IV.Frits was in zijn logement teruggekomen, hij wist zelf nauwelijks hoe, want hij was dus in gedachten verdiept voortgegaan, dat hij langs het huis van Verburg voorbij was geloopen, zonder het te weten, ook zonder door iemand herkend te zijn, althans zonder eenige ontmoeting waaruit dit bleek. Ten deele voelde hij zich van een last verlicht. Aan Claudine was nu eene schitterende maatschappelijke positie verzekerd; hij was dus niet de hinderpaal geweest, die hetgeen mijnheer Verburg haar »geluk” noemdein den weg stond. Zij waren nu beiden voor elken terugval, voor elke zwakheid bewaard. Dat zij dezen stap had kunnen doen, reeds nù, het sneed hem door de ziel, maar toch—had hij zelf haar niet het eerst afgestaan, al was het met een bloedend hart; moest zij zich niet vrij achten sinds hij er met zooveel ernst op aangedrongen had dat zij haar plicht zou doen jegens haar vader. Zij had naar dien raad geluisterd, wellicht had die haar over de laatste aarzeling heengeholpen. Zie! alles was nu immers zooals het behoorde, hij kon zich vrijer voelen, behoefde niet meer gebukt te gaan onder de zware verantwoordelijkheid, onder de pijnigende bijgedachte, dat hij haar aan een leven van onbevredigde wenschen overliet. Zij zou niet in eenzaamheid hare jeugd zien verkwijnen; alle genietingen des levens die door Indische schatten konden aangebracht worden, zouden de hare zijn; zij zou ten minste dat uiterlijk geluk bezitten, dat door zoovelen voor het eene noodige werd gehouden, en dàt, zelfs waar het gering geschat werd, bij het bezit, zijne waarde had voor hen die wisten wat ontberingen en zorgen te beteekenen hadden. Dat zou Claudine nooit weten! Dat moest hem tot troost zijn, hem die er al het drukkende van kende. Maar al trachtte hij zich dus te troosten, al wilde hij het zich zelf opdringen, dat hij nu reden had om kalmer te wezen, om zich verlicht te voelen, telkens kwam toch de gedachte weer boven, dat Dientje, zijn eigen lieve Dientje, opgeofferd werd; dat zij bij allen uiterlijken glans ongelukkig moest zijn, en dat hij daarvan de schuld droeg. Hij, die haar broeder, haar leidsman had willen zijn, zelfs al had hij niet haar geliefde mogen wezen; wat was hij nu voor haar geworden? Niets, indien maar niets; hij moest het nu hopen, al kwam al de teederheid van zijn eigen hart tegen dien wensch op.»Moet er van middag op eten gerekend worden voor meneer?” met die vraag van den kastelein werd Frits op eens uit zijn somberen gedachtenkring gerukt en tot de platste realiteit teruggebracht.”»Als ik hier blijven moet,” antwoordde hij, nog niet recht bij de kwestie, in eenige verwarring.»Dat zal wel uitkomen, de diligence rijdt niet voor zessen.”»Wordt hier table d’hôte gehouden?” vroeg Frits die zijn best deed om zich in de situatie van ’t oogenblik te voegen.»Neen! daar doen we hier niet aan. Met veemarkten en inde kermis is er een open tafel voor het boerenvolk en toen we nog garnizoen hadden, in plaats van dat miserabele troepje soldaten dat bij het magazijn de wacht betrekt, was hier eene officierstafel, en ze waren tevreden, want ik heb eene goede kokkin—al zeg ik het zelf. Maar wat helpt me dat nu, de commis-voyageurs,—als ze er zijn, maar dit jaar zijn die ook al schaarsch,—de commis-voyageurs vragen hun biefstuk met aardappelen en daarmee pas. Heeren zooals die Engelschman en meneer komen er geen drie in de maand! Als nou meneer het schikken kon om met den Engelsman mee te doen die nog hier is—want hij kwam te laat voor de diligence—en die tusschen twaalf en half een zijn tweede ontbijt gebruikt, dat hijlunsnoemt, en daar we weer wat warms voor moeten maken, dan zou dat best uitkomen....”»Schik het zooals gij wilt, dat is mij hetzelfde,” viel Frits in om er af te wezen.»Nou daar doet meneer mij een dienst mee, want mijne keukenmeid moet van middag assisteren bij de Verburgs; daar is een diner, de juffrouw gaat trouwen.”Frits sprong op of een wesp hem gestoken had; moest hij dan ieder oogenblik opnieuw en door iedereen aan zijn leed herinnerd worden.»Kan je me geen rijtuig geven tot halfweg?” vroeg hij op eens met een plotseling besluit.»Ja dat kàn wel, maar we doen het niet graag, weetje, om de diligence; als wij die benadeelen dan doen zij ’t ons ook!”»Wat moet het kosten?” vroeg Frits dringend, zonder zich om die praatjes te bekommeren.»Als meneer zoo’n haast heeft, tien gulden!”»Alleen naar halfweg, dat’s afzetterij! maar dat doet er niet toe, laat inspannen,” hernam Frits, die op dit oogenblik alles wat hij bezat zou gegeven hebben om onverwijld weg te komen, om met zijne smart en zijne eigen gepeinzen alleen te zijn.De kastelein, verbaasd dat hij het slechte akkoord aanging, haastte zich echter langzaam om het ten uitvoer te leggen; hij liet Frits alleen als om diens bevel op te volgen, maar begaf zich naar de keuken om daar aan te zetten tot spoed met het déjeuner dinatoire voor den Engelschman bestemd, in de verwachting dat ook de andere logé daaraan deel zou nemen. Maar toen dit opgedischtwerd, beweerde Frits, wiens ongeduld zich zóó niet paaien liet, niets noodig te hebben dan zijn rijtuig; met eten of drinken zou hij zich niet ophouden. Bij die verzekering glimlachte de kastelein, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde en de gelagkamer verliet.Toen de vreemdeling binnentrad en zich tegenover Frits neerzette, nam dezepar manière de contenanceeene courant in handen en ging druk lezen, hoewel hij moeite zou gehad hebben om te vertellen wat hij eigenlijk las. De vreemdeling at zijn biefstuk, zijne ham en zijne ommelette, met de gemakkelijkheid en den spoed die de Engelschen karakteriseert; tegelijk zag hij de rekening in, die men hem voorgelegd had, en het was blijkbaar dat hij zich afgezet geloofde, uit het misnoegde gezicht dat hij trok en de minachtende geste waarmede hij het stuk papier ter zijde wierp.Frits die zijne krant nu wel al driemaal had kunnen doorlezen, en nog niets van het rijtuig merkte, kon zijn ongeduld en misnoegen niet langer verbergen. Hij begon heen en weer te loopen, bekeek de armzalige prulplaten die de zaal heetten te versieren, en kon zelfs geen glimlach krijgen over de merkwaardige lotgevallen van de schoone Genoveva, hoe comisch-tragisch ze daar ook waren voorgesteld. Ten laatste trok hij driftig aan de schel, en toen de kastelein in eigen persoon verscheen, hield hij hem zijn horloge voor en sprak met ingehouden toorn:»’t Is nu al drie kwartier geleden dat ik je rijtuig heb besteld en daar komt nog niets.”»Kan ik het helpen! de kales is uit en komt eerst te vier ure weerom, en daar hoor ik in den stal dat de Engelsche heer de berline heeft genomen, die komt zoo aanstonds voor; wij hebben nu niets anders dan de trouw- en begrafeniskoets, daar zal je toch niet van gediend?”Frits stiet eene verwensching uit die zoo sprekend was, dat men de taal niet behoefde te verstaan, om dien kreet van ergernis en verontwaardiging te begrijpen. Aan den vreemdeling die sinds lang mes en vork had weggelegd, en zijne aandacht op Frits had gevestigd, was descènetusschen dezen en den kastelein natuurlijk niet ontgaan, en hij vertolkte dan ook juist en vaardig diens toornigen uitval, zooals bleek toen hij het woord tot hem richtte in gebroken Fransch:»Mauvaise auberge ici, pas vrai Sir—and he charges so much as it is bad,” eindigde hij in zijne eigene taal.Frits kon uit die spraakwarreling genoeg wijs worden om op de voorkomendheid te kunnen antwoorden, tot blijdschap van den vreemdeling in het Engelsch. Eenigszins verlicht, daar hij zijne ergernis kon uitstorten aan een derde, deelde hij hem mee hoe hij teleurgesteld was, en hoe men spotte met zijn verlangen om spoedig te vertrekken; want hij was tot de onderstelling gekomen dat de kastelein met opzet allerlei uitvluchten zocht om hem op te houden; »maar,” vervolgde hij nu weer in ’t Hollandsch en zich tot den laatsten keerende, die rondom de tafel draaide en hen beurtelings aanzag of hij hen de woorden uit den mond wilde kijken, »maar als jij, meester Koppelman! mij nu niet binnen tien minuten een rijtuig bezorgt, dan loop ik je huis uit en bestel het bij een ander.” Al sprekende had hij zijn horloge op tafel neergelegd en zag den kastelein aan met een vasten besloten blik.»Wel ja! wel ja! zij zijn hier opgeschept, de rijtuigen,” hernam deze brutaal en met tergenden glimlach. »Ik verwed twintig gulden tegen tien, dat je hier geen rijtuig krijgen zult, zelfs geen boerenwagen; ’t is voorjaarsveemarkt te H. en alle paarden zijn uit! Waarom blieft meneer niet mee te eten en rust te houden tot de kales komt.”Frits was niet in eene stemming van lankmoedigheid en er was iets moedwilligs uittartends in den harden, drogen toon van den lompen herbergier, dat zeer bijzonder op zijne reeds zoo geprikkeld zenuwen werkte. Hij vloog op met fonkelende oogen en gloeiende wangen, met eene heftigheid of hij den grinnikenden Koppelman te lijf wilde.De herbergier, die zeker aan standjes gewoon was, trad hem stoutelijk tegen als wilde hij een aanval uitlokken, maar de Engelschman was ook opgestaan, trad ijlings tusschen beiden in en legde gemeenzaam de hand op den schouder van Frits, als om zijne drift te stillen, terwijl hij sprak op vasten, maar vriendelijken toon:»Beheersch toch u zelven, jongmensch! er is tegen zulk grof volk niets te doen dan zich te onthouden. Gij kunt immers met mij meerijden als gij wilt, want ik moet ook naar Amsterdam en sinds gij haast hebt, wees getroost, want daar komt waarlijk de berline!”Reeds had Frits zich van den kastelein af, en naar den vreemdeling toegekeerd.»Is dat meenens, mijnheer! is het geen onbescheidenheid, gebruik te maken van uw aanbod?” vroeg hij met een zeker gevoel van verlichting of hij reeds aan al zijne kwellingen een eind zag.»Mij dunkt die kast is ruim genoeg voor twee!” antwoordde de vreemdeling lachend op het logge voertuig wijzende, met twee magere paardenbespannendie, mak als lammeren, meer veiligheid dan spoed waarborgden.»Nu dan, mijnheer? ik neem met dankbaarheid aan,” sprak Frits, geheel gewonnen door die mengeling van goedheid en vastheid die hem toesprak uit het gelaat van den Brit.»Laten wij dan ons reisverbond bezegelen en drink een glas wijn met mij vóór wij gaan, ik weet geen beter middel om ons aan elkaar voor te stellen: Ik heet Wilkinson! en gij?”»Rosemeijer!”»Your health master Rosemeijer!” sprak nu de vreemdeling, terwijl hij zijn glas in één teug ledigde en den naam langzaam maar met groote nauwkeurigheid teruggaf.»De uwe, master Wilkinson!” riep Frits, met levendigheid zijn voorbeeld volgende. Nu eerst bemerkte hij dat hij toch wel behoefte had aan eenige verkwikking; maar het was te laat om zich daarmee nog op te houden.Wilkinson reikte hem de hand, en van weerszijden volgde er een trouwhartigshakehands.»Denkt meneer ook te gaan?” vroeg de kastelein wrevelig, nu hij de goede verstandhouding opmerkte tusschen zijne beide gasten. »Die comediant, die niets gebruiken zou maar die zich wel tracteeren laat!” mompelde hij met ergernis halfluid, doch men nam geene notitie van dat gemor.»Yes we are going! pay yourself,” en Wilkinson wierp hem een Hollandsch bankbiljet toe, met zijne nota.Frits vroeg ook naar zijne vertering.»Dat heeft nog geen haast,” gaf Koppelman ten antwoord met eene bedoeling die licht te raden was.»Het heeft haast, want ik rijd met mijnheer mee.”»Zoo, dat’s ’n mooie! en de kales die je besteld hebt, en die ieder moment komen kan.”»Als je daar nog een woord van spreekt, roep ik de politie in en verklaag je van afzetterij,” sprak Frits nu met vastheid maarzonder drift, en een vijfguldenstuk op de tafel leggende, ging hij voort: »Neem daar af wat je toekomt.”»Maar de koetsier heeft recht op een fooi extra, als hij er twee rijdt,” sprak Koppelman, terwijl hij Frits eenig klein geld teruggaf, de bijzonderheid dat er een Hollander was die den Engelschman in het nazien van de rekening behulpzaam kon zijn, maakte hem voorzichtig en wat meer gedwee.Dit geregeld zijnde, nam Frits zijn mantel over den arm en gedienstig voor den aanstaanden reisgezel, wilde hij diens kleine reistas opnemen, daar de knecht bezig was zijne verdere bagage in te laden.»Met voor eens anders goed te zorgen, verachtloost gij uw eigen,” sprak deze met zekeren nadruk, »gij vergeet uw horloge!” en hij stelde het hem ter hand.Frits verbleekte bij de gedachte aan die mogelijkheid.»Dat zou een onherstelbaar verlies voor mij zijn,” sprak hij het zorgvuldig bij zich stekende.»Zoo komt het mij ook voor, een oud familiestuk, een best werk, zeker wat lomp en zwaar, maar dat is het gewone gebrek van die oude repetities, ze maken die nu beter.”»Verschoon mij, mijnheer! hoe weet gij dat het eene repetitie is?” vroeg Frits wat verwonderd.»Dat is wel te zien! en daarbij heb ik nog eene reden om dat te onderstellen, die ik u zeggen zal als weconfortablein ons rijtuig zitten!”»Klaar koetsier!” en de staljongen-kellnersloeg het portier dicht dat de glazen rammelden; de fooi was hem niet meegevallen.Te zes ure, op het oogenblik zelf, dat de diligence zou afrijden, kwam een huisknecht aanloopen met een pakje dat nog mee moest.»Komt van?” vroeg Koppelman schrijvende.»Van mijnheer Verburg,” antwoordde de knecht.»Voor wie?” vroeg de kastelein, die tevens de directie had over het bureau der diligence.»Voor mijnheer Rosemeijer, kunstschilder te Amsterdam,cito-cito.”»Nou! dat’s al casueel, als je een paar uren vroeger gekomen waart, had hij het zelf kunnen meenemen!”V.Bram Duinstee had geen logens verteld. Dien eigen avond tegen zeven ure ging hij, in een plechtigen zwarten rok gekleed en met zijne ambtelijke portefeuille onder den arm, naar het huis van den heer Verburg om den eersten schakel te smeden van de keten, die Claudine voor het leven aan den heer Veere binden zou.Er wachtte hem echter eene ontvangst, waarop hij wel niet had kunnen rekenen.Eerst liet men hem een kwartier lang op de stoep staan, en toen hij door een herhaald bellen zijn ongeduld had getoond, werd er niet geopend door den ouden huisknecht in ’t ceremoniëele Zondagspak, zooals hij zich voorgesteld had, maar door eene zoogenaamde noodhulp-keukenmeid, die in plaats van hem behoorlijk binnen te laten, op het punt stond de deur voor zijn neus dicht te slaan, zeggende: »dat mijnheer bij de juffrouw was, en geen mensch kon spreken!”Op zijn aandringen en bij de luide verzekering dat hij de ambtenaar van den burgerlijken stand was, die ontboden en op ditzelfde uur te dezen huize verwacht werd, liet ze hem in de spreekkamer en ging den knecht waarschuwen.De oude getrouwe kwam langzaam, bijna op de teenen aansluipen, zag er zeer gedrukt en verlegen uit, en vroeg met eene zachte trillende stem, verschooning: »dat men mijnheer niet had afgezegd; in de drukte was dat vergeten, mijnheer moest het niet kwalijk nemen.”»Maar wat is dat dan voor drukte?” vroeg Bram half korzel, half nieuwsgierig, »waarbij zoo iets vergeten wordt; ik dacht dat jelui het vandaag met niets druk zoudt hebben, dan met de partij.”»Dat was ook zoo, mijnheer! maar de juffrouw is van der zelve gevallen toen ze zich zou gaan kleeden, en nu is ze ziek, zooziek dat de dokter er al tweemaal geweest is, en mijnheer niet van haar bed wijkt.”»Wel, wel! dat’s eene teleurstelling voor den bruigom op het tipje,” zei Bram zelf wat in zijn wiek geschoten, »dat aanteekenen zal dan wel voor lang uitgesteld zijn?”»Als het maar niet afgesteld is voor goed?” zuchtte de goede, oude man, nu zijne smart niet langer beheerschend, »want ze komt er niet door, ze komt er niet door, dat geloof ik vast!”»Kom, zie maar moed te houden, de juffrouw is nog zoo jong, wat ziekte is het?”»Ze zeggen erge zenuwkoortsen, zij ijlt, zij is buiten kennis, met ons tweeën hebben wij haar haast niet....”Een schrille, snerpende gil werd nu uit een der bovenvertrekken gehoord. Jacob bracht den volzin niet ten einde, maar vloog naar boven en liet Bram in den steek, die stillekens wegsloop met de overtuiging, dat hij hier vooreerst niet weer behoefde te komen. »Had Frits nu maar zoo’n haast niet gemaakt,” sprak hij bij zich zelven, »dan zou ik hem dat toch nog kunnen meedeelen, maar ook.... waartoe. Hij kan haar toch niet meer krijgen.”Zoo de heer Verburg had kunnen berekenen aan welke zielverscheurende smart hij zijne dochter ten prooi gaf, toen hij op hare scheiding van Frits aandrong en haar bewoog aan de wenschen van den hartstochtelijken Oosterling gehoor te geven, zou hij zeker zijn innig geliefd, eenig kind niet op zulke proef hebben gesteld. Maar hare zelfbeheersching, hare zedelijke kracht om onder uiterlijke kalmte de smartelijkste aandoeningen te verbergen en iedere heftige uiting daarvan te beheerschen, tot ze in eenzaamheid op hare kamer neerzat, deze kracht, die naar zijn gevoelen boven haar vermogen ging, had hem misleid. Het is nu eenmaal het lot van diepe, fijnvoelende naturen, die gewoon zijn naar binnen te leven en haar lijden weten te verbloemen, dat zij minder gespaard worden dan degenen wier indrukken zich terstond in een tranenvloed lucht geven of met sprekende gebaren en roepingen van wanhoop.Ware Claudine met een kreet van smart in onmacht gevallen op het eerste gezicht van het onheilspellend pakket, op het eerste woord eener beschuldiging tegen Frits, haar vader zou haar met zijne eischen en bezwaren niet verder vervolgd hebben. Hij zouniet aangedrongen hebben op een offer dat allermeest voor zijne belangen werd gebracht. Maar toen zij die eerste schokken doorstond, als eene die wel diep getroffen is, maar niet ten bloede toe gewond, toen begreep hij dat de pijnlijke operatie maar in eens moest worden doorgezet, wel gerust dat zij er niet aan zoude doodbloeden en in gemoede overtuigd dat hij de wijste partij koos die er te nemen viel, in haar belang en in het zijne. Het verdere van dien dag bracht Claudine door in strenge afzondering, den ganschen nacht waakte zij en worstelde met zich zelve en streed met het onverbiddelijk wapen van den plicht tegen hare innigste wenschen, hare lievelingsdroomen en de teerste genegenheid des harten en meende na dien strijd de overwinning gebracht te hebben aan de zijde waar die behoorde, toen zij des anderen daags met een bleek en mat gelaat, maar toch met eene houding waaruit kalmte en berusting sprak, haar vader de morgengroete bracht.Toen Veere gekomen was, had zij hem ernstig maar minzaam ontvangen en de sidderende hand in de zijne gelegd, die hij terstond had gekust met eene hartstochtelijkheid waaronder zij van innerlijken weedom trilde. Gelukkig voor haar dat hij zich welhaast tot haar vader keerde om met dezen de materiëele belangen te bespreken, op zulke wijze dat het den goeden Verburg voor de oogen schemerde bij al de schatten die hij blinken liet. Bruidsgave voor Claudine, speldegeld voor Claudine, douairie voor mevrouw Veere, dat alles werd door hem met Oostersche vrijgevigheid vastgesteld; het was of hij versmaadde met duizenden te rekenen en of alleen tonnen gouds de uitdrukking konden zijn zijner liefde, als het Claudine gold.En Claudine? Zij zat het al zwijgend en roerloos aan te hooren, maar zij zou er niets van kunnen navertellen; zij had niet geluisterd.En toen Veere, die heimelijk op eene uitroeping van verrassing, op een blik of een woord van dankbaarheid had gerekend, haar vroeg of zij tevreden was, »of zij ook iets meerders, iets anders bedoelde?” klonk haar antwoord wel wat vreemd.»Verschoon mij, mijnheer! ik heb geen verstand van handelszaken!”Mogelijk ware alles goed gegaan, zoo men de wonde van haar hart tijd gelaten had om te genezen, zoo men haar althans tijd hadgelaten om te bekomen van den eersten schrik en zich te gewennen aan het denkbeeld eener lotswisseling, die onvermijdelijk scheen geworden. Maar de hartstocht van den Indiër en de gejaagdheid waarin haar vader verkeerde, lieten haar tijd noch rust, en Veere, die reeds de ervaring had dat hij alles met zijn geld kon dwingen, zag nergens zwarigheid in; hij belastte zich met alle voorloopige schikkingen en wist het door te drijven dat de ondertrouw reeds de volgende week zoude plaats hebben.Claudine, onverschillig voor alles sinds ze Frits had moeten opgeven, had geen tegenstand geboden, zij liet anderen voor haar schikken en handelen; wat zeide het haar, het offer waartoe zij zich bereid had verklaard, iets vroeger of later te brengen, er was toch niet aan te ontkomen, en hoe eerder het dan volbracht was hoe beter; in het onherroepelijke zou zij het beste kunnen berusten, stelde zij zich voor en verbeeldde zich dat zij die kille lijdelijkheid zou behouden onder alles en tot het einde.Maar zij had te veel van haar hart gevergd, te veel van hare krachten gewacht.Op denzelfden voormiddag toen Frits in smartelijke gedachten verdiept haar huis was voorbijgegaan, dat hij in ’t eerst opzettelijk had vermeden, stond zij voor hare kaptafel om zich te kleeden. Veere zou dien middag met enkele vrienden en de wederzijdsche getuigen bij haar vader dineeren; na de formaliteit van het aanteekenen, dat volgens den bruigomin spe, onder de thee kon plaats vinden, zou hij eene schitterende partij geven in zijn huis, en voor het eerst zijne bruid zijne prachtige salons binnenleiden, op het schitterendst verlicht en feestelijk met bloemen en draperieën getooid, opdat zij van hare aanstaande woning den gunstigsten en behagelijksten indruk zoude krijgen.Claudine, die eene verbintenis des harten zeker liefst in den stillen huiselijken kring zou gevierd hebben, vond in luidruchtig feestgewoel geen bezwaar, maar veeleer zekere veiligheid, daar het haar gelegenheid liet om zich als in zich zelve te isoleeren te midden van de drukte rondom haar; maar voor een bruidsfeest moet men zich tooien en Veere had haar ’s avonds te voren een juweelkistje aangeboden van het fijnste Japansch verlakt, met zilver beslag, waarin onder allerlei sieraden van diamanten en gesteenten een parelsnoer werd gevonden van zeldzame grootte en zuiverheid. Hij verlangde dat zij zich daarmee zousieren op dien dag; zij had het hem beloofd met een zacht pijnlijk glimlachje en zij wilde woord houden. In doffe onverschilligheid had zij zich laten kappen, een kostbare kam in den vorm van een diadeem met diamanten sterren was haar in de blonde vlechten gestoken, maar toen de kapper vertrokken was, had zij ook hare kamenier weggezonden, onder voorwendsel dat zij zich zelve wel konde kleeden voor het diner, en dat er beneden nog allerlei te schikken was waarbij dier hulp te pas kwam. Zij was gelukkig dit voorwendsel gevonden te hebben om alleen te blijven. Het moiré zijden kleed, dat later door een avondtoilet van Indische goudstof zou vervangen worden, lag op de canapé uitgespreid; zij zelve viel daarnevens op de knieën en bad, bad vurig voor haar vader, voor haar zelve, bad allermeest om kracht, slechts kracht om met kalmte te lijden en dat lijden voor anderen te kunnen verbergen; zij smeekte niet om aardsch geluk, zij had met dien wensch afgerekend, maar slechts om moed om haar kruis te dragen, want zij voelde reeds nu dat zij bijkans onder de zwaarte er van bezweek.Dat hare tranen stroomden onder dat gebed, dat ze de prachtige robe bevochtigden, waaraan zij niet eens dacht, is niet te verwonderen; maar toen zij oprees voelde zij zich gesterkt en dacht zich bekwaam om een offer te brengen dat zij haar bruidegom achtte schuldig te zijn. Dat vorstelijke paarlsnoer moest een fijn gouden kettingje vervangen waaraan een klein medaillon hing, haar door Frits gegeven, dat een vlechtwerk van zijn haar bevatte, en dat zij altijd gedragen had van den dag af, dat hij het zelf met van aandoening bevende vingers om haar hals had gehecht; nu moest het weg, numoesthet.Zij mocht het niet eens behouden, zij zou het in het pakketje doen, dat zij voor Frits had bestemd; maar hij moest het weten dat zij het niet dan op het uiterste had afgelegd. In zenuwachtige haast voegde zij nog eenige regelen bij den langen brief, die aan Frits moest gezonden worden, deed het geliefde kleinood af, legde het in ’t foudraaltje en sloot dat bij het overige in. Nu zou alles wel gaan, meende zij, nu kon zij alles; nu had zij met het verledene, met den band harer liefde gebroken voor altijd. Voor altijd!—zij drukte de tranen weg die nog weer wilden uitbarsten, en liet het gloeiende hoofd even rusten tegen de glasruiten als om het te verkoelen.Hare kamer op de eerste verdieping zag op straat uit, eene lieve vroolijke kamer voor de dochter des huizes en geheel naar haren smaak ingericht.Die ook moest zij verlaten, die ook, voor een prachtig boudoir, voor een rijk salon, dat is waar, maar—dat zij met een vreemde zou deelen. Was het vreemd dat zij eenige minuten lang half bedwelmd van aandoening in dezelfde houding bleef—naar buiten starende, zonder te zien,.... dan, wat was dat, wat gaf op eens weer haar oog leven en bezieling? was het de wilde gloed van een heftigen schrik?Frits! Frits, was hij het, die haar voorbijging, hij zelf? Was hij voorbijgegaan, in dezen oogenblik, hij zelf! en toch niet dezelfde meer, zoo bleek, zoo vermagerd, het hoofd gebukt als in diep gepeins, achteloos gekleed; met den ongeregelden stap van den waanzin schreed hij daar voort vlak langs hare woning heen, zonder opzien of omzien, eene schim van zich zelf! Maar het was ook slechts eene schim, hij kòn het niet zijn, hij niet, hadhijdus kunnen voorbijgaan! Onmogelijk! hare opgewekte verbeelding tooverde haar dit schrikbeeld voor, zij had zich zelve dus verdiept in ’t verledene, waarvan zij nu scheiden moest, dat zij in den eersten voorbijganger den besten, den vriend meende te herkennen met wien zij zich bezighield. Deze gedachten schoten haar als met de snelheid des lichts door het hoofd, terwijl zij zonder het te weten of te willen een kreet had geslaakt van schrik en verbazing, die haar kamermeisje bewoog zich opnieuw te vertoonen, met de vraag of de juffrouw iets scheelde?»Niets, Mientje! niets, je moest me nu maar helpen,” sprak Claudine, zich zelve trachtende te beheerschen en in de hoop dat de tegenwoordigheid van eene andere haar het best zou beschermen tegen een vernieuwd spel harer verbeelding.»Ja juffrouw, ’t is ook hoog tijd; mijnheer Veere zou komen koffiedrinken, en die is niet te houden van ongeduld als hij de juffrouw niet beneden vindt.”En al pratende ving het meisje hare taak aan. Claudine liet zich opschikken, zwijgend, lijdelijk, gevoelloos bijkans; »niet anders dan of ik een wassen pop had aan te kleeden,” getuigde Mientje later; »ik zag toen al dat zij niet wel was en dat ze al bleeker en bleeker werd, en dat zij de oogen vol tranen had toen ik haar de mooie japon met die kostbare kanten toehaakte;zij meende dat ik het niet zag, omdat ik achter haar stond, maar ik had slechts even in den spiegel te kijken om haar gezicht te zien en ik schrikte er van.”Tot zoover Mientje. Daar voelde het slachtoffer dat men sierde, op eens de zware koude paarlen op hals en schouders neervallen, als hagelslag op het donzig lelieblad!Daar gleed haar eene rilling over de leden alsof reeds de koude hand des doods haar aanraakte, daarbarstteze los in een luid zenuwachtig snikken, en moest zich leunen op het kamermeisje, dat verrast en ontsteld over die heftige aandoening, haar moed trachtte in te spreken.»Kom, juffrouw! kom, een beetje couragie, een schreiend bruidje maakt een lachend vrouwtje; zie toch, ze staan zoo erg mooi die groote parels.”»Weg er mee! weg er mee! het zijn geen paarlen, het zijn slangen! Slangen, die mij omkronkelen, die mij verworgen!” riep Claudine op schrillen, verwilderden toon. »Ik kan ze niet dragen, ik wil niet, ik wil niet! ze benauwen mij, ze wringen mij de keel toe!” En in hare verbijstering, in haar angst rukte zij het paarlsnoer af met zulk eene heftigheid, dat de zijden koord brak en de kostbare kralen den grond bestrooiden.Claudine zelve zou ook zijn neergestort, zoo niet Mientje haar uit alle macht vastgehouden had, tot ze met de stuipachtig tegenspartelende de canapé had bereikt, waar ze na de overspanning bewusteloos neerviel.Men riep Verburg, men haalde den dokter, die verklaarde dat zich hier al de verschijnselen voordeden van eene gevaarlijke zenuwziekte, die de uiterste behoedzaamheid, de meest mogelijke rust vorderde. Toen Veere kwam was hij wrevelig van teleurstelling, meer nog dan getroffen over den treurigen toestand zijner verloofde. Men vergunde hem niet haar te zien en daaruit maakte hij op, dat het zoo erg niet met haar was als men voorgaf!Knorrig verliet hij het huis, waar angst en zorg heerschten, om in zijne eigene woning orders te geven tot het staken van de feestelijke aanstalten en tot het afzeggen der genoodigden.Zijne smart loste zich op in kwaad humeur, waarvan ieder, die met hem te doen had, de onaangename terugwerking ervoer.Het was dan ook wel hard! Duizenden had hij ten koste gelegd,anderen en zich zelven had hij zonder eenige verschooning rusteloos voortgejaagd, alles wat hem omringde had moeten draven en vliegen, om op een bepaald oogenblik een kring van vrienden en bekenden door een ongekend vertoon van pracht en weelde te verblinden en tegelijk met de schoonste bruid op te treden, en door allen om al deze voorrechten benijd te worden,—en dan die kostbare toren van Babel op eens te zien instorten en door de overgevoelige zenuwen eener jonge dame!»Het had zooveel niet te beteekenen! Een flauwte, een weinig de zenuwen in ’t spel!” verzekerde hij aan ieder, die hem meewarig naar ’t ongeval vroeg.»Het zou wel spoedig weer over zijn, maar Verburg was zoo zwak voor zijne dochter, hij maakte er te veel beweging van, hij heeft haar veel te weekelijk opgebracht; hij voor zich had alles voor eene vrouw over, maar in grillen en kuren kon hij zich niet schikken!”Niets is zoo wreed als het teleurgesteld egoïsme.Des anderen daags meldde hij zich nogmaals aan, in de verwachting dat de zenuwachtigheid bedaard zou zijn, en hij zelf kon ontvangen worden; maar de dokter die begreep, dat niets de lijderes minder dienen zou dan een bruigom op het tipje in kwaad humeur, beduidde hem dat zich eene zeer ernstige, zeer gevaarlijke typheuse koorts had geopenbaard, en dat er zeer weinig hoop was op herstel.»Een typheuse koorts, maar die is immers besmettelijk?” vroeg hij ras en kennelijk in de grootste onrust. Er werd toestemmend geantwoord, en men zag Veere vooreerst niet weer!Verburg week niet uit de ziekenkamer zijner dochter. Hij kon zich niet langer vergissen in de oorzaak van haar vreeselijk zenuwlijden. In hare ijlende koortsen riep zij hem telkens toe, zonder hem zelf te herkennen, dat zij bereid was haar plicht te doen, dat zij den heer Veere zou huwen en trouw houden, maar dat ze eerst Frits moest spreken en dat Frits ook wel spoedig komen zou, om haar de parels af te nemen die haar zoo zwaar drukten. In hare verbijstering stelde zij het zich altijd voor, dat Frits verschijnen zou om haar vader te helpen; dat hij over millioenen te beschikken had en alleen wegbleef omdat zij ziek was en omdat hij haar laatste schrijven niet ontvangen had. Te pijnlijker viel het Verburg zulke klachten door de lijderes te hoorenuiten, daar hij werkelijk het pakket had laten bezorgen, dat zij hem in een oogenblik van helder bewustzijn overhandigd had, en waarvan zij hem, als een duredureplicht, de bezorging had aanbevolen. Dan eerst zou ze rust hebben, verzekerde zij, want dát voltooide de scheiding. In de onderstelling dat Frits zelf het ook daarvoor hield en in de hoop dat het weerzien van den ondanks alles geliefde tot hare herstelling zou kunnen meewerken, had de vader, allen trots en alle gramschap en alle kleingeestige bijbedenkingen ter zijde zettende, zelf nog eens aan Frits geschreven, met de verzekering dat zijne liefste wenschen nog zouden kunnen verhoord worden, zoo hij wilde medewerken tot het behoud van zijne Claudine.Hij twijfelde geen oogenblik aan het goed gevolg van dit schrijven. Frits zou in allerijl tot hen komen, en die blijde verrassing zou de gelukkigste wending geven aan de ziekte.Maar Frits kwam niet, Frits antwoordde zelfs niet, Frits liet niets meer van zich hooren!Dies ondanks herstelde Claudine. Hare jeugd, haar sterk gestel weerstonden zegevierend de heftige aanvallen der koorts en de vlagen van wilde geestverbijstering, welke nu werden vervangen door doffe matheid en uitputting; maar het bewustzijn, de kalmte keerden terug, een aanvang van herstel gaf den goeden Verburg zulk eene onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne dochter zelve er de terugwerking van onderging en zich mede verblijdde over het weerkeeren tot het leven, dat haar nauwelijks meer aanlachte sinds zij reeds gemeend had met allen strijd en allen last te hebben afgerekend.Op zekeren dag in het midden van Juni zien wij haar, leunende op den arm van haar vader, langzaam den tuin rondwandelen onder de koesterende stralen van de liefelijke ochtendzon. Zij was nog zeer zwak en geen vroolijk blosje kleurde nog de matte bleekheid van haar vermagerd gelaat. Zij scheen verouderd, hare trekken waren scherper geworden, hare oogen stonden flauw en het was of zij met hun vroolijken glans ook hun liefelijk blauw hadden verloren. Hare prachtige blonde lokken waren afgesneden op raad van den geneesheer, hoe hard het ook Verburg was gevallen aan dezen eisch toe te geven. Een dicht stemmig négligé-mutsje vergoedde geenszins het gemis van dien natuurlijken tooi. Sinds zij herstelde, had zij den naam van Frits niet weer genoemd;toch had zij ook nog niet naar Veere gevraagd; nu verzekerde zij haar vader op kalmen, ernstigen toon, dat zij los was van alles wat haar verhinderen kon den heer Veere weer te zien en hem behoorlijk te ontvangen.Toen begreep Verburg dat hij haar langzaam moest voorbereiden op groote veranderingen, die er waren voorgevallen en die haar offer onnoodig maakten.Daags na de mislukte ondertrouw bevestigden zich de geruchten aangaande het failliet van het huis Heerdt en Comp. en Verburg zag zich als koopman geruïneerd, daar het hem niet mogelijk was uit eigen fondsen de verliezen te vergoeden, die hij leed door dit bankroet.De associatie met Veere was nog niet wettelijk aangegaan, daar de voorgenomen overeenkomst eerst zou geteekend worden tegelijk met het huwelijkscontract. Nu kon er geene sprake meer zijn van die vennootschap; de eenige beweegreden waarom Veere haar had willen aangaan, hield op te bestaan. Claudine verkeerde in ernstig gevaar, en Verburg, die zich voorstelde dat zij mogelijk nog te redden zou zijn door Frits, wilde niet meer aan Veere gebonden zijn. Hij had reeds genoeg de ervaring gekregen van diens koud egoïstisch bestaan, om zich met de hoop te vleien, dat de Indiër gratis de eer eener firma zou willen redden, waarbij hij niet meer geïnteresseerd was. En Verburg had hem juist beoordeeld. De hartstochtelijke Creool, door de schoonheid van Claudine verlokt, had schatten willen geven voor haar bezit. Maar de teleurstelling, die zij hem haars ondanks had bereid, werkte als een stortbad, dat hem verkoelde en ontnuchterde na dien schoonen droom. Nu ja! er werd wel hoop gegeven op Claudine’s herstel, maar toch, maanden lang te moeten wachten op eene zwakke, verbleekte, vermagerde bruid, die van het minste schokje weer zou kunnen instorten, dat, hij erkende het voor ieder wie ’t hooren wilde, dát was zijne zaak niet. Zijn huis was klaar en geheel voor eene somptueuse leefwijze ingericht; hij wilde menschen zien, partijen geven; tot dat alles behoorde eene vrouw; hij achtte het zijn recht om eens rond te zien in de meisjeswereld, of hij eene waardige bezitster vond voor den bruidskorf en de juweelen, die Verburg had laten terugzenden.Zijn oog viel op eene piquante brunette, eene vriendin van Claudine uit hare schooljaren, die coquet genoeg was om hetreeds vroeger op deze verovering te hebben toegelegd en die haar nu trachtte te verzekeren door zijne verbittering tegen Claudine te prikkelen, door telkens met zijdelingsche wenken en schijnbaar achtelooze uitvallen terug te komen op die teedere betrekking, die al van jongs af tusschen Claudine en den jongen Frits Rosemeijer had bestaan. Zij sprak niet dan met achting en belangstelling van Claudine, maar eindigde altijd met te zeggen, deze te goed te kennen om te gelooven, dat zij ooit tot een huwelijk met een ander dan Frits zou zijn overgegaan, al ware ’t ook dat zij er een tijdlang den schijn van had aangenomen om haar vader genoegen te geven!Deze inblazingen kwetsten niet slechts op het pijnlijkst de eigenliefde van den Creool, maar wekten in hem de verdenking op, dat men hemdupehad willen maken, dat het Verburg zelf nooit ernst was geweest met de voorgenomen verbintenis, en dat men alleen eene comedie met hem had gespeeld om te lichter over zijne beurs te kunnen beschikken. Hij vergat dat hij zelf de eerste was geweest om zekere voorschotten op te dringen eer er nog sprake was geweest van Claudine’s hand, en dat hij het alleen aan de kieschheid van Verburg dankte, dat de onderling overeengekomen vennootschap niet was gelegaliseerd, hetgeen hem als associé in het bankroet zou betrokken hebben.Hij vergat dat hij op den dag van het engagement die associatie reeds openlijk had willen aangaan, en dat Verburg daarentegen uitstel had gewenscht tot den avond van de ondertrouw, of zóó hij er aan dacht, was het om uit die handelwijze venijn te zuigen en de loyauteit van den koopman te verdenken, wien het ernst was geweest met de betuiging, dat hij alleen aan een schoonzoon zulke verplichtingen wilde hebben, waarmee Veere den vriend had willen verlokken. Genoeg, in eene samenkomst die de beide mannen nog moesten hebben, liet de laatste niet na, zijn boos vermoeden lucht te geven, met bijvoeging: dat hij nog gezind was Verburg uit zijne verlegenheid te redden, zoo hij in dezen schuld wilde belijden en vergiffenis vragen. Maar Verburg antwoordde met toorn en verontwaardiging, dat hij nooit zulke verklaring zou doen, dat hij zijne positie niet redden wilde door een leugen en ten koste van zijne eer en die zijner dochter, en dus liever terstond zijn bankroet zou verklaren dan zich door zulk eene hulp staande te houden; zóó scheidden zij, en toen Claudineherstelde, was Clara de bruid van Veere, en deze laatste een der gedelegeerden in het bankroet van de firma Verburg.De liefhebbende vader was er gerust op dat het zijne convalescente niet deren zou, zoo hij haar met de eerste helft van die waarheid bekend maakte, doch hij schrikte terug voor de tweede; maar Claudine, met de verhoogde intuïtie eener zieke, die haar juist als ingeeft wat men het zorgvuldigst voor haar tracht te verbergen, had zich op eigene wijze voorbereid op het laatste.»Moge Clara Veere gelukkig maken, en.... het zelve met hem zijn,” sprak zij zacht en met volkomen kalmte. »Zij heeft daarop meer kans dan ik, want haar bekoorde altijd datgene, wat voor mij sinds lang de grootste aantrekkelijkheid verloren heeft, uiterlijke glans, luidruchtige vermaken en de verfijnde genietingen der weelde.”»Dat verheugt mij, mijn kind!” sprak Verburg met een zucht, »want gij begrijpt wel, nu de compagnieschap met Veere niet tot stand is gekomen.... en bij allerlei verliezen die ik geleden heb in den laatsten tijd, ben ik niet meer een rijk man!”»Och! wat doet dat er toe, vader!” hernam zij met een rustig glimlachje, »maar veroorloof mij eene vraag. Gij hebt Veere immers dat geld wel teruggegeven, dat gij vroeger van hem geleend hebt?”»Nog niet!” antwoordde hij met verduisterden blik, »maar.... dat zal later met al het andere wel geschikt worden.”»Wat is er dan nog meer dat geschikt moet worden, waar ditnoodigenaar wachten moet?” vroeg zij ernstig, en hem met een uitvorschenden blik aanziende, waaronder hij het hoofd afwendde.»Arm kind! dat ik het u bekennen moet, nu reeds, daar gij het mogelijk nog niet dragen kunt!” riep hij onder tranen. »Datgeen wat mij dreigde vóór uwe ziekte, heeft getroffen; ik kon mijn krediet niet langer staande houden, ik heb mijne onmacht om aan mijne verplichtingen te voldoen openlijk moeten belijden, en nu is de zaak in handen van scheidrechters, die alles zullen regelen!”»Zoo iets lag me bij!” hernam Claudine, zonder eenigen schrik of verwondering te toonen; »er moest iets bijzonders zijn voorgevallen, dit wist ik.... ik kan niet recht meer zeggen uit welke waarnemingen; maar reeds de bijzonderheid dat gij, anders geheel door uwe drukke kantoorzaken bezet, altijd om en bij mij zijt, deed mij zoo iets verwachten.”»Ja, ik heb nu den tijd!” sprak hij smartelijk; »ik heb mijne zaken, mijne boeken, mijne kas zelfs, zoover die ’t kantoor aangaat, in handen gesteld van de gelastigden mijner crediteuren. Veere is een van hen, en daar hij juist eene belangrijke pretensie op mij heeft van voorgeschoten gelden....”»Moetdiepretensie dunkt mij hoe eer hoe beter worden afgedaan,” viel zij in met zekere levendigheid.»Ja, melieve! Maar dat hangt niet meer van mij af; door allerlei oorzaak blijft die zaak nog wat hangende, ook omdat er wel hoop is op het inkomen van zekere posten, die mijndeficitaanmerkelijk zouden verminderen.”Zonder iets te antwoorden, wandelde Claudine aan zijn arm den tuin rond, als in nadenken verzonken. Eindelijk verbrak zij dat zwijgen.»Zeg, vader! heb ik niet wel eens van u gehoord, dat mijn moederlijk vermogen buiten uwe zaken is gebleven?”»Ja, gelukkig! Zoo is het. Hare huwelijksvoorwaarde ten bedrage van vijftigduizend gulden, is te uwen behoeve op het grootboek geplaatst na haar overlijden; die zijn in elk geval voor u gered.”»Maar is uwe eer als koopman daarmee ook gered, vader?”»Niemand zal eenige fraude vinden in mijne boeken, niemand zal mij van deloyale handelingen kunnen beschuldigen,” hernam hij met zekere vastheid, na een oogenblik zwijgens.»En Veere?”»Die heeft geen recht zich te beklagen zoo hij verlies lijdt door een bankroet, dat hij met eenige edelmoedigheid had kunnen voorkomen. Zoo hij mij in deze crisis had willen bijstaan, zonder mij vernederende voorwaarden op te leggen, zou hij het geleende geld nevens het andere eenmaal met winst hebben terugbekomen; nu heeft hij zelf mij de gelegenheid benomen om mij met hem afzonderlijk te verstaan.”»Maar als ik nu die vijftigduizend gulden afstond, om onder uwe crediteuren verdeeld te worden, zou dat dan de schikking niet bespoedigen? Zou vriend en vijand u dan niet den lof geven van een loyaal koopman en een volkomen eerlijk schuldenaar te zijn?”»Ik ken er die mij een gek zouden noemen, maar.... ik stem het u toe, ook zouden er zijn, en van de besten, die dezehandelwijze zouden weten te waardeeren.... doch.... laat ons daar niet meer van spreken, Claudine! er kan toch niets van komen.”»Waarom niet, vader? Ik ben immers.... meerderjarig geworden en heb vrijheid over dat geld te beschikken?”»Dat is wel zoo, maar als gij, ik zou eigenlijk moeten zeggen alswijdit offer brengen, rest ons niets meer dan eene lijfrente, die uwe tante voor u kocht en die nog geen zeshonderd gulden bedraagt.”»Laat ons trachten van die lijfrente te leven, vader! en toon u een onberispelijk eerlijk man, zooals gij zijt in uw harte,” sprak Claudine met eene edele geestdrift, waarbij een zachte blos hare bleeke wangen overtoog.»Zoo ik alleen in de wereld ware, zou ik het zeker doen, geloof dat van mij!” sprak hij, haar met tranen in het oog de hand drukkende, »maar u arm en behoeftig te zien, u ontberingen te moeten opleggen van allerlei aard, dát.... dat gaat boven mijn vermogen.”»Doe u zelven dan eenig geweld aan, vader! want hetmoetzoo zijn, nu wij eens weten wat wij hier te doen hebben, mogen wij het niet laten.”»Gij spreekt zoo, mijn kind! omdat gij den jammer niet overziet, waarin gij u storten zoudt, bedenk toch, als gij dit offer brengt, houden wij niets, niets meer over....”»Ja toch, vader! dan houden wij wel iets over, en iets zeer kostelijks zelfs, dat bij alles te pas komt, de getuigenis onzer consciëntie dat wij onzen plicht hebben gedaan!”»Die zullen wij hebben, dat is waar!” hernam hij met zekere bitterheid; »maar wij zullen doodarm zijn!”»Het zij zoo! arm maar vrij! Men kan een vernieuwd leven niet beter aanvangen,” hernam zij met vastheid, en de schoone, zwakke oogen schitterden met een liefelijken glans, en de edele uitdrukking van haar gelaat had iets zóó wegslepends, dat Verburg haar met verrukking in zijne armen sloot, en als buiten zich zelven gebracht instemde met hare beslissing.Hierbij bleef het, en alzoo deden zij.Al hunne bezittingen werden den schuldeischers overgeleverd. Hun huis, hunne prachtige meubelen werden verkocht, en zij behielden er niets van dan de piano, die Claudine liet inkoopen,omdat zij er een plan mede had, en een schilderijtje van Frits, dat deze haar vader geschonken had en dat in het kleine stadje geen kooper vond.Daarna trokken zij weg, zonder iemand met hunne voornemens of met hunne toekomstige verblijfplaats bekend te maken.Menkeurde deze geheimzinnigheid af. Zij behoefden zich immers niet te schamen, zij waren verarmd en vernederd, dat is waar; maar geen vlek bleef rusten op hun naam. Het bankroet was een ongeluk, geen schandaal!Integendeel, de schuldeischers hadden reden van tevredenheid, en er waren onder hen die gaarne de handen ineen zouden gelegd hebben, om er Verburg weer op te helpen; maar deze was niet meer de man om iets te beginnen, hij had er den lust en den moed toe verloren. Veere noemde hem een dwaas en beschuldigde Claudine van roekeloosheid en trots, omdat zij de vijftigduizend gulden, die haar toebehoorden, zoo onberaden in den draaikolk van eene failliete massa had geworpen.Claudine glimlachte met zachten weemoed, toen dit oordeel haar werd overgebracht. »Hoe weinig pasten die man en zij bij elkander! maar zij dankte God in ’t harte, dat zij bewaard was gebleven voor die andere roekeloosheid; haar leven te werpen in den draaikolk van zulk een ongelijk huwelijk!”
IV.Frits was in zijn logement teruggekomen, hij wist zelf nauwelijks hoe, want hij was dus in gedachten verdiept voortgegaan, dat hij langs het huis van Verburg voorbij was geloopen, zonder het te weten, ook zonder door iemand herkend te zijn, althans zonder eenige ontmoeting waaruit dit bleek. Ten deele voelde hij zich van een last verlicht. Aan Claudine was nu eene schitterende maatschappelijke positie verzekerd; hij was dus niet de hinderpaal geweest, die hetgeen mijnheer Verburg haar »geluk” noemdein den weg stond. Zij waren nu beiden voor elken terugval, voor elke zwakheid bewaard. Dat zij dezen stap had kunnen doen, reeds nù, het sneed hem door de ziel, maar toch—had hij zelf haar niet het eerst afgestaan, al was het met een bloedend hart; moest zij zich niet vrij achten sinds hij er met zooveel ernst op aangedrongen had dat zij haar plicht zou doen jegens haar vader. Zij had naar dien raad geluisterd, wellicht had die haar over de laatste aarzeling heengeholpen. Zie! alles was nu immers zooals het behoorde, hij kon zich vrijer voelen, behoefde niet meer gebukt te gaan onder de zware verantwoordelijkheid, onder de pijnigende bijgedachte, dat hij haar aan een leven van onbevredigde wenschen overliet. Zij zou niet in eenzaamheid hare jeugd zien verkwijnen; alle genietingen des levens die door Indische schatten konden aangebracht worden, zouden de hare zijn; zij zou ten minste dat uiterlijk geluk bezitten, dat door zoovelen voor het eene noodige werd gehouden, en dàt, zelfs waar het gering geschat werd, bij het bezit, zijne waarde had voor hen die wisten wat ontberingen en zorgen te beteekenen hadden. Dat zou Claudine nooit weten! Dat moest hem tot troost zijn, hem die er al het drukkende van kende. Maar al trachtte hij zich dus te troosten, al wilde hij het zich zelf opdringen, dat hij nu reden had om kalmer te wezen, om zich verlicht te voelen, telkens kwam toch de gedachte weer boven, dat Dientje, zijn eigen lieve Dientje, opgeofferd werd; dat zij bij allen uiterlijken glans ongelukkig moest zijn, en dat hij daarvan de schuld droeg. Hij, die haar broeder, haar leidsman had willen zijn, zelfs al had hij niet haar geliefde mogen wezen; wat was hij nu voor haar geworden? Niets, indien maar niets; hij moest het nu hopen, al kwam al de teederheid van zijn eigen hart tegen dien wensch op.»Moet er van middag op eten gerekend worden voor meneer?” met die vraag van den kastelein werd Frits op eens uit zijn somberen gedachtenkring gerukt en tot de platste realiteit teruggebracht.”»Als ik hier blijven moet,” antwoordde hij, nog niet recht bij de kwestie, in eenige verwarring.»Dat zal wel uitkomen, de diligence rijdt niet voor zessen.”»Wordt hier table d’hôte gehouden?” vroeg Frits die zijn best deed om zich in de situatie van ’t oogenblik te voegen.»Neen! daar doen we hier niet aan. Met veemarkten en inde kermis is er een open tafel voor het boerenvolk en toen we nog garnizoen hadden, in plaats van dat miserabele troepje soldaten dat bij het magazijn de wacht betrekt, was hier eene officierstafel, en ze waren tevreden, want ik heb eene goede kokkin—al zeg ik het zelf. Maar wat helpt me dat nu, de commis-voyageurs,—als ze er zijn, maar dit jaar zijn die ook al schaarsch,—de commis-voyageurs vragen hun biefstuk met aardappelen en daarmee pas. Heeren zooals die Engelschman en meneer komen er geen drie in de maand! Als nou meneer het schikken kon om met den Engelsman mee te doen die nog hier is—want hij kwam te laat voor de diligence—en die tusschen twaalf en half een zijn tweede ontbijt gebruikt, dat hijlunsnoemt, en daar we weer wat warms voor moeten maken, dan zou dat best uitkomen....”»Schik het zooals gij wilt, dat is mij hetzelfde,” viel Frits in om er af te wezen.»Nou daar doet meneer mij een dienst mee, want mijne keukenmeid moet van middag assisteren bij de Verburgs; daar is een diner, de juffrouw gaat trouwen.”Frits sprong op of een wesp hem gestoken had; moest hij dan ieder oogenblik opnieuw en door iedereen aan zijn leed herinnerd worden.»Kan je me geen rijtuig geven tot halfweg?” vroeg hij op eens met een plotseling besluit.»Ja dat kàn wel, maar we doen het niet graag, weetje, om de diligence; als wij die benadeelen dan doen zij ’t ons ook!”»Wat moet het kosten?” vroeg Frits dringend, zonder zich om die praatjes te bekommeren.»Als meneer zoo’n haast heeft, tien gulden!”»Alleen naar halfweg, dat’s afzetterij! maar dat doet er niet toe, laat inspannen,” hernam Frits, die op dit oogenblik alles wat hij bezat zou gegeven hebben om onverwijld weg te komen, om met zijne smart en zijne eigen gepeinzen alleen te zijn.De kastelein, verbaasd dat hij het slechte akkoord aanging, haastte zich echter langzaam om het ten uitvoer te leggen; hij liet Frits alleen als om diens bevel op te volgen, maar begaf zich naar de keuken om daar aan te zetten tot spoed met het déjeuner dinatoire voor den Engelschman bestemd, in de verwachting dat ook de andere logé daaraan deel zou nemen. Maar toen dit opgedischtwerd, beweerde Frits, wiens ongeduld zich zóó niet paaien liet, niets noodig te hebben dan zijn rijtuig; met eten of drinken zou hij zich niet ophouden. Bij die verzekering glimlachte de kastelein, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde en de gelagkamer verliet.Toen de vreemdeling binnentrad en zich tegenover Frits neerzette, nam dezepar manière de contenanceeene courant in handen en ging druk lezen, hoewel hij moeite zou gehad hebben om te vertellen wat hij eigenlijk las. De vreemdeling at zijn biefstuk, zijne ham en zijne ommelette, met de gemakkelijkheid en den spoed die de Engelschen karakteriseert; tegelijk zag hij de rekening in, die men hem voorgelegd had, en het was blijkbaar dat hij zich afgezet geloofde, uit het misnoegde gezicht dat hij trok en de minachtende geste waarmede hij het stuk papier ter zijde wierp.Frits die zijne krant nu wel al driemaal had kunnen doorlezen, en nog niets van het rijtuig merkte, kon zijn ongeduld en misnoegen niet langer verbergen. Hij begon heen en weer te loopen, bekeek de armzalige prulplaten die de zaal heetten te versieren, en kon zelfs geen glimlach krijgen over de merkwaardige lotgevallen van de schoone Genoveva, hoe comisch-tragisch ze daar ook waren voorgesteld. Ten laatste trok hij driftig aan de schel, en toen de kastelein in eigen persoon verscheen, hield hij hem zijn horloge voor en sprak met ingehouden toorn:»’t Is nu al drie kwartier geleden dat ik je rijtuig heb besteld en daar komt nog niets.”»Kan ik het helpen! de kales is uit en komt eerst te vier ure weerom, en daar hoor ik in den stal dat de Engelsche heer de berline heeft genomen, die komt zoo aanstonds voor; wij hebben nu niets anders dan de trouw- en begrafeniskoets, daar zal je toch niet van gediend?”Frits stiet eene verwensching uit die zoo sprekend was, dat men de taal niet behoefde te verstaan, om dien kreet van ergernis en verontwaardiging te begrijpen. Aan den vreemdeling die sinds lang mes en vork had weggelegd, en zijne aandacht op Frits had gevestigd, was descènetusschen dezen en den kastelein natuurlijk niet ontgaan, en hij vertolkte dan ook juist en vaardig diens toornigen uitval, zooals bleek toen hij het woord tot hem richtte in gebroken Fransch:»Mauvaise auberge ici, pas vrai Sir—and he charges so much as it is bad,” eindigde hij in zijne eigene taal.Frits kon uit die spraakwarreling genoeg wijs worden om op de voorkomendheid te kunnen antwoorden, tot blijdschap van den vreemdeling in het Engelsch. Eenigszins verlicht, daar hij zijne ergernis kon uitstorten aan een derde, deelde hij hem mee hoe hij teleurgesteld was, en hoe men spotte met zijn verlangen om spoedig te vertrekken; want hij was tot de onderstelling gekomen dat de kastelein met opzet allerlei uitvluchten zocht om hem op te houden; »maar,” vervolgde hij nu weer in ’t Hollandsch en zich tot den laatsten keerende, die rondom de tafel draaide en hen beurtelings aanzag of hij hen de woorden uit den mond wilde kijken, »maar als jij, meester Koppelman! mij nu niet binnen tien minuten een rijtuig bezorgt, dan loop ik je huis uit en bestel het bij een ander.” Al sprekende had hij zijn horloge op tafel neergelegd en zag den kastelein aan met een vasten besloten blik.»Wel ja! wel ja! zij zijn hier opgeschept, de rijtuigen,” hernam deze brutaal en met tergenden glimlach. »Ik verwed twintig gulden tegen tien, dat je hier geen rijtuig krijgen zult, zelfs geen boerenwagen; ’t is voorjaarsveemarkt te H. en alle paarden zijn uit! Waarom blieft meneer niet mee te eten en rust te houden tot de kales komt.”Frits was niet in eene stemming van lankmoedigheid en er was iets moedwilligs uittartends in den harden, drogen toon van den lompen herbergier, dat zeer bijzonder op zijne reeds zoo geprikkeld zenuwen werkte. Hij vloog op met fonkelende oogen en gloeiende wangen, met eene heftigheid of hij den grinnikenden Koppelman te lijf wilde.De herbergier, die zeker aan standjes gewoon was, trad hem stoutelijk tegen als wilde hij een aanval uitlokken, maar de Engelschman was ook opgestaan, trad ijlings tusschen beiden in en legde gemeenzaam de hand op den schouder van Frits, als om zijne drift te stillen, terwijl hij sprak op vasten, maar vriendelijken toon:»Beheersch toch u zelven, jongmensch! er is tegen zulk grof volk niets te doen dan zich te onthouden. Gij kunt immers met mij meerijden als gij wilt, want ik moet ook naar Amsterdam en sinds gij haast hebt, wees getroost, want daar komt waarlijk de berline!”Reeds had Frits zich van den kastelein af, en naar den vreemdeling toegekeerd.»Is dat meenens, mijnheer! is het geen onbescheidenheid, gebruik te maken van uw aanbod?” vroeg hij met een zeker gevoel van verlichting of hij reeds aan al zijne kwellingen een eind zag.»Mij dunkt die kast is ruim genoeg voor twee!” antwoordde de vreemdeling lachend op het logge voertuig wijzende, met twee magere paardenbespannendie, mak als lammeren, meer veiligheid dan spoed waarborgden.»Nu dan, mijnheer? ik neem met dankbaarheid aan,” sprak Frits, geheel gewonnen door die mengeling van goedheid en vastheid die hem toesprak uit het gelaat van den Brit.»Laten wij dan ons reisverbond bezegelen en drink een glas wijn met mij vóór wij gaan, ik weet geen beter middel om ons aan elkaar voor te stellen: Ik heet Wilkinson! en gij?”»Rosemeijer!”»Your health master Rosemeijer!” sprak nu de vreemdeling, terwijl hij zijn glas in één teug ledigde en den naam langzaam maar met groote nauwkeurigheid teruggaf.»De uwe, master Wilkinson!” riep Frits, met levendigheid zijn voorbeeld volgende. Nu eerst bemerkte hij dat hij toch wel behoefte had aan eenige verkwikking; maar het was te laat om zich daarmee nog op te houden.Wilkinson reikte hem de hand, en van weerszijden volgde er een trouwhartigshakehands.»Denkt meneer ook te gaan?” vroeg de kastelein wrevelig, nu hij de goede verstandhouding opmerkte tusschen zijne beide gasten. »Die comediant, die niets gebruiken zou maar die zich wel tracteeren laat!” mompelde hij met ergernis halfluid, doch men nam geene notitie van dat gemor.»Yes we are going! pay yourself,” en Wilkinson wierp hem een Hollandsch bankbiljet toe, met zijne nota.Frits vroeg ook naar zijne vertering.»Dat heeft nog geen haast,” gaf Koppelman ten antwoord met eene bedoeling die licht te raden was.»Het heeft haast, want ik rijd met mijnheer mee.”»Zoo, dat’s ’n mooie! en de kales die je besteld hebt, en die ieder moment komen kan.”»Als je daar nog een woord van spreekt, roep ik de politie in en verklaag je van afzetterij,” sprak Frits nu met vastheid maarzonder drift, en een vijfguldenstuk op de tafel leggende, ging hij voort: »Neem daar af wat je toekomt.”»Maar de koetsier heeft recht op een fooi extra, als hij er twee rijdt,” sprak Koppelman, terwijl hij Frits eenig klein geld teruggaf, de bijzonderheid dat er een Hollander was die den Engelschman in het nazien van de rekening behulpzaam kon zijn, maakte hem voorzichtig en wat meer gedwee.Dit geregeld zijnde, nam Frits zijn mantel over den arm en gedienstig voor den aanstaanden reisgezel, wilde hij diens kleine reistas opnemen, daar de knecht bezig was zijne verdere bagage in te laden.»Met voor eens anders goed te zorgen, verachtloost gij uw eigen,” sprak deze met zekeren nadruk, »gij vergeet uw horloge!” en hij stelde het hem ter hand.Frits verbleekte bij de gedachte aan die mogelijkheid.»Dat zou een onherstelbaar verlies voor mij zijn,” sprak hij het zorgvuldig bij zich stekende.»Zoo komt het mij ook voor, een oud familiestuk, een best werk, zeker wat lomp en zwaar, maar dat is het gewone gebrek van die oude repetities, ze maken die nu beter.”»Verschoon mij, mijnheer! hoe weet gij dat het eene repetitie is?” vroeg Frits wat verwonderd.»Dat is wel te zien! en daarbij heb ik nog eene reden om dat te onderstellen, die ik u zeggen zal als weconfortablein ons rijtuig zitten!”»Klaar koetsier!” en de staljongen-kellnersloeg het portier dicht dat de glazen rammelden; de fooi was hem niet meegevallen.Te zes ure, op het oogenblik zelf, dat de diligence zou afrijden, kwam een huisknecht aanloopen met een pakje dat nog mee moest.»Komt van?” vroeg Koppelman schrijvende.»Van mijnheer Verburg,” antwoordde de knecht.»Voor wie?” vroeg de kastelein, die tevens de directie had over het bureau der diligence.»Voor mijnheer Rosemeijer, kunstschilder te Amsterdam,cito-cito.”»Nou! dat’s al casueel, als je een paar uren vroeger gekomen waart, had hij het zelf kunnen meenemen!”V.Bram Duinstee had geen logens verteld. Dien eigen avond tegen zeven ure ging hij, in een plechtigen zwarten rok gekleed en met zijne ambtelijke portefeuille onder den arm, naar het huis van den heer Verburg om den eersten schakel te smeden van de keten, die Claudine voor het leven aan den heer Veere binden zou.Er wachtte hem echter eene ontvangst, waarop hij wel niet had kunnen rekenen.Eerst liet men hem een kwartier lang op de stoep staan, en toen hij door een herhaald bellen zijn ongeduld had getoond, werd er niet geopend door den ouden huisknecht in ’t ceremoniëele Zondagspak, zooals hij zich voorgesteld had, maar door eene zoogenaamde noodhulp-keukenmeid, die in plaats van hem behoorlijk binnen te laten, op het punt stond de deur voor zijn neus dicht te slaan, zeggende: »dat mijnheer bij de juffrouw was, en geen mensch kon spreken!”Op zijn aandringen en bij de luide verzekering dat hij de ambtenaar van den burgerlijken stand was, die ontboden en op ditzelfde uur te dezen huize verwacht werd, liet ze hem in de spreekkamer en ging den knecht waarschuwen.De oude getrouwe kwam langzaam, bijna op de teenen aansluipen, zag er zeer gedrukt en verlegen uit, en vroeg met eene zachte trillende stem, verschooning: »dat men mijnheer niet had afgezegd; in de drukte was dat vergeten, mijnheer moest het niet kwalijk nemen.”»Maar wat is dat dan voor drukte?” vroeg Bram half korzel, half nieuwsgierig, »waarbij zoo iets vergeten wordt; ik dacht dat jelui het vandaag met niets druk zoudt hebben, dan met de partij.”»Dat was ook zoo, mijnheer! maar de juffrouw is van der zelve gevallen toen ze zich zou gaan kleeden, en nu is ze ziek, zooziek dat de dokter er al tweemaal geweest is, en mijnheer niet van haar bed wijkt.”»Wel, wel! dat’s eene teleurstelling voor den bruigom op het tipje,” zei Bram zelf wat in zijn wiek geschoten, »dat aanteekenen zal dan wel voor lang uitgesteld zijn?”»Als het maar niet afgesteld is voor goed?” zuchtte de goede, oude man, nu zijne smart niet langer beheerschend, »want ze komt er niet door, ze komt er niet door, dat geloof ik vast!”»Kom, zie maar moed te houden, de juffrouw is nog zoo jong, wat ziekte is het?”»Ze zeggen erge zenuwkoortsen, zij ijlt, zij is buiten kennis, met ons tweeën hebben wij haar haast niet....”Een schrille, snerpende gil werd nu uit een der bovenvertrekken gehoord. Jacob bracht den volzin niet ten einde, maar vloog naar boven en liet Bram in den steek, die stillekens wegsloop met de overtuiging, dat hij hier vooreerst niet weer behoefde te komen. »Had Frits nu maar zoo’n haast niet gemaakt,” sprak hij bij zich zelven, »dan zou ik hem dat toch nog kunnen meedeelen, maar ook.... waartoe. Hij kan haar toch niet meer krijgen.”Zoo de heer Verburg had kunnen berekenen aan welke zielverscheurende smart hij zijne dochter ten prooi gaf, toen hij op hare scheiding van Frits aandrong en haar bewoog aan de wenschen van den hartstochtelijken Oosterling gehoor te geven, zou hij zeker zijn innig geliefd, eenig kind niet op zulke proef hebben gesteld. Maar hare zelfbeheersching, hare zedelijke kracht om onder uiterlijke kalmte de smartelijkste aandoeningen te verbergen en iedere heftige uiting daarvan te beheerschen, tot ze in eenzaamheid op hare kamer neerzat, deze kracht, die naar zijn gevoelen boven haar vermogen ging, had hem misleid. Het is nu eenmaal het lot van diepe, fijnvoelende naturen, die gewoon zijn naar binnen te leven en haar lijden weten te verbloemen, dat zij minder gespaard worden dan degenen wier indrukken zich terstond in een tranenvloed lucht geven of met sprekende gebaren en roepingen van wanhoop.Ware Claudine met een kreet van smart in onmacht gevallen op het eerste gezicht van het onheilspellend pakket, op het eerste woord eener beschuldiging tegen Frits, haar vader zou haar met zijne eischen en bezwaren niet verder vervolgd hebben. Hij zouniet aangedrongen hebben op een offer dat allermeest voor zijne belangen werd gebracht. Maar toen zij die eerste schokken doorstond, als eene die wel diep getroffen is, maar niet ten bloede toe gewond, toen begreep hij dat de pijnlijke operatie maar in eens moest worden doorgezet, wel gerust dat zij er niet aan zoude doodbloeden en in gemoede overtuigd dat hij de wijste partij koos die er te nemen viel, in haar belang en in het zijne. Het verdere van dien dag bracht Claudine door in strenge afzondering, den ganschen nacht waakte zij en worstelde met zich zelve en streed met het onverbiddelijk wapen van den plicht tegen hare innigste wenschen, hare lievelingsdroomen en de teerste genegenheid des harten en meende na dien strijd de overwinning gebracht te hebben aan de zijde waar die behoorde, toen zij des anderen daags met een bleek en mat gelaat, maar toch met eene houding waaruit kalmte en berusting sprak, haar vader de morgengroete bracht.Toen Veere gekomen was, had zij hem ernstig maar minzaam ontvangen en de sidderende hand in de zijne gelegd, die hij terstond had gekust met eene hartstochtelijkheid waaronder zij van innerlijken weedom trilde. Gelukkig voor haar dat hij zich welhaast tot haar vader keerde om met dezen de materiëele belangen te bespreken, op zulke wijze dat het den goeden Verburg voor de oogen schemerde bij al de schatten die hij blinken liet. Bruidsgave voor Claudine, speldegeld voor Claudine, douairie voor mevrouw Veere, dat alles werd door hem met Oostersche vrijgevigheid vastgesteld; het was of hij versmaadde met duizenden te rekenen en of alleen tonnen gouds de uitdrukking konden zijn zijner liefde, als het Claudine gold.En Claudine? Zij zat het al zwijgend en roerloos aan te hooren, maar zij zou er niets van kunnen navertellen; zij had niet geluisterd.En toen Veere, die heimelijk op eene uitroeping van verrassing, op een blik of een woord van dankbaarheid had gerekend, haar vroeg of zij tevreden was, »of zij ook iets meerders, iets anders bedoelde?” klonk haar antwoord wel wat vreemd.»Verschoon mij, mijnheer! ik heb geen verstand van handelszaken!”Mogelijk ware alles goed gegaan, zoo men de wonde van haar hart tijd gelaten had om te genezen, zoo men haar althans tijd hadgelaten om te bekomen van den eersten schrik en zich te gewennen aan het denkbeeld eener lotswisseling, die onvermijdelijk scheen geworden. Maar de hartstocht van den Indiër en de gejaagdheid waarin haar vader verkeerde, lieten haar tijd noch rust, en Veere, die reeds de ervaring had dat hij alles met zijn geld kon dwingen, zag nergens zwarigheid in; hij belastte zich met alle voorloopige schikkingen en wist het door te drijven dat de ondertrouw reeds de volgende week zoude plaats hebben.Claudine, onverschillig voor alles sinds ze Frits had moeten opgeven, had geen tegenstand geboden, zij liet anderen voor haar schikken en handelen; wat zeide het haar, het offer waartoe zij zich bereid had verklaard, iets vroeger of later te brengen, er was toch niet aan te ontkomen, en hoe eerder het dan volbracht was hoe beter; in het onherroepelijke zou zij het beste kunnen berusten, stelde zij zich voor en verbeeldde zich dat zij die kille lijdelijkheid zou behouden onder alles en tot het einde.Maar zij had te veel van haar hart gevergd, te veel van hare krachten gewacht.Op denzelfden voormiddag toen Frits in smartelijke gedachten verdiept haar huis was voorbijgegaan, dat hij in ’t eerst opzettelijk had vermeden, stond zij voor hare kaptafel om zich te kleeden. Veere zou dien middag met enkele vrienden en de wederzijdsche getuigen bij haar vader dineeren; na de formaliteit van het aanteekenen, dat volgens den bruigomin spe, onder de thee kon plaats vinden, zou hij eene schitterende partij geven in zijn huis, en voor het eerst zijne bruid zijne prachtige salons binnenleiden, op het schitterendst verlicht en feestelijk met bloemen en draperieën getooid, opdat zij van hare aanstaande woning den gunstigsten en behagelijksten indruk zoude krijgen.Claudine, die eene verbintenis des harten zeker liefst in den stillen huiselijken kring zou gevierd hebben, vond in luidruchtig feestgewoel geen bezwaar, maar veeleer zekere veiligheid, daar het haar gelegenheid liet om zich als in zich zelve te isoleeren te midden van de drukte rondom haar; maar voor een bruidsfeest moet men zich tooien en Veere had haar ’s avonds te voren een juweelkistje aangeboden van het fijnste Japansch verlakt, met zilver beslag, waarin onder allerlei sieraden van diamanten en gesteenten een parelsnoer werd gevonden van zeldzame grootte en zuiverheid. Hij verlangde dat zij zich daarmee zousieren op dien dag; zij had het hem beloofd met een zacht pijnlijk glimlachje en zij wilde woord houden. In doffe onverschilligheid had zij zich laten kappen, een kostbare kam in den vorm van een diadeem met diamanten sterren was haar in de blonde vlechten gestoken, maar toen de kapper vertrokken was, had zij ook hare kamenier weggezonden, onder voorwendsel dat zij zich zelve wel konde kleeden voor het diner, en dat er beneden nog allerlei te schikken was waarbij dier hulp te pas kwam. Zij was gelukkig dit voorwendsel gevonden te hebben om alleen te blijven. Het moiré zijden kleed, dat later door een avondtoilet van Indische goudstof zou vervangen worden, lag op de canapé uitgespreid; zij zelve viel daarnevens op de knieën en bad, bad vurig voor haar vader, voor haar zelve, bad allermeest om kracht, slechts kracht om met kalmte te lijden en dat lijden voor anderen te kunnen verbergen; zij smeekte niet om aardsch geluk, zij had met dien wensch afgerekend, maar slechts om moed om haar kruis te dragen, want zij voelde reeds nu dat zij bijkans onder de zwaarte er van bezweek.Dat hare tranen stroomden onder dat gebed, dat ze de prachtige robe bevochtigden, waaraan zij niet eens dacht, is niet te verwonderen; maar toen zij oprees voelde zij zich gesterkt en dacht zich bekwaam om een offer te brengen dat zij haar bruidegom achtte schuldig te zijn. Dat vorstelijke paarlsnoer moest een fijn gouden kettingje vervangen waaraan een klein medaillon hing, haar door Frits gegeven, dat een vlechtwerk van zijn haar bevatte, en dat zij altijd gedragen had van den dag af, dat hij het zelf met van aandoening bevende vingers om haar hals had gehecht; nu moest het weg, numoesthet.Zij mocht het niet eens behouden, zij zou het in het pakketje doen, dat zij voor Frits had bestemd; maar hij moest het weten dat zij het niet dan op het uiterste had afgelegd. In zenuwachtige haast voegde zij nog eenige regelen bij den langen brief, die aan Frits moest gezonden worden, deed het geliefde kleinood af, legde het in ’t foudraaltje en sloot dat bij het overige in. Nu zou alles wel gaan, meende zij, nu kon zij alles; nu had zij met het verledene, met den band harer liefde gebroken voor altijd. Voor altijd!—zij drukte de tranen weg die nog weer wilden uitbarsten, en liet het gloeiende hoofd even rusten tegen de glasruiten als om het te verkoelen.Hare kamer op de eerste verdieping zag op straat uit, eene lieve vroolijke kamer voor de dochter des huizes en geheel naar haren smaak ingericht.Die ook moest zij verlaten, die ook, voor een prachtig boudoir, voor een rijk salon, dat is waar, maar—dat zij met een vreemde zou deelen. Was het vreemd dat zij eenige minuten lang half bedwelmd van aandoening in dezelfde houding bleef—naar buiten starende, zonder te zien,.... dan, wat was dat, wat gaf op eens weer haar oog leven en bezieling? was het de wilde gloed van een heftigen schrik?Frits! Frits, was hij het, die haar voorbijging, hij zelf? Was hij voorbijgegaan, in dezen oogenblik, hij zelf! en toch niet dezelfde meer, zoo bleek, zoo vermagerd, het hoofd gebukt als in diep gepeins, achteloos gekleed; met den ongeregelden stap van den waanzin schreed hij daar voort vlak langs hare woning heen, zonder opzien of omzien, eene schim van zich zelf! Maar het was ook slechts eene schim, hij kòn het niet zijn, hij niet, hadhijdus kunnen voorbijgaan! Onmogelijk! hare opgewekte verbeelding tooverde haar dit schrikbeeld voor, zij had zich zelve dus verdiept in ’t verledene, waarvan zij nu scheiden moest, dat zij in den eersten voorbijganger den besten, den vriend meende te herkennen met wien zij zich bezighield. Deze gedachten schoten haar als met de snelheid des lichts door het hoofd, terwijl zij zonder het te weten of te willen een kreet had geslaakt van schrik en verbazing, die haar kamermeisje bewoog zich opnieuw te vertoonen, met de vraag of de juffrouw iets scheelde?»Niets, Mientje! niets, je moest me nu maar helpen,” sprak Claudine, zich zelve trachtende te beheerschen en in de hoop dat de tegenwoordigheid van eene andere haar het best zou beschermen tegen een vernieuwd spel harer verbeelding.»Ja juffrouw, ’t is ook hoog tijd; mijnheer Veere zou komen koffiedrinken, en die is niet te houden van ongeduld als hij de juffrouw niet beneden vindt.”En al pratende ving het meisje hare taak aan. Claudine liet zich opschikken, zwijgend, lijdelijk, gevoelloos bijkans; »niet anders dan of ik een wassen pop had aan te kleeden,” getuigde Mientje later; »ik zag toen al dat zij niet wel was en dat ze al bleeker en bleeker werd, en dat zij de oogen vol tranen had toen ik haar de mooie japon met die kostbare kanten toehaakte;zij meende dat ik het niet zag, omdat ik achter haar stond, maar ik had slechts even in den spiegel te kijken om haar gezicht te zien en ik schrikte er van.”Tot zoover Mientje. Daar voelde het slachtoffer dat men sierde, op eens de zware koude paarlen op hals en schouders neervallen, als hagelslag op het donzig lelieblad!Daar gleed haar eene rilling over de leden alsof reeds de koude hand des doods haar aanraakte, daarbarstteze los in een luid zenuwachtig snikken, en moest zich leunen op het kamermeisje, dat verrast en ontsteld over die heftige aandoening, haar moed trachtte in te spreken.»Kom, juffrouw! kom, een beetje couragie, een schreiend bruidje maakt een lachend vrouwtje; zie toch, ze staan zoo erg mooi die groote parels.”»Weg er mee! weg er mee! het zijn geen paarlen, het zijn slangen! Slangen, die mij omkronkelen, die mij verworgen!” riep Claudine op schrillen, verwilderden toon. »Ik kan ze niet dragen, ik wil niet, ik wil niet! ze benauwen mij, ze wringen mij de keel toe!” En in hare verbijstering, in haar angst rukte zij het paarlsnoer af met zulk eene heftigheid, dat de zijden koord brak en de kostbare kralen den grond bestrooiden.Claudine zelve zou ook zijn neergestort, zoo niet Mientje haar uit alle macht vastgehouden had, tot ze met de stuipachtig tegenspartelende de canapé had bereikt, waar ze na de overspanning bewusteloos neerviel.Men riep Verburg, men haalde den dokter, die verklaarde dat zich hier al de verschijnselen voordeden van eene gevaarlijke zenuwziekte, die de uiterste behoedzaamheid, de meest mogelijke rust vorderde. Toen Veere kwam was hij wrevelig van teleurstelling, meer nog dan getroffen over den treurigen toestand zijner verloofde. Men vergunde hem niet haar te zien en daaruit maakte hij op, dat het zoo erg niet met haar was als men voorgaf!Knorrig verliet hij het huis, waar angst en zorg heerschten, om in zijne eigene woning orders te geven tot het staken van de feestelijke aanstalten en tot het afzeggen der genoodigden.Zijne smart loste zich op in kwaad humeur, waarvan ieder, die met hem te doen had, de onaangename terugwerking ervoer.Het was dan ook wel hard! Duizenden had hij ten koste gelegd,anderen en zich zelven had hij zonder eenige verschooning rusteloos voortgejaagd, alles wat hem omringde had moeten draven en vliegen, om op een bepaald oogenblik een kring van vrienden en bekenden door een ongekend vertoon van pracht en weelde te verblinden en tegelijk met de schoonste bruid op te treden, en door allen om al deze voorrechten benijd te worden,—en dan die kostbare toren van Babel op eens te zien instorten en door de overgevoelige zenuwen eener jonge dame!»Het had zooveel niet te beteekenen! Een flauwte, een weinig de zenuwen in ’t spel!” verzekerde hij aan ieder, die hem meewarig naar ’t ongeval vroeg.»Het zou wel spoedig weer over zijn, maar Verburg was zoo zwak voor zijne dochter, hij maakte er te veel beweging van, hij heeft haar veel te weekelijk opgebracht; hij voor zich had alles voor eene vrouw over, maar in grillen en kuren kon hij zich niet schikken!”Niets is zoo wreed als het teleurgesteld egoïsme.Des anderen daags meldde hij zich nogmaals aan, in de verwachting dat de zenuwachtigheid bedaard zou zijn, en hij zelf kon ontvangen worden; maar de dokter die begreep, dat niets de lijderes minder dienen zou dan een bruigom op het tipje in kwaad humeur, beduidde hem dat zich eene zeer ernstige, zeer gevaarlijke typheuse koorts had geopenbaard, en dat er zeer weinig hoop was op herstel.»Een typheuse koorts, maar die is immers besmettelijk?” vroeg hij ras en kennelijk in de grootste onrust. Er werd toestemmend geantwoord, en men zag Veere vooreerst niet weer!Verburg week niet uit de ziekenkamer zijner dochter. Hij kon zich niet langer vergissen in de oorzaak van haar vreeselijk zenuwlijden. In hare ijlende koortsen riep zij hem telkens toe, zonder hem zelf te herkennen, dat zij bereid was haar plicht te doen, dat zij den heer Veere zou huwen en trouw houden, maar dat ze eerst Frits moest spreken en dat Frits ook wel spoedig komen zou, om haar de parels af te nemen die haar zoo zwaar drukten. In hare verbijstering stelde zij het zich altijd voor, dat Frits verschijnen zou om haar vader te helpen; dat hij over millioenen te beschikken had en alleen wegbleef omdat zij ziek was en omdat hij haar laatste schrijven niet ontvangen had. Te pijnlijker viel het Verburg zulke klachten door de lijderes te hoorenuiten, daar hij werkelijk het pakket had laten bezorgen, dat zij hem in een oogenblik van helder bewustzijn overhandigd had, en waarvan zij hem, als een duredureplicht, de bezorging had aanbevolen. Dan eerst zou ze rust hebben, verzekerde zij, want dát voltooide de scheiding. In de onderstelling dat Frits zelf het ook daarvoor hield en in de hoop dat het weerzien van den ondanks alles geliefde tot hare herstelling zou kunnen meewerken, had de vader, allen trots en alle gramschap en alle kleingeestige bijbedenkingen ter zijde zettende, zelf nog eens aan Frits geschreven, met de verzekering dat zijne liefste wenschen nog zouden kunnen verhoord worden, zoo hij wilde medewerken tot het behoud van zijne Claudine.Hij twijfelde geen oogenblik aan het goed gevolg van dit schrijven. Frits zou in allerijl tot hen komen, en die blijde verrassing zou de gelukkigste wending geven aan de ziekte.Maar Frits kwam niet, Frits antwoordde zelfs niet, Frits liet niets meer van zich hooren!Dies ondanks herstelde Claudine. Hare jeugd, haar sterk gestel weerstonden zegevierend de heftige aanvallen der koorts en de vlagen van wilde geestverbijstering, welke nu werden vervangen door doffe matheid en uitputting; maar het bewustzijn, de kalmte keerden terug, een aanvang van herstel gaf den goeden Verburg zulk eene onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne dochter zelve er de terugwerking van onderging en zich mede verblijdde over het weerkeeren tot het leven, dat haar nauwelijks meer aanlachte sinds zij reeds gemeend had met allen strijd en allen last te hebben afgerekend.Op zekeren dag in het midden van Juni zien wij haar, leunende op den arm van haar vader, langzaam den tuin rondwandelen onder de koesterende stralen van de liefelijke ochtendzon. Zij was nog zeer zwak en geen vroolijk blosje kleurde nog de matte bleekheid van haar vermagerd gelaat. Zij scheen verouderd, hare trekken waren scherper geworden, hare oogen stonden flauw en het was of zij met hun vroolijken glans ook hun liefelijk blauw hadden verloren. Hare prachtige blonde lokken waren afgesneden op raad van den geneesheer, hoe hard het ook Verburg was gevallen aan dezen eisch toe te geven. Een dicht stemmig négligé-mutsje vergoedde geenszins het gemis van dien natuurlijken tooi. Sinds zij herstelde, had zij den naam van Frits niet weer genoemd;toch had zij ook nog niet naar Veere gevraagd; nu verzekerde zij haar vader op kalmen, ernstigen toon, dat zij los was van alles wat haar verhinderen kon den heer Veere weer te zien en hem behoorlijk te ontvangen.Toen begreep Verburg dat hij haar langzaam moest voorbereiden op groote veranderingen, die er waren voorgevallen en die haar offer onnoodig maakten.Daags na de mislukte ondertrouw bevestigden zich de geruchten aangaande het failliet van het huis Heerdt en Comp. en Verburg zag zich als koopman geruïneerd, daar het hem niet mogelijk was uit eigen fondsen de verliezen te vergoeden, die hij leed door dit bankroet.De associatie met Veere was nog niet wettelijk aangegaan, daar de voorgenomen overeenkomst eerst zou geteekend worden tegelijk met het huwelijkscontract. Nu kon er geene sprake meer zijn van die vennootschap; de eenige beweegreden waarom Veere haar had willen aangaan, hield op te bestaan. Claudine verkeerde in ernstig gevaar, en Verburg, die zich voorstelde dat zij mogelijk nog te redden zou zijn door Frits, wilde niet meer aan Veere gebonden zijn. Hij had reeds genoeg de ervaring gekregen van diens koud egoïstisch bestaan, om zich met de hoop te vleien, dat de Indiër gratis de eer eener firma zou willen redden, waarbij hij niet meer geïnteresseerd was. En Verburg had hem juist beoordeeld. De hartstochtelijke Creool, door de schoonheid van Claudine verlokt, had schatten willen geven voor haar bezit. Maar de teleurstelling, die zij hem haars ondanks had bereid, werkte als een stortbad, dat hem verkoelde en ontnuchterde na dien schoonen droom. Nu ja! er werd wel hoop gegeven op Claudine’s herstel, maar toch, maanden lang te moeten wachten op eene zwakke, verbleekte, vermagerde bruid, die van het minste schokje weer zou kunnen instorten, dat, hij erkende het voor ieder wie ’t hooren wilde, dát was zijne zaak niet. Zijn huis was klaar en geheel voor eene somptueuse leefwijze ingericht; hij wilde menschen zien, partijen geven; tot dat alles behoorde eene vrouw; hij achtte het zijn recht om eens rond te zien in de meisjeswereld, of hij eene waardige bezitster vond voor den bruidskorf en de juweelen, die Verburg had laten terugzenden.Zijn oog viel op eene piquante brunette, eene vriendin van Claudine uit hare schooljaren, die coquet genoeg was om hetreeds vroeger op deze verovering te hebben toegelegd en die haar nu trachtte te verzekeren door zijne verbittering tegen Claudine te prikkelen, door telkens met zijdelingsche wenken en schijnbaar achtelooze uitvallen terug te komen op die teedere betrekking, die al van jongs af tusschen Claudine en den jongen Frits Rosemeijer had bestaan. Zij sprak niet dan met achting en belangstelling van Claudine, maar eindigde altijd met te zeggen, deze te goed te kennen om te gelooven, dat zij ooit tot een huwelijk met een ander dan Frits zou zijn overgegaan, al ware ’t ook dat zij er een tijdlang den schijn van had aangenomen om haar vader genoegen te geven!Deze inblazingen kwetsten niet slechts op het pijnlijkst de eigenliefde van den Creool, maar wekten in hem de verdenking op, dat men hemdupehad willen maken, dat het Verburg zelf nooit ernst was geweest met de voorgenomen verbintenis, en dat men alleen eene comedie met hem had gespeeld om te lichter over zijne beurs te kunnen beschikken. Hij vergat dat hij zelf de eerste was geweest om zekere voorschotten op te dringen eer er nog sprake was geweest van Claudine’s hand, en dat hij het alleen aan de kieschheid van Verburg dankte, dat de onderling overeengekomen vennootschap niet was gelegaliseerd, hetgeen hem als associé in het bankroet zou betrokken hebben.Hij vergat dat hij op den dag van het engagement die associatie reeds openlijk had willen aangaan, en dat Verburg daarentegen uitstel had gewenscht tot den avond van de ondertrouw, of zóó hij er aan dacht, was het om uit die handelwijze venijn te zuigen en de loyauteit van den koopman te verdenken, wien het ernst was geweest met de betuiging, dat hij alleen aan een schoonzoon zulke verplichtingen wilde hebben, waarmee Veere den vriend had willen verlokken. Genoeg, in eene samenkomst die de beide mannen nog moesten hebben, liet de laatste niet na, zijn boos vermoeden lucht te geven, met bijvoeging: dat hij nog gezind was Verburg uit zijne verlegenheid te redden, zoo hij in dezen schuld wilde belijden en vergiffenis vragen. Maar Verburg antwoordde met toorn en verontwaardiging, dat hij nooit zulke verklaring zou doen, dat hij zijne positie niet redden wilde door een leugen en ten koste van zijne eer en die zijner dochter, en dus liever terstond zijn bankroet zou verklaren dan zich door zulk eene hulp staande te houden; zóó scheidden zij, en toen Claudineherstelde, was Clara de bruid van Veere, en deze laatste een der gedelegeerden in het bankroet van de firma Verburg.De liefhebbende vader was er gerust op dat het zijne convalescente niet deren zou, zoo hij haar met de eerste helft van die waarheid bekend maakte, doch hij schrikte terug voor de tweede; maar Claudine, met de verhoogde intuïtie eener zieke, die haar juist als ingeeft wat men het zorgvuldigst voor haar tracht te verbergen, had zich op eigene wijze voorbereid op het laatste.»Moge Clara Veere gelukkig maken, en.... het zelve met hem zijn,” sprak zij zacht en met volkomen kalmte. »Zij heeft daarop meer kans dan ik, want haar bekoorde altijd datgene, wat voor mij sinds lang de grootste aantrekkelijkheid verloren heeft, uiterlijke glans, luidruchtige vermaken en de verfijnde genietingen der weelde.”»Dat verheugt mij, mijn kind!” sprak Verburg met een zucht, »want gij begrijpt wel, nu de compagnieschap met Veere niet tot stand is gekomen.... en bij allerlei verliezen die ik geleden heb in den laatsten tijd, ben ik niet meer een rijk man!”»Och! wat doet dat er toe, vader!” hernam zij met een rustig glimlachje, »maar veroorloof mij eene vraag. Gij hebt Veere immers dat geld wel teruggegeven, dat gij vroeger van hem geleend hebt?”»Nog niet!” antwoordde hij met verduisterden blik, »maar.... dat zal later met al het andere wel geschikt worden.”»Wat is er dan nog meer dat geschikt moet worden, waar ditnoodigenaar wachten moet?” vroeg zij ernstig, en hem met een uitvorschenden blik aanziende, waaronder hij het hoofd afwendde.»Arm kind! dat ik het u bekennen moet, nu reeds, daar gij het mogelijk nog niet dragen kunt!” riep hij onder tranen. »Datgeen wat mij dreigde vóór uwe ziekte, heeft getroffen; ik kon mijn krediet niet langer staande houden, ik heb mijne onmacht om aan mijne verplichtingen te voldoen openlijk moeten belijden, en nu is de zaak in handen van scheidrechters, die alles zullen regelen!”»Zoo iets lag me bij!” hernam Claudine, zonder eenigen schrik of verwondering te toonen; »er moest iets bijzonders zijn voorgevallen, dit wist ik.... ik kan niet recht meer zeggen uit welke waarnemingen; maar reeds de bijzonderheid dat gij, anders geheel door uwe drukke kantoorzaken bezet, altijd om en bij mij zijt, deed mij zoo iets verwachten.”»Ja, ik heb nu den tijd!” sprak hij smartelijk; »ik heb mijne zaken, mijne boeken, mijne kas zelfs, zoover die ’t kantoor aangaat, in handen gesteld van de gelastigden mijner crediteuren. Veere is een van hen, en daar hij juist eene belangrijke pretensie op mij heeft van voorgeschoten gelden....”»Moetdiepretensie dunkt mij hoe eer hoe beter worden afgedaan,” viel zij in met zekere levendigheid.»Ja, melieve! Maar dat hangt niet meer van mij af; door allerlei oorzaak blijft die zaak nog wat hangende, ook omdat er wel hoop is op het inkomen van zekere posten, die mijndeficitaanmerkelijk zouden verminderen.”Zonder iets te antwoorden, wandelde Claudine aan zijn arm den tuin rond, als in nadenken verzonken. Eindelijk verbrak zij dat zwijgen.»Zeg, vader! heb ik niet wel eens van u gehoord, dat mijn moederlijk vermogen buiten uwe zaken is gebleven?”»Ja, gelukkig! Zoo is het. Hare huwelijksvoorwaarde ten bedrage van vijftigduizend gulden, is te uwen behoeve op het grootboek geplaatst na haar overlijden; die zijn in elk geval voor u gered.”»Maar is uwe eer als koopman daarmee ook gered, vader?”»Niemand zal eenige fraude vinden in mijne boeken, niemand zal mij van deloyale handelingen kunnen beschuldigen,” hernam hij met zekere vastheid, na een oogenblik zwijgens.»En Veere?”»Die heeft geen recht zich te beklagen zoo hij verlies lijdt door een bankroet, dat hij met eenige edelmoedigheid had kunnen voorkomen. Zoo hij mij in deze crisis had willen bijstaan, zonder mij vernederende voorwaarden op te leggen, zou hij het geleende geld nevens het andere eenmaal met winst hebben terugbekomen; nu heeft hij zelf mij de gelegenheid benomen om mij met hem afzonderlijk te verstaan.”»Maar als ik nu die vijftigduizend gulden afstond, om onder uwe crediteuren verdeeld te worden, zou dat dan de schikking niet bespoedigen? Zou vriend en vijand u dan niet den lof geven van een loyaal koopman en een volkomen eerlijk schuldenaar te zijn?”»Ik ken er die mij een gek zouden noemen, maar.... ik stem het u toe, ook zouden er zijn, en van de besten, die dezehandelwijze zouden weten te waardeeren.... doch.... laat ons daar niet meer van spreken, Claudine! er kan toch niets van komen.”»Waarom niet, vader? Ik ben immers.... meerderjarig geworden en heb vrijheid over dat geld te beschikken?”»Dat is wel zoo, maar als gij, ik zou eigenlijk moeten zeggen alswijdit offer brengen, rest ons niets meer dan eene lijfrente, die uwe tante voor u kocht en die nog geen zeshonderd gulden bedraagt.”»Laat ons trachten van die lijfrente te leven, vader! en toon u een onberispelijk eerlijk man, zooals gij zijt in uw harte,” sprak Claudine met eene edele geestdrift, waarbij een zachte blos hare bleeke wangen overtoog.»Zoo ik alleen in de wereld ware, zou ik het zeker doen, geloof dat van mij!” sprak hij, haar met tranen in het oog de hand drukkende, »maar u arm en behoeftig te zien, u ontberingen te moeten opleggen van allerlei aard, dát.... dat gaat boven mijn vermogen.”»Doe u zelven dan eenig geweld aan, vader! want hetmoetzoo zijn, nu wij eens weten wat wij hier te doen hebben, mogen wij het niet laten.”»Gij spreekt zoo, mijn kind! omdat gij den jammer niet overziet, waarin gij u storten zoudt, bedenk toch, als gij dit offer brengt, houden wij niets, niets meer over....”»Ja toch, vader! dan houden wij wel iets over, en iets zeer kostelijks zelfs, dat bij alles te pas komt, de getuigenis onzer consciëntie dat wij onzen plicht hebben gedaan!”»Die zullen wij hebben, dat is waar!” hernam hij met zekere bitterheid; »maar wij zullen doodarm zijn!”»Het zij zoo! arm maar vrij! Men kan een vernieuwd leven niet beter aanvangen,” hernam zij met vastheid, en de schoone, zwakke oogen schitterden met een liefelijken glans, en de edele uitdrukking van haar gelaat had iets zóó wegslepends, dat Verburg haar met verrukking in zijne armen sloot, en als buiten zich zelven gebracht instemde met hare beslissing.Hierbij bleef het, en alzoo deden zij.Al hunne bezittingen werden den schuldeischers overgeleverd. Hun huis, hunne prachtige meubelen werden verkocht, en zij behielden er niets van dan de piano, die Claudine liet inkoopen,omdat zij er een plan mede had, en een schilderijtje van Frits, dat deze haar vader geschonken had en dat in het kleine stadje geen kooper vond.Daarna trokken zij weg, zonder iemand met hunne voornemens of met hunne toekomstige verblijfplaats bekend te maken.Menkeurde deze geheimzinnigheid af. Zij behoefden zich immers niet te schamen, zij waren verarmd en vernederd, dat is waar; maar geen vlek bleef rusten op hun naam. Het bankroet was een ongeluk, geen schandaal!Integendeel, de schuldeischers hadden reden van tevredenheid, en er waren onder hen die gaarne de handen ineen zouden gelegd hebben, om er Verburg weer op te helpen; maar deze was niet meer de man om iets te beginnen, hij had er den lust en den moed toe verloren. Veere noemde hem een dwaas en beschuldigde Claudine van roekeloosheid en trots, omdat zij de vijftigduizend gulden, die haar toebehoorden, zoo onberaden in den draaikolk van eene failliete massa had geworpen.Claudine glimlachte met zachten weemoed, toen dit oordeel haar werd overgebracht. »Hoe weinig pasten die man en zij bij elkander! maar zij dankte God in ’t harte, dat zij bewaard was gebleven voor die andere roekeloosheid; haar leven te werpen in den draaikolk van zulk een ongelijk huwelijk!”
IV.Frits was in zijn logement teruggekomen, hij wist zelf nauwelijks hoe, want hij was dus in gedachten verdiept voortgegaan, dat hij langs het huis van Verburg voorbij was geloopen, zonder het te weten, ook zonder door iemand herkend te zijn, althans zonder eenige ontmoeting waaruit dit bleek. Ten deele voelde hij zich van een last verlicht. Aan Claudine was nu eene schitterende maatschappelijke positie verzekerd; hij was dus niet de hinderpaal geweest, die hetgeen mijnheer Verburg haar »geluk” noemdein den weg stond. Zij waren nu beiden voor elken terugval, voor elke zwakheid bewaard. Dat zij dezen stap had kunnen doen, reeds nù, het sneed hem door de ziel, maar toch—had hij zelf haar niet het eerst afgestaan, al was het met een bloedend hart; moest zij zich niet vrij achten sinds hij er met zooveel ernst op aangedrongen had dat zij haar plicht zou doen jegens haar vader. Zij had naar dien raad geluisterd, wellicht had die haar over de laatste aarzeling heengeholpen. Zie! alles was nu immers zooals het behoorde, hij kon zich vrijer voelen, behoefde niet meer gebukt te gaan onder de zware verantwoordelijkheid, onder de pijnigende bijgedachte, dat hij haar aan een leven van onbevredigde wenschen overliet. Zij zou niet in eenzaamheid hare jeugd zien verkwijnen; alle genietingen des levens die door Indische schatten konden aangebracht worden, zouden de hare zijn; zij zou ten minste dat uiterlijk geluk bezitten, dat door zoovelen voor het eene noodige werd gehouden, en dàt, zelfs waar het gering geschat werd, bij het bezit, zijne waarde had voor hen die wisten wat ontberingen en zorgen te beteekenen hadden. Dat zou Claudine nooit weten! Dat moest hem tot troost zijn, hem die er al het drukkende van kende. Maar al trachtte hij zich dus te troosten, al wilde hij het zich zelf opdringen, dat hij nu reden had om kalmer te wezen, om zich verlicht te voelen, telkens kwam toch de gedachte weer boven, dat Dientje, zijn eigen lieve Dientje, opgeofferd werd; dat zij bij allen uiterlijken glans ongelukkig moest zijn, en dat hij daarvan de schuld droeg. Hij, die haar broeder, haar leidsman had willen zijn, zelfs al had hij niet haar geliefde mogen wezen; wat was hij nu voor haar geworden? Niets, indien maar niets; hij moest het nu hopen, al kwam al de teederheid van zijn eigen hart tegen dien wensch op.»Moet er van middag op eten gerekend worden voor meneer?” met die vraag van den kastelein werd Frits op eens uit zijn somberen gedachtenkring gerukt en tot de platste realiteit teruggebracht.”»Als ik hier blijven moet,” antwoordde hij, nog niet recht bij de kwestie, in eenige verwarring.»Dat zal wel uitkomen, de diligence rijdt niet voor zessen.”»Wordt hier table d’hôte gehouden?” vroeg Frits die zijn best deed om zich in de situatie van ’t oogenblik te voegen.»Neen! daar doen we hier niet aan. Met veemarkten en inde kermis is er een open tafel voor het boerenvolk en toen we nog garnizoen hadden, in plaats van dat miserabele troepje soldaten dat bij het magazijn de wacht betrekt, was hier eene officierstafel, en ze waren tevreden, want ik heb eene goede kokkin—al zeg ik het zelf. Maar wat helpt me dat nu, de commis-voyageurs,—als ze er zijn, maar dit jaar zijn die ook al schaarsch,—de commis-voyageurs vragen hun biefstuk met aardappelen en daarmee pas. Heeren zooals die Engelschman en meneer komen er geen drie in de maand! Als nou meneer het schikken kon om met den Engelsman mee te doen die nog hier is—want hij kwam te laat voor de diligence—en die tusschen twaalf en half een zijn tweede ontbijt gebruikt, dat hijlunsnoemt, en daar we weer wat warms voor moeten maken, dan zou dat best uitkomen....”»Schik het zooals gij wilt, dat is mij hetzelfde,” viel Frits in om er af te wezen.»Nou daar doet meneer mij een dienst mee, want mijne keukenmeid moet van middag assisteren bij de Verburgs; daar is een diner, de juffrouw gaat trouwen.”Frits sprong op of een wesp hem gestoken had; moest hij dan ieder oogenblik opnieuw en door iedereen aan zijn leed herinnerd worden.»Kan je me geen rijtuig geven tot halfweg?” vroeg hij op eens met een plotseling besluit.»Ja dat kàn wel, maar we doen het niet graag, weetje, om de diligence; als wij die benadeelen dan doen zij ’t ons ook!”»Wat moet het kosten?” vroeg Frits dringend, zonder zich om die praatjes te bekommeren.»Als meneer zoo’n haast heeft, tien gulden!”»Alleen naar halfweg, dat’s afzetterij! maar dat doet er niet toe, laat inspannen,” hernam Frits, die op dit oogenblik alles wat hij bezat zou gegeven hebben om onverwijld weg te komen, om met zijne smart en zijne eigen gepeinzen alleen te zijn.De kastelein, verbaasd dat hij het slechte akkoord aanging, haastte zich echter langzaam om het ten uitvoer te leggen; hij liet Frits alleen als om diens bevel op te volgen, maar begaf zich naar de keuken om daar aan te zetten tot spoed met het déjeuner dinatoire voor den Engelschman bestemd, in de verwachting dat ook de andere logé daaraan deel zou nemen. Maar toen dit opgedischtwerd, beweerde Frits, wiens ongeduld zich zóó niet paaien liet, niets noodig te hebben dan zijn rijtuig; met eten of drinken zou hij zich niet ophouden. Bij die verzekering glimlachte de kastelein, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde en de gelagkamer verliet.Toen de vreemdeling binnentrad en zich tegenover Frits neerzette, nam dezepar manière de contenanceeene courant in handen en ging druk lezen, hoewel hij moeite zou gehad hebben om te vertellen wat hij eigenlijk las. De vreemdeling at zijn biefstuk, zijne ham en zijne ommelette, met de gemakkelijkheid en den spoed die de Engelschen karakteriseert; tegelijk zag hij de rekening in, die men hem voorgelegd had, en het was blijkbaar dat hij zich afgezet geloofde, uit het misnoegde gezicht dat hij trok en de minachtende geste waarmede hij het stuk papier ter zijde wierp.Frits die zijne krant nu wel al driemaal had kunnen doorlezen, en nog niets van het rijtuig merkte, kon zijn ongeduld en misnoegen niet langer verbergen. Hij begon heen en weer te loopen, bekeek de armzalige prulplaten die de zaal heetten te versieren, en kon zelfs geen glimlach krijgen over de merkwaardige lotgevallen van de schoone Genoveva, hoe comisch-tragisch ze daar ook waren voorgesteld. Ten laatste trok hij driftig aan de schel, en toen de kastelein in eigen persoon verscheen, hield hij hem zijn horloge voor en sprak met ingehouden toorn:»’t Is nu al drie kwartier geleden dat ik je rijtuig heb besteld en daar komt nog niets.”»Kan ik het helpen! de kales is uit en komt eerst te vier ure weerom, en daar hoor ik in den stal dat de Engelsche heer de berline heeft genomen, die komt zoo aanstonds voor; wij hebben nu niets anders dan de trouw- en begrafeniskoets, daar zal je toch niet van gediend?”Frits stiet eene verwensching uit die zoo sprekend was, dat men de taal niet behoefde te verstaan, om dien kreet van ergernis en verontwaardiging te begrijpen. Aan den vreemdeling die sinds lang mes en vork had weggelegd, en zijne aandacht op Frits had gevestigd, was descènetusschen dezen en den kastelein natuurlijk niet ontgaan, en hij vertolkte dan ook juist en vaardig diens toornigen uitval, zooals bleek toen hij het woord tot hem richtte in gebroken Fransch:»Mauvaise auberge ici, pas vrai Sir—and he charges so much as it is bad,” eindigde hij in zijne eigene taal.Frits kon uit die spraakwarreling genoeg wijs worden om op de voorkomendheid te kunnen antwoorden, tot blijdschap van den vreemdeling in het Engelsch. Eenigszins verlicht, daar hij zijne ergernis kon uitstorten aan een derde, deelde hij hem mee hoe hij teleurgesteld was, en hoe men spotte met zijn verlangen om spoedig te vertrekken; want hij was tot de onderstelling gekomen dat de kastelein met opzet allerlei uitvluchten zocht om hem op te houden; »maar,” vervolgde hij nu weer in ’t Hollandsch en zich tot den laatsten keerende, die rondom de tafel draaide en hen beurtelings aanzag of hij hen de woorden uit den mond wilde kijken, »maar als jij, meester Koppelman! mij nu niet binnen tien minuten een rijtuig bezorgt, dan loop ik je huis uit en bestel het bij een ander.” Al sprekende had hij zijn horloge op tafel neergelegd en zag den kastelein aan met een vasten besloten blik.»Wel ja! wel ja! zij zijn hier opgeschept, de rijtuigen,” hernam deze brutaal en met tergenden glimlach. »Ik verwed twintig gulden tegen tien, dat je hier geen rijtuig krijgen zult, zelfs geen boerenwagen; ’t is voorjaarsveemarkt te H. en alle paarden zijn uit! Waarom blieft meneer niet mee te eten en rust te houden tot de kales komt.”Frits was niet in eene stemming van lankmoedigheid en er was iets moedwilligs uittartends in den harden, drogen toon van den lompen herbergier, dat zeer bijzonder op zijne reeds zoo geprikkeld zenuwen werkte. Hij vloog op met fonkelende oogen en gloeiende wangen, met eene heftigheid of hij den grinnikenden Koppelman te lijf wilde.De herbergier, die zeker aan standjes gewoon was, trad hem stoutelijk tegen als wilde hij een aanval uitlokken, maar de Engelschman was ook opgestaan, trad ijlings tusschen beiden in en legde gemeenzaam de hand op den schouder van Frits, als om zijne drift te stillen, terwijl hij sprak op vasten, maar vriendelijken toon:»Beheersch toch u zelven, jongmensch! er is tegen zulk grof volk niets te doen dan zich te onthouden. Gij kunt immers met mij meerijden als gij wilt, want ik moet ook naar Amsterdam en sinds gij haast hebt, wees getroost, want daar komt waarlijk de berline!”Reeds had Frits zich van den kastelein af, en naar den vreemdeling toegekeerd.»Is dat meenens, mijnheer! is het geen onbescheidenheid, gebruik te maken van uw aanbod?” vroeg hij met een zeker gevoel van verlichting of hij reeds aan al zijne kwellingen een eind zag.»Mij dunkt die kast is ruim genoeg voor twee!” antwoordde de vreemdeling lachend op het logge voertuig wijzende, met twee magere paardenbespannendie, mak als lammeren, meer veiligheid dan spoed waarborgden.»Nu dan, mijnheer? ik neem met dankbaarheid aan,” sprak Frits, geheel gewonnen door die mengeling van goedheid en vastheid die hem toesprak uit het gelaat van den Brit.»Laten wij dan ons reisverbond bezegelen en drink een glas wijn met mij vóór wij gaan, ik weet geen beter middel om ons aan elkaar voor te stellen: Ik heet Wilkinson! en gij?”»Rosemeijer!”»Your health master Rosemeijer!” sprak nu de vreemdeling, terwijl hij zijn glas in één teug ledigde en den naam langzaam maar met groote nauwkeurigheid teruggaf.»De uwe, master Wilkinson!” riep Frits, met levendigheid zijn voorbeeld volgende. Nu eerst bemerkte hij dat hij toch wel behoefte had aan eenige verkwikking; maar het was te laat om zich daarmee nog op te houden.Wilkinson reikte hem de hand, en van weerszijden volgde er een trouwhartigshakehands.»Denkt meneer ook te gaan?” vroeg de kastelein wrevelig, nu hij de goede verstandhouding opmerkte tusschen zijne beide gasten. »Die comediant, die niets gebruiken zou maar die zich wel tracteeren laat!” mompelde hij met ergernis halfluid, doch men nam geene notitie van dat gemor.»Yes we are going! pay yourself,” en Wilkinson wierp hem een Hollandsch bankbiljet toe, met zijne nota.Frits vroeg ook naar zijne vertering.»Dat heeft nog geen haast,” gaf Koppelman ten antwoord met eene bedoeling die licht te raden was.»Het heeft haast, want ik rijd met mijnheer mee.”»Zoo, dat’s ’n mooie! en de kales die je besteld hebt, en die ieder moment komen kan.”»Als je daar nog een woord van spreekt, roep ik de politie in en verklaag je van afzetterij,” sprak Frits nu met vastheid maarzonder drift, en een vijfguldenstuk op de tafel leggende, ging hij voort: »Neem daar af wat je toekomt.”»Maar de koetsier heeft recht op een fooi extra, als hij er twee rijdt,” sprak Koppelman, terwijl hij Frits eenig klein geld teruggaf, de bijzonderheid dat er een Hollander was die den Engelschman in het nazien van de rekening behulpzaam kon zijn, maakte hem voorzichtig en wat meer gedwee.Dit geregeld zijnde, nam Frits zijn mantel over den arm en gedienstig voor den aanstaanden reisgezel, wilde hij diens kleine reistas opnemen, daar de knecht bezig was zijne verdere bagage in te laden.»Met voor eens anders goed te zorgen, verachtloost gij uw eigen,” sprak deze met zekeren nadruk, »gij vergeet uw horloge!” en hij stelde het hem ter hand.Frits verbleekte bij de gedachte aan die mogelijkheid.»Dat zou een onherstelbaar verlies voor mij zijn,” sprak hij het zorgvuldig bij zich stekende.»Zoo komt het mij ook voor, een oud familiestuk, een best werk, zeker wat lomp en zwaar, maar dat is het gewone gebrek van die oude repetities, ze maken die nu beter.”»Verschoon mij, mijnheer! hoe weet gij dat het eene repetitie is?” vroeg Frits wat verwonderd.»Dat is wel te zien! en daarbij heb ik nog eene reden om dat te onderstellen, die ik u zeggen zal als weconfortablein ons rijtuig zitten!”»Klaar koetsier!” en de staljongen-kellnersloeg het portier dicht dat de glazen rammelden; de fooi was hem niet meegevallen.Te zes ure, op het oogenblik zelf, dat de diligence zou afrijden, kwam een huisknecht aanloopen met een pakje dat nog mee moest.»Komt van?” vroeg Koppelman schrijvende.»Van mijnheer Verburg,” antwoordde de knecht.»Voor wie?” vroeg de kastelein, die tevens de directie had over het bureau der diligence.»Voor mijnheer Rosemeijer, kunstschilder te Amsterdam,cito-cito.”»Nou! dat’s al casueel, als je een paar uren vroeger gekomen waart, had hij het zelf kunnen meenemen!”
Frits was in zijn logement teruggekomen, hij wist zelf nauwelijks hoe, want hij was dus in gedachten verdiept voortgegaan, dat hij langs het huis van Verburg voorbij was geloopen, zonder het te weten, ook zonder door iemand herkend te zijn, althans zonder eenige ontmoeting waaruit dit bleek. Ten deele voelde hij zich van een last verlicht. Aan Claudine was nu eene schitterende maatschappelijke positie verzekerd; hij was dus niet de hinderpaal geweest, die hetgeen mijnheer Verburg haar »geluk” noemdein den weg stond. Zij waren nu beiden voor elken terugval, voor elke zwakheid bewaard. Dat zij dezen stap had kunnen doen, reeds nù, het sneed hem door de ziel, maar toch—had hij zelf haar niet het eerst afgestaan, al was het met een bloedend hart; moest zij zich niet vrij achten sinds hij er met zooveel ernst op aangedrongen had dat zij haar plicht zou doen jegens haar vader. Zij had naar dien raad geluisterd, wellicht had die haar over de laatste aarzeling heengeholpen. Zie! alles was nu immers zooals het behoorde, hij kon zich vrijer voelen, behoefde niet meer gebukt te gaan onder de zware verantwoordelijkheid, onder de pijnigende bijgedachte, dat hij haar aan een leven van onbevredigde wenschen overliet. Zij zou niet in eenzaamheid hare jeugd zien verkwijnen; alle genietingen des levens die door Indische schatten konden aangebracht worden, zouden de hare zijn; zij zou ten minste dat uiterlijk geluk bezitten, dat door zoovelen voor het eene noodige werd gehouden, en dàt, zelfs waar het gering geschat werd, bij het bezit, zijne waarde had voor hen die wisten wat ontberingen en zorgen te beteekenen hadden. Dat zou Claudine nooit weten! Dat moest hem tot troost zijn, hem die er al het drukkende van kende. Maar al trachtte hij zich dus te troosten, al wilde hij het zich zelf opdringen, dat hij nu reden had om kalmer te wezen, om zich verlicht te voelen, telkens kwam toch de gedachte weer boven, dat Dientje, zijn eigen lieve Dientje, opgeofferd werd; dat zij bij allen uiterlijken glans ongelukkig moest zijn, en dat hij daarvan de schuld droeg. Hij, die haar broeder, haar leidsman had willen zijn, zelfs al had hij niet haar geliefde mogen wezen; wat was hij nu voor haar geworden? Niets, indien maar niets; hij moest het nu hopen, al kwam al de teederheid van zijn eigen hart tegen dien wensch op.
»Moet er van middag op eten gerekend worden voor meneer?” met die vraag van den kastelein werd Frits op eens uit zijn somberen gedachtenkring gerukt en tot de platste realiteit teruggebracht.”
»Als ik hier blijven moet,” antwoordde hij, nog niet recht bij de kwestie, in eenige verwarring.
»Dat zal wel uitkomen, de diligence rijdt niet voor zessen.”
»Wordt hier table d’hôte gehouden?” vroeg Frits die zijn best deed om zich in de situatie van ’t oogenblik te voegen.
»Neen! daar doen we hier niet aan. Met veemarkten en inde kermis is er een open tafel voor het boerenvolk en toen we nog garnizoen hadden, in plaats van dat miserabele troepje soldaten dat bij het magazijn de wacht betrekt, was hier eene officierstafel, en ze waren tevreden, want ik heb eene goede kokkin—al zeg ik het zelf. Maar wat helpt me dat nu, de commis-voyageurs,—als ze er zijn, maar dit jaar zijn die ook al schaarsch,—de commis-voyageurs vragen hun biefstuk met aardappelen en daarmee pas. Heeren zooals die Engelschman en meneer komen er geen drie in de maand! Als nou meneer het schikken kon om met den Engelsman mee te doen die nog hier is—want hij kwam te laat voor de diligence—en die tusschen twaalf en half een zijn tweede ontbijt gebruikt, dat hijlunsnoemt, en daar we weer wat warms voor moeten maken, dan zou dat best uitkomen....”
»Schik het zooals gij wilt, dat is mij hetzelfde,” viel Frits in om er af te wezen.
»Nou daar doet meneer mij een dienst mee, want mijne keukenmeid moet van middag assisteren bij de Verburgs; daar is een diner, de juffrouw gaat trouwen.”
Frits sprong op of een wesp hem gestoken had; moest hij dan ieder oogenblik opnieuw en door iedereen aan zijn leed herinnerd worden.
»Kan je me geen rijtuig geven tot halfweg?” vroeg hij op eens met een plotseling besluit.
»Ja dat kàn wel, maar we doen het niet graag, weetje, om de diligence; als wij die benadeelen dan doen zij ’t ons ook!”
»Wat moet het kosten?” vroeg Frits dringend, zonder zich om die praatjes te bekommeren.
»Als meneer zoo’n haast heeft, tien gulden!”
»Alleen naar halfweg, dat’s afzetterij! maar dat doet er niet toe, laat inspannen,” hernam Frits, die op dit oogenblik alles wat hij bezat zou gegeven hebben om onverwijld weg te komen, om met zijne smart en zijne eigen gepeinzen alleen te zijn.
De kastelein, verbaasd dat hij het slechte akkoord aanging, haastte zich echter langzaam om het ten uitvoer te leggen; hij liet Frits alleen als om diens bevel op te volgen, maar begaf zich naar de keuken om daar aan te zetten tot spoed met het déjeuner dinatoire voor den Engelschman bestemd, in de verwachting dat ook de andere logé daaraan deel zou nemen. Maar toen dit opgedischtwerd, beweerde Frits, wiens ongeduld zich zóó niet paaien liet, niets noodig te hebben dan zijn rijtuig; met eten of drinken zou hij zich niet ophouden. Bij die verzekering glimlachte de kastelein, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde en de gelagkamer verliet.
Toen de vreemdeling binnentrad en zich tegenover Frits neerzette, nam dezepar manière de contenanceeene courant in handen en ging druk lezen, hoewel hij moeite zou gehad hebben om te vertellen wat hij eigenlijk las. De vreemdeling at zijn biefstuk, zijne ham en zijne ommelette, met de gemakkelijkheid en den spoed die de Engelschen karakteriseert; tegelijk zag hij de rekening in, die men hem voorgelegd had, en het was blijkbaar dat hij zich afgezet geloofde, uit het misnoegde gezicht dat hij trok en de minachtende geste waarmede hij het stuk papier ter zijde wierp.
Frits die zijne krant nu wel al driemaal had kunnen doorlezen, en nog niets van het rijtuig merkte, kon zijn ongeduld en misnoegen niet langer verbergen. Hij begon heen en weer te loopen, bekeek de armzalige prulplaten die de zaal heetten te versieren, en kon zelfs geen glimlach krijgen over de merkwaardige lotgevallen van de schoone Genoveva, hoe comisch-tragisch ze daar ook waren voorgesteld. Ten laatste trok hij driftig aan de schel, en toen de kastelein in eigen persoon verscheen, hield hij hem zijn horloge voor en sprak met ingehouden toorn:
»’t Is nu al drie kwartier geleden dat ik je rijtuig heb besteld en daar komt nog niets.”
»Kan ik het helpen! de kales is uit en komt eerst te vier ure weerom, en daar hoor ik in den stal dat de Engelsche heer de berline heeft genomen, die komt zoo aanstonds voor; wij hebben nu niets anders dan de trouw- en begrafeniskoets, daar zal je toch niet van gediend?”
Frits stiet eene verwensching uit die zoo sprekend was, dat men de taal niet behoefde te verstaan, om dien kreet van ergernis en verontwaardiging te begrijpen. Aan den vreemdeling die sinds lang mes en vork had weggelegd, en zijne aandacht op Frits had gevestigd, was descènetusschen dezen en den kastelein natuurlijk niet ontgaan, en hij vertolkte dan ook juist en vaardig diens toornigen uitval, zooals bleek toen hij het woord tot hem richtte in gebroken Fransch:
»Mauvaise auberge ici, pas vrai Sir—and he charges so much as it is bad,” eindigde hij in zijne eigene taal.
Frits kon uit die spraakwarreling genoeg wijs worden om op de voorkomendheid te kunnen antwoorden, tot blijdschap van den vreemdeling in het Engelsch. Eenigszins verlicht, daar hij zijne ergernis kon uitstorten aan een derde, deelde hij hem mee hoe hij teleurgesteld was, en hoe men spotte met zijn verlangen om spoedig te vertrekken; want hij was tot de onderstelling gekomen dat de kastelein met opzet allerlei uitvluchten zocht om hem op te houden; »maar,” vervolgde hij nu weer in ’t Hollandsch en zich tot den laatsten keerende, die rondom de tafel draaide en hen beurtelings aanzag of hij hen de woorden uit den mond wilde kijken, »maar als jij, meester Koppelman! mij nu niet binnen tien minuten een rijtuig bezorgt, dan loop ik je huis uit en bestel het bij een ander.” Al sprekende had hij zijn horloge op tafel neergelegd en zag den kastelein aan met een vasten besloten blik.
»Wel ja! wel ja! zij zijn hier opgeschept, de rijtuigen,” hernam deze brutaal en met tergenden glimlach. »Ik verwed twintig gulden tegen tien, dat je hier geen rijtuig krijgen zult, zelfs geen boerenwagen; ’t is voorjaarsveemarkt te H. en alle paarden zijn uit! Waarom blieft meneer niet mee te eten en rust te houden tot de kales komt.”
Frits was niet in eene stemming van lankmoedigheid en er was iets moedwilligs uittartends in den harden, drogen toon van den lompen herbergier, dat zeer bijzonder op zijne reeds zoo geprikkeld zenuwen werkte. Hij vloog op met fonkelende oogen en gloeiende wangen, met eene heftigheid of hij den grinnikenden Koppelman te lijf wilde.
De herbergier, die zeker aan standjes gewoon was, trad hem stoutelijk tegen als wilde hij een aanval uitlokken, maar de Engelschman was ook opgestaan, trad ijlings tusschen beiden in en legde gemeenzaam de hand op den schouder van Frits, als om zijne drift te stillen, terwijl hij sprak op vasten, maar vriendelijken toon:
»Beheersch toch u zelven, jongmensch! er is tegen zulk grof volk niets te doen dan zich te onthouden. Gij kunt immers met mij meerijden als gij wilt, want ik moet ook naar Amsterdam en sinds gij haast hebt, wees getroost, want daar komt waarlijk de berline!”
Reeds had Frits zich van den kastelein af, en naar den vreemdeling toegekeerd.
»Is dat meenens, mijnheer! is het geen onbescheidenheid, gebruik te maken van uw aanbod?” vroeg hij met een zeker gevoel van verlichting of hij reeds aan al zijne kwellingen een eind zag.
»Mij dunkt die kast is ruim genoeg voor twee!” antwoordde de vreemdeling lachend op het logge voertuig wijzende, met twee magere paardenbespannendie, mak als lammeren, meer veiligheid dan spoed waarborgden.
»Nu dan, mijnheer? ik neem met dankbaarheid aan,” sprak Frits, geheel gewonnen door die mengeling van goedheid en vastheid die hem toesprak uit het gelaat van den Brit.
»Laten wij dan ons reisverbond bezegelen en drink een glas wijn met mij vóór wij gaan, ik weet geen beter middel om ons aan elkaar voor te stellen: Ik heet Wilkinson! en gij?”
»Rosemeijer!”
»Your health master Rosemeijer!” sprak nu de vreemdeling, terwijl hij zijn glas in één teug ledigde en den naam langzaam maar met groote nauwkeurigheid teruggaf.
»De uwe, master Wilkinson!” riep Frits, met levendigheid zijn voorbeeld volgende. Nu eerst bemerkte hij dat hij toch wel behoefte had aan eenige verkwikking; maar het was te laat om zich daarmee nog op te houden.
Wilkinson reikte hem de hand, en van weerszijden volgde er een trouwhartigshakehands.
»Denkt meneer ook te gaan?” vroeg de kastelein wrevelig, nu hij de goede verstandhouding opmerkte tusschen zijne beide gasten. »Die comediant, die niets gebruiken zou maar die zich wel tracteeren laat!” mompelde hij met ergernis halfluid, doch men nam geene notitie van dat gemor.
»Yes we are going! pay yourself,” en Wilkinson wierp hem een Hollandsch bankbiljet toe, met zijne nota.
Frits vroeg ook naar zijne vertering.
»Dat heeft nog geen haast,” gaf Koppelman ten antwoord met eene bedoeling die licht te raden was.
»Het heeft haast, want ik rijd met mijnheer mee.”
»Zoo, dat’s ’n mooie! en de kales die je besteld hebt, en die ieder moment komen kan.”
»Als je daar nog een woord van spreekt, roep ik de politie in en verklaag je van afzetterij,” sprak Frits nu met vastheid maarzonder drift, en een vijfguldenstuk op de tafel leggende, ging hij voort: »Neem daar af wat je toekomt.”
»Maar de koetsier heeft recht op een fooi extra, als hij er twee rijdt,” sprak Koppelman, terwijl hij Frits eenig klein geld teruggaf, de bijzonderheid dat er een Hollander was die den Engelschman in het nazien van de rekening behulpzaam kon zijn, maakte hem voorzichtig en wat meer gedwee.
Dit geregeld zijnde, nam Frits zijn mantel over den arm en gedienstig voor den aanstaanden reisgezel, wilde hij diens kleine reistas opnemen, daar de knecht bezig was zijne verdere bagage in te laden.
»Met voor eens anders goed te zorgen, verachtloost gij uw eigen,” sprak deze met zekeren nadruk, »gij vergeet uw horloge!” en hij stelde het hem ter hand.
Frits verbleekte bij de gedachte aan die mogelijkheid.
»Dat zou een onherstelbaar verlies voor mij zijn,” sprak hij het zorgvuldig bij zich stekende.
»Zoo komt het mij ook voor, een oud familiestuk, een best werk, zeker wat lomp en zwaar, maar dat is het gewone gebrek van die oude repetities, ze maken die nu beter.”
»Verschoon mij, mijnheer! hoe weet gij dat het eene repetitie is?” vroeg Frits wat verwonderd.
»Dat is wel te zien! en daarbij heb ik nog eene reden om dat te onderstellen, die ik u zeggen zal als weconfortablein ons rijtuig zitten!”
»Klaar koetsier!” en de staljongen-kellnersloeg het portier dicht dat de glazen rammelden; de fooi was hem niet meegevallen.
Te zes ure, op het oogenblik zelf, dat de diligence zou afrijden, kwam een huisknecht aanloopen met een pakje dat nog mee moest.
»Komt van?” vroeg Koppelman schrijvende.
»Van mijnheer Verburg,” antwoordde de knecht.
»Voor wie?” vroeg de kastelein, die tevens de directie had over het bureau der diligence.
»Voor mijnheer Rosemeijer, kunstschilder te Amsterdam,cito-cito.”
»Nou! dat’s al casueel, als je een paar uren vroeger gekomen waart, had hij het zelf kunnen meenemen!”
V.Bram Duinstee had geen logens verteld. Dien eigen avond tegen zeven ure ging hij, in een plechtigen zwarten rok gekleed en met zijne ambtelijke portefeuille onder den arm, naar het huis van den heer Verburg om den eersten schakel te smeden van de keten, die Claudine voor het leven aan den heer Veere binden zou.Er wachtte hem echter eene ontvangst, waarop hij wel niet had kunnen rekenen.Eerst liet men hem een kwartier lang op de stoep staan, en toen hij door een herhaald bellen zijn ongeduld had getoond, werd er niet geopend door den ouden huisknecht in ’t ceremoniëele Zondagspak, zooals hij zich voorgesteld had, maar door eene zoogenaamde noodhulp-keukenmeid, die in plaats van hem behoorlijk binnen te laten, op het punt stond de deur voor zijn neus dicht te slaan, zeggende: »dat mijnheer bij de juffrouw was, en geen mensch kon spreken!”Op zijn aandringen en bij de luide verzekering dat hij de ambtenaar van den burgerlijken stand was, die ontboden en op ditzelfde uur te dezen huize verwacht werd, liet ze hem in de spreekkamer en ging den knecht waarschuwen.De oude getrouwe kwam langzaam, bijna op de teenen aansluipen, zag er zeer gedrukt en verlegen uit, en vroeg met eene zachte trillende stem, verschooning: »dat men mijnheer niet had afgezegd; in de drukte was dat vergeten, mijnheer moest het niet kwalijk nemen.”»Maar wat is dat dan voor drukte?” vroeg Bram half korzel, half nieuwsgierig, »waarbij zoo iets vergeten wordt; ik dacht dat jelui het vandaag met niets druk zoudt hebben, dan met de partij.”»Dat was ook zoo, mijnheer! maar de juffrouw is van der zelve gevallen toen ze zich zou gaan kleeden, en nu is ze ziek, zooziek dat de dokter er al tweemaal geweest is, en mijnheer niet van haar bed wijkt.”»Wel, wel! dat’s eene teleurstelling voor den bruigom op het tipje,” zei Bram zelf wat in zijn wiek geschoten, »dat aanteekenen zal dan wel voor lang uitgesteld zijn?”»Als het maar niet afgesteld is voor goed?” zuchtte de goede, oude man, nu zijne smart niet langer beheerschend, »want ze komt er niet door, ze komt er niet door, dat geloof ik vast!”»Kom, zie maar moed te houden, de juffrouw is nog zoo jong, wat ziekte is het?”»Ze zeggen erge zenuwkoortsen, zij ijlt, zij is buiten kennis, met ons tweeën hebben wij haar haast niet....”Een schrille, snerpende gil werd nu uit een der bovenvertrekken gehoord. Jacob bracht den volzin niet ten einde, maar vloog naar boven en liet Bram in den steek, die stillekens wegsloop met de overtuiging, dat hij hier vooreerst niet weer behoefde te komen. »Had Frits nu maar zoo’n haast niet gemaakt,” sprak hij bij zich zelven, »dan zou ik hem dat toch nog kunnen meedeelen, maar ook.... waartoe. Hij kan haar toch niet meer krijgen.”Zoo de heer Verburg had kunnen berekenen aan welke zielverscheurende smart hij zijne dochter ten prooi gaf, toen hij op hare scheiding van Frits aandrong en haar bewoog aan de wenschen van den hartstochtelijken Oosterling gehoor te geven, zou hij zeker zijn innig geliefd, eenig kind niet op zulke proef hebben gesteld. Maar hare zelfbeheersching, hare zedelijke kracht om onder uiterlijke kalmte de smartelijkste aandoeningen te verbergen en iedere heftige uiting daarvan te beheerschen, tot ze in eenzaamheid op hare kamer neerzat, deze kracht, die naar zijn gevoelen boven haar vermogen ging, had hem misleid. Het is nu eenmaal het lot van diepe, fijnvoelende naturen, die gewoon zijn naar binnen te leven en haar lijden weten te verbloemen, dat zij minder gespaard worden dan degenen wier indrukken zich terstond in een tranenvloed lucht geven of met sprekende gebaren en roepingen van wanhoop.Ware Claudine met een kreet van smart in onmacht gevallen op het eerste gezicht van het onheilspellend pakket, op het eerste woord eener beschuldiging tegen Frits, haar vader zou haar met zijne eischen en bezwaren niet verder vervolgd hebben. Hij zouniet aangedrongen hebben op een offer dat allermeest voor zijne belangen werd gebracht. Maar toen zij die eerste schokken doorstond, als eene die wel diep getroffen is, maar niet ten bloede toe gewond, toen begreep hij dat de pijnlijke operatie maar in eens moest worden doorgezet, wel gerust dat zij er niet aan zoude doodbloeden en in gemoede overtuigd dat hij de wijste partij koos die er te nemen viel, in haar belang en in het zijne. Het verdere van dien dag bracht Claudine door in strenge afzondering, den ganschen nacht waakte zij en worstelde met zich zelve en streed met het onverbiddelijk wapen van den plicht tegen hare innigste wenschen, hare lievelingsdroomen en de teerste genegenheid des harten en meende na dien strijd de overwinning gebracht te hebben aan de zijde waar die behoorde, toen zij des anderen daags met een bleek en mat gelaat, maar toch met eene houding waaruit kalmte en berusting sprak, haar vader de morgengroete bracht.Toen Veere gekomen was, had zij hem ernstig maar minzaam ontvangen en de sidderende hand in de zijne gelegd, die hij terstond had gekust met eene hartstochtelijkheid waaronder zij van innerlijken weedom trilde. Gelukkig voor haar dat hij zich welhaast tot haar vader keerde om met dezen de materiëele belangen te bespreken, op zulke wijze dat het den goeden Verburg voor de oogen schemerde bij al de schatten die hij blinken liet. Bruidsgave voor Claudine, speldegeld voor Claudine, douairie voor mevrouw Veere, dat alles werd door hem met Oostersche vrijgevigheid vastgesteld; het was of hij versmaadde met duizenden te rekenen en of alleen tonnen gouds de uitdrukking konden zijn zijner liefde, als het Claudine gold.En Claudine? Zij zat het al zwijgend en roerloos aan te hooren, maar zij zou er niets van kunnen navertellen; zij had niet geluisterd.En toen Veere, die heimelijk op eene uitroeping van verrassing, op een blik of een woord van dankbaarheid had gerekend, haar vroeg of zij tevreden was, »of zij ook iets meerders, iets anders bedoelde?” klonk haar antwoord wel wat vreemd.»Verschoon mij, mijnheer! ik heb geen verstand van handelszaken!”Mogelijk ware alles goed gegaan, zoo men de wonde van haar hart tijd gelaten had om te genezen, zoo men haar althans tijd hadgelaten om te bekomen van den eersten schrik en zich te gewennen aan het denkbeeld eener lotswisseling, die onvermijdelijk scheen geworden. Maar de hartstocht van den Indiër en de gejaagdheid waarin haar vader verkeerde, lieten haar tijd noch rust, en Veere, die reeds de ervaring had dat hij alles met zijn geld kon dwingen, zag nergens zwarigheid in; hij belastte zich met alle voorloopige schikkingen en wist het door te drijven dat de ondertrouw reeds de volgende week zoude plaats hebben.Claudine, onverschillig voor alles sinds ze Frits had moeten opgeven, had geen tegenstand geboden, zij liet anderen voor haar schikken en handelen; wat zeide het haar, het offer waartoe zij zich bereid had verklaard, iets vroeger of later te brengen, er was toch niet aan te ontkomen, en hoe eerder het dan volbracht was hoe beter; in het onherroepelijke zou zij het beste kunnen berusten, stelde zij zich voor en verbeeldde zich dat zij die kille lijdelijkheid zou behouden onder alles en tot het einde.Maar zij had te veel van haar hart gevergd, te veel van hare krachten gewacht.Op denzelfden voormiddag toen Frits in smartelijke gedachten verdiept haar huis was voorbijgegaan, dat hij in ’t eerst opzettelijk had vermeden, stond zij voor hare kaptafel om zich te kleeden. Veere zou dien middag met enkele vrienden en de wederzijdsche getuigen bij haar vader dineeren; na de formaliteit van het aanteekenen, dat volgens den bruigomin spe, onder de thee kon plaats vinden, zou hij eene schitterende partij geven in zijn huis, en voor het eerst zijne bruid zijne prachtige salons binnenleiden, op het schitterendst verlicht en feestelijk met bloemen en draperieën getooid, opdat zij van hare aanstaande woning den gunstigsten en behagelijksten indruk zoude krijgen.Claudine, die eene verbintenis des harten zeker liefst in den stillen huiselijken kring zou gevierd hebben, vond in luidruchtig feestgewoel geen bezwaar, maar veeleer zekere veiligheid, daar het haar gelegenheid liet om zich als in zich zelve te isoleeren te midden van de drukte rondom haar; maar voor een bruidsfeest moet men zich tooien en Veere had haar ’s avonds te voren een juweelkistje aangeboden van het fijnste Japansch verlakt, met zilver beslag, waarin onder allerlei sieraden van diamanten en gesteenten een parelsnoer werd gevonden van zeldzame grootte en zuiverheid. Hij verlangde dat zij zich daarmee zousieren op dien dag; zij had het hem beloofd met een zacht pijnlijk glimlachje en zij wilde woord houden. In doffe onverschilligheid had zij zich laten kappen, een kostbare kam in den vorm van een diadeem met diamanten sterren was haar in de blonde vlechten gestoken, maar toen de kapper vertrokken was, had zij ook hare kamenier weggezonden, onder voorwendsel dat zij zich zelve wel konde kleeden voor het diner, en dat er beneden nog allerlei te schikken was waarbij dier hulp te pas kwam. Zij was gelukkig dit voorwendsel gevonden te hebben om alleen te blijven. Het moiré zijden kleed, dat later door een avondtoilet van Indische goudstof zou vervangen worden, lag op de canapé uitgespreid; zij zelve viel daarnevens op de knieën en bad, bad vurig voor haar vader, voor haar zelve, bad allermeest om kracht, slechts kracht om met kalmte te lijden en dat lijden voor anderen te kunnen verbergen; zij smeekte niet om aardsch geluk, zij had met dien wensch afgerekend, maar slechts om moed om haar kruis te dragen, want zij voelde reeds nu dat zij bijkans onder de zwaarte er van bezweek.Dat hare tranen stroomden onder dat gebed, dat ze de prachtige robe bevochtigden, waaraan zij niet eens dacht, is niet te verwonderen; maar toen zij oprees voelde zij zich gesterkt en dacht zich bekwaam om een offer te brengen dat zij haar bruidegom achtte schuldig te zijn. Dat vorstelijke paarlsnoer moest een fijn gouden kettingje vervangen waaraan een klein medaillon hing, haar door Frits gegeven, dat een vlechtwerk van zijn haar bevatte, en dat zij altijd gedragen had van den dag af, dat hij het zelf met van aandoening bevende vingers om haar hals had gehecht; nu moest het weg, numoesthet.Zij mocht het niet eens behouden, zij zou het in het pakketje doen, dat zij voor Frits had bestemd; maar hij moest het weten dat zij het niet dan op het uiterste had afgelegd. In zenuwachtige haast voegde zij nog eenige regelen bij den langen brief, die aan Frits moest gezonden worden, deed het geliefde kleinood af, legde het in ’t foudraaltje en sloot dat bij het overige in. Nu zou alles wel gaan, meende zij, nu kon zij alles; nu had zij met het verledene, met den band harer liefde gebroken voor altijd. Voor altijd!—zij drukte de tranen weg die nog weer wilden uitbarsten, en liet het gloeiende hoofd even rusten tegen de glasruiten als om het te verkoelen.Hare kamer op de eerste verdieping zag op straat uit, eene lieve vroolijke kamer voor de dochter des huizes en geheel naar haren smaak ingericht.Die ook moest zij verlaten, die ook, voor een prachtig boudoir, voor een rijk salon, dat is waar, maar—dat zij met een vreemde zou deelen. Was het vreemd dat zij eenige minuten lang half bedwelmd van aandoening in dezelfde houding bleef—naar buiten starende, zonder te zien,.... dan, wat was dat, wat gaf op eens weer haar oog leven en bezieling? was het de wilde gloed van een heftigen schrik?Frits! Frits, was hij het, die haar voorbijging, hij zelf? Was hij voorbijgegaan, in dezen oogenblik, hij zelf! en toch niet dezelfde meer, zoo bleek, zoo vermagerd, het hoofd gebukt als in diep gepeins, achteloos gekleed; met den ongeregelden stap van den waanzin schreed hij daar voort vlak langs hare woning heen, zonder opzien of omzien, eene schim van zich zelf! Maar het was ook slechts eene schim, hij kòn het niet zijn, hij niet, hadhijdus kunnen voorbijgaan! Onmogelijk! hare opgewekte verbeelding tooverde haar dit schrikbeeld voor, zij had zich zelve dus verdiept in ’t verledene, waarvan zij nu scheiden moest, dat zij in den eersten voorbijganger den besten, den vriend meende te herkennen met wien zij zich bezighield. Deze gedachten schoten haar als met de snelheid des lichts door het hoofd, terwijl zij zonder het te weten of te willen een kreet had geslaakt van schrik en verbazing, die haar kamermeisje bewoog zich opnieuw te vertoonen, met de vraag of de juffrouw iets scheelde?»Niets, Mientje! niets, je moest me nu maar helpen,” sprak Claudine, zich zelve trachtende te beheerschen en in de hoop dat de tegenwoordigheid van eene andere haar het best zou beschermen tegen een vernieuwd spel harer verbeelding.»Ja juffrouw, ’t is ook hoog tijd; mijnheer Veere zou komen koffiedrinken, en die is niet te houden van ongeduld als hij de juffrouw niet beneden vindt.”En al pratende ving het meisje hare taak aan. Claudine liet zich opschikken, zwijgend, lijdelijk, gevoelloos bijkans; »niet anders dan of ik een wassen pop had aan te kleeden,” getuigde Mientje later; »ik zag toen al dat zij niet wel was en dat ze al bleeker en bleeker werd, en dat zij de oogen vol tranen had toen ik haar de mooie japon met die kostbare kanten toehaakte;zij meende dat ik het niet zag, omdat ik achter haar stond, maar ik had slechts even in den spiegel te kijken om haar gezicht te zien en ik schrikte er van.”Tot zoover Mientje. Daar voelde het slachtoffer dat men sierde, op eens de zware koude paarlen op hals en schouders neervallen, als hagelslag op het donzig lelieblad!Daar gleed haar eene rilling over de leden alsof reeds de koude hand des doods haar aanraakte, daarbarstteze los in een luid zenuwachtig snikken, en moest zich leunen op het kamermeisje, dat verrast en ontsteld over die heftige aandoening, haar moed trachtte in te spreken.»Kom, juffrouw! kom, een beetje couragie, een schreiend bruidje maakt een lachend vrouwtje; zie toch, ze staan zoo erg mooi die groote parels.”»Weg er mee! weg er mee! het zijn geen paarlen, het zijn slangen! Slangen, die mij omkronkelen, die mij verworgen!” riep Claudine op schrillen, verwilderden toon. »Ik kan ze niet dragen, ik wil niet, ik wil niet! ze benauwen mij, ze wringen mij de keel toe!” En in hare verbijstering, in haar angst rukte zij het paarlsnoer af met zulk eene heftigheid, dat de zijden koord brak en de kostbare kralen den grond bestrooiden.Claudine zelve zou ook zijn neergestort, zoo niet Mientje haar uit alle macht vastgehouden had, tot ze met de stuipachtig tegenspartelende de canapé had bereikt, waar ze na de overspanning bewusteloos neerviel.Men riep Verburg, men haalde den dokter, die verklaarde dat zich hier al de verschijnselen voordeden van eene gevaarlijke zenuwziekte, die de uiterste behoedzaamheid, de meest mogelijke rust vorderde. Toen Veere kwam was hij wrevelig van teleurstelling, meer nog dan getroffen over den treurigen toestand zijner verloofde. Men vergunde hem niet haar te zien en daaruit maakte hij op, dat het zoo erg niet met haar was als men voorgaf!Knorrig verliet hij het huis, waar angst en zorg heerschten, om in zijne eigene woning orders te geven tot het staken van de feestelijke aanstalten en tot het afzeggen der genoodigden.Zijne smart loste zich op in kwaad humeur, waarvan ieder, die met hem te doen had, de onaangename terugwerking ervoer.Het was dan ook wel hard! Duizenden had hij ten koste gelegd,anderen en zich zelven had hij zonder eenige verschooning rusteloos voortgejaagd, alles wat hem omringde had moeten draven en vliegen, om op een bepaald oogenblik een kring van vrienden en bekenden door een ongekend vertoon van pracht en weelde te verblinden en tegelijk met de schoonste bruid op te treden, en door allen om al deze voorrechten benijd te worden,—en dan die kostbare toren van Babel op eens te zien instorten en door de overgevoelige zenuwen eener jonge dame!»Het had zooveel niet te beteekenen! Een flauwte, een weinig de zenuwen in ’t spel!” verzekerde hij aan ieder, die hem meewarig naar ’t ongeval vroeg.»Het zou wel spoedig weer over zijn, maar Verburg was zoo zwak voor zijne dochter, hij maakte er te veel beweging van, hij heeft haar veel te weekelijk opgebracht; hij voor zich had alles voor eene vrouw over, maar in grillen en kuren kon hij zich niet schikken!”Niets is zoo wreed als het teleurgesteld egoïsme.Des anderen daags meldde hij zich nogmaals aan, in de verwachting dat de zenuwachtigheid bedaard zou zijn, en hij zelf kon ontvangen worden; maar de dokter die begreep, dat niets de lijderes minder dienen zou dan een bruigom op het tipje in kwaad humeur, beduidde hem dat zich eene zeer ernstige, zeer gevaarlijke typheuse koorts had geopenbaard, en dat er zeer weinig hoop was op herstel.»Een typheuse koorts, maar die is immers besmettelijk?” vroeg hij ras en kennelijk in de grootste onrust. Er werd toestemmend geantwoord, en men zag Veere vooreerst niet weer!Verburg week niet uit de ziekenkamer zijner dochter. Hij kon zich niet langer vergissen in de oorzaak van haar vreeselijk zenuwlijden. In hare ijlende koortsen riep zij hem telkens toe, zonder hem zelf te herkennen, dat zij bereid was haar plicht te doen, dat zij den heer Veere zou huwen en trouw houden, maar dat ze eerst Frits moest spreken en dat Frits ook wel spoedig komen zou, om haar de parels af te nemen die haar zoo zwaar drukten. In hare verbijstering stelde zij het zich altijd voor, dat Frits verschijnen zou om haar vader te helpen; dat hij over millioenen te beschikken had en alleen wegbleef omdat zij ziek was en omdat hij haar laatste schrijven niet ontvangen had. Te pijnlijker viel het Verburg zulke klachten door de lijderes te hoorenuiten, daar hij werkelijk het pakket had laten bezorgen, dat zij hem in een oogenblik van helder bewustzijn overhandigd had, en waarvan zij hem, als een duredureplicht, de bezorging had aanbevolen. Dan eerst zou ze rust hebben, verzekerde zij, want dát voltooide de scheiding. In de onderstelling dat Frits zelf het ook daarvoor hield en in de hoop dat het weerzien van den ondanks alles geliefde tot hare herstelling zou kunnen meewerken, had de vader, allen trots en alle gramschap en alle kleingeestige bijbedenkingen ter zijde zettende, zelf nog eens aan Frits geschreven, met de verzekering dat zijne liefste wenschen nog zouden kunnen verhoord worden, zoo hij wilde medewerken tot het behoud van zijne Claudine.Hij twijfelde geen oogenblik aan het goed gevolg van dit schrijven. Frits zou in allerijl tot hen komen, en die blijde verrassing zou de gelukkigste wending geven aan de ziekte.Maar Frits kwam niet, Frits antwoordde zelfs niet, Frits liet niets meer van zich hooren!Dies ondanks herstelde Claudine. Hare jeugd, haar sterk gestel weerstonden zegevierend de heftige aanvallen der koorts en de vlagen van wilde geestverbijstering, welke nu werden vervangen door doffe matheid en uitputting; maar het bewustzijn, de kalmte keerden terug, een aanvang van herstel gaf den goeden Verburg zulk eene onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne dochter zelve er de terugwerking van onderging en zich mede verblijdde over het weerkeeren tot het leven, dat haar nauwelijks meer aanlachte sinds zij reeds gemeend had met allen strijd en allen last te hebben afgerekend.Op zekeren dag in het midden van Juni zien wij haar, leunende op den arm van haar vader, langzaam den tuin rondwandelen onder de koesterende stralen van de liefelijke ochtendzon. Zij was nog zeer zwak en geen vroolijk blosje kleurde nog de matte bleekheid van haar vermagerd gelaat. Zij scheen verouderd, hare trekken waren scherper geworden, hare oogen stonden flauw en het was of zij met hun vroolijken glans ook hun liefelijk blauw hadden verloren. Hare prachtige blonde lokken waren afgesneden op raad van den geneesheer, hoe hard het ook Verburg was gevallen aan dezen eisch toe te geven. Een dicht stemmig négligé-mutsje vergoedde geenszins het gemis van dien natuurlijken tooi. Sinds zij herstelde, had zij den naam van Frits niet weer genoemd;toch had zij ook nog niet naar Veere gevraagd; nu verzekerde zij haar vader op kalmen, ernstigen toon, dat zij los was van alles wat haar verhinderen kon den heer Veere weer te zien en hem behoorlijk te ontvangen.Toen begreep Verburg dat hij haar langzaam moest voorbereiden op groote veranderingen, die er waren voorgevallen en die haar offer onnoodig maakten.Daags na de mislukte ondertrouw bevestigden zich de geruchten aangaande het failliet van het huis Heerdt en Comp. en Verburg zag zich als koopman geruïneerd, daar het hem niet mogelijk was uit eigen fondsen de verliezen te vergoeden, die hij leed door dit bankroet.De associatie met Veere was nog niet wettelijk aangegaan, daar de voorgenomen overeenkomst eerst zou geteekend worden tegelijk met het huwelijkscontract. Nu kon er geene sprake meer zijn van die vennootschap; de eenige beweegreden waarom Veere haar had willen aangaan, hield op te bestaan. Claudine verkeerde in ernstig gevaar, en Verburg, die zich voorstelde dat zij mogelijk nog te redden zou zijn door Frits, wilde niet meer aan Veere gebonden zijn. Hij had reeds genoeg de ervaring gekregen van diens koud egoïstisch bestaan, om zich met de hoop te vleien, dat de Indiër gratis de eer eener firma zou willen redden, waarbij hij niet meer geïnteresseerd was. En Verburg had hem juist beoordeeld. De hartstochtelijke Creool, door de schoonheid van Claudine verlokt, had schatten willen geven voor haar bezit. Maar de teleurstelling, die zij hem haars ondanks had bereid, werkte als een stortbad, dat hem verkoelde en ontnuchterde na dien schoonen droom. Nu ja! er werd wel hoop gegeven op Claudine’s herstel, maar toch, maanden lang te moeten wachten op eene zwakke, verbleekte, vermagerde bruid, die van het minste schokje weer zou kunnen instorten, dat, hij erkende het voor ieder wie ’t hooren wilde, dát was zijne zaak niet. Zijn huis was klaar en geheel voor eene somptueuse leefwijze ingericht; hij wilde menschen zien, partijen geven; tot dat alles behoorde eene vrouw; hij achtte het zijn recht om eens rond te zien in de meisjeswereld, of hij eene waardige bezitster vond voor den bruidskorf en de juweelen, die Verburg had laten terugzenden.Zijn oog viel op eene piquante brunette, eene vriendin van Claudine uit hare schooljaren, die coquet genoeg was om hetreeds vroeger op deze verovering te hebben toegelegd en die haar nu trachtte te verzekeren door zijne verbittering tegen Claudine te prikkelen, door telkens met zijdelingsche wenken en schijnbaar achtelooze uitvallen terug te komen op die teedere betrekking, die al van jongs af tusschen Claudine en den jongen Frits Rosemeijer had bestaan. Zij sprak niet dan met achting en belangstelling van Claudine, maar eindigde altijd met te zeggen, deze te goed te kennen om te gelooven, dat zij ooit tot een huwelijk met een ander dan Frits zou zijn overgegaan, al ware ’t ook dat zij er een tijdlang den schijn van had aangenomen om haar vader genoegen te geven!Deze inblazingen kwetsten niet slechts op het pijnlijkst de eigenliefde van den Creool, maar wekten in hem de verdenking op, dat men hemdupehad willen maken, dat het Verburg zelf nooit ernst was geweest met de voorgenomen verbintenis, en dat men alleen eene comedie met hem had gespeeld om te lichter over zijne beurs te kunnen beschikken. Hij vergat dat hij zelf de eerste was geweest om zekere voorschotten op te dringen eer er nog sprake was geweest van Claudine’s hand, en dat hij het alleen aan de kieschheid van Verburg dankte, dat de onderling overeengekomen vennootschap niet was gelegaliseerd, hetgeen hem als associé in het bankroet zou betrokken hebben.Hij vergat dat hij op den dag van het engagement die associatie reeds openlijk had willen aangaan, en dat Verburg daarentegen uitstel had gewenscht tot den avond van de ondertrouw, of zóó hij er aan dacht, was het om uit die handelwijze venijn te zuigen en de loyauteit van den koopman te verdenken, wien het ernst was geweest met de betuiging, dat hij alleen aan een schoonzoon zulke verplichtingen wilde hebben, waarmee Veere den vriend had willen verlokken. Genoeg, in eene samenkomst die de beide mannen nog moesten hebben, liet de laatste niet na, zijn boos vermoeden lucht te geven, met bijvoeging: dat hij nog gezind was Verburg uit zijne verlegenheid te redden, zoo hij in dezen schuld wilde belijden en vergiffenis vragen. Maar Verburg antwoordde met toorn en verontwaardiging, dat hij nooit zulke verklaring zou doen, dat hij zijne positie niet redden wilde door een leugen en ten koste van zijne eer en die zijner dochter, en dus liever terstond zijn bankroet zou verklaren dan zich door zulk eene hulp staande te houden; zóó scheidden zij, en toen Claudineherstelde, was Clara de bruid van Veere, en deze laatste een der gedelegeerden in het bankroet van de firma Verburg.De liefhebbende vader was er gerust op dat het zijne convalescente niet deren zou, zoo hij haar met de eerste helft van die waarheid bekend maakte, doch hij schrikte terug voor de tweede; maar Claudine, met de verhoogde intuïtie eener zieke, die haar juist als ingeeft wat men het zorgvuldigst voor haar tracht te verbergen, had zich op eigene wijze voorbereid op het laatste.»Moge Clara Veere gelukkig maken, en.... het zelve met hem zijn,” sprak zij zacht en met volkomen kalmte. »Zij heeft daarop meer kans dan ik, want haar bekoorde altijd datgene, wat voor mij sinds lang de grootste aantrekkelijkheid verloren heeft, uiterlijke glans, luidruchtige vermaken en de verfijnde genietingen der weelde.”»Dat verheugt mij, mijn kind!” sprak Verburg met een zucht, »want gij begrijpt wel, nu de compagnieschap met Veere niet tot stand is gekomen.... en bij allerlei verliezen die ik geleden heb in den laatsten tijd, ben ik niet meer een rijk man!”»Och! wat doet dat er toe, vader!” hernam zij met een rustig glimlachje, »maar veroorloof mij eene vraag. Gij hebt Veere immers dat geld wel teruggegeven, dat gij vroeger van hem geleend hebt?”»Nog niet!” antwoordde hij met verduisterden blik, »maar.... dat zal later met al het andere wel geschikt worden.”»Wat is er dan nog meer dat geschikt moet worden, waar ditnoodigenaar wachten moet?” vroeg zij ernstig, en hem met een uitvorschenden blik aanziende, waaronder hij het hoofd afwendde.»Arm kind! dat ik het u bekennen moet, nu reeds, daar gij het mogelijk nog niet dragen kunt!” riep hij onder tranen. »Datgeen wat mij dreigde vóór uwe ziekte, heeft getroffen; ik kon mijn krediet niet langer staande houden, ik heb mijne onmacht om aan mijne verplichtingen te voldoen openlijk moeten belijden, en nu is de zaak in handen van scheidrechters, die alles zullen regelen!”»Zoo iets lag me bij!” hernam Claudine, zonder eenigen schrik of verwondering te toonen; »er moest iets bijzonders zijn voorgevallen, dit wist ik.... ik kan niet recht meer zeggen uit welke waarnemingen; maar reeds de bijzonderheid dat gij, anders geheel door uwe drukke kantoorzaken bezet, altijd om en bij mij zijt, deed mij zoo iets verwachten.”»Ja, ik heb nu den tijd!” sprak hij smartelijk; »ik heb mijne zaken, mijne boeken, mijne kas zelfs, zoover die ’t kantoor aangaat, in handen gesteld van de gelastigden mijner crediteuren. Veere is een van hen, en daar hij juist eene belangrijke pretensie op mij heeft van voorgeschoten gelden....”»Moetdiepretensie dunkt mij hoe eer hoe beter worden afgedaan,” viel zij in met zekere levendigheid.»Ja, melieve! Maar dat hangt niet meer van mij af; door allerlei oorzaak blijft die zaak nog wat hangende, ook omdat er wel hoop is op het inkomen van zekere posten, die mijndeficitaanmerkelijk zouden verminderen.”Zonder iets te antwoorden, wandelde Claudine aan zijn arm den tuin rond, als in nadenken verzonken. Eindelijk verbrak zij dat zwijgen.»Zeg, vader! heb ik niet wel eens van u gehoord, dat mijn moederlijk vermogen buiten uwe zaken is gebleven?”»Ja, gelukkig! Zoo is het. Hare huwelijksvoorwaarde ten bedrage van vijftigduizend gulden, is te uwen behoeve op het grootboek geplaatst na haar overlijden; die zijn in elk geval voor u gered.”»Maar is uwe eer als koopman daarmee ook gered, vader?”»Niemand zal eenige fraude vinden in mijne boeken, niemand zal mij van deloyale handelingen kunnen beschuldigen,” hernam hij met zekere vastheid, na een oogenblik zwijgens.»En Veere?”»Die heeft geen recht zich te beklagen zoo hij verlies lijdt door een bankroet, dat hij met eenige edelmoedigheid had kunnen voorkomen. Zoo hij mij in deze crisis had willen bijstaan, zonder mij vernederende voorwaarden op te leggen, zou hij het geleende geld nevens het andere eenmaal met winst hebben terugbekomen; nu heeft hij zelf mij de gelegenheid benomen om mij met hem afzonderlijk te verstaan.”»Maar als ik nu die vijftigduizend gulden afstond, om onder uwe crediteuren verdeeld te worden, zou dat dan de schikking niet bespoedigen? Zou vriend en vijand u dan niet den lof geven van een loyaal koopman en een volkomen eerlijk schuldenaar te zijn?”»Ik ken er die mij een gek zouden noemen, maar.... ik stem het u toe, ook zouden er zijn, en van de besten, die dezehandelwijze zouden weten te waardeeren.... doch.... laat ons daar niet meer van spreken, Claudine! er kan toch niets van komen.”»Waarom niet, vader? Ik ben immers.... meerderjarig geworden en heb vrijheid over dat geld te beschikken?”»Dat is wel zoo, maar als gij, ik zou eigenlijk moeten zeggen alswijdit offer brengen, rest ons niets meer dan eene lijfrente, die uwe tante voor u kocht en die nog geen zeshonderd gulden bedraagt.”»Laat ons trachten van die lijfrente te leven, vader! en toon u een onberispelijk eerlijk man, zooals gij zijt in uw harte,” sprak Claudine met eene edele geestdrift, waarbij een zachte blos hare bleeke wangen overtoog.»Zoo ik alleen in de wereld ware, zou ik het zeker doen, geloof dat van mij!” sprak hij, haar met tranen in het oog de hand drukkende, »maar u arm en behoeftig te zien, u ontberingen te moeten opleggen van allerlei aard, dát.... dat gaat boven mijn vermogen.”»Doe u zelven dan eenig geweld aan, vader! want hetmoetzoo zijn, nu wij eens weten wat wij hier te doen hebben, mogen wij het niet laten.”»Gij spreekt zoo, mijn kind! omdat gij den jammer niet overziet, waarin gij u storten zoudt, bedenk toch, als gij dit offer brengt, houden wij niets, niets meer over....”»Ja toch, vader! dan houden wij wel iets over, en iets zeer kostelijks zelfs, dat bij alles te pas komt, de getuigenis onzer consciëntie dat wij onzen plicht hebben gedaan!”»Die zullen wij hebben, dat is waar!” hernam hij met zekere bitterheid; »maar wij zullen doodarm zijn!”»Het zij zoo! arm maar vrij! Men kan een vernieuwd leven niet beter aanvangen,” hernam zij met vastheid, en de schoone, zwakke oogen schitterden met een liefelijken glans, en de edele uitdrukking van haar gelaat had iets zóó wegslepends, dat Verburg haar met verrukking in zijne armen sloot, en als buiten zich zelven gebracht instemde met hare beslissing.Hierbij bleef het, en alzoo deden zij.Al hunne bezittingen werden den schuldeischers overgeleverd. Hun huis, hunne prachtige meubelen werden verkocht, en zij behielden er niets van dan de piano, die Claudine liet inkoopen,omdat zij er een plan mede had, en een schilderijtje van Frits, dat deze haar vader geschonken had en dat in het kleine stadje geen kooper vond.Daarna trokken zij weg, zonder iemand met hunne voornemens of met hunne toekomstige verblijfplaats bekend te maken.Menkeurde deze geheimzinnigheid af. Zij behoefden zich immers niet te schamen, zij waren verarmd en vernederd, dat is waar; maar geen vlek bleef rusten op hun naam. Het bankroet was een ongeluk, geen schandaal!Integendeel, de schuldeischers hadden reden van tevredenheid, en er waren onder hen die gaarne de handen ineen zouden gelegd hebben, om er Verburg weer op te helpen; maar deze was niet meer de man om iets te beginnen, hij had er den lust en den moed toe verloren. Veere noemde hem een dwaas en beschuldigde Claudine van roekeloosheid en trots, omdat zij de vijftigduizend gulden, die haar toebehoorden, zoo onberaden in den draaikolk van eene failliete massa had geworpen.Claudine glimlachte met zachten weemoed, toen dit oordeel haar werd overgebracht. »Hoe weinig pasten die man en zij bij elkander! maar zij dankte God in ’t harte, dat zij bewaard was gebleven voor die andere roekeloosheid; haar leven te werpen in den draaikolk van zulk een ongelijk huwelijk!”
Bram Duinstee had geen logens verteld. Dien eigen avond tegen zeven ure ging hij, in een plechtigen zwarten rok gekleed en met zijne ambtelijke portefeuille onder den arm, naar het huis van den heer Verburg om den eersten schakel te smeden van de keten, die Claudine voor het leven aan den heer Veere binden zou.
Er wachtte hem echter eene ontvangst, waarop hij wel niet had kunnen rekenen.
Eerst liet men hem een kwartier lang op de stoep staan, en toen hij door een herhaald bellen zijn ongeduld had getoond, werd er niet geopend door den ouden huisknecht in ’t ceremoniëele Zondagspak, zooals hij zich voorgesteld had, maar door eene zoogenaamde noodhulp-keukenmeid, die in plaats van hem behoorlijk binnen te laten, op het punt stond de deur voor zijn neus dicht te slaan, zeggende: »dat mijnheer bij de juffrouw was, en geen mensch kon spreken!”
Op zijn aandringen en bij de luide verzekering dat hij de ambtenaar van den burgerlijken stand was, die ontboden en op ditzelfde uur te dezen huize verwacht werd, liet ze hem in de spreekkamer en ging den knecht waarschuwen.
De oude getrouwe kwam langzaam, bijna op de teenen aansluipen, zag er zeer gedrukt en verlegen uit, en vroeg met eene zachte trillende stem, verschooning: »dat men mijnheer niet had afgezegd; in de drukte was dat vergeten, mijnheer moest het niet kwalijk nemen.”
»Maar wat is dat dan voor drukte?” vroeg Bram half korzel, half nieuwsgierig, »waarbij zoo iets vergeten wordt; ik dacht dat jelui het vandaag met niets druk zoudt hebben, dan met de partij.”
»Dat was ook zoo, mijnheer! maar de juffrouw is van der zelve gevallen toen ze zich zou gaan kleeden, en nu is ze ziek, zooziek dat de dokter er al tweemaal geweest is, en mijnheer niet van haar bed wijkt.”
»Wel, wel! dat’s eene teleurstelling voor den bruigom op het tipje,” zei Bram zelf wat in zijn wiek geschoten, »dat aanteekenen zal dan wel voor lang uitgesteld zijn?”
»Als het maar niet afgesteld is voor goed?” zuchtte de goede, oude man, nu zijne smart niet langer beheerschend, »want ze komt er niet door, ze komt er niet door, dat geloof ik vast!”
»Kom, zie maar moed te houden, de juffrouw is nog zoo jong, wat ziekte is het?”
»Ze zeggen erge zenuwkoortsen, zij ijlt, zij is buiten kennis, met ons tweeën hebben wij haar haast niet....”
Een schrille, snerpende gil werd nu uit een der bovenvertrekken gehoord. Jacob bracht den volzin niet ten einde, maar vloog naar boven en liet Bram in den steek, die stillekens wegsloop met de overtuiging, dat hij hier vooreerst niet weer behoefde te komen. »Had Frits nu maar zoo’n haast niet gemaakt,” sprak hij bij zich zelven, »dan zou ik hem dat toch nog kunnen meedeelen, maar ook.... waartoe. Hij kan haar toch niet meer krijgen.”
Zoo de heer Verburg had kunnen berekenen aan welke zielverscheurende smart hij zijne dochter ten prooi gaf, toen hij op hare scheiding van Frits aandrong en haar bewoog aan de wenschen van den hartstochtelijken Oosterling gehoor te geven, zou hij zeker zijn innig geliefd, eenig kind niet op zulke proef hebben gesteld. Maar hare zelfbeheersching, hare zedelijke kracht om onder uiterlijke kalmte de smartelijkste aandoeningen te verbergen en iedere heftige uiting daarvan te beheerschen, tot ze in eenzaamheid op hare kamer neerzat, deze kracht, die naar zijn gevoelen boven haar vermogen ging, had hem misleid. Het is nu eenmaal het lot van diepe, fijnvoelende naturen, die gewoon zijn naar binnen te leven en haar lijden weten te verbloemen, dat zij minder gespaard worden dan degenen wier indrukken zich terstond in een tranenvloed lucht geven of met sprekende gebaren en roepingen van wanhoop.
Ware Claudine met een kreet van smart in onmacht gevallen op het eerste gezicht van het onheilspellend pakket, op het eerste woord eener beschuldiging tegen Frits, haar vader zou haar met zijne eischen en bezwaren niet verder vervolgd hebben. Hij zouniet aangedrongen hebben op een offer dat allermeest voor zijne belangen werd gebracht. Maar toen zij die eerste schokken doorstond, als eene die wel diep getroffen is, maar niet ten bloede toe gewond, toen begreep hij dat de pijnlijke operatie maar in eens moest worden doorgezet, wel gerust dat zij er niet aan zoude doodbloeden en in gemoede overtuigd dat hij de wijste partij koos die er te nemen viel, in haar belang en in het zijne. Het verdere van dien dag bracht Claudine door in strenge afzondering, den ganschen nacht waakte zij en worstelde met zich zelve en streed met het onverbiddelijk wapen van den plicht tegen hare innigste wenschen, hare lievelingsdroomen en de teerste genegenheid des harten en meende na dien strijd de overwinning gebracht te hebben aan de zijde waar die behoorde, toen zij des anderen daags met een bleek en mat gelaat, maar toch met eene houding waaruit kalmte en berusting sprak, haar vader de morgengroete bracht.
Toen Veere gekomen was, had zij hem ernstig maar minzaam ontvangen en de sidderende hand in de zijne gelegd, die hij terstond had gekust met eene hartstochtelijkheid waaronder zij van innerlijken weedom trilde. Gelukkig voor haar dat hij zich welhaast tot haar vader keerde om met dezen de materiëele belangen te bespreken, op zulke wijze dat het den goeden Verburg voor de oogen schemerde bij al de schatten die hij blinken liet. Bruidsgave voor Claudine, speldegeld voor Claudine, douairie voor mevrouw Veere, dat alles werd door hem met Oostersche vrijgevigheid vastgesteld; het was of hij versmaadde met duizenden te rekenen en of alleen tonnen gouds de uitdrukking konden zijn zijner liefde, als het Claudine gold.
En Claudine? Zij zat het al zwijgend en roerloos aan te hooren, maar zij zou er niets van kunnen navertellen; zij had niet geluisterd.
En toen Veere, die heimelijk op eene uitroeping van verrassing, op een blik of een woord van dankbaarheid had gerekend, haar vroeg of zij tevreden was, »of zij ook iets meerders, iets anders bedoelde?” klonk haar antwoord wel wat vreemd.
»Verschoon mij, mijnheer! ik heb geen verstand van handelszaken!”
Mogelijk ware alles goed gegaan, zoo men de wonde van haar hart tijd gelaten had om te genezen, zoo men haar althans tijd hadgelaten om te bekomen van den eersten schrik en zich te gewennen aan het denkbeeld eener lotswisseling, die onvermijdelijk scheen geworden. Maar de hartstocht van den Indiër en de gejaagdheid waarin haar vader verkeerde, lieten haar tijd noch rust, en Veere, die reeds de ervaring had dat hij alles met zijn geld kon dwingen, zag nergens zwarigheid in; hij belastte zich met alle voorloopige schikkingen en wist het door te drijven dat de ondertrouw reeds de volgende week zoude plaats hebben.
Claudine, onverschillig voor alles sinds ze Frits had moeten opgeven, had geen tegenstand geboden, zij liet anderen voor haar schikken en handelen; wat zeide het haar, het offer waartoe zij zich bereid had verklaard, iets vroeger of later te brengen, er was toch niet aan te ontkomen, en hoe eerder het dan volbracht was hoe beter; in het onherroepelijke zou zij het beste kunnen berusten, stelde zij zich voor en verbeeldde zich dat zij die kille lijdelijkheid zou behouden onder alles en tot het einde.
Maar zij had te veel van haar hart gevergd, te veel van hare krachten gewacht.
Op denzelfden voormiddag toen Frits in smartelijke gedachten verdiept haar huis was voorbijgegaan, dat hij in ’t eerst opzettelijk had vermeden, stond zij voor hare kaptafel om zich te kleeden. Veere zou dien middag met enkele vrienden en de wederzijdsche getuigen bij haar vader dineeren; na de formaliteit van het aanteekenen, dat volgens den bruigomin spe, onder de thee kon plaats vinden, zou hij eene schitterende partij geven in zijn huis, en voor het eerst zijne bruid zijne prachtige salons binnenleiden, op het schitterendst verlicht en feestelijk met bloemen en draperieën getooid, opdat zij van hare aanstaande woning den gunstigsten en behagelijksten indruk zoude krijgen.
Claudine, die eene verbintenis des harten zeker liefst in den stillen huiselijken kring zou gevierd hebben, vond in luidruchtig feestgewoel geen bezwaar, maar veeleer zekere veiligheid, daar het haar gelegenheid liet om zich als in zich zelve te isoleeren te midden van de drukte rondom haar; maar voor een bruidsfeest moet men zich tooien en Veere had haar ’s avonds te voren een juweelkistje aangeboden van het fijnste Japansch verlakt, met zilver beslag, waarin onder allerlei sieraden van diamanten en gesteenten een parelsnoer werd gevonden van zeldzame grootte en zuiverheid. Hij verlangde dat zij zich daarmee zousieren op dien dag; zij had het hem beloofd met een zacht pijnlijk glimlachje en zij wilde woord houden. In doffe onverschilligheid had zij zich laten kappen, een kostbare kam in den vorm van een diadeem met diamanten sterren was haar in de blonde vlechten gestoken, maar toen de kapper vertrokken was, had zij ook hare kamenier weggezonden, onder voorwendsel dat zij zich zelve wel konde kleeden voor het diner, en dat er beneden nog allerlei te schikken was waarbij dier hulp te pas kwam. Zij was gelukkig dit voorwendsel gevonden te hebben om alleen te blijven. Het moiré zijden kleed, dat later door een avondtoilet van Indische goudstof zou vervangen worden, lag op de canapé uitgespreid; zij zelve viel daarnevens op de knieën en bad, bad vurig voor haar vader, voor haar zelve, bad allermeest om kracht, slechts kracht om met kalmte te lijden en dat lijden voor anderen te kunnen verbergen; zij smeekte niet om aardsch geluk, zij had met dien wensch afgerekend, maar slechts om moed om haar kruis te dragen, want zij voelde reeds nu dat zij bijkans onder de zwaarte er van bezweek.
Dat hare tranen stroomden onder dat gebed, dat ze de prachtige robe bevochtigden, waaraan zij niet eens dacht, is niet te verwonderen; maar toen zij oprees voelde zij zich gesterkt en dacht zich bekwaam om een offer te brengen dat zij haar bruidegom achtte schuldig te zijn. Dat vorstelijke paarlsnoer moest een fijn gouden kettingje vervangen waaraan een klein medaillon hing, haar door Frits gegeven, dat een vlechtwerk van zijn haar bevatte, en dat zij altijd gedragen had van den dag af, dat hij het zelf met van aandoening bevende vingers om haar hals had gehecht; nu moest het weg, numoesthet.
Zij mocht het niet eens behouden, zij zou het in het pakketje doen, dat zij voor Frits had bestemd; maar hij moest het weten dat zij het niet dan op het uiterste had afgelegd. In zenuwachtige haast voegde zij nog eenige regelen bij den langen brief, die aan Frits moest gezonden worden, deed het geliefde kleinood af, legde het in ’t foudraaltje en sloot dat bij het overige in. Nu zou alles wel gaan, meende zij, nu kon zij alles; nu had zij met het verledene, met den band harer liefde gebroken voor altijd. Voor altijd!—zij drukte de tranen weg die nog weer wilden uitbarsten, en liet het gloeiende hoofd even rusten tegen de glasruiten als om het te verkoelen.
Hare kamer op de eerste verdieping zag op straat uit, eene lieve vroolijke kamer voor de dochter des huizes en geheel naar haren smaak ingericht.
Die ook moest zij verlaten, die ook, voor een prachtig boudoir, voor een rijk salon, dat is waar, maar—dat zij met een vreemde zou deelen. Was het vreemd dat zij eenige minuten lang half bedwelmd van aandoening in dezelfde houding bleef—naar buiten starende, zonder te zien,.... dan, wat was dat, wat gaf op eens weer haar oog leven en bezieling? was het de wilde gloed van een heftigen schrik?
Frits! Frits, was hij het, die haar voorbijging, hij zelf? Was hij voorbijgegaan, in dezen oogenblik, hij zelf! en toch niet dezelfde meer, zoo bleek, zoo vermagerd, het hoofd gebukt als in diep gepeins, achteloos gekleed; met den ongeregelden stap van den waanzin schreed hij daar voort vlak langs hare woning heen, zonder opzien of omzien, eene schim van zich zelf! Maar het was ook slechts eene schim, hij kòn het niet zijn, hij niet, hadhijdus kunnen voorbijgaan! Onmogelijk! hare opgewekte verbeelding tooverde haar dit schrikbeeld voor, zij had zich zelve dus verdiept in ’t verledene, waarvan zij nu scheiden moest, dat zij in den eersten voorbijganger den besten, den vriend meende te herkennen met wien zij zich bezighield. Deze gedachten schoten haar als met de snelheid des lichts door het hoofd, terwijl zij zonder het te weten of te willen een kreet had geslaakt van schrik en verbazing, die haar kamermeisje bewoog zich opnieuw te vertoonen, met de vraag of de juffrouw iets scheelde?
»Niets, Mientje! niets, je moest me nu maar helpen,” sprak Claudine, zich zelve trachtende te beheerschen en in de hoop dat de tegenwoordigheid van eene andere haar het best zou beschermen tegen een vernieuwd spel harer verbeelding.
»Ja juffrouw, ’t is ook hoog tijd; mijnheer Veere zou komen koffiedrinken, en die is niet te houden van ongeduld als hij de juffrouw niet beneden vindt.”
En al pratende ving het meisje hare taak aan. Claudine liet zich opschikken, zwijgend, lijdelijk, gevoelloos bijkans; »niet anders dan of ik een wassen pop had aan te kleeden,” getuigde Mientje later; »ik zag toen al dat zij niet wel was en dat ze al bleeker en bleeker werd, en dat zij de oogen vol tranen had toen ik haar de mooie japon met die kostbare kanten toehaakte;zij meende dat ik het niet zag, omdat ik achter haar stond, maar ik had slechts even in den spiegel te kijken om haar gezicht te zien en ik schrikte er van.”
Tot zoover Mientje. Daar voelde het slachtoffer dat men sierde, op eens de zware koude paarlen op hals en schouders neervallen, als hagelslag op het donzig lelieblad!
Daar gleed haar eene rilling over de leden alsof reeds de koude hand des doods haar aanraakte, daarbarstteze los in een luid zenuwachtig snikken, en moest zich leunen op het kamermeisje, dat verrast en ontsteld over die heftige aandoening, haar moed trachtte in te spreken.
»Kom, juffrouw! kom, een beetje couragie, een schreiend bruidje maakt een lachend vrouwtje; zie toch, ze staan zoo erg mooi die groote parels.”
»Weg er mee! weg er mee! het zijn geen paarlen, het zijn slangen! Slangen, die mij omkronkelen, die mij verworgen!” riep Claudine op schrillen, verwilderden toon. »Ik kan ze niet dragen, ik wil niet, ik wil niet! ze benauwen mij, ze wringen mij de keel toe!” En in hare verbijstering, in haar angst rukte zij het paarlsnoer af met zulk eene heftigheid, dat de zijden koord brak en de kostbare kralen den grond bestrooiden.
Claudine zelve zou ook zijn neergestort, zoo niet Mientje haar uit alle macht vastgehouden had, tot ze met de stuipachtig tegenspartelende de canapé had bereikt, waar ze na de overspanning bewusteloos neerviel.
Men riep Verburg, men haalde den dokter, die verklaarde dat zich hier al de verschijnselen voordeden van eene gevaarlijke zenuwziekte, die de uiterste behoedzaamheid, de meest mogelijke rust vorderde. Toen Veere kwam was hij wrevelig van teleurstelling, meer nog dan getroffen over den treurigen toestand zijner verloofde. Men vergunde hem niet haar te zien en daaruit maakte hij op, dat het zoo erg niet met haar was als men voorgaf!
Knorrig verliet hij het huis, waar angst en zorg heerschten, om in zijne eigene woning orders te geven tot het staken van de feestelijke aanstalten en tot het afzeggen der genoodigden.
Zijne smart loste zich op in kwaad humeur, waarvan ieder, die met hem te doen had, de onaangename terugwerking ervoer.
Het was dan ook wel hard! Duizenden had hij ten koste gelegd,anderen en zich zelven had hij zonder eenige verschooning rusteloos voortgejaagd, alles wat hem omringde had moeten draven en vliegen, om op een bepaald oogenblik een kring van vrienden en bekenden door een ongekend vertoon van pracht en weelde te verblinden en tegelijk met de schoonste bruid op te treden, en door allen om al deze voorrechten benijd te worden,—en dan die kostbare toren van Babel op eens te zien instorten en door de overgevoelige zenuwen eener jonge dame!
»Het had zooveel niet te beteekenen! Een flauwte, een weinig de zenuwen in ’t spel!” verzekerde hij aan ieder, die hem meewarig naar ’t ongeval vroeg.
»Het zou wel spoedig weer over zijn, maar Verburg was zoo zwak voor zijne dochter, hij maakte er te veel beweging van, hij heeft haar veel te weekelijk opgebracht; hij voor zich had alles voor eene vrouw over, maar in grillen en kuren kon hij zich niet schikken!”
Niets is zoo wreed als het teleurgesteld egoïsme.
Des anderen daags meldde hij zich nogmaals aan, in de verwachting dat de zenuwachtigheid bedaard zou zijn, en hij zelf kon ontvangen worden; maar de dokter die begreep, dat niets de lijderes minder dienen zou dan een bruigom op het tipje in kwaad humeur, beduidde hem dat zich eene zeer ernstige, zeer gevaarlijke typheuse koorts had geopenbaard, en dat er zeer weinig hoop was op herstel.
»Een typheuse koorts, maar die is immers besmettelijk?” vroeg hij ras en kennelijk in de grootste onrust. Er werd toestemmend geantwoord, en men zag Veere vooreerst niet weer!
Verburg week niet uit de ziekenkamer zijner dochter. Hij kon zich niet langer vergissen in de oorzaak van haar vreeselijk zenuwlijden. In hare ijlende koortsen riep zij hem telkens toe, zonder hem zelf te herkennen, dat zij bereid was haar plicht te doen, dat zij den heer Veere zou huwen en trouw houden, maar dat ze eerst Frits moest spreken en dat Frits ook wel spoedig komen zou, om haar de parels af te nemen die haar zoo zwaar drukten. In hare verbijstering stelde zij het zich altijd voor, dat Frits verschijnen zou om haar vader te helpen; dat hij over millioenen te beschikken had en alleen wegbleef omdat zij ziek was en omdat hij haar laatste schrijven niet ontvangen had. Te pijnlijker viel het Verburg zulke klachten door de lijderes te hoorenuiten, daar hij werkelijk het pakket had laten bezorgen, dat zij hem in een oogenblik van helder bewustzijn overhandigd had, en waarvan zij hem, als een duredureplicht, de bezorging had aanbevolen. Dan eerst zou ze rust hebben, verzekerde zij, want dát voltooide de scheiding. In de onderstelling dat Frits zelf het ook daarvoor hield en in de hoop dat het weerzien van den ondanks alles geliefde tot hare herstelling zou kunnen meewerken, had de vader, allen trots en alle gramschap en alle kleingeestige bijbedenkingen ter zijde zettende, zelf nog eens aan Frits geschreven, met de verzekering dat zijne liefste wenschen nog zouden kunnen verhoord worden, zoo hij wilde medewerken tot het behoud van zijne Claudine.
Hij twijfelde geen oogenblik aan het goed gevolg van dit schrijven. Frits zou in allerijl tot hen komen, en die blijde verrassing zou de gelukkigste wending geven aan de ziekte.
Maar Frits kwam niet, Frits antwoordde zelfs niet, Frits liet niets meer van zich hooren!
Dies ondanks herstelde Claudine. Hare jeugd, haar sterk gestel weerstonden zegevierend de heftige aanvallen der koorts en de vlagen van wilde geestverbijstering, welke nu werden vervangen door doffe matheid en uitputting; maar het bewustzijn, de kalmte keerden terug, een aanvang van herstel gaf den goeden Verburg zulk eene onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne dochter zelve er de terugwerking van onderging en zich mede verblijdde over het weerkeeren tot het leven, dat haar nauwelijks meer aanlachte sinds zij reeds gemeend had met allen strijd en allen last te hebben afgerekend.
Op zekeren dag in het midden van Juni zien wij haar, leunende op den arm van haar vader, langzaam den tuin rondwandelen onder de koesterende stralen van de liefelijke ochtendzon. Zij was nog zeer zwak en geen vroolijk blosje kleurde nog de matte bleekheid van haar vermagerd gelaat. Zij scheen verouderd, hare trekken waren scherper geworden, hare oogen stonden flauw en het was of zij met hun vroolijken glans ook hun liefelijk blauw hadden verloren. Hare prachtige blonde lokken waren afgesneden op raad van den geneesheer, hoe hard het ook Verburg was gevallen aan dezen eisch toe te geven. Een dicht stemmig négligé-mutsje vergoedde geenszins het gemis van dien natuurlijken tooi. Sinds zij herstelde, had zij den naam van Frits niet weer genoemd;toch had zij ook nog niet naar Veere gevraagd; nu verzekerde zij haar vader op kalmen, ernstigen toon, dat zij los was van alles wat haar verhinderen kon den heer Veere weer te zien en hem behoorlijk te ontvangen.
Toen begreep Verburg dat hij haar langzaam moest voorbereiden op groote veranderingen, die er waren voorgevallen en die haar offer onnoodig maakten.
Daags na de mislukte ondertrouw bevestigden zich de geruchten aangaande het failliet van het huis Heerdt en Comp. en Verburg zag zich als koopman geruïneerd, daar het hem niet mogelijk was uit eigen fondsen de verliezen te vergoeden, die hij leed door dit bankroet.
De associatie met Veere was nog niet wettelijk aangegaan, daar de voorgenomen overeenkomst eerst zou geteekend worden tegelijk met het huwelijkscontract. Nu kon er geene sprake meer zijn van die vennootschap; de eenige beweegreden waarom Veere haar had willen aangaan, hield op te bestaan. Claudine verkeerde in ernstig gevaar, en Verburg, die zich voorstelde dat zij mogelijk nog te redden zou zijn door Frits, wilde niet meer aan Veere gebonden zijn. Hij had reeds genoeg de ervaring gekregen van diens koud egoïstisch bestaan, om zich met de hoop te vleien, dat de Indiër gratis de eer eener firma zou willen redden, waarbij hij niet meer geïnteresseerd was. En Verburg had hem juist beoordeeld. De hartstochtelijke Creool, door de schoonheid van Claudine verlokt, had schatten willen geven voor haar bezit. Maar de teleurstelling, die zij hem haars ondanks had bereid, werkte als een stortbad, dat hem verkoelde en ontnuchterde na dien schoonen droom. Nu ja! er werd wel hoop gegeven op Claudine’s herstel, maar toch, maanden lang te moeten wachten op eene zwakke, verbleekte, vermagerde bruid, die van het minste schokje weer zou kunnen instorten, dat, hij erkende het voor ieder wie ’t hooren wilde, dát was zijne zaak niet. Zijn huis was klaar en geheel voor eene somptueuse leefwijze ingericht; hij wilde menschen zien, partijen geven; tot dat alles behoorde eene vrouw; hij achtte het zijn recht om eens rond te zien in de meisjeswereld, of hij eene waardige bezitster vond voor den bruidskorf en de juweelen, die Verburg had laten terugzenden.
Zijn oog viel op eene piquante brunette, eene vriendin van Claudine uit hare schooljaren, die coquet genoeg was om hetreeds vroeger op deze verovering te hebben toegelegd en die haar nu trachtte te verzekeren door zijne verbittering tegen Claudine te prikkelen, door telkens met zijdelingsche wenken en schijnbaar achtelooze uitvallen terug te komen op die teedere betrekking, die al van jongs af tusschen Claudine en den jongen Frits Rosemeijer had bestaan. Zij sprak niet dan met achting en belangstelling van Claudine, maar eindigde altijd met te zeggen, deze te goed te kennen om te gelooven, dat zij ooit tot een huwelijk met een ander dan Frits zou zijn overgegaan, al ware ’t ook dat zij er een tijdlang den schijn van had aangenomen om haar vader genoegen te geven!
Deze inblazingen kwetsten niet slechts op het pijnlijkst de eigenliefde van den Creool, maar wekten in hem de verdenking op, dat men hemdupehad willen maken, dat het Verburg zelf nooit ernst was geweest met de voorgenomen verbintenis, en dat men alleen eene comedie met hem had gespeeld om te lichter over zijne beurs te kunnen beschikken. Hij vergat dat hij zelf de eerste was geweest om zekere voorschotten op te dringen eer er nog sprake was geweest van Claudine’s hand, en dat hij het alleen aan de kieschheid van Verburg dankte, dat de onderling overeengekomen vennootschap niet was gelegaliseerd, hetgeen hem als associé in het bankroet zou betrokken hebben.
Hij vergat dat hij op den dag van het engagement die associatie reeds openlijk had willen aangaan, en dat Verburg daarentegen uitstel had gewenscht tot den avond van de ondertrouw, of zóó hij er aan dacht, was het om uit die handelwijze venijn te zuigen en de loyauteit van den koopman te verdenken, wien het ernst was geweest met de betuiging, dat hij alleen aan een schoonzoon zulke verplichtingen wilde hebben, waarmee Veere den vriend had willen verlokken. Genoeg, in eene samenkomst die de beide mannen nog moesten hebben, liet de laatste niet na, zijn boos vermoeden lucht te geven, met bijvoeging: dat hij nog gezind was Verburg uit zijne verlegenheid te redden, zoo hij in dezen schuld wilde belijden en vergiffenis vragen. Maar Verburg antwoordde met toorn en verontwaardiging, dat hij nooit zulke verklaring zou doen, dat hij zijne positie niet redden wilde door een leugen en ten koste van zijne eer en die zijner dochter, en dus liever terstond zijn bankroet zou verklaren dan zich door zulk eene hulp staande te houden; zóó scheidden zij, en toen Claudineherstelde, was Clara de bruid van Veere, en deze laatste een der gedelegeerden in het bankroet van de firma Verburg.
De liefhebbende vader was er gerust op dat het zijne convalescente niet deren zou, zoo hij haar met de eerste helft van die waarheid bekend maakte, doch hij schrikte terug voor de tweede; maar Claudine, met de verhoogde intuïtie eener zieke, die haar juist als ingeeft wat men het zorgvuldigst voor haar tracht te verbergen, had zich op eigene wijze voorbereid op het laatste.
»Moge Clara Veere gelukkig maken, en.... het zelve met hem zijn,” sprak zij zacht en met volkomen kalmte. »Zij heeft daarop meer kans dan ik, want haar bekoorde altijd datgene, wat voor mij sinds lang de grootste aantrekkelijkheid verloren heeft, uiterlijke glans, luidruchtige vermaken en de verfijnde genietingen der weelde.”
»Dat verheugt mij, mijn kind!” sprak Verburg met een zucht, »want gij begrijpt wel, nu de compagnieschap met Veere niet tot stand is gekomen.... en bij allerlei verliezen die ik geleden heb in den laatsten tijd, ben ik niet meer een rijk man!”
»Och! wat doet dat er toe, vader!” hernam zij met een rustig glimlachje, »maar veroorloof mij eene vraag. Gij hebt Veere immers dat geld wel teruggegeven, dat gij vroeger van hem geleend hebt?”
»Nog niet!” antwoordde hij met verduisterden blik, »maar.... dat zal later met al het andere wel geschikt worden.”
»Wat is er dan nog meer dat geschikt moet worden, waar ditnoodigenaar wachten moet?” vroeg zij ernstig, en hem met een uitvorschenden blik aanziende, waaronder hij het hoofd afwendde.
»Arm kind! dat ik het u bekennen moet, nu reeds, daar gij het mogelijk nog niet dragen kunt!” riep hij onder tranen. »Datgeen wat mij dreigde vóór uwe ziekte, heeft getroffen; ik kon mijn krediet niet langer staande houden, ik heb mijne onmacht om aan mijne verplichtingen te voldoen openlijk moeten belijden, en nu is de zaak in handen van scheidrechters, die alles zullen regelen!”
»Zoo iets lag me bij!” hernam Claudine, zonder eenigen schrik of verwondering te toonen; »er moest iets bijzonders zijn voorgevallen, dit wist ik.... ik kan niet recht meer zeggen uit welke waarnemingen; maar reeds de bijzonderheid dat gij, anders geheel door uwe drukke kantoorzaken bezet, altijd om en bij mij zijt, deed mij zoo iets verwachten.”
»Ja, ik heb nu den tijd!” sprak hij smartelijk; »ik heb mijne zaken, mijne boeken, mijne kas zelfs, zoover die ’t kantoor aangaat, in handen gesteld van de gelastigden mijner crediteuren. Veere is een van hen, en daar hij juist eene belangrijke pretensie op mij heeft van voorgeschoten gelden....”
»Moetdiepretensie dunkt mij hoe eer hoe beter worden afgedaan,” viel zij in met zekere levendigheid.
»Ja, melieve! Maar dat hangt niet meer van mij af; door allerlei oorzaak blijft die zaak nog wat hangende, ook omdat er wel hoop is op het inkomen van zekere posten, die mijndeficitaanmerkelijk zouden verminderen.”
Zonder iets te antwoorden, wandelde Claudine aan zijn arm den tuin rond, als in nadenken verzonken. Eindelijk verbrak zij dat zwijgen.
»Zeg, vader! heb ik niet wel eens van u gehoord, dat mijn moederlijk vermogen buiten uwe zaken is gebleven?”
»Ja, gelukkig! Zoo is het. Hare huwelijksvoorwaarde ten bedrage van vijftigduizend gulden, is te uwen behoeve op het grootboek geplaatst na haar overlijden; die zijn in elk geval voor u gered.”
»Maar is uwe eer als koopman daarmee ook gered, vader?”
»Niemand zal eenige fraude vinden in mijne boeken, niemand zal mij van deloyale handelingen kunnen beschuldigen,” hernam hij met zekere vastheid, na een oogenblik zwijgens.
»En Veere?”
»Die heeft geen recht zich te beklagen zoo hij verlies lijdt door een bankroet, dat hij met eenige edelmoedigheid had kunnen voorkomen. Zoo hij mij in deze crisis had willen bijstaan, zonder mij vernederende voorwaarden op te leggen, zou hij het geleende geld nevens het andere eenmaal met winst hebben terugbekomen; nu heeft hij zelf mij de gelegenheid benomen om mij met hem afzonderlijk te verstaan.”
»Maar als ik nu die vijftigduizend gulden afstond, om onder uwe crediteuren verdeeld te worden, zou dat dan de schikking niet bespoedigen? Zou vriend en vijand u dan niet den lof geven van een loyaal koopman en een volkomen eerlijk schuldenaar te zijn?”
»Ik ken er die mij een gek zouden noemen, maar.... ik stem het u toe, ook zouden er zijn, en van de besten, die dezehandelwijze zouden weten te waardeeren.... doch.... laat ons daar niet meer van spreken, Claudine! er kan toch niets van komen.”
»Waarom niet, vader? Ik ben immers.... meerderjarig geworden en heb vrijheid over dat geld te beschikken?”
»Dat is wel zoo, maar als gij, ik zou eigenlijk moeten zeggen alswijdit offer brengen, rest ons niets meer dan eene lijfrente, die uwe tante voor u kocht en die nog geen zeshonderd gulden bedraagt.”
»Laat ons trachten van die lijfrente te leven, vader! en toon u een onberispelijk eerlijk man, zooals gij zijt in uw harte,” sprak Claudine met eene edele geestdrift, waarbij een zachte blos hare bleeke wangen overtoog.
»Zoo ik alleen in de wereld ware, zou ik het zeker doen, geloof dat van mij!” sprak hij, haar met tranen in het oog de hand drukkende, »maar u arm en behoeftig te zien, u ontberingen te moeten opleggen van allerlei aard, dát.... dat gaat boven mijn vermogen.”
»Doe u zelven dan eenig geweld aan, vader! want hetmoetzoo zijn, nu wij eens weten wat wij hier te doen hebben, mogen wij het niet laten.”
»Gij spreekt zoo, mijn kind! omdat gij den jammer niet overziet, waarin gij u storten zoudt, bedenk toch, als gij dit offer brengt, houden wij niets, niets meer over....”
»Ja toch, vader! dan houden wij wel iets over, en iets zeer kostelijks zelfs, dat bij alles te pas komt, de getuigenis onzer consciëntie dat wij onzen plicht hebben gedaan!”
»Die zullen wij hebben, dat is waar!” hernam hij met zekere bitterheid; »maar wij zullen doodarm zijn!”
»Het zij zoo! arm maar vrij! Men kan een vernieuwd leven niet beter aanvangen,” hernam zij met vastheid, en de schoone, zwakke oogen schitterden met een liefelijken glans, en de edele uitdrukking van haar gelaat had iets zóó wegslepends, dat Verburg haar met verrukking in zijne armen sloot, en als buiten zich zelven gebracht instemde met hare beslissing.
Hierbij bleef het, en alzoo deden zij.
Al hunne bezittingen werden den schuldeischers overgeleverd. Hun huis, hunne prachtige meubelen werden verkocht, en zij behielden er niets van dan de piano, die Claudine liet inkoopen,omdat zij er een plan mede had, en een schilderijtje van Frits, dat deze haar vader geschonken had en dat in het kleine stadje geen kooper vond.
Daarna trokken zij weg, zonder iemand met hunne voornemens of met hunne toekomstige verblijfplaats bekend te maken.
Menkeurde deze geheimzinnigheid af. Zij behoefden zich immers niet te schamen, zij waren verarmd en vernederd, dat is waar; maar geen vlek bleef rusten op hun naam. Het bankroet was een ongeluk, geen schandaal!
Integendeel, de schuldeischers hadden reden van tevredenheid, en er waren onder hen die gaarne de handen ineen zouden gelegd hebben, om er Verburg weer op te helpen; maar deze was niet meer de man om iets te beginnen, hij had er den lust en den moed toe verloren. Veere noemde hem een dwaas en beschuldigde Claudine van roekeloosheid en trots, omdat zij de vijftigduizend gulden, die haar toebehoorden, zoo onberaden in den draaikolk van eene failliete massa had geworpen.
Claudine glimlachte met zachten weemoed, toen dit oordeel haar werd overgebracht. »Hoe weinig pasten die man en zij bij elkander! maar zij dankte God in ’t harte, dat zij bewaard was gebleven voor die andere roekeloosheid; haar leven te werpen in den draaikolk van zulk een ongelijk huwelijk!”