VIII.Pas hadden Frits en Sir Reginald den rug gewend om hunne wandeling naar het duin te ondernemen, of eene kleine dusgenoemde kiereboe met één paard kwam van de stadszijde aangereden, om evenals de berline voor hetBonte Paardstil te houden. Twee personen stegen er uit; een bejaard man met grijze haren en snorrebaard, stijve zwarte stropdas en sluitjas tot aan de keel dichtgeknoopt, die een stijf been had en op een stokje leunde, maar er overigens nog kras en opgewekt uitzag, en in wien men terstond den oud-militair moest herkennen; de ander, de jongere, die het eerst met één vluggen sprong uit de »boerenkast” wipte, zooals hij het voertuig noemde, terwijl hij zijn reismakker in ’t afstijgen behulpzaam was, zag er vrij excentriek uit.Hij droeg een zwarte vilten hoed met wapperende groene linten, welks hooge bol als een suikerbrood uitliep, en die slechts een veer of eene roos noodig had, om door den eersten Tyroler den besten te worden gemijnd. Zulk een hoed werd toenmaals in Holland noch gezien noch gedragen, dan in kermistijd, en »door ’t kermisvolk”; wie er zich buiten die bachanaliën-dagen mee vertoonen durfde, moest òf een brutale opsnijder òf een vreemdeling zijn, onbekend met en onverschillig voor den indruk, die zulk een inbreuk op het alledaagsche bij de bevolking van oud-Nederland moest maken. Deze heeft zich sedert 31 wel aan wat anders moeten gewennen! Maarla question n’est pas là. Dit hoofddeksel rustte bij onzen jonkman op zwart haar, datà la pagegescheiden, langs zijn hals en schouders neerviel, lang en sluik als de manen van een paard, terwijl de eenigszins slap neerhangende rand een breedbeenig voorhoofd bedekte met zware zwarte wenkbrauwen, die een paar diepliggende oogen overschaduwdenvan eene onzekere kleur, maar wier glans zoo vaak hij ze opsloeg, zoo vaak hij ze spreken deed, zou men haast moeten zeggen, licht en leven gaf aan een bleek, mager gelaat, met sterke onregelmatige trekken, maar die zeer bewegelijk waren en vol uitdrukking. Een zwarte fluweelen jasà la polonaisemet passement belegd en blinkende vergulde knoopen; een pantalon met Schotsche ruiten van blauw, rood en groen dooreen; verlakte laarzen, wier punten lang en smal uitstaken, of ze aan de tootschoenen der middeleeuwen wilden herinneren; een groote omgeslagen boord, die den hals bloot liet, terwijl een zwart satijnen cravat met roode punten er losjes onder geschoven en vastgemaakt was met eene speld in den vorm van een ster, een smaragd met kleine diamanten omzet, wier schittering bij iederen lichtstraal die er op viel geen twijfel aan hunne echtheid veroorloofde, die anders licht had kunnen opgewekt worden; want behalve de glacé handschoenen,gants jaunesvan de ware soort en onberispelijke frischheid, was het geheele kostuum reeds wat van zijn eersten luister vervallen, hetgeen denkelijk het meest was toe te schrijven aan de achteloosheid waarmee het werd behandeld. Achtereenvolgens werd er een koffer, eene schilderkist en eenalmavivauit den kiereboe te voorschijn gebracht, waarbij de eigenaar dapper in de weer was om den stalknecht te helpen zonder aan zijn fijn handschoeisel te denken.»Met dien boel maar naar mijne kamer, want ik kan hier logeeren, denk ik?” sprak hij, zich tegen den kastelein wendend, die zelf was toegeschoten toen hij den fantastisch uitgemonsterden vreemdeling had zien uitstijgen.»Zeker, mijnheer! maar verschoon me, ik dacht dat het mijnheer was, die.... voor het diner kwam.”»Daar kom ik ook voor, waardige hospes! maar dat belet immers niet dat ik hier blijf als het mij in ’t hoofd komt,L’inspiration, la spontanité, la fantasie, je ne connais que ça, en als ik hier iets zie dat mij aanstaat, je boerenerven, je binnenhuisjes, je mooie boerinnetjes, dan maak ik het tot het mijne, dan croqueer ik het, dat is mijne gewoonte, versta je?”De kastelein sloeg groote verwonderde oogen op, hij begreep er niets van, de heele personage kwam hem onmogelijk voor. Met zulke deftige heeren als die het diner besteld hadden, kon het toch geene maskerade zijn!»Zooals mijnheer blieft,” antwoordde hij met eene buiging, »verkiest mijnheer zijne kamer te zien?”»O, neen! dat’s tijds genoeg als ik slapen ga, ’t is nergens zoo goed als hier in de frissche lentelucht, vind je dat ook niet, papa?” eindigde hij, zich tot den oud-militair wendende, die reeds plaats had genomen aan een der tafeltjes in de nabijheid van dat, waar Wilkinson en Frits hadden gezeten.»Ja, jongen! dat zeg ik ook, maar als je in de lucht zit, moet je wat gebruiken.”»Tot uw dienst, papa! wat verlangt gij, een glas madera?”»Bah! neen, dát goed gebruik ik nooit, een bittertje, dat’s voor alles goed, op marsch, voor den eten, voor alles.”»Een bittertje, Jan!” beval de excentrieke schilder, zich tot den knecht in den zwarten rok richtende, die hem in ’t oog viel omdat deze uit nieuwsgierigheid zoo wat om het tafeltje heendraaide.En zonderling, de Jan was geïmponeerd en stelde zich terstond in beweging om het verlangde aan te bieden.Die heer hoorde bij »de tafel”, mogelijk dacht hij op die wijze niet te derogeeren.»En gij zelf?” vroeg de »papa” toen hij opmerkte dat de andere niets voor zich had besteld.»Ochikgebruik dat goed nooit, en straks aan tafel zal ik meer wijn moeten drinken, dan me lief is. Eens van mijn leven te Parijs, onder de Vesuvianen, toen ik nog niet wist wat champagne was, hebben ze mij dronken gemaakt; maar sinds dien tijd ben ik op mijne hoede. ’t Is walgelijk zijne rede prijs te geven, om het dierlijk genot van wat vocht naar binnen te slaan.”»Sacre-bleu, Piet! je bent toch een rare snuiter. Ik heb je soms hooren redeneeren alsof je in een gloeienden roes waart, en je drinkt niets dan water!”»Reden te meer! zou ik dien bol hier,” en hij sloeg met de vlakke hand op zijn voorhoofd, »nog meer verhitten, die toch al kookt van hetfeu-sacré, zooals de kameraden het noemen. Wat u betreft, papaatje! geneer je niet als je een tweede glaasje verlangt; voor een zestiger en die Quatre-Bras meegemaakt heeft kan het geen kwaad meer! Wil je ook wat eten? Het spijt me dat ik geene vrijheid heb om je voor het diner te inviteeren. Had ik er vooruit van gesproken, het ware te doen geweest; maar,ziet gij, wij kenden elkander toen nog niet, en mij eene invitatie voor je te laten geven, eer ik wist wie ik in je vinden zou, dat ging niet, gij begrijpt mij?”»Opperbest. Gij kondt geene hooge verwachting hebben van den uitverkoren echtvriend uwer moeder; dat ik meegevallen ben, doet me pleizier, maar dat’s voor mij geen reden om me aan die vrome, deftige heeren op te dringen. Daar je toch rijtuig nemen moest, vond ik het aardig je zoover te brengen, maar voor mij is het consigne: afmarcheeren als de vrienden aanrukken; waren ’t vijanden, dan zou ’t wat anders zijn, dan zou ik nog wel courage hebben om bataille te presenteeren,crédié!Ik heb de oude garde front geboden!”»Dank voor uw ijver, papaatje! maar alles zal vreedzaam toegaan, wees er zeker van.”»Ja, het blijkt dat jij met die heeren goed terecht kunt komen, hoewel het mij een mirakel schijnt; ik dacht eigenlijk dat je hier bij den pastoor logeeren gingt.”»Merci, papa! wel uitgenoodigd, maarpas si bête. Goede vrienden met hen,cela suffit; ik wil graag wat voor de kerk doen, ik dank haar menige inspiratie, ik hoop dat zij mij nog eenmaal onuitsprekelijke dingen zal prediken, zal helpen uitdrukken; maar wat de geestelijke heeren betreft, ik laat me niet insluiten, niet onder voogdij brengen; de vrijheid! de vrijheid! Dat is het ware element voor den kunstenaar! Laten ze oppassen dat ze mij niet als gevangene aan de pilasters van hun tempel binden, want dan verbreek ik mijne banden als Simson en ruk me los, al zouden kolommen en spitsbogen daarbij instorten!” En de bewegelijke kunstenaar, die bijna niets zeide wat hij niet door drukke gebaren verduidelijkte, was opgesprongen en maakte met beide armen de beweging of hij sterke koorden losrukte. Zijne mimiek was daarbij zoo sprekend, dat de invalide zich ook ophief en hem bij den arm vattende uitriep:»Hou je bedaard, jongen! ze doen je immers nog niets! Ik zie dat je niet voor niet onder die woelzieke Franschen en onder die muiters van Belgen gezworven hebt; doch bij zulke disposities is ’t maar goed dat je niet in dienst zijt gegaan, want daar is het contrarie: zonder discipline geen goed soldaat, geen goed generaal zelfs, want er is bij ons geen superieur die niet op zijne beurt het hoofd heeft te buigen voor zijn chef. En zoobehoort het ook, anders is er geen orde, en orde moet er zijn in den staat, ook in ’t gezin! Dat was mijn principe, en je moeder wilde in ’t eerst die orde omkeeren. Mij: een sergeant die Quatre-Bras heeft meegemaakt, wilde zij drillen en naar hare hand zetten of hij een recruut ware geweest; maar je vat, dat ik mijn dienst niet vergeten was en haar op der voorman zette. En ’t is me gelukt in de schermutseling het veld te behouden, dat mag ik zeggen! De discipline!sacre-bleu!Juffrouw Doelman wist al heel gauw wat dat woord te beduiden had, en toen ze ’t eens kende, was ze afgericht als de beste militair die zijn twaalf jaren dienst heeft. Op ’t eerste: »Geef acht!” stond ze al in ’t gelid klaar voor ’t commando dat volgen zou; maar zie-je, heel glad is het niet gegaan en de korporaalsstok kwam er wel eens bij te pas.”»Als ik u verzoeken mag, mijnheer Doelman! niet meer daarvan!” viel de schilder in, plotseling hoog en strak. Hij wendde zich af, bracht de hand voor de oogen, en na een stilzwijgen, waarin de oude sergeant zijn tweede borreltje in één teug ledigde, ging de jonkman voort met eene zachte stem, waarin kennelijk sterke gemoedsbeweging trilde. »Ziet gij, het is mij eene altoosdurende grieve dat ik mijne moeder niet heb kunnen achten, niet heb kunnen liefhebben, en dat ik haar ten slotte zulk een diepgaand zielsverdriet heb moeten aandoen, dat zij vergetelheid heeft gezocht in eene omkeering van alle hare gewoonten, van haar geheele wezen. God weet dat ik niet anders kon, dat de aandrift die mij voortzweepte, de aandrift die Hij zelf in mij had gelegd, mij te machtig was om er weerstand aan te bieden! Ik voelde dat ik niet geboren was om onder haar slavenjuk te blijven kruipen; ik moest uitbreken, uitvliegen. God zij geloofd! nog niet te laat, de veerkracht in mij was wel diep, diep neergedrukt, maar niet verlamd; bij den eersten ademtocht der vrijheid hief ze mij op, voerde mij over alle hindernissen heen; toen, toen volgde ik niets meer dan het instinct dat mij dreef. Zooals de vogel naar het Zuiden trekt als het Noorden hem te bar wordt, zoo trok ik weg uit de kille, doodende atmosfeer, waarin ik niet langer ademen kon; maar ik liet eene moeder eenzaam achter en de natuur heeft hare rechten, die men niet straffeloos schendt. Later, veel later, heb ik het gevoeldwatik haar heb gedaan, en ’t is mij eene pijniging, het klinkt me toe als eene luide aanklachttegen mij, als ik van u hooren moet hoe dat hardvochtige, onbuigzame schepsel, dat mij het leven gaf, tot eene smijdige vrouwengestalte is geworden onder uwe hand! Het snerpt mij door de ziel alsof hetmijnezonde ware die gekastijd werd in haar!”»Zou die malle schilder ook tegelijk comediant zijn?” vroeg de knecht, die »alleen voor de tafel” was, aan den kastelein, terwijl ze samen voor de ramen van de groote eetzaal stonden en den spreker gadesloegen, die inderdaad door zijne gebaren en de wisselende uitdrukking van zijn gelaat op toeschouwers, die zijne woorden niet verstaan konden, noch meevoelen wát er in hem omging, wel den indruk moest geven van een acteur die eene scène vertoonde.»Je hebt gelijk, het is waarachtig of hij zijne rol opzegt voor dien andere; maar, Jan! ik waarschuw je, pas op dat je hem aan tafel niet uitlacht, en dat je hem op z’n wenken bedient, anders krijgen we er nog last van, zoo’n opgewonden standje.... Ik heb wel hooren zeggen dat er door die kunstenaars altijd een streep loopt, en die hier, weet-je, dat zoo’n bovenste beste is.”»Begrepen, meester! hij is nou al half gek en als de champagne er in is zal hij als een razende zijn; maar ik heb meer tafel bediend en ik weet waar ik staan moet, geloof dat vrij. Die dolleman heeft daarbij iets in zijne oogen.... een mensch weet niet recht wat hij er aan heeft; hij commandeerde een bittertje, en ik had het hem zelf gebracht, eer ik wist wat ik deed, zal ik maar zeggen.”Papa Doelman kon het Jan nazeggen dat hij niet recht wist waar het hem zat, maar hij voelde wel dat hier geen rol werd gespeeld, en hij was zelf wat in de war geraakt door de sterke gemoedsbeweging van zijn stiefzoon.»Piet! jongelief, ben je dol!” riep hij nu, »dat gij u dit nog zoudt aantrekken; als je in alles zoo overdreven te werk gaat en de wereldsche zaken zoo haarfijn uitpluist om u zelf te kwellen, dan krijgen de priesters waarachtig nog vat op je, al zwaai je de vrijheidsvaan nog zoo hoog! En wat je moeder aangaat, het heeft haar goed gedaan dat zij onder mijn commando is geraakt,militairementgesproken! Ze heeft daardoor met de femelarij gebroken en er een rustig sterfbed aan te danken gehad, al moest ze het zonder dominé doen; want met die uit de stad kon ze’t maar niet vinden, en de voormalige broeders van de oefeningen wilden van haar niets meer weten; maar ik zei: »Vrouwlief! daar ben je protestantsch voor, om geen zwartrok noodig te hebben bij de groote reis.”»En heeft ze mijnietgevloekt, vader? zweert gij mij dat ook op je woord van eer?” viel Piet in met een somber wenkbrauwfronsen.»Zoo ze ’t gedaan mag hebben in hare eerste drift, is zij later toch niet bij die kwade intentie gebleven: »Denk aan Piet, denk aan mijn armen zwerver!” zei ze nog toen ze haast niet meer spreken kon, en toen ik antwoordde: »Wees er gerust op, Neeltje! Je kent sergeant Doelman, hij zal er voor zorgen, dat je zoon krijgt wat hem toekomt, als hij weerkeert;” toen drukte zij mij de hand zóó hartelijk, dat er mij de tranen van overliepen. Zie je, daarom schreef ik je terstond, zoodra ik den brief ontvangen had, waarin gij naar uwe moeder hebt geïnformeerd. Eerder kon het niet, want we hebben nooit een spoor van je ontdekt, hoeveel moeite we ook deden.”»Dat is niet te verwonderen. Jarenlang heb ik al het mogelijke gedaan om mij schuil te houden, met het vaste voornemen om niet terug te keeren voor ik meerderjarig was, en op den weg om een goed kunstenaar te worden, opdat Moeder zou moeten berusten in hetfait accompli; had ik betere gezindheid in haar durven hopen—God weet dat ik niet zoolang zou hebben gewacht!”»Ja, jongen! het is niet aan je te wijten; maar voor haar spijt het mij dat zij de wederkomst van haar verloren zoon, zooals ze je altijd noemde, niet heeft mogen beleven. Het arme mensch heeft om zoo te spreken haar eigen kind niet gekend. Uit haar praatjes over »haar Piet” wachtte ik niet anders dan een woesten verloopen jongen voor mij te zien, een brutalen sinjeur, die eens kijken kwam of er nog wat te halen was. En ’t is zoo heel anders uitgevallen! Toen ik maar eens over de vreemdigheid van je uiterlijk heen was, begreep ik dat de verwildering je het meest in je kleeren, in je manieren zat, en dat je karakter, je sentimenten, je gedrag precies het contrarie waren van ’t geen ik mij had voorgesteld. Op mijn woord van eer, Piet, ik ben blij met je kennismaking!”»En ik dan, papaatje! Ik heb alle reden om voldaan te zijnover de uwe. Zoo gij zelf mij niet het eerst gezegd hadt, dat moeder wat voor mij had nagelaten, zou ik er nooit aan gedacht hebben er naar te vragen! Je bent een eerlijk man, mijnheer Doelman!”»Wel, dat’s een mooie, je hoeft sergeant Doelman toch niet te prijzen, omdat hij geen dief is!”»Ik mag toch wel zeggen, dat ge een stiefvader zijt uit duizenden! Het moederlijk erfdeel van den verloren zoon zóólang trouw bewaren, zoo voordeelig te beleggen en zoo gulweg uit te betalen, zonder dat hij er naar vroeg.”»En je hebt me nog den last aangedaan van het je te moeten opdringen, drommelsche stijfhoofd! Het kwam je immers toe en je kunt het gebruiken ook, denk ik?”»Wat dát betreft, altijd! Waarheid is dat ik met heel weinig toe kan, maar met veel ben ik nooit verlegen; vooral niet nu ik naar Rome ga....”»Maar daarvoor hebben ze je immers een jaargeld toegelegd?”»Dat is zoo en Monseigneur de M. heeft mij mijne schilderij goed betaald ook; maar reizen, reizen in ’t wild vreemde kost geld, en ik kan het nu niet meer doen zooals ik voormaals in België en in Frankrijk heb gereisd, te voet en zoo wat half om Godswil. Neen, nu zal het duur worden, voor mij vooral! want ik heb een zwak.... een gebrek....”»Wat voor gebrek kan dat zijn, je lapt het toch niet door de keel? Met water en brood ben je immers tevreden?”»De gewoonte,” zei Piet met een glimlach; »ik heb het er zóólang mee moeten doen.”»Welnu, wat is het dan, de vrouwen?”Piet haalde met sprekende minachting de schouders op. »De leelijken zie ik niet aan, de mooien zijn mij niets anders dan begeerlijke modellen! daarbij, een kunstenaar moet zich rein houden van alle uitspattingen, dat’s mijn principe.”»Drommels, ben je zoo’n Jozef! dan geef ik het op om er naar te raden, want ik kan toch niet denken, dat het spel....”»De afleiding voor leegloopers en suffe grijsaards! Ik zou mij schamen.... Neen, maar ik heb het ongelukkige zwak voor mooie zaken; het kost mij zelfs strijd om mij niet telkens te laten verlokken tot »zotte koopjes,” zooals de kameraden het wel eens noemen. Antiekebeeldjes, oude schilderijtjes, bronzen, vazen, alwat van dien aard artistieks onder mijne oogen komt, trekt mij aan als met onweerstaanbare macht, en als de prijs maar eenigszins onder mijn bereik valt, moet ik het koopen! Ik weet dat het eene dwaasheid is, bovenal voor een zwerver als ik ben, die beter deed zijn geld in zijn zak te houden en zijne bagage niet nutteloos te bezwaren; maar wat zal ik u zeggen,c’est plus fort que moi, en al neem ik mij vast voor aan geen caprice meer toe te geven, vrees ik toch dat er te Rome menige klip zal zijn, waarop mijne zwakheid moet stranden.”»Dat’s nog een erfzwak van je moeder! Ik kon ze geen boeltafel voorbij krijgen, of ze moest koopen, schoon we al lang rentenierden!”»Als dat zoo is, heeft het zich bij mij toch nogal gewijzigd. Zij zocht de winst, ik denk niet aan ’t verlies, en dat volgt er toch meestal uit; zoo is ’t ook met mijn tijd. Ik werk druk, dat is waar, met ijver, met volharding; maar opmijneuren, ik luister gewoonlijk meer naar mijne fantasie dan naar het verlangen van liefhebbers en kunstkoopers. Ik onderneem soms van alles tegelijk zonder iets af te maken vóór het mij bijzonder aantrekt; en nog.... als anderen zeggen, dat eene schilderij af is, kan ik het niet nalaten om er eens opnieuw frisch op in te gaan.... gij begrijpt wel, dat deze manier niet de beste is om hetgeen men noemt geld te maken met zijn talent; maar ziet gij, ik kán niet anders, ik ben nu eenmaal niet geschapen om daglooner te zijn, en aan de onafhankelijkheid hangt bij mij de inspiratie.”»Sakkerloot, Piet! als ik je zoo hoor en zie en dan bedenk hoe je moeder je kortgehouden en gekoejonneerd heeft, je niets wou laten leeren, toen je eens van de cathechisatie af waart, zooals zij mij in hare uren van berouw wel eens gebiecht heeft,—dan moet ik zeggen, je hebt het ver gebracht, jongen, en dat zoo in je eentje!”»Ja, Goddank! zoo ik geen idioot en geen huichelaar ben geworden, is het moeders schuld niet; maar, ziet gij, al dank ik veel aan mijn eigen moed en wilskracht, zonder bijstand van anderen ware ik nooit op gang geraakt.... Daarbij ik ben nu wel op den weg waarop ik wezen wilde; maar ik ben nog lang niet gekomen waar ik zijn moet! Ik wil eerst rondzien in Italië, in Rome vooral. Ik moet weten wat de groote meesters gedaan hebben, en dan probeeren wat ik zelf vermag! en vooruitgaan!vooruitgaan! streven naar het hoogste! meesterstukken scheppen, die onsterfelijk zijn, en een naam verwerven, die.... maar als ik daaraan denk! is het niet erbarmelijk, mijnheer Doelman, dat ik geen beteren naam heb om beroemd te maken dan dat wanluidende Piet Snibs?” eindigde hij verdrietelijk en met zekere drift den stoel wegschuivende, waartegen hij al pratende en declameerende had staan leunen, want bij zijne levendigheid van gebaren en woorden was hij geen oogenblik rustig blijven zitten.»Ja, Piet! gij hebt wel gelijk, dat Snibs klinkt niet mooi voor een schilder van de romaneske school, zooals jij dat noemt.”»Pardon, papaatje! de romantieke school als ik je verzoeken mag; maar ’t is waar, mijn naam past sinds lang niet meer bij mijn persoon, bij mijn werk, en als ik er voorloopig niet wat op gevonden had, zou ik liever drie kruisjes teekenen, dan dat hatelijke Snibs op mijne schilderijen te zetten.”»Daarbij komt nog, dat je niet eens recht hebt op dien naam.”»Geen recht, en waarom niet?” vroeg de jonge schilder wat verwonderd.»Hé, ik dacht dat je ’t wist,” antwoordde de oude sergeant, nu ook opgestaan, zijn arm nemende en met hem opwandelend langs den straatweg; want de knecht in den zwarten rok, die »alleen voor de tafel” was, kwam weer post vatten in de open deur, kennelijk met het doel om eens naar hun gesprek te luisteren.Piet met den rug naar die zijde gekeerd, zou hem niet hebben opgemerkt, maar de sergeant had den spie terstond in ’t oog gekregen, en door »op te rukken” zijne intentiën verijdeld.»Wat zou ik weten?” vroeg Piet in zekere spanning; »ik ben toch wel de zoon mijner moeder?”»Ja! maar toen deze den cathechiseermeester Snibs trouwde, was haar kind zoo wat anderhalf jaar oud, en gij waart op het stadhuis alleen aangegeven als: Pieter, zoon van Neeltje Jansen.”»En mijn vader?”»Hm! een rijkelui-zoontje, die het aardige naaistertje wat al te druk het hof had gemaakt, later zich met een handvol zeeuwen van de zaak afmaakte, met eene juffer van zijn stand trouwde en sinds lang overleden is. De goede Snibs had medelijden met het gevallen meisje, en ging haar opzoeken, om haar van de »dwalinghaars wegs af te keeren,” zooals je moeder zich uitdrukte. De veiligste manier daartoe scheen haar een echtgenoot tot gids te nemen en Snibsje liet zich snappen! Het zou me echter niet verwonderen, dat hij er spoedig berouw van heeft gehad, en eronderis geraakt, want hij moet aan de tering gestorven zijn.”»Ja! nog zie ik den bleeken, kwijnenden man met een droeven blik zijn kerkboek opnemen en het huis uitsluipen, om naar zijne leerlingen te gaan; hij moet zeker een goed mensch zijn geweest, want ik herinner mij nog hoe hij mij vaderlijke zorg betoonde. Als ik gehoord had datzijmijne moeder niet was, het zou mij verlichting zijn geweest, ik beken het u; maar hij—mijn vader niet! Die vrouw heeft alles tegen mij gepleegd wat zij vermocht, niet eens een wettig kind! O, moeder! moeder!” en er sprak smartelijke bitterheid uit den toon der stem, uit den neergeslagen blik.»Gij begrijpt wel, dat de weduwe Snibs mij deze bijzonderheden niet heeft meegedeeld dan op ’t uiterste, toen er kwestie was van haar testament te maken; wat mij betreft ik stapte er overheen, en gij moet het u ook maar niet aantrekken; ik sprak er alleen van om u te beduiden, dat gij u met hetzelfde recht Pieter Doelman kunt schrijven, en mijn naam is tot je dienst als die je beter voldoet.”»Dankbaar voor de intentie, maar.... ik kan dat zoo dadelijk niet met mij zelven eens worden,” hernam de schilder, die zijn arm losgelaten had, en nu driftig heen en weer liep met gebukten hoofde en door strijdige gedachten geslingerd, die hij onwillekeurig uitdrukte door levendige gebaren.De oude sergeant stond met verbazing naar hem te kijken, even het hoofd schuddend en in zich zelf mompelend: »’t Is toch een rare snuiter!”Piet kruiste de armen over de borst, drukte den hoed nog dieper over de oogen en bleef in die houding naar den grond staren, onder het mompelen van onverstaanbare klanken, die zeker ook niet voor zijn eenigen toehoorder bestemd waren en wier bedoeling vermoedelijk niet vleiend was voor de vrouwen in ’t algemeen en voor de weduwe Snibs-Doelman in ’t bijzonder, want de oude sergeant, die al naderbij was gekomen en enkele klanken opving, riep nu op eens:»Sacre bleu, Piet! je vergeet dat we hier op den publieken wegzijn en zooals je daar staat een morrende alleenspraak te houden, doe je me denken aan Ward Bingley in »Menschenhaat en Berouw”.... En dan je vreemde kleeding daarbij; het verwondert mij niet dat een buurman te E. mij vroeg of er eenspulleman bij me logeerde?”Die toespraak was nog niet voleindigd, of Piet, in zijne sombere overwegingen gestoord, barstte in een schaterend gelach uit, dat echter eer van geprikkelde zenuwen, dan van opgeruimdheid getuigde, ging naar hem toe en sprak met een blik, waar een zonderlinge gloed uit lichtte:»Welnu, die buurman heeft gelijk! een spulleman, een zwerver, een wie niemand toebehoort, kan precies met zich zelven doen wat hij wil en die heeft ook geen vasten naam noodig. In Engeland noemt hij zich John, in Frankrijk Louis, in Duitschland Hans, in Italië Mas-Aniëllo! en zóó zal ik ook doen.”»Mas-Aniëllo! ben je dol, Piet! die vent uit de comedie daar het oproer in Brussel door aangekomen is; als je zoo praat, zou men waarachtig denken dat er een streep door loopt; maar, komaan, daar halen ze den kiereboe al uit den stal; het wordt mijn tijd en de uwe ook, je moet je toch zeker kleeden?”»Mij verkleeden? Waartoe dat! Is mijne polonaise niet elegant? En fluweel, de rijkste stof, de laatste chic! Ik heb expres de speld in mijn das gestoken, die de prinses d’ A. mij gegeven heeft, omdat zij zoo voldaan was over haar portret.”»Ja! maar jongen! voor zulke deftige heeren dien je toch wel een zwarten rok aan te trekken.”»Een zwarte rok!” en de lach van Piet was ditmaal even natuurlijk als luid; »een zwarte rok! Men moet een Hollander zijn om op zoo’n inval te komen; in onze schildersbent te Parijs hadden wij er één met z’n zessen; wie naar een bal of eene audiëntie moest, kreeg hem aan; ik.... heb hem nooit noodig gehad.”»Ik weet dat je er een in je koffer hebt!”»Een mensch kan diep vallen! In België heb ik er een laten maken, omdat ik bijla Comtessede M. dineeren moest met Monseigneur; maar dat’s nog geen reden om hem hier aan te trekken op eene vischpartij, in een buiten-herberg! haast eenpique-nique! ’t Is al mooi dat ik lichte glacé handschoenen aan heb, maar nu ik ze bekijk, mag ik ze wel wegmoffelen, ze zijn gescheurd enmorsig geworden; als zoo iets niet frisch is, staat het armzalig,” en al sprekende stak hij ze in zijn zak!»Mijnenthalve, je moet zelf weten hoe je met die heeren omspringt!”»Wees er gerust op dat ik weet wat ik doe. De pastoor is de gastheer; behalve een paar zijner stads-collega’s en de agent van Monseigneur de M., zijn het allemaal burgerlieden, boeren-kerkvoogden, enz.; als zij nu denépicieruithangen en met zwarte rokken en gewitdast verschijnen op een diner, dat zij aan een schilder geven, dan kan ik het niet helpen, dat zij een gek figuur maken. Zij moeten mij nemen zooals ik ben, dat’s de beste manier om er niet onder te raken! Geloof mij, papaatje! zoo’n beetje excentriciteit is een schild, waarmede men veel kan afweren en alles onder mee kan voeren wat men maar goedvindt.”»Nu, ’t is je eigen zaak! Daar is de kast, die mijmeevoerenmoet en uit de laan hierover zie ik heeren komen, zeker van de gasten; nu jongen, ik zeg je adieu met een heel ander gevoel dan ik je welkom heette. Wij scheiden als vrienden en ik hoop je weer te zien! Als je soms te Rome wat te veel aan je liefhebberij en je fantasie hebt toegegeven en je beurs wat slap wordt, denk er dan aan dat je nog een stiefvader hebt, die Doelman heet en kind noch kraai in de wereld heeft; je kent zijn adres.”»Het zou al erg moeten spannen als ik me dát veroorloofde; maar gij zult toch van mij hooren, papa Doelman! en hierop houd je gezond en blijf bij de opgeruimdheid!”»Zegen en voorspoed met je werk!” was het antwoord van den oud-militair, terwijl Piet hem in den wagen hielp; zij drukten elkaar nog eens hartelijk de hand.De kiereboe reed weg op het sukkeldrafje van één paard. Piet zag haar na; in zijne groote wonderlijke oogen dreef zoo iets als een helder vocht; hij trok de randen van zijn slappen hoed, die al een paar keer op en afgenomen was, nu weer laag over ’t voorhoofd, ging bij het tafeltje zitten, liet de beide ellebogen er op rusten en sprak halfluid: »Toch nog een vaderhart gevonden, ik, de verschoppeling!” en hij snikte onder zijne aandoening, maar verborg die en smoorde zijne eigene stem door zijn gelaat met beide handen te bedekken.De heeren, die naderden, troffen hem nog in diezelfde houding,zijn rug en het gebogen hoofd was dus àl wat zij van hem te zien kregen; maar zij behoorden niet tot de genoodigden voor het diner; het waren onze goede kennissen Frits Millioen en zijn Engelsche reisgenoot.»Aha!” sprak de laatste in ’t voorbijgaan, »dáár zullen wij onzen genialen schilder hebben!”»Ja! hij ziet er excentriek genoeg voor uit,” stemde Frits toe; »zeker een Belg, die hier den Parijzenaar komt uithangen!” en met die weinig vleiende opmerking ging hij langs zijn ouden schoolkameraad heen zonder hem te herkennen!IX.Baptist Meijer, de kastelein uit het Bonte Paard, was voorheen kamerdienaar geweest bij een groot heer, die hem in zijne zaak had gezet; vandaar dat hij beter wist wat »een fatsoenlijk mensch toekwam,” zooals hij het zelf uitdrukte, dan zijn collega uit de Zon. Nauwelijks had hij dan ook Sir Reginald met Frits bemerkt, of hij ging hen te gemoet met het bericht, dat er reeds voor hen gedekt was in den koepel, terwijl hij voorging om hun den weg te wijzen.»De heeren zullen bediend worden nog vóór de groote tafel aanvangt,” sprak de kastelein plechtig en verliet het vertrek met eene dier buigingen, die hem tot eene tweede natuur waren geworden.Van uit die hooge luchtige koepelkamer had men door twee ramen een ruim landgezicht; een derde zijraam gaf gelegenheid om te zien wat er vóór het logement plaats vond, zoodat Frits die zich daar geposteerd had, den schilder kon gadeslaan, die nog in dezelfde houding was blijven zitten.»De groote man schijnt niet in eene opgewekte luim; hij zit te pruilen of te mijmeren,” sprak hij spottend.»Wie weet welke zorgen of welk leed hij te verkroppen zal hebben voor zijne feestgenooten,” antwoordde Sir Reginald.»Gij hebt gelijk, dat zou kunnen zijn, en in dat geval ben ik hard en voorbarig met mijne aanmerking; maar toch.... ik weet zelf niet hoe het komt, hij wekt mijne ergernis door zijnevreemde uitmonstering; daar is ostentatie in, hij wil effect maken door alles en ten koste van alles. En nu! de houding vanle beau ténébreuxaan te nemen, te midden van een triomf, dat komt mij voor aanstelling te zijn, die ik in een talentvol kunstenaar niet best velen kan. Als hij onze belangstelling wil wekken, moet het zijn door zijn werk, niet door een onmogelijken hoed op te zetten, en haarlokken te dragen als een middeleeuwsche troubadour.”»’t Is duidelijk,” hernam Sir Reginald, niet zonder wat ironie, »die vreemde kunstbroeder heeft het bij u verkorven, omdat.... hij een vreemdeling is, en mogelijk niets ergers heeft gepleegd dan zich te vormen naar ’t exempel van hen, in wier midden hij heeft geleefd. Wat mij betreft, ik laat me nooit afschrikken door wat bizarrerie. Ik wil zelf niet beoordeeld worden naar mijn uiterlijk voorkomen, omdat ik aantrek wat mij het meeste comfort geeft; bijgevolg acht ik dat anderen recht hebben op dezelfde vrijheid. Vergeef hem dus zijn hoed; wie weet hoe de persoon meevalt als gij maar eens zijne kennis hebt gemaakt.”»Ik geloof waarlijk dat niets mij zoozeer ergert dan dat hij mij de gelegenheid daartoe niet laat, door gestadig het hoofd af te wenden. Wacht, daar staat hij toch op, ik zie waarom, daar komen heeren aan van de dorpszijde; de pastoor, dat behoeft men niet te vragen, nog een frisch jong man, zoo het schijnt; de anderen.... zeker dorpsnotabelen. Ha! onze artist zet zich in postuur en gaat hen te gemoet; de buiging valt mij toe, die is los en zonder serviliteit; hoe! neemt hij niet eens zijn hoed af, waarlijk! maar even, alleen een genadige hoofdknik voor de boerenheeren, en aan heeroom steekt hij minzaam de hand toe! Dat’s nogal sterk van een, die zich door de geestelijkheid laat voortkruien!”»Is ’t niet wat gewaagd dat zoo maar in eens vast te stellen, omdat hij eene schilderij aan een bisschop heeft verkocht?” sprak Sir Reginald met een ernstig hoofdschudden, hoewel hij overigens met echt Britsch laconisme al de opmerkingen van Frits aanhoorde, zonder dat zij hem bewogen om van de eens gekozen plaats aan de tegenovergestelde zijde der kamer op te staan.»Ah zoo! nu keert hij zich met hem om!” riep Frits in triomf, zonder debottevan Sir Reginald te riposteeren.»Kom, dat valt mee! dat’s geen alledaagsch gelaat; hij heeftwaarlijk zijn hoed niet noodig om de attentie te trekken. Hoe nu?—daar wordt die afgenomen, toch niet om te groeten; neen, de pastoor bekijkt hem, en ze lachen er samen over! Dat’s zonderling! dat voorhoofd, die oogen, wonderlijke oogen, zooals ik ze nooit meer heb gezien; ja toch, ja wel! zij doen mij denken aan.... maar dat’s onmogelijk, dat bolbleeke, slaperige kereltje, en de sterke, bewegelijke trekken van dit schrale, maar zielvolle gelaat. Hoe komt het toch in mij op, en, dies ondanks, is er iets in die oogen.... dat zware beenige voorhoofd, dat mij hier eene gelijkenis doet vinden. Och! het zal zeker eene zinsbegoocheling zijn; de herinneringen mijner jeugd, die ik zoo pas opgefrischt heb, zijn er oorzaak van; want het is niet denkbaar....”»Maar wat toch is niet denkbaar, wat brengt u zoo in vervoering?” vroeg Sir Reginald, nu zelf opgestaan en zich bij hem voegende.»Sir Reginald! Gij zult mij uitlachen, maar die excentrieke schilder heeft een gezicht, dat mij herinnert aan dien armen stakkert, waar ik u van verteld heb, den cathechisant van dominé Willems, dien Piet Snibs, die zoo ongelukkig was en zoo jaloersch van mij, omdat ik mij aan de kunst mocht wijden. Hij kán het niet zijn; en toch hoe nader hij komt; hoe meer ik hem gadesla, hoe sterker die gelijkenis tot mij spreekt.”»En waarom zou het niet kunnen zijn? Kan de ingeschapen kunstliefde hem geene macht hebben gegeven, om alle hinderpalen uit den weg te ruimen....”»Ik moet daar de waarheid van weten!” en Frits scheen willens zich in één vaart naar het voorplein te begeven, maar Wilkinson hield hem terug.»Luister,my friend!als gij van zulke herkenning pleizier wilt hebben, leg het dan voorzichtig aan; gij zult er wel gelegenheid toe vinden; dit oogenblik is het ongeschiktste, daar komen al meer en meer genoodigden; dit is zeker, zoo omtrent het uur van het diner.—Is hij, dien gij meent, dan is het tien tegen één dat hij daarvoor tegenover al die vreemden herkend wil zijn, en als hij zich koud en stug terugtrekt, maakt gij een gek figuur. Hij maakt niet veel werk van zijn familienaam, dat’s gebleken, daar hij zijne schilderijen teekent als:Cham.”»En datChamis juist iets wat in den zoon van vrouw Snibskan vallen, wat op hem past; want hij doorzag hare huichelarij, hij ontdekte hare schande, en zij zal hem zeker haar zegen niet hebben meegegeven op zijne vlucht; maar gij hebt gelijk, alshijhet is, moet ik den gelegen tijd afwachten om de kennis te vernieuwen; als hij hetnietis, zou ik er evenzeer gek afkomen; gij hebt altijd gelijk, Sir Reginald! gij zijt de ware mentor voor zoo’n poveren Telemachus als ik ben.”»Als Telemachus maar naar Mentor wil luisteren, zie ik hem nog eens koning van Ithaka!” sprak Sir Reginald lachende; »nu moesten wij eens raadplegen over een punt, dat bij eenfish-dinnergansch niet onverschillig is. Hebt gij vertrouwen in de beloften van deze kaart?” en hij hield hem de lijst voor met de namen en de prijzen der wijnen.De gissing van Wilkinson bleek juist. Het diner was te vier ure besteld en in ’t laatste kwartier kwamen de genoodigden van alle zijden opdagen. Nu eens twee aan twee in zoogenoemde kapchaisen, dan weer anderen te voet, kennelijk deftige dorpelingen; allen kwamen met meer of minder gemeenzame, meer of minder linksche houding en manieren, naar den schilder toe, ontwijfellijk de held van het feest, wisselden groeten en handdrukken met hem, die onder alles door druk en onder een levendig gebarenspel praatte met de omringenden; de rollen schenen wel omgekeerd; het was of de schilder receptie hield in plaats dat hij de gerecipieerde was. Ten laatste kwam er eene deftige calêche aanrijden met fraaie koetspaarden bespannen; »eigen spul,” zooals de Jan in den zwarten rok aanmerkte, hoewel de knechts geene livrei droegen. Drie heeren stegen er uit, een deftige stadspastoor, met een frisch blozend gelaat en zilvergrijze haren, zwart zijden kousen, gouden schoen- en broekgespen, en een rotting met zwaren gouden knop. De tweede, een zwaarlijvig heer, die er wel niet heel voornaam uitzag, maar die zeker de rijke man en de eigenaar van de equipage was, want op zijn wit vest met uithangende kanten jabot, bungelde eene zware gouden horlogeketting met eenige cachetten; eene groote juweelen speld stak hem in de plooien van het overhemd, en zijn donkerbruine fantasierok was met blinkende knoopen bezet. Onder zijn eenigszins lagen zwarten hoeddroeg hij een bruine naturel en om zijn dikken hals was een smalle gekleurde zijden das geknoopt, een wijde lakensche jas,à la propriétaire, hing losjes over zijnfracheen, en liet vóór al den luister van zijn toilet bloot. Het was een Amsterdamsche bankier, die de zaken beredde voor de Belgische familie, waarmede Piet Snibs in relatiën stond. Der derde was een heer, ook reeds van leeftijd, zeer eenvoudig gekleed in een bronskleurige gekleede jas, maar in zijn knoopsgat een paar lintjes dragende, die hem terstond aanduidden als iemand van distinctie. De komst van dezen persoon was blijkbaar voor onzen kunstenaar eene verrassing, want hoewel hij met zekere voorkomendheid naar voren was gekomen, toen de calêche stilhield en hij er den pastoor en den bankier zag uitstijgen, had hij dezen alleen beleefdelijk gegroet, en de hand geboden om uit te stijgen; maar niet zoo haast zag hij het gelaat van den derden, of een kreet van verrassing ontsnapte hem en hij wierp zich met hartstochtelijke blijdschap aan zijne borst.»Mijn nobele vriend en weldoener, gij hier! gij hier om mij! had ik dát kunnen wachten!” herhaalde hij, terwijl hij alle overigen in den steek liet; er stonden vreugdetranen in zijne oogen, toen hij voortging: »En gij, zoudt gijmijherkend hebben, den armen verstooteling, dien gij u zoo edelmoedig hebt aangetrokken?”»Wat zal ik u zeggen, beste jongen! ik wist nu wie ik vinden zou, ik was er volkomen op geprepareerd, men had mij om zoo te spreken reeds uw signalement gegeven; maar zonder dat zou ik u waarlijk niet voor dien armen geplaagden jonkman herkend hebben, dien ik eens de hand heb mogen reiken tot een nobel doel! Op mijn woord, gij zijt een geheel ander mensch geworden, en toch wel geworden wat ik heb voorspeld, een geniaal kunstenaar en een braaf jonkman gebleven ook, niet waar! Ja, ja! wij kennen u Monsieur Pierrotain-Cham,tête de fer, c[oe]ur de flamme, pieds légers,—trop légerszelfs, want zij dienen al te vlug de wenken der fantasie! Neen, spreek me niet tegen, ik heb van uwe équipées gehoord; de vrienden te Antwerpen hebben bitter over u geklaagd; maar ’t is je vergeven, het succes maakt in dezen alles goed....”»Ziet gij, mijnheer! aan schrijven doe ik niet veel, anders had ik u alles eens uitvoerig meegedeeld, en gij zoudt mij gelijk hebben gegeven.”»Men heeft nooit gelijk als men wegloopt en buiten zijne meesters om exposeert!” antwoordde de andere glimlachend; »maar als zulk eencoup de têtedan tot uitkomst heeft, dat men de gouden medaille behaalt, en wel in een vreemd land, waar men geheel onbekend, geheel zonder protectie is, dan moet ik zeggen, dat het stout bestaan gerechtvaardigd is. En de schilderij, die gij hier gebracht hebt, moet grandiose zijn, naar ik hoor zeggen....”»Gij hebt haar zelf niet gezien?” vroeg Piet wat teleurgesteld.»Mon cher!ik had nog geene occasie. Ze hebben mij meegetroond; ik liet mij verlokken om u weer te zien en bij uw triomf te assisteeren; maar ik blijf slechts een paar uur, ik moet doortrekken, ik ga naar België terug, familiezaken en—onder ons in vertrouwen—het uitzicht op eene goede positie te Brussel; gij verstaat mij, ’t is hier niet het ware land voor de kunst. Koning Willemme fait mauvais visage, sinds de revolutie is uitgebroken, en ik voel het duidelijk, mijn tijd is uit, vat ge;” terwijl zij dit onderhoud voerden, arm in arm op- en neerwandelend, hadden de overigen zoo goed zij konden onder elkander kennis gemaakt; en nu kwam de knecht, die »alleen voor de tafel” was, met een servet in de hand en witte katoenen handschoenen aan, berichten dat er gediend was.Allen stormden nu naar binnen; voor de meesten was dit etensuur een zeer ongewoon, voor geen van allen was het iets onverschilligs dat er aan het sammelen en heen en weer drentelen, dat ieder feestelijk diner voorafgaat, een eind was gekomen.Mr. Pierrotain-Cham, zooals het nu bleek, dat hij zich liet noemen, trad het laatste binnen aan den arm van zijn eersten vriend en beschermer, den kunstschilder N., den man, die terstond van hem de getuigenis had gegeven, datle feu sacréin hem gloeide en die het zijne had gedaan om dat aan te wakkeren.Nog vóór het groote diner in vollen gang was, kwam het dienstmeisje, nu met eene heldere muts op en hagelwitte voorschoot aan, het vischgerecht opbrengen bij onze vrienden. Heerlijke waterbaars, met fijne Hollandsche boterhammetjes, prachtige sausbaars en de onmisbare aardappelen, opgedischt in eenvoudig wit Engelsch aardewerk, was wel geschikt om den eetlust op te wekken van lieden, die een paar uur rijdens en eene fiksche duinwandeling achter zich hadden. Sir Reginald liet zijn portwijnditmaal waar die was en waagde zich aan den muscaat- en rijnwijn, door meester Baptist als extra aangewezen. Hij bevond er zich wel bij, had schik in alles, maakte Trijntje nu zijn compliment over haar zilver, dat als spiegelglas blonk, bewonderde het fijn damasten tafellaken, dat den slag van Praag voorstelde en dat zeker al in menige aanzienlijke familie dienst had gedaan eer het in de linnenkast van het dorpslogement was terechtgekomen. Frits, ondanks alle zijne tribulaties, voelde zich zeer gezind om met de optimistische luim van Wilkinson in te stemmen, en onder den smakelijken maaltijd, den opwekkenden wijn, begon hij zijn goed humeur en zijne vroegere levendigheid te herwinnen.Trijntje bracht nu een enkelenplat-douxen het eenvoudig dessert binnen, met de bijvoeging: »dat de heeren maar schellen moesten als ze nog wat anders bliefden.” Frits kon niet nalaten haar een paar vragen te doen omtrent den gang van het groote diner en of zij ook zoo omtrent nagaan kon wanneer dat afgeloopen zou zijn.»Gunst neen, mijnheer! daar is nu nog niets van te zeggen. U moet denken dat’s een volslagen diner; ze zijn pas aan de sla met gebakken paling, ze moeten nog pudding hebben, en dan aan ’t dessert, zoo velerlei vla en gebak, en zooveel gepraat, dat zij toosten noemen, en misschien wel verzen ook, en dan ligt er achter nog een mooie groene krans; die zullen ze, geloof ik, den vreemden heer op zijn hoofd zetten; dan wordt er tusschen dat alles druk gedronken, en ziet u, dat neemt nog al tijd; de diners hier duren altijd tot laat in den nacht.”»Dat spijt mij, dan zal er wel geene gelegenheid zijn voor ons om dien schilder eens te spreken.”»Wel, mijnheer! dat zou nog wel gaan, denk ik; als wij het dessert opbrengen houden ze pauze, om het zoo’n beetje te vertreden, denk ik; dan slenteren ze zoo wat in de kolfbaan, in de billardkamer, op het plein voor ’t huis.... en dan zouden de heeren makkelijk een praatje met hem kunnen maken; maar volgens den dienknecht moet hij al een heele rare snaak zijn, zoo’n halve comediant; hij laat ze daar binnen lachen en huilen zooals het hem invalt. Jan kwam zoo pas in de keuken vertellen, dat hij aan den gang was met pastoor Harding uit de stad, en dat hij dien zoo bleek had zien worden als zijn servet.”»En weet je mij ook te zeggen hoe zijn naam is?” viel Frits in met zeker ongeduld.»Niet precies! Die luidt zoo wat op zijn Fransch. Volgens zeggen van Jan moet hij een burgerjongen uit E. wezen, dien ze Frits Millioen plachten te noemen.”»Neen! die is het zeker niet. Dat moet eene vergissing zijn!” viel Frits uit, terwijl eene zonderlinge ontroering in zijne stem trilde.»Ziet u, mijnheer!ikhoor het zoo maar van Jan vertellen tusschen al die drukte in, ik zal niet goed verstaan hebben; maar het is een rare naam, dat’s waar, het zal wel zooveel als een bijnaam zijn; bij ons.... weet u, mijnheer! ik kom zoo wat om de Noord vandaan, boven Schagen; bij ons, hadden we een jongen, die ze Hein Zes’thalf noemden, omdat hij eens in de schellingskraam met een zes’thalf had willen betalen;” en Trijntje lachte dat hare witte tanden er van te zien kwamen. Zelfs voor Frits was die gulle lach aanstekelijk; hij glimlachte zijns ondanks, maar zijn lust was verloren tot verder onderzoek bij haar.»Als de heeren maar blieven te schellen zoo ze nog iets noodig hebben,” sprak het meisje, ziende dat haar discours niet langer werd begeerd; »ik moet nu helpen aan het dessert.”»En toch is mijn verlangen om van dien man meer te weten sterker dan voorheen!” zei Frits tot zijn nieuwen vriend.»Wel, daar zal zeker wat op te vinden zijn, al zouden wij tot morgenochtend hier moeten blijven; het komt mij daarenboven voor, dat gij rust noodig hebt, en of gij nu een dag vroeger of later te Amsterdam komt, doet er immers niets meer toe?”»Vóór ik mijne papieren had kon ik geen stap doen tot dat andere....” zei Frits. »Ik heb nu den tijd aan mij zelven, aan u....”»Begin maar met hem uw kaartje te zenden en te vragen wanneer hij u eenige oogenblikken geven kan. Is hij dan dien gij meent en wil hij zich de dagen zijner jeugd herinneren, dan is alles in order, en hij zal u zijn tijd aanduiden. Hebt gij u vergist, dan zal hij u uit den droom helpen en ons mogelijk gratis zijne kennismaking accordeeren.”»Ik ben waarlijk niet eens van kaartjes voorzien,” zei Frits met eenige verlegenheid.»Dat beteekent niets, hier is het mijne; schrijf een paar woorden op de keerzijde met potlood; hier.... neen!.... wacht, niet simpel Wilkinson, dit is beter: Sir Reginald Peter Wilmot van Desborough, Baronet.”Terwijl Frits schreef, schelde Sir Reginald.Ditmaal kwam meester Baptist Meijer in eigen persoon binnen.Zijne bedienden waren bezig met het arrangeeren van het dessert. Hij kwam zelf de orders van »Mylord” vragen.Daar hij zich in vrij vlug Fransch tot Wilkinson wendde, antwoordde deze zonder de moeite te nemen van de onjuiste titulatuur te rectificeeren.»Hebt gij goede kamers voor ’t geval dat we hier blijven logeeren?”»Tot uw dienst, Mylord! Mylord zal tevreden zijn, ik weet wat heeren van rang toekomt.”»Heel goed, want het zou kunnen zijn, het hangt in zekeren zin af van het antwoord dat gij ons van den schilder zult brengen, zoo gij in de gelegenheid zijt hem dit kaartje te overhandigen.”»Ik zal er voor zorgen, Mylord.”»Hoe noemt hij zich eigenlijk?”Baptist haalde de schouders op. »Hij laat zich noemen Mr. Pierrotain-Cham; maar dat is zeker zijn echte naam niet, want hij is een Hollander en heeft nog een vader wonen te E.”»Dat’s nu weer eene geheel andere lezing” merkte Wilkinson aan.»Ik begrijp er niets van,” zei Frits.»Niets meer van uwe orders, Mylord?”»Hebt gij drinkbare champagne, master Baptist?”»Om u te dienen, Mylord! uit hetzelfde kanaal als mijnheer de Baron Dufresne, mijn vroegere meester, die om zijn kelder beroemd was.”»Arme man!” zei Sir Reginald glimlachend, »die beroemdheid zal hij niet gratis verkregen hebben; maar ’t is wèl, breng ons een flesch, en zorg dat die den smaak van den Baron geen schande aandoet.”Eenige minuten nadat Baptist zich verwijderd had om de orders van »Mylord” te volbrengen, kwam de knecht, die »alleen voor de tafel” was, in eigen persoon met zijn servet over den arm en zijne witte handschoenen aan, de champagne brengen en ontkurken.»Is ons kaartje aan den schilder gebracht?” vroeg Wilkinson.»Ja, mylord! hetisgebracht,” sprak de Jan ook met de buigingdie hij van zijn meester had afgezien, en zweeg meesmuilend met een gezicht of hij er nog iets had bij te voegen.»En wat is het antwoord?” vroeg Frits in zekere spanning.»Een raar antwoord, mijnheer! Mijn meester heeft mij verboden het over te brengen.”»Zooveel te noodiger is het ons te weten.”»Om de waarheid te zeggen, mijnheer! zei hij zooveel als dat de Engelsche lord naar de maan kon loopen en is daarop een Fransch liedje gaan zingen, tot groot vermaak van de overige gasten. Mijn meester gelooft dat hij de hoogte moet hebben om zoo’n astrant antwoord te geven aan een voornaam heer; maar ik heb gemerkt dat hij veel minder drinkt dan een van de anderen; hij zet maar even zijn mond aan ’t glas en als ze hem plagen om te drinken, weet hij zóó te goochelen, dat de wijn op den vloer terechtkomt, zij merken het niet, maar ik.... ik merk het wel!”»En weet gij zeker, dat hij goed gelezen heeft wat er op het kaartje stond?” vroeg Frits zichtbaar teleurgesteld.»Ik denk wel van ja, mijnheer! maar hij heeft het met een knorrig gezicht naast zijn bord geworpen en daarop mij die gekke boodschap gegeven, die ik niet overbrengen mocht; als er ongenoegen over komt, hoop ik dat de heeren zeggen zullen, dat ze er mij toe gedwongen hebben. Excuseer, ik hoor schellen, dat is bij mijn meester; nu zal er pauze zijn en wij gaan het dessert opbrengen,” en schielijk maakte de Jan rechtsomkeert, in zijne vaart echter plotseling gestuit door iemand, die met gelijke drift de kamer binnenstoof en die hem bijkans omverstiet. Het was de excentrieke kunstenaar in eigen persoon, die met uitgestrekte armen in eens door naar Frits toeliep, aan zijn hals viel en uitriep:»Dat’s nu eens braaf van je gedaan, Frits! Dat doet je hart eer aan zoo’n ouden kameraad te gedenken, en je weet niet hoe goed hetmijdoet.”»Zoo heb ik mij dan toch niet vergist,” hernam Frits nu ook gul en levendig, daar hij de oprechtheid dier blijdschap las in de sprekende trekken, in de glinsterende oogen van zijn schoolmakker, in wien hij, hoe ook veranderd en vervormd, nu toch den eigen Piet Snibs herkende. »Wel, Piet! ben je het toch, ik vreesde zeer mij bedrogen te hebben, ik vreesde al dat ik den verkeerde voor had.”»Neen, neen! gij hebt goed geraden, ik ben de eigen kwajongen, waarmee je zoo dikwijls gevochten hebt en die menigen stomp aan je te danken heeft en jij misschien wel eens een blauw oog of een neusjebloed aan mij!C’est égal! c’est de l’histoire ancienne, sans rancune.Daar lachen we nu om, niet waar? en ’t herdenken er van is pret, na al het andere wat we doorleefd hebben, vindt je dat ook niet? Ben je al lang hier? Hoe jammer dat je mij niet eerder gewaarschuwd hebt, ik had je dan aan die heeren genoemd, en gij zoudt mijn gast zijn geweest.”»Dat had toch niet kunnen zijn, ik heb een reisgenoot, vriendlief! dien gij over ’t hoofd ziet,” hernam Frits glimlachend, en Piet een wenk gevende dat hij zich omkeeren moest daar deze met den rug naar Sir Reginald had gestaan, die met echt Britsch flegma de zwijgende toeschouwer van het tooneeltje was geweest.»Un million d’excuses, monsieur!” sprak Piet, zich nu haastig omkeerende, even het hoofd buigende, zonder den hoed af te nemen, dien hij als een bestanddeel van zich zelf scheen te beschouwen.»Sir Reginald Peter Wilmot, vanDesborough-Castle, Baronet,” hervatte Frits, met zekeren nadruk op den titel, als om Piet te beduiden dat hij wel wat meer beleefd kon zijn.»Zeker de Maecenas van mijn kunstbroeder,” sprak deze nogmaals met eene lichte hoofdbuiging, »enchanté, mylord!”»Doe u zelven geen geweld aan, master Pierrotain-Cham,” sprak Sir Reginald opstaande, »ik zal mij verwijderen, ik verlang geenfâcheux troisièmete zijn, en ik heb begrepen, dat ik in mijne kwaliteit van Engelsch edelman het ongeluk heb gehad uwe antipathie op te wekken,sans rancune. Ik heb eerbied voor eene kunstenaarsluim!” en hij wilde heengaan.»Dix mille millions d’excuses!” riep nu Pierrotain-Cham, zooals wij hem nu ook maar zullen noemen, in den weg tredende, en zekere verlegenheid onder die exageratie verbergende. »Hoe komt Uwe Lordschap aan deze opvatting?”»Wel, ik heb gehoord van den noodlottigen indruk, dien het zien van mijn kaartje op u heeft gemaakt.”»Oimè, daar gaat mij een licht op!trahison! perfidie!” galmde hij uit, den eersten zanger in de Robert parodiëerend, »die lakeien-ziel heeft mijne eerste verwonderde exclamatie overgebriefd! Mylord! nu moet ik alles opbiechten opdat er volle absolutievolge. De lompert steekt mij het kaartje toe met uw naam en titels, er bijvoegende, dat die heer mij op staanden voet spreken wil. Ik, die om een vriend weer te zien een uur ver zou loopen en een heelen dag zou willen vasten, zag er voor mij volstrekt geene noodzakelijkheid in, om op commando van den eersten vreemdeling den besten, omdat hijBaronetachter zijn naam voert, van een diner op te staan, waarvan ik, nota bene! de held ben! Ik lach bijgevolg om den eisch, voeg er eenige invectieven bij die niet precies vleiend zijn voor den Baronet, die zich aanmeldt en hef al lachende het refrein aan van een koor uit eene opera, dat wij in onze schildersbent nogal eens opdreunen, als protest tegen de klimmende Anglomanie onder de Parijzenaars.” En met kluchtige ateliersverve declameerde Piet de welbekende regels.Daarop nam hij met een ondeugendsérieuxzijn hoed af, schudde de gladde zwarte leeuwemanen achterwaarts en sprak even de knie buigende op een half eerbiedigen, half moedwilligen toon: »Excusez, Mylord! les peintres sont des fantasques, maar ze weten berouw te toonen en ze schijnen soms erger dan ze zijn; ik had niets tegen den Lord, ik had alleen tegen het ontbod op commando van een vreemdeling; toen ik mijn toorn had lucht gegeven, viel mijn oog weer op het kaartje, dat ik toevallig omgekeerd neergeworpen had, en ik zag den naam van Frits Rosemeijer, van den ouden kameraad! Toen wierp ik mijn servet over mijn bord, mijn glas over het tafellaken en deserteerde eer de schel voor de pauze nog had geklonken, om mijn ouden Frits in de armen te snellen. Heb ik mijne absolutie, Mylord?”»Ten volle, mits gij penitentie doet, een glas champagne met mij drinkt en er voortaan aan denkt, dat ik geen recht heb op den titel van Lord, en dat ik op reis simpellijk Master Wilkinson ben; onderwerpt gij u aan de boetedoening?”»Yes, Sir! met alle gewilligheid, ik zal met u klinken, maar wat drinken betreft:beg pardon if you please!en nu, mag ik verder Fransch spreken? want ik heb om de waarheid te zeggen al mijn Engelsch in eens uitgekraamd, en Frits zal u zeggen dat het voor den Piet Snibs, dien hij gekend heeft, al heel veel is, zoo hij zich in ééne vreemde taal weet uit te drukken.”»Spreek precies wat gij wilt en zooals gij wilt, ik versta zelfs een woord of wat Hollandsch, dus geneer u niet. Gij weet niethoe het mij verheugt die twee jongelieden bijeen te zien in wier geschiedenis ik geen vreemdeling ben. Master Frits Rosemeijerisreeds mijn vriend, master Pierrotain-Cham zal het, hoop ik worden.”»Ik ben er al mee bezig, Sir!” zei Piet, nadat zij geklonken hadden, en nadat hij even zijn glas aan de lippen had gebracht, terwijl Frits en Wilkinson er geen bezwaar in vonden de hunne te ledigen.»Meen nietque je fais la petite boucheuit hypocrisie of om als model van matigheid te poseeren,” ging Piet voort, »maar ik heb nog een heel dessert voor mij, en ik ben toch al zoo druk, zoo opgewonden; alles vibreert, alles resonneert in mij, ik heb honderd goede redenen om daar ginds bij die anderen kalm, waakzaam, mij zelf te zijn en toch reeds het weerzien van eene figuur uit mijne sombere kindsheid zet mij een roes aan. Goden en menschen! wat een tijd, welke herinneringen!” Toen, zich tot Frits keerende, viel hij op eens uit, terwijl hij hem op den schouder klopte. »Millioentje! Millioentje! wat zijn we allebei een eind opgeschoten! Wat hebben we al een weg gemaakt sinds ik jaloersch van je was omdat gij weggingt, terwijl gij mij in stilte benijddet omdat ik blijven mocht! Ja, ja, Frits! wij behoeven er nu geen doekjes meer om te winden, gij waart de uitverkorene, maarikhad de roeping, en dominé Willems zaliger was eenwould-be-kunstbeschermer, die niet verder zag dan zijn neus lang was.”Terwijl hij luisterde naar Piet Snibs in Pierrotain-Cham gemetamorphoseerd, had Frits een gevoel als iemand, die in een draaimolen zit en wien het schemert voor de oogen. De drukke hartelijkheid van den ouden bekende, met wien hij meer getwist dan gespeeld had, trof en verraste hem, maar tegelijk voelde hij zich als overbluft door den lossen, vrijen toon van den kunstenaar, dien hij zich nog zoo goed kon voorstellen als den gedrukten, lijdenden, linkschen, armelijk gekleeden Piet Snibs, en de levendige, schalke, overmoedige persoon, die daar nu voor hem stond, in eene kleedij die wel wat excentriek maar toch elegant was, had zoo weinig overeenkomst met de droevige figuur die hem in ’t geheugen lag, dat hij, die zijn eigen positie alles behalve glansrijk vond, zijn aplomb er door verloor, en het woord niet meer wist te vinden om in dien opgewekten toon in te stemmen; maar nu de roekelooze hem als uittergde om het voor zijn overledenvriend op te nemen, kon hij zich niet weerhouden te zeggen:»Het is waar! dominé Willems was meer goedhartig dan helderziend, maar zijne profetie omtrent u is toch wel bewaarheid geworden!”»In welk opzicht dan toch? Als ik ooit een profeet had te schilderen, zou ik er zeker geen Willems voor laten poseeren.”»Ik evenmin; maar toch.... heeft hij je niet voorspeld dat je nog eens door de Roomschen zoudt ingepakt worden? En nu, mij dunkt het is er al mooi toe gekomen.”»C’est vous qui l’avez dit” declameerde Piet, »maar het bewijs er voor,mon cher?”»Het bewijs? Mij dunkt, dat is niet ver te zoeken....”»Bah! dat dinertje, mij door een pastoor en zijne kerkvoogden aangeboden, omdat ik eene schilderij voor hunne kerk heb gebracht?”»Zouden zij er toe gekomen zijn, zoo gij u niet door de geestelijkheid liet voortkruien?”»Le cas est pendable!ik erken het, maar ben ik er u rekenschap van schuldig?”»Dat bedoel ik niet, maar toch, gij zult mij niet wijs maken dat gij onder dat alles door, trouw hebt gehouden aan uwe protestantsche belijdenis?”»Dat’s een krasse consciëntie-vraag, Frits!” sprak Piet, even het hoofd schuddend, »mij te gewichtig om onder een glas champagne behandeld te worden, maar al zou ik nu ook kortheidshalve toestemmen, dat er werkelijk met mij gebeurd ware wat dominé Willems heeft voorzegd, dan nog zouhijdaarom geen profeet zijn, want ik zelf heb het hem vooruit gewaarschuwd, dat ik mij tot de Roomsche kerk zou wenden, zoo zij mij te hulp kwam om mijne zucht voor de kunst te bevredigen!”»Dat is zoo in de manier van de kunstenaars in de middeleeuwen, die hunne ziel aan den duivel verkochten om de macht te krijgen onnavolgbare meesterstukken voort te brengen.”»Zoo omtrent hetzelfde, althans naar de beschouwing van zeker bekrompen protestantisme, zooals de brave Willems het zijn leerlingen ingoot,” repliceerde master Cham droogjes, en zijn glas nemende.»Zie toch, master Wilkinson! hoe weinig gij op mij rekenen kunt; ik moet uw champagne drinken, want mijn kunstbroeder dáár doet me herdenken aan al het lauwe water, dat ik in mijne leerjaren heb moeten slikken, en ik word er opnieuw wee van!”»En dominé Roestink?” hervatte Frits, die de vervolging nog niet opgaf. De wortel van bitterheid, eens in zijne ziel opgeschoten, liet zijn prikkel voelen bij de minste aanleiding. Hij maakte zich diets dat hij ijverde voor de goede zaak der moraliteit en der religie, maar inderdaad was het alleen een onbewust verweren van zich zelf tegen eene superioriteit die hij, zijns ondanks, moest erkennen; dan, wij vielen hem in de rede, terwijl hij is voortgegaan, »dominé Roestink,uwvriend en beschermer zooveel hij vermocht, zoudt gij dien nu onder de oogen durven komen?”Piet klemde de lippen samen, bekeek zijnen hoed, dien hij op den schoot had gehouden, en drukte dien onmeedoogend plat. Eerst toen Frits had uitgesproken, hief hij zijne oogen op, zag hem aan met een doordringenden blik, waarin iets als weemoed en teleurstelling te lezen stond, en antwoordde toen, terwijl hij even de schouders optrok:»Als gij mij beter kendet, Frits! zoudt gij mij zeker die vraag niet doen; wat dominé Roestink betreft, ik heb zeer naar hem geïnformeerd, en zou hem zeker een bezoek gebracht hebben, terwijl ik in de provincie zwierf, maar ik vernam, dat hij nu in den Haag woont, en mijn weg leidt ditmaal dien kant niet uit; ik zou daar protectiën en connectiën vinden, die mij verder zouden brengen dan ik nu nog wezen wil. Ik ben in ’t bezit van het effect, maar ik moet de coupons niet afknippen voor zij verschenen zijn.”»Gij gelooft dan waarlijk dat dominé Roestink u nog met goede oogen zou aanzien, hij die overal bekend is om zijn ijver voor de Gereformeerde kerk!”»Dominé Roestink! och wat praatgijvan dominé Roestink!” viel Piet in met ongeduld, terwijl hij zijn gemartelden hoed driftig op den grond wierp, »dat’s een predikant zooals mijn ideaal van een schilder is, breed en diep!”»’t Is toch te hopen dat hij wat beter rekent met de proporties dan gij, want zoo hij in ’t geestelijke met zulke steenen gooit, als welke gij uwe Joden tegen Stefanus laat opnemen, danloopt zijne gemeente gevaar om vermorzeld te worden,” viel Frits uit met snerpende bitterheid.»Wel dat is juist het vereischte eener goede prediking, naar het mij voorkomt,” antwoordde Piet ernstig, maar het persoonlijke van den aanvang ter zijde latende; »de hoorders te verbrijzelen, om ze daarna met Stefanus den geopenden Hemel te doen aanschouwen! Wie niet in staat is dezen weg met zijne gemeente te gaan, behoorde, mijns inziens, niet eens den predikstoel te beklimmen.”»Heel goed, maar dat’s nog geen reden voor een schilder om een martelaar te steenigen met rotsblokken, zooals geen mensch in staat is ze te tillen.”»Hm ja! ik had gladde keitjes moeten geven, heel rond, heel glanzig, heel doorzichtig, niet waar? Zoo iets dat de toeschouwer van de gewone soort »heel mooi” vinden zou, en waar hij volstrekt »niet akelig” van werd.”»Ja, ik vat uwe intentie wel, gij hebt gigantiek willen zijn en gij zijt alleen protesk geworden! Gij hebt eene voorstelling gegeven die aan wezens uit de voorwereld doet denken, en gij hadt ons verbasterde Joden moeten laten zien uit het eerste Christelijke tijdperk.”»En zoo ik nu eens de brutale kracht van het fanatisme had willen symboliseeren, als repoussoir van de bovennatuurlijke kracht des geloofs om te lijden, om te vergeven, om God te verheerlijken?” en des kunstenaars oogen straalden van zonderlinge geestverrukking, terwijl hij ze onwillekeurig naar boven hief, als werden deze woorden niet voor zijn toehoorder gesproken, »maar,” vervolgde hij, op eens in geheel veranderden toon, terwijl hij zijn hoed weer opzette en over zijn stoel leunen ging. »Gij zijt dus mijne schilderij in de kerk gaan zien; dat is een bewijs van belangstelling waarvoor ik je dankbaar ben.”»Het zou onoprecht zijn van mij dien dank aan te nemen,” zei Frits verzacht en wat beschaamd, »de nieuwsgierigheid van master Wilkinson en de mijne was gaande gemaakt, en wij konden toen zelfs niet vermoeden, wie zich onder het pseudoniem van Cham verschool.”»En nu gij weet dat het niemand anders is dan de rebellische zoon die zijn moeders huis ontvlood en zijn moeders toorn op zich laadde, dan de arme martelaar Piet Snibs, zult gij dat pseudoniem niet meer zooongerijmdvinden, niet waar?”»Volstrekt niet, integendeel! het is mij zeer begrijpelijk dat gij daarop zijt gekomen; maar ik wil toch hopen dat uwe moeder zich beraden heeft, en dat gij met elkander verzoend zijt vóór haar dood?”»Laten we daar nu maar niet van spreken, Frits!” zei Piet, terwijl hij zich afwendde; »veel tijd heb ik niet meer, gij hebt nu mijn werk gezien, ik behoef je niet te vragen hoe gij het vindt; zelfs al had ik het uit uwe aanmerkingen niet reeds begrepen, toch zou ik het kunnen opmaken uit de opleiding die gij zelf hebt gehad, den kring waarin uw smaak is gevormd; bij mijn weten heb ik nooit van uw werk gezien, gij kunt uw eigen weg zijn gegaan zooals ik, maar toch er is iets dat mij vermoeden doet, dat gij in ’t klassieke cirkeltje zijt blijven rondloopen, terwijl ik tot de school behoor, die den moed heeft genomen met de oude steile tradities te breken. Dit reeds moet een vandalisme zijn in uwe oogen en kan oorzaak wezen dat mijn werk u mishaagt. Maar ik wil toch weten wat gij er verder op hebt aan te merken, en master Wilkinson zal mij genoegen doen van er ook zijn oordeel over te zeggen?”»Bah! Master Cham! ik vrees dat gij de critiek van een leek versmaden zult.”»Een kunstenaar die de critiek versmaadt, is als de zeeman die niet velen kan dat de wind in zijne zeilen blaast, al zou ’t ook tegenwind zijn; in den strijd met de elementen leert hij overwinnen en dat brengt hem verder; platte kalmte alleen, loodzware stilte, is voor beiden verderfelijk.”»Ik voor mij heb meer stof gevonden om te bewonderen, dan te laken,” zei Wilkinson; »naar mijn gevoelen is uwe schilderij een kunstgewrocht dat zeker gebreken heeft, maar die door groote kwaliteiten zijn goed gemaakt; het geeft reeds veel en belooft meer, men heeft voortaan recht het hoogste van u te eischen en mij dunkt, gij zijt deforceom aan die verwachting te voldoen.Tes pareils à deux fois ne se font pas connaître.Gij kent zeker de regels uit denCid?”»Helaas ja! ik heb ze meer dan eens hooren aanhalen, waar het bij den meesterlijken »coup d’essai” is gebleven; ik dank u, Sir! voor het compliment, maar gij gaat om de schilderij heen met de welwillendheid van een dilettant; mijn confrère zal er dieper inkomen en hij heeft ergerlijke delicten aan te wijzen, ikzie het aan zijn wenkbrauwfronsen. Voor den dag er dan mee, Frits! je weet dat ik tegen blauwe plekken kan; de moederliefde heeft er mij aan gewend, mijne eigenliefde is niet kleinzeeriger dan mijn lichaam. Vindt je ’t eencroûte?”»Dat weet ge wel beter. Gij zoudt mij voor eencrétinhouden, als ik dat zei; er is licht, er is ruimte op je doek, en er zijn zwarigheden overwonnen, die.... die een ander zichzelf niet zou gemaakt hebben; maar, mijn Hemel! wat zal ik je zeggen, daar is zoo iets brutaals en baroks in; onder pretekst van sterk coloriet is het zoo woest en schril, al het licht op ééne figuur gebracht en al het overige in zeker mysterieus waas gelaten, iets alsof de blauwe lucht op de figuren had afgegeven, en daarbij die bizarre groepeering, die gewaagde poses!”»Ik erken dat ik het alledaagsche heb versmaad, maar gij zult mij toestemmen, dat ik een recht had naar wat anders te zoeken dan naar dat conventioneele, daar we nu al zoolang aan sukkelen, en dat in elk geval dat tooneel toch wel zóó heeft kunnen voorvallen.”»Ja, maar het had toch nooit zóó blauw moeten voorvallen.”»Gij kunt gelijk hebben,” antwoordde Cham, met een glimlach, »ik zal een beetje misbruik gemaakt hebben van het ultramarin.”»Een beetje! gij zijt wel toegefelijk! Het grimt me aan of je Berlijnsch blauw hebt gebruikt.”»Wat wilt gij! de hartstocht voor decouleur locale, dat’s de fout van ons allen, leerlingen van de la Croix; wij zijn allen verliefd op deOrientalesvan Victor Hugo, wij winden ons op met Oostersche luchten en Zuider zonnegloed en ... en....”»Couleur localezooveel gij wilt, maar gij zult mij nooit wijs maken dat de hemel in ’t Joodsche Land uit donkerblauw glas is samengesteld!”»Ma voûte azuréekan je niet behagen, dat merk ik duidelijk; op een anderen keer zal ik aan u denken en trachten naar meer fijnheid en doorzichtigheid.”»De aanmerking van master Rosemeijer is eigenlijk eene lofspraak!” viel Wilkinson in. »Ik die in Indië gewoond, in Afrika gereisd heb, kan u verzekeren, dat een schilder op dit punt veel kan wagen zonder te overdrijven, en dat men licht voor eene charge zou kunnen aanzien, wat niets was dan de natuur op de daad betrapt!”»Dan zal ik het mishebben,” hervatte Frits eenigszins korzel; maar in ’t Oosten als in ’t Westen zijn menschenmenschenen de figuren zijn er op gegooid,nietgeteekend.”»Niet gepeuterd!” viel Cham in; »maar ik begrijp dat dit eene ergernis is voor u. Wat mij aangaat, het gladde, het geijkte:ce n’est pas là ma partie.”»In verhouding tot dien forschen Stefanus, is uw Saulus eene nietige, bleeke gestalte, die niet eens geacheveerd is.”»Hij staat nogal op den achtergrond en gij moet bedenken, dat ik den man heb willen geven die een doorn in het vleesch draagt; ik stel mij voor dat het juist tot dit zwakke, teere, lijdende wezen is, dat alleen leeft door de geestdrift waar de ziel van gloeit en die het lichaam verteert,—dat het tot dit naar ’t stoffelijke misdeelde wezen moet gezegd zijn: »Mijne genade is u genoeg,” en »Mijne kracht wordt volbracht in uwe zwakheid.”»Bravo!” riep Wilkinson, »zoo mag ik dat een schilder rekenschap geeft van hetgeen hij gewild heeft.”»Ja, maar ook in dezen is er tusschen het willen en in ’t volbrengen nog een wijde kloof,” sprak Frits met zekere heftigheid.»Hier althans meende ik mijn doel getroffen te hebben,” hernam Cham kalm, maar met fiere zelfbewustheid.»Ongetwijfeld! als gij een geëffaceerden Saulus bedoeld hebt,” hield Frits vol. »Men zou niet eens naar hem zien, ware ’t niet dat er bij toeval op zijn hoofd wat van dat licht viel, waarmee gij uw Stefanus als bij uitsluiting begunstigd hebt.”»Welnu, dat is ook zoo. Maar niet bij toeval, met opzet laat ik hier een enkele straal op hem vallen van dat hemellicht, dat hem welhaast het vleeschelijk oog zal verblinden om later de oogen des geestes te openen en volkomenlijk te leeren zien! Ik voor mij geloof, dat Stefanus ook voor Saulus niet tevergeefs heeft gebeden.”»Ik zie daar geen ketterij in, als gij het met uw biechtvader kunt vinden.”»Mijn biechtvader!” herhaalde de schilder met een laatdunkend hoofdschudden.»Maar in ieder geval houd ik niet van schilderijen, die zooveel uitleg noodig hebben om begrepen, om gevoeld te worden,” vervolgde Frits; »deze kunst is er eene voor ’t aanschouwen en ik moet alles terstond kunnen zien.”»Alsgij zien kunt;voilà la question!”»Ik kan tochwélzien, dat er iets ruws en hards is in uwe wijze van doen, alsof gij met losse hand, metnonchalancehet penseel hanteert; met één woord, of gij geen beginsel hadt, geene eigenlijke manier!”»Ah! voilà le grand mot lâché, geene manier! O, gij klassieken, wat zal er nog veel gebeuren moeten eer gij ons romantieken begrijpt, erkent en.... waardeert, mag ik er bijvoegen. Wat mij betreft, elkemanier, iedere methode, die de inspiratie aan banden legt, is mij te eng. Breken met de oude steile tradities, zou mij eene behoefte zijn geweest, al ware ik niet in de school van de romantieken thuis geraakt. Om mij zelf te zijn, ontvluchtte ik mijneeerstemeesters te Antwerpen, trok naar Parijs en raakte aan de zijde der opkomende richting, zooals vanzelf sprak, maar ik ben niet haar blinde proseliet, die hethors de nous point de salutvoortzegt. Ik streef naar waarheid, ik zoek mijne gedachte uit te drukken zoo ik het best kan, ik verlang gloed en leven op mijn doek te brengen; is het vreemd, dat ik liefde heb voor een sterk coloriet; ik haat het conventioneele, realiteit is mijn wachtwoord; ja, zeker! maar geen plat realisme, reine waarheid! leven, maar het ideale leven, geene gedrochten onder voorwendsel dat niets mooi is dan het leelijke! Gij ziet dus wel, dat ik geenâme damnéevan de romantiek ben, al zie ik niet waar ik beter mijne plaats zou vinden dan in haar kamp!”»Maar romantiek of niet, waarom laat gij Stefanus bidden in eene onmogelijke pose?”»Het evangelisch geschiedverhaal wijst die aan.”»Heel goed, laat hem knielen, daar heb ik niets tegen; maar waarom de armen over de borst gekruist en de oogen neergeslagen, in plaats van ze ten Hemel te wenden?”»Precies! om u te voldoen (en zeker hebt gij hier de vulgaire menigte aan uwe zijde) had Stefanus de beide armen naar den Hemel moeten uitstrekken als een drenkeling, die naar de dregge grijpt, en de oogen opgeheven houden tot men niets dan het wit te zien krijgt; ik ken die poses! Helaas! Tot welke school zij behooren, wijs ik niet uit, want er is geene waar zenietuit voortkomen; zeker is het dat men er op alle exposities exemplaren van te bewonderen krijgt. Begrijpt men dan niet, dat wie zich voor God stelt in zulke ure, met zóó heilige bede, de innigstegemeenschap met den diepsten ootmoed samenpaart. Behoeft het oog de lucht te zoeken, opdat de geest den Heere Jezus zie? Stefanusvoeltde nabijheid van zijn Heer, in de volheid van den Heiligen Geest, die hem vervult, in de kracht, die hem is geworden, in de heiligheid om in navolging zijns Heeren voor zijne vijanden te bidden; behoeft hijgesteste maken, terwijl hij zich stervende voelt? behoeft hij de oogen te verdraaien om te weten watwij zien, dat hijin het lichtis?—dát licht der wereld, schijnende in de duisternis, en door de duisterlingen niet begrepen, niet gezien.”Wilkinson had toegeluisterd in diepe aandacht met sprekende belangstelling. Hij had zijne plaats aan tafel verlaten en stond nu vlak voor den schilder, als om hem de woorden uit den mond op te vangen. Toen deze zweeg, stak hij hem beide handen toe, terwijl hij Frits aanziende, tot dezen sprak:»Heb ik het u niet gezegd, master Rosemeijer! dat hij een Christen was!”»Hebt gij dàt uit mijne schilderij kunnen zien?” vroeg Cham, opspringende, met tranen in de oogen en zijn hoed achterover werpende. »Wees daarvoor gedankt! het hoogste loon wat ik voor mijn werk begeer is, dat men er mijne ziel in zie, en God verheerlijke, die de gever der gaven is.”En Frits?Was de vrome ernst, de diepe gemoedelijkheid van den kunstenaar, het middel om hem te ontwapenen, zijn vooroordeel weg te nemen en de vergiftige plant van de afgunst in zijne ziel te ontwortelen? De middelmatigheid is niet zeer bereid zich gewonnen te geven, zij is te traag en te bekrompen om snel tot eene grootsche beweging des gemoeds te besluiten; en toch, Frits moest zich nú beslissen om Piet Snibs, die zich Cham had bijgenaamd, te erkennen voor hetgeen hij was, of zich voor altijd van hem af te wenden in een gevoel van bitterheid en onbestemde antipathie, dat in haat dreigde te ontaarden. Maar Frits mocht een mislukt kunstenaar zijn, een mislukt mensch was hij niet, en zijn hart was groot genoeg om in de worsteling van egoïsme en ijverzucht tegen zijn beter gevoel de overwinning te brengen aan de zijde waar zij behoorde. Hij wierp zich aan de borst van den ouden schoolmakker en riep uit onder tranen:»Ja! gij zegt wél: God heeft hetugegeven! gijzijteen grootkunstenaar, gijzijteen beter mensch dan ik, ik erken het nú, ik wil het voor de gansche wereld erkennen. Wat ik tegen de schilderij had was niet wat ik er onder zooveel vinnigen spot in misprezen heb; maar dit ééne, dat zij onnavolgbaar is voor mij, dat gij vermoogt te geven wat ik tevergeefs heb gezocht. Al had zij ook honderd gebreken, het is een kunstwerk, dat leeft en leven zal.....”»MijnheerPierokam? Pastoor Reinfelt en de andere heeren laten u vragen of gij aan het dessert komt?” Met deze oproeping kwam de dienknecht het onderhoud storen. Frits zweeg plotseling en wilde zich afwenden, maar Cham liet hem dat niet toe; hij bleef zijne handen in de zijnen vastklemmen en wendde zich knorrig tot den Jan.»Eh, l’ami, kunnen die heeren hun dessert niet gebruiken zonder mij?”»Niet best, mijnheer Pierokam, om u te dienen! want ze hebben ook nog eene verrassing voor u....”»Diable! eene verrassing! dat’s erger!” en Piet Cham maakte eene tragisch-comische mine; »maar die verrassing kan immers wel op het laatst komen; ik beloof u, dat ik er even verrast om zal zijn; zeg aan die heeren, dat ik een oud vriend heb ontmoet, aan wien ik nog een half uurtje wensch te geven.”»Gij gaat cavalièrement te werk met die heeren!” sprak Frits glimlachend.»Bah! als ze mij pleizier willen doen, moeten ze niet beginnen met mij te kwellen.”»Maar’t is not gentlemanlike,de fausser compagnie! merkte Wilkinson aan; »en wij blijven tot morgen, als master Rosemeijer er in toestemt.”»Ik voel dat het mij noodig is, ik kan zóó niet van u scheiden,” zei Frits, Piet met zekeren weemoed aanziende.»Nu, zooveel te beter, ik blijf hier nog wel een paar dagen. Wij zullen samen ontbijten, wandelen, de schilderij nog eens bekijken....”»MijnheerChampierre! de heer N. laat u vragen of gij geen afscheid wilt nemen van hem eer hij heengaat; zijn rijtuig is al vóór.”»Oimé! dat is waar ook! numoetik gaan, Frits; gij ziet wel dat ik in een roes ben, ik had N. vergeten.Mes excuses, masterWilkinson!” en Pierrotain-Cham liep op een drafje weg, zijn hoed in den steek latende. Frits zelf liep hem achterna, om hem dien aan te reiken.»Nobele natuur!” sprak Wilkinson.»Jammer dat hij wat bizar en fantask is in zijne manieren,” merkte Frits aan; »men komt er toe hem voor iets anders aan te zien dan hij werkelijk is.”»Och! dat’s niets, ’t is een weinig als met zijne schilderij, de atelier-kleur, die wat op hem afgegeven heeft; in Parijs is dat mode onder de jonge schilders; maar dát zit van buiten, dat zal wel overgaan.”Al hadden ze gewild, ze konden dien avond niet meer vertrekken. De koetsier uit de Zon had van Sir Reginalds vrijgevigheid gebruik gemaakt, om zich in een toestand te brengen, die het uiterst gevaarlijk maakte in den donker met hem te rijden; op het voorstel, dat hij uitslapen zou, en des anderen daags met hen verder gaan, had hij in de grofste termen geantwoord, dat hij daarvoor niet gekomen was; dat hij met zijn paarden thuis moest zijn, en daar hij niet tot reden was te brengen, had men hem met zijn waggelende reisberline alleen laten oprijden.Baptist Meijer had zich aangeboden des anderen daags voor een goed rijtuig te zorgen tot billijken prijs.
VIII.Pas hadden Frits en Sir Reginald den rug gewend om hunne wandeling naar het duin te ondernemen, of eene kleine dusgenoemde kiereboe met één paard kwam van de stadszijde aangereden, om evenals de berline voor hetBonte Paardstil te houden. Twee personen stegen er uit; een bejaard man met grijze haren en snorrebaard, stijve zwarte stropdas en sluitjas tot aan de keel dichtgeknoopt, die een stijf been had en op een stokje leunde, maar er overigens nog kras en opgewekt uitzag, en in wien men terstond den oud-militair moest herkennen; de ander, de jongere, die het eerst met één vluggen sprong uit de »boerenkast” wipte, zooals hij het voertuig noemde, terwijl hij zijn reismakker in ’t afstijgen behulpzaam was, zag er vrij excentriek uit.Hij droeg een zwarte vilten hoed met wapperende groene linten, welks hooge bol als een suikerbrood uitliep, en die slechts een veer of eene roos noodig had, om door den eersten Tyroler den besten te worden gemijnd. Zulk een hoed werd toenmaals in Holland noch gezien noch gedragen, dan in kermistijd, en »door ’t kermisvolk”; wie er zich buiten die bachanaliën-dagen mee vertoonen durfde, moest òf een brutale opsnijder òf een vreemdeling zijn, onbekend met en onverschillig voor den indruk, die zulk een inbreuk op het alledaagsche bij de bevolking van oud-Nederland moest maken. Deze heeft zich sedert 31 wel aan wat anders moeten gewennen! Maarla question n’est pas là. Dit hoofddeksel rustte bij onzen jonkman op zwart haar, datà la pagegescheiden, langs zijn hals en schouders neerviel, lang en sluik als de manen van een paard, terwijl de eenigszins slap neerhangende rand een breedbeenig voorhoofd bedekte met zware zwarte wenkbrauwen, die een paar diepliggende oogen overschaduwdenvan eene onzekere kleur, maar wier glans zoo vaak hij ze opsloeg, zoo vaak hij ze spreken deed, zou men haast moeten zeggen, licht en leven gaf aan een bleek, mager gelaat, met sterke onregelmatige trekken, maar die zeer bewegelijk waren en vol uitdrukking. Een zwarte fluweelen jasà la polonaisemet passement belegd en blinkende vergulde knoopen; een pantalon met Schotsche ruiten van blauw, rood en groen dooreen; verlakte laarzen, wier punten lang en smal uitstaken, of ze aan de tootschoenen der middeleeuwen wilden herinneren; een groote omgeslagen boord, die den hals bloot liet, terwijl een zwart satijnen cravat met roode punten er losjes onder geschoven en vastgemaakt was met eene speld in den vorm van een ster, een smaragd met kleine diamanten omzet, wier schittering bij iederen lichtstraal die er op viel geen twijfel aan hunne echtheid veroorloofde, die anders licht had kunnen opgewekt worden; want behalve de glacé handschoenen,gants jaunesvan de ware soort en onberispelijke frischheid, was het geheele kostuum reeds wat van zijn eersten luister vervallen, hetgeen denkelijk het meest was toe te schrijven aan de achteloosheid waarmee het werd behandeld. Achtereenvolgens werd er een koffer, eene schilderkist en eenalmavivauit den kiereboe te voorschijn gebracht, waarbij de eigenaar dapper in de weer was om den stalknecht te helpen zonder aan zijn fijn handschoeisel te denken.»Met dien boel maar naar mijne kamer, want ik kan hier logeeren, denk ik?” sprak hij, zich tegen den kastelein wendend, die zelf was toegeschoten toen hij den fantastisch uitgemonsterden vreemdeling had zien uitstijgen.»Zeker, mijnheer! maar verschoon me, ik dacht dat het mijnheer was, die.... voor het diner kwam.”»Daar kom ik ook voor, waardige hospes! maar dat belet immers niet dat ik hier blijf als het mij in ’t hoofd komt,L’inspiration, la spontanité, la fantasie, je ne connais que ça, en als ik hier iets zie dat mij aanstaat, je boerenerven, je binnenhuisjes, je mooie boerinnetjes, dan maak ik het tot het mijne, dan croqueer ik het, dat is mijne gewoonte, versta je?”De kastelein sloeg groote verwonderde oogen op, hij begreep er niets van, de heele personage kwam hem onmogelijk voor. Met zulke deftige heeren als die het diner besteld hadden, kon het toch geene maskerade zijn!»Zooals mijnheer blieft,” antwoordde hij met eene buiging, »verkiest mijnheer zijne kamer te zien?”»O, neen! dat’s tijds genoeg als ik slapen ga, ’t is nergens zoo goed als hier in de frissche lentelucht, vind je dat ook niet, papa?” eindigde hij, zich tot den oud-militair wendende, die reeds plaats had genomen aan een der tafeltjes in de nabijheid van dat, waar Wilkinson en Frits hadden gezeten.»Ja, jongen! dat zeg ik ook, maar als je in de lucht zit, moet je wat gebruiken.”»Tot uw dienst, papa! wat verlangt gij, een glas madera?”»Bah! neen, dát goed gebruik ik nooit, een bittertje, dat’s voor alles goed, op marsch, voor den eten, voor alles.”»Een bittertje, Jan!” beval de excentrieke schilder, zich tot den knecht in den zwarten rok richtende, die hem in ’t oog viel omdat deze uit nieuwsgierigheid zoo wat om het tafeltje heendraaide.En zonderling, de Jan was geïmponeerd en stelde zich terstond in beweging om het verlangde aan te bieden.Die heer hoorde bij »de tafel”, mogelijk dacht hij op die wijze niet te derogeeren.»En gij zelf?” vroeg de »papa” toen hij opmerkte dat de andere niets voor zich had besteld.»Ochikgebruik dat goed nooit, en straks aan tafel zal ik meer wijn moeten drinken, dan me lief is. Eens van mijn leven te Parijs, onder de Vesuvianen, toen ik nog niet wist wat champagne was, hebben ze mij dronken gemaakt; maar sinds dien tijd ben ik op mijne hoede. ’t Is walgelijk zijne rede prijs te geven, om het dierlijk genot van wat vocht naar binnen te slaan.”»Sacre-bleu, Piet! je bent toch een rare snuiter. Ik heb je soms hooren redeneeren alsof je in een gloeienden roes waart, en je drinkt niets dan water!”»Reden te meer! zou ik dien bol hier,” en hij sloeg met de vlakke hand op zijn voorhoofd, »nog meer verhitten, die toch al kookt van hetfeu-sacré, zooals de kameraden het noemen. Wat u betreft, papaatje! geneer je niet als je een tweede glaasje verlangt; voor een zestiger en die Quatre-Bras meegemaakt heeft kan het geen kwaad meer! Wil je ook wat eten? Het spijt me dat ik geene vrijheid heb om je voor het diner te inviteeren. Had ik er vooruit van gesproken, het ware te doen geweest; maar,ziet gij, wij kenden elkander toen nog niet, en mij eene invitatie voor je te laten geven, eer ik wist wie ik in je vinden zou, dat ging niet, gij begrijpt mij?”»Opperbest. Gij kondt geene hooge verwachting hebben van den uitverkoren echtvriend uwer moeder; dat ik meegevallen ben, doet me pleizier, maar dat’s voor mij geen reden om me aan die vrome, deftige heeren op te dringen. Daar je toch rijtuig nemen moest, vond ik het aardig je zoover te brengen, maar voor mij is het consigne: afmarcheeren als de vrienden aanrukken; waren ’t vijanden, dan zou ’t wat anders zijn, dan zou ik nog wel courage hebben om bataille te presenteeren,crédié!Ik heb de oude garde front geboden!”»Dank voor uw ijver, papaatje! maar alles zal vreedzaam toegaan, wees er zeker van.”»Ja, het blijkt dat jij met die heeren goed terecht kunt komen, hoewel het mij een mirakel schijnt; ik dacht eigenlijk dat je hier bij den pastoor logeeren gingt.”»Merci, papa! wel uitgenoodigd, maarpas si bête. Goede vrienden met hen,cela suffit; ik wil graag wat voor de kerk doen, ik dank haar menige inspiratie, ik hoop dat zij mij nog eenmaal onuitsprekelijke dingen zal prediken, zal helpen uitdrukken; maar wat de geestelijke heeren betreft, ik laat me niet insluiten, niet onder voogdij brengen; de vrijheid! de vrijheid! Dat is het ware element voor den kunstenaar! Laten ze oppassen dat ze mij niet als gevangene aan de pilasters van hun tempel binden, want dan verbreek ik mijne banden als Simson en ruk me los, al zouden kolommen en spitsbogen daarbij instorten!” En de bewegelijke kunstenaar, die bijna niets zeide wat hij niet door drukke gebaren verduidelijkte, was opgesprongen en maakte met beide armen de beweging of hij sterke koorden losrukte. Zijne mimiek was daarbij zoo sprekend, dat de invalide zich ook ophief en hem bij den arm vattende uitriep:»Hou je bedaard, jongen! ze doen je immers nog niets! Ik zie dat je niet voor niet onder die woelzieke Franschen en onder die muiters van Belgen gezworven hebt; doch bij zulke disposities is ’t maar goed dat je niet in dienst zijt gegaan, want daar is het contrarie: zonder discipline geen goed soldaat, geen goed generaal zelfs, want er is bij ons geen superieur die niet op zijne beurt het hoofd heeft te buigen voor zijn chef. En zoobehoort het ook, anders is er geen orde, en orde moet er zijn in den staat, ook in ’t gezin! Dat was mijn principe, en je moeder wilde in ’t eerst die orde omkeeren. Mij: een sergeant die Quatre-Bras heeft meegemaakt, wilde zij drillen en naar hare hand zetten of hij een recruut ware geweest; maar je vat, dat ik mijn dienst niet vergeten was en haar op der voorman zette. En ’t is me gelukt in de schermutseling het veld te behouden, dat mag ik zeggen! De discipline!sacre-bleu!Juffrouw Doelman wist al heel gauw wat dat woord te beduiden had, en toen ze ’t eens kende, was ze afgericht als de beste militair die zijn twaalf jaren dienst heeft. Op ’t eerste: »Geef acht!” stond ze al in ’t gelid klaar voor ’t commando dat volgen zou; maar zie-je, heel glad is het niet gegaan en de korporaalsstok kwam er wel eens bij te pas.”»Als ik u verzoeken mag, mijnheer Doelman! niet meer daarvan!” viel de schilder in, plotseling hoog en strak. Hij wendde zich af, bracht de hand voor de oogen, en na een stilzwijgen, waarin de oude sergeant zijn tweede borreltje in één teug ledigde, ging de jonkman voort met eene zachte stem, waarin kennelijk sterke gemoedsbeweging trilde. »Ziet gij, het is mij eene altoosdurende grieve dat ik mijne moeder niet heb kunnen achten, niet heb kunnen liefhebben, en dat ik haar ten slotte zulk een diepgaand zielsverdriet heb moeten aandoen, dat zij vergetelheid heeft gezocht in eene omkeering van alle hare gewoonten, van haar geheele wezen. God weet dat ik niet anders kon, dat de aandrift die mij voortzweepte, de aandrift die Hij zelf in mij had gelegd, mij te machtig was om er weerstand aan te bieden! Ik voelde dat ik niet geboren was om onder haar slavenjuk te blijven kruipen; ik moest uitbreken, uitvliegen. God zij geloofd! nog niet te laat, de veerkracht in mij was wel diep, diep neergedrukt, maar niet verlamd; bij den eersten ademtocht der vrijheid hief ze mij op, voerde mij over alle hindernissen heen; toen, toen volgde ik niets meer dan het instinct dat mij dreef. Zooals de vogel naar het Zuiden trekt als het Noorden hem te bar wordt, zoo trok ik weg uit de kille, doodende atmosfeer, waarin ik niet langer ademen kon; maar ik liet eene moeder eenzaam achter en de natuur heeft hare rechten, die men niet straffeloos schendt. Later, veel later, heb ik het gevoeldwatik haar heb gedaan, en ’t is mij eene pijniging, het klinkt me toe als eene luide aanklachttegen mij, als ik van u hooren moet hoe dat hardvochtige, onbuigzame schepsel, dat mij het leven gaf, tot eene smijdige vrouwengestalte is geworden onder uwe hand! Het snerpt mij door de ziel alsof hetmijnezonde ware die gekastijd werd in haar!”»Zou die malle schilder ook tegelijk comediant zijn?” vroeg de knecht, die »alleen voor de tafel” was, aan den kastelein, terwijl ze samen voor de ramen van de groote eetzaal stonden en den spreker gadesloegen, die inderdaad door zijne gebaren en de wisselende uitdrukking van zijn gelaat op toeschouwers, die zijne woorden niet verstaan konden, noch meevoelen wát er in hem omging, wel den indruk moest geven van een acteur die eene scène vertoonde.»Je hebt gelijk, het is waarachtig of hij zijne rol opzegt voor dien andere; maar, Jan! ik waarschuw je, pas op dat je hem aan tafel niet uitlacht, en dat je hem op z’n wenken bedient, anders krijgen we er nog last van, zoo’n opgewonden standje.... Ik heb wel hooren zeggen dat er door die kunstenaars altijd een streep loopt, en die hier, weet-je, dat zoo’n bovenste beste is.”»Begrepen, meester! hij is nou al half gek en als de champagne er in is zal hij als een razende zijn; maar ik heb meer tafel bediend en ik weet waar ik staan moet, geloof dat vrij. Die dolleman heeft daarbij iets in zijne oogen.... een mensch weet niet recht wat hij er aan heeft; hij commandeerde een bittertje, en ik had het hem zelf gebracht, eer ik wist wat ik deed, zal ik maar zeggen.”Papa Doelman kon het Jan nazeggen dat hij niet recht wist waar het hem zat, maar hij voelde wel dat hier geen rol werd gespeeld, en hij was zelf wat in de war geraakt door de sterke gemoedsbeweging van zijn stiefzoon.»Piet! jongelief, ben je dol!” riep hij nu, »dat gij u dit nog zoudt aantrekken; als je in alles zoo overdreven te werk gaat en de wereldsche zaken zoo haarfijn uitpluist om u zelf te kwellen, dan krijgen de priesters waarachtig nog vat op je, al zwaai je de vrijheidsvaan nog zoo hoog! En wat je moeder aangaat, het heeft haar goed gedaan dat zij onder mijn commando is geraakt,militairementgesproken! Ze heeft daardoor met de femelarij gebroken en er een rustig sterfbed aan te danken gehad, al moest ze het zonder dominé doen; want met die uit de stad kon ze’t maar niet vinden, en de voormalige broeders van de oefeningen wilden van haar niets meer weten; maar ik zei: »Vrouwlief! daar ben je protestantsch voor, om geen zwartrok noodig te hebben bij de groote reis.”»En heeft ze mijnietgevloekt, vader? zweert gij mij dat ook op je woord van eer?” viel Piet in met een somber wenkbrauwfronsen.»Zoo ze ’t gedaan mag hebben in hare eerste drift, is zij later toch niet bij die kwade intentie gebleven: »Denk aan Piet, denk aan mijn armen zwerver!” zei ze nog toen ze haast niet meer spreken kon, en toen ik antwoordde: »Wees er gerust op, Neeltje! Je kent sergeant Doelman, hij zal er voor zorgen, dat je zoon krijgt wat hem toekomt, als hij weerkeert;” toen drukte zij mij de hand zóó hartelijk, dat er mij de tranen van overliepen. Zie je, daarom schreef ik je terstond, zoodra ik den brief ontvangen had, waarin gij naar uwe moeder hebt geïnformeerd. Eerder kon het niet, want we hebben nooit een spoor van je ontdekt, hoeveel moeite we ook deden.”»Dat is niet te verwonderen. Jarenlang heb ik al het mogelijke gedaan om mij schuil te houden, met het vaste voornemen om niet terug te keeren voor ik meerderjarig was, en op den weg om een goed kunstenaar te worden, opdat Moeder zou moeten berusten in hetfait accompli; had ik betere gezindheid in haar durven hopen—God weet dat ik niet zoolang zou hebben gewacht!”»Ja, jongen! het is niet aan je te wijten; maar voor haar spijt het mij dat zij de wederkomst van haar verloren zoon, zooals ze je altijd noemde, niet heeft mogen beleven. Het arme mensch heeft om zoo te spreken haar eigen kind niet gekend. Uit haar praatjes over »haar Piet” wachtte ik niet anders dan een woesten verloopen jongen voor mij te zien, een brutalen sinjeur, die eens kijken kwam of er nog wat te halen was. En ’t is zoo heel anders uitgevallen! Toen ik maar eens over de vreemdigheid van je uiterlijk heen was, begreep ik dat de verwildering je het meest in je kleeren, in je manieren zat, en dat je karakter, je sentimenten, je gedrag precies het contrarie waren van ’t geen ik mij had voorgesteld. Op mijn woord van eer, Piet, ik ben blij met je kennismaking!”»En ik dan, papaatje! Ik heb alle reden om voldaan te zijnover de uwe. Zoo gij zelf mij niet het eerst gezegd hadt, dat moeder wat voor mij had nagelaten, zou ik er nooit aan gedacht hebben er naar te vragen! Je bent een eerlijk man, mijnheer Doelman!”»Wel, dat’s een mooie, je hoeft sergeant Doelman toch niet te prijzen, omdat hij geen dief is!”»Ik mag toch wel zeggen, dat ge een stiefvader zijt uit duizenden! Het moederlijk erfdeel van den verloren zoon zóólang trouw bewaren, zoo voordeelig te beleggen en zoo gulweg uit te betalen, zonder dat hij er naar vroeg.”»En je hebt me nog den last aangedaan van het je te moeten opdringen, drommelsche stijfhoofd! Het kwam je immers toe en je kunt het gebruiken ook, denk ik?”»Wat dát betreft, altijd! Waarheid is dat ik met heel weinig toe kan, maar met veel ben ik nooit verlegen; vooral niet nu ik naar Rome ga....”»Maar daarvoor hebben ze je immers een jaargeld toegelegd?”»Dat is zoo en Monseigneur de M. heeft mij mijne schilderij goed betaald ook; maar reizen, reizen in ’t wild vreemde kost geld, en ik kan het nu niet meer doen zooals ik voormaals in België en in Frankrijk heb gereisd, te voet en zoo wat half om Godswil. Neen, nu zal het duur worden, voor mij vooral! want ik heb een zwak.... een gebrek....”»Wat voor gebrek kan dat zijn, je lapt het toch niet door de keel? Met water en brood ben je immers tevreden?”»De gewoonte,” zei Piet met een glimlach; »ik heb het er zóólang mee moeten doen.”»Welnu, wat is het dan, de vrouwen?”Piet haalde met sprekende minachting de schouders op. »De leelijken zie ik niet aan, de mooien zijn mij niets anders dan begeerlijke modellen! daarbij, een kunstenaar moet zich rein houden van alle uitspattingen, dat’s mijn principe.”»Drommels, ben je zoo’n Jozef! dan geef ik het op om er naar te raden, want ik kan toch niet denken, dat het spel....”»De afleiding voor leegloopers en suffe grijsaards! Ik zou mij schamen.... Neen, maar ik heb het ongelukkige zwak voor mooie zaken; het kost mij zelfs strijd om mij niet telkens te laten verlokken tot »zotte koopjes,” zooals de kameraden het wel eens noemen. Antiekebeeldjes, oude schilderijtjes, bronzen, vazen, alwat van dien aard artistieks onder mijne oogen komt, trekt mij aan als met onweerstaanbare macht, en als de prijs maar eenigszins onder mijn bereik valt, moet ik het koopen! Ik weet dat het eene dwaasheid is, bovenal voor een zwerver als ik ben, die beter deed zijn geld in zijn zak te houden en zijne bagage niet nutteloos te bezwaren; maar wat zal ik u zeggen,c’est plus fort que moi, en al neem ik mij vast voor aan geen caprice meer toe te geven, vrees ik toch dat er te Rome menige klip zal zijn, waarop mijne zwakheid moet stranden.”»Dat’s nog een erfzwak van je moeder! Ik kon ze geen boeltafel voorbij krijgen, of ze moest koopen, schoon we al lang rentenierden!”»Als dat zoo is, heeft het zich bij mij toch nogal gewijzigd. Zij zocht de winst, ik denk niet aan ’t verlies, en dat volgt er toch meestal uit; zoo is ’t ook met mijn tijd. Ik werk druk, dat is waar, met ijver, met volharding; maar opmijneuren, ik luister gewoonlijk meer naar mijne fantasie dan naar het verlangen van liefhebbers en kunstkoopers. Ik onderneem soms van alles tegelijk zonder iets af te maken vóór het mij bijzonder aantrekt; en nog.... als anderen zeggen, dat eene schilderij af is, kan ik het niet nalaten om er eens opnieuw frisch op in te gaan.... gij begrijpt wel, dat deze manier niet de beste is om hetgeen men noemt geld te maken met zijn talent; maar ziet gij, ik kán niet anders, ik ben nu eenmaal niet geschapen om daglooner te zijn, en aan de onafhankelijkheid hangt bij mij de inspiratie.”»Sakkerloot, Piet! als ik je zoo hoor en zie en dan bedenk hoe je moeder je kortgehouden en gekoejonneerd heeft, je niets wou laten leeren, toen je eens van de cathechisatie af waart, zooals zij mij in hare uren van berouw wel eens gebiecht heeft,—dan moet ik zeggen, je hebt het ver gebracht, jongen, en dat zoo in je eentje!”»Ja, Goddank! zoo ik geen idioot en geen huichelaar ben geworden, is het moeders schuld niet; maar, ziet gij, al dank ik veel aan mijn eigen moed en wilskracht, zonder bijstand van anderen ware ik nooit op gang geraakt.... Daarbij ik ben nu wel op den weg waarop ik wezen wilde; maar ik ben nog lang niet gekomen waar ik zijn moet! Ik wil eerst rondzien in Italië, in Rome vooral. Ik moet weten wat de groote meesters gedaan hebben, en dan probeeren wat ik zelf vermag! en vooruitgaan!vooruitgaan! streven naar het hoogste! meesterstukken scheppen, die onsterfelijk zijn, en een naam verwerven, die.... maar als ik daaraan denk! is het niet erbarmelijk, mijnheer Doelman, dat ik geen beteren naam heb om beroemd te maken dan dat wanluidende Piet Snibs?” eindigde hij verdrietelijk en met zekere drift den stoel wegschuivende, waartegen hij al pratende en declameerende had staan leunen, want bij zijne levendigheid van gebaren en woorden was hij geen oogenblik rustig blijven zitten.»Ja, Piet! gij hebt wel gelijk, dat Snibs klinkt niet mooi voor een schilder van de romaneske school, zooals jij dat noemt.”»Pardon, papaatje! de romantieke school als ik je verzoeken mag; maar ’t is waar, mijn naam past sinds lang niet meer bij mijn persoon, bij mijn werk, en als ik er voorloopig niet wat op gevonden had, zou ik liever drie kruisjes teekenen, dan dat hatelijke Snibs op mijne schilderijen te zetten.”»Daarbij komt nog, dat je niet eens recht hebt op dien naam.”»Geen recht, en waarom niet?” vroeg de jonge schilder wat verwonderd.»Hé, ik dacht dat je ’t wist,” antwoordde de oude sergeant, nu ook opgestaan, zijn arm nemende en met hem opwandelend langs den straatweg; want de knecht in den zwarten rok, die »alleen voor de tafel” was, kwam weer post vatten in de open deur, kennelijk met het doel om eens naar hun gesprek te luisteren.Piet met den rug naar die zijde gekeerd, zou hem niet hebben opgemerkt, maar de sergeant had den spie terstond in ’t oog gekregen, en door »op te rukken” zijne intentiën verijdeld.»Wat zou ik weten?” vroeg Piet in zekere spanning; »ik ben toch wel de zoon mijner moeder?”»Ja! maar toen deze den cathechiseermeester Snibs trouwde, was haar kind zoo wat anderhalf jaar oud, en gij waart op het stadhuis alleen aangegeven als: Pieter, zoon van Neeltje Jansen.”»En mijn vader?”»Hm! een rijkelui-zoontje, die het aardige naaistertje wat al te druk het hof had gemaakt, later zich met een handvol zeeuwen van de zaak afmaakte, met eene juffer van zijn stand trouwde en sinds lang overleden is. De goede Snibs had medelijden met het gevallen meisje, en ging haar opzoeken, om haar van de »dwalinghaars wegs af te keeren,” zooals je moeder zich uitdrukte. De veiligste manier daartoe scheen haar een echtgenoot tot gids te nemen en Snibsje liet zich snappen! Het zou me echter niet verwonderen, dat hij er spoedig berouw van heeft gehad, en eronderis geraakt, want hij moet aan de tering gestorven zijn.”»Ja! nog zie ik den bleeken, kwijnenden man met een droeven blik zijn kerkboek opnemen en het huis uitsluipen, om naar zijne leerlingen te gaan; hij moet zeker een goed mensch zijn geweest, want ik herinner mij nog hoe hij mij vaderlijke zorg betoonde. Als ik gehoord had datzijmijne moeder niet was, het zou mij verlichting zijn geweest, ik beken het u; maar hij—mijn vader niet! Die vrouw heeft alles tegen mij gepleegd wat zij vermocht, niet eens een wettig kind! O, moeder! moeder!” en er sprak smartelijke bitterheid uit den toon der stem, uit den neergeslagen blik.»Gij begrijpt wel, dat de weduwe Snibs mij deze bijzonderheden niet heeft meegedeeld dan op ’t uiterste, toen er kwestie was van haar testament te maken; wat mij betreft ik stapte er overheen, en gij moet het u ook maar niet aantrekken; ik sprak er alleen van om u te beduiden, dat gij u met hetzelfde recht Pieter Doelman kunt schrijven, en mijn naam is tot je dienst als die je beter voldoet.”»Dankbaar voor de intentie, maar.... ik kan dat zoo dadelijk niet met mij zelven eens worden,” hernam de schilder, die zijn arm losgelaten had, en nu driftig heen en weer liep met gebukten hoofde en door strijdige gedachten geslingerd, die hij onwillekeurig uitdrukte door levendige gebaren.De oude sergeant stond met verbazing naar hem te kijken, even het hoofd schuddend en in zich zelf mompelend: »’t Is toch een rare snuiter!”Piet kruiste de armen over de borst, drukte den hoed nog dieper over de oogen en bleef in die houding naar den grond staren, onder het mompelen van onverstaanbare klanken, die zeker ook niet voor zijn eenigen toehoorder bestemd waren en wier bedoeling vermoedelijk niet vleiend was voor de vrouwen in ’t algemeen en voor de weduwe Snibs-Doelman in ’t bijzonder, want de oude sergeant, die al naderbij was gekomen en enkele klanken opving, riep nu op eens:»Sacre bleu, Piet! je vergeet dat we hier op den publieken wegzijn en zooals je daar staat een morrende alleenspraak te houden, doe je me denken aan Ward Bingley in »Menschenhaat en Berouw”.... En dan je vreemde kleeding daarbij; het verwondert mij niet dat een buurman te E. mij vroeg of er eenspulleman bij me logeerde?”Die toespraak was nog niet voleindigd, of Piet, in zijne sombere overwegingen gestoord, barstte in een schaterend gelach uit, dat echter eer van geprikkelde zenuwen, dan van opgeruimdheid getuigde, ging naar hem toe en sprak met een blik, waar een zonderlinge gloed uit lichtte:»Welnu, die buurman heeft gelijk! een spulleman, een zwerver, een wie niemand toebehoort, kan precies met zich zelven doen wat hij wil en die heeft ook geen vasten naam noodig. In Engeland noemt hij zich John, in Frankrijk Louis, in Duitschland Hans, in Italië Mas-Aniëllo! en zóó zal ik ook doen.”»Mas-Aniëllo! ben je dol, Piet! die vent uit de comedie daar het oproer in Brussel door aangekomen is; als je zoo praat, zou men waarachtig denken dat er een streep door loopt; maar, komaan, daar halen ze den kiereboe al uit den stal; het wordt mijn tijd en de uwe ook, je moet je toch zeker kleeden?”»Mij verkleeden? Waartoe dat! Is mijne polonaise niet elegant? En fluweel, de rijkste stof, de laatste chic! Ik heb expres de speld in mijn das gestoken, die de prinses d’ A. mij gegeven heeft, omdat zij zoo voldaan was over haar portret.”»Ja! maar jongen! voor zulke deftige heeren dien je toch wel een zwarten rok aan te trekken.”»Een zwarte rok!” en de lach van Piet was ditmaal even natuurlijk als luid; »een zwarte rok! Men moet een Hollander zijn om op zoo’n inval te komen; in onze schildersbent te Parijs hadden wij er één met z’n zessen; wie naar een bal of eene audiëntie moest, kreeg hem aan; ik.... heb hem nooit noodig gehad.”»Ik weet dat je er een in je koffer hebt!”»Een mensch kan diep vallen! In België heb ik er een laten maken, omdat ik bijla Comtessede M. dineeren moest met Monseigneur; maar dat’s nog geen reden om hem hier aan te trekken op eene vischpartij, in een buiten-herberg! haast eenpique-nique! ’t Is al mooi dat ik lichte glacé handschoenen aan heb, maar nu ik ze bekijk, mag ik ze wel wegmoffelen, ze zijn gescheurd enmorsig geworden; als zoo iets niet frisch is, staat het armzalig,” en al sprekende stak hij ze in zijn zak!»Mijnenthalve, je moet zelf weten hoe je met die heeren omspringt!”»Wees er gerust op dat ik weet wat ik doe. De pastoor is de gastheer; behalve een paar zijner stads-collega’s en de agent van Monseigneur de M., zijn het allemaal burgerlieden, boeren-kerkvoogden, enz.; als zij nu denépicieruithangen en met zwarte rokken en gewitdast verschijnen op een diner, dat zij aan een schilder geven, dan kan ik het niet helpen, dat zij een gek figuur maken. Zij moeten mij nemen zooals ik ben, dat’s de beste manier om er niet onder te raken! Geloof mij, papaatje! zoo’n beetje excentriciteit is een schild, waarmede men veel kan afweren en alles onder mee kan voeren wat men maar goedvindt.”»Nu, ’t is je eigen zaak! Daar is de kast, die mijmeevoerenmoet en uit de laan hierover zie ik heeren komen, zeker van de gasten; nu jongen, ik zeg je adieu met een heel ander gevoel dan ik je welkom heette. Wij scheiden als vrienden en ik hoop je weer te zien! Als je soms te Rome wat te veel aan je liefhebberij en je fantasie hebt toegegeven en je beurs wat slap wordt, denk er dan aan dat je nog een stiefvader hebt, die Doelman heet en kind noch kraai in de wereld heeft; je kent zijn adres.”»Het zou al erg moeten spannen als ik me dát veroorloofde; maar gij zult toch van mij hooren, papa Doelman! en hierop houd je gezond en blijf bij de opgeruimdheid!”»Zegen en voorspoed met je werk!” was het antwoord van den oud-militair, terwijl Piet hem in den wagen hielp; zij drukten elkaar nog eens hartelijk de hand.De kiereboe reed weg op het sukkeldrafje van één paard. Piet zag haar na; in zijne groote wonderlijke oogen dreef zoo iets als een helder vocht; hij trok de randen van zijn slappen hoed, die al een paar keer op en afgenomen was, nu weer laag over ’t voorhoofd, ging bij het tafeltje zitten, liet de beide ellebogen er op rusten en sprak halfluid: »Toch nog een vaderhart gevonden, ik, de verschoppeling!” en hij snikte onder zijne aandoening, maar verborg die en smoorde zijne eigene stem door zijn gelaat met beide handen te bedekken.De heeren, die naderden, troffen hem nog in diezelfde houding,zijn rug en het gebogen hoofd was dus àl wat zij van hem te zien kregen; maar zij behoorden niet tot de genoodigden voor het diner; het waren onze goede kennissen Frits Millioen en zijn Engelsche reisgenoot.»Aha!” sprak de laatste in ’t voorbijgaan, »dáár zullen wij onzen genialen schilder hebben!”»Ja! hij ziet er excentriek genoeg voor uit,” stemde Frits toe; »zeker een Belg, die hier den Parijzenaar komt uithangen!” en met die weinig vleiende opmerking ging hij langs zijn ouden schoolkameraad heen zonder hem te herkennen!IX.Baptist Meijer, de kastelein uit het Bonte Paard, was voorheen kamerdienaar geweest bij een groot heer, die hem in zijne zaak had gezet; vandaar dat hij beter wist wat »een fatsoenlijk mensch toekwam,” zooals hij het zelf uitdrukte, dan zijn collega uit de Zon. Nauwelijks had hij dan ook Sir Reginald met Frits bemerkt, of hij ging hen te gemoet met het bericht, dat er reeds voor hen gedekt was in den koepel, terwijl hij voorging om hun den weg te wijzen.»De heeren zullen bediend worden nog vóór de groote tafel aanvangt,” sprak de kastelein plechtig en verliet het vertrek met eene dier buigingen, die hem tot eene tweede natuur waren geworden.Van uit die hooge luchtige koepelkamer had men door twee ramen een ruim landgezicht; een derde zijraam gaf gelegenheid om te zien wat er vóór het logement plaats vond, zoodat Frits die zich daar geposteerd had, den schilder kon gadeslaan, die nog in dezelfde houding was blijven zitten.»De groote man schijnt niet in eene opgewekte luim; hij zit te pruilen of te mijmeren,” sprak hij spottend.»Wie weet welke zorgen of welk leed hij te verkroppen zal hebben voor zijne feestgenooten,” antwoordde Sir Reginald.»Gij hebt gelijk, dat zou kunnen zijn, en in dat geval ben ik hard en voorbarig met mijne aanmerking; maar toch.... ik weet zelf niet hoe het komt, hij wekt mijne ergernis door zijnevreemde uitmonstering; daar is ostentatie in, hij wil effect maken door alles en ten koste van alles. En nu! de houding vanle beau ténébreuxaan te nemen, te midden van een triomf, dat komt mij voor aanstelling te zijn, die ik in een talentvol kunstenaar niet best velen kan. Als hij onze belangstelling wil wekken, moet het zijn door zijn werk, niet door een onmogelijken hoed op te zetten, en haarlokken te dragen als een middeleeuwsche troubadour.”»’t Is duidelijk,” hernam Sir Reginald, niet zonder wat ironie, »die vreemde kunstbroeder heeft het bij u verkorven, omdat.... hij een vreemdeling is, en mogelijk niets ergers heeft gepleegd dan zich te vormen naar ’t exempel van hen, in wier midden hij heeft geleefd. Wat mij betreft, ik laat me nooit afschrikken door wat bizarrerie. Ik wil zelf niet beoordeeld worden naar mijn uiterlijk voorkomen, omdat ik aantrek wat mij het meeste comfort geeft; bijgevolg acht ik dat anderen recht hebben op dezelfde vrijheid. Vergeef hem dus zijn hoed; wie weet hoe de persoon meevalt als gij maar eens zijne kennis hebt gemaakt.”»Ik geloof waarlijk dat niets mij zoozeer ergert dan dat hij mij de gelegenheid daartoe niet laat, door gestadig het hoofd af te wenden. Wacht, daar staat hij toch op, ik zie waarom, daar komen heeren aan van de dorpszijde; de pastoor, dat behoeft men niet te vragen, nog een frisch jong man, zoo het schijnt; de anderen.... zeker dorpsnotabelen. Ha! onze artist zet zich in postuur en gaat hen te gemoet; de buiging valt mij toe, die is los en zonder serviliteit; hoe! neemt hij niet eens zijn hoed af, waarlijk! maar even, alleen een genadige hoofdknik voor de boerenheeren, en aan heeroom steekt hij minzaam de hand toe! Dat’s nogal sterk van een, die zich door de geestelijkheid laat voortkruien!”»Is ’t niet wat gewaagd dat zoo maar in eens vast te stellen, omdat hij eene schilderij aan een bisschop heeft verkocht?” sprak Sir Reginald met een ernstig hoofdschudden, hoewel hij overigens met echt Britsch laconisme al de opmerkingen van Frits aanhoorde, zonder dat zij hem bewogen om van de eens gekozen plaats aan de tegenovergestelde zijde der kamer op te staan.»Ah zoo! nu keert hij zich met hem om!” riep Frits in triomf, zonder debottevan Sir Reginald te riposteeren.»Kom, dat valt mee! dat’s geen alledaagsch gelaat; hij heeftwaarlijk zijn hoed niet noodig om de attentie te trekken. Hoe nu?—daar wordt die afgenomen, toch niet om te groeten; neen, de pastoor bekijkt hem, en ze lachen er samen over! Dat’s zonderling! dat voorhoofd, die oogen, wonderlijke oogen, zooals ik ze nooit meer heb gezien; ja toch, ja wel! zij doen mij denken aan.... maar dat’s onmogelijk, dat bolbleeke, slaperige kereltje, en de sterke, bewegelijke trekken van dit schrale, maar zielvolle gelaat. Hoe komt het toch in mij op, en, dies ondanks, is er iets in die oogen.... dat zware beenige voorhoofd, dat mij hier eene gelijkenis doet vinden. Och! het zal zeker eene zinsbegoocheling zijn; de herinneringen mijner jeugd, die ik zoo pas opgefrischt heb, zijn er oorzaak van; want het is niet denkbaar....”»Maar wat toch is niet denkbaar, wat brengt u zoo in vervoering?” vroeg Sir Reginald, nu zelf opgestaan en zich bij hem voegende.»Sir Reginald! Gij zult mij uitlachen, maar die excentrieke schilder heeft een gezicht, dat mij herinnert aan dien armen stakkert, waar ik u van verteld heb, den cathechisant van dominé Willems, dien Piet Snibs, die zoo ongelukkig was en zoo jaloersch van mij, omdat ik mij aan de kunst mocht wijden. Hij kán het niet zijn; en toch hoe nader hij komt; hoe meer ik hem gadesla, hoe sterker die gelijkenis tot mij spreekt.”»En waarom zou het niet kunnen zijn? Kan de ingeschapen kunstliefde hem geene macht hebben gegeven, om alle hinderpalen uit den weg te ruimen....”»Ik moet daar de waarheid van weten!” en Frits scheen willens zich in één vaart naar het voorplein te begeven, maar Wilkinson hield hem terug.»Luister,my friend!als gij van zulke herkenning pleizier wilt hebben, leg het dan voorzichtig aan; gij zult er wel gelegenheid toe vinden; dit oogenblik is het ongeschiktste, daar komen al meer en meer genoodigden; dit is zeker, zoo omtrent het uur van het diner.—Is hij, dien gij meent, dan is het tien tegen één dat hij daarvoor tegenover al die vreemden herkend wil zijn, en als hij zich koud en stug terugtrekt, maakt gij een gek figuur. Hij maakt niet veel werk van zijn familienaam, dat’s gebleken, daar hij zijne schilderijen teekent als:Cham.”»En datChamis juist iets wat in den zoon van vrouw Snibskan vallen, wat op hem past; want hij doorzag hare huichelarij, hij ontdekte hare schande, en zij zal hem zeker haar zegen niet hebben meegegeven op zijne vlucht; maar gij hebt gelijk, alshijhet is, moet ik den gelegen tijd afwachten om de kennis te vernieuwen; als hij hetnietis, zou ik er evenzeer gek afkomen; gij hebt altijd gelijk, Sir Reginald! gij zijt de ware mentor voor zoo’n poveren Telemachus als ik ben.”»Als Telemachus maar naar Mentor wil luisteren, zie ik hem nog eens koning van Ithaka!” sprak Sir Reginald lachende; »nu moesten wij eens raadplegen over een punt, dat bij eenfish-dinnergansch niet onverschillig is. Hebt gij vertrouwen in de beloften van deze kaart?” en hij hield hem de lijst voor met de namen en de prijzen der wijnen.De gissing van Wilkinson bleek juist. Het diner was te vier ure besteld en in ’t laatste kwartier kwamen de genoodigden van alle zijden opdagen. Nu eens twee aan twee in zoogenoemde kapchaisen, dan weer anderen te voet, kennelijk deftige dorpelingen; allen kwamen met meer of minder gemeenzame, meer of minder linksche houding en manieren, naar den schilder toe, ontwijfellijk de held van het feest, wisselden groeten en handdrukken met hem, die onder alles door druk en onder een levendig gebarenspel praatte met de omringenden; de rollen schenen wel omgekeerd; het was of de schilder receptie hield in plaats dat hij de gerecipieerde was. Ten laatste kwam er eene deftige calêche aanrijden met fraaie koetspaarden bespannen; »eigen spul,” zooals de Jan in den zwarten rok aanmerkte, hoewel de knechts geene livrei droegen. Drie heeren stegen er uit, een deftige stadspastoor, met een frisch blozend gelaat en zilvergrijze haren, zwart zijden kousen, gouden schoen- en broekgespen, en een rotting met zwaren gouden knop. De tweede, een zwaarlijvig heer, die er wel niet heel voornaam uitzag, maar die zeker de rijke man en de eigenaar van de equipage was, want op zijn wit vest met uithangende kanten jabot, bungelde eene zware gouden horlogeketting met eenige cachetten; eene groote juweelen speld stak hem in de plooien van het overhemd, en zijn donkerbruine fantasierok was met blinkende knoopen bezet. Onder zijn eenigszins lagen zwarten hoeddroeg hij een bruine naturel en om zijn dikken hals was een smalle gekleurde zijden das geknoopt, een wijde lakensche jas,à la propriétaire, hing losjes over zijnfracheen, en liet vóór al den luister van zijn toilet bloot. Het was een Amsterdamsche bankier, die de zaken beredde voor de Belgische familie, waarmede Piet Snibs in relatiën stond. Der derde was een heer, ook reeds van leeftijd, zeer eenvoudig gekleed in een bronskleurige gekleede jas, maar in zijn knoopsgat een paar lintjes dragende, die hem terstond aanduidden als iemand van distinctie. De komst van dezen persoon was blijkbaar voor onzen kunstenaar eene verrassing, want hoewel hij met zekere voorkomendheid naar voren was gekomen, toen de calêche stilhield en hij er den pastoor en den bankier zag uitstijgen, had hij dezen alleen beleefdelijk gegroet, en de hand geboden om uit te stijgen; maar niet zoo haast zag hij het gelaat van den derden, of een kreet van verrassing ontsnapte hem en hij wierp zich met hartstochtelijke blijdschap aan zijne borst.»Mijn nobele vriend en weldoener, gij hier! gij hier om mij! had ik dát kunnen wachten!” herhaalde hij, terwijl hij alle overigen in den steek liet; er stonden vreugdetranen in zijne oogen, toen hij voortging: »En gij, zoudt gijmijherkend hebben, den armen verstooteling, dien gij u zoo edelmoedig hebt aangetrokken?”»Wat zal ik u zeggen, beste jongen! ik wist nu wie ik vinden zou, ik was er volkomen op geprepareerd, men had mij om zoo te spreken reeds uw signalement gegeven; maar zonder dat zou ik u waarlijk niet voor dien armen geplaagden jonkman herkend hebben, dien ik eens de hand heb mogen reiken tot een nobel doel! Op mijn woord, gij zijt een geheel ander mensch geworden, en toch wel geworden wat ik heb voorspeld, een geniaal kunstenaar en een braaf jonkman gebleven ook, niet waar! Ja, ja! wij kennen u Monsieur Pierrotain-Cham,tête de fer, c[oe]ur de flamme, pieds légers,—trop légerszelfs, want zij dienen al te vlug de wenken der fantasie! Neen, spreek me niet tegen, ik heb van uwe équipées gehoord; de vrienden te Antwerpen hebben bitter over u geklaagd; maar ’t is je vergeven, het succes maakt in dezen alles goed....”»Ziet gij, mijnheer! aan schrijven doe ik niet veel, anders had ik u alles eens uitvoerig meegedeeld, en gij zoudt mij gelijk hebben gegeven.”»Men heeft nooit gelijk als men wegloopt en buiten zijne meesters om exposeert!” antwoordde de andere glimlachend; »maar als zulk eencoup de têtedan tot uitkomst heeft, dat men de gouden medaille behaalt, en wel in een vreemd land, waar men geheel onbekend, geheel zonder protectie is, dan moet ik zeggen, dat het stout bestaan gerechtvaardigd is. En de schilderij, die gij hier gebracht hebt, moet grandiose zijn, naar ik hoor zeggen....”»Gij hebt haar zelf niet gezien?” vroeg Piet wat teleurgesteld.»Mon cher!ik had nog geene occasie. Ze hebben mij meegetroond; ik liet mij verlokken om u weer te zien en bij uw triomf te assisteeren; maar ik blijf slechts een paar uur, ik moet doortrekken, ik ga naar België terug, familiezaken en—onder ons in vertrouwen—het uitzicht op eene goede positie te Brussel; gij verstaat mij, ’t is hier niet het ware land voor de kunst. Koning Willemme fait mauvais visage, sinds de revolutie is uitgebroken, en ik voel het duidelijk, mijn tijd is uit, vat ge;” terwijl zij dit onderhoud voerden, arm in arm op- en neerwandelend, hadden de overigen zoo goed zij konden onder elkander kennis gemaakt; en nu kwam de knecht, die »alleen voor de tafel” was, met een servet in de hand en witte katoenen handschoenen aan, berichten dat er gediend was.Allen stormden nu naar binnen; voor de meesten was dit etensuur een zeer ongewoon, voor geen van allen was het iets onverschilligs dat er aan het sammelen en heen en weer drentelen, dat ieder feestelijk diner voorafgaat, een eind was gekomen.Mr. Pierrotain-Cham, zooals het nu bleek, dat hij zich liet noemen, trad het laatste binnen aan den arm van zijn eersten vriend en beschermer, den kunstschilder N., den man, die terstond van hem de getuigenis had gegeven, datle feu sacréin hem gloeide en die het zijne had gedaan om dat aan te wakkeren.Nog vóór het groote diner in vollen gang was, kwam het dienstmeisje, nu met eene heldere muts op en hagelwitte voorschoot aan, het vischgerecht opbrengen bij onze vrienden. Heerlijke waterbaars, met fijne Hollandsche boterhammetjes, prachtige sausbaars en de onmisbare aardappelen, opgedischt in eenvoudig wit Engelsch aardewerk, was wel geschikt om den eetlust op te wekken van lieden, die een paar uur rijdens en eene fiksche duinwandeling achter zich hadden. Sir Reginald liet zijn portwijnditmaal waar die was en waagde zich aan den muscaat- en rijnwijn, door meester Baptist als extra aangewezen. Hij bevond er zich wel bij, had schik in alles, maakte Trijntje nu zijn compliment over haar zilver, dat als spiegelglas blonk, bewonderde het fijn damasten tafellaken, dat den slag van Praag voorstelde en dat zeker al in menige aanzienlijke familie dienst had gedaan eer het in de linnenkast van het dorpslogement was terechtgekomen. Frits, ondanks alle zijne tribulaties, voelde zich zeer gezind om met de optimistische luim van Wilkinson in te stemmen, en onder den smakelijken maaltijd, den opwekkenden wijn, begon hij zijn goed humeur en zijne vroegere levendigheid te herwinnen.Trijntje bracht nu een enkelenplat-douxen het eenvoudig dessert binnen, met de bijvoeging: »dat de heeren maar schellen moesten als ze nog wat anders bliefden.” Frits kon niet nalaten haar een paar vragen te doen omtrent den gang van het groote diner en of zij ook zoo omtrent nagaan kon wanneer dat afgeloopen zou zijn.»Gunst neen, mijnheer! daar is nu nog niets van te zeggen. U moet denken dat’s een volslagen diner; ze zijn pas aan de sla met gebakken paling, ze moeten nog pudding hebben, en dan aan ’t dessert, zoo velerlei vla en gebak, en zooveel gepraat, dat zij toosten noemen, en misschien wel verzen ook, en dan ligt er achter nog een mooie groene krans; die zullen ze, geloof ik, den vreemden heer op zijn hoofd zetten; dan wordt er tusschen dat alles druk gedronken, en ziet u, dat neemt nog al tijd; de diners hier duren altijd tot laat in den nacht.”»Dat spijt mij, dan zal er wel geene gelegenheid zijn voor ons om dien schilder eens te spreken.”»Wel, mijnheer! dat zou nog wel gaan, denk ik; als wij het dessert opbrengen houden ze pauze, om het zoo’n beetje te vertreden, denk ik; dan slenteren ze zoo wat in de kolfbaan, in de billardkamer, op het plein voor ’t huis.... en dan zouden de heeren makkelijk een praatje met hem kunnen maken; maar volgens den dienknecht moet hij al een heele rare snaak zijn, zoo’n halve comediant; hij laat ze daar binnen lachen en huilen zooals het hem invalt. Jan kwam zoo pas in de keuken vertellen, dat hij aan den gang was met pastoor Harding uit de stad, en dat hij dien zoo bleek had zien worden als zijn servet.”»En weet je mij ook te zeggen hoe zijn naam is?” viel Frits in met zeker ongeduld.»Niet precies! Die luidt zoo wat op zijn Fransch. Volgens zeggen van Jan moet hij een burgerjongen uit E. wezen, dien ze Frits Millioen plachten te noemen.”»Neen! die is het zeker niet. Dat moet eene vergissing zijn!” viel Frits uit, terwijl eene zonderlinge ontroering in zijne stem trilde.»Ziet u, mijnheer!ikhoor het zoo maar van Jan vertellen tusschen al die drukte in, ik zal niet goed verstaan hebben; maar het is een rare naam, dat’s waar, het zal wel zooveel als een bijnaam zijn; bij ons.... weet u, mijnheer! ik kom zoo wat om de Noord vandaan, boven Schagen; bij ons, hadden we een jongen, die ze Hein Zes’thalf noemden, omdat hij eens in de schellingskraam met een zes’thalf had willen betalen;” en Trijntje lachte dat hare witte tanden er van te zien kwamen. Zelfs voor Frits was die gulle lach aanstekelijk; hij glimlachte zijns ondanks, maar zijn lust was verloren tot verder onderzoek bij haar.»Als de heeren maar blieven te schellen zoo ze nog iets noodig hebben,” sprak het meisje, ziende dat haar discours niet langer werd begeerd; »ik moet nu helpen aan het dessert.”»En toch is mijn verlangen om van dien man meer te weten sterker dan voorheen!” zei Frits tot zijn nieuwen vriend.»Wel, daar zal zeker wat op te vinden zijn, al zouden wij tot morgenochtend hier moeten blijven; het komt mij daarenboven voor, dat gij rust noodig hebt, en of gij nu een dag vroeger of later te Amsterdam komt, doet er immers niets meer toe?”»Vóór ik mijne papieren had kon ik geen stap doen tot dat andere....” zei Frits. »Ik heb nu den tijd aan mij zelven, aan u....”»Begin maar met hem uw kaartje te zenden en te vragen wanneer hij u eenige oogenblikken geven kan. Is hij dan dien gij meent en wil hij zich de dagen zijner jeugd herinneren, dan is alles in order, en hij zal u zijn tijd aanduiden. Hebt gij u vergist, dan zal hij u uit den droom helpen en ons mogelijk gratis zijne kennismaking accordeeren.”»Ik ben waarlijk niet eens van kaartjes voorzien,” zei Frits met eenige verlegenheid.»Dat beteekent niets, hier is het mijne; schrijf een paar woorden op de keerzijde met potlood; hier.... neen!.... wacht, niet simpel Wilkinson, dit is beter: Sir Reginald Peter Wilmot van Desborough, Baronet.”Terwijl Frits schreef, schelde Sir Reginald.Ditmaal kwam meester Baptist Meijer in eigen persoon binnen.Zijne bedienden waren bezig met het arrangeeren van het dessert. Hij kwam zelf de orders van »Mylord” vragen.Daar hij zich in vrij vlug Fransch tot Wilkinson wendde, antwoordde deze zonder de moeite te nemen van de onjuiste titulatuur te rectificeeren.»Hebt gij goede kamers voor ’t geval dat we hier blijven logeeren?”»Tot uw dienst, Mylord! Mylord zal tevreden zijn, ik weet wat heeren van rang toekomt.”»Heel goed, want het zou kunnen zijn, het hangt in zekeren zin af van het antwoord dat gij ons van den schilder zult brengen, zoo gij in de gelegenheid zijt hem dit kaartje te overhandigen.”»Ik zal er voor zorgen, Mylord.”»Hoe noemt hij zich eigenlijk?”Baptist haalde de schouders op. »Hij laat zich noemen Mr. Pierrotain-Cham; maar dat is zeker zijn echte naam niet, want hij is een Hollander en heeft nog een vader wonen te E.”»Dat’s nu weer eene geheel andere lezing” merkte Wilkinson aan.»Ik begrijp er niets van,” zei Frits.»Niets meer van uwe orders, Mylord?”»Hebt gij drinkbare champagne, master Baptist?”»Om u te dienen, Mylord! uit hetzelfde kanaal als mijnheer de Baron Dufresne, mijn vroegere meester, die om zijn kelder beroemd was.”»Arme man!” zei Sir Reginald glimlachend, »die beroemdheid zal hij niet gratis verkregen hebben; maar ’t is wèl, breng ons een flesch, en zorg dat die den smaak van den Baron geen schande aandoet.”Eenige minuten nadat Baptist zich verwijderd had om de orders van »Mylord” te volbrengen, kwam de knecht, die »alleen voor de tafel” was, in eigen persoon met zijn servet over den arm en zijne witte handschoenen aan, de champagne brengen en ontkurken.»Is ons kaartje aan den schilder gebracht?” vroeg Wilkinson.»Ja, mylord! hetisgebracht,” sprak de Jan ook met de buigingdie hij van zijn meester had afgezien, en zweeg meesmuilend met een gezicht of hij er nog iets had bij te voegen.»En wat is het antwoord?” vroeg Frits in zekere spanning.»Een raar antwoord, mijnheer! Mijn meester heeft mij verboden het over te brengen.”»Zooveel te noodiger is het ons te weten.”»Om de waarheid te zeggen, mijnheer! zei hij zooveel als dat de Engelsche lord naar de maan kon loopen en is daarop een Fransch liedje gaan zingen, tot groot vermaak van de overige gasten. Mijn meester gelooft dat hij de hoogte moet hebben om zoo’n astrant antwoord te geven aan een voornaam heer; maar ik heb gemerkt dat hij veel minder drinkt dan een van de anderen; hij zet maar even zijn mond aan ’t glas en als ze hem plagen om te drinken, weet hij zóó te goochelen, dat de wijn op den vloer terechtkomt, zij merken het niet, maar ik.... ik merk het wel!”»En weet gij zeker, dat hij goed gelezen heeft wat er op het kaartje stond?” vroeg Frits zichtbaar teleurgesteld.»Ik denk wel van ja, mijnheer! maar hij heeft het met een knorrig gezicht naast zijn bord geworpen en daarop mij die gekke boodschap gegeven, die ik niet overbrengen mocht; als er ongenoegen over komt, hoop ik dat de heeren zeggen zullen, dat ze er mij toe gedwongen hebben. Excuseer, ik hoor schellen, dat is bij mijn meester; nu zal er pauze zijn en wij gaan het dessert opbrengen,” en schielijk maakte de Jan rechtsomkeert, in zijne vaart echter plotseling gestuit door iemand, die met gelijke drift de kamer binnenstoof en die hem bijkans omverstiet. Het was de excentrieke kunstenaar in eigen persoon, die met uitgestrekte armen in eens door naar Frits toeliep, aan zijn hals viel en uitriep:»Dat’s nu eens braaf van je gedaan, Frits! Dat doet je hart eer aan zoo’n ouden kameraad te gedenken, en je weet niet hoe goed hetmijdoet.”»Zoo heb ik mij dan toch niet vergist,” hernam Frits nu ook gul en levendig, daar hij de oprechtheid dier blijdschap las in de sprekende trekken, in de glinsterende oogen van zijn schoolmakker, in wien hij, hoe ook veranderd en vervormd, nu toch den eigen Piet Snibs herkende. »Wel, Piet! ben je het toch, ik vreesde zeer mij bedrogen te hebben, ik vreesde al dat ik den verkeerde voor had.”»Neen, neen! gij hebt goed geraden, ik ben de eigen kwajongen, waarmee je zoo dikwijls gevochten hebt en die menigen stomp aan je te danken heeft en jij misschien wel eens een blauw oog of een neusjebloed aan mij!C’est égal! c’est de l’histoire ancienne, sans rancune.Daar lachen we nu om, niet waar? en ’t herdenken er van is pret, na al het andere wat we doorleefd hebben, vindt je dat ook niet? Ben je al lang hier? Hoe jammer dat je mij niet eerder gewaarschuwd hebt, ik had je dan aan die heeren genoemd, en gij zoudt mijn gast zijn geweest.”»Dat had toch niet kunnen zijn, ik heb een reisgenoot, vriendlief! dien gij over ’t hoofd ziet,” hernam Frits glimlachend, en Piet een wenk gevende dat hij zich omkeeren moest daar deze met den rug naar Sir Reginald had gestaan, die met echt Britsch flegma de zwijgende toeschouwer van het tooneeltje was geweest.»Un million d’excuses, monsieur!” sprak Piet, zich nu haastig omkeerende, even het hoofd buigende, zonder den hoed af te nemen, dien hij als een bestanddeel van zich zelf scheen te beschouwen.»Sir Reginald Peter Wilmot, vanDesborough-Castle, Baronet,” hervatte Frits, met zekeren nadruk op den titel, als om Piet te beduiden dat hij wel wat meer beleefd kon zijn.»Zeker de Maecenas van mijn kunstbroeder,” sprak deze nogmaals met eene lichte hoofdbuiging, »enchanté, mylord!”»Doe u zelven geen geweld aan, master Pierrotain-Cham,” sprak Sir Reginald opstaande, »ik zal mij verwijderen, ik verlang geenfâcheux troisièmete zijn, en ik heb begrepen, dat ik in mijne kwaliteit van Engelsch edelman het ongeluk heb gehad uwe antipathie op te wekken,sans rancune. Ik heb eerbied voor eene kunstenaarsluim!” en hij wilde heengaan.»Dix mille millions d’excuses!” riep nu Pierrotain-Cham, zooals wij hem nu ook maar zullen noemen, in den weg tredende, en zekere verlegenheid onder die exageratie verbergende. »Hoe komt Uwe Lordschap aan deze opvatting?”»Wel, ik heb gehoord van den noodlottigen indruk, dien het zien van mijn kaartje op u heeft gemaakt.”»Oimè, daar gaat mij een licht op!trahison! perfidie!” galmde hij uit, den eersten zanger in de Robert parodiëerend, »die lakeien-ziel heeft mijne eerste verwonderde exclamatie overgebriefd! Mylord! nu moet ik alles opbiechten opdat er volle absolutievolge. De lompert steekt mij het kaartje toe met uw naam en titels, er bijvoegende, dat die heer mij op staanden voet spreken wil. Ik, die om een vriend weer te zien een uur ver zou loopen en een heelen dag zou willen vasten, zag er voor mij volstrekt geene noodzakelijkheid in, om op commando van den eersten vreemdeling den besten, omdat hijBaronetachter zijn naam voert, van een diner op te staan, waarvan ik, nota bene! de held ben! Ik lach bijgevolg om den eisch, voeg er eenige invectieven bij die niet precies vleiend zijn voor den Baronet, die zich aanmeldt en hef al lachende het refrein aan van een koor uit eene opera, dat wij in onze schildersbent nogal eens opdreunen, als protest tegen de klimmende Anglomanie onder de Parijzenaars.” En met kluchtige ateliersverve declameerde Piet de welbekende regels.Daarop nam hij met een ondeugendsérieuxzijn hoed af, schudde de gladde zwarte leeuwemanen achterwaarts en sprak even de knie buigende op een half eerbiedigen, half moedwilligen toon: »Excusez, Mylord! les peintres sont des fantasques, maar ze weten berouw te toonen en ze schijnen soms erger dan ze zijn; ik had niets tegen den Lord, ik had alleen tegen het ontbod op commando van een vreemdeling; toen ik mijn toorn had lucht gegeven, viel mijn oog weer op het kaartje, dat ik toevallig omgekeerd neergeworpen had, en ik zag den naam van Frits Rosemeijer, van den ouden kameraad! Toen wierp ik mijn servet over mijn bord, mijn glas over het tafellaken en deserteerde eer de schel voor de pauze nog had geklonken, om mijn ouden Frits in de armen te snellen. Heb ik mijne absolutie, Mylord?”»Ten volle, mits gij penitentie doet, een glas champagne met mij drinkt en er voortaan aan denkt, dat ik geen recht heb op den titel van Lord, en dat ik op reis simpellijk Master Wilkinson ben; onderwerpt gij u aan de boetedoening?”»Yes, Sir! met alle gewilligheid, ik zal met u klinken, maar wat drinken betreft:beg pardon if you please!en nu, mag ik verder Fransch spreken? want ik heb om de waarheid te zeggen al mijn Engelsch in eens uitgekraamd, en Frits zal u zeggen dat het voor den Piet Snibs, dien hij gekend heeft, al heel veel is, zoo hij zich in ééne vreemde taal weet uit te drukken.”»Spreek precies wat gij wilt en zooals gij wilt, ik versta zelfs een woord of wat Hollandsch, dus geneer u niet. Gij weet niethoe het mij verheugt die twee jongelieden bijeen te zien in wier geschiedenis ik geen vreemdeling ben. Master Frits Rosemeijerisreeds mijn vriend, master Pierrotain-Cham zal het, hoop ik worden.”»Ik ben er al mee bezig, Sir!” zei Piet, nadat zij geklonken hadden, en nadat hij even zijn glas aan de lippen had gebracht, terwijl Frits en Wilkinson er geen bezwaar in vonden de hunne te ledigen.»Meen nietque je fais la petite boucheuit hypocrisie of om als model van matigheid te poseeren,” ging Piet voort, »maar ik heb nog een heel dessert voor mij, en ik ben toch al zoo druk, zoo opgewonden; alles vibreert, alles resonneert in mij, ik heb honderd goede redenen om daar ginds bij die anderen kalm, waakzaam, mij zelf te zijn en toch reeds het weerzien van eene figuur uit mijne sombere kindsheid zet mij een roes aan. Goden en menschen! wat een tijd, welke herinneringen!” Toen, zich tot Frits keerende, viel hij op eens uit, terwijl hij hem op den schouder klopte. »Millioentje! Millioentje! wat zijn we allebei een eind opgeschoten! Wat hebben we al een weg gemaakt sinds ik jaloersch van je was omdat gij weggingt, terwijl gij mij in stilte benijddet omdat ik blijven mocht! Ja, ja, Frits! wij behoeven er nu geen doekjes meer om te winden, gij waart de uitverkorene, maarikhad de roeping, en dominé Willems zaliger was eenwould-be-kunstbeschermer, die niet verder zag dan zijn neus lang was.”Terwijl hij luisterde naar Piet Snibs in Pierrotain-Cham gemetamorphoseerd, had Frits een gevoel als iemand, die in een draaimolen zit en wien het schemert voor de oogen. De drukke hartelijkheid van den ouden bekende, met wien hij meer getwist dan gespeeld had, trof en verraste hem, maar tegelijk voelde hij zich als overbluft door den lossen, vrijen toon van den kunstenaar, dien hij zich nog zoo goed kon voorstellen als den gedrukten, lijdenden, linkschen, armelijk gekleeden Piet Snibs, en de levendige, schalke, overmoedige persoon, die daar nu voor hem stond, in eene kleedij die wel wat excentriek maar toch elegant was, had zoo weinig overeenkomst met de droevige figuur die hem in ’t geheugen lag, dat hij, die zijn eigen positie alles behalve glansrijk vond, zijn aplomb er door verloor, en het woord niet meer wist te vinden om in dien opgewekten toon in te stemmen; maar nu de roekelooze hem als uittergde om het voor zijn overledenvriend op te nemen, kon hij zich niet weerhouden te zeggen:»Het is waar! dominé Willems was meer goedhartig dan helderziend, maar zijne profetie omtrent u is toch wel bewaarheid geworden!”»In welk opzicht dan toch? Als ik ooit een profeet had te schilderen, zou ik er zeker geen Willems voor laten poseeren.”»Ik evenmin; maar toch.... heeft hij je niet voorspeld dat je nog eens door de Roomschen zoudt ingepakt worden? En nu, mij dunkt het is er al mooi toe gekomen.”»C’est vous qui l’avez dit” declameerde Piet, »maar het bewijs er voor,mon cher?”»Het bewijs? Mij dunkt, dat is niet ver te zoeken....”»Bah! dat dinertje, mij door een pastoor en zijne kerkvoogden aangeboden, omdat ik eene schilderij voor hunne kerk heb gebracht?”»Zouden zij er toe gekomen zijn, zoo gij u niet door de geestelijkheid liet voortkruien?”»Le cas est pendable!ik erken het, maar ben ik er u rekenschap van schuldig?”»Dat bedoel ik niet, maar toch, gij zult mij niet wijs maken dat gij onder dat alles door, trouw hebt gehouden aan uwe protestantsche belijdenis?”»Dat’s een krasse consciëntie-vraag, Frits!” sprak Piet, even het hoofd schuddend, »mij te gewichtig om onder een glas champagne behandeld te worden, maar al zou ik nu ook kortheidshalve toestemmen, dat er werkelijk met mij gebeurd ware wat dominé Willems heeft voorzegd, dan nog zouhijdaarom geen profeet zijn, want ik zelf heb het hem vooruit gewaarschuwd, dat ik mij tot de Roomsche kerk zou wenden, zoo zij mij te hulp kwam om mijne zucht voor de kunst te bevredigen!”»Dat is zoo in de manier van de kunstenaars in de middeleeuwen, die hunne ziel aan den duivel verkochten om de macht te krijgen onnavolgbare meesterstukken voort te brengen.”»Zoo omtrent hetzelfde, althans naar de beschouwing van zeker bekrompen protestantisme, zooals de brave Willems het zijn leerlingen ingoot,” repliceerde master Cham droogjes, en zijn glas nemende.»Zie toch, master Wilkinson! hoe weinig gij op mij rekenen kunt; ik moet uw champagne drinken, want mijn kunstbroeder dáár doet me herdenken aan al het lauwe water, dat ik in mijne leerjaren heb moeten slikken, en ik word er opnieuw wee van!”»En dominé Roestink?” hervatte Frits, die de vervolging nog niet opgaf. De wortel van bitterheid, eens in zijne ziel opgeschoten, liet zijn prikkel voelen bij de minste aanleiding. Hij maakte zich diets dat hij ijverde voor de goede zaak der moraliteit en der religie, maar inderdaad was het alleen een onbewust verweren van zich zelf tegen eene superioriteit die hij, zijns ondanks, moest erkennen; dan, wij vielen hem in de rede, terwijl hij is voortgegaan, »dominé Roestink,uwvriend en beschermer zooveel hij vermocht, zoudt gij dien nu onder de oogen durven komen?”Piet klemde de lippen samen, bekeek zijnen hoed, dien hij op den schoot had gehouden, en drukte dien onmeedoogend plat. Eerst toen Frits had uitgesproken, hief hij zijne oogen op, zag hem aan met een doordringenden blik, waarin iets als weemoed en teleurstelling te lezen stond, en antwoordde toen, terwijl hij even de schouders optrok:»Als gij mij beter kendet, Frits! zoudt gij mij zeker die vraag niet doen; wat dominé Roestink betreft, ik heb zeer naar hem geïnformeerd, en zou hem zeker een bezoek gebracht hebben, terwijl ik in de provincie zwierf, maar ik vernam, dat hij nu in den Haag woont, en mijn weg leidt ditmaal dien kant niet uit; ik zou daar protectiën en connectiën vinden, die mij verder zouden brengen dan ik nu nog wezen wil. Ik ben in ’t bezit van het effect, maar ik moet de coupons niet afknippen voor zij verschenen zijn.”»Gij gelooft dan waarlijk dat dominé Roestink u nog met goede oogen zou aanzien, hij die overal bekend is om zijn ijver voor de Gereformeerde kerk!”»Dominé Roestink! och wat praatgijvan dominé Roestink!” viel Piet in met ongeduld, terwijl hij zijn gemartelden hoed driftig op den grond wierp, »dat’s een predikant zooals mijn ideaal van een schilder is, breed en diep!”»’t Is toch te hopen dat hij wat beter rekent met de proporties dan gij, want zoo hij in ’t geestelijke met zulke steenen gooit, als welke gij uwe Joden tegen Stefanus laat opnemen, danloopt zijne gemeente gevaar om vermorzeld te worden,” viel Frits uit met snerpende bitterheid.»Wel dat is juist het vereischte eener goede prediking, naar het mij voorkomt,” antwoordde Piet ernstig, maar het persoonlijke van den aanvang ter zijde latende; »de hoorders te verbrijzelen, om ze daarna met Stefanus den geopenden Hemel te doen aanschouwen! Wie niet in staat is dezen weg met zijne gemeente te gaan, behoorde, mijns inziens, niet eens den predikstoel te beklimmen.”»Heel goed, maar dat’s nog geen reden voor een schilder om een martelaar te steenigen met rotsblokken, zooals geen mensch in staat is ze te tillen.”»Hm ja! ik had gladde keitjes moeten geven, heel rond, heel glanzig, heel doorzichtig, niet waar? Zoo iets dat de toeschouwer van de gewone soort »heel mooi” vinden zou, en waar hij volstrekt »niet akelig” van werd.”»Ja, ik vat uwe intentie wel, gij hebt gigantiek willen zijn en gij zijt alleen protesk geworden! Gij hebt eene voorstelling gegeven die aan wezens uit de voorwereld doet denken, en gij hadt ons verbasterde Joden moeten laten zien uit het eerste Christelijke tijdperk.”»En zoo ik nu eens de brutale kracht van het fanatisme had willen symboliseeren, als repoussoir van de bovennatuurlijke kracht des geloofs om te lijden, om te vergeven, om God te verheerlijken?” en des kunstenaars oogen straalden van zonderlinge geestverrukking, terwijl hij ze onwillekeurig naar boven hief, als werden deze woorden niet voor zijn toehoorder gesproken, »maar,” vervolgde hij, op eens in geheel veranderden toon, terwijl hij zijn hoed weer opzette en over zijn stoel leunen ging. »Gij zijt dus mijne schilderij in de kerk gaan zien; dat is een bewijs van belangstelling waarvoor ik je dankbaar ben.”»Het zou onoprecht zijn van mij dien dank aan te nemen,” zei Frits verzacht en wat beschaamd, »de nieuwsgierigheid van master Wilkinson en de mijne was gaande gemaakt, en wij konden toen zelfs niet vermoeden, wie zich onder het pseudoniem van Cham verschool.”»En nu gij weet dat het niemand anders is dan de rebellische zoon die zijn moeders huis ontvlood en zijn moeders toorn op zich laadde, dan de arme martelaar Piet Snibs, zult gij dat pseudoniem niet meer zooongerijmdvinden, niet waar?”»Volstrekt niet, integendeel! het is mij zeer begrijpelijk dat gij daarop zijt gekomen; maar ik wil toch hopen dat uwe moeder zich beraden heeft, en dat gij met elkander verzoend zijt vóór haar dood?”»Laten we daar nu maar niet van spreken, Frits!” zei Piet, terwijl hij zich afwendde; »veel tijd heb ik niet meer, gij hebt nu mijn werk gezien, ik behoef je niet te vragen hoe gij het vindt; zelfs al had ik het uit uwe aanmerkingen niet reeds begrepen, toch zou ik het kunnen opmaken uit de opleiding die gij zelf hebt gehad, den kring waarin uw smaak is gevormd; bij mijn weten heb ik nooit van uw werk gezien, gij kunt uw eigen weg zijn gegaan zooals ik, maar toch er is iets dat mij vermoeden doet, dat gij in ’t klassieke cirkeltje zijt blijven rondloopen, terwijl ik tot de school behoor, die den moed heeft genomen met de oude steile tradities te breken. Dit reeds moet een vandalisme zijn in uwe oogen en kan oorzaak wezen dat mijn werk u mishaagt. Maar ik wil toch weten wat gij er verder op hebt aan te merken, en master Wilkinson zal mij genoegen doen van er ook zijn oordeel over te zeggen?”»Bah! Master Cham! ik vrees dat gij de critiek van een leek versmaden zult.”»Een kunstenaar die de critiek versmaadt, is als de zeeman die niet velen kan dat de wind in zijne zeilen blaast, al zou ’t ook tegenwind zijn; in den strijd met de elementen leert hij overwinnen en dat brengt hem verder; platte kalmte alleen, loodzware stilte, is voor beiden verderfelijk.”»Ik voor mij heb meer stof gevonden om te bewonderen, dan te laken,” zei Wilkinson; »naar mijn gevoelen is uwe schilderij een kunstgewrocht dat zeker gebreken heeft, maar die door groote kwaliteiten zijn goed gemaakt; het geeft reeds veel en belooft meer, men heeft voortaan recht het hoogste van u te eischen en mij dunkt, gij zijt deforceom aan die verwachting te voldoen.Tes pareils à deux fois ne se font pas connaître.Gij kent zeker de regels uit denCid?”»Helaas ja! ik heb ze meer dan eens hooren aanhalen, waar het bij den meesterlijken »coup d’essai” is gebleven; ik dank u, Sir! voor het compliment, maar gij gaat om de schilderij heen met de welwillendheid van een dilettant; mijn confrère zal er dieper inkomen en hij heeft ergerlijke delicten aan te wijzen, ikzie het aan zijn wenkbrauwfronsen. Voor den dag er dan mee, Frits! je weet dat ik tegen blauwe plekken kan; de moederliefde heeft er mij aan gewend, mijne eigenliefde is niet kleinzeeriger dan mijn lichaam. Vindt je ’t eencroûte?”»Dat weet ge wel beter. Gij zoudt mij voor eencrétinhouden, als ik dat zei; er is licht, er is ruimte op je doek, en er zijn zwarigheden overwonnen, die.... die een ander zichzelf niet zou gemaakt hebben; maar, mijn Hemel! wat zal ik je zeggen, daar is zoo iets brutaals en baroks in; onder pretekst van sterk coloriet is het zoo woest en schril, al het licht op ééne figuur gebracht en al het overige in zeker mysterieus waas gelaten, iets alsof de blauwe lucht op de figuren had afgegeven, en daarbij die bizarre groepeering, die gewaagde poses!”»Ik erken dat ik het alledaagsche heb versmaad, maar gij zult mij toestemmen, dat ik een recht had naar wat anders te zoeken dan naar dat conventioneele, daar we nu al zoolang aan sukkelen, en dat in elk geval dat tooneel toch wel zóó heeft kunnen voorvallen.”»Ja, maar het had toch nooit zóó blauw moeten voorvallen.”»Gij kunt gelijk hebben,” antwoordde Cham, met een glimlach, »ik zal een beetje misbruik gemaakt hebben van het ultramarin.”»Een beetje! gij zijt wel toegefelijk! Het grimt me aan of je Berlijnsch blauw hebt gebruikt.”»Wat wilt gij! de hartstocht voor decouleur locale, dat’s de fout van ons allen, leerlingen van de la Croix; wij zijn allen verliefd op deOrientalesvan Victor Hugo, wij winden ons op met Oostersche luchten en Zuider zonnegloed en ... en....”»Couleur localezooveel gij wilt, maar gij zult mij nooit wijs maken dat de hemel in ’t Joodsche Land uit donkerblauw glas is samengesteld!”»Ma voûte azuréekan je niet behagen, dat merk ik duidelijk; op een anderen keer zal ik aan u denken en trachten naar meer fijnheid en doorzichtigheid.”»De aanmerking van master Rosemeijer is eigenlijk eene lofspraak!” viel Wilkinson in. »Ik die in Indië gewoond, in Afrika gereisd heb, kan u verzekeren, dat een schilder op dit punt veel kan wagen zonder te overdrijven, en dat men licht voor eene charge zou kunnen aanzien, wat niets was dan de natuur op de daad betrapt!”»Dan zal ik het mishebben,” hervatte Frits eenigszins korzel; maar in ’t Oosten als in ’t Westen zijn menschenmenschenen de figuren zijn er op gegooid,nietgeteekend.”»Niet gepeuterd!” viel Cham in; »maar ik begrijp dat dit eene ergernis is voor u. Wat mij aangaat, het gladde, het geijkte:ce n’est pas là ma partie.”»In verhouding tot dien forschen Stefanus, is uw Saulus eene nietige, bleeke gestalte, die niet eens geacheveerd is.”»Hij staat nogal op den achtergrond en gij moet bedenken, dat ik den man heb willen geven die een doorn in het vleesch draagt; ik stel mij voor dat het juist tot dit zwakke, teere, lijdende wezen is, dat alleen leeft door de geestdrift waar de ziel van gloeit en die het lichaam verteert,—dat het tot dit naar ’t stoffelijke misdeelde wezen moet gezegd zijn: »Mijne genade is u genoeg,” en »Mijne kracht wordt volbracht in uwe zwakheid.”»Bravo!” riep Wilkinson, »zoo mag ik dat een schilder rekenschap geeft van hetgeen hij gewild heeft.”»Ja, maar ook in dezen is er tusschen het willen en in ’t volbrengen nog een wijde kloof,” sprak Frits met zekere heftigheid.»Hier althans meende ik mijn doel getroffen te hebben,” hernam Cham kalm, maar met fiere zelfbewustheid.»Ongetwijfeld! als gij een geëffaceerden Saulus bedoeld hebt,” hield Frits vol. »Men zou niet eens naar hem zien, ware ’t niet dat er bij toeval op zijn hoofd wat van dat licht viel, waarmee gij uw Stefanus als bij uitsluiting begunstigd hebt.”»Welnu, dat is ook zoo. Maar niet bij toeval, met opzet laat ik hier een enkele straal op hem vallen van dat hemellicht, dat hem welhaast het vleeschelijk oog zal verblinden om later de oogen des geestes te openen en volkomenlijk te leeren zien! Ik voor mij geloof, dat Stefanus ook voor Saulus niet tevergeefs heeft gebeden.”»Ik zie daar geen ketterij in, als gij het met uw biechtvader kunt vinden.”»Mijn biechtvader!” herhaalde de schilder met een laatdunkend hoofdschudden.»Maar in ieder geval houd ik niet van schilderijen, die zooveel uitleg noodig hebben om begrepen, om gevoeld te worden,” vervolgde Frits; »deze kunst is er eene voor ’t aanschouwen en ik moet alles terstond kunnen zien.”»Alsgij zien kunt;voilà la question!”»Ik kan tochwélzien, dat er iets ruws en hards is in uwe wijze van doen, alsof gij met losse hand, metnonchalancehet penseel hanteert; met één woord, of gij geen beginsel hadt, geene eigenlijke manier!”»Ah! voilà le grand mot lâché, geene manier! O, gij klassieken, wat zal er nog veel gebeuren moeten eer gij ons romantieken begrijpt, erkent en.... waardeert, mag ik er bijvoegen. Wat mij betreft, elkemanier, iedere methode, die de inspiratie aan banden legt, is mij te eng. Breken met de oude steile tradities, zou mij eene behoefte zijn geweest, al ware ik niet in de school van de romantieken thuis geraakt. Om mij zelf te zijn, ontvluchtte ik mijneeerstemeesters te Antwerpen, trok naar Parijs en raakte aan de zijde der opkomende richting, zooals vanzelf sprak, maar ik ben niet haar blinde proseliet, die hethors de nous point de salutvoortzegt. Ik streef naar waarheid, ik zoek mijne gedachte uit te drukken zoo ik het best kan, ik verlang gloed en leven op mijn doek te brengen; is het vreemd, dat ik liefde heb voor een sterk coloriet; ik haat het conventioneele, realiteit is mijn wachtwoord; ja, zeker! maar geen plat realisme, reine waarheid! leven, maar het ideale leven, geene gedrochten onder voorwendsel dat niets mooi is dan het leelijke! Gij ziet dus wel, dat ik geenâme damnéevan de romantiek ben, al zie ik niet waar ik beter mijne plaats zou vinden dan in haar kamp!”»Maar romantiek of niet, waarom laat gij Stefanus bidden in eene onmogelijke pose?”»Het evangelisch geschiedverhaal wijst die aan.”»Heel goed, laat hem knielen, daar heb ik niets tegen; maar waarom de armen over de borst gekruist en de oogen neergeslagen, in plaats van ze ten Hemel te wenden?”»Precies! om u te voldoen (en zeker hebt gij hier de vulgaire menigte aan uwe zijde) had Stefanus de beide armen naar den Hemel moeten uitstrekken als een drenkeling, die naar de dregge grijpt, en de oogen opgeheven houden tot men niets dan het wit te zien krijgt; ik ken die poses! Helaas! Tot welke school zij behooren, wijs ik niet uit, want er is geene waar zenietuit voortkomen; zeker is het dat men er op alle exposities exemplaren van te bewonderen krijgt. Begrijpt men dan niet, dat wie zich voor God stelt in zulke ure, met zóó heilige bede, de innigstegemeenschap met den diepsten ootmoed samenpaart. Behoeft het oog de lucht te zoeken, opdat de geest den Heere Jezus zie? Stefanusvoeltde nabijheid van zijn Heer, in de volheid van den Heiligen Geest, die hem vervult, in de kracht, die hem is geworden, in de heiligheid om in navolging zijns Heeren voor zijne vijanden te bidden; behoeft hijgesteste maken, terwijl hij zich stervende voelt? behoeft hij de oogen te verdraaien om te weten watwij zien, dat hijin het lichtis?—dát licht der wereld, schijnende in de duisternis, en door de duisterlingen niet begrepen, niet gezien.”Wilkinson had toegeluisterd in diepe aandacht met sprekende belangstelling. Hij had zijne plaats aan tafel verlaten en stond nu vlak voor den schilder, als om hem de woorden uit den mond op te vangen. Toen deze zweeg, stak hij hem beide handen toe, terwijl hij Frits aanziende, tot dezen sprak:»Heb ik het u niet gezegd, master Rosemeijer! dat hij een Christen was!”»Hebt gij dàt uit mijne schilderij kunnen zien?” vroeg Cham, opspringende, met tranen in de oogen en zijn hoed achterover werpende. »Wees daarvoor gedankt! het hoogste loon wat ik voor mijn werk begeer is, dat men er mijne ziel in zie, en God verheerlijke, die de gever der gaven is.”En Frits?Was de vrome ernst, de diepe gemoedelijkheid van den kunstenaar, het middel om hem te ontwapenen, zijn vooroordeel weg te nemen en de vergiftige plant van de afgunst in zijne ziel te ontwortelen? De middelmatigheid is niet zeer bereid zich gewonnen te geven, zij is te traag en te bekrompen om snel tot eene grootsche beweging des gemoeds te besluiten; en toch, Frits moest zich nú beslissen om Piet Snibs, die zich Cham had bijgenaamd, te erkennen voor hetgeen hij was, of zich voor altijd van hem af te wenden in een gevoel van bitterheid en onbestemde antipathie, dat in haat dreigde te ontaarden. Maar Frits mocht een mislukt kunstenaar zijn, een mislukt mensch was hij niet, en zijn hart was groot genoeg om in de worsteling van egoïsme en ijverzucht tegen zijn beter gevoel de overwinning te brengen aan de zijde waar zij behoorde. Hij wierp zich aan de borst van den ouden schoolmakker en riep uit onder tranen:»Ja! gij zegt wél: God heeft hetugegeven! gijzijteen grootkunstenaar, gijzijteen beter mensch dan ik, ik erken het nú, ik wil het voor de gansche wereld erkennen. Wat ik tegen de schilderij had was niet wat ik er onder zooveel vinnigen spot in misprezen heb; maar dit ééne, dat zij onnavolgbaar is voor mij, dat gij vermoogt te geven wat ik tevergeefs heb gezocht. Al had zij ook honderd gebreken, het is een kunstwerk, dat leeft en leven zal.....”»MijnheerPierokam? Pastoor Reinfelt en de andere heeren laten u vragen of gij aan het dessert komt?” Met deze oproeping kwam de dienknecht het onderhoud storen. Frits zweeg plotseling en wilde zich afwenden, maar Cham liet hem dat niet toe; hij bleef zijne handen in de zijnen vastklemmen en wendde zich knorrig tot den Jan.»Eh, l’ami, kunnen die heeren hun dessert niet gebruiken zonder mij?”»Niet best, mijnheer Pierokam, om u te dienen! want ze hebben ook nog eene verrassing voor u....”»Diable! eene verrassing! dat’s erger!” en Piet Cham maakte eene tragisch-comische mine; »maar die verrassing kan immers wel op het laatst komen; ik beloof u, dat ik er even verrast om zal zijn; zeg aan die heeren, dat ik een oud vriend heb ontmoet, aan wien ik nog een half uurtje wensch te geven.”»Gij gaat cavalièrement te werk met die heeren!” sprak Frits glimlachend.»Bah! als ze mij pleizier willen doen, moeten ze niet beginnen met mij te kwellen.”»Maar’t is not gentlemanlike,de fausser compagnie! merkte Wilkinson aan; »en wij blijven tot morgen, als master Rosemeijer er in toestemt.”»Ik voel dat het mij noodig is, ik kan zóó niet van u scheiden,” zei Frits, Piet met zekeren weemoed aanziende.»Nu, zooveel te beter, ik blijf hier nog wel een paar dagen. Wij zullen samen ontbijten, wandelen, de schilderij nog eens bekijken....”»MijnheerChampierre! de heer N. laat u vragen of gij geen afscheid wilt nemen van hem eer hij heengaat; zijn rijtuig is al vóór.”»Oimé! dat is waar ook! numoetik gaan, Frits; gij ziet wel dat ik in een roes ben, ik had N. vergeten.Mes excuses, masterWilkinson!” en Pierrotain-Cham liep op een drafje weg, zijn hoed in den steek latende. Frits zelf liep hem achterna, om hem dien aan te reiken.»Nobele natuur!” sprak Wilkinson.»Jammer dat hij wat bizar en fantask is in zijne manieren,” merkte Frits aan; »men komt er toe hem voor iets anders aan te zien dan hij werkelijk is.”»Och! dat’s niets, ’t is een weinig als met zijne schilderij, de atelier-kleur, die wat op hem afgegeven heeft; in Parijs is dat mode onder de jonge schilders; maar dát zit van buiten, dat zal wel overgaan.”Al hadden ze gewild, ze konden dien avond niet meer vertrekken. De koetsier uit de Zon had van Sir Reginalds vrijgevigheid gebruik gemaakt, om zich in een toestand te brengen, die het uiterst gevaarlijk maakte in den donker met hem te rijden; op het voorstel, dat hij uitslapen zou, en des anderen daags met hen verder gaan, had hij in de grofste termen geantwoord, dat hij daarvoor niet gekomen was; dat hij met zijn paarden thuis moest zijn, en daar hij niet tot reden was te brengen, had men hem met zijn waggelende reisberline alleen laten oprijden.Baptist Meijer had zich aangeboden des anderen daags voor een goed rijtuig te zorgen tot billijken prijs.
VIII.Pas hadden Frits en Sir Reginald den rug gewend om hunne wandeling naar het duin te ondernemen, of eene kleine dusgenoemde kiereboe met één paard kwam van de stadszijde aangereden, om evenals de berline voor hetBonte Paardstil te houden. Twee personen stegen er uit; een bejaard man met grijze haren en snorrebaard, stijve zwarte stropdas en sluitjas tot aan de keel dichtgeknoopt, die een stijf been had en op een stokje leunde, maar er overigens nog kras en opgewekt uitzag, en in wien men terstond den oud-militair moest herkennen; de ander, de jongere, die het eerst met één vluggen sprong uit de »boerenkast” wipte, zooals hij het voertuig noemde, terwijl hij zijn reismakker in ’t afstijgen behulpzaam was, zag er vrij excentriek uit.Hij droeg een zwarte vilten hoed met wapperende groene linten, welks hooge bol als een suikerbrood uitliep, en die slechts een veer of eene roos noodig had, om door den eersten Tyroler den besten te worden gemijnd. Zulk een hoed werd toenmaals in Holland noch gezien noch gedragen, dan in kermistijd, en »door ’t kermisvolk”; wie er zich buiten die bachanaliën-dagen mee vertoonen durfde, moest òf een brutale opsnijder òf een vreemdeling zijn, onbekend met en onverschillig voor den indruk, die zulk een inbreuk op het alledaagsche bij de bevolking van oud-Nederland moest maken. Deze heeft zich sedert 31 wel aan wat anders moeten gewennen! Maarla question n’est pas là. Dit hoofddeksel rustte bij onzen jonkman op zwart haar, datà la pagegescheiden, langs zijn hals en schouders neerviel, lang en sluik als de manen van een paard, terwijl de eenigszins slap neerhangende rand een breedbeenig voorhoofd bedekte met zware zwarte wenkbrauwen, die een paar diepliggende oogen overschaduwdenvan eene onzekere kleur, maar wier glans zoo vaak hij ze opsloeg, zoo vaak hij ze spreken deed, zou men haast moeten zeggen, licht en leven gaf aan een bleek, mager gelaat, met sterke onregelmatige trekken, maar die zeer bewegelijk waren en vol uitdrukking. Een zwarte fluweelen jasà la polonaisemet passement belegd en blinkende vergulde knoopen; een pantalon met Schotsche ruiten van blauw, rood en groen dooreen; verlakte laarzen, wier punten lang en smal uitstaken, of ze aan de tootschoenen der middeleeuwen wilden herinneren; een groote omgeslagen boord, die den hals bloot liet, terwijl een zwart satijnen cravat met roode punten er losjes onder geschoven en vastgemaakt was met eene speld in den vorm van een ster, een smaragd met kleine diamanten omzet, wier schittering bij iederen lichtstraal die er op viel geen twijfel aan hunne echtheid veroorloofde, die anders licht had kunnen opgewekt worden; want behalve de glacé handschoenen,gants jaunesvan de ware soort en onberispelijke frischheid, was het geheele kostuum reeds wat van zijn eersten luister vervallen, hetgeen denkelijk het meest was toe te schrijven aan de achteloosheid waarmee het werd behandeld. Achtereenvolgens werd er een koffer, eene schilderkist en eenalmavivauit den kiereboe te voorschijn gebracht, waarbij de eigenaar dapper in de weer was om den stalknecht te helpen zonder aan zijn fijn handschoeisel te denken.»Met dien boel maar naar mijne kamer, want ik kan hier logeeren, denk ik?” sprak hij, zich tegen den kastelein wendend, die zelf was toegeschoten toen hij den fantastisch uitgemonsterden vreemdeling had zien uitstijgen.»Zeker, mijnheer! maar verschoon me, ik dacht dat het mijnheer was, die.... voor het diner kwam.”»Daar kom ik ook voor, waardige hospes! maar dat belet immers niet dat ik hier blijf als het mij in ’t hoofd komt,L’inspiration, la spontanité, la fantasie, je ne connais que ça, en als ik hier iets zie dat mij aanstaat, je boerenerven, je binnenhuisjes, je mooie boerinnetjes, dan maak ik het tot het mijne, dan croqueer ik het, dat is mijne gewoonte, versta je?”De kastelein sloeg groote verwonderde oogen op, hij begreep er niets van, de heele personage kwam hem onmogelijk voor. Met zulke deftige heeren als die het diner besteld hadden, kon het toch geene maskerade zijn!»Zooals mijnheer blieft,” antwoordde hij met eene buiging, »verkiest mijnheer zijne kamer te zien?”»O, neen! dat’s tijds genoeg als ik slapen ga, ’t is nergens zoo goed als hier in de frissche lentelucht, vind je dat ook niet, papa?” eindigde hij, zich tot den oud-militair wendende, die reeds plaats had genomen aan een der tafeltjes in de nabijheid van dat, waar Wilkinson en Frits hadden gezeten.»Ja, jongen! dat zeg ik ook, maar als je in de lucht zit, moet je wat gebruiken.”»Tot uw dienst, papa! wat verlangt gij, een glas madera?”»Bah! neen, dát goed gebruik ik nooit, een bittertje, dat’s voor alles goed, op marsch, voor den eten, voor alles.”»Een bittertje, Jan!” beval de excentrieke schilder, zich tot den knecht in den zwarten rok richtende, die hem in ’t oog viel omdat deze uit nieuwsgierigheid zoo wat om het tafeltje heendraaide.En zonderling, de Jan was geïmponeerd en stelde zich terstond in beweging om het verlangde aan te bieden.Die heer hoorde bij »de tafel”, mogelijk dacht hij op die wijze niet te derogeeren.»En gij zelf?” vroeg de »papa” toen hij opmerkte dat de andere niets voor zich had besteld.»Ochikgebruik dat goed nooit, en straks aan tafel zal ik meer wijn moeten drinken, dan me lief is. Eens van mijn leven te Parijs, onder de Vesuvianen, toen ik nog niet wist wat champagne was, hebben ze mij dronken gemaakt; maar sinds dien tijd ben ik op mijne hoede. ’t Is walgelijk zijne rede prijs te geven, om het dierlijk genot van wat vocht naar binnen te slaan.”»Sacre-bleu, Piet! je bent toch een rare snuiter. Ik heb je soms hooren redeneeren alsof je in een gloeienden roes waart, en je drinkt niets dan water!”»Reden te meer! zou ik dien bol hier,” en hij sloeg met de vlakke hand op zijn voorhoofd, »nog meer verhitten, die toch al kookt van hetfeu-sacré, zooals de kameraden het noemen. Wat u betreft, papaatje! geneer je niet als je een tweede glaasje verlangt; voor een zestiger en die Quatre-Bras meegemaakt heeft kan het geen kwaad meer! Wil je ook wat eten? Het spijt me dat ik geene vrijheid heb om je voor het diner te inviteeren. Had ik er vooruit van gesproken, het ware te doen geweest; maar,ziet gij, wij kenden elkander toen nog niet, en mij eene invitatie voor je te laten geven, eer ik wist wie ik in je vinden zou, dat ging niet, gij begrijpt mij?”»Opperbest. Gij kondt geene hooge verwachting hebben van den uitverkoren echtvriend uwer moeder; dat ik meegevallen ben, doet me pleizier, maar dat’s voor mij geen reden om me aan die vrome, deftige heeren op te dringen. Daar je toch rijtuig nemen moest, vond ik het aardig je zoover te brengen, maar voor mij is het consigne: afmarcheeren als de vrienden aanrukken; waren ’t vijanden, dan zou ’t wat anders zijn, dan zou ik nog wel courage hebben om bataille te presenteeren,crédié!Ik heb de oude garde front geboden!”»Dank voor uw ijver, papaatje! maar alles zal vreedzaam toegaan, wees er zeker van.”»Ja, het blijkt dat jij met die heeren goed terecht kunt komen, hoewel het mij een mirakel schijnt; ik dacht eigenlijk dat je hier bij den pastoor logeeren gingt.”»Merci, papa! wel uitgenoodigd, maarpas si bête. Goede vrienden met hen,cela suffit; ik wil graag wat voor de kerk doen, ik dank haar menige inspiratie, ik hoop dat zij mij nog eenmaal onuitsprekelijke dingen zal prediken, zal helpen uitdrukken; maar wat de geestelijke heeren betreft, ik laat me niet insluiten, niet onder voogdij brengen; de vrijheid! de vrijheid! Dat is het ware element voor den kunstenaar! Laten ze oppassen dat ze mij niet als gevangene aan de pilasters van hun tempel binden, want dan verbreek ik mijne banden als Simson en ruk me los, al zouden kolommen en spitsbogen daarbij instorten!” En de bewegelijke kunstenaar, die bijna niets zeide wat hij niet door drukke gebaren verduidelijkte, was opgesprongen en maakte met beide armen de beweging of hij sterke koorden losrukte. Zijne mimiek was daarbij zoo sprekend, dat de invalide zich ook ophief en hem bij den arm vattende uitriep:»Hou je bedaard, jongen! ze doen je immers nog niets! Ik zie dat je niet voor niet onder die woelzieke Franschen en onder die muiters van Belgen gezworven hebt; doch bij zulke disposities is ’t maar goed dat je niet in dienst zijt gegaan, want daar is het contrarie: zonder discipline geen goed soldaat, geen goed generaal zelfs, want er is bij ons geen superieur die niet op zijne beurt het hoofd heeft te buigen voor zijn chef. En zoobehoort het ook, anders is er geen orde, en orde moet er zijn in den staat, ook in ’t gezin! Dat was mijn principe, en je moeder wilde in ’t eerst die orde omkeeren. Mij: een sergeant die Quatre-Bras heeft meegemaakt, wilde zij drillen en naar hare hand zetten of hij een recruut ware geweest; maar je vat, dat ik mijn dienst niet vergeten was en haar op der voorman zette. En ’t is me gelukt in de schermutseling het veld te behouden, dat mag ik zeggen! De discipline!sacre-bleu!Juffrouw Doelman wist al heel gauw wat dat woord te beduiden had, en toen ze ’t eens kende, was ze afgericht als de beste militair die zijn twaalf jaren dienst heeft. Op ’t eerste: »Geef acht!” stond ze al in ’t gelid klaar voor ’t commando dat volgen zou; maar zie-je, heel glad is het niet gegaan en de korporaalsstok kwam er wel eens bij te pas.”»Als ik u verzoeken mag, mijnheer Doelman! niet meer daarvan!” viel de schilder in, plotseling hoog en strak. Hij wendde zich af, bracht de hand voor de oogen, en na een stilzwijgen, waarin de oude sergeant zijn tweede borreltje in één teug ledigde, ging de jonkman voort met eene zachte stem, waarin kennelijk sterke gemoedsbeweging trilde. »Ziet gij, het is mij eene altoosdurende grieve dat ik mijne moeder niet heb kunnen achten, niet heb kunnen liefhebben, en dat ik haar ten slotte zulk een diepgaand zielsverdriet heb moeten aandoen, dat zij vergetelheid heeft gezocht in eene omkeering van alle hare gewoonten, van haar geheele wezen. God weet dat ik niet anders kon, dat de aandrift die mij voortzweepte, de aandrift die Hij zelf in mij had gelegd, mij te machtig was om er weerstand aan te bieden! Ik voelde dat ik niet geboren was om onder haar slavenjuk te blijven kruipen; ik moest uitbreken, uitvliegen. God zij geloofd! nog niet te laat, de veerkracht in mij was wel diep, diep neergedrukt, maar niet verlamd; bij den eersten ademtocht der vrijheid hief ze mij op, voerde mij over alle hindernissen heen; toen, toen volgde ik niets meer dan het instinct dat mij dreef. Zooals de vogel naar het Zuiden trekt als het Noorden hem te bar wordt, zoo trok ik weg uit de kille, doodende atmosfeer, waarin ik niet langer ademen kon; maar ik liet eene moeder eenzaam achter en de natuur heeft hare rechten, die men niet straffeloos schendt. Later, veel later, heb ik het gevoeldwatik haar heb gedaan, en ’t is mij eene pijniging, het klinkt me toe als eene luide aanklachttegen mij, als ik van u hooren moet hoe dat hardvochtige, onbuigzame schepsel, dat mij het leven gaf, tot eene smijdige vrouwengestalte is geworden onder uwe hand! Het snerpt mij door de ziel alsof hetmijnezonde ware die gekastijd werd in haar!”»Zou die malle schilder ook tegelijk comediant zijn?” vroeg de knecht, die »alleen voor de tafel” was, aan den kastelein, terwijl ze samen voor de ramen van de groote eetzaal stonden en den spreker gadesloegen, die inderdaad door zijne gebaren en de wisselende uitdrukking van zijn gelaat op toeschouwers, die zijne woorden niet verstaan konden, noch meevoelen wát er in hem omging, wel den indruk moest geven van een acteur die eene scène vertoonde.»Je hebt gelijk, het is waarachtig of hij zijne rol opzegt voor dien andere; maar, Jan! ik waarschuw je, pas op dat je hem aan tafel niet uitlacht, en dat je hem op z’n wenken bedient, anders krijgen we er nog last van, zoo’n opgewonden standje.... Ik heb wel hooren zeggen dat er door die kunstenaars altijd een streep loopt, en die hier, weet-je, dat zoo’n bovenste beste is.”»Begrepen, meester! hij is nou al half gek en als de champagne er in is zal hij als een razende zijn; maar ik heb meer tafel bediend en ik weet waar ik staan moet, geloof dat vrij. Die dolleman heeft daarbij iets in zijne oogen.... een mensch weet niet recht wat hij er aan heeft; hij commandeerde een bittertje, en ik had het hem zelf gebracht, eer ik wist wat ik deed, zal ik maar zeggen.”Papa Doelman kon het Jan nazeggen dat hij niet recht wist waar het hem zat, maar hij voelde wel dat hier geen rol werd gespeeld, en hij was zelf wat in de war geraakt door de sterke gemoedsbeweging van zijn stiefzoon.»Piet! jongelief, ben je dol!” riep hij nu, »dat gij u dit nog zoudt aantrekken; als je in alles zoo overdreven te werk gaat en de wereldsche zaken zoo haarfijn uitpluist om u zelf te kwellen, dan krijgen de priesters waarachtig nog vat op je, al zwaai je de vrijheidsvaan nog zoo hoog! En wat je moeder aangaat, het heeft haar goed gedaan dat zij onder mijn commando is geraakt,militairementgesproken! Ze heeft daardoor met de femelarij gebroken en er een rustig sterfbed aan te danken gehad, al moest ze het zonder dominé doen; want met die uit de stad kon ze’t maar niet vinden, en de voormalige broeders van de oefeningen wilden van haar niets meer weten; maar ik zei: »Vrouwlief! daar ben je protestantsch voor, om geen zwartrok noodig te hebben bij de groote reis.”»En heeft ze mijnietgevloekt, vader? zweert gij mij dat ook op je woord van eer?” viel Piet in met een somber wenkbrauwfronsen.»Zoo ze ’t gedaan mag hebben in hare eerste drift, is zij later toch niet bij die kwade intentie gebleven: »Denk aan Piet, denk aan mijn armen zwerver!” zei ze nog toen ze haast niet meer spreken kon, en toen ik antwoordde: »Wees er gerust op, Neeltje! Je kent sergeant Doelman, hij zal er voor zorgen, dat je zoon krijgt wat hem toekomt, als hij weerkeert;” toen drukte zij mij de hand zóó hartelijk, dat er mij de tranen van overliepen. Zie je, daarom schreef ik je terstond, zoodra ik den brief ontvangen had, waarin gij naar uwe moeder hebt geïnformeerd. Eerder kon het niet, want we hebben nooit een spoor van je ontdekt, hoeveel moeite we ook deden.”»Dat is niet te verwonderen. Jarenlang heb ik al het mogelijke gedaan om mij schuil te houden, met het vaste voornemen om niet terug te keeren voor ik meerderjarig was, en op den weg om een goed kunstenaar te worden, opdat Moeder zou moeten berusten in hetfait accompli; had ik betere gezindheid in haar durven hopen—God weet dat ik niet zoolang zou hebben gewacht!”»Ja, jongen! het is niet aan je te wijten; maar voor haar spijt het mij dat zij de wederkomst van haar verloren zoon, zooals ze je altijd noemde, niet heeft mogen beleven. Het arme mensch heeft om zoo te spreken haar eigen kind niet gekend. Uit haar praatjes over »haar Piet” wachtte ik niet anders dan een woesten verloopen jongen voor mij te zien, een brutalen sinjeur, die eens kijken kwam of er nog wat te halen was. En ’t is zoo heel anders uitgevallen! Toen ik maar eens over de vreemdigheid van je uiterlijk heen was, begreep ik dat de verwildering je het meest in je kleeren, in je manieren zat, en dat je karakter, je sentimenten, je gedrag precies het contrarie waren van ’t geen ik mij had voorgesteld. Op mijn woord van eer, Piet, ik ben blij met je kennismaking!”»En ik dan, papaatje! Ik heb alle reden om voldaan te zijnover de uwe. Zoo gij zelf mij niet het eerst gezegd hadt, dat moeder wat voor mij had nagelaten, zou ik er nooit aan gedacht hebben er naar te vragen! Je bent een eerlijk man, mijnheer Doelman!”»Wel, dat’s een mooie, je hoeft sergeant Doelman toch niet te prijzen, omdat hij geen dief is!”»Ik mag toch wel zeggen, dat ge een stiefvader zijt uit duizenden! Het moederlijk erfdeel van den verloren zoon zóólang trouw bewaren, zoo voordeelig te beleggen en zoo gulweg uit te betalen, zonder dat hij er naar vroeg.”»En je hebt me nog den last aangedaan van het je te moeten opdringen, drommelsche stijfhoofd! Het kwam je immers toe en je kunt het gebruiken ook, denk ik?”»Wat dát betreft, altijd! Waarheid is dat ik met heel weinig toe kan, maar met veel ben ik nooit verlegen; vooral niet nu ik naar Rome ga....”»Maar daarvoor hebben ze je immers een jaargeld toegelegd?”»Dat is zoo en Monseigneur de M. heeft mij mijne schilderij goed betaald ook; maar reizen, reizen in ’t wild vreemde kost geld, en ik kan het nu niet meer doen zooals ik voormaals in België en in Frankrijk heb gereisd, te voet en zoo wat half om Godswil. Neen, nu zal het duur worden, voor mij vooral! want ik heb een zwak.... een gebrek....”»Wat voor gebrek kan dat zijn, je lapt het toch niet door de keel? Met water en brood ben je immers tevreden?”»De gewoonte,” zei Piet met een glimlach; »ik heb het er zóólang mee moeten doen.”»Welnu, wat is het dan, de vrouwen?”Piet haalde met sprekende minachting de schouders op. »De leelijken zie ik niet aan, de mooien zijn mij niets anders dan begeerlijke modellen! daarbij, een kunstenaar moet zich rein houden van alle uitspattingen, dat’s mijn principe.”»Drommels, ben je zoo’n Jozef! dan geef ik het op om er naar te raden, want ik kan toch niet denken, dat het spel....”»De afleiding voor leegloopers en suffe grijsaards! Ik zou mij schamen.... Neen, maar ik heb het ongelukkige zwak voor mooie zaken; het kost mij zelfs strijd om mij niet telkens te laten verlokken tot »zotte koopjes,” zooals de kameraden het wel eens noemen. Antiekebeeldjes, oude schilderijtjes, bronzen, vazen, alwat van dien aard artistieks onder mijne oogen komt, trekt mij aan als met onweerstaanbare macht, en als de prijs maar eenigszins onder mijn bereik valt, moet ik het koopen! Ik weet dat het eene dwaasheid is, bovenal voor een zwerver als ik ben, die beter deed zijn geld in zijn zak te houden en zijne bagage niet nutteloos te bezwaren; maar wat zal ik u zeggen,c’est plus fort que moi, en al neem ik mij vast voor aan geen caprice meer toe te geven, vrees ik toch dat er te Rome menige klip zal zijn, waarop mijne zwakheid moet stranden.”»Dat’s nog een erfzwak van je moeder! Ik kon ze geen boeltafel voorbij krijgen, of ze moest koopen, schoon we al lang rentenierden!”»Als dat zoo is, heeft het zich bij mij toch nogal gewijzigd. Zij zocht de winst, ik denk niet aan ’t verlies, en dat volgt er toch meestal uit; zoo is ’t ook met mijn tijd. Ik werk druk, dat is waar, met ijver, met volharding; maar opmijneuren, ik luister gewoonlijk meer naar mijne fantasie dan naar het verlangen van liefhebbers en kunstkoopers. Ik onderneem soms van alles tegelijk zonder iets af te maken vóór het mij bijzonder aantrekt; en nog.... als anderen zeggen, dat eene schilderij af is, kan ik het niet nalaten om er eens opnieuw frisch op in te gaan.... gij begrijpt wel, dat deze manier niet de beste is om hetgeen men noemt geld te maken met zijn talent; maar ziet gij, ik kán niet anders, ik ben nu eenmaal niet geschapen om daglooner te zijn, en aan de onafhankelijkheid hangt bij mij de inspiratie.”»Sakkerloot, Piet! als ik je zoo hoor en zie en dan bedenk hoe je moeder je kortgehouden en gekoejonneerd heeft, je niets wou laten leeren, toen je eens van de cathechisatie af waart, zooals zij mij in hare uren van berouw wel eens gebiecht heeft,—dan moet ik zeggen, je hebt het ver gebracht, jongen, en dat zoo in je eentje!”»Ja, Goddank! zoo ik geen idioot en geen huichelaar ben geworden, is het moeders schuld niet; maar, ziet gij, al dank ik veel aan mijn eigen moed en wilskracht, zonder bijstand van anderen ware ik nooit op gang geraakt.... Daarbij ik ben nu wel op den weg waarop ik wezen wilde; maar ik ben nog lang niet gekomen waar ik zijn moet! Ik wil eerst rondzien in Italië, in Rome vooral. Ik moet weten wat de groote meesters gedaan hebben, en dan probeeren wat ik zelf vermag! en vooruitgaan!vooruitgaan! streven naar het hoogste! meesterstukken scheppen, die onsterfelijk zijn, en een naam verwerven, die.... maar als ik daaraan denk! is het niet erbarmelijk, mijnheer Doelman, dat ik geen beteren naam heb om beroemd te maken dan dat wanluidende Piet Snibs?” eindigde hij verdrietelijk en met zekere drift den stoel wegschuivende, waartegen hij al pratende en declameerende had staan leunen, want bij zijne levendigheid van gebaren en woorden was hij geen oogenblik rustig blijven zitten.»Ja, Piet! gij hebt wel gelijk, dat Snibs klinkt niet mooi voor een schilder van de romaneske school, zooals jij dat noemt.”»Pardon, papaatje! de romantieke school als ik je verzoeken mag; maar ’t is waar, mijn naam past sinds lang niet meer bij mijn persoon, bij mijn werk, en als ik er voorloopig niet wat op gevonden had, zou ik liever drie kruisjes teekenen, dan dat hatelijke Snibs op mijne schilderijen te zetten.”»Daarbij komt nog, dat je niet eens recht hebt op dien naam.”»Geen recht, en waarom niet?” vroeg de jonge schilder wat verwonderd.»Hé, ik dacht dat je ’t wist,” antwoordde de oude sergeant, nu ook opgestaan, zijn arm nemende en met hem opwandelend langs den straatweg; want de knecht in den zwarten rok, die »alleen voor de tafel” was, kwam weer post vatten in de open deur, kennelijk met het doel om eens naar hun gesprek te luisteren.Piet met den rug naar die zijde gekeerd, zou hem niet hebben opgemerkt, maar de sergeant had den spie terstond in ’t oog gekregen, en door »op te rukken” zijne intentiën verijdeld.»Wat zou ik weten?” vroeg Piet in zekere spanning; »ik ben toch wel de zoon mijner moeder?”»Ja! maar toen deze den cathechiseermeester Snibs trouwde, was haar kind zoo wat anderhalf jaar oud, en gij waart op het stadhuis alleen aangegeven als: Pieter, zoon van Neeltje Jansen.”»En mijn vader?”»Hm! een rijkelui-zoontje, die het aardige naaistertje wat al te druk het hof had gemaakt, later zich met een handvol zeeuwen van de zaak afmaakte, met eene juffer van zijn stand trouwde en sinds lang overleden is. De goede Snibs had medelijden met het gevallen meisje, en ging haar opzoeken, om haar van de »dwalinghaars wegs af te keeren,” zooals je moeder zich uitdrukte. De veiligste manier daartoe scheen haar een echtgenoot tot gids te nemen en Snibsje liet zich snappen! Het zou me echter niet verwonderen, dat hij er spoedig berouw van heeft gehad, en eronderis geraakt, want hij moet aan de tering gestorven zijn.”»Ja! nog zie ik den bleeken, kwijnenden man met een droeven blik zijn kerkboek opnemen en het huis uitsluipen, om naar zijne leerlingen te gaan; hij moet zeker een goed mensch zijn geweest, want ik herinner mij nog hoe hij mij vaderlijke zorg betoonde. Als ik gehoord had datzijmijne moeder niet was, het zou mij verlichting zijn geweest, ik beken het u; maar hij—mijn vader niet! Die vrouw heeft alles tegen mij gepleegd wat zij vermocht, niet eens een wettig kind! O, moeder! moeder!” en er sprak smartelijke bitterheid uit den toon der stem, uit den neergeslagen blik.»Gij begrijpt wel, dat de weduwe Snibs mij deze bijzonderheden niet heeft meegedeeld dan op ’t uiterste, toen er kwestie was van haar testament te maken; wat mij betreft ik stapte er overheen, en gij moet het u ook maar niet aantrekken; ik sprak er alleen van om u te beduiden, dat gij u met hetzelfde recht Pieter Doelman kunt schrijven, en mijn naam is tot je dienst als die je beter voldoet.”»Dankbaar voor de intentie, maar.... ik kan dat zoo dadelijk niet met mij zelven eens worden,” hernam de schilder, die zijn arm losgelaten had, en nu driftig heen en weer liep met gebukten hoofde en door strijdige gedachten geslingerd, die hij onwillekeurig uitdrukte door levendige gebaren.De oude sergeant stond met verbazing naar hem te kijken, even het hoofd schuddend en in zich zelf mompelend: »’t Is toch een rare snuiter!”Piet kruiste de armen over de borst, drukte den hoed nog dieper over de oogen en bleef in die houding naar den grond staren, onder het mompelen van onverstaanbare klanken, die zeker ook niet voor zijn eenigen toehoorder bestemd waren en wier bedoeling vermoedelijk niet vleiend was voor de vrouwen in ’t algemeen en voor de weduwe Snibs-Doelman in ’t bijzonder, want de oude sergeant, die al naderbij was gekomen en enkele klanken opving, riep nu op eens:»Sacre bleu, Piet! je vergeet dat we hier op den publieken wegzijn en zooals je daar staat een morrende alleenspraak te houden, doe je me denken aan Ward Bingley in »Menschenhaat en Berouw”.... En dan je vreemde kleeding daarbij; het verwondert mij niet dat een buurman te E. mij vroeg of er eenspulleman bij me logeerde?”Die toespraak was nog niet voleindigd, of Piet, in zijne sombere overwegingen gestoord, barstte in een schaterend gelach uit, dat echter eer van geprikkelde zenuwen, dan van opgeruimdheid getuigde, ging naar hem toe en sprak met een blik, waar een zonderlinge gloed uit lichtte:»Welnu, die buurman heeft gelijk! een spulleman, een zwerver, een wie niemand toebehoort, kan precies met zich zelven doen wat hij wil en die heeft ook geen vasten naam noodig. In Engeland noemt hij zich John, in Frankrijk Louis, in Duitschland Hans, in Italië Mas-Aniëllo! en zóó zal ik ook doen.”»Mas-Aniëllo! ben je dol, Piet! die vent uit de comedie daar het oproer in Brussel door aangekomen is; als je zoo praat, zou men waarachtig denken dat er een streep door loopt; maar, komaan, daar halen ze den kiereboe al uit den stal; het wordt mijn tijd en de uwe ook, je moet je toch zeker kleeden?”»Mij verkleeden? Waartoe dat! Is mijne polonaise niet elegant? En fluweel, de rijkste stof, de laatste chic! Ik heb expres de speld in mijn das gestoken, die de prinses d’ A. mij gegeven heeft, omdat zij zoo voldaan was over haar portret.”»Ja! maar jongen! voor zulke deftige heeren dien je toch wel een zwarten rok aan te trekken.”»Een zwarte rok!” en de lach van Piet was ditmaal even natuurlijk als luid; »een zwarte rok! Men moet een Hollander zijn om op zoo’n inval te komen; in onze schildersbent te Parijs hadden wij er één met z’n zessen; wie naar een bal of eene audiëntie moest, kreeg hem aan; ik.... heb hem nooit noodig gehad.”»Ik weet dat je er een in je koffer hebt!”»Een mensch kan diep vallen! In België heb ik er een laten maken, omdat ik bijla Comtessede M. dineeren moest met Monseigneur; maar dat’s nog geen reden om hem hier aan te trekken op eene vischpartij, in een buiten-herberg! haast eenpique-nique! ’t Is al mooi dat ik lichte glacé handschoenen aan heb, maar nu ik ze bekijk, mag ik ze wel wegmoffelen, ze zijn gescheurd enmorsig geworden; als zoo iets niet frisch is, staat het armzalig,” en al sprekende stak hij ze in zijn zak!»Mijnenthalve, je moet zelf weten hoe je met die heeren omspringt!”»Wees er gerust op dat ik weet wat ik doe. De pastoor is de gastheer; behalve een paar zijner stads-collega’s en de agent van Monseigneur de M., zijn het allemaal burgerlieden, boeren-kerkvoogden, enz.; als zij nu denépicieruithangen en met zwarte rokken en gewitdast verschijnen op een diner, dat zij aan een schilder geven, dan kan ik het niet helpen, dat zij een gek figuur maken. Zij moeten mij nemen zooals ik ben, dat’s de beste manier om er niet onder te raken! Geloof mij, papaatje! zoo’n beetje excentriciteit is een schild, waarmede men veel kan afweren en alles onder mee kan voeren wat men maar goedvindt.”»Nu, ’t is je eigen zaak! Daar is de kast, die mijmeevoerenmoet en uit de laan hierover zie ik heeren komen, zeker van de gasten; nu jongen, ik zeg je adieu met een heel ander gevoel dan ik je welkom heette. Wij scheiden als vrienden en ik hoop je weer te zien! Als je soms te Rome wat te veel aan je liefhebberij en je fantasie hebt toegegeven en je beurs wat slap wordt, denk er dan aan dat je nog een stiefvader hebt, die Doelman heet en kind noch kraai in de wereld heeft; je kent zijn adres.”»Het zou al erg moeten spannen als ik me dát veroorloofde; maar gij zult toch van mij hooren, papa Doelman! en hierop houd je gezond en blijf bij de opgeruimdheid!”»Zegen en voorspoed met je werk!” was het antwoord van den oud-militair, terwijl Piet hem in den wagen hielp; zij drukten elkaar nog eens hartelijk de hand.De kiereboe reed weg op het sukkeldrafje van één paard. Piet zag haar na; in zijne groote wonderlijke oogen dreef zoo iets als een helder vocht; hij trok de randen van zijn slappen hoed, die al een paar keer op en afgenomen was, nu weer laag over ’t voorhoofd, ging bij het tafeltje zitten, liet de beide ellebogen er op rusten en sprak halfluid: »Toch nog een vaderhart gevonden, ik, de verschoppeling!” en hij snikte onder zijne aandoening, maar verborg die en smoorde zijne eigene stem door zijn gelaat met beide handen te bedekken.De heeren, die naderden, troffen hem nog in diezelfde houding,zijn rug en het gebogen hoofd was dus àl wat zij van hem te zien kregen; maar zij behoorden niet tot de genoodigden voor het diner; het waren onze goede kennissen Frits Millioen en zijn Engelsche reisgenoot.»Aha!” sprak de laatste in ’t voorbijgaan, »dáár zullen wij onzen genialen schilder hebben!”»Ja! hij ziet er excentriek genoeg voor uit,” stemde Frits toe; »zeker een Belg, die hier den Parijzenaar komt uithangen!” en met die weinig vleiende opmerking ging hij langs zijn ouden schoolkameraad heen zonder hem te herkennen!
Pas hadden Frits en Sir Reginald den rug gewend om hunne wandeling naar het duin te ondernemen, of eene kleine dusgenoemde kiereboe met één paard kwam van de stadszijde aangereden, om evenals de berline voor hetBonte Paardstil te houden. Twee personen stegen er uit; een bejaard man met grijze haren en snorrebaard, stijve zwarte stropdas en sluitjas tot aan de keel dichtgeknoopt, die een stijf been had en op een stokje leunde, maar er overigens nog kras en opgewekt uitzag, en in wien men terstond den oud-militair moest herkennen; de ander, de jongere, die het eerst met één vluggen sprong uit de »boerenkast” wipte, zooals hij het voertuig noemde, terwijl hij zijn reismakker in ’t afstijgen behulpzaam was, zag er vrij excentriek uit.
Hij droeg een zwarte vilten hoed met wapperende groene linten, welks hooge bol als een suikerbrood uitliep, en die slechts een veer of eene roos noodig had, om door den eersten Tyroler den besten te worden gemijnd. Zulk een hoed werd toenmaals in Holland noch gezien noch gedragen, dan in kermistijd, en »door ’t kermisvolk”; wie er zich buiten die bachanaliën-dagen mee vertoonen durfde, moest òf een brutale opsnijder òf een vreemdeling zijn, onbekend met en onverschillig voor den indruk, die zulk een inbreuk op het alledaagsche bij de bevolking van oud-Nederland moest maken. Deze heeft zich sedert 31 wel aan wat anders moeten gewennen! Maarla question n’est pas là. Dit hoofddeksel rustte bij onzen jonkman op zwart haar, datà la pagegescheiden, langs zijn hals en schouders neerviel, lang en sluik als de manen van een paard, terwijl de eenigszins slap neerhangende rand een breedbeenig voorhoofd bedekte met zware zwarte wenkbrauwen, die een paar diepliggende oogen overschaduwdenvan eene onzekere kleur, maar wier glans zoo vaak hij ze opsloeg, zoo vaak hij ze spreken deed, zou men haast moeten zeggen, licht en leven gaf aan een bleek, mager gelaat, met sterke onregelmatige trekken, maar die zeer bewegelijk waren en vol uitdrukking. Een zwarte fluweelen jasà la polonaisemet passement belegd en blinkende vergulde knoopen; een pantalon met Schotsche ruiten van blauw, rood en groen dooreen; verlakte laarzen, wier punten lang en smal uitstaken, of ze aan de tootschoenen der middeleeuwen wilden herinneren; een groote omgeslagen boord, die den hals bloot liet, terwijl een zwart satijnen cravat met roode punten er losjes onder geschoven en vastgemaakt was met eene speld in den vorm van een ster, een smaragd met kleine diamanten omzet, wier schittering bij iederen lichtstraal die er op viel geen twijfel aan hunne echtheid veroorloofde, die anders licht had kunnen opgewekt worden; want behalve de glacé handschoenen,gants jaunesvan de ware soort en onberispelijke frischheid, was het geheele kostuum reeds wat van zijn eersten luister vervallen, hetgeen denkelijk het meest was toe te schrijven aan de achteloosheid waarmee het werd behandeld. Achtereenvolgens werd er een koffer, eene schilderkist en eenalmavivauit den kiereboe te voorschijn gebracht, waarbij de eigenaar dapper in de weer was om den stalknecht te helpen zonder aan zijn fijn handschoeisel te denken.
»Met dien boel maar naar mijne kamer, want ik kan hier logeeren, denk ik?” sprak hij, zich tegen den kastelein wendend, die zelf was toegeschoten toen hij den fantastisch uitgemonsterden vreemdeling had zien uitstijgen.
»Zeker, mijnheer! maar verschoon me, ik dacht dat het mijnheer was, die.... voor het diner kwam.”
»Daar kom ik ook voor, waardige hospes! maar dat belet immers niet dat ik hier blijf als het mij in ’t hoofd komt,L’inspiration, la spontanité, la fantasie, je ne connais que ça, en als ik hier iets zie dat mij aanstaat, je boerenerven, je binnenhuisjes, je mooie boerinnetjes, dan maak ik het tot het mijne, dan croqueer ik het, dat is mijne gewoonte, versta je?”
De kastelein sloeg groote verwonderde oogen op, hij begreep er niets van, de heele personage kwam hem onmogelijk voor. Met zulke deftige heeren als die het diner besteld hadden, kon het toch geene maskerade zijn!
»Zooals mijnheer blieft,” antwoordde hij met eene buiging, »verkiest mijnheer zijne kamer te zien?”
»O, neen! dat’s tijds genoeg als ik slapen ga, ’t is nergens zoo goed als hier in de frissche lentelucht, vind je dat ook niet, papa?” eindigde hij, zich tot den oud-militair wendende, die reeds plaats had genomen aan een der tafeltjes in de nabijheid van dat, waar Wilkinson en Frits hadden gezeten.
»Ja, jongen! dat zeg ik ook, maar als je in de lucht zit, moet je wat gebruiken.”
»Tot uw dienst, papa! wat verlangt gij, een glas madera?”
»Bah! neen, dát goed gebruik ik nooit, een bittertje, dat’s voor alles goed, op marsch, voor den eten, voor alles.”
»Een bittertje, Jan!” beval de excentrieke schilder, zich tot den knecht in den zwarten rok richtende, die hem in ’t oog viel omdat deze uit nieuwsgierigheid zoo wat om het tafeltje heendraaide.
En zonderling, de Jan was geïmponeerd en stelde zich terstond in beweging om het verlangde aan te bieden.
Die heer hoorde bij »de tafel”, mogelijk dacht hij op die wijze niet te derogeeren.
»En gij zelf?” vroeg de »papa” toen hij opmerkte dat de andere niets voor zich had besteld.
»Ochikgebruik dat goed nooit, en straks aan tafel zal ik meer wijn moeten drinken, dan me lief is. Eens van mijn leven te Parijs, onder de Vesuvianen, toen ik nog niet wist wat champagne was, hebben ze mij dronken gemaakt; maar sinds dien tijd ben ik op mijne hoede. ’t Is walgelijk zijne rede prijs te geven, om het dierlijk genot van wat vocht naar binnen te slaan.”
»Sacre-bleu, Piet! je bent toch een rare snuiter. Ik heb je soms hooren redeneeren alsof je in een gloeienden roes waart, en je drinkt niets dan water!”
»Reden te meer! zou ik dien bol hier,” en hij sloeg met de vlakke hand op zijn voorhoofd, »nog meer verhitten, die toch al kookt van hetfeu-sacré, zooals de kameraden het noemen. Wat u betreft, papaatje! geneer je niet als je een tweede glaasje verlangt; voor een zestiger en die Quatre-Bras meegemaakt heeft kan het geen kwaad meer! Wil je ook wat eten? Het spijt me dat ik geene vrijheid heb om je voor het diner te inviteeren. Had ik er vooruit van gesproken, het ware te doen geweest; maar,ziet gij, wij kenden elkander toen nog niet, en mij eene invitatie voor je te laten geven, eer ik wist wie ik in je vinden zou, dat ging niet, gij begrijpt mij?”
»Opperbest. Gij kondt geene hooge verwachting hebben van den uitverkoren echtvriend uwer moeder; dat ik meegevallen ben, doet me pleizier, maar dat’s voor mij geen reden om me aan die vrome, deftige heeren op te dringen. Daar je toch rijtuig nemen moest, vond ik het aardig je zoover te brengen, maar voor mij is het consigne: afmarcheeren als de vrienden aanrukken; waren ’t vijanden, dan zou ’t wat anders zijn, dan zou ik nog wel courage hebben om bataille te presenteeren,crédié!Ik heb de oude garde front geboden!”
»Dank voor uw ijver, papaatje! maar alles zal vreedzaam toegaan, wees er zeker van.”
»Ja, het blijkt dat jij met die heeren goed terecht kunt komen, hoewel het mij een mirakel schijnt; ik dacht eigenlijk dat je hier bij den pastoor logeeren gingt.”
»Merci, papa! wel uitgenoodigd, maarpas si bête. Goede vrienden met hen,cela suffit; ik wil graag wat voor de kerk doen, ik dank haar menige inspiratie, ik hoop dat zij mij nog eenmaal onuitsprekelijke dingen zal prediken, zal helpen uitdrukken; maar wat de geestelijke heeren betreft, ik laat me niet insluiten, niet onder voogdij brengen; de vrijheid! de vrijheid! Dat is het ware element voor den kunstenaar! Laten ze oppassen dat ze mij niet als gevangene aan de pilasters van hun tempel binden, want dan verbreek ik mijne banden als Simson en ruk me los, al zouden kolommen en spitsbogen daarbij instorten!” En de bewegelijke kunstenaar, die bijna niets zeide wat hij niet door drukke gebaren verduidelijkte, was opgesprongen en maakte met beide armen de beweging of hij sterke koorden losrukte. Zijne mimiek was daarbij zoo sprekend, dat de invalide zich ook ophief en hem bij den arm vattende uitriep:
»Hou je bedaard, jongen! ze doen je immers nog niets! Ik zie dat je niet voor niet onder die woelzieke Franschen en onder die muiters van Belgen gezworven hebt; doch bij zulke disposities is ’t maar goed dat je niet in dienst zijt gegaan, want daar is het contrarie: zonder discipline geen goed soldaat, geen goed generaal zelfs, want er is bij ons geen superieur die niet op zijne beurt het hoofd heeft te buigen voor zijn chef. En zoobehoort het ook, anders is er geen orde, en orde moet er zijn in den staat, ook in ’t gezin! Dat was mijn principe, en je moeder wilde in ’t eerst die orde omkeeren. Mij: een sergeant die Quatre-Bras heeft meegemaakt, wilde zij drillen en naar hare hand zetten of hij een recruut ware geweest; maar je vat, dat ik mijn dienst niet vergeten was en haar op der voorman zette. En ’t is me gelukt in de schermutseling het veld te behouden, dat mag ik zeggen! De discipline!sacre-bleu!Juffrouw Doelman wist al heel gauw wat dat woord te beduiden had, en toen ze ’t eens kende, was ze afgericht als de beste militair die zijn twaalf jaren dienst heeft. Op ’t eerste: »Geef acht!” stond ze al in ’t gelid klaar voor ’t commando dat volgen zou; maar zie-je, heel glad is het niet gegaan en de korporaalsstok kwam er wel eens bij te pas.”
»Als ik u verzoeken mag, mijnheer Doelman! niet meer daarvan!” viel de schilder in, plotseling hoog en strak. Hij wendde zich af, bracht de hand voor de oogen, en na een stilzwijgen, waarin de oude sergeant zijn tweede borreltje in één teug ledigde, ging de jonkman voort met eene zachte stem, waarin kennelijk sterke gemoedsbeweging trilde. »Ziet gij, het is mij eene altoosdurende grieve dat ik mijne moeder niet heb kunnen achten, niet heb kunnen liefhebben, en dat ik haar ten slotte zulk een diepgaand zielsverdriet heb moeten aandoen, dat zij vergetelheid heeft gezocht in eene omkeering van alle hare gewoonten, van haar geheele wezen. God weet dat ik niet anders kon, dat de aandrift die mij voortzweepte, de aandrift die Hij zelf in mij had gelegd, mij te machtig was om er weerstand aan te bieden! Ik voelde dat ik niet geboren was om onder haar slavenjuk te blijven kruipen; ik moest uitbreken, uitvliegen. God zij geloofd! nog niet te laat, de veerkracht in mij was wel diep, diep neergedrukt, maar niet verlamd; bij den eersten ademtocht der vrijheid hief ze mij op, voerde mij over alle hindernissen heen; toen, toen volgde ik niets meer dan het instinct dat mij dreef. Zooals de vogel naar het Zuiden trekt als het Noorden hem te bar wordt, zoo trok ik weg uit de kille, doodende atmosfeer, waarin ik niet langer ademen kon; maar ik liet eene moeder eenzaam achter en de natuur heeft hare rechten, die men niet straffeloos schendt. Later, veel later, heb ik het gevoeldwatik haar heb gedaan, en ’t is mij eene pijniging, het klinkt me toe als eene luide aanklachttegen mij, als ik van u hooren moet hoe dat hardvochtige, onbuigzame schepsel, dat mij het leven gaf, tot eene smijdige vrouwengestalte is geworden onder uwe hand! Het snerpt mij door de ziel alsof hetmijnezonde ware die gekastijd werd in haar!”
»Zou die malle schilder ook tegelijk comediant zijn?” vroeg de knecht, die »alleen voor de tafel” was, aan den kastelein, terwijl ze samen voor de ramen van de groote eetzaal stonden en den spreker gadesloegen, die inderdaad door zijne gebaren en de wisselende uitdrukking van zijn gelaat op toeschouwers, die zijne woorden niet verstaan konden, noch meevoelen wát er in hem omging, wel den indruk moest geven van een acteur die eene scène vertoonde.
»Je hebt gelijk, het is waarachtig of hij zijne rol opzegt voor dien andere; maar, Jan! ik waarschuw je, pas op dat je hem aan tafel niet uitlacht, en dat je hem op z’n wenken bedient, anders krijgen we er nog last van, zoo’n opgewonden standje.... Ik heb wel hooren zeggen dat er door die kunstenaars altijd een streep loopt, en die hier, weet-je, dat zoo’n bovenste beste is.”
»Begrepen, meester! hij is nou al half gek en als de champagne er in is zal hij als een razende zijn; maar ik heb meer tafel bediend en ik weet waar ik staan moet, geloof dat vrij. Die dolleman heeft daarbij iets in zijne oogen.... een mensch weet niet recht wat hij er aan heeft; hij commandeerde een bittertje, en ik had het hem zelf gebracht, eer ik wist wat ik deed, zal ik maar zeggen.”
Papa Doelman kon het Jan nazeggen dat hij niet recht wist waar het hem zat, maar hij voelde wel dat hier geen rol werd gespeeld, en hij was zelf wat in de war geraakt door de sterke gemoedsbeweging van zijn stiefzoon.
»Piet! jongelief, ben je dol!” riep hij nu, »dat gij u dit nog zoudt aantrekken; als je in alles zoo overdreven te werk gaat en de wereldsche zaken zoo haarfijn uitpluist om u zelf te kwellen, dan krijgen de priesters waarachtig nog vat op je, al zwaai je de vrijheidsvaan nog zoo hoog! En wat je moeder aangaat, het heeft haar goed gedaan dat zij onder mijn commando is geraakt,militairementgesproken! Ze heeft daardoor met de femelarij gebroken en er een rustig sterfbed aan te danken gehad, al moest ze het zonder dominé doen; want met die uit de stad kon ze’t maar niet vinden, en de voormalige broeders van de oefeningen wilden van haar niets meer weten; maar ik zei: »Vrouwlief! daar ben je protestantsch voor, om geen zwartrok noodig te hebben bij de groote reis.”
»En heeft ze mijnietgevloekt, vader? zweert gij mij dat ook op je woord van eer?” viel Piet in met een somber wenkbrauwfronsen.
»Zoo ze ’t gedaan mag hebben in hare eerste drift, is zij later toch niet bij die kwade intentie gebleven: »Denk aan Piet, denk aan mijn armen zwerver!” zei ze nog toen ze haast niet meer spreken kon, en toen ik antwoordde: »Wees er gerust op, Neeltje! Je kent sergeant Doelman, hij zal er voor zorgen, dat je zoon krijgt wat hem toekomt, als hij weerkeert;” toen drukte zij mij de hand zóó hartelijk, dat er mij de tranen van overliepen. Zie je, daarom schreef ik je terstond, zoodra ik den brief ontvangen had, waarin gij naar uwe moeder hebt geïnformeerd. Eerder kon het niet, want we hebben nooit een spoor van je ontdekt, hoeveel moeite we ook deden.”
»Dat is niet te verwonderen. Jarenlang heb ik al het mogelijke gedaan om mij schuil te houden, met het vaste voornemen om niet terug te keeren voor ik meerderjarig was, en op den weg om een goed kunstenaar te worden, opdat Moeder zou moeten berusten in hetfait accompli; had ik betere gezindheid in haar durven hopen—God weet dat ik niet zoolang zou hebben gewacht!”
»Ja, jongen! het is niet aan je te wijten; maar voor haar spijt het mij dat zij de wederkomst van haar verloren zoon, zooals ze je altijd noemde, niet heeft mogen beleven. Het arme mensch heeft om zoo te spreken haar eigen kind niet gekend. Uit haar praatjes over »haar Piet” wachtte ik niet anders dan een woesten verloopen jongen voor mij te zien, een brutalen sinjeur, die eens kijken kwam of er nog wat te halen was. En ’t is zoo heel anders uitgevallen! Toen ik maar eens over de vreemdigheid van je uiterlijk heen was, begreep ik dat de verwildering je het meest in je kleeren, in je manieren zat, en dat je karakter, je sentimenten, je gedrag precies het contrarie waren van ’t geen ik mij had voorgesteld. Op mijn woord van eer, Piet, ik ben blij met je kennismaking!”
»En ik dan, papaatje! Ik heb alle reden om voldaan te zijnover de uwe. Zoo gij zelf mij niet het eerst gezegd hadt, dat moeder wat voor mij had nagelaten, zou ik er nooit aan gedacht hebben er naar te vragen! Je bent een eerlijk man, mijnheer Doelman!”
»Wel, dat’s een mooie, je hoeft sergeant Doelman toch niet te prijzen, omdat hij geen dief is!”
»Ik mag toch wel zeggen, dat ge een stiefvader zijt uit duizenden! Het moederlijk erfdeel van den verloren zoon zóólang trouw bewaren, zoo voordeelig te beleggen en zoo gulweg uit te betalen, zonder dat hij er naar vroeg.”
»En je hebt me nog den last aangedaan van het je te moeten opdringen, drommelsche stijfhoofd! Het kwam je immers toe en je kunt het gebruiken ook, denk ik?”
»Wat dát betreft, altijd! Waarheid is dat ik met heel weinig toe kan, maar met veel ben ik nooit verlegen; vooral niet nu ik naar Rome ga....”
»Maar daarvoor hebben ze je immers een jaargeld toegelegd?”
»Dat is zoo en Monseigneur de M. heeft mij mijne schilderij goed betaald ook; maar reizen, reizen in ’t wild vreemde kost geld, en ik kan het nu niet meer doen zooals ik voormaals in België en in Frankrijk heb gereisd, te voet en zoo wat half om Godswil. Neen, nu zal het duur worden, voor mij vooral! want ik heb een zwak.... een gebrek....”
»Wat voor gebrek kan dat zijn, je lapt het toch niet door de keel? Met water en brood ben je immers tevreden?”
»De gewoonte,” zei Piet met een glimlach; »ik heb het er zóólang mee moeten doen.”
»Welnu, wat is het dan, de vrouwen?”
Piet haalde met sprekende minachting de schouders op. »De leelijken zie ik niet aan, de mooien zijn mij niets anders dan begeerlijke modellen! daarbij, een kunstenaar moet zich rein houden van alle uitspattingen, dat’s mijn principe.”
»Drommels, ben je zoo’n Jozef! dan geef ik het op om er naar te raden, want ik kan toch niet denken, dat het spel....”
»De afleiding voor leegloopers en suffe grijsaards! Ik zou mij schamen.... Neen, maar ik heb het ongelukkige zwak voor mooie zaken; het kost mij zelfs strijd om mij niet telkens te laten verlokken tot »zotte koopjes,” zooals de kameraden het wel eens noemen. Antiekebeeldjes, oude schilderijtjes, bronzen, vazen, alwat van dien aard artistieks onder mijne oogen komt, trekt mij aan als met onweerstaanbare macht, en als de prijs maar eenigszins onder mijn bereik valt, moet ik het koopen! Ik weet dat het eene dwaasheid is, bovenal voor een zwerver als ik ben, die beter deed zijn geld in zijn zak te houden en zijne bagage niet nutteloos te bezwaren; maar wat zal ik u zeggen,c’est plus fort que moi, en al neem ik mij vast voor aan geen caprice meer toe te geven, vrees ik toch dat er te Rome menige klip zal zijn, waarop mijne zwakheid moet stranden.”
»Dat’s nog een erfzwak van je moeder! Ik kon ze geen boeltafel voorbij krijgen, of ze moest koopen, schoon we al lang rentenierden!”
»Als dat zoo is, heeft het zich bij mij toch nogal gewijzigd. Zij zocht de winst, ik denk niet aan ’t verlies, en dat volgt er toch meestal uit; zoo is ’t ook met mijn tijd. Ik werk druk, dat is waar, met ijver, met volharding; maar opmijneuren, ik luister gewoonlijk meer naar mijne fantasie dan naar het verlangen van liefhebbers en kunstkoopers. Ik onderneem soms van alles tegelijk zonder iets af te maken vóór het mij bijzonder aantrekt; en nog.... als anderen zeggen, dat eene schilderij af is, kan ik het niet nalaten om er eens opnieuw frisch op in te gaan.... gij begrijpt wel, dat deze manier niet de beste is om hetgeen men noemt geld te maken met zijn talent; maar ziet gij, ik kán niet anders, ik ben nu eenmaal niet geschapen om daglooner te zijn, en aan de onafhankelijkheid hangt bij mij de inspiratie.”
»Sakkerloot, Piet! als ik je zoo hoor en zie en dan bedenk hoe je moeder je kortgehouden en gekoejonneerd heeft, je niets wou laten leeren, toen je eens van de cathechisatie af waart, zooals zij mij in hare uren van berouw wel eens gebiecht heeft,—dan moet ik zeggen, je hebt het ver gebracht, jongen, en dat zoo in je eentje!”
»Ja, Goddank! zoo ik geen idioot en geen huichelaar ben geworden, is het moeders schuld niet; maar, ziet gij, al dank ik veel aan mijn eigen moed en wilskracht, zonder bijstand van anderen ware ik nooit op gang geraakt.... Daarbij ik ben nu wel op den weg waarop ik wezen wilde; maar ik ben nog lang niet gekomen waar ik zijn moet! Ik wil eerst rondzien in Italië, in Rome vooral. Ik moet weten wat de groote meesters gedaan hebben, en dan probeeren wat ik zelf vermag! en vooruitgaan!vooruitgaan! streven naar het hoogste! meesterstukken scheppen, die onsterfelijk zijn, en een naam verwerven, die.... maar als ik daaraan denk! is het niet erbarmelijk, mijnheer Doelman, dat ik geen beteren naam heb om beroemd te maken dan dat wanluidende Piet Snibs?” eindigde hij verdrietelijk en met zekere drift den stoel wegschuivende, waartegen hij al pratende en declameerende had staan leunen, want bij zijne levendigheid van gebaren en woorden was hij geen oogenblik rustig blijven zitten.
»Ja, Piet! gij hebt wel gelijk, dat Snibs klinkt niet mooi voor een schilder van de romaneske school, zooals jij dat noemt.”
»Pardon, papaatje! de romantieke school als ik je verzoeken mag; maar ’t is waar, mijn naam past sinds lang niet meer bij mijn persoon, bij mijn werk, en als ik er voorloopig niet wat op gevonden had, zou ik liever drie kruisjes teekenen, dan dat hatelijke Snibs op mijne schilderijen te zetten.”
»Daarbij komt nog, dat je niet eens recht hebt op dien naam.”
»Geen recht, en waarom niet?” vroeg de jonge schilder wat verwonderd.
»Hé, ik dacht dat je ’t wist,” antwoordde de oude sergeant, nu ook opgestaan, zijn arm nemende en met hem opwandelend langs den straatweg; want de knecht in den zwarten rok, die »alleen voor de tafel” was, kwam weer post vatten in de open deur, kennelijk met het doel om eens naar hun gesprek te luisteren.
Piet met den rug naar die zijde gekeerd, zou hem niet hebben opgemerkt, maar de sergeant had den spie terstond in ’t oog gekregen, en door »op te rukken” zijne intentiën verijdeld.
»Wat zou ik weten?” vroeg Piet in zekere spanning; »ik ben toch wel de zoon mijner moeder?”
»Ja! maar toen deze den cathechiseermeester Snibs trouwde, was haar kind zoo wat anderhalf jaar oud, en gij waart op het stadhuis alleen aangegeven als: Pieter, zoon van Neeltje Jansen.”
»En mijn vader?”
»Hm! een rijkelui-zoontje, die het aardige naaistertje wat al te druk het hof had gemaakt, later zich met een handvol zeeuwen van de zaak afmaakte, met eene juffer van zijn stand trouwde en sinds lang overleden is. De goede Snibs had medelijden met het gevallen meisje, en ging haar opzoeken, om haar van de »dwalinghaars wegs af te keeren,” zooals je moeder zich uitdrukte. De veiligste manier daartoe scheen haar een echtgenoot tot gids te nemen en Snibsje liet zich snappen! Het zou me echter niet verwonderen, dat hij er spoedig berouw van heeft gehad, en eronderis geraakt, want hij moet aan de tering gestorven zijn.”
»Ja! nog zie ik den bleeken, kwijnenden man met een droeven blik zijn kerkboek opnemen en het huis uitsluipen, om naar zijne leerlingen te gaan; hij moet zeker een goed mensch zijn geweest, want ik herinner mij nog hoe hij mij vaderlijke zorg betoonde. Als ik gehoord had datzijmijne moeder niet was, het zou mij verlichting zijn geweest, ik beken het u; maar hij—mijn vader niet! Die vrouw heeft alles tegen mij gepleegd wat zij vermocht, niet eens een wettig kind! O, moeder! moeder!” en er sprak smartelijke bitterheid uit den toon der stem, uit den neergeslagen blik.
»Gij begrijpt wel, dat de weduwe Snibs mij deze bijzonderheden niet heeft meegedeeld dan op ’t uiterste, toen er kwestie was van haar testament te maken; wat mij betreft ik stapte er overheen, en gij moet het u ook maar niet aantrekken; ik sprak er alleen van om u te beduiden, dat gij u met hetzelfde recht Pieter Doelman kunt schrijven, en mijn naam is tot je dienst als die je beter voldoet.”
»Dankbaar voor de intentie, maar.... ik kan dat zoo dadelijk niet met mij zelven eens worden,” hernam de schilder, die zijn arm losgelaten had, en nu driftig heen en weer liep met gebukten hoofde en door strijdige gedachten geslingerd, die hij onwillekeurig uitdrukte door levendige gebaren.
De oude sergeant stond met verbazing naar hem te kijken, even het hoofd schuddend en in zich zelf mompelend: »’t Is toch een rare snuiter!”
Piet kruiste de armen over de borst, drukte den hoed nog dieper over de oogen en bleef in die houding naar den grond staren, onder het mompelen van onverstaanbare klanken, die zeker ook niet voor zijn eenigen toehoorder bestemd waren en wier bedoeling vermoedelijk niet vleiend was voor de vrouwen in ’t algemeen en voor de weduwe Snibs-Doelman in ’t bijzonder, want de oude sergeant, die al naderbij was gekomen en enkele klanken opving, riep nu op eens:
»Sacre bleu, Piet! je vergeet dat we hier op den publieken wegzijn en zooals je daar staat een morrende alleenspraak te houden, doe je me denken aan Ward Bingley in »Menschenhaat en Berouw”.... En dan je vreemde kleeding daarbij; het verwondert mij niet dat een buurman te E. mij vroeg of er eenspulleman bij me logeerde?”
Die toespraak was nog niet voleindigd, of Piet, in zijne sombere overwegingen gestoord, barstte in een schaterend gelach uit, dat echter eer van geprikkelde zenuwen, dan van opgeruimdheid getuigde, ging naar hem toe en sprak met een blik, waar een zonderlinge gloed uit lichtte:
»Welnu, die buurman heeft gelijk! een spulleman, een zwerver, een wie niemand toebehoort, kan precies met zich zelven doen wat hij wil en die heeft ook geen vasten naam noodig. In Engeland noemt hij zich John, in Frankrijk Louis, in Duitschland Hans, in Italië Mas-Aniëllo! en zóó zal ik ook doen.”
»Mas-Aniëllo! ben je dol, Piet! die vent uit de comedie daar het oproer in Brussel door aangekomen is; als je zoo praat, zou men waarachtig denken dat er een streep door loopt; maar, komaan, daar halen ze den kiereboe al uit den stal; het wordt mijn tijd en de uwe ook, je moet je toch zeker kleeden?”
»Mij verkleeden? Waartoe dat! Is mijne polonaise niet elegant? En fluweel, de rijkste stof, de laatste chic! Ik heb expres de speld in mijn das gestoken, die de prinses d’ A. mij gegeven heeft, omdat zij zoo voldaan was over haar portret.”
»Ja! maar jongen! voor zulke deftige heeren dien je toch wel een zwarten rok aan te trekken.”
»Een zwarte rok!” en de lach van Piet was ditmaal even natuurlijk als luid; »een zwarte rok! Men moet een Hollander zijn om op zoo’n inval te komen; in onze schildersbent te Parijs hadden wij er één met z’n zessen; wie naar een bal of eene audiëntie moest, kreeg hem aan; ik.... heb hem nooit noodig gehad.”
»Ik weet dat je er een in je koffer hebt!”
»Een mensch kan diep vallen! In België heb ik er een laten maken, omdat ik bijla Comtessede M. dineeren moest met Monseigneur; maar dat’s nog geen reden om hem hier aan te trekken op eene vischpartij, in een buiten-herberg! haast eenpique-nique! ’t Is al mooi dat ik lichte glacé handschoenen aan heb, maar nu ik ze bekijk, mag ik ze wel wegmoffelen, ze zijn gescheurd enmorsig geworden; als zoo iets niet frisch is, staat het armzalig,” en al sprekende stak hij ze in zijn zak!
»Mijnenthalve, je moet zelf weten hoe je met die heeren omspringt!”
»Wees er gerust op dat ik weet wat ik doe. De pastoor is de gastheer; behalve een paar zijner stads-collega’s en de agent van Monseigneur de M., zijn het allemaal burgerlieden, boeren-kerkvoogden, enz.; als zij nu denépicieruithangen en met zwarte rokken en gewitdast verschijnen op een diner, dat zij aan een schilder geven, dan kan ik het niet helpen, dat zij een gek figuur maken. Zij moeten mij nemen zooals ik ben, dat’s de beste manier om er niet onder te raken! Geloof mij, papaatje! zoo’n beetje excentriciteit is een schild, waarmede men veel kan afweren en alles onder mee kan voeren wat men maar goedvindt.”
»Nu, ’t is je eigen zaak! Daar is de kast, die mijmeevoerenmoet en uit de laan hierover zie ik heeren komen, zeker van de gasten; nu jongen, ik zeg je adieu met een heel ander gevoel dan ik je welkom heette. Wij scheiden als vrienden en ik hoop je weer te zien! Als je soms te Rome wat te veel aan je liefhebberij en je fantasie hebt toegegeven en je beurs wat slap wordt, denk er dan aan dat je nog een stiefvader hebt, die Doelman heet en kind noch kraai in de wereld heeft; je kent zijn adres.”
»Het zou al erg moeten spannen als ik me dát veroorloofde; maar gij zult toch van mij hooren, papa Doelman! en hierop houd je gezond en blijf bij de opgeruimdheid!”
»Zegen en voorspoed met je werk!” was het antwoord van den oud-militair, terwijl Piet hem in den wagen hielp; zij drukten elkaar nog eens hartelijk de hand.
De kiereboe reed weg op het sukkeldrafje van één paard. Piet zag haar na; in zijne groote wonderlijke oogen dreef zoo iets als een helder vocht; hij trok de randen van zijn slappen hoed, die al een paar keer op en afgenomen was, nu weer laag over ’t voorhoofd, ging bij het tafeltje zitten, liet de beide ellebogen er op rusten en sprak halfluid: »Toch nog een vaderhart gevonden, ik, de verschoppeling!” en hij snikte onder zijne aandoening, maar verborg die en smoorde zijne eigene stem door zijn gelaat met beide handen te bedekken.
De heeren, die naderden, troffen hem nog in diezelfde houding,zijn rug en het gebogen hoofd was dus àl wat zij van hem te zien kregen; maar zij behoorden niet tot de genoodigden voor het diner; het waren onze goede kennissen Frits Millioen en zijn Engelsche reisgenoot.
»Aha!” sprak de laatste in ’t voorbijgaan, »dáár zullen wij onzen genialen schilder hebben!”
»Ja! hij ziet er excentriek genoeg voor uit,” stemde Frits toe; »zeker een Belg, die hier den Parijzenaar komt uithangen!” en met die weinig vleiende opmerking ging hij langs zijn ouden schoolkameraad heen zonder hem te herkennen!
IX.Baptist Meijer, de kastelein uit het Bonte Paard, was voorheen kamerdienaar geweest bij een groot heer, die hem in zijne zaak had gezet; vandaar dat hij beter wist wat »een fatsoenlijk mensch toekwam,” zooals hij het zelf uitdrukte, dan zijn collega uit de Zon. Nauwelijks had hij dan ook Sir Reginald met Frits bemerkt, of hij ging hen te gemoet met het bericht, dat er reeds voor hen gedekt was in den koepel, terwijl hij voorging om hun den weg te wijzen.»De heeren zullen bediend worden nog vóór de groote tafel aanvangt,” sprak de kastelein plechtig en verliet het vertrek met eene dier buigingen, die hem tot eene tweede natuur waren geworden.Van uit die hooge luchtige koepelkamer had men door twee ramen een ruim landgezicht; een derde zijraam gaf gelegenheid om te zien wat er vóór het logement plaats vond, zoodat Frits die zich daar geposteerd had, den schilder kon gadeslaan, die nog in dezelfde houding was blijven zitten.»De groote man schijnt niet in eene opgewekte luim; hij zit te pruilen of te mijmeren,” sprak hij spottend.»Wie weet welke zorgen of welk leed hij te verkroppen zal hebben voor zijne feestgenooten,” antwoordde Sir Reginald.»Gij hebt gelijk, dat zou kunnen zijn, en in dat geval ben ik hard en voorbarig met mijne aanmerking; maar toch.... ik weet zelf niet hoe het komt, hij wekt mijne ergernis door zijnevreemde uitmonstering; daar is ostentatie in, hij wil effect maken door alles en ten koste van alles. En nu! de houding vanle beau ténébreuxaan te nemen, te midden van een triomf, dat komt mij voor aanstelling te zijn, die ik in een talentvol kunstenaar niet best velen kan. Als hij onze belangstelling wil wekken, moet het zijn door zijn werk, niet door een onmogelijken hoed op te zetten, en haarlokken te dragen als een middeleeuwsche troubadour.”»’t Is duidelijk,” hernam Sir Reginald, niet zonder wat ironie, »die vreemde kunstbroeder heeft het bij u verkorven, omdat.... hij een vreemdeling is, en mogelijk niets ergers heeft gepleegd dan zich te vormen naar ’t exempel van hen, in wier midden hij heeft geleefd. Wat mij betreft, ik laat me nooit afschrikken door wat bizarrerie. Ik wil zelf niet beoordeeld worden naar mijn uiterlijk voorkomen, omdat ik aantrek wat mij het meeste comfort geeft; bijgevolg acht ik dat anderen recht hebben op dezelfde vrijheid. Vergeef hem dus zijn hoed; wie weet hoe de persoon meevalt als gij maar eens zijne kennis hebt gemaakt.”»Ik geloof waarlijk dat niets mij zoozeer ergert dan dat hij mij de gelegenheid daartoe niet laat, door gestadig het hoofd af te wenden. Wacht, daar staat hij toch op, ik zie waarom, daar komen heeren aan van de dorpszijde; de pastoor, dat behoeft men niet te vragen, nog een frisch jong man, zoo het schijnt; de anderen.... zeker dorpsnotabelen. Ha! onze artist zet zich in postuur en gaat hen te gemoet; de buiging valt mij toe, die is los en zonder serviliteit; hoe! neemt hij niet eens zijn hoed af, waarlijk! maar even, alleen een genadige hoofdknik voor de boerenheeren, en aan heeroom steekt hij minzaam de hand toe! Dat’s nogal sterk van een, die zich door de geestelijkheid laat voortkruien!”»Is ’t niet wat gewaagd dat zoo maar in eens vast te stellen, omdat hij eene schilderij aan een bisschop heeft verkocht?” sprak Sir Reginald met een ernstig hoofdschudden, hoewel hij overigens met echt Britsch laconisme al de opmerkingen van Frits aanhoorde, zonder dat zij hem bewogen om van de eens gekozen plaats aan de tegenovergestelde zijde der kamer op te staan.»Ah zoo! nu keert hij zich met hem om!” riep Frits in triomf, zonder debottevan Sir Reginald te riposteeren.»Kom, dat valt mee! dat’s geen alledaagsch gelaat; hij heeftwaarlijk zijn hoed niet noodig om de attentie te trekken. Hoe nu?—daar wordt die afgenomen, toch niet om te groeten; neen, de pastoor bekijkt hem, en ze lachen er samen over! Dat’s zonderling! dat voorhoofd, die oogen, wonderlijke oogen, zooals ik ze nooit meer heb gezien; ja toch, ja wel! zij doen mij denken aan.... maar dat’s onmogelijk, dat bolbleeke, slaperige kereltje, en de sterke, bewegelijke trekken van dit schrale, maar zielvolle gelaat. Hoe komt het toch in mij op, en, dies ondanks, is er iets in die oogen.... dat zware beenige voorhoofd, dat mij hier eene gelijkenis doet vinden. Och! het zal zeker eene zinsbegoocheling zijn; de herinneringen mijner jeugd, die ik zoo pas opgefrischt heb, zijn er oorzaak van; want het is niet denkbaar....”»Maar wat toch is niet denkbaar, wat brengt u zoo in vervoering?” vroeg Sir Reginald, nu zelf opgestaan en zich bij hem voegende.»Sir Reginald! Gij zult mij uitlachen, maar die excentrieke schilder heeft een gezicht, dat mij herinnert aan dien armen stakkert, waar ik u van verteld heb, den cathechisant van dominé Willems, dien Piet Snibs, die zoo ongelukkig was en zoo jaloersch van mij, omdat ik mij aan de kunst mocht wijden. Hij kán het niet zijn; en toch hoe nader hij komt; hoe meer ik hem gadesla, hoe sterker die gelijkenis tot mij spreekt.”»En waarom zou het niet kunnen zijn? Kan de ingeschapen kunstliefde hem geene macht hebben gegeven, om alle hinderpalen uit den weg te ruimen....”»Ik moet daar de waarheid van weten!” en Frits scheen willens zich in één vaart naar het voorplein te begeven, maar Wilkinson hield hem terug.»Luister,my friend!als gij van zulke herkenning pleizier wilt hebben, leg het dan voorzichtig aan; gij zult er wel gelegenheid toe vinden; dit oogenblik is het ongeschiktste, daar komen al meer en meer genoodigden; dit is zeker, zoo omtrent het uur van het diner.—Is hij, dien gij meent, dan is het tien tegen één dat hij daarvoor tegenover al die vreemden herkend wil zijn, en als hij zich koud en stug terugtrekt, maakt gij een gek figuur. Hij maakt niet veel werk van zijn familienaam, dat’s gebleken, daar hij zijne schilderijen teekent als:Cham.”»En datChamis juist iets wat in den zoon van vrouw Snibskan vallen, wat op hem past; want hij doorzag hare huichelarij, hij ontdekte hare schande, en zij zal hem zeker haar zegen niet hebben meegegeven op zijne vlucht; maar gij hebt gelijk, alshijhet is, moet ik den gelegen tijd afwachten om de kennis te vernieuwen; als hij hetnietis, zou ik er evenzeer gek afkomen; gij hebt altijd gelijk, Sir Reginald! gij zijt de ware mentor voor zoo’n poveren Telemachus als ik ben.”»Als Telemachus maar naar Mentor wil luisteren, zie ik hem nog eens koning van Ithaka!” sprak Sir Reginald lachende; »nu moesten wij eens raadplegen over een punt, dat bij eenfish-dinnergansch niet onverschillig is. Hebt gij vertrouwen in de beloften van deze kaart?” en hij hield hem de lijst voor met de namen en de prijzen der wijnen.De gissing van Wilkinson bleek juist. Het diner was te vier ure besteld en in ’t laatste kwartier kwamen de genoodigden van alle zijden opdagen. Nu eens twee aan twee in zoogenoemde kapchaisen, dan weer anderen te voet, kennelijk deftige dorpelingen; allen kwamen met meer of minder gemeenzame, meer of minder linksche houding en manieren, naar den schilder toe, ontwijfellijk de held van het feest, wisselden groeten en handdrukken met hem, die onder alles door druk en onder een levendig gebarenspel praatte met de omringenden; de rollen schenen wel omgekeerd; het was of de schilder receptie hield in plaats dat hij de gerecipieerde was. Ten laatste kwam er eene deftige calêche aanrijden met fraaie koetspaarden bespannen; »eigen spul,” zooals de Jan in den zwarten rok aanmerkte, hoewel de knechts geene livrei droegen. Drie heeren stegen er uit, een deftige stadspastoor, met een frisch blozend gelaat en zilvergrijze haren, zwart zijden kousen, gouden schoen- en broekgespen, en een rotting met zwaren gouden knop. De tweede, een zwaarlijvig heer, die er wel niet heel voornaam uitzag, maar die zeker de rijke man en de eigenaar van de equipage was, want op zijn wit vest met uithangende kanten jabot, bungelde eene zware gouden horlogeketting met eenige cachetten; eene groote juweelen speld stak hem in de plooien van het overhemd, en zijn donkerbruine fantasierok was met blinkende knoopen bezet. Onder zijn eenigszins lagen zwarten hoeddroeg hij een bruine naturel en om zijn dikken hals was een smalle gekleurde zijden das geknoopt, een wijde lakensche jas,à la propriétaire, hing losjes over zijnfracheen, en liet vóór al den luister van zijn toilet bloot. Het was een Amsterdamsche bankier, die de zaken beredde voor de Belgische familie, waarmede Piet Snibs in relatiën stond. Der derde was een heer, ook reeds van leeftijd, zeer eenvoudig gekleed in een bronskleurige gekleede jas, maar in zijn knoopsgat een paar lintjes dragende, die hem terstond aanduidden als iemand van distinctie. De komst van dezen persoon was blijkbaar voor onzen kunstenaar eene verrassing, want hoewel hij met zekere voorkomendheid naar voren was gekomen, toen de calêche stilhield en hij er den pastoor en den bankier zag uitstijgen, had hij dezen alleen beleefdelijk gegroet, en de hand geboden om uit te stijgen; maar niet zoo haast zag hij het gelaat van den derden, of een kreet van verrassing ontsnapte hem en hij wierp zich met hartstochtelijke blijdschap aan zijne borst.»Mijn nobele vriend en weldoener, gij hier! gij hier om mij! had ik dát kunnen wachten!” herhaalde hij, terwijl hij alle overigen in den steek liet; er stonden vreugdetranen in zijne oogen, toen hij voortging: »En gij, zoudt gijmijherkend hebben, den armen verstooteling, dien gij u zoo edelmoedig hebt aangetrokken?”»Wat zal ik u zeggen, beste jongen! ik wist nu wie ik vinden zou, ik was er volkomen op geprepareerd, men had mij om zoo te spreken reeds uw signalement gegeven; maar zonder dat zou ik u waarlijk niet voor dien armen geplaagden jonkman herkend hebben, dien ik eens de hand heb mogen reiken tot een nobel doel! Op mijn woord, gij zijt een geheel ander mensch geworden, en toch wel geworden wat ik heb voorspeld, een geniaal kunstenaar en een braaf jonkman gebleven ook, niet waar! Ja, ja! wij kennen u Monsieur Pierrotain-Cham,tête de fer, c[oe]ur de flamme, pieds légers,—trop légerszelfs, want zij dienen al te vlug de wenken der fantasie! Neen, spreek me niet tegen, ik heb van uwe équipées gehoord; de vrienden te Antwerpen hebben bitter over u geklaagd; maar ’t is je vergeven, het succes maakt in dezen alles goed....”»Ziet gij, mijnheer! aan schrijven doe ik niet veel, anders had ik u alles eens uitvoerig meegedeeld, en gij zoudt mij gelijk hebben gegeven.”»Men heeft nooit gelijk als men wegloopt en buiten zijne meesters om exposeert!” antwoordde de andere glimlachend; »maar als zulk eencoup de têtedan tot uitkomst heeft, dat men de gouden medaille behaalt, en wel in een vreemd land, waar men geheel onbekend, geheel zonder protectie is, dan moet ik zeggen, dat het stout bestaan gerechtvaardigd is. En de schilderij, die gij hier gebracht hebt, moet grandiose zijn, naar ik hoor zeggen....”»Gij hebt haar zelf niet gezien?” vroeg Piet wat teleurgesteld.»Mon cher!ik had nog geene occasie. Ze hebben mij meegetroond; ik liet mij verlokken om u weer te zien en bij uw triomf te assisteeren; maar ik blijf slechts een paar uur, ik moet doortrekken, ik ga naar België terug, familiezaken en—onder ons in vertrouwen—het uitzicht op eene goede positie te Brussel; gij verstaat mij, ’t is hier niet het ware land voor de kunst. Koning Willemme fait mauvais visage, sinds de revolutie is uitgebroken, en ik voel het duidelijk, mijn tijd is uit, vat ge;” terwijl zij dit onderhoud voerden, arm in arm op- en neerwandelend, hadden de overigen zoo goed zij konden onder elkander kennis gemaakt; en nu kwam de knecht, die »alleen voor de tafel” was, met een servet in de hand en witte katoenen handschoenen aan, berichten dat er gediend was.Allen stormden nu naar binnen; voor de meesten was dit etensuur een zeer ongewoon, voor geen van allen was het iets onverschilligs dat er aan het sammelen en heen en weer drentelen, dat ieder feestelijk diner voorafgaat, een eind was gekomen.Mr. Pierrotain-Cham, zooals het nu bleek, dat hij zich liet noemen, trad het laatste binnen aan den arm van zijn eersten vriend en beschermer, den kunstschilder N., den man, die terstond van hem de getuigenis had gegeven, datle feu sacréin hem gloeide en die het zijne had gedaan om dat aan te wakkeren.Nog vóór het groote diner in vollen gang was, kwam het dienstmeisje, nu met eene heldere muts op en hagelwitte voorschoot aan, het vischgerecht opbrengen bij onze vrienden. Heerlijke waterbaars, met fijne Hollandsche boterhammetjes, prachtige sausbaars en de onmisbare aardappelen, opgedischt in eenvoudig wit Engelsch aardewerk, was wel geschikt om den eetlust op te wekken van lieden, die een paar uur rijdens en eene fiksche duinwandeling achter zich hadden. Sir Reginald liet zijn portwijnditmaal waar die was en waagde zich aan den muscaat- en rijnwijn, door meester Baptist als extra aangewezen. Hij bevond er zich wel bij, had schik in alles, maakte Trijntje nu zijn compliment over haar zilver, dat als spiegelglas blonk, bewonderde het fijn damasten tafellaken, dat den slag van Praag voorstelde en dat zeker al in menige aanzienlijke familie dienst had gedaan eer het in de linnenkast van het dorpslogement was terechtgekomen. Frits, ondanks alle zijne tribulaties, voelde zich zeer gezind om met de optimistische luim van Wilkinson in te stemmen, en onder den smakelijken maaltijd, den opwekkenden wijn, begon hij zijn goed humeur en zijne vroegere levendigheid te herwinnen.Trijntje bracht nu een enkelenplat-douxen het eenvoudig dessert binnen, met de bijvoeging: »dat de heeren maar schellen moesten als ze nog wat anders bliefden.” Frits kon niet nalaten haar een paar vragen te doen omtrent den gang van het groote diner en of zij ook zoo omtrent nagaan kon wanneer dat afgeloopen zou zijn.»Gunst neen, mijnheer! daar is nu nog niets van te zeggen. U moet denken dat’s een volslagen diner; ze zijn pas aan de sla met gebakken paling, ze moeten nog pudding hebben, en dan aan ’t dessert, zoo velerlei vla en gebak, en zooveel gepraat, dat zij toosten noemen, en misschien wel verzen ook, en dan ligt er achter nog een mooie groene krans; die zullen ze, geloof ik, den vreemden heer op zijn hoofd zetten; dan wordt er tusschen dat alles druk gedronken, en ziet u, dat neemt nog al tijd; de diners hier duren altijd tot laat in den nacht.”»Dat spijt mij, dan zal er wel geene gelegenheid zijn voor ons om dien schilder eens te spreken.”»Wel, mijnheer! dat zou nog wel gaan, denk ik; als wij het dessert opbrengen houden ze pauze, om het zoo’n beetje te vertreden, denk ik; dan slenteren ze zoo wat in de kolfbaan, in de billardkamer, op het plein voor ’t huis.... en dan zouden de heeren makkelijk een praatje met hem kunnen maken; maar volgens den dienknecht moet hij al een heele rare snaak zijn, zoo’n halve comediant; hij laat ze daar binnen lachen en huilen zooals het hem invalt. Jan kwam zoo pas in de keuken vertellen, dat hij aan den gang was met pastoor Harding uit de stad, en dat hij dien zoo bleek had zien worden als zijn servet.”»En weet je mij ook te zeggen hoe zijn naam is?” viel Frits in met zeker ongeduld.»Niet precies! Die luidt zoo wat op zijn Fransch. Volgens zeggen van Jan moet hij een burgerjongen uit E. wezen, dien ze Frits Millioen plachten te noemen.”»Neen! die is het zeker niet. Dat moet eene vergissing zijn!” viel Frits uit, terwijl eene zonderlinge ontroering in zijne stem trilde.»Ziet u, mijnheer!ikhoor het zoo maar van Jan vertellen tusschen al die drukte in, ik zal niet goed verstaan hebben; maar het is een rare naam, dat’s waar, het zal wel zooveel als een bijnaam zijn; bij ons.... weet u, mijnheer! ik kom zoo wat om de Noord vandaan, boven Schagen; bij ons, hadden we een jongen, die ze Hein Zes’thalf noemden, omdat hij eens in de schellingskraam met een zes’thalf had willen betalen;” en Trijntje lachte dat hare witte tanden er van te zien kwamen. Zelfs voor Frits was die gulle lach aanstekelijk; hij glimlachte zijns ondanks, maar zijn lust was verloren tot verder onderzoek bij haar.»Als de heeren maar blieven te schellen zoo ze nog iets noodig hebben,” sprak het meisje, ziende dat haar discours niet langer werd begeerd; »ik moet nu helpen aan het dessert.”»En toch is mijn verlangen om van dien man meer te weten sterker dan voorheen!” zei Frits tot zijn nieuwen vriend.»Wel, daar zal zeker wat op te vinden zijn, al zouden wij tot morgenochtend hier moeten blijven; het komt mij daarenboven voor, dat gij rust noodig hebt, en of gij nu een dag vroeger of later te Amsterdam komt, doet er immers niets meer toe?”»Vóór ik mijne papieren had kon ik geen stap doen tot dat andere....” zei Frits. »Ik heb nu den tijd aan mij zelven, aan u....”»Begin maar met hem uw kaartje te zenden en te vragen wanneer hij u eenige oogenblikken geven kan. Is hij dan dien gij meent en wil hij zich de dagen zijner jeugd herinneren, dan is alles in order, en hij zal u zijn tijd aanduiden. Hebt gij u vergist, dan zal hij u uit den droom helpen en ons mogelijk gratis zijne kennismaking accordeeren.”»Ik ben waarlijk niet eens van kaartjes voorzien,” zei Frits met eenige verlegenheid.»Dat beteekent niets, hier is het mijne; schrijf een paar woorden op de keerzijde met potlood; hier.... neen!.... wacht, niet simpel Wilkinson, dit is beter: Sir Reginald Peter Wilmot van Desborough, Baronet.”Terwijl Frits schreef, schelde Sir Reginald.Ditmaal kwam meester Baptist Meijer in eigen persoon binnen.Zijne bedienden waren bezig met het arrangeeren van het dessert. Hij kwam zelf de orders van »Mylord” vragen.Daar hij zich in vrij vlug Fransch tot Wilkinson wendde, antwoordde deze zonder de moeite te nemen van de onjuiste titulatuur te rectificeeren.»Hebt gij goede kamers voor ’t geval dat we hier blijven logeeren?”»Tot uw dienst, Mylord! Mylord zal tevreden zijn, ik weet wat heeren van rang toekomt.”»Heel goed, want het zou kunnen zijn, het hangt in zekeren zin af van het antwoord dat gij ons van den schilder zult brengen, zoo gij in de gelegenheid zijt hem dit kaartje te overhandigen.”»Ik zal er voor zorgen, Mylord.”»Hoe noemt hij zich eigenlijk?”Baptist haalde de schouders op. »Hij laat zich noemen Mr. Pierrotain-Cham; maar dat is zeker zijn echte naam niet, want hij is een Hollander en heeft nog een vader wonen te E.”»Dat’s nu weer eene geheel andere lezing” merkte Wilkinson aan.»Ik begrijp er niets van,” zei Frits.»Niets meer van uwe orders, Mylord?”»Hebt gij drinkbare champagne, master Baptist?”»Om u te dienen, Mylord! uit hetzelfde kanaal als mijnheer de Baron Dufresne, mijn vroegere meester, die om zijn kelder beroemd was.”»Arme man!” zei Sir Reginald glimlachend, »die beroemdheid zal hij niet gratis verkregen hebben; maar ’t is wèl, breng ons een flesch, en zorg dat die den smaak van den Baron geen schande aandoet.”Eenige minuten nadat Baptist zich verwijderd had om de orders van »Mylord” te volbrengen, kwam de knecht, die »alleen voor de tafel” was, in eigen persoon met zijn servet over den arm en zijne witte handschoenen aan, de champagne brengen en ontkurken.»Is ons kaartje aan den schilder gebracht?” vroeg Wilkinson.»Ja, mylord! hetisgebracht,” sprak de Jan ook met de buigingdie hij van zijn meester had afgezien, en zweeg meesmuilend met een gezicht of hij er nog iets had bij te voegen.»En wat is het antwoord?” vroeg Frits in zekere spanning.»Een raar antwoord, mijnheer! Mijn meester heeft mij verboden het over te brengen.”»Zooveel te noodiger is het ons te weten.”»Om de waarheid te zeggen, mijnheer! zei hij zooveel als dat de Engelsche lord naar de maan kon loopen en is daarop een Fransch liedje gaan zingen, tot groot vermaak van de overige gasten. Mijn meester gelooft dat hij de hoogte moet hebben om zoo’n astrant antwoord te geven aan een voornaam heer; maar ik heb gemerkt dat hij veel minder drinkt dan een van de anderen; hij zet maar even zijn mond aan ’t glas en als ze hem plagen om te drinken, weet hij zóó te goochelen, dat de wijn op den vloer terechtkomt, zij merken het niet, maar ik.... ik merk het wel!”»En weet gij zeker, dat hij goed gelezen heeft wat er op het kaartje stond?” vroeg Frits zichtbaar teleurgesteld.»Ik denk wel van ja, mijnheer! maar hij heeft het met een knorrig gezicht naast zijn bord geworpen en daarop mij die gekke boodschap gegeven, die ik niet overbrengen mocht; als er ongenoegen over komt, hoop ik dat de heeren zeggen zullen, dat ze er mij toe gedwongen hebben. Excuseer, ik hoor schellen, dat is bij mijn meester; nu zal er pauze zijn en wij gaan het dessert opbrengen,” en schielijk maakte de Jan rechtsomkeert, in zijne vaart echter plotseling gestuit door iemand, die met gelijke drift de kamer binnenstoof en die hem bijkans omverstiet. Het was de excentrieke kunstenaar in eigen persoon, die met uitgestrekte armen in eens door naar Frits toeliep, aan zijn hals viel en uitriep:»Dat’s nu eens braaf van je gedaan, Frits! Dat doet je hart eer aan zoo’n ouden kameraad te gedenken, en je weet niet hoe goed hetmijdoet.”»Zoo heb ik mij dan toch niet vergist,” hernam Frits nu ook gul en levendig, daar hij de oprechtheid dier blijdschap las in de sprekende trekken, in de glinsterende oogen van zijn schoolmakker, in wien hij, hoe ook veranderd en vervormd, nu toch den eigen Piet Snibs herkende. »Wel, Piet! ben je het toch, ik vreesde zeer mij bedrogen te hebben, ik vreesde al dat ik den verkeerde voor had.”»Neen, neen! gij hebt goed geraden, ik ben de eigen kwajongen, waarmee je zoo dikwijls gevochten hebt en die menigen stomp aan je te danken heeft en jij misschien wel eens een blauw oog of een neusjebloed aan mij!C’est égal! c’est de l’histoire ancienne, sans rancune.Daar lachen we nu om, niet waar? en ’t herdenken er van is pret, na al het andere wat we doorleefd hebben, vindt je dat ook niet? Ben je al lang hier? Hoe jammer dat je mij niet eerder gewaarschuwd hebt, ik had je dan aan die heeren genoemd, en gij zoudt mijn gast zijn geweest.”»Dat had toch niet kunnen zijn, ik heb een reisgenoot, vriendlief! dien gij over ’t hoofd ziet,” hernam Frits glimlachend, en Piet een wenk gevende dat hij zich omkeeren moest daar deze met den rug naar Sir Reginald had gestaan, die met echt Britsch flegma de zwijgende toeschouwer van het tooneeltje was geweest.»Un million d’excuses, monsieur!” sprak Piet, zich nu haastig omkeerende, even het hoofd buigende, zonder den hoed af te nemen, dien hij als een bestanddeel van zich zelf scheen te beschouwen.»Sir Reginald Peter Wilmot, vanDesborough-Castle, Baronet,” hervatte Frits, met zekeren nadruk op den titel, als om Piet te beduiden dat hij wel wat meer beleefd kon zijn.»Zeker de Maecenas van mijn kunstbroeder,” sprak deze nogmaals met eene lichte hoofdbuiging, »enchanté, mylord!”»Doe u zelven geen geweld aan, master Pierrotain-Cham,” sprak Sir Reginald opstaande, »ik zal mij verwijderen, ik verlang geenfâcheux troisièmete zijn, en ik heb begrepen, dat ik in mijne kwaliteit van Engelsch edelman het ongeluk heb gehad uwe antipathie op te wekken,sans rancune. Ik heb eerbied voor eene kunstenaarsluim!” en hij wilde heengaan.»Dix mille millions d’excuses!” riep nu Pierrotain-Cham, zooals wij hem nu ook maar zullen noemen, in den weg tredende, en zekere verlegenheid onder die exageratie verbergende. »Hoe komt Uwe Lordschap aan deze opvatting?”»Wel, ik heb gehoord van den noodlottigen indruk, dien het zien van mijn kaartje op u heeft gemaakt.”»Oimè, daar gaat mij een licht op!trahison! perfidie!” galmde hij uit, den eersten zanger in de Robert parodiëerend, »die lakeien-ziel heeft mijne eerste verwonderde exclamatie overgebriefd! Mylord! nu moet ik alles opbiechten opdat er volle absolutievolge. De lompert steekt mij het kaartje toe met uw naam en titels, er bijvoegende, dat die heer mij op staanden voet spreken wil. Ik, die om een vriend weer te zien een uur ver zou loopen en een heelen dag zou willen vasten, zag er voor mij volstrekt geene noodzakelijkheid in, om op commando van den eersten vreemdeling den besten, omdat hijBaronetachter zijn naam voert, van een diner op te staan, waarvan ik, nota bene! de held ben! Ik lach bijgevolg om den eisch, voeg er eenige invectieven bij die niet precies vleiend zijn voor den Baronet, die zich aanmeldt en hef al lachende het refrein aan van een koor uit eene opera, dat wij in onze schildersbent nogal eens opdreunen, als protest tegen de klimmende Anglomanie onder de Parijzenaars.” En met kluchtige ateliersverve declameerde Piet de welbekende regels.Daarop nam hij met een ondeugendsérieuxzijn hoed af, schudde de gladde zwarte leeuwemanen achterwaarts en sprak even de knie buigende op een half eerbiedigen, half moedwilligen toon: »Excusez, Mylord! les peintres sont des fantasques, maar ze weten berouw te toonen en ze schijnen soms erger dan ze zijn; ik had niets tegen den Lord, ik had alleen tegen het ontbod op commando van een vreemdeling; toen ik mijn toorn had lucht gegeven, viel mijn oog weer op het kaartje, dat ik toevallig omgekeerd neergeworpen had, en ik zag den naam van Frits Rosemeijer, van den ouden kameraad! Toen wierp ik mijn servet over mijn bord, mijn glas over het tafellaken en deserteerde eer de schel voor de pauze nog had geklonken, om mijn ouden Frits in de armen te snellen. Heb ik mijne absolutie, Mylord?”»Ten volle, mits gij penitentie doet, een glas champagne met mij drinkt en er voortaan aan denkt, dat ik geen recht heb op den titel van Lord, en dat ik op reis simpellijk Master Wilkinson ben; onderwerpt gij u aan de boetedoening?”»Yes, Sir! met alle gewilligheid, ik zal met u klinken, maar wat drinken betreft:beg pardon if you please!en nu, mag ik verder Fransch spreken? want ik heb om de waarheid te zeggen al mijn Engelsch in eens uitgekraamd, en Frits zal u zeggen dat het voor den Piet Snibs, dien hij gekend heeft, al heel veel is, zoo hij zich in ééne vreemde taal weet uit te drukken.”»Spreek precies wat gij wilt en zooals gij wilt, ik versta zelfs een woord of wat Hollandsch, dus geneer u niet. Gij weet niethoe het mij verheugt die twee jongelieden bijeen te zien in wier geschiedenis ik geen vreemdeling ben. Master Frits Rosemeijerisreeds mijn vriend, master Pierrotain-Cham zal het, hoop ik worden.”»Ik ben er al mee bezig, Sir!” zei Piet, nadat zij geklonken hadden, en nadat hij even zijn glas aan de lippen had gebracht, terwijl Frits en Wilkinson er geen bezwaar in vonden de hunne te ledigen.»Meen nietque je fais la petite boucheuit hypocrisie of om als model van matigheid te poseeren,” ging Piet voort, »maar ik heb nog een heel dessert voor mij, en ik ben toch al zoo druk, zoo opgewonden; alles vibreert, alles resonneert in mij, ik heb honderd goede redenen om daar ginds bij die anderen kalm, waakzaam, mij zelf te zijn en toch reeds het weerzien van eene figuur uit mijne sombere kindsheid zet mij een roes aan. Goden en menschen! wat een tijd, welke herinneringen!” Toen, zich tot Frits keerende, viel hij op eens uit, terwijl hij hem op den schouder klopte. »Millioentje! Millioentje! wat zijn we allebei een eind opgeschoten! Wat hebben we al een weg gemaakt sinds ik jaloersch van je was omdat gij weggingt, terwijl gij mij in stilte benijddet omdat ik blijven mocht! Ja, ja, Frits! wij behoeven er nu geen doekjes meer om te winden, gij waart de uitverkorene, maarikhad de roeping, en dominé Willems zaliger was eenwould-be-kunstbeschermer, die niet verder zag dan zijn neus lang was.”Terwijl hij luisterde naar Piet Snibs in Pierrotain-Cham gemetamorphoseerd, had Frits een gevoel als iemand, die in een draaimolen zit en wien het schemert voor de oogen. De drukke hartelijkheid van den ouden bekende, met wien hij meer getwist dan gespeeld had, trof en verraste hem, maar tegelijk voelde hij zich als overbluft door den lossen, vrijen toon van den kunstenaar, dien hij zich nog zoo goed kon voorstellen als den gedrukten, lijdenden, linkschen, armelijk gekleeden Piet Snibs, en de levendige, schalke, overmoedige persoon, die daar nu voor hem stond, in eene kleedij die wel wat excentriek maar toch elegant was, had zoo weinig overeenkomst met de droevige figuur die hem in ’t geheugen lag, dat hij, die zijn eigen positie alles behalve glansrijk vond, zijn aplomb er door verloor, en het woord niet meer wist te vinden om in dien opgewekten toon in te stemmen; maar nu de roekelooze hem als uittergde om het voor zijn overledenvriend op te nemen, kon hij zich niet weerhouden te zeggen:»Het is waar! dominé Willems was meer goedhartig dan helderziend, maar zijne profetie omtrent u is toch wel bewaarheid geworden!”»In welk opzicht dan toch? Als ik ooit een profeet had te schilderen, zou ik er zeker geen Willems voor laten poseeren.”»Ik evenmin; maar toch.... heeft hij je niet voorspeld dat je nog eens door de Roomschen zoudt ingepakt worden? En nu, mij dunkt het is er al mooi toe gekomen.”»C’est vous qui l’avez dit” declameerde Piet, »maar het bewijs er voor,mon cher?”»Het bewijs? Mij dunkt, dat is niet ver te zoeken....”»Bah! dat dinertje, mij door een pastoor en zijne kerkvoogden aangeboden, omdat ik eene schilderij voor hunne kerk heb gebracht?”»Zouden zij er toe gekomen zijn, zoo gij u niet door de geestelijkheid liet voortkruien?”»Le cas est pendable!ik erken het, maar ben ik er u rekenschap van schuldig?”»Dat bedoel ik niet, maar toch, gij zult mij niet wijs maken dat gij onder dat alles door, trouw hebt gehouden aan uwe protestantsche belijdenis?”»Dat’s een krasse consciëntie-vraag, Frits!” sprak Piet, even het hoofd schuddend, »mij te gewichtig om onder een glas champagne behandeld te worden, maar al zou ik nu ook kortheidshalve toestemmen, dat er werkelijk met mij gebeurd ware wat dominé Willems heeft voorzegd, dan nog zouhijdaarom geen profeet zijn, want ik zelf heb het hem vooruit gewaarschuwd, dat ik mij tot de Roomsche kerk zou wenden, zoo zij mij te hulp kwam om mijne zucht voor de kunst te bevredigen!”»Dat is zoo in de manier van de kunstenaars in de middeleeuwen, die hunne ziel aan den duivel verkochten om de macht te krijgen onnavolgbare meesterstukken voort te brengen.”»Zoo omtrent hetzelfde, althans naar de beschouwing van zeker bekrompen protestantisme, zooals de brave Willems het zijn leerlingen ingoot,” repliceerde master Cham droogjes, en zijn glas nemende.»Zie toch, master Wilkinson! hoe weinig gij op mij rekenen kunt; ik moet uw champagne drinken, want mijn kunstbroeder dáár doet me herdenken aan al het lauwe water, dat ik in mijne leerjaren heb moeten slikken, en ik word er opnieuw wee van!”»En dominé Roestink?” hervatte Frits, die de vervolging nog niet opgaf. De wortel van bitterheid, eens in zijne ziel opgeschoten, liet zijn prikkel voelen bij de minste aanleiding. Hij maakte zich diets dat hij ijverde voor de goede zaak der moraliteit en der religie, maar inderdaad was het alleen een onbewust verweren van zich zelf tegen eene superioriteit die hij, zijns ondanks, moest erkennen; dan, wij vielen hem in de rede, terwijl hij is voortgegaan, »dominé Roestink,uwvriend en beschermer zooveel hij vermocht, zoudt gij dien nu onder de oogen durven komen?”Piet klemde de lippen samen, bekeek zijnen hoed, dien hij op den schoot had gehouden, en drukte dien onmeedoogend plat. Eerst toen Frits had uitgesproken, hief hij zijne oogen op, zag hem aan met een doordringenden blik, waarin iets als weemoed en teleurstelling te lezen stond, en antwoordde toen, terwijl hij even de schouders optrok:»Als gij mij beter kendet, Frits! zoudt gij mij zeker die vraag niet doen; wat dominé Roestink betreft, ik heb zeer naar hem geïnformeerd, en zou hem zeker een bezoek gebracht hebben, terwijl ik in de provincie zwierf, maar ik vernam, dat hij nu in den Haag woont, en mijn weg leidt ditmaal dien kant niet uit; ik zou daar protectiën en connectiën vinden, die mij verder zouden brengen dan ik nu nog wezen wil. Ik ben in ’t bezit van het effect, maar ik moet de coupons niet afknippen voor zij verschenen zijn.”»Gij gelooft dan waarlijk dat dominé Roestink u nog met goede oogen zou aanzien, hij die overal bekend is om zijn ijver voor de Gereformeerde kerk!”»Dominé Roestink! och wat praatgijvan dominé Roestink!” viel Piet in met ongeduld, terwijl hij zijn gemartelden hoed driftig op den grond wierp, »dat’s een predikant zooals mijn ideaal van een schilder is, breed en diep!”»’t Is toch te hopen dat hij wat beter rekent met de proporties dan gij, want zoo hij in ’t geestelijke met zulke steenen gooit, als welke gij uwe Joden tegen Stefanus laat opnemen, danloopt zijne gemeente gevaar om vermorzeld te worden,” viel Frits uit met snerpende bitterheid.»Wel dat is juist het vereischte eener goede prediking, naar het mij voorkomt,” antwoordde Piet ernstig, maar het persoonlijke van den aanvang ter zijde latende; »de hoorders te verbrijzelen, om ze daarna met Stefanus den geopenden Hemel te doen aanschouwen! Wie niet in staat is dezen weg met zijne gemeente te gaan, behoorde, mijns inziens, niet eens den predikstoel te beklimmen.”»Heel goed, maar dat’s nog geen reden voor een schilder om een martelaar te steenigen met rotsblokken, zooals geen mensch in staat is ze te tillen.”»Hm ja! ik had gladde keitjes moeten geven, heel rond, heel glanzig, heel doorzichtig, niet waar? Zoo iets dat de toeschouwer van de gewone soort »heel mooi” vinden zou, en waar hij volstrekt »niet akelig” van werd.”»Ja, ik vat uwe intentie wel, gij hebt gigantiek willen zijn en gij zijt alleen protesk geworden! Gij hebt eene voorstelling gegeven die aan wezens uit de voorwereld doet denken, en gij hadt ons verbasterde Joden moeten laten zien uit het eerste Christelijke tijdperk.”»En zoo ik nu eens de brutale kracht van het fanatisme had willen symboliseeren, als repoussoir van de bovennatuurlijke kracht des geloofs om te lijden, om te vergeven, om God te verheerlijken?” en des kunstenaars oogen straalden van zonderlinge geestverrukking, terwijl hij ze onwillekeurig naar boven hief, als werden deze woorden niet voor zijn toehoorder gesproken, »maar,” vervolgde hij, op eens in geheel veranderden toon, terwijl hij zijn hoed weer opzette en over zijn stoel leunen ging. »Gij zijt dus mijne schilderij in de kerk gaan zien; dat is een bewijs van belangstelling waarvoor ik je dankbaar ben.”»Het zou onoprecht zijn van mij dien dank aan te nemen,” zei Frits verzacht en wat beschaamd, »de nieuwsgierigheid van master Wilkinson en de mijne was gaande gemaakt, en wij konden toen zelfs niet vermoeden, wie zich onder het pseudoniem van Cham verschool.”»En nu gij weet dat het niemand anders is dan de rebellische zoon die zijn moeders huis ontvlood en zijn moeders toorn op zich laadde, dan de arme martelaar Piet Snibs, zult gij dat pseudoniem niet meer zooongerijmdvinden, niet waar?”»Volstrekt niet, integendeel! het is mij zeer begrijpelijk dat gij daarop zijt gekomen; maar ik wil toch hopen dat uwe moeder zich beraden heeft, en dat gij met elkander verzoend zijt vóór haar dood?”»Laten we daar nu maar niet van spreken, Frits!” zei Piet, terwijl hij zich afwendde; »veel tijd heb ik niet meer, gij hebt nu mijn werk gezien, ik behoef je niet te vragen hoe gij het vindt; zelfs al had ik het uit uwe aanmerkingen niet reeds begrepen, toch zou ik het kunnen opmaken uit de opleiding die gij zelf hebt gehad, den kring waarin uw smaak is gevormd; bij mijn weten heb ik nooit van uw werk gezien, gij kunt uw eigen weg zijn gegaan zooals ik, maar toch er is iets dat mij vermoeden doet, dat gij in ’t klassieke cirkeltje zijt blijven rondloopen, terwijl ik tot de school behoor, die den moed heeft genomen met de oude steile tradities te breken. Dit reeds moet een vandalisme zijn in uwe oogen en kan oorzaak wezen dat mijn werk u mishaagt. Maar ik wil toch weten wat gij er verder op hebt aan te merken, en master Wilkinson zal mij genoegen doen van er ook zijn oordeel over te zeggen?”»Bah! Master Cham! ik vrees dat gij de critiek van een leek versmaden zult.”»Een kunstenaar die de critiek versmaadt, is als de zeeman die niet velen kan dat de wind in zijne zeilen blaast, al zou ’t ook tegenwind zijn; in den strijd met de elementen leert hij overwinnen en dat brengt hem verder; platte kalmte alleen, loodzware stilte, is voor beiden verderfelijk.”»Ik voor mij heb meer stof gevonden om te bewonderen, dan te laken,” zei Wilkinson; »naar mijn gevoelen is uwe schilderij een kunstgewrocht dat zeker gebreken heeft, maar die door groote kwaliteiten zijn goed gemaakt; het geeft reeds veel en belooft meer, men heeft voortaan recht het hoogste van u te eischen en mij dunkt, gij zijt deforceom aan die verwachting te voldoen.Tes pareils à deux fois ne se font pas connaître.Gij kent zeker de regels uit denCid?”»Helaas ja! ik heb ze meer dan eens hooren aanhalen, waar het bij den meesterlijken »coup d’essai” is gebleven; ik dank u, Sir! voor het compliment, maar gij gaat om de schilderij heen met de welwillendheid van een dilettant; mijn confrère zal er dieper inkomen en hij heeft ergerlijke delicten aan te wijzen, ikzie het aan zijn wenkbrauwfronsen. Voor den dag er dan mee, Frits! je weet dat ik tegen blauwe plekken kan; de moederliefde heeft er mij aan gewend, mijne eigenliefde is niet kleinzeeriger dan mijn lichaam. Vindt je ’t eencroûte?”»Dat weet ge wel beter. Gij zoudt mij voor eencrétinhouden, als ik dat zei; er is licht, er is ruimte op je doek, en er zijn zwarigheden overwonnen, die.... die een ander zichzelf niet zou gemaakt hebben; maar, mijn Hemel! wat zal ik je zeggen, daar is zoo iets brutaals en baroks in; onder pretekst van sterk coloriet is het zoo woest en schril, al het licht op ééne figuur gebracht en al het overige in zeker mysterieus waas gelaten, iets alsof de blauwe lucht op de figuren had afgegeven, en daarbij die bizarre groepeering, die gewaagde poses!”»Ik erken dat ik het alledaagsche heb versmaad, maar gij zult mij toestemmen, dat ik een recht had naar wat anders te zoeken dan naar dat conventioneele, daar we nu al zoolang aan sukkelen, en dat in elk geval dat tooneel toch wel zóó heeft kunnen voorvallen.”»Ja, maar het had toch nooit zóó blauw moeten voorvallen.”»Gij kunt gelijk hebben,” antwoordde Cham, met een glimlach, »ik zal een beetje misbruik gemaakt hebben van het ultramarin.”»Een beetje! gij zijt wel toegefelijk! Het grimt me aan of je Berlijnsch blauw hebt gebruikt.”»Wat wilt gij! de hartstocht voor decouleur locale, dat’s de fout van ons allen, leerlingen van de la Croix; wij zijn allen verliefd op deOrientalesvan Victor Hugo, wij winden ons op met Oostersche luchten en Zuider zonnegloed en ... en....”»Couleur localezooveel gij wilt, maar gij zult mij nooit wijs maken dat de hemel in ’t Joodsche Land uit donkerblauw glas is samengesteld!”»Ma voûte azuréekan je niet behagen, dat merk ik duidelijk; op een anderen keer zal ik aan u denken en trachten naar meer fijnheid en doorzichtigheid.”»De aanmerking van master Rosemeijer is eigenlijk eene lofspraak!” viel Wilkinson in. »Ik die in Indië gewoond, in Afrika gereisd heb, kan u verzekeren, dat een schilder op dit punt veel kan wagen zonder te overdrijven, en dat men licht voor eene charge zou kunnen aanzien, wat niets was dan de natuur op de daad betrapt!”»Dan zal ik het mishebben,” hervatte Frits eenigszins korzel; maar in ’t Oosten als in ’t Westen zijn menschenmenschenen de figuren zijn er op gegooid,nietgeteekend.”»Niet gepeuterd!” viel Cham in; »maar ik begrijp dat dit eene ergernis is voor u. Wat mij aangaat, het gladde, het geijkte:ce n’est pas là ma partie.”»In verhouding tot dien forschen Stefanus, is uw Saulus eene nietige, bleeke gestalte, die niet eens geacheveerd is.”»Hij staat nogal op den achtergrond en gij moet bedenken, dat ik den man heb willen geven die een doorn in het vleesch draagt; ik stel mij voor dat het juist tot dit zwakke, teere, lijdende wezen is, dat alleen leeft door de geestdrift waar de ziel van gloeit en die het lichaam verteert,—dat het tot dit naar ’t stoffelijke misdeelde wezen moet gezegd zijn: »Mijne genade is u genoeg,” en »Mijne kracht wordt volbracht in uwe zwakheid.”»Bravo!” riep Wilkinson, »zoo mag ik dat een schilder rekenschap geeft van hetgeen hij gewild heeft.”»Ja, maar ook in dezen is er tusschen het willen en in ’t volbrengen nog een wijde kloof,” sprak Frits met zekere heftigheid.»Hier althans meende ik mijn doel getroffen te hebben,” hernam Cham kalm, maar met fiere zelfbewustheid.»Ongetwijfeld! als gij een geëffaceerden Saulus bedoeld hebt,” hield Frits vol. »Men zou niet eens naar hem zien, ware ’t niet dat er bij toeval op zijn hoofd wat van dat licht viel, waarmee gij uw Stefanus als bij uitsluiting begunstigd hebt.”»Welnu, dat is ook zoo. Maar niet bij toeval, met opzet laat ik hier een enkele straal op hem vallen van dat hemellicht, dat hem welhaast het vleeschelijk oog zal verblinden om later de oogen des geestes te openen en volkomenlijk te leeren zien! Ik voor mij geloof, dat Stefanus ook voor Saulus niet tevergeefs heeft gebeden.”»Ik zie daar geen ketterij in, als gij het met uw biechtvader kunt vinden.”»Mijn biechtvader!” herhaalde de schilder met een laatdunkend hoofdschudden.»Maar in ieder geval houd ik niet van schilderijen, die zooveel uitleg noodig hebben om begrepen, om gevoeld te worden,” vervolgde Frits; »deze kunst is er eene voor ’t aanschouwen en ik moet alles terstond kunnen zien.”»Alsgij zien kunt;voilà la question!”»Ik kan tochwélzien, dat er iets ruws en hards is in uwe wijze van doen, alsof gij met losse hand, metnonchalancehet penseel hanteert; met één woord, of gij geen beginsel hadt, geene eigenlijke manier!”»Ah! voilà le grand mot lâché, geene manier! O, gij klassieken, wat zal er nog veel gebeuren moeten eer gij ons romantieken begrijpt, erkent en.... waardeert, mag ik er bijvoegen. Wat mij betreft, elkemanier, iedere methode, die de inspiratie aan banden legt, is mij te eng. Breken met de oude steile tradities, zou mij eene behoefte zijn geweest, al ware ik niet in de school van de romantieken thuis geraakt. Om mij zelf te zijn, ontvluchtte ik mijneeerstemeesters te Antwerpen, trok naar Parijs en raakte aan de zijde der opkomende richting, zooals vanzelf sprak, maar ik ben niet haar blinde proseliet, die hethors de nous point de salutvoortzegt. Ik streef naar waarheid, ik zoek mijne gedachte uit te drukken zoo ik het best kan, ik verlang gloed en leven op mijn doek te brengen; is het vreemd, dat ik liefde heb voor een sterk coloriet; ik haat het conventioneele, realiteit is mijn wachtwoord; ja, zeker! maar geen plat realisme, reine waarheid! leven, maar het ideale leven, geene gedrochten onder voorwendsel dat niets mooi is dan het leelijke! Gij ziet dus wel, dat ik geenâme damnéevan de romantiek ben, al zie ik niet waar ik beter mijne plaats zou vinden dan in haar kamp!”»Maar romantiek of niet, waarom laat gij Stefanus bidden in eene onmogelijke pose?”»Het evangelisch geschiedverhaal wijst die aan.”»Heel goed, laat hem knielen, daar heb ik niets tegen; maar waarom de armen over de borst gekruist en de oogen neergeslagen, in plaats van ze ten Hemel te wenden?”»Precies! om u te voldoen (en zeker hebt gij hier de vulgaire menigte aan uwe zijde) had Stefanus de beide armen naar den Hemel moeten uitstrekken als een drenkeling, die naar de dregge grijpt, en de oogen opgeheven houden tot men niets dan het wit te zien krijgt; ik ken die poses! Helaas! Tot welke school zij behooren, wijs ik niet uit, want er is geene waar zenietuit voortkomen; zeker is het dat men er op alle exposities exemplaren van te bewonderen krijgt. Begrijpt men dan niet, dat wie zich voor God stelt in zulke ure, met zóó heilige bede, de innigstegemeenschap met den diepsten ootmoed samenpaart. Behoeft het oog de lucht te zoeken, opdat de geest den Heere Jezus zie? Stefanusvoeltde nabijheid van zijn Heer, in de volheid van den Heiligen Geest, die hem vervult, in de kracht, die hem is geworden, in de heiligheid om in navolging zijns Heeren voor zijne vijanden te bidden; behoeft hijgesteste maken, terwijl hij zich stervende voelt? behoeft hij de oogen te verdraaien om te weten watwij zien, dat hijin het lichtis?—dát licht der wereld, schijnende in de duisternis, en door de duisterlingen niet begrepen, niet gezien.”Wilkinson had toegeluisterd in diepe aandacht met sprekende belangstelling. Hij had zijne plaats aan tafel verlaten en stond nu vlak voor den schilder, als om hem de woorden uit den mond op te vangen. Toen deze zweeg, stak hij hem beide handen toe, terwijl hij Frits aanziende, tot dezen sprak:»Heb ik het u niet gezegd, master Rosemeijer! dat hij een Christen was!”»Hebt gij dàt uit mijne schilderij kunnen zien?” vroeg Cham, opspringende, met tranen in de oogen en zijn hoed achterover werpende. »Wees daarvoor gedankt! het hoogste loon wat ik voor mijn werk begeer is, dat men er mijne ziel in zie, en God verheerlijke, die de gever der gaven is.”En Frits?Was de vrome ernst, de diepe gemoedelijkheid van den kunstenaar, het middel om hem te ontwapenen, zijn vooroordeel weg te nemen en de vergiftige plant van de afgunst in zijne ziel te ontwortelen? De middelmatigheid is niet zeer bereid zich gewonnen te geven, zij is te traag en te bekrompen om snel tot eene grootsche beweging des gemoeds te besluiten; en toch, Frits moest zich nú beslissen om Piet Snibs, die zich Cham had bijgenaamd, te erkennen voor hetgeen hij was, of zich voor altijd van hem af te wenden in een gevoel van bitterheid en onbestemde antipathie, dat in haat dreigde te ontaarden. Maar Frits mocht een mislukt kunstenaar zijn, een mislukt mensch was hij niet, en zijn hart was groot genoeg om in de worsteling van egoïsme en ijverzucht tegen zijn beter gevoel de overwinning te brengen aan de zijde waar zij behoorde. Hij wierp zich aan de borst van den ouden schoolmakker en riep uit onder tranen:»Ja! gij zegt wél: God heeft hetugegeven! gijzijteen grootkunstenaar, gijzijteen beter mensch dan ik, ik erken het nú, ik wil het voor de gansche wereld erkennen. Wat ik tegen de schilderij had was niet wat ik er onder zooveel vinnigen spot in misprezen heb; maar dit ééne, dat zij onnavolgbaar is voor mij, dat gij vermoogt te geven wat ik tevergeefs heb gezocht. Al had zij ook honderd gebreken, het is een kunstwerk, dat leeft en leven zal.....”»MijnheerPierokam? Pastoor Reinfelt en de andere heeren laten u vragen of gij aan het dessert komt?” Met deze oproeping kwam de dienknecht het onderhoud storen. Frits zweeg plotseling en wilde zich afwenden, maar Cham liet hem dat niet toe; hij bleef zijne handen in de zijnen vastklemmen en wendde zich knorrig tot den Jan.»Eh, l’ami, kunnen die heeren hun dessert niet gebruiken zonder mij?”»Niet best, mijnheer Pierokam, om u te dienen! want ze hebben ook nog eene verrassing voor u....”»Diable! eene verrassing! dat’s erger!” en Piet Cham maakte eene tragisch-comische mine; »maar die verrassing kan immers wel op het laatst komen; ik beloof u, dat ik er even verrast om zal zijn; zeg aan die heeren, dat ik een oud vriend heb ontmoet, aan wien ik nog een half uurtje wensch te geven.”»Gij gaat cavalièrement te werk met die heeren!” sprak Frits glimlachend.»Bah! als ze mij pleizier willen doen, moeten ze niet beginnen met mij te kwellen.”»Maar’t is not gentlemanlike,de fausser compagnie! merkte Wilkinson aan; »en wij blijven tot morgen, als master Rosemeijer er in toestemt.”»Ik voel dat het mij noodig is, ik kan zóó niet van u scheiden,” zei Frits, Piet met zekeren weemoed aanziende.»Nu, zooveel te beter, ik blijf hier nog wel een paar dagen. Wij zullen samen ontbijten, wandelen, de schilderij nog eens bekijken....”»MijnheerChampierre! de heer N. laat u vragen of gij geen afscheid wilt nemen van hem eer hij heengaat; zijn rijtuig is al vóór.”»Oimé! dat is waar ook! numoetik gaan, Frits; gij ziet wel dat ik in een roes ben, ik had N. vergeten.Mes excuses, masterWilkinson!” en Pierrotain-Cham liep op een drafje weg, zijn hoed in den steek latende. Frits zelf liep hem achterna, om hem dien aan te reiken.»Nobele natuur!” sprak Wilkinson.»Jammer dat hij wat bizar en fantask is in zijne manieren,” merkte Frits aan; »men komt er toe hem voor iets anders aan te zien dan hij werkelijk is.”»Och! dat’s niets, ’t is een weinig als met zijne schilderij, de atelier-kleur, die wat op hem afgegeven heeft; in Parijs is dat mode onder de jonge schilders; maar dát zit van buiten, dat zal wel overgaan.”Al hadden ze gewild, ze konden dien avond niet meer vertrekken. De koetsier uit de Zon had van Sir Reginalds vrijgevigheid gebruik gemaakt, om zich in een toestand te brengen, die het uiterst gevaarlijk maakte in den donker met hem te rijden; op het voorstel, dat hij uitslapen zou, en des anderen daags met hen verder gaan, had hij in de grofste termen geantwoord, dat hij daarvoor niet gekomen was; dat hij met zijn paarden thuis moest zijn, en daar hij niet tot reden was te brengen, had men hem met zijn waggelende reisberline alleen laten oprijden.Baptist Meijer had zich aangeboden des anderen daags voor een goed rijtuig te zorgen tot billijken prijs.
Baptist Meijer, de kastelein uit het Bonte Paard, was voorheen kamerdienaar geweest bij een groot heer, die hem in zijne zaak had gezet; vandaar dat hij beter wist wat »een fatsoenlijk mensch toekwam,” zooals hij het zelf uitdrukte, dan zijn collega uit de Zon. Nauwelijks had hij dan ook Sir Reginald met Frits bemerkt, of hij ging hen te gemoet met het bericht, dat er reeds voor hen gedekt was in den koepel, terwijl hij voorging om hun den weg te wijzen.
»De heeren zullen bediend worden nog vóór de groote tafel aanvangt,” sprak de kastelein plechtig en verliet het vertrek met eene dier buigingen, die hem tot eene tweede natuur waren geworden.
Van uit die hooge luchtige koepelkamer had men door twee ramen een ruim landgezicht; een derde zijraam gaf gelegenheid om te zien wat er vóór het logement plaats vond, zoodat Frits die zich daar geposteerd had, den schilder kon gadeslaan, die nog in dezelfde houding was blijven zitten.
»De groote man schijnt niet in eene opgewekte luim; hij zit te pruilen of te mijmeren,” sprak hij spottend.
»Wie weet welke zorgen of welk leed hij te verkroppen zal hebben voor zijne feestgenooten,” antwoordde Sir Reginald.
»Gij hebt gelijk, dat zou kunnen zijn, en in dat geval ben ik hard en voorbarig met mijne aanmerking; maar toch.... ik weet zelf niet hoe het komt, hij wekt mijne ergernis door zijnevreemde uitmonstering; daar is ostentatie in, hij wil effect maken door alles en ten koste van alles. En nu! de houding vanle beau ténébreuxaan te nemen, te midden van een triomf, dat komt mij voor aanstelling te zijn, die ik in een talentvol kunstenaar niet best velen kan. Als hij onze belangstelling wil wekken, moet het zijn door zijn werk, niet door een onmogelijken hoed op te zetten, en haarlokken te dragen als een middeleeuwsche troubadour.”
»’t Is duidelijk,” hernam Sir Reginald, niet zonder wat ironie, »die vreemde kunstbroeder heeft het bij u verkorven, omdat.... hij een vreemdeling is, en mogelijk niets ergers heeft gepleegd dan zich te vormen naar ’t exempel van hen, in wier midden hij heeft geleefd. Wat mij betreft, ik laat me nooit afschrikken door wat bizarrerie. Ik wil zelf niet beoordeeld worden naar mijn uiterlijk voorkomen, omdat ik aantrek wat mij het meeste comfort geeft; bijgevolg acht ik dat anderen recht hebben op dezelfde vrijheid. Vergeef hem dus zijn hoed; wie weet hoe de persoon meevalt als gij maar eens zijne kennis hebt gemaakt.”
»Ik geloof waarlijk dat niets mij zoozeer ergert dan dat hij mij de gelegenheid daartoe niet laat, door gestadig het hoofd af te wenden. Wacht, daar staat hij toch op, ik zie waarom, daar komen heeren aan van de dorpszijde; de pastoor, dat behoeft men niet te vragen, nog een frisch jong man, zoo het schijnt; de anderen.... zeker dorpsnotabelen. Ha! onze artist zet zich in postuur en gaat hen te gemoet; de buiging valt mij toe, die is los en zonder serviliteit; hoe! neemt hij niet eens zijn hoed af, waarlijk! maar even, alleen een genadige hoofdknik voor de boerenheeren, en aan heeroom steekt hij minzaam de hand toe! Dat’s nogal sterk van een, die zich door de geestelijkheid laat voortkruien!”
»Is ’t niet wat gewaagd dat zoo maar in eens vast te stellen, omdat hij eene schilderij aan een bisschop heeft verkocht?” sprak Sir Reginald met een ernstig hoofdschudden, hoewel hij overigens met echt Britsch laconisme al de opmerkingen van Frits aanhoorde, zonder dat zij hem bewogen om van de eens gekozen plaats aan de tegenovergestelde zijde der kamer op te staan.
»Ah zoo! nu keert hij zich met hem om!” riep Frits in triomf, zonder debottevan Sir Reginald te riposteeren.
»Kom, dat valt mee! dat’s geen alledaagsch gelaat; hij heeftwaarlijk zijn hoed niet noodig om de attentie te trekken. Hoe nu?—daar wordt die afgenomen, toch niet om te groeten; neen, de pastoor bekijkt hem, en ze lachen er samen over! Dat’s zonderling! dat voorhoofd, die oogen, wonderlijke oogen, zooals ik ze nooit meer heb gezien; ja toch, ja wel! zij doen mij denken aan.... maar dat’s onmogelijk, dat bolbleeke, slaperige kereltje, en de sterke, bewegelijke trekken van dit schrale, maar zielvolle gelaat. Hoe komt het toch in mij op, en, dies ondanks, is er iets in die oogen.... dat zware beenige voorhoofd, dat mij hier eene gelijkenis doet vinden. Och! het zal zeker eene zinsbegoocheling zijn; de herinneringen mijner jeugd, die ik zoo pas opgefrischt heb, zijn er oorzaak van; want het is niet denkbaar....”
»Maar wat toch is niet denkbaar, wat brengt u zoo in vervoering?” vroeg Sir Reginald, nu zelf opgestaan en zich bij hem voegende.
»Sir Reginald! Gij zult mij uitlachen, maar die excentrieke schilder heeft een gezicht, dat mij herinnert aan dien armen stakkert, waar ik u van verteld heb, den cathechisant van dominé Willems, dien Piet Snibs, die zoo ongelukkig was en zoo jaloersch van mij, omdat ik mij aan de kunst mocht wijden. Hij kán het niet zijn; en toch hoe nader hij komt; hoe meer ik hem gadesla, hoe sterker die gelijkenis tot mij spreekt.”
»En waarom zou het niet kunnen zijn? Kan de ingeschapen kunstliefde hem geene macht hebben gegeven, om alle hinderpalen uit den weg te ruimen....”
»Ik moet daar de waarheid van weten!” en Frits scheen willens zich in één vaart naar het voorplein te begeven, maar Wilkinson hield hem terug.
»Luister,my friend!als gij van zulke herkenning pleizier wilt hebben, leg het dan voorzichtig aan; gij zult er wel gelegenheid toe vinden; dit oogenblik is het ongeschiktste, daar komen al meer en meer genoodigden; dit is zeker, zoo omtrent het uur van het diner.—Is hij, dien gij meent, dan is het tien tegen één dat hij daarvoor tegenover al die vreemden herkend wil zijn, en als hij zich koud en stug terugtrekt, maakt gij een gek figuur. Hij maakt niet veel werk van zijn familienaam, dat’s gebleken, daar hij zijne schilderijen teekent als:Cham.”
»En datChamis juist iets wat in den zoon van vrouw Snibskan vallen, wat op hem past; want hij doorzag hare huichelarij, hij ontdekte hare schande, en zij zal hem zeker haar zegen niet hebben meegegeven op zijne vlucht; maar gij hebt gelijk, alshijhet is, moet ik den gelegen tijd afwachten om de kennis te vernieuwen; als hij hetnietis, zou ik er evenzeer gek afkomen; gij hebt altijd gelijk, Sir Reginald! gij zijt de ware mentor voor zoo’n poveren Telemachus als ik ben.”
»Als Telemachus maar naar Mentor wil luisteren, zie ik hem nog eens koning van Ithaka!” sprak Sir Reginald lachende; »nu moesten wij eens raadplegen over een punt, dat bij eenfish-dinnergansch niet onverschillig is. Hebt gij vertrouwen in de beloften van deze kaart?” en hij hield hem de lijst voor met de namen en de prijzen der wijnen.
De gissing van Wilkinson bleek juist. Het diner was te vier ure besteld en in ’t laatste kwartier kwamen de genoodigden van alle zijden opdagen. Nu eens twee aan twee in zoogenoemde kapchaisen, dan weer anderen te voet, kennelijk deftige dorpelingen; allen kwamen met meer of minder gemeenzame, meer of minder linksche houding en manieren, naar den schilder toe, ontwijfellijk de held van het feest, wisselden groeten en handdrukken met hem, die onder alles door druk en onder een levendig gebarenspel praatte met de omringenden; de rollen schenen wel omgekeerd; het was of de schilder receptie hield in plaats dat hij de gerecipieerde was. Ten laatste kwam er eene deftige calêche aanrijden met fraaie koetspaarden bespannen; »eigen spul,” zooals de Jan in den zwarten rok aanmerkte, hoewel de knechts geene livrei droegen. Drie heeren stegen er uit, een deftige stadspastoor, met een frisch blozend gelaat en zilvergrijze haren, zwart zijden kousen, gouden schoen- en broekgespen, en een rotting met zwaren gouden knop. De tweede, een zwaarlijvig heer, die er wel niet heel voornaam uitzag, maar die zeker de rijke man en de eigenaar van de equipage was, want op zijn wit vest met uithangende kanten jabot, bungelde eene zware gouden horlogeketting met eenige cachetten; eene groote juweelen speld stak hem in de plooien van het overhemd, en zijn donkerbruine fantasierok was met blinkende knoopen bezet. Onder zijn eenigszins lagen zwarten hoeddroeg hij een bruine naturel en om zijn dikken hals was een smalle gekleurde zijden das geknoopt, een wijde lakensche jas,à la propriétaire, hing losjes over zijnfracheen, en liet vóór al den luister van zijn toilet bloot. Het was een Amsterdamsche bankier, die de zaken beredde voor de Belgische familie, waarmede Piet Snibs in relatiën stond. Der derde was een heer, ook reeds van leeftijd, zeer eenvoudig gekleed in een bronskleurige gekleede jas, maar in zijn knoopsgat een paar lintjes dragende, die hem terstond aanduidden als iemand van distinctie. De komst van dezen persoon was blijkbaar voor onzen kunstenaar eene verrassing, want hoewel hij met zekere voorkomendheid naar voren was gekomen, toen de calêche stilhield en hij er den pastoor en den bankier zag uitstijgen, had hij dezen alleen beleefdelijk gegroet, en de hand geboden om uit te stijgen; maar niet zoo haast zag hij het gelaat van den derden, of een kreet van verrassing ontsnapte hem en hij wierp zich met hartstochtelijke blijdschap aan zijne borst.
»Mijn nobele vriend en weldoener, gij hier! gij hier om mij! had ik dát kunnen wachten!” herhaalde hij, terwijl hij alle overigen in den steek liet; er stonden vreugdetranen in zijne oogen, toen hij voortging: »En gij, zoudt gijmijherkend hebben, den armen verstooteling, dien gij u zoo edelmoedig hebt aangetrokken?”
»Wat zal ik u zeggen, beste jongen! ik wist nu wie ik vinden zou, ik was er volkomen op geprepareerd, men had mij om zoo te spreken reeds uw signalement gegeven; maar zonder dat zou ik u waarlijk niet voor dien armen geplaagden jonkman herkend hebben, dien ik eens de hand heb mogen reiken tot een nobel doel! Op mijn woord, gij zijt een geheel ander mensch geworden, en toch wel geworden wat ik heb voorspeld, een geniaal kunstenaar en een braaf jonkman gebleven ook, niet waar! Ja, ja! wij kennen u Monsieur Pierrotain-Cham,tête de fer, c[oe]ur de flamme, pieds légers,—trop légerszelfs, want zij dienen al te vlug de wenken der fantasie! Neen, spreek me niet tegen, ik heb van uwe équipées gehoord; de vrienden te Antwerpen hebben bitter over u geklaagd; maar ’t is je vergeven, het succes maakt in dezen alles goed....”
»Ziet gij, mijnheer! aan schrijven doe ik niet veel, anders had ik u alles eens uitvoerig meegedeeld, en gij zoudt mij gelijk hebben gegeven.”
»Men heeft nooit gelijk als men wegloopt en buiten zijne meesters om exposeert!” antwoordde de andere glimlachend; »maar als zulk eencoup de têtedan tot uitkomst heeft, dat men de gouden medaille behaalt, en wel in een vreemd land, waar men geheel onbekend, geheel zonder protectie is, dan moet ik zeggen, dat het stout bestaan gerechtvaardigd is. En de schilderij, die gij hier gebracht hebt, moet grandiose zijn, naar ik hoor zeggen....”
»Gij hebt haar zelf niet gezien?” vroeg Piet wat teleurgesteld.
»Mon cher!ik had nog geene occasie. Ze hebben mij meegetroond; ik liet mij verlokken om u weer te zien en bij uw triomf te assisteeren; maar ik blijf slechts een paar uur, ik moet doortrekken, ik ga naar België terug, familiezaken en—onder ons in vertrouwen—het uitzicht op eene goede positie te Brussel; gij verstaat mij, ’t is hier niet het ware land voor de kunst. Koning Willemme fait mauvais visage, sinds de revolutie is uitgebroken, en ik voel het duidelijk, mijn tijd is uit, vat ge;” terwijl zij dit onderhoud voerden, arm in arm op- en neerwandelend, hadden de overigen zoo goed zij konden onder elkander kennis gemaakt; en nu kwam de knecht, die »alleen voor de tafel” was, met een servet in de hand en witte katoenen handschoenen aan, berichten dat er gediend was.
Allen stormden nu naar binnen; voor de meesten was dit etensuur een zeer ongewoon, voor geen van allen was het iets onverschilligs dat er aan het sammelen en heen en weer drentelen, dat ieder feestelijk diner voorafgaat, een eind was gekomen.
Mr. Pierrotain-Cham, zooals het nu bleek, dat hij zich liet noemen, trad het laatste binnen aan den arm van zijn eersten vriend en beschermer, den kunstschilder N., den man, die terstond van hem de getuigenis had gegeven, datle feu sacréin hem gloeide en die het zijne had gedaan om dat aan te wakkeren.
Nog vóór het groote diner in vollen gang was, kwam het dienstmeisje, nu met eene heldere muts op en hagelwitte voorschoot aan, het vischgerecht opbrengen bij onze vrienden. Heerlijke waterbaars, met fijne Hollandsche boterhammetjes, prachtige sausbaars en de onmisbare aardappelen, opgedischt in eenvoudig wit Engelsch aardewerk, was wel geschikt om den eetlust op te wekken van lieden, die een paar uur rijdens en eene fiksche duinwandeling achter zich hadden. Sir Reginald liet zijn portwijnditmaal waar die was en waagde zich aan den muscaat- en rijnwijn, door meester Baptist als extra aangewezen. Hij bevond er zich wel bij, had schik in alles, maakte Trijntje nu zijn compliment over haar zilver, dat als spiegelglas blonk, bewonderde het fijn damasten tafellaken, dat den slag van Praag voorstelde en dat zeker al in menige aanzienlijke familie dienst had gedaan eer het in de linnenkast van het dorpslogement was terechtgekomen. Frits, ondanks alle zijne tribulaties, voelde zich zeer gezind om met de optimistische luim van Wilkinson in te stemmen, en onder den smakelijken maaltijd, den opwekkenden wijn, begon hij zijn goed humeur en zijne vroegere levendigheid te herwinnen.
Trijntje bracht nu een enkelenplat-douxen het eenvoudig dessert binnen, met de bijvoeging: »dat de heeren maar schellen moesten als ze nog wat anders bliefden.” Frits kon niet nalaten haar een paar vragen te doen omtrent den gang van het groote diner en of zij ook zoo omtrent nagaan kon wanneer dat afgeloopen zou zijn.
»Gunst neen, mijnheer! daar is nu nog niets van te zeggen. U moet denken dat’s een volslagen diner; ze zijn pas aan de sla met gebakken paling, ze moeten nog pudding hebben, en dan aan ’t dessert, zoo velerlei vla en gebak, en zooveel gepraat, dat zij toosten noemen, en misschien wel verzen ook, en dan ligt er achter nog een mooie groene krans; die zullen ze, geloof ik, den vreemden heer op zijn hoofd zetten; dan wordt er tusschen dat alles druk gedronken, en ziet u, dat neemt nog al tijd; de diners hier duren altijd tot laat in den nacht.”
»Dat spijt mij, dan zal er wel geene gelegenheid zijn voor ons om dien schilder eens te spreken.”
»Wel, mijnheer! dat zou nog wel gaan, denk ik; als wij het dessert opbrengen houden ze pauze, om het zoo’n beetje te vertreden, denk ik; dan slenteren ze zoo wat in de kolfbaan, in de billardkamer, op het plein voor ’t huis.... en dan zouden de heeren makkelijk een praatje met hem kunnen maken; maar volgens den dienknecht moet hij al een heele rare snaak zijn, zoo’n halve comediant; hij laat ze daar binnen lachen en huilen zooals het hem invalt. Jan kwam zoo pas in de keuken vertellen, dat hij aan den gang was met pastoor Harding uit de stad, en dat hij dien zoo bleek had zien worden als zijn servet.”
»En weet je mij ook te zeggen hoe zijn naam is?” viel Frits in met zeker ongeduld.
»Niet precies! Die luidt zoo wat op zijn Fransch. Volgens zeggen van Jan moet hij een burgerjongen uit E. wezen, dien ze Frits Millioen plachten te noemen.”
»Neen! die is het zeker niet. Dat moet eene vergissing zijn!” viel Frits uit, terwijl eene zonderlinge ontroering in zijne stem trilde.
»Ziet u, mijnheer!ikhoor het zoo maar van Jan vertellen tusschen al die drukte in, ik zal niet goed verstaan hebben; maar het is een rare naam, dat’s waar, het zal wel zooveel als een bijnaam zijn; bij ons.... weet u, mijnheer! ik kom zoo wat om de Noord vandaan, boven Schagen; bij ons, hadden we een jongen, die ze Hein Zes’thalf noemden, omdat hij eens in de schellingskraam met een zes’thalf had willen betalen;” en Trijntje lachte dat hare witte tanden er van te zien kwamen. Zelfs voor Frits was die gulle lach aanstekelijk; hij glimlachte zijns ondanks, maar zijn lust was verloren tot verder onderzoek bij haar.
»Als de heeren maar blieven te schellen zoo ze nog iets noodig hebben,” sprak het meisje, ziende dat haar discours niet langer werd begeerd; »ik moet nu helpen aan het dessert.”
»En toch is mijn verlangen om van dien man meer te weten sterker dan voorheen!” zei Frits tot zijn nieuwen vriend.
»Wel, daar zal zeker wat op te vinden zijn, al zouden wij tot morgenochtend hier moeten blijven; het komt mij daarenboven voor, dat gij rust noodig hebt, en of gij nu een dag vroeger of later te Amsterdam komt, doet er immers niets meer toe?”
»Vóór ik mijne papieren had kon ik geen stap doen tot dat andere....” zei Frits. »Ik heb nu den tijd aan mij zelven, aan u....”
»Begin maar met hem uw kaartje te zenden en te vragen wanneer hij u eenige oogenblikken geven kan. Is hij dan dien gij meent en wil hij zich de dagen zijner jeugd herinneren, dan is alles in order, en hij zal u zijn tijd aanduiden. Hebt gij u vergist, dan zal hij u uit den droom helpen en ons mogelijk gratis zijne kennismaking accordeeren.”
»Ik ben waarlijk niet eens van kaartjes voorzien,” zei Frits met eenige verlegenheid.
»Dat beteekent niets, hier is het mijne; schrijf een paar woorden op de keerzijde met potlood; hier.... neen!.... wacht, niet simpel Wilkinson, dit is beter: Sir Reginald Peter Wilmot van Desborough, Baronet.”
Terwijl Frits schreef, schelde Sir Reginald.
Ditmaal kwam meester Baptist Meijer in eigen persoon binnen.
Zijne bedienden waren bezig met het arrangeeren van het dessert. Hij kwam zelf de orders van »Mylord” vragen.
Daar hij zich in vrij vlug Fransch tot Wilkinson wendde, antwoordde deze zonder de moeite te nemen van de onjuiste titulatuur te rectificeeren.
»Hebt gij goede kamers voor ’t geval dat we hier blijven logeeren?”
»Tot uw dienst, Mylord! Mylord zal tevreden zijn, ik weet wat heeren van rang toekomt.”
»Heel goed, want het zou kunnen zijn, het hangt in zekeren zin af van het antwoord dat gij ons van den schilder zult brengen, zoo gij in de gelegenheid zijt hem dit kaartje te overhandigen.”
»Ik zal er voor zorgen, Mylord.”
»Hoe noemt hij zich eigenlijk?”
Baptist haalde de schouders op. »Hij laat zich noemen Mr. Pierrotain-Cham; maar dat is zeker zijn echte naam niet, want hij is een Hollander en heeft nog een vader wonen te E.”
»Dat’s nu weer eene geheel andere lezing” merkte Wilkinson aan.
»Ik begrijp er niets van,” zei Frits.
»Niets meer van uwe orders, Mylord?”
»Hebt gij drinkbare champagne, master Baptist?”
»Om u te dienen, Mylord! uit hetzelfde kanaal als mijnheer de Baron Dufresne, mijn vroegere meester, die om zijn kelder beroemd was.”
»Arme man!” zei Sir Reginald glimlachend, »die beroemdheid zal hij niet gratis verkregen hebben; maar ’t is wèl, breng ons een flesch, en zorg dat die den smaak van den Baron geen schande aandoet.”
Eenige minuten nadat Baptist zich verwijderd had om de orders van »Mylord” te volbrengen, kwam de knecht, die »alleen voor de tafel” was, in eigen persoon met zijn servet over den arm en zijne witte handschoenen aan, de champagne brengen en ontkurken.
»Is ons kaartje aan den schilder gebracht?” vroeg Wilkinson.
»Ja, mylord! hetisgebracht,” sprak de Jan ook met de buigingdie hij van zijn meester had afgezien, en zweeg meesmuilend met een gezicht of hij er nog iets had bij te voegen.
»En wat is het antwoord?” vroeg Frits in zekere spanning.
»Een raar antwoord, mijnheer! Mijn meester heeft mij verboden het over te brengen.”
»Zooveel te noodiger is het ons te weten.”
»Om de waarheid te zeggen, mijnheer! zei hij zooveel als dat de Engelsche lord naar de maan kon loopen en is daarop een Fransch liedje gaan zingen, tot groot vermaak van de overige gasten. Mijn meester gelooft dat hij de hoogte moet hebben om zoo’n astrant antwoord te geven aan een voornaam heer; maar ik heb gemerkt dat hij veel minder drinkt dan een van de anderen; hij zet maar even zijn mond aan ’t glas en als ze hem plagen om te drinken, weet hij zóó te goochelen, dat de wijn op den vloer terechtkomt, zij merken het niet, maar ik.... ik merk het wel!”
»En weet gij zeker, dat hij goed gelezen heeft wat er op het kaartje stond?” vroeg Frits zichtbaar teleurgesteld.
»Ik denk wel van ja, mijnheer! maar hij heeft het met een knorrig gezicht naast zijn bord geworpen en daarop mij die gekke boodschap gegeven, die ik niet overbrengen mocht; als er ongenoegen over komt, hoop ik dat de heeren zeggen zullen, dat ze er mij toe gedwongen hebben. Excuseer, ik hoor schellen, dat is bij mijn meester; nu zal er pauze zijn en wij gaan het dessert opbrengen,” en schielijk maakte de Jan rechtsomkeert, in zijne vaart echter plotseling gestuit door iemand, die met gelijke drift de kamer binnenstoof en die hem bijkans omverstiet. Het was de excentrieke kunstenaar in eigen persoon, die met uitgestrekte armen in eens door naar Frits toeliep, aan zijn hals viel en uitriep:
»Dat’s nu eens braaf van je gedaan, Frits! Dat doet je hart eer aan zoo’n ouden kameraad te gedenken, en je weet niet hoe goed hetmijdoet.”
»Zoo heb ik mij dan toch niet vergist,” hernam Frits nu ook gul en levendig, daar hij de oprechtheid dier blijdschap las in de sprekende trekken, in de glinsterende oogen van zijn schoolmakker, in wien hij, hoe ook veranderd en vervormd, nu toch den eigen Piet Snibs herkende. »Wel, Piet! ben je het toch, ik vreesde zeer mij bedrogen te hebben, ik vreesde al dat ik den verkeerde voor had.”
»Neen, neen! gij hebt goed geraden, ik ben de eigen kwajongen, waarmee je zoo dikwijls gevochten hebt en die menigen stomp aan je te danken heeft en jij misschien wel eens een blauw oog of een neusjebloed aan mij!C’est égal! c’est de l’histoire ancienne, sans rancune.Daar lachen we nu om, niet waar? en ’t herdenken er van is pret, na al het andere wat we doorleefd hebben, vindt je dat ook niet? Ben je al lang hier? Hoe jammer dat je mij niet eerder gewaarschuwd hebt, ik had je dan aan die heeren genoemd, en gij zoudt mijn gast zijn geweest.”
»Dat had toch niet kunnen zijn, ik heb een reisgenoot, vriendlief! dien gij over ’t hoofd ziet,” hernam Frits glimlachend, en Piet een wenk gevende dat hij zich omkeeren moest daar deze met den rug naar Sir Reginald had gestaan, die met echt Britsch flegma de zwijgende toeschouwer van het tooneeltje was geweest.
»Un million d’excuses, monsieur!” sprak Piet, zich nu haastig omkeerende, even het hoofd buigende, zonder den hoed af te nemen, dien hij als een bestanddeel van zich zelf scheen te beschouwen.
»Sir Reginald Peter Wilmot, vanDesborough-Castle, Baronet,” hervatte Frits, met zekeren nadruk op den titel, als om Piet te beduiden dat hij wel wat meer beleefd kon zijn.
»Zeker de Maecenas van mijn kunstbroeder,” sprak deze nogmaals met eene lichte hoofdbuiging, »enchanté, mylord!”
»Doe u zelven geen geweld aan, master Pierrotain-Cham,” sprak Sir Reginald opstaande, »ik zal mij verwijderen, ik verlang geenfâcheux troisièmete zijn, en ik heb begrepen, dat ik in mijne kwaliteit van Engelsch edelman het ongeluk heb gehad uwe antipathie op te wekken,sans rancune. Ik heb eerbied voor eene kunstenaarsluim!” en hij wilde heengaan.
»Dix mille millions d’excuses!” riep nu Pierrotain-Cham, zooals wij hem nu ook maar zullen noemen, in den weg tredende, en zekere verlegenheid onder die exageratie verbergende. »Hoe komt Uwe Lordschap aan deze opvatting?”
»Wel, ik heb gehoord van den noodlottigen indruk, dien het zien van mijn kaartje op u heeft gemaakt.”
»Oimè, daar gaat mij een licht op!trahison! perfidie!” galmde hij uit, den eersten zanger in de Robert parodiëerend, »die lakeien-ziel heeft mijne eerste verwonderde exclamatie overgebriefd! Mylord! nu moet ik alles opbiechten opdat er volle absolutievolge. De lompert steekt mij het kaartje toe met uw naam en titels, er bijvoegende, dat die heer mij op staanden voet spreken wil. Ik, die om een vriend weer te zien een uur ver zou loopen en een heelen dag zou willen vasten, zag er voor mij volstrekt geene noodzakelijkheid in, om op commando van den eersten vreemdeling den besten, omdat hijBaronetachter zijn naam voert, van een diner op te staan, waarvan ik, nota bene! de held ben! Ik lach bijgevolg om den eisch, voeg er eenige invectieven bij die niet precies vleiend zijn voor den Baronet, die zich aanmeldt en hef al lachende het refrein aan van een koor uit eene opera, dat wij in onze schildersbent nogal eens opdreunen, als protest tegen de klimmende Anglomanie onder de Parijzenaars.” En met kluchtige ateliersverve declameerde Piet de welbekende regels.
Daarop nam hij met een ondeugendsérieuxzijn hoed af, schudde de gladde zwarte leeuwemanen achterwaarts en sprak even de knie buigende op een half eerbiedigen, half moedwilligen toon: »Excusez, Mylord! les peintres sont des fantasques, maar ze weten berouw te toonen en ze schijnen soms erger dan ze zijn; ik had niets tegen den Lord, ik had alleen tegen het ontbod op commando van een vreemdeling; toen ik mijn toorn had lucht gegeven, viel mijn oog weer op het kaartje, dat ik toevallig omgekeerd neergeworpen had, en ik zag den naam van Frits Rosemeijer, van den ouden kameraad! Toen wierp ik mijn servet over mijn bord, mijn glas over het tafellaken en deserteerde eer de schel voor de pauze nog had geklonken, om mijn ouden Frits in de armen te snellen. Heb ik mijne absolutie, Mylord?”
»Ten volle, mits gij penitentie doet, een glas champagne met mij drinkt en er voortaan aan denkt, dat ik geen recht heb op den titel van Lord, en dat ik op reis simpellijk Master Wilkinson ben; onderwerpt gij u aan de boetedoening?”
»Yes, Sir! met alle gewilligheid, ik zal met u klinken, maar wat drinken betreft:beg pardon if you please!en nu, mag ik verder Fransch spreken? want ik heb om de waarheid te zeggen al mijn Engelsch in eens uitgekraamd, en Frits zal u zeggen dat het voor den Piet Snibs, dien hij gekend heeft, al heel veel is, zoo hij zich in ééne vreemde taal weet uit te drukken.”
»Spreek precies wat gij wilt en zooals gij wilt, ik versta zelfs een woord of wat Hollandsch, dus geneer u niet. Gij weet niethoe het mij verheugt die twee jongelieden bijeen te zien in wier geschiedenis ik geen vreemdeling ben. Master Frits Rosemeijerisreeds mijn vriend, master Pierrotain-Cham zal het, hoop ik worden.”
»Ik ben er al mee bezig, Sir!” zei Piet, nadat zij geklonken hadden, en nadat hij even zijn glas aan de lippen had gebracht, terwijl Frits en Wilkinson er geen bezwaar in vonden de hunne te ledigen.
»Meen nietque je fais la petite boucheuit hypocrisie of om als model van matigheid te poseeren,” ging Piet voort, »maar ik heb nog een heel dessert voor mij, en ik ben toch al zoo druk, zoo opgewonden; alles vibreert, alles resonneert in mij, ik heb honderd goede redenen om daar ginds bij die anderen kalm, waakzaam, mij zelf te zijn en toch reeds het weerzien van eene figuur uit mijne sombere kindsheid zet mij een roes aan. Goden en menschen! wat een tijd, welke herinneringen!” Toen, zich tot Frits keerende, viel hij op eens uit, terwijl hij hem op den schouder klopte. »Millioentje! Millioentje! wat zijn we allebei een eind opgeschoten! Wat hebben we al een weg gemaakt sinds ik jaloersch van je was omdat gij weggingt, terwijl gij mij in stilte benijddet omdat ik blijven mocht! Ja, ja, Frits! wij behoeven er nu geen doekjes meer om te winden, gij waart de uitverkorene, maarikhad de roeping, en dominé Willems zaliger was eenwould-be-kunstbeschermer, die niet verder zag dan zijn neus lang was.”
Terwijl hij luisterde naar Piet Snibs in Pierrotain-Cham gemetamorphoseerd, had Frits een gevoel als iemand, die in een draaimolen zit en wien het schemert voor de oogen. De drukke hartelijkheid van den ouden bekende, met wien hij meer getwist dan gespeeld had, trof en verraste hem, maar tegelijk voelde hij zich als overbluft door den lossen, vrijen toon van den kunstenaar, dien hij zich nog zoo goed kon voorstellen als den gedrukten, lijdenden, linkschen, armelijk gekleeden Piet Snibs, en de levendige, schalke, overmoedige persoon, die daar nu voor hem stond, in eene kleedij die wel wat excentriek maar toch elegant was, had zoo weinig overeenkomst met de droevige figuur die hem in ’t geheugen lag, dat hij, die zijn eigen positie alles behalve glansrijk vond, zijn aplomb er door verloor, en het woord niet meer wist te vinden om in dien opgewekten toon in te stemmen; maar nu de roekelooze hem als uittergde om het voor zijn overledenvriend op te nemen, kon hij zich niet weerhouden te zeggen:
»Het is waar! dominé Willems was meer goedhartig dan helderziend, maar zijne profetie omtrent u is toch wel bewaarheid geworden!”
»In welk opzicht dan toch? Als ik ooit een profeet had te schilderen, zou ik er zeker geen Willems voor laten poseeren.”
»Ik evenmin; maar toch.... heeft hij je niet voorspeld dat je nog eens door de Roomschen zoudt ingepakt worden? En nu, mij dunkt het is er al mooi toe gekomen.”
»C’est vous qui l’avez dit” declameerde Piet, »maar het bewijs er voor,mon cher?”
»Het bewijs? Mij dunkt, dat is niet ver te zoeken....”
»Bah! dat dinertje, mij door een pastoor en zijne kerkvoogden aangeboden, omdat ik eene schilderij voor hunne kerk heb gebracht?”
»Zouden zij er toe gekomen zijn, zoo gij u niet door de geestelijkheid liet voortkruien?”
»Le cas est pendable!ik erken het, maar ben ik er u rekenschap van schuldig?”
»Dat bedoel ik niet, maar toch, gij zult mij niet wijs maken dat gij onder dat alles door, trouw hebt gehouden aan uwe protestantsche belijdenis?”
»Dat’s een krasse consciëntie-vraag, Frits!” sprak Piet, even het hoofd schuddend, »mij te gewichtig om onder een glas champagne behandeld te worden, maar al zou ik nu ook kortheidshalve toestemmen, dat er werkelijk met mij gebeurd ware wat dominé Willems heeft voorzegd, dan nog zouhijdaarom geen profeet zijn, want ik zelf heb het hem vooruit gewaarschuwd, dat ik mij tot de Roomsche kerk zou wenden, zoo zij mij te hulp kwam om mijne zucht voor de kunst te bevredigen!”
»Dat is zoo in de manier van de kunstenaars in de middeleeuwen, die hunne ziel aan den duivel verkochten om de macht te krijgen onnavolgbare meesterstukken voort te brengen.”
»Zoo omtrent hetzelfde, althans naar de beschouwing van zeker bekrompen protestantisme, zooals de brave Willems het zijn leerlingen ingoot,” repliceerde master Cham droogjes, en zijn glas nemende.
»Zie toch, master Wilkinson! hoe weinig gij op mij rekenen kunt; ik moet uw champagne drinken, want mijn kunstbroeder dáár doet me herdenken aan al het lauwe water, dat ik in mijne leerjaren heb moeten slikken, en ik word er opnieuw wee van!”
»En dominé Roestink?” hervatte Frits, die de vervolging nog niet opgaf. De wortel van bitterheid, eens in zijne ziel opgeschoten, liet zijn prikkel voelen bij de minste aanleiding. Hij maakte zich diets dat hij ijverde voor de goede zaak der moraliteit en der religie, maar inderdaad was het alleen een onbewust verweren van zich zelf tegen eene superioriteit die hij, zijns ondanks, moest erkennen; dan, wij vielen hem in de rede, terwijl hij is voortgegaan, »dominé Roestink,uwvriend en beschermer zooveel hij vermocht, zoudt gij dien nu onder de oogen durven komen?”
Piet klemde de lippen samen, bekeek zijnen hoed, dien hij op den schoot had gehouden, en drukte dien onmeedoogend plat. Eerst toen Frits had uitgesproken, hief hij zijne oogen op, zag hem aan met een doordringenden blik, waarin iets als weemoed en teleurstelling te lezen stond, en antwoordde toen, terwijl hij even de schouders optrok:
»Als gij mij beter kendet, Frits! zoudt gij mij zeker die vraag niet doen; wat dominé Roestink betreft, ik heb zeer naar hem geïnformeerd, en zou hem zeker een bezoek gebracht hebben, terwijl ik in de provincie zwierf, maar ik vernam, dat hij nu in den Haag woont, en mijn weg leidt ditmaal dien kant niet uit; ik zou daar protectiën en connectiën vinden, die mij verder zouden brengen dan ik nu nog wezen wil. Ik ben in ’t bezit van het effect, maar ik moet de coupons niet afknippen voor zij verschenen zijn.”
»Gij gelooft dan waarlijk dat dominé Roestink u nog met goede oogen zou aanzien, hij die overal bekend is om zijn ijver voor de Gereformeerde kerk!”
»Dominé Roestink! och wat praatgijvan dominé Roestink!” viel Piet in met ongeduld, terwijl hij zijn gemartelden hoed driftig op den grond wierp, »dat’s een predikant zooals mijn ideaal van een schilder is, breed en diep!”
»’t Is toch te hopen dat hij wat beter rekent met de proporties dan gij, want zoo hij in ’t geestelijke met zulke steenen gooit, als welke gij uwe Joden tegen Stefanus laat opnemen, danloopt zijne gemeente gevaar om vermorzeld te worden,” viel Frits uit met snerpende bitterheid.
»Wel dat is juist het vereischte eener goede prediking, naar het mij voorkomt,” antwoordde Piet ernstig, maar het persoonlijke van den aanvang ter zijde latende; »de hoorders te verbrijzelen, om ze daarna met Stefanus den geopenden Hemel te doen aanschouwen! Wie niet in staat is dezen weg met zijne gemeente te gaan, behoorde, mijns inziens, niet eens den predikstoel te beklimmen.”
»Heel goed, maar dat’s nog geen reden voor een schilder om een martelaar te steenigen met rotsblokken, zooals geen mensch in staat is ze te tillen.”
»Hm ja! ik had gladde keitjes moeten geven, heel rond, heel glanzig, heel doorzichtig, niet waar? Zoo iets dat de toeschouwer van de gewone soort »heel mooi” vinden zou, en waar hij volstrekt »niet akelig” van werd.”
»Ja, ik vat uwe intentie wel, gij hebt gigantiek willen zijn en gij zijt alleen protesk geworden! Gij hebt eene voorstelling gegeven die aan wezens uit de voorwereld doet denken, en gij hadt ons verbasterde Joden moeten laten zien uit het eerste Christelijke tijdperk.”
»En zoo ik nu eens de brutale kracht van het fanatisme had willen symboliseeren, als repoussoir van de bovennatuurlijke kracht des geloofs om te lijden, om te vergeven, om God te verheerlijken?” en des kunstenaars oogen straalden van zonderlinge geestverrukking, terwijl hij ze onwillekeurig naar boven hief, als werden deze woorden niet voor zijn toehoorder gesproken, »maar,” vervolgde hij, op eens in geheel veranderden toon, terwijl hij zijn hoed weer opzette en over zijn stoel leunen ging. »Gij zijt dus mijne schilderij in de kerk gaan zien; dat is een bewijs van belangstelling waarvoor ik je dankbaar ben.”
»Het zou onoprecht zijn van mij dien dank aan te nemen,” zei Frits verzacht en wat beschaamd, »de nieuwsgierigheid van master Wilkinson en de mijne was gaande gemaakt, en wij konden toen zelfs niet vermoeden, wie zich onder het pseudoniem van Cham verschool.”
»En nu gij weet dat het niemand anders is dan de rebellische zoon die zijn moeders huis ontvlood en zijn moeders toorn op zich laadde, dan de arme martelaar Piet Snibs, zult gij dat pseudoniem niet meer zooongerijmdvinden, niet waar?”
»Volstrekt niet, integendeel! het is mij zeer begrijpelijk dat gij daarop zijt gekomen; maar ik wil toch hopen dat uwe moeder zich beraden heeft, en dat gij met elkander verzoend zijt vóór haar dood?”
»Laten we daar nu maar niet van spreken, Frits!” zei Piet, terwijl hij zich afwendde; »veel tijd heb ik niet meer, gij hebt nu mijn werk gezien, ik behoef je niet te vragen hoe gij het vindt; zelfs al had ik het uit uwe aanmerkingen niet reeds begrepen, toch zou ik het kunnen opmaken uit de opleiding die gij zelf hebt gehad, den kring waarin uw smaak is gevormd; bij mijn weten heb ik nooit van uw werk gezien, gij kunt uw eigen weg zijn gegaan zooals ik, maar toch er is iets dat mij vermoeden doet, dat gij in ’t klassieke cirkeltje zijt blijven rondloopen, terwijl ik tot de school behoor, die den moed heeft genomen met de oude steile tradities te breken. Dit reeds moet een vandalisme zijn in uwe oogen en kan oorzaak wezen dat mijn werk u mishaagt. Maar ik wil toch weten wat gij er verder op hebt aan te merken, en master Wilkinson zal mij genoegen doen van er ook zijn oordeel over te zeggen?”
»Bah! Master Cham! ik vrees dat gij de critiek van een leek versmaden zult.”
»Een kunstenaar die de critiek versmaadt, is als de zeeman die niet velen kan dat de wind in zijne zeilen blaast, al zou ’t ook tegenwind zijn; in den strijd met de elementen leert hij overwinnen en dat brengt hem verder; platte kalmte alleen, loodzware stilte, is voor beiden verderfelijk.”
»Ik voor mij heb meer stof gevonden om te bewonderen, dan te laken,” zei Wilkinson; »naar mijn gevoelen is uwe schilderij een kunstgewrocht dat zeker gebreken heeft, maar die door groote kwaliteiten zijn goed gemaakt; het geeft reeds veel en belooft meer, men heeft voortaan recht het hoogste van u te eischen en mij dunkt, gij zijt deforceom aan die verwachting te voldoen.Tes pareils à deux fois ne se font pas connaître.Gij kent zeker de regels uit denCid?”
»Helaas ja! ik heb ze meer dan eens hooren aanhalen, waar het bij den meesterlijken »coup d’essai” is gebleven; ik dank u, Sir! voor het compliment, maar gij gaat om de schilderij heen met de welwillendheid van een dilettant; mijn confrère zal er dieper inkomen en hij heeft ergerlijke delicten aan te wijzen, ikzie het aan zijn wenkbrauwfronsen. Voor den dag er dan mee, Frits! je weet dat ik tegen blauwe plekken kan; de moederliefde heeft er mij aan gewend, mijne eigenliefde is niet kleinzeeriger dan mijn lichaam. Vindt je ’t eencroûte?”
»Dat weet ge wel beter. Gij zoudt mij voor eencrétinhouden, als ik dat zei; er is licht, er is ruimte op je doek, en er zijn zwarigheden overwonnen, die.... die een ander zichzelf niet zou gemaakt hebben; maar, mijn Hemel! wat zal ik je zeggen, daar is zoo iets brutaals en baroks in; onder pretekst van sterk coloriet is het zoo woest en schril, al het licht op ééne figuur gebracht en al het overige in zeker mysterieus waas gelaten, iets alsof de blauwe lucht op de figuren had afgegeven, en daarbij die bizarre groepeering, die gewaagde poses!”
»Ik erken dat ik het alledaagsche heb versmaad, maar gij zult mij toestemmen, dat ik een recht had naar wat anders te zoeken dan naar dat conventioneele, daar we nu al zoolang aan sukkelen, en dat in elk geval dat tooneel toch wel zóó heeft kunnen voorvallen.”
»Ja, maar het had toch nooit zóó blauw moeten voorvallen.”
»Gij kunt gelijk hebben,” antwoordde Cham, met een glimlach, »ik zal een beetje misbruik gemaakt hebben van het ultramarin.”
»Een beetje! gij zijt wel toegefelijk! Het grimt me aan of je Berlijnsch blauw hebt gebruikt.”
»Wat wilt gij! de hartstocht voor decouleur locale, dat’s de fout van ons allen, leerlingen van de la Croix; wij zijn allen verliefd op deOrientalesvan Victor Hugo, wij winden ons op met Oostersche luchten en Zuider zonnegloed en ... en....”
»Couleur localezooveel gij wilt, maar gij zult mij nooit wijs maken dat de hemel in ’t Joodsche Land uit donkerblauw glas is samengesteld!”
»Ma voûte azuréekan je niet behagen, dat merk ik duidelijk; op een anderen keer zal ik aan u denken en trachten naar meer fijnheid en doorzichtigheid.”
»De aanmerking van master Rosemeijer is eigenlijk eene lofspraak!” viel Wilkinson in. »Ik die in Indië gewoond, in Afrika gereisd heb, kan u verzekeren, dat een schilder op dit punt veel kan wagen zonder te overdrijven, en dat men licht voor eene charge zou kunnen aanzien, wat niets was dan de natuur op de daad betrapt!”
»Dan zal ik het mishebben,” hervatte Frits eenigszins korzel; maar in ’t Oosten als in ’t Westen zijn menschenmenschenen de figuren zijn er op gegooid,nietgeteekend.”
»Niet gepeuterd!” viel Cham in; »maar ik begrijp dat dit eene ergernis is voor u. Wat mij aangaat, het gladde, het geijkte:ce n’est pas là ma partie.”
»In verhouding tot dien forschen Stefanus, is uw Saulus eene nietige, bleeke gestalte, die niet eens geacheveerd is.”
»Hij staat nogal op den achtergrond en gij moet bedenken, dat ik den man heb willen geven die een doorn in het vleesch draagt; ik stel mij voor dat het juist tot dit zwakke, teere, lijdende wezen is, dat alleen leeft door de geestdrift waar de ziel van gloeit en die het lichaam verteert,—dat het tot dit naar ’t stoffelijke misdeelde wezen moet gezegd zijn: »Mijne genade is u genoeg,” en »Mijne kracht wordt volbracht in uwe zwakheid.”
»Bravo!” riep Wilkinson, »zoo mag ik dat een schilder rekenschap geeft van hetgeen hij gewild heeft.”
»Ja, maar ook in dezen is er tusschen het willen en in ’t volbrengen nog een wijde kloof,” sprak Frits met zekere heftigheid.
»Hier althans meende ik mijn doel getroffen te hebben,” hernam Cham kalm, maar met fiere zelfbewustheid.
»Ongetwijfeld! als gij een geëffaceerden Saulus bedoeld hebt,” hield Frits vol. »Men zou niet eens naar hem zien, ware ’t niet dat er bij toeval op zijn hoofd wat van dat licht viel, waarmee gij uw Stefanus als bij uitsluiting begunstigd hebt.”
»Welnu, dat is ook zoo. Maar niet bij toeval, met opzet laat ik hier een enkele straal op hem vallen van dat hemellicht, dat hem welhaast het vleeschelijk oog zal verblinden om later de oogen des geestes te openen en volkomenlijk te leeren zien! Ik voor mij geloof, dat Stefanus ook voor Saulus niet tevergeefs heeft gebeden.”
»Ik zie daar geen ketterij in, als gij het met uw biechtvader kunt vinden.”
»Mijn biechtvader!” herhaalde de schilder met een laatdunkend hoofdschudden.
»Maar in ieder geval houd ik niet van schilderijen, die zooveel uitleg noodig hebben om begrepen, om gevoeld te worden,” vervolgde Frits; »deze kunst is er eene voor ’t aanschouwen en ik moet alles terstond kunnen zien.”
»Alsgij zien kunt;voilà la question!”
»Ik kan tochwélzien, dat er iets ruws en hards is in uwe wijze van doen, alsof gij met losse hand, metnonchalancehet penseel hanteert; met één woord, of gij geen beginsel hadt, geene eigenlijke manier!”
»Ah! voilà le grand mot lâché, geene manier! O, gij klassieken, wat zal er nog veel gebeuren moeten eer gij ons romantieken begrijpt, erkent en.... waardeert, mag ik er bijvoegen. Wat mij betreft, elkemanier, iedere methode, die de inspiratie aan banden legt, is mij te eng. Breken met de oude steile tradities, zou mij eene behoefte zijn geweest, al ware ik niet in de school van de romantieken thuis geraakt. Om mij zelf te zijn, ontvluchtte ik mijneeerstemeesters te Antwerpen, trok naar Parijs en raakte aan de zijde der opkomende richting, zooals vanzelf sprak, maar ik ben niet haar blinde proseliet, die hethors de nous point de salutvoortzegt. Ik streef naar waarheid, ik zoek mijne gedachte uit te drukken zoo ik het best kan, ik verlang gloed en leven op mijn doek te brengen; is het vreemd, dat ik liefde heb voor een sterk coloriet; ik haat het conventioneele, realiteit is mijn wachtwoord; ja, zeker! maar geen plat realisme, reine waarheid! leven, maar het ideale leven, geene gedrochten onder voorwendsel dat niets mooi is dan het leelijke! Gij ziet dus wel, dat ik geenâme damnéevan de romantiek ben, al zie ik niet waar ik beter mijne plaats zou vinden dan in haar kamp!”
»Maar romantiek of niet, waarom laat gij Stefanus bidden in eene onmogelijke pose?”
»Het evangelisch geschiedverhaal wijst die aan.”
»Heel goed, laat hem knielen, daar heb ik niets tegen; maar waarom de armen over de borst gekruist en de oogen neergeslagen, in plaats van ze ten Hemel te wenden?”
»Precies! om u te voldoen (en zeker hebt gij hier de vulgaire menigte aan uwe zijde) had Stefanus de beide armen naar den Hemel moeten uitstrekken als een drenkeling, die naar de dregge grijpt, en de oogen opgeheven houden tot men niets dan het wit te zien krijgt; ik ken die poses! Helaas! Tot welke school zij behooren, wijs ik niet uit, want er is geene waar zenietuit voortkomen; zeker is het dat men er op alle exposities exemplaren van te bewonderen krijgt. Begrijpt men dan niet, dat wie zich voor God stelt in zulke ure, met zóó heilige bede, de innigstegemeenschap met den diepsten ootmoed samenpaart. Behoeft het oog de lucht te zoeken, opdat de geest den Heere Jezus zie? Stefanusvoeltde nabijheid van zijn Heer, in de volheid van den Heiligen Geest, die hem vervult, in de kracht, die hem is geworden, in de heiligheid om in navolging zijns Heeren voor zijne vijanden te bidden; behoeft hijgesteste maken, terwijl hij zich stervende voelt? behoeft hij de oogen te verdraaien om te weten watwij zien, dat hijin het lichtis?—dát licht der wereld, schijnende in de duisternis, en door de duisterlingen niet begrepen, niet gezien.”
Wilkinson had toegeluisterd in diepe aandacht met sprekende belangstelling. Hij had zijne plaats aan tafel verlaten en stond nu vlak voor den schilder, als om hem de woorden uit den mond op te vangen. Toen deze zweeg, stak hij hem beide handen toe, terwijl hij Frits aanziende, tot dezen sprak:
»Heb ik het u niet gezegd, master Rosemeijer! dat hij een Christen was!”
»Hebt gij dàt uit mijne schilderij kunnen zien?” vroeg Cham, opspringende, met tranen in de oogen en zijn hoed achterover werpende. »Wees daarvoor gedankt! het hoogste loon wat ik voor mijn werk begeer is, dat men er mijne ziel in zie, en God verheerlijke, die de gever der gaven is.”
En Frits?
Was de vrome ernst, de diepe gemoedelijkheid van den kunstenaar, het middel om hem te ontwapenen, zijn vooroordeel weg te nemen en de vergiftige plant van de afgunst in zijne ziel te ontwortelen? De middelmatigheid is niet zeer bereid zich gewonnen te geven, zij is te traag en te bekrompen om snel tot eene grootsche beweging des gemoeds te besluiten; en toch, Frits moest zich nú beslissen om Piet Snibs, die zich Cham had bijgenaamd, te erkennen voor hetgeen hij was, of zich voor altijd van hem af te wenden in een gevoel van bitterheid en onbestemde antipathie, dat in haat dreigde te ontaarden. Maar Frits mocht een mislukt kunstenaar zijn, een mislukt mensch was hij niet, en zijn hart was groot genoeg om in de worsteling van egoïsme en ijverzucht tegen zijn beter gevoel de overwinning te brengen aan de zijde waar zij behoorde. Hij wierp zich aan de borst van den ouden schoolmakker en riep uit onder tranen:
»Ja! gij zegt wél: God heeft hetugegeven! gijzijteen grootkunstenaar, gijzijteen beter mensch dan ik, ik erken het nú, ik wil het voor de gansche wereld erkennen. Wat ik tegen de schilderij had was niet wat ik er onder zooveel vinnigen spot in misprezen heb; maar dit ééne, dat zij onnavolgbaar is voor mij, dat gij vermoogt te geven wat ik tevergeefs heb gezocht. Al had zij ook honderd gebreken, het is een kunstwerk, dat leeft en leven zal.....”
»MijnheerPierokam? Pastoor Reinfelt en de andere heeren laten u vragen of gij aan het dessert komt?” Met deze oproeping kwam de dienknecht het onderhoud storen. Frits zweeg plotseling en wilde zich afwenden, maar Cham liet hem dat niet toe; hij bleef zijne handen in de zijnen vastklemmen en wendde zich knorrig tot den Jan.
»Eh, l’ami, kunnen die heeren hun dessert niet gebruiken zonder mij?”
»Niet best, mijnheer Pierokam, om u te dienen! want ze hebben ook nog eene verrassing voor u....”
»Diable! eene verrassing! dat’s erger!” en Piet Cham maakte eene tragisch-comische mine; »maar die verrassing kan immers wel op het laatst komen; ik beloof u, dat ik er even verrast om zal zijn; zeg aan die heeren, dat ik een oud vriend heb ontmoet, aan wien ik nog een half uurtje wensch te geven.”
»Gij gaat cavalièrement te werk met die heeren!” sprak Frits glimlachend.
»Bah! als ze mij pleizier willen doen, moeten ze niet beginnen met mij te kwellen.”
»Maar’t is not gentlemanlike,de fausser compagnie! merkte Wilkinson aan; »en wij blijven tot morgen, als master Rosemeijer er in toestemt.”
»Ik voel dat het mij noodig is, ik kan zóó niet van u scheiden,” zei Frits, Piet met zekeren weemoed aanziende.
»Nu, zooveel te beter, ik blijf hier nog wel een paar dagen. Wij zullen samen ontbijten, wandelen, de schilderij nog eens bekijken....”
»MijnheerChampierre! de heer N. laat u vragen of gij geen afscheid wilt nemen van hem eer hij heengaat; zijn rijtuig is al vóór.”
»Oimé! dat is waar ook! numoetik gaan, Frits; gij ziet wel dat ik in een roes ben, ik had N. vergeten.Mes excuses, masterWilkinson!” en Pierrotain-Cham liep op een drafje weg, zijn hoed in den steek latende. Frits zelf liep hem achterna, om hem dien aan te reiken.
»Nobele natuur!” sprak Wilkinson.
»Jammer dat hij wat bizar en fantask is in zijne manieren,” merkte Frits aan; »men komt er toe hem voor iets anders aan te zien dan hij werkelijk is.”
»Och! dat’s niets, ’t is een weinig als met zijne schilderij, de atelier-kleur, die wat op hem afgegeven heeft; in Parijs is dat mode onder de jonge schilders; maar dát zit van buiten, dat zal wel overgaan.”
Al hadden ze gewild, ze konden dien avond niet meer vertrekken. De koetsier uit de Zon had van Sir Reginalds vrijgevigheid gebruik gemaakt, om zich in een toestand te brengen, die het uiterst gevaarlijk maakte in den donker met hem te rijden; op het voorstel, dat hij uitslapen zou, en des anderen daags met hen verder gaan, had hij in de grofste termen geantwoord, dat hij daarvoor niet gekomen was; dat hij met zijn paarden thuis moest zijn, en daar hij niet tot reden was te brengen, had men hem met zijn waggelende reisberline alleen laten oprijden.
Baptist Meijer had zich aangeboden des anderen daags voor een goed rijtuig te zorgen tot billijken prijs.