IX.Eerst den volgenden ochtend verscheen Piet Snibs, ook met eene portefeuille onder den arm, maar zijne verschijning had nu niet meerle mérite de l’apropos, noch die der verrassing, zelfs niet voor de juffrouw, die alleen knorde, dat haar gang nu schoon was en dat Piet beter zou gedaan hebben met op zijn tijd te passen. Hetgeen niet belette dat dominé den boeteling met zijne eigenaardige vriendelijkheid ontving en niet eens wachtte tot hij het verplicht excuus had uitgestameld, om hem welwillend de hand te reiken en te verzekeren, dat het gebeurde al gansch goedgemaakt en vergeven was. Toch kon hij niet laten om met gespannen verwachting naar de portefeuille te zien, die Piet met bevende vingers trachtte los te maken, doch tevergeefs; in zijne verlegenheid, in zenuwachtige haast, had hij de bandjes in den knoop getrokken, zoodat dominé zelf als een tweede Alexander zich met eene schaar moest wapenen, om die door te knippen; maar hij werd ten volle voor zijne moeite beloond en Piet ook, want een glans van vergenoegen overtoog het goelijk gelaat van Willems, toen hij zijn eigen meesterstuk weerzag. Met bedriegelijke vaardigheid waren de scheuren toegeloken, zoodat men ze ternauwernood meer ontdekken kon, en deze herstelling was met zooveel vlugheid en netheid volbracht, dat de teekening zelve onder de behandeling niets had geleden.Willems kreeg tranen in de oogen van blijdschap; dit nu was geene nabootsing van zijn werk, maar het geliefd eigen kunststuk zelf, wel is waar bezwaard met eenige litteekens, maar die waren bijkans een triomf.»Wel Piet, wel jongen, wat heb je daar je best op gedaan. Je schijnt al heel handig....”»Och! dominé, weet u, ik doe het meer! Al wat er bij ons te lijmen, te plakken en te repareeren valt, doe ik.”»Zoo! En hoe heb je dat geleerd?”»Met probeeren, dominé! Moeder gromde altijd dat ik tot niets nut was, toen ben ik aan het opknappen gegaan van oude platen en prenten in haar winkel.... en.... en.... nu zal ze toch niet zeggen, dat ik den kost niet waard ben.”»Arm kind!” zei Willems, getroffen; »nu, je hebt dit zooknap gedaan, dat het mij wel een tientje waard is, en je zult het hebben ook!”»Och, dominé! dat.... dat hoeft niet,” sprak Piet stotterend en snikkend, »als dominé maar niet meer boos is, want ik.... ik had de grootste schuld; maar ziet u, dat kwam omdat.... ik had al zoolang gewenscht eens een van die teekeningen dicht bij te zien, en toen nu de meisjes die in handen hadden, en zij er mij buiten drongen, dat.... dat kon ik niet velen; ik had er slaag en schoppen voor willen verdragen, om eens een uurtje alleen in de catechisatiekamer te mogen blijven, en ze allen op mijn gemak te kunnen bekijken! O, dominé! u weet niet wat een pleizier mij dat zou gedaan hebben.»Wel, wel, Piet! dat had ik nooit gedacht, dat jij erg in die teekeningen hadt.”»Ik niet, dominé? Maar daar komt het van, dat ik hier nooit goed mijne vragen kende, ik dacht altijd aan wat anders, en dat ik ook zoo graag teekenen zou leeren, en.... en eigenlijk probeerde ik nu wel eens in stilte; vraag het maar aan dominé Roestink, die heeft het er het eerst uitgekregen, en nu weet hij alles. Och, dominé! ik.... ik zou ook zoo graag kunstenaar willen worden.”»Gij!Kunstenaar! Piet!” riep Willems in de hoogste verbazing den stotterenden en snikkenden knaap aanziende, terwijl hij moeite had, het »arme sukkel,” dat hem op de tong lag, terug te houden.Inderdaad, de spruit van vrouw Snibs, zooals hij daar stond, van verlegenheid zijne handen over de oogen wrijvend, terwijl hij hoog noodig zou gehad hebben een zakdoek te gebruiken, maakte al eene heel droevige figuur. In plaats van een slanke opgeschoten knaap was hij een kort dik mannetje, dat in zijne eerste kindsheid zeker aan engelsche ziekte had geleden, en nog van die kwaal de sporen droeg in opgezetheid en een bol bleek gelaat. Daar moeder niet oorbaar had gevonden, dat hij voor deze gelegenheid zijn Zondagspak aantrok, kwam een kaal en verschoten buis, een gelapte broek en een paar lompe schoenen, blijkbaar te groot voor zijne voeten, de armzaligheid van zijn voorkomen nog verergeren. Maar toch, zoo een physionomiekenner dat zware hoofd met dat stoppelig zwarte haar, dat breedbeenige voorhoofd, waarop halsstarrige wilskracht zetelde,met opmerkzaamheid had gadegeslagen, en zich de moeite getroost had, hem eens ferm in die grijsgroene oogen te zien, die als onder de sterk overhangende oogleden schenen weg te zinken, en die Piet misschien zijn leven lang nog niet met vrijmoedigheid had opgeslagen, dan zou hij hier voorzeker een vonk van genialiteit hebben zien schitteren, die meer dan het gewone beloofde. Maar aan Willems, die in geen opzicht een valkenblik had, gaven dat breede voorhoofd, die harde trekken en die omsluierde oogen alleen den indruk van logheid en slaperigheid, waarvan hij maar niet zoo op eens kon terugkomen, hoewel hem bij de vastheid, die er op dat gelaat te lezen stond, toen de knaap riep: »Ikwilkunstenaar worden,” een licht had moeten opgaan. »Gij kunstenaar worden,” herhaalde hij nogmaals, en had moeite een glimlach van medelijden te bedwingen bij de verwatenheid van den onnoozelen hals. »Maar hebt gij u wel voorgesteld, wat daar al niet toe behoort, welk eene heerlijke roeping het is, maar ook welk een armzalighandwerkvoor wie het niet verder kan brengen dan de middelmatigheid, en ’t is nog de vraag of gij, gij daar niet beneden zoudt blijven!”Piet had op deze bedenkingen geen ander antwoord te geven, dan de schouders op te halen en opnieuw half huilend uit te roepen:»Ik wou toch zoo graag teekenen leeren, dominé!”»Maar jongen, dat’s gekheid, leer liever een ambacht, waarmee je te eeniger tijd den kost kunt verdienen.”»Ik mag op geen ambacht gaan, anders ware ik leerling bij een verver geworden, dat.... leek er toch naar.... ik zou mij dan wel in stilte op het schilderen hebben toegelegd, maar moeder wil mij thuis houden in hare negotie, daar heb ik geen zin in, dat’s allemaal maar liegen en bedriegen en de lui afzetten, anders niet! Ik bid Onzen Lieven Heer alle dagen om uit huis te komen en een knap schilder te worden, dan zou ik mijne kunst oefenen ter eere Gods, zooals de Apostel Paulus voorschrijft.”Piet, eens over de blooheid heen, had zich door zijne geestdrift laten vervoeren, om alles uit te spreken wat er in hem omging, zijne bolbleeke wangen kleurden zich, zijne oogen schenen grooter te worden en schitterden, onwillekeurig maakten zijne handen het gebaar des gebeds.Willems was te goedhartig en had te veel gevoel om niet watgetroffen te zijn, maar het vooroordeel maakte hem hardvochtig, hij verstaalde zich tegen zijne eigene aandoening, en Piet kon door dat harnas niet heendringen.»Ik vrees, ik vrees, arme jongen, dat gij naar de wolken wilt grijpen,” was zijn ontnuchterend antwoord, »maar wat zegt uwe moeder er van?”»Mijne moeder! die spreek ik daar nooit over, dat zou toch niet helpen, dat weet ik vooruit.”»Je hebt zeker nooit geteekend, niet waar?” vroeg Willems na eene pauze.»Jawel, dominé! Als ik maar een kwartier tijd heb, en naar mijn zolderkamertje kan vluchten, waar ze mij niet storen, dan.... dan probeer ik het, en ’s morgens in de vroegte als geen mensch nog op is, sluip ik stil het huis uit en loop naar buiten, om het veld en de beesten en de boomen en de wolken zoo eens rustig te bezien als de zon doorkomt, of als ik de kerk open vind, ga ik daar eens binnen.”»De kerk? Zondags in de vroegpreek?”»Neen, neen! de Roomsche, in de week is die ook open.”»In de Roomsche kerk! Jongen, ben je dol, schaam je toch!”»Och, dominé! daar zijn zulke mooie schilderijen in en beelden, en dan ga ik maar stilletjes in een hoek zitten en luister naar de muziek; is daar kwaad in?”»Neen, kwaad nu juist wel niet, maar toch.... ’t is gevaarlijk, de propaganda, zoo’n pastoor had je maar in ’t oog te krijgen, en, om een zieltje te winnen, wie weet wat hij je beloofde.”»Als hij mij helpen wilde om schilder te worden.”»Zoudt ge dan daarvoor Roomsch willen worden, je geloof verzaken....”»Mijn geloof! ik ben immers nog geen lidmaat, dominé, en ’t geloof van moederishet mijne niet; femelen, de lui wat wijs maken, met Gods woord in den mond, neen, dat’s niet den Heere Jezus dienen, die de valsche wisselaars uit den tempel dreef.”»Je bent al een wonderlijke jongen,” zei Willems, half geërgerd, half goedkeurend, »ik had nooit gedacht, dat je een woord van mijn catechisatie onthouden hadt.... en wat zegt dominé Roestink als gij zoo tegen hem spreekt?”»Dat ik gelijk heb en dat de ware godsdienst niet bestaat inwoorden uit den catechismus van buiten te kennen, maar daarin, dat men het hart naar God toewendt, en dat men handelt naar Zijne geboden.”»Kijk nu eens aan! en ze loopen Roestink na, omdat hij zoo orthodox is,” sprak Willems binnensmonds, terwijl Piet vervolgde:»En zou ik dat nu niet kunnen doen als ik Roomsch was geworden?”»Foei, Piet! Ge moest u zulke dingen niet eens in het hoofd halen! Roestink moet weten wat hij doet, maar.... als hij je niet beter wapent tegen de verleidingen van het bijgeloof, dan krijgen de Jezuïeten vat op u, dat houd ik voor zeker.”»Dominé Roestink staat er voor in, dat ik met Paschen mijne belijdenis zal doen,” hernam Piet met een sluw glimlachje, »dan heeft moeder haar zin, en dan hoor ik immers tot hare kerk, en dominé heeft mij beloofd, dat hij er dan zijn werk van maken zal, mij buiten de stad bij een schilder in de leer te doen, als u hem daarin maar helpen wilt; dat had hij u laatst willen vragen, maar.... hij wilde eerst uw gevoelen weten over mijn werk.”»Hm! hm! heeft Roestink zich dàt in het hoofd gezet. En uwe moeder? moet dat dan buiten uwe moeder omgaan?”»Dominé heeft er wel moed op hare toestemming te verkrijgen, als het maar buiten hare kosten kon geschieden, en als u mij uwe hulp wildet toezeggen, zooals gij die aan Frits hebt beloofd!”»Daar hebben wij het, gij hebt er zin in gekregen uit jaloezie op Frits,” zei Willems hoofdschuddend, »maar jongen zie je, dat is een heel ander geval!”Hij was met de zaak verlegen. Voor twee te verkrijgen wat hij reeds niet zonder bezwaren, moeite en eigen offers voor één zou kunnen verwerven, dat achtte hij ondoenlijk, te meer daar hij bij zijne vrienden geopende harten hoopte te vinden voor den zoon van juffrouw Rosemeijer, die in beklag, die in achting was, maar voor Piet Snibs, den zoon van de inhalige uitdraagster, nog daarbij eene brutale fijne, hoe zou hij daar sympathie voor vinden, en hoe zou hij ooit aan zijne vrouw durven bekennen, dat hij zich voor dezen moeite gaf! Daarbij hij kon niet gelooven, dat Piet dezelfde aanspraken had als Frits; »een heel ander geval,” herhaalde hij nogmaals op gerekten toon, en na een stilzwijgen,waarin hij bij zich zelf zulke overwegingen had gemaakt. »Frits heeft talent moet je weten en gij.... ik zou wel eens willen zien wat gij geteekend hebt?”»Als ’t u belieft, dominé! Ik heb zoo een en ander meegebracht,” en Piet zette voorzichtig het meesterstuk van Willems ter zijde, en liet zijn eigen werk zien, dat tot hiertoe daarachter verborgen was gebleven.Het eerste het beste ontlokte Willems een uitroep, waarin hij een lach smoorde.»Eene poging om mijne teekening na te schetsen, en tot welk eene uitkomst! dat lijkt immers naar niets!” kon hij zich niet onthouden te zeggen, daar de caricatuur hem prikkelde als een persiflage van ’t geen hij zelf had verricht.»Ik weet wel dat ik het niet zoo mooi kan als Frits, maar ik heb het ook van niemand geleerd, alles uit mijn zelf!” sprak Piet met tranen in de oogen en toch met zekeren trots.»Het raakt kant noch wal, het zijn krassen, omtrekken, en welke omtrekken! de figuren zijn er niet eens allen op aangeduid en ook geheel anders gegroepeerd.”»Ik heb ook geene kopie willen maken! Ik heb alleen willen beproeven op mijne eigene manier datzelfde onderwerp terug te geven; dat ik het niet beter doe komt omdat er niemand is, die mij terechthelpt!”»Dat is wel te zien, arme jongen!” en al pratende snuffelde Willems nog wat in de portefeuille, waaruit pogingen tot landschap, tot figuur, tot genreteekening in bonte afwisseling te voorschijn kwamen.Toen Piet van zijne eigene manier sprak, had hij wel gelijk, want ze geleek op niets dan op de wanhopige pogingen van iemand, die iets wil wat hij niet vermag, maar die het zóó vast wil, dat zijn onvermogen er tot zekere hoogte door overwonnen werd. Het waren erbarmelijke uitkomsten, maar in de worsteling zelve, waarmee ze verkregen moesten zijn, lag kracht en gloed. Begrip van kleur, stoutheid van conceptie spraken er uit, ondanks de onhandige uitvoering; het waren belachelijke teekeningen, die kant noch wal raakten: Willems had daar gelijk in, maar het waren belangwekkende oefeningen van een talent, dat maar leiding en voorlichting noodig had, om zich heerlijk te ontwikkelen.Het was als een man, die niets wist van taal noch spelling, maar wien diepe gedachten door het hoofd woelen, en wien stoute beelden voor den geest zweven, zonder dat hij het vermogen heeft om ze uit te drukken voor anderen, omdat hij heta,b,cniet kent.Willems die den smaak van zijn tijd in niets vooruit was, en die orde en correctheid als de eerste voorwaarden beschouwde van een gelukkigen aanleg, wist in die harde, grillige, hoekige krassen niets meer te zien dan voor oogen lag. Hij bekeek dat alles onder een misnoegd hoofdschudden, sloeg daarna de portefeuille weer toe, legde de hand op den schouder van den knaap, zag hem ernstig meewarig in de oogen, en zei toen: »Wil je een goeden raad van mij aannemen, Piet! zoo vermors niet langer je tijd met zulk gekrabbel, en word verver! dat is beter dan kladschilder.”Met dezencoup de massuezond hij hem weg. Wat de arme jongen er ook tegen in wilde brengen, het was tevergeefs, hij was geoordeeld, gewogen en te licht bevonden.Hij kon niets verkrijgen dan het tientje dat hem was toegezegd, en dat hij niet wilde aannemen, omdat hij »brutaal en koppig” was volgens Willems, want hij had gezegd: »Dankje, dominé! om kunstenaar te worden, zou ik wel willen bedelen, maar als ik bij moeder moet blijven, heb ik geen aalmoes noodig.”»Ik zou het niet op mijn geweten willen nemen,” zei Willems later tot Roestink (die meende nog eens op de zaak te moeten terugkomen, en Piet ten voorspraak te zijn) »om dien jongen uit zijn stand te rukken en er de hand aan te leenen dat hij een armzalig kunstenaar werd, beter dàn, een daglooner die zijn brood heeft.”Dit was de uitspraak van het gezond verstand, maar de goede Willems had de toepassing elders moeten maken.X.Met Paschen werden de beide jongelieden door hunne respectieve leeraars als lidmaten der Kerk aangenomen en bevestigd.Frits, die dezen stap meer beschouwde als de inleiding tot hetmaatschappelijk leven, als het overtreden van de grens die den knaap van den jongeling scheidt, Frits had daarbij veeleer levendige aandoeningen dan diepe indrukken. Het natuurlijk gevolg eener oppervlakkige opvatting van hetgeen de diepten des gemoeds had moeten beroeren.Willems zelf had daar ook zijne schuld aan. In plaats van met kalmen ernst tot de consciënties te spreken, had hij het recht treffend willen maken, had de emotiën opgewekt en de zenuwen in beweging gebracht, en behaalde eensuccès de larmes, waaronder Frits het meest aan zijne moeder dacht, die hij verlaten moest en die haar leven vol opoffering zou voltooien door het afstaan van haar zoon!Piet Snibs daarentegen gedroeg zich bij de plechtigheid als iets waaraan hij zich onderwierp, omdat het zoo zijn moest, maar dat eigenlijk over hem heen ging.Toch begreep hij, ondanks uiterlijke roerloosheid, de ernstige beteekenis van de verbintenis die men hem deed aangaan. Maar te meer was hij daartegen weerstrevig in zijn binnenste.Van hem kon niet gezegd dat zijn hart verdeeld was tusschen God en de wereld, maar veeleer dat het in vollen opstand was tegen God en menschen. Hij voelde zich verdrukt, hij voelde zich miskend en onbarmhartig teruggezet. Frits was de gelukkige, de beminde, men legde de handen ineen om hem voort te helpen; dezen werd aangeboden, wat hij niet eens had gevraagd;diekon dankbaar zijn en Gode zijn hart wijden; maar een geplaagde en gejaagde als hij, die kon alleen het hoofd buigen en zich krommen onder zijn juk met verbeten wrok. In den zestienjarigen knaap, die als een ezel onder den staf des drijvers was grootgebracht, en die des ondanks in zich de bewustheid voelde van meer te zijn dan de anderen hem achtten, die van deze bewustheid leefde en in haar de kracht vond om alles te verdragen met den blik op eene eindelijke erkenning in de toekomst en die nu plotseling werd gedwongen om zelfs deze hoop op te geven, in zulk een zestienjarige was die gemoedstoestand niet onnatuurlijk. Dat dominé Willems, die voor een welwillend hulpvaardig man bekend stond, die voorden kunstkennerbij uitnemendheid doorging in het stadje, dat deze hem zijn bijstand had geweigerd, hem alle aanspraak op talent had ontzegd, dat had hem niet slechts bitter teleurgesteld, maar in zijn zelfvertrouwen geschokt.Zoo was het dan maar inbeelding geweest, kunstenaar kon hij niet worden. Waarom had God dan die onweerstandelijke aandrift in hem gelegd om zich aan eene kunst te wijden, waarvoor Hij hem geene gaven, geene krachten had verleend, of indien die brandende begeerte haar recht had om voldoening te eischen, indien het innerlijk bewustzijn hem niet bedroog, waarom dan duldde de Hemelsche Vader dat men hem, juisthemterugzette en tegenstond? Waarom was Frits de uitverkorene, hij die niet eens door zulke aandrift werd gedreven en die wellicht nooit die keus zou hebben gedaan, zoo anderen het hem niet in ’t hoofd hadden gepraat?Waarom had deze eene moeder die haar eigen geluk ten beste gaf voor de toekomst van haar zoon, terwijl zijne moeder niets voor hem was dan eene verdrukster, die uit bekrompen eigenbaat hem niet eens de vrijheid wilde laten om het ambacht te kiezen, dat de geliefde kunst het meest nabij kwam, dat er de opleiding toe zijn kon.... Waarom was zijne moeder een vrouw zonder hart en zonder geest, die alleen de uiterlijke gedaante der godzaligheid had, maar niet het wezen? Haar ongelukkig kind had tot zijn eigen smart en schaamte oogen des geestes om dat te onderscheiden!Zulke smarten, zulke twijfelingen, zulk een gesmoorde oproerkreet bewogen het gemoed van den vroegrijpen knaap, die nog bij velen, bij zijne moeder het eerst, voor een stuggen botterik gold, die zwijgend zat te mokken, terwijl anderen in hunne aandoeningen zwelgden en zich daarop te goed deden.»Die is een verworpene, hij heeft een hart van steen en hij verhardt zich tegen de inwerking der genade,” zuchtte vrouw Snibs, want zich zelve bedriegende eer zij het anderen deed, hield zij zich in hare koude, dorre rechtzinnigheid voor eene waarachtige Christin, en waar haar zoon hare vrome gebaren niet nadeed, hare zalvende woorden niet nasprak, waar hij met kennelijken weerzin de treffendste en aangrijpendste teksten aanhoorde, die zij hem als steenen tegen het hoofd wierp, en met verbeten ergernis een antwoord terughield, waarin een beschamend licht zou zijn opgegaan over haar zelve, daar achtte zij dit alles verstomping, willekeurige verharding en begreep niets van de diepte des gemoeds, waarin zoo vroeg zulke strijd werd gestreden.Maar voor Roestink toch was die niet geheel verborgen geblevenen mogelijk veroordeelt men hem dat hij, deze zielsstemming doorziende, toch op het doen van den beslissenden uiterlijken stap had aangedrongen en het zijne had gedaan om dien mogelijk te maken. Maar Roestink de verzoekingen voorziende, waaraan deze jongeling zou zijn blootgesteld in zijn exceptioneelen toestand, achtte de uiterlijke band althans een hechtsel, al kon die geen krachtige steun zijn, terwijl de kwaliteit van lidmaat der gemeente Piet een recht gaf van zelfstandigheid tegenover zijne moeder, al vond deze niet goed hem overigens te emancipeeren. Daarenboven was de trouwe leeraar niet voornemens dit jonge schaap zijner kudde aan zich zelven over te laten, te midden van strijd en dwaling. Door welwillendheid en belangstelling had hij het vertrouwen en de genegenheid van den verdrukte gewonnen en een zedelijk overwicht op hem verkregen, waarvan hij partij wilde trekken om hem te leiden, verder te brengen en te wapenen tegen den strijd des levens.Hoewel bij de uitspraak van Willems ook zijn geloof aan het talent van Piet aan het wankelen was gebracht, daar hij zijn eigen oordeel in dezen moest wantrouwen, de overtuiging dat er in den zonderlingen knaap een diep gemoed, een groot karakter en eene buitengewone wilskracht school, die maar behoefden gekweekt en geleid te worden om zich volledig te ontplooien, die overtuiging kon hij zich niet laten ontnemen door den twijfel van anderen. Hier had hij alleen zijne eigene ervaring te raadplegen, zijn eigen blik te scherpen om te weten dat hij zich niet bedroog, en dat een zonnestraal van levensvreugd, de koestering eener verstandige liefde op dit schijnbaar weerbarstig en verstompt gemoed zouden inwerken als de lentegloed op het overijzelde veld. Terwijl straffe verdrukking en dreiging met Hemelschen toorn en helsche overmacht alleen strekken kon om het zich nauwer te doen sluiten en nog stugger te omschorsen.De moeder, die hem als met vuiststompen het ware gereformeerde geloof had opgedrongen, stond Piet in den weg om Christen te worden. Roestink begreep dit en deed wat in zijne macht was om dien schadelijken invloed te verontzijdigen, om te voorkomen wat hij zag naderen bij het meer en meer ontwakend zelfbewustzijn van den jongeling, dat hij zijne moeder ging haten en minachten, zooals de slaaf zijn tiran haat en minacht en dat hij zich eenmaal als deze op onwettige en gewelddadige wijzeonttrekken zou aan dat misbruikt gezag. De mogelijkheid van zulke uitkomst hield Roestink vrouw Snibs voor, zoo zij bleef volharden om uit bekrompenheid en eigenbaat haar zoon in zijne vurigste wenschen, in ’t geen men noemen kon zijn kunstenaarsinstinct, te dwarsboomen. Het mocht niet baten, zelfs zijn voorstel, om al was het maar bij wijze van proefneming, den knaap teekenen te laten leeren op zijne kosten en voorts hem in de leer te doen bij een huisschilder, werd met scherpe afkeuring begroet.»Zij kon niet begrijpen hoe dominé den jongen in zijne eigenwilligheid kon sterken. Het was maar dwingen. Zij had haar zoon in hare zaak noodig en daar kon hij genoeg in te doen vinden om niet te zitten droomen en mokken, zooals hij veeltijds deed. Dominé zou beter doen met hem het vijfde gebod voor te houden, dan hem te sterken in zijne grillen; het was schande en zonde en dominé ging nogal door voor een verlicht man en een kind Gods! En dan een zoon op te zetten tegen zijne moeder.”»Maar vrouw Snibs, hoe kunt gij zoo doordraven?” viel Roestink in, »ik geef het u alleen in overweging. Ik zal mijn best doen om hem te leeren berusten als gij weigert, maar men zou het toch eens kunnen probeeren, en ... als dat les nemen geschiedde zonder dat het u iets kostte.”»Daar bedankte zij voor. Al was zij maar eene simpele burgervrouw, zij behoefde geen onderstand en zou de handen ook niet uitsteken om giften van anderen, zooals zekere Madam die zich nog wel »juffrouw” liet noemen, en die zich verbeeldde, dat haar zoon een heer moest worden op andermans kosten. Neen! wathaarkind noodig had, kon hij van haar krijgen. Al was zij maar eene weduwe, de Heer had hare vlijt gezegend, de Man der weduwen had haar niet verlaten en zij was voorspoedig geweest in haar handel en wandel. Maar ook zij leefde niet naar de lusten des vleesches, noch trachtte naar de dingen die haar te hoog waren, zooals de wereldlingen die de grootschheid des levens en de begeerlijkheden der aarde naliepen, zij was een kind Gods en onderscheidde zich van de wereld door eenvoud van kleedij, zij bleef nog een rok en jak dragen, terwijl al hare buurvrouwen...”»Eilieve, vrouw Snibs! wat doet dat alles er toe,” was Roestink ingevallen, om dien stortvloed van eigengerechtigheid, met geestelijken hoogmoed vermengd, een dam te stellen.Het mocht hem niet baten.»Wat er dat toe doet, dominé!” hervatte zij met eene stem driemaal scheller en scherper dan te voren. »Wel ik dacht dat een man als u wel-eerwaarde, dat wel begrijpen kon. Dat zegt zooveelalsdatik mijn eenig kind wel naar mijn staat onderhouden kan, en alles meen te geven wat hem toekomt, zooals iedereen zien zal, als Piet in de loting valt, en een remplaçant noodig heeft; stuivertje voor stuivertje heb ik dat sommetje opgegaard, want mijn zoon zal niet den breeden weg opgaan met dat ruwe soldatenvolk! Neen! o, neen! als Hannah heb ik hem den Heere gewijd, en al weet ik wel dat de kinderen der wereld wijzer zijn dan de kinderen des lichts, zoo onnoozel noch onervaren in de dingen dezes tijds ben ik niet, om niet te weten wat soort van volkje muzikanten en schilders zijn, die den tijd maar doorbrengen met luilakken, slampampen en pretmaken! Dat mijn Absalom lust heeft daarvan zijne gezellen te maken, verwondert mij niet, maar dat dominé, die toch voor een godzalig leeraar bekend stond, dat dolende schaap zoo maar aan de wereld en hare verlokkingen wilde overgeven, dàt gaat mijn verstand te boven, en gedoogen zal ik het niet. Ik wil wel mijn Izaäk den Heere offeren, maar niet den Moloch!”Sinds lang schor van het schreeuwen moest vrouw Snibs na die laatste emphatique tirade huilen, hoesten en bovenal adem scheppen. Roestink, wiens lankmoedigheid bijkans ten einde was, nam dit intermezzo te baat, om haar voor te houden dat zij zelve juist bezig was haar zoon te offeren aan den Moloch van hare heerschzucht en haar egoïsme, en toen hij op die vermaning de noodige klem legde door bijbelsche uitspraken, waarvoor zij had moeten bukken, en die haar aan zich zelve zouden ontdekt hebben, zoo zij oprecht ware geweest in hare vroomheid, toen weerstreefde zij des te heftiger en werd zeer boos, en met vinnigheid beet zij hem toe, dat zij moeder en voogdes was, en dat zij weten moest wat haar zoon paste of niet, dat dominé zich met diens geloof had te bemoeien en niet met zijn handwerk.Roestink zelf, wel wat geprikkeld door de walging die de huichelarij en de brutaliteit dier vrouw in hem opwekte, vergat de voorzichtigheid en repliceerde dat het juist was om den wille des geloofs dat zij toe moest geven en dat hij wilde waken, daar de onderdrukking, waarvan Piet het slachtoffer was in zijn moedershuis, en de wijze waarop zijne kennelijke roeping voor de kunst werd te keer gegaan, bij hem noodwendig zulke terugwerking moest hebben, dat hij elders bevrediging zou zoeken en dat de Roomsche kerk voor zulke naturen, onder zulke omstandigheden hare eigenaardige verlokkingen had, waaraan Piet werd blootgesteld, zoo men hem geen ruimer uitzicht opende en door de koorden der liefde wist te binden.»Wat!” riep zij uit, de handen in de zijde zettende, »de Roomsche kerk! wat gaat ons de Roomsche kerk aan, wat hebben wij daarmee gemeens, hoe kunt gij u zoo iets in het hoofd halen, dominé! zoolang mijn jongen in mijn huis is, zal hij zijne voeten niet in den Baäls-tempel zetten, daar kan je zeker van zijn. En liefdekoorden, ja, een mooi ding voor zoo’n verstokte als hij is, die heel gauw zou uitspatten als ik hem niet goed onder tucht hield.»En jij Piet” (tot zijn schade was het beklagenswaardige voorwerp van de discussie op het geraas zijner moeder komen aanloopen) »en jij! als ik je ooit attrapeer dat je den voet op den drempel van de papekerk zet, dan zal je er van lusten! daar kan je op rekenen!”»Goed moeder, ikzaler op rekenen,” was het lakonieke antwoord van Piet.Na dit tooneel, na zulk een misverstand van zijne beste bedoelingen, zijne trouwste vermaningen, was Roestink schaakmat; hij gaf het althans voor dien dag aan vrouw Snibs gewonnen. Eenige dagen later toen hij hare drift bekoeld achtte en voor zich zelven eene versche dosis lijdzaamheid bemachtigd had, dreef belangstelling in Piet hem nogmaals naar de muffe woning der uitdraagster, met het voorstel om Piet zijne lidmaten-catechisatie te laten bijwonen; maar het werd met snibbigheid afgewezen. Dominé wist wel, dat er niet voor niet haast gemaakt was met het aannemen. Zij had haar zoon noodig in hare zaak en kon hem zooveel tijd in de week niet geven, daar zij wel zag, dat het leeren bij dominé hem toch niet verder brengen zou. Als hij niet onwillig noch doofhuidig was, kon hij genoeg vorderen onder haar opzicht; hij had altijd gelegenheid hare oefeningen met hare vrienden bij te wonen; maar dat verkoos hij niet, en als hij er toe gedwongen werd, zat hij te slapen of te pruilen. Zij had de overtuiging, dat hij niet dan een vat teroneere was, en alles wat menschelijke wijsheid daarin zou werpen, zou hem maar schade doen, en hem sterken in zijn eigenwaan en verstoktheid. Hij was nu lidmaat en lag voor zijne eigene rekening; in haar huis werd de Heere gediend en hij behoefde het niet daarbuiten te zoeken als hij ten goede wilde, zoo niet, dan was het beste lijdelijk af te wachten, wat er over hem beschikt was, daar vleeschelijke hulp toch niet baten zou, dat wist zij maar al te goed. Behalve in den bekrompen eigenbaat, die den aankomenden jongeling elke ure vrijheids beknibbelen wilde, lag de oorzaak dezer weigering in de vrees van vrouw Snibs, dat dominé van het pretext der catechisatie wel eens gebruik zou kunnen maken, om Piet onderwijs te laten geven in het teekenen, en daarmee was ze mogelijk niet zoo heel ver van de waarheid, want mevrouw Roestink, die ondanks haar witte neteldoeksche japon en haar sjaal een allerliefst talentvol vrouwtje was, had, niet onder voorwendselvan, maarnade catechisatie-uren zich willen aanbieden, om Piet zoo wat letterwijs te maken in de kunst waarnaar zijne brandende begeerte uitging; zij zou hem om het zoo eens te noemen het a, b, c leeren, en dan verder zijne oefeningen wat leiden; maar de grimmige wijze waarop vrouw Snibs de eerste aanbieding afwees, weerhield Roestink om met de andere voor den dag te komen. Toen hij aftrok sloeg de Xantippe de deur achter hem dicht met een geweld of zij hem waarschuwen wilde, dat hij die bij eene nieuwe poging voor goed gesloten zou vinden.Na zulk eene afwijzing kon hij zijn bezoek niet herhalen, en tot bitter leedwezen van Piet werd de betrekking tusschen hem en den eenigen vriend, die hem begreep en voor zijn lijden medegevoel, voor zijne aspiratiën sympathie had, voor goed afgebroken. Roestink sprak hem wel eens eene enkele maal vriendelijk toe als hij hem alleen ontmoette, maar daar hij den zoon niet overhalen wilde tot eenigen stap buiten zijne moeder om, bleef het daarbij.Vrouw Snibs meende hare handelwijze jegens dominé Roestink te rechtvaardigen tegenover hare geloofsverwanten, met te zeggen »dat hij nog maar ten halve verlicht was, dat hij hinkte op twee gedachten, en laag neerzag op de kinderen Gods, omdat zijn hart naar de wereldsche ijdelheden trok.” Gelukkig vond de laaghartige onder deze geloovigen juist geenelichtgeloovigen. Zijhadden zelven al genoeg ervaring van de disharmonie tusschen hare woorden en hare daden, om op hare aanklacht een man te veroordeelen of te wantrouwen, wiens handel en wandel in overeenstemming was met zijne stichtelijke redenen. Zijne profetie omtrent de gevaren die Piet kon loopen, scheen zich echter niet te verwezelijken. Toch wel niet omdat Piet naar het voorschrift zijner moeder de Roomsche kerk links liet liggen; integendeel, hij legde er de obstinatie in van zijne wrokkende rebellie om precies tedoenwat hem onder zulke bedreigingen werd geboden, telaten. Hetzij hij reeds zoo verhard was door het lijden, dat hare bedreigingen voor hem geene beteekenis meer hadden; hetzij hij de heimelijke wegen wist te gaan, die voor betrapt worden veiligden; maar de oude pastoor liet hem stil in zijn hoek zitten, beelden en schilderijen aangapen en naar het koorgezang luisteren, al had hij hem meermalen opgemerkt. De zucht tot proselietenmakerij werd weinig aangemoedigd onder het vaderlijk bestuur van Koning Willem I, die van uiterlijke orde en rust hield in de kerk en onder kerkelijke personen, ten koste van den inwendigen vrede mogelijk; maar dàt was de vraag niet: ieder moest op zijn eigen terrein blijven, platte kalmte moest er heerschen, geen strijd, geene overdrijving;surtout pas de zèle!” was het wachtwoord, dat den kerkelijken van iedere gezindheid gegeven was en waaraan zij zich moesten houden. Alleen de ijver tegen overdrijvers en ijveraars werd uitgezonderd; dat waren debêtes noires, waarop ieder vrij jacht mocht maken. Onder dit régime van lauwheid en flauwheid kon de zoon van de stijf gereformeerde uitdraagster den goeden ouden pastoor wel niet tot een lokaas zijn, om een geloofsijver te toonen, die zoo weinigde misewas. Piet Snibs bleef dus onaangevochten denzelfden sleur gaan bij zijne moeder in huis tot zijn achttiende jaar. Roestink was intusschen naar eene groote stad beroepen en de arme jongeling had met hem den eenigen vertrouweling verloren van zijn geheimen strijd, den eenigen vriend, die hem nog wel eens vluchtig de hand drukte en een woord van deelneming toesprak, of met eene zachte vermaning tot geduld en berusting stemde. Toen Piet in de loting viel en tot zijn spijt een hoog nommer trok, wilde hij toch dienst nemen, hetgeen hem door zijne moeder werd belet, daar zij de zucht voor den dienst als een pretext beschouwde, om zijne vrijheid te bekomenen in ledigheid en losbandigheid te kunnen rondslenteren; de eerste onderstelling was volkomen juist, de andere zeer onbillijk, daar Piet’s gedragingen haar geen het minste recht hadden gegeven, om hem zulke intentiën toe te dichten.Maar vrouw Snibs mocht Xantippe zijn zooveel zij wilde, een jonkman van achttien jaar is niet binnenshuis te houden als een kind, en zij zou de nutteloosheid van haar dwangstelsel tot hare smart en beschaming leeren inzien. Op zekeren dag was er groot alarm in haar huis, en welhaast weerklonk het in hare buurt. Haar zoon, die nooit na tien ure mocht thuiskomen, was den vorigen Zondag-middag uitgegaan en ’s Maandags-ochtends nog niet terug. Niemand had hem gezien, niemand wist waar hij gebleven was. Spoedig bleek het haar, dat hij heengegaan was om niet weer te keeren. Hij had wat kleeren meegenomen en het geld uit zijn spaarpot. Het steenen varken werd in scherven onder zijne bedstede gevonden, dit was dus opzet. »Haar verloren zoon was den breeden weg opgegaan!” Hoewel zij eene advertentie plaatsen liet in de Haarlemsche Courant, die het slachten van ’t gemeste kalf scheen te beloven bij zijne wederkomst, hij keerde niet terug, om die openlijke betuiging harer moederliefde op de proef te stellen. Hij was zeker wat bang voor de al te teedere omklemming dier liefdearmen. Mogelijk ook kwam de noodiging niet eens tot hem. Hoe dat ook zij, vrouw Snibs zag haar zoon nooit weer, en van spijt over die ontsnapte prooi, »van droefheid over haarAbsalom,” zooals zij zich uitdrukte, wierp zij zich midden in de wereld, dat wil zeggen, zij brak met al hare antecedenten en trouwde een gepensioneerd onderofficier, die bij Quatre-Bras een stijf been veroverd had en aanspraak op de Willemsorde, die hem echter niet gewerd. Hij verzoette hare verdere levensdagen door het verhaal zijner krijgsavonturen en het gezelschap zijner kameraden, voor zoover ze te E. aanwezig waren, en verder door haar proefondervindelijk kennis te doen maken met de militaire discipline, die hij op zijne vrouw toepaste, daar hij geen conscrit meer te drillen had. Het spreekt vanzelve, dat zij zich niet vlotweg aan dit régime onderwierp, maar na een stormachtigelune de mieltriomfeerde deforce brutaleen vrouw Snibs, die nu juffrouw Doelman genoemd werd,was broken to the harnesszooals het behoorde. Deze nieuwe Patruccio had zijne helleveeg getemd!Dominé Willems had inlichtingen kunnen geven over het verdwijnenvan Piet, maar daar ze hem niet gevraagd werden en daar Piet hem ten dringendste het stilzwijgen had verzocht, hield hij ze voor zich. Een paar dagen vóór zijne ontsnapping namelijk had Piet verzocht dominé Willems te spreken. De audiëntie toegestaan zijnde, herinnerde hij dominé aan zijne vroegere belofte om hem een geschenk in geld te geven, dat hij toen afgewezen had in de bitterheid eener smartelijke teleurstelling. Hij verzocht nu ootmoediglijk excuus voor die weigering en hoopte dat hij de goedheid van dominé niet mocht verbeurd hebben.»Je bent er dus nòg niet af?” vroeg Willems hem onderzoekend aanziende.»Neen, dominé! nu ik de hand uitstrek naar uwe gift, kunt u wel begrijpen waarvoor.”»Nu dan, trotsche stijfhoofd, God zegene u!” sprak Willems met een bedenkelijk hoofdschudden, of hij nauwelijks aan de kracht van dien heilwensch geloofde; maar hij verdriedubbelde zijne gift en liet hem gaan, zonder nadere ophelderingen te vragen, en zonder hem met vermaningen te kwellen, die toch niet meer zouden baten. Hij giste wat Piet in zijn schild voerde.Sedert eenige dagen namelijk was er te E. een voornaam Vlaamsch kunstschilder aangekomen, die na de bijeenvoeging der Noordelijke en Zuidelijke Provinciën in den Haag woonde. Belast om een altaarstuk te vervaardigen, waarmede een rijk Katholiek inwoner zijne kerk wilde begiftigen, moest hij zich over de grootte en het onderwerp bespreken met den schenker en met den pastoor, en wilde op de plaats zelve de voorloopige schets maken, ten einde haar in volkomen harmonie te brengen met de omgeving. Daar hij bij zijn Maecenas gehuisvest was, die niets liever wenschte dan hem zoolang mogelijk te houden, dijde dit verblijf tot weken uit, waarin de schilder gelegenheid vond om voor zich zelven eenige studies te maken van schilderachtige, oud-Hollandsche stadsgezichten, waar het stedeke zeer rijk in was. Huizen met luifels, gebeeldhouwde stoepbanken en trapgevels, begonnen toen reeds curiositeiten te worden voor een kunstenaar, die slechts de groote steden bewoond en bereisd had.Als door magnetische attractie geleid, was Piet in zijne nabijheid gekomen van den eersten dag af, dat hij buitenshuis teekende, en van toen aan behoefde de schilder niet eens meer omte zien, hij wist vooruit wie er achter hem stond, en ieder zijner bewegingen volgde met zwijgende aandacht. Gewoon ten doel te staan aan de nieuwsgierigheid van leegloopers en voorbijgangers, werd hij echter getroffen door het kennelijk onderscheid tusschen genen en dezen jonkman, die verre van lastig te zijn, of door onbescheiden vragen te hinderen, alleen maar met gezette aandacht de vorderingen van zijn werk bleef gadeslaan, zonder hem door die plompe opmerkingen te storen, waarmee het gewone Hollandsche straatpubliek zoo gul is, zoo ras het iets ongewoons aanschouwt. Deze kieschheid, deze bescheiden houding, met zooveel onverzettelijke volharding gepaard, namen den kunstenaar voor hem in en op zekeren dag begon deze zelf een praatje.Uit het antwoord dat hij kreeg sprak zoo duidelijk geestdrift voor de kunst, met diepen weemoed doormengd, dat de schilder hem aanmoedigde om meer te zeggen. Het praatje werd een gesprek, en daaruit volgde de noodiging om hem te komen bezoeken ten huize van zijn gastheer. Piet verstoutte zich van die vrijheid gebruik te maken en bracht zijn werk mee. Hij had al zoolang geheime wegen gegaan buiten zijn moeder om! Hij had nooit opgehouden zich te oefenen, ja, hij had zelfs zijn zakgeld besteed, om in stilte lessen te nemen van Krimpelman. Hij was bijgevolg wat letterwijs geworden in de kunst, en toen Piet ééns wist hoe hij een penseel moest houden, had de goede teekenmeester verbaasd gestaan over hetgeen hij er mee wist te verrichten. De schilder onderscheidde het talent, dat in zijne studiën verscholen lag, te midden van al het gebrekkelijke en moedigde hem aan om het te oefenen met de opgewondenheid die den Vlaamschen kunstenaar karakteriseert. Wat meer zeide, hij beloofde hem zijne hulp en zijne leiding, mits hij van zijne moeder vrijheid verkreeg om hem naar den Haag te vergezellen. Piet, die vooruit wist, dat dit verzoek tevergeefs zou gedaan worden, verlangde alleen te weten wanneer de heer N. weer naar zijne woonplaats zoude terugkeeren; deze dacht binnen een paar dagen te vertrekken. Piet hield het zich voor gezegd; deed zijn aanzoek bij Willems, en was des anderen daags verdwenen.Willems, die in zijne kwaliteit van liefhebber den beroemden schilder een bezoek had gebracht, en van diens kennismaking met den zoon van vrouw Snibs had gehoord, bracht die overhaastevlucht natuurlijk in verband met de aanmoediging dezen door N. gegeven, en begreep nu—maar voor Piet ongelukkig te laat—dat diens roeping voor de kunst in vollen zin eene onweerstandelijke moest zijn.»Ik wil er niet op zweren, dat hij hetsavoir fairevan de kunst zal vatten..... maar hij heeftle feu sacré,” getuigde de Vlaming, »en dat, mijnheer, dàt is toch maar het principale!”XI.Wij zijn zoo ver met Piet Snibs mee doorgegaan, dat wij onzen held er voor in den steek hebben gelaten.Wij gaan hem nu opzoeken in de woning zijner moeder. Het is veertien dagen na Paschen en Frits staat op het punt zijne eerste schreden te zetten op de baan der kunst, die men voor hem heeft opengesteld. Dominé Willems heeft trouw woord gehouden en alle voorbereidende maatregelen daartoe genomen, alle bezwaren en hindernissen voor hem uit den weg geruimd. Frits heeft maar te volgen en in ’t spoor te treden, dat zijne beschermers voor hem afgebakend hebben.Een vermaard kunstschilder te Amsterdam had op voorspraak van een aanzienlijk liefhebber, academievriend van Willems, er in toegestemd om Frits onder zijne leerlingen op te nemen; verder zou deze nog onderwijs ontvangen in alle vakken van kennis, die een kunstenaar van zekeren rang onmisbaar moesten zijn. Hij zou bij stille burgerlieden inwonen voor een matig kostgeld, waarin de rijke Amsterdammer beloofd had te voorzien. Wat er verder noodig was werd bijeengebracht door Willems zelf, dominé Roestink en den vader van Dientje, die de voogd was van Frits en die zeer met het plan was ingenomen. Overigens hadden nog enkele notabelen van de gemeente, door de beide predikanten daartoe opgewekt, hunne geldelijke ondersteuning toegezegd, hoewel schoorvoetend en niet zonder zorgelijk hoofdschudden; want al werd hun voorgehouden, dat zij daarmee een goed werk verrichten voor de toekomst der vaderlandsche kunst: die kunst zelve werd door hen zeer weinig gewaardeerd, en de meesten hunner vonden het onverstandig en roekeloos, dat men den zoon van juffrouw Rosemeijer, den zoonvan Herman Millioen, dus uit zijn stand ging rukken, en zij zeiden niet te kunnen begrijpen hoe een wijs en bezadigd man als dominé Willems zoo iets in ’t hoofd had kunnen krijgen. De overige begunstigers van de weduwe spraken op dezelfde wijze: »Dat Frits, die een vlugge jongen was, wat teekenen leerde voor liefhebberij, dàt kon er door; maar dat hij dáár zijne broodwinning van zoude maken, dàt begrepen zij niet! Krimpelman had het waarlijk niet te breed, en die was toch al stadsteekenmeester!” Zij beklaagden de moeder van ganscher harte, dat deze om zulk een schraal vooruitzicht haar zoon moest missen, die haar nu al zoo goed te pas kwam in hare zaak met rekenen en schrijven.Juffrouw Rosemeijer zelve zou zeker met deze platte, ontnuchterende opvatting nooit openlijk hebben ingestemd en toch gingen haar menigmaal gedachten door het hoofd, toch voelde zij zich soms door onrust en aarzelingen overvallen, die niet zoo ver van deze beschouwingen verwijderd waren als zij zelve meende!Voorwaar! zij bracht het offer met volkomen gewilligheid, maar niet zonder verscheuring des harten, en vooral niet zonder angstige beklemdheid.O, zeker! het zou eene heerlijke uitkomst zijn, zoo haar zoon eens als een beroemd schilder tot haar weerkeerde, en als men het haar gevergd had, zou zij er haar laatsten penning aan ten offer hebben gebracht, om dat doel te bereiken; maar, sinds haar huwelijk had men haar al zoo dikwijls met schoone voorstellingen van de toekomst en schitterende vooruitzichten gevleid, waarvan zij niets dan teleurstelling en kommer had geoogst, zouden die zich nu ten laatste in haar zoon verwezenlijken? Zij moest het gelooven, zij wilde er om bidden, zij trachtte zich staande te houden met die hoop, om ook Frits niet al vooruit den moed te benemen, daar zij wel zag dat deze zelf niet met zijne gewone luchthartigheid de nieuwe bestemming tegenging; maar in het diepste van haar hart sprak een somber voorgevoel gansch andere dingen.Het was nu de dag vóór zijn vertrek. Een vroolijke zonnige lentedag, wel geschikt om treurig gestemde harten te bemoedigen, maar juffrouw Rosemeijer had liever een guren nevel gewenscht, al ware het maar om het recht te hebben over iets teklagen, en ook omdat zij dan den ganschen namiddag Frits nog bij zich zou gehouden hebben, die nu met dominé Willems eene wandeling deed.Daar het Zondag was had zij niets met haar winkel te doen en zat dus in hare binnenkamer, die op een klein bleekveldje uitzag, dat Frits zomers door het met bloempotten te omgeven, in een tuintje metamorphoseerde; maar waar nu nog niets te zien was dan een enkel crocusje van het vorige jaar, dat weer opleefde.Het was een hoogsteenvoudig huisvertrek, maar dat met zeker besef van comfort ingericht was, en er heerschte netheid en orde. Een lichtgrijs behangsel met zacht groene randen, hier en daar eene plaat, de portretten in pastel van Herman Rosemeijer en zijne vrouw, in den eersten tijd van hun huwelijk vervaardigd, hij in ’t kostuum van een Franschen incroyable, een kuif van krullende haren door een kammetje opgestreken, blauwe rok met vergulde knoopen, geel vest, ontzaggelijk hooge boord en das met rozet en geborduurde punten. Zij met kort afgesneden haar à la Brutus, een witte japon met korte mouwen en een corsage dat geen vinger lengte haalde en dat vrij gedecolleteerd was, maar toch zediglijk door eentour de gorgevan zijde gaas vergoelijkt werd.Voorts keurig glad gewreven Brusselsche stoeltjes met matten zitting, eene commode met marmeren blad, waarop eene pendule stond, door Herman in zijn besten tijd zelf vervaardigd, en waarvan zijne weduwe zich niet had kunnen ontdoen, hoewel die als curiositeit zeker nogal geld zou hebben opgebracht. Zij wees niet slechts de uren, minuten en seconden, maar ook de maanden des jaars en de dagen der week aan, en zij bleef goed gaan, omdat Frits van zijn vader had geleerd hoe zij moest opgewonden worden.Er lagen glad gewreven matten op den vloer en een karpet onder de tafel. De weduwe zat daarnevens voor een theeblad, waarop een serviesje van zwart Engelsch aardewerk en twee dusgenaamde presentkopjes geplaatst waren, rijk verguld en met eene allegorie in bloemen beschilderd, die daarenboven nog door een devies of een gelukwensch werd opgehelderd. Frits moest voor het laatst nog eens drinken uit zijn verjaarkopje, had juffrouw Rosemeijer gemeend; »kwam hij nu maar,” verzuchtte zij,het water naast haar kookte zoo goed, dat zij de thee maar zetten zou.Dominé moest hem nu ook niet zoolang ophouden voor den laatsten dag! Haar breiwerk lag naast haar, maar zij roerde er niet aan. Lezen? Neen! Helons Bedevaart naar Jeruzalem, haar door Willems geleend, had nu geene aantrekkelijkheid voor haar.»Reeds zes uur!” zuchtte zij, even naar de pendule ziende! »Als Frits weg is zal die ook wel niet meer gaan, ik kan er niet mee terecht;” en met een zucht van diepe moedeloosheid liet zij het hoofd in de hand vallen en schreide.Juffrouw Mina Rosemeijer was eene vrouw van even veertig jaar, die er eens goed uitgezien had en nog bevallig kon heeten, hoewel haar frisch teint verbleekt en hare wangen vermagerd waren. Haar zacht blauw oog, lichtbruin haar, onder een tullen muts doorschemerend, en in een paartire bouchonslangs de slapen neervallend, een zwart zijden japon met nauwe mouwen en roulautjes à la Waterloo gegarneerd, deed hare fijne taille en elegant figuur zeer goed uitkomen. Zonder eenigen opschik raadde men het uit haar eigen toilet, dat zij met smaak voor dat van anderen zou zorgen. Zij was eene modemaakster, die zelve haar beste uithangbord met zich droeg. Van fatsoenlijke afkomst, maar door haar huwelijk reeds een graadje op den maatschappelijken ladder gedaald, was zij door allerlei lijden en vernedering heengegaan, zonder zekeren goeden toon en manieren te verliezen, die van eene beschaafde opvoeding getuigen. Zij had geen groot verstand, maar bezat dien stillen, zachtmoedigen geest, die kostelijk is voor God. Zij was onder de smarten en beproevingen des levens gerijpt tot eene geloovige Christin; maar haar vak noch haar karakter bracht mede, om zich zelve en hare overtuiging op den voorgrond te zetten; toch bemerkte ieder, die met haar te doen had, het uit hare stiptheid in ’t vervullen harer beloften, in hare gewoonte om niemand te vleien noch iets op te dringen wat haar niet paste, dat zij niet naar de luim van ’t oogenblik, dat zij naar een hooger zedelijk beginsel handelde. Ook aan Frits had zij nooit hare vroomheid opgedrongen, die was bij haar gerijpt door ervaring, als het mosterdzaadje onder vroegen en spaden regen; zij wilde ook bij hem niets overhaasten, maar de kiem had zij gelegd en haar voorbeeld had hem nooit afgeschrikt, wel kunnen stichten, dieovertuiging had zij. Het overige moest zij den Heere overlaten, hoewel zij ook op dit punt zijn heengaan, zijn alleen staan in de wijde, wijde wereld, niet zonder kloppinge des harten indacht.Nog altijd bleef het eentonig geruisch van het theewater haar eenig gezelschap, toen op eens de winkeldeur met drift werd opengerukt en een gejaagde voetstap zich liet hooren, die juffrouw Rosemeijer terstond eene andere houding deed aannemen dan de diep neerslachtige, waarin zij eene wijle vervallen was. Haastig droogde zij het traantje, dat zij al nadenkende had laten glijden en met een glimp van blijdschap rees zij op, om Frits te gemoet te gaan.»Zoo mijn jongen, ben je daar!”Frits had een kleur als vuur en zijne oogen stonden ook wat waterachtig.»Wat lang weggebleven, niet waar moe?”»Dominé had je zeker nog veel te zeggen!” sprak zij zachtmoedig, zich reeds bezighoudende met zijn kopje in te schenken.»Dominé heeft niet de meeste schuld, wij hebben niet lang gewandeld, maar ik was nog even hier naast gegaan om van juffrouw Verburg en Dientje afscheid te nemen, en het lieve kind had het zoo druk en wilde mij haast niet laten gaan. Zij schreide zóó, dat.... dat ik er zelf haast kinderachtig van werd. Ik moet ook bekennen, dat het mij moeite kostte uit dat huis weg te gaan, waar zij allen zoo gul en vriendelijk voor mij geweest zijn. Wat kon dat aardige Dientje prettig buurvrijstertje met mij spelen, en hoe vriendelijk noodigdejuffrouw—tantezooals ik haar altijd noemde—mij telkens als er eens wat lekkers was om toch te blijven en eens mee te proeven.... en zij heeft mij eene kleine zak-portefeuille tot souvenir gegeven, en Dientje heeft zelve eene beurs voor mij geknoopt; zie eens, moe, hoe beeldig! groene zijde, met gouden kralen! en zij had zoo’n pleizier om het mij te geven; u had het moeten zien!”»Ja, het zijn lieve beste menschen, die Verburgs, en Dientje, als ze zoo opgroeit, zal een allerliefst meisje worden; maar Frits, jongen, daar is geld in die beurs! Wat beteekent dat?”»Mijnheer Verburg liet er drie tientjes in glijden; hij zei, die zou ik bewaren als er eens een extraatje noodig was!”»Mijnheer Verburg doet haast al te veel!” zei juffrouw Rosemeijer met een zacht hoofdschudden.»Och, moe! van hem neem ik het met de meeste gerustheid aan. Ik hoop het hem eens te kunnen vergelden.”»Dat hoop ik ook—nu! als gij onder Gods zegen wordt wat de vrienden verwachten....”»Neen moe! al word ik dát niet, toch zal de heer Verburg mij niet voor niet een vaderlijk vriend zijn geweest. Hij is niet meer jong, Dientje zal eens alleen staan, Dientje heeft geen broer, dát zalikvoor haar zijn....”»Als zij niet vóór dien tijd een echtgenoot heeft, zoo’n mooi rijk meisje zal wel jong trouwen....”Frits zag zijne moeder aan met een verwonderden blik en een verdrietelijken trek op het gelaat.»Hé moe! hoe kunt u denken dat Dientje vroeg trouwen zou? Zij zegt immers altijd dat zij mijn vrouwtje wil worden en er kan nogal wat tijd verloopen eer ik een knap schilder zal zijn!”»Beste jongen, hecht toch niet aan die kinderpraat van Dientje, dat kon u later teleurstelling geven.... een juffertje van twaalf en eene jonge dame van achttien, dat is heel wat anders.... Mogelijk zou zij, op dien leeftijd gekomen, u niet eens toestaan haar bij den naam te noemen zooals nu!”»Wel dàt zou mooi wezen!” riep Frits opvliegende, met een kleur als vuur van verontwaardiging, »als ze zoo’n nuf werd, zou ik zelf niets meer van haar willen weten, maar, moe! u vergeet dat ik dan ook geen kwajongen meer zijn zou, wie weet wat een groot kunstenaar ik dán zal wezen, en ofikdan geen recht zou hebben laag neer te zien op zoo’n ingebeeld dametje.”»Al hadt gij ooit dàt recht, Frits! het zou u toch zeer slecht staan te vergeten, wat gij aan de dochter van den heer Verburg schuldig zijt.”»Och, moe! denk toch niet dat ik mij laag of laf zou kunnen aanstellen, er kome dan van mij wat wil! Ikzeiu immers reeds dat het mijn liefste vooruitzicht, mijn vaste voornemen is om eens aan Dientje terug te geven, wat haar vader nu voor mij doet....”»Ik wensch van ganscher harte dat het u gegeven mag worden, dat begrijpt gij, Frits! maar zoo het anders uitviel, moet ik u waarschuwen, reeds nu mijn jongen, opdat gij het u niet onvoorzichtiglijkin het hoofd zoudt zetten, moet ik u waarschuwen nooit de oogen op te heffen naar Dientje, zelfs niet al moedigde zij u aan, want gij zoudt u, dus doende, hoogst ondankbaar gedragen jegens uw weldoener. Foei, Frits!” viel zij zich zelve op eens in de rede, »gij glimlacht! is dat nu mooi, als ik ernstig spreek?”»Wel!” zei hij nu luid lachende, »juist dáárom. U vat dit nu zoo ernstig op alsof het vlak voor ons lag, en ’t is alles immers nogzóóin de verte.”»Dat is waar, maar toch als men zich niet voorbereidt om een offer te brengen als het nog ver van ons af ligt, dan heeft men er geene kracht voor op ’t oogenblik zelf dat het ons wordt opgelegd.”»Alshet mij wordt opgelegd, zal ik er wel kracht voor vinden, dat beloof ik u, moeder! Uw zoon zal zijn plicht doen, wees er zeker van,” en hij stak haar de hand toe met tranen in de oogen, »maar,” ging hij voort, terwijl het zonnestraaltje der hoop weer het jeugdig gelaat verhelderde, »maar ik heb wel moed dat het er niet toe komen zal. De heer Verburg is immers zelf ook maar een burgerman, die mij meer dan eens verteld heeft dat hij als kruieniersknecht begonnen is, en al doet hij nu groote zaken, toch zal hij zich zijn begin vannietaf wel willen herinneren, en mij niet voor het hoofd stooten, als ik een knap man word, al ware het dan ook dat het met schilderen niet precies zoo best uitviel als de vrienden verwachten. Ik zou het ondankbaar vinden als ik zoo iets van hem kon gelooven, die zich altijd zulk een vaderlijke vriend voor mij heeft betoond.”»Ja, en wel een vriend in nood, dát heb ik ondervonden toen hij op dien noodlottigen dag hier binnenkwam om, zooals hij het noemde, zijn burenplicht te vervullen en mij bij te staan, daar ik in die oogenblikken voor mij zelve denken noch handelen kon. Mijn ongelukkige man had op niets orde gesteld, op niets. Ik had geen enkelen bloedverwant dan een verren neef, die in den vreemde reisde, geen anderen vriend dan dominé Willems, maar dat was geen man van zaken en die had ook te veel met zijne ambtsbezigheden te doen om hier den boel aan te pakken en te regelen, met zooveel ijver en zoo goed overleg als de heer Verburg dat deed. Was het vreemd dat ik den moed nam om hem te vragen of hij uw voogd wilde zijn?”»Een trouwer en hartelijker dan dezen had ik wel niet kunnen treffen. Toen hij mij daar even de hand drukte, waren zijne oogen vochtig, moe!”»Dus was dit al zijn vaarwel; ik had nog gedacht, dat hij van avond eens komen zou.”»Neen, hij wilde ons den laatsten avond samen laten. Zijn plan is, mij morgenochtend naar den beurtman te brengen; ik mocht niet alleen gaan, en hij vond, dat zou voor u te.... te....”»Zeg het maar uit zooals het is,” sprak de weduwe, »te smartelijk zijn! ja ik zou mij moeielijk goed kunnen houden Frits, al weet ik dat het voor uw best is,” en de goede vrouw keerde zich af en trachtte tersluiks hare tranen af te wisschen.»Kom, moes! voor den dag maar met de waterlanders, als u dat goed doet,” sprak Frits, die opgestaan was, en haar hoofd naar zich toekeerde en tegen zijn schouder liet rusten. »Huil maar eens uit, beste lieve moeder! dan.... dan kanikhet ook doen. Gij begrijpt:morgenmag ik niet meer kinderachtig zijn; vandaag ben ik nog uw eigen kleine Frits, morgen ben ik een jongeling, die op zijne eigen beenen staan, op zijne eigen wieken drijven moet.”»Neen, Frits! ikmagu het voorbeeld niet geven van eene zwakheid, die.... die.... eigenlijk ondankbaarheid is. Wij behoorden immers niets dan blijdschap te gevoelen over de ongehoopte wending in uw lot, die zulke grootsche uitzichten voor u opent.”»Ongehoopt is wel het woord, moeder! want ik wenschte noch hoopte, iets anders dan hetgeen mij door den zwager van dominé Roestink was aangeboden. En ik was er zoo recht mee in mijn schik. Al in de volgende week beginnen met klerk te worden op zijn kantoor, maar twee maanden proef- en leertijd, eene kleine jaarlijksche toelage, grooter naarmate mijner goede diensten, ten laatste zijne bescherming en voorspraak als er een postje was te begeven, ik moet u zeggen dat het mij meer aanlachte dan dat »grootsche uitzicht” dat ze voor mij geopend hebben, zooals ze dat noemen; die lauwer die zoo heel in de verte ligt en die zoo hoog hangt! O, al mag ik dien bereiken, hier blijven bij u, bij de vrienden Verburg en spoedig, heel spoedig wat geld verdienen om uwe zorgen te verlichten, dát moeder, ja! ik erken het, dát was mijn liefste wensch, en dan....een beetje voor liefhebberij teekenen daartusschen, wat een lief rustig leventje zou dat zijn geweest; nu gij alleen hier, ik alleen ginds in die groote stad, onder al die vreemde menschen!... Ach moe, wat zullen die avonden alleen op mijne kamer akelig, stil en vervelend zijn, en als het mij dan invalt, hoe gezellig het hier kon wezen.”»Wel, dan zit gij aan mij te schrijven en ik aan u, en zóó denken we toch aan elkaar en zijn elkaar nabij in den geest, en ziet gij, Frits! alleen, ja! alleen zullen wij zijn, ik mogelijk meer dan gij, want gij zult wel spoedig kameraden en kennissen hebben, maar toch al ware dat niet, verlaten zijn wij geen van beiden. Al voel ik mij eens wat zwak en neergebogen, verlaten heb ik mij nooit gevoeld, ik wist altijd waar ik troost en kracht zou zoeken en vond die ook. Frits, mijn lieveling, mijn eenige! beloof mij dit ééne, dat gij God niet zult verlaten, dan zal Hij altijd nabij u zijn, dan zult gij in voorspoed en bij de zegeningen, die ik voor u hoop, niet overmoedig, niet zorgeloos worden en niet troosteloos, noch zonder raad en hulp zijn in tegenspoed!”»Ja, lieve moeder! Ik hoop God voor oogen te houden, dat hoop ik, want ik zal alle dagen aan u denken, en als ik aan u denk, dan zal ik ook niet vergeten wat wij samen gelezen, besproken, geleden hebben. Dan zal ik uwe tranen en uwe gebeden niet vergeten. Wees daar zeker van.”»Ja, maar op die wijze gaat gij liefde voor uwe moeder verwarren met godsdienst, Frits! en dát mag niet.”»En als dat danmijnhulpmiddel is om te komen waar gij gekomen zijt, moederlief! is dat dan ook niet goed?”»Kwaad kan het zeker niet, maar het is toch niet het rechte zooals gij later zelf eens zult inzien, hoop ik.”»Wat is dan het rechte?” vroeg hij op een toon, waaruit meer losse nieuwsgierigheid sprak dan ernst.»Dat zal God zelf u zeggen als gij Zijn woord maar raadpleegt met ernst en getrouwheid. Ik verzeker het u, Frits! omdat ik het bij ervaring weet, op iedere vraag van ons hart, van ons geweten, krijgt men dáár antwoord, en als men de aanwijzing volgt, heeft men vrede, al zou ook allerlei uiterlijke onrust ons bestormen.”»Ik zál wel in mijn bijbeltje lezen, dat beloof iku, hoor moe!”zei Frits met zekeren nadruk, »maar ik heb aan dominé Willems niet mijn woord willen geven, zooals hij verlangde, dat ik er iederen dag gezet een kapittel uit lezen zou, toen hij mij dat kerkboek gaf.”»Frits, lieve Frits! waarom hebt gij dat niet willen beloven?” vroeg zij bezorgd.»Wees gerust, moeder! ’t is niet omdat ik geen eerbied heb voor »het boek dat de gewijde waarheid bevat,” zooals dominé Willems zegt, zelfs heb ik mij voorgenomen om te doen wat hij mij aanraadt. Heusch, moe! ik neem het mij voor, maar ik ben niet zeker dat ik het zal volhouden, vooral niet dat ik het nooit zal verzuimen; en ziet u, toen hij wilde dat ik hem daar mijn woord en hand op geven zou, met zooveel ernst en plechtigheid dat het haast een eed geleek, toen wilde, toen durfde ik dat niet op mij nemen, want een woordbreker wil ik niet worden en als ik het slechts in de sleur deed, dan was het nog erger want dan was ik een huichelaar en, luister moe! of ik het ooit zóó ver zal brengen in de kunst als de vrienden voorspellen, zal nog te bezien staan, maar dat ik oprecht en eerlijk zal blijven, dat kunt gij gerust van mij vertrouwen, want dat hangt niet af van talent of van geluk, maar van den goeden wil, en dien heb ik! Wat overigens het schilderen betreft, na alles wat dominé Willems mij heeft gezegd,moesthet geprobeerd worden.”»En welk een zegen dat gij er u op toeleggen kunt zonder dat wij daardoor in nieuwe zwarigheden geraken,” hernam zij opgeruimd, »want al had ik er mijn laatsten spaarpenning aan moeten geven, ik zou dien gewaagd hebben, maar wat zou dat helpen als men narekent hoeveel er jaarlijks noodig is om buiten de stad te leven en zooveel te leeren.”»Neen, moeder! als ik het van uw spaarpenning had moeten doen, zou niemand mij er toe gekregen hebben om schilder te worden, al had ik er nog zoo’n zin in, en toch.... ik beken u, dat het mij genoeg hindert zooveel van anderen te moeten aannemen.”»Zijt gij zóó hooghartig Frits? dat past niet in onzen toestand.”»Niet uit hooghartigheid, maar ik zou zoo graag onafhankelijk zijn in de wereld als ik eens een man ben, en.... en zulke tegemoetkoming legt zware verplichtingen op. Neen, moe! zie mijniet aan met zulk een afkeurenden blik. Ik hoop mij te kunnen kwijten en alszijgelijk hebben,alshet gelukt, zijn wij allen geholpen en zullen zij hunne satisfactie hebben; ik zal er voor doen wat ik kan, ik zal werken als een ezel, neen niet als een ezel, dat zou in den domme zijn en dus wordt men mogelijk goed arbeider, maar zeker geen goed kunstenaar. Ik zal werken als een die weet wat zijne lieve moeder en zijne edelmoedige vrienden van hem wachten, en voor hem opofferen; ik zal werken, ook met de gedachte aan Dientje, die bitter pruilen zou als haar buurvrijer geen beroemd schilder werd, maar weet u wat ik mij toch heb voorgenomen?”»Nog niet.”»Als ik vijf jaren ouder ben en bemerk dat ik de ware roeping niet heb, dan is het nog niet te laat om wat anders te beginnen.”»Hoe! gij zoudt dan door gebrek aan volharding ons allen teleurstellen?”»Ik zou u allen teleurstelling besparen en op die wijze mijne weldoeners dienst doen. Zij hebben mij immers niet bestemd om een martelaar voor de kunst te worden, welnu dan! als ik zie dat de kroon mij te hoog hangt, zal ik er niet langer naar opspringen.”»Gij zijt al te ongeduldig, te meenen dat gij op uw twintigste jaar al meester zoudt kunnen zijn in dat vak.”»Neen, moeder! nu verstaat gij mij verkeerd, maar als ik op mijn twintigste zie, dat het meesterschap voor mij onbereikbaar is, dan.... dan.... gij en ik, lieve moeder! hebben leergeld betaald om van het onbereikbare af te zien.”»Kind! kind! veroordeel uw ongelukkigen vader niet in zijn graf.”»Ik veroordeel niet, moeder! Ik heb geleerd, en de wijze waarop was te smartelijk om niet levenslang indruk te maken, en nu wij toch hiervan spreken.... die papieren van vader zijn immers niet verloren geraakt?”»Gij weet wel dat de lieden er eene soort van wreedaardig pleizier in vonden ze mij allen stuk voor stuk terug te brengen.”»Ik meen niet alleen die van dien rampzaligen dag, maar alle anderen.”»Ze zijn allen zorgvuldig bewaard. Ik wist hoe hij er aan hechtte, kon ik ze wegdoen al strekken zij mij ook tot de smartelijkste herinnering?”»Wilt gij ze mij afstaan, moeder?”»Als gij meerderjarig zult zijn, ja, Frits! dan krijgt gij ze.”»Waarom tot zoolang te wachten, heeft mijn voogd ze onder zijne berusting?”»Och, neen! ik bewaar ze zelve.”»Heeft de heer Verburg ze ingezien?”»Waartoe? Hij was ongelukkig juist een van diegenen, die niet het minste geloof sloegen aan de plannen van uw vader. Hij verklaarde ze eens vooral voor hersenschimmen en had geen geduld om te luisteren tot ze hem werden uiteengezet. Hij heeft er nooit van willen hooren iets met hem te ondernemen; zelfs voor de zaak waaraan dominé Willems nog geloof sloeg en zijne deelneming gaf, was hij niet te winnen, hoewel hij als mensch van uw vader hield en dat ook wel heeft getoond.”»Dus.... als we een jaar of vijf verder zijn, krijg ik dan toch die nalatenschap van vader in mijn bezit?” hervatte Frits, die een oogenblik in eigen gedachten was verzonken gebleven.»Treurige nalatenschap en gevaarlijke ook naar het zeggen van wijze en practische menschen,” hernam de weduwe met een zucht. »Verburg raadde mij ze te verbranden, om u tegen de verzoeking te veiligen, ze ooit in te zien.”»Och!.... daarin zou toch voor mij geen gevaar liggen,” hernam Frits met een pijnlijk glimlachje; »ik heb er genoeg van gehoord, om.... om.... er geene luchtkasteelen op te bouwen.”»Zoo komt het mij ook voor: wat wilt gij er dan mee doen, mijn kind?”»Ze met eerbied en liefde bewaren als een grooten schat, want vader kon soms zoo met nadruk zeggen in zijne heldere oogenblikken: »Frits, mijn jongen! zie niet laag neer op mijne erfenis, al zijn het maar berekeningen op papier, zooals de menschen spotten, mijn geest is daarin neergelegd,” en ziet u, moeder, dat voel ik zóó, dat er iets van vader in zit.”»Nu, datzelfde gevoel ik ook, Frits! en daarom....”»Daarom kunt gij ze mij nog niet afstaan, dat begrijp ik moeder!”»Maar ik kan u toch reeds eene gedachtenis van hem geven,” sprak zij meer opgeruimd, opende een marokijnen foudraaltje, dat naast haar op tafel stond, en gaf het hem.»Hoe, moeder, moeder! een goud horloge voor mij, dat.... dat is te veel, ik kan het immers met mijn zilveren wel doen.”»Ja, maar dit moet gij er bij hebben, als aandenken van mij en van uw vader beiden; hij droeg het nooit, maar hij placht het te gebruiken om zijne uurwerken naar te regelen in zijn besten tijd, toen hij nog pleizier had in zijn vak. Het is een Engelsch werk, eene repetitie, en ’t gaat altijd accuraat. Uw vader heeft het in den Franschen tijd gekocht van een Engelsch officier, die krijgsgevangen was op zijn woord van eer en in groote geldverlegenheid verkeerde. Uw vader was toen nog een bemiddeld man, hij betaalde de volle waarde, misschien iets daarboven, want het lot van dien vreemdeling ging hem ter harte; daar werd zelfs eene conditie tusschen hen gemaakt, dat hij het zou mogen terugnemen als zijne omstandigheden veranderden. Uw vader deed de belofte het niet te verkoopen, opdat het altijd ter zijner beschikking zou blijven; daarom kon ik ook niet besluiten het aan Busch over te doen met de andere winkelgoederen. Wel zijn er nu al tien of twaalf jaar verloopen, en de Engelschman, die, toen hij uitgewisseld werd beloofde binnen het jaar met goede intrest het horloge terug te nemen, is nóg niet weergekeerd; dus de man is dood of heeft er van afgezien, zoo geef ik het u, maar onder voorwaarde, dat gij er u nooit van zult ontdoen.”»Van zulk een aandenken! van dezen schat! Neen, moe, nooit al had ik broodsgebrek!”»Pas op de zakkenrollers in de groote stad!” sprak zij half lachend, half in ernst; »draag het altijd aan dit kettingje van mijn haar, dat ik in stilte voor u heb laten maken.”»O, moederlief! moe, dat is te veel!” riep Frits met een kleur van blijdschap en tranen in de oogen, »dat is me nog meer dierbaar dan het horloge zelf, ik zou liever sterven dan er ooit van te scheiden.”»Blijf leven om uwe moeder gelukkig te maken,” sprak de weduwe, haar eenige in de armen sluitende en hem hartelijk kussende.»En nu Frits, ik heb nog enkele kleinigheden voor u in tepakken, mij dunkt wij moesten het horloge maar mee in den koffer doen, men kan niet weten op reis...”»Dat’s goed, moeder! als u nog iets te beredderen heeft, ga ik intusschen even naar dominé Roestink, die mij recommandatiebrieven beloofde aan een paar vrienden van hem te Amsterdam.”»Dat is goed, ga die halen! maar.... Frits, blijf je niet te lang weg?”»Zeker niet, moe!’t is maar op een drafje heen en weer!”Des anderen daags bracht de heer Verburg Frits zelf naar den beurtman, het eenige communicatiemiddel tusschen E. en de hoofdstad; maar dat geregeld om den anderen dag plaats vond.Dientje had eerst gedwongen om mee te gaan, maar daar men haar onder het oog bracht, dat Frits haar niet moest zien schreien, om zelf niet van zijn streek te raken, berustte zij en vergenoegde zich met naar juffrouw Rosemeijer te gaan en deze op hare wijze te troosten.Goed dat die beiden niet tegenwoordig waren bij de afreis. Frits hield zich kloek genoeg, dat is waar; maar bij ’t afvaren van een veerman zijn er altijd kaailoopers en rondslenterende straatjongens op de been, die niets te doen hebben dan met de handen in den zak te staan kijken naar defaits et gestesvan de afreizenden, en die daarbij gewoonlijk de vrijheid nemen hunne critiek te maken over hetgeen zij zien, op luiden vrijpostigen toon, meestal met aardigheden van zeer twijfelachtig gehalte doorspekt.Ook ditmaal ontbraken zij niet, en nauwelijks zagen zij den heer Verburg met Frits aankomen, of er ontstond zeker gelach en geginnegap onder dat troepje; de onbeschaamdsten drongen vooruit en wilden fooitjes verdienen door valies en koffer aan boord te helpen brengen, en toen de heer Verburg hen wat korzel afwees, met de verzekering, dat hij zijn eigen kruier had, trokken zij schreeuwend en scheldend terug, hunne achtergebleven makkers toeroepend: »Hei! Frits Millioen gaat weg, Frits Millioen gaat weg!”De heer Verburg trok zijn beschermeling maar schielijk mee, opdat deze het minst mogelijke hooren zou van dat schimpen.Aan boord stijgend en overstelpt door duizenderlei aandoeningen,die hij moest beheerschen, had de zoon van den beklagenswaardigen Herman ternauwernood die klanken verstaan.Met tranen in de oogen, die hij zijn best deed te weerhouden, bleef hij tegen het zijboord van den achtersteven leunen, om zijn vriend en in dezen alles wat hij liefhad nog eens den laatsten groet toe te wuiven, toen het schip in beweging raakte....Op eens hoorde hij een schelle kwajongensstem den schipper toeroepen:»Opgepast, kapiteintje! mooie lading, kapiteintje, je hebt het Millioentje aan boord!”En dat:Millioentje! Millioentje!werd als door schorre echo’s nagebouwd, totdat het vaartuig uit de enge haven in ruimer vaarwater was overgegaan.Toen droogden op eens de tranen, die Frits met alle zelfbeheersching tevergeefs had weerhouden, toen gloeiden zijne oogen van hartstochtelijken toorn, toen kleurden zijne wangen zich hoog rood, en met lippen van drift sidderende, sprak hij halfluid:»Schimpt maar! schimpt maar, laaghartigen! ik zal dien spot nog wel eens te schande maken, klaarder dan ooit zie ik het nù in, hier blijven kon ik niet,” eindigde hij kalmer, en geheel bevredigd met de lotswisseling, die hem te voren zoo zwaar had gewogen.Einde van het eerste stuk.
IX.Eerst den volgenden ochtend verscheen Piet Snibs, ook met eene portefeuille onder den arm, maar zijne verschijning had nu niet meerle mérite de l’apropos, noch die der verrassing, zelfs niet voor de juffrouw, die alleen knorde, dat haar gang nu schoon was en dat Piet beter zou gedaan hebben met op zijn tijd te passen. Hetgeen niet belette dat dominé den boeteling met zijne eigenaardige vriendelijkheid ontving en niet eens wachtte tot hij het verplicht excuus had uitgestameld, om hem welwillend de hand te reiken en te verzekeren, dat het gebeurde al gansch goedgemaakt en vergeven was. Toch kon hij niet laten om met gespannen verwachting naar de portefeuille te zien, die Piet met bevende vingers trachtte los te maken, doch tevergeefs; in zijne verlegenheid, in zenuwachtige haast, had hij de bandjes in den knoop getrokken, zoodat dominé zelf als een tweede Alexander zich met eene schaar moest wapenen, om die door te knippen; maar hij werd ten volle voor zijne moeite beloond en Piet ook, want een glans van vergenoegen overtoog het goelijk gelaat van Willems, toen hij zijn eigen meesterstuk weerzag. Met bedriegelijke vaardigheid waren de scheuren toegeloken, zoodat men ze ternauwernood meer ontdekken kon, en deze herstelling was met zooveel vlugheid en netheid volbracht, dat de teekening zelve onder de behandeling niets had geleden.Willems kreeg tranen in de oogen van blijdschap; dit nu was geene nabootsing van zijn werk, maar het geliefd eigen kunststuk zelf, wel is waar bezwaard met eenige litteekens, maar die waren bijkans een triomf.»Wel Piet, wel jongen, wat heb je daar je best op gedaan. Je schijnt al heel handig....”»Och! dominé, weet u, ik doe het meer! Al wat er bij ons te lijmen, te plakken en te repareeren valt, doe ik.”»Zoo! En hoe heb je dat geleerd?”»Met probeeren, dominé! Moeder gromde altijd dat ik tot niets nut was, toen ben ik aan het opknappen gegaan van oude platen en prenten in haar winkel.... en.... en.... nu zal ze toch niet zeggen, dat ik den kost niet waard ben.”»Arm kind!” zei Willems, getroffen; »nu, je hebt dit zooknap gedaan, dat het mij wel een tientje waard is, en je zult het hebben ook!”»Och, dominé! dat.... dat hoeft niet,” sprak Piet stotterend en snikkend, »als dominé maar niet meer boos is, want ik.... ik had de grootste schuld; maar ziet u, dat kwam omdat.... ik had al zoolang gewenscht eens een van die teekeningen dicht bij te zien, en toen nu de meisjes die in handen hadden, en zij er mij buiten drongen, dat.... dat kon ik niet velen; ik had er slaag en schoppen voor willen verdragen, om eens een uurtje alleen in de catechisatiekamer te mogen blijven, en ze allen op mijn gemak te kunnen bekijken! O, dominé! u weet niet wat een pleizier mij dat zou gedaan hebben.»Wel, wel, Piet! dat had ik nooit gedacht, dat jij erg in die teekeningen hadt.”»Ik niet, dominé? Maar daar komt het van, dat ik hier nooit goed mijne vragen kende, ik dacht altijd aan wat anders, en dat ik ook zoo graag teekenen zou leeren, en.... en eigenlijk probeerde ik nu wel eens in stilte; vraag het maar aan dominé Roestink, die heeft het er het eerst uitgekregen, en nu weet hij alles. Och, dominé! ik.... ik zou ook zoo graag kunstenaar willen worden.”»Gij!Kunstenaar! Piet!” riep Willems in de hoogste verbazing den stotterenden en snikkenden knaap aanziende, terwijl hij moeite had, het »arme sukkel,” dat hem op de tong lag, terug te houden.Inderdaad, de spruit van vrouw Snibs, zooals hij daar stond, van verlegenheid zijne handen over de oogen wrijvend, terwijl hij hoog noodig zou gehad hebben een zakdoek te gebruiken, maakte al eene heel droevige figuur. In plaats van een slanke opgeschoten knaap was hij een kort dik mannetje, dat in zijne eerste kindsheid zeker aan engelsche ziekte had geleden, en nog van die kwaal de sporen droeg in opgezetheid en een bol bleek gelaat. Daar moeder niet oorbaar had gevonden, dat hij voor deze gelegenheid zijn Zondagspak aantrok, kwam een kaal en verschoten buis, een gelapte broek en een paar lompe schoenen, blijkbaar te groot voor zijne voeten, de armzaligheid van zijn voorkomen nog verergeren. Maar toch, zoo een physionomiekenner dat zware hoofd met dat stoppelig zwarte haar, dat breedbeenige voorhoofd, waarop halsstarrige wilskracht zetelde,met opmerkzaamheid had gadegeslagen, en zich de moeite getroost had, hem eens ferm in die grijsgroene oogen te zien, die als onder de sterk overhangende oogleden schenen weg te zinken, en die Piet misschien zijn leven lang nog niet met vrijmoedigheid had opgeslagen, dan zou hij hier voorzeker een vonk van genialiteit hebben zien schitteren, die meer dan het gewone beloofde. Maar aan Willems, die in geen opzicht een valkenblik had, gaven dat breede voorhoofd, die harde trekken en die omsluierde oogen alleen den indruk van logheid en slaperigheid, waarvan hij maar niet zoo op eens kon terugkomen, hoewel hem bij de vastheid, die er op dat gelaat te lezen stond, toen de knaap riep: »Ikwilkunstenaar worden,” een licht had moeten opgaan. »Gij kunstenaar worden,” herhaalde hij nogmaals, en had moeite een glimlach van medelijden te bedwingen bij de verwatenheid van den onnoozelen hals. »Maar hebt gij u wel voorgesteld, wat daar al niet toe behoort, welk eene heerlijke roeping het is, maar ook welk een armzalighandwerkvoor wie het niet verder kan brengen dan de middelmatigheid, en ’t is nog de vraag of gij, gij daar niet beneden zoudt blijven!”Piet had op deze bedenkingen geen ander antwoord te geven, dan de schouders op te halen en opnieuw half huilend uit te roepen:»Ik wou toch zoo graag teekenen leeren, dominé!”»Maar jongen, dat’s gekheid, leer liever een ambacht, waarmee je te eeniger tijd den kost kunt verdienen.”»Ik mag op geen ambacht gaan, anders ware ik leerling bij een verver geworden, dat.... leek er toch naar.... ik zou mij dan wel in stilte op het schilderen hebben toegelegd, maar moeder wil mij thuis houden in hare negotie, daar heb ik geen zin in, dat’s allemaal maar liegen en bedriegen en de lui afzetten, anders niet! Ik bid Onzen Lieven Heer alle dagen om uit huis te komen en een knap schilder te worden, dan zou ik mijne kunst oefenen ter eere Gods, zooals de Apostel Paulus voorschrijft.”Piet, eens over de blooheid heen, had zich door zijne geestdrift laten vervoeren, om alles uit te spreken wat er in hem omging, zijne bolbleeke wangen kleurden zich, zijne oogen schenen grooter te worden en schitterden, onwillekeurig maakten zijne handen het gebaar des gebeds.Willems was te goedhartig en had te veel gevoel om niet watgetroffen te zijn, maar het vooroordeel maakte hem hardvochtig, hij verstaalde zich tegen zijne eigene aandoening, en Piet kon door dat harnas niet heendringen.»Ik vrees, ik vrees, arme jongen, dat gij naar de wolken wilt grijpen,” was zijn ontnuchterend antwoord, »maar wat zegt uwe moeder er van?”»Mijne moeder! die spreek ik daar nooit over, dat zou toch niet helpen, dat weet ik vooruit.”»Je hebt zeker nooit geteekend, niet waar?” vroeg Willems na eene pauze.»Jawel, dominé! Als ik maar een kwartier tijd heb, en naar mijn zolderkamertje kan vluchten, waar ze mij niet storen, dan.... dan probeer ik het, en ’s morgens in de vroegte als geen mensch nog op is, sluip ik stil het huis uit en loop naar buiten, om het veld en de beesten en de boomen en de wolken zoo eens rustig te bezien als de zon doorkomt, of als ik de kerk open vind, ga ik daar eens binnen.”»De kerk? Zondags in de vroegpreek?”»Neen, neen! de Roomsche, in de week is die ook open.”»In de Roomsche kerk! Jongen, ben je dol, schaam je toch!”»Och, dominé! daar zijn zulke mooie schilderijen in en beelden, en dan ga ik maar stilletjes in een hoek zitten en luister naar de muziek; is daar kwaad in?”»Neen, kwaad nu juist wel niet, maar toch.... ’t is gevaarlijk, de propaganda, zoo’n pastoor had je maar in ’t oog te krijgen, en, om een zieltje te winnen, wie weet wat hij je beloofde.”»Als hij mij helpen wilde om schilder te worden.”»Zoudt ge dan daarvoor Roomsch willen worden, je geloof verzaken....”»Mijn geloof! ik ben immers nog geen lidmaat, dominé, en ’t geloof van moederishet mijne niet; femelen, de lui wat wijs maken, met Gods woord in den mond, neen, dat’s niet den Heere Jezus dienen, die de valsche wisselaars uit den tempel dreef.”»Je bent al een wonderlijke jongen,” zei Willems, half geërgerd, half goedkeurend, »ik had nooit gedacht, dat je een woord van mijn catechisatie onthouden hadt.... en wat zegt dominé Roestink als gij zoo tegen hem spreekt?”»Dat ik gelijk heb en dat de ware godsdienst niet bestaat inwoorden uit den catechismus van buiten te kennen, maar daarin, dat men het hart naar God toewendt, en dat men handelt naar Zijne geboden.”»Kijk nu eens aan! en ze loopen Roestink na, omdat hij zoo orthodox is,” sprak Willems binnensmonds, terwijl Piet vervolgde:»En zou ik dat nu niet kunnen doen als ik Roomsch was geworden?”»Foei, Piet! Ge moest u zulke dingen niet eens in het hoofd halen! Roestink moet weten wat hij doet, maar.... als hij je niet beter wapent tegen de verleidingen van het bijgeloof, dan krijgen de Jezuïeten vat op u, dat houd ik voor zeker.”»Dominé Roestink staat er voor in, dat ik met Paschen mijne belijdenis zal doen,” hernam Piet met een sluw glimlachje, »dan heeft moeder haar zin, en dan hoor ik immers tot hare kerk, en dominé heeft mij beloofd, dat hij er dan zijn werk van maken zal, mij buiten de stad bij een schilder in de leer te doen, als u hem daarin maar helpen wilt; dat had hij u laatst willen vragen, maar.... hij wilde eerst uw gevoelen weten over mijn werk.”»Hm! hm! heeft Roestink zich dàt in het hoofd gezet. En uwe moeder? moet dat dan buiten uwe moeder omgaan?”»Dominé heeft er wel moed op hare toestemming te verkrijgen, als het maar buiten hare kosten kon geschieden, en als u mij uwe hulp wildet toezeggen, zooals gij die aan Frits hebt beloofd!”»Daar hebben wij het, gij hebt er zin in gekregen uit jaloezie op Frits,” zei Willems hoofdschuddend, »maar jongen zie je, dat is een heel ander geval!”Hij was met de zaak verlegen. Voor twee te verkrijgen wat hij reeds niet zonder bezwaren, moeite en eigen offers voor één zou kunnen verwerven, dat achtte hij ondoenlijk, te meer daar hij bij zijne vrienden geopende harten hoopte te vinden voor den zoon van juffrouw Rosemeijer, die in beklag, die in achting was, maar voor Piet Snibs, den zoon van de inhalige uitdraagster, nog daarbij eene brutale fijne, hoe zou hij daar sympathie voor vinden, en hoe zou hij ooit aan zijne vrouw durven bekennen, dat hij zich voor dezen moeite gaf! Daarbij hij kon niet gelooven, dat Piet dezelfde aanspraken had als Frits; »een heel ander geval,” herhaalde hij nogmaals op gerekten toon, en na een stilzwijgen,waarin hij bij zich zelf zulke overwegingen had gemaakt. »Frits heeft talent moet je weten en gij.... ik zou wel eens willen zien wat gij geteekend hebt?”»Als ’t u belieft, dominé! Ik heb zoo een en ander meegebracht,” en Piet zette voorzichtig het meesterstuk van Willems ter zijde, en liet zijn eigen werk zien, dat tot hiertoe daarachter verborgen was gebleven.Het eerste het beste ontlokte Willems een uitroep, waarin hij een lach smoorde.»Eene poging om mijne teekening na te schetsen, en tot welk eene uitkomst! dat lijkt immers naar niets!” kon hij zich niet onthouden te zeggen, daar de caricatuur hem prikkelde als een persiflage van ’t geen hij zelf had verricht.»Ik weet wel dat ik het niet zoo mooi kan als Frits, maar ik heb het ook van niemand geleerd, alles uit mijn zelf!” sprak Piet met tranen in de oogen en toch met zekeren trots.»Het raakt kant noch wal, het zijn krassen, omtrekken, en welke omtrekken! de figuren zijn er niet eens allen op aangeduid en ook geheel anders gegroepeerd.”»Ik heb ook geene kopie willen maken! Ik heb alleen willen beproeven op mijne eigene manier datzelfde onderwerp terug te geven; dat ik het niet beter doe komt omdat er niemand is, die mij terechthelpt!”»Dat is wel te zien, arme jongen!” en al pratende snuffelde Willems nog wat in de portefeuille, waaruit pogingen tot landschap, tot figuur, tot genreteekening in bonte afwisseling te voorschijn kwamen.Toen Piet van zijne eigene manier sprak, had hij wel gelijk, want ze geleek op niets dan op de wanhopige pogingen van iemand, die iets wil wat hij niet vermag, maar die het zóó vast wil, dat zijn onvermogen er tot zekere hoogte door overwonnen werd. Het waren erbarmelijke uitkomsten, maar in de worsteling zelve, waarmee ze verkregen moesten zijn, lag kracht en gloed. Begrip van kleur, stoutheid van conceptie spraken er uit, ondanks de onhandige uitvoering; het waren belachelijke teekeningen, die kant noch wal raakten: Willems had daar gelijk in, maar het waren belangwekkende oefeningen van een talent, dat maar leiding en voorlichting noodig had, om zich heerlijk te ontwikkelen.Het was als een man, die niets wist van taal noch spelling, maar wien diepe gedachten door het hoofd woelen, en wien stoute beelden voor den geest zweven, zonder dat hij het vermogen heeft om ze uit te drukken voor anderen, omdat hij heta,b,cniet kent.Willems die den smaak van zijn tijd in niets vooruit was, en die orde en correctheid als de eerste voorwaarden beschouwde van een gelukkigen aanleg, wist in die harde, grillige, hoekige krassen niets meer te zien dan voor oogen lag. Hij bekeek dat alles onder een misnoegd hoofdschudden, sloeg daarna de portefeuille weer toe, legde de hand op den schouder van den knaap, zag hem ernstig meewarig in de oogen, en zei toen: »Wil je een goeden raad van mij aannemen, Piet! zoo vermors niet langer je tijd met zulk gekrabbel, en word verver! dat is beter dan kladschilder.”Met dezencoup de massuezond hij hem weg. Wat de arme jongen er ook tegen in wilde brengen, het was tevergeefs, hij was geoordeeld, gewogen en te licht bevonden.Hij kon niets verkrijgen dan het tientje dat hem was toegezegd, en dat hij niet wilde aannemen, omdat hij »brutaal en koppig” was volgens Willems, want hij had gezegd: »Dankje, dominé! om kunstenaar te worden, zou ik wel willen bedelen, maar als ik bij moeder moet blijven, heb ik geen aalmoes noodig.”»Ik zou het niet op mijn geweten willen nemen,” zei Willems later tot Roestink (die meende nog eens op de zaak te moeten terugkomen, en Piet ten voorspraak te zijn) »om dien jongen uit zijn stand te rukken en er de hand aan te leenen dat hij een armzalig kunstenaar werd, beter dàn, een daglooner die zijn brood heeft.”Dit was de uitspraak van het gezond verstand, maar de goede Willems had de toepassing elders moeten maken.X.Met Paschen werden de beide jongelieden door hunne respectieve leeraars als lidmaten der Kerk aangenomen en bevestigd.Frits, die dezen stap meer beschouwde als de inleiding tot hetmaatschappelijk leven, als het overtreden van de grens die den knaap van den jongeling scheidt, Frits had daarbij veeleer levendige aandoeningen dan diepe indrukken. Het natuurlijk gevolg eener oppervlakkige opvatting van hetgeen de diepten des gemoeds had moeten beroeren.Willems zelf had daar ook zijne schuld aan. In plaats van met kalmen ernst tot de consciënties te spreken, had hij het recht treffend willen maken, had de emotiën opgewekt en de zenuwen in beweging gebracht, en behaalde eensuccès de larmes, waaronder Frits het meest aan zijne moeder dacht, die hij verlaten moest en die haar leven vol opoffering zou voltooien door het afstaan van haar zoon!Piet Snibs daarentegen gedroeg zich bij de plechtigheid als iets waaraan hij zich onderwierp, omdat het zoo zijn moest, maar dat eigenlijk over hem heen ging.Toch begreep hij, ondanks uiterlijke roerloosheid, de ernstige beteekenis van de verbintenis die men hem deed aangaan. Maar te meer was hij daartegen weerstrevig in zijn binnenste.Van hem kon niet gezegd dat zijn hart verdeeld was tusschen God en de wereld, maar veeleer dat het in vollen opstand was tegen God en menschen. Hij voelde zich verdrukt, hij voelde zich miskend en onbarmhartig teruggezet. Frits was de gelukkige, de beminde, men legde de handen ineen om hem voort te helpen; dezen werd aangeboden, wat hij niet eens had gevraagd;diekon dankbaar zijn en Gode zijn hart wijden; maar een geplaagde en gejaagde als hij, die kon alleen het hoofd buigen en zich krommen onder zijn juk met verbeten wrok. In den zestienjarigen knaap, die als een ezel onder den staf des drijvers was grootgebracht, en die des ondanks in zich de bewustheid voelde van meer te zijn dan de anderen hem achtten, die van deze bewustheid leefde en in haar de kracht vond om alles te verdragen met den blik op eene eindelijke erkenning in de toekomst en die nu plotseling werd gedwongen om zelfs deze hoop op te geven, in zulk een zestienjarige was die gemoedstoestand niet onnatuurlijk. Dat dominé Willems, die voor een welwillend hulpvaardig man bekend stond, die voorden kunstkennerbij uitnemendheid doorging in het stadje, dat deze hem zijn bijstand had geweigerd, hem alle aanspraak op talent had ontzegd, dat had hem niet slechts bitter teleurgesteld, maar in zijn zelfvertrouwen geschokt.Zoo was het dan maar inbeelding geweest, kunstenaar kon hij niet worden. Waarom had God dan die onweerstandelijke aandrift in hem gelegd om zich aan eene kunst te wijden, waarvoor Hij hem geene gaven, geene krachten had verleend, of indien die brandende begeerte haar recht had om voldoening te eischen, indien het innerlijk bewustzijn hem niet bedroog, waarom dan duldde de Hemelsche Vader dat men hem, juisthemterugzette en tegenstond? Waarom was Frits de uitverkorene, hij die niet eens door zulke aandrift werd gedreven en die wellicht nooit die keus zou hebben gedaan, zoo anderen het hem niet in ’t hoofd hadden gepraat?Waarom had deze eene moeder die haar eigen geluk ten beste gaf voor de toekomst van haar zoon, terwijl zijne moeder niets voor hem was dan eene verdrukster, die uit bekrompen eigenbaat hem niet eens de vrijheid wilde laten om het ambacht te kiezen, dat de geliefde kunst het meest nabij kwam, dat er de opleiding toe zijn kon.... Waarom was zijne moeder een vrouw zonder hart en zonder geest, die alleen de uiterlijke gedaante der godzaligheid had, maar niet het wezen? Haar ongelukkig kind had tot zijn eigen smart en schaamte oogen des geestes om dat te onderscheiden!Zulke smarten, zulke twijfelingen, zulk een gesmoorde oproerkreet bewogen het gemoed van den vroegrijpen knaap, die nog bij velen, bij zijne moeder het eerst, voor een stuggen botterik gold, die zwijgend zat te mokken, terwijl anderen in hunne aandoeningen zwelgden en zich daarop te goed deden.»Die is een verworpene, hij heeft een hart van steen en hij verhardt zich tegen de inwerking der genade,” zuchtte vrouw Snibs, want zich zelve bedriegende eer zij het anderen deed, hield zij zich in hare koude, dorre rechtzinnigheid voor eene waarachtige Christin, en waar haar zoon hare vrome gebaren niet nadeed, hare zalvende woorden niet nasprak, waar hij met kennelijken weerzin de treffendste en aangrijpendste teksten aanhoorde, die zij hem als steenen tegen het hoofd wierp, en met verbeten ergernis een antwoord terughield, waarin een beschamend licht zou zijn opgegaan over haar zelve, daar achtte zij dit alles verstomping, willekeurige verharding en begreep niets van de diepte des gemoeds, waarin zoo vroeg zulke strijd werd gestreden.Maar voor Roestink toch was die niet geheel verborgen geblevenen mogelijk veroordeelt men hem dat hij, deze zielsstemming doorziende, toch op het doen van den beslissenden uiterlijken stap had aangedrongen en het zijne had gedaan om dien mogelijk te maken. Maar Roestink de verzoekingen voorziende, waaraan deze jongeling zou zijn blootgesteld in zijn exceptioneelen toestand, achtte de uiterlijke band althans een hechtsel, al kon die geen krachtige steun zijn, terwijl de kwaliteit van lidmaat der gemeente Piet een recht gaf van zelfstandigheid tegenover zijne moeder, al vond deze niet goed hem overigens te emancipeeren. Daarenboven was de trouwe leeraar niet voornemens dit jonge schaap zijner kudde aan zich zelven over te laten, te midden van strijd en dwaling. Door welwillendheid en belangstelling had hij het vertrouwen en de genegenheid van den verdrukte gewonnen en een zedelijk overwicht op hem verkregen, waarvan hij partij wilde trekken om hem te leiden, verder te brengen en te wapenen tegen den strijd des levens.Hoewel bij de uitspraak van Willems ook zijn geloof aan het talent van Piet aan het wankelen was gebracht, daar hij zijn eigen oordeel in dezen moest wantrouwen, de overtuiging dat er in den zonderlingen knaap een diep gemoed, een groot karakter en eene buitengewone wilskracht school, die maar behoefden gekweekt en geleid te worden om zich volledig te ontplooien, die overtuiging kon hij zich niet laten ontnemen door den twijfel van anderen. Hier had hij alleen zijne eigene ervaring te raadplegen, zijn eigen blik te scherpen om te weten dat hij zich niet bedroog, en dat een zonnestraal van levensvreugd, de koestering eener verstandige liefde op dit schijnbaar weerbarstig en verstompt gemoed zouden inwerken als de lentegloed op het overijzelde veld. Terwijl straffe verdrukking en dreiging met Hemelschen toorn en helsche overmacht alleen strekken kon om het zich nauwer te doen sluiten en nog stugger te omschorsen.De moeder, die hem als met vuiststompen het ware gereformeerde geloof had opgedrongen, stond Piet in den weg om Christen te worden. Roestink begreep dit en deed wat in zijne macht was om dien schadelijken invloed te verontzijdigen, om te voorkomen wat hij zag naderen bij het meer en meer ontwakend zelfbewustzijn van den jongeling, dat hij zijne moeder ging haten en minachten, zooals de slaaf zijn tiran haat en minacht en dat hij zich eenmaal als deze op onwettige en gewelddadige wijzeonttrekken zou aan dat misbruikt gezag. De mogelijkheid van zulke uitkomst hield Roestink vrouw Snibs voor, zoo zij bleef volharden om uit bekrompenheid en eigenbaat haar zoon in zijne vurigste wenschen, in ’t geen men noemen kon zijn kunstenaarsinstinct, te dwarsboomen. Het mocht niet baten, zelfs zijn voorstel, om al was het maar bij wijze van proefneming, den knaap teekenen te laten leeren op zijne kosten en voorts hem in de leer te doen bij een huisschilder, werd met scherpe afkeuring begroet.»Zij kon niet begrijpen hoe dominé den jongen in zijne eigenwilligheid kon sterken. Het was maar dwingen. Zij had haar zoon in hare zaak noodig en daar kon hij genoeg in te doen vinden om niet te zitten droomen en mokken, zooals hij veeltijds deed. Dominé zou beter doen met hem het vijfde gebod voor te houden, dan hem te sterken in zijne grillen; het was schande en zonde en dominé ging nogal door voor een verlicht man en een kind Gods! En dan een zoon op te zetten tegen zijne moeder.”»Maar vrouw Snibs, hoe kunt gij zoo doordraven?” viel Roestink in, »ik geef het u alleen in overweging. Ik zal mijn best doen om hem te leeren berusten als gij weigert, maar men zou het toch eens kunnen probeeren, en ... als dat les nemen geschiedde zonder dat het u iets kostte.”»Daar bedankte zij voor. Al was zij maar eene simpele burgervrouw, zij behoefde geen onderstand en zou de handen ook niet uitsteken om giften van anderen, zooals zekere Madam die zich nog wel »juffrouw” liet noemen, en die zich verbeeldde, dat haar zoon een heer moest worden op andermans kosten. Neen! wathaarkind noodig had, kon hij van haar krijgen. Al was zij maar eene weduwe, de Heer had hare vlijt gezegend, de Man der weduwen had haar niet verlaten en zij was voorspoedig geweest in haar handel en wandel. Maar ook zij leefde niet naar de lusten des vleesches, noch trachtte naar de dingen die haar te hoog waren, zooals de wereldlingen die de grootschheid des levens en de begeerlijkheden der aarde naliepen, zij was een kind Gods en onderscheidde zich van de wereld door eenvoud van kleedij, zij bleef nog een rok en jak dragen, terwijl al hare buurvrouwen...”»Eilieve, vrouw Snibs! wat doet dat alles er toe,” was Roestink ingevallen, om dien stortvloed van eigengerechtigheid, met geestelijken hoogmoed vermengd, een dam te stellen.Het mocht hem niet baten.»Wat er dat toe doet, dominé!” hervatte zij met eene stem driemaal scheller en scherper dan te voren. »Wel ik dacht dat een man als u wel-eerwaarde, dat wel begrijpen kon. Dat zegt zooveelalsdatik mijn eenig kind wel naar mijn staat onderhouden kan, en alles meen te geven wat hem toekomt, zooals iedereen zien zal, als Piet in de loting valt, en een remplaçant noodig heeft; stuivertje voor stuivertje heb ik dat sommetje opgegaard, want mijn zoon zal niet den breeden weg opgaan met dat ruwe soldatenvolk! Neen! o, neen! als Hannah heb ik hem den Heere gewijd, en al weet ik wel dat de kinderen der wereld wijzer zijn dan de kinderen des lichts, zoo onnoozel noch onervaren in de dingen dezes tijds ben ik niet, om niet te weten wat soort van volkje muzikanten en schilders zijn, die den tijd maar doorbrengen met luilakken, slampampen en pretmaken! Dat mijn Absalom lust heeft daarvan zijne gezellen te maken, verwondert mij niet, maar dat dominé, die toch voor een godzalig leeraar bekend stond, dat dolende schaap zoo maar aan de wereld en hare verlokkingen wilde overgeven, dàt gaat mijn verstand te boven, en gedoogen zal ik het niet. Ik wil wel mijn Izaäk den Heere offeren, maar niet den Moloch!”Sinds lang schor van het schreeuwen moest vrouw Snibs na die laatste emphatique tirade huilen, hoesten en bovenal adem scheppen. Roestink, wiens lankmoedigheid bijkans ten einde was, nam dit intermezzo te baat, om haar voor te houden dat zij zelve juist bezig was haar zoon te offeren aan den Moloch van hare heerschzucht en haar egoïsme, en toen hij op die vermaning de noodige klem legde door bijbelsche uitspraken, waarvoor zij had moeten bukken, en die haar aan zich zelve zouden ontdekt hebben, zoo zij oprecht ware geweest in hare vroomheid, toen weerstreefde zij des te heftiger en werd zeer boos, en met vinnigheid beet zij hem toe, dat zij moeder en voogdes was, en dat zij weten moest wat haar zoon paste of niet, dat dominé zich met diens geloof had te bemoeien en niet met zijn handwerk.Roestink zelf, wel wat geprikkeld door de walging die de huichelarij en de brutaliteit dier vrouw in hem opwekte, vergat de voorzichtigheid en repliceerde dat het juist was om den wille des geloofs dat zij toe moest geven en dat hij wilde waken, daar de onderdrukking, waarvan Piet het slachtoffer was in zijn moedershuis, en de wijze waarop zijne kennelijke roeping voor de kunst werd te keer gegaan, bij hem noodwendig zulke terugwerking moest hebben, dat hij elders bevrediging zou zoeken en dat de Roomsche kerk voor zulke naturen, onder zulke omstandigheden hare eigenaardige verlokkingen had, waaraan Piet werd blootgesteld, zoo men hem geen ruimer uitzicht opende en door de koorden der liefde wist te binden.»Wat!” riep zij uit, de handen in de zijde zettende, »de Roomsche kerk! wat gaat ons de Roomsche kerk aan, wat hebben wij daarmee gemeens, hoe kunt gij u zoo iets in het hoofd halen, dominé! zoolang mijn jongen in mijn huis is, zal hij zijne voeten niet in den Baäls-tempel zetten, daar kan je zeker van zijn. En liefdekoorden, ja, een mooi ding voor zoo’n verstokte als hij is, die heel gauw zou uitspatten als ik hem niet goed onder tucht hield.»En jij Piet” (tot zijn schade was het beklagenswaardige voorwerp van de discussie op het geraas zijner moeder komen aanloopen) »en jij! als ik je ooit attrapeer dat je den voet op den drempel van de papekerk zet, dan zal je er van lusten! daar kan je op rekenen!”»Goed moeder, ikzaler op rekenen,” was het lakonieke antwoord van Piet.Na dit tooneel, na zulk een misverstand van zijne beste bedoelingen, zijne trouwste vermaningen, was Roestink schaakmat; hij gaf het althans voor dien dag aan vrouw Snibs gewonnen. Eenige dagen later toen hij hare drift bekoeld achtte en voor zich zelven eene versche dosis lijdzaamheid bemachtigd had, dreef belangstelling in Piet hem nogmaals naar de muffe woning der uitdraagster, met het voorstel om Piet zijne lidmaten-catechisatie te laten bijwonen; maar het werd met snibbigheid afgewezen. Dominé wist wel, dat er niet voor niet haast gemaakt was met het aannemen. Zij had haar zoon noodig in hare zaak en kon hem zooveel tijd in de week niet geven, daar zij wel zag, dat het leeren bij dominé hem toch niet verder brengen zou. Als hij niet onwillig noch doofhuidig was, kon hij genoeg vorderen onder haar opzicht; hij had altijd gelegenheid hare oefeningen met hare vrienden bij te wonen; maar dat verkoos hij niet, en als hij er toe gedwongen werd, zat hij te slapen of te pruilen. Zij had de overtuiging, dat hij niet dan een vat teroneere was, en alles wat menschelijke wijsheid daarin zou werpen, zou hem maar schade doen, en hem sterken in zijn eigenwaan en verstoktheid. Hij was nu lidmaat en lag voor zijne eigene rekening; in haar huis werd de Heere gediend en hij behoefde het niet daarbuiten te zoeken als hij ten goede wilde, zoo niet, dan was het beste lijdelijk af te wachten, wat er over hem beschikt was, daar vleeschelijke hulp toch niet baten zou, dat wist zij maar al te goed. Behalve in den bekrompen eigenbaat, die den aankomenden jongeling elke ure vrijheids beknibbelen wilde, lag de oorzaak dezer weigering in de vrees van vrouw Snibs, dat dominé van het pretext der catechisatie wel eens gebruik zou kunnen maken, om Piet onderwijs te laten geven in het teekenen, en daarmee was ze mogelijk niet zoo heel ver van de waarheid, want mevrouw Roestink, die ondanks haar witte neteldoeksche japon en haar sjaal een allerliefst talentvol vrouwtje was, had, niet onder voorwendselvan, maarnade catechisatie-uren zich willen aanbieden, om Piet zoo wat letterwijs te maken in de kunst waarnaar zijne brandende begeerte uitging; zij zou hem om het zoo eens te noemen het a, b, c leeren, en dan verder zijne oefeningen wat leiden; maar de grimmige wijze waarop vrouw Snibs de eerste aanbieding afwees, weerhield Roestink om met de andere voor den dag te komen. Toen hij aftrok sloeg de Xantippe de deur achter hem dicht met een geweld of zij hem waarschuwen wilde, dat hij die bij eene nieuwe poging voor goed gesloten zou vinden.Na zulk eene afwijzing kon hij zijn bezoek niet herhalen, en tot bitter leedwezen van Piet werd de betrekking tusschen hem en den eenigen vriend, die hem begreep en voor zijn lijden medegevoel, voor zijne aspiratiën sympathie had, voor goed afgebroken. Roestink sprak hem wel eens eene enkele maal vriendelijk toe als hij hem alleen ontmoette, maar daar hij den zoon niet overhalen wilde tot eenigen stap buiten zijne moeder om, bleef het daarbij.Vrouw Snibs meende hare handelwijze jegens dominé Roestink te rechtvaardigen tegenover hare geloofsverwanten, met te zeggen »dat hij nog maar ten halve verlicht was, dat hij hinkte op twee gedachten, en laag neerzag op de kinderen Gods, omdat zijn hart naar de wereldsche ijdelheden trok.” Gelukkig vond de laaghartige onder deze geloovigen juist geenelichtgeloovigen. Zijhadden zelven al genoeg ervaring van de disharmonie tusschen hare woorden en hare daden, om op hare aanklacht een man te veroordeelen of te wantrouwen, wiens handel en wandel in overeenstemming was met zijne stichtelijke redenen. Zijne profetie omtrent de gevaren die Piet kon loopen, scheen zich echter niet te verwezelijken. Toch wel niet omdat Piet naar het voorschrift zijner moeder de Roomsche kerk links liet liggen; integendeel, hij legde er de obstinatie in van zijne wrokkende rebellie om precies tedoenwat hem onder zulke bedreigingen werd geboden, telaten. Hetzij hij reeds zoo verhard was door het lijden, dat hare bedreigingen voor hem geene beteekenis meer hadden; hetzij hij de heimelijke wegen wist te gaan, die voor betrapt worden veiligden; maar de oude pastoor liet hem stil in zijn hoek zitten, beelden en schilderijen aangapen en naar het koorgezang luisteren, al had hij hem meermalen opgemerkt. De zucht tot proselietenmakerij werd weinig aangemoedigd onder het vaderlijk bestuur van Koning Willem I, die van uiterlijke orde en rust hield in de kerk en onder kerkelijke personen, ten koste van den inwendigen vrede mogelijk; maar dàt was de vraag niet: ieder moest op zijn eigen terrein blijven, platte kalmte moest er heerschen, geen strijd, geene overdrijving;surtout pas de zèle!” was het wachtwoord, dat den kerkelijken van iedere gezindheid gegeven was en waaraan zij zich moesten houden. Alleen de ijver tegen overdrijvers en ijveraars werd uitgezonderd; dat waren debêtes noires, waarop ieder vrij jacht mocht maken. Onder dit régime van lauwheid en flauwheid kon de zoon van de stijf gereformeerde uitdraagster den goeden ouden pastoor wel niet tot een lokaas zijn, om een geloofsijver te toonen, die zoo weinigde misewas. Piet Snibs bleef dus onaangevochten denzelfden sleur gaan bij zijne moeder in huis tot zijn achttiende jaar. Roestink was intusschen naar eene groote stad beroepen en de arme jongeling had met hem den eenigen vertrouweling verloren van zijn geheimen strijd, den eenigen vriend, die hem nog wel eens vluchtig de hand drukte en een woord van deelneming toesprak, of met eene zachte vermaning tot geduld en berusting stemde. Toen Piet in de loting viel en tot zijn spijt een hoog nommer trok, wilde hij toch dienst nemen, hetgeen hem door zijne moeder werd belet, daar zij de zucht voor den dienst als een pretext beschouwde, om zijne vrijheid te bekomenen in ledigheid en losbandigheid te kunnen rondslenteren; de eerste onderstelling was volkomen juist, de andere zeer onbillijk, daar Piet’s gedragingen haar geen het minste recht hadden gegeven, om hem zulke intentiën toe te dichten.Maar vrouw Snibs mocht Xantippe zijn zooveel zij wilde, een jonkman van achttien jaar is niet binnenshuis te houden als een kind, en zij zou de nutteloosheid van haar dwangstelsel tot hare smart en beschaming leeren inzien. Op zekeren dag was er groot alarm in haar huis, en welhaast weerklonk het in hare buurt. Haar zoon, die nooit na tien ure mocht thuiskomen, was den vorigen Zondag-middag uitgegaan en ’s Maandags-ochtends nog niet terug. Niemand had hem gezien, niemand wist waar hij gebleven was. Spoedig bleek het haar, dat hij heengegaan was om niet weer te keeren. Hij had wat kleeren meegenomen en het geld uit zijn spaarpot. Het steenen varken werd in scherven onder zijne bedstede gevonden, dit was dus opzet. »Haar verloren zoon was den breeden weg opgegaan!” Hoewel zij eene advertentie plaatsen liet in de Haarlemsche Courant, die het slachten van ’t gemeste kalf scheen te beloven bij zijne wederkomst, hij keerde niet terug, om die openlijke betuiging harer moederliefde op de proef te stellen. Hij was zeker wat bang voor de al te teedere omklemming dier liefdearmen. Mogelijk ook kwam de noodiging niet eens tot hem. Hoe dat ook zij, vrouw Snibs zag haar zoon nooit weer, en van spijt over die ontsnapte prooi, »van droefheid over haarAbsalom,” zooals zij zich uitdrukte, wierp zij zich midden in de wereld, dat wil zeggen, zij brak met al hare antecedenten en trouwde een gepensioneerd onderofficier, die bij Quatre-Bras een stijf been veroverd had en aanspraak op de Willemsorde, die hem echter niet gewerd. Hij verzoette hare verdere levensdagen door het verhaal zijner krijgsavonturen en het gezelschap zijner kameraden, voor zoover ze te E. aanwezig waren, en verder door haar proefondervindelijk kennis te doen maken met de militaire discipline, die hij op zijne vrouw toepaste, daar hij geen conscrit meer te drillen had. Het spreekt vanzelve, dat zij zich niet vlotweg aan dit régime onderwierp, maar na een stormachtigelune de mieltriomfeerde deforce brutaleen vrouw Snibs, die nu juffrouw Doelman genoemd werd,was broken to the harnesszooals het behoorde. Deze nieuwe Patruccio had zijne helleveeg getemd!Dominé Willems had inlichtingen kunnen geven over het verdwijnenvan Piet, maar daar ze hem niet gevraagd werden en daar Piet hem ten dringendste het stilzwijgen had verzocht, hield hij ze voor zich. Een paar dagen vóór zijne ontsnapping namelijk had Piet verzocht dominé Willems te spreken. De audiëntie toegestaan zijnde, herinnerde hij dominé aan zijne vroegere belofte om hem een geschenk in geld te geven, dat hij toen afgewezen had in de bitterheid eener smartelijke teleurstelling. Hij verzocht nu ootmoediglijk excuus voor die weigering en hoopte dat hij de goedheid van dominé niet mocht verbeurd hebben.»Je bent er dus nòg niet af?” vroeg Willems hem onderzoekend aanziende.»Neen, dominé! nu ik de hand uitstrek naar uwe gift, kunt u wel begrijpen waarvoor.”»Nu dan, trotsche stijfhoofd, God zegene u!” sprak Willems met een bedenkelijk hoofdschudden, of hij nauwelijks aan de kracht van dien heilwensch geloofde; maar hij verdriedubbelde zijne gift en liet hem gaan, zonder nadere ophelderingen te vragen, en zonder hem met vermaningen te kwellen, die toch niet meer zouden baten. Hij giste wat Piet in zijn schild voerde.Sedert eenige dagen namelijk was er te E. een voornaam Vlaamsch kunstschilder aangekomen, die na de bijeenvoeging der Noordelijke en Zuidelijke Provinciën in den Haag woonde. Belast om een altaarstuk te vervaardigen, waarmede een rijk Katholiek inwoner zijne kerk wilde begiftigen, moest hij zich over de grootte en het onderwerp bespreken met den schenker en met den pastoor, en wilde op de plaats zelve de voorloopige schets maken, ten einde haar in volkomen harmonie te brengen met de omgeving. Daar hij bij zijn Maecenas gehuisvest was, die niets liever wenschte dan hem zoolang mogelijk te houden, dijde dit verblijf tot weken uit, waarin de schilder gelegenheid vond om voor zich zelven eenige studies te maken van schilderachtige, oud-Hollandsche stadsgezichten, waar het stedeke zeer rijk in was. Huizen met luifels, gebeeldhouwde stoepbanken en trapgevels, begonnen toen reeds curiositeiten te worden voor een kunstenaar, die slechts de groote steden bewoond en bereisd had.Als door magnetische attractie geleid, was Piet in zijne nabijheid gekomen van den eersten dag af, dat hij buitenshuis teekende, en van toen aan behoefde de schilder niet eens meer omte zien, hij wist vooruit wie er achter hem stond, en ieder zijner bewegingen volgde met zwijgende aandacht. Gewoon ten doel te staan aan de nieuwsgierigheid van leegloopers en voorbijgangers, werd hij echter getroffen door het kennelijk onderscheid tusschen genen en dezen jonkman, die verre van lastig te zijn, of door onbescheiden vragen te hinderen, alleen maar met gezette aandacht de vorderingen van zijn werk bleef gadeslaan, zonder hem door die plompe opmerkingen te storen, waarmee het gewone Hollandsche straatpubliek zoo gul is, zoo ras het iets ongewoons aanschouwt. Deze kieschheid, deze bescheiden houding, met zooveel onverzettelijke volharding gepaard, namen den kunstenaar voor hem in en op zekeren dag begon deze zelf een praatje.Uit het antwoord dat hij kreeg sprak zoo duidelijk geestdrift voor de kunst, met diepen weemoed doormengd, dat de schilder hem aanmoedigde om meer te zeggen. Het praatje werd een gesprek, en daaruit volgde de noodiging om hem te komen bezoeken ten huize van zijn gastheer. Piet verstoutte zich van die vrijheid gebruik te maken en bracht zijn werk mee. Hij had al zoolang geheime wegen gegaan buiten zijn moeder om! Hij had nooit opgehouden zich te oefenen, ja, hij had zelfs zijn zakgeld besteed, om in stilte lessen te nemen van Krimpelman. Hij was bijgevolg wat letterwijs geworden in de kunst, en toen Piet ééns wist hoe hij een penseel moest houden, had de goede teekenmeester verbaasd gestaan over hetgeen hij er mee wist te verrichten. De schilder onderscheidde het talent, dat in zijne studiën verscholen lag, te midden van al het gebrekkelijke en moedigde hem aan om het te oefenen met de opgewondenheid die den Vlaamschen kunstenaar karakteriseert. Wat meer zeide, hij beloofde hem zijne hulp en zijne leiding, mits hij van zijne moeder vrijheid verkreeg om hem naar den Haag te vergezellen. Piet, die vooruit wist, dat dit verzoek tevergeefs zou gedaan worden, verlangde alleen te weten wanneer de heer N. weer naar zijne woonplaats zoude terugkeeren; deze dacht binnen een paar dagen te vertrekken. Piet hield het zich voor gezegd; deed zijn aanzoek bij Willems, en was des anderen daags verdwenen.Willems, die in zijne kwaliteit van liefhebber den beroemden schilder een bezoek had gebracht, en van diens kennismaking met den zoon van vrouw Snibs had gehoord, bracht die overhaastevlucht natuurlijk in verband met de aanmoediging dezen door N. gegeven, en begreep nu—maar voor Piet ongelukkig te laat—dat diens roeping voor de kunst in vollen zin eene onweerstandelijke moest zijn.»Ik wil er niet op zweren, dat hij hetsavoir fairevan de kunst zal vatten..... maar hij heeftle feu sacré,” getuigde de Vlaming, »en dat, mijnheer, dàt is toch maar het principale!”XI.Wij zijn zoo ver met Piet Snibs mee doorgegaan, dat wij onzen held er voor in den steek hebben gelaten.Wij gaan hem nu opzoeken in de woning zijner moeder. Het is veertien dagen na Paschen en Frits staat op het punt zijne eerste schreden te zetten op de baan der kunst, die men voor hem heeft opengesteld. Dominé Willems heeft trouw woord gehouden en alle voorbereidende maatregelen daartoe genomen, alle bezwaren en hindernissen voor hem uit den weg geruimd. Frits heeft maar te volgen en in ’t spoor te treden, dat zijne beschermers voor hem afgebakend hebben.Een vermaard kunstschilder te Amsterdam had op voorspraak van een aanzienlijk liefhebber, academievriend van Willems, er in toegestemd om Frits onder zijne leerlingen op te nemen; verder zou deze nog onderwijs ontvangen in alle vakken van kennis, die een kunstenaar van zekeren rang onmisbaar moesten zijn. Hij zou bij stille burgerlieden inwonen voor een matig kostgeld, waarin de rijke Amsterdammer beloofd had te voorzien. Wat er verder noodig was werd bijeengebracht door Willems zelf, dominé Roestink en den vader van Dientje, die de voogd was van Frits en die zeer met het plan was ingenomen. Overigens hadden nog enkele notabelen van de gemeente, door de beide predikanten daartoe opgewekt, hunne geldelijke ondersteuning toegezegd, hoewel schoorvoetend en niet zonder zorgelijk hoofdschudden; want al werd hun voorgehouden, dat zij daarmee een goed werk verrichten voor de toekomst der vaderlandsche kunst: die kunst zelve werd door hen zeer weinig gewaardeerd, en de meesten hunner vonden het onverstandig en roekeloos, dat men den zoon van juffrouw Rosemeijer, den zoonvan Herman Millioen, dus uit zijn stand ging rukken, en zij zeiden niet te kunnen begrijpen hoe een wijs en bezadigd man als dominé Willems zoo iets in ’t hoofd had kunnen krijgen. De overige begunstigers van de weduwe spraken op dezelfde wijze: »Dat Frits, die een vlugge jongen was, wat teekenen leerde voor liefhebberij, dàt kon er door; maar dat hij dáár zijne broodwinning van zoude maken, dàt begrepen zij niet! Krimpelman had het waarlijk niet te breed, en die was toch al stadsteekenmeester!” Zij beklaagden de moeder van ganscher harte, dat deze om zulk een schraal vooruitzicht haar zoon moest missen, die haar nu al zoo goed te pas kwam in hare zaak met rekenen en schrijven.Juffrouw Rosemeijer zelve zou zeker met deze platte, ontnuchterende opvatting nooit openlijk hebben ingestemd en toch gingen haar menigmaal gedachten door het hoofd, toch voelde zij zich soms door onrust en aarzelingen overvallen, die niet zoo ver van deze beschouwingen verwijderd waren als zij zelve meende!Voorwaar! zij bracht het offer met volkomen gewilligheid, maar niet zonder verscheuring des harten, en vooral niet zonder angstige beklemdheid.O, zeker! het zou eene heerlijke uitkomst zijn, zoo haar zoon eens als een beroemd schilder tot haar weerkeerde, en als men het haar gevergd had, zou zij er haar laatsten penning aan ten offer hebben gebracht, om dat doel te bereiken; maar, sinds haar huwelijk had men haar al zoo dikwijls met schoone voorstellingen van de toekomst en schitterende vooruitzichten gevleid, waarvan zij niets dan teleurstelling en kommer had geoogst, zouden die zich nu ten laatste in haar zoon verwezenlijken? Zij moest het gelooven, zij wilde er om bidden, zij trachtte zich staande te houden met die hoop, om ook Frits niet al vooruit den moed te benemen, daar zij wel zag dat deze zelf niet met zijne gewone luchthartigheid de nieuwe bestemming tegenging; maar in het diepste van haar hart sprak een somber voorgevoel gansch andere dingen.Het was nu de dag vóór zijn vertrek. Een vroolijke zonnige lentedag, wel geschikt om treurig gestemde harten te bemoedigen, maar juffrouw Rosemeijer had liever een guren nevel gewenscht, al ware het maar om het recht te hebben over iets teklagen, en ook omdat zij dan den ganschen namiddag Frits nog bij zich zou gehouden hebben, die nu met dominé Willems eene wandeling deed.Daar het Zondag was had zij niets met haar winkel te doen en zat dus in hare binnenkamer, die op een klein bleekveldje uitzag, dat Frits zomers door het met bloempotten te omgeven, in een tuintje metamorphoseerde; maar waar nu nog niets te zien was dan een enkel crocusje van het vorige jaar, dat weer opleefde.Het was een hoogsteenvoudig huisvertrek, maar dat met zeker besef van comfort ingericht was, en er heerschte netheid en orde. Een lichtgrijs behangsel met zacht groene randen, hier en daar eene plaat, de portretten in pastel van Herman Rosemeijer en zijne vrouw, in den eersten tijd van hun huwelijk vervaardigd, hij in ’t kostuum van een Franschen incroyable, een kuif van krullende haren door een kammetje opgestreken, blauwe rok met vergulde knoopen, geel vest, ontzaggelijk hooge boord en das met rozet en geborduurde punten. Zij met kort afgesneden haar à la Brutus, een witte japon met korte mouwen en een corsage dat geen vinger lengte haalde en dat vrij gedecolleteerd was, maar toch zediglijk door eentour de gorgevan zijde gaas vergoelijkt werd.Voorts keurig glad gewreven Brusselsche stoeltjes met matten zitting, eene commode met marmeren blad, waarop eene pendule stond, door Herman in zijn besten tijd zelf vervaardigd, en waarvan zijne weduwe zich niet had kunnen ontdoen, hoewel die als curiositeit zeker nogal geld zou hebben opgebracht. Zij wees niet slechts de uren, minuten en seconden, maar ook de maanden des jaars en de dagen der week aan, en zij bleef goed gaan, omdat Frits van zijn vader had geleerd hoe zij moest opgewonden worden.Er lagen glad gewreven matten op den vloer en een karpet onder de tafel. De weduwe zat daarnevens voor een theeblad, waarop een serviesje van zwart Engelsch aardewerk en twee dusgenaamde presentkopjes geplaatst waren, rijk verguld en met eene allegorie in bloemen beschilderd, die daarenboven nog door een devies of een gelukwensch werd opgehelderd. Frits moest voor het laatst nog eens drinken uit zijn verjaarkopje, had juffrouw Rosemeijer gemeend; »kwam hij nu maar,” verzuchtte zij,het water naast haar kookte zoo goed, dat zij de thee maar zetten zou.Dominé moest hem nu ook niet zoolang ophouden voor den laatsten dag! Haar breiwerk lag naast haar, maar zij roerde er niet aan. Lezen? Neen! Helons Bedevaart naar Jeruzalem, haar door Willems geleend, had nu geene aantrekkelijkheid voor haar.»Reeds zes uur!” zuchtte zij, even naar de pendule ziende! »Als Frits weg is zal die ook wel niet meer gaan, ik kan er niet mee terecht;” en met een zucht van diepe moedeloosheid liet zij het hoofd in de hand vallen en schreide.Juffrouw Mina Rosemeijer was eene vrouw van even veertig jaar, die er eens goed uitgezien had en nog bevallig kon heeten, hoewel haar frisch teint verbleekt en hare wangen vermagerd waren. Haar zacht blauw oog, lichtbruin haar, onder een tullen muts doorschemerend, en in een paartire bouchonslangs de slapen neervallend, een zwart zijden japon met nauwe mouwen en roulautjes à la Waterloo gegarneerd, deed hare fijne taille en elegant figuur zeer goed uitkomen. Zonder eenigen opschik raadde men het uit haar eigen toilet, dat zij met smaak voor dat van anderen zou zorgen. Zij was eene modemaakster, die zelve haar beste uithangbord met zich droeg. Van fatsoenlijke afkomst, maar door haar huwelijk reeds een graadje op den maatschappelijken ladder gedaald, was zij door allerlei lijden en vernedering heengegaan, zonder zekeren goeden toon en manieren te verliezen, die van eene beschaafde opvoeding getuigen. Zij had geen groot verstand, maar bezat dien stillen, zachtmoedigen geest, die kostelijk is voor God. Zij was onder de smarten en beproevingen des levens gerijpt tot eene geloovige Christin; maar haar vak noch haar karakter bracht mede, om zich zelve en hare overtuiging op den voorgrond te zetten; toch bemerkte ieder, die met haar te doen had, het uit hare stiptheid in ’t vervullen harer beloften, in hare gewoonte om niemand te vleien noch iets op te dringen wat haar niet paste, dat zij niet naar de luim van ’t oogenblik, dat zij naar een hooger zedelijk beginsel handelde. Ook aan Frits had zij nooit hare vroomheid opgedrongen, die was bij haar gerijpt door ervaring, als het mosterdzaadje onder vroegen en spaden regen; zij wilde ook bij hem niets overhaasten, maar de kiem had zij gelegd en haar voorbeeld had hem nooit afgeschrikt, wel kunnen stichten, dieovertuiging had zij. Het overige moest zij den Heere overlaten, hoewel zij ook op dit punt zijn heengaan, zijn alleen staan in de wijde, wijde wereld, niet zonder kloppinge des harten indacht.Nog altijd bleef het eentonig geruisch van het theewater haar eenig gezelschap, toen op eens de winkeldeur met drift werd opengerukt en een gejaagde voetstap zich liet hooren, die juffrouw Rosemeijer terstond eene andere houding deed aannemen dan de diep neerslachtige, waarin zij eene wijle vervallen was. Haastig droogde zij het traantje, dat zij al nadenkende had laten glijden en met een glimp van blijdschap rees zij op, om Frits te gemoet te gaan.»Zoo mijn jongen, ben je daar!”Frits had een kleur als vuur en zijne oogen stonden ook wat waterachtig.»Wat lang weggebleven, niet waar moe?”»Dominé had je zeker nog veel te zeggen!” sprak zij zachtmoedig, zich reeds bezighoudende met zijn kopje in te schenken.»Dominé heeft niet de meeste schuld, wij hebben niet lang gewandeld, maar ik was nog even hier naast gegaan om van juffrouw Verburg en Dientje afscheid te nemen, en het lieve kind had het zoo druk en wilde mij haast niet laten gaan. Zij schreide zóó, dat.... dat ik er zelf haast kinderachtig van werd. Ik moet ook bekennen, dat het mij moeite kostte uit dat huis weg te gaan, waar zij allen zoo gul en vriendelijk voor mij geweest zijn. Wat kon dat aardige Dientje prettig buurvrijstertje met mij spelen, en hoe vriendelijk noodigdejuffrouw—tantezooals ik haar altijd noemde—mij telkens als er eens wat lekkers was om toch te blijven en eens mee te proeven.... en zij heeft mij eene kleine zak-portefeuille tot souvenir gegeven, en Dientje heeft zelve eene beurs voor mij geknoopt; zie eens, moe, hoe beeldig! groene zijde, met gouden kralen! en zij had zoo’n pleizier om het mij te geven; u had het moeten zien!”»Ja, het zijn lieve beste menschen, die Verburgs, en Dientje, als ze zoo opgroeit, zal een allerliefst meisje worden; maar Frits, jongen, daar is geld in die beurs! Wat beteekent dat?”»Mijnheer Verburg liet er drie tientjes in glijden; hij zei, die zou ik bewaren als er eens een extraatje noodig was!”»Mijnheer Verburg doet haast al te veel!” zei juffrouw Rosemeijer met een zacht hoofdschudden.»Och, moe! van hem neem ik het met de meeste gerustheid aan. Ik hoop het hem eens te kunnen vergelden.”»Dat hoop ik ook—nu! als gij onder Gods zegen wordt wat de vrienden verwachten....”»Neen moe! al word ik dát niet, toch zal de heer Verburg mij niet voor niet een vaderlijk vriend zijn geweest. Hij is niet meer jong, Dientje zal eens alleen staan, Dientje heeft geen broer, dát zalikvoor haar zijn....”»Als zij niet vóór dien tijd een echtgenoot heeft, zoo’n mooi rijk meisje zal wel jong trouwen....”Frits zag zijne moeder aan met een verwonderden blik en een verdrietelijken trek op het gelaat.»Hé moe! hoe kunt u denken dat Dientje vroeg trouwen zou? Zij zegt immers altijd dat zij mijn vrouwtje wil worden en er kan nogal wat tijd verloopen eer ik een knap schilder zal zijn!”»Beste jongen, hecht toch niet aan die kinderpraat van Dientje, dat kon u later teleurstelling geven.... een juffertje van twaalf en eene jonge dame van achttien, dat is heel wat anders.... Mogelijk zou zij, op dien leeftijd gekomen, u niet eens toestaan haar bij den naam te noemen zooals nu!”»Wel dàt zou mooi wezen!” riep Frits opvliegende, met een kleur als vuur van verontwaardiging, »als ze zoo’n nuf werd, zou ik zelf niets meer van haar willen weten, maar, moe! u vergeet dat ik dan ook geen kwajongen meer zijn zou, wie weet wat een groot kunstenaar ik dán zal wezen, en ofikdan geen recht zou hebben laag neer te zien op zoo’n ingebeeld dametje.”»Al hadt gij ooit dàt recht, Frits! het zou u toch zeer slecht staan te vergeten, wat gij aan de dochter van den heer Verburg schuldig zijt.”»Och, moe! denk toch niet dat ik mij laag of laf zou kunnen aanstellen, er kome dan van mij wat wil! Ikzeiu immers reeds dat het mijn liefste vooruitzicht, mijn vaste voornemen is om eens aan Dientje terug te geven, wat haar vader nu voor mij doet....”»Ik wensch van ganscher harte dat het u gegeven mag worden, dat begrijpt gij, Frits! maar zoo het anders uitviel, moet ik u waarschuwen, reeds nu mijn jongen, opdat gij het u niet onvoorzichtiglijkin het hoofd zoudt zetten, moet ik u waarschuwen nooit de oogen op te heffen naar Dientje, zelfs niet al moedigde zij u aan, want gij zoudt u, dus doende, hoogst ondankbaar gedragen jegens uw weldoener. Foei, Frits!” viel zij zich zelve op eens in de rede, »gij glimlacht! is dat nu mooi, als ik ernstig spreek?”»Wel!” zei hij nu luid lachende, »juist dáárom. U vat dit nu zoo ernstig op alsof het vlak voor ons lag, en ’t is alles immers nogzóóin de verte.”»Dat is waar, maar toch als men zich niet voorbereidt om een offer te brengen als het nog ver van ons af ligt, dan heeft men er geene kracht voor op ’t oogenblik zelf dat het ons wordt opgelegd.”»Alshet mij wordt opgelegd, zal ik er wel kracht voor vinden, dat beloof ik u, moeder! Uw zoon zal zijn plicht doen, wees er zeker van,” en hij stak haar de hand toe met tranen in de oogen, »maar,” ging hij voort, terwijl het zonnestraaltje der hoop weer het jeugdig gelaat verhelderde, »maar ik heb wel moed dat het er niet toe komen zal. De heer Verburg is immers zelf ook maar een burgerman, die mij meer dan eens verteld heeft dat hij als kruieniersknecht begonnen is, en al doet hij nu groote zaken, toch zal hij zich zijn begin vannietaf wel willen herinneren, en mij niet voor het hoofd stooten, als ik een knap man word, al ware het dan ook dat het met schilderen niet precies zoo best uitviel als de vrienden verwachten. Ik zou het ondankbaar vinden als ik zoo iets van hem kon gelooven, die zich altijd zulk een vaderlijke vriend voor mij heeft betoond.”»Ja, en wel een vriend in nood, dát heb ik ondervonden toen hij op dien noodlottigen dag hier binnenkwam om, zooals hij het noemde, zijn burenplicht te vervullen en mij bij te staan, daar ik in die oogenblikken voor mij zelve denken noch handelen kon. Mijn ongelukkige man had op niets orde gesteld, op niets. Ik had geen enkelen bloedverwant dan een verren neef, die in den vreemde reisde, geen anderen vriend dan dominé Willems, maar dat was geen man van zaken en die had ook te veel met zijne ambtsbezigheden te doen om hier den boel aan te pakken en te regelen, met zooveel ijver en zoo goed overleg als de heer Verburg dat deed. Was het vreemd dat ik den moed nam om hem te vragen of hij uw voogd wilde zijn?”»Een trouwer en hartelijker dan dezen had ik wel niet kunnen treffen. Toen hij mij daar even de hand drukte, waren zijne oogen vochtig, moe!”»Dus was dit al zijn vaarwel; ik had nog gedacht, dat hij van avond eens komen zou.”»Neen, hij wilde ons den laatsten avond samen laten. Zijn plan is, mij morgenochtend naar den beurtman te brengen; ik mocht niet alleen gaan, en hij vond, dat zou voor u te.... te....”»Zeg het maar uit zooals het is,” sprak de weduwe, »te smartelijk zijn! ja ik zou mij moeielijk goed kunnen houden Frits, al weet ik dat het voor uw best is,” en de goede vrouw keerde zich af en trachtte tersluiks hare tranen af te wisschen.»Kom, moes! voor den dag maar met de waterlanders, als u dat goed doet,” sprak Frits, die opgestaan was, en haar hoofd naar zich toekeerde en tegen zijn schouder liet rusten. »Huil maar eens uit, beste lieve moeder! dan.... dan kanikhet ook doen. Gij begrijpt:morgenmag ik niet meer kinderachtig zijn; vandaag ben ik nog uw eigen kleine Frits, morgen ben ik een jongeling, die op zijne eigen beenen staan, op zijne eigen wieken drijven moet.”»Neen, Frits! ikmagu het voorbeeld niet geven van eene zwakheid, die.... die.... eigenlijk ondankbaarheid is. Wij behoorden immers niets dan blijdschap te gevoelen over de ongehoopte wending in uw lot, die zulke grootsche uitzichten voor u opent.”»Ongehoopt is wel het woord, moeder! want ik wenschte noch hoopte, iets anders dan hetgeen mij door den zwager van dominé Roestink was aangeboden. En ik was er zoo recht mee in mijn schik. Al in de volgende week beginnen met klerk te worden op zijn kantoor, maar twee maanden proef- en leertijd, eene kleine jaarlijksche toelage, grooter naarmate mijner goede diensten, ten laatste zijne bescherming en voorspraak als er een postje was te begeven, ik moet u zeggen dat het mij meer aanlachte dan dat »grootsche uitzicht” dat ze voor mij geopend hebben, zooals ze dat noemen; die lauwer die zoo heel in de verte ligt en die zoo hoog hangt! O, al mag ik dien bereiken, hier blijven bij u, bij de vrienden Verburg en spoedig, heel spoedig wat geld verdienen om uwe zorgen te verlichten, dát moeder, ja! ik erken het, dát was mijn liefste wensch, en dan....een beetje voor liefhebberij teekenen daartusschen, wat een lief rustig leventje zou dat zijn geweest; nu gij alleen hier, ik alleen ginds in die groote stad, onder al die vreemde menschen!... Ach moe, wat zullen die avonden alleen op mijne kamer akelig, stil en vervelend zijn, en als het mij dan invalt, hoe gezellig het hier kon wezen.”»Wel, dan zit gij aan mij te schrijven en ik aan u, en zóó denken we toch aan elkaar en zijn elkaar nabij in den geest, en ziet gij, Frits! alleen, ja! alleen zullen wij zijn, ik mogelijk meer dan gij, want gij zult wel spoedig kameraden en kennissen hebben, maar toch al ware dat niet, verlaten zijn wij geen van beiden. Al voel ik mij eens wat zwak en neergebogen, verlaten heb ik mij nooit gevoeld, ik wist altijd waar ik troost en kracht zou zoeken en vond die ook. Frits, mijn lieveling, mijn eenige! beloof mij dit ééne, dat gij God niet zult verlaten, dan zal Hij altijd nabij u zijn, dan zult gij in voorspoed en bij de zegeningen, die ik voor u hoop, niet overmoedig, niet zorgeloos worden en niet troosteloos, noch zonder raad en hulp zijn in tegenspoed!”»Ja, lieve moeder! Ik hoop God voor oogen te houden, dat hoop ik, want ik zal alle dagen aan u denken, en als ik aan u denk, dan zal ik ook niet vergeten wat wij samen gelezen, besproken, geleden hebben. Dan zal ik uwe tranen en uwe gebeden niet vergeten. Wees daar zeker van.”»Ja, maar op die wijze gaat gij liefde voor uwe moeder verwarren met godsdienst, Frits! en dát mag niet.”»En als dat danmijnhulpmiddel is om te komen waar gij gekomen zijt, moederlief! is dat dan ook niet goed?”»Kwaad kan het zeker niet, maar het is toch niet het rechte zooals gij later zelf eens zult inzien, hoop ik.”»Wat is dan het rechte?” vroeg hij op een toon, waaruit meer losse nieuwsgierigheid sprak dan ernst.»Dat zal God zelf u zeggen als gij Zijn woord maar raadpleegt met ernst en getrouwheid. Ik verzeker het u, Frits! omdat ik het bij ervaring weet, op iedere vraag van ons hart, van ons geweten, krijgt men dáár antwoord, en als men de aanwijzing volgt, heeft men vrede, al zou ook allerlei uiterlijke onrust ons bestormen.”»Ik zál wel in mijn bijbeltje lezen, dat beloof iku, hoor moe!”zei Frits met zekeren nadruk, »maar ik heb aan dominé Willems niet mijn woord willen geven, zooals hij verlangde, dat ik er iederen dag gezet een kapittel uit lezen zou, toen hij mij dat kerkboek gaf.”»Frits, lieve Frits! waarom hebt gij dat niet willen beloven?” vroeg zij bezorgd.»Wees gerust, moeder! ’t is niet omdat ik geen eerbied heb voor »het boek dat de gewijde waarheid bevat,” zooals dominé Willems zegt, zelfs heb ik mij voorgenomen om te doen wat hij mij aanraadt. Heusch, moe! ik neem het mij voor, maar ik ben niet zeker dat ik het zal volhouden, vooral niet dat ik het nooit zal verzuimen; en ziet u, toen hij wilde dat ik hem daar mijn woord en hand op geven zou, met zooveel ernst en plechtigheid dat het haast een eed geleek, toen wilde, toen durfde ik dat niet op mij nemen, want een woordbreker wil ik niet worden en als ik het slechts in de sleur deed, dan was het nog erger want dan was ik een huichelaar en, luister moe! of ik het ooit zóó ver zal brengen in de kunst als de vrienden voorspellen, zal nog te bezien staan, maar dat ik oprecht en eerlijk zal blijven, dat kunt gij gerust van mij vertrouwen, want dat hangt niet af van talent of van geluk, maar van den goeden wil, en dien heb ik! Wat overigens het schilderen betreft, na alles wat dominé Willems mij heeft gezegd,moesthet geprobeerd worden.”»En welk een zegen dat gij er u op toeleggen kunt zonder dat wij daardoor in nieuwe zwarigheden geraken,” hernam zij opgeruimd, »want al had ik er mijn laatsten spaarpenning aan moeten geven, ik zou dien gewaagd hebben, maar wat zou dat helpen als men narekent hoeveel er jaarlijks noodig is om buiten de stad te leven en zooveel te leeren.”»Neen, moeder! als ik het van uw spaarpenning had moeten doen, zou niemand mij er toe gekregen hebben om schilder te worden, al had ik er nog zoo’n zin in, en toch.... ik beken u, dat het mij genoeg hindert zooveel van anderen te moeten aannemen.”»Zijt gij zóó hooghartig Frits? dat past niet in onzen toestand.”»Niet uit hooghartigheid, maar ik zou zoo graag onafhankelijk zijn in de wereld als ik eens een man ben, en.... en zulke tegemoetkoming legt zware verplichtingen op. Neen, moe! zie mijniet aan met zulk een afkeurenden blik. Ik hoop mij te kunnen kwijten en alszijgelijk hebben,alshet gelukt, zijn wij allen geholpen en zullen zij hunne satisfactie hebben; ik zal er voor doen wat ik kan, ik zal werken als een ezel, neen niet als een ezel, dat zou in den domme zijn en dus wordt men mogelijk goed arbeider, maar zeker geen goed kunstenaar. Ik zal werken als een die weet wat zijne lieve moeder en zijne edelmoedige vrienden van hem wachten, en voor hem opofferen; ik zal werken, ook met de gedachte aan Dientje, die bitter pruilen zou als haar buurvrijer geen beroemd schilder werd, maar weet u wat ik mij toch heb voorgenomen?”»Nog niet.”»Als ik vijf jaren ouder ben en bemerk dat ik de ware roeping niet heb, dan is het nog niet te laat om wat anders te beginnen.”»Hoe! gij zoudt dan door gebrek aan volharding ons allen teleurstellen?”»Ik zou u allen teleurstelling besparen en op die wijze mijne weldoeners dienst doen. Zij hebben mij immers niet bestemd om een martelaar voor de kunst te worden, welnu dan! als ik zie dat de kroon mij te hoog hangt, zal ik er niet langer naar opspringen.”»Gij zijt al te ongeduldig, te meenen dat gij op uw twintigste jaar al meester zoudt kunnen zijn in dat vak.”»Neen, moeder! nu verstaat gij mij verkeerd, maar als ik op mijn twintigste zie, dat het meesterschap voor mij onbereikbaar is, dan.... dan.... gij en ik, lieve moeder! hebben leergeld betaald om van het onbereikbare af te zien.”»Kind! kind! veroordeel uw ongelukkigen vader niet in zijn graf.”»Ik veroordeel niet, moeder! Ik heb geleerd, en de wijze waarop was te smartelijk om niet levenslang indruk te maken, en nu wij toch hiervan spreken.... die papieren van vader zijn immers niet verloren geraakt?”»Gij weet wel dat de lieden er eene soort van wreedaardig pleizier in vonden ze mij allen stuk voor stuk terug te brengen.”»Ik meen niet alleen die van dien rampzaligen dag, maar alle anderen.”»Ze zijn allen zorgvuldig bewaard. Ik wist hoe hij er aan hechtte, kon ik ze wegdoen al strekken zij mij ook tot de smartelijkste herinnering?”»Wilt gij ze mij afstaan, moeder?”»Als gij meerderjarig zult zijn, ja, Frits! dan krijgt gij ze.”»Waarom tot zoolang te wachten, heeft mijn voogd ze onder zijne berusting?”»Och, neen! ik bewaar ze zelve.”»Heeft de heer Verburg ze ingezien?”»Waartoe? Hij was ongelukkig juist een van diegenen, die niet het minste geloof sloegen aan de plannen van uw vader. Hij verklaarde ze eens vooral voor hersenschimmen en had geen geduld om te luisteren tot ze hem werden uiteengezet. Hij heeft er nooit van willen hooren iets met hem te ondernemen; zelfs voor de zaak waaraan dominé Willems nog geloof sloeg en zijne deelneming gaf, was hij niet te winnen, hoewel hij als mensch van uw vader hield en dat ook wel heeft getoond.”»Dus.... als we een jaar of vijf verder zijn, krijg ik dan toch die nalatenschap van vader in mijn bezit?” hervatte Frits, die een oogenblik in eigen gedachten was verzonken gebleven.»Treurige nalatenschap en gevaarlijke ook naar het zeggen van wijze en practische menschen,” hernam de weduwe met een zucht. »Verburg raadde mij ze te verbranden, om u tegen de verzoeking te veiligen, ze ooit in te zien.”»Och!.... daarin zou toch voor mij geen gevaar liggen,” hernam Frits met een pijnlijk glimlachje; »ik heb er genoeg van gehoord, om.... om.... er geene luchtkasteelen op te bouwen.”»Zoo komt het mij ook voor: wat wilt gij er dan mee doen, mijn kind?”»Ze met eerbied en liefde bewaren als een grooten schat, want vader kon soms zoo met nadruk zeggen in zijne heldere oogenblikken: »Frits, mijn jongen! zie niet laag neer op mijne erfenis, al zijn het maar berekeningen op papier, zooals de menschen spotten, mijn geest is daarin neergelegd,” en ziet u, moeder, dat voel ik zóó, dat er iets van vader in zit.”»Nu, datzelfde gevoel ik ook, Frits! en daarom....”»Daarom kunt gij ze mij nog niet afstaan, dat begrijp ik moeder!”»Maar ik kan u toch reeds eene gedachtenis van hem geven,” sprak zij meer opgeruimd, opende een marokijnen foudraaltje, dat naast haar op tafel stond, en gaf het hem.»Hoe, moeder, moeder! een goud horloge voor mij, dat.... dat is te veel, ik kan het immers met mijn zilveren wel doen.”»Ja, maar dit moet gij er bij hebben, als aandenken van mij en van uw vader beiden; hij droeg het nooit, maar hij placht het te gebruiken om zijne uurwerken naar te regelen in zijn besten tijd, toen hij nog pleizier had in zijn vak. Het is een Engelsch werk, eene repetitie, en ’t gaat altijd accuraat. Uw vader heeft het in den Franschen tijd gekocht van een Engelsch officier, die krijgsgevangen was op zijn woord van eer en in groote geldverlegenheid verkeerde. Uw vader was toen nog een bemiddeld man, hij betaalde de volle waarde, misschien iets daarboven, want het lot van dien vreemdeling ging hem ter harte; daar werd zelfs eene conditie tusschen hen gemaakt, dat hij het zou mogen terugnemen als zijne omstandigheden veranderden. Uw vader deed de belofte het niet te verkoopen, opdat het altijd ter zijner beschikking zou blijven; daarom kon ik ook niet besluiten het aan Busch over te doen met de andere winkelgoederen. Wel zijn er nu al tien of twaalf jaar verloopen, en de Engelschman, die, toen hij uitgewisseld werd beloofde binnen het jaar met goede intrest het horloge terug te nemen, is nóg niet weergekeerd; dus de man is dood of heeft er van afgezien, zoo geef ik het u, maar onder voorwaarde, dat gij er u nooit van zult ontdoen.”»Van zulk een aandenken! van dezen schat! Neen, moe, nooit al had ik broodsgebrek!”»Pas op de zakkenrollers in de groote stad!” sprak zij half lachend, half in ernst; »draag het altijd aan dit kettingje van mijn haar, dat ik in stilte voor u heb laten maken.”»O, moederlief! moe, dat is te veel!” riep Frits met een kleur van blijdschap en tranen in de oogen, »dat is me nog meer dierbaar dan het horloge zelf, ik zou liever sterven dan er ooit van te scheiden.”»Blijf leven om uwe moeder gelukkig te maken,” sprak de weduwe, haar eenige in de armen sluitende en hem hartelijk kussende.»En nu Frits, ik heb nog enkele kleinigheden voor u in tepakken, mij dunkt wij moesten het horloge maar mee in den koffer doen, men kan niet weten op reis...”»Dat’s goed, moeder! als u nog iets te beredderen heeft, ga ik intusschen even naar dominé Roestink, die mij recommandatiebrieven beloofde aan een paar vrienden van hem te Amsterdam.”»Dat is goed, ga die halen! maar.... Frits, blijf je niet te lang weg?”»Zeker niet, moe!’t is maar op een drafje heen en weer!”Des anderen daags bracht de heer Verburg Frits zelf naar den beurtman, het eenige communicatiemiddel tusschen E. en de hoofdstad; maar dat geregeld om den anderen dag plaats vond.Dientje had eerst gedwongen om mee te gaan, maar daar men haar onder het oog bracht, dat Frits haar niet moest zien schreien, om zelf niet van zijn streek te raken, berustte zij en vergenoegde zich met naar juffrouw Rosemeijer te gaan en deze op hare wijze te troosten.Goed dat die beiden niet tegenwoordig waren bij de afreis. Frits hield zich kloek genoeg, dat is waar; maar bij ’t afvaren van een veerman zijn er altijd kaailoopers en rondslenterende straatjongens op de been, die niets te doen hebben dan met de handen in den zak te staan kijken naar defaits et gestesvan de afreizenden, en die daarbij gewoonlijk de vrijheid nemen hunne critiek te maken over hetgeen zij zien, op luiden vrijpostigen toon, meestal met aardigheden van zeer twijfelachtig gehalte doorspekt.Ook ditmaal ontbraken zij niet, en nauwelijks zagen zij den heer Verburg met Frits aankomen, of er ontstond zeker gelach en geginnegap onder dat troepje; de onbeschaamdsten drongen vooruit en wilden fooitjes verdienen door valies en koffer aan boord te helpen brengen, en toen de heer Verburg hen wat korzel afwees, met de verzekering, dat hij zijn eigen kruier had, trokken zij schreeuwend en scheldend terug, hunne achtergebleven makkers toeroepend: »Hei! Frits Millioen gaat weg, Frits Millioen gaat weg!”De heer Verburg trok zijn beschermeling maar schielijk mee, opdat deze het minst mogelijke hooren zou van dat schimpen.Aan boord stijgend en overstelpt door duizenderlei aandoeningen,die hij moest beheerschen, had de zoon van den beklagenswaardigen Herman ternauwernood die klanken verstaan.Met tranen in de oogen, die hij zijn best deed te weerhouden, bleef hij tegen het zijboord van den achtersteven leunen, om zijn vriend en in dezen alles wat hij liefhad nog eens den laatsten groet toe te wuiven, toen het schip in beweging raakte....Op eens hoorde hij een schelle kwajongensstem den schipper toeroepen:»Opgepast, kapiteintje! mooie lading, kapiteintje, je hebt het Millioentje aan boord!”En dat:Millioentje! Millioentje!werd als door schorre echo’s nagebouwd, totdat het vaartuig uit de enge haven in ruimer vaarwater was overgegaan.Toen droogden op eens de tranen, die Frits met alle zelfbeheersching tevergeefs had weerhouden, toen gloeiden zijne oogen van hartstochtelijken toorn, toen kleurden zijne wangen zich hoog rood, en met lippen van drift sidderende, sprak hij halfluid:»Schimpt maar! schimpt maar, laaghartigen! ik zal dien spot nog wel eens te schande maken, klaarder dan ooit zie ik het nù in, hier blijven kon ik niet,” eindigde hij kalmer, en geheel bevredigd met de lotswisseling, die hem te voren zoo zwaar had gewogen.Einde van het eerste stuk.
IX.Eerst den volgenden ochtend verscheen Piet Snibs, ook met eene portefeuille onder den arm, maar zijne verschijning had nu niet meerle mérite de l’apropos, noch die der verrassing, zelfs niet voor de juffrouw, die alleen knorde, dat haar gang nu schoon was en dat Piet beter zou gedaan hebben met op zijn tijd te passen. Hetgeen niet belette dat dominé den boeteling met zijne eigenaardige vriendelijkheid ontving en niet eens wachtte tot hij het verplicht excuus had uitgestameld, om hem welwillend de hand te reiken en te verzekeren, dat het gebeurde al gansch goedgemaakt en vergeven was. Toch kon hij niet laten om met gespannen verwachting naar de portefeuille te zien, die Piet met bevende vingers trachtte los te maken, doch tevergeefs; in zijne verlegenheid, in zenuwachtige haast, had hij de bandjes in den knoop getrokken, zoodat dominé zelf als een tweede Alexander zich met eene schaar moest wapenen, om die door te knippen; maar hij werd ten volle voor zijne moeite beloond en Piet ook, want een glans van vergenoegen overtoog het goelijk gelaat van Willems, toen hij zijn eigen meesterstuk weerzag. Met bedriegelijke vaardigheid waren de scheuren toegeloken, zoodat men ze ternauwernood meer ontdekken kon, en deze herstelling was met zooveel vlugheid en netheid volbracht, dat de teekening zelve onder de behandeling niets had geleden.Willems kreeg tranen in de oogen van blijdschap; dit nu was geene nabootsing van zijn werk, maar het geliefd eigen kunststuk zelf, wel is waar bezwaard met eenige litteekens, maar die waren bijkans een triomf.»Wel Piet, wel jongen, wat heb je daar je best op gedaan. Je schijnt al heel handig....”»Och! dominé, weet u, ik doe het meer! Al wat er bij ons te lijmen, te plakken en te repareeren valt, doe ik.”»Zoo! En hoe heb je dat geleerd?”»Met probeeren, dominé! Moeder gromde altijd dat ik tot niets nut was, toen ben ik aan het opknappen gegaan van oude platen en prenten in haar winkel.... en.... en.... nu zal ze toch niet zeggen, dat ik den kost niet waard ben.”»Arm kind!” zei Willems, getroffen; »nu, je hebt dit zooknap gedaan, dat het mij wel een tientje waard is, en je zult het hebben ook!”»Och, dominé! dat.... dat hoeft niet,” sprak Piet stotterend en snikkend, »als dominé maar niet meer boos is, want ik.... ik had de grootste schuld; maar ziet u, dat kwam omdat.... ik had al zoolang gewenscht eens een van die teekeningen dicht bij te zien, en toen nu de meisjes die in handen hadden, en zij er mij buiten drongen, dat.... dat kon ik niet velen; ik had er slaag en schoppen voor willen verdragen, om eens een uurtje alleen in de catechisatiekamer te mogen blijven, en ze allen op mijn gemak te kunnen bekijken! O, dominé! u weet niet wat een pleizier mij dat zou gedaan hebben.»Wel, wel, Piet! dat had ik nooit gedacht, dat jij erg in die teekeningen hadt.”»Ik niet, dominé? Maar daar komt het van, dat ik hier nooit goed mijne vragen kende, ik dacht altijd aan wat anders, en dat ik ook zoo graag teekenen zou leeren, en.... en eigenlijk probeerde ik nu wel eens in stilte; vraag het maar aan dominé Roestink, die heeft het er het eerst uitgekregen, en nu weet hij alles. Och, dominé! ik.... ik zou ook zoo graag kunstenaar willen worden.”»Gij!Kunstenaar! Piet!” riep Willems in de hoogste verbazing den stotterenden en snikkenden knaap aanziende, terwijl hij moeite had, het »arme sukkel,” dat hem op de tong lag, terug te houden.Inderdaad, de spruit van vrouw Snibs, zooals hij daar stond, van verlegenheid zijne handen over de oogen wrijvend, terwijl hij hoog noodig zou gehad hebben een zakdoek te gebruiken, maakte al eene heel droevige figuur. In plaats van een slanke opgeschoten knaap was hij een kort dik mannetje, dat in zijne eerste kindsheid zeker aan engelsche ziekte had geleden, en nog van die kwaal de sporen droeg in opgezetheid en een bol bleek gelaat. Daar moeder niet oorbaar had gevonden, dat hij voor deze gelegenheid zijn Zondagspak aantrok, kwam een kaal en verschoten buis, een gelapte broek en een paar lompe schoenen, blijkbaar te groot voor zijne voeten, de armzaligheid van zijn voorkomen nog verergeren. Maar toch, zoo een physionomiekenner dat zware hoofd met dat stoppelig zwarte haar, dat breedbeenige voorhoofd, waarop halsstarrige wilskracht zetelde,met opmerkzaamheid had gadegeslagen, en zich de moeite getroost had, hem eens ferm in die grijsgroene oogen te zien, die als onder de sterk overhangende oogleden schenen weg te zinken, en die Piet misschien zijn leven lang nog niet met vrijmoedigheid had opgeslagen, dan zou hij hier voorzeker een vonk van genialiteit hebben zien schitteren, die meer dan het gewone beloofde. Maar aan Willems, die in geen opzicht een valkenblik had, gaven dat breede voorhoofd, die harde trekken en die omsluierde oogen alleen den indruk van logheid en slaperigheid, waarvan hij maar niet zoo op eens kon terugkomen, hoewel hem bij de vastheid, die er op dat gelaat te lezen stond, toen de knaap riep: »Ikwilkunstenaar worden,” een licht had moeten opgaan. »Gij kunstenaar worden,” herhaalde hij nogmaals, en had moeite een glimlach van medelijden te bedwingen bij de verwatenheid van den onnoozelen hals. »Maar hebt gij u wel voorgesteld, wat daar al niet toe behoort, welk eene heerlijke roeping het is, maar ook welk een armzalighandwerkvoor wie het niet verder kan brengen dan de middelmatigheid, en ’t is nog de vraag of gij, gij daar niet beneden zoudt blijven!”Piet had op deze bedenkingen geen ander antwoord te geven, dan de schouders op te halen en opnieuw half huilend uit te roepen:»Ik wou toch zoo graag teekenen leeren, dominé!”»Maar jongen, dat’s gekheid, leer liever een ambacht, waarmee je te eeniger tijd den kost kunt verdienen.”»Ik mag op geen ambacht gaan, anders ware ik leerling bij een verver geworden, dat.... leek er toch naar.... ik zou mij dan wel in stilte op het schilderen hebben toegelegd, maar moeder wil mij thuis houden in hare negotie, daar heb ik geen zin in, dat’s allemaal maar liegen en bedriegen en de lui afzetten, anders niet! Ik bid Onzen Lieven Heer alle dagen om uit huis te komen en een knap schilder te worden, dan zou ik mijne kunst oefenen ter eere Gods, zooals de Apostel Paulus voorschrijft.”Piet, eens over de blooheid heen, had zich door zijne geestdrift laten vervoeren, om alles uit te spreken wat er in hem omging, zijne bolbleeke wangen kleurden zich, zijne oogen schenen grooter te worden en schitterden, onwillekeurig maakten zijne handen het gebaar des gebeds.Willems was te goedhartig en had te veel gevoel om niet watgetroffen te zijn, maar het vooroordeel maakte hem hardvochtig, hij verstaalde zich tegen zijne eigene aandoening, en Piet kon door dat harnas niet heendringen.»Ik vrees, ik vrees, arme jongen, dat gij naar de wolken wilt grijpen,” was zijn ontnuchterend antwoord, »maar wat zegt uwe moeder er van?”»Mijne moeder! die spreek ik daar nooit over, dat zou toch niet helpen, dat weet ik vooruit.”»Je hebt zeker nooit geteekend, niet waar?” vroeg Willems na eene pauze.»Jawel, dominé! Als ik maar een kwartier tijd heb, en naar mijn zolderkamertje kan vluchten, waar ze mij niet storen, dan.... dan probeer ik het, en ’s morgens in de vroegte als geen mensch nog op is, sluip ik stil het huis uit en loop naar buiten, om het veld en de beesten en de boomen en de wolken zoo eens rustig te bezien als de zon doorkomt, of als ik de kerk open vind, ga ik daar eens binnen.”»De kerk? Zondags in de vroegpreek?”»Neen, neen! de Roomsche, in de week is die ook open.”»In de Roomsche kerk! Jongen, ben je dol, schaam je toch!”»Och, dominé! daar zijn zulke mooie schilderijen in en beelden, en dan ga ik maar stilletjes in een hoek zitten en luister naar de muziek; is daar kwaad in?”»Neen, kwaad nu juist wel niet, maar toch.... ’t is gevaarlijk, de propaganda, zoo’n pastoor had je maar in ’t oog te krijgen, en, om een zieltje te winnen, wie weet wat hij je beloofde.”»Als hij mij helpen wilde om schilder te worden.”»Zoudt ge dan daarvoor Roomsch willen worden, je geloof verzaken....”»Mijn geloof! ik ben immers nog geen lidmaat, dominé, en ’t geloof van moederishet mijne niet; femelen, de lui wat wijs maken, met Gods woord in den mond, neen, dat’s niet den Heere Jezus dienen, die de valsche wisselaars uit den tempel dreef.”»Je bent al een wonderlijke jongen,” zei Willems, half geërgerd, half goedkeurend, »ik had nooit gedacht, dat je een woord van mijn catechisatie onthouden hadt.... en wat zegt dominé Roestink als gij zoo tegen hem spreekt?”»Dat ik gelijk heb en dat de ware godsdienst niet bestaat inwoorden uit den catechismus van buiten te kennen, maar daarin, dat men het hart naar God toewendt, en dat men handelt naar Zijne geboden.”»Kijk nu eens aan! en ze loopen Roestink na, omdat hij zoo orthodox is,” sprak Willems binnensmonds, terwijl Piet vervolgde:»En zou ik dat nu niet kunnen doen als ik Roomsch was geworden?”»Foei, Piet! Ge moest u zulke dingen niet eens in het hoofd halen! Roestink moet weten wat hij doet, maar.... als hij je niet beter wapent tegen de verleidingen van het bijgeloof, dan krijgen de Jezuïeten vat op u, dat houd ik voor zeker.”»Dominé Roestink staat er voor in, dat ik met Paschen mijne belijdenis zal doen,” hernam Piet met een sluw glimlachje, »dan heeft moeder haar zin, en dan hoor ik immers tot hare kerk, en dominé heeft mij beloofd, dat hij er dan zijn werk van maken zal, mij buiten de stad bij een schilder in de leer te doen, als u hem daarin maar helpen wilt; dat had hij u laatst willen vragen, maar.... hij wilde eerst uw gevoelen weten over mijn werk.”»Hm! hm! heeft Roestink zich dàt in het hoofd gezet. En uwe moeder? moet dat dan buiten uwe moeder omgaan?”»Dominé heeft er wel moed op hare toestemming te verkrijgen, als het maar buiten hare kosten kon geschieden, en als u mij uwe hulp wildet toezeggen, zooals gij die aan Frits hebt beloofd!”»Daar hebben wij het, gij hebt er zin in gekregen uit jaloezie op Frits,” zei Willems hoofdschuddend, »maar jongen zie je, dat is een heel ander geval!”Hij was met de zaak verlegen. Voor twee te verkrijgen wat hij reeds niet zonder bezwaren, moeite en eigen offers voor één zou kunnen verwerven, dat achtte hij ondoenlijk, te meer daar hij bij zijne vrienden geopende harten hoopte te vinden voor den zoon van juffrouw Rosemeijer, die in beklag, die in achting was, maar voor Piet Snibs, den zoon van de inhalige uitdraagster, nog daarbij eene brutale fijne, hoe zou hij daar sympathie voor vinden, en hoe zou hij ooit aan zijne vrouw durven bekennen, dat hij zich voor dezen moeite gaf! Daarbij hij kon niet gelooven, dat Piet dezelfde aanspraken had als Frits; »een heel ander geval,” herhaalde hij nogmaals op gerekten toon, en na een stilzwijgen,waarin hij bij zich zelf zulke overwegingen had gemaakt. »Frits heeft talent moet je weten en gij.... ik zou wel eens willen zien wat gij geteekend hebt?”»Als ’t u belieft, dominé! Ik heb zoo een en ander meegebracht,” en Piet zette voorzichtig het meesterstuk van Willems ter zijde, en liet zijn eigen werk zien, dat tot hiertoe daarachter verborgen was gebleven.Het eerste het beste ontlokte Willems een uitroep, waarin hij een lach smoorde.»Eene poging om mijne teekening na te schetsen, en tot welk eene uitkomst! dat lijkt immers naar niets!” kon hij zich niet onthouden te zeggen, daar de caricatuur hem prikkelde als een persiflage van ’t geen hij zelf had verricht.»Ik weet wel dat ik het niet zoo mooi kan als Frits, maar ik heb het ook van niemand geleerd, alles uit mijn zelf!” sprak Piet met tranen in de oogen en toch met zekeren trots.»Het raakt kant noch wal, het zijn krassen, omtrekken, en welke omtrekken! de figuren zijn er niet eens allen op aangeduid en ook geheel anders gegroepeerd.”»Ik heb ook geene kopie willen maken! Ik heb alleen willen beproeven op mijne eigene manier datzelfde onderwerp terug te geven; dat ik het niet beter doe komt omdat er niemand is, die mij terechthelpt!”»Dat is wel te zien, arme jongen!” en al pratende snuffelde Willems nog wat in de portefeuille, waaruit pogingen tot landschap, tot figuur, tot genreteekening in bonte afwisseling te voorschijn kwamen.Toen Piet van zijne eigene manier sprak, had hij wel gelijk, want ze geleek op niets dan op de wanhopige pogingen van iemand, die iets wil wat hij niet vermag, maar die het zóó vast wil, dat zijn onvermogen er tot zekere hoogte door overwonnen werd. Het waren erbarmelijke uitkomsten, maar in de worsteling zelve, waarmee ze verkregen moesten zijn, lag kracht en gloed. Begrip van kleur, stoutheid van conceptie spraken er uit, ondanks de onhandige uitvoering; het waren belachelijke teekeningen, die kant noch wal raakten: Willems had daar gelijk in, maar het waren belangwekkende oefeningen van een talent, dat maar leiding en voorlichting noodig had, om zich heerlijk te ontwikkelen.Het was als een man, die niets wist van taal noch spelling, maar wien diepe gedachten door het hoofd woelen, en wien stoute beelden voor den geest zweven, zonder dat hij het vermogen heeft om ze uit te drukken voor anderen, omdat hij heta,b,cniet kent.Willems die den smaak van zijn tijd in niets vooruit was, en die orde en correctheid als de eerste voorwaarden beschouwde van een gelukkigen aanleg, wist in die harde, grillige, hoekige krassen niets meer te zien dan voor oogen lag. Hij bekeek dat alles onder een misnoegd hoofdschudden, sloeg daarna de portefeuille weer toe, legde de hand op den schouder van den knaap, zag hem ernstig meewarig in de oogen, en zei toen: »Wil je een goeden raad van mij aannemen, Piet! zoo vermors niet langer je tijd met zulk gekrabbel, en word verver! dat is beter dan kladschilder.”Met dezencoup de massuezond hij hem weg. Wat de arme jongen er ook tegen in wilde brengen, het was tevergeefs, hij was geoordeeld, gewogen en te licht bevonden.Hij kon niets verkrijgen dan het tientje dat hem was toegezegd, en dat hij niet wilde aannemen, omdat hij »brutaal en koppig” was volgens Willems, want hij had gezegd: »Dankje, dominé! om kunstenaar te worden, zou ik wel willen bedelen, maar als ik bij moeder moet blijven, heb ik geen aalmoes noodig.”»Ik zou het niet op mijn geweten willen nemen,” zei Willems later tot Roestink (die meende nog eens op de zaak te moeten terugkomen, en Piet ten voorspraak te zijn) »om dien jongen uit zijn stand te rukken en er de hand aan te leenen dat hij een armzalig kunstenaar werd, beter dàn, een daglooner die zijn brood heeft.”Dit was de uitspraak van het gezond verstand, maar de goede Willems had de toepassing elders moeten maken.
Eerst den volgenden ochtend verscheen Piet Snibs, ook met eene portefeuille onder den arm, maar zijne verschijning had nu niet meerle mérite de l’apropos, noch die der verrassing, zelfs niet voor de juffrouw, die alleen knorde, dat haar gang nu schoon was en dat Piet beter zou gedaan hebben met op zijn tijd te passen. Hetgeen niet belette dat dominé den boeteling met zijne eigenaardige vriendelijkheid ontving en niet eens wachtte tot hij het verplicht excuus had uitgestameld, om hem welwillend de hand te reiken en te verzekeren, dat het gebeurde al gansch goedgemaakt en vergeven was. Toch kon hij niet laten om met gespannen verwachting naar de portefeuille te zien, die Piet met bevende vingers trachtte los te maken, doch tevergeefs; in zijne verlegenheid, in zenuwachtige haast, had hij de bandjes in den knoop getrokken, zoodat dominé zelf als een tweede Alexander zich met eene schaar moest wapenen, om die door te knippen; maar hij werd ten volle voor zijne moeite beloond en Piet ook, want een glans van vergenoegen overtoog het goelijk gelaat van Willems, toen hij zijn eigen meesterstuk weerzag. Met bedriegelijke vaardigheid waren de scheuren toegeloken, zoodat men ze ternauwernood meer ontdekken kon, en deze herstelling was met zooveel vlugheid en netheid volbracht, dat de teekening zelve onder de behandeling niets had geleden.
Willems kreeg tranen in de oogen van blijdschap; dit nu was geene nabootsing van zijn werk, maar het geliefd eigen kunststuk zelf, wel is waar bezwaard met eenige litteekens, maar die waren bijkans een triomf.
»Wel Piet, wel jongen, wat heb je daar je best op gedaan. Je schijnt al heel handig....”
»Och! dominé, weet u, ik doe het meer! Al wat er bij ons te lijmen, te plakken en te repareeren valt, doe ik.”
»Zoo! En hoe heb je dat geleerd?”
»Met probeeren, dominé! Moeder gromde altijd dat ik tot niets nut was, toen ben ik aan het opknappen gegaan van oude platen en prenten in haar winkel.... en.... en.... nu zal ze toch niet zeggen, dat ik den kost niet waard ben.”
»Arm kind!” zei Willems, getroffen; »nu, je hebt dit zooknap gedaan, dat het mij wel een tientje waard is, en je zult het hebben ook!”
»Och, dominé! dat.... dat hoeft niet,” sprak Piet stotterend en snikkend, »als dominé maar niet meer boos is, want ik.... ik had de grootste schuld; maar ziet u, dat kwam omdat.... ik had al zoolang gewenscht eens een van die teekeningen dicht bij te zien, en toen nu de meisjes die in handen hadden, en zij er mij buiten drongen, dat.... dat kon ik niet velen; ik had er slaag en schoppen voor willen verdragen, om eens een uurtje alleen in de catechisatiekamer te mogen blijven, en ze allen op mijn gemak te kunnen bekijken! O, dominé! u weet niet wat een pleizier mij dat zou gedaan hebben.
»Wel, wel, Piet! dat had ik nooit gedacht, dat jij erg in die teekeningen hadt.”
»Ik niet, dominé? Maar daar komt het van, dat ik hier nooit goed mijne vragen kende, ik dacht altijd aan wat anders, en dat ik ook zoo graag teekenen zou leeren, en.... en eigenlijk probeerde ik nu wel eens in stilte; vraag het maar aan dominé Roestink, die heeft het er het eerst uitgekregen, en nu weet hij alles. Och, dominé! ik.... ik zou ook zoo graag kunstenaar willen worden.”
»Gij!Kunstenaar! Piet!” riep Willems in de hoogste verbazing den stotterenden en snikkenden knaap aanziende, terwijl hij moeite had, het »arme sukkel,” dat hem op de tong lag, terug te houden.
Inderdaad, de spruit van vrouw Snibs, zooals hij daar stond, van verlegenheid zijne handen over de oogen wrijvend, terwijl hij hoog noodig zou gehad hebben een zakdoek te gebruiken, maakte al eene heel droevige figuur. In plaats van een slanke opgeschoten knaap was hij een kort dik mannetje, dat in zijne eerste kindsheid zeker aan engelsche ziekte had geleden, en nog van die kwaal de sporen droeg in opgezetheid en een bol bleek gelaat. Daar moeder niet oorbaar had gevonden, dat hij voor deze gelegenheid zijn Zondagspak aantrok, kwam een kaal en verschoten buis, een gelapte broek en een paar lompe schoenen, blijkbaar te groot voor zijne voeten, de armzaligheid van zijn voorkomen nog verergeren. Maar toch, zoo een physionomiekenner dat zware hoofd met dat stoppelig zwarte haar, dat breedbeenige voorhoofd, waarop halsstarrige wilskracht zetelde,met opmerkzaamheid had gadegeslagen, en zich de moeite getroost had, hem eens ferm in die grijsgroene oogen te zien, die als onder de sterk overhangende oogleden schenen weg te zinken, en die Piet misschien zijn leven lang nog niet met vrijmoedigheid had opgeslagen, dan zou hij hier voorzeker een vonk van genialiteit hebben zien schitteren, die meer dan het gewone beloofde. Maar aan Willems, die in geen opzicht een valkenblik had, gaven dat breede voorhoofd, die harde trekken en die omsluierde oogen alleen den indruk van logheid en slaperigheid, waarvan hij maar niet zoo op eens kon terugkomen, hoewel hem bij de vastheid, die er op dat gelaat te lezen stond, toen de knaap riep: »Ikwilkunstenaar worden,” een licht had moeten opgaan. »Gij kunstenaar worden,” herhaalde hij nogmaals, en had moeite een glimlach van medelijden te bedwingen bij de verwatenheid van den onnoozelen hals. »Maar hebt gij u wel voorgesteld, wat daar al niet toe behoort, welk eene heerlijke roeping het is, maar ook welk een armzalighandwerkvoor wie het niet verder kan brengen dan de middelmatigheid, en ’t is nog de vraag of gij, gij daar niet beneden zoudt blijven!”
Piet had op deze bedenkingen geen ander antwoord te geven, dan de schouders op te halen en opnieuw half huilend uit te roepen:
»Ik wou toch zoo graag teekenen leeren, dominé!”
»Maar jongen, dat’s gekheid, leer liever een ambacht, waarmee je te eeniger tijd den kost kunt verdienen.”
»Ik mag op geen ambacht gaan, anders ware ik leerling bij een verver geworden, dat.... leek er toch naar.... ik zou mij dan wel in stilte op het schilderen hebben toegelegd, maar moeder wil mij thuis houden in hare negotie, daar heb ik geen zin in, dat’s allemaal maar liegen en bedriegen en de lui afzetten, anders niet! Ik bid Onzen Lieven Heer alle dagen om uit huis te komen en een knap schilder te worden, dan zou ik mijne kunst oefenen ter eere Gods, zooals de Apostel Paulus voorschrijft.”
Piet, eens over de blooheid heen, had zich door zijne geestdrift laten vervoeren, om alles uit te spreken wat er in hem omging, zijne bolbleeke wangen kleurden zich, zijne oogen schenen grooter te worden en schitterden, onwillekeurig maakten zijne handen het gebaar des gebeds.
Willems was te goedhartig en had te veel gevoel om niet watgetroffen te zijn, maar het vooroordeel maakte hem hardvochtig, hij verstaalde zich tegen zijne eigene aandoening, en Piet kon door dat harnas niet heendringen.
»Ik vrees, ik vrees, arme jongen, dat gij naar de wolken wilt grijpen,” was zijn ontnuchterend antwoord, »maar wat zegt uwe moeder er van?”
»Mijne moeder! die spreek ik daar nooit over, dat zou toch niet helpen, dat weet ik vooruit.”
»Je hebt zeker nooit geteekend, niet waar?” vroeg Willems na eene pauze.
»Jawel, dominé! Als ik maar een kwartier tijd heb, en naar mijn zolderkamertje kan vluchten, waar ze mij niet storen, dan.... dan probeer ik het, en ’s morgens in de vroegte als geen mensch nog op is, sluip ik stil het huis uit en loop naar buiten, om het veld en de beesten en de boomen en de wolken zoo eens rustig te bezien als de zon doorkomt, of als ik de kerk open vind, ga ik daar eens binnen.”
»De kerk? Zondags in de vroegpreek?”
»Neen, neen! de Roomsche, in de week is die ook open.”
»In de Roomsche kerk! Jongen, ben je dol, schaam je toch!”
»Och, dominé! daar zijn zulke mooie schilderijen in en beelden, en dan ga ik maar stilletjes in een hoek zitten en luister naar de muziek; is daar kwaad in?”
»Neen, kwaad nu juist wel niet, maar toch.... ’t is gevaarlijk, de propaganda, zoo’n pastoor had je maar in ’t oog te krijgen, en, om een zieltje te winnen, wie weet wat hij je beloofde.”
»Als hij mij helpen wilde om schilder te worden.”
»Zoudt ge dan daarvoor Roomsch willen worden, je geloof verzaken....”
»Mijn geloof! ik ben immers nog geen lidmaat, dominé, en ’t geloof van moederishet mijne niet; femelen, de lui wat wijs maken, met Gods woord in den mond, neen, dat’s niet den Heere Jezus dienen, die de valsche wisselaars uit den tempel dreef.”
»Je bent al een wonderlijke jongen,” zei Willems, half geërgerd, half goedkeurend, »ik had nooit gedacht, dat je een woord van mijn catechisatie onthouden hadt.... en wat zegt dominé Roestink als gij zoo tegen hem spreekt?”
»Dat ik gelijk heb en dat de ware godsdienst niet bestaat inwoorden uit den catechismus van buiten te kennen, maar daarin, dat men het hart naar God toewendt, en dat men handelt naar Zijne geboden.”
»Kijk nu eens aan! en ze loopen Roestink na, omdat hij zoo orthodox is,” sprak Willems binnensmonds, terwijl Piet vervolgde:
»En zou ik dat nu niet kunnen doen als ik Roomsch was geworden?”
»Foei, Piet! Ge moest u zulke dingen niet eens in het hoofd halen! Roestink moet weten wat hij doet, maar.... als hij je niet beter wapent tegen de verleidingen van het bijgeloof, dan krijgen de Jezuïeten vat op u, dat houd ik voor zeker.”
»Dominé Roestink staat er voor in, dat ik met Paschen mijne belijdenis zal doen,” hernam Piet met een sluw glimlachje, »dan heeft moeder haar zin, en dan hoor ik immers tot hare kerk, en dominé heeft mij beloofd, dat hij er dan zijn werk van maken zal, mij buiten de stad bij een schilder in de leer te doen, als u hem daarin maar helpen wilt; dat had hij u laatst willen vragen, maar.... hij wilde eerst uw gevoelen weten over mijn werk.”
»Hm! hm! heeft Roestink zich dàt in het hoofd gezet. En uwe moeder? moet dat dan buiten uwe moeder omgaan?”
»Dominé heeft er wel moed op hare toestemming te verkrijgen, als het maar buiten hare kosten kon geschieden, en als u mij uwe hulp wildet toezeggen, zooals gij die aan Frits hebt beloofd!”
»Daar hebben wij het, gij hebt er zin in gekregen uit jaloezie op Frits,” zei Willems hoofdschuddend, »maar jongen zie je, dat is een heel ander geval!”
Hij was met de zaak verlegen. Voor twee te verkrijgen wat hij reeds niet zonder bezwaren, moeite en eigen offers voor één zou kunnen verwerven, dat achtte hij ondoenlijk, te meer daar hij bij zijne vrienden geopende harten hoopte te vinden voor den zoon van juffrouw Rosemeijer, die in beklag, die in achting was, maar voor Piet Snibs, den zoon van de inhalige uitdraagster, nog daarbij eene brutale fijne, hoe zou hij daar sympathie voor vinden, en hoe zou hij ooit aan zijne vrouw durven bekennen, dat hij zich voor dezen moeite gaf! Daarbij hij kon niet gelooven, dat Piet dezelfde aanspraken had als Frits; »een heel ander geval,” herhaalde hij nogmaals op gerekten toon, en na een stilzwijgen,waarin hij bij zich zelf zulke overwegingen had gemaakt. »Frits heeft talent moet je weten en gij.... ik zou wel eens willen zien wat gij geteekend hebt?”
»Als ’t u belieft, dominé! Ik heb zoo een en ander meegebracht,” en Piet zette voorzichtig het meesterstuk van Willems ter zijde, en liet zijn eigen werk zien, dat tot hiertoe daarachter verborgen was gebleven.
Het eerste het beste ontlokte Willems een uitroep, waarin hij een lach smoorde.
»Eene poging om mijne teekening na te schetsen, en tot welk eene uitkomst! dat lijkt immers naar niets!” kon hij zich niet onthouden te zeggen, daar de caricatuur hem prikkelde als een persiflage van ’t geen hij zelf had verricht.
»Ik weet wel dat ik het niet zoo mooi kan als Frits, maar ik heb het ook van niemand geleerd, alles uit mijn zelf!” sprak Piet met tranen in de oogen en toch met zekeren trots.
»Het raakt kant noch wal, het zijn krassen, omtrekken, en welke omtrekken! de figuren zijn er niet eens allen op aangeduid en ook geheel anders gegroepeerd.”
»Ik heb ook geene kopie willen maken! Ik heb alleen willen beproeven op mijne eigene manier datzelfde onderwerp terug te geven; dat ik het niet beter doe komt omdat er niemand is, die mij terechthelpt!”
»Dat is wel te zien, arme jongen!” en al pratende snuffelde Willems nog wat in de portefeuille, waaruit pogingen tot landschap, tot figuur, tot genreteekening in bonte afwisseling te voorschijn kwamen.
Toen Piet van zijne eigene manier sprak, had hij wel gelijk, want ze geleek op niets dan op de wanhopige pogingen van iemand, die iets wil wat hij niet vermag, maar die het zóó vast wil, dat zijn onvermogen er tot zekere hoogte door overwonnen werd. Het waren erbarmelijke uitkomsten, maar in de worsteling zelve, waarmee ze verkregen moesten zijn, lag kracht en gloed. Begrip van kleur, stoutheid van conceptie spraken er uit, ondanks de onhandige uitvoering; het waren belachelijke teekeningen, die kant noch wal raakten: Willems had daar gelijk in, maar het waren belangwekkende oefeningen van een talent, dat maar leiding en voorlichting noodig had, om zich heerlijk te ontwikkelen.
Het was als een man, die niets wist van taal noch spelling, maar wien diepe gedachten door het hoofd woelen, en wien stoute beelden voor den geest zweven, zonder dat hij het vermogen heeft om ze uit te drukken voor anderen, omdat hij heta,b,cniet kent.
Willems die den smaak van zijn tijd in niets vooruit was, en die orde en correctheid als de eerste voorwaarden beschouwde van een gelukkigen aanleg, wist in die harde, grillige, hoekige krassen niets meer te zien dan voor oogen lag. Hij bekeek dat alles onder een misnoegd hoofdschudden, sloeg daarna de portefeuille weer toe, legde de hand op den schouder van den knaap, zag hem ernstig meewarig in de oogen, en zei toen: »Wil je een goeden raad van mij aannemen, Piet! zoo vermors niet langer je tijd met zulk gekrabbel, en word verver! dat is beter dan kladschilder.”
Met dezencoup de massuezond hij hem weg. Wat de arme jongen er ook tegen in wilde brengen, het was tevergeefs, hij was geoordeeld, gewogen en te licht bevonden.
Hij kon niets verkrijgen dan het tientje dat hem was toegezegd, en dat hij niet wilde aannemen, omdat hij »brutaal en koppig” was volgens Willems, want hij had gezegd: »Dankje, dominé! om kunstenaar te worden, zou ik wel willen bedelen, maar als ik bij moeder moet blijven, heb ik geen aalmoes noodig.”
»Ik zou het niet op mijn geweten willen nemen,” zei Willems later tot Roestink (die meende nog eens op de zaak te moeten terugkomen, en Piet ten voorspraak te zijn) »om dien jongen uit zijn stand te rukken en er de hand aan te leenen dat hij een armzalig kunstenaar werd, beter dàn, een daglooner die zijn brood heeft.”
Dit was de uitspraak van het gezond verstand, maar de goede Willems had de toepassing elders moeten maken.
X.Met Paschen werden de beide jongelieden door hunne respectieve leeraars als lidmaten der Kerk aangenomen en bevestigd.Frits, die dezen stap meer beschouwde als de inleiding tot hetmaatschappelijk leven, als het overtreden van de grens die den knaap van den jongeling scheidt, Frits had daarbij veeleer levendige aandoeningen dan diepe indrukken. Het natuurlijk gevolg eener oppervlakkige opvatting van hetgeen de diepten des gemoeds had moeten beroeren.Willems zelf had daar ook zijne schuld aan. In plaats van met kalmen ernst tot de consciënties te spreken, had hij het recht treffend willen maken, had de emotiën opgewekt en de zenuwen in beweging gebracht, en behaalde eensuccès de larmes, waaronder Frits het meest aan zijne moeder dacht, die hij verlaten moest en die haar leven vol opoffering zou voltooien door het afstaan van haar zoon!Piet Snibs daarentegen gedroeg zich bij de plechtigheid als iets waaraan hij zich onderwierp, omdat het zoo zijn moest, maar dat eigenlijk over hem heen ging.Toch begreep hij, ondanks uiterlijke roerloosheid, de ernstige beteekenis van de verbintenis die men hem deed aangaan. Maar te meer was hij daartegen weerstrevig in zijn binnenste.Van hem kon niet gezegd dat zijn hart verdeeld was tusschen God en de wereld, maar veeleer dat het in vollen opstand was tegen God en menschen. Hij voelde zich verdrukt, hij voelde zich miskend en onbarmhartig teruggezet. Frits was de gelukkige, de beminde, men legde de handen ineen om hem voort te helpen; dezen werd aangeboden, wat hij niet eens had gevraagd;diekon dankbaar zijn en Gode zijn hart wijden; maar een geplaagde en gejaagde als hij, die kon alleen het hoofd buigen en zich krommen onder zijn juk met verbeten wrok. In den zestienjarigen knaap, die als een ezel onder den staf des drijvers was grootgebracht, en die des ondanks in zich de bewustheid voelde van meer te zijn dan de anderen hem achtten, die van deze bewustheid leefde en in haar de kracht vond om alles te verdragen met den blik op eene eindelijke erkenning in de toekomst en die nu plotseling werd gedwongen om zelfs deze hoop op te geven, in zulk een zestienjarige was die gemoedstoestand niet onnatuurlijk. Dat dominé Willems, die voor een welwillend hulpvaardig man bekend stond, die voorden kunstkennerbij uitnemendheid doorging in het stadje, dat deze hem zijn bijstand had geweigerd, hem alle aanspraak op talent had ontzegd, dat had hem niet slechts bitter teleurgesteld, maar in zijn zelfvertrouwen geschokt.Zoo was het dan maar inbeelding geweest, kunstenaar kon hij niet worden. Waarom had God dan die onweerstandelijke aandrift in hem gelegd om zich aan eene kunst te wijden, waarvoor Hij hem geene gaven, geene krachten had verleend, of indien die brandende begeerte haar recht had om voldoening te eischen, indien het innerlijk bewustzijn hem niet bedroog, waarom dan duldde de Hemelsche Vader dat men hem, juisthemterugzette en tegenstond? Waarom was Frits de uitverkorene, hij die niet eens door zulke aandrift werd gedreven en die wellicht nooit die keus zou hebben gedaan, zoo anderen het hem niet in ’t hoofd hadden gepraat?Waarom had deze eene moeder die haar eigen geluk ten beste gaf voor de toekomst van haar zoon, terwijl zijne moeder niets voor hem was dan eene verdrukster, die uit bekrompen eigenbaat hem niet eens de vrijheid wilde laten om het ambacht te kiezen, dat de geliefde kunst het meest nabij kwam, dat er de opleiding toe zijn kon.... Waarom was zijne moeder een vrouw zonder hart en zonder geest, die alleen de uiterlijke gedaante der godzaligheid had, maar niet het wezen? Haar ongelukkig kind had tot zijn eigen smart en schaamte oogen des geestes om dat te onderscheiden!Zulke smarten, zulke twijfelingen, zulk een gesmoorde oproerkreet bewogen het gemoed van den vroegrijpen knaap, die nog bij velen, bij zijne moeder het eerst, voor een stuggen botterik gold, die zwijgend zat te mokken, terwijl anderen in hunne aandoeningen zwelgden en zich daarop te goed deden.»Die is een verworpene, hij heeft een hart van steen en hij verhardt zich tegen de inwerking der genade,” zuchtte vrouw Snibs, want zich zelve bedriegende eer zij het anderen deed, hield zij zich in hare koude, dorre rechtzinnigheid voor eene waarachtige Christin, en waar haar zoon hare vrome gebaren niet nadeed, hare zalvende woorden niet nasprak, waar hij met kennelijken weerzin de treffendste en aangrijpendste teksten aanhoorde, die zij hem als steenen tegen het hoofd wierp, en met verbeten ergernis een antwoord terughield, waarin een beschamend licht zou zijn opgegaan over haar zelve, daar achtte zij dit alles verstomping, willekeurige verharding en begreep niets van de diepte des gemoeds, waarin zoo vroeg zulke strijd werd gestreden.Maar voor Roestink toch was die niet geheel verborgen geblevenen mogelijk veroordeelt men hem dat hij, deze zielsstemming doorziende, toch op het doen van den beslissenden uiterlijken stap had aangedrongen en het zijne had gedaan om dien mogelijk te maken. Maar Roestink de verzoekingen voorziende, waaraan deze jongeling zou zijn blootgesteld in zijn exceptioneelen toestand, achtte de uiterlijke band althans een hechtsel, al kon die geen krachtige steun zijn, terwijl de kwaliteit van lidmaat der gemeente Piet een recht gaf van zelfstandigheid tegenover zijne moeder, al vond deze niet goed hem overigens te emancipeeren. Daarenboven was de trouwe leeraar niet voornemens dit jonge schaap zijner kudde aan zich zelven over te laten, te midden van strijd en dwaling. Door welwillendheid en belangstelling had hij het vertrouwen en de genegenheid van den verdrukte gewonnen en een zedelijk overwicht op hem verkregen, waarvan hij partij wilde trekken om hem te leiden, verder te brengen en te wapenen tegen den strijd des levens.Hoewel bij de uitspraak van Willems ook zijn geloof aan het talent van Piet aan het wankelen was gebracht, daar hij zijn eigen oordeel in dezen moest wantrouwen, de overtuiging dat er in den zonderlingen knaap een diep gemoed, een groot karakter en eene buitengewone wilskracht school, die maar behoefden gekweekt en geleid te worden om zich volledig te ontplooien, die overtuiging kon hij zich niet laten ontnemen door den twijfel van anderen. Hier had hij alleen zijne eigene ervaring te raadplegen, zijn eigen blik te scherpen om te weten dat hij zich niet bedroog, en dat een zonnestraal van levensvreugd, de koestering eener verstandige liefde op dit schijnbaar weerbarstig en verstompt gemoed zouden inwerken als de lentegloed op het overijzelde veld. Terwijl straffe verdrukking en dreiging met Hemelschen toorn en helsche overmacht alleen strekken kon om het zich nauwer te doen sluiten en nog stugger te omschorsen.De moeder, die hem als met vuiststompen het ware gereformeerde geloof had opgedrongen, stond Piet in den weg om Christen te worden. Roestink begreep dit en deed wat in zijne macht was om dien schadelijken invloed te verontzijdigen, om te voorkomen wat hij zag naderen bij het meer en meer ontwakend zelfbewustzijn van den jongeling, dat hij zijne moeder ging haten en minachten, zooals de slaaf zijn tiran haat en minacht en dat hij zich eenmaal als deze op onwettige en gewelddadige wijzeonttrekken zou aan dat misbruikt gezag. De mogelijkheid van zulke uitkomst hield Roestink vrouw Snibs voor, zoo zij bleef volharden om uit bekrompenheid en eigenbaat haar zoon in zijne vurigste wenschen, in ’t geen men noemen kon zijn kunstenaarsinstinct, te dwarsboomen. Het mocht niet baten, zelfs zijn voorstel, om al was het maar bij wijze van proefneming, den knaap teekenen te laten leeren op zijne kosten en voorts hem in de leer te doen bij een huisschilder, werd met scherpe afkeuring begroet.»Zij kon niet begrijpen hoe dominé den jongen in zijne eigenwilligheid kon sterken. Het was maar dwingen. Zij had haar zoon in hare zaak noodig en daar kon hij genoeg in te doen vinden om niet te zitten droomen en mokken, zooals hij veeltijds deed. Dominé zou beter doen met hem het vijfde gebod voor te houden, dan hem te sterken in zijne grillen; het was schande en zonde en dominé ging nogal door voor een verlicht man en een kind Gods! En dan een zoon op te zetten tegen zijne moeder.”»Maar vrouw Snibs, hoe kunt gij zoo doordraven?” viel Roestink in, »ik geef het u alleen in overweging. Ik zal mijn best doen om hem te leeren berusten als gij weigert, maar men zou het toch eens kunnen probeeren, en ... als dat les nemen geschiedde zonder dat het u iets kostte.”»Daar bedankte zij voor. Al was zij maar eene simpele burgervrouw, zij behoefde geen onderstand en zou de handen ook niet uitsteken om giften van anderen, zooals zekere Madam die zich nog wel »juffrouw” liet noemen, en die zich verbeeldde, dat haar zoon een heer moest worden op andermans kosten. Neen! wathaarkind noodig had, kon hij van haar krijgen. Al was zij maar eene weduwe, de Heer had hare vlijt gezegend, de Man der weduwen had haar niet verlaten en zij was voorspoedig geweest in haar handel en wandel. Maar ook zij leefde niet naar de lusten des vleesches, noch trachtte naar de dingen die haar te hoog waren, zooals de wereldlingen die de grootschheid des levens en de begeerlijkheden der aarde naliepen, zij was een kind Gods en onderscheidde zich van de wereld door eenvoud van kleedij, zij bleef nog een rok en jak dragen, terwijl al hare buurvrouwen...”»Eilieve, vrouw Snibs! wat doet dat alles er toe,” was Roestink ingevallen, om dien stortvloed van eigengerechtigheid, met geestelijken hoogmoed vermengd, een dam te stellen.Het mocht hem niet baten.»Wat er dat toe doet, dominé!” hervatte zij met eene stem driemaal scheller en scherper dan te voren. »Wel ik dacht dat een man als u wel-eerwaarde, dat wel begrijpen kon. Dat zegt zooveelalsdatik mijn eenig kind wel naar mijn staat onderhouden kan, en alles meen te geven wat hem toekomt, zooals iedereen zien zal, als Piet in de loting valt, en een remplaçant noodig heeft; stuivertje voor stuivertje heb ik dat sommetje opgegaard, want mijn zoon zal niet den breeden weg opgaan met dat ruwe soldatenvolk! Neen! o, neen! als Hannah heb ik hem den Heere gewijd, en al weet ik wel dat de kinderen der wereld wijzer zijn dan de kinderen des lichts, zoo onnoozel noch onervaren in de dingen dezes tijds ben ik niet, om niet te weten wat soort van volkje muzikanten en schilders zijn, die den tijd maar doorbrengen met luilakken, slampampen en pretmaken! Dat mijn Absalom lust heeft daarvan zijne gezellen te maken, verwondert mij niet, maar dat dominé, die toch voor een godzalig leeraar bekend stond, dat dolende schaap zoo maar aan de wereld en hare verlokkingen wilde overgeven, dàt gaat mijn verstand te boven, en gedoogen zal ik het niet. Ik wil wel mijn Izaäk den Heere offeren, maar niet den Moloch!”Sinds lang schor van het schreeuwen moest vrouw Snibs na die laatste emphatique tirade huilen, hoesten en bovenal adem scheppen. Roestink, wiens lankmoedigheid bijkans ten einde was, nam dit intermezzo te baat, om haar voor te houden dat zij zelve juist bezig was haar zoon te offeren aan den Moloch van hare heerschzucht en haar egoïsme, en toen hij op die vermaning de noodige klem legde door bijbelsche uitspraken, waarvoor zij had moeten bukken, en die haar aan zich zelve zouden ontdekt hebben, zoo zij oprecht ware geweest in hare vroomheid, toen weerstreefde zij des te heftiger en werd zeer boos, en met vinnigheid beet zij hem toe, dat zij moeder en voogdes was, en dat zij weten moest wat haar zoon paste of niet, dat dominé zich met diens geloof had te bemoeien en niet met zijn handwerk.Roestink zelf, wel wat geprikkeld door de walging die de huichelarij en de brutaliteit dier vrouw in hem opwekte, vergat de voorzichtigheid en repliceerde dat het juist was om den wille des geloofs dat zij toe moest geven en dat hij wilde waken, daar de onderdrukking, waarvan Piet het slachtoffer was in zijn moedershuis, en de wijze waarop zijne kennelijke roeping voor de kunst werd te keer gegaan, bij hem noodwendig zulke terugwerking moest hebben, dat hij elders bevrediging zou zoeken en dat de Roomsche kerk voor zulke naturen, onder zulke omstandigheden hare eigenaardige verlokkingen had, waaraan Piet werd blootgesteld, zoo men hem geen ruimer uitzicht opende en door de koorden der liefde wist te binden.»Wat!” riep zij uit, de handen in de zijde zettende, »de Roomsche kerk! wat gaat ons de Roomsche kerk aan, wat hebben wij daarmee gemeens, hoe kunt gij u zoo iets in het hoofd halen, dominé! zoolang mijn jongen in mijn huis is, zal hij zijne voeten niet in den Baäls-tempel zetten, daar kan je zeker van zijn. En liefdekoorden, ja, een mooi ding voor zoo’n verstokte als hij is, die heel gauw zou uitspatten als ik hem niet goed onder tucht hield.»En jij Piet” (tot zijn schade was het beklagenswaardige voorwerp van de discussie op het geraas zijner moeder komen aanloopen) »en jij! als ik je ooit attrapeer dat je den voet op den drempel van de papekerk zet, dan zal je er van lusten! daar kan je op rekenen!”»Goed moeder, ikzaler op rekenen,” was het lakonieke antwoord van Piet.Na dit tooneel, na zulk een misverstand van zijne beste bedoelingen, zijne trouwste vermaningen, was Roestink schaakmat; hij gaf het althans voor dien dag aan vrouw Snibs gewonnen. Eenige dagen later toen hij hare drift bekoeld achtte en voor zich zelven eene versche dosis lijdzaamheid bemachtigd had, dreef belangstelling in Piet hem nogmaals naar de muffe woning der uitdraagster, met het voorstel om Piet zijne lidmaten-catechisatie te laten bijwonen; maar het werd met snibbigheid afgewezen. Dominé wist wel, dat er niet voor niet haast gemaakt was met het aannemen. Zij had haar zoon noodig in hare zaak en kon hem zooveel tijd in de week niet geven, daar zij wel zag, dat het leeren bij dominé hem toch niet verder brengen zou. Als hij niet onwillig noch doofhuidig was, kon hij genoeg vorderen onder haar opzicht; hij had altijd gelegenheid hare oefeningen met hare vrienden bij te wonen; maar dat verkoos hij niet, en als hij er toe gedwongen werd, zat hij te slapen of te pruilen. Zij had de overtuiging, dat hij niet dan een vat teroneere was, en alles wat menschelijke wijsheid daarin zou werpen, zou hem maar schade doen, en hem sterken in zijn eigenwaan en verstoktheid. Hij was nu lidmaat en lag voor zijne eigene rekening; in haar huis werd de Heere gediend en hij behoefde het niet daarbuiten te zoeken als hij ten goede wilde, zoo niet, dan was het beste lijdelijk af te wachten, wat er over hem beschikt was, daar vleeschelijke hulp toch niet baten zou, dat wist zij maar al te goed. Behalve in den bekrompen eigenbaat, die den aankomenden jongeling elke ure vrijheids beknibbelen wilde, lag de oorzaak dezer weigering in de vrees van vrouw Snibs, dat dominé van het pretext der catechisatie wel eens gebruik zou kunnen maken, om Piet onderwijs te laten geven in het teekenen, en daarmee was ze mogelijk niet zoo heel ver van de waarheid, want mevrouw Roestink, die ondanks haar witte neteldoeksche japon en haar sjaal een allerliefst talentvol vrouwtje was, had, niet onder voorwendselvan, maarnade catechisatie-uren zich willen aanbieden, om Piet zoo wat letterwijs te maken in de kunst waarnaar zijne brandende begeerte uitging; zij zou hem om het zoo eens te noemen het a, b, c leeren, en dan verder zijne oefeningen wat leiden; maar de grimmige wijze waarop vrouw Snibs de eerste aanbieding afwees, weerhield Roestink om met de andere voor den dag te komen. Toen hij aftrok sloeg de Xantippe de deur achter hem dicht met een geweld of zij hem waarschuwen wilde, dat hij die bij eene nieuwe poging voor goed gesloten zou vinden.Na zulk eene afwijzing kon hij zijn bezoek niet herhalen, en tot bitter leedwezen van Piet werd de betrekking tusschen hem en den eenigen vriend, die hem begreep en voor zijn lijden medegevoel, voor zijne aspiratiën sympathie had, voor goed afgebroken. Roestink sprak hem wel eens eene enkele maal vriendelijk toe als hij hem alleen ontmoette, maar daar hij den zoon niet overhalen wilde tot eenigen stap buiten zijne moeder om, bleef het daarbij.Vrouw Snibs meende hare handelwijze jegens dominé Roestink te rechtvaardigen tegenover hare geloofsverwanten, met te zeggen »dat hij nog maar ten halve verlicht was, dat hij hinkte op twee gedachten, en laag neerzag op de kinderen Gods, omdat zijn hart naar de wereldsche ijdelheden trok.” Gelukkig vond de laaghartige onder deze geloovigen juist geenelichtgeloovigen. Zijhadden zelven al genoeg ervaring van de disharmonie tusschen hare woorden en hare daden, om op hare aanklacht een man te veroordeelen of te wantrouwen, wiens handel en wandel in overeenstemming was met zijne stichtelijke redenen. Zijne profetie omtrent de gevaren die Piet kon loopen, scheen zich echter niet te verwezelijken. Toch wel niet omdat Piet naar het voorschrift zijner moeder de Roomsche kerk links liet liggen; integendeel, hij legde er de obstinatie in van zijne wrokkende rebellie om precies tedoenwat hem onder zulke bedreigingen werd geboden, telaten. Hetzij hij reeds zoo verhard was door het lijden, dat hare bedreigingen voor hem geene beteekenis meer hadden; hetzij hij de heimelijke wegen wist te gaan, die voor betrapt worden veiligden; maar de oude pastoor liet hem stil in zijn hoek zitten, beelden en schilderijen aangapen en naar het koorgezang luisteren, al had hij hem meermalen opgemerkt. De zucht tot proselietenmakerij werd weinig aangemoedigd onder het vaderlijk bestuur van Koning Willem I, die van uiterlijke orde en rust hield in de kerk en onder kerkelijke personen, ten koste van den inwendigen vrede mogelijk; maar dàt was de vraag niet: ieder moest op zijn eigen terrein blijven, platte kalmte moest er heerschen, geen strijd, geene overdrijving;surtout pas de zèle!” was het wachtwoord, dat den kerkelijken van iedere gezindheid gegeven was en waaraan zij zich moesten houden. Alleen de ijver tegen overdrijvers en ijveraars werd uitgezonderd; dat waren debêtes noires, waarop ieder vrij jacht mocht maken. Onder dit régime van lauwheid en flauwheid kon de zoon van de stijf gereformeerde uitdraagster den goeden ouden pastoor wel niet tot een lokaas zijn, om een geloofsijver te toonen, die zoo weinigde misewas. Piet Snibs bleef dus onaangevochten denzelfden sleur gaan bij zijne moeder in huis tot zijn achttiende jaar. Roestink was intusschen naar eene groote stad beroepen en de arme jongeling had met hem den eenigen vertrouweling verloren van zijn geheimen strijd, den eenigen vriend, die hem nog wel eens vluchtig de hand drukte en een woord van deelneming toesprak, of met eene zachte vermaning tot geduld en berusting stemde. Toen Piet in de loting viel en tot zijn spijt een hoog nommer trok, wilde hij toch dienst nemen, hetgeen hem door zijne moeder werd belet, daar zij de zucht voor den dienst als een pretext beschouwde, om zijne vrijheid te bekomenen in ledigheid en losbandigheid te kunnen rondslenteren; de eerste onderstelling was volkomen juist, de andere zeer onbillijk, daar Piet’s gedragingen haar geen het minste recht hadden gegeven, om hem zulke intentiën toe te dichten.Maar vrouw Snibs mocht Xantippe zijn zooveel zij wilde, een jonkman van achttien jaar is niet binnenshuis te houden als een kind, en zij zou de nutteloosheid van haar dwangstelsel tot hare smart en beschaming leeren inzien. Op zekeren dag was er groot alarm in haar huis, en welhaast weerklonk het in hare buurt. Haar zoon, die nooit na tien ure mocht thuiskomen, was den vorigen Zondag-middag uitgegaan en ’s Maandags-ochtends nog niet terug. Niemand had hem gezien, niemand wist waar hij gebleven was. Spoedig bleek het haar, dat hij heengegaan was om niet weer te keeren. Hij had wat kleeren meegenomen en het geld uit zijn spaarpot. Het steenen varken werd in scherven onder zijne bedstede gevonden, dit was dus opzet. »Haar verloren zoon was den breeden weg opgegaan!” Hoewel zij eene advertentie plaatsen liet in de Haarlemsche Courant, die het slachten van ’t gemeste kalf scheen te beloven bij zijne wederkomst, hij keerde niet terug, om die openlijke betuiging harer moederliefde op de proef te stellen. Hij was zeker wat bang voor de al te teedere omklemming dier liefdearmen. Mogelijk ook kwam de noodiging niet eens tot hem. Hoe dat ook zij, vrouw Snibs zag haar zoon nooit weer, en van spijt over die ontsnapte prooi, »van droefheid over haarAbsalom,” zooals zij zich uitdrukte, wierp zij zich midden in de wereld, dat wil zeggen, zij brak met al hare antecedenten en trouwde een gepensioneerd onderofficier, die bij Quatre-Bras een stijf been veroverd had en aanspraak op de Willemsorde, die hem echter niet gewerd. Hij verzoette hare verdere levensdagen door het verhaal zijner krijgsavonturen en het gezelschap zijner kameraden, voor zoover ze te E. aanwezig waren, en verder door haar proefondervindelijk kennis te doen maken met de militaire discipline, die hij op zijne vrouw toepaste, daar hij geen conscrit meer te drillen had. Het spreekt vanzelve, dat zij zich niet vlotweg aan dit régime onderwierp, maar na een stormachtigelune de mieltriomfeerde deforce brutaleen vrouw Snibs, die nu juffrouw Doelman genoemd werd,was broken to the harnesszooals het behoorde. Deze nieuwe Patruccio had zijne helleveeg getemd!Dominé Willems had inlichtingen kunnen geven over het verdwijnenvan Piet, maar daar ze hem niet gevraagd werden en daar Piet hem ten dringendste het stilzwijgen had verzocht, hield hij ze voor zich. Een paar dagen vóór zijne ontsnapping namelijk had Piet verzocht dominé Willems te spreken. De audiëntie toegestaan zijnde, herinnerde hij dominé aan zijne vroegere belofte om hem een geschenk in geld te geven, dat hij toen afgewezen had in de bitterheid eener smartelijke teleurstelling. Hij verzocht nu ootmoediglijk excuus voor die weigering en hoopte dat hij de goedheid van dominé niet mocht verbeurd hebben.»Je bent er dus nòg niet af?” vroeg Willems hem onderzoekend aanziende.»Neen, dominé! nu ik de hand uitstrek naar uwe gift, kunt u wel begrijpen waarvoor.”»Nu dan, trotsche stijfhoofd, God zegene u!” sprak Willems met een bedenkelijk hoofdschudden, of hij nauwelijks aan de kracht van dien heilwensch geloofde; maar hij verdriedubbelde zijne gift en liet hem gaan, zonder nadere ophelderingen te vragen, en zonder hem met vermaningen te kwellen, die toch niet meer zouden baten. Hij giste wat Piet in zijn schild voerde.Sedert eenige dagen namelijk was er te E. een voornaam Vlaamsch kunstschilder aangekomen, die na de bijeenvoeging der Noordelijke en Zuidelijke Provinciën in den Haag woonde. Belast om een altaarstuk te vervaardigen, waarmede een rijk Katholiek inwoner zijne kerk wilde begiftigen, moest hij zich over de grootte en het onderwerp bespreken met den schenker en met den pastoor, en wilde op de plaats zelve de voorloopige schets maken, ten einde haar in volkomen harmonie te brengen met de omgeving. Daar hij bij zijn Maecenas gehuisvest was, die niets liever wenschte dan hem zoolang mogelijk te houden, dijde dit verblijf tot weken uit, waarin de schilder gelegenheid vond om voor zich zelven eenige studies te maken van schilderachtige, oud-Hollandsche stadsgezichten, waar het stedeke zeer rijk in was. Huizen met luifels, gebeeldhouwde stoepbanken en trapgevels, begonnen toen reeds curiositeiten te worden voor een kunstenaar, die slechts de groote steden bewoond en bereisd had.Als door magnetische attractie geleid, was Piet in zijne nabijheid gekomen van den eersten dag af, dat hij buitenshuis teekende, en van toen aan behoefde de schilder niet eens meer omte zien, hij wist vooruit wie er achter hem stond, en ieder zijner bewegingen volgde met zwijgende aandacht. Gewoon ten doel te staan aan de nieuwsgierigheid van leegloopers en voorbijgangers, werd hij echter getroffen door het kennelijk onderscheid tusschen genen en dezen jonkman, die verre van lastig te zijn, of door onbescheiden vragen te hinderen, alleen maar met gezette aandacht de vorderingen van zijn werk bleef gadeslaan, zonder hem door die plompe opmerkingen te storen, waarmee het gewone Hollandsche straatpubliek zoo gul is, zoo ras het iets ongewoons aanschouwt. Deze kieschheid, deze bescheiden houding, met zooveel onverzettelijke volharding gepaard, namen den kunstenaar voor hem in en op zekeren dag begon deze zelf een praatje.Uit het antwoord dat hij kreeg sprak zoo duidelijk geestdrift voor de kunst, met diepen weemoed doormengd, dat de schilder hem aanmoedigde om meer te zeggen. Het praatje werd een gesprek, en daaruit volgde de noodiging om hem te komen bezoeken ten huize van zijn gastheer. Piet verstoutte zich van die vrijheid gebruik te maken en bracht zijn werk mee. Hij had al zoolang geheime wegen gegaan buiten zijn moeder om! Hij had nooit opgehouden zich te oefenen, ja, hij had zelfs zijn zakgeld besteed, om in stilte lessen te nemen van Krimpelman. Hij was bijgevolg wat letterwijs geworden in de kunst, en toen Piet ééns wist hoe hij een penseel moest houden, had de goede teekenmeester verbaasd gestaan over hetgeen hij er mee wist te verrichten. De schilder onderscheidde het talent, dat in zijne studiën verscholen lag, te midden van al het gebrekkelijke en moedigde hem aan om het te oefenen met de opgewondenheid die den Vlaamschen kunstenaar karakteriseert. Wat meer zeide, hij beloofde hem zijne hulp en zijne leiding, mits hij van zijne moeder vrijheid verkreeg om hem naar den Haag te vergezellen. Piet, die vooruit wist, dat dit verzoek tevergeefs zou gedaan worden, verlangde alleen te weten wanneer de heer N. weer naar zijne woonplaats zoude terugkeeren; deze dacht binnen een paar dagen te vertrekken. Piet hield het zich voor gezegd; deed zijn aanzoek bij Willems, en was des anderen daags verdwenen.Willems, die in zijne kwaliteit van liefhebber den beroemden schilder een bezoek had gebracht, en van diens kennismaking met den zoon van vrouw Snibs had gehoord, bracht die overhaastevlucht natuurlijk in verband met de aanmoediging dezen door N. gegeven, en begreep nu—maar voor Piet ongelukkig te laat—dat diens roeping voor de kunst in vollen zin eene onweerstandelijke moest zijn.»Ik wil er niet op zweren, dat hij hetsavoir fairevan de kunst zal vatten..... maar hij heeftle feu sacré,” getuigde de Vlaming, »en dat, mijnheer, dàt is toch maar het principale!”
Met Paschen werden de beide jongelieden door hunne respectieve leeraars als lidmaten der Kerk aangenomen en bevestigd.
Frits, die dezen stap meer beschouwde als de inleiding tot hetmaatschappelijk leven, als het overtreden van de grens die den knaap van den jongeling scheidt, Frits had daarbij veeleer levendige aandoeningen dan diepe indrukken. Het natuurlijk gevolg eener oppervlakkige opvatting van hetgeen de diepten des gemoeds had moeten beroeren.
Willems zelf had daar ook zijne schuld aan. In plaats van met kalmen ernst tot de consciënties te spreken, had hij het recht treffend willen maken, had de emotiën opgewekt en de zenuwen in beweging gebracht, en behaalde eensuccès de larmes, waaronder Frits het meest aan zijne moeder dacht, die hij verlaten moest en die haar leven vol opoffering zou voltooien door het afstaan van haar zoon!
Piet Snibs daarentegen gedroeg zich bij de plechtigheid als iets waaraan hij zich onderwierp, omdat het zoo zijn moest, maar dat eigenlijk over hem heen ging.
Toch begreep hij, ondanks uiterlijke roerloosheid, de ernstige beteekenis van de verbintenis die men hem deed aangaan. Maar te meer was hij daartegen weerstrevig in zijn binnenste.
Van hem kon niet gezegd dat zijn hart verdeeld was tusschen God en de wereld, maar veeleer dat het in vollen opstand was tegen God en menschen. Hij voelde zich verdrukt, hij voelde zich miskend en onbarmhartig teruggezet. Frits was de gelukkige, de beminde, men legde de handen ineen om hem voort te helpen; dezen werd aangeboden, wat hij niet eens had gevraagd;diekon dankbaar zijn en Gode zijn hart wijden; maar een geplaagde en gejaagde als hij, die kon alleen het hoofd buigen en zich krommen onder zijn juk met verbeten wrok. In den zestienjarigen knaap, die als een ezel onder den staf des drijvers was grootgebracht, en die des ondanks in zich de bewustheid voelde van meer te zijn dan de anderen hem achtten, die van deze bewustheid leefde en in haar de kracht vond om alles te verdragen met den blik op eene eindelijke erkenning in de toekomst en die nu plotseling werd gedwongen om zelfs deze hoop op te geven, in zulk een zestienjarige was die gemoedstoestand niet onnatuurlijk. Dat dominé Willems, die voor een welwillend hulpvaardig man bekend stond, die voorden kunstkennerbij uitnemendheid doorging in het stadje, dat deze hem zijn bijstand had geweigerd, hem alle aanspraak op talent had ontzegd, dat had hem niet slechts bitter teleurgesteld, maar in zijn zelfvertrouwen geschokt.
Zoo was het dan maar inbeelding geweest, kunstenaar kon hij niet worden. Waarom had God dan die onweerstandelijke aandrift in hem gelegd om zich aan eene kunst te wijden, waarvoor Hij hem geene gaven, geene krachten had verleend, of indien die brandende begeerte haar recht had om voldoening te eischen, indien het innerlijk bewustzijn hem niet bedroog, waarom dan duldde de Hemelsche Vader dat men hem, juisthemterugzette en tegenstond? Waarom was Frits de uitverkorene, hij die niet eens door zulke aandrift werd gedreven en die wellicht nooit die keus zou hebben gedaan, zoo anderen het hem niet in ’t hoofd hadden gepraat?
Waarom had deze eene moeder die haar eigen geluk ten beste gaf voor de toekomst van haar zoon, terwijl zijne moeder niets voor hem was dan eene verdrukster, die uit bekrompen eigenbaat hem niet eens de vrijheid wilde laten om het ambacht te kiezen, dat de geliefde kunst het meest nabij kwam, dat er de opleiding toe zijn kon.... Waarom was zijne moeder een vrouw zonder hart en zonder geest, die alleen de uiterlijke gedaante der godzaligheid had, maar niet het wezen? Haar ongelukkig kind had tot zijn eigen smart en schaamte oogen des geestes om dat te onderscheiden!
Zulke smarten, zulke twijfelingen, zulk een gesmoorde oproerkreet bewogen het gemoed van den vroegrijpen knaap, die nog bij velen, bij zijne moeder het eerst, voor een stuggen botterik gold, die zwijgend zat te mokken, terwijl anderen in hunne aandoeningen zwelgden en zich daarop te goed deden.
»Die is een verworpene, hij heeft een hart van steen en hij verhardt zich tegen de inwerking der genade,” zuchtte vrouw Snibs, want zich zelve bedriegende eer zij het anderen deed, hield zij zich in hare koude, dorre rechtzinnigheid voor eene waarachtige Christin, en waar haar zoon hare vrome gebaren niet nadeed, hare zalvende woorden niet nasprak, waar hij met kennelijken weerzin de treffendste en aangrijpendste teksten aanhoorde, die zij hem als steenen tegen het hoofd wierp, en met verbeten ergernis een antwoord terughield, waarin een beschamend licht zou zijn opgegaan over haar zelve, daar achtte zij dit alles verstomping, willekeurige verharding en begreep niets van de diepte des gemoeds, waarin zoo vroeg zulke strijd werd gestreden.
Maar voor Roestink toch was die niet geheel verborgen geblevenen mogelijk veroordeelt men hem dat hij, deze zielsstemming doorziende, toch op het doen van den beslissenden uiterlijken stap had aangedrongen en het zijne had gedaan om dien mogelijk te maken. Maar Roestink de verzoekingen voorziende, waaraan deze jongeling zou zijn blootgesteld in zijn exceptioneelen toestand, achtte de uiterlijke band althans een hechtsel, al kon die geen krachtige steun zijn, terwijl de kwaliteit van lidmaat der gemeente Piet een recht gaf van zelfstandigheid tegenover zijne moeder, al vond deze niet goed hem overigens te emancipeeren. Daarenboven was de trouwe leeraar niet voornemens dit jonge schaap zijner kudde aan zich zelven over te laten, te midden van strijd en dwaling. Door welwillendheid en belangstelling had hij het vertrouwen en de genegenheid van den verdrukte gewonnen en een zedelijk overwicht op hem verkregen, waarvan hij partij wilde trekken om hem te leiden, verder te brengen en te wapenen tegen den strijd des levens.
Hoewel bij de uitspraak van Willems ook zijn geloof aan het talent van Piet aan het wankelen was gebracht, daar hij zijn eigen oordeel in dezen moest wantrouwen, de overtuiging dat er in den zonderlingen knaap een diep gemoed, een groot karakter en eene buitengewone wilskracht school, die maar behoefden gekweekt en geleid te worden om zich volledig te ontplooien, die overtuiging kon hij zich niet laten ontnemen door den twijfel van anderen. Hier had hij alleen zijne eigene ervaring te raadplegen, zijn eigen blik te scherpen om te weten dat hij zich niet bedroog, en dat een zonnestraal van levensvreugd, de koestering eener verstandige liefde op dit schijnbaar weerbarstig en verstompt gemoed zouden inwerken als de lentegloed op het overijzelde veld. Terwijl straffe verdrukking en dreiging met Hemelschen toorn en helsche overmacht alleen strekken kon om het zich nauwer te doen sluiten en nog stugger te omschorsen.
De moeder, die hem als met vuiststompen het ware gereformeerde geloof had opgedrongen, stond Piet in den weg om Christen te worden. Roestink begreep dit en deed wat in zijne macht was om dien schadelijken invloed te verontzijdigen, om te voorkomen wat hij zag naderen bij het meer en meer ontwakend zelfbewustzijn van den jongeling, dat hij zijne moeder ging haten en minachten, zooals de slaaf zijn tiran haat en minacht en dat hij zich eenmaal als deze op onwettige en gewelddadige wijzeonttrekken zou aan dat misbruikt gezag. De mogelijkheid van zulke uitkomst hield Roestink vrouw Snibs voor, zoo zij bleef volharden om uit bekrompenheid en eigenbaat haar zoon in zijne vurigste wenschen, in ’t geen men noemen kon zijn kunstenaarsinstinct, te dwarsboomen. Het mocht niet baten, zelfs zijn voorstel, om al was het maar bij wijze van proefneming, den knaap teekenen te laten leeren op zijne kosten en voorts hem in de leer te doen bij een huisschilder, werd met scherpe afkeuring begroet.
»Zij kon niet begrijpen hoe dominé den jongen in zijne eigenwilligheid kon sterken. Het was maar dwingen. Zij had haar zoon in hare zaak noodig en daar kon hij genoeg in te doen vinden om niet te zitten droomen en mokken, zooals hij veeltijds deed. Dominé zou beter doen met hem het vijfde gebod voor te houden, dan hem te sterken in zijne grillen; het was schande en zonde en dominé ging nogal door voor een verlicht man en een kind Gods! En dan een zoon op te zetten tegen zijne moeder.”
»Maar vrouw Snibs, hoe kunt gij zoo doordraven?” viel Roestink in, »ik geef het u alleen in overweging. Ik zal mijn best doen om hem te leeren berusten als gij weigert, maar men zou het toch eens kunnen probeeren, en ... als dat les nemen geschiedde zonder dat het u iets kostte.”
»Daar bedankte zij voor. Al was zij maar eene simpele burgervrouw, zij behoefde geen onderstand en zou de handen ook niet uitsteken om giften van anderen, zooals zekere Madam die zich nog wel »juffrouw” liet noemen, en die zich verbeeldde, dat haar zoon een heer moest worden op andermans kosten. Neen! wathaarkind noodig had, kon hij van haar krijgen. Al was zij maar eene weduwe, de Heer had hare vlijt gezegend, de Man der weduwen had haar niet verlaten en zij was voorspoedig geweest in haar handel en wandel. Maar ook zij leefde niet naar de lusten des vleesches, noch trachtte naar de dingen die haar te hoog waren, zooals de wereldlingen die de grootschheid des levens en de begeerlijkheden der aarde naliepen, zij was een kind Gods en onderscheidde zich van de wereld door eenvoud van kleedij, zij bleef nog een rok en jak dragen, terwijl al hare buurvrouwen...”
»Eilieve, vrouw Snibs! wat doet dat alles er toe,” was Roestink ingevallen, om dien stortvloed van eigengerechtigheid, met geestelijken hoogmoed vermengd, een dam te stellen.
Het mocht hem niet baten.
»Wat er dat toe doet, dominé!” hervatte zij met eene stem driemaal scheller en scherper dan te voren. »Wel ik dacht dat een man als u wel-eerwaarde, dat wel begrijpen kon. Dat zegt zooveelalsdatik mijn eenig kind wel naar mijn staat onderhouden kan, en alles meen te geven wat hem toekomt, zooals iedereen zien zal, als Piet in de loting valt, en een remplaçant noodig heeft; stuivertje voor stuivertje heb ik dat sommetje opgegaard, want mijn zoon zal niet den breeden weg opgaan met dat ruwe soldatenvolk! Neen! o, neen! als Hannah heb ik hem den Heere gewijd, en al weet ik wel dat de kinderen der wereld wijzer zijn dan de kinderen des lichts, zoo onnoozel noch onervaren in de dingen dezes tijds ben ik niet, om niet te weten wat soort van volkje muzikanten en schilders zijn, die den tijd maar doorbrengen met luilakken, slampampen en pretmaken! Dat mijn Absalom lust heeft daarvan zijne gezellen te maken, verwondert mij niet, maar dat dominé, die toch voor een godzalig leeraar bekend stond, dat dolende schaap zoo maar aan de wereld en hare verlokkingen wilde overgeven, dàt gaat mijn verstand te boven, en gedoogen zal ik het niet. Ik wil wel mijn Izaäk den Heere offeren, maar niet den Moloch!”
Sinds lang schor van het schreeuwen moest vrouw Snibs na die laatste emphatique tirade huilen, hoesten en bovenal adem scheppen. Roestink, wiens lankmoedigheid bijkans ten einde was, nam dit intermezzo te baat, om haar voor te houden dat zij zelve juist bezig was haar zoon te offeren aan den Moloch van hare heerschzucht en haar egoïsme, en toen hij op die vermaning de noodige klem legde door bijbelsche uitspraken, waarvoor zij had moeten bukken, en die haar aan zich zelve zouden ontdekt hebben, zoo zij oprecht ware geweest in hare vroomheid, toen weerstreefde zij des te heftiger en werd zeer boos, en met vinnigheid beet zij hem toe, dat zij moeder en voogdes was, en dat zij weten moest wat haar zoon paste of niet, dat dominé zich met diens geloof had te bemoeien en niet met zijn handwerk.
Roestink zelf, wel wat geprikkeld door de walging die de huichelarij en de brutaliteit dier vrouw in hem opwekte, vergat de voorzichtigheid en repliceerde dat het juist was om den wille des geloofs dat zij toe moest geven en dat hij wilde waken, daar de onderdrukking, waarvan Piet het slachtoffer was in zijn moedershuis, en de wijze waarop zijne kennelijke roeping voor de kunst werd te keer gegaan, bij hem noodwendig zulke terugwerking moest hebben, dat hij elders bevrediging zou zoeken en dat de Roomsche kerk voor zulke naturen, onder zulke omstandigheden hare eigenaardige verlokkingen had, waaraan Piet werd blootgesteld, zoo men hem geen ruimer uitzicht opende en door de koorden der liefde wist te binden.
»Wat!” riep zij uit, de handen in de zijde zettende, »de Roomsche kerk! wat gaat ons de Roomsche kerk aan, wat hebben wij daarmee gemeens, hoe kunt gij u zoo iets in het hoofd halen, dominé! zoolang mijn jongen in mijn huis is, zal hij zijne voeten niet in den Baäls-tempel zetten, daar kan je zeker van zijn. En liefdekoorden, ja, een mooi ding voor zoo’n verstokte als hij is, die heel gauw zou uitspatten als ik hem niet goed onder tucht hield.
»En jij Piet” (tot zijn schade was het beklagenswaardige voorwerp van de discussie op het geraas zijner moeder komen aanloopen) »en jij! als ik je ooit attrapeer dat je den voet op den drempel van de papekerk zet, dan zal je er van lusten! daar kan je op rekenen!”
»Goed moeder, ikzaler op rekenen,” was het lakonieke antwoord van Piet.
Na dit tooneel, na zulk een misverstand van zijne beste bedoelingen, zijne trouwste vermaningen, was Roestink schaakmat; hij gaf het althans voor dien dag aan vrouw Snibs gewonnen. Eenige dagen later toen hij hare drift bekoeld achtte en voor zich zelven eene versche dosis lijdzaamheid bemachtigd had, dreef belangstelling in Piet hem nogmaals naar de muffe woning der uitdraagster, met het voorstel om Piet zijne lidmaten-catechisatie te laten bijwonen; maar het werd met snibbigheid afgewezen. Dominé wist wel, dat er niet voor niet haast gemaakt was met het aannemen. Zij had haar zoon noodig in hare zaak en kon hem zooveel tijd in de week niet geven, daar zij wel zag, dat het leeren bij dominé hem toch niet verder brengen zou. Als hij niet onwillig noch doofhuidig was, kon hij genoeg vorderen onder haar opzicht; hij had altijd gelegenheid hare oefeningen met hare vrienden bij te wonen; maar dat verkoos hij niet, en als hij er toe gedwongen werd, zat hij te slapen of te pruilen. Zij had de overtuiging, dat hij niet dan een vat teroneere was, en alles wat menschelijke wijsheid daarin zou werpen, zou hem maar schade doen, en hem sterken in zijn eigenwaan en verstoktheid. Hij was nu lidmaat en lag voor zijne eigene rekening; in haar huis werd de Heere gediend en hij behoefde het niet daarbuiten te zoeken als hij ten goede wilde, zoo niet, dan was het beste lijdelijk af te wachten, wat er over hem beschikt was, daar vleeschelijke hulp toch niet baten zou, dat wist zij maar al te goed. Behalve in den bekrompen eigenbaat, die den aankomenden jongeling elke ure vrijheids beknibbelen wilde, lag de oorzaak dezer weigering in de vrees van vrouw Snibs, dat dominé van het pretext der catechisatie wel eens gebruik zou kunnen maken, om Piet onderwijs te laten geven in het teekenen, en daarmee was ze mogelijk niet zoo heel ver van de waarheid, want mevrouw Roestink, die ondanks haar witte neteldoeksche japon en haar sjaal een allerliefst talentvol vrouwtje was, had, niet onder voorwendselvan, maarnade catechisatie-uren zich willen aanbieden, om Piet zoo wat letterwijs te maken in de kunst waarnaar zijne brandende begeerte uitging; zij zou hem om het zoo eens te noemen het a, b, c leeren, en dan verder zijne oefeningen wat leiden; maar de grimmige wijze waarop vrouw Snibs de eerste aanbieding afwees, weerhield Roestink om met de andere voor den dag te komen. Toen hij aftrok sloeg de Xantippe de deur achter hem dicht met een geweld of zij hem waarschuwen wilde, dat hij die bij eene nieuwe poging voor goed gesloten zou vinden.
Na zulk eene afwijzing kon hij zijn bezoek niet herhalen, en tot bitter leedwezen van Piet werd de betrekking tusschen hem en den eenigen vriend, die hem begreep en voor zijn lijden medegevoel, voor zijne aspiratiën sympathie had, voor goed afgebroken. Roestink sprak hem wel eens eene enkele maal vriendelijk toe als hij hem alleen ontmoette, maar daar hij den zoon niet overhalen wilde tot eenigen stap buiten zijne moeder om, bleef het daarbij.
Vrouw Snibs meende hare handelwijze jegens dominé Roestink te rechtvaardigen tegenover hare geloofsverwanten, met te zeggen »dat hij nog maar ten halve verlicht was, dat hij hinkte op twee gedachten, en laag neerzag op de kinderen Gods, omdat zijn hart naar de wereldsche ijdelheden trok.” Gelukkig vond de laaghartige onder deze geloovigen juist geenelichtgeloovigen. Zijhadden zelven al genoeg ervaring van de disharmonie tusschen hare woorden en hare daden, om op hare aanklacht een man te veroordeelen of te wantrouwen, wiens handel en wandel in overeenstemming was met zijne stichtelijke redenen. Zijne profetie omtrent de gevaren die Piet kon loopen, scheen zich echter niet te verwezelijken. Toch wel niet omdat Piet naar het voorschrift zijner moeder de Roomsche kerk links liet liggen; integendeel, hij legde er de obstinatie in van zijne wrokkende rebellie om precies tedoenwat hem onder zulke bedreigingen werd geboden, telaten. Hetzij hij reeds zoo verhard was door het lijden, dat hare bedreigingen voor hem geene beteekenis meer hadden; hetzij hij de heimelijke wegen wist te gaan, die voor betrapt worden veiligden; maar de oude pastoor liet hem stil in zijn hoek zitten, beelden en schilderijen aangapen en naar het koorgezang luisteren, al had hij hem meermalen opgemerkt. De zucht tot proselietenmakerij werd weinig aangemoedigd onder het vaderlijk bestuur van Koning Willem I, die van uiterlijke orde en rust hield in de kerk en onder kerkelijke personen, ten koste van den inwendigen vrede mogelijk; maar dàt was de vraag niet: ieder moest op zijn eigen terrein blijven, platte kalmte moest er heerschen, geen strijd, geene overdrijving;surtout pas de zèle!” was het wachtwoord, dat den kerkelijken van iedere gezindheid gegeven was en waaraan zij zich moesten houden. Alleen de ijver tegen overdrijvers en ijveraars werd uitgezonderd; dat waren debêtes noires, waarop ieder vrij jacht mocht maken. Onder dit régime van lauwheid en flauwheid kon de zoon van de stijf gereformeerde uitdraagster den goeden ouden pastoor wel niet tot een lokaas zijn, om een geloofsijver te toonen, die zoo weinigde misewas. Piet Snibs bleef dus onaangevochten denzelfden sleur gaan bij zijne moeder in huis tot zijn achttiende jaar. Roestink was intusschen naar eene groote stad beroepen en de arme jongeling had met hem den eenigen vertrouweling verloren van zijn geheimen strijd, den eenigen vriend, die hem nog wel eens vluchtig de hand drukte en een woord van deelneming toesprak, of met eene zachte vermaning tot geduld en berusting stemde. Toen Piet in de loting viel en tot zijn spijt een hoog nommer trok, wilde hij toch dienst nemen, hetgeen hem door zijne moeder werd belet, daar zij de zucht voor den dienst als een pretext beschouwde, om zijne vrijheid te bekomenen in ledigheid en losbandigheid te kunnen rondslenteren; de eerste onderstelling was volkomen juist, de andere zeer onbillijk, daar Piet’s gedragingen haar geen het minste recht hadden gegeven, om hem zulke intentiën toe te dichten.
Maar vrouw Snibs mocht Xantippe zijn zooveel zij wilde, een jonkman van achttien jaar is niet binnenshuis te houden als een kind, en zij zou de nutteloosheid van haar dwangstelsel tot hare smart en beschaming leeren inzien. Op zekeren dag was er groot alarm in haar huis, en welhaast weerklonk het in hare buurt. Haar zoon, die nooit na tien ure mocht thuiskomen, was den vorigen Zondag-middag uitgegaan en ’s Maandags-ochtends nog niet terug. Niemand had hem gezien, niemand wist waar hij gebleven was. Spoedig bleek het haar, dat hij heengegaan was om niet weer te keeren. Hij had wat kleeren meegenomen en het geld uit zijn spaarpot. Het steenen varken werd in scherven onder zijne bedstede gevonden, dit was dus opzet. »Haar verloren zoon was den breeden weg opgegaan!” Hoewel zij eene advertentie plaatsen liet in de Haarlemsche Courant, die het slachten van ’t gemeste kalf scheen te beloven bij zijne wederkomst, hij keerde niet terug, om die openlijke betuiging harer moederliefde op de proef te stellen. Hij was zeker wat bang voor de al te teedere omklemming dier liefdearmen. Mogelijk ook kwam de noodiging niet eens tot hem. Hoe dat ook zij, vrouw Snibs zag haar zoon nooit weer, en van spijt over die ontsnapte prooi, »van droefheid over haarAbsalom,” zooals zij zich uitdrukte, wierp zij zich midden in de wereld, dat wil zeggen, zij brak met al hare antecedenten en trouwde een gepensioneerd onderofficier, die bij Quatre-Bras een stijf been veroverd had en aanspraak op de Willemsorde, die hem echter niet gewerd. Hij verzoette hare verdere levensdagen door het verhaal zijner krijgsavonturen en het gezelschap zijner kameraden, voor zoover ze te E. aanwezig waren, en verder door haar proefondervindelijk kennis te doen maken met de militaire discipline, die hij op zijne vrouw toepaste, daar hij geen conscrit meer te drillen had. Het spreekt vanzelve, dat zij zich niet vlotweg aan dit régime onderwierp, maar na een stormachtigelune de mieltriomfeerde deforce brutaleen vrouw Snibs, die nu juffrouw Doelman genoemd werd,was broken to the harnesszooals het behoorde. Deze nieuwe Patruccio had zijne helleveeg getemd!
Dominé Willems had inlichtingen kunnen geven over het verdwijnenvan Piet, maar daar ze hem niet gevraagd werden en daar Piet hem ten dringendste het stilzwijgen had verzocht, hield hij ze voor zich. Een paar dagen vóór zijne ontsnapping namelijk had Piet verzocht dominé Willems te spreken. De audiëntie toegestaan zijnde, herinnerde hij dominé aan zijne vroegere belofte om hem een geschenk in geld te geven, dat hij toen afgewezen had in de bitterheid eener smartelijke teleurstelling. Hij verzocht nu ootmoediglijk excuus voor die weigering en hoopte dat hij de goedheid van dominé niet mocht verbeurd hebben.
»Je bent er dus nòg niet af?” vroeg Willems hem onderzoekend aanziende.
»Neen, dominé! nu ik de hand uitstrek naar uwe gift, kunt u wel begrijpen waarvoor.”
»Nu dan, trotsche stijfhoofd, God zegene u!” sprak Willems met een bedenkelijk hoofdschudden, of hij nauwelijks aan de kracht van dien heilwensch geloofde; maar hij verdriedubbelde zijne gift en liet hem gaan, zonder nadere ophelderingen te vragen, en zonder hem met vermaningen te kwellen, die toch niet meer zouden baten. Hij giste wat Piet in zijn schild voerde.
Sedert eenige dagen namelijk was er te E. een voornaam Vlaamsch kunstschilder aangekomen, die na de bijeenvoeging der Noordelijke en Zuidelijke Provinciën in den Haag woonde. Belast om een altaarstuk te vervaardigen, waarmede een rijk Katholiek inwoner zijne kerk wilde begiftigen, moest hij zich over de grootte en het onderwerp bespreken met den schenker en met den pastoor, en wilde op de plaats zelve de voorloopige schets maken, ten einde haar in volkomen harmonie te brengen met de omgeving. Daar hij bij zijn Maecenas gehuisvest was, die niets liever wenschte dan hem zoolang mogelijk te houden, dijde dit verblijf tot weken uit, waarin de schilder gelegenheid vond om voor zich zelven eenige studies te maken van schilderachtige, oud-Hollandsche stadsgezichten, waar het stedeke zeer rijk in was. Huizen met luifels, gebeeldhouwde stoepbanken en trapgevels, begonnen toen reeds curiositeiten te worden voor een kunstenaar, die slechts de groote steden bewoond en bereisd had.
Als door magnetische attractie geleid, was Piet in zijne nabijheid gekomen van den eersten dag af, dat hij buitenshuis teekende, en van toen aan behoefde de schilder niet eens meer omte zien, hij wist vooruit wie er achter hem stond, en ieder zijner bewegingen volgde met zwijgende aandacht. Gewoon ten doel te staan aan de nieuwsgierigheid van leegloopers en voorbijgangers, werd hij echter getroffen door het kennelijk onderscheid tusschen genen en dezen jonkman, die verre van lastig te zijn, of door onbescheiden vragen te hinderen, alleen maar met gezette aandacht de vorderingen van zijn werk bleef gadeslaan, zonder hem door die plompe opmerkingen te storen, waarmee het gewone Hollandsche straatpubliek zoo gul is, zoo ras het iets ongewoons aanschouwt. Deze kieschheid, deze bescheiden houding, met zooveel onverzettelijke volharding gepaard, namen den kunstenaar voor hem in en op zekeren dag begon deze zelf een praatje.
Uit het antwoord dat hij kreeg sprak zoo duidelijk geestdrift voor de kunst, met diepen weemoed doormengd, dat de schilder hem aanmoedigde om meer te zeggen. Het praatje werd een gesprek, en daaruit volgde de noodiging om hem te komen bezoeken ten huize van zijn gastheer. Piet verstoutte zich van die vrijheid gebruik te maken en bracht zijn werk mee. Hij had al zoolang geheime wegen gegaan buiten zijn moeder om! Hij had nooit opgehouden zich te oefenen, ja, hij had zelfs zijn zakgeld besteed, om in stilte lessen te nemen van Krimpelman. Hij was bijgevolg wat letterwijs geworden in de kunst, en toen Piet ééns wist hoe hij een penseel moest houden, had de goede teekenmeester verbaasd gestaan over hetgeen hij er mee wist te verrichten. De schilder onderscheidde het talent, dat in zijne studiën verscholen lag, te midden van al het gebrekkelijke en moedigde hem aan om het te oefenen met de opgewondenheid die den Vlaamschen kunstenaar karakteriseert. Wat meer zeide, hij beloofde hem zijne hulp en zijne leiding, mits hij van zijne moeder vrijheid verkreeg om hem naar den Haag te vergezellen. Piet, die vooruit wist, dat dit verzoek tevergeefs zou gedaan worden, verlangde alleen te weten wanneer de heer N. weer naar zijne woonplaats zoude terugkeeren; deze dacht binnen een paar dagen te vertrekken. Piet hield het zich voor gezegd; deed zijn aanzoek bij Willems, en was des anderen daags verdwenen.
Willems, die in zijne kwaliteit van liefhebber den beroemden schilder een bezoek had gebracht, en van diens kennismaking met den zoon van vrouw Snibs had gehoord, bracht die overhaastevlucht natuurlijk in verband met de aanmoediging dezen door N. gegeven, en begreep nu—maar voor Piet ongelukkig te laat—dat diens roeping voor de kunst in vollen zin eene onweerstandelijke moest zijn.
»Ik wil er niet op zweren, dat hij hetsavoir fairevan de kunst zal vatten..... maar hij heeftle feu sacré,” getuigde de Vlaming, »en dat, mijnheer, dàt is toch maar het principale!”
XI.Wij zijn zoo ver met Piet Snibs mee doorgegaan, dat wij onzen held er voor in den steek hebben gelaten.Wij gaan hem nu opzoeken in de woning zijner moeder. Het is veertien dagen na Paschen en Frits staat op het punt zijne eerste schreden te zetten op de baan der kunst, die men voor hem heeft opengesteld. Dominé Willems heeft trouw woord gehouden en alle voorbereidende maatregelen daartoe genomen, alle bezwaren en hindernissen voor hem uit den weg geruimd. Frits heeft maar te volgen en in ’t spoor te treden, dat zijne beschermers voor hem afgebakend hebben.Een vermaard kunstschilder te Amsterdam had op voorspraak van een aanzienlijk liefhebber, academievriend van Willems, er in toegestemd om Frits onder zijne leerlingen op te nemen; verder zou deze nog onderwijs ontvangen in alle vakken van kennis, die een kunstenaar van zekeren rang onmisbaar moesten zijn. Hij zou bij stille burgerlieden inwonen voor een matig kostgeld, waarin de rijke Amsterdammer beloofd had te voorzien. Wat er verder noodig was werd bijeengebracht door Willems zelf, dominé Roestink en den vader van Dientje, die de voogd was van Frits en die zeer met het plan was ingenomen. Overigens hadden nog enkele notabelen van de gemeente, door de beide predikanten daartoe opgewekt, hunne geldelijke ondersteuning toegezegd, hoewel schoorvoetend en niet zonder zorgelijk hoofdschudden; want al werd hun voorgehouden, dat zij daarmee een goed werk verrichten voor de toekomst der vaderlandsche kunst: die kunst zelve werd door hen zeer weinig gewaardeerd, en de meesten hunner vonden het onverstandig en roekeloos, dat men den zoon van juffrouw Rosemeijer, den zoonvan Herman Millioen, dus uit zijn stand ging rukken, en zij zeiden niet te kunnen begrijpen hoe een wijs en bezadigd man als dominé Willems zoo iets in ’t hoofd had kunnen krijgen. De overige begunstigers van de weduwe spraken op dezelfde wijze: »Dat Frits, die een vlugge jongen was, wat teekenen leerde voor liefhebberij, dàt kon er door; maar dat hij dáár zijne broodwinning van zoude maken, dàt begrepen zij niet! Krimpelman had het waarlijk niet te breed, en die was toch al stadsteekenmeester!” Zij beklaagden de moeder van ganscher harte, dat deze om zulk een schraal vooruitzicht haar zoon moest missen, die haar nu al zoo goed te pas kwam in hare zaak met rekenen en schrijven.Juffrouw Rosemeijer zelve zou zeker met deze platte, ontnuchterende opvatting nooit openlijk hebben ingestemd en toch gingen haar menigmaal gedachten door het hoofd, toch voelde zij zich soms door onrust en aarzelingen overvallen, die niet zoo ver van deze beschouwingen verwijderd waren als zij zelve meende!Voorwaar! zij bracht het offer met volkomen gewilligheid, maar niet zonder verscheuring des harten, en vooral niet zonder angstige beklemdheid.O, zeker! het zou eene heerlijke uitkomst zijn, zoo haar zoon eens als een beroemd schilder tot haar weerkeerde, en als men het haar gevergd had, zou zij er haar laatsten penning aan ten offer hebben gebracht, om dat doel te bereiken; maar, sinds haar huwelijk had men haar al zoo dikwijls met schoone voorstellingen van de toekomst en schitterende vooruitzichten gevleid, waarvan zij niets dan teleurstelling en kommer had geoogst, zouden die zich nu ten laatste in haar zoon verwezenlijken? Zij moest het gelooven, zij wilde er om bidden, zij trachtte zich staande te houden met die hoop, om ook Frits niet al vooruit den moed te benemen, daar zij wel zag dat deze zelf niet met zijne gewone luchthartigheid de nieuwe bestemming tegenging; maar in het diepste van haar hart sprak een somber voorgevoel gansch andere dingen.Het was nu de dag vóór zijn vertrek. Een vroolijke zonnige lentedag, wel geschikt om treurig gestemde harten te bemoedigen, maar juffrouw Rosemeijer had liever een guren nevel gewenscht, al ware het maar om het recht te hebben over iets teklagen, en ook omdat zij dan den ganschen namiddag Frits nog bij zich zou gehouden hebben, die nu met dominé Willems eene wandeling deed.Daar het Zondag was had zij niets met haar winkel te doen en zat dus in hare binnenkamer, die op een klein bleekveldje uitzag, dat Frits zomers door het met bloempotten te omgeven, in een tuintje metamorphoseerde; maar waar nu nog niets te zien was dan een enkel crocusje van het vorige jaar, dat weer opleefde.Het was een hoogsteenvoudig huisvertrek, maar dat met zeker besef van comfort ingericht was, en er heerschte netheid en orde. Een lichtgrijs behangsel met zacht groene randen, hier en daar eene plaat, de portretten in pastel van Herman Rosemeijer en zijne vrouw, in den eersten tijd van hun huwelijk vervaardigd, hij in ’t kostuum van een Franschen incroyable, een kuif van krullende haren door een kammetje opgestreken, blauwe rok met vergulde knoopen, geel vest, ontzaggelijk hooge boord en das met rozet en geborduurde punten. Zij met kort afgesneden haar à la Brutus, een witte japon met korte mouwen en een corsage dat geen vinger lengte haalde en dat vrij gedecolleteerd was, maar toch zediglijk door eentour de gorgevan zijde gaas vergoelijkt werd.Voorts keurig glad gewreven Brusselsche stoeltjes met matten zitting, eene commode met marmeren blad, waarop eene pendule stond, door Herman in zijn besten tijd zelf vervaardigd, en waarvan zijne weduwe zich niet had kunnen ontdoen, hoewel die als curiositeit zeker nogal geld zou hebben opgebracht. Zij wees niet slechts de uren, minuten en seconden, maar ook de maanden des jaars en de dagen der week aan, en zij bleef goed gaan, omdat Frits van zijn vader had geleerd hoe zij moest opgewonden worden.Er lagen glad gewreven matten op den vloer en een karpet onder de tafel. De weduwe zat daarnevens voor een theeblad, waarop een serviesje van zwart Engelsch aardewerk en twee dusgenaamde presentkopjes geplaatst waren, rijk verguld en met eene allegorie in bloemen beschilderd, die daarenboven nog door een devies of een gelukwensch werd opgehelderd. Frits moest voor het laatst nog eens drinken uit zijn verjaarkopje, had juffrouw Rosemeijer gemeend; »kwam hij nu maar,” verzuchtte zij,het water naast haar kookte zoo goed, dat zij de thee maar zetten zou.Dominé moest hem nu ook niet zoolang ophouden voor den laatsten dag! Haar breiwerk lag naast haar, maar zij roerde er niet aan. Lezen? Neen! Helons Bedevaart naar Jeruzalem, haar door Willems geleend, had nu geene aantrekkelijkheid voor haar.»Reeds zes uur!” zuchtte zij, even naar de pendule ziende! »Als Frits weg is zal die ook wel niet meer gaan, ik kan er niet mee terecht;” en met een zucht van diepe moedeloosheid liet zij het hoofd in de hand vallen en schreide.Juffrouw Mina Rosemeijer was eene vrouw van even veertig jaar, die er eens goed uitgezien had en nog bevallig kon heeten, hoewel haar frisch teint verbleekt en hare wangen vermagerd waren. Haar zacht blauw oog, lichtbruin haar, onder een tullen muts doorschemerend, en in een paartire bouchonslangs de slapen neervallend, een zwart zijden japon met nauwe mouwen en roulautjes à la Waterloo gegarneerd, deed hare fijne taille en elegant figuur zeer goed uitkomen. Zonder eenigen opschik raadde men het uit haar eigen toilet, dat zij met smaak voor dat van anderen zou zorgen. Zij was eene modemaakster, die zelve haar beste uithangbord met zich droeg. Van fatsoenlijke afkomst, maar door haar huwelijk reeds een graadje op den maatschappelijken ladder gedaald, was zij door allerlei lijden en vernedering heengegaan, zonder zekeren goeden toon en manieren te verliezen, die van eene beschaafde opvoeding getuigen. Zij had geen groot verstand, maar bezat dien stillen, zachtmoedigen geest, die kostelijk is voor God. Zij was onder de smarten en beproevingen des levens gerijpt tot eene geloovige Christin; maar haar vak noch haar karakter bracht mede, om zich zelve en hare overtuiging op den voorgrond te zetten; toch bemerkte ieder, die met haar te doen had, het uit hare stiptheid in ’t vervullen harer beloften, in hare gewoonte om niemand te vleien noch iets op te dringen wat haar niet paste, dat zij niet naar de luim van ’t oogenblik, dat zij naar een hooger zedelijk beginsel handelde. Ook aan Frits had zij nooit hare vroomheid opgedrongen, die was bij haar gerijpt door ervaring, als het mosterdzaadje onder vroegen en spaden regen; zij wilde ook bij hem niets overhaasten, maar de kiem had zij gelegd en haar voorbeeld had hem nooit afgeschrikt, wel kunnen stichten, dieovertuiging had zij. Het overige moest zij den Heere overlaten, hoewel zij ook op dit punt zijn heengaan, zijn alleen staan in de wijde, wijde wereld, niet zonder kloppinge des harten indacht.Nog altijd bleef het eentonig geruisch van het theewater haar eenig gezelschap, toen op eens de winkeldeur met drift werd opengerukt en een gejaagde voetstap zich liet hooren, die juffrouw Rosemeijer terstond eene andere houding deed aannemen dan de diep neerslachtige, waarin zij eene wijle vervallen was. Haastig droogde zij het traantje, dat zij al nadenkende had laten glijden en met een glimp van blijdschap rees zij op, om Frits te gemoet te gaan.»Zoo mijn jongen, ben je daar!”Frits had een kleur als vuur en zijne oogen stonden ook wat waterachtig.»Wat lang weggebleven, niet waar moe?”»Dominé had je zeker nog veel te zeggen!” sprak zij zachtmoedig, zich reeds bezighoudende met zijn kopje in te schenken.»Dominé heeft niet de meeste schuld, wij hebben niet lang gewandeld, maar ik was nog even hier naast gegaan om van juffrouw Verburg en Dientje afscheid te nemen, en het lieve kind had het zoo druk en wilde mij haast niet laten gaan. Zij schreide zóó, dat.... dat ik er zelf haast kinderachtig van werd. Ik moet ook bekennen, dat het mij moeite kostte uit dat huis weg te gaan, waar zij allen zoo gul en vriendelijk voor mij geweest zijn. Wat kon dat aardige Dientje prettig buurvrijstertje met mij spelen, en hoe vriendelijk noodigdejuffrouw—tantezooals ik haar altijd noemde—mij telkens als er eens wat lekkers was om toch te blijven en eens mee te proeven.... en zij heeft mij eene kleine zak-portefeuille tot souvenir gegeven, en Dientje heeft zelve eene beurs voor mij geknoopt; zie eens, moe, hoe beeldig! groene zijde, met gouden kralen! en zij had zoo’n pleizier om het mij te geven; u had het moeten zien!”»Ja, het zijn lieve beste menschen, die Verburgs, en Dientje, als ze zoo opgroeit, zal een allerliefst meisje worden; maar Frits, jongen, daar is geld in die beurs! Wat beteekent dat?”»Mijnheer Verburg liet er drie tientjes in glijden; hij zei, die zou ik bewaren als er eens een extraatje noodig was!”»Mijnheer Verburg doet haast al te veel!” zei juffrouw Rosemeijer met een zacht hoofdschudden.»Och, moe! van hem neem ik het met de meeste gerustheid aan. Ik hoop het hem eens te kunnen vergelden.”»Dat hoop ik ook—nu! als gij onder Gods zegen wordt wat de vrienden verwachten....”»Neen moe! al word ik dát niet, toch zal de heer Verburg mij niet voor niet een vaderlijk vriend zijn geweest. Hij is niet meer jong, Dientje zal eens alleen staan, Dientje heeft geen broer, dát zalikvoor haar zijn....”»Als zij niet vóór dien tijd een echtgenoot heeft, zoo’n mooi rijk meisje zal wel jong trouwen....”Frits zag zijne moeder aan met een verwonderden blik en een verdrietelijken trek op het gelaat.»Hé moe! hoe kunt u denken dat Dientje vroeg trouwen zou? Zij zegt immers altijd dat zij mijn vrouwtje wil worden en er kan nogal wat tijd verloopen eer ik een knap schilder zal zijn!”»Beste jongen, hecht toch niet aan die kinderpraat van Dientje, dat kon u later teleurstelling geven.... een juffertje van twaalf en eene jonge dame van achttien, dat is heel wat anders.... Mogelijk zou zij, op dien leeftijd gekomen, u niet eens toestaan haar bij den naam te noemen zooals nu!”»Wel dàt zou mooi wezen!” riep Frits opvliegende, met een kleur als vuur van verontwaardiging, »als ze zoo’n nuf werd, zou ik zelf niets meer van haar willen weten, maar, moe! u vergeet dat ik dan ook geen kwajongen meer zijn zou, wie weet wat een groot kunstenaar ik dán zal wezen, en ofikdan geen recht zou hebben laag neer te zien op zoo’n ingebeeld dametje.”»Al hadt gij ooit dàt recht, Frits! het zou u toch zeer slecht staan te vergeten, wat gij aan de dochter van den heer Verburg schuldig zijt.”»Och, moe! denk toch niet dat ik mij laag of laf zou kunnen aanstellen, er kome dan van mij wat wil! Ikzeiu immers reeds dat het mijn liefste vooruitzicht, mijn vaste voornemen is om eens aan Dientje terug te geven, wat haar vader nu voor mij doet....”»Ik wensch van ganscher harte dat het u gegeven mag worden, dat begrijpt gij, Frits! maar zoo het anders uitviel, moet ik u waarschuwen, reeds nu mijn jongen, opdat gij het u niet onvoorzichtiglijkin het hoofd zoudt zetten, moet ik u waarschuwen nooit de oogen op te heffen naar Dientje, zelfs niet al moedigde zij u aan, want gij zoudt u, dus doende, hoogst ondankbaar gedragen jegens uw weldoener. Foei, Frits!” viel zij zich zelve op eens in de rede, »gij glimlacht! is dat nu mooi, als ik ernstig spreek?”»Wel!” zei hij nu luid lachende, »juist dáárom. U vat dit nu zoo ernstig op alsof het vlak voor ons lag, en ’t is alles immers nogzóóin de verte.”»Dat is waar, maar toch als men zich niet voorbereidt om een offer te brengen als het nog ver van ons af ligt, dan heeft men er geene kracht voor op ’t oogenblik zelf dat het ons wordt opgelegd.”»Alshet mij wordt opgelegd, zal ik er wel kracht voor vinden, dat beloof ik u, moeder! Uw zoon zal zijn plicht doen, wees er zeker van,” en hij stak haar de hand toe met tranen in de oogen, »maar,” ging hij voort, terwijl het zonnestraaltje der hoop weer het jeugdig gelaat verhelderde, »maar ik heb wel moed dat het er niet toe komen zal. De heer Verburg is immers zelf ook maar een burgerman, die mij meer dan eens verteld heeft dat hij als kruieniersknecht begonnen is, en al doet hij nu groote zaken, toch zal hij zich zijn begin vannietaf wel willen herinneren, en mij niet voor het hoofd stooten, als ik een knap man word, al ware het dan ook dat het met schilderen niet precies zoo best uitviel als de vrienden verwachten. Ik zou het ondankbaar vinden als ik zoo iets van hem kon gelooven, die zich altijd zulk een vaderlijke vriend voor mij heeft betoond.”»Ja, en wel een vriend in nood, dát heb ik ondervonden toen hij op dien noodlottigen dag hier binnenkwam om, zooals hij het noemde, zijn burenplicht te vervullen en mij bij te staan, daar ik in die oogenblikken voor mij zelve denken noch handelen kon. Mijn ongelukkige man had op niets orde gesteld, op niets. Ik had geen enkelen bloedverwant dan een verren neef, die in den vreemde reisde, geen anderen vriend dan dominé Willems, maar dat was geen man van zaken en die had ook te veel met zijne ambtsbezigheden te doen om hier den boel aan te pakken en te regelen, met zooveel ijver en zoo goed overleg als de heer Verburg dat deed. Was het vreemd dat ik den moed nam om hem te vragen of hij uw voogd wilde zijn?”»Een trouwer en hartelijker dan dezen had ik wel niet kunnen treffen. Toen hij mij daar even de hand drukte, waren zijne oogen vochtig, moe!”»Dus was dit al zijn vaarwel; ik had nog gedacht, dat hij van avond eens komen zou.”»Neen, hij wilde ons den laatsten avond samen laten. Zijn plan is, mij morgenochtend naar den beurtman te brengen; ik mocht niet alleen gaan, en hij vond, dat zou voor u te.... te....”»Zeg het maar uit zooals het is,” sprak de weduwe, »te smartelijk zijn! ja ik zou mij moeielijk goed kunnen houden Frits, al weet ik dat het voor uw best is,” en de goede vrouw keerde zich af en trachtte tersluiks hare tranen af te wisschen.»Kom, moes! voor den dag maar met de waterlanders, als u dat goed doet,” sprak Frits, die opgestaan was, en haar hoofd naar zich toekeerde en tegen zijn schouder liet rusten. »Huil maar eens uit, beste lieve moeder! dan.... dan kanikhet ook doen. Gij begrijpt:morgenmag ik niet meer kinderachtig zijn; vandaag ben ik nog uw eigen kleine Frits, morgen ben ik een jongeling, die op zijne eigen beenen staan, op zijne eigen wieken drijven moet.”»Neen, Frits! ikmagu het voorbeeld niet geven van eene zwakheid, die.... die.... eigenlijk ondankbaarheid is. Wij behoorden immers niets dan blijdschap te gevoelen over de ongehoopte wending in uw lot, die zulke grootsche uitzichten voor u opent.”»Ongehoopt is wel het woord, moeder! want ik wenschte noch hoopte, iets anders dan hetgeen mij door den zwager van dominé Roestink was aangeboden. En ik was er zoo recht mee in mijn schik. Al in de volgende week beginnen met klerk te worden op zijn kantoor, maar twee maanden proef- en leertijd, eene kleine jaarlijksche toelage, grooter naarmate mijner goede diensten, ten laatste zijne bescherming en voorspraak als er een postje was te begeven, ik moet u zeggen dat het mij meer aanlachte dan dat »grootsche uitzicht” dat ze voor mij geopend hebben, zooals ze dat noemen; die lauwer die zoo heel in de verte ligt en die zoo hoog hangt! O, al mag ik dien bereiken, hier blijven bij u, bij de vrienden Verburg en spoedig, heel spoedig wat geld verdienen om uwe zorgen te verlichten, dát moeder, ja! ik erken het, dát was mijn liefste wensch, en dan....een beetje voor liefhebberij teekenen daartusschen, wat een lief rustig leventje zou dat zijn geweest; nu gij alleen hier, ik alleen ginds in die groote stad, onder al die vreemde menschen!... Ach moe, wat zullen die avonden alleen op mijne kamer akelig, stil en vervelend zijn, en als het mij dan invalt, hoe gezellig het hier kon wezen.”»Wel, dan zit gij aan mij te schrijven en ik aan u, en zóó denken we toch aan elkaar en zijn elkaar nabij in den geest, en ziet gij, Frits! alleen, ja! alleen zullen wij zijn, ik mogelijk meer dan gij, want gij zult wel spoedig kameraden en kennissen hebben, maar toch al ware dat niet, verlaten zijn wij geen van beiden. Al voel ik mij eens wat zwak en neergebogen, verlaten heb ik mij nooit gevoeld, ik wist altijd waar ik troost en kracht zou zoeken en vond die ook. Frits, mijn lieveling, mijn eenige! beloof mij dit ééne, dat gij God niet zult verlaten, dan zal Hij altijd nabij u zijn, dan zult gij in voorspoed en bij de zegeningen, die ik voor u hoop, niet overmoedig, niet zorgeloos worden en niet troosteloos, noch zonder raad en hulp zijn in tegenspoed!”»Ja, lieve moeder! Ik hoop God voor oogen te houden, dat hoop ik, want ik zal alle dagen aan u denken, en als ik aan u denk, dan zal ik ook niet vergeten wat wij samen gelezen, besproken, geleden hebben. Dan zal ik uwe tranen en uwe gebeden niet vergeten. Wees daar zeker van.”»Ja, maar op die wijze gaat gij liefde voor uwe moeder verwarren met godsdienst, Frits! en dát mag niet.”»En als dat danmijnhulpmiddel is om te komen waar gij gekomen zijt, moederlief! is dat dan ook niet goed?”»Kwaad kan het zeker niet, maar het is toch niet het rechte zooals gij later zelf eens zult inzien, hoop ik.”»Wat is dan het rechte?” vroeg hij op een toon, waaruit meer losse nieuwsgierigheid sprak dan ernst.»Dat zal God zelf u zeggen als gij Zijn woord maar raadpleegt met ernst en getrouwheid. Ik verzeker het u, Frits! omdat ik het bij ervaring weet, op iedere vraag van ons hart, van ons geweten, krijgt men dáár antwoord, en als men de aanwijzing volgt, heeft men vrede, al zou ook allerlei uiterlijke onrust ons bestormen.”»Ik zál wel in mijn bijbeltje lezen, dat beloof iku, hoor moe!”zei Frits met zekeren nadruk, »maar ik heb aan dominé Willems niet mijn woord willen geven, zooals hij verlangde, dat ik er iederen dag gezet een kapittel uit lezen zou, toen hij mij dat kerkboek gaf.”»Frits, lieve Frits! waarom hebt gij dat niet willen beloven?” vroeg zij bezorgd.»Wees gerust, moeder! ’t is niet omdat ik geen eerbied heb voor »het boek dat de gewijde waarheid bevat,” zooals dominé Willems zegt, zelfs heb ik mij voorgenomen om te doen wat hij mij aanraadt. Heusch, moe! ik neem het mij voor, maar ik ben niet zeker dat ik het zal volhouden, vooral niet dat ik het nooit zal verzuimen; en ziet u, toen hij wilde dat ik hem daar mijn woord en hand op geven zou, met zooveel ernst en plechtigheid dat het haast een eed geleek, toen wilde, toen durfde ik dat niet op mij nemen, want een woordbreker wil ik niet worden en als ik het slechts in de sleur deed, dan was het nog erger want dan was ik een huichelaar en, luister moe! of ik het ooit zóó ver zal brengen in de kunst als de vrienden voorspellen, zal nog te bezien staan, maar dat ik oprecht en eerlijk zal blijven, dat kunt gij gerust van mij vertrouwen, want dat hangt niet af van talent of van geluk, maar van den goeden wil, en dien heb ik! Wat overigens het schilderen betreft, na alles wat dominé Willems mij heeft gezegd,moesthet geprobeerd worden.”»En welk een zegen dat gij er u op toeleggen kunt zonder dat wij daardoor in nieuwe zwarigheden geraken,” hernam zij opgeruimd, »want al had ik er mijn laatsten spaarpenning aan moeten geven, ik zou dien gewaagd hebben, maar wat zou dat helpen als men narekent hoeveel er jaarlijks noodig is om buiten de stad te leven en zooveel te leeren.”»Neen, moeder! als ik het van uw spaarpenning had moeten doen, zou niemand mij er toe gekregen hebben om schilder te worden, al had ik er nog zoo’n zin in, en toch.... ik beken u, dat het mij genoeg hindert zooveel van anderen te moeten aannemen.”»Zijt gij zóó hooghartig Frits? dat past niet in onzen toestand.”»Niet uit hooghartigheid, maar ik zou zoo graag onafhankelijk zijn in de wereld als ik eens een man ben, en.... en zulke tegemoetkoming legt zware verplichtingen op. Neen, moe! zie mijniet aan met zulk een afkeurenden blik. Ik hoop mij te kunnen kwijten en alszijgelijk hebben,alshet gelukt, zijn wij allen geholpen en zullen zij hunne satisfactie hebben; ik zal er voor doen wat ik kan, ik zal werken als een ezel, neen niet als een ezel, dat zou in den domme zijn en dus wordt men mogelijk goed arbeider, maar zeker geen goed kunstenaar. Ik zal werken als een die weet wat zijne lieve moeder en zijne edelmoedige vrienden van hem wachten, en voor hem opofferen; ik zal werken, ook met de gedachte aan Dientje, die bitter pruilen zou als haar buurvrijer geen beroemd schilder werd, maar weet u wat ik mij toch heb voorgenomen?”»Nog niet.”»Als ik vijf jaren ouder ben en bemerk dat ik de ware roeping niet heb, dan is het nog niet te laat om wat anders te beginnen.”»Hoe! gij zoudt dan door gebrek aan volharding ons allen teleurstellen?”»Ik zou u allen teleurstelling besparen en op die wijze mijne weldoeners dienst doen. Zij hebben mij immers niet bestemd om een martelaar voor de kunst te worden, welnu dan! als ik zie dat de kroon mij te hoog hangt, zal ik er niet langer naar opspringen.”»Gij zijt al te ongeduldig, te meenen dat gij op uw twintigste jaar al meester zoudt kunnen zijn in dat vak.”»Neen, moeder! nu verstaat gij mij verkeerd, maar als ik op mijn twintigste zie, dat het meesterschap voor mij onbereikbaar is, dan.... dan.... gij en ik, lieve moeder! hebben leergeld betaald om van het onbereikbare af te zien.”»Kind! kind! veroordeel uw ongelukkigen vader niet in zijn graf.”»Ik veroordeel niet, moeder! Ik heb geleerd, en de wijze waarop was te smartelijk om niet levenslang indruk te maken, en nu wij toch hiervan spreken.... die papieren van vader zijn immers niet verloren geraakt?”»Gij weet wel dat de lieden er eene soort van wreedaardig pleizier in vonden ze mij allen stuk voor stuk terug te brengen.”»Ik meen niet alleen die van dien rampzaligen dag, maar alle anderen.”»Ze zijn allen zorgvuldig bewaard. Ik wist hoe hij er aan hechtte, kon ik ze wegdoen al strekken zij mij ook tot de smartelijkste herinnering?”»Wilt gij ze mij afstaan, moeder?”»Als gij meerderjarig zult zijn, ja, Frits! dan krijgt gij ze.”»Waarom tot zoolang te wachten, heeft mijn voogd ze onder zijne berusting?”»Och, neen! ik bewaar ze zelve.”»Heeft de heer Verburg ze ingezien?”»Waartoe? Hij was ongelukkig juist een van diegenen, die niet het minste geloof sloegen aan de plannen van uw vader. Hij verklaarde ze eens vooral voor hersenschimmen en had geen geduld om te luisteren tot ze hem werden uiteengezet. Hij heeft er nooit van willen hooren iets met hem te ondernemen; zelfs voor de zaak waaraan dominé Willems nog geloof sloeg en zijne deelneming gaf, was hij niet te winnen, hoewel hij als mensch van uw vader hield en dat ook wel heeft getoond.”»Dus.... als we een jaar of vijf verder zijn, krijg ik dan toch die nalatenschap van vader in mijn bezit?” hervatte Frits, die een oogenblik in eigen gedachten was verzonken gebleven.»Treurige nalatenschap en gevaarlijke ook naar het zeggen van wijze en practische menschen,” hernam de weduwe met een zucht. »Verburg raadde mij ze te verbranden, om u tegen de verzoeking te veiligen, ze ooit in te zien.”»Och!.... daarin zou toch voor mij geen gevaar liggen,” hernam Frits met een pijnlijk glimlachje; »ik heb er genoeg van gehoord, om.... om.... er geene luchtkasteelen op te bouwen.”»Zoo komt het mij ook voor: wat wilt gij er dan mee doen, mijn kind?”»Ze met eerbied en liefde bewaren als een grooten schat, want vader kon soms zoo met nadruk zeggen in zijne heldere oogenblikken: »Frits, mijn jongen! zie niet laag neer op mijne erfenis, al zijn het maar berekeningen op papier, zooals de menschen spotten, mijn geest is daarin neergelegd,” en ziet u, moeder, dat voel ik zóó, dat er iets van vader in zit.”»Nu, datzelfde gevoel ik ook, Frits! en daarom....”»Daarom kunt gij ze mij nog niet afstaan, dat begrijp ik moeder!”»Maar ik kan u toch reeds eene gedachtenis van hem geven,” sprak zij meer opgeruimd, opende een marokijnen foudraaltje, dat naast haar op tafel stond, en gaf het hem.»Hoe, moeder, moeder! een goud horloge voor mij, dat.... dat is te veel, ik kan het immers met mijn zilveren wel doen.”»Ja, maar dit moet gij er bij hebben, als aandenken van mij en van uw vader beiden; hij droeg het nooit, maar hij placht het te gebruiken om zijne uurwerken naar te regelen in zijn besten tijd, toen hij nog pleizier had in zijn vak. Het is een Engelsch werk, eene repetitie, en ’t gaat altijd accuraat. Uw vader heeft het in den Franschen tijd gekocht van een Engelsch officier, die krijgsgevangen was op zijn woord van eer en in groote geldverlegenheid verkeerde. Uw vader was toen nog een bemiddeld man, hij betaalde de volle waarde, misschien iets daarboven, want het lot van dien vreemdeling ging hem ter harte; daar werd zelfs eene conditie tusschen hen gemaakt, dat hij het zou mogen terugnemen als zijne omstandigheden veranderden. Uw vader deed de belofte het niet te verkoopen, opdat het altijd ter zijner beschikking zou blijven; daarom kon ik ook niet besluiten het aan Busch over te doen met de andere winkelgoederen. Wel zijn er nu al tien of twaalf jaar verloopen, en de Engelschman, die, toen hij uitgewisseld werd beloofde binnen het jaar met goede intrest het horloge terug te nemen, is nóg niet weergekeerd; dus de man is dood of heeft er van afgezien, zoo geef ik het u, maar onder voorwaarde, dat gij er u nooit van zult ontdoen.”»Van zulk een aandenken! van dezen schat! Neen, moe, nooit al had ik broodsgebrek!”»Pas op de zakkenrollers in de groote stad!” sprak zij half lachend, half in ernst; »draag het altijd aan dit kettingje van mijn haar, dat ik in stilte voor u heb laten maken.”»O, moederlief! moe, dat is te veel!” riep Frits met een kleur van blijdschap en tranen in de oogen, »dat is me nog meer dierbaar dan het horloge zelf, ik zou liever sterven dan er ooit van te scheiden.”»Blijf leven om uwe moeder gelukkig te maken,” sprak de weduwe, haar eenige in de armen sluitende en hem hartelijk kussende.»En nu Frits, ik heb nog enkele kleinigheden voor u in tepakken, mij dunkt wij moesten het horloge maar mee in den koffer doen, men kan niet weten op reis...”»Dat’s goed, moeder! als u nog iets te beredderen heeft, ga ik intusschen even naar dominé Roestink, die mij recommandatiebrieven beloofde aan een paar vrienden van hem te Amsterdam.”»Dat is goed, ga die halen! maar.... Frits, blijf je niet te lang weg?”»Zeker niet, moe!’t is maar op een drafje heen en weer!”Des anderen daags bracht de heer Verburg Frits zelf naar den beurtman, het eenige communicatiemiddel tusschen E. en de hoofdstad; maar dat geregeld om den anderen dag plaats vond.Dientje had eerst gedwongen om mee te gaan, maar daar men haar onder het oog bracht, dat Frits haar niet moest zien schreien, om zelf niet van zijn streek te raken, berustte zij en vergenoegde zich met naar juffrouw Rosemeijer te gaan en deze op hare wijze te troosten.Goed dat die beiden niet tegenwoordig waren bij de afreis. Frits hield zich kloek genoeg, dat is waar; maar bij ’t afvaren van een veerman zijn er altijd kaailoopers en rondslenterende straatjongens op de been, die niets te doen hebben dan met de handen in den zak te staan kijken naar defaits et gestesvan de afreizenden, en die daarbij gewoonlijk de vrijheid nemen hunne critiek te maken over hetgeen zij zien, op luiden vrijpostigen toon, meestal met aardigheden van zeer twijfelachtig gehalte doorspekt.Ook ditmaal ontbraken zij niet, en nauwelijks zagen zij den heer Verburg met Frits aankomen, of er ontstond zeker gelach en geginnegap onder dat troepje; de onbeschaamdsten drongen vooruit en wilden fooitjes verdienen door valies en koffer aan boord te helpen brengen, en toen de heer Verburg hen wat korzel afwees, met de verzekering, dat hij zijn eigen kruier had, trokken zij schreeuwend en scheldend terug, hunne achtergebleven makkers toeroepend: »Hei! Frits Millioen gaat weg, Frits Millioen gaat weg!”De heer Verburg trok zijn beschermeling maar schielijk mee, opdat deze het minst mogelijke hooren zou van dat schimpen.Aan boord stijgend en overstelpt door duizenderlei aandoeningen,die hij moest beheerschen, had de zoon van den beklagenswaardigen Herman ternauwernood die klanken verstaan.Met tranen in de oogen, die hij zijn best deed te weerhouden, bleef hij tegen het zijboord van den achtersteven leunen, om zijn vriend en in dezen alles wat hij liefhad nog eens den laatsten groet toe te wuiven, toen het schip in beweging raakte....Op eens hoorde hij een schelle kwajongensstem den schipper toeroepen:»Opgepast, kapiteintje! mooie lading, kapiteintje, je hebt het Millioentje aan boord!”En dat:Millioentje! Millioentje!werd als door schorre echo’s nagebouwd, totdat het vaartuig uit de enge haven in ruimer vaarwater was overgegaan.Toen droogden op eens de tranen, die Frits met alle zelfbeheersching tevergeefs had weerhouden, toen gloeiden zijne oogen van hartstochtelijken toorn, toen kleurden zijne wangen zich hoog rood, en met lippen van drift sidderende, sprak hij halfluid:»Schimpt maar! schimpt maar, laaghartigen! ik zal dien spot nog wel eens te schande maken, klaarder dan ooit zie ik het nù in, hier blijven kon ik niet,” eindigde hij kalmer, en geheel bevredigd met de lotswisseling, die hem te voren zoo zwaar had gewogen.Einde van het eerste stuk.
Wij zijn zoo ver met Piet Snibs mee doorgegaan, dat wij onzen held er voor in den steek hebben gelaten.
Wij gaan hem nu opzoeken in de woning zijner moeder. Het is veertien dagen na Paschen en Frits staat op het punt zijne eerste schreden te zetten op de baan der kunst, die men voor hem heeft opengesteld. Dominé Willems heeft trouw woord gehouden en alle voorbereidende maatregelen daartoe genomen, alle bezwaren en hindernissen voor hem uit den weg geruimd. Frits heeft maar te volgen en in ’t spoor te treden, dat zijne beschermers voor hem afgebakend hebben.
Een vermaard kunstschilder te Amsterdam had op voorspraak van een aanzienlijk liefhebber, academievriend van Willems, er in toegestemd om Frits onder zijne leerlingen op te nemen; verder zou deze nog onderwijs ontvangen in alle vakken van kennis, die een kunstenaar van zekeren rang onmisbaar moesten zijn. Hij zou bij stille burgerlieden inwonen voor een matig kostgeld, waarin de rijke Amsterdammer beloofd had te voorzien. Wat er verder noodig was werd bijeengebracht door Willems zelf, dominé Roestink en den vader van Dientje, die de voogd was van Frits en die zeer met het plan was ingenomen. Overigens hadden nog enkele notabelen van de gemeente, door de beide predikanten daartoe opgewekt, hunne geldelijke ondersteuning toegezegd, hoewel schoorvoetend en niet zonder zorgelijk hoofdschudden; want al werd hun voorgehouden, dat zij daarmee een goed werk verrichten voor de toekomst der vaderlandsche kunst: die kunst zelve werd door hen zeer weinig gewaardeerd, en de meesten hunner vonden het onverstandig en roekeloos, dat men den zoon van juffrouw Rosemeijer, den zoonvan Herman Millioen, dus uit zijn stand ging rukken, en zij zeiden niet te kunnen begrijpen hoe een wijs en bezadigd man als dominé Willems zoo iets in ’t hoofd had kunnen krijgen. De overige begunstigers van de weduwe spraken op dezelfde wijze: »Dat Frits, die een vlugge jongen was, wat teekenen leerde voor liefhebberij, dàt kon er door; maar dat hij dáár zijne broodwinning van zoude maken, dàt begrepen zij niet! Krimpelman had het waarlijk niet te breed, en die was toch al stadsteekenmeester!” Zij beklaagden de moeder van ganscher harte, dat deze om zulk een schraal vooruitzicht haar zoon moest missen, die haar nu al zoo goed te pas kwam in hare zaak met rekenen en schrijven.
Juffrouw Rosemeijer zelve zou zeker met deze platte, ontnuchterende opvatting nooit openlijk hebben ingestemd en toch gingen haar menigmaal gedachten door het hoofd, toch voelde zij zich soms door onrust en aarzelingen overvallen, die niet zoo ver van deze beschouwingen verwijderd waren als zij zelve meende!
Voorwaar! zij bracht het offer met volkomen gewilligheid, maar niet zonder verscheuring des harten, en vooral niet zonder angstige beklemdheid.
O, zeker! het zou eene heerlijke uitkomst zijn, zoo haar zoon eens als een beroemd schilder tot haar weerkeerde, en als men het haar gevergd had, zou zij er haar laatsten penning aan ten offer hebben gebracht, om dat doel te bereiken; maar, sinds haar huwelijk had men haar al zoo dikwijls met schoone voorstellingen van de toekomst en schitterende vooruitzichten gevleid, waarvan zij niets dan teleurstelling en kommer had geoogst, zouden die zich nu ten laatste in haar zoon verwezenlijken? Zij moest het gelooven, zij wilde er om bidden, zij trachtte zich staande te houden met die hoop, om ook Frits niet al vooruit den moed te benemen, daar zij wel zag dat deze zelf niet met zijne gewone luchthartigheid de nieuwe bestemming tegenging; maar in het diepste van haar hart sprak een somber voorgevoel gansch andere dingen.
Het was nu de dag vóór zijn vertrek. Een vroolijke zonnige lentedag, wel geschikt om treurig gestemde harten te bemoedigen, maar juffrouw Rosemeijer had liever een guren nevel gewenscht, al ware het maar om het recht te hebben over iets teklagen, en ook omdat zij dan den ganschen namiddag Frits nog bij zich zou gehouden hebben, die nu met dominé Willems eene wandeling deed.
Daar het Zondag was had zij niets met haar winkel te doen en zat dus in hare binnenkamer, die op een klein bleekveldje uitzag, dat Frits zomers door het met bloempotten te omgeven, in een tuintje metamorphoseerde; maar waar nu nog niets te zien was dan een enkel crocusje van het vorige jaar, dat weer opleefde.
Het was een hoogsteenvoudig huisvertrek, maar dat met zeker besef van comfort ingericht was, en er heerschte netheid en orde. Een lichtgrijs behangsel met zacht groene randen, hier en daar eene plaat, de portretten in pastel van Herman Rosemeijer en zijne vrouw, in den eersten tijd van hun huwelijk vervaardigd, hij in ’t kostuum van een Franschen incroyable, een kuif van krullende haren door een kammetje opgestreken, blauwe rok met vergulde knoopen, geel vest, ontzaggelijk hooge boord en das met rozet en geborduurde punten. Zij met kort afgesneden haar à la Brutus, een witte japon met korte mouwen en een corsage dat geen vinger lengte haalde en dat vrij gedecolleteerd was, maar toch zediglijk door eentour de gorgevan zijde gaas vergoelijkt werd.
Voorts keurig glad gewreven Brusselsche stoeltjes met matten zitting, eene commode met marmeren blad, waarop eene pendule stond, door Herman in zijn besten tijd zelf vervaardigd, en waarvan zijne weduwe zich niet had kunnen ontdoen, hoewel die als curiositeit zeker nogal geld zou hebben opgebracht. Zij wees niet slechts de uren, minuten en seconden, maar ook de maanden des jaars en de dagen der week aan, en zij bleef goed gaan, omdat Frits van zijn vader had geleerd hoe zij moest opgewonden worden.
Er lagen glad gewreven matten op den vloer en een karpet onder de tafel. De weduwe zat daarnevens voor een theeblad, waarop een serviesje van zwart Engelsch aardewerk en twee dusgenaamde presentkopjes geplaatst waren, rijk verguld en met eene allegorie in bloemen beschilderd, die daarenboven nog door een devies of een gelukwensch werd opgehelderd. Frits moest voor het laatst nog eens drinken uit zijn verjaarkopje, had juffrouw Rosemeijer gemeend; »kwam hij nu maar,” verzuchtte zij,het water naast haar kookte zoo goed, dat zij de thee maar zetten zou.
Dominé moest hem nu ook niet zoolang ophouden voor den laatsten dag! Haar breiwerk lag naast haar, maar zij roerde er niet aan. Lezen? Neen! Helons Bedevaart naar Jeruzalem, haar door Willems geleend, had nu geene aantrekkelijkheid voor haar.
»Reeds zes uur!” zuchtte zij, even naar de pendule ziende! »Als Frits weg is zal die ook wel niet meer gaan, ik kan er niet mee terecht;” en met een zucht van diepe moedeloosheid liet zij het hoofd in de hand vallen en schreide.
Juffrouw Mina Rosemeijer was eene vrouw van even veertig jaar, die er eens goed uitgezien had en nog bevallig kon heeten, hoewel haar frisch teint verbleekt en hare wangen vermagerd waren. Haar zacht blauw oog, lichtbruin haar, onder een tullen muts doorschemerend, en in een paartire bouchonslangs de slapen neervallend, een zwart zijden japon met nauwe mouwen en roulautjes à la Waterloo gegarneerd, deed hare fijne taille en elegant figuur zeer goed uitkomen. Zonder eenigen opschik raadde men het uit haar eigen toilet, dat zij met smaak voor dat van anderen zou zorgen. Zij was eene modemaakster, die zelve haar beste uithangbord met zich droeg. Van fatsoenlijke afkomst, maar door haar huwelijk reeds een graadje op den maatschappelijken ladder gedaald, was zij door allerlei lijden en vernedering heengegaan, zonder zekeren goeden toon en manieren te verliezen, die van eene beschaafde opvoeding getuigen. Zij had geen groot verstand, maar bezat dien stillen, zachtmoedigen geest, die kostelijk is voor God. Zij was onder de smarten en beproevingen des levens gerijpt tot eene geloovige Christin; maar haar vak noch haar karakter bracht mede, om zich zelve en hare overtuiging op den voorgrond te zetten; toch bemerkte ieder, die met haar te doen had, het uit hare stiptheid in ’t vervullen harer beloften, in hare gewoonte om niemand te vleien noch iets op te dringen wat haar niet paste, dat zij niet naar de luim van ’t oogenblik, dat zij naar een hooger zedelijk beginsel handelde. Ook aan Frits had zij nooit hare vroomheid opgedrongen, die was bij haar gerijpt door ervaring, als het mosterdzaadje onder vroegen en spaden regen; zij wilde ook bij hem niets overhaasten, maar de kiem had zij gelegd en haar voorbeeld had hem nooit afgeschrikt, wel kunnen stichten, dieovertuiging had zij. Het overige moest zij den Heere overlaten, hoewel zij ook op dit punt zijn heengaan, zijn alleen staan in de wijde, wijde wereld, niet zonder kloppinge des harten indacht.
Nog altijd bleef het eentonig geruisch van het theewater haar eenig gezelschap, toen op eens de winkeldeur met drift werd opengerukt en een gejaagde voetstap zich liet hooren, die juffrouw Rosemeijer terstond eene andere houding deed aannemen dan de diep neerslachtige, waarin zij eene wijle vervallen was. Haastig droogde zij het traantje, dat zij al nadenkende had laten glijden en met een glimp van blijdschap rees zij op, om Frits te gemoet te gaan.
»Zoo mijn jongen, ben je daar!”
Frits had een kleur als vuur en zijne oogen stonden ook wat waterachtig.
»Wat lang weggebleven, niet waar moe?”
»Dominé had je zeker nog veel te zeggen!” sprak zij zachtmoedig, zich reeds bezighoudende met zijn kopje in te schenken.
»Dominé heeft niet de meeste schuld, wij hebben niet lang gewandeld, maar ik was nog even hier naast gegaan om van juffrouw Verburg en Dientje afscheid te nemen, en het lieve kind had het zoo druk en wilde mij haast niet laten gaan. Zij schreide zóó, dat.... dat ik er zelf haast kinderachtig van werd. Ik moet ook bekennen, dat het mij moeite kostte uit dat huis weg te gaan, waar zij allen zoo gul en vriendelijk voor mij geweest zijn. Wat kon dat aardige Dientje prettig buurvrijstertje met mij spelen, en hoe vriendelijk noodigdejuffrouw—tantezooals ik haar altijd noemde—mij telkens als er eens wat lekkers was om toch te blijven en eens mee te proeven.... en zij heeft mij eene kleine zak-portefeuille tot souvenir gegeven, en Dientje heeft zelve eene beurs voor mij geknoopt; zie eens, moe, hoe beeldig! groene zijde, met gouden kralen! en zij had zoo’n pleizier om het mij te geven; u had het moeten zien!”
»Ja, het zijn lieve beste menschen, die Verburgs, en Dientje, als ze zoo opgroeit, zal een allerliefst meisje worden; maar Frits, jongen, daar is geld in die beurs! Wat beteekent dat?”
»Mijnheer Verburg liet er drie tientjes in glijden; hij zei, die zou ik bewaren als er eens een extraatje noodig was!”
»Mijnheer Verburg doet haast al te veel!” zei juffrouw Rosemeijer met een zacht hoofdschudden.
»Och, moe! van hem neem ik het met de meeste gerustheid aan. Ik hoop het hem eens te kunnen vergelden.”
»Dat hoop ik ook—nu! als gij onder Gods zegen wordt wat de vrienden verwachten....”
»Neen moe! al word ik dát niet, toch zal de heer Verburg mij niet voor niet een vaderlijk vriend zijn geweest. Hij is niet meer jong, Dientje zal eens alleen staan, Dientje heeft geen broer, dát zalikvoor haar zijn....”
»Als zij niet vóór dien tijd een echtgenoot heeft, zoo’n mooi rijk meisje zal wel jong trouwen....”
Frits zag zijne moeder aan met een verwonderden blik en een verdrietelijken trek op het gelaat.
»Hé moe! hoe kunt u denken dat Dientje vroeg trouwen zou? Zij zegt immers altijd dat zij mijn vrouwtje wil worden en er kan nogal wat tijd verloopen eer ik een knap schilder zal zijn!”
»Beste jongen, hecht toch niet aan die kinderpraat van Dientje, dat kon u later teleurstelling geven.... een juffertje van twaalf en eene jonge dame van achttien, dat is heel wat anders.... Mogelijk zou zij, op dien leeftijd gekomen, u niet eens toestaan haar bij den naam te noemen zooals nu!”
»Wel dàt zou mooi wezen!” riep Frits opvliegende, met een kleur als vuur van verontwaardiging, »als ze zoo’n nuf werd, zou ik zelf niets meer van haar willen weten, maar, moe! u vergeet dat ik dan ook geen kwajongen meer zijn zou, wie weet wat een groot kunstenaar ik dán zal wezen, en ofikdan geen recht zou hebben laag neer te zien op zoo’n ingebeeld dametje.”
»Al hadt gij ooit dàt recht, Frits! het zou u toch zeer slecht staan te vergeten, wat gij aan de dochter van den heer Verburg schuldig zijt.”
»Och, moe! denk toch niet dat ik mij laag of laf zou kunnen aanstellen, er kome dan van mij wat wil! Ikzeiu immers reeds dat het mijn liefste vooruitzicht, mijn vaste voornemen is om eens aan Dientje terug te geven, wat haar vader nu voor mij doet....”
»Ik wensch van ganscher harte dat het u gegeven mag worden, dat begrijpt gij, Frits! maar zoo het anders uitviel, moet ik u waarschuwen, reeds nu mijn jongen, opdat gij het u niet onvoorzichtiglijkin het hoofd zoudt zetten, moet ik u waarschuwen nooit de oogen op te heffen naar Dientje, zelfs niet al moedigde zij u aan, want gij zoudt u, dus doende, hoogst ondankbaar gedragen jegens uw weldoener. Foei, Frits!” viel zij zich zelve op eens in de rede, »gij glimlacht! is dat nu mooi, als ik ernstig spreek?”
»Wel!” zei hij nu luid lachende, »juist dáárom. U vat dit nu zoo ernstig op alsof het vlak voor ons lag, en ’t is alles immers nogzóóin de verte.”
»Dat is waar, maar toch als men zich niet voorbereidt om een offer te brengen als het nog ver van ons af ligt, dan heeft men er geene kracht voor op ’t oogenblik zelf dat het ons wordt opgelegd.”
»Alshet mij wordt opgelegd, zal ik er wel kracht voor vinden, dat beloof ik u, moeder! Uw zoon zal zijn plicht doen, wees er zeker van,” en hij stak haar de hand toe met tranen in de oogen, »maar,” ging hij voort, terwijl het zonnestraaltje der hoop weer het jeugdig gelaat verhelderde, »maar ik heb wel moed dat het er niet toe komen zal. De heer Verburg is immers zelf ook maar een burgerman, die mij meer dan eens verteld heeft dat hij als kruieniersknecht begonnen is, en al doet hij nu groote zaken, toch zal hij zich zijn begin vannietaf wel willen herinneren, en mij niet voor het hoofd stooten, als ik een knap man word, al ware het dan ook dat het met schilderen niet precies zoo best uitviel als de vrienden verwachten. Ik zou het ondankbaar vinden als ik zoo iets van hem kon gelooven, die zich altijd zulk een vaderlijke vriend voor mij heeft betoond.”
»Ja, en wel een vriend in nood, dát heb ik ondervonden toen hij op dien noodlottigen dag hier binnenkwam om, zooals hij het noemde, zijn burenplicht te vervullen en mij bij te staan, daar ik in die oogenblikken voor mij zelve denken noch handelen kon. Mijn ongelukkige man had op niets orde gesteld, op niets. Ik had geen enkelen bloedverwant dan een verren neef, die in den vreemde reisde, geen anderen vriend dan dominé Willems, maar dat was geen man van zaken en die had ook te veel met zijne ambtsbezigheden te doen om hier den boel aan te pakken en te regelen, met zooveel ijver en zoo goed overleg als de heer Verburg dat deed. Was het vreemd dat ik den moed nam om hem te vragen of hij uw voogd wilde zijn?”
»Een trouwer en hartelijker dan dezen had ik wel niet kunnen treffen. Toen hij mij daar even de hand drukte, waren zijne oogen vochtig, moe!”
»Dus was dit al zijn vaarwel; ik had nog gedacht, dat hij van avond eens komen zou.”
»Neen, hij wilde ons den laatsten avond samen laten. Zijn plan is, mij morgenochtend naar den beurtman te brengen; ik mocht niet alleen gaan, en hij vond, dat zou voor u te.... te....”
»Zeg het maar uit zooals het is,” sprak de weduwe, »te smartelijk zijn! ja ik zou mij moeielijk goed kunnen houden Frits, al weet ik dat het voor uw best is,” en de goede vrouw keerde zich af en trachtte tersluiks hare tranen af te wisschen.
»Kom, moes! voor den dag maar met de waterlanders, als u dat goed doet,” sprak Frits, die opgestaan was, en haar hoofd naar zich toekeerde en tegen zijn schouder liet rusten. »Huil maar eens uit, beste lieve moeder! dan.... dan kanikhet ook doen. Gij begrijpt:morgenmag ik niet meer kinderachtig zijn; vandaag ben ik nog uw eigen kleine Frits, morgen ben ik een jongeling, die op zijne eigen beenen staan, op zijne eigen wieken drijven moet.”
»Neen, Frits! ikmagu het voorbeeld niet geven van eene zwakheid, die.... die.... eigenlijk ondankbaarheid is. Wij behoorden immers niets dan blijdschap te gevoelen over de ongehoopte wending in uw lot, die zulke grootsche uitzichten voor u opent.”
»Ongehoopt is wel het woord, moeder! want ik wenschte noch hoopte, iets anders dan hetgeen mij door den zwager van dominé Roestink was aangeboden. En ik was er zoo recht mee in mijn schik. Al in de volgende week beginnen met klerk te worden op zijn kantoor, maar twee maanden proef- en leertijd, eene kleine jaarlijksche toelage, grooter naarmate mijner goede diensten, ten laatste zijne bescherming en voorspraak als er een postje was te begeven, ik moet u zeggen dat het mij meer aanlachte dan dat »grootsche uitzicht” dat ze voor mij geopend hebben, zooals ze dat noemen; die lauwer die zoo heel in de verte ligt en die zoo hoog hangt! O, al mag ik dien bereiken, hier blijven bij u, bij de vrienden Verburg en spoedig, heel spoedig wat geld verdienen om uwe zorgen te verlichten, dát moeder, ja! ik erken het, dát was mijn liefste wensch, en dan....een beetje voor liefhebberij teekenen daartusschen, wat een lief rustig leventje zou dat zijn geweest; nu gij alleen hier, ik alleen ginds in die groote stad, onder al die vreemde menschen!... Ach moe, wat zullen die avonden alleen op mijne kamer akelig, stil en vervelend zijn, en als het mij dan invalt, hoe gezellig het hier kon wezen.”
»Wel, dan zit gij aan mij te schrijven en ik aan u, en zóó denken we toch aan elkaar en zijn elkaar nabij in den geest, en ziet gij, Frits! alleen, ja! alleen zullen wij zijn, ik mogelijk meer dan gij, want gij zult wel spoedig kameraden en kennissen hebben, maar toch al ware dat niet, verlaten zijn wij geen van beiden. Al voel ik mij eens wat zwak en neergebogen, verlaten heb ik mij nooit gevoeld, ik wist altijd waar ik troost en kracht zou zoeken en vond die ook. Frits, mijn lieveling, mijn eenige! beloof mij dit ééne, dat gij God niet zult verlaten, dan zal Hij altijd nabij u zijn, dan zult gij in voorspoed en bij de zegeningen, die ik voor u hoop, niet overmoedig, niet zorgeloos worden en niet troosteloos, noch zonder raad en hulp zijn in tegenspoed!”
»Ja, lieve moeder! Ik hoop God voor oogen te houden, dat hoop ik, want ik zal alle dagen aan u denken, en als ik aan u denk, dan zal ik ook niet vergeten wat wij samen gelezen, besproken, geleden hebben. Dan zal ik uwe tranen en uwe gebeden niet vergeten. Wees daar zeker van.”
»Ja, maar op die wijze gaat gij liefde voor uwe moeder verwarren met godsdienst, Frits! en dát mag niet.”
»En als dat danmijnhulpmiddel is om te komen waar gij gekomen zijt, moederlief! is dat dan ook niet goed?”
»Kwaad kan het zeker niet, maar het is toch niet het rechte zooals gij later zelf eens zult inzien, hoop ik.”
»Wat is dan het rechte?” vroeg hij op een toon, waaruit meer losse nieuwsgierigheid sprak dan ernst.
»Dat zal God zelf u zeggen als gij Zijn woord maar raadpleegt met ernst en getrouwheid. Ik verzeker het u, Frits! omdat ik het bij ervaring weet, op iedere vraag van ons hart, van ons geweten, krijgt men dáár antwoord, en als men de aanwijzing volgt, heeft men vrede, al zou ook allerlei uiterlijke onrust ons bestormen.”
»Ik zál wel in mijn bijbeltje lezen, dat beloof iku, hoor moe!”zei Frits met zekeren nadruk, »maar ik heb aan dominé Willems niet mijn woord willen geven, zooals hij verlangde, dat ik er iederen dag gezet een kapittel uit lezen zou, toen hij mij dat kerkboek gaf.”
»Frits, lieve Frits! waarom hebt gij dat niet willen beloven?” vroeg zij bezorgd.
»Wees gerust, moeder! ’t is niet omdat ik geen eerbied heb voor »het boek dat de gewijde waarheid bevat,” zooals dominé Willems zegt, zelfs heb ik mij voorgenomen om te doen wat hij mij aanraadt. Heusch, moe! ik neem het mij voor, maar ik ben niet zeker dat ik het zal volhouden, vooral niet dat ik het nooit zal verzuimen; en ziet u, toen hij wilde dat ik hem daar mijn woord en hand op geven zou, met zooveel ernst en plechtigheid dat het haast een eed geleek, toen wilde, toen durfde ik dat niet op mij nemen, want een woordbreker wil ik niet worden en als ik het slechts in de sleur deed, dan was het nog erger want dan was ik een huichelaar en, luister moe! of ik het ooit zóó ver zal brengen in de kunst als de vrienden voorspellen, zal nog te bezien staan, maar dat ik oprecht en eerlijk zal blijven, dat kunt gij gerust van mij vertrouwen, want dat hangt niet af van talent of van geluk, maar van den goeden wil, en dien heb ik! Wat overigens het schilderen betreft, na alles wat dominé Willems mij heeft gezegd,moesthet geprobeerd worden.”
»En welk een zegen dat gij er u op toeleggen kunt zonder dat wij daardoor in nieuwe zwarigheden geraken,” hernam zij opgeruimd, »want al had ik er mijn laatsten spaarpenning aan moeten geven, ik zou dien gewaagd hebben, maar wat zou dat helpen als men narekent hoeveel er jaarlijks noodig is om buiten de stad te leven en zooveel te leeren.”
»Neen, moeder! als ik het van uw spaarpenning had moeten doen, zou niemand mij er toe gekregen hebben om schilder te worden, al had ik er nog zoo’n zin in, en toch.... ik beken u, dat het mij genoeg hindert zooveel van anderen te moeten aannemen.”
»Zijt gij zóó hooghartig Frits? dat past niet in onzen toestand.”
»Niet uit hooghartigheid, maar ik zou zoo graag onafhankelijk zijn in de wereld als ik eens een man ben, en.... en zulke tegemoetkoming legt zware verplichtingen op. Neen, moe! zie mijniet aan met zulk een afkeurenden blik. Ik hoop mij te kunnen kwijten en alszijgelijk hebben,alshet gelukt, zijn wij allen geholpen en zullen zij hunne satisfactie hebben; ik zal er voor doen wat ik kan, ik zal werken als een ezel, neen niet als een ezel, dat zou in den domme zijn en dus wordt men mogelijk goed arbeider, maar zeker geen goed kunstenaar. Ik zal werken als een die weet wat zijne lieve moeder en zijne edelmoedige vrienden van hem wachten, en voor hem opofferen; ik zal werken, ook met de gedachte aan Dientje, die bitter pruilen zou als haar buurvrijer geen beroemd schilder werd, maar weet u wat ik mij toch heb voorgenomen?”
»Nog niet.”
»Als ik vijf jaren ouder ben en bemerk dat ik de ware roeping niet heb, dan is het nog niet te laat om wat anders te beginnen.”
»Hoe! gij zoudt dan door gebrek aan volharding ons allen teleurstellen?”
»Ik zou u allen teleurstelling besparen en op die wijze mijne weldoeners dienst doen. Zij hebben mij immers niet bestemd om een martelaar voor de kunst te worden, welnu dan! als ik zie dat de kroon mij te hoog hangt, zal ik er niet langer naar opspringen.”
»Gij zijt al te ongeduldig, te meenen dat gij op uw twintigste jaar al meester zoudt kunnen zijn in dat vak.”
»Neen, moeder! nu verstaat gij mij verkeerd, maar als ik op mijn twintigste zie, dat het meesterschap voor mij onbereikbaar is, dan.... dan.... gij en ik, lieve moeder! hebben leergeld betaald om van het onbereikbare af te zien.”
»Kind! kind! veroordeel uw ongelukkigen vader niet in zijn graf.”
»Ik veroordeel niet, moeder! Ik heb geleerd, en de wijze waarop was te smartelijk om niet levenslang indruk te maken, en nu wij toch hiervan spreken.... die papieren van vader zijn immers niet verloren geraakt?”
»Gij weet wel dat de lieden er eene soort van wreedaardig pleizier in vonden ze mij allen stuk voor stuk terug te brengen.”
»Ik meen niet alleen die van dien rampzaligen dag, maar alle anderen.”
»Ze zijn allen zorgvuldig bewaard. Ik wist hoe hij er aan hechtte, kon ik ze wegdoen al strekken zij mij ook tot de smartelijkste herinnering?”
»Wilt gij ze mij afstaan, moeder?”
»Als gij meerderjarig zult zijn, ja, Frits! dan krijgt gij ze.”
»Waarom tot zoolang te wachten, heeft mijn voogd ze onder zijne berusting?”
»Och, neen! ik bewaar ze zelve.”
»Heeft de heer Verburg ze ingezien?”
»Waartoe? Hij was ongelukkig juist een van diegenen, die niet het minste geloof sloegen aan de plannen van uw vader. Hij verklaarde ze eens vooral voor hersenschimmen en had geen geduld om te luisteren tot ze hem werden uiteengezet. Hij heeft er nooit van willen hooren iets met hem te ondernemen; zelfs voor de zaak waaraan dominé Willems nog geloof sloeg en zijne deelneming gaf, was hij niet te winnen, hoewel hij als mensch van uw vader hield en dat ook wel heeft getoond.”
»Dus.... als we een jaar of vijf verder zijn, krijg ik dan toch die nalatenschap van vader in mijn bezit?” hervatte Frits, die een oogenblik in eigen gedachten was verzonken gebleven.
»Treurige nalatenschap en gevaarlijke ook naar het zeggen van wijze en practische menschen,” hernam de weduwe met een zucht. »Verburg raadde mij ze te verbranden, om u tegen de verzoeking te veiligen, ze ooit in te zien.”
»Och!.... daarin zou toch voor mij geen gevaar liggen,” hernam Frits met een pijnlijk glimlachje; »ik heb er genoeg van gehoord, om.... om.... er geene luchtkasteelen op te bouwen.”
»Zoo komt het mij ook voor: wat wilt gij er dan mee doen, mijn kind?”
»Ze met eerbied en liefde bewaren als een grooten schat, want vader kon soms zoo met nadruk zeggen in zijne heldere oogenblikken: »Frits, mijn jongen! zie niet laag neer op mijne erfenis, al zijn het maar berekeningen op papier, zooals de menschen spotten, mijn geest is daarin neergelegd,” en ziet u, moeder, dat voel ik zóó, dat er iets van vader in zit.”
»Nu, datzelfde gevoel ik ook, Frits! en daarom....”
»Daarom kunt gij ze mij nog niet afstaan, dat begrijp ik moeder!”
»Maar ik kan u toch reeds eene gedachtenis van hem geven,” sprak zij meer opgeruimd, opende een marokijnen foudraaltje, dat naast haar op tafel stond, en gaf het hem.
»Hoe, moeder, moeder! een goud horloge voor mij, dat.... dat is te veel, ik kan het immers met mijn zilveren wel doen.”
»Ja, maar dit moet gij er bij hebben, als aandenken van mij en van uw vader beiden; hij droeg het nooit, maar hij placht het te gebruiken om zijne uurwerken naar te regelen in zijn besten tijd, toen hij nog pleizier had in zijn vak. Het is een Engelsch werk, eene repetitie, en ’t gaat altijd accuraat. Uw vader heeft het in den Franschen tijd gekocht van een Engelsch officier, die krijgsgevangen was op zijn woord van eer en in groote geldverlegenheid verkeerde. Uw vader was toen nog een bemiddeld man, hij betaalde de volle waarde, misschien iets daarboven, want het lot van dien vreemdeling ging hem ter harte; daar werd zelfs eene conditie tusschen hen gemaakt, dat hij het zou mogen terugnemen als zijne omstandigheden veranderden. Uw vader deed de belofte het niet te verkoopen, opdat het altijd ter zijner beschikking zou blijven; daarom kon ik ook niet besluiten het aan Busch over te doen met de andere winkelgoederen. Wel zijn er nu al tien of twaalf jaar verloopen, en de Engelschman, die, toen hij uitgewisseld werd beloofde binnen het jaar met goede intrest het horloge terug te nemen, is nóg niet weergekeerd; dus de man is dood of heeft er van afgezien, zoo geef ik het u, maar onder voorwaarde, dat gij er u nooit van zult ontdoen.”
»Van zulk een aandenken! van dezen schat! Neen, moe, nooit al had ik broodsgebrek!”
»Pas op de zakkenrollers in de groote stad!” sprak zij half lachend, half in ernst; »draag het altijd aan dit kettingje van mijn haar, dat ik in stilte voor u heb laten maken.”
»O, moederlief! moe, dat is te veel!” riep Frits met een kleur van blijdschap en tranen in de oogen, »dat is me nog meer dierbaar dan het horloge zelf, ik zou liever sterven dan er ooit van te scheiden.”
»Blijf leven om uwe moeder gelukkig te maken,” sprak de weduwe, haar eenige in de armen sluitende en hem hartelijk kussende.
»En nu Frits, ik heb nog enkele kleinigheden voor u in tepakken, mij dunkt wij moesten het horloge maar mee in den koffer doen, men kan niet weten op reis...”
»Dat’s goed, moeder! als u nog iets te beredderen heeft, ga ik intusschen even naar dominé Roestink, die mij recommandatiebrieven beloofde aan een paar vrienden van hem te Amsterdam.”
»Dat is goed, ga die halen! maar.... Frits, blijf je niet te lang weg?”
»Zeker niet, moe!’t is maar op een drafje heen en weer!”
Des anderen daags bracht de heer Verburg Frits zelf naar den beurtman, het eenige communicatiemiddel tusschen E. en de hoofdstad; maar dat geregeld om den anderen dag plaats vond.
Dientje had eerst gedwongen om mee te gaan, maar daar men haar onder het oog bracht, dat Frits haar niet moest zien schreien, om zelf niet van zijn streek te raken, berustte zij en vergenoegde zich met naar juffrouw Rosemeijer te gaan en deze op hare wijze te troosten.
Goed dat die beiden niet tegenwoordig waren bij de afreis. Frits hield zich kloek genoeg, dat is waar; maar bij ’t afvaren van een veerman zijn er altijd kaailoopers en rondslenterende straatjongens op de been, die niets te doen hebben dan met de handen in den zak te staan kijken naar defaits et gestesvan de afreizenden, en die daarbij gewoonlijk de vrijheid nemen hunne critiek te maken over hetgeen zij zien, op luiden vrijpostigen toon, meestal met aardigheden van zeer twijfelachtig gehalte doorspekt.
Ook ditmaal ontbraken zij niet, en nauwelijks zagen zij den heer Verburg met Frits aankomen, of er ontstond zeker gelach en geginnegap onder dat troepje; de onbeschaamdsten drongen vooruit en wilden fooitjes verdienen door valies en koffer aan boord te helpen brengen, en toen de heer Verburg hen wat korzel afwees, met de verzekering, dat hij zijn eigen kruier had, trokken zij schreeuwend en scheldend terug, hunne achtergebleven makkers toeroepend: »Hei! Frits Millioen gaat weg, Frits Millioen gaat weg!”
De heer Verburg trok zijn beschermeling maar schielijk mee, opdat deze het minst mogelijke hooren zou van dat schimpen.
Aan boord stijgend en overstelpt door duizenderlei aandoeningen,die hij moest beheerschen, had de zoon van den beklagenswaardigen Herman ternauwernood die klanken verstaan.
Met tranen in de oogen, die hij zijn best deed te weerhouden, bleef hij tegen het zijboord van den achtersteven leunen, om zijn vriend en in dezen alles wat hij liefhad nog eens den laatsten groet toe te wuiven, toen het schip in beweging raakte....
Op eens hoorde hij een schelle kwajongensstem den schipper toeroepen:
»Opgepast, kapiteintje! mooie lading, kapiteintje, je hebt het Millioentje aan boord!”
En dat:Millioentje! Millioentje!werd als door schorre echo’s nagebouwd, totdat het vaartuig uit de enge haven in ruimer vaarwater was overgegaan.
Toen droogden op eens de tranen, die Frits met alle zelfbeheersching tevergeefs had weerhouden, toen gloeiden zijne oogen van hartstochtelijken toorn, toen kleurden zijne wangen zich hoog rood, en met lippen van drift sidderende, sprak hij halfluid:
»Schimpt maar! schimpt maar, laaghartigen! ik zal dien spot nog wel eens te schande maken, klaarder dan ooit zie ik het nù in, hier blijven kon ik niet,” eindigde hij kalmer, en geheel bevredigd met de lotswisseling, die hem te voren zoo zwaar had gewogen.
Einde van het eerste stuk.