[Inhoud]BesluitHoewel de rust in Dordrecht spoedig hersteld was, had toch het gebeurde voor het Graafschap de gewichtigste gevolgen. Wolfert van Borselen, wiens macht thans schier onbeperkt was, verklaarde de Dordtenaars tot oproerlingen en zond eene krijgsmacht af, om de stad te tuchtigen, maar dat was gemakkelijker bevolen dan uitgevoerd. De poorters, aangevoerd door Nicolaas van Putten, wien Gijsbrecht van IJselstein getrouw ter zijde stond, verdedigden zich met groote dapperheid en wisten de stad te behouden.Alom in den lande ontstond gemor en misnoegen tegen den machtigen dwingeland, die voortging den Graaf te bewaken en in diens naam de willekeurigste daden te plegen. Wolfert van Borselen begon zich in ’s-Gravenhage minder veilig te achten, en besloot daarom, naar Zeeland terug te keeren en vandaar eene geduchtte krijgsmacht af te zenden, ten einde elk verzet te fnuiken. In den nacht verliet hij heimelijk de stad en vertrok over Delft naar Vlaardingen. Den jongen Graaf dwong hij, hem te vergezellen. Hij durfde hem niet achterlaten, uit, vrees dat misschien een ander invloed op hem mocht verkrijgen,[207]waardoor aan zijne, Van Borselens macht, een einde zou komen. Overal waar hij kwam, liet hij, om eene mogelijke vervolging te verijdelen, de bruggen achter zich af breken. Maar dat middel baatte hem niet. Nauwelijks was de vlucht van Van Borselen en de ontvoering van den Graaf ruchtbaar geworden, of ijlings zette men de vluchtelingen na. Te Vlaardingen vernam men, dat zij reeds van wal waren gestoken, om zich naar Zeeland te begeven, doch dat zij door windstilte verhinderd waren, verder te gaan. IJlings begaf men zich in booten en visschersvaartuigen en roeide hen achterna. Weldra werden zij ingehaald en naar den wal teruggebracht. Onder gejuich voerde men den Graaf naar ’s-Gravenhage terug, doch Van Borselen werd in het Steenen Huis te Delft gevangen gezet. Maar nauwelijks hadden de poorters dier stad vernomen, dat de gehate Van Borselen zich binnen hunne muren in gevangenschap bevond, of zij begaven zich onder het slaken van de vreeselijkste kreten naar het Steenen Huis en eischten de uitlevering van den dwingeland. Spoedig begonnen zij de deur te rammeien en drongen, toen deze bezweek, met woest geweld naar binnen. Als verscheurende dieren vielen zij op den edelman aan en sleurden hem naar buiten, waar hij onder de vreeselijkste martelingen werd vermoord.Graaf Jan, nu van zijn leidsman beroofd, voelde zich niet bij machte, zelf de teugels van het bewind in handen te nemen, en noodigde daarom zijn neef, Jan van Avennes, den Graaf van Henegouwen uit naar Holland te komen, om hem in de regeering behulpzaam te zijn. En deze liet zich niet lang bidden. Hij gaf dadelijk aan die uitnoodiging gehoor en nam het gezag in handen. Een zijner[208]eerste daden was, alle schenkingen, die Van Borselen zichzelven of zijne gemalin gedaan had, te vernietigen, en IJselstein terug te geven aan Heer Gijsbrecht, den rechtmatigen eigenaar.Onder een daverend gejuich deed deze, op zijn schimmel gezeten, met de fiere Bertha aan zijne zijde en door zijne dappere dienaren gevolgd, zijn intocht in het bijna geheel herstelde kasteel. Groot was de vreugde, die in de harten der dappere verdedigers heerschte, toen zij op den geliefden burcht terugkeerden; tranen van dankbaarheid stonden in veler oogen, en jubelend begroette men het vaandel van IJselstein, toen Fulco het op den toren plantte.Den volgenden dag begaf ieder zich naar de burchtkapel, om God te danken voor Zijne redding uit het dreigende gevaar. Een priester verrichtte onder de plechtigste stilte den heiligen dienst, en aandoenlijk klonk zijn gebed voor de dapperen, die het leven in den strijd verloren hadden. Toen de gewone dienst geëindigd was, kwamen twee koorknapen binnen, die elk een volledig harnas droegen en het voor het altaar nederlegden. De priester verhief zijne stem en riep Jonker Jan van Asperen en Fulco bij hunne namen, hen opdragende voor het altaar neder te knielen.Ieder begreep, wat er gebeuren zou. Ongetwijfeld zouden deze beide dappere jongelieden den ridderslag ontvangen.De priester nam het zwaard en zegende het, en nu trad Heer Gijsbrecht naar voren en plaatste zich voor de knielenden. Met eene stem, die beefde van ontroering, sprak hij:„Jonker Jan van Asperen, moedige verdediger van[209]dezen fel bestookten burcht, en gij Fulco, die mij onder de grootste gevaren getrouw zijt gebleven en mij uit de handen mijner vijanden hebt verlost, goud is niet in staat, om u den dank te bewijzen, dien mijne gemalinne en ik voor u in het hart dragen, doch ontvangt als loon voor zooveel trouw en moed de hoogste belooning, die ik u kan schenken. Belooft gij, immer den godsdienst getrouw te zullen blijven?”„Dat beloof ik!” klonk het zacht uit beider mond.„Belooft gij, zwakken en verdrukten te zullen beschermen en weduwen en weezen een helper te zijn?”En weer klonk het: „Dat beloof ik!”„En eindelijk belooft gij, altijd recht te zullen doen en onrecht te zullen wreken, waar gij het ook ontmoet, en u in alles te gedragen, zooals het een vroom Ridder betaamt?”En nogmaals klonk het: „Dat beloof ik. Zoo waarlijk helpe mij de Almachtige!”„Dan sla ik u met dezen slag tot Ridder,” sprak Gijsbrecht, terwijl hij elk een lichten slag met het platte zwaard op den rug gaf.Ontroerd stonden de jongelieden op en trokken het harnas aan, dat voor hen gereed lag; daarna gespte Gijsbrecht hun de gouden sporen aan. Toen knielden zij weder neder en ontvingen den zegen van den priester.Daarmede was de plechtigheid afgeloopen.En hiermede, waarde lezer, is mijn verhaal ten einde. Alleen moet ik nog vertellen, dat Fulco door Heer Gijsbrecht benoemd werd tot Kastelein van het sterke slot[210]te Heukelom, Bertha’s persoonlijk eigendom, welk slot hij tot aan het einde van zijn leven bewoond heeft, geëerd en bemind door al zijne onderdanen.Gijsbrecht en Bertha hebben een lang en gelukkig leven geleid, en wanneer ge ooit het stedeke IJselstein bezoekt, verzuim dan niet het praalgraf te gaan zien, waarin nog, zij aan zij, hun stoffelijk overschot rust. Zelfs in den dood hebben zij elkander niet weer verlaten.
[Inhoud]BesluitHoewel de rust in Dordrecht spoedig hersteld was, had toch het gebeurde voor het Graafschap de gewichtigste gevolgen. Wolfert van Borselen, wiens macht thans schier onbeperkt was, verklaarde de Dordtenaars tot oproerlingen en zond eene krijgsmacht af, om de stad te tuchtigen, maar dat was gemakkelijker bevolen dan uitgevoerd. De poorters, aangevoerd door Nicolaas van Putten, wien Gijsbrecht van IJselstein getrouw ter zijde stond, verdedigden zich met groote dapperheid en wisten de stad te behouden.Alom in den lande ontstond gemor en misnoegen tegen den machtigen dwingeland, die voortging den Graaf te bewaken en in diens naam de willekeurigste daden te plegen. Wolfert van Borselen begon zich in ’s-Gravenhage minder veilig te achten, en besloot daarom, naar Zeeland terug te keeren en vandaar eene geduchtte krijgsmacht af te zenden, ten einde elk verzet te fnuiken. In den nacht verliet hij heimelijk de stad en vertrok over Delft naar Vlaardingen. Den jongen Graaf dwong hij, hem te vergezellen. Hij durfde hem niet achterlaten, uit, vrees dat misschien een ander invloed op hem mocht verkrijgen,[207]waardoor aan zijne, Van Borselens macht, een einde zou komen. Overal waar hij kwam, liet hij, om eene mogelijke vervolging te verijdelen, de bruggen achter zich af breken. Maar dat middel baatte hem niet. Nauwelijks was de vlucht van Van Borselen en de ontvoering van den Graaf ruchtbaar geworden, of ijlings zette men de vluchtelingen na. Te Vlaardingen vernam men, dat zij reeds van wal waren gestoken, om zich naar Zeeland te begeven, doch dat zij door windstilte verhinderd waren, verder te gaan. IJlings begaf men zich in booten en visschersvaartuigen en roeide hen achterna. Weldra werden zij ingehaald en naar den wal teruggebracht. Onder gejuich voerde men den Graaf naar ’s-Gravenhage terug, doch Van Borselen werd in het Steenen Huis te Delft gevangen gezet. Maar nauwelijks hadden de poorters dier stad vernomen, dat de gehate Van Borselen zich binnen hunne muren in gevangenschap bevond, of zij begaven zich onder het slaken van de vreeselijkste kreten naar het Steenen Huis en eischten de uitlevering van den dwingeland. Spoedig begonnen zij de deur te rammeien en drongen, toen deze bezweek, met woest geweld naar binnen. Als verscheurende dieren vielen zij op den edelman aan en sleurden hem naar buiten, waar hij onder de vreeselijkste martelingen werd vermoord.Graaf Jan, nu van zijn leidsman beroofd, voelde zich niet bij machte, zelf de teugels van het bewind in handen te nemen, en noodigde daarom zijn neef, Jan van Avennes, den Graaf van Henegouwen uit naar Holland te komen, om hem in de regeering behulpzaam te zijn. En deze liet zich niet lang bidden. Hij gaf dadelijk aan die uitnoodiging gehoor en nam het gezag in handen. Een zijner[208]eerste daden was, alle schenkingen, die Van Borselen zichzelven of zijne gemalin gedaan had, te vernietigen, en IJselstein terug te geven aan Heer Gijsbrecht, den rechtmatigen eigenaar.Onder een daverend gejuich deed deze, op zijn schimmel gezeten, met de fiere Bertha aan zijne zijde en door zijne dappere dienaren gevolgd, zijn intocht in het bijna geheel herstelde kasteel. Groot was de vreugde, die in de harten der dappere verdedigers heerschte, toen zij op den geliefden burcht terugkeerden; tranen van dankbaarheid stonden in veler oogen, en jubelend begroette men het vaandel van IJselstein, toen Fulco het op den toren plantte.Den volgenden dag begaf ieder zich naar de burchtkapel, om God te danken voor Zijne redding uit het dreigende gevaar. Een priester verrichtte onder de plechtigste stilte den heiligen dienst, en aandoenlijk klonk zijn gebed voor de dapperen, die het leven in den strijd verloren hadden. Toen de gewone dienst geëindigd was, kwamen twee koorknapen binnen, die elk een volledig harnas droegen en het voor het altaar nederlegden. De priester verhief zijne stem en riep Jonker Jan van Asperen en Fulco bij hunne namen, hen opdragende voor het altaar neder te knielen.Ieder begreep, wat er gebeuren zou. Ongetwijfeld zouden deze beide dappere jongelieden den ridderslag ontvangen.De priester nam het zwaard en zegende het, en nu trad Heer Gijsbrecht naar voren en plaatste zich voor de knielenden. Met eene stem, die beefde van ontroering, sprak hij:„Jonker Jan van Asperen, moedige verdediger van[209]dezen fel bestookten burcht, en gij Fulco, die mij onder de grootste gevaren getrouw zijt gebleven en mij uit de handen mijner vijanden hebt verlost, goud is niet in staat, om u den dank te bewijzen, dien mijne gemalinne en ik voor u in het hart dragen, doch ontvangt als loon voor zooveel trouw en moed de hoogste belooning, die ik u kan schenken. Belooft gij, immer den godsdienst getrouw te zullen blijven?”„Dat beloof ik!” klonk het zacht uit beider mond.„Belooft gij, zwakken en verdrukten te zullen beschermen en weduwen en weezen een helper te zijn?”En weer klonk het: „Dat beloof ik!”„En eindelijk belooft gij, altijd recht te zullen doen en onrecht te zullen wreken, waar gij het ook ontmoet, en u in alles te gedragen, zooals het een vroom Ridder betaamt?”En nogmaals klonk het: „Dat beloof ik. Zoo waarlijk helpe mij de Almachtige!”„Dan sla ik u met dezen slag tot Ridder,” sprak Gijsbrecht, terwijl hij elk een lichten slag met het platte zwaard op den rug gaf.Ontroerd stonden de jongelieden op en trokken het harnas aan, dat voor hen gereed lag; daarna gespte Gijsbrecht hun de gouden sporen aan. Toen knielden zij weder neder en ontvingen den zegen van den priester.Daarmede was de plechtigheid afgeloopen.En hiermede, waarde lezer, is mijn verhaal ten einde. Alleen moet ik nog vertellen, dat Fulco door Heer Gijsbrecht benoemd werd tot Kastelein van het sterke slot[210]te Heukelom, Bertha’s persoonlijk eigendom, welk slot hij tot aan het einde van zijn leven bewoond heeft, geëerd en bemind door al zijne onderdanen.Gijsbrecht en Bertha hebben een lang en gelukkig leven geleid, en wanneer ge ooit het stedeke IJselstein bezoekt, verzuim dan niet het praalgraf te gaan zien, waarin nog, zij aan zij, hun stoffelijk overschot rust. Zelfs in den dood hebben zij elkander niet weer verlaten.
Besluit
Hoewel de rust in Dordrecht spoedig hersteld was, had toch het gebeurde voor het Graafschap de gewichtigste gevolgen. Wolfert van Borselen, wiens macht thans schier onbeperkt was, verklaarde de Dordtenaars tot oproerlingen en zond eene krijgsmacht af, om de stad te tuchtigen, maar dat was gemakkelijker bevolen dan uitgevoerd. De poorters, aangevoerd door Nicolaas van Putten, wien Gijsbrecht van IJselstein getrouw ter zijde stond, verdedigden zich met groote dapperheid en wisten de stad te behouden.Alom in den lande ontstond gemor en misnoegen tegen den machtigen dwingeland, die voortging den Graaf te bewaken en in diens naam de willekeurigste daden te plegen. Wolfert van Borselen begon zich in ’s-Gravenhage minder veilig te achten, en besloot daarom, naar Zeeland terug te keeren en vandaar eene geduchtte krijgsmacht af te zenden, ten einde elk verzet te fnuiken. In den nacht verliet hij heimelijk de stad en vertrok over Delft naar Vlaardingen. Den jongen Graaf dwong hij, hem te vergezellen. Hij durfde hem niet achterlaten, uit, vrees dat misschien een ander invloed op hem mocht verkrijgen,[207]waardoor aan zijne, Van Borselens macht, een einde zou komen. Overal waar hij kwam, liet hij, om eene mogelijke vervolging te verijdelen, de bruggen achter zich af breken. Maar dat middel baatte hem niet. Nauwelijks was de vlucht van Van Borselen en de ontvoering van den Graaf ruchtbaar geworden, of ijlings zette men de vluchtelingen na. Te Vlaardingen vernam men, dat zij reeds van wal waren gestoken, om zich naar Zeeland te begeven, doch dat zij door windstilte verhinderd waren, verder te gaan. IJlings begaf men zich in booten en visschersvaartuigen en roeide hen achterna. Weldra werden zij ingehaald en naar den wal teruggebracht. Onder gejuich voerde men den Graaf naar ’s-Gravenhage terug, doch Van Borselen werd in het Steenen Huis te Delft gevangen gezet. Maar nauwelijks hadden de poorters dier stad vernomen, dat de gehate Van Borselen zich binnen hunne muren in gevangenschap bevond, of zij begaven zich onder het slaken van de vreeselijkste kreten naar het Steenen Huis en eischten de uitlevering van den dwingeland. Spoedig begonnen zij de deur te rammeien en drongen, toen deze bezweek, met woest geweld naar binnen. Als verscheurende dieren vielen zij op den edelman aan en sleurden hem naar buiten, waar hij onder de vreeselijkste martelingen werd vermoord.Graaf Jan, nu van zijn leidsman beroofd, voelde zich niet bij machte, zelf de teugels van het bewind in handen te nemen, en noodigde daarom zijn neef, Jan van Avennes, den Graaf van Henegouwen uit naar Holland te komen, om hem in de regeering behulpzaam te zijn. En deze liet zich niet lang bidden. Hij gaf dadelijk aan die uitnoodiging gehoor en nam het gezag in handen. Een zijner[208]eerste daden was, alle schenkingen, die Van Borselen zichzelven of zijne gemalin gedaan had, te vernietigen, en IJselstein terug te geven aan Heer Gijsbrecht, den rechtmatigen eigenaar.Onder een daverend gejuich deed deze, op zijn schimmel gezeten, met de fiere Bertha aan zijne zijde en door zijne dappere dienaren gevolgd, zijn intocht in het bijna geheel herstelde kasteel. Groot was de vreugde, die in de harten der dappere verdedigers heerschte, toen zij op den geliefden burcht terugkeerden; tranen van dankbaarheid stonden in veler oogen, en jubelend begroette men het vaandel van IJselstein, toen Fulco het op den toren plantte.Den volgenden dag begaf ieder zich naar de burchtkapel, om God te danken voor Zijne redding uit het dreigende gevaar. Een priester verrichtte onder de plechtigste stilte den heiligen dienst, en aandoenlijk klonk zijn gebed voor de dapperen, die het leven in den strijd verloren hadden. Toen de gewone dienst geëindigd was, kwamen twee koorknapen binnen, die elk een volledig harnas droegen en het voor het altaar nederlegden. De priester verhief zijne stem en riep Jonker Jan van Asperen en Fulco bij hunne namen, hen opdragende voor het altaar neder te knielen.Ieder begreep, wat er gebeuren zou. Ongetwijfeld zouden deze beide dappere jongelieden den ridderslag ontvangen.De priester nam het zwaard en zegende het, en nu trad Heer Gijsbrecht naar voren en plaatste zich voor de knielenden. Met eene stem, die beefde van ontroering, sprak hij:„Jonker Jan van Asperen, moedige verdediger van[209]dezen fel bestookten burcht, en gij Fulco, die mij onder de grootste gevaren getrouw zijt gebleven en mij uit de handen mijner vijanden hebt verlost, goud is niet in staat, om u den dank te bewijzen, dien mijne gemalinne en ik voor u in het hart dragen, doch ontvangt als loon voor zooveel trouw en moed de hoogste belooning, die ik u kan schenken. Belooft gij, immer den godsdienst getrouw te zullen blijven?”„Dat beloof ik!” klonk het zacht uit beider mond.„Belooft gij, zwakken en verdrukten te zullen beschermen en weduwen en weezen een helper te zijn?”En weer klonk het: „Dat beloof ik!”„En eindelijk belooft gij, altijd recht te zullen doen en onrecht te zullen wreken, waar gij het ook ontmoet, en u in alles te gedragen, zooals het een vroom Ridder betaamt?”En nogmaals klonk het: „Dat beloof ik. Zoo waarlijk helpe mij de Almachtige!”„Dan sla ik u met dezen slag tot Ridder,” sprak Gijsbrecht, terwijl hij elk een lichten slag met het platte zwaard op den rug gaf.Ontroerd stonden de jongelieden op en trokken het harnas aan, dat voor hen gereed lag; daarna gespte Gijsbrecht hun de gouden sporen aan. Toen knielden zij weder neder en ontvingen den zegen van den priester.Daarmede was de plechtigheid afgeloopen.En hiermede, waarde lezer, is mijn verhaal ten einde. Alleen moet ik nog vertellen, dat Fulco door Heer Gijsbrecht benoemd werd tot Kastelein van het sterke slot[210]te Heukelom, Bertha’s persoonlijk eigendom, welk slot hij tot aan het einde van zijn leven bewoond heeft, geëerd en bemind door al zijne onderdanen.Gijsbrecht en Bertha hebben een lang en gelukkig leven geleid, en wanneer ge ooit het stedeke IJselstein bezoekt, verzuim dan niet het praalgraf te gaan zien, waarin nog, zij aan zij, hun stoffelijk overschot rust. Zelfs in den dood hebben zij elkander niet weer verlaten.
Hoewel de rust in Dordrecht spoedig hersteld was, had toch het gebeurde voor het Graafschap de gewichtigste gevolgen. Wolfert van Borselen, wiens macht thans schier onbeperkt was, verklaarde de Dordtenaars tot oproerlingen en zond eene krijgsmacht af, om de stad te tuchtigen, maar dat was gemakkelijker bevolen dan uitgevoerd. De poorters, aangevoerd door Nicolaas van Putten, wien Gijsbrecht van IJselstein getrouw ter zijde stond, verdedigden zich met groote dapperheid en wisten de stad te behouden.
Alom in den lande ontstond gemor en misnoegen tegen den machtigen dwingeland, die voortging den Graaf te bewaken en in diens naam de willekeurigste daden te plegen. Wolfert van Borselen begon zich in ’s-Gravenhage minder veilig te achten, en besloot daarom, naar Zeeland terug te keeren en vandaar eene geduchtte krijgsmacht af te zenden, ten einde elk verzet te fnuiken. In den nacht verliet hij heimelijk de stad en vertrok over Delft naar Vlaardingen. Den jongen Graaf dwong hij, hem te vergezellen. Hij durfde hem niet achterlaten, uit, vrees dat misschien een ander invloed op hem mocht verkrijgen,[207]waardoor aan zijne, Van Borselens macht, een einde zou komen. Overal waar hij kwam, liet hij, om eene mogelijke vervolging te verijdelen, de bruggen achter zich af breken. Maar dat middel baatte hem niet. Nauwelijks was de vlucht van Van Borselen en de ontvoering van den Graaf ruchtbaar geworden, of ijlings zette men de vluchtelingen na. Te Vlaardingen vernam men, dat zij reeds van wal waren gestoken, om zich naar Zeeland te begeven, doch dat zij door windstilte verhinderd waren, verder te gaan. IJlings begaf men zich in booten en visschersvaartuigen en roeide hen achterna. Weldra werden zij ingehaald en naar den wal teruggebracht. Onder gejuich voerde men den Graaf naar ’s-Gravenhage terug, doch Van Borselen werd in het Steenen Huis te Delft gevangen gezet. Maar nauwelijks hadden de poorters dier stad vernomen, dat de gehate Van Borselen zich binnen hunne muren in gevangenschap bevond, of zij begaven zich onder het slaken van de vreeselijkste kreten naar het Steenen Huis en eischten de uitlevering van den dwingeland. Spoedig begonnen zij de deur te rammeien en drongen, toen deze bezweek, met woest geweld naar binnen. Als verscheurende dieren vielen zij op den edelman aan en sleurden hem naar buiten, waar hij onder de vreeselijkste martelingen werd vermoord.
Graaf Jan, nu van zijn leidsman beroofd, voelde zich niet bij machte, zelf de teugels van het bewind in handen te nemen, en noodigde daarom zijn neef, Jan van Avennes, den Graaf van Henegouwen uit naar Holland te komen, om hem in de regeering behulpzaam te zijn. En deze liet zich niet lang bidden. Hij gaf dadelijk aan die uitnoodiging gehoor en nam het gezag in handen. Een zijner[208]eerste daden was, alle schenkingen, die Van Borselen zichzelven of zijne gemalin gedaan had, te vernietigen, en IJselstein terug te geven aan Heer Gijsbrecht, den rechtmatigen eigenaar.
Onder een daverend gejuich deed deze, op zijn schimmel gezeten, met de fiere Bertha aan zijne zijde en door zijne dappere dienaren gevolgd, zijn intocht in het bijna geheel herstelde kasteel. Groot was de vreugde, die in de harten der dappere verdedigers heerschte, toen zij op den geliefden burcht terugkeerden; tranen van dankbaarheid stonden in veler oogen, en jubelend begroette men het vaandel van IJselstein, toen Fulco het op den toren plantte.
Den volgenden dag begaf ieder zich naar de burchtkapel, om God te danken voor Zijne redding uit het dreigende gevaar. Een priester verrichtte onder de plechtigste stilte den heiligen dienst, en aandoenlijk klonk zijn gebed voor de dapperen, die het leven in den strijd verloren hadden. Toen de gewone dienst geëindigd was, kwamen twee koorknapen binnen, die elk een volledig harnas droegen en het voor het altaar nederlegden. De priester verhief zijne stem en riep Jonker Jan van Asperen en Fulco bij hunne namen, hen opdragende voor het altaar neder te knielen.
Ieder begreep, wat er gebeuren zou. Ongetwijfeld zouden deze beide dappere jongelieden den ridderslag ontvangen.
De priester nam het zwaard en zegende het, en nu trad Heer Gijsbrecht naar voren en plaatste zich voor de knielenden. Met eene stem, die beefde van ontroering, sprak hij:
„Jonker Jan van Asperen, moedige verdediger van[209]dezen fel bestookten burcht, en gij Fulco, die mij onder de grootste gevaren getrouw zijt gebleven en mij uit de handen mijner vijanden hebt verlost, goud is niet in staat, om u den dank te bewijzen, dien mijne gemalinne en ik voor u in het hart dragen, doch ontvangt als loon voor zooveel trouw en moed de hoogste belooning, die ik u kan schenken. Belooft gij, immer den godsdienst getrouw te zullen blijven?”
„Dat beloof ik!” klonk het zacht uit beider mond.
„Belooft gij, zwakken en verdrukten te zullen beschermen en weduwen en weezen een helper te zijn?”
En weer klonk het: „Dat beloof ik!”
„En eindelijk belooft gij, altijd recht te zullen doen en onrecht te zullen wreken, waar gij het ook ontmoet, en u in alles te gedragen, zooals het een vroom Ridder betaamt?”
En nogmaals klonk het: „Dat beloof ik. Zoo waarlijk helpe mij de Almachtige!”
„Dan sla ik u met dezen slag tot Ridder,” sprak Gijsbrecht, terwijl hij elk een lichten slag met het platte zwaard op den rug gaf.
Ontroerd stonden de jongelieden op en trokken het harnas aan, dat voor hen gereed lag; daarna gespte Gijsbrecht hun de gouden sporen aan. Toen knielden zij weder neder en ontvingen den zegen van den priester.
Daarmede was de plechtigheid afgeloopen.
En hiermede, waarde lezer, is mijn verhaal ten einde. Alleen moet ik nog vertellen, dat Fulco door Heer Gijsbrecht benoemd werd tot Kastelein van het sterke slot[210]te Heukelom, Bertha’s persoonlijk eigendom, welk slot hij tot aan het einde van zijn leven bewoond heeft, geëerd en bemind door al zijne onderdanen.
Gijsbrecht en Bertha hebben een lang en gelukkig leven geleid, en wanneer ge ooit het stedeke IJselstein bezoekt, verzuim dan niet het praalgraf te gaan zien, waarin nog, zij aan zij, hun stoffelijk overschot rust. Zelfs in den dood hebben zij elkander niet weer verlaten.