BARTHOLOMEUS VAN DER HELST.

BARTHOLOMEUS VAN DER HELST.Te Amsterdam, op den Kloveniersburgwal, staat een gebouw, dat onder den naam van Trippenhuis een historische vermaardheid verworven heeft. Dat gebouw is, gelijk dit trouwens met alle groote gebouwen te Amsterdam plaats heeft, tot meer dan één doel bestemd: in het eene gedeelte daarvan is de Koninklijke Academie van Wetenschappen gevestigd: het andere gedeelte dient tot pakhuis, en daarin is opgeslagen eene der kostelijkste verzamelingen van schilderyen, welke op de waereld bestaat. Ik bezig de benaming „pakhuis”, ofschoon die van „Rijks-museum” officieel is, en dan ook in de katalogussen,guides, enz., voorkomt. Zy is echter onjuist, zoowel wat het eerste als wat het tweede deel der samenstelling betreft. De schilderyen, die hier gevonden worden, zijn niet alle Rijks-eigendom: sommige behooren aan de Stad Amsterdam; en al is het getal daarvan gering, men weet, dat een half dozijn groote diamanten van ’t zuiverste water een omboordsel van honderd kleinere en min schitterende juweelen in waarde overtreffen: zoo is het ook hier. Een benaming, waardoor men in den waan gebracht wordt, als behoorden al de kunstvoortbrengselen, hier verzameld, aan het Rijk, is alzoo min naauwkeurig;—maar niet minder moet ik my verzetten tegen het woord „Museum”. By al wie ’t hoort rijst onwillekeurig de gedachte op aan ruime, smaakvolle galeryen en zalen, waar ieder kunstgewrocht met oordeel is ten toon gesteld, een behoorlijk licht ontfangt, en van den afstand, dien de perspektief vereischt, beschouwd kan worden: waar alles samenwerkt, om het oog des kunstenaars te voldoen, het eene voorwerp aan de uitwerking van het andere geen nadeel toebrengt, en waar, vooral, noch onwillekeurige beschadiging, noch moedwillige roof, onder de mogelijkheden kunnen gerekend worden. Geen enkel der hier genoemdevereischten van een Museum is op het Trippenhuis aanwezig. In plaats van in zalen en galeryen, hangen de schilderstukken in afgeschoten kamers, hokken en portalen, of langs den trap. Op de meesten valt het licht of in ’t geheel niet, of verkeerd, zoo dat het geschilderde niet te onderscheiden is. Zoekt men het standpunt van waar een ten-toon-gestelde schildery gezien moet worden, dan gebeurt het veelal, dat men, al rugwaart gaande, tegen den wand komt, zonder het nog te hebben gevonden; in de gangen en op den trap verkeert men gedurig in gevaar, met den elleboog een deuk, zoo geen gat, in een doek te stooten of de verf van een paneel te schaven;—en, wat roof betreft, een voorval, dat ieder nog versch in ’t geheugen liggen zal, heeft bewezen, hoegemakkelijkdie gepleegd kon worden.’t Is waar, men heeft, om een herhaling van zoo stout een feit te voorkomen, de schilderyen tegen den wand gespijkerd: waarvan het gevolg is, dat, ja, geen dief ze meer zal wegdragen; maar ook, dat, in geval van brand, geen reddende hand ze in veiligheid zal kunnen brengen.B. van der Helst.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.B. van der Helst.Wanneer gy dat pakhuis zijt binnengetreden, en, na met behoedzaamheid den trap beklommen te hebben, u naar de voorkamers begeeft, zal, onder de zoo vele onwaardeerbare schatten, aldaar verzameld, een kapitaal schilderstuk vooral uw aandacht trekken, en, ten zij gy van smaak en kunstzin ten eenemale ontbloot zijt, den tol uwer bewondering vorderen. Het onderwerp heeft niets, dat byzonder poëtisch, verheven, of zelfs treffend genoemd mag worden. ’t Is een maaltijd, gehouden door schutters uit de zeventiende eeuw. Wel is waar verbindt zich daaraan de gedachte aan den Munsterschen vrede, die op dat feestmaal gevierd wordt, de herinnering van een tijdperk van kracht, roem en welvaart; maar toch niet dáárin is de hoofdverdienste der schildery gelegen. Ook afgescheiden van ’t geen verbeelding in ’t gemoed des beschouwers kan doen oprijzen, om den ontfangen indruk te verhoogen, is het in de eerste en voornaamste plaats om de waarheid der voorstelling, dat het kunstwerk aanspraak maakt op onzen lof: zoo ergends, hebben wy hier het leven voor oogen. Samenstelling, kleur, overeenstemming der deelen, uitdrukking, alles is schoon, alles is volmaakt, en, om hier de woorden te gebruiken van iemand, wiens bevoegdheid als kunstrechter niemand wederspreken zal, van Sir JoshuaReynolds: „er bestaat wellicht geen treffelijker portretstuk op de waereld dan dit, hetwelk, meer dan eenig ander, al de eigenschappen bezit, in afbeeldsels gevorderd.”Gewis mag Nederland er trotsch op zijn, dat de schilder, die in een byzonder kunstvak het volkomenste werk leverde, hier het eerste levenslicht zag, hier zijne opleiding genoot en hier zijn arbeid verrichtte: en niet minder mag het opmerking verdienen, dat ook wederom het tijdvak, ’t welk het vruchtbaarst was in groote mannen van alle soort, getuige was van den bloei van Bartholomeus van der Helst.Wie was Bartholomeus van der Helst? Waar, by wien, had hy zich gevormd en dat meesterschap opgedaan over ’t penceel, ’t welk hem tot zulk een verbazende hoogte in de kunst verhief?—Helaas! hoe weinig voldoende zijn de antwoorden, welke wy op deze vragen bekomen. Alleen dit vernemen wy, en nog wel zonder eenigen waarborg voor de echtheid der bronnen, waaruit de mededeeling is geput, dat hy in 1613 te Haarlem zoû zijn geboren: en met meer zekerheid weten wy, dat zijn broeder kastelein was in den Handboogdoelen te Amsterdam. Hoe onbeteekenend deze laatste byzonderheid oppervlakkig schijne, zy was het vermoedelijk niet wat haar invloed betrof op de loopbaan des kunstenaars; ja wy mogen aannemen, dat zy den grondslag legde, zoo niet tot zijn talent, dan tot zijn fortuin. Door zijn broeder den kastelein kwam de jeugdige van der Helst in betrekking met de Doelisten, met de Doelheeren, met de Hoofden der Schutteryen, met zoovele andere rijke en aanzienlijke Amsterdammers, als gewoon waren, de herberg op den Cingel ter oefening of ter uitspanning te bezoeken. Wat schoone en welkome gelegenheid voor den schilder, om bestellingen te bekomen, om portretten te vervaardigen, om zijn natuurlijken aanleg meer en meer te ontwikkelen, te beschaven, te volmaken, en, zoo doende, in staat te geraken, op vijf-en-dertig-jarigen leeftijd zijn onovertroffen meesterstuk te leveren. Was het wonder, dat de Doele-schilder, wiens rijke ordonnantie, wiens frisch en gloeiend koloriet, wiens tevens breede en uitvoerige bewerking, wiens weelderigheid in ’t bybrengen van bevallige en keurige uitgewerkte cieradiën meer geschikt was om aan de menigte te behagen dan de manier zelfs van een Rembrandt—welke laatste meer zich-zelven dan zijn modellen zocht te voldoen, en alleen door lieden van verhoogden kunstzin en diep gevoel recht gewaardeerd kan worden;—was het wonder, zeg ik, dat Van der Helst eerlang de schilder naar de mode werd, dat Vorsten en Regenten zich tot een voorrecht rekenden, door hem te worden afgebeeld, dat hy zich aanzienlijke prijzen voor zijn arbeid betalen zag, en onder de kunstenaars van zijn tijd byna deeenige was, die by zijn sterven een belangrijk vermogen achterliet aan zijn zoon.De naam van Van der Helst is uitgestorven: zijn vermogen in vreemde handen overgegaan: wat de geschiedenis van hem vermeldt is niet noemenswaardig;—doch er zoû ook een tijd kunnen komen, dat zelfs zijn verdienste als kunstenaar werd miskend:—en dat kan zeer licht gebeuren, wanneer voortdurend aan zijn meesterstukken een verblijf wordt toegewezen, ongeschikt om ze naar behooren te doen zien en waardeeren. Wat wy voor zijn werk vragen, vragen wy tevens voor de erfenis, die zijn groote broeders in de kunst ons hebben nagelaten. Mogen wy ons vleien, dat, by den overvloed, die thands in de schatkist schijnt te heerschen, by de onbekrompenheid, waarmede men ’s Lands gelden aan industriële werken van hoogst twijfelachtig nut verkwist, ook eens iets gedaan zal worden ter opwekking van het esthetisch gevoel der Natie en tot bewaring van den vroegeren roem? Zoû by het aanbieden der Begrooting van een volgend jaar ook eens aan de Kunst gedacht worden en een som daarop voorkomen, bestemd tot bestrijding der kosten van een nieuw gebouw, dat het besproken pakhuis zal vervangen, een gebouw, het Rijk, de Hoofdstad waardig, maar waardig vooral de Kunsttrezoren, ter wier bewaring het bestemd zal worden?—Op geen andere wijze toch zal Nederland zich vrij maken uit den toestand, waarin het zich gebracht ziet, van te moeten blozen en zwijgen by het verwijt des vreemdelings, dat het zijn kunstschatten verwaarloost, zijn kunstroem niet telt, en zijn groote mannen aan vergetelheid ten prooi geeft.

BARTHOLOMEUS VAN DER HELST.Te Amsterdam, op den Kloveniersburgwal, staat een gebouw, dat onder den naam van Trippenhuis een historische vermaardheid verworven heeft. Dat gebouw is, gelijk dit trouwens met alle groote gebouwen te Amsterdam plaats heeft, tot meer dan één doel bestemd: in het eene gedeelte daarvan is de Koninklijke Academie van Wetenschappen gevestigd: het andere gedeelte dient tot pakhuis, en daarin is opgeslagen eene der kostelijkste verzamelingen van schilderyen, welke op de waereld bestaat. Ik bezig de benaming „pakhuis”, ofschoon die van „Rijks-museum” officieel is, en dan ook in de katalogussen,guides, enz., voorkomt. Zy is echter onjuist, zoowel wat het eerste als wat het tweede deel der samenstelling betreft. De schilderyen, die hier gevonden worden, zijn niet alle Rijks-eigendom: sommige behooren aan de Stad Amsterdam; en al is het getal daarvan gering, men weet, dat een half dozijn groote diamanten van ’t zuiverste water een omboordsel van honderd kleinere en min schitterende juweelen in waarde overtreffen: zoo is het ook hier. Een benaming, waardoor men in den waan gebracht wordt, als behoorden al de kunstvoortbrengselen, hier verzameld, aan het Rijk, is alzoo min naauwkeurig;—maar niet minder moet ik my verzetten tegen het woord „Museum”. By al wie ’t hoort rijst onwillekeurig de gedachte op aan ruime, smaakvolle galeryen en zalen, waar ieder kunstgewrocht met oordeel is ten toon gesteld, een behoorlijk licht ontfangt, en van den afstand, dien de perspektief vereischt, beschouwd kan worden: waar alles samenwerkt, om het oog des kunstenaars te voldoen, het eene voorwerp aan de uitwerking van het andere geen nadeel toebrengt, en waar, vooral, noch onwillekeurige beschadiging, noch moedwillige roof, onder de mogelijkheden kunnen gerekend worden. Geen enkel der hier genoemdevereischten van een Museum is op het Trippenhuis aanwezig. In plaats van in zalen en galeryen, hangen de schilderstukken in afgeschoten kamers, hokken en portalen, of langs den trap. Op de meesten valt het licht of in ’t geheel niet, of verkeerd, zoo dat het geschilderde niet te onderscheiden is. Zoekt men het standpunt van waar een ten-toon-gestelde schildery gezien moet worden, dan gebeurt het veelal, dat men, al rugwaart gaande, tegen den wand komt, zonder het nog te hebben gevonden; in de gangen en op den trap verkeert men gedurig in gevaar, met den elleboog een deuk, zoo geen gat, in een doek te stooten of de verf van een paneel te schaven;—en, wat roof betreft, een voorval, dat ieder nog versch in ’t geheugen liggen zal, heeft bewezen, hoegemakkelijkdie gepleegd kon worden.’t Is waar, men heeft, om een herhaling van zoo stout een feit te voorkomen, de schilderyen tegen den wand gespijkerd: waarvan het gevolg is, dat, ja, geen dief ze meer zal wegdragen; maar ook, dat, in geval van brand, geen reddende hand ze in veiligheid zal kunnen brengen.B. van der Helst.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.B. van der Helst.Wanneer gy dat pakhuis zijt binnengetreden, en, na met behoedzaamheid den trap beklommen te hebben, u naar de voorkamers begeeft, zal, onder de zoo vele onwaardeerbare schatten, aldaar verzameld, een kapitaal schilderstuk vooral uw aandacht trekken, en, ten zij gy van smaak en kunstzin ten eenemale ontbloot zijt, den tol uwer bewondering vorderen. Het onderwerp heeft niets, dat byzonder poëtisch, verheven, of zelfs treffend genoemd mag worden. ’t Is een maaltijd, gehouden door schutters uit de zeventiende eeuw. Wel is waar verbindt zich daaraan de gedachte aan den Munsterschen vrede, die op dat feestmaal gevierd wordt, de herinnering van een tijdperk van kracht, roem en welvaart; maar toch niet dáárin is de hoofdverdienste der schildery gelegen. Ook afgescheiden van ’t geen verbeelding in ’t gemoed des beschouwers kan doen oprijzen, om den ontfangen indruk te verhoogen, is het in de eerste en voornaamste plaats om de waarheid der voorstelling, dat het kunstwerk aanspraak maakt op onzen lof: zoo ergends, hebben wy hier het leven voor oogen. Samenstelling, kleur, overeenstemming der deelen, uitdrukking, alles is schoon, alles is volmaakt, en, om hier de woorden te gebruiken van iemand, wiens bevoegdheid als kunstrechter niemand wederspreken zal, van Sir JoshuaReynolds: „er bestaat wellicht geen treffelijker portretstuk op de waereld dan dit, hetwelk, meer dan eenig ander, al de eigenschappen bezit, in afbeeldsels gevorderd.”Gewis mag Nederland er trotsch op zijn, dat de schilder, die in een byzonder kunstvak het volkomenste werk leverde, hier het eerste levenslicht zag, hier zijne opleiding genoot en hier zijn arbeid verrichtte: en niet minder mag het opmerking verdienen, dat ook wederom het tijdvak, ’t welk het vruchtbaarst was in groote mannen van alle soort, getuige was van den bloei van Bartholomeus van der Helst.Wie was Bartholomeus van der Helst? Waar, by wien, had hy zich gevormd en dat meesterschap opgedaan over ’t penceel, ’t welk hem tot zulk een verbazende hoogte in de kunst verhief?—Helaas! hoe weinig voldoende zijn de antwoorden, welke wy op deze vragen bekomen. Alleen dit vernemen wy, en nog wel zonder eenigen waarborg voor de echtheid der bronnen, waaruit de mededeeling is geput, dat hy in 1613 te Haarlem zoû zijn geboren: en met meer zekerheid weten wy, dat zijn broeder kastelein was in den Handboogdoelen te Amsterdam. Hoe onbeteekenend deze laatste byzonderheid oppervlakkig schijne, zy was het vermoedelijk niet wat haar invloed betrof op de loopbaan des kunstenaars; ja wy mogen aannemen, dat zy den grondslag legde, zoo niet tot zijn talent, dan tot zijn fortuin. Door zijn broeder den kastelein kwam de jeugdige van der Helst in betrekking met de Doelisten, met de Doelheeren, met de Hoofden der Schutteryen, met zoovele andere rijke en aanzienlijke Amsterdammers, als gewoon waren, de herberg op den Cingel ter oefening of ter uitspanning te bezoeken. Wat schoone en welkome gelegenheid voor den schilder, om bestellingen te bekomen, om portretten te vervaardigen, om zijn natuurlijken aanleg meer en meer te ontwikkelen, te beschaven, te volmaken, en, zoo doende, in staat te geraken, op vijf-en-dertig-jarigen leeftijd zijn onovertroffen meesterstuk te leveren. Was het wonder, dat de Doele-schilder, wiens rijke ordonnantie, wiens frisch en gloeiend koloriet, wiens tevens breede en uitvoerige bewerking, wiens weelderigheid in ’t bybrengen van bevallige en keurige uitgewerkte cieradiën meer geschikt was om aan de menigte te behagen dan de manier zelfs van een Rembrandt—welke laatste meer zich-zelven dan zijn modellen zocht te voldoen, en alleen door lieden van verhoogden kunstzin en diep gevoel recht gewaardeerd kan worden;—was het wonder, zeg ik, dat Van der Helst eerlang de schilder naar de mode werd, dat Vorsten en Regenten zich tot een voorrecht rekenden, door hem te worden afgebeeld, dat hy zich aanzienlijke prijzen voor zijn arbeid betalen zag, en onder de kunstenaars van zijn tijd byna deeenige was, die by zijn sterven een belangrijk vermogen achterliet aan zijn zoon.De naam van Van der Helst is uitgestorven: zijn vermogen in vreemde handen overgegaan: wat de geschiedenis van hem vermeldt is niet noemenswaardig;—doch er zoû ook een tijd kunnen komen, dat zelfs zijn verdienste als kunstenaar werd miskend:—en dat kan zeer licht gebeuren, wanneer voortdurend aan zijn meesterstukken een verblijf wordt toegewezen, ongeschikt om ze naar behooren te doen zien en waardeeren. Wat wy voor zijn werk vragen, vragen wy tevens voor de erfenis, die zijn groote broeders in de kunst ons hebben nagelaten. Mogen wy ons vleien, dat, by den overvloed, die thands in de schatkist schijnt te heerschen, by de onbekrompenheid, waarmede men ’s Lands gelden aan industriële werken van hoogst twijfelachtig nut verkwist, ook eens iets gedaan zal worden ter opwekking van het esthetisch gevoel der Natie en tot bewaring van den vroegeren roem? Zoû by het aanbieden der Begrooting van een volgend jaar ook eens aan de Kunst gedacht worden en een som daarop voorkomen, bestemd tot bestrijding der kosten van een nieuw gebouw, dat het besproken pakhuis zal vervangen, een gebouw, het Rijk, de Hoofdstad waardig, maar waardig vooral de Kunsttrezoren, ter wier bewaring het bestemd zal worden?—Op geen andere wijze toch zal Nederland zich vrij maken uit den toestand, waarin het zich gebracht ziet, van te moeten blozen en zwijgen by het verwijt des vreemdelings, dat het zijn kunstschatten verwaarloost, zijn kunstroem niet telt, en zijn groote mannen aan vergetelheid ten prooi geeft.

BARTHOLOMEUS VAN DER HELST.

Te Amsterdam, op den Kloveniersburgwal, staat een gebouw, dat onder den naam van Trippenhuis een historische vermaardheid verworven heeft. Dat gebouw is, gelijk dit trouwens met alle groote gebouwen te Amsterdam plaats heeft, tot meer dan één doel bestemd: in het eene gedeelte daarvan is de Koninklijke Academie van Wetenschappen gevestigd: het andere gedeelte dient tot pakhuis, en daarin is opgeslagen eene der kostelijkste verzamelingen van schilderyen, welke op de waereld bestaat. Ik bezig de benaming „pakhuis”, ofschoon die van „Rijks-museum” officieel is, en dan ook in de katalogussen,guides, enz., voorkomt. Zy is echter onjuist, zoowel wat het eerste als wat het tweede deel der samenstelling betreft. De schilderyen, die hier gevonden worden, zijn niet alle Rijks-eigendom: sommige behooren aan de Stad Amsterdam; en al is het getal daarvan gering, men weet, dat een half dozijn groote diamanten van ’t zuiverste water een omboordsel van honderd kleinere en min schitterende juweelen in waarde overtreffen: zoo is het ook hier. Een benaming, waardoor men in den waan gebracht wordt, als behoorden al de kunstvoortbrengselen, hier verzameld, aan het Rijk, is alzoo min naauwkeurig;—maar niet minder moet ik my verzetten tegen het woord „Museum”. By al wie ’t hoort rijst onwillekeurig de gedachte op aan ruime, smaakvolle galeryen en zalen, waar ieder kunstgewrocht met oordeel is ten toon gesteld, een behoorlijk licht ontfangt, en van den afstand, dien de perspektief vereischt, beschouwd kan worden: waar alles samenwerkt, om het oog des kunstenaars te voldoen, het eene voorwerp aan de uitwerking van het andere geen nadeel toebrengt, en waar, vooral, noch onwillekeurige beschadiging, noch moedwillige roof, onder de mogelijkheden kunnen gerekend worden. Geen enkel der hier genoemdevereischten van een Museum is op het Trippenhuis aanwezig. In plaats van in zalen en galeryen, hangen de schilderstukken in afgeschoten kamers, hokken en portalen, of langs den trap. Op de meesten valt het licht of in ’t geheel niet, of verkeerd, zoo dat het geschilderde niet te onderscheiden is. Zoekt men het standpunt van waar een ten-toon-gestelde schildery gezien moet worden, dan gebeurt het veelal, dat men, al rugwaart gaande, tegen den wand komt, zonder het nog te hebben gevonden; in de gangen en op den trap verkeert men gedurig in gevaar, met den elleboog een deuk, zoo geen gat, in een doek te stooten of de verf van een paneel te schaven;—en, wat roof betreft, een voorval, dat ieder nog versch in ’t geheugen liggen zal, heeft bewezen, hoegemakkelijkdie gepleegd kon worden.’t Is waar, men heeft, om een herhaling van zoo stout een feit te voorkomen, de schilderyen tegen den wand gespijkerd: waarvan het gevolg is, dat, ja, geen dief ze meer zal wegdragen; maar ook, dat, in geval van brand, geen reddende hand ze in veiligheid zal kunnen brengen.B. van der Helst.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.B. van der Helst.Wanneer gy dat pakhuis zijt binnengetreden, en, na met behoedzaamheid den trap beklommen te hebben, u naar de voorkamers begeeft, zal, onder de zoo vele onwaardeerbare schatten, aldaar verzameld, een kapitaal schilderstuk vooral uw aandacht trekken, en, ten zij gy van smaak en kunstzin ten eenemale ontbloot zijt, den tol uwer bewondering vorderen. Het onderwerp heeft niets, dat byzonder poëtisch, verheven, of zelfs treffend genoemd mag worden. ’t Is een maaltijd, gehouden door schutters uit de zeventiende eeuw. Wel is waar verbindt zich daaraan de gedachte aan den Munsterschen vrede, die op dat feestmaal gevierd wordt, de herinnering van een tijdperk van kracht, roem en welvaart; maar toch niet dáárin is de hoofdverdienste der schildery gelegen. Ook afgescheiden van ’t geen verbeelding in ’t gemoed des beschouwers kan doen oprijzen, om den ontfangen indruk te verhoogen, is het in de eerste en voornaamste plaats om de waarheid der voorstelling, dat het kunstwerk aanspraak maakt op onzen lof: zoo ergends, hebben wy hier het leven voor oogen. Samenstelling, kleur, overeenstemming der deelen, uitdrukking, alles is schoon, alles is volmaakt, en, om hier de woorden te gebruiken van iemand, wiens bevoegdheid als kunstrechter niemand wederspreken zal, van Sir JoshuaReynolds: „er bestaat wellicht geen treffelijker portretstuk op de waereld dan dit, hetwelk, meer dan eenig ander, al de eigenschappen bezit, in afbeeldsels gevorderd.”Gewis mag Nederland er trotsch op zijn, dat de schilder, die in een byzonder kunstvak het volkomenste werk leverde, hier het eerste levenslicht zag, hier zijne opleiding genoot en hier zijn arbeid verrichtte: en niet minder mag het opmerking verdienen, dat ook wederom het tijdvak, ’t welk het vruchtbaarst was in groote mannen van alle soort, getuige was van den bloei van Bartholomeus van der Helst.Wie was Bartholomeus van der Helst? Waar, by wien, had hy zich gevormd en dat meesterschap opgedaan over ’t penceel, ’t welk hem tot zulk een verbazende hoogte in de kunst verhief?—Helaas! hoe weinig voldoende zijn de antwoorden, welke wy op deze vragen bekomen. Alleen dit vernemen wy, en nog wel zonder eenigen waarborg voor de echtheid der bronnen, waaruit de mededeeling is geput, dat hy in 1613 te Haarlem zoû zijn geboren: en met meer zekerheid weten wy, dat zijn broeder kastelein was in den Handboogdoelen te Amsterdam. Hoe onbeteekenend deze laatste byzonderheid oppervlakkig schijne, zy was het vermoedelijk niet wat haar invloed betrof op de loopbaan des kunstenaars; ja wy mogen aannemen, dat zy den grondslag legde, zoo niet tot zijn talent, dan tot zijn fortuin. Door zijn broeder den kastelein kwam de jeugdige van der Helst in betrekking met de Doelisten, met de Doelheeren, met de Hoofden der Schutteryen, met zoovele andere rijke en aanzienlijke Amsterdammers, als gewoon waren, de herberg op den Cingel ter oefening of ter uitspanning te bezoeken. Wat schoone en welkome gelegenheid voor den schilder, om bestellingen te bekomen, om portretten te vervaardigen, om zijn natuurlijken aanleg meer en meer te ontwikkelen, te beschaven, te volmaken, en, zoo doende, in staat te geraken, op vijf-en-dertig-jarigen leeftijd zijn onovertroffen meesterstuk te leveren. Was het wonder, dat de Doele-schilder, wiens rijke ordonnantie, wiens frisch en gloeiend koloriet, wiens tevens breede en uitvoerige bewerking, wiens weelderigheid in ’t bybrengen van bevallige en keurige uitgewerkte cieradiën meer geschikt was om aan de menigte te behagen dan de manier zelfs van een Rembrandt—welke laatste meer zich-zelven dan zijn modellen zocht te voldoen, en alleen door lieden van verhoogden kunstzin en diep gevoel recht gewaardeerd kan worden;—was het wonder, zeg ik, dat Van der Helst eerlang de schilder naar de mode werd, dat Vorsten en Regenten zich tot een voorrecht rekenden, door hem te worden afgebeeld, dat hy zich aanzienlijke prijzen voor zijn arbeid betalen zag, en onder de kunstenaars van zijn tijd byna deeenige was, die by zijn sterven een belangrijk vermogen achterliet aan zijn zoon.De naam van Van der Helst is uitgestorven: zijn vermogen in vreemde handen overgegaan: wat de geschiedenis van hem vermeldt is niet noemenswaardig;—doch er zoû ook een tijd kunnen komen, dat zelfs zijn verdienste als kunstenaar werd miskend:—en dat kan zeer licht gebeuren, wanneer voortdurend aan zijn meesterstukken een verblijf wordt toegewezen, ongeschikt om ze naar behooren te doen zien en waardeeren. Wat wy voor zijn werk vragen, vragen wy tevens voor de erfenis, die zijn groote broeders in de kunst ons hebben nagelaten. Mogen wy ons vleien, dat, by den overvloed, die thands in de schatkist schijnt te heerschen, by de onbekrompenheid, waarmede men ’s Lands gelden aan industriële werken van hoogst twijfelachtig nut verkwist, ook eens iets gedaan zal worden ter opwekking van het esthetisch gevoel der Natie en tot bewaring van den vroegeren roem? Zoû by het aanbieden der Begrooting van een volgend jaar ook eens aan de Kunst gedacht worden en een som daarop voorkomen, bestemd tot bestrijding der kosten van een nieuw gebouw, dat het besproken pakhuis zal vervangen, een gebouw, het Rijk, de Hoofdstad waardig, maar waardig vooral de Kunsttrezoren, ter wier bewaring het bestemd zal worden?—Op geen andere wijze toch zal Nederland zich vrij maken uit den toestand, waarin het zich gebracht ziet, van te moeten blozen en zwijgen by het verwijt des vreemdelings, dat het zijn kunstschatten verwaarloost, zijn kunstroem niet telt, en zijn groote mannen aan vergetelheid ten prooi geeft.

Te Amsterdam, op den Kloveniersburgwal, staat een gebouw, dat onder den naam van Trippenhuis een historische vermaardheid verworven heeft. Dat gebouw is, gelijk dit trouwens met alle groote gebouwen te Amsterdam plaats heeft, tot meer dan één doel bestemd: in het eene gedeelte daarvan is de Koninklijke Academie van Wetenschappen gevestigd: het andere gedeelte dient tot pakhuis, en daarin is opgeslagen eene der kostelijkste verzamelingen van schilderyen, welke op de waereld bestaat. Ik bezig de benaming „pakhuis”, ofschoon die van „Rijks-museum” officieel is, en dan ook in de katalogussen,guides, enz., voorkomt. Zy is echter onjuist, zoowel wat het eerste als wat het tweede deel der samenstelling betreft. De schilderyen, die hier gevonden worden, zijn niet alle Rijks-eigendom: sommige behooren aan de Stad Amsterdam; en al is het getal daarvan gering, men weet, dat een half dozijn groote diamanten van ’t zuiverste water een omboordsel van honderd kleinere en min schitterende juweelen in waarde overtreffen: zoo is het ook hier. Een benaming, waardoor men in den waan gebracht wordt, als behoorden al de kunstvoortbrengselen, hier verzameld, aan het Rijk, is alzoo min naauwkeurig;—maar niet minder moet ik my verzetten tegen het woord „Museum”. By al wie ’t hoort rijst onwillekeurig de gedachte op aan ruime, smaakvolle galeryen en zalen, waar ieder kunstgewrocht met oordeel is ten toon gesteld, een behoorlijk licht ontfangt, en van den afstand, dien de perspektief vereischt, beschouwd kan worden: waar alles samenwerkt, om het oog des kunstenaars te voldoen, het eene voorwerp aan de uitwerking van het andere geen nadeel toebrengt, en waar, vooral, noch onwillekeurige beschadiging, noch moedwillige roof, onder de mogelijkheden kunnen gerekend worden. Geen enkel der hier genoemdevereischten van een Museum is op het Trippenhuis aanwezig. In plaats van in zalen en galeryen, hangen de schilderstukken in afgeschoten kamers, hokken en portalen, of langs den trap. Op de meesten valt het licht of in ’t geheel niet, of verkeerd, zoo dat het geschilderde niet te onderscheiden is. Zoekt men het standpunt van waar een ten-toon-gestelde schildery gezien moet worden, dan gebeurt het veelal, dat men, al rugwaart gaande, tegen den wand komt, zonder het nog te hebben gevonden; in de gangen en op den trap verkeert men gedurig in gevaar, met den elleboog een deuk, zoo geen gat, in een doek te stooten of de verf van een paneel te schaven;—en, wat roof betreft, een voorval, dat ieder nog versch in ’t geheugen liggen zal, heeft bewezen, hoegemakkelijkdie gepleegd kon worden.’t Is waar, men heeft, om een herhaling van zoo stout een feit te voorkomen, de schilderyen tegen den wand gespijkerd: waarvan het gevolg is, dat, ja, geen dief ze meer zal wegdragen; maar ook, dat, in geval van brand, geen reddende hand ze in veiligheid zal kunnen brengen.

B. van der Helst.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.B. van der Helst.

Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

B. van der Helst.

Wanneer gy dat pakhuis zijt binnengetreden, en, na met behoedzaamheid den trap beklommen te hebben, u naar de voorkamers begeeft, zal, onder de zoo vele onwaardeerbare schatten, aldaar verzameld, een kapitaal schilderstuk vooral uw aandacht trekken, en, ten zij gy van smaak en kunstzin ten eenemale ontbloot zijt, den tol uwer bewondering vorderen. Het onderwerp heeft niets, dat byzonder poëtisch, verheven, of zelfs treffend genoemd mag worden. ’t Is een maaltijd, gehouden door schutters uit de zeventiende eeuw. Wel is waar verbindt zich daaraan de gedachte aan den Munsterschen vrede, die op dat feestmaal gevierd wordt, de herinnering van een tijdperk van kracht, roem en welvaart; maar toch niet dáárin is de hoofdverdienste der schildery gelegen. Ook afgescheiden van ’t geen verbeelding in ’t gemoed des beschouwers kan doen oprijzen, om den ontfangen indruk te verhoogen, is het in de eerste en voornaamste plaats om de waarheid der voorstelling, dat het kunstwerk aanspraak maakt op onzen lof: zoo ergends, hebben wy hier het leven voor oogen. Samenstelling, kleur, overeenstemming der deelen, uitdrukking, alles is schoon, alles is volmaakt, en, om hier de woorden te gebruiken van iemand, wiens bevoegdheid als kunstrechter niemand wederspreken zal, van Sir JoshuaReynolds: „er bestaat wellicht geen treffelijker portretstuk op de waereld dan dit, hetwelk, meer dan eenig ander, al de eigenschappen bezit, in afbeeldsels gevorderd.”

Gewis mag Nederland er trotsch op zijn, dat de schilder, die in een byzonder kunstvak het volkomenste werk leverde, hier het eerste levenslicht zag, hier zijne opleiding genoot en hier zijn arbeid verrichtte: en niet minder mag het opmerking verdienen, dat ook wederom het tijdvak, ’t welk het vruchtbaarst was in groote mannen van alle soort, getuige was van den bloei van Bartholomeus van der Helst.

Wie was Bartholomeus van der Helst? Waar, by wien, had hy zich gevormd en dat meesterschap opgedaan over ’t penceel, ’t welk hem tot zulk een verbazende hoogte in de kunst verhief?—Helaas! hoe weinig voldoende zijn de antwoorden, welke wy op deze vragen bekomen. Alleen dit vernemen wy, en nog wel zonder eenigen waarborg voor de echtheid der bronnen, waaruit de mededeeling is geput, dat hy in 1613 te Haarlem zoû zijn geboren: en met meer zekerheid weten wy, dat zijn broeder kastelein was in den Handboogdoelen te Amsterdam. Hoe onbeteekenend deze laatste byzonderheid oppervlakkig schijne, zy was het vermoedelijk niet wat haar invloed betrof op de loopbaan des kunstenaars; ja wy mogen aannemen, dat zy den grondslag legde, zoo niet tot zijn talent, dan tot zijn fortuin. Door zijn broeder den kastelein kwam de jeugdige van der Helst in betrekking met de Doelisten, met de Doelheeren, met de Hoofden der Schutteryen, met zoovele andere rijke en aanzienlijke Amsterdammers, als gewoon waren, de herberg op den Cingel ter oefening of ter uitspanning te bezoeken. Wat schoone en welkome gelegenheid voor den schilder, om bestellingen te bekomen, om portretten te vervaardigen, om zijn natuurlijken aanleg meer en meer te ontwikkelen, te beschaven, te volmaken, en, zoo doende, in staat te geraken, op vijf-en-dertig-jarigen leeftijd zijn onovertroffen meesterstuk te leveren. Was het wonder, dat de Doele-schilder, wiens rijke ordonnantie, wiens frisch en gloeiend koloriet, wiens tevens breede en uitvoerige bewerking, wiens weelderigheid in ’t bybrengen van bevallige en keurige uitgewerkte cieradiën meer geschikt was om aan de menigte te behagen dan de manier zelfs van een Rembrandt—welke laatste meer zich-zelven dan zijn modellen zocht te voldoen, en alleen door lieden van verhoogden kunstzin en diep gevoel recht gewaardeerd kan worden;—was het wonder, zeg ik, dat Van der Helst eerlang de schilder naar de mode werd, dat Vorsten en Regenten zich tot een voorrecht rekenden, door hem te worden afgebeeld, dat hy zich aanzienlijke prijzen voor zijn arbeid betalen zag, en onder de kunstenaars van zijn tijd byna deeenige was, die by zijn sterven een belangrijk vermogen achterliet aan zijn zoon.

De naam van Van der Helst is uitgestorven: zijn vermogen in vreemde handen overgegaan: wat de geschiedenis van hem vermeldt is niet noemenswaardig;—doch er zoû ook een tijd kunnen komen, dat zelfs zijn verdienste als kunstenaar werd miskend:—en dat kan zeer licht gebeuren, wanneer voortdurend aan zijn meesterstukken een verblijf wordt toegewezen, ongeschikt om ze naar behooren te doen zien en waardeeren. Wat wy voor zijn werk vragen, vragen wy tevens voor de erfenis, die zijn groote broeders in de kunst ons hebben nagelaten. Mogen wy ons vleien, dat, by den overvloed, die thands in de schatkist schijnt te heerschen, by de onbekrompenheid, waarmede men ’s Lands gelden aan industriële werken van hoogst twijfelachtig nut verkwist, ook eens iets gedaan zal worden ter opwekking van het esthetisch gevoel der Natie en tot bewaring van den vroegeren roem? Zoû by het aanbieden der Begrooting van een volgend jaar ook eens aan de Kunst gedacht worden en een som daarop voorkomen, bestemd tot bestrijding der kosten van een nieuw gebouw, dat het besproken pakhuis zal vervangen, een gebouw, het Rijk, de Hoofdstad waardig, maar waardig vooral de Kunsttrezoren, ter wier bewaring het bestemd zal worden?—Op geen andere wijze toch zal Nederland zich vrij maken uit den toestand, waarin het zich gebracht ziet, van te moeten blozen en zwijgen by het verwijt des vreemdelings, dat het zijn kunstschatten verwaarloost, zijn kunstroem niet telt, en zijn groote mannen aan vergetelheid ten prooi geeft.


Back to IndexNext