LAURENS REAEL.Onder de voortreflijke afbeeldingen, welke het penceel der bekwame schilders uit de zeventiende eeuw ons van de meest beroemden onder hunne tijdgenooten heeft nagelaten, is er naauwlijks eene, die, by den eersten blik, welken men er op slaat, zulk een gunstigen indruk te weeg brengt, en die ons, hoe langer wy er op staren, meer doet gevoelen, dat de man, dien zy voorstelt, schrander, geestig, beminlijk, groot en goed moet zijn geweest, als de afbeelding, door Thomas de Keyser vervaardigd, van Laurens Reael.Laurens Reael.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Laurens Reael.En gewis, het penceel des kunstenaars heeft niet gelogen: want, hoe vele groote mannen het tijdvak van Frederik Hendrik ook hebbe opgeleverd, niet een, die veelzijdiger verdiensten bezeten en in meer onderscheiden werkkring uitgeschitterd heeft, dan Reael: en in zoo verre mag men hem aanmerken als den type van dat tijdvak zelf en van de Natie, welke hy, op de vloot, in den strijd, in de vergelegen Nederzettingen en aan de Hoven der Vorsten vertegenwoordigde.Op den 20stenOctober 1583 was Reael te Amsterdam geboren, waar zijn vader, Laurens Jakobsz., vroeger graanhandelaar te Dantzich, zich gevestigd en een huis betrokken had op het Water, aan de Papenbrug, in de „gouden Reael,” waar hy zijn toenaam van ontleende. Reeds voorlang de leer der Hervormden omhelsd hebbende, was hy een der zes vermogende burgers, die in 1568 de openbare prediking bevorderden. Groot was zijn invloed by de burgery, en belangrijk waren zijn verrichtingen in de woelige tijden, welke Amsterdam had door te worstelen. Zijn yver om den beeldestorm voor te komen, de pogingen, door hem, op verzoek der Stads-Overheid, in ’t werk gesteld, om, met eigen lijfsgevaar, een uitgebarsten oproer te stillen, zijn wijze gedragingen tegenover denonrustigen Hendrik van Brederode, zijn onbekrompen edelmoedigheid, betoond in ’t leenen eener som van ƒ 10,000 aan Prins Willem I, het kloek beleid, door hem, als Kolonel der Schuttery, gedurende Leycesters verblijf te Amsterdam aan den dag gelegd, dit alles te samen had hem by zijn stadgenooten zoo wel als elders een aanzien doen verwerven, dat natuurlijk ook zijn kinderen ter aanbeveling strekken moest.Zelf beminnaar en beöefenaar der letterkunde, welke hy ook als Lid der Oude Kamer voorstond, verzuimde Laurens Jakobsz. niets, wat dienen kon, om aan zijn kinderen een treflijke opvoeding te geven. Van Laurens, zijn jongste spruit, is het althands zeker, dat hy, behalve in de Latijnsche en Grieksche, ook in de Engelsche, Fransche en Italiaansche talen onderwijs genoot, en aan Leydens Hoogeschool de rechtsgeleerdheid bestudeerde.Zijn reeds bejaarden vader verloren hebbende, toen hy nog maar zeventien jaren bereikt had, vond de jonge Laurens vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders, maar vooral in zijn zwager, den beroemden Arminius, die zijn leidsman werd op het veld der letteren, gelijk de geleerde Snellius op dat der wiskunde, in welke wetenschap hy spoedig belangrijke vorderingen maakte. Weldra echter—in 1609—overleed Arminius, wiens dood Reael in een Latijnsch gedicht bezong, dat beiden zijn bekwaamheid en zijn hart tot eer verstrekte.—Grooteren lof nog verwierf hy zich door het bespelen der Nederduitsche lier, en wakker handhaafde hy zijns vaders roem by diens vrienden uit de Kamer „In Liefde Bloeyende.” By Roemer Visscher was de vernuftige jongeling een welkome gast: met diens dochters Anna en Geertruida, hem gelijk in jaren, wedyverde hy om den dichtgeest der jeugdige Tesselschade aan te kweeken: en met Hooft, dien hy aldaar leerde kennen, sloot hy een vriendschap, die tot zijn dood heeft geduurd.De zoon van Laurens Jakobsz. en de zwager van Arminius behoefde zich in die dagen niet verlegen te maken, dat hem de gelegenheid ontbreken zoû, om vooruit te komen. Reeds spoedig zag hy zich te ’s Gravenhage in een eervolle betrekking by het Bestuur der geldmiddelen geplaatst. Zijn bekwaamheid en doorzicht werden opgemerkt door Oldenbarneveldt: hy won diens vertrouwen, en toen, in 1609, het belang der jeugdige Oost-Indische Maatschappy medebracht, dat er iemand naar Indiën gezonden wierd, met geestkracht, moed en kennis toegerust, beval Oldenbarneveldt Reael by Bewindhebberen aan. Eenaanbeveling van ’s Lands Advokaat stond aan een bevel gelijk: en zoo gebeurde het, dat de kweekeling der Muzen, op acht-en-twintig jarigen leeftijd, als Kommandeur met vier schepen naar de Molukken vertrok. Hy stelde het hem geschonken vertrouwen en de verwachtingen, welke men van hem koesterde, niet te leur: gedurende den tijd, dat hy in genoemde Eilanden met het gezach bekleed bleef, bewees hy gewichtige diensten aan de Maatschappy, veroverde vesting na vesting op de aldaar gezeten Spanjaarts, bezette verscheiden kleine eilanden, deed door de inlanders Vorsten verkiezen, aan de belangen der Maatschappy verknocht, en vestigde den handel in streken, waar vroeger onze vlag zich nimmer had vertoond. Geen wonder dan ook, dat, toen de Gouverneur-Generaal Reynst in 1616 overleed, Reael met eenparigheid van stemmen in diens plaats werd gekozen.De tijd van zijn bestuur was een te voren in de Oost ongekend tijdperk van orde en rust. Met zijn bondgenooten leefde Reael in vrede, en hy werd van zijn vyanden ontzien. Den handel zoowel als het krediet onzer Natie wist hy door zijn maatregelen te verheffen en de Ambtenaren door ontzach in toom te houden. „Dat heet eerst regeeren,” zeide Hooft van hem. Het beloop der retoeren ten tijde van zijn bestuur bedroeg dan ook het dubbel van dat van vorige jaren. Niet lang echter bleef hy aan ’t hoofd der zaken geplaatst. Hy verzocht en verkreeg zijn ontslag, droeg in July 1618 het bewind over aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pieterszoon Koen, doch nam de terugreis niet aan, dan na dezen door zijn ervaring en raad ondersteund te hebben by het fnuiken van den tegenstand, door Engelschen en Javanen geboden by het stichten van Batavia. In Augustus 1619 van daar vertrokken, kwam hy, in ’t begin des volgenden jaars, behouden in ’t vaderland aan. Dan, hoe vond hy alles aldaar veranderd! Hy was vertrokken, toen de beginselen, door zijn zwager en leermeester Arminius in ’t kerkelijke, door zijn beschermer Oldenbarneveldt in ’t staatkundige voorgestaan, als wet en regel golden;—hy vond, by zijn terugkomst, de aanhangers van beiden vervolgd, gekerkerd, gebannen, zijn voornaamste vrienden en weldoeners uit de gestoelten der eere geschopt, Oldenbarneveldt zelven onthalsd. Was het vreemd, dat de bitterste aandoeningen van smart en verontwaardiging de ziel des fijngevoeligen mans vervulden, dat hy lucht daaraan gaf in een Latijnsche elegie „over de rampen van het vaderland,” en eerlang ook in dichtvruchten van anderen aart? Maar evenmin zalhet iemand verwonderen, dat voor den erkenden aanhanger van ’s Lands Advokaat de weg tot alle ambten voor ’t oogenblik gesloten was, dat Hooft in 1623 vergeefs moeite deed, om hem tot Afgezant naar Venetiën te doen benoemen, ja, dat, toen men in dat zelfde jaar onderhandelaars benoemde, om de geschillen te vereffenen tusschen de Hollandsche en Engelsche Maatschappyen, Reael niet tot dat getal behoorde. Hy-zelf verlangde op dat tijdstip wellicht ook geen bemoeying met staatsbeslommeringen, en zich, op een landhuis naby de Beverwijk, in de buurt van dat van zijn geleerden en beminlijken vriend Laurens Baeck, hebbende nedergezet, sleet hy zijn dagen een tijd lang buiten alle zaken. Doch een man als hy kon niet werkeloos zijn. Hy gaf een belangrijk boekjen uit, ten tytel voerende: „Raad voor hem, die zich naar Indiën begeven wil.” Maar bovendien hield hy met Vondel, Hooft en De Huybert geregelde byeenkomsten, waar over de moedertaal gehandeld werd. Men stelde hier verscheiden regels, waaraan men zich in het dichten en schrijven had te houden: met name over het stuk der taalschikking, der te-samenvoeging der woorden, over het onderscheid der geslachten, de verbuiging en spelling der woorden: alle zaken, waarover men destijds nog maar weinig in ’t licht gegeven en zelfs weinig nagedacht had. Voorts vervaardigde hy met Hooft, in 1625, een vertaling van Senekaas Troades, die Vondel in verzen bracht, en schreef bytende hekeldichten, goed genoeg om voor werk van Vondel door te gaan, en by de uitgave van diens Poëzy als zoodanig daarin te worden opgenomen.De tijd stond echter aan te breken, waarop hy de zoete letteroefeningen weder af zoû wisselen met een meer bedrijvig leven. Frederik Hendrik was aan ’t bewind gekomen, en hy kon een man als Reael niet ongebruikt laten. Een vloot moest worden afgezonden, die, in verband met die der Engelschen, een poging aan zoû wenden, om den Spanjaart op eigen kusten te bestoken. Willem van Nassau, de wakkere zoon van Maurits, was destijds Amiraal van Holland; doch men achtte het dienstig, hem een raadsman ter zijde te stellen, die aan moed en vastheid van geest ook beproefde ervaring en kennis paarde, en, daar gehechtheid aan een vroeger stelsel niet meer als reden van uitsluiting gelden kon, sloeg men het oog op Reael, die, na eenig beraad, zich de benoeming tot Vice-Amiraal liet welgevallen. De tocht had,—gelijk trouwens altijd het geval was met zeetochten, in vereeniging met de Engelschen ondernomen—geen merkwaardige gevolgen; doch, dat de besteverstandhoudingtusschen de beide Hollandsche Vlootvoogden bleef heerschen, blijkt o. a. uit de omstandigheid, dat, toen de jeugdige Amiraal voor Grol werd doodgeschoten, Reael hem met een aandoenlijk lijkdicht in ’t Nederduitsch herdacht, en met een keurig Latijnsch grafschrift:Nassovium dum terra sibi, sibi vindicat æquor,Has cælum lites solvit, utrique negat.’t welk hy-zelf aldus vertolkte:Terwyl zee tegen lantOm Nassau is gekant,Komt haar de Hemel scheydenEn gunt hem geen van beyden.Dadelijk na zijn terugkomst in ’t Vaderland, was Reael aangesteld tot Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, welke betrekking hy tot aan het eind zijner dagen vervulde: zoo eenige betrekking, was deze voor hem geschikt, en hem komt voorzeker geen gering deel toe van de voordeelige uitkomsten, welke, ten gevolge der goede orde en der zorgen van ’t Bewind, de zaken van dat lichaam opleverden.Reeds kort nadat Reael het genoemde ambt aanvaard had, werd hem een schijnbaar alleen vereerende, doch in de daad zeer netelige taak opgedragen. In 1626 werd hy, namelijk, naar Engeland gezonden, om Karel I, by diens krooning, te begroeten. Aan dezen openbaren last was een geheime verbonden, te weten om te Londen pogingen aan te wenden tot het byleggen der geschillen, tusschen de Engelschen en Hollandsche Maatschappyen gerezen, over de bekende zaak van Amboina. Welken uitslag zijne bemoeyingen hadden, kunnen wy niet bepalen; zeker is het, dat zijn handelingen den Koning niet ongevallig waren, die hem tot Ridder sloeg en in den adelstand verhief.In Duitschland woedde het oorlogsvuur, en de Keizer, wiens wapenen, onder den groote Wallenstein, hoogst voorspoedig waren, had de meeste plaatsen aan de Oostzee bezet. De Staten van Holland, de nadeelen hiervan voor onzen handel inziende, drongen er op aan, dat men een bekwamen onderhandelaar naar Denemarken zoû zenden, ten einde die Mogendheid te bewegen, de vorderingen van Oostenrijk tegen te staan. Reael werd met dien last vereerd en stak, in 1628, met een oorlogschip van den Staat naar Koppenhagen over. ’t Was hierop, dat Vondelzinspeelde, toen hy het navolgende byschrift onder ’s mans afbeelding plaatste:Zoo maelde een Keysers hant den wackeren Reael,Den Ridder, den Gesant, den grooten Generael,Voorsien met breyn in ’t hooft, met oorloghsmoet in ’t harte.’t Was hy, die Spanjen op sijn eygenbodemtartte.Vaer heen, gelauwert hooft, geluckelijck door zeeEn breng voor ’t Vaderlant ontelbre kranssen meê.De wenschen des dichters werden niet vervuld. Het zij, dat Reael door de geslepen Staatsdienaars van den Keizer by den Koning van Denemarken was voorgekomen, ’t zij dat het Deensche Hof, indachtig aan de fabel van het Paard en den Man, het gevaar inzag eener hulp van bondgenooten, Reael slaagde niet in zijn zending, en, met hoe vele eerbewijzigingen ook ontfangen, hy kon geen traktaat tot stand brengen. Integendeel maakten de beide Monarchen eerlang vrede met elkander. Niet alleen had Reael alzoo het doel zijner zending gemist, maar hy moest nog verderen tegenspoed ondervinden. Op zijn terugreize naar het Vaderland leed hy schipbreuk, op de kust van Jutland. Wel kwam hy, met groot gevaar, aan wal, maar om in een anderen tegenspoed te vervallen. De plaats, waar hy aanlandde, was door de Keizerschen bezet. Hun Veldheer, onderstellende, dat de Gezant, zoo hy in Holland keerde, de Staten tot eenige onderneming tegen het Keizerrijk zoû aansporen, hield niet alleen Reael gevangen, maar zond hem zelfs naar Weenen op. Het duurde tot aan ’t volgend jaar, eer hy ontslagen werd, zoo men wil, ten gevolge der voorspraak van de Jezuiëten aldaar, door Roomsgezinde Hollandsche kooplieden te zijnen behoeve aangezocht. Zeker is het, dat hy te Weenen met eerbied werd behandeld: naar de getuigenis eens schrijvers, kwam hy er als gevangene, maar vertrok als een Vorst. Weinig dagen na zijn terugkomst in Holland, die in Maart 1629 plaats had, gaf hy by de Staten-Generaal verslag van zijn verrichtingen, en verwierf den dank en de goedkeuring van zijn lastgevers.Na zoo vele lotswisselingen is het geen wonder, dat Reael naar de genoegens van het huislijk leven begon te verlangen. Hy trad in den echt met Suzanna de Moor, de nog jeugdige weduwe van Hendrik de Picker, een aanzienlijk Amsterdamsch koopman: en, zoo haar zielshoedanigheden beäntwoordden aan haar bekoorlijkheden, gelijk het penceel van De Keyser ze heeft vereeuwigd, zoo moet, naast zulk een wederhelft,zijn lot wel gelukkig zijn geweest. Dat hy zich ook zoo gevoelde, blijkt uit de verandering, die zich van dat tijdstip af in zijn levenswijze openbaarde: zoo geheel was hy aan zijn huis gehecht, dat zelfs zijn beste vrienden hem ter naauwernood meer zagen. „Toen hy in de hel van Weenen lag,” schrijft Hooft, „spoelde de vergetelbeek my niet uit zijn gedachte. Nu schijnt men hem quijt met lijf en met ziel. Ik denk niet, dat die doorluchtige sinnen, gelijk ze ’t zijner tyd de hebbelijkheid hadden om zich tot behelzing der grootste zaaken uit te rekken, alzoo zich nu weeten in te krimpen, dat ze in een luiermand schuilen kunnen en zich aan het toestellen derzelver te kost leggen, gelijk Tasso zeit van een oudt soldaat:De zoete naam van vaader en gemaalHadt nu geweekt zijn braave borst van staal.”In het volgende jaar werd Reael Lid van de Vroedschap te Amsterdam, later Kommissaris tot de Wisselbank, Weesmeester en Schepen. Voorts bleef hy den tijd, die hem van zijn ambtsbezigheden overschoot, aan zijn meest geliefde studie, de wiskunde, toewijden, vooral met toepassing op de zeevaart. Veel bracht hy hierover op ’t papier, waaronder eenige hoogst belangrijke „Aanteekeningen over den magneetsteen en de magnetische kracht der aarde.” In 1636 was hy het, aan wien, op aanbeveling van De Groot, de beroemde Galileus Galilei zich richtte, ten einde een gewichtige uitvinding, om de lengte op zee te vinden, by de Staten Generaal in te dienen. Hy deed dit, en werd door hen, met Willem Blaeu, Martinus Hortensius, Golius en Beeckman, in kommissie gesteld, om de zaak te onderzoeken. Dit had aanleiding gegeven tot een allerbelangrijkste briefwisseling tusschen hem en Beeckman, die echter, ten gevolge van het overlijden van de meesten, die in de zaak betrokken waren, geen gevolgen had.Het huwelijk van Reael was met twee zonen gezegend geweest en hy had alle reden, om zich gelukkig te noemen in het hem beschikte lot, toen zich op eens het uitzicht voordeed, dat hy zijn stille en rustige levenswijze nogmaals tegen een woelige en gevaarlijke—hoezeer dan ook schitterende—loopbaan zoû verwisselen. Filips van Dorp had in 1637 als Luitenant-Amiraal van Holland zijn ontslag bekomen, en niemand was er hier te lande, die niet luide of in stilte den wensch herhaalde, door Hooft gedaan, „dat het scheeprijkst en strijdbaarst volk aan eenAmiraal met hart en harsenen geraken mocht.” Een zestal personen, welke men voor de opengevallen plaatsen meest geschikt achtte, werd aan den Prins voorgedragen, om er een uit te kiezen. De eerste twee op deze lijst waren Reael en Tromp: en daar de Staten van Holland den eerstgemelde met byzonderen aandrang by den Prins voorstonden, was het hoogstwaarschijnlijk, ja genoegzaam zeker, dat hem deze luisterrijke bediening zoû worden opgedragen. Maar anders was het in Gods raad besloten. Een besmetlijke ziekte, die omtrent dezen tijd in Amsterdam woedde, trof ook zijn huis: zijn beide zoontjens werden achtereenvolgens aan zijn hoop en aan zijn hart ontrukt, en die treffende slag deed hem zoo zeer aan, dat hy eerlang tot een volslagen lusteloosheid verviel, zoo zelfs, dat verscheidene brieven, waaronder een van Galilei, ongeopend bleven liggen. By de ongesteldheid van zijn geest, kwam een heete koorts zich voegen, die op den 10denOctober van dat jaar—1637—een einde maakte aan zijn nuttig en werkzaam leven. Diep werd zijn dood betreurd, ja als een algemeene ramp beschouwd. Gelukkig nog het Vaderland, dat, toen het hem verloor, althands in één opzicht, een waardigen plaatsvervanger voor hem mocht zien optreden in Marten Harpertszoon Tromp.
LAURENS REAEL.Onder de voortreflijke afbeeldingen, welke het penceel der bekwame schilders uit de zeventiende eeuw ons van de meest beroemden onder hunne tijdgenooten heeft nagelaten, is er naauwlijks eene, die, by den eersten blik, welken men er op slaat, zulk een gunstigen indruk te weeg brengt, en die ons, hoe langer wy er op staren, meer doet gevoelen, dat de man, dien zy voorstelt, schrander, geestig, beminlijk, groot en goed moet zijn geweest, als de afbeelding, door Thomas de Keyser vervaardigd, van Laurens Reael.Laurens Reael.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Laurens Reael.En gewis, het penceel des kunstenaars heeft niet gelogen: want, hoe vele groote mannen het tijdvak van Frederik Hendrik ook hebbe opgeleverd, niet een, die veelzijdiger verdiensten bezeten en in meer onderscheiden werkkring uitgeschitterd heeft, dan Reael: en in zoo verre mag men hem aanmerken als den type van dat tijdvak zelf en van de Natie, welke hy, op de vloot, in den strijd, in de vergelegen Nederzettingen en aan de Hoven der Vorsten vertegenwoordigde.Op den 20stenOctober 1583 was Reael te Amsterdam geboren, waar zijn vader, Laurens Jakobsz., vroeger graanhandelaar te Dantzich, zich gevestigd en een huis betrokken had op het Water, aan de Papenbrug, in de „gouden Reael,” waar hy zijn toenaam van ontleende. Reeds voorlang de leer der Hervormden omhelsd hebbende, was hy een der zes vermogende burgers, die in 1568 de openbare prediking bevorderden. Groot was zijn invloed by de burgery, en belangrijk waren zijn verrichtingen in de woelige tijden, welke Amsterdam had door te worstelen. Zijn yver om den beeldestorm voor te komen, de pogingen, door hem, op verzoek der Stads-Overheid, in ’t werk gesteld, om, met eigen lijfsgevaar, een uitgebarsten oproer te stillen, zijn wijze gedragingen tegenover denonrustigen Hendrik van Brederode, zijn onbekrompen edelmoedigheid, betoond in ’t leenen eener som van ƒ 10,000 aan Prins Willem I, het kloek beleid, door hem, als Kolonel der Schuttery, gedurende Leycesters verblijf te Amsterdam aan den dag gelegd, dit alles te samen had hem by zijn stadgenooten zoo wel als elders een aanzien doen verwerven, dat natuurlijk ook zijn kinderen ter aanbeveling strekken moest.Zelf beminnaar en beöefenaar der letterkunde, welke hy ook als Lid der Oude Kamer voorstond, verzuimde Laurens Jakobsz. niets, wat dienen kon, om aan zijn kinderen een treflijke opvoeding te geven. Van Laurens, zijn jongste spruit, is het althands zeker, dat hy, behalve in de Latijnsche en Grieksche, ook in de Engelsche, Fransche en Italiaansche talen onderwijs genoot, en aan Leydens Hoogeschool de rechtsgeleerdheid bestudeerde.Zijn reeds bejaarden vader verloren hebbende, toen hy nog maar zeventien jaren bereikt had, vond de jonge Laurens vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders, maar vooral in zijn zwager, den beroemden Arminius, die zijn leidsman werd op het veld der letteren, gelijk de geleerde Snellius op dat der wiskunde, in welke wetenschap hy spoedig belangrijke vorderingen maakte. Weldra echter—in 1609—overleed Arminius, wiens dood Reael in een Latijnsch gedicht bezong, dat beiden zijn bekwaamheid en zijn hart tot eer verstrekte.—Grooteren lof nog verwierf hy zich door het bespelen der Nederduitsche lier, en wakker handhaafde hy zijns vaders roem by diens vrienden uit de Kamer „In Liefde Bloeyende.” By Roemer Visscher was de vernuftige jongeling een welkome gast: met diens dochters Anna en Geertruida, hem gelijk in jaren, wedyverde hy om den dichtgeest der jeugdige Tesselschade aan te kweeken: en met Hooft, dien hy aldaar leerde kennen, sloot hy een vriendschap, die tot zijn dood heeft geduurd.De zoon van Laurens Jakobsz. en de zwager van Arminius behoefde zich in die dagen niet verlegen te maken, dat hem de gelegenheid ontbreken zoû, om vooruit te komen. Reeds spoedig zag hy zich te ’s Gravenhage in een eervolle betrekking by het Bestuur der geldmiddelen geplaatst. Zijn bekwaamheid en doorzicht werden opgemerkt door Oldenbarneveldt: hy won diens vertrouwen, en toen, in 1609, het belang der jeugdige Oost-Indische Maatschappy medebracht, dat er iemand naar Indiën gezonden wierd, met geestkracht, moed en kennis toegerust, beval Oldenbarneveldt Reael by Bewindhebberen aan. Eenaanbeveling van ’s Lands Advokaat stond aan een bevel gelijk: en zoo gebeurde het, dat de kweekeling der Muzen, op acht-en-twintig jarigen leeftijd, als Kommandeur met vier schepen naar de Molukken vertrok. Hy stelde het hem geschonken vertrouwen en de verwachtingen, welke men van hem koesterde, niet te leur: gedurende den tijd, dat hy in genoemde Eilanden met het gezach bekleed bleef, bewees hy gewichtige diensten aan de Maatschappy, veroverde vesting na vesting op de aldaar gezeten Spanjaarts, bezette verscheiden kleine eilanden, deed door de inlanders Vorsten verkiezen, aan de belangen der Maatschappy verknocht, en vestigde den handel in streken, waar vroeger onze vlag zich nimmer had vertoond. Geen wonder dan ook, dat, toen de Gouverneur-Generaal Reynst in 1616 overleed, Reael met eenparigheid van stemmen in diens plaats werd gekozen.De tijd van zijn bestuur was een te voren in de Oost ongekend tijdperk van orde en rust. Met zijn bondgenooten leefde Reael in vrede, en hy werd van zijn vyanden ontzien. Den handel zoowel als het krediet onzer Natie wist hy door zijn maatregelen te verheffen en de Ambtenaren door ontzach in toom te houden. „Dat heet eerst regeeren,” zeide Hooft van hem. Het beloop der retoeren ten tijde van zijn bestuur bedroeg dan ook het dubbel van dat van vorige jaren. Niet lang echter bleef hy aan ’t hoofd der zaken geplaatst. Hy verzocht en verkreeg zijn ontslag, droeg in July 1618 het bewind over aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pieterszoon Koen, doch nam de terugreis niet aan, dan na dezen door zijn ervaring en raad ondersteund te hebben by het fnuiken van den tegenstand, door Engelschen en Javanen geboden by het stichten van Batavia. In Augustus 1619 van daar vertrokken, kwam hy, in ’t begin des volgenden jaars, behouden in ’t vaderland aan. Dan, hoe vond hy alles aldaar veranderd! Hy was vertrokken, toen de beginselen, door zijn zwager en leermeester Arminius in ’t kerkelijke, door zijn beschermer Oldenbarneveldt in ’t staatkundige voorgestaan, als wet en regel golden;—hy vond, by zijn terugkomst, de aanhangers van beiden vervolgd, gekerkerd, gebannen, zijn voornaamste vrienden en weldoeners uit de gestoelten der eere geschopt, Oldenbarneveldt zelven onthalsd. Was het vreemd, dat de bitterste aandoeningen van smart en verontwaardiging de ziel des fijngevoeligen mans vervulden, dat hy lucht daaraan gaf in een Latijnsche elegie „over de rampen van het vaderland,” en eerlang ook in dichtvruchten van anderen aart? Maar evenmin zalhet iemand verwonderen, dat voor den erkenden aanhanger van ’s Lands Advokaat de weg tot alle ambten voor ’t oogenblik gesloten was, dat Hooft in 1623 vergeefs moeite deed, om hem tot Afgezant naar Venetiën te doen benoemen, ja, dat, toen men in dat zelfde jaar onderhandelaars benoemde, om de geschillen te vereffenen tusschen de Hollandsche en Engelsche Maatschappyen, Reael niet tot dat getal behoorde. Hy-zelf verlangde op dat tijdstip wellicht ook geen bemoeying met staatsbeslommeringen, en zich, op een landhuis naby de Beverwijk, in de buurt van dat van zijn geleerden en beminlijken vriend Laurens Baeck, hebbende nedergezet, sleet hy zijn dagen een tijd lang buiten alle zaken. Doch een man als hy kon niet werkeloos zijn. Hy gaf een belangrijk boekjen uit, ten tytel voerende: „Raad voor hem, die zich naar Indiën begeven wil.” Maar bovendien hield hy met Vondel, Hooft en De Huybert geregelde byeenkomsten, waar over de moedertaal gehandeld werd. Men stelde hier verscheiden regels, waaraan men zich in het dichten en schrijven had te houden: met name over het stuk der taalschikking, der te-samenvoeging der woorden, over het onderscheid der geslachten, de verbuiging en spelling der woorden: alle zaken, waarover men destijds nog maar weinig in ’t licht gegeven en zelfs weinig nagedacht had. Voorts vervaardigde hy met Hooft, in 1625, een vertaling van Senekaas Troades, die Vondel in verzen bracht, en schreef bytende hekeldichten, goed genoeg om voor werk van Vondel door te gaan, en by de uitgave van diens Poëzy als zoodanig daarin te worden opgenomen.De tijd stond echter aan te breken, waarop hy de zoete letteroefeningen weder af zoû wisselen met een meer bedrijvig leven. Frederik Hendrik was aan ’t bewind gekomen, en hy kon een man als Reael niet ongebruikt laten. Een vloot moest worden afgezonden, die, in verband met die der Engelschen, een poging aan zoû wenden, om den Spanjaart op eigen kusten te bestoken. Willem van Nassau, de wakkere zoon van Maurits, was destijds Amiraal van Holland; doch men achtte het dienstig, hem een raadsman ter zijde te stellen, die aan moed en vastheid van geest ook beproefde ervaring en kennis paarde, en, daar gehechtheid aan een vroeger stelsel niet meer als reden van uitsluiting gelden kon, sloeg men het oog op Reael, die, na eenig beraad, zich de benoeming tot Vice-Amiraal liet welgevallen. De tocht had,—gelijk trouwens altijd het geval was met zeetochten, in vereeniging met de Engelschen ondernomen—geen merkwaardige gevolgen; doch, dat de besteverstandhoudingtusschen de beide Hollandsche Vlootvoogden bleef heerschen, blijkt o. a. uit de omstandigheid, dat, toen de jeugdige Amiraal voor Grol werd doodgeschoten, Reael hem met een aandoenlijk lijkdicht in ’t Nederduitsch herdacht, en met een keurig Latijnsch grafschrift:Nassovium dum terra sibi, sibi vindicat æquor,Has cælum lites solvit, utrique negat.’t welk hy-zelf aldus vertolkte:Terwyl zee tegen lantOm Nassau is gekant,Komt haar de Hemel scheydenEn gunt hem geen van beyden.Dadelijk na zijn terugkomst in ’t Vaderland, was Reael aangesteld tot Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, welke betrekking hy tot aan het eind zijner dagen vervulde: zoo eenige betrekking, was deze voor hem geschikt, en hem komt voorzeker geen gering deel toe van de voordeelige uitkomsten, welke, ten gevolge der goede orde en der zorgen van ’t Bewind, de zaken van dat lichaam opleverden.Reeds kort nadat Reael het genoemde ambt aanvaard had, werd hem een schijnbaar alleen vereerende, doch in de daad zeer netelige taak opgedragen. In 1626 werd hy, namelijk, naar Engeland gezonden, om Karel I, by diens krooning, te begroeten. Aan dezen openbaren last was een geheime verbonden, te weten om te Londen pogingen aan te wenden tot het byleggen der geschillen, tusschen de Engelschen en Hollandsche Maatschappyen gerezen, over de bekende zaak van Amboina. Welken uitslag zijne bemoeyingen hadden, kunnen wy niet bepalen; zeker is het, dat zijn handelingen den Koning niet ongevallig waren, die hem tot Ridder sloeg en in den adelstand verhief.In Duitschland woedde het oorlogsvuur, en de Keizer, wiens wapenen, onder den groote Wallenstein, hoogst voorspoedig waren, had de meeste plaatsen aan de Oostzee bezet. De Staten van Holland, de nadeelen hiervan voor onzen handel inziende, drongen er op aan, dat men een bekwamen onderhandelaar naar Denemarken zoû zenden, ten einde die Mogendheid te bewegen, de vorderingen van Oostenrijk tegen te staan. Reael werd met dien last vereerd en stak, in 1628, met een oorlogschip van den Staat naar Koppenhagen over. ’t Was hierop, dat Vondelzinspeelde, toen hy het navolgende byschrift onder ’s mans afbeelding plaatste:Zoo maelde een Keysers hant den wackeren Reael,Den Ridder, den Gesant, den grooten Generael,Voorsien met breyn in ’t hooft, met oorloghsmoet in ’t harte.’t Was hy, die Spanjen op sijn eygenbodemtartte.Vaer heen, gelauwert hooft, geluckelijck door zeeEn breng voor ’t Vaderlant ontelbre kranssen meê.De wenschen des dichters werden niet vervuld. Het zij, dat Reael door de geslepen Staatsdienaars van den Keizer by den Koning van Denemarken was voorgekomen, ’t zij dat het Deensche Hof, indachtig aan de fabel van het Paard en den Man, het gevaar inzag eener hulp van bondgenooten, Reael slaagde niet in zijn zending, en, met hoe vele eerbewijzigingen ook ontfangen, hy kon geen traktaat tot stand brengen. Integendeel maakten de beide Monarchen eerlang vrede met elkander. Niet alleen had Reael alzoo het doel zijner zending gemist, maar hy moest nog verderen tegenspoed ondervinden. Op zijn terugreize naar het Vaderland leed hy schipbreuk, op de kust van Jutland. Wel kwam hy, met groot gevaar, aan wal, maar om in een anderen tegenspoed te vervallen. De plaats, waar hy aanlandde, was door de Keizerschen bezet. Hun Veldheer, onderstellende, dat de Gezant, zoo hy in Holland keerde, de Staten tot eenige onderneming tegen het Keizerrijk zoû aansporen, hield niet alleen Reael gevangen, maar zond hem zelfs naar Weenen op. Het duurde tot aan ’t volgend jaar, eer hy ontslagen werd, zoo men wil, ten gevolge der voorspraak van de Jezuiëten aldaar, door Roomsgezinde Hollandsche kooplieden te zijnen behoeve aangezocht. Zeker is het, dat hy te Weenen met eerbied werd behandeld: naar de getuigenis eens schrijvers, kwam hy er als gevangene, maar vertrok als een Vorst. Weinig dagen na zijn terugkomst in Holland, die in Maart 1629 plaats had, gaf hy by de Staten-Generaal verslag van zijn verrichtingen, en verwierf den dank en de goedkeuring van zijn lastgevers.Na zoo vele lotswisselingen is het geen wonder, dat Reael naar de genoegens van het huislijk leven begon te verlangen. Hy trad in den echt met Suzanna de Moor, de nog jeugdige weduwe van Hendrik de Picker, een aanzienlijk Amsterdamsch koopman: en, zoo haar zielshoedanigheden beäntwoordden aan haar bekoorlijkheden, gelijk het penceel van De Keyser ze heeft vereeuwigd, zoo moet, naast zulk een wederhelft,zijn lot wel gelukkig zijn geweest. Dat hy zich ook zoo gevoelde, blijkt uit de verandering, die zich van dat tijdstip af in zijn levenswijze openbaarde: zoo geheel was hy aan zijn huis gehecht, dat zelfs zijn beste vrienden hem ter naauwernood meer zagen. „Toen hy in de hel van Weenen lag,” schrijft Hooft, „spoelde de vergetelbeek my niet uit zijn gedachte. Nu schijnt men hem quijt met lijf en met ziel. Ik denk niet, dat die doorluchtige sinnen, gelijk ze ’t zijner tyd de hebbelijkheid hadden om zich tot behelzing der grootste zaaken uit te rekken, alzoo zich nu weeten in te krimpen, dat ze in een luiermand schuilen kunnen en zich aan het toestellen derzelver te kost leggen, gelijk Tasso zeit van een oudt soldaat:De zoete naam van vaader en gemaalHadt nu geweekt zijn braave borst van staal.”In het volgende jaar werd Reael Lid van de Vroedschap te Amsterdam, later Kommissaris tot de Wisselbank, Weesmeester en Schepen. Voorts bleef hy den tijd, die hem van zijn ambtsbezigheden overschoot, aan zijn meest geliefde studie, de wiskunde, toewijden, vooral met toepassing op de zeevaart. Veel bracht hy hierover op ’t papier, waaronder eenige hoogst belangrijke „Aanteekeningen over den magneetsteen en de magnetische kracht der aarde.” In 1636 was hy het, aan wien, op aanbeveling van De Groot, de beroemde Galileus Galilei zich richtte, ten einde een gewichtige uitvinding, om de lengte op zee te vinden, by de Staten Generaal in te dienen. Hy deed dit, en werd door hen, met Willem Blaeu, Martinus Hortensius, Golius en Beeckman, in kommissie gesteld, om de zaak te onderzoeken. Dit had aanleiding gegeven tot een allerbelangrijkste briefwisseling tusschen hem en Beeckman, die echter, ten gevolge van het overlijden van de meesten, die in de zaak betrokken waren, geen gevolgen had.Het huwelijk van Reael was met twee zonen gezegend geweest en hy had alle reden, om zich gelukkig te noemen in het hem beschikte lot, toen zich op eens het uitzicht voordeed, dat hy zijn stille en rustige levenswijze nogmaals tegen een woelige en gevaarlijke—hoezeer dan ook schitterende—loopbaan zoû verwisselen. Filips van Dorp had in 1637 als Luitenant-Amiraal van Holland zijn ontslag bekomen, en niemand was er hier te lande, die niet luide of in stilte den wensch herhaalde, door Hooft gedaan, „dat het scheeprijkst en strijdbaarst volk aan eenAmiraal met hart en harsenen geraken mocht.” Een zestal personen, welke men voor de opengevallen plaatsen meest geschikt achtte, werd aan den Prins voorgedragen, om er een uit te kiezen. De eerste twee op deze lijst waren Reael en Tromp: en daar de Staten van Holland den eerstgemelde met byzonderen aandrang by den Prins voorstonden, was het hoogstwaarschijnlijk, ja genoegzaam zeker, dat hem deze luisterrijke bediening zoû worden opgedragen. Maar anders was het in Gods raad besloten. Een besmetlijke ziekte, die omtrent dezen tijd in Amsterdam woedde, trof ook zijn huis: zijn beide zoontjens werden achtereenvolgens aan zijn hoop en aan zijn hart ontrukt, en die treffende slag deed hem zoo zeer aan, dat hy eerlang tot een volslagen lusteloosheid verviel, zoo zelfs, dat verscheidene brieven, waaronder een van Galilei, ongeopend bleven liggen. By de ongesteldheid van zijn geest, kwam een heete koorts zich voegen, die op den 10denOctober van dat jaar—1637—een einde maakte aan zijn nuttig en werkzaam leven. Diep werd zijn dood betreurd, ja als een algemeene ramp beschouwd. Gelukkig nog het Vaderland, dat, toen het hem verloor, althands in één opzicht, een waardigen plaatsvervanger voor hem mocht zien optreden in Marten Harpertszoon Tromp.
LAURENS REAEL.
Onder de voortreflijke afbeeldingen, welke het penceel der bekwame schilders uit de zeventiende eeuw ons van de meest beroemden onder hunne tijdgenooten heeft nagelaten, is er naauwlijks eene, die, by den eersten blik, welken men er op slaat, zulk een gunstigen indruk te weeg brengt, en die ons, hoe langer wy er op staren, meer doet gevoelen, dat de man, dien zy voorstelt, schrander, geestig, beminlijk, groot en goed moet zijn geweest, als de afbeelding, door Thomas de Keyser vervaardigd, van Laurens Reael.Laurens Reael.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Laurens Reael.En gewis, het penceel des kunstenaars heeft niet gelogen: want, hoe vele groote mannen het tijdvak van Frederik Hendrik ook hebbe opgeleverd, niet een, die veelzijdiger verdiensten bezeten en in meer onderscheiden werkkring uitgeschitterd heeft, dan Reael: en in zoo verre mag men hem aanmerken als den type van dat tijdvak zelf en van de Natie, welke hy, op de vloot, in den strijd, in de vergelegen Nederzettingen en aan de Hoven der Vorsten vertegenwoordigde.Op den 20stenOctober 1583 was Reael te Amsterdam geboren, waar zijn vader, Laurens Jakobsz., vroeger graanhandelaar te Dantzich, zich gevestigd en een huis betrokken had op het Water, aan de Papenbrug, in de „gouden Reael,” waar hy zijn toenaam van ontleende. Reeds voorlang de leer der Hervormden omhelsd hebbende, was hy een der zes vermogende burgers, die in 1568 de openbare prediking bevorderden. Groot was zijn invloed by de burgery, en belangrijk waren zijn verrichtingen in de woelige tijden, welke Amsterdam had door te worstelen. Zijn yver om den beeldestorm voor te komen, de pogingen, door hem, op verzoek der Stads-Overheid, in ’t werk gesteld, om, met eigen lijfsgevaar, een uitgebarsten oproer te stillen, zijn wijze gedragingen tegenover denonrustigen Hendrik van Brederode, zijn onbekrompen edelmoedigheid, betoond in ’t leenen eener som van ƒ 10,000 aan Prins Willem I, het kloek beleid, door hem, als Kolonel der Schuttery, gedurende Leycesters verblijf te Amsterdam aan den dag gelegd, dit alles te samen had hem by zijn stadgenooten zoo wel als elders een aanzien doen verwerven, dat natuurlijk ook zijn kinderen ter aanbeveling strekken moest.Zelf beminnaar en beöefenaar der letterkunde, welke hy ook als Lid der Oude Kamer voorstond, verzuimde Laurens Jakobsz. niets, wat dienen kon, om aan zijn kinderen een treflijke opvoeding te geven. Van Laurens, zijn jongste spruit, is het althands zeker, dat hy, behalve in de Latijnsche en Grieksche, ook in de Engelsche, Fransche en Italiaansche talen onderwijs genoot, en aan Leydens Hoogeschool de rechtsgeleerdheid bestudeerde.Zijn reeds bejaarden vader verloren hebbende, toen hy nog maar zeventien jaren bereikt had, vond de jonge Laurens vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders, maar vooral in zijn zwager, den beroemden Arminius, die zijn leidsman werd op het veld der letteren, gelijk de geleerde Snellius op dat der wiskunde, in welke wetenschap hy spoedig belangrijke vorderingen maakte. Weldra echter—in 1609—overleed Arminius, wiens dood Reael in een Latijnsch gedicht bezong, dat beiden zijn bekwaamheid en zijn hart tot eer verstrekte.—Grooteren lof nog verwierf hy zich door het bespelen der Nederduitsche lier, en wakker handhaafde hy zijns vaders roem by diens vrienden uit de Kamer „In Liefde Bloeyende.” By Roemer Visscher was de vernuftige jongeling een welkome gast: met diens dochters Anna en Geertruida, hem gelijk in jaren, wedyverde hy om den dichtgeest der jeugdige Tesselschade aan te kweeken: en met Hooft, dien hy aldaar leerde kennen, sloot hy een vriendschap, die tot zijn dood heeft geduurd.De zoon van Laurens Jakobsz. en de zwager van Arminius behoefde zich in die dagen niet verlegen te maken, dat hem de gelegenheid ontbreken zoû, om vooruit te komen. Reeds spoedig zag hy zich te ’s Gravenhage in een eervolle betrekking by het Bestuur der geldmiddelen geplaatst. Zijn bekwaamheid en doorzicht werden opgemerkt door Oldenbarneveldt: hy won diens vertrouwen, en toen, in 1609, het belang der jeugdige Oost-Indische Maatschappy medebracht, dat er iemand naar Indiën gezonden wierd, met geestkracht, moed en kennis toegerust, beval Oldenbarneveldt Reael by Bewindhebberen aan. Eenaanbeveling van ’s Lands Advokaat stond aan een bevel gelijk: en zoo gebeurde het, dat de kweekeling der Muzen, op acht-en-twintig jarigen leeftijd, als Kommandeur met vier schepen naar de Molukken vertrok. Hy stelde het hem geschonken vertrouwen en de verwachtingen, welke men van hem koesterde, niet te leur: gedurende den tijd, dat hy in genoemde Eilanden met het gezach bekleed bleef, bewees hy gewichtige diensten aan de Maatschappy, veroverde vesting na vesting op de aldaar gezeten Spanjaarts, bezette verscheiden kleine eilanden, deed door de inlanders Vorsten verkiezen, aan de belangen der Maatschappy verknocht, en vestigde den handel in streken, waar vroeger onze vlag zich nimmer had vertoond. Geen wonder dan ook, dat, toen de Gouverneur-Generaal Reynst in 1616 overleed, Reael met eenparigheid van stemmen in diens plaats werd gekozen.De tijd van zijn bestuur was een te voren in de Oost ongekend tijdperk van orde en rust. Met zijn bondgenooten leefde Reael in vrede, en hy werd van zijn vyanden ontzien. Den handel zoowel als het krediet onzer Natie wist hy door zijn maatregelen te verheffen en de Ambtenaren door ontzach in toom te houden. „Dat heet eerst regeeren,” zeide Hooft van hem. Het beloop der retoeren ten tijde van zijn bestuur bedroeg dan ook het dubbel van dat van vorige jaren. Niet lang echter bleef hy aan ’t hoofd der zaken geplaatst. Hy verzocht en verkreeg zijn ontslag, droeg in July 1618 het bewind over aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pieterszoon Koen, doch nam de terugreis niet aan, dan na dezen door zijn ervaring en raad ondersteund te hebben by het fnuiken van den tegenstand, door Engelschen en Javanen geboden by het stichten van Batavia. In Augustus 1619 van daar vertrokken, kwam hy, in ’t begin des volgenden jaars, behouden in ’t vaderland aan. Dan, hoe vond hy alles aldaar veranderd! Hy was vertrokken, toen de beginselen, door zijn zwager en leermeester Arminius in ’t kerkelijke, door zijn beschermer Oldenbarneveldt in ’t staatkundige voorgestaan, als wet en regel golden;—hy vond, by zijn terugkomst, de aanhangers van beiden vervolgd, gekerkerd, gebannen, zijn voornaamste vrienden en weldoeners uit de gestoelten der eere geschopt, Oldenbarneveldt zelven onthalsd. Was het vreemd, dat de bitterste aandoeningen van smart en verontwaardiging de ziel des fijngevoeligen mans vervulden, dat hy lucht daaraan gaf in een Latijnsche elegie „over de rampen van het vaderland,” en eerlang ook in dichtvruchten van anderen aart? Maar evenmin zalhet iemand verwonderen, dat voor den erkenden aanhanger van ’s Lands Advokaat de weg tot alle ambten voor ’t oogenblik gesloten was, dat Hooft in 1623 vergeefs moeite deed, om hem tot Afgezant naar Venetiën te doen benoemen, ja, dat, toen men in dat zelfde jaar onderhandelaars benoemde, om de geschillen te vereffenen tusschen de Hollandsche en Engelsche Maatschappyen, Reael niet tot dat getal behoorde. Hy-zelf verlangde op dat tijdstip wellicht ook geen bemoeying met staatsbeslommeringen, en zich, op een landhuis naby de Beverwijk, in de buurt van dat van zijn geleerden en beminlijken vriend Laurens Baeck, hebbende nedergezet, sleet hy zijn dagen een tijd lang buiten alle zaken. Doch een man als hy kon niet werkeloos zijn. Hy gaf een belangrijk boekjen uit, ten tytel voerende: „Raad voor hem, die zich naar Indiën begeven wil.” Maar bovendien hield hy met Vondel, Hooft en De Huybert geregelde byeenkomsten, waar over de moedertaal gehandeld werd. Men stelde hier verscheiden regels, waaraan men zich in het dichten en schrijven had te houden: met name over het stuk der taalschikking, der te-samenvoeging der woorden, over het onderscheid der geslachten, de verbuiging en spelling der woorden: alle zaken, waarover men destijds nog maar weinig in ’t licht gegeven en zelfs weinig nagedacht had. Voorts vervaardigde hy met Hooft, in 1625, een vertaling van Senekaas Troades, die Vondel in verzen bracht, en schreef bytende hekeldichten, goed genoeg om voor werk van Vondel door te gaan, en by de uitgave van diens Poëzy als zoodanig daarin te worden opgenomen.De tijd stond echter aan te breken, waarop hy de zoete letteroefeningen weder af zoû wisselen met een meer bedrijvig leven. Frederik Hendrik was aan ’t bewind gekomen, en hy kon een man als Reael niet ongebruikt laten. Een vloot moest worden afgezonden, die, in verband met die der Engelschen, een poging aan zoû wenden, om den Spanjaart op eigen kusten te bestoken. Willem van Nassau, de wakkere zoon van Maurits, was destijds Amiraal van Holland; doch men achtte het dienstig, hem een raadsman ter zijde te stellen, die aan moed en vastheid van geest ook beproefde ervaring en kennis paarde, en, daar gehechtheid aan een vroeger stelsel niet meer als reden van uitsluiting gelden kon, sloeg men het oog op Reael, die, na eenig beraad, zich de benoeming tot Vice-Amiraal liet welgevallen. De tocht had,—gelijk trouwens altijd het geval was met zeetochten, in vereeniging met de Engelschen ondernomen—geen merkwaardige gevolgen; doch, dat de besteverstandhoudingtusschen de beide Hollandsche Vlootvoogden bleef heerschen, blijkt o. a. uit de omstandigheid, dat, toen de jeugdige Amiraal voor Grol werd doodgeschoten, Reael hem met een aandoenlijk lijkdicht in ’t Nederduitsch herdacht, en met een keurig Latijnsch grafschrift:Nassovium dum terra sibi, sibi vindicat æquor,Has cælum lites solvit, utrique negat.’t welk hy-zelf aldus vertolkte:Terwyl zee tegen lantOm Nassau is gekant,Komt haar de Hemel scheydenEn gunt hem geen van beyden.Dadelijk na zijn terugkomst in ’t Vaderland, was Reael aangesteld tot Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, welke betrekking hy tot aan het eind zijner dagen vervulde: zoo eenige betrekking, was deze voor hem geschikt, en hem komt voorzeker geen gering deel toe van de voordeelige uitkomsten, welke, ten gevolge der goede orde en der zorgen van ’t Bewind, de zaken van dat lichaam opleverden.Reeds kort nadat Reael het genoemde ambt aanvaard had, werd hem een schijnbaar alleen vereerende, doch in de daad zeer netelige taak opgedragen. In 1626 werd hy, namelijk, naar Engeland gezonden, om Karel I, by diens krooning, te begroeten. Aan dezen openbaren last was een geheime verbonden, te weten om te Londen pogingen aan te wenden tot het byleggen der geschillen, tusschen de Engelschen en Hollandsche Maatschappyen gerezen, over de bekende zaak van Amboina. Welken uitslag zijne bemoeyingen hadden, kunnen wy niet bepalen; zeker is het, dat zijn handelingen den Koning niet ongevallig waren, die hem tot Ridder sloeg en in den adelstand verhief.In Duitschland woedde het oorlogsvuur, en de Keizer, wiens wapenen, onder den groote Wallenstein, hoogst voorspoedig waren, had de meeste plaatsen aan de Oostzee bezet. De Staten van Holland, de nadeelen hiervan voor onzen handel inziende, drongen er op aan, dat men een bekwamen onderhandelaar naar Denemarken zoû zenden, ten einde die Mogendheid te bewegen, de vorderingen van Oostenrijk tegen te staan. Reael werd met dien last vereerd en stak, in 1628, met een oorlogschip van den Staat naar Koppenhagen over. ’t Was hierop, dat Vondelzinspeelde, toen hy het navolgende byschrift onder ’s mans afbeelding plaatste:Zoo maelde een Keysers hant den wackeren Reael,Den Ridder, den Gesant, den grooten Generael,Voorsien met breyn in ’t hooft, met oorloghsmoet in ’t harte.’t Was hy, die Spanjen op sijn eygenbodemtartte.Vaer heen, gelauwert hooft, geluckelijck door zeeEn breng voor ’t Vaderlant ontelbre kranssen meê.De wenschen des dichters werden niet vervuld. Het zij, dat Reael door de geslepen Staatsdienaars van den Keizer by den Koning van Denemarken was voorgekomen, ’t zij dat het Deensche Hof, indachtig aan de fabel van het Paard en den Man, het gevaar inzag eener hulp van bondgenooten, Reael slaagde niet in zijn zending, en, met hoe vele eerbewijzigingen ook ontfangen, hy kon geen traktaat tot stand brengen. Integendeel maakten de beide Monarchen eerlang vrede met elkander. Niet alleen had Reael alzoo het doel zijner zending gemist, maar hy moest nog verderen tegenspoed ondervinden. Op zijn terugreize naar het Vaderland leed hy schipbreuk, op de kust van Jutland. Wel kwam hy, met groot gevaar, aan wal, maar om in een anderen tegenspoed te vervallen. De plaats, waar hy aanlandde, was door de Keizerschen bezet. Hun Veldheer, onderstellende, dat de Gezant, zoo hy in Holland keerde, de Staten tot eenige onderneming tegen het Keizerrijk zoû aansporen, hield niet alleen Reael gevangen, maar zond hem zelfs naar Weenen op. Het duurde tot aan ’t volgend jaar, eer hy ontslagen werd, zoo men wil, ten gevolge der voorspraak van de Jezuiëten aldaar, door Roomsgezinde Hollandsche kooplieden te zijnen behoeve aangezocht. Zeker is het, dat hy te Weenen met eerbied werd behandeld: naar de getuigenis eens schrijvers, kwam hy er als gevangene, maar vertrok als een Vorst. Weinig dagen na zijn terugkomst in Holland, die in Maart 1629 plaats had, gaf hy by de Staten-Generaal verslag van zijn verrichtingen, en verwierf den dank en de goedkeuring van zijn lastgevers.Na zoo vele lotswisselingen is het geen wonder, dat Reael naar de genoegens van het huislijk leven begon te verlangen. Hy trad in den echt met Suzanna de Moor, de nog jeugdige weduwe van Hendrik de Picker, een aanzienlijk Amsterdamsch koopman: en, zoo haar zielshoedanigheden beäntwoordden aan haar bekoorlijkheden, gelijk het penceel van De Keyser ze heeft vereeuwigd, zoo moet, naast zulk een wederhelft,zijn lot wel gelukkig zijn geweest. Dat hy zich ook zoo gevoelde, blijkt uit de verandering, die zich van dat tijdstip af in zijn levenswijze openbaarde: zoo geheel was hy aan zijn huis gehecht, dat zelfs zijn beste vrienden hem ter naauwernood meer zagen. „Toen hy in de hel van Weenen lag,” schrijft Hooft, „spoelde de vergetelbeek my niet uit zijn gedachte. Nu schijnt men hem quijt met lijf en met ziel. Ik denk niet, dat die doorluchtige sinnen, gelijk ze ’t zijner tyd de hebbelijkheid hadden om zich tot behelzing der grootste zaaken uit te rekken, alzoo zich nu weeten in te krimpen, dat ze in een luiermand schuilen kunnen en zich aan het toestellen derzelver te kost leggen, gelijk Tasso zeit van een oudt soldaat:De zoete naam van vaader en gemaalHadt nu geweekt zijn braave borst van staal.”In het volgende jaar werd Reael Lid van de Vroedschap te Amsterdam, later Kommissaris tot de Wisselbank, Weesmeester en Schepen. Voorts bleef hy den tijd, die hem van zijn ambtsbezigheden overschoot, aan zijn meest geliefde studie, de wiskunde, toewijden, vooral met toepassing op de zeevaart. Veel bracht hy hierover op ’t papier, waaronder eenige hoogst belangrijke „Aanteekeningen over den magneetsteen en de magnetische kracht der aarde.” In 1636 was hy het, aan wien, op aanbeveling van De Groot, de beroemde Galileus Galilei zich richtte, ten einde een gewichtige uitvinding, om de lengte op zee te vinden, by de Staten Generaal in te dienen. Hy deed dit, en werd door hen, met Willem Blaeu, Martinus Hortensius, Golius en Beeckman, in kommissie gesteld, om de zaak te onderzoeken. Dit had aanleiding gegeven tot een allerbelangrijkste briefwisseling tusschen hem en Beeckman, die echter, ten gevolge van het overlijden van de meesten, die in de zaak betrokken waren, geen gevolgen had.Het huwelijk van Reael was met twee zonen gezegend geweest en hy had alle reden, om zich gelukkig te noemen in het hem beschikte lot, toen zich op eens het uitzicht voordeed, dat hy zijn stille en rustige levenswijze nogmaals tegen een woelige en gevaarlijke—hoezeer dan ook schitterende—loopbaan zoû verwisselen. Filips van Dorp had in 1637 als Luitenant-Amiraal van Holland zijn ontslag bekomen, en niemand was er hier te lande, die niet luide of in stilte den wensch herhaalde, door Hooft gedaan, „dat het scheeprijkst en strijdbaarst volk aan eenAmiraal met hart en harsenen geraken mocht.” Een zestal personen, welke men voor de opengevallen plaatsen meest geschikt achtte, werd aan den Prins voorgedragen, om er een uit te kiezen. De eerste twee op deze lijst waren Reael en Tromp: en daar de Staten van Holland den eerstgemelde met byzonderen aandrang by den Prins voorstonden, was het hoogstwaarschijnlijk, ja genoegzaam zeker, dat hem deze luisterrijke bediening zoû worden opgedragen. Maar anders was het in Gods raad besloten. Een besmetlijke ziekte, die omtrent dezen tijd in Amsterdam woedde, trof ook zijn huis: zijn beide zoontjens werden achtereenvolgens aan zijn hoop en aan zijn hart ontrukt, en die treffende slag deed hem zoo zeer aan, dat hy eerlang tot een volslagen lusteloosheid verviel, zoo zelfs, dat verscheidene brieven, waaronder een van Galilei, ongeopend bleven liggen. By de ongesteldheid van zijn geest, kwam een heete koorts zich voegen, die op den 10denOctober van dat jaar—1637—een einde maakte aan zijn nuttig en werkzaam leven. Diep werd zijn dood betreurd, ja als een algemeene ramp beschouwd. Gelukkig nog het Vaderland, dat, toen het hem verloor, althands in één opzicht, een waardigen plaatsvervanger voor hem mocht zien optreden in Marten Harpertszoon Tromp.
Onder de voortreflijke afbeeldingen, welke het penceel der bekwame schilders uit de zeventiende eeuw ons van de meest beroemden onder hunne tijdgenooten heeft nagelaten, is er naauwlijks eene, die, by den eersten blik, welken men er op slaat, zulk een gunstigen indruk te weeg brengt, en die ons, hoe langer wy er op staren, meer doet gevoelen, dat de man, dien zy voorstelt, schrander, geestig, beminlijk, groot en goed moet zijn geweest, als de afbeelding, door Thomas de Keyser vervaardigd, van Laurens Reael.
Laurens Reael.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Laurens Reael.
W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.
Laurens Reael.
En gewis, het penceel des kunstenaars heeft niet gelogen: want, hoe vele groote mannen het tijdvak van Frederik Hendrik ook hebbe opgeleverd, niet een, die veelzijdiger verdiensten bezeten en in meer onderscheiden werkkring uitgeschitterd heeft, dan Reael: en in zoo verre mag men hem aanmerken als den type van dat tijdvak zelf en van de Natie, welke hy, op de vloot, in den strijd, in de vergelegen Nederzettingen en aan de Hoven der Vorsten vertegenwoordigde.
Op den 20stenOctober 1583 was Reael te Amsterdam geboren, waar zijn vader, Laurens Jakobsz., vroeger graanhandelaar te Dantzich, zich gevestigd en een huis betrokken had op het Water, aan de Papenbrug, in de „gouden Reael,” waar hy zijn toenaam van ontleende. Reeds voorlang de leer der Hervormden omhelsd hebbende, was hy een der zes vermogende burgers, die in 1568 de openbare prediking bevorderden. Groot was zijn invloed by de burgery, en belangrijk waren zijn verrichtingen in de woelige tijden, welke Amsterdam had door te worstelen. Zijn yver om den beeldestorm voor te komen, de pogingen, door hem, op verzoek der Stads-Overheid, in ’t werk gesteld, om, met eigen lijfsgevaar, een uitgebarsten oproer te stillen, zijn wijze gedragingen tegenover denonrustigen Hendrik van Brederode, zijn onbekrompen edelmoedigheid, betoond in ’t leenen eener som van ƒ 10,000 aan Prins Willem I, het kloek beleid, door hem, als Kolonel der Schuttery, gedurende Leycesters verblijf te Amsterdam aan den dag gelegd, dit alles te samen had hem by zijn stadgenooten zoo wel als elders een aanzien doen verwerven, dat natuurlijk ook zijn kinderen ter aanbeveling strekken moest.
Zelf beminnaar en beöefenaar der letterkunde, welke hy ook als Lid der Oude Kamer voorstond, verzuimde Laurens Jakobsz. niets, wat dienen kon, om aan zijn kinderen een treflijke opvoeding te geven. Van Laurens, zijn jongste spruit, is het althands zeker, dat hy, behalve in de Latijnsche en Grieksche, ook in de Engelsche, Fransche en Italiaansche talen onderwijs genoot, en aan Leydens Hoogeschool de rechtsgeleerdheid bestudeerde.
Zijn reeds bejaarden vader verloren hebbende, toen hy nog maar zeventien jaren bereikt had, vond de jonge Laurens vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders, maar vooral in zijn zwager, den beroemden Arminius, die zijn leidsman werd op het veld der letteren, gelijk de geleerde Snellius op dat der wiskunde, in welke wetenschap hy spoedig belangrijke vorderingen maakte. Weldra echter—in 1609—overleed Arminius, wiens dood Reael in een Latijnsch gedicht bezong, dat beiden zijn bekwaamheid en zijn hart tot eer verstrekte.—Grooteren lof nog verwierf hy zich door het bespelen der Nederduitsche lier, en wakker handhaafde hy zijns vaders roem by diens vrienden uit de Kamer „In Liefde Bloeyende.” By Roemer Visscher was de vernuftige jongeling een welkome gast: met diens dochters Anna en Geertruida, hem gelijk in jaren, wedyverde hy om den dichtgeest der jeugdige Tesselschade aan te kweeken: en met Hooft, dien hy aldaar leerde kennen, sloot hy een vriendschap, die tot zijn dood heeft geduurd.
De zoon van Laurens Jakobsz. en de zwager van Arminius behoefde zich in die dagen niet verlegen te maken, dat hem de gelegenheid ontbreken zoû, om vooruit te komen. Reeds spoedig zag hy zich te ’s Gravenhage in een eervolle betrekking by het Bestuur der geldmiddelen geplaatst. Zijn bekwaamheid en doorzicht werden opgemerkt door Oldenbarneveldt: hy won diens vertrouwen, en toen, in 1609, het belang der jeugdige Oost-Indische Maatschappy medebracht, dat er iemand naar Indiën gezonden wierd, met geestkracht, moed en kennis toegerust, beval Oldenbarneveldt Reael by Bewindhebberen aan. Eenaanbeveling van ’s Lands Advokaat stond aan een bevel gelijk: en zoo gebeurde het, dat de kweekeling der Muzen, op acht-en-twintig jarigen leeftijd, als Kommandeur met vier schepen naar de Molukken vertrok. Hy stelde het hem geschonken vertrouwen en de verwachtingen, welke men van hem koesterde, niet te leur: gedurende den tijd, dat hy in genoemde Eilanden met het gezach bekleed bleef, bewees hy gewichtige diensten aan de Maatschappy, veroverde vesting na vesting op de aldaar gezeten Spanjaarts, bezette verscheiden kleine eilanden, deed door de inlanders Vorsten verkiezen, aan de belangen der Maatschappy verknocht, en vestigde den handel in streken, waar vroeger onze vlag zich nimmer had vertoond. Geen wonder dan ook, dat, toen de Gouverneur-Generaal Reynst in 1616 overleed, Reael met eenparigheid van stemmen in diens plaats werd gekozen.
De tijd van zijn bestuur was een te voren in de Oost ongekend tijdperk van orde en rust. Met zijn bondgenooten leefde Reael in vrede, en hy werd van zijn vyanden ontzien. Den handel zoowel als het krediet onzer Natie wist hy door zijn maatregelen te verheffen en de Ambtenaren door ontzach in toom te houden. „Dat heet eerst regeeren,” zeide Hooft van hem. Het beloop der retoeren ten tijde van zijn bestuur bedroeg dan ook het dubbel van dat van vorige jaren. Niet lang echter bleef hy aan ’t hoofd der zaken geplaatst. Hy verzocht en verkreeg zijn ontslag, droeg in July 1618 het bewind over aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pieterszoon Koen, doch nam de terugreis niet aan, dan na dezen door zijn ervaring en raad ondersteund te hebben by het fnuiken van den tegenstand, door Engelschen en Javanen geboden by het stichten van Batavia. In Augustus 1619 van daar vertrokken, kwam hy, in ’t begin des volgenden jaars, behouden in ’t vaderland aan. Dan, hoe vond hy alles aldaar veranderd! Hy was vertrokken, toen de beginselen, door zijn zwager en leermeester Arminius in ’t kerkelijke, door zijn beschermer Oldenbarneveldt in ’t staatkundige voorgestaan, als wet en regel golden;—hy vond, by zijn terugkomst, de aanhangers van beiden vervolgd, gekerkerd, gebannen, zijn voornaamste vrienden en weldoeners uit de gestoelten der eere geschopt, Oldenbarneveldt zelven onthalsd. Was het vreemd, dat de bitterste aandoeningen van smart en verontwaardiging de ziel des fijngevoeligen mans vervulden, dat hy lucht daaraan gaf in een Latijnsche elegie „over de rampen van het vaderland,” en eerlang ook in dichtvruchten van anderen aart? Maar evenmin zalhet iemand verwonderen, dat voor den erkenden aanhanger van ’s Lands Advokaat de weg tot alle ambten voor ’t oogenblik gesloten was, dat Hooft in 1623 vergeefs moeite deed, om hem tot Afgezant naar Venetiën te doen benoemen, ja, dat, toen men in dat zelfde jaar onderhandelaars benoemde, om de geschillen te vereffenen tusschen de Hollandsche en Engelsche Maatschappyen, Reael niet tot dat getal behoorde. Hy-zelf verlangde op dat tijdstip wellicht ook geen bemoeying met staatsbeslommeringen, en zich, op een landhuis naby de Beverwijk, in de buurt van dat van zijn geleerden en beminlijken vriend Laurens Baeck, hebbende nedergezet, sleet hy zijn dagen een tijd lang buiten alle zaken. Doch een man als hy kon niet werkeloos zijn. Hy gaf een belangrijk boekjen uit, ten tytel voerende: „Raad voor hem, die zich naar Indiën begeven wil.” Maar bovendien hield hy met Vondel, Hooft en De Huybert geregelde byeenkomsten, waar over de moedertaal gehandeld werd. Men stelde hier verscheiden regels, waaraan men zich in het dichten en schrijven had te houden: met name over het stuk der taalschikking, der te-samenvoeging der woorden, over het onderscheid der geslachten, de verbuiging en spelling der woorden: alle zaken, waarover men destijds nog maar weinig in ’t licht gegeven en zelfs weinig nagedacht had. Voorts vervaardigde hy met Hooft, in 1625, een vertaling van Senekaas Troades, die Vondel in verzen bracht, en schreef bytende hekeldichten, goed genoeg om voor werk van Vondel door te gaan, en by de uitgave van diens Poëzy als zoodanig daarin te worden opgenomen.
De tijd stond echter aan te breken, waarop hy de zoete letteroefeningen weder af zoû wisselen met een meer bedrijvig leven. Frederik Hendrik was aan ’t bewind gekomen, en hy kon een man als Reael niet ongebruikt laten. Een vloot moest worden afgezonden, die, in verband met die der Engelschen, een poging aan zoû wenden, om den Spanjaart op eigen kusten te bestoken. Willem van Nassau, de wakkere zoon van Maurits, was destijds Amiraal van Holland; doch men achtte het dienstig, hem een raadsman ter zijde te stellen, die aan moed en vastheid van geest ook beproefde ervaring en kennis paarde, en, daar gehechtheid aan een vroeger stelsel niet meer als reden van uitsluiting gelden kon, sloeg men het oog op Reael, die, na eenig beraad, zich de benoeming tot Vice-Amiraal liet welgevallen. De tocht had,—gelijk trouwens altijd het geval was met zeetochten, in vereeniging met de Engelschen ondernomen—geen merkwaardige gevolgen; doch, dat de besteverstandhoudingtusschen de beide Hollandsche Vlootvoogden bleef heerschen, blijkt o. a. uit de omstandigheid, dat, toen de jeugdige Amiraal voor Grol werd doodgeschoten, Reael hem met een aandoenlijk lijkdicht in ’t Nederduitsch herdacht, en met een keurig Latijnsch grafschrift:
Nassovium dum terra sibi, sibi vindicat æquor,Has cælum lites solvit, utrique negat.
Nassovium dum terra sibi, sibi vindicat æquor,
Has cælum lites solvit, utrique negat.
’t welk hy-zelf aldus vertolkte:
Terwyl zee tegen lantOm Nassau is gekant,Komt haar de Hemel scheydenEn gunt hem geen van beyden.
Terwyl zee tegen lant
Om Nassau is gekant,
Komt haar de Hemel scheyden
En gunt hem geen van beyden.
Dadelijk na zijn terugkomst in ’t Vaderland, was Reael aangesteld tot Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, welke betrekking hy tot aan het eind zijner dagen vervulde: zoo eenige betrekking, was deze voor hem geschikt, en hem komt voorzeker geen gering deel toe van de voordeelige uitkomsten, welke, ten gevolge der goede orde en der zorgen van ’t Bewind, de zaken van dat lichaam opleverden.
Reeds kort nadat Reael het genoemde ambt aanvaard had, werd hem een schijnbaar alleen vereerende, doch in de daad zeer netelige taak opgedragen. In 1626 werd hy, namelijk, naar Engeland gezonden, om Karel I, by diens krooning, te begroeten. Aan dezen openbaren last was een geheime verbonden, te weten om te Londen pogingen aan te wenden tot het byleggen der geschillen, tusschen de Engelschen en Hollandsche Maatschappyen gerezen, over de bekende zaak van Amboina. Welken uitslag zijne bemoeyingen hadden, kunnen wy niet bepalen; zeker is het, dat zijn handelingen den Koning niet ongevallig waren, die hem tot Ridder sloeg en in den adelstand verhief.
In Duitschland woedde het oorlogsvuur, en de Keizer, wiens wapenen, onder den groote Wallenstein, hoogst voorspoedig waren, had de meeste plaatsen aan de Oostzee bezet. De Staten van Holland, de nadeelen hiervan voor onzen handel inziende, drongen er op aan, dat men een bekwamen onderhandelaar naar Denemarken zoû zenden, ten einde die Mogendheid te bewegen, de vorderingen van Oostenrijk tegen te staan. Reael werd met dien last vereerd en stak, in 1628, met een oorlogschip van den Staat naar Koppenhagen over. ’t Was hierop, dat Vondelzinspeelde, toen hy het navolgende byschrift onder ’s mans afbeelding plaatste:
Zoo maelde een Keysers hant den wackeren Reael,Den Ridder, den Gesant, den grooten Generael,Voorsien met breyn in ’t hooft, met oorloghsmoet in ’t harte.’t Was hy, die Spanjen op sijn eygenbodemtartte.Vaer heen, gelauwert hooft, geluckelijck door zeeEn breng voor ’t Vaderlant ontelbre kranssen meê.
Zoo maelde een Keysers hant den wackeren Reael,
Den Ridder, den Gesant, den grooten Generael,
Voorsien met breyn in ’t hooft, met oorloghsmoet in ’t harte.
’t Was hy, die Spanjen op sijn eygenbodemtartte.
Vaer heen, gelauwert hooft, geluckelijck door zee
En breng voor ’t Vaderlant ontelbre kranssen meê.
De wenschen des dichters werden niet vervuld. Het zij, dat Reael door de geslepen Staatsdienaars van den Keizer by den Koning van Denemarken was voorgekomen, ’t zij dat het Deensche Hof, indachtig aan de fabel van het Paard en den Man, het gevaar inzag eener hulp van bondgenooten, Reael slaagde niet in zijn zending, en, met hoe vele eerbewijzigingen ook ontfangen, hy kon geen traktaat tot stand brengen. Integendeel maakten de beide Monarchen eerlang vrede met elkander. Niet alleen had Reael alzoo het doel zijner zending gemist, maar hy moest nog verderen tegenspoed ondervinden. Op zijn terugreize naar het Vaderland leed hy schipbreuk, op de kust van Jutland. Wel kwam hy, met groot gevaar, aan wal, maar om in een anderen tegenspoed te vervallen. De plaats, waar hy aanlandde, was door de Keizerschen bezet. Hun Veldheer, onderstellende, dat de Gezant, zoo hy in Holland keerde, de Staten tot eenige onderneming tegen het Keizerrijk zoû aansporen, hield niet alleen Reael gevangen, maar zond hem zelfs naar Weenen op. Het duurde tot aan ’t volgend jaar, eer hy ontslagen werd, zoo men wil, ten gevolge der voorspraak van de Jezuiëten aldaar, door Roomsgezinde Hollandsche kooplieden te zijnen behoeve aangezocht. Zeker is het, dat hy te Weenen met eerbied werd behandeld: naar de getuigenis eens schrijvers, kwam hy er als gevangene, maar vertrok als een Vorst. Weinig dagen na zijn terugkomst in Holland, die in Maart 1629 plaats had, gaf hy by de Staten-Generaal verslag van zijn verrichtingen, en verwierf den dank en de goedkeuring van zijn lastgevers.
Na zoo vele lotswisselingen is het geen wonder, dat Reael naar de genoegens van het huislijk leven begon te verlangen. Hy trad in den echt met Suzanna de Moor, de nog jeugdige weduwe van Hendrik de Picker, een aanzienlijk Amsterdamsch koopman: en, zoo haar zielshoedanigheden beäntwoordden aan haar bekoorlijkheden, gelijk het penceel van De Keyser ze heeft vereeuwigd, zoo moet, naast zulk een wederhelft,zijn lot wel gelukkig zijn geweest. Dat hy zich ook zoo gevoelde, blijkt uit de verandering, die zich van dat tijdstip af in zijn levenswijze openbaarde: zoo geheel was hy aan zijn huis gehecht, dat zelfs zijn beste vrienden hem ter naauwernood meer zagen. „Toen hy in de hel van Weenen lag,” schrijft Hooft, „spoelde de vergetelbeek my niet uit zijn gedachte. Nu schijnt men hem quijt met lijf en met ziel. Ik denk niet, dat die doorluchtige sinnen, gelijk ze ’t zijner tyd de hebbelijkheid hadden om zich tot behelzing der grootste zaaken uit te rekken, alzoo zich nu weeten in te krimpen, dat ze in een luiermand schuilen kunnen en zich aan het toestellen derzelver te kost leggen, gelijk Tasso zeit van een oudt soldaat:
De zoete naam van vaader en gemaalHadt nu geweekt zijn braave borst van staal.”
De zoete naam van vaader en gemaal
Hadt nu geweekt zijn braave borst van staal.”
In het volgende jaar werd Reael Lid van de Vroedschap te Amsterdam, later Kommissaris tot de Wisselbank, Weesmeester en Schepen. Voorts bleef hy den tijd, die hem van zijn ambtsbezigheden overschoot, aan zijn meest geliefde studie, de wiskunde, toewijden, vooral met toepassing op de zeevaart. Veel bracht hy hierover op ’t papier, waaronder eenige hoogst belangrijke „Aanteekeningen over den magneetsteen en de magnetische kracht der aarde.” In 1636 was hy het, aan wien, op aanbeveling van De Groot, de beroemde Galileus Galilei zich richtte, ten einde een gewichtige uitvinding, om de lengte op zee te vinden, by de Staten Generaal in te dienen. Hy deed dit, en werd door hen, met Willem Blaeu, Martinus Hortensius, Golius en Beeckman, in kommissie gesteld, om de zaak te onderzoeken. Dit had aanleiding gegeven tot een allerbelangrijkste briefwisseling tusschen hem en Beeckman, die echter, ten gevolge van het overlijden van de meesten, die in de zaak betrokken waren, geen gevolgen had.
Het huwelijk van Reael was met twee zonen gezegend geweest en hy had alle reden, om zich gelukkig te noemen in het hem beschikte lot, toen zich op eens het uitzicht voordeed, dat hy zijn stille en rustige levenswijze nogmaals tegen een woelige en gevaarlijke—hoezeer dan ook schitterende—loopbaan zoû verwisselen. Filips van Dorp had in 1637 als Luitenant-Amiraal van Holland zijn ontslag bekomen, en niemand was er hier te lande, die niet luide of in stilte den wensch herhaalde, door Hooft gedaan, „dat het scheeprijkst en strijdbaarst volk aan eenAmiraal met hart en harsenen geraken mocht.” Een zestal personen, welke men voor de opengevallen plaatsen meest geschikt achtte, werd aan den Prins voorgedragen, om er een uit te kiezen. De eerste twee op deze lijst waren Reael en Tromp: en daar de Staten van Holland den eerstgemelde met byzonderen aandrang by den Prins voorstonden, was het hoogstwaarschijnlijk, ja genoegzaam zeker, dat hem deze luisterrijke bediening zoû worden opgedragen. Maar anders was het in Gods raad besloten. Een besmetlijke ziekte, die omtrent dezen tijd in Amsterdam woedde, trof ook zijn huis: zijn beide zoontjens werden achtereenvolgens aan zijn hoop en aan zijn hart ontrukt, en die treffende slag deed hem zoo zeer aan, dat hy eerlang tot een volslagen lusteloosheid verviel, zoo zelfs, dat verscheidene brieven, waaronder een van Galilei, ongeopend bleven liggen. By de ongesteldheid van zijn geest, kwam een heete koorts zich voegen, die op den 10denOctober van dat jaar—1637—een einde maakte aan zijn nuttig en werkzaam leven. Diep werd zijn dood betreurd, ja als een algemeene ramp beschouwd. Gelukkig nog het Vaderland, dat, toen het hem verloor, althands in één opzicht, een waardigen plaatsvervanger voor hem mocht zien optreden in Marten Harpertszoon Tromp.