REMBRANDT VAN RIJN.

REMBRANDT VAN RIJN.Niet altijd wordt aan groote mannen, gedurende hun leven, de hulde toegebracht, waarop zy aanspraak maken mogen. Een sprekend voorbeeld van de waarheid dezer stelling levert ons Rembrandt van Rijn. Heeft het nageslacht hem recht gedaan, ja, hem, schier zonder tegenspraak, als aan een ster der eerste grootte in den kunsthemel, een plaats aangewezen naast Rafaël, Michel Angelo,Rubens, Murillo, Van Dijck, geheel anders was het oordeel, dat zijn tijdgenooten over hem velden. Terwijl de schilders, hier genoemd, by hun leven reeds den lof ontfingen, die hun toekwam, en zich met eerbewijzen zagen overladen, moest er anderhalve eeuw verloopen, eer het genie van Rembrandt op zijn waarde werd geschat, en zelfs toen nog was het noodig, dat de kroon, die hem past als Vorst der Hollandsche schilderkunst, eer zy op zijn hoofd in vollen luister prijken mocht, gezuiverd werd van de smetten, waarmede onkunde en kwaadwilligheid haar bezoedeld hadden.Rembrandt.W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Rembrandt.Onkunde en kwaadwilligheid. Zoo iemand, is Rembrandt daarvan het slachtoffer geweest, en naauwlijks weten wy, by ’t bewonderen van zijn oorspronklijk en onovertrefbaar talent, of wy ons meer moeten ergeren dan verbazen over de dwaasheden, uitgekraamd door toongevende critici, ten eind zijne verdiensten als kunstenaar te verkleinen, en hem als mensch verachtlijk te maken. Had men reeds vroeger hem onder het eerste oogpunt leeren waardeeren, het is niet dan in Mei 1852, ter gelegenheid der onthulling van het Standbeeld, hem te Amsterdam opgericht, dat ook zijn karakter is gezuiverd van den blaam, dien de laster daarover zoo kwistig en met zulk een welbehagen had uitgestort. Maar hoe velen toen, by het aanhooren, later by het lezen, van Scheltemaas doorwrochte verhandeling1tot andere inzichten mogen gekomen zijn, toch kan hetniet onnoodig geacht worden, by elke gepaste gelegenheid, te zorgen, dat de uitkomsten, daarin medegedeeld, meer en meer bekendheid erlangen. Voor onze lezers alzoo, voor zoo verre die het werk van Scheltema niet bezitten, zal onze schets niet overbodig zijn: wie aan de naauwkeurigheid daarvan twijfelt, zoeke in de oirkonden, als bylagen achter dat werk geplaatst, de bewijsgronden, welke het niet met ons bestek overeenkomt, aan te halen.Rembrandt van Rijn werd in den jare 1608 te Leyden, in de Weddesteeg, by de Witte Poort, geboren, en was de zesde van zeven kinderen, door Herman Gerritsz. van Rijn verwekt by Neeltjen Willemsd. van Zuidbroek. Zijn ouders waren welgestelde lieden, en lieten by het sterven der langstlevende een niet onaanzienlijk vermogen na, waarvan Rembrandt een vierde deel bekwam. Ofschoon oorspronklijk voor de studie opgeleid, verliet de knaap, die reeds vroeg neiging en aanleg voor de kunst betoonde, al spoedig het gymnasium, om zich eerst drie jaren by Jakob Izaakszoon van Swanenburg, en later te Amsterdam, by Pezer Lastman te oefenen. By dezen bleef hy een half jaar, zette toen zijn studie voort onder de leiding van Jakob Pinas, te Haarlem, en keerde eerlang naar Leyden terug. Doch reeds had hy zich als schilder en teekenaar eenigen naam verworven, en daar hy zeer weinig geld vorderde voor de portretten, welke hy vervaardigde, werd hy meermalen naar Amsterdam ontboden, wat aanleiding gaf, dat hy zich, omstreeks 1630 reeds, in die stad vestigde. Onder zijn goede bekenden aldaar, wier afbeelsel hy vervaardigde, behoorde de Predikant Jan Cornelis Silvius. Deze was met een Friesche vrouw getrouwd, die wel eens bezoek ontfing van haar volle nicht Saskia, dochter van Rombertus Uilenburg, die Pensionaris en Burgemeester van Leeuwarden geweest en in 1624 als Raadsheer in ’t Hof van Friesland gestorven was. Met deze raakte onze schilder bekend, en zy, niet alleen van aanzienlijken en deftigen huize, maar ook van tijdelijke middelen wel gezegend zijnde, achtte het niet beneden zich, haar hand aan den burgerzoon uit Leyden te schenken. Hun echt werd op den 22. Junij, 1633 te St. Anna-Parochie in Friesland voltrokken, waar Saskia zich ophield ten huize van haar zuster Hiskia, die gehuwd was met Gerrit van Loo, Sekretaris van de Bildt. Slechts acht jaren mocht Rembrandt zich in ’t bezit zijner gade verheugen: zy stierf in 1642, aan Rembrandt een zoon achterlatende, Titus genoemd, die mede de kunst beoefende, doch met geen gelukkigen uitslag. OfschoonRembrandt zich als schilder veel naam en daardoor ook een groot aantal leerlingen verworven had, en vrij wat bestellingen van schilderyen en portretten ontfing, was hy toch geenszins de schilder naar de mode, en zoû, indien hy van zijn kunst had moeten bestaan, maar schraal zijn rondgekomen. Dit bleek in 1656, toen zijn boedel in staat van kenlijk onvermogen werd verklaard, en zijne goederen diensvolgends aan de Desolate Boedelkamer kwamen. Zijn huis op de St. Antonies-Breêstraat, zijn huisraad, zijn schilderyen, in ’t kort, al wat hy bezat, werd gerechtelijk verkocht. De oorzaken van deze noodlottige gebeurtenis moeten gezocht worden in de omstandigheid, dat Rembrandt, een tweede huwelijk hebbende aangegaan, verplicht was geweest, aan zijn zoon het moederlijk vermogen uit te keeren, terwijl zijn eigen boedel, tengevolge van het plotseling dalen der schuldbrieven, in waarde was verminderd, en de rampen van den oorlog de zucht om de schilderkunst aan te moedigen by de natie een tijd lang had doen verslappen.Na den slag, die hem getroffen had, leidde Rembrandt een stil en afgezonderd leven, geheel aan zijn studiën gewijd, tot dat hy, in 1669, in een andere woning op de Rozegracht te Amsterdam, overleed.Ziedaar het kort en onopgesmukt verhaal van zijn leven. By dat van andere groote mannen heeft men doorgaands er naar gestreefd, om aan te vullen wat in vroegere levensberichten ontbrak: by het zijne moest men in-tegendeel in de eerste plaats terzijde stellen al, wat aan de vroegere berichten iets pikants of zonderlings gaf, doch geheel verzonnen of uit de lucht gegrepen was.Van waar de verdichtselen ontsproten zijn, die men omtrent Rembrandt heeft opgedischt, is moeilijk na te gaan; intusschen is hy niet de eenige onder de beroemde kunstbeoefenaren van ons vaderland, aan wien, zelfs door eerbiedwaardige schrijvers, een karakter, een levensloop, handelingen en gezegden zijn toegekend, zonder dat voor die toekenning eenige historische grond bestaat.—Ik weet maar ééne oplossing van dat zonderling verschijnsel te geven. In den mond van ’t volk liepen van ouds allerlei vertelsetjens van hebbelijkheden of gebreken, waardoor poëeten of kunstenaren zich hadden onderscheiden, van dwaze of kluchtige streken, door hen bedreven, van vreemde avonturen, die hun waren overkomen. Een vertelsetjen van zoodanigen aart mist doorgaands alle zout, wanneer men den naam van de persoon, die ’t betreft, er niet by noemt: zoo gebeurde het, dat men aan den onbekenden held van ieder sprookjeneen bekenden naam gaf, en aan Vondel, aan Bredero, aan Jan Steen, aan Rembrandt enz., toeschreef, wat, zoo door iemand, zeker door geen hunner gedaan, gezegd of gedacht was. In de voorgaande eeuw, toen men algemeen begreep, dat men het niet zoo naauw had te nemen met poëeten en kunstenaars, een „slach van volkjen” dat men betaalde, als men ’t noodig had, doch waaraan men in den maatschaplijken rang een vrij lager trap toekende dan aan ambachtslieden of winkeliers; in de voorgaande eeuw, zeg ik, toen men ploerterigheid, liederlijkheid, zedeloosheid en erger nog als onafscheidelijk achtte van het kunstenaarsberoep, schepte men behagen in al zulke anekdoten als strekken konden, om die meening te bevestigen, en Houbraken, toen hy zijn Grooten Schouburgh der Nederlandsche Schilders uitgaf, en dien met een samenraapsel van schandelijke logens vulde, bracht een offer aan den smaak en de denkwijze van zijn tijd; ja, zelfs de anders zoo naauwgezette Wagenaar, als hy, in ’t laatste deel van zijn „Amsterdam”, Rembrandt onder de beroemde mannen noemt, die aldaar geleefd hebben, maakt zich in een zeer kort, zeer oppervlakkig en niet byzonder vleiend artikel van hem af, en schijnt, door naar Houbraken te verwijzen, het aldaar geboekte als evangelie op te nemen. Ware Rembrandt een Burgemeester of een Predikant geweest, de voorzichtige historieschrijver zoû zich wel de moeite gegeven hebben, eens te onderzoeken of en in hoeverre Houbrakens verhaal te vertrouwen ware;—maar Rembrandt was eenvoudig een schilder; en met diens goeden naam mocht men gerust omspringen.Had echter Wagenaar zich de nasporingen getroost, welke latere waarheidminnaars gedaan hebben, hy had zich kunnen overtuigen, dat het artikel van Houbraken over Rembrandt, van ’t begin tot aan ’t slot, niet anders is dan een roman. Onwaar is al wat Houbraken (en zijn naschrijvers op zijn spoor) vermeldt aangaande ’t jaar en de plaats van Rembrandts geboorte: onwaar, dat Saskia Uilenburg een boeredochter uit Waterland geweest zoû zijn: onwaar, dat onze schilder zich door geldgierigheid en geldverkwisting tevens (!) zoû onderscheiden hebben: onwaar al de sprookjens, die als bewijzen daarvan worden opgedischt.Maar, hebben zy, die over Rembrandt schreven, voor ’t minst zijn talent gespaard? Helaas! men heeft wel niet geheel ontkend, dat hy eenige verdiensten bezat; maar toch, indien ’s mans onsterflijke werken niet meer bestonden, om een getuigenis voor hem af te leggen, die ’t onverstand tot zwijgen brengt, indien wy ons oordeel over zijn bekwaamheidals schilder uitsluitend moesten laten afhangen van dat zijner tijdgenooten en levensbeschrijvers, wy zouden er geen grooten dunk van koesteren.—Wy hebben het reeds gezegd: Rembrandt behoorde niet tot de meest begunstigde schilders van zijn tijd en was vrij wat minder in trek dan Sandrart, dan Mierevelt, dan Van der Helst, dan Honthorst, dan zijn eigen leerlingen, Ferdinand Bol, Govert Flink en Filips Koning. Verlangt men eenig bewijs voor dit beweeren?—Onder de schilders, wier kunstvermogen de Regeering van Amsterdam inriep, om den inwendigen luister te verhoogen van het nieuw gebouwde Stadhuis, wordt Rembrandt niet genoemd: en Vondel, die, waar ’t zaken van smaak betreft, wel als de tolk beschouwd mag worden van het toongevend publiek zijner eeuw, Vondel, die aan byna alle kunstenaren van zijnen tijd lof- en eerevaerzen toezingt, noemt Rembrandt niet meer dan eens, en wel in een onbeduidend vierregelig dichtjen, dat hy tot hem richt, niet om te prijzen, maar om de onmacht te beschrijven des schilders, die alleen ’t gelaat, niet de stem eens redenaars kan teruggeven.Zoo wy de reden willen weten van den weinigen opgang, dien Rembrandt by de „Kunstmecenen” van zijnen tijd gemaakt schijnt te hebben, zal die vermoedelijk juist daarin dienen gezocht te worden, dat hy in zijn portretten de waarheid al te getrouw teruggaf. Hy wilde er zich niet toe leenen, verouderde of onbehaaglijke trekken met een waas van jeugd of bevalligheid op te luisteren: noch op een van nature dom gelaat een straal van vernuft te doen schitteren: hy beeldde getrouw af, wat hy zag: en dat was niet de weg om hem de gunst te doen verwerven van een publiek, dat altijd eenige ydelheid bezit en zal blijven bezitten. En daarby: onder dat publiek zijn veel groote kinders, die, even als de kleine kinders, ’t liefst heldere kleuren en schoon gewasschen beelden zien. „Men heeft het altijd in Rembrandt berispt”, zegt Wagenaar, „dat hy ’t leeven met gebreken met al te digt volgde”. En wie waren diemen, wie waren die kunstrechters, wier vonnis over onzen schilder door den zoo voorzichtigen Wagenaar wordt overgenomen, als gewezen in ’t hoogste ressort? Het was, in de eerste plaats, Andries Pels, die zich in de laatste helft der zeventiende eeuw op den troon der kritiek geplaatst had en vandaar zijn orakelen sprak, anderhalf-honderd jaren lang door een tallooze schaar van Midassen en Pygmeën nog beäamd. Men leze, hoe hy, tien jaren na Rembrandts dood, hem in zijn „Gebruik en Misbruik des Tooneels,” betytelt, als:Den grooten Rembrand, die ’t by Titiaan, Van Dyk,Noch Michiel Angelo, noch Rafel zag te haalen,En daarom liever koos doorluchtiglyk te dwaalenOm de eerste ketter in de Schilderkonst te zyn......Die schoon hy niet voor een van all’ die meesters weekIn houding, noch in kracht van koloryt bezweek,Als hy een’ naakte vrouw, gelijk ’t somtyds gebeurde,Zou schild’ren, tot model geen Grieksche Venus keurde,Maar eer een waschter of turftreedster uit een schuur,Zijn dwaaling noemende navolging van Natuur,Al ’t ander ydele verziering.Wat verder berispt Pels onzen schilder,Die door de gansche stad op bruggen, en op hoeken,Op Nieuwe en Noordermarkt zeer yvrig op ging zoekenHarnassen, Moriljons, Japonsche Ponjerts, bont,En Rafelkraagen, die hy schilderachtig vond,En vaak een Scipio aan ’t Roomsche lichaam paste,Of de eedle leden van een Cyrus meê vermaste.Men ziet het, de verstandige zucht van den schilder om van alom datgene samen te gaderen, wat hem ’t meest van dienst kon zijn, om aan zijn figuren een schilderachtig voorkomen te geven, dat rondsnuffelen naar oudheden, wat onze hedendaagsche kunstenaars zoo gretig en zoo wijslijk navolgen, die yver, in een woord, voor het beöefende vak, werd door Pels in een belachlijk daglicht gesteld.Heden ten dage bezit men vrij algemeen de overtuiging, dat een armoedige dosch, ja de lompen eens bedelaars, waar het naakte vel door heen speelt, aantreklijker voorwerpen zijn voor het penceel des schilders, dan lakensche rokken vol ridderorden, dan prachtige uniformen met gouden epauletten, dan zijden japonnen en Perzische sjaals. Maar zóó dachten Pels en dergelijke Aristarchen niet, in wier oogen de eenvoudige natuur geen genade kon vinden, en die alles afkeurden, wat geen navolging was der klassieke oudheid. Ja, zóó zonderling en dwaas vond men dien „gril” van Rembrandt, om geen idealen te scheppen, maar na te volgen, wat hy met de oogen zag, dat men zijn zoeken van modellen by lieden uit de volksklasse niet anders wist te verklaren, dan door zekere verachtlijke neiging, die hem aanspoorde, om by voorkeur om te gaan met onbeschaafd en ruw volk. Even als had Rembrandt, het naakt leven willende bestudeeren, een andere keuze gehad! Amsterdam was het oude Griekenland niet, waar de vrouwen uit denhoogsten rang het zich tot een eere rekenden, voor het oog der Apellessen of Fidiassen ook den lesten sluier te doen vallen, die haar schoone vormen bedekte: en geen Burgemeestersdochter zou zich hebben ontkleed, om Rembrandt tot model te dienen. Maar ook bovendien wordt de beschuldiging, tegen hem ingebracht, door feiten wedersproken. Zoû een man, die lage en gemeene neigingen had, door een achtbaren Regent als Tulp beschermd zijn geweest? had de smaakvolle Joan Six aan diens kunstwerk een plaats aangeboden in zijn vriendenrol? had hem de gemoedelijke Jeremias de Decker zijn vriend genoemd?—En dat die naam geen zinledige beleefdheidsklank was, blijkt uit den inhoud van ’t klinkdicht, waarin die voorkomt:Uw meesterlijke streken,Vriend Rembrandt, heb ik eerst zien gaan langs dit paneel;Dus moet mijn pen wat ryms van uw begaafd penseel,En mijnen inkt wat roems van uwe verwen spreken.Men ziet het, de Decker had de schildery, waarover hy hier spreekt,—de afbeelding, namelijk, van den verrezen Kristus en Maria Magdalena—door den kunstenaarzienschilderen: wat niet mogelijk kan geweest zijn, of hy moet hem op zijn werkplaats bezocht, en wel vertrouwlijken omgang met hem gehad hebben. Die vertrouwlijke omgang blijkt, bovendien, uit de omstandigheid, dat Rembrandt de afbeelding van De Decker schilderde, en, dat niet, zoo als deze zelf betuigt,En dat niet om daaruit wat loons te mogen spinnen,Maar louterlijk uit gunst.Dan genoeg over de ongerijmde beschuldiging.Berispte Pels onzen grooten schilder over hetgeen hy zijn „doorluchtig dwalen” noemt, Houbraken ontzegt hem zelfs de verdienste der oorspronklijkheid, als hy, in zijn Schouburgh, van Pinas gewagende, zich aldus uitlaat: „zijn penseelwerk helde naar den bruinen kant, waarom velen gelooven, dat Rembrandt hem daarinnageaaptheeft;”—ja, nageaapt, gelijk Virgilius het Ennius, Shakespere en Molière het hun vergeten voorgangers gedaan hebben!Het herhaald overwerken door Rembrandt van zijn kunstgewrochten, vooral van zijn etswerk, moest mede aan de vroegere beoordeelaars van zijn talent stof tot gisping bieden. Verre van daarin den rusteloozen arbeid te willen zien des waarachtigen kunstenaars, die, nimmer geheelvoldaan over ’t geen zijn hand verricht heeft, altijd naar volmaaktheid streeft, en elke feil zoekt te verbeteren, elke schoonheid te verhoogen, wilden zy daarin een bewijs vinden van lage geldzucht en onverzadelijk winstbejach. Die varianten op dezelfde plaat moesten dienen, zoo ’t heette, om, met kleine moeite, veel gelds te maken. Men leze, by Scheltema, de zoo bescheidene, zoo kiesche brieven, door Rembrandt geschreven aan Constantijn Huygens, betreffende den prijs van een tweetal schilderyen, door Prins Frederik Hendrik besteld: de inhoud daarvan is toereikend, om allen blaam van gierigheid te wederspreken.—Neen! men kome met afdoende gronden aan, of men eerbiedige voortaan ook het karakter des grooten mans, gelijk men nu reeds voor een tal van jaren zijn talent heeft leeren eerbiedigen.Over dat talent zullen wy hier niet uitweiden: wanneer in alle groote kunstverzamelingen van Europa scheppingen van zijn penceel of etsnaald elks bewondering worden aangeboden, wanneer ons Vaderland vooral zich verheft op het bezit van zijn heerlijkste gewrochten—de afbeeldsels van Burgemeester Six en van Anna Wymers, de Les in de ontleedkunde, den Schutters-optocht—en van de rijkste verzameling zijner prentwerken, dan is het noodeloos, door de herhaling van hetgeen elders, meermalen, en beter dan wy het doen kunnen, is gezegd, nog een betoog te leveren van wat ieder, die van kunstgevoel niet geheel is verstoken, met eigen oogen kan zien. En dan zegt niemand langer, met Pels, dat Rembrandt het niet halen kon by Titiaan, by Rafaël, Michel Angelo of van Dijck, maar dat hy, nevens die groote mannen, door eigen en oorspronklijke grootheid schittert:—dan zegt niemand langer, met Houbraken, dat Rembrandt Pinas naäapte, maar dat hy zich een verhevener, een onsterflijk, nimmer verouderend voorbeeld ter navolging had gekozen, en dat voorbeeld teruggaf met een waarheid, welke niemand vóór of na hem heeft weten te bereiken. Indien het mogelijk ware, aan eenederscheppingen van Gods almacht een rang boven de overigen aan te wijzen, zoo zoû die, voorzeker, toekomen aan de schepping van het licht. Rembrandt streefde den Schepper na, in zoo verre dit den mensch doenlijk en geoorloofd is. God had gezegd: „er zij licht” en het licht doorstroomde het heelal: en toen Rembrandt, in zijn geest, dezelfde woorden uitte, toen, aan zijn gedachte gehoorzaam, stroomde het licht in vollen glans en helderheid over koper en paneel.1Redevoering over het Leven en de verdiensten vanRembrandt van Rijnenz. doorDr. P. Scheltema, van Amsterdam. P. N. van Kampen. 1853.

REMBRANDT VAN RIJN.Niet altijd wordt aan groote mannen, gedurende hun leven, de hulde toegebracht, waarop zy aanspraak maken mogen. Een sprekend voorbeeld van de waarheid dezer stelling levert ons Rembrandt van Rijn. Heeft het nageslacht hem recht gedaan, ja, hem, schier zonder tegenspraak, als aan een ster der eerste grootte in den kunsthemel, een plaats aangewezen naast Rafaël, Michel Angelo,Rubens, Murillo, Van Dijck, geheel anders was het oordeel, dat zijn tijdgenooten over hem velden. Terwijl de schilders, hier genoemd, by hun leven reeds den lof ontfingen, die hun toekwam, en zich met eerbewijzen zagen overladen, moest er anderhalve eeuw verloopen, eer het genie van Rembrandt op zijn waarde werd geschat, en zelfs toen nog was het noodig, dat de kroon, die hem past als Vorst der Hollandsche schilderkunst, eer zy op zijn hoofd in vollen luister prijken mocht, gezuiverd werd van de smetten, waarmede onkunde en kwaadwilligheid haar bezoedeld hadden.Rembrandt.W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Rembrandt.Onkunde en kwaadwilligheid. Zoo iemand, is Rembrandt daarvan het slachtoffer geweest, en naauwlijks weten wy, by ’t bewonderen van zijn oorspronklijk en onovertrefbaar talent, of wy ons meer moeten ergeren dan verbazen over de dwaasheden, uitgekraamd door toongevende critici, ten eind zijne verdiensten als kunstenaar te verkleinen, en hem als mensch verachtlijk te maken. Had men reeds vroeger hem onder het eerste oogpunt leeren waardeeren, het is niet dan in Mei 1852, ter gelegenheid der onthulling van het Standbeeld, hem te Amsterdam opgericht, dat ook zijn karakter is gezuiverd van den blaam, dien de laster daarover zoo kwistig en met zulk een welbehagen had uitgestort. Maar hoe velen toen, by het aanhooren, later by het lezen, van Scheltemaas doorwrochte verhandeling1tot andere inzichten mogen gekomen zijn, toch kan hetniet onnoodig geacht worden, by elke gepaste gelegenheid, te zorgen, dat de uitkomsten, daarin medegedeeld, meer en meer bekendheid erlangen. Voor onze lezers alzoo, voor zoo verre die het werk van Scheltema niet bezitten, zal onze schets niet overbodig zijn: wie aan de naauwkeurigheid daarvan twijfelt, zoeke in de oirkonden, als bylagen achter dat werk geplaatst, de bewijsgronden, welke het niet met ons bestek overeenkomt, aan te halen.Rembrandt van Rijn werd in den jare 1608 te Leyden, in de Weddesteeg, by de Witte Poort, geboren, en was de zesde van zeven kinderen, door Herman Gerritsz. van Rijn verwekt by Neeltjen Willemsd. van Zuidbroek. Zijn ouders waren welgestelde lieden, en lieten by het sterven der langstlevende een niet onaanzienlijk vermogen na, waarvan Rembrandt een vierde deel bekwam. Ofschoon oorspronklijk voor de studie opgeleid, verliet de knaap, die reeds vroeg neiging en aanleg voor de kunst betoonde, al spoedig het gymnasium, om zich eerst drie jaren by Jakob Izaakszoon van Swanenburg, en later te Amsterdam, by Pezer Lastman te oefenen. By dezen bleef hy een half jaar, zette toen zijn studie voort onder de leiding van Jakob Pinas, te Haarlem, en keerde eerlang naar Leyden terug. Doch reeds had hy zich als schilder en teekenaar eenigen naam verworven, en daar hy zeer weinig geld vorderde voor de portretten, welke hy vervaardigde, werd hy meermalen naar Amsterdam ontboden, wat aanleiding gaf, dat hy zich, omstreeks 1630 reeds, in die stad vestigde. Onder zijn goede bekenden aldaar, wier afbeelsel hy vervaardigde, behoorde de Predikant Jan Cornelis Silvius. Deze was met een Friesche vrouw getrouwd, die wel eens bezoek ontfing van haar volle nicht Saskia, dochter van Rombertus Uilenburg, die Pensionaris en Burgemeester van Leeuwarden geweest en in 1624 als Raadsheer in ’t Hof van Friesland gestorven was. Met deze raakte onze schilder bekend, en zy, niet alleen van aanzienlijken en deftigen huize, maar ook van tijdelijke middelen wel gezegend zijnde, achtte het niet beneden zich, haar hand aan den burgerzoon uit Leyden te schenken. Hun echt werd op den 22. Junij, 1633 te St. Anna-Parochie in Friesland voltrokken, waar Saskia zich ophield ten huize van haar zuster Hiskia, die gehuwd was met Gerrit van Loo, Sekretaris van de Bildt. Slechts acht jaren mocht Rembrandt zich in ’t bezit zijner gade verheugen: zy stierf in 1642, aan Rembrandt een zoon achterlatende, Titus genoemd, die mede de kunst beoefende, doch met geen gelukkigen uitslag. OfschoonRembrandt zich als schilder veel naam en daardoor ook een groot aantal leerlingen verworven had, en vrij wat bestellingen van schilderyen en portretten ontfing, was hy toch geenszins de schilder naar de mode, en zoû, indien hy van zijn kunst had moeten bestaan, maar schraal zijn rondgekomen. Dit bleek in 1656, toen zijn boedel in staat van kenlijk onvermogen werd verklaard, en zijne goederen diensvolgends aan de Desolate Boedelkamer kwamen. Zijn huis op de St. Antonies-Breêstraat, zijn huisraad, zijn schilderyen, in ’t kort, al wat hy bezat, werd gerechtelijk verkocht. De oorzaken van deze noodlottige gebeurtenis moeten gezocht worden in de omstandigheid, dat Rembrandt, een tweede huwelijk hebbende aangegaan, verplicht was geweest, aan zijn zoon het moederlijk vermogen uit te keeren, terwijl zijn eigen boedel, tengevolge van het plotseling dalen der schuldbrieven, in waarde was verminderd, en de rampen van den oorlog de zucht om de schilderkunst aan te moedigen by de natie een tijd lang had doen verslappen.Na den slag, die hem getroffen had, leidde Rembrandt een stil en afgezonderd leven, geheel aan zijn studiën gewijd, tot dat hy, in 1669, in een andere woning op de Rozegracht te Amsterdam, overleed.Ziedaar het kort en onopgesmukt verhaal van zijn leven. By dat van andere groote mannen heeft men doorgaands er naar gestreefd, om aan te vullen wat in vroegere levensberichten ontbrak: by het zijne moest men in-tegendeel in de eerste plaats terzijde stellen al, wat aan de vroegere berichten iets pikants of zonderlings gaf, doch geheel verzonnen of uit de lucht gegrepen was.Van waar de verdichtselen ontsproten zijn, die men omtrent Rembrandt heeft opgedischt, is moeilijk na te gaan; intusschen is hy niet de eenige onder de beroemde kunstbeoefenaren van ons vaderland, aan wien, zelfs door eerbiedwaardige schrijvers, een karakter, een levensloop, handelingen en gezegden zijn toegekend, zonder dat voor die toekenning eenige historische grond bestaat.—Ik weet maar ééne oplossing van dat zonderling verschijnsel te geven. In den mond van ’t volk liepen van ouds allerlei vertelsetjens van hebbelijkheden of gebreken, waardoor poëeten of kunstenaren zich hadden onderscheiden, van dwaze of kluchtige streken, door hen bedreven, van vreemde avonturen, die hun waren overkomen. Een vertelsetjen van zoodanigen aart mist doorgaands alle zout, wanneer men den naam van de persoon, die ’t betreft, er niet by noemt: zoo gebeurde het, dat men aan den onbekenden held van ieder sprookjeneen bekenden naam gaf, en aan Vondel, aan Bredero, aan Jan Steen, aan Rembrandt enz., toeschreef, wat, zoo door iemand, zeker door geen hunner gedaan, gezegd of gedacht was. In de voorgaande eeuw, toen men algemeen begreep, dat men het niet zoo naauw had te nemen met poëeten en kunstenaars, een „slach van volkjen” dat men betaalde, als men ’t noodig had, doch waaraan men in den maatschaplijken rang een vrij lager trap toekende dan aan ambachtslieden of winkeliers; in de voorgaande eeuw, zeg ik, toen men ploerterigheid, liederlijkheid, zedeloosheid en erger nog als onafscheidelijk achtte van het kunstenaarsberoep, schepte men behagen in al zulke anekdoten als strekken konden, om die meening te bevestigen, en Houbraken, toen hy zijn Grooten Schouburgh der Nederlandsche Schilders uitgaf, en dien met een samenraapsel van schandelijke logens vulde, bracht een offer aan den smaak en de denkwijze van zijn tijd; ja, zelfs de anders zoo naauwgezette Wagenaar, als hy, in ’t laatste deel van zijn „Amsterdam”, Rembrandt onder de beroemde mannen noemt, die aldaar geleefd hebben, maakt zich in een zeer kort, zeer oppervlakkig en niet byzonder vleiend artikel van hem af, en schijnt, door naar Houbraken te verwijzen, het aldaar geboekte als evangelie op te nemen. Ware Rembrandt een Burgemeester of een Predikant geweest, de voorzichtige historieschrijver zoû zich wel de moeite gegeven hebben, eens te onderzoeken of en in hoeverre Houbrakens verhaal te vertrouwen ware;—maar Rembrandt was eenvoudig een schilder; en met diens goeden naam mocht men gerust omspringen.Had echter Wagenaar zich de nasporingen getroost, welke latere waarheidminnaars gedaan hebben, hy had zich kunnen overtuigen, dat het artikel van Houbraken over Rembrandt, van ’t begin tot aan ’t slot, niet anders is dan een roman. Onwaar is al wat Houbraken (en zijn naschrijvers op zijn spoor) vermeldt aangaande ’t jaar en de plaats van Rembrandts geboorte: onwaar, dat Saskia Uilenburg een boeredochter uit Waterland geweest zoû zijn: onwaar, dat onze schilder zich door geldgierigheid en geldverkwisting tevens (!) zoû onderscheiden hebben: onwaar al de sprookjens, die als bewijzen daarvan worden opgedischt.Maar, hebben zy, die over Rembrandt schreven, voor ’t minst zijn talent gespaard? Helaas! men heeft wel niet geheel ontkend, dat hy eenige verdiensten bezat; maar toch, indien ’s mans onsterflijke werken niet meer bestonden, om een getuigenis voor hem af te leggen, die ’t onverstand tot zwijgen brengt, indien wy ons oordeel over zijn bekwaamheidals schilder uitsluitend moesten laten afhangen van dat zijner tijdgenooten en levensbeschrijvers, wy zouden er geen grooten dunk van koesteren.—Wy hebben het reeds gezegd: Rembrandt behoorde niet tot de meest begunstigde schilders van zijn tijd en was vrij wat minder in trek dan Sandrart, dan Mierevelt, dan Van der Helst, dan Honthorst, dan zijn eigen leerlingen, Ferdinand Bol, Govert Flink en Filips Koning. Verlangt men eenig bewijs voor dit beweeren?—Onder de schilders, wier kunstvermogen de Regeering van Amsterdam inriep, om den inwendigen luister te verhoogen van het nieuw gebouwde Stadhuis, wordt Rembrandt niet genoemd: en Vondel, die, waar ’t zaken van smaak betreft, wel als de tolk beschouwd mag worden van het toongevend publiek zijner eeuw, Vondel, die aan byna alle kunstenaren van zijnen tijd lof- en eerevaerzen toezingt, noemt Rembrandt niet meer dan eens, en wel in een onbeduidend vierregelig dichtjen, dat hy tot hem richt, niet om te prijzen, maar om de onmacht te beschrijven des schilders, die alleen ’t gelaat, niet de stem eens redenaars kan teruggeven.Zoo wy de reden willen weten van den weinigen opgang, dien Rembrandt by de „Kunstmecenen” van zijnen tijd gemaakt schijnt te hebben, zal die vermoedelijk juist daarin dienen gezocht te worden, dat hy in zijn portretten de waarheid al te getrouw teruggaf. Hy wilde er zich niet toe leenen, verouderde of onbehaaglijke trekken met een waas van jeugd of bevalligheid op te luisteren: noch op een van nature dom gelaat een straal van vernuft te doen schitteren: hy beeldde getrouw af, wat hy zag: en dat was niet de weg om hem de gunst te doen verwerven van een publiek, dat altijd eenige ydelheid bezit en zal blijven bezitten. En daarby: onder dat publiek zijn veel groote kinders, die, even als de kleine kinders, ’t liefst heldere kleuren en schoon gewasschen beelden zien. „Men heeft het altijd in Rembrandt berispt”, zegt Wagenaar, „dat hy ’t leeven met gebreken met al te digt volgde”. En wie waren diemen, wie waren die kunstrechters, wier vonnis over onzen schilder door den zoo voorzichtigen Wagenaar wordt overgenomen, als gewezen in ’t hoogste ressort? Het was, in de eerste plaats, Andries Pels, die zich in de laatste helft der zeventiende eeuw op den troon der kritiek geplaatst had en vandaar zijn orakelen sprak, anderhalf-honderd jaren lang door een tallooze schaar van Midassen en Pygmeën nog beäamd. Men leze, hoe hy, tien jaren na Rembrandts dood, hem in zijn „Gebruik en Misbruik des Tooneels,” betytelt, als:Den grooten Rembrand, die ’t by Titiaan, Van Dyk,Noch Michiel Angelo, noch Rafel zag te haalen,En daarom liever koos doorluchtiglyk te dwaalenOm de eerste ketter in de Schilderkonst te zyn......Die schoon hy niet voor een van all’ die meesters weekIn houding, noch in kracht van koloryt bezweek,Als hy een’ naakte vrouw, gelijk ’t somtyds gebeurde,Zou schild’ren, tot model geen Grieksche Venus keurde,Maar eer een waschter of turftreedster uit een schuur,Zijn dwaaling noemende navolging van Natuur,Al ’t ander ydele verziering.Wat verder berispt Pels onzen schilder,Die door de gansche stad op bruggen, en op hoeken,Op Nieuwe en Noordermarkt zeer yvrig op ging zoekenHarnassen, Moriljons, Japonsche Ponjerts, bont,En Rafelkraagen, die hy schilderachtig vond,En vaak een Scipio aan ’t Roomsche lichaam paste,Of de eedle leden van een Cyrus meê vermaste.Men ziet het, de verstandige zucht van den schilder om van alom datgene samen te gaderen, wat hem ’t meest van dienst kon zijn, om aan zijn figuren een schilderachtig voorkomen te geven, dat rondsnuffelen naar oudheden, wat onze hedendaagsche kunstenaars zoo gretig en zoo wijslijk navolgen, die yver, in een woord, voor het beöefende vak, werd door Pels in een belachlijk daglicht gesteld.Heden ten dage bezit men vrij algemeen de overtuiging, dat een armoedige dosch, ja de lompen eens bedelaars, waar het naakte vel door heen speelt, aantreklijker voorwerpen zijn voor het penceel des schilders, dan lakensche rokken vol ridderorden, dan prachtige uniformen met gouden epauletten, dan zijden japonnen en Perzische sjaals. Maar zóó dachten Pels en dergelijke Aristarchen niet, in wier oogen de eenvoudige natuur geen genade kon vinden, en die alles afkeurden, wat geen navolging was der klassieke oudheid. Ja, zóó zonderling en dwaas vond men dien „gril” van Rembrandt, om geen idealen te scheppen, maar na te volgen, wat hy met de oogen zag, dat men zijn zoeken van modellen by lieden uit de volksklasse niet anders wist te verklaren, dan door zekere verachtlijke neiging, die hem aanspoorde, om by voorkeur om te gaan met onbeschaafd en ruw volk. Even als had Rembrandt, het naakt leven willende bestudeeren, een andere keuze gehad! Amsterdam was het oude Griekenland niet, waar de vrouwen uit denhoogsten rang het zich tot een eere rekenden, voor het oog der Apellessen of Fidiassen ook den lesten sluier te doen vallen, die haar schoone vormen bedekte: en geen Burgemeestersdochter zou zich hebben ontkleed, om Rembrandt tot model te dienen. Maar ook bovendien wordt de beschuldiging, tegen hem ingebracht, door feiten wedersproken. Zoû een man, die lage en gemeene neigingen had, door een achtbaren Regent als Tulp beschermd zijn geweest? had de smaakvolle Joan Six aan diens kunstwerk een plaats aangeboden in zijn vriendenrol? had hem de gemoedelijke Jeremias de Decker zijn vriend genoemd?—En dat die naam geen zinledige beleefdheidsklank was, blijkt uit den inhoud van ’t klinkdicht, waarin die voorkomt:Uw meesterlijke streken,Vriend Rembrandt, heb ik eerst zien gaan langs dit paneel;Dus moet mijn pen wat ryms van uw begaafd penseel,En mijnen inkt wat roems van uwe verwen spreken.Men ziet het, de Decker had de schildery, waarover hy hier spreekt,—de afbeelding, namelijk, van den verrezen Kristus en Maria Magdalena—door den kunstenaarzienschilderen: wat niet mogelijk kan geweest zijn, of hy moet hem op zijn werkplaats bezocht, en wel vertrouwlijken omgang met hem gehad hebben. Die vertrouwlijke omgang blijkt, bovendien, uit de omstandigheid, dat Rembrandt de afbeelding van De Decker schilderde, en, dat niet, zoo als deze zelf betuigt,En dat niet om daaruit wat loons te mogen spinnen,Maar louterlijk uit gunst.Dan genoeg over de ongerijmde beschuldiging.Berispte Pels onzen grooten schilder over hetgeen hy zijn „doorluchtig dwalen” noemt, Houbraken ontzegt hem zelfs de verdienste der oorspronklijkheid, als hy, in zijn Schouburgh, van Pinas gewagende, zich aldus uitlaat: „zijn penseelwerk helde naar den bruinen kant, waarom velen gelooven, dat Rembrandt hem daarinnageaaptheeft;”—ja, nageaapt, gelijk Virgilius het Ennius, Shakespere en Molière het hun vergeten voorgangers gedaan hebben!Het herhaald overwerken door Rembrandt van zijn kunstgewrochten, vooral van zijn etswerk, moest mede aan de vroegere beoordeelaars van zijn talent stof tot gisping bieden. Verre van daarin den rusteloozen arbeid te willen zien des waarachtigen kunstenaars, die, nimmer geheelvoldaan over ’t geen zijn hand verricht heeft, altijd naar volmaaktheid streeft, en elke feil zoekt te verbeteren, elke schoonheid te verhoogen, wilden zy daarin een bewijs vinden van lage geldzucht en onverzadelijk winstbejach. Die varianten op dezelfde plaat moesten dienen, zoo ’t heette, om, met kleine moeite, veel gelds te maken. Men leze, by Scheltema, de zoo bescheidene, zoo kiesche brieven, door Rembrandt geschreven aan Constantijn Huygens, betreffende den prijs van een tweetal schilderyen, door Prins Frederik Hendrik besteld: de inhoud daarvan is toereikend, om allen blaam van gierigheid te wederspreken.—Neen! men kome met afdoende gronden aan, of men eerbiedige voortaan ook het karakter des grooten mans, gelijk men nu reeds voor een tal van jaren zijn talent heeft leeren eerbiedigen.Over dat talent zullen wy hier niet uitweiden: wanneer in alle groote kunstverzamelingen van Europa scheppingen van zijn penceel of etsnaald elks bewondering worden aangeboden, wanneer ons Vaderland vooral zich verheft op het bezit van zijn heerlijkste gewrochten—de afbeeldsels van Burgemeester Six en van Anna Wymers, de Les in de ontleedkunde, den Schutters-optocht—en van de rijkste verzameling zijner prentwerken, dan is het noodeloos, door de herhaling van hetgeen elders, meermalen, en beter dan wy het doen kunnen, is gezegd, nog een betoog te leveren van wat ieder, die van kunstgevoel niet geheel is verstoken, met eigen oogen kan zien. En dan zegt niemand langer, met Pels, dat Rembrandt het niet halen kon by Titiaan, by Rafaël, Michel Angelo of van Dijck, maar dat hy, nevens die groote mannen, door eigen en oorspronklijke grootheid schittert:—dan zegt niemand langer, met Houbraken, dat Rembrandt Pinas naäapte, maar dat hy zich een verhevener, een onsterflijk, nimmer verouderend voorbeeld ter navolging had gekozen, en dat voorbeeld teruggaf met een waarheid, welke niemand vóór of na hem heeft weten te bereiken. Indien het mogelijk ware, aan eenederscheppingen van Gods almacht een rang boven de overigen aan te wijzen, zoo zoû die, voorzeker, toekomen aan de schepping van het licht. Rembrandt streefde den Schepper na, in zoo verre dit den mensch doenlijk en geoorloofd is. God had gezegd: „er zij licht” en het licht doorstroomde het heelal: en toen Rembrandt, in zijn geest, dezelfde woorden uitte, toen, aan zijn gedachte gehoorzaam, stroomde het licht in vollen glans en helderheid over koper en paneel.1Redevoering over het Leven en de verdiensten vanRembrandt van Rijnenz. doorDr. P. Scheltema, van Amsterdam. P. N. van Kampen. 1853.

REMBRANDT VAN RIJN.

Niet altijd wordt aan groote mannen, gedurende hun leven, de hulde toegebracht, waarop zy aanspraak maken mogen. Een sprekend voorbeeld van de waarheid dezer stelling levert ons Rembrandt van Rijn. Heeft het nageslacht hem recht gedaan, ja, hem, schier zonder tegenspraak, als aan een ster der eerste grootte in den kunsthemel, een plaats aangewezen naast Rafaël, Michel Angelo,Rubens, Murillo, Van Dijck, geheel anders was het oordeel, dat zijn tijdgenooten over hem velden. Terwijl de schilders, hier genoemd, by hun leven reeds den lof ontfingen, die hun toekwam, en zich met eerbewijzen zagen overladen, moest er anderhalve eeuw verloopen, eer het genie van Rembrandt op zijn waarde werd geschat, en zelfs toen nog was het noodig, dat de kroon, die hem past als Vorst der Hollandsche schilderkunst, eer zy op zijn hoofd in vollen luister prijken mocht, gezuiverd werd van de smetten, waarmede onkunde en kwaadwilligheid haar bezoedeld hadden.Rembrandt.W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Rembrandt.Onkunde en kwaadwilligheid. Zoo iemand, is Rembrandt daarvan het slachtoffer geweest, en naauwlijks weten wy, by ’t bewonderen van zijn oorspronklijk en onovertrefbaar talent, of wy ons meer moeten ergeren dan verbazen over de dwaasheden, uitgekraamd door toongevende critici, ten eind zijne verdiensten als kunstenaar te verkleinen, en hem als mensch verachtlijk te maken. Had men reeds vroeger hem onder het eerste oogpunt leeren waardeeren, het is niet dan in Mei 1852, ter gelegenheid der onthulling van het Standbeeld, hem te Amsterdam opgericht, dat ook zijn karakter is gezuiverd van den blaam, dien de laster daarover zoo kwistig en met zulk een welbehagen had uitgestort. Maar hoe velen toen, by het aanhooren, later by het lezen, van Scheltemaas doorwrochte verhandeling1tot andere inzichten mogen gekomen zijn, toch kan hetniet onnoodig geacht worden, by elke gepaste gelegenheid, te zorgen, dat de uitkomsten, daarin medegedeeld, meer en meer bekendheid erlangen. Voor onze lezers alzoo, voor zoo verre die het werk van Scheltema niet bezitten, zal onze schets niet overbodig zijn: wie aan de naauwkeurigheid daarvan twijfelt, zoeke in de oirkonden, als bylagen achter dat werk geplaatst, de bewijsgronden, welke het niet met ons bestek overeenkomt, aan te halen.Rembrandt van Rijn werd in den jare 1608 te Leyden, in de Weddesteeg, by de Witte Poort, geboren, en was de zesde van zeven kinderen, door Herman Gerritsz. van Rijn verwekt by Neeltjen Willemsd. van Zuidbroek. Zijn ouders waren welgestelde lieden, en lieten by het sterven der langstlevende een niet onaanzienlijk vermogen na, waarvan Rembrandt een vierde deel bekwam. Ofschoon oorspronklijk voor de studie opgeleid, verliet de knaap, die reeds vroeg neiging en aanleg voor de kunst betoonde, al spoedig het gymnasium, om zich eerst drie jaren by Jakob Izaakszoon van Swanenburg, en later te Amsterdam, by Pezer Lastman te oefenen. By dezen bleef hy een half jaar, zette toen zijn studie voort onder de leiding van Jakob Pinas, te Haarlem, en keerde eerlang naar Leyden terug. Doch reeds had hy zich als schilder en teekenaar eenigen naam verworven, en daar hy zeer weinig geld vorderde voor de portretten, welke hy vervaardigde, werd hy meermalen naar Amsterdam ontboden, wat aanleiding gaf, dat hy zich, omstreeks 1630 reeds, in die stad vestigde. Onder zijn goede bekenden aldaar, wier afbeelsel hy vervaardigde, behoorde de Predikant Jan Cornelis Silvius. Deze was met een Friesche vrouw getrouwd, die wel eens bezoek ontfing van haar volle nicht Saskia, dochter van Rombertus Uilenburg, die Pensionaris en Burgemeester van Leeuwarden geweest en in 1624 als Raadsheer in ’t Hof van Friesland gestorven was. Met deze raakte onze schilder bekend, en zy, niet alleen van aanzienlijken en deftigen huize, maar ook van tijdelijke middelen wel gezegend zijnde, achtte het niet beneden zich, haar hand aan den burgerzoon uit Leyden te schenken. Hun echt werd op den 22. Junij, 1633 te St. Anna-Parochie in Friesland voltrokken, waar Saskia zich ophield ten huize van haar zuster Hiskia, die gehuwd was met Gerrit van Loo, Sekretaris van de Bildt. Slechts acht jaren mocht Rembrandt zich in ’t bezit zijner gade verheugen: zy stierf in 1642, aan Rembrandt een zoon achterlatende, Titus genoemd, die mede de kunst beoefende, doch met geen gelukkigen uitslag. OfschoonRembrandt zich als schilder veel naam en daardoor ook een groot aantal leerlingen verworven had, en vrij wat bestellingen van schilderyen en portretten ontfing, was hy toch geenszins de schilder naar de mode, en zoû, indien hy van zijn kunst had moeten bestaan, maar schraal zijn rondgekomen. Dit bleek in 1656, toen zijn boedel in staat van kenlijk onvermogen werd verklaard, en zijne goederen diensvolgends aan de Desolate Boedelkamer kwamen. Zijn huis op de St. Antonies-Breêstraat, zijn huisraad, zijn schilderyen, in ’t kort, al wat hy bezat, werd gerechtelijk verkocht. De oorzaken van deze noodlottige gebeurtenis moeten gezocht worden in de omstandigheid, dat Rembrandt, een tweede huwelijk hebbende aangegaan, verplicht was geweest, aan zijn zoon het moederlijk vermogen uit te keeren, terwijl zijn eigen boedel, tengevolge van het plotseling dalen der schuldbrieven, in waarde was verminderd, en de rampen van den oorlog de zucht om de schilderkunst aan te moedigen by de natie een tijd lang had doen verslappen.Na den slag, die hem getroffen had, leidde Rembrandt een stil en afgezonderd leven, geheel aan zijn studiën gewijd, tot dat hy, in 1669, in een andere woning op de Rozegracht te Amsterdam, overleed.Ziedaar het kort en onopgesmukt verhaal van zijn leven. By dat van andere groote mannen heeft men doorgaands er naar gestreefd, om aan te vullen wat in vroegere levensberichten ontbrak: by het zijne moest men in-tegendeel in de eerste plaats terzijde stellen al, wat aan de vroegere berichten iets pikants of zonderlings gaf, doch geheel verzonnen of uit de lucht gegrepen was.Van waar de verdichtselen ontsproten zijn, die men omtrent Rembrandt heeft opgedischt, is moeilijk na te gaan; intusschen is hy niet de eenige onder de beroemde kunstbeoefenaren van ons vaderland, aan wien, zelfs door eerbiedwaardige schrijvers, een karakter, een levensloop, handelingen en gezegden zijn toegekend, zonder dat voor die toekenning eenige historische grond bestaat.—Ik weet maar ééne oplossing van dat zonderling verschijnsel te geven. In den mond van ’t volk liepen van ouds allerlei vertelsetjens van hebbelijkheden of gebreken, waardoor poëeten of kunstenaren zich hadden onderscheiden, van dwaze of kluchtige streken, door hen bedreven, van vreemde avonturen, die hun waren overkomen. Een vertelsetjen van zoodanigen aart mist doorgaands alle zout, wanneer men den naam van de persoon, die ’t betreft, er niet by noemt: zoo gebeurde het, dat men aan den onbekenden held van ieder sprookjeneen bekenden naam gaf, en aan Vondel, aan Bredero, aan Jan Steen, aan Rembrandt enz., toeschreef, wat, zoo door iemand, zeker door geen hunner gedaan, gezegd of gedacht was. In de voorgaande eeuw, toen men algemeen begreep, dat men het niet zoo naauw had te nemen met poëeten en kunstenaars, een „slach van volkjen” dat men betaalde, als men ’t noodig had, doch waaraan men in den maatschaplijken rang een vrij lager trap toekende dan aan ambachtslieden of winkeliers; in de voorgaande eeuw, zeg ik, toen men ploerterigheid, liederlijkheid, zedeloosheid en erger nog als onafscheidelijk achtte van het kunstenaarsberoep, schepte men behagen in al zulke anekdoten als strekken konden, om die meening te bevestigen, en Houbraken, toen hy zijn Grooten Schouburgh der Nederlandsche Schilders uitgaf, en dien met een samenraapsel van schandelijke logens vulde, bracht een offer aan den smaak en de denkwijze van zijn tijd; ja, zelfs de anders zoo naauwgezette Wagenaar, als hy, in ’t laatste deel van zijn „Amsterdam”, Rembrandt onder de beroemde mannen noemt, die aldaar geleefd hebben, maakt zich in een zeer kort, zeer oppervlakkig en niet byzonder vleiend artikel van hem af, en schijnt, door naar Houbraken te verwijzen, het aldaar geboekte als evangelie op te nemen. Ware Rembrandt een Burgemeester of een Predikant geweest, de voorzichtige historieschrijver zoû zich wel de moeite gegeven hebben, eens te onderzoeken of en in hoeverre Houbrakens verhaal te vertrouwen ware;—maar Rembrandt was eenvoudig een schilder; en met diens goeden naam mocht men gerust omspringen.Had echter Wagenaar zich de nasporingen getroost, welke latere waarheidminnaars gedaan hebben, hy had zich kunnen overtuigen, dat het artikel van Houbraken over Rembrandt, van ’t begin tot aan ’t slot, niet anders is dan een roman. Onwaar is al wat Houbraken (en zijn naschrijvers op zijn spoor) vermeldt aangaande ’t jaar en de plaats van Rembrandts geboorte: onwaar, dat Saskia Uilenburg een boeredochter uit Waterland geweest zoû zijn: onwaar, dat onze schilder zich door geldgierigheid en geldverkwisting tevens (!) zoû onderscheiden hebben: onwaar al de sprookjens, die als bewijzen daarvan worden opgedischt.Maar, hebben zy, die over Rembrandt schreven, voor ’t minst zijn talent gespaard? Helaas! men heeft wel niet geheel ontkend, dat hy eenige verdiensten bezat; maar toch, indien ’s mans onsterflijke werken niet meer bestonden, om een getuigenis voor hem af te leggen, die ’t onverstand tot zwijgen brengt, indien wy ons oordeel over zijn bekwaamheidals schilder uitsluitend moesten laten afhangen van dat zijner tijdgenooten en levensbeschrijvers, wy zouden er geen grooten dunk van koesteren.—Wy hebben het reeds gezegd: Rembrandt behoorde niet tot de meest begunstigde schilders van zijn tijd en was vrij wat minder in trek dan Sandrart, dan Mierevelt, dan Van der Helst, dan Honthorst, dan zijn eigen leerlingen, Ferdinand Bol, Govert Flink en Filips Koning. Verlangt men eenig bewijs voor dit beweeren?—Onder de schilders, wier kunstvermogen de Regeering van Amsterdam inriep, om den inwendigen luister te verhoogen van het nieuw gebouwde Stadhuis, wordt Rembrandt niet genoemd: en Vondel, die, waar ’t zaken van smaak betreft, wel als de tolk beschouwd mag worden van het toongevend publiek zijner eeuw, Vondel, die aan byna alle kunstenaren van zijnen tijd lof- en eerevaerzen toezingt, noemt Rembrandt niet meer dan eens, en wel in een onbeduidend vierregelig dichtjen, dat hy tot hem richt, niet om te prijzen, maar om de onmacht te beschrijven des schilders, die alleen ’t gelaat, niet de stem eens redenaars kan teruggeven.Zoo wy de reden willen weten van den weinigen opgang, dien Rembrandt by de „Kunstmecenen” van zijnen tijd gemaakt schijnt te hebben, zal die vermoedelijk juist daarin dienen gezocht te worden, dat hy in zijn portretten de waarheid al te getrouw teruggaf. Hy wilde er zich niet toe leenen, verouderde of onbehaaglijke trekken met een waas van jeugd of bevalligheid op te luisteren: noch op een van nature dom gelaat een straal van vernuft te doen schitteren: hy beeldde getrouw af, wat hy zag: en dat was niet de weg om hem de gunst te doen verwerven van een publiek, dat altijd eenige ydelheid bezit en zal blijven bezitten. En daarby: onder dat publiek zijn veel groote kinders, die, even als de kleine kinders, ’t liefst heldere kleuren en schoon gewasschen beelden zien. „Men heeft het altijd in Rembrandt berispt”, zegt Wagenaar, „dat hy ’t leeven met gebreken met al te digt volgde”. En wie waren diemen, wie waren die kunstrechters, wier vonnis over onzen schilder door den zoo voorzichtigen Wagenaar wordt overgenomen, als gewezen in ’t hoogste ressort? Het was, in de eerste plaats, Andries Pels, die zich in de laatste helft der zeventiende eeuw op den troon der kritiek geplaatst had en vandaar zijn orakelen sprak, anderhalf-honderd jaren lang door een tallooze schaar van Midassen en Pygmeën nog beäamd. Men leze, hoe hy, tien jaren na Rembrandts dood, hem in zijn „Gebruik en Misbruik des Tooneels,” betytelt, als:Den grooten Rembrand, die ’t by Titiaan, Van Dyk,Noch Michiel Angelo, noch Rafel zag te haalen,En daarom liever koos doorluchtiglyk te dwaalenOm de eerste ketter in de Schilderkonst te zyn......Die schoon hy niet voor een van all’ die meesters weekIn houding, noch in kracht van koloryt bezweek,Als hy een’ naakte vrouw, gelijk ’t somtyds gebeurde,Zou schild’ren, tot model geen Grieksche Venus keurde,Maar eer een waschter of turftreedster uit een schuur,Zijn dwaaling noemende navolging van Natuur,Al ’t ander ydele verziering.Wat verder berispt Pels onzen schilder,Die door de gansche stad op bruggen, en op hoeken,Op Nieuwe en Noordermarkt zeer yvrig op ging zoekenHarnassen, Moriljons, Japonsche Ponjerts, bont,En Rafelkraagen, die hy schilderachtig vond,En vaak een Scipio aan ’t Roomsche lichaam paste,Of de eedle leden van een Cyrus meê vermaste.Men ziet het, de verstandige zucht van den schilder om van alom datgene samen te gaderen, wat hem ’t meest van dienst kon zijn, om aan zijn figuren een schilderachtig voorkomen te geven, dat rondsnuffelen naar oudheden, wat onze hedendaagsche kunstenaars zoo gretig en zoo wijslijk navolgen, die yver, in een woord, voor het beöefende vak, werd door Pels in een belachlijk daglicht gesteld.Heden ten dage bezit men vrij algemeen de overtuiging, dat een armoedige dosch, ja de lompen eens bedelaars, waar het naakte vel door heen speelt, aantreklijker voorwerpen zijn voor het penceel des schilders, dan lakensche rokken vol ridderorden, dan prachtige uniformen met gouden epauletten, dan zijden japonnen en Perzische sjaals. Maar zóó dachten Pels en dergelijke Aristarchen niet, in wier oogen de eenvoudige natuur geen genade kon vinden, en die alles afkeurden, wat geen navolging was der klassieke oudheid. Ja, zóó zonderling en dwaas vond men dien „gril” van Rembrandt, om geen idealen te scheppen, maar na te volgen, wat hy met de oogen zag, dat men zijn zoeken van modellen by lieden uit de volksklasse niet anders wist te verklaren, dan door zekere verachtlijke neiging, die hem aanspoorde, om by voorkeur om te gaan met onbeschaafd en ruw volk. Even als had Rembrandt, het naakt leven willende bestudeeren, een andere keuze gehad! Amsterdam was het oude Griekenland niet, waar de vrouwen uit denhoogsten rang het zich tot een eere rekenden, voor het oog der Apellessen of Fidiassen ook den lesten sluier te doen vallen, die haar schoone vormen bedekte: en geen Burgemeestersdochter zou zich hebben ontkleed, om Rembrandt tot model te dienen. Maar ook bovendien wordt de beschuldiging, tegen hem ingebracht, door feiten wedersproken. Zoû een man, die lage en gemeene neigingen had, door een achtbaren Regent als Tulp beschermd zijn geweest? had de smaakvolle Joan Six aan diens kunstwerk een plaats aangeboden in zijn vriendenrol? had hem de gemoedelijke Jeremias de Decker zijn vriend genoemd?—En dat die naam geen zinledige beleefdheidsklank was, blijkt uit den inhoud van ’t klinkdicht, waarin die voorkomt:Uw meesterlijke streken,Vriend Rembrandt, heb ik eerst zien gaan langs dit paneel;Dus moet mijn pen wat ryms van uw begaafd penseel,En mijnen inkt wat roems van uwe verwen spreken.Men ziet het, de Decker had de schildery, waarover hy hier spreekt,—de afbeelding, namelijk, van den verrezen Kristus en Maria Magdalena—door den kunstenaarzienschilderen: wat niet mogelijk kan geweest zijn, of hy moet hem op zijn werkplaats bezocht, en wel vertrouwlijken omgang met hem gehad hebben. Die vertrouwlijke omgang blijkt, bovendien, uit de omstandigheid, dat Rembrandt de afbeelding van De Decker schilderde, en, dat niet, zoo als deze zelf betuigt,En dat niet om daaruit wat loons te mogen spinnen,Maar louterlijk uit gunst.Dan genoeg over de ongerijmde beschuldiging.Berispte Pels onzen grooten schilder over hetgeen hy zijn „doorluchtig dwalen” noemt, Houbraken ontzegt hem zelfs de verdienste der oorspronklijkheid, als hy, in zijn Schouburgh, van Pinas gewagende, zich aldus uitlaat: „zijn penseelwerk helde naar den bruinen kant, waarom velen gelooven, dat Rembrandt hem daarinnageaaptheeft;”—ja, nageaapt, gelijk Virgilius het Ennius, Shakespere en Molière het hun vergeten voorgangers gedaan hebben!Het herhaald overwerken door Rembrandt van zijn kunstgewrochten, vooral van zijn etswerk, moest mede aan de vroegere beoordeelaars van zijn talent stof tot gisping bieden. Verre van daarin den rusteloozen arbeid te willen zien des waarachtigen kunstenaars, die, nimmer geheelvoldaan over ’t geen zijn hand verricht heeft, altijd naar volmaaktheid streeft, en elke feil zoekt te verbeteren, elke schoonheid te verhoogen, wilden zy daarin een bewijs vinden van lage geldzucht en onverzadelijk winstbejach. Die varianten op dezelfde plaat moesten dienen, zoo ’t heette, om, met kleine moeite, veel gelds te maken. Men leze, by Scheltema, de zoo bescheidene, zoo kiesche brieven, door Rembrandt geschreven aan Constantijn Huygens, betreffende den prijs van een tweetal schilderyen, door Prins Frederik Hendrik besteld: de inhoud daarvan is toereikend, om allen blaam van gierigheid te wederspreken.—Neen! men kome met afdoende gronden aan, of men eerbiedige voortaan ook het karakter des grooten mans, gelijk men nu reeds voor een tal van jaren zijn talent heeft leeren eerbiedigen.Over dat talent zullen wy hier niet uitweiden: wanneer in alle groote kunstverzamelingen van Europa scheppingen van zijn penceel of etsnaald elks bewondering worden aangeboden, wanneer ons Vaderland vooral zich verheft op het bezit van zijn heerlijkste gewrochten—de afbeeldsels van Burgemeester Six en van Anna Wymers, de Les in de ontleedkunde, den Schutters-optocht—en van de rijkste verzameling zijner prentwerken, dan is het noodeloos, door de herhaling van hetgeen elders, meermalen, en beter dan wy het doen kunnen, is gezegd, nog een betoog te leveren van wat ieder, die van kunstgevoel niet geheel is verstoken, met eigen oogen kan zien. En dan zegt niemand langer, met Pels, dat Rembrandt het niet halen kon by Titiaan, by Rafaël, Michel Angelo of van Dijck, maar dat hy, nevens die groote mannen, door eigen en oorspronklijke grootheid schittert:—dan zegt niemand langer, met Houbraken, dat Rembrandt Pinas naäapte, maar dat hy zich een verhevener, een onsterflijk, nimmer verouderend voorbeeld ter navolging had gekozen, en dat voorbeeld teruggaf met een waarheid, welke niemand vóór of na hem heeft weten te bereiken. Indien het mogelijk ware, aan eenederscheppingen van Gods almacht een rang boven de overigen aan te wijzen, zoo zoû die, voorzeker, toekomen aan de schepping van het licht. Rembrandt streefde den Schepper na, in zoo verre dit den mensch doenlijk en geoorloofd is. God had gezegd: „er zij licht” en het licht doorstroomde het heelal: en toen Rembrandt, in zijn geest, dezelfde woorden uitte, toen, aan zijn gedachte gehoorzaam, stroomde het licht in vollen glans en helderheid over koper en paneel.

Niet altijd wordt aan groote mannen, gedurende hun leven, de hulde toegebracht, waarop zy aanspraak maken mogen. Een sprekend voorbeeld van de waarheid dezer stelling levert ons Rembrandt van Rijn. Heeft het nageslacht hem recht gedaan, ja, hem, schier zonder tegenspraak, als aan een ster der eerste grootte in den kunsthemel, een plaats aangewezen naast Rafaël, Michel Angelo,Rubens, Murillo, Van Dijck, geheel anders was het oordeel, dat zijn tijdgenooten over hem velden. Terwijl de schilders, hier genoemd, by hun leven reeds den lof ontfingen, die hun toekwam, en zich met eerbewijzen zagen overladen, moest er anderhalve eeuw verloopen, eer het genie van Rembrandt op zijn waarde werd geschat, en zelfs toen nog was het noodig, dat de kroon, die hem past als Vorst der Hollandsche schilderkunst, eer zy op zijn hoofd in vollen luister prijken mocht, gezuiverd werd van de smetten, waarmede onkunde en kwaadwilligheid haar bezoedeld hadden.

Rembrandt.W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Rembrandt.

W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Rembrandt.

Onkunde en kwaadwilligheid. Zoo iemand, is Rembrandt daarvan het slachtoffer geweest, en naauwlijks weten wy, by ’t bewonderen van zijn oorspronklijk en onovertrefbaar talent, of wy ons meer moeten ergeren dan verbazen over de dwaasheden, uitgekraamd door toongevende critici, ten eind zijne verdiensten als kunstenaar te verkleinen, en hem als mensch verachtlijk te maken. Had men reeds vroeger hem onder het eerste oogpunt leeren waardeeren, het is niet dan in Mei 1852, ter gelegenheid der onthulling van het Standbeeld, hem te Amsterdam opgericht, dat ook zijn karakter is gezuiverd van den blaam, dien de laster daarover zoo kwistig en met zulk een welbehagen had uitgestort. Maar hoe velen toen, by het aanhooren, later by het lezen, van Scheltemaas doorwrochte verhandeling1tot andere inzichten mogen gekomen zijn, toch kan hetniet onnoodig geacht worden, by elke gepaste gelegenheid, te zorgen, dat de uitkomsten, daarin medegedeeld, meer en meer bekendheid erlangen. Voor onze lezers alzoo, voor zoo verre die het werk van Scheltema niet bezitten, zal onze schets niet overbodig zijn: wie aan de naauwkeurigheid daarvan twijfelt, zoeke in de oirkonden, als bylagen achter dat werk geplaatst, de bewijsgronden, welke het niet met ons bestek overeenkomt, aan te halen.

Rembrandt van Rijn werd in den jare 1608 te Leyden, in de Weddesteeg, by de Witte Poort, geboren, en was de zesde van zeven kinderen, door Herman Gerritsz. van Rijn verwekt by Neeltjen Willemsd. van Zuidbroek. Zijn ouders waren welgestelde lieden, en lieten by het sterven der langstlevende een niet onaanzienlijk vermogen na, waarvan Rembrandt een vierde deel bekwam. Ofschoon oorspronklijk voor de studie opgeleid, verliet de knaap, die reeds vroeg neiging en aanleg voor de kunst betoonde, al spoedig het gymnasium, om zich eerst drie jaren by Jakob Izaakszoon van Swanenburg, en later te Amsterdam, by Pezer Lastman te oefenen. By dezen bleef hy een half jaar, zette toen zijn studie voort onder de leiding van Jakob Pinas, te Haarlem, en keerde eerlang naar Leyden terug. Doch reeds had hy zich als schilder en teekenaar eenigen naam verworven, en daar hy zeer weinig geld vorderde voor de portretten, welke hy vervaardigde, werd hy meermalen naar Amsterdam ontboden, wat aanleiding gaf, dat hy zich, omstreeks 1630 reeds, in die stad vestigde. Onder zijn goede bekenden aldaar, wier afbeelsel hy vervaardigde, behoorde de Predikant Jan Cornelis Silvius. Deze was met een Friesche vrouw getrouwd, die wel eens bezoek ontfing van haar volle nicht Saskia, dochter van Rombertus Uilenburg, die Pensionaris en Burgemeester van Leeuwarden geweest en in 1624 als Raadsheer in ’t Hof van Friesland gestorven was. Met deze raakte onze schilder bekend, en zy, niet alleen van aanzienlijken en deftigen huize, maar ook van tijdelijke middelen wel gezegend zijnde, achtte het niet beneden zich, haar hand aan den burgerzoon uit Leyden te schenken. Hun echt werd op den 22. Junij, 1633 te St. Anna-Parochie in Friesland voltrokken, waar Saskia zich ophield ten huize van haar zuster Hiskia, die gehuwd was met Gerrit van Loo, Sekretaris van de Bildt. Slechts acht jaren mocht Rembrandt zich in ’t bezit zijner gade verheugen: zy stierf in 1642, aan Rembrandt een zoon achterlatende, Titus genoemd, die mede de kunst beoefende, doch met geen gelukkigen uitslag. OfschoonRembrandt zich als schilder veel naam en daardoor ook een groot aantal leerlingen verworven had, en vrij wat bestellingen van schilderyen en portretten ontfing, was hy toch geenszins de schilder naar de mode, en zoû, indien hy van zijn kunst had moeten bestaan, maar schraal zijn rondgekomen. Dit bleek in 1656, toen zijn boedel in staat van kenlijk onvermogen werd verklaard, en zijne goederen diensvolgends aan de Desolate Boedelkamer kwamen. Zijn huis op de St. Antonies-Breêstraat, zijn huisraad, zijn schilderyen, in ’t kort, al wat hy bezat, werd gerechtelijk verkocht. De oorzaken van deze noodlottige gebeurtenis moeten gezocht worden in de omstandigheid, dat Rembrandt, een tweede huwelijk hebbende aangegaan, verplicht was geweest, aan zijn zoon het moederlijk vermogen uit te keeren, terwijl zijn eigen boedel, tengevolge van het plotseling dalen der schuldbrieven, in waarde was verminderd, en de rampen van den oorlog de zucht om de schilderkunst aan te moedigen by de natie een tijd lang had doen verslappen.

Na den slag, die hem getroffen had, leidde Rembrandt een stil en afgezonderd leven, geheel aan zijn studiën gewijd, tot dat hy, in 1669, in een andere woning op de Rozegracht te Amsterdam, overleed.

Ziedaar het kort en onopgesmukt verhaal van zijn leven. By dat van andere groote mannen heeft men doorgaands er naar gestreefd, om aan te vullen wat in vroegere levensberichten ontbrak: by het zijne moest men in-tegendeel in de eerste plaats terzijde stellen al, wat aan de vroegere berichten iets pikants of zonderlings gaf, doch geheel verzonnen of uit de lucht gegrepen was.

Van waar de verdichtselen ontsproten zijn, die men omtrent Rembrandt heeft opgedischt, is moeilijk na te gaan; intusschen is hy niet de eenige onder de beroemde kunstbeoefenaren van ons vaderland, aan wien, zelfs door eerbiedwaardige schrijvers, een karakter, een levensloop, handelingen en gezegden zijn toegekend, zonder dat voor die toekenning eenige historische grond bestaat.—Ik weet maar ééne oplossing van dat zonderling verschijnsel te geven. In den mond van ’t volk liepen van ouds allerlei vertelsetjens van hebbelijkheden of gebreken, waardoor poëeten of kunstenaren zich hadden onderscheiden, van dwaze of kluchtige streken, door hen bedreven, van vreemde avonturen, die hun waren overkomen. Een vertelsetjen van zoodanigen aart mist doorgaands alle zout, wanneer men den naam van de persoon, die ’t betreft, er niet by noemt: zoo gebeurde het, dat men aan den onbekenden held van ieder sprookjeneen bekenden naam gaf, en aan Vondel, aan Bredero, aan Jan Steen, aan Rembrandt enz., toeschreef, wat, zoo door iemand, zeker door geen hunner gedaan, gezegd of gedacht was. In de voorgaande eeuw, toen men algemeen begreep, dat men het niet zoo naauw had te nemen met poëeten en kunstenaars, een „slach van volkjen” dat men betaalde, als men ’t noodig had, doch waaraan men in den maatschaplijken rang een vrij lager trap toekende dan aan ambachtslieden of winkeliers; in de voorgaande eeuw, zeg ik, toen men ploerterigheid, liederlijkheid, zedeloosheid en erger nog als onafscheidelijk achtte van het kunstenaarsberoep, schepte men behagen in al zulke anekdoten als strekken konden, om die meening te bevestigen, en Houbraken, toen hy zijn Grooten Schouburgh der Nederlandsche Schilders uitgaf, en dien met een samenraapsel van schandelijke logens vulde, bracht een offer aan den smaak en de denkwijze van zijn tijd; ja, zelfs de anders zoo naauwgezette Wagenaar, als hy, in ’t laatste deel van zijn „Amsterdam”, Rembrandt onder de beroemde mannen noemt, die aldaar geleefd hebben, maakt zich in een zeer kort, zeer oppervlakkig en niet byzonder vleiend artikel van hem af, en schijnt, door naar Houbraken te verwijzen, het aldaar geboekte als evangelie op te nemen. Ware Rembrandt een Burgemeester of een Predikant geweest, de voorzichtige historieschrijver zoû zich wel de moeite gegeven hebben, eens te onderzoeken of en in hoeverre Houbrakens verhaal te vertrouwen ware;—maar Rembrandt was eenvoudig een schilder; en met diens goeden naam mocht men gerust omspringen.

Had echter Wagenaar zich de nasporingen getroost, welke latere waarheidminnaars gedaan hebben, hy had zich kunnen overtuigen, dat het artikel van Houbraken over Rembrandt, van ’t begin tot aan ’t slot, niet anders is dan een roman. Onwaar is al wat Houbraken (en zijn naschrijvers op zijn spoor) vermeldt aangaande ’t jaar en de plaats van Rembrandts geboorte: onwaar, dat Saskia Uilenburg een boeredochter uit Waterland geweest zoû zijn: onwaar, dat onze schilder zich door geldgierigheid en geldverkwisting tevens (!) zoû onderscheiden hebben: onwaar al de sprookjens, die als bewijzen daarvan worden opgedischt.

Maar, hebben zy, die over Rembrandt schreven, voor ’t minst zijn talent gespaard? Helaas! men heeft wel niet geheel ontkend, dat hy eenige verdiensten bezat; maar toch, indien ’s mans onsterflijke werken niet meer bestonden, om een getuigenis voor hem af te leggen, die ’t onverstand tot zwijgen brengt, indien wy ons oordeel over zijn bekwaamheidals schilder uitsluitend moesten laten afhangen van dat zijner tijdgenooten en levensbeschrijvers, wy zouden er geen grooten dunk van koesteren.—Wy hebben het reeds gezegd: Rembrandt behoorde niet tot de meest begunstigde schilders van zijn tijd en was vrij wat minder in trek dan Sandrart, dan Mierevelt, dan Van der Helst, dan Honthorst, dan zijn eigen leerlingen, Ferdinand Bol, Govert Flink en Filips Koning. Verlangt men eenig bewijs voor dit beweeren?—Onder de schilders, wier kunstvermogen de Regeering van Amsterdam inriep, om den inwendigen luister te verhoogen van het nieuw gebouwde Stadhuis, wordt Rembrandt niet genoemd: en Vondel, die, waar ’t zaken van smaak betreft, wel als de tolk beschouwd mag worden van het toongevend publiek zijner eeuw, Vondel, die aan byna alle kunstenaren van zijnen tijd lof- en eerevaerzen toezingt, noemt Rembrandt niet meer dan eens, en wel in een onbeduidend vierregelig dichtjen, dat hy tot hem richt, niet om te prijzen, maar om de onmacht te beschrijven des schilders, die alleen ’t gelaat, niet de stem eens redenaars kan teruggeven.

Zoo wy de reden willen weten van den weinigen opgang, dien Rembrandt by de „Kunstmecenen” van zijnen tijd gemaakt schijnt te hebben, zal die vermoedelijk juist daarin dienen gezocht te worden, dat hy in zijn portretten de waarheid al te getrouw teruggaf. Hy wilde er zich niet toe leenen, verouderde of onbehaaglijke trekken met een waas van jeugd of bevalligheid op te luisteren: noch op een van nature dom gelaat een straal van vernuft te doen schitteren: hy beeldde getrouw af, wat hy zag: en dat was niet de weg om hem de gunst te doen verwerven van een publiek, dat altijd eenige ydelheid bezit en zal blijven bezitten. En daarby: onder dat publiek zijn veel groote kinders, die, even als de kleine kinders, ’t liefst heldere kleuren en schoon gewasschen beelden zien. „Men heeft het altijd in Rembrandt berispt”, zegt Wagenaar, „dat hy ’t leeven met gebreken met al te digt volgde”. En wie waren diemen, wie waren die kunstrechters, wier vonnis over onzen schilder door den zoo voorzichtigen Wagenaar wordt overgenomen, als gewezen in ’t hoogste ressort? Het was, in de eerste plaats, Andries Pels, die zich in de laatste helft der zeventiende eeuw op den troon der kritiek geplaatst had en vandaar zijn orakelen sprak, anderhalf-honderd jaren lang door een tallooze schaar van Midassen en Pygmeën nog beäamd. Men leze, hoe hy, tien jaren na Rembrandts dood, hem in zijn „Gebruik en Misbruik des Tooneels,” betytelt, als:

Den grooten Rembrand, die ’t by Titiaan, Van Dyk,Noch Michiel Angelo, noch Rafel zag te haalen,En daarom liever koos doorluchtiglyk te dwaalenOm de eerste ketter in de Schilderkonst te zyn......Die schoon hy niet voor een van all’ die meesters weekIn houding, noch in kracht van koloryt bezweek,Als hy een’ naakte vrouw, gelijk ’t somtyds gebeurde,Zou schild’ren, tot model geen Grieksche Venus keurde,Maar eer een waschter of turftreedster uit een schuur,Zijn dwaaling noemende navolging van Natuur,Al ’t ander ydele verziering.

Den grooten Rembrand, die ’t by Titiaan, Van Dyk,

Noch Michiel Angelo, noch Rafel zag te haalen,

En daarom liever koos doorluchtiglyk te dwaalen

Om de eerste ketter in de Schilderkonst te zyn...

...Die schoon hy niet voor een van all’ die meesters week

In houding, noch in kracht van koloryt bezweek,

Als hy een’ naakte vrouw, gelijk ’t somtyds gebeurde,

Zou schild’ren, tot model geen Grieksche Venus keurde,

Maar eer een waschter of turftreedster uit een schuur,

Zijn dwaaling noemende navolging van Natuur,

Al ’t ander ydele verziering.

Wat verder berispt Pels onzen schilder,

Die door de gansche stad op bruggen, en op hoeken,Op Nieuwe en Noordermarkt zeer yvrig op ging zoekenHarnassen, Moriljons, Japonsche Ponjerts, bont,En Rafelkraagen, die hy schilderachtig vond,En vaak een Scipio aan ’t Roomsche lichaam paste,Of de eedle leden van een Cyrus meê vermaste.

Die door de gansche stad op bruggen, en op hoeken,

Op Nieuwe en Noordermarkt zeer yvrig op ging zoeken

Harnassen, Moriljons, Japonsche Ponjerts, bont,

En Rafelkraagen, die hy schilderachtig vond,

En vaak een Scipio aan ’t Roomsche lichaam paste,

Of de eedle leden van een Cyrus meê vermaste.

Men ziet het, de verstandige zucht van den schilder om van alom datgene samen te gaderen, wat hem ’t meest van dienst kon zijn, om aan zijn figuren een schilderachtig voorkomen te geven, dat rondsnuffelen naar oudheden, wat onze hedendaagsche kunstenaars zoo gretig en zoo wijslijk navolgen, die yver, in een woord, voor het beöefende vak, werd door Pels in een belachlijk daglicht gesteld.

Heden ten dage bezit men vrij algemeen de overtuiging, dat een armoedige dosch, ja de lompen eens bedelaars, waar het naakte vel door heen speelt, aantreklijker voorwerpen zijn voor het penceel des schilders, dan lakensche rokken vol ridderorden, dan prachtige uniformen met gouden epauletten, dan zijden japonnen en Perzische sjaals. Maar zóó dachten Pels en dergelijke Aristarchen niet, in wier oogen de eenvoudige natuur geen genade kon vinden, en die alles afkeurden, wat geen navolging was der klassieke oudheid. Ja, zóó zonderling en dwaas vond men dien „gril” van Rembrandt, om geen idealen te scheppen, maar na te volgen, wat hy met de oogen zag, dat men zijn zoeken van modellen by lieden uit de volksklasse niet anders wist te verklaren, dan door zekere verachtlijke neiging, die hem aanspoorde, om by voorkeur om te gaan met onbeschaafd en ruw volk. Even als had Rembrandt, het naakt leven willende bestudeeren, een andere keuze gehad! Amsterdam was het oude Griekenland niet, waar de vrouwen uit denhoogsten rang het zich tot een eere rekenden, voor het oog der Apellessen of Fidiassen ook den lesten sluier te doen vallen, die haar schoone vormen bedekte: en geen Burgemeestersdochter zou zich hebben ontkleed, om Rembrandt tot model te dienen. Maar ook bovendien wordt de beschuldiging, tegen hem ingebracht, door feiten wedersproken. Zoû een man, die lage en gemeene neigingen had, door een achtbaren Regent als Tulp beschermd zijn geweest? had de smaakvolle Joan Six aan diens kunstwerk een plaats aangeboden in zijn vriendenrol? had hem de gemoedelijke Jeremias de Decker zijn vriend genoemd?—En dat die naam geen zinledige beleefdheidsklank was, blijkt uit den inhoud van ’t klinkdicht, waarin die voorkomt:

Uw meesterlijke streken,Vriend Rembrandt, heb ik eerst zien gaan langs dit paneel;Dus moet mijn pen wat ryms van uw begaafd penseel,En mijnen inkt wat roems van uwe verwen spreken.

Uw meesterlijke streken,

Vriend Rembrandt, heb ik eerst zien gaan langs dit paneel;

Dus moet mijn pen wat ryms van uw begaafd penseel,

En mijnen inkt wat roems van uwe verwen spreken.

Men ziet het, de Decker had de schildery, waarover hy hier spreekt,—de afbeelding, namelijk, van den verrezen Kristus en Maria Magdalena—door den kunstenaarzienschilderen: wat niet mogelijk kan geweest zijn, of hy moet hem op zijn werkplaats bezocht, en wel vertrouwlijken omgang met hem gehad hebben. Die vertrouwlijke omgang blijkt, bovendien, uit de omstandigheid, dat Rembrandt de afbeelding van De Decker schilderde, en, dat niet, zoo als deze zelf betuigt,

En dat niet om daaruit wat loons te mogen spinnen,Maar louterlijk uit gunst.

En dat niet om daaruit wat loons te mogen spinnen,

Maar louterlijk uit gunst.

Dan genoeg over de ongerijmde beschuldiging.

Berispte Pels onzen grooten schilder over hetgeen hy zijn „doorluchtig dwalen” noemt, Houbraken ontzegt hem zelfs de verdienste der oorspronklijkheid, als hy, in zijn Schouburgh, van Pinas gewagende, zich aldus uitlaat: „zijn penseelwerk helde naar den bruinen kant, waarom velen gelooven, dat Rembrandt hem daarinnageaaptheeft;”—ja, nageaapt, gelijk Virgilius het Ennius, Shakespere en Molière het hun vergeten voorgangers gedaan hebben!

Het herhaald overwerken door Rembrandt van zijn kunstgewrochten, vooral van zijn etswerk, moest mede aan de vroegere beoordeelaars van zijn talent stof tot gisping bieden. Verre van daarin den rusteloozen arbeid te willen zien des waarachtigen kunstenaars, die, nimmer geheelvoldaan over ’t geen zijn hand verricht heeft, altijd naar volmaaktheid streeft, en elke feil zoekt te verbeteren, elke schoonheid te verhoogen, wilden zy daarin een bewijs vinden van lage geldzucht en onverzadelijk winstbejach. Die varianten op dezelfde plaat moesten dienen, zoo ’t heette, om, met kleine moeite, veel gelds te maken. Men leze, by Scheltema, de zoo bescheidene, zoo kiesche brieven, door Rembrandt geschreven aan Constantijn Huygens, betreffende den prijs van een tweetal schilderyen, door Prins Frederik Hendrik besteld: de inhoud daarvan is toereikend, om allen blaam van gierigheid te wederspreken.—Neen! men kome met afdoende gronden aan, of men eerbiedige voortaan ook het karakter des grooten mans, gelijk men nu reeds voor een tal van jaren zijn talent heeft leeren eerbiedigen.

Over dat talent zullen wy hier niet uitweiden: wanneer in alle groote kunstverzamelingen van Europa scheppingen van zijn penceel of etsnaald elks bewondering worden aangeboden, wanneer ons Vaderland vooral zich verheft op het bezit van zijn heerlijkste gewrochten—de afbeeldsels van Burgemeester Six en van Anna Wymers, de Les in de ontleedkunde, den Schutters-optocht—en van de rijkste verzameling zijner prentwerken, dan is het noodeloos, door de herhaling van hetgeen elders, meermalen, en beter dan wy het doen kunnen, is gezegd, nog een betoog te leveren van wat ieder, die van kunstgevoel niet geheel is verstoken, met eigen oogen kan zien. En dan zegt niemand langer, met Pels, dat Rembrandt het niet halen kon by Titiaan, by Rafaël, Michel Angelo of van Dijck, maar dat hy, nevens die groote mannen, door eigen en oorspronklijke grootheid schittert:—dan zegt niemand langer, met Houbraken, dat Rembrandt Pinas naäapte, maar dat hy zich een verhevener, een onsterflijk, nimmer verouderend voorbeeld ter navolging had gekozen, en dat voorbeeld teruggaf met een waarheid, welke niemand vóór of na hem heeft weten te bereiken. Indien het mogelijk ware, aan eenederscheppingen van Gods almacht een rang boven de overigen aan te wijzen, zoo zoû die, voorzeker, toekomen aan de schepping van het licht. Rembrandt streefde den Schepper na, in zoo verre dit den mensch doenlijk en geoorloofd is. God had gezegd: „er zij licht” en het licht doorstroomde het heelal: en toen Rembrandt, in zijn geest, dezelfde woorden uitte, toen, aan zijn gedachte gehoorzaam, stroomde het licht in vollen glans en helderheid over koper en paneel.

1Redevoering over het Leven en de verdiensten vanRembrandt van Rijnenz. doorDr. P. Scheltema, van Amsterdam. P. N. van Kampen. 1853.

1Redevoering over het Leven en de verdiensten vanRembrandt van Rijnenz. doorDr. P. Scheltema, van Amsterdam. P. N. van Kampen. 1853.


Back to IndexNext