRoalje ind bruws om ’t âlde GrouMyriaden foar uws eagenFleagen, stauwen om uws GrouRoalje, roalje uws foârbyHirde Friezen bljouwe wy.Nu, wij zaten al gauw in Oostergo naar die myriaden te kijken. Het dorp met zijn hooge grijze kerk en zadeldaktoren, ligt op een schiereiland tusschen de Grouw en het Pikmeer, en het hotel ligt weer op het puntje van het schiereiland. Het meer is niet groot en ligt in de vlakke weiden. Een paar groote schuitenhuizen herbergen de mooie boeiers, tjotters, sloepen, jollen en motorbooten der Grouwsters en daarvan zijn de meeste nu op het water. Al wat van de meren uit den Sneeker hoek naar Leeuwarden, Bergum of Drachten wil gaan, moet hier passeeren en ’t is dan ook een onafgebroken gaan en komen van allerlei vaartuigen, bruine breedsnuitige boeiers, slanke scherpe witte jachten, een tjottertje met padvinders, groote en kleine motorbootjes, zeilwherries en een paar stoombooten met pleizierreizigers, volle muziek aan boord en rondom behangen met schril gekleurde papieren knipsels en bloemen. Dat gaat dan het Pikmeer over, sommigen de Nieuwe galle in naar Warga en Leeuwarden, anderen rechtuit naar het Biggemeer en zoo door de Graft naar een ander beroemd waterdorp, het mooie Wartena. Nog weer andere gaan zuidwaarts en zoeken de Wijde Ee, die verderop Kromme Ee wordt en dan weer Wijde Ee, dan Monniker Ee en Smalle Ee en Eesterzanding en zoo leidt naar hetBergumermeeren het Caspar de Roblesdiep. Tusschen die Ee in en de Graft ligt het waterland van Eernewoude, om zijn vogelwereld en plantengroei haast even merkwaardig als het Naardermeer en als je lang genoeg[82]daarover denkt, dan zie je al gauw een vaartuig te krijgen, om die buurt te verkennen.Vandaag hadden we daar geen tijd voor, maar we wipten nog gauw even op de fiets om een kijkje te nemen op dat balcon van Oude Schouw (131). Daar loopt de Boorn achter langs op Irnsumerzijl en Grouw aan en recht vooruit heb je de Wetering, die naar het Sneekermeer leidt. Heel goed konden we op het Sneekermeer (127,128) de witte zeilen zien blinken en zwaaien en menig scheepje kwam er de Wetering in en bij ons door de brug, maar niet het scheepje dat wij verwachtten, een lange wherry, die de Longfellow heet en bemand moest zijn met vier lange vrienden van me, allemaal langer dan 1 M. 85 c.M. We hadden ze voor dien avond te eten gevraagd in Leeuwarden en wilden ze bij de Schouw alvast begroeten. We wachtten echter tevergeefs.’s Avonds echter, toen de tafel gedekt was, kwamen ze opdagen en aten dubbele porties. Ze deden de zeven-provinciëntocht en waren er vol van, hoe ze met hun slanke bootje over zee gezeild hadden van Hoorn naar Enkhuizen en hoe de veerboot op Stavoren voor een prikkie de heele wherry als bagage had overgezet. Dan de reis in de lengte door Morra, Fluessen en Heegermeer, waar een eindelooze rij van tonnen het veilig vaarwater wijst. Dan hadden ze ’t over IJlst en Sneek, de Houkesloot en een fabelachtig mooien overtocht in den maneschijn over het Sneekermeer naar de Terhornstersluizen (129), die zoo mooi in de boomen liggen. En hoe jammer het was, dat ze het Tjeukemeer (122) moesten missen. En al die aardige lui, die ze op het water hadden ontmoet, het kampeeren en picniccen op aardige plekjes langs den waterkant en den goeden tijd, dien ze gemaakt hadden met roeien hier, en zeilen daar, ik ben al lang vergeten hoeveel kilometers in het uur. Onderhand aten ze als wolven en na ’t eten moesten we nog de stad in om provisie in te slaan, want ze wilden dienzelfden avond nog verder, om nog een eind op te schieten naar het Bergumermeer. De wherry was gestald op een werfje heel aan het eind van de Vliet (144), een winkelbuurt met arbeiderswoningen. Toen wij daar door moesten dacht ik, dat we wel eens last zouden kunnen krijgen van de lieve jeugd, tenminste in Amsterdam was het stellig een herrie van belang geworden. Onze lange jongens zagen er nog al opzichtig uit ten eerste vanwege hun lengte en dan hadden ze ook schelle roodgestreepte zeiljasjes aan en twee ervan hadden zich getooid met zeer dwaze kleine petjes. Ook waren ze beladen met groote zakken met vruchten en een droeg er een flesch met brandspiritus. De Mater en ik liepen er gedwee tusschen in. Welnu, de kinderen van de Vlietgracht gaven wel een enkele opmerking ten beste en de ouderen uitten allerlei ondeugende vermoedens omtrent den inhoud van de flesch, maar de stemming bleef vriendelijk, zelfs als onze Piet in het Hoog-Maleisch van antwoord diende. Geen sprake van jouwen of naloopen en in gedachten staken wij den Leeuwarders dankbaar een nieuwe pluim op den hoed.Het schemerde al, toen we in de buurt der werfjes kwamen, waar we tusschen scheepshellingen door, over hellingen en langs teervaten de ligplaats van de Longfellow bereikten. Alles werd aan boord gebracht, de waterkannen gevuld en de jongens scheepten zich in, een aan ’t roer, een voorin, twee aan de riemen. Klaar boeg? Klaar slag? Vooruit! en daar[83]schoot de boot voort, gestuwd door de krachtige gelijkmatige riemslagen. Boffers van jongens, we zagen ze in ’t donker verdwijnen, de roode maan kwam net in ’t Oosten op. Over een paar minuten zullen ze de Froskepolle voorbijschieten en dan roeien ze nog een paar uurtjes voort, om op een veilig plekje tusschen het riet in hun bootje te overnachten. Morgen halen ze Groningen, in twee en een halve dag zijn ze dwars door Friesland heen geroeid. Als je ze nu vraagt, wat ’t mooiste was, dan zeggen ze: het Sneekermeer bij maneschijn.Nu, ik heb dat Sneekermeer ook nog bevaren en nog al op den 30sten April, in den mooisten tijd van het jaar, tusschen het eerste nachtegalenlied en het eerste groene beukenblad. ’s Morgens heel vroeg gingen we naar de jachthaven en ’t was een lust, daar in de ruime hal al die mooie, goed verzorgde, haast vertroetelde vaartuigjes te zien liggen in groote verscheidenheid. Wij scheepten ons met z’n drietjes in op een flinke motorboot, rank en licht en blinkend van witte verf en spiegelend koper, met spiegelglas en mahoniehout. Daar houd ik van, al kan ik ook heel tevreden zijn, als ik in een oud verweerd schuitje rondscharrel door de rietslooten. De Longfellows als roeiers en zeilers zien natuurlijk neer op een motorboot, maar jonge, jonge, ’t is zoo prettig als de motor mooi gelijkmatig werkt, om dan met de hand op ’t licht bewegelijk stuurrad de golven te klieven en rond te zien! Met wat een goede verwachting voeren we het haventje uit en langs een paar molens en fabrieken de Houckesloot in, het breede vaarwater, dat jaar in jaar uit duizenden vaartuigen draagt voor nut en genoegen. De oevers zijn wat ondiep, ik moest dus liefst het midden houden. We waren al spoedig in de weiden, waar de leeuweriken (ljurks) hun morgenzang uitjubelden, terwijl de kieviten (ljiips) onder heesch geschreeuw rondbuitelden in den morgennevel. Dra kwamen we aan een kruiswater, waar de Modderige Geeuw (wat een naam!) uit het zuiden komt en hier hielden we een weinig af, om langs de Roekoe-polle het eigenlijke meer te bereiken. Deze Roekoe-polle, die wel niet aan een tortelduif maar hoogstwaarschijnlijk aan een roode koe zijn naam te danken heeft, neemt een heel belangrijke plaats in in het Friesche volksleven, want daar heeft bij de groote zeilwedstrijden van Augustus de jury haar standplaats. Deze zeilwedstrijden zijn tegelijk een volksfeest en waterkermis en de derde Woensdag in Augustus wordt door heel ’t omliggend land en ook in verwijderde streken elken zomer met ongeduld verbeid.Wij waren nu op het wijde meer. Er woei een forsche Noordwester, er stonden werkelijk golfjes met witte koppen en daar huppelden we nu lustig over heen. Hier en daar peilden we eens, meer uit belangstelling, dan omdat het voor de vaart noodzakelijk was en zoodoende vonden we ook te gelegenertijd de ondiepte, die den noordhoek van het meer geheel doorsnijdt en bekend is onder den naam van Gravinneweg. Daar loopen over die ondiepte allerlei geruchten. ’t Is moeilijk te gelooven, dat het een verzonken weg zou zijn, zoo solied maakten ze de wegen niet in vroeger eeuwen. Veeleer is het gewoon een zandrug, zooals er in het veenland hier en daar wel meer opduiken. Nu liepen we voor den wind weg en naderden snel een landtong, een groene weide, die maar even boven het water[84]uitkwam en langs den oever stond de groote gele dotterbloem te bloeien, bespat door het schuim. Je kon net over die wei heenkijken en daar wobbelde en wiebelde het van allerlei vogels. Toen we naderbij kwamen en scherp toezagen, bleken dat haast allemaal grauwe ganzen te zijn. Groote dikke grauwe ganzen bij dozijnen, die stapten rustig over de wei rond, zooals ganzen doen en ropten met hun dikke snavels het jonge gras af. Hun nekken hadden slangachtige bewegingen. Rondom de troep stonden er met de halzen hoog in de lucht, dat waren de schildwachten, die uitkeken en die blijkbaar geen wantrouwen hadden in onze motorboot, want ze maakten geen alarm. Het was een groot genot, deze schuwe vogels zoo van nabij bij hun bezigheden te kunnen bespieden. Later op den dag zagen we nog groote vluchten van wilde ganzen in de lucht, sommige heel behoorlijk in den vorm van een V, andere in rechte lijnen achter elkaar aan. De voorjaarstrek was nog in vollen gang.Zoo’n gezelschap grazende wilde ganzen krijg je anders niet gemakkelijk te zien, maar wie in ’t voorjaar op de Friesche meren vaart, als de rietzoom nog niet hoog is opgeschoten, ontdekt een geheel nieuwe wereld. ’t Is of een gordijn, dat alles voor je verborgen hield, opeens wordt opzij geschoven. Wij bleven nog een beetje koersen langs dat lage grasland en ankerden ook een kleine wijl in de luwte van een boschje waterwilgen, dat in vollen bloei stond, de goudgele katjes wiegelden langs de blauwe lucht. Er scheen nu een helder zonnetje, maar de wind was nog straf. Weer zagen we veel vogels langs den waterkant in ’t gras, kleiner dan de ganzen en bonter van kleur, daar waren grijze, zwarte, bruine en oranje figuren bij. Koppen of snavels kon je haast niet zien, alleen een gewapper van lange veeren. Af en toe zag je er een paar vechtend in de hoogte springen, anderen doken neer in het gras en maakten allerlei gekke buigingen en grimassen. Een stuk of tien grijze vogels liepen er op slanke pootjes om heen, net of het hun niet aanging, maar ze waren wel degelijk bij de zaak betrokken. We troffen hier namelijk een kampplaats van kemphaantjes, een „hoantsje rid”. De Friezen noemen namelijk den kemphaan „hoants” en zijn wijfje „hoantsje”. Wij hebben dien dag zeker wel duizend hoantsen en hoantsjes gezien. We hoefden maar eventjes stil te liggen en met den kijker het eindelooze vlakke land af te zoeken, om ergens zoo’n bont dwarrelend groepje van vechtende vogels te ontwaren. Er zijn er hier meer dan op Texel. Ook de andere vogels kwamen in grooten getale opdagen en in het bijzonder gaven de grutto’s leven aan het landschap. Deze heeten hier „skriër” en dat is licht te begrijpen, want den heelen dag vliegen ze jodelend en schreeuwend rond. Als ze wat dichtbij komen, en dat doen ze dikwijls genoeg, dan zie je, hoe ze hun langen rechten snavel opensperren, het groote oog blinkt voor hun hooge achterhoofd, hals en borst zijn mooi rossig grijs, de vleugels met witte streepen en buiten den wit met zwarten staart steken heel kluchtig nog net hun achterwaarts gestrekte pooten uit. Een heerlijk gezicht, die skriërs in de blauwe voorjaarslucht. Dan weer kwamen groote zwart-met-witte scholeksters aanschieten, schel gillend en den harden rooden snavel juist op onzen neus gericht. En overal schermden kieviten en zongen leeuweriken. Een enkele maal kwam een bruine kiekendief overvliegen, een „hoanskrobber” en toen zag je pas hoeveel vogels daar huisden, want in de buurt van[87]elk nest vloog een klagende of booze vogel op en de dappere kieviten en scholeksters vielen den roofvogel met zooveel volharding aan, dat hij zich eindelijk maar uit de voeten maakte, om zich waarschijnlijk tevreden te stellen met kikkers, inplaats van versche eitjes. Met een soort van weemoed vertelden mijn beide Friezen mij, dat de eiertijd voorbij was, het zoeken van kievitseieren is slechts veroorloofd tot 28 April. Anders waren we al lang geland om eens een kansje te wagen. Nu tuften we weer over een breed meer, een prachtige woelige watermassa, de Goëngarijpsterpoelen en we prezen onze motorboot, die ons makkelijk bracht waar wij wilden, terwijl bij dezen sterken wind het zeilen zeker wel interessant, maar toch zeer moeilijk en misschien ook wel gevaarlijk geweest zou zijn. Nu bereikten we vrij snel de invaart naar de beroemde Langweerder Wielen, maar we legden eventjes aan bij een smalle kade, om een kleine wandeling te maken langs den oostoever, waar zich uit de branding een boschje verhief. Doorgaans hebben de oostoevers der Friesche meren het nog al hard te verantwoorden, doordat de sterkste winden meest uit het westen waaien. De westoever, waar het rustiger is, groeit veelal aan, doordat daar allerlei oever- en waterplanten zich rustig kunnen ontwikkelen. Ook waait bij langdurige zuidwestenwind het water van al de meren in den zuidwesthoek: Morra, Fluessen, Heegermeer, Slotermeer, Koevorden, Langweerder Wielen (121) en nog veel kleintjes naar het Sneekermeer en deGoëngarijpsterpoelenheen, daarom zijn die aan de oostzijde van kaden voorzien, terwijl in de vaarwaters sluizen zijn aangebracht om de streken van Akkrum (130) en Grouw en Wartena tegen waterbezwaar te behoeden. Ik vond het nu heel pleizierig om die kade te bewandelen en zoo’n sluisje te bezien, juist nu de harde wind de noodzakelijkheid ervan aantoonde. Onderwijl doorsnuffelden we het boschje, een drassig ding vol els en waterwilg en witte wilg en dat in den zomer geheel doorgroeid is van hop en heggewinde en wilgenroosjes, maar nu bloeiden er alleen dotterbloemen en speenkruid, terwijl de gele lisschen begonnen op te schieten. In het doode riet vonden we nog een wilde eend op acht eieren, waar we niet weinig op pochten, toen we een kwartiertje later bij den gastvrijen sluiswachter zaten te smullen aan koffie met koek en hij zich beklaagde, dat er dit jaar zoo weinig eieren waren. Intusschen had hij volkomen gelijk.[85]133 TJUMMARUM133 TJUMMARUM134 GROUW—VAARTJE134 GROUW—VAARTJE135 PIEKEMEERTJE135 PIEKEMEERTJE136 SNEEK—MOLENS136 SNEEK—MOLENS137 SNEEK—GEVELSTEEN137 SNEEK—GEVELSTEEN138 HINDELOOPEN—KERKPORTAAL138 HINDELOOPEN—KERKPORTAALL. W. R. WENCKEBACH[86]139 SNEEK—BUITENSINGEL139 SNEEK—BUITENSINGEL140 TJUMMARUM140 TJUMMARUM141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIET144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIETL. W. R. WENCKEBACH[87]Toen weer aan het varen, de Poelen over en door kronkelende wateren van wisselende breedte en diepte naar den afgelegen plas van het Oudhof, waar we al onze vogels weer aantroffen. Onderweg passeerden we de hooge trambrug van de tram Sneek-Joure en troffen het net, dat een troepje kerkgangers achter elkaar daarover heen balanceerden, want daar is alleen maar spoorweg. Heelemaal in ’t zwart, achter elkaar, een voor een, de mannen met hooge zijden hoeden, leek het een alleraardigst schimmenspel tegen het strakke blauwe uitspansel. Op den Oudhof gingen we ankeren en kokkerellen en eten, want dat is ook een van de groote genoegens van de watersport. En na het eten vertelde de Fries mij van het jongensleven aan of liever in het Sneekermeer, avonturen te water en te land, roeien en zeilen en zwemmen, hengelen en eierzoeken en dat alles in verband met school en huis, ouders en opvoeders en de mannen van de wet.[88]Het was maar aardig op dat Oudhof. Een paar kieviten hielden ons voortdurend gezelschap, die hadden zeker een nest vlak bij en een van de Friezen stond helsche kwalen uit door zijn lust om het te zoeken, maar hij bedwong zich uit medelijden jegens den veldwachter. Rondom ons zagen we al de torens van dit waterland: Sneek, Ylst, de Joure en Langweer, dat door zijn waterkamp zoo’n groote vermaardheid heeft gekregen. Ook heb je daar mooie plaatsen en bosschen, want de streek tusschen Langweer en Sint Nicolaasga is om zoo te zeggen de verbinding tusschen Gaasterland en Oranjewoud. Nu gingen we huistoe door de Woudsendersloot. De wind was er niet minder om geworden en een heele massa vogels, hoantsen, skriërs, lieuwen en reidhintsjes hadden voor hun middagdutje de luwte opgezocht van de polderkade. Bij Utwellingerga passeerden we weer een reusachtige zuivelfabriek, die vindt je zoowat overal, en zonder ongevallen bereikten we door de Modderige Geeuw weer het Kruiswater naar de Houckesloot. Op dezen terugtocht hadden we nog het pretje, dat van een viertal jongelui, die op verboden terrein in den verboden tijd verboden eieren liepen te zoeken er een midden in een sloot sprong, dat het heldere water hoog in de lucht spatte. Dat klopte heel mooi met de verhalen van mijn vriend. Er gaat toch niets boven de watersport.[89]

[Inhoud]DE FRIESCHE MEREN.VI.DE FRIESCHE MEREN.Ik heb eens iemand ontmoet, die veel in Friesland gereisd had, maar van de meren nooit iets had gezien, dan alleen, wat hij noemde, een grooten plas midden in de kale weiden tusschen Workum en IJlst. Dat zijn de Oudegaster Brekken en daar gaat de trein vlak langs. Inderdaad liggen die meren verborgen, haast nooit gaat er een berijdbare weg langs hun oevers of dwars er door heen, zooals dat met de Utrechtsche meren het geval is.Die Friesche meren liggen in een breede strook door de heele provincie heen en hebben door allerlei vaarten en plasjes gemeenschap met elkander. Het land, dat er tusschen ligt, is voor het meerendeel ook laag en dras, maar er is uitstekend hooiland bij en dat maakt, dat het nog al dicht bevolkt is. Het aanleggen van wegen schijnt er echter altijd heel moeilijk geweest te zijn, zoodat tal van boerderijen en gehuchten alleen te water bereikt kunnen worden. Er zijn maar drie rijwegen, die dwars door het gebied heen leiden: de straatweg van de Lemmer naar Sneek, die van Heerenveen naar Leeuwarden en die van Drachten naar Bergum. Geen wonder dus, dat de bewoners van deze streken uitstekende zeilers en schaatsenrijders zijn geworden en dat de Friesche meren in de toeristenwereld een vermaardheid hebben verworven, die misschien nog wel niet gelijk staat met die van de Alpen, maar er toch niet heel ver onder blijft.Wanneer mijn vriend, die niet zeilt of meezeilt, iets van de Friesche waterbeweging te zien wil krijgen, dan kan hij niet beter doen, dan op een mooien zomermorgen eens een uurtje te gaan zitten in de bovenzaal van het hotel Oostergoo (143) te Grouw of op het onmetelijk balkon van de aloude waterherberg Oude Schouw. Wij hebben dat eens gedaan op[78]een winderigen Augustusmorgen, van uit Leeuwarden. We hadden den tijd, om een beetje om te rijden en nu hadden we in ons oude reisgidsje een mooie beschrijving gelezen van de Wiarda state bij Goutum en wilden daar wel eens iets van zien. Wij naar Goutum, maar van de state noch van zijn voorplein en singels en hoog geboomte was geen spoor meer te ontdekken. Alles was geslecht en vergraven, er stonden een paar nieuwe huizen en er was ook nog een overschotje van een terp, dat er misschien ook nog aan moet gelooven. Zoo verandert hier in korten tijd het aangezicht der aarde.Wij bleven onzen binnenweg houden en die leidde aangenaam kronkelend langs mooie boerderijen naar het aanzienlijk dorp Warga. Er is een brug midden in het dorp en als je daarop staat zie je naar het noorden een alleraardigst schilderijtje: huizen en schuurtjes met kleurige tuinen uitkomend aan ’t water, vroolijk beschilderde schepen en op den achtergrond een reusachtige korenmolen met daarnaast een scheepstimmerwerf met een mooi zeilvaartuig op de helling. En al die bedrijvigheid lag nu in de rust van den zonnigen Zondagmorgen.Toen verder langs de Wargaster Vliet. De klinkerweg werd grindweg en de grindweg liep ten slotte uit op niets, daaraan merkten we nu, dat we in het gebied van de Friesche meren kwamen, de streek der blindloopende wegen. Gelukkig konden we bij een watermolen overgezet worden en langs een polderkade met de noodige hekken Eagum bereiken met zijn witte kerkje in de witte wilgen. Vandaar bereikten we over Roordahuizum weer den grooten straatweg en zoo kwamen we vlug tot Irnsumerzijl (132), nadat we ons onderweg nogeeneven hadden opgehouden, om te kijken naar een partijtje jongelui, die met grooten ijver in het weiland aan het kaatsen waren. „Hoe echt Friesch”, zeiden we, maar we begrepen er niets van. Maar als je nagaat, dat kaatsen in het Friesche volksleven al een even belangrijke plaats inneemt als zeilen en schaatsenrijden, dan begrijp je vanzelf, dat het een nobel spel moet zijn. De weg van Irnsumerzijl naar Grouw is ook alweer iets heel aparts; een breede vlakke, harde macadamweg, omzoomd door hooge witte wilgen: een mooie toegang tot een beroemd oord.Even voor het dorp zagen we rechts een mooi park en daarin het borstbeeld van Dr. Eeltje Halbertsma, den bekenden Frieschen dichter en schrijver. Hij is te Grouw (115) geboren in 1797, heeft daar veertig jaar lang gewerkt als geneesheer en is er in 1858 gestorven. Hij en zijn broeders Joost en Tjalling hebben hun leven lang geijverd voor den bloei der Friesche taal en wel op de best mogelijke manier door het schrijven van gedichten en vertellingen, die later verzameld zijn tot één bundel:Rimen in Teltsjesfen de Broarren Halbertsma. Daar zijn er onder, die het zeker voor een Hollander de moeite waard maken om zich eens een maand of zoo te oefenen in het lezen van het Friesch. Het is geen heksenwerk en misschien vindt ge ook nog wel een vriendelijken Fries—ze zitten overal—die u een handje helpen wil met de uitspraak. Voor de aardigheid schrijf ik een paar regels over, probeer maar eens wat ge er van maken kunt.De Moarntiid: It ljocht brekt throch de griene gerdynkes. De klok slacht hjelwei-fîwen. De wylde fuwgels tjirmje oer ’t fjild. De hoanne krait, ind de lipkes liepe yn ’e finne. De protters quele end thjotterje op it uwleboerd[81]ind de scoárstien. De earebarre klaphalzet. De ljurken sjonge oer ’t scuwrre. De âlde mem hjert de klok. „Bauk, seit hja, dou mast er oafkomme, fanke! ind roppe Hidde ind de feint: den ken de âldboer yette hwet lizzen bljouwe”. „Goed,” seit Bauk, ind wrjouwt erris yn ’e eagen, ind strykt oer ’e reade roune wangen. Hja klait hjar oan, ind ropt Hidde ind de feint.[79]121 DE LANGWEERDER WIELEN121 DE LANGWEERDER WIELEN122 HET TJEUKEMEER122 HET TJEUKEMEER123 DE MORRA123 DE MORRA124 DE GALAMADAMMEN124 DE GALAMADAMMEN125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER126 HEEG126 HEEGJAN VOERMAN Jr.[80]127 SNEEKERMEER127 SNEEKERMEER128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN130 AKKRUM—DE BOORN130 AKKRUM—DE BOORN131 OUDE SCHOUW131 OUDE SCHOUW132 IRNSUMERZIJL132 IRNSUMERZIJLJAN VOERMAN Jr.[81]En hier een zeer mooi versje, een schets van een stillen zomeravond op het meer:It MarkeIt wier op en simmerjounIt sintje stoe op e’ grounWol heal yn ’e douwe weiKrek, oaf ’t er yn ’t wetter leiSeafkes in stil wier de wrôadIt wetter lei sonder fôadIn ’t goudene sinnefjoerSpraatte syn gleaunte er o’er.Heel beroemd is ook het:Roalje, roalje wetterweagenRoalje ind bruws om ’t âlde GrouMyriaden foar uws eagenFleagen, stauwen om uws GrouRoalje, roalje uws foârbyHirde Friezen bljouwe wy.Nu, wij zaten al gauw in Oostergo naar die myriaden te kijken. Het dorp met zijn hooge grijze kerk en zadeldaktoren, ligt op een schiereiland tusschen de Grouw en het Pikmeer, en het hotel ligt weer op het puntje van het schiereiland. Het meer is niet groot en ligt in de vlakke weiden. Een paar groote schuitenhuizen herbergen de mooie boeiers, tjotters, sloepen, jollen en motorbooten der Grouwsters en daarvan zijn de meeste nu op het water. Al wat van de meren uit den Sneeker hoek naar Leeuwarden, Bergum of Drachten wil gaan, moet hier passeeren en ’t is dan ook een onafgebroken gaan en komen van allerlei vaartuigen, bruine breedsnuitige boeiers, slanke scherpe witte jachten, een tjottertje met padvinders, groote en kleine motorbootjes, zeilwherries en een paar stoombooten met pleizierreizigers, volle muziek aan boord en rondom behangen met schril gekleurde papieren knipsels en bloemen. Dat gaat dan het Pikmeer over, sommigen de Nieuwe galle in naar Warga en Leeuwarden, anderen rechtuit naar het Biggemeer en zoo door de Graft naar een ander beroemd waterdorp, het mooie Wartena. Nog weer andere gaan zuidwaarts en zoeken de Wijde Ee, die verderop Kromme Ee wordt en dan weer Wijde Ee, dan Monniker Ee en Smalle Ee en Eesterzanding en zoo leidt naar hetBergumermeeren het Caspar de Roblesdiep. Tusschen die Ee in en de Graft ligt het waterland van Eernewoude, om zijn vogelwereld en plantengroei haast even merkwaardig als het Naardermeer en als je lang genoeg[82]daarover denkt, dan zie je al gauw een vaartuig te krijgen, om die buurt te verkennen.Vandaag hadden we daar geen tijd voor, maar we wipten nog gauw even op de fiets om een kijkje te nemen op dat balcon van Oude Schouw (131). Daar loopt de Boorn achter langs op Irnsumerzijl en Grouw aan en recht vooruit heb je de Wetering, die naar het Sneekermeer leidt. Heel goed konden we op het Sneekermeer (127,128) de witte zeilen zien blinken en zwaaien en menig scheepje kwam er de Wetering in en bij ons door de brug, maar niet het scheepje dat wij verwachtten, een lange wherry, die de Longfellow heet en bemand moest zijn met vier lange vrienden van me, allemaal langer dan 1 M. 85 c.M. We hadden ze voor dien avond te eten gevraagd in Leeuwarden en wilden ze bij de Schouw alvast begroeten. We wachtten echter tevergeefs.’s Avonds echter, toen de tafel gedekt was, kwamen ze opdagen en aten dubbele porties. Ze deden de zeven-provinciëntocht en waren er vol van, hoe ze met hun slanke bootje over zee gezeild hadden van Hoorn naar Enkhuizen en hoe de veerboot op Stavoren voor een prikkie de heele wherry als bagage had overgezet. Dan de reis in de lengte door Morra, Fluessen en Heegermeer, waar een eindelooze rij van tonnen het veilig vaarwater wijst. Dan hadden ze ’t over IJlst en Sneek, de Houkesloot en een fabelachtig mooien overtocht in den maneschijn over het Sneekermeer naar de Terhornstersluizen (129), die zoo mooi in de boomen liggen. En hoe jammer het was, dat ze het Tjeukemeer (122) moesten missen. En al die aardige lui, die ze op het water hadden ontmoet, het kampeeren en picniccen op aardige plekjes langs den waterkant en den goeden tijd, dien ze gemaakt hadden met roeien hier, en zeilen daar, ik ben al lang vergeten hoeveel kilometers in het uur. Onderhand aten ze als wolven en na ’t eten moesten we nog de stad in om provisie in te slaan, want ze wilden dienzelfden avond nog verder, om nog een eind op te schieten naar het Bergumermeer. De wherry was gestald op een werfje heel aan het eind van de Vliet (144), een winkelbuurt met arbeiderswoningen. Toen wij daar door moesten dacht ik, dat we wel eens last zouden kunnen krijgen van de lieve jeugd, tenminste in Amsterdam was het stellig een herrie van belang geworden. Onze lange jongens zagen er nog al opzichtig uit ten eerste vanwege hun lengte en dan hadden ze ook schelle roodgestreepte zeiljasjes aan en twee ervan hadden zich getooid met zeer dwaze kleine petjes. Ook waren ze beladen met groote zakken met vruchten en een droeg er een flesch met brandspiritus. De Mater en ik liepen er gedwee tusschen in. Welnu, de kinderen van de Vlietgracht gaven wel een enkele opmerking ten beste en de ouderen uitten allerlei ondeugende vermoedens omtrent den inhoud van de flesch, maar de stemming bleef vriendelijk, zelfs als onze Piet in het Hoog-Maleisch van antwoord diende. Geen sprake van jouwen of naloopen en in gedachten staken wij den Leeuwarders dankbaar een nieuwe pluim op den hoed.Het schemerde al, toen we in de buurt der werfjes kwamen, waar we tusschen scheepshellingen door, over hellingen en langs teervaten de ligplaats van de Longfellow bereikten. Alles werd aan boord gebracht, de waterkannen gevuld en de jongens scheepten zich in, een aan ’t roer, een voorin, twee aan de riemen. Klaar boeg? Klaar slag? Vooruit! en daar[83]schoot de boot voort, gestuwd door de krachtige gelijkmatige riemslagen. Boffers van jongens, we zagen ze in ’t donker verdwijnen, de roode maan kwam net in ’t Oosten op. Over een paar minuten zullen ze de Froskepolle voorbijschieten en dan roeien ze nog een paar uurtjes voort, om op een veilig plekje tusschen het riet in hun bootje te overnachten. Morgen halen ze Groningen, in twee en een halve dag zijn ze dwars door Friesland heen geroeid. Als je ze nu vraagt, wat ’t mooiste was, dan zeggen ze: het Sneekermeer bij maneschijn.Nu, ik heb dat Sneekermeer ook nog bevaren en nog al op den 30sten April, in den mooisten tijd van het jaar, tusschen het eerste nachtegalenlied en het eerste groene beukenblad. ’s Morgens heel vroeg gingen we naar de jachthaven en ’t was een lust, daar in de ruime hal al die mooie, goed verzorgde, haast vertroetelde vaartuigjes te zien liggen in groote verscheidenheid. Wij scheepten ons met z’n drietjes in op een flinke motorboot, rank en licht en blinkend van witte verf en spiegelend koper, met spiegelglas en mahoniehout. Daar houd ik van, al kan ik ook heel tevreden zijn, als ik in een oud verweerd schuitje rondscharrel door de rietslooten. De Longfellows als roeiers en zeilers zien natuurlijk neer op een motorboot, maar jonge, jonge, ’t is zoo prettig als de motor mooi gelijkmatig werkt, om dan met de hand op ’t licht bewegelijk stuurrad de golven te klieven en rond te zien! Met wat een goede verwachting voeren we het haventje uit en langs een paar molens en fabrieken de Houckesloot in, het breede vaarwater, dat jaar in jaar uit duizenden vaartuigen draagt voor nut en genoegen. De oevers zijn wat ondiep, ik moest dus liefst het midden houden. We waren al spoedig in de weiden, waar de leeuweriken (ljurks) hun morgenzang uitjubelden, terwijl de kieviten (ljiips) onder heesch geschreeuw rondbuitelden in den morgennevel. Dra kwamen we aan een kruiswater, waar de Modderige Geeuw (wat een naam!) uit het zuiden komt en hier hielden we een weinig af, om langs de Roekoe-polle het eigenlijke meer te bereiken. Deze Roekoe-polle, die wel niet aan een tortelduif maar hoogstwaarschijnlijk aan een roode koe zijn naam te danken heeft, neemt een heel belangrijke plaats in in het Friesche volksleven, want daar heeft bij de groote zeilwedstrijden van Augustus de jury haar standplaats. Deze zeilwedstrijden zijn tegelijk een volksfeest en waterkermis en de derde Woensdag in Augustus wordt door heel ’t omliggend land en ook in verwijderde streken elken zomer met ongeduld verbeid.Wij waren nu op het wijde meer. Er woei een forsche Noordwester, er stonden werkelijk golfjes met witte koppen en daar huppelden we nu lustig over heen. Hier en daar peilden we eens, meer uit belangstelling, dan omdat het voor de vaart noodzakelijk was en zoodoende vonden we ook te gelegenertijd de ondiepte, die den noordhoek van het meer geheel doorsnijdt en bekend is onder den naam van Gravinneweg. Daar loopen over die ondiepte allerlei geruchten. ’t Is moeilijk te gelooven, dat het een verzonken weg zou zijn, zoo solied maakten ze de wegen niet in vroeger eeuwen. Veeleer is het gewoon een zandrug, zooals er in het veenland hier en daar wel meer opduiken. Nu liepen we voor den wind weg en naderden snel een landtong, een groene weide, die maar even boven het water[84]uitkwam en langs den oever stond de groote gele dotterbloem te bloeien, bespat door het schuim. Je kon net over die wei heenkijken en daar wobbelde en wiebelde het van allerlei vogels. Toen we naderbij kwamen en scherp toezagen, bleken dat haast allemaal grauwe ganzen te zijn. Groote dikke grauwe ganzen bij dozijnen, die stapten rustig over de wei rond, zooals ganzen doen en ropten met hun dikke snavels het jonge gras af. Hun nekken hadden slangachtige bewegingen. Rondom de troep stonden er met de halzen hoog in de lucht, dat waren de schildwachten, die uitkeken en die blijkbaar geen wantrouwen hadden in onze motorboot, want ze maakten geen alarm. Het was een groot genot, deze schuwe vogels zoo van nabij bij hun bezigheden te kunnen bespieden. Later op den dag zagen we nog groote vluchten van wilde ganzen in de lucht, sommige heel behoorlijk in den vorm van een V, andere in rechte lijnen achter elkaar aan. De voorjaarstrek was nog in vollen gang.Zoo’n gezelschap grazende wilde ganzen krijg je anders niet gemakkelijk te zien, maar wie in ’t voorjaar op de Friesche meren vaart, als de rietzoom nog niet hoog is opgeschoten, ontdekt een geheel nieuwe wereld. ’t Is of een gordijn, dat alles voor je verborgen hield, opeens wordt opzij geschoven. Wij bleven nog een beetje koersen langs dat lage grasland en ankerden ook een kleine wijl in de luwte van een boschje waterwilgen, dat in vollen bloei stond, de goudgele katjes wiegelden langs de blauwe lucht. Er scheen nu een helder zonnetje, maar de wind was nog straf. Weer zagen we veel vogels langs den waterkant in ’t gras, kleiner dan de ganzen en bonter van kleur, daar waren grijze, zwarte, bruine en oranje figuren bij. Koppen of snavels kon je haast niet zien, alleen een gewapper van lange veeren. Af en toe zag je er een paar vechtend in de hoogte springen, anderen doken neer in het gras en maakten allerlei gekke buigingen en grimassen. Een stuk of tien grijze vogels liepen er op slanke pootjes om heen, net of het hun niet aanging, maar ze waren wel degelijk bij de zaak betrokken. We troffen hier namelijk een kampplaats van kemphaantjes, een „hoantsje rid”. De Friezen noemen namelijk den kemphaan „hoants” en zijn wijfje „hoantsje”. Wij hebben dien dag zeker wel duizend hoantsen en hoantsjes gezien. We hoefden maar eventjes stil te liggen en met den kijker het eindelooze vlakke land af te zoeken, om ergens zoo’n bont dwarrelend groepje van vechtende vogels te ontwaren. Er zijn er hier meer dan op Texel. Ook de andere vogels kwamen in grooten getale opdagen en in het bijzonder gaven de grutto’s leven aan het landschap. Deze heeten hier „skriër” en dat is licht te begrijpen, want den heelen dag vliegen ze jodelend en schreeuwend rond. Als ze wat dichtbij komen, en dat doen ze dikwijls genoeg, dan zie je, hoe ze hun langen rechten snavel opensperren, het groote oog blinkt voor hun hooge achterhoofd, hals en borst zijn mooi rossig grijs, de vleugels met witte streepen en buiten den wit met zwarten staart steken heel kluchtig nog net hun achterwaarts gestrekte pooten uit. Een heerlijk gezicht, die skriërs in de blauwe voorjaarslucht. Dan weer kwamen groote zwart-met-witte scholeksters aanschieten, schel gillend en den harden rooden snavel juist op onzen neus gericht. En overal schermden kieviten en zongen leeuweriken. Een enkele maal kwam een bruine kiekendief overvliegen, een „hoanskrobber” en toen zag je pas hoeveel vogels daar huisden, want in de buurt van[87]elk nest vloog een klagende of booze vogel op en de dappere kieviten en scholeksters vielen den roofvogel met zooveel volharding aan, dat hij zich eindelijk maar uit de voeten maakte, om zich waarschijnlijk tevreden te stellen met kikkers, inplaats van versche eitjes. Met een soort van weemoed vertelden mijn beide Friezen mij, dat de eiertijd voorbij was, het zoeken van kievitseieren is slechts veroorloofd tot 28 April. Anders waren we al lang geland om eens een kansje te wagen. Nu tuften we weer over een breed meer, een prachtige woelige watermassa, de Goëngarijpsterpoelen en we prezen onze motorboot, die ons makkelijk bracht waar wij wilden, terwijl bij dezen sterken wind het zeilen zeker wel interessant, maar toch zeer moeilijk en misschien ook wel gevaarlijk geweest zou zijn. Nu bereikten we vrij snel de invaart naar de beroemde Langweerder Wielen, maar we legden eventjes aan bij een smalle kade, om een kleine wandeling te maken langs den oostoever, waar zich uit de branding een boschje verhief. Doorgaans hebben de oostoevers der Friesche meren het nog al hard te verantwoorden, doordat de sterkste winden meest uit het westen waaien. De westoever, waar het rustiger is, groeit veelal aan, doordat daar allerlei oever- en waterplanten zich rustig kunnen ontwikkelen. Ook waait bij langdurige zuidwestenwind het water van al de meren in den zuidwesthoek: Morra, Fluessen, Heegermeer, Slotermeer, Koevorden, Langweerder Wielen (121) en nog veel kleintjes naar het Sneekermeer en deGoëngarijpsterpoelenheen, daarom zijn die aan de oostzijde van kaden voorzien, terwijl in de vaarwaters sluizen zijn aangebracht om de streken van Akkrum (130) en Grouw en Wartena tegen waterbezwaar te behoeden. Ik vond het nu heel pleizierig om die kade te bewandelen en zoo’n sluisje te bezien, juist nu de harde wind de noodzakelijkheid ervan aantoonde. Onderwijl doorsnuffelden we het boschje, een drassig ding vol els en waterwilg en witte wilg en dat in den zomer geheel doorgroeid is van hop en heggewinde en wilgenroosjes, maar nu bloeiden er alleen dotterbloemen en speenkruid, terwijl de gele lisschen begonnen op te schieten. In het doode riet vonden we nog een wilde eend op acht eieren, waar we niet weinig op pochten, toen we een kwartiertje later bij den gastvrijen sluiswachter zaten te smullen aan koffie met koek en hij zich beklaagde, dat er dit jaar zoo weinig eieren waren. Intusschen had hij volkomen gelijk.[85]133 TJUMMARUM133 TJUMMARUM134 GROUW—VAARTJE134 GROUW—VAARTJE135 PIEKEMEERTJE135 PIEKEMEERTJE136 SNEEK—MOLENS136 SNEEK—MOLENS137 SNEEK—GEVELSTEEN137 SNEEK—GEVELSTEEN138 HINDELOOPEN—KERKPORTAAL138 HINDELOOPEN—KERKPORTAALL. W. R. WENCKEBACH[86]139 SNEEK—BUITENSINGEL139 SNEEK—BUITENSINGEL140 TJUMMARUM140 TJUMMARUM141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIET144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIETL. W. R. WENCKEBACH[87]Toen weer aan het varen, de Poelen over en door kronkelende wateren van wisselende breedte en diepte naar den afgelegen plas van het Oudhof, waar we al onze vogels weer aantroffen. Onderweg passeerden we de hooge trambrug van de tram Sneek-Joure en troffen het net, dat een troepje kerkgangers achter elkaar daarover heen balanceerden, want daar is alleen maar spoorweg. Heelemaal in ’t zwart, achter elkaar, een voor een, de mannen met hooge zijden hoeden, leek het een alleraardigst schimmenspel tegen het strakke blauwe uitspansel. Op den Oudhof gingen we ankeren en kokkerellen en eten, want dat is ook een van de groote genoegens van de watersport. En na het eten vertelde de Fries mij van het jongensleven aan of liever in het Sneekermeer, avonturen te water en te land, roeien en zeilen en zwemmen, hengelen en eierzoeken en dat alles in verband met school en huis, ouders en opvoeders en de mannen van de wet.[88]Het was maar aardig op dat Oudhof. Een paar kieviten hielden ons voortdurend gezelschap, die hadden zeker een nest vlak bij en een van de Friezen stond helsche kwalen uit door zijn lust om het te zoeken, maar hij bedwong zich uit medelijden jegens den veldwachter. Rondom ons zagen we al de torens van dit waterland: Sneek, Ylst, de Joure en Langweer, dat door zijn waterkamp zoo’n groote vermaardheid heeft gekregen. Ook heb je daar mooie plaatsen en bosschen, want de streek tusschen Langweer en Sint Nicolaasga is om zoo te zeggen de verbinding tusschen Gaasterland en Oranjewoud. Nu gingen we huistoe door de Woudsendersloot. De wind was er niet minder om geworden en een heele massa vogels, hoantsen, skriërs, lieuwen en reidhintsjes hadden voor hun middagdutje de luwte opgezocht van de polderkade. Bij Utwellingerga passeerden we weer een reusachtige zuivelfabriek, die vindt je zoowat overal, en zonder ongevallen bereikten we door de Modderige Geeuw weer het Kruiswater naar de Houckesloot. Op dezen terugtocht hadden we nog het pretje, dat van een viertal jongelui, die op verboden terrein in den verboden tijd verboden eieren liepen te zoeken er een midden in een sloot sprong, dat het heldere water hoog in de lucht spatte. Dat klopte heel mooi met de verhalen van mijn vriend. Er gaat toch niets boven de watersport.[89]

DE FRIESCHE MEREN.VI.DE FRIESCHE MEREN.

DE FRIESCHE MEREN.

Ik heb eens iemand ontmoet, die veel in Friesland gereisd had, maar van de meren nooit iets had gezien, dan alleen, wat hij noemde, een grooten plas midden in de kale weiden tusschen Workum en IJlst. Dat zijn de Oudegaster Brekken en daar gaat de trein vlak langs. Inderdaad liggen die meren verborgen, haast nooit gaat er een berijdbare weg langs hun oevers of dwars er door heen, zooals dat met de Utrechtsche meren het geval is.Die Friesche meren liggen in een breede strook door de heele provincie heen en hebben door allerlei vaarten en plasjes gemeenschap met elkander. Het land, dat er tusschen ligt, is voor het meerendeel ook laag en dras, maar er is uitstekend hooiland bij en dat maakt, dat het nog al dicht bevolkt is. Het aanleggen van wegen schijnt er echter altijd heel moeilijk geweest te zijn, zoodat tal van boerderijen en gehuchten alleen te water bereikt kunnen worden. Er zijn maar drie rijwegen, die dwars door het gebied heen leiden: de straatweg van de Lemmer naar Sneek, die van Heerenveen naar Leeuwarden en die van Drachten naar Bergum. Geen wonder dus, dat de bewoners van deze streken uitstekende zeilers en schaatsenrijders zijn geworden en dat de Friesche meren in de toeristenwereld een vermaardheid hebben verworven, die misschien nog wel niet gelijk staat met die van de Alpen, maar er toch niet heel ver onder blijft.Wanneer mijn vriend, die niet zeilt of meezeilt, iets van de Friesche waterbeweging te zien wil krijgen, dan kan hij niet beter doen, dan op een mooien zomermorgen eens een uurtje te gaan zitten in de bovenzaal van het hotel Oostergoo (143) te Grouw of op het onmetelijk balkon van de aloude waterherberg Oude Schouw. Wij hebben dat eens gedaan op[78]een winderigen Augustusmorgen, van uit Leeuwarden. We hadden den tijd, om een beetje om te rijden en nu hadden we in ons oude reisgidsje een mooie beschrijving gelezen van de Wiarda state bij Goutum en wilden daar wel eens iets van zien. Wij naar Goutum, maar van de state noch van zijn voorplein en singels en hoog geboomte was geen spoor meer te ontdekken. Alles was geslecht en vergraven, er stonden een paar nieuwe huizen en er was ook nog een overschotje van een terp, dat er misschien ook nog aan moet gelooven. Zoo verandert hier in korten tijd het aangezicht der aarde.Wij bleven onzen binnenweg houden en die leidde aangenaam kronkelend langs mooie boerderijen naar het aanzienlijk dorp Warga. Er is een brug midden in het dorp en als je daarop staat zie je naar het noorden een alleraardigst schilderijtje: huizen en schuurtjes met kleurige tuinen uitkomend aan ’t water, vroolijk beschilderde schepen en op den achtergrond een reusachtige korenmolen met daarnaast een scheepstimmerwerf met een mooi zeilvaartuig op de helling. En al die bedrijvigheid lag nu in de rust van den zonnigen Zondagmorgen.Toen verder langs de Wargaster Vliet. De klinkerweg werd grindweg en de grindweg liep ten slotte uit op niets, daaraan merkten we nu, dat we in het gebied van de Friesche meren kwamen, de streek der blindloopende wegen. Gelukkig konden we bij een watermolen overgezet worden en langs een polderkade met de noodige hekken Eagum bereiken met zijn witte kerkje in de witte wilgen. Vandaar bereikten we over Roordahuizum weer den grooten straatweg en zoo kwamen we vlug tot Irnsumerzijl (132), nadat we ons onderweg nogeeneven hadden opgehouden, om te kijken naar een partijtje jongelui, die met grooten ijver in het weiland aan het kaatsen waren. „Hoe echt Friesch”, zeiden we, maar we begrepen er niets van. Maar als je nagaat, dat kaatsen in het Friesche volksleven al een even belangrijke plaats inneemt als zeilen en schaatsenrijden, dan begrijp je vanzelf, dat het een nobel spel moet zijn. De weg van Irnsumerzijl naar Grouw is ook alweer iets heel aparts; een breede vlakke, harde macadamweg, omzoomd door hooge witte wilgen: een mooie toegang tot een beroemd oord.Even voor het dorp zagen we rechts een mooi park en daarin het borstbeeld van Dr. Eeltje Halbertsma, den bekenden Frieschen dichter en schrijver. Hij is te Grouw (115) geboren in 1797, heeft daar veertig jaar lang gewerkt als geneesheer en is er in 1858 gestorven. Hij en zijn broeders Joost en Tjalling hebben hun leven lang geijverd voor den bloei der Friesche taal en wel op de best mogelijke manier door het schrijven van gedichten en vertellingen, die later verzameld zijn tot één bundel:Rimen in Teltsjesfen de Broarren Halbertsma. Daar zijn er onder, die het zeker voor een Hollander de moeite waard maken om zich eens een maand of zoo te oefenen in het lezen van het Friesch. Het is geen heksenwerk en misschien vindt ge ook nog wel een vriendelijken Fries—ze zitten overal—die u een handje helpen wil met de uitspraak. Voor de aardigheid schrijf ik een paar regels over, probeer maar eens wat ge er van maken kunt.De Moarntiid: It ljocht brekt throch de griene gerdynkes. De klok slacht hjelwei-fîwen. De wylde fuwgels tjirmje oer ’t fjild. De hoanne krait, ind de lipkes liepe yn ’e finne. De protters quele end thjotterje op it uwleboerd[81]ind de scoárstien. De earebarre klaphalzet. De ljurken sjonge oer ’t scuwrre. De âlde mem hjert de klok. „Bauk, seit hja, dou mast er oafkomme, fanke! ind roppe Hidde ind de feint: den ken de âldboer yette hwet lizzen bljouwe”. „Goed,” seit Bauk, ind wrjouwt erris yn ’e eagen, ind strykt oer ’e reade roune wangen. Hja klait hjar oan, ind ropt Hidde ind de feint.[79]121 DE LANGWEERDER WIELEN121 DE LANGWEERDER WIELEN122 HET TJEUKEMEER122 HET TJEUKEMEER123 DE MORRA123 DE MORRA124 DE GALAMADAMMEN124 DE GALAMADAMMEN125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER126 HEEG126 HEEGJAN VOERMAN Jr.[80]127 SNEEKERMEER127 SNEEKERMEER128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN130 AKKRUM—DE BOORN130 AKKRUM—DE BOORN131 OUDE SCHOUW131 OUDE SCHOUW132 IRNSUMERZIJL132 IRNSUMERZIJLJAN VOERMAN Jr.[81]En hier een zeer mooi versje, een schets van een stillen zomeravond op het meer:It MarkeIt wier op en simmerjounIt sintje stoe op e’ grounWol heal yn ’e douwe weiKrek, oaf ’t er yn ’t wetter leiSeafkes in stil wier de wrôadIt wetter lei sonder fôadIn ’t goudene sinnefjoerSpraatte syn gleaunte er o’er.Heel beroemd is ook het:Roalje, roalje wetterweagenRoalje ind bruws om ’t âlde GrouMyriaden foar uws eagenFleagen, stauwen om uws GrouRoalje, roalje uws foârbyHirde Friezen bljouwe wy.Nu, wij zaten al gauw in Oostergo naar die myriaden te kijken. Het dorp met zijn hooge grijze kerk en zadeldaktoren, ligt op een schiereiland tusschen de Grouw en het Pikmeer, en het hotel ligt weer op het puntje van het schiereiland. Het meer is niet groot en ligt in de vlakke weiden. Een paar groote schuitenhuizen herbergen de mooie boeiers, tjotters, sloepen, jollen en motorbooten der Grouwsters en daarvan zijn de meeste nu op het water. Al wat van de meren uit den Sneeker hoek naar Leeuwarden, Bergum of Drachten wil gaan, moet hier passeeren en ’t is dan ook een onafgebroken gaan en komen van allerlei vaartuigen, bruine breedsnuitige boeiers, slanke scherpe witte jachten, een tjottertje met padvinders, groote en kleine motorbootjes, zeilwherries en een paar stoombooten met pleizierreizigers, volle muziek aan boord en rondom behangen met schril gekleurde papieren knipsels en bloemen. Dat gaat dan het Pikmeer over, sommigen de Nieuwe galle in naar Warga en Leeuwarden, anderen rechtuit naar het Biggemeer en zoo door de Graft naar een ander beroemd waterdorp, het mooie Wartena. Nog weer andere gaan zuidwaarts en zoeken de Wijde Ee, die verderop Kromme Ee wordt en dan weer Wijde Ee, dan Monniker Ee en Smalle Ee en Eesterzanding en zoo leidt naar hetBergumermeeren het Caspar de Roblesdiep. Tusschen die Ee in en de Graft ligt het waterland van Eernewoude, om zijn vogelwereld en plantengroei haast even merkwaardig als het Naardermeer en als je lang genoeg[82]daarover denkt, dan zie je al gauw een vaartuig te krijgen, om die buurt te verkennen.Vandaag hadden we daar geen tijd voor, maar we wipten nog gauw even op de fiets om een kijkje te nemen op dat balcon van Oude Schouw (131). Daar loopt de Boorn achter langs op Irnsumerzijl en Grouw aan en recht vooruit heb je de Wetering, die naar het Sneekermeer leidt. Heel goed konden we op het Sneekermeer (127,128) de witte zeilen zien blinken en zwaaien en menig scheepje kwam er de Wetering in en bij ons door de brug, maar niet het scheepje dat wij verwachtten, een lange wherry, die de Longfellow heet en bemand moest zijn met vier lange vrienden van me, allemaal langer dan 1 M. 85 c.M. We hadden ze voor dien avond te eten gevraagd in Leeuwarden en wilden ze bij de Schouw alvast begroeten. We wachtten echter tevergeefs.’s Avonds echter, toen de tafel gedekt was, kwamen ze opdagen en aten dubbele porties. Ze deden de zeven-provinciëntocht en waren er vol van, hoe ze met hun slanke bootje over zee gezeild hadden van Hoorn naar Enkhuizen en hoe de veerboot op Stavoren voor een prikkie de heele wherry als bagage had overgezet. Dan de reis in de lengte door Morra, Fluessen en Heegermeer, waar een eindelooze rij van tonnen het veilig vaarwater wijst. Dan hadden ze ’t over IJlst en Sneek, de Houkesloot en een fabelachtig mooien overtocht in den maneschijn over het Sneekermeer naar de Terhornstersluizen (129), die zoo mooi in de boomen liggen. En hoe jammer het was, dat ze het Tjeukemeer (122) moesten missen. En al die aardige lui, die ze op het water hadden ontmoet, het kampeeren en picniccen op aardige plekjes langs den waterkant en den goeden tijd, dien ze gemaakt hadden met roeien hier, en zeilen daar, ik ben al lang vergeten hoeveel kilometers in het uur. Onderhand aten ze als wolven en na ’t eten moesten we nog de stad in om provisie in te slaan, want ze wilden dienzelfden avond nog verder, om nog een eind op te schieten naar het Bergumermeer. De wherry was gestald op een werfje heel aan het eind van de Vliet (144), een winkelbuurt met arbeiderswoningen. Toen wij daar door moesten dacht ik, dat we wel eens last zouden kunnen krijgen van de lieve jeugd, tenminste in Amsterdam was het stellig een herrie van belang geworden. Onze lange jongens zagen er nog al opzichtig uit ten eerste vanwege hun lengte en dan hadden ze ook schelle roodgestreepte zeiljasjes aan en twee ervan hadden zich getooid met zeer dwaze kleine petjes. Ook waren ze beladen met groote zakken met vruchten en een droeg er een flesch met brandspiritus. De Mater en ik liepen er gedwee tusschen in. Welnu, de kinderen van de Vlietgracht gaven wel een enkele opmerking ten beste en de ouderen uitten allerlei ondeugende vermoedens omtrent den inhoud van de flesch, maar de stemming bleef vriendelijk, zelfs als onze Piet in het Hoog-Maleisch van antwoord diende. Geen sprake van jouwen of naloopen en in gedachten staken wij den Leeuwarders dankbaar een nieuwe pluim op den hoed.Het schemerde al, toen we in de buurt der werfjes kwamen, waar we tusschen scheepshellingen door, over hellingen en langs teervaten de ligplaats van de Longfellow bereikten. Alles werd aan boord gebracht, de waterkannen gevuld en de jongens scheepten zich in, een aan ’t roer, een voorin, twee aan de riemen. Klaar boeg? Klaar slag? Vooruit! en daar[83]schoot de boot voort, gestuwd door de krachtige gelijkmatige riemslagen. Boffers van jongens, we zagen ze in ’t donker verdwijnen, de roode maan kwam net in ’t Oosten op. Over een paar minuten zullen ze de Froskepolle voorbijschieten en dan roeien ze nog een paar uurtjes voort, om op een veilig plekje tusschen het riet in hun bootje te overnachten. Morgen halen ze Groningen, in twee en een halve dag zijn ze dwars door Friesland heen geroeid. Als je ze nu vraagt, wat ’t mooiste was, dan zeggen ze: het Sneekermeer bij maneschijn.Nu, ik heb dat Sneekermeer ook nog bevaren en nog al op den 30sten April, in den mooisten tijd van het jaar, tusschen het eerste nachtegalenlied en het eerste groene beukenblad. ’s Morgens heel vroeg gingen we naar de jachthaven en ’t was een lust, daar in de ruime hal al die mooie, goed verzorgde, haast vertroetelde vaartuigjes te zien liggen in groote verscheidenheid. Wij scheepten ons met z’n drietjes in op een flinke motorboot, rank en licht en blinkend van witte verf en spiegelend koper, met spiegelglas en mahoniehout. Daar houd ik van, al kan ik ook heel tevreden zijn, als ik in een oud verweerd schuitje rondscharrel door de rietslooten. De Longfellows als roeiers en zeilers zien natuurlijk neer op een motorboot, maar jonge, jonge, ’t is zoo prettig als de motor mooi gelijkmatig werkt, om dan met de hand op ’t licht bewegelijk stuurrad de golven te klieven en rond te zien! Met wat een goede verwachting voeren we het haventje uit en langs een paar molens en fabrieken de Houckesloot in, het breede vaarwater, dat jaar in jaar uit duizenden vaartuigen draagt voor nut en genoegen. De oevers zijn wat ondiep, ik moest dus liefst het midden houden. We waren al spoedig in de weiden, waar de leeuweriken (ljurks) hun morgenzang uitjubelden, terwijl de kieviten (ljiips) onder heesch geschreeuw rondbuitelden in den morgennevel. Dra kwamen we aan een kruiswater, waar de Modderige Geeuw (wat een naam!) uit het zuiden komt en hier hielden we een weinig af, om langs de Roekoe-polle het eigenlijke meer te bereiken. Deze Roekoe-polle, die wel niet aan een tortelduif maar hoogstwaarschijnlijk aan een roode koe zijn naam te danken heeft, neemt een heel belangrijke plaats in in het Friesche volksleven, want daar heeft bij de groote zeilwedstrijden van Augustus de jury haar standplaats. Deze zeilwedstrijden zijn tegelijk een volksfeest en waterkermis en de derde Woensdag in Augustus wordt door heel ’t omliggend land en ook in verwijderde streken elken zomer met ongeduld verbeid.Wij waren nu op het wijde meer. Er woei een forsche Noordwester, er stonden werkelijk golfjes met witte koppen en daar huppelden we nu lustig over heen. Hier en daar peilden we eens, meer uit belangstelling, dan omdat het voor de vaart noodzakelijk was en zoodoende vonden we ook te gelegenertijd de ondiepte, die den noordhoek van het meer geheel doorsnijdt en bekend is onder den naam van Gravinneweg. Daar loopen over die ondiepte allerlei geruchten. ’t Is moeilijk te gelooven, dat het een verzonken weg zou zijn, zoo solied maakten ze de wegen niet in vroeger eeuwen. Veeleer is het gewoon een zandrug, zooals er in het veenland hier en daar wel meer opduiken. Nu liepen we voor den wind weg en naderden snel een landtong, een groene weide, die maar even boven het water[84]uitkwam en langs den oever stond de groote gele dotterbloem te bloeien, bespat door het schuim. Je kon net over die wei heenkijken en daar wobbelde en wiebelde het van allerlei vogels. Toen we naderbij kwamen en scherp toezagen, bleken dat haast allemaal grauwe ganzen te zijn. Groote dikke grauwe ganzen bij dozijnen, die stapten rustig over de wei rond, zooals ganzen doen en ropten met hun dikke snavels het jonge gras af. Hun nekken hadden slangachtige bewegingen. Rondom de troep stonden er met de halzen hoog in de lucht, dat waren de schildwachten, die uitkeken en die blijkbaar geen wantrouwen hadden in onze motorboot, want ze maakten geen alarm. Het was een groot genot, deze schuwe vogels zoo van nabij bij hun bezigheden te kunnen bespieden. Later op den dag zagen we nog groote vluchten van wilde ganzen in de lucht, sommige heel behoorlijk in den vorm van een V, andere in rechte lijnen achter elkaar aan. De voorjaarstrek was nog in vollen gang.Zoo’n gezelschap grazende wilde ganzen krijg je anders niet gemakkelijk te zien, maar wie in ’t voorjaar op de Friesche meren vaart, als de rietzoom nog niet hoog is opgeschoten, ontdekt een geheel nieuwe wereld. ’t Is of een gordijn, dat alles voor je verborgen hield, opeens wordt opzij geschoven. Wij bleven nog een beetje koersen langs dat lage grasland en ankerden ook een kleine wijl in de luwte van een boschje waterwilgen, dat in vollen bloei stond, de goudgele katjes wiegelden langs de blauwe lucht. Er scheen nu een helder zonnetje, maar de wind was nog straf. Weer zagen we veel vogels langs den waterkant in ’t gras, kleiner dan de ganzen en bonter van kleur, daar waren grijze, zwarte, bruine en oranje figuren bij. Koppen of snavels kon je haast niet zien, alleen een gewapper van lange veeren. Af en toe zag je er een paar vechtend in de hoogte springen, anderen doken neer in het gras en maakten allerlei gekke buigingen en grimassen. Een stuk of tien grijze vogels liepen er op slanke pootjes om heen, net of het hun niet aanging, maar ze waren wel degelijk bij de zaak betrokken. We troffen hier namelijk een kampplaats van kemphaantjes, een „hoantsje rid”. De Friezen noemen namelijk den kemphaan „hoants” en zijn wijfje „hoantsje”. Wij hebben dien dag zeker wel duizend hoantsen en hoantsjes gezien. We hoefden maar eventjes stil te liggen en met den kijker het eindelooze vlakke land af te zoeken, om ergens zoo’n bont dwarrelend groepje van vechtende vogels te ontwaren. Er zijn er hier meer dan op Texel. Ook de andere vogels kwamen in grooten getale opdagen en in het bijzonder gaven de grutto’s leven aan het landschap. Deze heeten hier „skriër” en dat is licht te begrijpen, want den heelen dag vliegen ze jodelend en schreeuwend rond. Als ze wat dichtbij komen, en dat doen ze dikwijls genoeg, dan zie je, hoe ze hun langen rechten snavel opensperren, het groote oog blinkt voor hun hooge achterhoofd, hals en borst zijn mooi rossig grijs, de vleugels met witte streepen en buiten den wit met zwarten staart steken heel kluchtig nog net hun achterwaarts gestrekte pooten uit. Een heerlijk gezicht, die skriërs in de blauwe voorjaarslucht. Dan weer kwamen groote zwart-met-witte scholeksters aanschieten, schel gillend en den harden rooden snavel juist op onzen neus gericht. En overal schermden kieviten en zongen leeuweriken. Een enkele maal kwam een bruine kiekendief overvliegen, een „hoanskrobber” en toen zag je pas hoeveel vogels daar huisden, want in de buurt van[87]elk nest vloog een klagende of booze vogel op en de dappere kieviten en scholeksters vielen den roofvogel met zooveel volharding aan, dat hij zich eindelijk maar uit de voeten maakte, om zich waarschijnlijk tevreden te stellen met kikkers, inplaats van versche eitjes. Met een soort van weemoed vertelden mijn beide Friezen mij, dat de eiertijd voorbij was, het zoeken van kievitseieren is slechts veroorloofd tot 28 April. Anders waren we al lang geland om eens een kansje te wagen. Nu tuften we weer over een breed meer, een prachtige woelige watermassa, de Goëngarijpsterpoelen en we prezen onze motorboot, die ons makkelijk bracht waar wij wilden, terwijl bij dezen sterken wind het zeilen zeker wel interessant, maar toch zeer moeilijk en misschien ook wel gevaarlijk geweest zou zijn. Nu bereikten we vrij snel de invaart naar de beroemde Langweerder Wielen, maar we legden eventjes aan bij een smalle kade, om een kleine wandeling te maken langs den oostoever, waar zich uit de branding een boschje verhief. Doorgaans hebben de oostoevers der Friesche meren het nog al hard te verantwoorden, doordat de sterkste winden meest uit het westen waaien. De westoever, waar het rustiger is, groeit veelal aan, doordat daar allerlei oever- en waterplanten zich rustig kunnen ontwikkelen. Ook waait bij langdurige zuidwestenwind het water van al de meren in den zuidwesthoek: Morra, Fluessen, Heegermeer, Slotermeer, Koevorden, Langweerder Wielen (121) en nog veel kleintjes naar het Sneekermeer en deGoëngarijpsterpoelenheen, daarom zijn die aan de oostzijde van kaden voorzien, terwijl in de vaarwaters sluizen zijn aangebracht om de streken van Akkrum (130) en Grouw en Wartena tegen waterbezwaar te behoeden. Ik vond het nu heel pleizierig om die kade te bewandelen en zoo’n sluisje te bezien, juist nu de harde wind de noodzakelijkheid ervan aantoonde. Onderwijl doorsnuffelden we het boschje, een drassig ding vol els en waterwilg en witte wilg en dat in den zomer geheel doorgroeid is van hop en heggewinde en wilgenroosjes, maar nu bloeiden er alleen dotterbloemen en speenkruid, terwijl de gele lisschen begonnen op te schieten. In het doode riet vonden we nog een wilde eend op acht eieren, waar we niet weinig op pochten, toen we een kwartiertje later bij den gastvrijen sluiswachter zaten te smullen aan koffie met koek en hij zich beklaagde, dat er dit jaar zoo weinig eieren waren. Intusschen had hij volkomen gelijk.[85]133 TJUMMARUM133 TJUMMARUM134 GROUW—VAARTJE134 GROUW—VAARTJE135 PIEKEMEERTJE135 PIEKEMEERTJE136 SNEEK—MOLENS136 SNEEK—MOLENS137 SNEEK—GEVELSTEEN137 SNEEK—GEVELSTEEN138 HINDELOOPEN—KERKPORTAAL138 HINDELOOPEN—KERKPORTAALL. W. R. WENCKEBACH[86]139 SNEEK—BUITENSINGEL139 SNEEK—BUITENSINGEL140 TJUMMARUM140 TJUMMARUM141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIET144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIETL. W. R. WENCKEBACH[87]Toen weer aan het varen, de Poelen over en door kronkelende wateren van wisselende breedte en diepte naar den afgelegen plas van het Oudhof, waar we al onze vogels weer aantroffen. Onderweg passeerden we de hooge trambrug van de tram Sneek-Joure en troffen het net, dat een troepje kerkgangers achter elkaar daarover heen balanceerden, want daar is alleen maar spoorweg. Heelemaal in ’t zwart, achter elkaar, een voor een, de mannen met hooge zijden hoeden, leek het een alleraardigst schimmenspel tegen het strakke blauwe uitspansel. Op den Oudhof gingen we ankeren en kokkerellen en eten, want dat is ook een van de groote genoegens van de watersport. En na het eten vertelde de Fries mij van het jongensleven aan of liever in het Sneekermeer, avonturen te water en te land, roeien en zeilen en zwemmen, hengelen en eierzoeken en dat alles in verband met school en huis, ouders en opvoeders en de mannen van de wet.[88]Het was maar aardig op dat Oudhof. Een paar kieviten hielden ons voortdurend gezelschap, die hadden zeker een nest vlak bij en een van de Friezen stond helsche kwalen uit door zijn lust om het te zoeken, maar hij bedwong zich uit medelijden jegens den veldwachter. Rondom ons zagen we al de torens van dit waterland: Sneek, Ylst, de Joure en Langweer, dat door zijn waterkamp zoo’n groote vermaardheid heeft gekregen. Ook heb je daar mooie plaatsen en bosschen, want de streek tusschen Langweer en Sint Nicolaasga is om zoo te zeggen de verbinding tusschen Gaasterland en Oranjewoud. Nu gingen we huistoe door de Woudsendersloot. De wind was er niet minder om geworden en een heele massa vogels, hoantsen, skriërs, lieuwen en reidhintsjes hadden voor hun middagdutje de luwte opgezocht van de polderkade. Bij Utwellingerga passeerden we weer een reusachtige zuivelfabriek, die vindt je zoowat overal, en zonder ongevallen bereikten we door de Modderige Geeuw weer het Kruiswater naar de Houckesloot. Op dezen terugtocht hadden we nog het pretje, dat van een viertal jongelui, die op verboden terrein in den verboden tijd verboden eieren liepen te zoeken er een midden in een sloot sprong, dat het heldere water hoog in de lucht spatte. Dat klopte heel mooi met de verhalen van mijn vriend. Er gaat toch niets boven de watersport.[89]

Ik heb eens iemand ontmoet, die veel in Friesland gereisd had, maar van de meren nooit iets had gezien, dan alleen, wat hij noemde, een grooten plas midden in de kale weiden tusschen Workum en IJlst. Dat zijn de Oudegaster Brekken en daar gaat de trein vlak langs. Inderdaad liggen die meren verborgen, haast nooit gaat er een berijdbare weg langs hun oevers of dwars er door heen, zooals dat met de Utrechtsche meren het geval is.

Die Friesche meren liggen in een breede strook door de heele provincie heen en hebben door allerlei vaarten en plasjes gemeenschap met elkander. Het land, dat er tusschen ligt, is voor het meerendeel ook laag en dras, maar er is uitstekend hooiland bij en dat maakt, dat het nog al dicht bevolkt is. Het aanleggen van wegen schijnt er echter altijd heel moeilijk geweest te zijn, zoodat tal van boerderijen en gehuchten alleen te water bereikt kunnen worden. Er zijn maar drie rijwegen, die dwars door het gebied heen leiden: de straatweg van de Lemmer naar Sneek, die van Heerenveen naar Leeuwarden en die van Drachten naar Bergum. Geen wonder dus, dat de bewoners van deze streken uitstekende zeilers en schaatsenrijders zijn geworden en dat de Friesche meren in de toeristenwereld een vermaardheid hebben verworven, die misschien nog wel niet gelijk staat met die van de Alpen, maar er toch niet heel ver onder blijft.

Wanneer mijn vriend, die niet zeilt of meezeilt, iets van de Friesche waterbeweging te zien wil krijgen, dan kan hij niet beter doen, dan op een mooien zomermorgen eens een uurtje te gaan zitten in de bovenzaal van het hotel Oostergoo (143) te Grouw of op het onmetelijk balkon van de aloude waterherberg Oude Schouw. Wij hebben dat eens gedaan op[78]een winderigen Augustusmorgen, van uit Leeuwarden. We hadden den tijd, om een beetje om te rijden en nu hadden we in ons oude reisgidsje een mooie beschrijving gelezen van de Wiarda state bij Goutum en wilden daar wel eens iets van zien. Wij naar Goutum, maar van de state noch van zijn voorplein en singels en hoog geboomte was geen spoor meer te ontdekken. Alles was geslecht en vergraven, er stonden een paar nieuwe huizen en er was ook nog een overschotje van een terp, dat er misschien ook nog aan moet gelooven. Zoo verandert hier in korten tijd het aangezicht der aarde.

Wij bleven onzen binnenweg houden en die leidde aangenaam kronkelend langs mooie boerderijen naar het aanzienlijk dorp Warga. Er is een brug midden in het dorp en als je daarop staat zie je naar het noorden een alleraardigst schilderijtje: huizen en schuurtjes met kleurige tuinen uitkomend aan ’t water, vroolijk beschilderde schepen en op den achtergrond een reusachtige korenmolen met daarnaast een scheepstimmerwerf met een mooi zeilvaartuig op de helling. En al die bedrijvigheid lag nu in de rust van den zonnigen Zondagmorgen.

Toen verder langs de Wargaster Vliet. De klinkerweg werd grindweg en de grindweg liep ten slotte uit op niets, daaraan merkten we nu, dat we in het gebied van de Friesche meren kwamen, de streek der blindloopende wegen. Gelukkig konden we bij een watermolen overgezet worden en langs een polderkade met de noodige hekken Eagum bereiken met zijn witte kerkje in de witte wilgen. Vandaar bereikten we over Roordahuizum weer den grooten straatweg en zoo kwamen we vlug tot Irnsumerzijl (132), nadat we ons onderweg nogeeneven hadden opgehouden, om te kijken naar een partijtje jongelui, die met grooten ijver in het weiland aan het kaatsen waren. „Hoe echt Friesch”, zeiden we, maar we begrepen er niets van. Maar als je nagaat, dat kaatsen in het Friesche volksleven al een even belangrijke plaats inneemt als zeilen en schaatsenrijden, dan begrijp je vanzelf, dat het een nobel spel moet zijn. De weg van Irnsumerzijl naar Grouw is ook alweer iets heel aparts; een breede vlakke, harde macadamweg, omzoomd door hooge witte wilgen: een mooie toegang tot een beroemd oord.

Even voor het dorp zagen we rechts een mooi park en daarin het borstbeeld van Dr. Eeltje Halbertsma, den bekenden Frieschen dichter en schrijver. Hij is te Grouw (115) geboren in 1797, heeft daar veertig jaar lang gewerkt als geneesheer en is er in 1858 gestorven. Hij en zijn broeders Joost en Tjalling hebben hun leven lang geijverd voor den bloei der Friesche taal en wel op de best mogelijke manier door het schrijven van gedichten en vertellingen, die later verzameld zijn tot één bundel:Rimen in Teltsjesfen de Broarren Halbertsma. Daar zijn er onder, die het zeker voor een Hollander de moeite waard maken om zich eens een maand of zoo te oefenen in het lezen van het Friesch. Het is geen heksenwerk en misschien vindt ge ook nog wel een vriendelijken Fries—ze zitten overal—die u een handje helpen wil met de uitspraak. Voor de aardigheid schrijf ik een paar regels over, probeer maar eens wat ge er van maken kunt.De Moarntiid: It ljocht brekt throch de griene gerdynkes. De klok slacht hjelwei-fîwen. De wylde fuwgels tjirmje oer ’t fjild. De hoanne krait, ind de lipkes liepe yn ’e finne. De protters quele end thjotterje op it uwleboerd[81]ind de scoárstien. De earebarre klaphalzet. De ljurken sjonge oer ’t scuwrre. De âlde mem hjert de klok. „Bauk, seit hja, dou mast er oafkomme, fanke! ind roppe Hidde ind de feint: den ken de âldboer yette hwet lizzen bljouwe”. „Goed,” seit Bauk, ind wrjouwt erris yn ’e eagen, ind strykt oer ’e reade roune wangen. Hja klait hjar oan, ind ropt Hidde ind de feint.[79]

121 DE LANGWEERDER WIELEN121 DE LANGWEERDER WIELEN122 HET TJEUKEMEER122 HET TJEUKEMEER123 DE MORRA123 DE MORRA124 DE GALAMADAMMEN124 DE GALAMADAMMEN125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER126 HEEG126 HEEGJAN VOERMAN Jr.

121 DE LANGWEERDER WIELEN121 DE LANGWEERDER WIELEN

121 DE LANGWEERDER WIELEN

122 HET TJEUKEMEER122 HET TJEUKEMEER

122 HET TJEUKEMEER

123 DE MORRA123 DE MORRA

123 DE MORRA

124 DE GALAMADAMMEN124 DE GALAMADAMMEN

124 DE GALAMADAMMEN

125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER

125 VISSCHERS OP HET HEEGERMEER

126 HEEG126 HEEG

126 HEEG

[80]

127 SNEEKERMEER127 SNEEKERMEER128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN130 AKKRUM—DE BOORN130 AKKRUM—DE BOORN131 OUDE SCHOUW131 OUDE SCHOUW132 IRNSUMERZIJL132 IRNSUMERZIJLJAN VOERMAN Jr.

127 SNEEKERMEER127 SNEEKERMEER

127 SNEEKERMEER

128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN

128 SNEEKERMEER—HARDZEILEN

129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN

129 TERHORNSTERZIJL—DE SLUIZEN

130 AKKRUM—DE BOORN130 AKKRUM—DE BOORN

130 AKKRUM—DE BOORN

131 OUDE SCHOUW131 OUDE SCHOUW

131 OUDE SCHOUW

132 IRNSUMERZIJL132 IRNSUMERZIJL

132 IRNSUMERZIJL

[81]

En hier een zeer mooi versje, een schets van een stillen zomeravond op het meer:

It MarkeIt wier op en simmerjounIt sintje stoe op e’ grounWol heal yn ’e douwe weiKrek, oaf ’t er yn ’t wetter leiSeafkes in stil wier de wrôadIt wetter lei sonder fôadIn ’t goudene sinnefjoerSpraatte syn gleaunte er o’er.

It wier op en simmerjoun

It sintje stoe op e’ groun

Wol heal yn ’e douwe wei

Krek, oaf ’t er yn ’t wetter lei

Seafkes in stil wier de wrôad

It wetter lei sonder fôad

In ’t goudene sinnefjoer

Spraatte syn gleaunte er o’er.

Heel beroemd is ook het:

Roalje, roalje wetterweagenRoalje ind bruws om ’t âlde GrouMyriaden foar uws eagenFleagen, stauwen om uws GrouRoalje, roalje uws foârbyHirde Friezen bljouwe wy.

Roalje, roalje wetterweagen

Roalje ind bruws om ’t âlde Grou

Myriaden foar uws eagen

Fleagen, stauwen om uws Grou

Roalje, roalje uws foârby

Hirde Friezen bljouwe wy.

Nu, wij zaten al gauw in Oostergo naar die myriaden te kijken. Het dorp met zijn hooge grijze kerk en zadeldaktoren, ligt op een schiereiland tusschen de Grouw en het Pikmeer, en het hotel ligt weer op het puntje van het schiereiland. Het meer is niet groot en ligt in de vlakke weiden. Een paar groote schuitenhuizen herbergen de mooie boeiers, tjotters, sloepen, jollen en motorbooten der Grouwsters en daarvan zijn de meeste nu op het water. Al wat van de meren uit den Sneeker hoek naar Leeuwarden, Bergum of Drachten wil gaan, moet hier passeeren en ’t is dan ook een onafgebroken gaan en komen van allerlei vaartuigen, bruine breedsnuitige boeiers, slanke scherpe witte jachten, een tjottertje met padvinders, groote en kleine motorbootjes, zeilwherries en een paar stoombooten met pleizierreizigers, volle muziek aan boord en rondom behangen met schril gekleurde papieren knipsels en bloemen. Dat gaat dan het Pikmeer over, sommigen de Nieuwe galle in naar Warga en Leeuwarden, anderen rechtuit naar het Biggemeer en zoo door de Graft naar een ander beroemd waterdorp, het mooie Wartena. Nog weer andere gaan zuidwaarts en zoeken de Wijde Ee, die verderop Kromme Ee wordt en dan weer Wijde Ee, dan Monniker Ee en Smalle Ee en Eesterzanding en zoo leidt naar hetBergumermeeren het Caspar de Roblesdiep. Tusschen die Ee in en de Graft ligt het waterland van Eernewoude, om zijn vogelwereld en plantengroei haast even merkwaardig als het Naardermeer en als je lang genoeg[82]daarover denkt, dan zie je al gauw een vaartuig te krijgen, om die buurt te verkennen.

Vandaag hadden we daar geen tijd voor, maar we wipten nog gauw even op de fiets om een kijkje te nemen op dat balcon van Oude Schouw (131). Daar loopt de Boorn achter langs op Irnsumerzijl en Grouw aan en recht vooruit heb je de Wetering, die naar het Sneekermeer leidt. Heel goed konden we op het Sneekermeer (127,128) de witte zeilen zien blinken en zwaaien en menig scheepje kwam er de Wetering in en bij ons door de brug, maar niet het scheepje dat wij verwachtten, een lange wherry, die de Longfellow heet en bemand moest zijn met vier lange vrienden van me, allemaal langer dan 1 M. 85 c.M. We hadden ze voor dien avond te eten gevraagd in Leeuwarden en wilden ze bij de Schouw alvast begroeten. We wachtten echter tevergeefs.

’s Avonds echter, toen de tafel gedekt was, kwamen ze opdagen en aten dubbele porties. Ze deden de zeven-provinciëntocht en waren er vol van, hoe ze met hun slanke bootje over zee gezeild hadden van Hoorn naar Enkhuizen en hoe de veerboot op Stavoren voor een prikkie de heele wherry als bagage had overgezet. Dan de reis in de lengte door Morra, Fluessen en Heegermeer, waar een eindelooze rij van tonnen het veilig vaarwater wijst. Dan hadden ze ’t over IJlst en Sneek, de Houkesloot en een fabelachtig mooien overtocht in den maneschijn over het Sneekermeer naar de Terhornstersluizen (129), die zoo mooi in de boomen liggen. En hoe jammer het was, dat ze het Tjeukemeer (122) moesten missen. En al die aardige lui, die ze op het water hadden ontmoet, het kampeeren en picniccen op aardige plekjes langs den waterkant en den goeden tijd, dien ze gemaakt hadden met roeien hier, en zeilen daar, ik ben al lang vergeten hoeveel kilometers in het uur. Onderhand aten ze als wolven en na ’t eten moesten we nog de stad in om provisie in te slaan, want ze wilden dienzelfden avond nog verder, om nog een eind op te schieten naar het Bergumermeer. De wherry was gestald op een werfje heel aan het eind van de Vliet (144), een winkelbuurt met arbeiderswoningen. Toen wij daar door moesten dacht ik, dat we wel eens last zouden kunnen krijgen van de lieve jeugd, tenminste in Amsterdam was het stellig een herrie van belang geworden. Onze lange jongens zagen er nog al opzichtig uit ten eerste vanwege hun lengte en dan hadden ze ook schelle roodgestreepte zeiljasjes aan en twee ervan hadden zich getooid met zeer dwaze kleine petjes. Ook waren ze beladen met groote zakken met vruchten en een droeg er een flesch met brandspiritus. De Mater en ik liepen er gedwee tusschen in. Welnu, de kinderen van de Vlietgracht gaven wel een enkele opmerking ten beste en de ouderen uitten allerlei ondeugende vermoedens omtrent den inhoud van de flesch, maar de stemming bleef vriendelijk, zelfs als onze Piet in het Hoog-Maleisch van antwoord diende. Geen sprake van jouwen of naloopen en in gedachten staken wij den Leeuwarders dankbaar een nieuwe pluim op den hoed.

Het schemerde al, toen we in de buurt der werfjes kwamen, waar we tusschen scheepshellingen door, over hellingen en langs teervaten de ligplaats van de Longfellow bereikten. Alles werd aan boord gebracht, de waterkannen gevuld en de jongens scheepten zich in, een aan ’t roer, een voorin, twee aan de riemen. Klaar boeg? Klaar slag? Vooruit! en daar[83]schoot de boot voort, gestuwd door de krachtige gelijkmatige riemslagen. Boffers van jongens, we zagen ze in ’t donker verdwijnen, de roode maan kwam net in ’t Oosten op. Over een paar minuten zullen ze de Froskepolle voorbijschieten en dan roeien ze nog een paar uurtjes voort, om op een veilig plekje tusschen het riet in hun bootje te overnachten. Morgen halen ze Groningen, in twee en een halve dag zijn ze dwars door Friesland heen geroeid. Als je ze nu vraagt, wat ’t mooiste was, dan zeggen ze: het Sneekermeer bij maneschijn.

Nu, ik heb dat Sneekermeer ook nog bevaren en nog al op den 30sten April, in den mooisten tijd van het jaar, tusschen het eerste nachtegalenlied en het eerste groene beukenblad. ’s Morgens heel vroeg gingen we naar de jachthaven en ’t was een lust, daar in de ruime hal al die mooie, goed verzorgde, haast vertroetelde vaartuigjes te zien liggen in groote verscheidenheid. Wij scheepten ons met z’n drietjes in op een flinke motorboot, rank en licht en blinkend van witte verf en spiegelend koper, met spiegelglas en mahoniehout. Daar houd ik van, al kan ik ook heel tevreden zijn, als ik in een oud verweerd schuitje rondscharrel door de rietslooten. De Longfellows als roeiers en zeilers zien natuurlijk neer op een motorboot, maar jonge, jonge, ’t is zoo prettig als de motor mooi gelijkmatig werkt, om dan met de hand op ’t licht bewegelijk stuurrad de golven te klieven en rond te zien! Met wat een goede verwachting voeren we het haventje uit en langs een paar molens en fabrieken de Houckesloot in, het breede vaarwater, dat jaar in jaar uit duizenden vaartuigen draagt voor nut en genoegen. De oevers zijn wat ondiep, ik moest dus liefst het midden houden. We waren al spoedig in de weiden, waar de leeuweriken (ljurks) hun morgenzang uitjubelden, terwijl de kieviten (ljiips) onder heesch geschreeuw rondbuitelden in den morgennevel. Dra kwamen we aan een kruiswater, waar de Modderige Geeuw (wat een naam!) uit het zuiden komt en hier hielden we een weinig af, om langs de Roekoe-polle het eigenlijke meer te bereiken. Deze Roekoe-polle, die wel niet aan een tortelduif maar hoogstwaarschijnlijk aan een roode koe zijn naam te danken heeft, neemt een heel belangrijke plaats in in het Friesche volksleven, want daar heeft bij de groote zeilwedstrijden van Augustus de jury haar standplaats. Deze zeilwedstrijden zijn tegelijk een volksfeest en waterkermis en de derde Woensdag in Augustus wordt door heel ’t omliggend land en ook in verwijderde streken elken zomer met ongeduld verbeid.

Wij waren nu op het wijde meer. Er woei een forsche Noordwester, er stonden werkelijk golfjes met witte koppen en daar huppelden we nu lustig over heen. Hier en daar peilden we eens, meer uit belangstelling, dan omdat het voor de vaart noodzakelijk was en zoodoende vonden we ook te gelegenertijd de ondiepte, die den noordhoek van het meer geheel doorsnijdt en bekend is onder den naam van Gravinneweg. Daar loopen over die ondiepte allerlei geruchten. ’t Is moeilijk te gelooven, dat het een verzonken weg zou zijn, zoo solied maakten ze de wegen niet in vroeger eeuwen. Veeleer is het gewoon een zandrug, zooals er in het veenland hier en daar wel meer opduiken. Nu liepen we voor den wind weg en naderden snel een landtong, een groene weide, die maar even boven het water[84]uitkwam en langs den oever stond de groote gele dotterbloem te bloeien, bespat door het schuim. Je kon net over die wei heenkijken en daar wobbelde en wiebelde het van allerlei vogels. Toen we naderbij kwamen en scherp toezagen, bleken dat haast allemaal grauwe ganzen te zijn. Groote dikke grauwe ganzen bij dozijnen, die stapten rustig over de wei rond, zooals ganzen doen en ropten met hun dikke snavels het jonge gras af. Hun nekken hadden slangachtige bewegingen. Rondom de troep stonden er met de halzen hoog in de lucht, dat waren de schildwachten, die uitkeken en die blijkbaar geen wantrouwen hadden in onze motorboot, want ze maakten geen alarm. Het was een groot genot, deze schuwe vogels zoo van nabij bij hun bezigheden te kunnen bespieden. Later op den dag zagen we nog groote vluchten van wilde ganzen in de lucht, sommige heel behoorlijk in den vorm van een V, andere in rechte lijnen achter elkaar aan. De voorjaarstrek was nog in vollen gang.

Zoo’n gezelschap grazende wilde ganzen krijg je anders niet gemakkelijk te zien, maar wie in ’t voorjaar op de Friesche meren vaart, als de rietzoom nog niet hoog is opgeschoten, ontdekt een geheel nieuwe wereld. ’t Is of een gordijn, dat alles voor je verborgen hield, opeens wordt opzij geschoven. Wij bleven nog een beetje koersen langs dat lage grasland en ankerden ook een kleine wijl in de luwte van een boschje waterwilgen, dat in vollen bloei stond, de goudgele katjes wiegelden langs de blauwe lucht. Er scheen nu een helder zonnetje, maar de wind was nog straf. Weer zagen we veel vogels langs den waterkant in ’t gras, kleiner dan de ganzen en bonter van kleur, daar waren grijze, zwarte, bruine en oranje figuren bij. Koppen of snavels kon je haast niet zien, alleen een gewapper van lange veeren. Af en toe zag je er een paar vechtend in de hoogte springen, anderen doken neer in het gras en maakten allerlei gekke buigingen en grimassen. Een stuk of tien grijze vogels liepen er op slanke pootjes om heen, net of het hun niet aanging, maar ze waren wel degelijk bij de zaak betrokken. We troffen hier namelijk een kampplaats van kemphaantjes, een „hoantsje rid”. De Friezen noemen namelijk den kemphaan „hoants” en zijn wijfje „hoantsje”. Wij hebben dien dag zeker wel duizend hoantsen en hoantsjes gezien. We hoefden maar eventjes stil te liggen en met den kijker het eindelooze vlakke land af te zoeken, om ergens zoo’n bont dwarrelend groepje van vechtende vogels te ontwaren. Er zijn er hier meer dan op Texel. Ook de andere vogels kwamen in grooten getale opdagen en in het bijzonder gaven de grutto’s leven aan het landschap. Deze heeten hier „skriër” en dat is licht te begrijpen, want den heelen dag vliegen ze jodelend en schreeuwend rond. Als ze wat dichtbij komen, en dat doen ze dikwijls genoeg, dan zie je, hoe ze hun langen rechten snavel opensperren, het groote oog blinkt voor hun hooge achterhoofd, hals en borst zijn mooi rossig grijs, de vleugels met witte streepen en buiten den wit met zwarten staart steken heel kluchtig nog net hun achterwaarts gestrekte pooten uit. Een heerlijk gezicht, die skriërs in de blauwe voorjaarslucht. Dan weer kwamen groote zwart-met-witte scholeksters aanschieten, schel gillend en den harden rooden snavel juist op onzen neus gericht. En overal schermden kieviten en zongen leeuweriken. Een enkele maal kwam een bruine kiekendief overvliegen, een „hoanskrobber” en toen zag je pas hoeveel vogels daar huisden, want in de buurt van[87]elk nest vloog een klagende of booze vogel op en de dappere kieviten en scholeksters vielen den roofvogel met zooveel volharding aan, dat hij zich eindelijk maar uit de voeten maakte, om zich waarschijnlijk tevreden te stellen met kikkers, inplaats van versche eitjes. Met een soort van weemoed vertelden mijn beide Friezen mij, dat de eiertijd voorbij was, het zoeken van kievitseieren is slechts veroorloofd tot 28 April. Anders waren we al lang geland om eens een kansje te wagen. Nu tuften we weer over een breed meer, een prachtige woelige watermassa, de Goëngarijpsterpoelen en we prezen onze motorboot, die ons makkelijk bracht waar wij wilden, terwijl bij dezen sterken wind het zeilen zeker wel interessant, maar toch zeer moeilijk en misschien ook wel gevaarlijk geweest zou zijn. Nu bereikten we vrij snel de invaart naar de beroemde Langweerder Wielen, maar we legden eventjes aan bij een smalle kade, om een kleine wandeling te maken langs den oostoever, waar zich uit de branding een boschje verhief. Doorgaans hebben de oostoevers der Friesche meren het nog al hard te verantwoorden, doordat de sterkste winden meest uit het westen waaien. De westoever, waar het rustiger is, groeit veelal aan, doordat daar allerlei oever- en waterplanten zich rustig kunnen ontwikkelen. Ook waait bij langdurige zuidwestenwind het water van al de meren in den zuidwesthoek: Morra, Fluessen, Heegermeer, Slotermeer, Koevorden, Langweerder Wielen (121) en nog veel kleintjes naar het Sneekermeer en deGoëngarijpsterpoelenheen, daarom zijn die aan de oostzijde van kaden voorzien, terwijl in de vaarwaters sluizen zijn aangebracht om de streken van Akkrum (130) en Grouw en Wartena tegen waterbezwaar te behoeden. Ik vond het nu heel pleizierig om die kade te bewandelen en zoo’n sluisje te bezien, juist nu de harde wind de noodzakelijkheid ervan aantoonde. Onderwijl doorsnuffelden we het boschje, een drassig ding vol els en waterwilg en witte wilg en dat in den zomer geheel doorgroeid is van hop en heggewinde en wilgenroosjes, maar nu bloeiden er alleen dotterbloemen en speenkruid, terwijl de gele lisschen begonnen op te schieten. In het doode riet vonden we nog een wilde eend op acht eieren, waar we niet weinig op pochten, toen we een kwartiertje later bij den gastvrijen sluiswachter zaten te smullen aan koffie met koek en hij zich beklaagde, dat er dit jaar zoo weinig eieren waren. Intusschen had hij volkomen gelijk.[85]

133 TJUMMARUM133 TJUMMARUM134 GROUW—VAARTJE134 GROUW—VAARTJE135 PIEKEMEERTJE135 PIEKEMEERTJE136 SNEEK—MOLENS136 SNEEK—MOLENS137 SNEEK—GEVELSTEEN137 SNEEK—GEVELSTEEN138 HINDELOOPEN—KERKPORTAAL138 HINDELOOPEN—KERKPORTAALL. W. R. WENCKEBACH

133 TJUMMARUM133 TJUMMARUM

133 TJUMMARUM

134 GROUW—VAARTJE134 GROUW—VAARTJE

134 GROUW—VAARTJE

135 PIEKEMEERTJE135 PIEKEMEERTJE

135 PIEKEMEERTJE

136 SNEEK—MOLENS136 SNEEK—MOLENS

136 SNEEK—MOLENS

137 SNEEK—GEVELSTEEN137 SNEEK—GEVELSTEEN

137 SNEEK—GEVELSTEEN

138 HINDELOOPEN—KERKPORTAAL138 HINDELOOPEN—KERKPORTAAL

138 HINDELOOPEN—KERKPORTAAL

[86]

139 SNEEK—BUITENSINGEL139 SNEEK—BUITENSINGEL140 TJUMMARUM140 TJUMMARUM141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIET144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIETL. W. R. WENCKEBACH

139 SNEEK—BUITENSINGEL139 SNEEK—BUITENSINGEL

139 SNEEK—BUITENSINGEL

140 TJUMMARUM140 TJUMMARUM

140 TJUMMARUM

141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK

141 BOERENPLAATS IN DE GREIDSTREEK

142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ

142 PIEKEZIJL—OUDE BOERDERIJ

143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO

143 GROUW—WATERHERBERG OOSTERGOO

144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIET144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIET

144 LEEUWARDEN—WERFJE AAN DE VLIET

[87]

Toen weer aan het varen, de Poelen over en door kronkelende wateren van wisselende breedte en diepte naar den afgelegen plas van het Oudhof, waar we al onze vogels weer aantroffen. Onderweg passeerden we de hooge trambrug van de tram Sneek-Joure en troffen het net, dat een troepje kerkgangers achter elkaar daarover heen balanceerden, want daar is alleen maar spoorweg. Heelemaal in ’t zwart, achter elkaar, een voor een, de mannen met hooge zijden hoeden, leek het een alleraardigst schimmenspel tegen het strakke blauwe uitspansel. Op den Oudhof gingen we ankeren en kokkerellen en eten, want dat is ook een van de groote genoegens van de watersport. En na het eten vertelde de Fries mij van het jongensleven aan of liever in het Sneekermeer, avonturen te water en te land, roeien en zeilen en zwemmen, hengelen en eierzoeken en dat alles in verband met school en huis, ouders en opvoeders en de mannen van de wet.[88]

Het was maar aardig op dat Oudhof. Een paar kieviten hielden ons voortdurend gezelschap, die hadden zeker een nest vlak bij en een van de Friezen stond helsche kwalen uit door zijn lust om het te zoeken, maar hij bedwong zich uit medelijden jegens den veldwachter. Rondom ons zagen we al de torens van dit waterland: Sneek, Ylst, de Joure en Langweer, dat door zijn waterkamp zoo’n groote vermaardheid heeft gekregen. Ook heb je daar mooie plaatsen en bosschen, want de streek tusschen Langweer en Sint Nicolaasga is om zoo te zeggen de verbinding tusschen Gaasterland en Oranjewoud. Nu gingen we huistoe door de Woudsendersloot. De wind was er niet minder om geworden en een heele massa vogels, hoantsen, skriërs, lieuwen en reidhintsjes hadden voor hun middagdutje de luwte opgezocht van de polderkade. Bij Utwellingerga passeerden we weer een reusachtige zuivelfabriek, die vindt je zoowat overal, en zonder ongevallen bereikten we door de Modderige Geeuw weer het Kruiswater naar de Houckesloot. Op dezen terugtocht hadden we nog het pretje, dat van een viertal jongelui, die op verboden terrein in den verboden tijd verboden eieren liepen te zoeken er een midden in een sloot sprong, dat het heldere water hoog in de lucht spatte. Dat klopte heel mooi met de verhalen van mijn vriend. Er gaat toch niets boven de watersport.

[89]


Back to IndexNext