[Inhoud]DE BESTORMING DER BENTENG MANDOEROEIAN.(Zuider- en Ooster-Afdeeling van Borneo, den20stenSept. 1883.)„Sergeant! de kettingganger Panglima Alie is gedrost, en heeft van mij een splinternieuw slagersmes medegenomen.”Met deze woorden naderde de fuselier Van Zijl, die in de kleine versterking te Moeara Teweh naast de betrekking van kok ook het bloedige ambt van slachter uitoefende, den menagemeester. Deze trok een bedenkelijk gezicht, krabde zich achter de ooren en zeide tot een sergeant die in de nabijheid stond: „Dat heb ik wel zien aankomen. Hoe kon men ook zoo onverstandig zijn om een veroordeeld Atjehsch hoofd naar eene streek te zenden, waar de bevolking in verzet is en Mohamad Seman nog veel invloed bezit?”[149]„Wat kan het jou schelen,” antwoordde de ander, „laat het civiel bestuur dat maar uitmaken.”„Je hebt gelijk,” mompelde de menagemeester en begaf zich naar den sergeant-majoor, die de jobstijding aan den post-commandant overbracht.Spoedig daarop rukten twee patrouilles uit, die in verschillende richtingen in het woud op verkenning gingen, terwijl eene gewapende sloep van den oorlogsstoomer, die voor de benteng op de Barito voor anker lag, stroomopwaarts voer om zoo mogelijk den vluchteling in handen te krijgen.Tegen den avond keerden allen naar Teweh terug, wel met vermoeide beenen, doch zonder Panglima Alie.Eenige weken waren sinds dat voorval voorbijgegaan. Het leven van het garnizoen bleef vervelend, zooals het alleen op buitenposten zijn kan. De manschappen exerceerden, werden geoefend in het schijfschieten en in hunne vrije uren speelden zij, onder het genot van wat slappe thee, pandoer om een halven cent de 10 punten. De officieren exerceerden natuurlijk ook mede, maakten daarna hun omberpartijtje (waarschijnlijk hooger dan om een halven cent de 10 punten) en dronken daarbij geen thee.In dat gemoedelijke leven kwam plotseling verandering, toen op zekeren dag het hoofd van een der omliggende bevriende kampongs in groote opgewondenheid[150]binnen de benteng kwam en den commandant mededeelde, dat eene bende Doessoeners, onder bevel van den pretendent-sultan Mohamad Seman, van de bovenstreken was afgezakt en vijandelijkheden begon tegen alle kampongs, die geen gemeene zaak met hem wilden maken. Eenige dagen later werd een troep, die van het schijfschieten terugkeerde, uit de rimboe1beschoten. Daar de onzichtbare schutters zich op een behoorlijken afstand hielden en waarschijnlijk ook een weinig aan beverigheid laboreerden, bezorgde ons dat geschiet geen verliezen. Den postcommandant werd de zaak evenwel een weinig te bar. Toen hij bekend was geworden met de schuilplaats der opstandelingen, zond hij daarheen een detachement infanterie onder aanvoering van een officier, dat den vijand overviel, de benteng bestormde en met den grond gelijk maakte. Doch indien de bevelhebber had gedacht daarmede den vijand onschadelijk te hebben gemaakt, dan vergiste hij zich schromelijk. Elken dag traden de opstandelingen brutaler op. Bij honderden nestelden zij zich op de omliggende hoogten en richtten hun vuur op onze versterking en op het oorlogsstoomschipOnrust.Te Bandjermasin waren deze gebeurtenissen natuurlijk niet onbekend gebleven. Op zekeren dag[151]duidde dan ook eene rookkolom de nadering aan van een stoomschip, en korten tijd daarna liet deBoni, tot groot genoegen van het garnizoen, haar anker vallen voor de versterking, medebrengende 60 man infanterie tot versterking van de bezetting. De Doessoeners, die waarschijnlijk van oordeel waren dat twee schepen gemakkelijker zijn te treffen dan één, namen nu ook deBonionder vuur, zonder evenwel veel schade aan te richten.Een paar dagen later stoomden beide schepen met 100 man infanterie aan boord de Barito verder op. Spionnen hadden bericht dat de vijand in het stroomopwaarts gelegen Telok Mayang een sterken voorpost had opgesteld, die zoowel de versterking te Teweh als de omliggende kampongs aanhoudend verontrustte. De troepen, die de vijandelijke benteng van twee zijden naderden, vonden haar verlaten, doch men kwam te weten, dat de opstandelingen zich op ongeveer drie uren stoomens boven Teweh aan eene linker zijrivier (de Lahei) op een 40 meter hoogen heuvel sterk verschanst hadden. Aanvoerder van de bende was Panglima Alie, de gevluchte dwangarbeider, die tegenover de bevolking volhield dat Mandoeroeian—zoo heet de heuvel—voor onze troepen onneembaar was. Dientengevolge waren, te oordeelen naar de ontvolkte kampongs, vele gewapende mannen naar den vijand overgeloopen. Het werd daarom hoog[152]tijd dien Atjeher eens eene gevoelige les te geven. Op den19denSeptember kwam daartoe de gouvernementsstoomerDjambite Teweh aan, met den resident, den gewestelijken militairen commandant en een detachement infanterie van 50 man aan boord. Onmiddellijk werd met de bevelvoerende officieren overleg gehouden, en besloten zoo spoedig mogelijk tot den aanval over te gaan. Met onverholen vreugde werd deze tijding door de troepen vernomen, vooral door de vaste bezetting, die reeds zoo lang tot levende schijf gediend had, en zich zoo gaarne met den vijand zou hebben gemeten, indien de postcommandant slechts het bevel daartoe had willen geven. De aanval werd vastgesteld op den volgenden morgen.In de soldatenkamers ontstond nu groote bedrijvigheid. Hier gaf er een zijnen geweerloop—toch reeds zoo blank als een spiegel—nog eens een extra olielaagje; daar onderzocht een ander de scherpte van zijn kapmes, kortom alles was leven en beweging.„Zeg eens, Piet,” riep een fuselier zijnen kameraad Van Zijl toe, die, met het hoofd tusschen de handen, met starre blikken voor zich uit zat te kijken, „wil ik je vriend Alie niet de groeten overbrengen en hem vragen of hij je slagersmes wil teruggeven?” Op deze woorden volgde een schaterlach van de omstaande soldaten. De aangesprokene[153]stond driftig op en met een gelaat, vuurrood van toorn, verliet hij de kamer.„Plaag dien armen kerel toch zoo niet,” bracht een oude korporaal in het midden, „het is al hard genoeg, dat hij morgen niet mee mag, omdat hij toevallig kok is.”Eenige minuten later stormde Van Zijl, gloeiend van opgewondenheid, de chambree weer binnen en riep luide: „Hoera! leve de kapitein! ik heb vergunning gekregen om mee te gaan. Nu zal ik mijn mes zelf halen, of de duivel mag het mij doen.”Van alle zijden hoorde men met genoegen dat de bij zijne kameraden en superieuren geziene kok, slachter, enz., mede van de partij zou zijn.„Niet waar, Piet, van middag krijgen we grootere porties, is ’t niet?” vroegen hem enkele manschappen.„Loop naar de maan!” antwoordde hij en ijlde naar zijn heiligdom, daar de hoornblazer reeds het signaal „voor den kok in de keuken” deed weerklinken.„Bruine boonen met spek,” mompelde de oude korporaal, terwijl hij met welgevallen den neus in zijn menageketel stak. „Piet heeft eer van zijn werk. Sedert Alie er met dat groote mes van door is gegaan, komt het me voor dat de rations grooter zijn. Er bleef misschien veel aan dat mes hangen.”[154]De manschappen schenen van dezelfde meening te zijn, ten minste er heerschte eene diepe stilte, slechts afgebroken door het eigenaardige geluid van etende menschen en het gekletter van lepels en vorken.Daar knalden plotseling van buiten een paar schoten, eenige kogels vlogen over de hoofden der manschappen en drongen in de wanden. Verschrikt sprongen de jongere soldaten op. De oude korporaal bleef echter rustig zitten en zeide kalm: „Bruine en blauwe boonen onder mekaar kan geen korporaalsmaag verdragen. Zet de slaaptafels voor de vensters!” en toen dat geschied was vervolgde hij: „Ga nou je gang maar weer met eten.”Er waren evenwel toch enkelen, die na dat geschiet weinig eetlust hadden, daar eenige vijanden uit nabijzijnde boomtoppen een levendig vuur onderhielden. Ook de officieren hadden hunne eetzaal op dezelfde wijze gebarricadeerd om niet te veel blootgesteld te zijn. Allen troostten zich echter met de gedachte: „morgen zullen we het jelui wel afleeren.”Reeds vóór de morgen, waarnaar zoo verlangd werd, was aangebroken, stonden de manschappen van het garnizoen, die ook aan de expeditie zouden deelnemen, op de binnenplaats aangetreden. Een paar gedempte commando’s lieten zich hooren, en weldra marcheerde de troep naar buiten om zich[155]naar den rivieroever te begeven, waar deBonigereed lag om hen op te nemen.Het was nog stikdonker, daarbij hing er een dichte nevel over het water, zoodat men geen pas voor zich uit kon zien. Voelend en tastend gingen de manschappen een voor een over de glibberige loopplank op het stoomschip. Van de overige schepen was niets te zien. Slechts hoorde men nu en dan het sissen van ontsnappenden stoom en het geluid van menschenstemmen.Op het achterdek van deBonistond de luitenant-adjudant C., die in plaats van den ongesteld geworden kapitein, wien aanvankelijk het commando was opgedragen, de aanvaltroepen zou aanvoeren, in druk gesprek met een paar andere officieren. Nu en dan ontsnapte hem eene kernachtige verwensching tegen den nevel, die maar niet wilde optrekken en het vertrek vertraagde. De handen schenen hem te jeuken.Eindelijk—het was ongeveer halfzeven—klaarde het op en zette de flottille zich in beweging. Voorop deBoni, daarna deOnrusten eindelijk deDjambi. Toen eerstgenoemd schip in de nabijheid van de kampong Ipoe gekomen was, zag de bemanning op grooten afstand eene prauw, bemand met ongeveer tien personen, stroomopwaarts roeien. Zeker waren dit vijandelijke verspieders, die onze komst moesten berichten, althans te oordeelen naar[156]de snelheid, waarmede zij zich uit de voeten maakten, konden zij onmogelijk een zuiver geweten hebben. Het doel van den tocht kon nu niet ver meer zijn.Het was ongeveer drie uren na de afvaart, toen bij eene kromming der rivier de vijandelijke versterking in het gezicht kwam. Hoog boven de palissaden wapperde uitdagend de roode sultansvlag. Met volle kracht stoomde nu deBonivooruit. Alles was aan boord tot een gevecht in gereedheid gebracht, doch aan ’s vijands zijde werd nog geen leven bemerkt. Nauwelijks evenwel was het schip binnen het bereik van de vijandelijke kogels gekomen, of een hevig vuur barstte los, zonder echter belangrijke schade aan te richten. Men bleef natuurlijk het antwoord niet schuldig. Een kort commando weerklonk, en een kanon van 5 cM. verhief zijne stem, om in den vorm van eenige ijzeren suikerbroodjes de groeten over te brengen. Nog eenige infanterie-salvo’s en de vijand liet deBoniongemoeid, om meer aandacht te wijden aan deOnrusten deDjambi. DeBoniging voor den mond van de Lahei ten anker. DeOnrustopende op ongeveer 500 meter benedenstrooms het vuur, dat door den vijand levendig beantwoord werd. De leiding der verdediging scheen niet in slechte handen te zijn. De lilla’s2waren goed[157]gericht, doch werkten weinig uit, daar de afstand te groot was.DeOnrusthad het ongeluk, dat bij eene poging om van de kleine kanonnen op het achterschip gebruik te maken en daartoe dwarsstrooms te gaan liggen, wegens den snellen stroom een anker moest worden gekapt. Daarna stoomde dit schip voorwaarts, kwam 400 meter benoorden de vijandelijke benteng weer ten anker en opende nogmaals het vuur, nu ook uit een kanon van 16 cM. De projectielen, daaruit geworpen, konden evenwel den heuveltop niet bereiken, daar aan het stuk geen voldoende elevatie kon worden gegeven. Met des te meer nadruk werd evenwel het vuur onderhouden uit de kleinere kanonnen, en blijkbaar niet zonder gevolg.De geschutstrijd had ongeveer een uur aangehouden, toen het vijandelijke vuur eenigermate verflauwde, en de overste het oogenblik gekomen achtte om tot den aanval over te gaan. Hij gaf dus last de troepen te ontschepen. Vooruit twee sloepen van deBonimet den voortroep onder het bevel van een luitenant, ten einde de nakomenden voor een overval te beveiligen. Na een half uur stonden ongeveer 170 man, onder bevel van zes officieren, gereed het gevecht te beginnen. Zooals reeds van de schepen was opgemerkt, was de benteng aan drie zijden van zware verhakkingen voorzien, en[158]moest men dus trachten aan den achterkant (noordzijde) te naderen.Een dajak, die door Panglima Alie genoodzaakt was geworden aan het opwerpen der versterking mede te werken, doch later gelegenheid had gevonden om te ontvluchten, werd door den controleur onder voorspiegeling van eene ruime belooning overgehaald tot gids te dienen. De man scheen niet bijster met die taak ingenomen, doch toen de commandant van den voortroep hem toevertrouwde aan de zorg van twee stevige fuseliers, die hem kort en bondig te kennen gaven, dat hij, bij de minste poging tot ontvluchten, als zijnde geen schot kruit waard, aan de bajonet zou worden geregen, schikte hij zich in zijn lot.In de volgende orde werd afgemarcheerd: aan het hoofd eene spits van zes man onder een sergeant, waarbij zich ook de commandant van den voortroep bevond; onmiddellijk daarachter de voortroep, sterk 30 Europeanen en Amboineezen, vervolgens het gros van de voorhoede, de hoofdtroep, sterk 79 man en eindelijk eene achterhoede van 30 man. In de grootste stilte werd afgemarcheerd,slechts hier en daar kraakte een dorre tak onder de voeten van een minder oplettend soldaat, doch een bestraffende blik van den bevelvoerenden officier was voldoende om tot meer voorzichtigheid aan te sporen. Na een marsch van een kwartier[159]kwam men voor een ravijn van ongeveer 10 meter diepte en 15 meter breedte, met zeer steile wanden. Een boomstam moest hier als brug dienst doen. De inlanders dansten er overheen alsof het een parketvloer ware geweest; ook de commandant van den voortroep balanceerde nog vlug naar den overkant. Moeielijker evenwel was de overtocht voor de volgende manschappen, daar de dunne boomstam door de bemodderde voeten hunner voorgangers glibberig was geworden. De meeste officieren en manschappen gaven er dan ook de voorkeur aan om schrijlings den overtocht te bewerkstelligen door het beurtelings verplaatsen van handen en posteriora, een kunststuk, dat eenen luitenant, die een weinig dik was uitgevallen, menigen zucht ontlokte. Dit veroorzaakte nog al oponthoud. De voortroep zette inmiddels den marsch voort en kreeg, na ongeveer een kwartier stijgen op aanwijzing van den gids, de benteng in ’t gezicht.„Links aanhouden!” klonk het uit den mond van den luitenant. De steile helling, waarvoor de gids den voortroep had gebracht, was voor eenen aanval alles behalve gunstig. Sidderend als een espenblad verzocht de gids, bevreesd voor de wraak zijner landgenooten, thans naar de achterhoede te mogen gaan. Het werd hem toegestaan. Weldra was de achterzijde der benteng bereikt. „Aan! vuur!” klonk het, en de knal van het salvo, honderdvoudig[160]door het gebergte weerkaatst, waarschuwde de nog achter zijnde kameraden dat het doel bereikt was. Een krachtig hoera weerklonk, en als in een wedren doorschreden de manschappen van den voortroep de kleine ruimte, die den boschrand van de versterking scheidde. Snel werden de geweren door de schietgaten gestoken en een ware kogelregen op de binnen opgehoopte vijanden uitgestort. Deze waren echter niet genegen spoedig den kamp op te geven.Bijna borst tegen borst, slechts door de palissaden gescheiden, stonden onze soldaten tegenover den vijand. Aanhoudend spoorde het Atjehsche hoofd zijne onderhoorigen aan om eenen aanval met de blanke wapenen te doen. De commandant, hiervoor beducht, trachtte tot tweemaal de benteng te beklimmen, zeker dat hij door de soldaten gevolgd zou worden. Bij de eerste poging evenwel ontving hij een schot door den linkerarm, dat hem deed neerstorten. Ook de tweede poging mislukte.Intusschen had de commandant der colonne zich bij den voortroep gevoegd. Hij had sabel en revolver achtergelaten en alleen een dun stukje bamboe in de hand, waarmede hij zoo nu en dan het stof uit zijn broek klopte.„Hij heeft gelijk,” mompelde de oude korporaal, „ik ken hem van Atjeh. Als die een sabel in de vuist heeft en er moet gestormd worden, dan houden[161]hem geen tien paarden; maar nu moet hij zijn kop bij elkaar houden.”„Verduiveld,” mopperde Van Zijl, „mogen we er dan nooit in?”Verlangend wendden zich veler blikken naar de plaats, waar de commandant stond. Kalm en bedaard wees deze de nakomende troepen, die door het overtrekken van het ravijn eenigszins waren opgehouden, hunne standplaats aan. Eindelijk was ook de achterhoede aangekomen. Deze werd zoodanig opgesteld, dat zij een aanval in den rug kon afwijzen. Spoedig daarop weerklonk het commando „Attaqueeren!” Eenige fuseliers klauterden als apen tegen de palissadeering op, terwijl anderen met de van boord meegenomen handspaken en breekijzers eene kleine opening maakten, waardoor andere manschappen binnendrongen en waarin de dikke luitenant, die het op bovenvermelden boomstam zoo zwaar te verantwoorden had gehad, bijna bleef steken.Een Amboineesche fuselier was de eerste, die met zijn geweer boven het hoofd te midden der vijanden sprong. Een Europeaan was de tweede. Van Zijl, die met den uitroep: „Mijn broeder was ridder, ik wil het ook worden!” in de benteng drong, vloog met opgeheven geweerkolf te midden der zich met vertwijfeling verdedigende opstandelingen. Doch deze konden tegen de steeds voorwaarts[162]dringende soldaten geen stand meer houden. Een klein troepje wierp zich nog met de woede der wanhoop op onze manschappen, doch zij boetten die vermetelheid met hun leven. Toen de overigen hunne voornaamste aanvoerders hadden zien vallen, greep een panische schrik hen aan. In doodsangst vluchtten zij over de palissaden en stortten zich van eene hoogte van wel 10 meter in de versperring, die zij tot hunne eigene veiligheid hadden aangelegd. Achter hen klonken de salvo’s der overwinnaars, waardoor nog menige vluchteling gedood of gewond werd.Het was ongeveer halfeen, toen de drie sultansvlaggen, die aan onze soldaten den weg ter overwinning hadden gewezen, werden neergerukt, en de Nederlandsche driekleur zich ontplooide, luide begroet door de zegevierende troepen.Het wekte verbazing te zien, hoe dit bolwerk door den Atjehschen panglima gedeeltelijk naar de voorschriften der Europeesche versterkingskunst was ingericht. Drie rijen schietgaten van bamboe waren aan het ondereinde der palissadeering aangebracht en daarboven een banket, van een afdak voorzien, ten einde geen last te hebben van handgranaten. De kanonnen waren zóó opgesteld, dat zij het voorterrein en de rivier geheel konden bestrijken.Hoe hardnekkig de verdediging was geweest,[163]bewezen 18 dooden binnen de versterking en een tiental, die daarbuiten waren neergeschoten. Om de gewonden heen stonden vele soldaten, vooral bij Van Zijl. Aller oogen vestigden zich op den ouden korporaal.„Heb je nog iets op je hart?” vroeg deze.„Is Alie, die smeerlap, dood?” was de wedervraag.„Hier ligt hij vlak bij je,” zei de korporaal op het lijk van den panglima wijzende, wiens hoofd letterlijk verbrijzeld was.„Ja, hij heeft me mijn mes in den buik gestooten, doch ik heb hem goed op zijn kersepit geraakt.”Allen wilden afscheid van hem nemen, doch hij drukte, geheel afgemat, alleen de handen van den ouden korporaal.Toen hij aan boord van deOnrustgebracht werd, waar de officier van gezondheid zich bevond, had het leven hem verlaten.Van Zijl was onze eenige doode. Gewond waren een officier en drie fuseliers. Onder de gesneuvelden des vijands waren vijf hoofden, namelijk: Panglima Alie; Pangeran Kertas Melajang, de Imam Mahdi, die den heiligen oorlog geproclameerd had; Pangeran Praboe Anoem, een neef van den pretendent-sultan; Panglima Naja, die den27stenFebruari een prauw met levensmiddelen had overvallen en zeven der opvarenden gedood had; Andin Loetoeng, een der voornaamste hoofden van de Soengei Lahei.[164]Vier kanonnen, vijf-en-twintig geweren en eene menigte klewangs, lansen en mandau’s werden buitgemaakt.Bij het lezen dezer regelen zou menigeen misschien geneigd zijn de overwinning gering te schatten, wegens het klein aantal dooden en gewonden, dat de aanvallers bekwamen. Dit zou evenwel onjuist zijn. Niets ware den aanvoerder lichter gevallen dan de versterking in front te doen aangrijpen. Ook dan zou de verovering wel gelukt zijn, maar hoeveel dapperen hadden dan daarbij het leven niet moeten laten?Welke ver reikende gevolgen onze overwinning moest hebben, kan hij het best beoordeelen, die op de hoogte is van Indische toestanden, inzonderheid van de Borneosche. Wie daaromtrent meer wil weten leze:De Banjermassingsche krijg van1859–62.De Dajaks uit die jaren, ten minste die uit de bovenstreken, zijn nog geheel dezelfden gebleven. Antassari is vervangen door Mohamad Seman. Aanhoudend weet deze geslepen vorst de gemoederen dier natuurkinderen op te winden en ze bij honderden ter slachtbank te voeren. Dit laatste blijkt uit eenen opstand, die vier jaren later daar weer uitbrak en eindigde met de verovering van Toembang Patangan.Ware de bestorming van Mandoeroeian niet gelukt,[165]dan zou als een loopend vuur door het geheele land het gerucht verspreid zijn van de onneembaarheid der benteng en de onoverwinnelijkheid van haren verdediger Panglima Alie. De gevolgen zouden niet te overzien zijn geweest.Onze dappere soldaten en hunne kalme aanvoerders hebben dus door hunne overwinning aan het Nederlandsche gezag eenen gewichtigen dienst bewezen.[166]1Dicht struikgewas.↑2Kleine kanonnen.↑
[Inhoud]DE BESTORMING DER BENTENG MANDOEROEIAN.(Zuider- en Ooster-Afdeeling van Borneo, den20stenSept. 1883.)„Sergeant! de kettingganger Panglima Alie is gedrost, en heeft van mij een splinternieuw slagersmes medegenomen.”Met deze woorden naderde de fuselier Van Zijl, die in de kleine versterking te Moeara Teweh naast de betrekking van kok ook het bloedige ambt van slachter uitoefende, den menagemeester. Deze trok een bedenkelijk gezicht, krabde zich achter de ooren en zeide tot een sergeant die in de nabijheid stond: „Dat heb ik wel zien aankomen. Hoe kon men ook zoo onverstandig zijn om een veroordeeld Atjehsch hoofd naar eene streek te zenden, waar de bevolking in verzet is en Mohamad Seman nog veel invloed bezit?”[149]„Wat kan het jou schelen,” antwoordde de ander, „laat het civiel bestuur dat maar uitmaken.”„Je hebt gelijk,” mompelde de menagemeester en begaf zich naar den sergeant-majoor, die de jobstijding aan den post-commandant overbracht.Spoedig daarop rukten twee patrouilles uit, die in verschillende richtingen in het woud op verkenning gingen, terwijl eene gewapende sloep van den oorlogsstoomer, die voor de benteng op de Barito voor anker lag, stroomopwaarts voer om zoo mogelijk den vluchteling in handen te krijgen.Tegen den avond keerden allen naar Teweh terug, wel met vermoeide beenen, doch zonder Panglima Alie.Eenige weken waren sinds dat voorval voorbijgegaan. Het leven van het garnizoen bleef vervelend, zooals het alleen op buitenposten zijn kan. De manschappen exerceerden, werden geoefend in het schijfschieten en in hunne vrije uren speelden zij, onder het genot van wat slappe thee, pandoer om een halven cent de 10 punten. De officieren exerceerden natuurlijk ook mede, maakten daarna hun omberpartijtje (waarschijnlijk hooger dan om een halven cent de 10 punten) en dronken daarbij geen thee.In dat gemoedelijke leven kwam plotseling verandering, toen op zekeren dag het hoofd van een der omliggende bevriende kampongs in groote opgewondenheid[150]binnen de benteng kwam en den commandant mededeelde, dat eene bende Doessoeners, onder bevel van den pretendent-sultan Mohamad Seman, van de bovenstreken was afgezakt en vijandelijkheden begon tegen alle kampongs, die geen gemeene zaak met hem wilden maken. Eenige dagen later werd een troep, die van het schijfschieten terugkeerde, uit de rimboe1beschoten. Daar de onzichtbare schutters zich op een behoorlijken afstand hielden en waarschijnlijk ook een weinig aan beverigheid laboreerden, bezorgde ons dat geschiet geen verliezen. Den postcommandant werd de zaak evenwel een weinig te bar. Toen hij bekend was geworden met de schuilplaats der opstandelingen, zond hij daarheen een detachement infanterie onder aanvoering van een officier, dat den vijand overviel, de benteng bestormde en met den grond gelijk maakte. Doch indien de bevelhebber had gedacht daarmede den vijand onschadelijk te hebben gemaakt, dan vergiste hij zich schromelijk. Elken dag traden de opstandelingen brutaler op. Bij honderden nestelden zij zich op de omliggende hoogten en richtten hun vuur op onze versterking en op het oorlogsstoomschipOnrust.Te Bandjermasin waren deze gebeurtenissen natuurlijk niet onbekend gebleven. Op zekeren dag[151]duidde dan ook eene rookkolom de nadering aan van een stoomschip, en korten tijd daarna liet deBoni, tot groot genoegen van het garnizoen, haar anker vallen voor de versterking, medebrengende 60 man infanterie tot versterking van de bezetting. De Doessoeners, die waarschijnlijk van oordeel waren dat twee schepen gemakkelijker zijn te treffen dan één, namen nu ook deBonionder vuur, zonder evenwel veel schade aan te richten.Een paar dagen later stoomden beide schepen met 100 man infanterie aan boord de Barito verder op. Spionnen hadden bericht dat de vijand in het stroomopwaarts gelegen Telok Mayang een sterken voorpost had opgesteld, die zoowel de versterking te Teweh als de omliggende kampongs aanhoudend verontrustte. De troepen, die de vijandelijke benteng van twee zijden naderden, vonden haar verlaten, doch men kwam te weten, dat de opstandelingen zich op ongeveer drie uren stoomens boven Teweh aan eene linker zijrivier (de Lahei) op een 40 meter hoogen heuvel sterk verschanst hadden. Aanvoerder van de bende was Panglima Alie, de gevluchte dwangarbeider, die tegenover de bevolking volhield dat Mandoeroeian—zoo heet de heuvel—voor onze troepen onneembaar was. Dientengevolge waren, te oordeelen naar de ontvolkte kampongs, vele gewapende mannen naar den vijand overgeloopen. Het werd daarom hoog[152]tijd dien Atjeher eens eene gevoelige les te geven. Op den19denSeptember kwam daartoe de gouvernementsstoomerDjambite Teweh aan, met den resident, den gewestelijken militairen commandant en een detachement infanterie van 50 man aan boord. Onmiddellijk werd met de bevelvoerende officieren overleg gehouden, en besloten zoo spoedig mogelijk tot den aanval over te gaan. Met onverholen vreugde werd deze tijding door de troepen vernomen, vooral door de vaste bezetting, die reeds zoo lang tot levende schijf gediend had, en zich zoo gaarne met den vijand zou hebben gemeten, indien de postcommandant slechts het bevel daartoe had willen geven. De aanval werd vastgesteld op den volgenden morgen.In de soldatenkamers ontstond nu groote bedrijvigheid. Hier gaf er een zijnen geweerloop—toch reeds zoo blank als een spiegel—nog eens een extra olielaagje; daar onderzocht een ander de scherpte van zijn kapmes, kortom alles was leven en beweging.„Zeg eens, Piet,” riep een fuselier zijnen kameraad Van Zijl toe, die, met het hoofd tusschen de handen, met starre blikken voor zich uit zat te kijken, „wil ik je vriend Alie niet de groeten overbrengen en hem vragen of hij je slagersmes wil teruggeven?” Op deze woorden volgde een schaterlach van de omstaande soldaten. De aangesprokene[153]stond driftig op en met een gelaat, vuurrood van toorn, verliet hij de kamer.„Plaag dien armen kerel toch zoo niet,” bracht een oude korporaal in het midden, „het is al hard genoeg, dat hij morgen niet mee mag, omdat hij toevallig kok is.”Eenige minuten later stormde Van Zijl, gloeiend van opgewondenheid, de chambree weer binnen en riep luide: „Hoera! leve de kapitein! ik heb vergunning gekregen om mee te gaan. Nu zal ik mijn mes zelf halen, of de duivel mag het mij doen.”Van alle zijden hoorde men met genoegen dat de bij zijne kameraden en superieuren geziene kok, slachter, enz., mede van de partij zou zijn.„Niet waar, Piet, van middag krijgen we grootere porties, is ’t niet?” vroegen hem enkele manschappen.„Loop naar de maan!” antwoordde hij en ijlde naar zijn heiligdom, daar de hoornblazer reeds het signaal „voor den kok in de keuken” deed weerklinken.„Bruine boonen met spek,” mompelde de oude korporaal, terwijl hij met welgevallen den neus in zijn menageketel stak. „Piet heeft eer van zijn werk. Sedert Alie er met dat groote mes van door is gegaan, komt het me voor dat de rations grooter zijn. Er bleef misschien veel aan dat mes hangen.”[154]De manschappen schenen van dezelfde meening te zijn, ten minste er heerschte eene diepe stilte, slechts afgebroken door het eigenaardige geluid van etende menschen en het gekletter van lepels en vorken.Daar knalden plotseling van buiten een paar schoten, eenige kogels vlogen over de hoofden der manschappen en drongen in de wanden. Verschrikt sprongen de jongere soldaten op. De oude korporaal bleef echter rustig zitten en zeide kalm: „Bruine en blauwe boonen onder mekaar kan geen korporaalsmaag verdragen. Zet de slaaptafels voor de vensters!” en toen dat geschied was vervolgde hij: „Ga nou je gang maar weer met eten.”Er waren evenwel toch enkelen, die na dat geschiet weinig eetlust hadden, daar eenige vijanden uit nabijzijnde boomtoppen een levendig vuur onderhielden. Ook de officieren hadden hunne eetzaal op dezelfde wijze gebarricadeerd om niet te veel blootgesteld te zijn. Allen troostten zich echter met de gedachte: „morgen zullen we het jelui wel afleeren.”Reeds vóór de morgen, waarnaar zoo verlangd werd, was aangebroken, stonden de manschappen van het garnizoen, die ook aan de expeditie zouden deelnemen, op de binnenplaats aangetreden. Een paar gedempte commando’s lieten zich hooren, en weldra marcheerde de troep naar buiten om zich[155]naar den rivieroever te begeven, waar deBonigereed lag om hen op te nemen.Het was nog stikdonker, daarbij hing er een dichte nevel over het water, zoodat men geen pas voor zich uit kon zien. Voelend en tastend gingen de manschappen een voor een over de glibberige loopplank op het stoomschip. Van de overige schepen was niets te zien. Slechts hoorde men nu en dan het sissen van ontsnappenden stoom en het geluid van menschenstemmen.Op het achterdek van deBonistond de luitenant-adjudant C., die in plaats van den ongesteld geworden kapitein, wien aanvankelijk het commando was opgedragen, de aanvaltroepen zou aanvoeren, in druk gesprek met een paar andere officieren. Nu en dan ontsnapte hem eene kernachtige verwensching tegen den nevel, die maar niet wilde optrekken en het vertrek vertraagde. De handen schenen hem te jeuken.Eindelijk—het was ongeveer halfzeven—klaarde het op en zette de flottille zich in beweging. Voorop deBoni, daarna deOnrusten eindelijk deDjambi. Toen eerstgenoemd schip in de nabijheid van de kampong Ipoe gekomen was, zag de bemanning op grooten afstand eene prauw, bemand met ongeveer tien personen, stroomopwaarts roeien. Zeker waren dit vijandelijke verspieders, die onze komst moesten berichten, althans te oordeelen naar[156]de snelheid, waarmede zij zich uit de voeten maakten, konden zij onmogelijk een zuiver geweten hebben. Het doel van den tocht kon nu niet ver meer zijn.Het was ongeveer drie uren na de afvaart, toen bij eene kromming der rivier de vijandelijke versterking in het gezicht kwam. Hoog boven de palissaden wapperde uitdagend de roode sultansvlag. Met volle kracht stoomde nu deBonivooruit. Alles was aan boord tot een gevecht in gereedheid gebracht, doch aan ’s vijands zijde werd nog geen leven bemerkt. Nauwelijks evenwel was het schip binnen het bereik van de vijandelijke kogels gekomen, of een hevig vuur barstte los, zonder echter belangrijke schade aan te richten. Men bleef natuurlijk het antwoord niet schuldig. Een kort commando weerklonk, en een kanon van 5 cM. verhief zijne stem, om in den vorm van eenige ijzeren suikerbroodjes de groeten over te brengen. Nog eenige infanterie-salvo’s en de vijand liet deBoniongemoeid, om meer aandacht te wijden aan deOnrusten deDjambi. DeBoniging voor den mond van de Lahei ten anker. DeOnrustopende op ongeveer 500 meter benedenstrooms het vuur, dat door den vijand levendig beantwoord werd. De leiding der verdediging scheen niet in slechte handen te zijn. De lilla’s2waren goed[157]gericht, doch werkten weinig uit, daar de afstand te groot was.DeOnrusthad het ongeluk, dat bij eene poging om van de kleine kanonnen op het achterschip gebruik te maken en daartoe dwarsstrooms te gaan liggen, wegens den snellen stroom een anker moest worden gekapt. Daarna stoomde dit schip voorwaarts, kwam 400 meter benoorden de vijandelijke benteng weer ten anker en opende nogmaals het vuur, nu ook uit een kanon van 16 cM. De projectielen, daaruit geworpen, konden evenwel den heuveltop niet bereiken, daar aan het stuk geen voldoende elevatie kon worden gegeven. Met des te meer nadruk werd evenwel het vuur onderhouden uit de kleinere kanonnen, en blijkbaar niet zonder gevolg.De geschutstrijd had ongeveer een uur aangehouden, toen het vijandelijke vuur eenigermate verflauwde, en de overste het oogenblik gekomen achtte om tot den aanval over te gaan. Hij gaf dus last de troepen te ontschepen. Vooruit twee sloepen van deBonimet den voortroep onder het bevel van een luitenant, ten einde de nakomenden voor een overval te beveiligen. Na een half uur stonden ongeveer 170 man, onder bevel van zes officieren, gereed het gevecht te beginnen. Zooals reeds van de schepen was opgemerkt, was de benteng aan drie zijden van zware verhakkingen voorzien, en[158]moest men dus trachten aan den achterkant (noordzijde) te naderen.Een dajak, die door Panglima Alie genoodzaakt was geworden aan het opwerpen der versterking mede te werken, doch later gelegenheid had gevonden om te ontvluchten, werd door den controleur onder voorspiegeling van eene ruime belooning overgehaald tot gids te dienen. De man scheen niet bijster met die taak ingenomen, doch toen de commandant van den voortroep hem toevertrouwde aan de zorg van twee stevige fuseliers, die hem kort en bondig te kennen gaven, dat hij, bij de minste poging tot ontvluchten, als zijnde geen schot kruit waard, aan de bajonet zou worden geregen, schikte hij zich in zijn lot.In de volgende orde werd afgemarcheerd: aan het hoofd eene spits van zes man onder een sergeant, waarbij zich ook de commandant van den voortroep bevond; onmiddellijk daarachter de voortroep, sterk 30 Europeanen en Amboineezen, vervolgens het gros van de voorhoede, de hoofdtroep, sterk 79 man en eindelijk eene achterhoede van 30 man. In de grootste stilte werd afgemarcheerd,slechts hier en daar kraakte een dorre tak onder de voeten van een minder oplettend soldaat, doch een bestraffende blik van den bevelvoerenden officier was voldoende om tot meer voorzichtigheid aan te sporen. Na een marsch van een kwartier[159]kwam men voor een ravijn van ongeveer 10 meter diepte en 15 meter breedte, met zeer steile wanden. Een boomstam moest hier als brug dienst doen. De inlanders dansten er overheen alsof het een parketvloer ware geweest; ook de commandant van den voortroep balanceerde nog vlug naar den overkant. Moeielijker evenwel was de overtocht voor de volgende manschappen, daar de dunne boomstam door de bemodderde voeten hunner voorgangers glibberig was geworden. De meeste officieren en manschappen gaven er dan ook de voorkeur aan om schrijlings den overtocht te bewerkstelligen door het beurtelings verplaatsen van handen en posteriora, een kunststuk, dat eenen luitenant, die een weinig dik was uitgevallen, menigen zucht ontlokte. Dit veroorzaakte nog al oponthoud. De voortroep zette inmiddels den marsch voort en kreeg, na ongeveer een kwartier stijgen op aanwijzing van den gids, de benteng in ’t gezicht.„Links aanhouden!” klonk het uit den mond van den luitenant. De steile helling, waarvoor de gids den voortroep had gebracht, was voor eenen aanval alles behalve gunstig. Sidderend als een espenblad verzocht de gids, bevreesd voor de wraak zijner landgenooten, thans naar de achterhoede te mogen gaan. Het werd hem toegestaan. Weldra was de achterzijde der benteng bereikt. „Aan! vuur!” klonk het, en de knal van het salvo, honderdvoudig[160]door het gebergte weerkaatst, waarschuwde de nog achter zijnde kameraden dat het doel bereikt was. Een krachtig hoera weerklonk, en als in een wedren doorschreden de manschappen van den voortroep de kleine ruimte, die den boschrand van de versterking scheidde. Snel werden de geweren door de schietgaten gestoken en een ware kogelregen op de binnen opgehoopte vijanden uitgestort. Deze waren echter niet genegen spoedig den kamp op te geven.Bijna borst tegen borst, slechts door de palissaden gescheiden, stonden onze soldaten tegenover den vijand. Aanhoudend spoorde het Atjehsche hoofd zijne onderhoorigen aan om eenen aanval met de blanke wapenen te doen. De commandant, hiervoor beducht, trachtte tot tweemaal de benteng te beklimmen, zeker dat hij door de soldaten gevolgd zou worden. Bij de eerste poging evenwel ontving hij een schot door den linkerarm, dat hem deed neerstorten. Ook de tweede poging mislukte.Intusschen had de commandant der colonne zich bij den voortroep gevoegd. Hij had sabel en revolver achtergelaten en alleen een dun stukje bamboe in de hand, waarmede hij zoo nu en dan het stof uit zijn broek klopte.„Hij heeft gelijk,” mompelde de oude korporaal, „ik ken hem van Atjeh. Als die een sabel in de vuist heeft en er moet gestormd worden, dan houden[161]hem geen tien paarden; maar nu moet hij zijn kop bij elkaar houden.”„Verduiveld,” mopperde Van Zijl, „mogen we er dan nooit in?”Verlangend wendden zich veler blikken naar de plaats, waar de commandant stond. Kalm en bedaard wees deze de nakomende troepen, die door het overtrekken van het ravijn eenigszins waren opgehouden, hunne standplaats aan. Eindelijk was ook de achterhoede aangekomen. Deze werd zoodanig opgesteld, dat zij een aanval in den rug kon afwijzen. Spoedig daarop weerklonk het commando „Attaqueeren!” Eenige fuseliers klauterden als apen tegen de palissadeering op, terwijl anderen met de van boord meegenomen handspaken en breekijzers eene kleine opening maakten, waardoor andere manschappen binnendrongen en waarin de dikke luitenant, die het op bovenvermelden boomstam zoo zwaar te verantwoorden had gehad, bijna bleef steken.Een Amboineesche fuselier was de eerste, die met zijn geweer boven het hoofd te midden der vijanden sprong. Een Europeaan was de tweede. Van Zijl, die met den uitroep: „Mijn broeder was ridder, ik wil het ook worden!” in de benteng drong, vloog met opgeheven geweerkolf te midden der zich met vertwijfeling verdedigende opstandelingen. Doch deze konden tegen de steeds voorwaarts[162]dringende soldaten geen stand meer houden. Een klein troepje wierp zich nog met de woede der wanhoop op onze manschappen, doch zij boetten die vermetelheid met hun leven. Toen de overigen hunne voornaamste aanvoerders hadden zien vallen, greep een panische schrik hen aan. In doodsangst vluchtten zij over de palissaden en stortten zich van eene hoogte van wel 10 meter in de versperring, die zij tot hunne eigene veiligheid hadden aangelegd. Achter hen klonken de salvo’s der overwinnaars, waardoor nog menige vluchteling gedood of gewond werd.Het was ongeveer halfeen, toen de drie sultansvlaggen, die aan onze soldaten den weg ter overwinning hadden gewezen, werden neergerukt, en de Nederlandsche driekleur zich ontplooide, luide begroet door de zegevierende troepen.Het wekte verbazing te zien, hoe dit bolwerk door den Atjehschen panglima gedeeltelijk naar de voorschriften der Europeesche versterkingskunst was ingericht. Drie rijen schietgaten van bamboe waren aan het ondereinde der palissadeering aangebracht en daarboven een banket, van een afdak voorzien, ten einde geen last te hebben van handgranaten. De kanonnen waren zóó opgesteld, dat zij het voorterrein en de rivier geheel konden bestrijken.Hoe hardnekkig de verdediging was geweest,[163]bewezen 18 dooden binnen de versterking en een tiental, die daarbuiten waren neergeschoten. Om de gewonden heen stonden vele soldaten, vooral bij Van Zijl. Aller oogen vestigden zich op den ouden korporaal.„Heb je nog iets op je hart?” vroeg deze.„Is Alie, die smeerlap, dood?” was de wedervraag.„Hier ligt hij vlak bij je,” zei de korporaal op het lijk van den panglima wijzende, wiens hoofd letterlijk verbrijzeld was.„Ja, hij heeft me mijn mes in den buik gestooten, doch ik heb hem goed op zijn kersepit geraakt.”Allen wilden afscheid van hem nemen, doch hij drukte, geheel afgemat, alleen de handen van den ouden korporaal.Toen hij aan boord van deOnrustgebracht werd, waar de officier van gezondheid zich bevond, had het leven hem verlaten.Van Zijl was onze eenige doode. Gewond waren een officier en drie fuseliers. Onder de gesneuvelden des vijands waren vijf hoofden, namelijk: Panglima Alie; Pangeran Kertas Melajang, de Imam Mahdi, die den heiligen oorlog geproclameerd had; Pangeran Praboe Anoem, een neef van den pretendent-sultan; Panglima Naja, die den27stenFebruari een prauw met levensmiddelen had overvallen en zeven der opvarenden gedood had; Andin Loetoeng, een der voornaamste hoofden van de Soengei Lahei.[164]Vier kanonnen, vijf-en-twintig geweren en eene menigte klewangs, lansen en mandau’s werden buitgemaakt.Bij het lezen dezer regelen zou menigeen misschien geneigd zijn de overwinning gering te schatten, wegens het klein aantal dooden en gewonden, dat de aanvallers bekwamen. Dit zou evenwel onjuist zijn. Niets ware den aanvoerder lichter gevallen dan de versterking in front te doen aangrijpen. Ook dan zou de verovering wel gelukt zijn, maar hoeveel dapperen hadden dan daarbij het leven niet moeten laten?Welke ver reikende gevolgen onze overwinning moest hebben, kan hij het best beoordeelen, die op de hoogte is van Indische toestanden, inzonderheid van de Borneosche. Wie daaromtrent meer wil weten leze:De Banjermassingsche krijg van1859–62.De Dajaks uit die jaren, ten minste die uit de bovenstreken, zijn nog geheel dezelfden gebleven. Antassari is vervangen door Mohamad Seman. Aanhoudend weet deze geslepen vorst de gemoederen dier natuurkinderen op te winden en ze bij honderden ter slachtbank te voeren. Dit laatste blijkt uit eenen opstand, die vier jaren later daar weer uitbrak en eindigde met de verovering van Toembang Patangan.Ware de bestorming van Mandoeroeian niet gelukt,[165]dan zou als een loopend vuur door het geheele land het gerucht verspreid zijn van de onneembaarheid der benteng en de onoverwinnelijkheid van haren verdediger Panglima Alie. De gevolgen zouden niet te overzien zijn geweest.Onze dappere soldaten en hunne kalme aanvoerders hebben dus door hunne overwinning aan het Nederlandsche gezag eenen gewichtigen dienst bewezen.[166]1Dicht struikgewas.↑2Kleine kanonnen.↑
DE BESTORMING DER BENTENG MANDOEROEIAN.
(Zuider- en Ooster-Afdeeling van Borneo, den20stenSept. 1883.)„Sergeant! de kettingganger Panglima Alie is gedrost, en heeft van mij een splinternieuw slagersmes medegenomen.”Met deze woorden naderde de fuselier Van Zijl, die in de kleine versterking te Moeara Teweh naast de betrekking van kok ook het bloedige ambt van slachter uitoefende, den menagemeester. Deze trok een bedenkelijk gezicht, krabde zich achter de ooren en zeide tot een sergeant die in de nabijheid stond: „Dat heb ik wel zien aankomen. Hoe kon men ook zoo onverstandig zijn om een veroordeeld Atjehsch hoofd naar eene streek te zenden, waar de bevolking in verzet is en Mohamad Seman nog veel invloed bezit?”[149]„Wat kan het jou schelen,” antwoordde de ander, „laat het civiel bestuur dat maar uitmaken.”„Je hebt gelijk,” mompelde de menagemeester en begaf zich naar den sergeant-majoor, die de jobstijding aan den post-commandant overbracht.Spoedig daarop rukten twee patrouilles uit, die in verschillende richtingen in het woud op verkenning gingen, terwijl eene gewapende sloep van den oorlogsstoomer, die voor de benteng op de Barito voor anker lag, stroomopwaarts voer om zoo mogelijk den vluchteling in handen te krijgen.Tegen den avond keerden allen naar Teweh terug, wel met vermoeide beenen, doch zonder Panglima Alie.Eenige weken waren sinds dat voorval voorbijgegaan. Het leven van het garnizoen bleef vervelend, zooals het alleen op buitenposten zijn kan. De manschappen exerceerden, werden geoefend in het schijfschieten en in hunne vrije uren speelden zij, onder het genot van wat slappe thee, pandoer om een halven cent de 10 punten. De officieren exerceerden natuurlijk ook mede, maakten daarna hun omberpartijtje (waarschijnlijk hooger dan om een halven cent de 10 punten) en dronken daarbij geen thee.In dat gemoedelijke leven kwam plotseling verandering, toen op zekeren dag het hoofd van een der omliggende bevriende kampongs in groote opgewondenheid[150]binnen de benteng kwam en den commandant mededeelde, dat eene bende Doessoeners, onder bevel van den pretendent-sultan Mohamad Seman, van de bovenstreken was afgezakt en vijandelijkheden begon tegen alle kampongs, die geen gemeene zaak met hem wilden maken. Eenige dagen later werd een troep, die van het schijfschieten terugkeerde, uit de rimboe1beschoten. Daar de onzichtbare schutters zich op een behoorlijken afstand hielden en waarschijnlijk ook een weinig aan beverigheid laboreerden, bezorgde ons dat geschiet geen verliezen. Den postcommandant werd de zaak evenwel een weinig te bar. Toen hij bekend was geworden met de schuilplaats der opstandelingen, zond hij daarheen een detachement infanterie onder aanvoering van een officier, dat den vijand overviel, de benteng bestormde en met den grond gelijk maakte. Doch indien de bevelhebber had gedacht daarmede den vijand onschadelijk te hebben gemaakt, dan vergiste hij zich schromelijk. Elken dag traden de opstandelingen brutaler op. Bij honderden nestelden zij zich op de omliggende hoogten en richtten hun vuur op onze versterking en op het oorlogsstoomschipOnrust.Te Bandjermasin waren deze gebeurtenissen natuurlijk niet onbekend gebleven. Op zekeren dag[151]duidde dan ook eene rookkolom de nadering aan van een stoomschip, en korten tijd daarna liet deBoni, tot groot genoegen van het garnizoen, haar anker vallen voor de versterking, medebrengende 60 man infanterie tot versterking van de bezetting. De Doessoeners, die waarschijnlijk van oordeel waren dat twee schepen gemakkelijker zijn te treffen dan één, namen nu ook deBonionder vuur, zonder evenwel veel schade aan te richten.Een paar dagen later stoomden beide schepen met 100 man infanterie aan boord de Barito verder op. Spionnen hadden bericht dat de vijand in het stroomopwaarts gelegen Telok Mayang een sterken voorpost had opgesteld, die zoowel de versterking te Teweh als de omliggende kampongs aanhoudend verontrustte. De troepen, die de vijandelijke benteng van twee zijden naderden, vonden haar verlaten, doch men kwam te weten, dat de opstandelingen zich op ongeveer drie uren stoomens boven Teweh aan eene linker zijrivier (de Lahei) op een 40 meter hoogen heuvel sterk verschanst hadden. Aanvoerder van de bende was Panglima Alie, de gevluchte dwangarbeider, die tegenover de bevolking volhield dat Mandoeroeian—zoo heet de heuvel—voor onze troepen onneembaar was. Dientengevolge waren, te oordeelen naar de ontvolkte kampongs, vele gewapende mannen naar den vijand overgeloopen. Het werd daarom hoog[152]tijd dien Atjeher eens eene gevoelige les te geven. Op den19denSeptember kwam daartoe de gouvernementsstoomerDjambite Teweh aan, met den resident, den gewestelijken militairen commandant en een detachement infanterie van 50 man aan boord. Onmiddellijk werd met de bevelvoerende officieren overleg gehouden, en besloten zoo spoedig mogelijk tot den aanval over te gaan. Met onverholen vreugde werd deze tijding door de troepen vernomen, vooral door de vaste bezetting, die reeds zoo lang tot levende schijf gediend had, en zich zoo gaarne met den vijand zou hebben gemeten, indien de postcommandant slechts het bevel daartoe had willen geven. De aanval werd vastgesteld op den volgenden morgen.In de soldatenkamers ontstond nu groote bedrijvigheid. Hier gaf er een zijnen geweerloop—toch reeds zoo blank als een spiegel—nog eens een extra olielaagje; daar onderzocht een ander de scherpte van zijn kapmes, kortom alles was leven en beweging.„Zeg eens, Piet,” riep een fuselier zijnen kameraad Van Zijl toe, die, met het hoofd tusschen de handen, met starre blikken voor zich uit zat te kijken, „wil ik je vriend Alie niet de groeten overbrengen en hem vragen of hij je slagersmes wil teruggeven?” Op deze woorden volgde een schaterlach van de omstaande soldaten. De aangesprokene[153]stond driftig op en met een gelaat, vuurrood van toorn, verliet hij de kamer.„Plaag dien armen kerel toch zoo niet,” bracht een oude korporaal in het midden, „het is al hard genoeg, dat hij morgen niet mee mag, omdat hij toevallig kok is.”Eenige minuten later stormde Van Zijl, gloeiend van opgewondenheid, de chambree weer binnen en riep luide: „Hoera! leve de kapitein! ik heb vergunning gekregen om mee te gaan. Nu zal ik mijn mes zelf halen, of de duivel mag het mij doen.”Van alle zijden hoorde men met genoegen dat de bij zijne kameraden en superieuren geziene kok, slachter, enz., mede van de partij zou zijn.„Niet waar, Piet, van middag krijgen we grootere porties, is ’t niet?” vroegen hem enkele manschappen.„Loop naar de maan!” antwoordde hij en ijlde naar zijn heiligdom, daar de hoornblazer reeds het signaal „voor den kok in de keuken” deed weerklinken.„Bruine boonen met spek,” mompelde de oude korporaal, terwijl hij met welgevallen den neus in zijn menageketel stak. „Piet heeft eer van zijn werk. Sedert Alie er met dat groote mes van door is gegaan, komt het me voor dat de rations grooter zijn. Er bleef misschien veel aan dat mes hangen.”[154]De manschappen schenen van dezelfde meening te zijn, ten minste er heerschte eene diepe stilte, slechts afgebroken door het eigenaardige geluid van etende menschen en het gekletter van lepels en vorken.Daar knalden plotseling van buiten een paar schoten, eenige kogels vlogen over de hoofden der manschappen en drongen in de wanden. Verschrikt sprongen de jongere soldaten op. De oude korporaal bleef echter rustig zitten en zeide kalm: „Bruine en blauwe boonen onder mekaar kan geen korporaalsmaag verdragen. Zet de slaaptafels voor de vensters!” en toen dat geschied was vervolgde hij: „Ga nou je gang maar weer met eten.”Er waren evenwel toch enkelen, die na dat geschiet weinig eetlust hadden, daar eenige vijanden uit nabijzijnde boomtoppen een levendig vuur onderhielden. Ook de officieren hadden hunne eetzaal op dezelfde wijze gebarricadeerd om niet te veel blootgesteld te zijn. Allen troostten zich echter met de gedachte: „morgen zullen we het jelui wel afleeren.”Reeds vóór de morgen, waarnaar zoo verlangd werd, was aangebroken, stonden de manschappen van het garnizoen, die ook aan de expeditie zouden deelnemen, op de binnenplaats aangetreden. Een paar gedempte commando’s lieten zich hooren, en weldra marcheerde de troep naar buiten om zich[155]naar den rivieroever te begeven, waar deBonigereed lag om hen op te nemen.Het was nog stikdonker, daarbij hing er een dichte nevel over het water, zoodat men geen pas voor zich uit kon zien. Voelend en tastend gingen de manschappen een voor een over de glibberige loopplank op het stoomschip. Van de overige schepen was niets te zien. Slechts hoorde men nu en dan het sissen van ontsnappenden stoom en het geluid van menschenstemmen.Op het achterdek van deBonistond de luitenant-adjudant C., die in plaats van den ongesteld geworden kapitein, wien aanvankelijk het commando was opgedragen, de aanvaltroepen zou aanvoeren, in druk gesprek met een paar andere officieren. Nu en dan ontsnapte hem eene kernachtige verwensching tegen den nevel, die maar niet wilde optrekken en het vertrek vertraagde. De handen schenen hem te jeuken.Eindelijk—het was ongeveer halfzeven—klaarde het op en zette de flottille zich in beweging. Voorop deBoni, daarna deOnrusten eindelijk deDjambi. Toen eerstgenoemd schip in de nabijheid van de kampong Ipoe gekomen was, zag de bemanning op grooten afstand eene prauw, bemand met ongeveer tien personen, stroomopwaarts roeien. Zeker waren dit vijandelijke verspieders, die onze komst moesten berichten, althans te oordeelen naar[156]de snelheid, waarmede zij zich uit de voeten maakten, konden zij onmogelijk een zuiver geweten hebben. Het doel van den tocht kon nu niet ver meer zijn.Het was ongeveer drie uren na de afvaart, toen bij eene kromming der rivier de vijandelijke versterking in het gezicht kwam. Hoog boven de palissaden wapperde uitdagend de roode sultansvlag. Met volle kracht stoomde nu deBonivooruit. Alles was aan boord tot een gevecht in gereedheid gebracht, doch aan ’s vijands zijde werd nog geen leven bemerkt. Nauwelijks evenwel was het schip binnen het bereik van de vijandelijke kogels gekomen, of een hevig vuur barstte los, zonder echter belangrijke schade aan te richten. Men bleef natuurlijk het antwoord niet schuldig. Een kort commando weerklonk, en een kanon van 5 cM. verhief zijne stem, om in den vorm van eenige ijzeren suikerbroodjes de groeten over te brengen. Nog eenige infanterie-salvo’s en de vijand liet deBoniongemoeid, om meer aandacht te wijden aan deOnrusten deDjambi. DeBoniging voor den mond van de Lahei ten anker. DeOnrustopende op ongeveer 500 meter benedenstrooms het vuur, dat door den vijand levendig beantwoord werd. De leiding der verdediging scheen niet in slechte handen te zijn. De lilla’s2waren goed[157]gericht, doch werkten weinig uit, daar de afstand te groot was.DeOnrusthad het ongeluk, dat bij eene poging om van de kleine kanonnen op het achterschip gebruik te maken en daartoe dwarsstrooms te gaan liggen, wegens den snellen stroom een anker moest worden gekapt. Daarna stoomde dit schip voorwaarts, kwam 400 meter benoorden de vijandelijke benteng weer ten anker en opende nogmaals het vuur, nu ook uit een kanon van 16 cM. De projectielen, daaruit geworpen, konden evenwel den heuveltop niet bereiken, daar aan het stuk geen voldoende elevatie kon worden gegeven. Met des te meer nadruk werd evenwel het vuur onderhouden uit de kleinere kanonnen, en blijkbaar niet zonder gevolg.De geschutstrijd had ongeveer een uur aangehouden, toen het vijandelijke vuur eenigermate verflauwde, en de overste het oogenblik gekomen achtte om tot den aanval over te gaan. Hij gaf dus last de troepen te ontschepen. Vooruit twee sloepen van deBonimet den voortroep onder het bevel van een luitenant, ten einde de nakomenden voor een overval te beveiligen. Na een half uur stonden ongeveer 170 man, onder bevel van zes officieren, gereed het gevecht te beginnen. Zooals reeds van de schepen was opgemerkt, was de benteng aan drie zijden van zware verhakkingen voorzien, en[158]moest men dus trachten aan den achterkant (noordzijde) te naderen.Een dajak, die door Panglima Alie genoodzaakt was geworden aan het opwerpen der versterking mede te werken, doch later gelegenheid had gevonden om te ontvluchten, werd door den controleur onder voorspiegeling van eene ruime belooning overgehaald tot gids te dienen. De man scheen niet bijster met die taak ingenomen, doch toen de commandant van den voortroep hem toevertrouwde aan de zorg van twee stevige fuseliers, die hem kort en bondig te kennen gaven, dat hij, bij de minste poging tot ontvluchten, als zijnde geen schot kruit waard, aan de bajonet zou worden geregen, schikte hij zich in zijn lot.In de volgende orde werd afgemarcheerd: aan het hoofd eene spits van zes man onder een sergeant, waarbij zich ook de commandant van den voortroep bevond; onmiddellijk daarachter de voortroep, sterk 30 Europeanen en Amboineezen, vervolgens het gros van de voorhoede, de hoofdtroep, sterk 79 man en eindelijk eene achterhoede van 30 man. In de grootste stilte werd afgemarcheerd,slechts hier en daar kraakte een dorre tak onder de voeten van een minder oplettend soldaat, doch een bestraffende blik van den bevelvoerenden officier was voldoende om tot meer voorzichtigheid aan te sporen. Na een marsch van een kwartier[159]kwam men voor een ravijn van ongeveer 10 meter diepte en 15 meter breedte, met zeer steile wanden. Een boomstam moest hier als brug dienst doen. De inlanders dansten er overheen alsof het een parketvloer ware geweest; ook de commandant van den voortroep balanceerde nog vlug naar den overkant. Moeielijker evenwel was de overtocht voor de volgende manschappen, daar de dunne boomstam door de bemodderde voeten hunner voorgangers glibberig was geworden. De meeste officieren en manschappen gaven er dan ook de voorkeur aan om schrijlings den overtocht te bewerkstelligen door het beurtelings verplaatsen van handen en posteriora, een kunststuk, dat eenen luitenant, die een weinig dik was uitgevallen, menigen zucht ontlokte. Dit veroorzaakte nog al oponthoud. De voortroep zette inmiddels den marsch voort en kreeg, na ongeveer een kwartier stijgen op aanwijzing van den gids, de benteng in ’t gezicht.„Links aanhouden!” klonk het uit den mond van den luitenant. De steile helling, waarvoor de gids den voortroep had gebracht, was voor eenen aanval alles behalve gunstig. Sidderend als een espenblad verzocht de gids, bevreesd voor de wraak zijner landgenooten, thans naar de achterhoede te mogen gaan. Het werd hem toegestaan. Weldra was de achterzijde der benteng bereikt. „Aan! vuur!” klonk het, en de knal van het salvo, honderdvoudig[160]door het gebergte weerkaatst, waarschuwde de nog achter zijnde kameraden dat het doel bereikt was. Een krachtig hoera weerklonk, en als in een wedren doorschreden de manschappen van den voortroep de kleine ruimte, die den boschrand van de versterking scheidde. Snel werden de geweren door de schietgaten gestoken en een ware kogelregen op de binnen opgehoopte vijanden uitgestort. Deze waren echter niet genegen spoedig den kamp op te geven.Bijna borst tegen borst, slechts door de palissaden gescheiden, stonden onze soldaten tegenover den vijand. Aanhoudend spoorde het Atjehsche hoofd zijne onderhoorigen aan om eenen aanval met de blanke wapenen te doen. De commandant, hiervoor beducht, trachtte tot tweemaal de benteng te beklimmen, zeker dat hij door de soldaten gevolgd zou worden. Bij de eerste poging evenwel ontving hij een schot door den linkerarm, dat hem deed neerstorten. Ook de tweede poging mislukte.Intusschen had de commandant der colonne zich bij den voortroep gevoegd. Hij had sabel en revolver achtergelaten en alleen een dun stukje bamboe in de hand, waarmede hij zoo nu en dan het stof uit zijn broek klopte.„Hij heeft gelijk,” mompelde de oude korporaal, „ik ken hem van Atjeh. Als die een sabel in de vuist heeft en er moet gestormd worden, dan houden[161]hem geen tien paarden; maar nu moet hij zijn kop bij elkaar houden.”„Verduiveld,” mopperde Van Zijl, „mogen we er dan nooit in?”Verlangend wendden zich veler blikken naar de plaats, waar de commandant stond. Kalm en bedaard wees deze de nakomende troepen, die door het overtrekken van het ravijn eenigszins waren opgehouden, hunne standplaats aan. Eindelijk was ook de achterhoede aangekomen. Deze werd zoodanig opgesteld, dat zij een aanval in den rug kon afwijzen. Spoedig daarop weerklonk het commando „Attaqueeren!” Eenige fuseliers klauterden als apen tegen de palissadeering op, terwijl anderen met de van boord meegenomen handspaken en breekijzers eene kleine opening maakten, waardoor andere manschappen binnendrongen en waarin de dikke luitenant, die het op bovenvermelden boomstam zoo zwaar te verantwoorden had gehad, bijna bleef steken.Een Amboineesche fuselier was de eerste, die met zijn geweer boven het hoofd te midden der vijanden sprong. Een Europeaan was de tweede. Van Zijl, die met den uitroep: „Mijn broeder was ridder, ik wil het ook worden!” in de benteng drong, vloog met opgeheven geweerkolf te midden der zich met vertwijfeling verdedigende opstandelingen. Doch deze konden tegen de steeds voorwaarts[162]dringende soldaten geen stand meer houden. Een klein troepje wierp zich nog met de woede der wanhoop op onze manschappen, doch zij boetten die vermetelheid met hun leven. Toen de overigen hunne voornaamste aanvoerders hadden zien vallen, greep een panische schrik hen aan. In doodsangst vluchtten zij over de palissaden en stortten zich van eene hoogte van wel 10 meter in de versperring, die zij tot hunne eigene veiligheid hadden aangelegd. Achter hen klonken de salvo’s der overwinnaars, waardoor nog menige vluchteling gedood of gewond werd.Het was ongeveer halfeen, toen de drie sultansvlaggen, die aan onze soldaten den weg ter overwinning hadden gewezen, werden neergerukt, en de Nederlandsche driekleur zich ontplooide, luide begroet door de zegevierende troepen.Het wekte verbazing te zien, hoe dit bolwerk door den Atjehschen panglima gedeeltelijk naar de voorschriften der Europeesche versterkingskunst was ingericht. Drie rijen schietgaten van bamboe waren aan het ondereinde der palissadeering aangebracht en daarboven een banket, van een afdak voorzien, ten einde geen last te hebben van handgranaten. De kanonnen waren zóó opgesteld, dat zij het voorterrein en de rivier geheel konden bestrijken.Hoe hardnekkig de verdediging was geweest,[163]bewezen 18 dooden binnen de versterking en een tiental, die daarbuiten waren neergeschoten. Om de gewonden heen stonden vele soldaten, vooral bij Van Zijl. Aller oogen vestigden zich op den ouden korporaal.„Heb je nog iets op je hart?” vroeg deze.„Is Alie, die smeerlap, dood?” was de wedervraag.„Hier ligt hij vlak bij je,” zei de korporaal op het lijk van den panglima wijzende, wiens hoofd letterlijk verbrijzeld was.„Ja, hij heeft me mijn mes in den buik gestooten, doch ik heb hem goed op zijn kersepit geraakt.”Allen wilden afscheid van hem nemen, doch hij drukte, geheel afgemat, alleen de handen van den ouden korporaal.Toen hij aan boord van deOnrustgebracht werd, waar de officier van gezondheid zich bevond, had het leven hem verlaten.Van Zijl was onze eenige doode. Gewond waren een officier en drie fuseliers. Onder de gesneuvelden des vijands waren vijf hoofden, namelijk: Panglima Alie; Pangeran Kertas Melajang, de Imam Mahdi, die den heiligen oorlog geproclameerd had; Pangeran Praboe Anoem, een neef van den pretendent-sultan; Panglima Naja, die den27stenFebruari een prauw met levensmiddelen had overvallen en zeven der opvarenden gedood had; Andin Loetoeng, een der voornaamste hoofden van de Soengei Lahei.[164]Vier kanonnen, vijf-en-twintig geweren en eene menigte klewangs, lansen en mandau’s werden buitgemaakt.Bij het lezen dezer regelen zou menigeen misschien geneigd zijn de overwinning gering te schatten, wegens het klein aantal dooden en gewonden, dat de aanvallers bekwamen. Dit zou evenwel onjuist zijn. Niets ware den aanvoerder lichter gevallen dan de versterking in front te doen aangrijpen. Ook dan zou de verovering wel gelukt zijn, maar hoeveel dapperen hadden dan daarbij het leven niet moeten laten?Welke ver reikende gevolgen onze overwinning moest hebben, kan hij het best beoordeelen, die op de hoogte is van Indische toestanden, inzonderheid van de Borneosche. Wie daaromtrent meer wil weten leze:De Banjermassingsche krijg van1859–62.De Dajaks uit die jaren, ten minste die uit de bovenstreken, zijn nog geheel dezelfden gebleven. Antassari is vervangen door Mohamad Seman. Aanhoudend weet deze geslepen vorst de gemoederen dier natuurkinderen op te winden en ze bij honderden ter slachtbank te voeren. Dit laatste blijkt uit eenen opstand, die vier jaren later daar weer uitbrak en eindigde met de verovering van Toembang Patangan.Ware de bestorming van Mandoeroeian niet gelukt,[165]dan zou als een loopend vuur door het geheele land het gerucht verspreid zijn van de onneembaarheid der benteng en de onoverwinnelijkheid van haren verdediger Panglima Alie. De gevolgen zouden niet te overzien zijn geweest.Onze dappere soldaten en hunne kalme aanvoerders hebben dus door hunne overwinning aan het Nederlandsche gezag eenen gewichtigen dienst bewezen.[166]
(Zuider- en Ooster-Afdeeling van Borneo, den20stenSept. 1883.)
„Sergeant! de kettingganger Panglima Alie is gedrost, en heeft van mij een splinternieuw slagersmes medegenomen.”
Met deze woorden naderde de fuselier Van Zijl, die in de kleine versterking te Moeara Teweh naast de betrekking van kok ook het bloedige ambt van slachter uitoefende, den menagemeester. Deze trok een bedenkelijk gezicht, krabde zich achter de ooren en zeide tot een sergeant die in de nabijheid stond: „Dat heb ik wel zien aankomen. Hoe kon men ook zoo onverstandig zijn om een veroordeeld Atjehsch hoofd naar eene streek te zenden, waar de bevolking in verzet is en Mohamad Seman nog veel invloed bezit?”[149]
„Wat kan het jou schelen,” antwoordde de ander, „laat het civiel bestuur dat maar uitmaken.”
„Je hebt gelijk,” mompelde de menagemeester en begaf zich naar den sergeant-majoor, die de jobstijding aan den post-commandant overbracht.
Spoedig daarop rukten twee patrouilles uit, die in verschillende richtingen in het woud op verkenning gingen, terwijl eene gewapende sloep van den oorlogsstoomer, die voor de benteng op de Barito voor anker lag, stroomopwaarts voer om zoo mogelijk den vluchteling in handen te krijgen.
Tegen den avond keerden allen naar Teweh terug, wel met vermoeide beenen, doch zonder Panglima Alie.
Eenige weken waren sinds dat voorval voorbijgegaan. Het leven van het garnizoen bleef vervelend, zooals het alleen op buitenposten zijn kan. De manschappen exerceerden, werden geoefend in het schijfschieten en in hunne vrije uren speelden zij, onder het genot van wat slappe thee, pandoer om een halven cent de 10 punten. De officieren exerceerden natuurlijk ook mede, maakten daarna hun omberpartijtje (waarschijnlijk hooger dan om een halven cent de 10 punten) en dronken daarbij geen thee.
In dat gemoedelijke leven kwam plotseling verandering, toen op zekeren dag het hoofd van een der omliggende bevriende kampongs in groote opgewondenheid[150]binnen de benteng kwam en den commandant mededeelde, dat eene bende Doessoeners, onder bevel van den pretendent-sultan Mohamad Seman, van de bovenstreken was afgezakt en vijandelijkheden begon tegen alle kampongs, die geen gemeene zaak met hem wilden maken. Eenige dagen later werd een troep, die van het schijfschieten terugkeerde, uit de rimboe1beschoten. Daar de onzichtbare schutters zich op een behoorlijken afstand hielden en waarschijnlijk ook een weinig aan beverigheid laboreerden, bezorgde ons dat geschiet geen verliezen. Den postcommandant werd de zaak evenwel een weinig te bar. Toen hij bekend was geworden met de schuilplaats der opstandelingen, zond hij daarheen een detachement infanterie onder aanvoering van een officier, dat den vijand overviel, de benteng bestormde en met den grond gelijk maakte. Doch indien de bevelhebber had gedacht daarmede den vijand onschadelijk te hebben gemaakt, dan vergiste hij zich schromelijk. Elken dag traden de opstandelingen brutaler op. Bij honderden nestelden zij zich op de omliggende hoogten en richtten hun vuur op onze versterking en op het oorlogsstoomschipOnrust.
Te Bandjermasin waren deze gebeurtenissen natuurlijk niet onbekend gebleven. Op zekeren dag[151]duidde dan ook eene rookkolom de nadering aan van een stoomschip, en korten tijd daarna liet deBoni, tot groot genoegen van het garnizoen, haar anker vallen voor de versterking, medebrengende 60 man infanterie tot versterking van de bezetting. De Doessoeners, die waarschijnlijk van oordeel waren dat twee schepen gemakkelijker zijn te treffen dan één, namen nu ook deBonionder vuur, zonder evenwel veel schade aan te richten.
Een paar dagen later stoomden beide schepen met 100 man infanterie aan boord de Barito verder op. Spionnen hadden bericht dat de vijand in het stroomopwaarts gelegen Telok Mayang een sterken voorpost had opgesteld, die zoowel de versterking te Teweh als de omliggende kampongs aanhoudend verontrustte. De troepen, die de vijandelijke benteng van twee zijden naderden, vonden haar verlaten, doch men kwam te weten, dat de opstandelingen zich op ongeveer drie uren stoomens boven Teweh aan eene linker zijrivier (de Lahei) op een 40 meter hoogen heuvel sterk verschanst hadden. Aanvoerder van de bende was Panglima Alie, de gevluchte dwangarbeider, die tegenover de bevolking volhield dat Mandoeroeian—zoo heet de heuvel—voor onze troepen onneembaar was. Dientengevolge waren, te oordeelen naar de ontvolkte kampongs, vele gewapende mannen naar den vijand overgeloopen. Het werd daarom hoog[152]tijd dien Atjeher eens eene gevoelige les te geven. Op den19denSeptember kwam daartoe de gouvernementsstoomerDjambite Teweh aan, met den resident, den gewestelijken militairen commandant en een detachement infanterie van 50 man aan boord. Onmiddellijk werd met de bevelvoerende officieren overleg gehouden, en besloten zoo spoedig mogelijk tot den aanval over te gaan. Met onverholen vreugde werd deze tijding door de troepen vernomen, vooral door de vaste bezetting, die reeds zoo lang tot levende schijf gediend had, en zich zoo gaarne met den vijand zou hebben gemeten, indien de postcommandant slechts het bevel daartoe had willen geven. De aanval werd vastgesteld op den volgenden morgen.
In de soldatenkamers ontstond nu groote bedrijvigheid. Hier gaf er een zijnen geweerloop—toch reeds zoo blank als een spiegel—nog eens een extra olielaagje; daar onderzocht een ander de scherpte van zijn kapmes, kortom alles was leven en beweging.
„Zeg eens, Piet,” riep een fuselier zijnen kameraad Van Zijl toe, die, met het hoofd tusschen de handen, met starre blikken voor zich uit zat te kijken, „wil ik je vriend Alie niet de groeten overbrengen en hem vragen of hij je slagersmes wil teruggeven?” Op deze woorden volgde een schaterlach van de omstaande soldaten. De aangesprokene[153]stond driftig op en met een gelaat, vuurrood van toorn, verliet hij de kamer.
„Plaag dien armen kerel toch zoo niet,” bracht een oude korporaal in het midden, „het is al hard genoeg, dat hij morgen niet mee mag, omdat hij toevallig kok is.”
Eenige minuten later stormde Van Zijl, gloeiend van opgewondenheid, de chambree weer binnen en riep luide: „Hoera! leve de kapitein! ik heb vergunning gekregen om mee te gaan. Nu zal ik mijn mes zelf halen, of de duivel mag het mij doen.”
Van alle zijden hoorde men met genoegen dat de bij zijne kameraden en superieuren geziene kok, slachter, enz., mede van de partij zou zijn.
„Niet waar, Piet, van middag krijgen we grootere porties, is ’t niet?” vroegen hem enkele manschappen.
„Loop naar de maan!” antwoordde hij en ijlde naar zijn heiligdom, daar de hoornblazer reeds het signaal „voor den kok in de keuken” deed weerklinken.
„Bruine boonen met spek,” mompelde de oude korporaal, terwijl hij met welgevallen den neus in zijn menageketel stak. „Piet heeft eer van zijn werk. Sedert Alie er met dat groote mes van door is gegaan, komt het me voor dat de rations grooter zijn. Er bleef misschien veel aan dat mes hangen.”[154]
De manschappen schenen van dezelfde meening te zijn, ten minste er heerschte eene diepe stilte, slechts afgebroken door het eigenaardige geluid van etende menschen en het gekletter van lepels en vorken.
Daar knalden plotseling van buiten een paar schoten, eenige kogels vlogen over de hoofden der manschappen en drongen in de wanden. Verschrikt sprongen de jongere soldaten op. De oude korporaal bleef echter rustig zitten en zeide kalm: „Bruine en blauwe boonen onder mekaar kan geen korporaalsmaag verdragen. Zet de slaaptafels voor de vensters!” en toen dat geschied was vervolgde hij: „Ga nou je gang maar weer met eten.”
Er waren evenwel toch enkelen, die na dat geschiet weinig eetlust hadden, daar eenige vijanden uit nabijzijnde boomtoppen een levendig vuur onderhielden. Ook de officieren hadden hunne eetzaal op dezelfde wijze gebarricadeerd om niet te veel blootgesteld te zijn. Allen troostten zich echter met de gedachte: „morgen zullen we het jelui wel afleeren.”
Reeds vóór de morgen, waarnaar zoo verlangd werd, was aangebroken, stonden de manschappen van het garnizoen, die ook aan de expeditie zouden deelnemen, op de binnenplaats aangetreden. Een paar gedempte commando’s lieten zich hooren, en weldra marcheerde de troep naar buiten om zich[155]naar den rivieroever te begeven, waar deBonigereed lag om hen op te nemen.
Het was nog stikdonker, daarbij hing er een dichte nevel over het water, zoodat men geen pas voor zich uit kon zien. Voelend en tastend gingen de manschappen een voor een over de glibberige loopplank op het stoomschip. Van de overige schepen was niets te zien. Slechts hoorde men nu en dan het sissen van ontsnappenden stoom en het geluid van menschenstemmen.
Op het achterdek van deBonistond de luitenant-adjudant C., die in plaats van den ongesteld geworden kapitein, wien aanvankelijk het commando was opgedragen, de aanvaltroepen zou aanvoeren, in druk gesprek met een paar andere officieren. Nu en dan ontsnapte hem eene kernachtige verwensching tegen den nevel, die maar niet wilde optrekken en het vertrek vertraagde. De handen schenen hem te jeuken.
Eindelijk—het was ongeveer halfzeven—klaarde het op en zette de flottille zich in beweging. Voorop deBoni, daarna deOnrusten eindelijk deDjambi. Toen eerstgenoemd schip in de nabijheid van de kampong Ipoe gekomen was, zag de bemanning op grooten afstand eene prauw, bemand met ongeveer tien personen, stroomopwaarts roeien. Zeker waren dit vijandelijke verspieders, die onze komst moesten berichten, althans te oordeelen naar[156]de snelheid, waarmede zij zich uit de voeten maakten, konden zij onmogelijk een zuiver geweten hebben. Het doel van den tocht kon nu niet ver meer zijn.
Het was ongeveer drie uren na de afvaart, toen bij eene kromming der rivier de vijandelijke versterking in het gezicht kwam. Hoog boven de palissaden wapperde uitdagend de roode sultansvlag. Met volle kracht stoomde nu deBonivooruit. Alles was aan boord tot een gevecht in gereedheid gebracht, doch aan ’s vijands zijde werd nog geen leven bemerkt. Nauwelijks evenwel was het schip binnen het bereik van de vijandelijke kogels gekomen, of een hevig vuur barstte los, zonder echter belangrijke schade aan te richten. Men bleef natuurlijk het antwoord niet schuldig. Een kort commando weerklonk, en een kanon van 5 cM. verhief zijne stem, om in den vorm van eenige ijzeren suikerbroodjes de groeten over te brengen. Nog eenige infanterie-salvo’s en de vijand liet deBoniongemoeid, om meer aandacht te wijden aan deOnrusten deDjambi. DeBoniging voor den mond van de Lahei ten anker. DeOnrustopende op ongeveer 500 meter benedenstrooms het vuur, dat door den vijand levendig beantwoord werd. De leiding der verdediging scheen niet in slechte handen te zijn. De lilla’s2waren goed[157]gericht, doch werkten weinig uit, daar de afstand te groot was.
DeOnrusthad het ongeluk, dat bij eene poging om van de kleine kanonnen op het achterschip gebruik te maken en daartoe dwarsstrooms te gaan liggen, wegens den snellen stroom een anker moest worden gekapt. Daarna stoomde dit schip voorwaarts, kwam 400 meter benoorden de vijandelijke benteng weer ten anker en opende nogmaals het vuur, nu ook uit een kanon van 16 cM. De projectielen, daaruit geworpen, konden evenwel den heuveltop niet bereiken, daar aan het stuk geen voldoende elevatie kon worden gegeven. Met des te meer nadruk werd evenwel het vuur onderhouden uit de kleinere kanonnen, en blijkbaar niet zonder gevolg.
De geschutstrijd had ongeveer een uur aangehouden, toen het vijandelijke vuur eenigermate verflauwde, en de overste het oogenblik gekomen achtte om tot den aanval over te gaan. Hij gaf dus last de troepen te ontschepen. Vooruit twee sloepen van deBonimet den voortroep onder het bevel van een luitenant, ten einde de nakomenden voor een overval te beveiligen. Na een half uur stonden ongeveer 170 man, onder bevel van zes officieren, gereed het gevecht te beginnen. Zooals reeds van de schepen was opgemerkt, was de benteng aan drie zijden van zware verhakkingen voorzien, en[158]moest men dus trachten aan den achterkant (noordzijde) te naderen.
Een dajak, die door Panglima Alie genoodzaakt was geworden aan het opwerpen der versterking mede te werken, doch later gelegenheid had gevonden om te ontvluchten, werd door den controleur onder voorspiegeling van eene ruime belooning overgehaald tot gids te dienen. De man scheen niet bijster met die taak ingenomen, doch toen de commandant van den voortroep hem toevertrouwde aan de zorg van twee stevige fuseliers, die hem kort en bondig te kennen gaven, dat hij, bij de minste poging tot ontvluchten, als zijnde geen schot kruit waard, aan de bajonet zou worden geregen, schikte hij zich in zijn lot.
In de volgende orde werd afgemarcheerd: aan het hoofd eene spits van zes man onder een sergeant, waarbij zich ook de commandant van den voortroep bevond; onmiddellijk daarachter de voortroep, sterk 30 Europeanen en Amboineezen, vervolgens het gros van de voorhoede, de hoofdtroep, sterk 79 man en eindelijk eene achterhoede van 30 man. In de grootste stilte werd afgemarcheerd,slechts hier en daar kraakte een dorre tak onder de voeten van een minder oplettend soldaat, doch een bestraffende blik van den bevelvoerenden officier was voldoende om tot meer voorzichtigheid aan te sporen. Na een marsch van een kwartier[159]kwam men voor een ravijn van ongeveer 10 meter diepte en 15 meter breedte, met zeer steile wanden. Een boomstam moest hier als brug dienst doen. De inlanders dansten er overheen alsof het een parketvloer ware geweest; ook de commandant van den voortroep balanceerde nog vlug naar den overkant. Moeielijker evenwel was de overtocht voor de volgende manschappen, daar de dunne boomstam door de bemodderde voeten hunner voorgangers glibberig was geworden. De meeste officieren en manschappen gaven er dan ook de voorkeur aan om schrijlings den overtocht te bewerkstelligen door het beurtelings verplaatsen van handen en posteriora, een kunststuk, dat eenen luitenant, die een weinig dik was uitgevallen, menigen zucht ontlokte. Dit veroorzaakte nog al oponthoud. De voortroep zette inmiddels den marsch voort en kreeg, na ongeveer een kwartier stijgen op aanwijzing van den gids, de benteng in ’t gezicht.
„Links aanhouden!” klonk het uit den mond van den luitenant. De steile helling, waarvoor de gids den voortroep had gebracht, was voor eenen aanval alles behalve gunstig. Sidderend als een espenblad verzocht de gids, bevreesd voor de wraak zijner landgenooten, thans naar de achterhoede te mogen gaan. Het werd hem toegestaan. Weldra was de achterzijde der benteng bereikt. „Aan! vuur!” klonk het, en de knal van het salvo, honderdvoudig[160]door het gebergte weerkaatst, waarschuwde de nog achter zijnde kameraden dat het doel bereikt was. Een krachtig hoera weerklonk, en als in een wedren doorschreden de manschappen van den voortroep de kleine ruimte, die den boschrand van de versterking scheidde. Snel werden de geweren door de schietgaten gestoken en een ware kogelregen op de binnen opgehoopte vijanden uitgestort. Deze waren echter niet genegen spoedig den kamp op te geven.
Bijna borst tegen borst, slechts door de palissaden gescheiden, stonden onze soldaten tegenover den vijand. Aanhoudend spoorde het Atjehsche hoofd zijne onderhoorigen aan om eenen aanval met de blanke wapenen te doen. De commandant, hiervoor beducht, trachtte tot tweemaal de benteng te beklimmen, zeker dat hij door de soldaten gevolgd zou worden. Bij de eerste poging evenwel ontving hij een schot door den linkerarm, dat hem deed neerstorten. Ook de tweede poging mislukte.
Intusschen had de commandant der colonne zich bij den voortroep gevoegd. Hij had sabel en revolver achtergelaten en alleen een dun stukje bamboe in de hand, waarmede hij zoo nu en dan het stof uit zijn broek klopte.
„Hij heeft gelijk,” mompelde de oude korporaal, „ik ken hem van Atjeh. Als die een sabel in de vuist heeft en er moet gestormd worden, dan houden[161]hem geen tien paarden; maar nu moet hij zijn kop bij elkaar houden.”
„Verduiveld,” mopperde Van Zijl, „mogen we er dan nooit in?”
Verlangend wendden zich veler blikken naar de plaats, waar de commandant stond. Kalm en bedaard wees deze de nakomende troepen, die door het overtrekken van het ravijn eenigszins waren opgehouden, hunne standplaats aan. Eindelijk was ook de achterhoede aangekomen. Deze werd zoodanig opgesteld, dat zij een aanval in den rug kon afwijzen. Spoedig daarop weerklonk het commando „Attaqueeren!” Eenige fuseliers klauterden als apen tegen de palissadeering op, terwijl anderen met de van boord meegenomen handspaken en breekijzers eene kleine opening maakten, waardoor andere manschappen binnendrongen en waarin de dikke luitenant, die het op bovenvermelden boomstam zoo zwaar te verantwoorden had gehad, bijna bleef steken.
Een Amboineesche fuselier was de eerste, die met zijn geweer boven het hoofd te midden der vijanden sprong. Een Europeaan was de tweede. Van Zijl, die met den uitroep: „Mijn broeder was ridder, ik wil het ook worden!” in de benteng drong, vloog met opgeheven geweerkolf te midden der zich met vertwijfeling verdedigende opstandelingen. Doch deze konden tegen de steeds voorwaarts[162]dringende soldaten geen stand meer houden. Een klein troepje wierp zich nog met de woede der wanhoop op onze manschappen, doch zij boetten die vermetelheid met hun leven. Toen de overigen hunne voornaamste aanvoerders hadden zien vallen, greep een panische schrik hen aan. In doodsangst vluchtten zij over de palissaden en stortten zich van eene hoogte van wel 10 meter in de versperring, die zij tot hunne eigene veiligheid hadden aangelegd. Achter hen klonken de salvo’s der overwinnaars, waardoor nog menige vluchteling gedood of gewond werd.
Het was ongeveer halfeen, toen de drie sultansvlaggen, die aan onze soldaten den weg ter overwinning hadden gewezen, werden neergerukt, en de Nederlandsche driekleur zich ontplooide, luide begroet door de zegevierende troepen.
Het wekte verbazing te zien, hoe dit bolwerk door den Atjehschen panglima gedeeltelijk naar de voorschriften der Europeesche versterkingskunst was ingericht. Drie rijen schietgaten van bamboe waren aan het ondereinde der palissadeering aangebracht en daarboven een banket, van een afdak voorzien, ten einde geen last te hebben van handgranaten. De kanonnen waren zóó opgesteld, dat zij het voorterrein en de rivier geheel konden bestrijken.
Hoe hardnekkig de verdediging was geweest,[163]bewezen 18 dooden binnen de versterking en een tiental, die daarbuiten waren neergeschoten. Om de gewonden heen stonden vele soldaten, vooral bij Van Zijl. Aller oogen vestigden zich op den ouden korporaal.
„Heb je nog iets op je hart?” vroeg deze.
„Is Alie, die smeerlap, dood?” was de wedervraag.
„Hier ligt hij vlak bij je,” zei de korporaal op het lijk van den panglima wijzende, wiens hoofd letterlijk verbrijzeld was.
„Ja, hij heeft me mijn mes in den buik gestooten, doch ik heb hem goed op zijn kersepit geraakt.”
Allen wilden afscheid van hem nemen, doch hij drukte, geheel afgemat, alleen de handen van den ouden korporaal.
Toen hij aan boord van deOnrustgebracht werd, waar de officier van gezondheid zich bevond, had het leven hem verlaten.
Van Zijl was onze eenige doode. Gewond waren een officier en drie fuseliers. Onder de gesneuvelden des vijands waren vijf hoofden, namelijk: Panglima Alie; Pangeran Kertas Melajang, de Imam Mahdi, die den heiligen oorlog geproclameerd had; Pangeran Praboe Anoem, een neef van den pretendent-sultan; Panglima Naja, die den27stenFebruari een prauw met levensmiddelen had overvallen en zeven der opvarenden gedood had; Andin Loetoeng, een der voornaamste hoofden van de Soengei Lahei.[164]
Vier kanonnen, vijf-en-twintig geweren en eene menigte klewangs, lansen en mandau’s werden buitgemaakt.
Bij het lezen dezer regelen zou menigeen misschien geneigd zijn de overwinning gering te schatten, wegens het klein aantal dooden en gewonden, dat de aanvallers bekwamen. Dit zou evenwel onjuist zijn. Niets ware den aanvoerder lichter gevallen dan de versterking in front te doen aangrijpen. Ook dan zou de verovering wel gelukt zijn, maar hoeveel dapperen hadden dan daarbij het leven niet moeten laten?
Welke ver reikende gevolgen onze overwinning moest hebben, kan hij het best beoordeelen, die op de hoogte is van Indische toestanden, inzonderheid van de Borneosche. Wie daaromtrent meer wil weten leze:De Banjermassingsche krijg van1859–62.
De Dajaks uit die jaren, ten minste die uit de bovenstreken, zijn nog geheel dezelfden gebleven. Antassari is vervangen door Mohamad Seman. Aanhoudend weet deze geslepen vorst de gemoederen dier natuurkinderen op te winden en ze bij honderden ter slachtbank te voeren. Dit laatste blijkt uit eenen opstand, die vier jaren later daar weer uitbrak en eindigde met de verovering van Toembang Patangan.
Ware de bestorming van Mandoeroeian niet gelukt,[165]dan zou als een loopend vuur door het geheele land het gerucht verspreid zijn van de onneembaarheid der benteng en de onoverwinnelijkheid van haren verdediger Panglima Alie. De gevolgen zouden niet te overzien zijn geweest.
Onze dappere soldaten en hunne kalme aanvoerders hebben dus door hunne overwinning aan het Nederlandsche gezag eenen gewichtigen dienst bewezen.[166]
1Dicht struikgewas.↑2Kleine kanonnen.↑
1Dicht struikgewas.↑2Kleine kanonnen.↑
1Dicht struikgewas.↑
1Dicht struikgewas.↑
2Kleine kanonnen.↑
2Kleine kanonnen.↑