JAN JANSZOON STARTER.Zoodra men vragen opwerpt, als b. v. „of niet onze taal even goed voor den zang geschikt is als elke andere?” of wel: „of onze Natie niet even muzykaal is als elke andere?”—dan verkondigt men reeds als van zelve, dat een ontkennend antwoord het eenige is, dat te verwachten valt en men daarom dubbele dankbaarheid schuldig zal wezen aan hem, die bekwaamheid genoeg zal hebben om een toestemmend antwoord aannemelijk te maken. In Duitschland of in Italiën zoû men ’t nimmer in ’t hoofd krijgen, zoodanige vragen te doen.Jan Janszoon Starter.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Janszoon Starter.In Duitschland noch in Italiën; maar ook niet in Nederland, zoo als het was in de eerste helft der zeventiende eeuw. Toen twijfelde niemand, landgenoot of vreemdeling, aan het zangerige en welluidende onzer taal, aan het vermogen der ingezetenen om die naar de regels der kunst en op bevallige wijze te doen hooren.Maar toen klonk dan ook nog het Nederduitsch cierlijk en lieflijk: toen bestond nog by de Nederlanders een gevoel voor muzyk en zang, dat niet door maatschappyen of genootschappen opzettelijk moest worden in ’t leven geroepen of onderhouden, maar dat zich dagelijks openbaarde en voortdurend werd aangekweekt op gastmalen en samenkomsten, ja overal, waar de gasten nu zelve de taak vrijwillig en uit eigen aandrift overnamen, vroeger door bezoldigde meistreels of speellieden vervuld.Waar een zangerige taal bestaat en behoefte aan liefelijke liederen, daar ontbreken zy ook nimmer: en zoo is er naar evenredigheid wellicht geen volk zoo rijk, als het onze gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw was, aan liedtjens, voor den zang bestemd. Talrijkis het aantal dier bundelkens, in kleinen vorm onder verschillende namen, meest onder die van „mopsjens”, gedrukt en een ruimen voorraad bevattende van die vrolijke of ernstige liederen en gezangen, welke onze voorouders, naarmate tijd, plaats of omstandigheden hen in een meer dartele of meer deftige stemming hadden gebracht, afwisselend aanhieven. Vrij wat algemeener dan tegenwoordig was, in die dagen, ik zal niet zeggen het zingen en spelen door toonkunstenaars of opzettelijke beöefenaars der muzyk, maar het zingen en spelen door byzondere personen, in den huislijken of gezelligen kring, by gastmalen en spelevaarten, op bruiloften en verjaringsfeesten. Talrijk is dan ook de rij der dichters, die de voortbrengselen van hun poëtischen luim ten beste gaven, om er genoegelijke samenkomsten mede te veraangenamen; en de Collés, de Desaugiers van die dagen kunnen met hen die later kwamen gerust de vergelijking doorstaan;—maar wie onder hen allen uitschittert, wie te recht als de geestigste en bevalligste liederzanger mag worden aangemerkt, dien niet het tijdvak van Frederik Hendrik, neen, die Nederland te eenigen dage heeft opgeleverd, is Jan Janszoon Starter.Even als Vondel, was Starter door zijn geboorte een vreemdeling, maar reeds vroeg door opvoeding, voorbeeld en eigen aandrift, Nederlander in ’t hart geworden. In 1594 had hy te Londen het eerste levenslicht aanschouwd en in het vijfde of zesde jaar der volgende eeuw was hy met zijn ouders, die tot de zoogenaamde Bruinisten behoorden, hier te lande en wel te Amsterdam gekomen. Een beschaafde opvoeding genoten hebbende, was de jonge Starter niet alleen spoedig bekend met de spraak van zijn nieuw aangenomen Vaderland, maar ook met haar verborgen schatten. Reeds op jeugdigen leeftijd schreef hy gedichten, vol losheid en zwier, en wier weelderigheid getuigt van een meesterschap over taal en uitdrukking, hoedanige niemand voor hem zich had weten te verwerven. Boezemvriend van Gerbrand Adriaensz. Bredero, streefde hy dezen in geestigen luim op zijde en overtrof hem veelal in kieschheid en welluidendheid van vorm. Even als Bredero was hy een lid en wel een volyverig lid dier zoogenaamde Oude Kamer, die kweekschool van vernuften, waar, behalve zy, ook Hooft, Coster, Vondel en zoo vele andere cieraden van den Nederduitschen Zangberg hun eerste dichtproeven deden hooren en waar later de schouwburg uit ontsproot.In 1614 naar Friesland getrokken, richtte hy aldaar te Leeuwarden een boekwinkel op en woonde als Student de lessen by der Hoogeschool te Franeker. Het was gedurende zijn verblijf aldaar dat hy die reeks van bruiloftsdichten, minnezangen en liedtjens schreef, onder den tytel van „Friesche Lusthof” tot een bundel verzameld, en even zoetvloeiend van melody als tintelend van vernuft. Niet ten onrechte noemde hem dan ook Gansneb Tengnagel, in een zijner gedichten, „den grooten Bruilofts-Hymen.” In 1620 naar Amsterdam teruggekeerd, kweet hy zich aldaar van een taak, hem door Bredero by diens uiteinde opgelegd en voltooide de „Angeniet”, door dezen begonnen. Van zijn verderen levensloop hebben zijn ondankbare tijdgenooten ons niet anders medegedeeld, dan dat hy de wapenen opgevat en in dienst gestorven is, de kleuren voerende van dien Nassauschen held, dien hy zoo vaak in zoo blijde toonen had bezongen.Even als by zijn beoordeeling van Rembrandt en Jan Steen, heeft het nageslacht by die van Starter zich langen tijd vergenoegd blindelings na te praten, wat vroeger gezegd was en daardoor tot gevolgtrekkingen te komen, alles behalve vleiend voor hem, dien zy golden. Van de beide eerstgenoemden was het zedelijk karakter aangerand, van den laatstgenoemde bovendien de aart zijner voortbrengselen, die als hoogst onkiesch waren voorgesteld. Wel is waar het was een liederlijke Campo Weyerman, door wien Rembrandt en Jan Steen belasterd werden, terwijl de aanvallen tegen Starters dichtbundel gericht werden door den vroomen en naauwgezetten Dirk Rafelsz. Camphuisen. Oppervlakkig zoû men dus zeggen, dat, mocht men al geneigd zijn, de berichten, door den eerstgemelde gegeven, te verwerpen, als komende van iemand, wiens zedelijk karakter hem onwaardig maakte, geloof te verdienen;—men daar en tegen vertrouwen kon te schenken aan hetgeen ons medegedeeld werd door een man, wiens vrome zin ons een vaste waarborg van geloofbaarheid schijnt aan te bieden. En werkelijk is zulks langen tijd algemeen het geval geweest, ja is zulks nog het geval by niet weinigen. Loosjes heeft, in zijn Maurits Lijnslager, Camphuisen ingevoerd, den blaam van onzedelijkheid werpende op den „Frieschen Lusthof” van Starter—en dat nog wel zonder eenige tegenspraak. Jeronimo de Vries vergenoegt zich, in zijne Prijsverhandeling, van Starter alleen den naam, en nog wel enkel in een aanteekening, onder een dertigtal onbeduidende namen te vermelden; Willem de Clercq, die, in zijn bekroonde beschouwing over deninvloed der vreemde letterkunde op de onze, als van zelve aanleiding had moeten vinden van den jeugdigen Brit te gewagen, die in Nederland leefde en zong, maar in wiens vaerzen de Engelsche afkomst des dichters niet te miskennen valt, Willem de Clercq zwijgt van hem geheel. Is het wonder, dat al wie, zonder Starter te kennen, een oordeel over zijn werk had op te maken, uit de afkeuring waarmede Loosjes van hem spreekt en de onverschilligheid, waarmede hem de beide andere critici behandelen, niet anders dan zeer ongunstig over hem denken moest? En toch heeft Starter noch den heftigen aanval van Camphuisen verdiend, noch de behandeling, hem door de drie andere schrijvers aangedaan. Van De Vries en De Clercq is het bekend, dat zy, afgaande op hetgeen in den Maurits Lijnslager voorkomt, niet verder hebben onderzocht: wat Loosjes betreft, die schijnt van zijn kant in het banvonnis, door Camphuisen uitgesproken, te hebben berust, en evenmin als de beide critici het veroordeelde boek gelezen te hebben: en voor den vromen dichter der zeventiende eeuw, dien ik niet verdenken mag ter kwader trouw te hebben gehandeld, weet ik geen andere verschoning aan te voeren, dan dat hy dien „Frieschen Lusthof,” om de vervaardiging waarvan hy den maker naar ’t helsche vuur zendt, nimmer onder de oogen gehad heeft, en den inhoud alleen ondersteld heeft van gelijke gehalte te zijn als een andere kleine verzameling gedichtjens van denzelfden schrijver, onder den naam van „Boertigheden” gedrukt, en werkelijk minder geschikt in een editiein usum Delphiniopgenomen te worden.—De slotsom van dit alles is, dat de „Friesche Lusthof”, achtereenvolgends gedurende twee eeuwen, zonder eenig voorafgaand onderzoek, is beöordeeld en veroordeeld geworden door mannen, die als gidsen en toongevers op het gebied der letterkunde werden aangemerkt, en dat de menigte, door hun verkeerde beschouwing misleid, geschroomd heeft, kennis te maken met een boeksken, dat in zoo zwarte kleuren was afgeschilderd, maar zich daardoor ook verstoken heeft van het voorrecht, om zich te verlustigen in echte poëzy, in de bevalligste en liefelijkste vormen voorgedragen.Maar niet altijd blijft het publiek in zijn beschouwing onrechtvaardig. Meer dan eene stem heeft zich in de laatste tijden verheven om de geschonden eer van Starter te wreken, om recht te doen wedervaren aan de voortbrengselen van zijn vernuft, om hem den dichtkrans terug te geven, die te lang aan zijn hoofd onthouden werd, en zijn liederenaan te prijzen als voorbeelden van de wijze, waarop onze taal, aan wie met haar geheimen bekend is en ze met oordeel weet te gebruiken, elke andere in zangerigheid op zijde streven kan. Mogen de pogingen, door de zoodanigen aangewend, niet vruchteloos blijven: mogen zy strekken, by velen den zucht te doen geboren worden, zich in Starters zangen te vermeien en in hem den grootsten Nederlandschen liederdichter te waardeeren, dien de geschiedenis onzer letterkunde in staat is ons aan te wijzen:—mogen toonkunstenaars zich opgewekt gevoelen, nieuwe melodyen op zijn zangen te vervaardigen, en deze laatste nog wederom meermalen, als voorheen, op blijde feestmalen en samenkomsten, door keeltjens als die van Tesselschade en Duarte worden gezongen.
JAN JANSZOON STARTER.Zoodra men vragen opwerpt, als b. v. „of niet onze taal even goed voor den zang geschikt is als elke andere?” of wel: „of onze Natie niet even muzykaal is als elke andere?”—dan verkondigt men reeds als van zelve, dat een ontkennend antwoord het eenige is, dat te verwachten valt en men daarom dubbele dankbaarheid schuldig zal wezen aan hem, die bekwaamheid genoeg zal hebben om een toestemmend antwoord aannemelijk te maken. In Duitschland of in Italiën zoû men ’t nimmer in ’t hoofd krijgen, zoodanige vragen te doen.Jan Janszoon Starter.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Janszoon Starter.In Duitschland noch in Italiën; maar ook niet in Nederland, zoo als het was in de eerste helft der zeventiende eeuw. Toen twijfelde niemand, landgenoot of vreemdeling, aan het zangerige en welluidende onzer taal, aan het vermogen der ingezetenen om die naar de regels der kunst en op bevallige wijze te doen hooren.Maar toen klonk dan ook nog het Nederduitsch cierlijk en lieflijk: toen bestond nog by de Nederlanders een gevoel voor muzyk en zang, dat niet door maatschappyen of genootschappen opzettelijk moest worden in ’t leven geroepen of onderhouden, maar dat zich dagelijks openbaarde en voortdurend werd aangekweekt op gastmalen en samenkomsten, ja overal, waar de gasten nu zelve de taak vrijwillig en uit eigen aandrift overnamen, vroeger door bezoldigde meistreels of speellieden vervuld.Waar een zangerige taal bestaat en behoefte aan liefelijke liederen, daar ontbreken zy ook nimmer: en zoo is er naar evenredigheid wellicht geen volk zoo rijk, als het onze gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw was, aan liedtjens, voor den zang bestemd. Talrijkis het aantal dier bundelkens, in kleinen vorm onder verschillende namen, meest onder die van „mopsjens”, gedrukt en een ruimen voorraad bevattende van die vrolijke of ernstige liederen en gezangen, welke onze voorouders, naarmate tijd, plaats of omstandigheden hen in een meer dartele of meer deftige stemming hadden gebracht, afwisselend aanhieven. Vrij wat algemeener dan tegenwoordig was, in die dagen, ik zal niet zeggen het zingen en spelen door toonkunstenaars of opzettelijke beöefenaars der muzyk, maar het zingen en spelen door byzondere personen, in den huislijken of gezelligen kring, by gastmalen en spelevaarten, op bruiloften en verjaringsfeesten. Talrijk is dan ook de rij der dichters, die de voortbrengselen van hun poëtischen luim ten beste gaven, om er genoegelijke samenkomsten mede te veraangenamen; en de Collés, de Desaugiers van die dagen kunnen met hen die later kwamen gerust de vergelijking doorstaan;—maar wie onder hen allen uitschittert, wie te recht als de geestigste en bevalligste liederzanger mag worden aangemerkt, dien niet het tijdvak van Frederik Hendrik, neen, die Nederland te eenigen dage heeft opgeleverd, is Jan Janszoon Starter.Even als Vondel, was Starter door zijn geboorte een vreemdeling, maar reeds vroeg door opvoeding, voorbeeld en eigen aandrift, Nederlander in ’t hart geworden. In 1594 had hy te Londen het eerste levenslicht aanschouwd en in het vijfde of zesde jaar der volgende eeuw was hy met zijn ouders, die tot de zoogenaamde Bruinisten behoorden, hier te lande en wel te Amsterdam gekomen. Een beschaafde opvoeding genoten hebbende, was de jonge Starter niet alleen spoedig bekend met de spraak van zijn nieuw aangenomen Vaderland, maar ook met haar verborgen schatten. Reeds op jeugdigen leeftijd schreef hy gedichten, vol losheid en zwier, en wier weelderigheid getuigt van een meesterschap over taal en uitdrukking, hoedanige niemand voor hem zich had weten te verwerven. Boezemvriend van Gerbrand Adriaensz. Bredero, streefde hy dezen in geestigen luim op zijde en overtrof hem veelal in kieschheid en welluidendheid van vorm. Even als Bredero was hy een lid en wel een volyverig lid dier zoogenaamde Oude Kamer, die kweekschool van vernuften, waar, behalve zy, ook Hooft, Coster, Vondel en zoo vele andere cieraden van den Nederduitschen Zangberg hun eerste dichtproeven deden hooren en waar later de schouwburg uit ontsproot.In 1614 naar Friesland getrokken, richtte hy aldaar te Leeuwarden een boekwinkel op en woonde als Student de lessen by der Hoogeschool te Franeker. Het was gedurende zijn verblijf aldaar dat hy die reeks van bruiloftsdichten, minnezangen en liedtjens schreef, onder den tytel van „Friesche Lusthof” tot een bundel verzameld, en even zoetvloeiend van melody als tintelend van vernuft. Niet ten onrechte noemde hem dan ook Gansneb Tengnagel, in een zijner gedichten, „den grooten Bruilofts-Hymen.” In 1620 naar Amsterdam teruggekeerd, kweet hy zich aldaar van een taak, hem door Bredero by diens uiteinde opgelegd en voltooide de „Angeniet”, door dezen begonnen. Van zijn verderen levensloop hebben zijn ondankbare tijdgenooten ons niet anders medegedeeld, dan dat hy de wapenen opgevat en in dienst gestorven is, de kleuren voerende van dien Nassauschen held, dien hy zoo vaak in zoo blijde toonen had bezongen.Even als by zijn beoordeeling van Rembrandt en Jan Steen, heeft het nageslacht by die van Starter zich langen tijd vergenoegd blindelings na te praten, wat vroeger gezegd was en daardoor tot gevolgtrekkingen te komen, alles behalve vleiend voor hem, dien zy golden. Van de beide eerstgenoemden was het zedelijk karakter aangerand, van den laatstgenoemde bovendien de aart zijner voortbrengselen, die als hoogst onkiesch waren voorgesteld. Wel is waar het was een liederlijke Campo Weyerman, door wien Rembrandt en Jan Steen belasterd werden, terwijl de aanvallen tegen Starters dichtbundel gericht werden door den vroomen en naauwgezetten Dirk Rafelsz. Camphuisen. Oppervlakkig zoû men dus zeggen, dat, mocht men al geneigd zijn, de berichten, door den eerstgemelde gegeven, te verwerpen, als komende van iemand, wiens zedelijk karakter hem onwaardig maakte, geloof te verdienen;—men daar en tegen vertrouwen kon te schenken aan hetgeen ons medegedeeld werd door een man, wiens vrome zin ons een vaste waarborg van geloofbaarheid schijnt aan te bieden. En werkelijk is zulks langen tijd algemeen het geval geweest, ja is zulks nog het geval by niet weinigen. Loosjes heeft, in zijn Maurits Lijnslager, Camphuisen ingevoerd, den blaam van onzedelijkheid werpende op den „Frieschen Lusthof” van Starter—en dat nog wel zonder eenige tegenspraak. Jeronimo de Vries vergenoegt zich, in zijne Prijsverhandeling, van Starter alleen den naam, en nog wel enkel in een aanteekening, onder een dertigtal onbeduidende namen te vermelden; Willem de Clercq, die, in zijn bekroonde beschouwing over deninvloed der vreemde letterkunde op de onze, als van zelve aanleiding had moeten vinden van den jeugdigen Brit te gewagen, die in Nederland leefde en zong, maar in wiens vaerzen de Engelsche afkomst des dichters niet te miskennen valt, Willem de Clercq zwijgt van hem geheel. Is het wonder, dat al wie, zonder Starter te kennen, een oordeel over zijn werk had op te maken, uit de afkeuring waarmede Loosjes van hem spreekt en de onverschilligheid, waarmede hem de beide andere critici behandelen, niet anders dan zeer ongunstig over hem denken moest? En toch heeft Starter noch den heftigen aanval van Camphuisen verdiend, noch de behandeling, hem door de drie andere schrijvers aangedaan. Van De Vries en De Clercq is het bekend, dat zy, afgaande op hetgeen in den Maurits Lijnslager voorkomt, niet verder hebben onderzocht: wat Loosjes betreft, die schijnt van zijn kant in het banvonnis, door Camphuisen uitgesproken, te hebben berust, en evenmin als de beide critici het veroordeelde boek gelezen te hebben: en voor den vromen dichter der zeventiende eeuw, dien ik niet verdenken mag ter kwader trouw te hebben gehandeld, weet ik geen andere verschoning aan te voeren, dan dat hy dien „Frieschen Lusthof,” om de vervaardiging waarvan hy den maker naar ’t helsche vuur zendt, nimmer onder de oogen gehad heeft, en den inhoud alleen ondersteld heeft van gelijke gehalte te zijn als een andere kleine verzameling gedichtjens van denzelfden schrijver, onder den naam van „Boertigheden” gedrukt, en werkelijk minder geschikt in een editiein usum Delphiniopgenomen te worden.—De slotsom van dit alles is, dat de „Friesche Lusthof”, achtereenvolgends gedurende twee eeuwen, zonder eenig voorafgaand onderzoek, is beöordeeld en veroordeeld geworden door mannen, die als gidsen en toongevers op het gebied der letterkunde werden aangemerkt, en dat de menigte, door hun verkeerde beschouwing misleid, geschroomd heeft, kennis te maken met een boeksken, dat in zoo zwarte kleuren was afgeschilderd, maar zich daardoor ook verstoken heeft van het voorrecht, om zich te verlustigen in echte poëzy, in de bevalligste en liefelijkste vormen voorgedragen.Maar niet altijd blijft het publiek in zijn beschouwing onrechtvaardig. Meer dan eene stem heeft zich in de laatste tijden verheven om de geschonden eer van Starter te wreken, om recht te doen wedervaren aan de voortbrengselen van zijn vernuft, om hem den dichtkrans terug te geven, die te lang aan zijn hoofd onthouden werd, en zijn liederenaan te prijzen als voorbeelden van de wijze, waarop onze taal, aan wie met haar geheimen bekend is en ze met oordeel weet te gebruiken, elke andere in zangerigheid op zijde streven kan. Mogen de pogingen, door de zoodanigen aangewend, niet vruchteloos blijven: mogen zy strekken, by velen den zucht te doen geboren worden, zich in Starters zangen te vermeien en in hem den grootsten Nederlandschen liederdichter te waardeeren, dien de geschiedenis onzer letterkunde in staat is ons aan te wijzen:—mogen toonkunstenaars zich opgewekt gevoelen, nieuwe melodyen op zijn zangen te vervaardigen, en deze laatste nog wederom meermalen, als voorheen, op blijde feestmalen en samenkomsten, door keeltjens als die van Tesselschade en Duarte worden gezongen.
JAN JANSZOON STARTER.
Zoodra men vragen opwerpt, als b. v. „of niet onze taal even goed voor den zang geschikt is als elke andere?” of wel: „of onze Natie niet even muzykaal is als elke andere?”—dan verkondigt men reeds als van zelve, dat een ontkennend antwoord het eenige is, dat te verwachten valt en men daarom dubbele dankbaarheid schuldig zal wezen aan hem, die bekwaamheid genoeg zal hebben om een toestemmend antwoord aannemelijk te maken. In Duitschland of in Italiën zoû men ’t nimmer in ’t hoofd krijgen, zoodanige vragen te doen.Jan Janszoon Starter.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Janszoon Starter.In Duitschland noch in Italiën; maar ook niet in Nederland, zoo als het was in de eerste helft der zeventiende eeuw. Toen twijfelde niemand, landgenoot of vreemdeling, aan het zangerige en welluidende onzer taal, aan het vermogen der ingezetenen om die naar de regels der kunst en op bevallige wijze te doen hooren.Maar toen klonk dan ook nog het Nederduitsch cierlijk en lieflijk: toen bestond nog by de Nederlanders een gevoel voor muzyk en zang, dat niet door maatschappyen of genootschappen opzettelijk moest worden in ’t leven geroepen of onderhouden, maar dat zich dagelijks openbaarde en voortdurend werd aangekweekt op gastmalen en samenkomsten, ja overal, waar de gasten nu zelve de taak vrijwillig en uit eigen aandrift overnamen, vroeger door bezoldigde meistreels of speellieden vervuld.Waar een zangerige taal bestaat en behoefte aan liefelijke liederen, daar ontbreken zy ook nimmer: en zoo is er naar evenredigheid wellicht geen volk zoo rijk, als het onze gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw was, aan liedtjens, voor den zang bestemd. Talrijkis het aantal dier bundelkens, in kleinen vorm onder verschillende namen, meest onder die van „mopsjens”, gedrukt en een ruimen voorraad bevattende van die vrolijke of ernstige liederen en gezangen, welke onze voorouders, naarmate tijd, plaats of omstandigheden hen in een meer dartele of meer deftige stemming hadden gebracht, afwisselend aanhieven. Vrij wat algemeener dan tegenwoordig was, in die dagen, ik zal niet zeggen het zingen en spelen door toonkunstenaars of opzettelijke beöefenaars der muzyk, maar het zingen en spelen door byzondere personen, in den huislijken of gezelligen kring, by gastmalen en spelevaarten, op bruiloften en verjaringsfeesten. Talrijk is dan ook de rij der dichters, die de voortbrengselen van hun poëtischen luim ten beste gaven, om er genoegelijke samenkomsten mede te veraangenamen; en de Collés, de Desaugiers van die dagen kunnen met hen die later kwamen gerust de vergelijking doorstaan;—maar wie onder hen allen uitschittert, wie te recht als de geestigste en bevalligste liederzanger mag worden aangemerkt, dien niet het tijdvak van Frederik Hendrik, neen, die Nederland te eenigen dage heeft opgeleverd, is Jan Janszoon Starter.Even als Vondel, was Starter door zijn geboorte een vreemdeling, maar reeds vroeg door opvoeding, voorbeeld en eigen aandrift, Nederlander in ’t hart geworden. In 1594 had hy te Londen het eerste levenslicht aanschouwd en in het vijfde of zesde jaar der volgende eeuw was hy met zijn ouders, die tot de zoogenaamde Bruinisten behoorden, hier te lande en wel te Amsterdam gekomen. Een beschaafde opvoeding genoten hebbende, was de jonge Starter niet alleen spoedig bekend met de spraak van zijn nieuw aangenomen Vaderland, maar ook met haar verborgen schatten. Reeds op jeugdigen leeftijd schreef hy gedichten, vol losheid en zwier, en wier weelderigheid getuigt van een meesterschap over taal en uitdrukking, hoedanige niemand voor hem zich had weten te verwerven. Boezemvriend van Gerbrand Adriaensz. Bredero, streefde hy dezen in geestigen luim op zijde en overtrof hem veelal in kieschheid en welluidendheid van vorm. Even als Bredero was hy een lid en wel een volyverig lid dier zoogenaamde Oude Kamer, die kweekschool van vernuften, waar, behalve zy, ook Hooft, Coster, Vondel en zoo vele andere cieraden van den Nederduitschen Zangberg hun eerste dichtproeven deden hooren en waar later de schouwburg uit ontsproot.In 1614 naar Friesland getrokken, richtte hy aldaar te Leeuwarden een boekwinkel op en woonde als Student de lessen by der Hoogeschool te Franeker. Het was gedurende zijn verblijf aldaar dat hy die reeks van bruiloftsdichten, minnezangen en liedtjens schreef, onder den tytel van „Friesche Lusthof” tot een bundel verzameld, en even zoetvloeiend van melody als tintelend van vernuft. Niet ten onrechte noemde hem dan ook Gansneb Tengnagel, in een zijner gedichten, „den grooten Bruilofts-Hymen.” In 1620 naar Amsterdam teruggekeerd, kweet hy zich aldaar van een taak, hem door Bredero by diens uiteinde opgelegd en voltooide de „Angeniet”, door dezen begonnen. Van zijn verderen levensloop hebben zijn ondankbare tijdgenooten ons niet anders medegedeeld, dan dat hy de wapenen opgevat en in dienst gestorven is, de kleuren voerende van dien Nassauschen held, dien hy zoo vaak in zoo blijde toonen had bezongen.Even als by zijn beoordeeling van Rembrandt en Jan Steen, heeft het nageslacht by die van Starter zich langen tijd vergenoegd blindelings na te praten, wat vroeger gezegd was en daardoor tot gevolgtrekkingen te komen, alles behalve vleiend voor hem, dien zy golden. Van de beide eerstgenoemden was het zedelijk karakter aangerand, van den laatstgenoemde bovendien de aart zijner voortbrengselen, die als hoogst onkiesch waren voorgesteld. Wel is waar het was een liederlijke Campo Weyerman, door wien Rembrandt en Jan Steen belasterd werden, terwijl de aanvallen tegen Starters dichtbundel gericht werden door den vroomen en naauwgezetten Dirk Rafelsz. Camphuisen. Oppervlakkig zoû men dus zeggen, dat, mocht men al geneigd zijn, de berichten, door den eerstgemelde gegeven, te verwerpen, als komende van iemand, wiens zedelijk karakter hem onwaardig maakte, geloof te verdienen;—men daar en tegen vertrouwen kon te schenken aan hetgeen ons medegedeeld werd door een man, wiens vrome zin ons een vaste waarborg van geloofbaarheid schijnt aan te bieden. En werkelijk is zulks langen tijd algemeen het geval geweest, ja is zulks nog het geval by niet weinigen. Loosjes heeft, in zijn Maurits Lijnslager, Camphuisen ingevoerd, den blaam van onzedelijkheid werpende op den „Frieschen Lusthof” van Starter—en dat nog wel zonder eenige tegenspraak. Jeronimo de Vries vergenoegt zich, in zijne Prijsverhandeling, van Starter alleen den naam, en nog wel enkel in een aanteekening, onder een dertigtal onbeduidende namen te vermelden; Willem de Clercq, die, in zijn bekroonde beschouwing over deninvloed der vreemde letterkunde op de onze, als van zelve aanleiding had moeten vinden van den jeugdigen Brit te gewagen, die in Nederland leefde en zong, maar in wiens vaerzen de Engelsche afkomst des dichters niet te miskennen valt, Willem de Clercq zwijgt van hem geheel. Is het wonder, dat al wie, zonder Starter te kennen, een oordeel over zijn werk had op te maken, uit de afkeuring waarmede Loosjes van hem spreekt en de onverschilligheid, waarmede hem de beide andere critici behandelen, niet anders dan zeer ongunstig over hem denken moest? En toch heeft Starter noch den heftigen aanval van Camphuisen verdiend, noch de behandeling, hem door de drie andere schrijvers aangedaan. Van De Vries en De Clercq is het bekend, dat zy, afgaande op hetgeen in den Maurits Lijnslager voorkomt, niet verder hebben onderzocht: wat Loosjes betreft, die schijnt van zijn kant in het banvonnis, door Camphuisen uitgesproken, te hebben berust, en evenmin als de beide critici het veroordeelde boek gelezen te hebben: en voor den vromen dichter der zeventiende eeuw, dien ik niet verdenken mag ter kwader trouw te hebben gehandeld, weet ik geen andere verschoning aan te voeren, dan dat hy dien „Frieschen Lusthof,” om de vervaardiging waarvan hy den maker naar ’t helsche vuur zendt, nimmer onder de oogen gehad heeft, en den inhoud alleen ondersteld heeft van gelijke gehalte te zijn als een andere kleine verzameling gedichtjens van denzelfden schrijver, onder den naam van „Boertigheden” gedrukt, en werkelijk minder geschikt in een editiein usum Delphiniopgenomen te worden.—De slotsom van dit alles is, dat de „Friesche Lusthof”, achtereenvolgends gedurende twee eeuwen, zonder eenig voorafgaand onderzoek, is beöordeeld en veroordeeld geworden door mannen, die als gidsen en toongevers op het gebied der letterkunde werden aangemerkt, en dat de menigte, door hun verkeerde beschouwing misleid, geschroomd heeft, kennis te maken met een boeksken, dat in zoo zwarte kleuren was afgeschilderd, maar zich daardoor ook verstoken heeft van het voorrecht, om zich te verlustigen in echte poëzy, in de bevalligste en liefelijkste vormen voorgedragen.Maar niet altijd blijft het publiek in zijn beschouwing onrechtvaardig. Meer dan eene stem heeft zich in de laatste tijden verheven om de geschonden eer van Starter te wreken, om recht te doen wedervaren aan de voortbrengselen van zijn vernuft, om hem den dichtkrans terug te geven, die te lang aan zijn hoofd onthouden werd, en zijn liederenaan te prijzen als voorbeelden van de wijze, waarop onze taal, aan wie met haar geheimen bekend is en ze met oordeel weet te gebruiken, elke andere in zangerigheid op zijde streven kan. Mogen de pogingen, door de zoodanigen aangewend, niet vruchteloos blijven: mogen zy strekken, by velen den zucht te doen geboren worden, zich in Starters zangen te vermeien en in hem den grootsten Nederlandschen liederdichter te waardeeren, dien de geschiedenis onzer letterkunde in staat is ons aan te wijzen:—mogen toonkunstenaars zich opgewekt gevoelen, nieuwe melodyen op zijn zangen te vervaardigen, en deze laatste nog wederom meermalen, als voorheen, op blijde feestmalen en samenkomsten, door keeltjens als die van Tesselschade en Duarte worden gezongen.
Zoodra men vragen opwerpt, als b. v. „of niet onze taal even goed voor den zang geschikt is als elke andere?” of wel: „of onze Natie niet even muzykaal is als elke andere?”—dan verkondigt men reeds als van zelve, dat een ontkennend antwoord het eenige is, dat te verwachten valt en men daarom dubbele dankbaarheid schuldig zal wezen aan hem, die bekwaamheid genoeg zal hebben om een toestemmend antwoord aannemelijk te maken. In Duitschland of in Italiën zoû men ’t nimmer in ’t hoofd krijgen, zoodanige vragen te doen.
Jan Janszoon Starter.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Janszoon Starter.
Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.
Jan Janszoon Starter.
In Duitschland noch in Italiën; maar ook niet in Nederland, zoo als het was in de eerste helft der zeventiende eeuw. Toen twijfelde niemand, landgenoot of vreemdeling, aan het zangerige en welluidende onzer taal, aan het vermogen der ingezetenen om die naar de regels der kunst en op bevallige wijze te doen hooren.
Maar toen klonk dan ook nog het Nederduitsch cierlijk en lieflijk: toen bestond nog by de Nederlanders een gevoel voor muzyk en zang, dat niet door maatschappyen of genootschappen opzettelijk moest worden in ’t leven geroepen of onderhouden, maar dat zich dagelijks openbaarde en voortdurend werd aangekweekt op gastmalen en samenkomsten, ja overal, waar de gasten nu zelve de taak vrijwillig en uit eigen aandrift overnamen, vroeger door bezoldigde meistreels of speellieden vervuld.
Waar een zangerige taal bestaat en behoefte aan liefelijke liederen, daar ontbreken zy ook nimmer: en zoo is er naar evenredigheid wellicht geen volk zoo rijk, als het onze gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw was, aan liedtjens, voor den zang bestemd. Talrijkis het aantal dier bundelkens, in kleinen vorm onder verschillende namen, meest onder die van „mopsjens”, gedrukt en een ruimen voorraad bevattende van die vrolijke of ernstige liederen en gezangen, welke onze voorouders, naarmate tijd, plaats of omstandigheden hen in een meer dartele of meer deftige stemming hadden gebracht, afwisselend aanhieven. Vrij wat algemeener dan tegenwoordig was, in die dagen, ik zal niet zeggen het zingen en spelen door toonkunstenaars of opzettelijke beöefenaars der muzyk, maar het zingen en spelen door byzondere personen, in den huislijken of gezelligen kring, by gastmalen en spelevaarten, op bruiloften en verjaringsfeesten. Talrijk is dan ook de rij der dichters, die de voortbrengselen van hun poëtischen luim ten beste gaven, om er genoegelijke samenkomsten mede te veraangenamen; en de Collés, de Desaugiers van die dagen kunnen met hen die later kwamen gerust de vergelijking doorstaan;—maar wie onder hen allen uitschittert, wie te recht als de geestigste en bevalligste liederzanger mag worden aangemerkt, dien niet het tijdvak van Frederik Hendrik, neen, die Nederland te eenigen dage heeft opgeleverd, is Jan Janszoon Starter.
Even als Vondel, was Starter door zijn geboorte een vreemdeling, maar reeds vroeg door opvoeding, voorbeeld en eigen aandrift, Nederlander in ’t hart geworden. In 1594 had hy te Londen het eerste levenslicht aanschouwd en in het vijfde of zesde jaar der volgende eeuw was hy met zijn ouders, die tot de zoogenaamde Bruinisten behoorden, hier te lande en wel te Amsterdam gekomen. Een beschaafde opvoeding genoten hebbende, was de jonge Starter niet alleen spoedig bekend met de spraak van zijn nieuw aangenomen Vaderland, maar ook met haar verborgen schatten. Reeds op jeugdigen leeftijd schreef hy gedichten, vol losheid en zwier, en wier weelderigheid getuigt van een meesterschap over taal en uitdrukking, hoedanige niemand voor hem zich had weten te verwerven. Boezemvriend van Gerbrand Adriaensz. Bredero, streefde hy dezen in geestigen luim op zijde en overtrof hem veelal in kieschheid en welluidendheid van vorm. Even als Bredero was hy een lid en wel een volyverig lid dier zoogenaamde Oude Kamer, die kweekschool van vernuften, waar, behalve zy, ook Hooft, Coster, Vondel en zoo vele andere cieraden van den Nederduitschen Zangberg hun eerste dichtproeven deden hooren en waar later de schouwburg uit ontsproot.
In 1614 naar Friesland getrokken, richtte hy aldaar te Leeuwarden een boekwinkel op en woonde als Student de lessen by der Hoogeschool te Franeker. Het was gedurende zijn verblijf aldaar dat hy die reeks van bruiloftsdichten, minnezangen en liedtjens schreef, onder den tytel van „Friesche Lusthof” tot een bundel verzameld, en even zoetvloeiend van melody als tintelend van vernuft. Niet ten onrechte noemde hem dan ook Gansneb Tengnagel, in een zijner gedichten, „den grooten Bruilofts-Hymen.” In 1620 naar Amsterdam teruggekeerd, kweet hy zich aldaar van een taak, hem door Bredero by diens uiteinde opgelegd en voltooide de „Angeniet”, door dezen begonnen. Van zijn verderen levensloop hebben zijn ondankbare tijdgenooten ons niet anders medegedeeld, dan dat hy de wapenen opgevat en in dienst gestorven is, de kleuren voerende van dien Nassauschen held, dien hy zoo vaak in zoo blijde toonen had bezongen.
Even als by zijn beoordeeling van Rembrandt en Jan Steen, heeft het nageslacht by die van Starter zich langen tijd vergenoegd blindelings na te praten, wat vroeger gezegd was en daardoor tot gevolgtrekkingen te komen, alles behalve vleiend voor hem, dien zy golden. Van de beide eerstgenoemden was het zedelijk karakter aangerand, van den laatstgenoemde bovendien de aart zijner voortbrengselen, die als hoogst onkiesch waren voorgesteld. Wel is waar het was een liederlijke Campo Weyerman, door wien Rembrandt en Jan Steen belasterd werden, terwijl de aanvallen tegen Starters dichtbundel gericht werden door den vroomen en naauwgezetten Dirk Rafelsz. Camphuisen. Oppervlakkig zoû men dus zeggen, dat, mocht men al geneigd zijn, de berichten, door den eerstgemelde gegeven, te verwerpen, als komende van iemand, wiens zedelijk karakter hem onwaardig maakte, geloof te verdienen;—men daar en tegen vertrouwen kon te schenken aan hetgeen ons medegedeeld werd door een man, wiens vrome zin ons een vaste waarborg van geloofbaarheid schijnt aan te bieden. En werkelijk is zulks langen tijd algemeen het geval geweest, ja is zulks nog het geval by niet weinigen. Loosjes heeft, in zijn Maurits Lijnslager, Camphuisen ingevoerd, den blaam van onzedelijkheid werpende op den „Frieschen Lusthof” van Starter—en dat nog wel zonder eenige tegenspraak. Jeronimo de Vries vergenoegt zich, in zijne Prijsverhandeling, van Starter alleen den naam, en nog wel enkel in een aanteekening, onder een dertigtal onbeduidende namen te vermelden; Willem de Clercq, die, in zijn bekroonde beschouwing over deninvloed der vreemde letterkunde op de onze, als van zelve aanleiding had moeten vinden van den jeugdigen Brit te gewagen, die in Nederland leefde en zong, maar in wiens vaerzen de Engelsche afkomst des dichters niet te miskennen valt, Willem de Clercq zwijgt van hem geheel. Is het wonder, dat al wie, zonder Starter te kennen, een oordeel over zijn werk had op te maken, uit de afkeuring waarmede Loosjes van hem spreekt en de onverschilligheid, waarmede hem de beide andere critici behandelen, niet anders dan zeer ongunstig over hem denken moest? En toch heeft Starter noch den heftigen aanval van Camphuisen verdiend, noch de behandeling, hem door de drie andere schrijvers aangedaan. Van De Vries en De Clercq is het bekend, dat zy, afgaande op hetgeen in den Maurits Lijnslager voorkomt, niet verder hebben onderzocht: wat Loosjes betreft, die schijnt van zijn kant in het banvonnis, door Camphuisen uitgesproken, te hebben berust, en evenmin als de beide critici het veroordeelde boek gelezen te hebben: en voor den vromen dichter der zeventiende eeuw, dien ik niet verdenken mag ter kwader trouw te hebben gehandeld, weet ik geen andere verschoning aan te voeren, dan dat hy dien „Frieschen Lusthof,” om de vervaardiging waarvan hy den maker naar ’t helsche vuur zendt, nimmer onder de oogen gehad heeft, en den inhoud alleen ondersteld heeft van gelijke gehalte te zijn als een andere kleine verzameling gedichtjens van denzelfden schrijver, onder den naam van „Boertigheden” gedrukt, en werkelijk minder geschikt in een editiein usum Delphiniopgenomen te worden.—De slotsom van dit alles is, dat de „Friesche Lusthof”, achtereenvolgends gedurende twee eeuwen, zonder eenig voorafgaand onderzoek, is beöordeeld en veroordeeld geworden door mannen, die als gidsen en toongevers op het gebied der letterkunde werden aangemerkt, en dat de menigte, door hun verkeerde beschouwing misleid, geschroomd heeft, kennis te maken met een boeksken, dat in zoo zwarte kleuren was afgeschilderd, maar zich daardoor ook verstoken heeft van het voorrecht, om zich te verlustigen in echte poëzy, in de bevalligste en liefelijkste vormen voorgedragen.
Maar niet altijd blijft het publiek in zijn beschouwing onrechtvaardig. Meer dan eene stem heeft zich in de laatste tijden verheven om de geschonden eer van Starter te wreken, om recht te doen wedervaren aan de voortbrengselen van zijn vernuft, om hem den dichtkrans terug te geven, die te lang aan zijn hoofd onthouden werd, en zijn liederenaan te prijzen als voorbeelden van de wijze, waarop onze taal, aan wie met haar geheimen bekend is en ze met oordeel weet te gebruiken, elke andere in zangerigheid op zijde streven kan. Mogen de pogingen, door de zoodanigen aangewend, niet vruchteloos blijven: mogen zy strekken, by velen den zucht te doen geboren worden, zich in Starters zangen te vermeien en in hem den grootsten Nederlandschen liederdichter te waardeeren, dien de geschiedenis onzer letterkunde in staat is ons aan te wijzen:—mogen toonkunstenaars zich opgewekt gevoelen, nieuwe melodyen op zijn zangen te vervaardigen, en deze laatste nog wederom meermalen, als voorheen, op blijde feestmalen en samenkomsten, door keeltjens als die van Tesselschade en Duarte worden gezongen.