JAN ADRIAENSZ. LEEGHWATER.Onder de bekwame en schrandere vernuften, die in de eeuw van Frederik Hendrik uitblonken, is er een, die zich niet alleen een naam maakte door de belangrijke diensten, welke hy gedurende zijn leven aan zijn vaderland bewees, maar ook, en vooral, door het grootsche plan dat hy vormde, en dat, eerst na twee eeuwen verwezenlijkt, hem by den nazaat een roem verschaffen moest, grooter nog dan de roem, dien hem de tijdgenoot had toegekend. Die man was een eenvoudig dorpsbewoner, een molenmaker van zijn ambacht, en zijn naam was Jan Adriaensz., bygenaamd Leeghwater.Jan Adriaensz. Leeghwater.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Adriaensz. Leeghwater.Leeghwater:—wellicht denkt men hier aan iemand, diewater leêgt; maar behalve dat de woordvorming in dit geval strijdig ware met den aart onzer taal, die alsdanwaterleêgerzoû vereischen, zoo ware zy strijdig met de gedachte, die men er aan verbinden wilde. Immers hy ledigde geen water, hy ledigde ’t land van ’t overtollige water.—Ieder, die weet, dat in Noordholland nog heden ten dage de dubbeleain vele woorden alsewordt uitgesproken, zal begrijpen datleeghin ’s mans bynaam eenvoudig voorlaagstaat, en wie bekend is met de byzonderheden van ’s mans leven, zal zich duidelijk kunnen verklaren waarom hy dien bynaam verkregen had.Immers, in 1575 in het dorp de Rijp geboren, had hy van jongs af het bedrijf van molenmaker by de hand gehad, en, wegens zijn bekwaamheid in het vervaardigen en stellen van molens, vooral van watermolens, niet slechts binnen, maar zelfs buiten ’s lands een naam verworven. Veel water had hy alzoolaaggemaakt, en belet buiten zijn boorden te spattenof wel geheel weggemalen. En van hoe veel belang het vak van nijverheid, waarop hy zich toelegde, vooral toen ter tijde geächt moest worden, daarvan kan ieder zich overtuigen, die maar een blik slaat op de kaarten van Westfriesland in die dagen. De helft, zoo niet meer, was niet dan water.Reeds in 1553 was men begonnen met het droogmaken van eenige plassen, onder anderen, van de Zijp; maar vooral in de zestiende eeuw, toen het binnenland tot rust gekomen was, sloeg men met ernst de hand aan ’t werk, om de tallooze Waterlandsche en Westfriesche meirtjens uit te malen en in bruikbaar land te herscheppen. Droogmaking op droogmaking volgden: en by de meesten daarvan was Jan Adriaensz behulpzaam met raad en daad: vooral was het voornamelijk onder zijn toezicht, dat de zoo belangrijke Beemster werd bedijkt, waar hy was aangesteld om „waar te nemen het fabryken en stellen van de watermolens.” Ook by het droogmaken van de Purmer, de Wormer, de Schermer, de Waard en andere meiren en moerassen, was hy werkzaam, en wist zijn vindingrijke geest elke hinderpaal te voorzien of te voorkomen. De roem die van zijn bekwaamheid uitging was zoo groot, dat hy, in 1629, door Frederik Hendrik in het leger voor ’s Hertogenbosch ontboden werd, om, gelijk hy zelf verhaalt, „het water uit het leger te malen, en de watermolens by Engelen weder gangbaar te maken:” wat hy naar eisch volvoerde, en waardoor hy niet weinig toebracht tot het bemachtigen der belangrijke vesting.Maar, gelijk wy ’t reeds aanmerkten, niet binnen de grenzen van zijn vaderland bleef de roem van Leeghwater beschreven. In 1628 riep men hem naar Bordeaux, om daar goeden raad te geven tot het droogmaken van een naby gelegen moeras, niet minder dan 4500 morgen groot, en toebehoorende aan den Hertog van Epernon. Hy voldeed aan die opdracht en vervaardigde een kaart van dat moeras, welke hy aan den Hertog, die toen met ’s Konings leger voor La Rochelle lag, overhandigde. Twee jaren later werd hy naar Mets ontboden, om raad te geven tot het droogmaken van een aldaar gelegen moeras. Ook in het gebied van den Hertog van Holstein, in Emderland en elders, werd hy genoodigd om, zooals hy ’t uitdrukt, „te ordineren dijken, dammen, sluizen, kaaien, heulen, molens, molen-tochten, kolken, wateringen, enz.”Maar niet hiertoe bepaalden zich zijn veelsoortige kunde en werkzaamheden. Hy vervaardigde bovendien talrijke bestekken voor gebouwen en woningen, o. a. voor het Raadhuis van zijn geboorteplaats: voortskassen en schrijnwerken, als mede uurwerken in dorpen en steden, ook twee „notabele speelwerken,” voor den Wester- en den Zuiderkerkstoren te Amsterdam. Ook hielp hy metselen aan het nieuwe Stadhuis in de laatstgenoemde stad, aan den toren der Nieuwe Kerk en aan de brug by den Jan Roodepoortstoren. Nog werkte hy behalve dat in hout en steen, in koper, metaal en ivoor, en eindelijk vermaakte hy zich, als hy ’t uitdrukt:Oock somtyts met de pen te spelen,Te teecknen kercken en kasteelen,Daar by, te schryven grof en fijn,Dat kan (Gods lof) noch heel wel zijn.Nog verstond hy bovendien een kunst, die thands, naar ’t schijnt, geheel verloren is geraakt, te weten die van onder water te duiken, aldaar een geruimen tijd te vertoeven en verschillende verrichtingen ten uitvoer te brengen. Van deze kunst gaf hy, met zekeren Pieter Pietersz. die leeraar by de doopsgezinden was aan de Rijp, twee malen bewijs, eerst in 1605, in de nabyheid van ’s Gravenhage, in tegenwoordigheid van Prins Maurits, diens broeder, de Graven Willem en Ernst van Nassau, en vele andere personen: de tweede reis op de Wetering, buiten Amsterdam, ten aanzien van een ontelbare schaar van menschen, uit de stad en den omtrek toegevloeid. Deze laatste reis bleef hy niet korter dan drie vierden uurs onder water, at twaalf peeren, die hy by zich genomen had, ieder voor de helft op, speelde de wijs van den drie-en-twintigsten Psalm op een schalmei, schreef op een schoon blad papier met pen en inkt, en deed andere verrichtingen meer, die ongeloofbaar zouden wezen, indien het gebeurde alleen door hem verhaald en niet door getuigenissen van aanwezigen, alsmede door een hem verleend Oktrooi ware bevestigd.—Hy was alzoo tevens Landmeter, Waterbouwkundige, Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker, Waterduiker—ja wat was hy niet? bovendien met de kennis der Fransche, Hoogduitsche en Latijnsche talen, en, door de vele reizen, welke hy buiten’s lands gedaan had, met een schat van ondervinding toegerust.Was de verplichting groot, welke hem zijn tijdgenooten hadden, voor zoo vele goede en nuttige werken als door hem verricht, voor zoo vele morgen gronds, die hy aan den waterwolf ontweldigd en in vruchtbaar land herschapen had, ook het nu levende geslacht mag niet vergeten, dataan hem in de eerste plaats de dank toekomt voor het grootsche werk, dat wy hebben zien voltooien, de droogmaking van het Haarlemmer-meir.Het was in den jare 1641, dat de schrandere man het Haarlemmer-meir-boeck, ’t welk het eerste ontwerp bevatte tot het bedijken en droogmaken van dien plas, aan de Staten van Holland, aan den Stadhouder Frederik Hendrik, aan de Burgemeester en Raden van Amsterdam, Leyden, Haarlem en Gouda en aan Dijkgraaf en Heemraden van Rijnland, aanbood. Het was in dat belangrijke werk, ’t welk, in onderhoudenden en naieven stijl geschreven, overal den man van doorzicht, kunde en ervarenis aanduidt, dat hy de onderneming aanprees om die gestadig meer en meer invretende plas leêg te malen, en zijn denkbeelden ontwikkelde aangaande de wijze, waarop de uitvoering plaats zoû kunnen hebben. Niet minder dan twaalf drukken van dit werk kwamen in een betrekkelijk kort tijdverloop uit: wel een bewijs, hoezeer het onderwerp de algemeene belangstelling gaande maakte; maar ongelukkig had die belangstelling de gewenschte uitwerking niet by hen, die by machte waren geweest, uitvoering aan het plan te geven, en was het voor den nazaat van Frederik Hendrik bewaard, de eer daarvan weg te dragen.Wel waren, sedert Leeghwaters dood, op het veld der werktuigkunde nieuwe en stoute ontdekkingen gedaan, waardoor naar een veranderd stelsel en met behulp der sints uitgevonden stoomkracht het werk voltooid werd; maar niet te min blijft hem de onverwelkbare eer, ’t eerst op het belangrijke der zaak de aandacht gevestigd te hebben; niet te min is zijn plan toch de grondslag geweest, waarop lateren gebouwd hebben, en is het nog altijd de vraag, of, indien men, in de wijze van uitvoering, de voorschriften, door hem gegeven, eenvoudig hadde gevolgd, niet de droogmaking op een even zekere en ongetwijfeld minder kostbare manier had kunnen plaats hebben.
JAN ADRIAENSZ. LEEGHWATER.Onder de bekwame en schrandere vernuften, die in de eeuw van Frederik Hendrik uitblonken, is er een, die zich niet alleen een naam maakte door de belangrijke diensten, welke hy gedurende zijn leven aan zijn vaderland bewees, maar ook, en vooral, door het grootsche plan dat hy vormde, en dat, eerst na twee eeuwen verwezenlijkt, hem by den nazaat een roem verschaffen moest, grooter nog dan de roem, dien hem de tijdgenoot had toegekend. Die man was een eenvoudig dorpsbewoner, een molenmaker van zijn ambacht, en zijn naam was Jan Adriaensz., bygenaamd Leeghwater.Jan Adriaensz. Leeghwater.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Adriaensz. Leeghwater.Leeghwater:—wellicht denkt men hier aan iemand, diewater leêgt; maar behalve dat de woordvorming in dit geval strijdig ware met den aart onzer taal, die alsdanwaterleêgerzoû vereischen, zoo ware zy strijdig met de gedachte, die men er aan verbinden wilde. Immers hy ledigde geen water, hy ledigde ’t land van ’t overtollige water.—Ieder, die weet, dat in Noordholland nog heden ten dage de dubbeleain vele woorden alsewordt uitgesproken, zal begrijpen datleeghin ’s mans bynaam eenvoudig voorlaagstaat, en wie bekend is met de byzonderheden van ’s mans leven, zal zich duidelijk kunnen verklaren waarom hy dien bynaam verkregen had.Immers, in 1575 in het dorp de Rijp geboren, had hy van jongs af het bedrijf van molenmaker by de hand gehad, en, wegens zijn bekwaamheid in het vervaardigen en stellen van molens, vooral van watermolens, niet slechts binnen, maar zelfs buiten ’s lands een naam verworven. Veel water had hy alzoolaaggemaakt, en belet buiten zijn boorden te spattenof wel geheel weggemalen. En van hoe veel belang het vak van nijverheid, waarop hy zich toelegde, vooral toen ter tijde geächt moest worden, daarvan kan ieder zich overtuigen, die maar een blik slaat op de kaarten van Westfriesland in die dagen. De helft, zoo niet meer, was niet dan water.Reeds in 1553 was men begonnen met het droogmaken van eenige plassen, onder anderen, van de Zijp; maar vooral in de zestiende eeuw, toen het binnenland tot rust gekomen was, sloeg men met ernst de hand aan ’t werk, om de tallooze Waterlandsche en Westfriesche meirtjens uit te malen en in bruikbaar land te herscheppen. Droogmaking op droogmaking volgden: en by de meesten daarvan was Jan Adriaensz behulpzaam met raad en daad: vooral was het voornamelijk onder zijn toezicht, dat de zoo belangrijke Beemster werd bedijkt, waar hy was aangesteld om „waar te nemen het fabryken en stellen van de watermolens.” Ook by het droogmaken van de Purmer, de Wormer, de Schermer, de Waard en andere meiren en moerassen, was hy werkzaam, en wist zijn vindingrijke geest elke hinderpaal te voorzien of te voorkomen. De roem die van zijn bekwaamheid uitging was zoo groot, dat hy, in 1629, door Frederik Hendrik in het leger voor ’s Hertogenbosch ontboden werd, om, gelijk hy zelf verhaalt, „het water uit het leger te malen, en de watermolens by Engelen weder gangbaar te maken:” wat hy naar eisch volvoerde, en waardoor hy niet weinig toebracht tot het bemachtigen der belangrijke vesting.Maar, gelijk wy ’t reeds aanmerkten, niet binnen de grenzen van zijn vaderland bleef de roem van Leeghwater beschreven. In 1628 riep men hem naar Bordeaux, om daar goeden raad te geven tot het droogmaken van een naby gelegen moeras, niet minder dan 4500 morgen groot, en toebehoorende aan den Hertog van Epernon. Hy voldeed aan die opdracht en vervaardigde een kaart van dat moeras, welke hy aan den Hertog, die toen met ’s Konings leger voor La Rochelle lag, overhandigde. Twee jaren later werd hy naar Mets ontboden, om raad te geven tot het droogmaken van een aldaar gelegen moeras. Ook in het gebied van den Hertog van Holstein, in Emderland en elders, werd hy genoodigd om, zooals hy ’t uitdrukt, „te ordineren dijken, dammen, sluizen, kaaien, heulen, molens, molen-tochten, kolken, wateringen, enz.”Maar niet hiertoe bepaalden zich zijn veelsoortige kunde en werkzaamheden. Hy vervaardigde bovendien talrijke bestekken voor gebouwen en woningen, o. a. voor het Raadhuis van zijn geboorteplaats: voortskassen en schrijnwerken, als mede uurwerken in dorpen en steden, ook twee „notabele speelwerken,” voor den Wester- en den Zuiderkerkstoren te Amsterdam. Ook hielp hy metselen aan het nieuwe Stadhuis in de laatstgenoemde stad, aan den toren der Nieuwe Kerk en aan de brug by den Jan Roodepoortstoren. Nog werkte hy behalve dat in hout en steen, in koper, metaal en ivoor, en eindelijk vermaakte hy zich, als hy ’t uitdrukt:Oock somtyts met de pen te spelen,Te teecknen kercken en kasteelen,Daar by, te schryven grof en fijn,Dat kan (Gods lof) noch heel wel zijn.Nog verstond hy bovendien een kunst, die thands, naar ’t schijnt, geheel verloren is geraakt, te weten die van onder water te duiken, aldaar een geruimen tijd te vertoeven en verschillende verrichtingen ten uitvoer te brengen. Van deze kunst gaf hy, met zekeren Pieter Pietersz. die leeraar by de doopsgezinden was aan de Rijp, twee malen bewijs, eerst in 1605, in de nabyheid van ’s Gravenhage, in tegenwoordigheid van Prins Maurits, diens broeder, de Graven Willem en Ernst van Nassau, en vele andere personen: de tweede reis op de Wetering, buiten Amsterdam, ten aanzien van een ontelbare schaar van menschen, uit de stad en den omtrek toegevloeid. Deze laatste reis bleef hy niet korter dan drie vierden uurs onder water, at twaalf peeren, die hy by zich genomen had, ieder voor de helft op, speelde de wijs van den drie-en-twintigsten Psalm op een schalmei, schreef op een schoon blad papier met pen en inkt, en deed andere verrichtingen meer, die ongeloofbaar zouden wezen, indien het gebeurde alleen door hem verhaald en niet door getuigenissen van aanwezigen, alsmede door een hem verleend Oktrooi ware bevestigd.—Hy was alzoo tevens Landmeter, Waterbouwkundige, Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker, Waterduiker—ja wat was hy niet? bovendien met de kennis der Fransche, Hoogduitsche en Latijnsche talen, en, door de vele reizen, welke hy buiten’s lands gedaan had, met een schat van ondervinding toegerust.Was de verplichting groot, welke hem zijn tijdgenooten hadden, voor zoo vele goede en nuttige werken als door hem verricht, voor zoo vele morgen gronds, die hy aan den waterwolf ontweldigd en in vruchtbaar land herschapen had, ook het nu levende geslacht mag niet vergeten, dataan hem in de eerste plaats de dank toekomt voor het grootsche werk, dat wy hebben zien voltooien, de droogmaking van het Haarlemmer-meir.Het was in den jare 1641, dat de schrandere man het Haarlemmer-meir-boeck, ’t welk het eerste ontwerp bevatte tot het bedijken en droogmaken van dien plas, aan de Staten van Holland, aan den Stadhouder Frederik Hendrik, aan de Burgemeester en Raden van Amsterdam, Leyden, Haarlem en Gouda en aan Dijkgraaf en Heemraden van Rijnland, aanbood. Het was in dat belangrijke werk, ’t welk, in onderhoudenden en naieven stijl geschreven, overal den man van doorzicht, kunde en ervarenis aanduidt, dat hy de onderneming aanprees om die gestadig meer en meer invretende plas leêg te malen, en zijn denkbeelden ontwikkelde aangaande de wijze, waarop de uitvoering plaats zoû kunnen hebben. Niet minder dan twaalf drukken van dit werk kwamen in een betrekkelijk kort tijdverloop uit: wel een bewijs, hoezeer het onderwerp de algemeene belangstelling gaande maakte; maar ongelukkig had die belangstelling de gewenschte uitwerking niet by hen, die by machte waren geweest, uitvoering aan het plan te geven, en was het voor den nazaat van Frederik Hendrik bewaard, de eer daarvan weg te dragen.Wel waren, sedert Leeghwaters dood, op het veld der werktuigkunde nieuwe en stoute ontdekkingen gedaan, waardoor naar een veranderd stelsel en met behulp der sints uitgevonden stoomkracht het werk voltooid werd; maar niet te min blijft hem de onverwelkbare eer, ’t eerst op het belangrijke der zaak de aandacht gevestigd te hebben; niet te min is zijn plan toch de grondslag geweest, waarop lateren gebouwd hebben, en is het nog altijd de vraag, of, indien men, in de wijze van uitvoering, de voorschriften, door hem gegeven, eenvoudig hadde gevolgd, niet de droogmaking op een even zekere en ongetwijfeld minder kostbare manier had kunnen plaats hebben.
JAN ADRIAENSZ. LEEGHWATER.
Onder de bekwame en schrandere vernuften, die in de eeuw van Frederik Hendrik uitblonken, is er een, die zich niet alleen een naam maakte door de belangrijke diensten, welke hy gedurende zijn leven aan zijn vaderland bewees, maar ook, en vooral, door het grootsche plan dat hy vormde, en dat, eerst na twee eeuwen verwezenlijkt, hem by den nazaat een roem verschaffen moest, grooter nog dan de roem, dien hem de tijdgenoot had toegekend. Die man was een eenvoudig dorpsbewoner, een molenmaker van zijn ambacht, en zijn naam was Jan Adriaensz., bygenaamd Leeghwater.Jan Adriaensz. Leeghwater.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Adriaensz. Leeghwater.Leeghwater:—wellicht denkt men hier aan iemand, diewater leêgt; maar behalve dat de woordvorming in dit geval strijdig ware met den aart onzer taal, die alsdanwaterleêgerzoû vereischen, zoo ware zy strijdig met de gedachte, die men er aan verbinden wilde. Immers hy ledigde geen water, hy ledigde ’t land van ’t overtollige water.—Ieder, die weet, dat in Noordholland nog heden ten dage de dubbeleain vele woorden alsewordt uitgesproken, zal begrijpen datleeghin ’s mans bynaam eenvoudig voorlaagstaat, en wie bekend is met de byzonderheden van ’s mans leven, zal zich duidelijk kunnen verklaren waarom hy dien bynaam verkregen had.Immers, in 1575 in het dorp de Rijp geboren, had hy van jongs af het bedrijf van molenmaker by de hand gehad, en, wegens zijn bekwaamheid in het vervaardigen en stellen van molens, vooral van watermolens, niet slechts binnen, maar zelfs buiten ’s lands een naam verworven. Veel water had hy alzoolaaggemaakt, en belet buiten zijn boorden te spattenof wel geheel weggemalen. En van hoe veel belang het vak van nijverheid, waarop hy zich toelegde, vooral toen ter tijde geächt moest worden, daarvan kan ieder zich overtuigen, die maar een blik slaat op de kaarten van Westfriesland in die dagen. De helft, zoo niet meer, was niet dan water.Reeds in 1553 was men begonnen met het droogmaken van eenige plassen, onder anderen, van de Zijp; maar vooral in de zestiende eeuw, toen het binnenland tot rust gekomen was, sloeg men met ernst de hand aan ’t werk, om de tallooze Waterlandsche en Westfriesche meirtjens uit te malen en in bruikbaar land te herscheppen. Droogmaking op droogmaking volgden: en by de meesten daarvan was Jan Adriaensz behulpzaam met raad en daad: vooral was het voornamelijk onder zijn toezicht, dat de zoo belangrijke Beemster werd bedijkt, waar hy was aangesteld om „waar te nemen het fabryken en stellen van de watermolens.” Ook by het droogmaken van de Purmer, de Wormer, de Schermer, de Waard en andere meiren en moerassen, was hy werkzaam, en wist zijn vindingrijke geest elke hinderpaal te voorzien of te voorkomen. De roem die van zijn bekwaamheid uitging was zoo groot, dat hy, in 1629, door Frederik Hendrik in het leger voor ’s Hertogenbosch ontboden werd, om, gelijk hy zelf verhaalt, „het water uit het leger te malen, en de watermolens by Engelen weder gangbaar te maken:” wat hy naar eisch volvoerde, en waardoor hy niet weinig toebracht tot het bemachtigen der belangrijke vesting.Maar, gelijk wy ’t reeds aanmerkten, niet binnen de grenzen van zijn vaderland bleef de roem van Leeghwater beschreven. In 1628 riep men hem naar Bordeaux, om daar goeden raad te geven tot het droogmaken van een naby gelegen moeras, niet minder dan 4500 morgen groot, en toebehoorende aan den Hertog van Epernon. Hy voldeed aan die opdracht en vervaardigde een kaart van dat moeras, welke hy aan den Hertog, die toen met ’s Konings leger voor La Rochelle lag, overhandigde. Twee jaren later werd hy naar Mets ontboden, om raad te geven tot het droogmaken van een aldaar gelegen moeras. Ook in het gebied van den Hertog van Holstein, in Emderland en elders, werd hy genoodigd om, zooals hy ’t uitdrukt, „te ordineren dijken, dammen, sluizen, kaaien, heulen, molens, molen-tochten, kolken, wateringen, enz.”Maar niet hiertoe bepaalden zich zijn veelsoortige kunde en werkzaamheden. Hy vervaardigde bovendien talrijke bestekken voor gebouwen en woningen, o. a. voor het Raadhuis van zijn geboorteplaats: voortskassen en schrijnwerken, als mede uurwerken in dorpen en steden, ook twee „notabele speelwerken,” voor den Wester- en den Zuiderkerkstoren te Amsterdam. Ook hielp hy metselen aan het nieuwe Stadhuis in de laatstgenoemde stad, aan den toren der Nieuwe Kerk en aan de brug by den Jan Roodepoortstoren. Nog werkte hy behalve dat in hout en steen, in koper, metaal en ivoor, en eindelijk vermaakte hy zich, als hy ’t uitdrukt:Oock somtyts met de pen te spelen,Te teecknen kercken en kasteelen,Daar by, te schryven grof en fijn,Dat kan (Gods lof) noch heel wel zijn.Nog verstond hy bovendien een kunst, die thands, naar ’t schijnt, geheel verloren is geraakt, te weten die van onder water te duiken, aldaar een geruimen tijd te vertoeven en verschillende verrichtingen ten uitvoer te brengen. Van deze kunst gaf hy, met zekeren Pieter Pietersz. die leeraar by de doopsgezinden was aan de Rijp, twee malen bewijs, eerst in 1605, in de nabyheid van ’s Gravenhage, in tegenwoordigheid van Prins Maurits, diens broeder, de Graven Willem en Ernst van Nassau, en vele andere personen: de tweede reis op de Wetering, buiten Amsterdam, ten aanzien van een ontelbare schaar van menschen, uit de stad en den omtrek toegevloeid. Deze laatste reis bleef hy niet korter dan drie vierden uurs onder water, at twaalf peeren, die hy by zich genomen had, ieder voor de helft op, speelde de wijs van den drie-en-twintigsten Psalm op een schalmei, schreef op een schoon blad papier met pen en inkt, en deed andere verrichtingen meer, die ongeloofbaar zouden wezen, indien het gebeurde alleen door hem verhaald en niet door getuigenissen van aanwezigen, alsmede door een hem verleend Oktrooi ware bevestigd.—Hy was alzoo tevens Landmeter, Waterbouwkundige, Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker, Waterduiker—ja wat was hy niet? bovendien met de kennis der Fransche, Hoogduitsche en Latijnsche talen, en, door de vele reizen, welke hy buiten’s lands gedaan had, met een schat van ondervinding toegerust.Was de verplichting groot, welke hem zijn tijdgenooten hadden, voor zoo vele goede en nuttige werken als door hem verricht, voor zoo vele morgen gronds, die hy aan den waterwolf ontweldigd en in vruchtbaar land herschapen had, ook het nu levende geslacht mag niet vergeten, dataan hem in de eerste plaats de dank toekomt voor het grootsche werk, dat wy hebben zien voltooien, de droogmaking van het Haarlemmer-meir.Het was in den jare 1641, dat de schrandere man het Haarlemmer-meir-boeck, ’t welk het eerste ontwerp bevatte tot het bedijken en droogmaken van dien plas, aan de Staten van Holland, aan den Stadhouder Frederik Hendrik, aan de Burgemeester en Raden van Amsterdam, Leyden, Haarlem en Gouda en aan Dijkgraaf en Heemraden van Rijnland, aanbood. Het was in dat belangrijke werk, ’t welk, in onderhoudenden en naieven stijl geschreven, overal den man van doorzicht, kunde en ervarenis aanduidt, dat hy de onderneming aanprees om die gestadig meer en meer invretende plas leêg te malen, en zijn denkbeelden ontwikkelde aangaande de wijze, waarop de uitvoering plaats zoû kunnen hebben. Niet minder dan twaalf drukken van dit werk kwamen in een betrekkelijk kort tijdverloop uit: wel een bewijs, hoezeer het onderwerp de algemeene belangstelling gaande maakte; maar ongelukkig had die belangstelling de gewenschte uitwerking niet by hen, die by machte waren geweest, uitvoering aan het plan te geven, en was het voor den nazaat van Frederik Hendrik bewaard, de eer daarvan weg te dragen.Wel waren, sedert Leeghwaters dood, op het veld der werktuigkunde nieuwe en stoute ontdekkingen gedaan, waardoor naar een veranderd stelsel en met behulp der sints uitgevonden stoomkracht het werk voltooid werd; maar niet te min blijft hem de onverwelkbare eer, ’t eerst op het belangrijke der zaak de aandacht gevestigd te hebben; niet te min is zijn plan toch de grondslag geweest, waarop lateren gebouwd hebben, en is het nog altijd de vraag, of, indien men, in de wijze van uitvoering, de voorschriften, door hem gegeven, eenvoudig hadde gevolgd, niet de droogmaking op een even zekere en ongetwijfeld minder kostbare manier had kunnen plaats hebben.
Onder de bekwame en schrandere vernuften, die in de eeuw van Frederik Hendrik uitblonken, is er een, die zich niet alleen een naam maakte door de belangrijke diensten, welke hy gedurende zijn leven aan zijn vaderland bewees, maar ook, en vooral, door het grootsche plan dat hy vormde, en dat, eerst na twee eeuwen verwezenlijkt, hem by den nazaat een roem verschaffen moest, grooter nog dan de roem, dien hem de tijdgenoot had toegekend. Die man was een eenvoudig dorpsbewoner, een molenmaker van zijn ambacht, en zijn naam was Jan Adriaensz., bygenaamd Leeghwater.
Jan Adriaensz. Leeghwater.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Adriaensz. Leeghwater.
Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.
Jan Adriaensz. Leeghwater.
Leeghwater:—wellicht denkt men hier aan iemand, diewater leêgt; maar behalve dat de woordvorming in dit geval strijdig ware met den aart onzer taal, die alsdanwaterleêgerzoû vereischen, zoo ware zy strijdig met de gedachte, die men er aan verbinden wilde. Immers hy ledigde geen water, hy ledigde ’t land van ’t overtollige water.—Ieder, die weet, dat in Noordholland nog heden ten dage de dubbeleain vele woorden alsewordt uitgesproken, zal begrijpen datleeghin ’s mans bynaam eenvoudig voorlaagstaat, en wie bekend is met de byzonderheden van ’s mans leven, zal zich duidelijk kunnen verklaren waarom hy dien bynaam verkregen had.
Immers, in 1575 in het dorp de Rijp geboren, had hy van jongs af het bedrijf van molenmaker by de hand gehad, en, wegens zijn bekwaamheid in het vervaardigen en stellen van molens, vooral van watermolens, niet slechts binnen, maar zelfs buiten ’s lands een naam verworven. Veel water had hy alzoolaaggemaakt, en belet buiten zijn boorden te spattenof wel geheel weggemalen. En van hoe veel belang het vak van nijverheid, waarop hy zich toelegde, vooral toen ter tijde geächt moest worden, daarvan kan ieder zich overtuigen, die maar een blik slaat op de kaarten van Westfriesland in die dagen. De helft, zoo niet meer, was niet dan water.
Reeds in 1553 was men begonnen met het droogmaken van eenige plassen, onder anderen, van de Zijp; maar vooral in de zestiende eeuw, toen het binnenland tot rust gekomen was, sloeg men met ernst de hand aan ’t werk, om de tallooze Waterlandsche en Westfriesche meirtjens uit te malen en in bruikbaar land te herscheppen. Droogmaking op droogmaking volgden: en by de meesten daarvan was Jan Adriaensz behulpzaam met raad en daad: vooral was het voornamelijk onder zijn toezicht, dat de zoo belangrijke Beemster werd bedijkt, waar hy was aangesteld om „waar te nemen het fabryken en stellen van de watermolens.” Ook by het droogmaken van de Purmer, de Wormer, de Schermer, de Waard en andere meiren en moerassen, was hy werkzaam, en wist zijn vindingrijke geest elke hinderpaal te voorzien of te voorkomen. De roem die van zijn bekwaamheid uitging was zoo groot, dat hy, in 1629, door Frederik Hendrik in het leger voor ’s Hertogenbosch ontboden werd, om, gelijk hy zelf verhaalt, „het water uit het leger te malen, en de watermolens by Engelen weder gangbaar te maken:” wat hy naar eisch volvoerde, en waardoor hy niet weinig toebracht tot het bemachtigen der belangrijke vesting.
Maar, gelijk wy ’t reeds aanmerkten, niet binnen de grenzen van zijn vaderland bleef de roem van Leeghwater beschreven. In 1628 riep men hem naar Bordeaux, om daar goeden raad te geven tot het droogmaken van een naby gelegen moeras, niet minder dan 4500 morgen groot, en toebehoorende aan den Hertog van Epernon. Hy voldeed aan die opdracht en vervaardigde een kaart van dat moeras, welke hy aan den Hertog, die toen met ’s Konings leger voor La Rochelle lag, overhandigde. Twee jaren later werd hy naar Mets ontboden, om raad te geven tot het droogmaken van een aldaar gelegen moeras. Ook in het gebied van den Hertog van Holstein, in Emderland en elders, werd hy genoodigd om, zooals hy ’t uitdrukt, „te ordineren dijken, dammen, sluizen, kaaien, heulen, molens, molen-tochten, kolken, wateringen, enz.”
Maar niet hiertoe bepaalden zich zijn veelsoortige kunde en werkzaamheden. Hy vervaardigde bovendien talrijke bestekken voor gebouwen en woningen, o. a. voor het Raadhuis van zijn geboorteplaats: voortskassen en schrijnwerken, als mede uurwerken in dorpen en steden, ook twee „notabele speelwerken,” voor den Wester- en den Zuiderkerkstoren te Amsterdam. Ook hielp hy metselen aan het nieuwe Stadhuis in de laatstgenoemde stad, aan den toren der Nieuwe Kerk en aan de brug by den Jan Roodepoortstoren. Nog werkte hy behalve dat in hout en steen, in koper, metaal en ivoor, en eindelijk vermaakte hy zich, als hy ’t uitdrukt:
Oock somtyts met de pen te spelen,Te teecknen kercken en kasteelen,Daar by, te schryven grof en fijn,Dat kan (Gods lof) noch heel wel zijn.
Oock somtyts met de pen te spelen,
Te teecknen kercken en kasteelen,
Daar by, te schryven grof en fijn,
Dat kan (Gods lof) noch heel wel zijn.
Nog verstond hy bovendien een kunst, die thands, naar ’t schijnt, geheel verloren is geraakt, te weten die van onder water te duiken, aldaar een geruimen tijd te vertoeven en verschillende verrichtingen ten uitvoer te brengen. Van deze kunst gaf hy, met zekeren Pieter Pietersz. die leeraar by de doopsgezinden was aan de Rijp, twee malen bewijs, eerst in 1605, in de nabyheid van ’s Gravenhage, in tegenwoordigheid van Prins Maurits, diens broeder, de Graven Willem en Ernst van Nassau, en vele andere personen: de tweede reis op de Wetering, buiten Amsterdam, ten aanzien van een ontelbare schaar van menschen, uit de stad en den omtrek toegevloeid. Deze laatste reis bleef hy niet korter dan drie vierden uurs onder water, at twaalf peeren, die hy by zich genomen had, ieder voor de helft op, speelde de wijs van den drie-en-twintigsten Psalm op een schalmei, schreef op een schoon blad papier met pen en inkt, en deed andere verrichtingen meer, die ongeloofbaar zouden wezen, indien het gebeurde alleen door hem verhaald en niet door getuigenissen van aanwezigen, alsmede door een hem verleend Oktrooi ware bevestigd.—Hy was alzoo tevens Landmeter, Waterbouwkundige, Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker, Waterduiker—ja wat was hy niet? bovendien met de kennis der Fransche, Hoogduitsche en Latijnsche talen, en, door de vele reizen, welke hy buiten’s lands gedaan had, met een schat van ondervinding toegerust.
Was de verplichting groot, welke hem zijn tijdgenooten hadden, voor zoo vele goede en nuttige werken als door hem verricht, voor zoo vele morgen gronds, die hy aan den waterwolf ontweldigd en in vruchtbaar land herschapen had, ook het nu levende geslacht mag niet vergeten, dataan hem in de eerste plaats de dank toekomt voor het grootsche werk, dat wy hebben zien voltooien, de droogmaking van het Haarlemmer-meir.
Het was in den jare 1641, dat de schrandere man het Haarlemmer-meir-boeck, ’t welk het eerste ontwerp bevatte tot het bedijken en droogmaken van dien plas, aan de Staten van Holland, aan den Stadhouder Frederik Hendrik, aan de Burgemeester en Raden van Amsterdam, Leyden, Haarlem en Gouda en aan Dijkgraaf en Heemraden van Rijnland, aanbood. Het was in dat belangrijke werk, ’t welk, in onderhoudenden en naieven stijl geschreven, overal den man van doorzicht, kunde en ervarenis aanduidt, dat hy de onderneming aanprees om die gestadig meer en meer invretende plas leêg te malen, en zijn denkbeelden ontwikkelde aangaande de wijze, waarop de uitvoering plaats zoû kunnen hebben. Niet minder dan twaalf drukken van dit werk kwamen in een betrekkelijk kort tijdverloop uit: wel een bewijs, hoezeer het onderwerp de algemeene belangstelling gaande maakte; maar ongelukkig had die belangstelling de gewenschte uitwerking niet by hen, die by machte waren geweest, uitvoering aan het plan te geven, en was het voor den nazaat van Frederik Hendrik bewaard, de eer daarvan weg te dragen.
Wel waren, sedert Leeghwaters dood, op het veld der werktuigkunde nieuwe en stoute ontdekkingen gedaan, waardoor naar een veranderd stelsel en met behulp der sints uitgevonden stoomkracht het werk voltooid werd; maar niet te min blijft hem de onverwelkbare eer, ’t eerst op het belangrijke der zaak de aandacht gevestigd te hebben; niet te min is zijn plan toch de grondslag geweest, waarop lateren gebouwd hebben, en is het nog altijd de vraag, of, indien men, in de wijze van uitvoering, de voorschriften, door hem gegeven, eenvoudig hadde gevolgd, niet de droogmaking op een even zekere en ongetwijfeld minder kostbare manier had kunnen plaats hebben.