MIJNE EERSTE HUISHOUDSTER

[Inhoud]MIJNE EERSTE HUISHOUDSTERTot nog toe werd ik steeds uitgelachen, wanneer ik iemand vertelde, dat ik, als korporaal van het Indische leger, mijne eerste huishoudster alléén nam om geen honger meer te lijden.Ik kan ’t den menschen niet euvel duiden dat zij lachen; want naar Europeesche begrippen, schaft iemand, die doorgaans honger lijdt, zijne huishoudster af. In Indië d.w.z. in het Indische leger, zijn er evenwel vele toestanden, welke geheel verschillen van die eener Europeesche maatschappij. Zoo’n Javaansche soldatenhuishoudster komt in verschillende opzichten overeen met een Franschen kok. Maakt de laatste misschien uit een paar oude schoenzolen een ragoût met pikante saus, de eerste gaat verder: zij maakt uit niets—iets. Als[93]zij namelijk voor haar „laki” niets te schaften heeft, ziet zij er weinig bezwaar in om, waar ze eenigszins kan, op geslepen wijze het noodige machtig te worden; en daartoe wordt menige Javaansche vrouw, die het ongeluk heeft met haar gebieder bij een depot-bataljon terecht te komen, bijna gedwongen.Ik moet ronduit verklaren, dat de pas bij de depot-bataljons aangekomen soldaten honger lijden. Uit de volgende „schaftorder” kan men zulks spoedig gewaar worden.Des morgens ontvangt ieder soldaat koffie en een broodje, zwaar 2H.G., waarvan natuurlijk geen kruimel overblijft; om 10 uur wordt soep met vleesch en rijst en ten 3½ ure rijst, sajor (groenten) en een miniatuur-portie vleesch verstrekt. Van 3½ uur ’s namiddags tot den volgenden morgen 5 uur is het pauze, ofschoon een vermoeiende exercitie van 4½–6 uur waarlijk voldoende is om het sobere maal te doen verteren. Van de waarheid hiervan heb ik mij herhaaldelijk overtuigd, wanneer ’s avonds om 7 uur het signaal voor ’t eten der onder-officieren gegeven werd. Dan slenterden vele pas uit Europa aangekomen recruten, waaronder mannen met aartsvaderlijke baarden, die zich nog niet aan rijst metsambalhadden weten te gewennen, om de onder-officiers keuken rond, terugsnakkende naar het Harderwijker kommiesbrood,[94]als vroeger de kinderen Israëls naar de vleeschpotten van Egypte.Waren eindelijk de onderofficieren opgestaan en verscheen de kok met den kookketel, waarin het restantboeboer(rijstebrei) zich bevond, dan vielen de mannen er als uitgehongerde wolven op aan, om ieder zijn deel machtig te worden.Hoe dikwijls heb ik zelf niet in den droom, schotels welriekendeKnödelals een fata morgana voorbij mij heen zien trekken!„Zijn er dan in Indië geen keukendragonders?” zal misschien menig lezer vragen, die zich moeilijk een soldaat anders kan voorstellen dan aan den arm van eene keukenprinses, die hem behoorlijk van het noodige voorziet.Het antwoord moet luiden: „Helaas, neen!”Het ergste is nog, dat het Gouvernement zich volstrekt niet gedrongen voelt om in dat gebrek ook maar eenigszins te voorzien. Met het oog hierop is het dan ook niet te verwonderen dat vele soldaten, ziende welk een naarstigheid zoo’n inlandsche huishoudster ten toon spreidt, besluiten ook den stap te wagen, zoodra zij zijn afgeëxerceerd. Bovendien gebeurt het niet zelden dat zulk een morganatisch gehuwd fuselier als zindelijk en oppassend soldaat aan anderen ten voorbeeld wordt gesteld.In den beginne is het moeilijk met dien toestand[95]vrede te hebben. Die paartjes huizen namelijk met andere soldaten in dezelfde kamer, doch, het zij hier onmiddellijk bijgevoegd, iets wat aanstoot kan geven, komt hoogst zelden voor. Bij de inlandsche vrouwen toch, is over ’t algemeen het schaamtegevoel sterk ontwikkeld en zij kunnen in dit opzicht op verre na niet gelijk gesteld worden met hare zusteren in Europa, die in dezelfde omstandigheden verkeeren. Bovendien wordt de overtreding van het zesde gebod streng gestraft.Zijwordt uit het kampement gejaagd enhijgaat voor veertien dagen de provoost in. Voorwaar geen aanlokkend vooruitzicht!Na deze kleine uitweiding moet ik mij weer met mijn eigen ik bezig houden. Een machtwoord van den allesvermogenden bataljonscommandant had mij als korporaal overgeplaatst bij eene inlandsche compagnie, waar vóór eenige dagen een detachement kersversche Javaansche recruten was aangekomen. Mijn escouade alleen was ± 50 man sterk, waarlijk geen kleinigheid, wanneer men nagaat, dat de meesten zelfs niet wisten hoe ze een broek moesten aantrekken. Vermoeienis en wrevel waren dan ook aan de orde van den dag en gaven mij soms een geweldigen honger.Tot mijn ongeluk moest ik mijn menageketel in de keuken der Europeanen doen afhalen.„Tot mijn ongeluk!” zeg ik, want de tamboer,[96]die gewoon was mij het maal te brengen, hield zulk een nauwkeurige inspectie over mijn soepketel, dat ik alleen beenderen af te kluiven kreeg. Ook wist hij, misschien met de beste bedoelingen, het zorgvuldig dáárheen te leiden, dat ik mij niet te buiten ging aan gebakken visch. Meestal toch ontdekte ik bij het openen van den ketel een vischkop, (’t achterdeel ontbrak bijna altijd) die mij weemoedig aanstaarde. Zoo nu en dan kon ik tusschen 2,5 H.G. rijst eenz.g.frikkadel ontdekken ter grootte ongeveer van een walnoot.Doch niet geklaagd, zoolang de soldij nog voldoende is om de ledige maag te vullen met smeerproppen. Was ’t evenwel ook daarmede gedaan, dan kon ik het bijna niet meer uithouden. Ik watertandde, wanneer van alle zijden welriekende geuren mij in den neus kwamen, afkomstig van de gerechten, die de inlandsche vrouwen voor haar gebieders gereed hadden gemaakt. In kleine groepen hurkten zij vóór de kazerne neer en deden zich te goed aan de verblindend witte rijst met daarbij behoorende toespijzen, terwijl ik, gewapend met een stopnaald, vergeefsche pogingen aanwendde om de vuistgroote gaten in mijn sokken te dichten en mijn schreeuwende maag slechts kon troosten met het uitzicht op een volgenden traktementsdag.Neen! aan dien toestand moest een einde komen.[97]Ik deed er een eed op dat dit de laatste sok was, die ik gestopt had. ’t Mocht kosten wat het wilde—d.w.z. ƒ 1.50 per vijf dagen, want zooveel bedroeg mijn soldij—eene huishoudster moest ik hebben om voor mijn maag en sokken te zorgen. In de krijgsartikelen stond wel veel geschreven over kogel en strop, doch van celibaat was daarin geen sprake en bovendien—een korporaal is geen kloosterling.Waar moest ik echter zoo’n schepsel vandaan halen?Het toeval was mij gunstig. Een hoornblazer van het garnizoen te Weltevreden, die naar Europa dacht te vertrekken, wilde mij zijne wederhelft kosteloos overdoen. Naar zijne beschrijving te oordeelen moest zij minst genomen een engel zijn. Zij bezat een massabarang-barang(huisraad), kon koken, o, zoo heerlijk! was trouw als een mopshond en och, zoo schoon!„Laat haar dan maar opkomen,” zei ik en de overeenkomst werd bezegeld met een handslag en een glas ijswater met stroop.Toen ik den volgenden morgen van de exercitie terugkeerde, trof ik de dame, op een mat gezeten, reeds in mijn kamer aan. Zij zag er werkelijk niet kwaad uit en ik trachtte een gesprek aan te knoopen door naar haar naam te vragen, doch kreeg hetzelfde resultaat als de examinatoren van den[98]candidaat Jobs n.l. een hardnekkig hoofdschudden. Een nieuwe poging, die ik aanwendde, door wat luider te zeggen: „noem dan toch een naam; waar komt ge vandaan en hebt ge nog familie?” werd met denzelfden uitslag bekroond.„Lieve Heer” dacht ik „zou ze misschien doofstom zijn?” Dat was een mooi geschenk. Ook was het mij niet mogelijk, niettegenstaande ik mijn oogen goed den kost gaf, iets anders te ontdekken van de zoo opgehemeldebarang-barang, die mijn huishouding zoo in eens op de been zou helpen, dan een ijzeren pan, waarin de inlanders gewoon zijn zoowat alles te bakken en te braden. Heerlijk vooruitzicht!Verduiveld! Daar werd reeds ’t signaal gegeven voor het compagniesrapport. Ik moest kennis geven, dat ik eene huishoudster had genomen en wist nog niet eens haar naam!Of ik mijn hersenen ook al pijnigde door het zoeken naar middelen om mij voor de vrouw begrijpelijk te maken—het lukte niet, en toen ik den sergeant-majoor op onheilspellende wijze mijn naam hoorde uitbrullen, ijlde ik naar het rapport om den zegen van den vader en de moeder der compagnie deelachtig te worden.De vader (de kapitein) vroeg: mij „hoe heet de meid?”„Ik weet het niet! ik geloof dat ze doofstom is, kapitein.”[99]„Wat doe je er dan mee?”„Ze kan heerlijk koken, kapitein.”„Smulpaap!” bromde deze en zich tot den sergeant-majoor wendende, zei hij: „Schrijf op, de meid heet Salima.”„Waar ze thuis hoort weet je natuurlijk ook niet?” vervolgde hij en op mijn ontkennend antwoord gelastte hij den sergeant-majoor maar eene of andere kampong van Java op te schrijven.Hiermede waren de formaliteiten van den burgerlijken stand afgeloopen en met zeer verdeelde gevoelens kon ik naar mijne kamer terugkeeren.Toen ik weer binnenkwam vond ik de pas herdoopte Salima in dezelfde houding nog op dezelfde plaats, alleen met dit onderscheid, dat ze thans een pruim tabak, ter grootte van een vuist, benevens de noodige „sirih” in den mond had gestoken en bezig was daaraan te zuigen als een kind aan de moederborst. De geheele omgeving was met rood sap bespogen, zoodat mijn kamer er uitzag als een slagveld.Nu bestaat er voor een Indischen korporaal geen grooter gruwel dan onzindelijkheid en wanorde. Daarom wees ik met strengen blik, alsof ik op al de geweren van mijn escouade roestvlekken ontdekt had, op den vloer. En wat deed nu dat vrouwspersoon? Zij trok den mond samen en spuwde mij met ontzettende zekerheid een geheele[100]lading tabakssap over den uitgestrekten wijsvinger.Hemelsche gerechtigheid, bestaan er dan geen straffen meer voor zulk een beleediging van een autoriteit als ik? Ik stond geheel versteld. Maar hoe moest ik die doofstomme vrouw te verstaan geven, dat een dergelijke handelwijze onvergeeflijk was? In mijn verwarring riep ik een inlandschen korporaal—een jong, slim kereltje—die met de Indische talen beter op de hoogte was dan ik. Nauwelijks had hij den mond opengedaan of—wonder boven wonder—daar ratelde het van haar lippen als bij een afloopende wekker-klok. Nu helderde zich de zaak op: zij kende alleen de Javaansche taal en ik had getracht mij in ’t Maleisch verstaanbaar te maken. Een prettige toekomst! Ik kon dien korporaal toch niet altijd als vertolker mijner gevoelens gebruiken!Om te beginnen droeg ik hem op te vragen, waar toch wel al die huishoudelijke benoodigdheden waren.Het antwoord luidde: „Ik heb niets, dan wat ik aan het lichaam draag.” Nota bene een sarong, een kabaia en een gescheurde slendang. Een goed begin.„En hoe staat het met de kookkunst?” zoo liet ik den korporaal het onderzoek voortzetten.„Daar verstaat ze niets van, maar zij heeft honger,” vertaalde deze.[101]Ik dacht dat ik een beroerte kreeg. Wat had me die vervloekte hoornblazer te pakken genomen! Wat bleef er eigenlijk wel van al de goede eigenschappen van die vrouw over?Een weinigje twijfelachtige schoonheid en „trouw”; maar daarmee kon ik mijn hongerige maag niet tevreden stellen. Ze was in staat om mijn geheele soldij alleen aan pruimtabak en sirih op te maken en hoe kwam ik dan aan mijn geliefde smeerproppen en gezouten eieren?Ik was geheel terneergeslagen.De inlandsche korporaal was heengegaan en ik bleef met mijn smart en de kauwende dame alleen.Daar naakte het middageten. Goddank! Er werd erwtensoep met varkensvleesch geschaft en die kost is den geloovigen Javaan een gruwel. Toch kon ik niet nalaten die levende tabakszak mijn menageketel eens eventjes onder den neus te houden. Toen daar evenwel een gedeelte van een varkenskop uit opdook, kroop zij verschrikt terug en kwam eerst tot zichzelve, toen ik haar mijn ketel met rijst toeschoof en daarbij nog vijf klinkende centen voegde voor sajor en deng-deng. Deze lekkernijen waren tot billijken prijs in de warong verkrijgbaar en, te oordeelen naar de snelheid, waarmede ze daarheen toog, moest ze grooten honger hebben.Toen zij terugkeerde nam ze zeer deftig de[102]tabakspruim uit den mond en stopte die heel gemoedelijk in mijn patroontasch, die spiegelglad aan den wand hing.Wilde dat mensch mij dan met alle geweld te gronde richten? ’s Namiddags moest ik op wacht trekken. Verbeeld u, dat de luitenant van piket dat vieze zoodje in mijn patroontasch had gevonden! Dat zou me minstens op veertien dagen politiekamer zijn te staan gekomen.Buiten mijzelven van toorn smeet ik het kauwsel uit het venster.Zijevenwel bleef kalm dooreten en dacht misschien: „Gij moet me toch andere tabak koopen.”Met een zucht deed ik mijn wapenen om, hing den ransel over de schouders en marcheerde af om mijn post in de „bamboe-kazerne” te betrekken.Tegen den avond echter veroorloofde ik mij de vrijheid om voor een oogenblik de wacht te verlaten, ten einde eens te gaan zien wat Salima wel in de nieuwe huishouding uitvoerde. Voorzichtig opende ik de deur en zag haar in een erg vertrouwelijk onderhoud met den inlandschen korporaal, die des morgens mijn tolk was geweest.Nu was ook de laatste der hooggeprezen eigenschappen, de trouw, naar den bl.…Ellendige hoornblazer!Thans moest met spoed gehandeld worden. Een revolver of vitriool had ik niet bij de hand, doch[103]een paar stevige vuisten waren tot mijn beschikking en daarmede bewerkte ik de oogen van den Don Juan zoodanig, dat zij zich weldra blauw verfden als de hemel boven ons.Salima had er intusschen de voorkeur aan gegeven om spoorloos te verdwijnen en te Meester-Cornelis werd zij niet meer gezien. Ik droeg mijn smart zooals het een korporaal betaamt.Toen den volgenden morgen aan mijn inlandschen collega door den kapitein gevraagd werd waar hij die blauwe oogen had opgeloopen, antwoordde hij met een schuinen blik op mij: „Eenkeboheeft mij gestooten.”Nu, toen ik van wacht terugkwam, heeft diezelfdekebohem nog eens ongenadig toegetakeld.Eenige weken hield ik het weer alleen uit. Toen zond een kameraad, die medelijden met mij kreeg, uit Batavia een van die oude erfstukken, die—zooals de soldaten zich uitdrukken—voor de derde maal kiezen krijgen.Met mijn maag stond zij op zeer goeden voet, want ze kookte heerlijk. Daarenboven wist ze zooveel van mijn soldij over te houden, dat mijn kleerkist zich langzamerhand met slaapbroeken en kabaaien vulde, doch van mijn hart bleef zij verre.[104]

[Inhoud]MIJNE EERSTE HUISHOUDSTERTot nog toe werd ik steeds uitgelachen, wanneer ik iemand vertelde, dat ik, als korporaal van het Indische leger, mijne eerste huishoudster alléén nam om geen honger meer te lijden.Ik kan ’t den menschen niet euvel duiden dat zij lachen; want naar Europeesche begrippen, schaft iemand, die doorgaans honger lijdt, zijne huishoudster af. In Indië d.w.z. in het Indische leger, zijn er evenwel vele toestanden, welke geheel verschillen van die eener Europeesche maatschappij. Zoo’n Javaansche soldatenhuishoudster komt in verschillende opzichten overeen met een Franschen kok. Maakt de laatste misschien uit een paar oude schoenzolen een ragoût met pikante saus, de eerste gaat verder: zij maakt uit niets—iets. Als[93]zij namelijk voor haar „laki” niets te schaften heeft, ziet zij er weinig bezwaar in om, waar ze eenigszins kan, op geslepen wijze het noodige machtig te worden; en daartoe wordt menige Javaansche vrouw, die het ongeluk heeft met haar gebieder bij een depot-bataljon terecht te komen, bijna gedwongen.Ik moet ronduit verklaren, dat de pas bij de depot-bataljons aangekomen soldaten honger lijden. Uit de volgende „schaftorder” kan men zulks spoedig gewaar worden.Des morgens ontvangt ieder soldaat koffie en een broodje, zwaar 2H.G., waarvan natuurlijk geen kruimel overblijft; om 10 uur wordt soep met vleesch en rijst en ten 3½ ure rijst, sajor (groenten) en een miniatuur-portie vleesch verstrekt. Van 3½ uur ’s namiddags tot den volgenden morgen 5 uur is het pauze, ofschoon een vermoeiende exercitie van 4½–6 uur waarlijk voldoende is om het sobere maal te doen verteren. Van de waarheid hiervan heb ik mij herhaaldelijk overtuigd, wanneer ’s avonds om 7 uur het signaal voor ’t eten der onder-officieren gegeven werd. Dan slenterden vele pas uit Europa aangekomen recruten, waaronder mannen met aartsvaderlijke baarden, die zich nog niet aan rijst metsambalhadden weten te gewennen, om de onder-officiers keuken rond, terugsnakkende naar het Harderwijker kommiesbrood,[94]als vroeger de kinderen Israëls naar de vleeschpotten van Egypte.Waren eindelijk de onderofficieren opgestaan en verscheen de kok met den kookketel, waarin het restantboeboer(rijstebrei) zich bevond, dan vielen de mannen er als uitgehongerde wolven op aan, om ieder zijn deel machtig te worden.Hoe dikwijls heb ik zelf niet in den droom, schotels welriekendeKnödelals een fata morgana voorbij mij heen zien trekken!„Zijn er dan in Indië geen keukendragonders?” zal misschien menig lezer vragen, die zich moeilijk een soldaat anders kan voorstellen dan aan den arm van eene keukenprinses, die hem behoorlijk van het noodige voorziet.Het antwoord moet luiden: „Helaas, neen!”Het ergste is nog, dat het Gouvernement zich volstrekt niet gedrongen voelt om in dat gebrek ook maar eenigszins te voorzien. Met het oog hierop is het dan ook niet te verwonderen dat vele soldaten, ziende welk een naarstigheid zoo’n inlandsche huishoudster ten toon spreidt, besluiten ook den stap te wagen, zoodra zij zijn afgeëxerceerd. Bovendien gebeurt het niet zelden dat zulk een morganatisch gehuwd fuselier als zindelijk en oppassend soldaat aan anderen ten voorbeeld wordt gesteld.In den beginne is het moeilijk met dien toestand[95]vrede te hebben. Die paartjes huizen namelijk met andere soldaten in dezelfde kamer, doch, het zij hier onmiddellijk bijgevoegd, iets wat aanstoot kan geven, komt hoogst zelden voor. Bij de inlandsche vrouwen toch, is over ’t algemeen het schaamtegevoel sterk ontwikkeld en zij kunnen in dit opzicht op verre na niet gelijk gesteld worden met hare zusteren in Europa, die in dezelfde omstandigheden verkeeren. Bovendien wordt de overtreding van het zesde gebod streng gestraft.Zijwordt uit het kampement gejaagd enhijgaat voor veertien dagen de provoost in. Voorwaar geen aanlokkend vooruitzicht!Na deze kleine uitweiding moet ik mij weer met mijn eigen ik bezig houden. Een machtwoord van den allesvermogenden bataljonscommandant had mij als korporaal overgeplaatst bij eene inlandsche compagnie, waar vóór eenige dagen een detachement kersversche Javaansche recruten was aangekomen. Mijn escouade alleen was ± 50 man sterk, waarlijk geen kleinigheid, wanneer men nagaat, dat de meesten zelfs niet wisten hoe ze een broek moesten aantrekken. Vermoeienis en wrevel waren dan ook aan de orde van den dag en gaven mij soms een geweldigen honger.Tot mijn ongeluk moest ik mijn menageketel in de keuken der Europeanen doen afhalen.„Tot mijn ongeluk!” zeg ik, want de tamboer,[96]die gewoon was mij het maal te brengen, hield zulk een nauwkeurige inspectie over mijn soepketel, dat ik alleen beenderen af te kluiven kreeg. Ook wist hij, misschien met de beste bedoelingen, het zorgvuldig dáárheen te leiden, dat ik mij niet te buiten ging aan gebakken visch. Meestal toch ontdekte ik bij het openen van den ketel een vischkop, (’t achterdeel ontbrak bijna altijd) die mij weemoedig aanstaarde. Zoo nu en dan kon ik tusschen 2,5 H.G. rijst eenz.g.frikkadel ontdekken ter grootte ongeveer van een walnoot.Doch niet geklaagd, zoolang de soldij nog voldoende is om de ledige maag te vullen met smeerproppen. Was ’t evenwel ook daarmede gedaan, dan kon ik het bijna niet meer uithouden. Ik watertandde, wanneer van alle zijden welriekende geuren mij in den neus kwamen, afkomstig van de gerechten, die de inlandsche vrouwen voor haar gebieders gereed hadden gemaakt. In kleine groepen hurkten zij vóór de kazerne neer en deden zich te goed aan de verblindend witte rijst met daarbij behoorende toespijzen, terwijl ik, gewapend met een stopnaald, vergeefsche pogingen aanwendde om de vuistgroote gaten in mijn sokken te dichten en mijn schreeuwende maag slechts kon troosten met het uitzicht op een volgenden traktementsdag.Neen! aan dien toestand moest een einde komen.[97]Ik deed er een eed op dat dit de laatste sok was, die ik gestopt had. ’t Mocht kosten wat het wilde—d.w.z. ƒ 1.50 per vijf dagen, want zooveel bedroeg mijn soldij—eene huishoudster moest ik hebben om voor mijn maag en sokken te zorgen. In de krijgsartikelen stond wel veel geschreven over kogel en strop, doch van celibaat was daarin geen sprake en bovendien—een korporaal is geen kloosterling.Waar moest ik echter zoo’n schepsel vandaan halen?Het toeval was mij gunstig. Een hoornblazer van het garnizoen te Weltevreden, die naar Europa dacht te vertrekken, wilde mij zijne wederhelft kosteloos overdoen. Naar zijne beschrijving te oordeelen moest zij minst genomen een engel zijn. Zij bezat een massabarang-barang(huisraad), kon koken, o, zoo heerlijk! was trouw als een mopshond en och, zoo schoon!„Laat haar dan maar opkomen,” zei ik en de overeenkomst werd bezegeld met een handslag en een glas ijswater met stroop.Toen ik den volgenden morgen van de exercitie terugkeerde, trof ik de dame, op een mat gezeten, reeds in mijn kamer aan. Zij zag er werkelijk niet kwaad uit en ik trachtte een gesprek aan te knoopen door naar haar naam te vragen, doch kreeg hetzelfde resultaat als de examinatoren van den[98]candidaat Jobs n.l. een hardnekkig hoofdschudden. Een nieuwe poging, die ik aanwendde, door wat luider te zeggen: „noem dan toch een naam; waar komt ge vandaan en hebt ge nog familie?” werd met denzelfden uitslag bekroond.„Lieve Heer” dacht ik „zou ze misschien doofstom zijn?” Dat was een mooi geschenk. Ook was het mij niet mogelijk, niettegenstaande ik mijn oogen goed den kost gaf, iets anders te ontdekken van de zoo opgehemeldebarang-barang, die mijn huishouding zoo in eens op de been zou helpen, dan een ijzeren pan, waarin de inlanders gewoon zijn zoowat alles te bakken en te braden. Heerlijk vooruitzicht!Verduiveld! Daar werd reeds ’t signaal gegeven voor het compagniesrapport. Ik moest kennis geven, dat ik eene huishoudster had genomen en wist nog niet eens haar naam!Of ik mijn hersenen ook al pijnigde door het zoeken naar middelen om mij voor de vrouw begrijpelijk te maken—het lukte niet, en toen ik den sergeant-majoor op onheilspellende wijze mijn naam hoorde uitbrullen, ijlde ik naar het rapport om den zegen van den vader en de moeder der compagnie deelachtig te worden.De vader (de kapitein) vroeg: mij „hoe heet de meid?”„Ik weet het niet! ik geloof dat ze doofstom is, kapitein.”[99]„Wat doe je er dan mee?”„Ze kan heerlijk koken, kapitein.”„Smulpaap!” bromde deze en zich tot den sergeant-majoor wendende, zei hij: „Schrijf op, de meid heet Salima.”„Waar ze thuis hoort weet je natuurlijk ook niet?” vervolgde hij en op mijn ontkennend antwoord gelastte hij den sergeant-majoor maar eene of andere kampong van Java op te schrijven.Hiermede waren de formaliteiten van den burgerlijken stand afgeloopen en met zeer verdeelde gevoelens kon ik naar mijne kamer terugkeeren.Toen ik weer binnenkwam vond ik de pas herdoopte Salima in dezelfde houding nog op dezelfde plaats, alleen met dit onderscheid, dat ze thans een pruim tabak, ter grootte van een vuist, benevens de noodige „sirih” in den mond had gestoken en bezig was daaraan te zuigen als een kind aan de moederborst. De geheele omgeving was met rood sap bespogen, zoodat mijn kamer er uitzag als een slagveld.Nu bestaat er voor een Indischen korporaal geen grooter gruwel dan onzindelijkheid en wanorde. Daarom wees ik met strengen blik, alsof ik op al de geweren van mijn escouade roestvlekken ontdekt had, op den vloer. En wat deed nu dat vrouwspersoon? Zij trok den mond samen en spuwde mij met ontzettende zekerheid een geheele[100]lading tabakssap over den uitgestrekten wijsvinger.Hemelsche gerechtigheid, bestaan er dan geen straffen meer voor zulk een beleediging van een autoriteit als ik? Ik stond geheel versteld. Maar hoe moest ik die doofstomme vrouw te verstaan geven, dat een dergelijke handelwijze onvergeeflijk was? In mijn verwarring riep ik een inlandschen korporaal—een jong, slim kereltje—die met de Indische talen beter op de hoogte was dan ik. Nauwelijks had hij den mond opengedaan of—wonder boven wonder—daar ratelde het van haar lippen als bij een afloopende wekker-klok. Nu helderde zich de zaak op: zij kende alleen de Javaansche taal en ik had getracht mij in ’t Maleisch verstaanbaar te maken. Een prettige toekomst! Ik kon dien korporaal toch niet altijd als vertolker mijner gevoelens gebruiken!Om te beginnen droeg ik hem op te vragen, waar toch wel al die huishoudelijke benoodigdheden waren.Het antwoord luidde: „Ik heb niets, dan wat ik aan het lichaam draag.” Nota bene een sarong, een kabaia en een gescheurde slendang. Een goed begin.„En hoe staat het met de kookkunst?” zoo liet ik den korporaal het onderzoek voortzetten.„Daar verstaat ze niets van, maar zij heeft honger,” vertaalde deze.[101]Ik dacht dat ik een beroerte kreeg. Wat had me die vervloekte hoornblazer te pakken genomen! Wat bleef er eigenlijk wel van al de goede eigenschappen van die vrouw over?Een weinigje twijfelachtige schoonheid en „trouw”; maar daarmee kon ik mijn hongerige maag niet tevreden stellen. Ze was in staat om mijn geheele soldij alleen aan pruimtabak en sirih op te maken en hoe kwam ik dan aan mijn geliefde smeerproppen en gezouten eieren?Ik was geheel terneergeslagen.De inlandsche korporaal was heengegaan en ik bleef met mijn smart en de kauwende dame alleen.Daar naakte het middageten. Goddank! Er werd erwtensoep met varkensvleesch geschaft en die kost is den geloovigen Javaan een gruwel. Toch kon ik niet nalaten die levende tabakszak mijn menageketel eens eventjes onder den neus te houden. Toen daar evenwel een gedeelte van een varkenskop uit opdook, kroop zij verschrikt terug en kwam eerst tot zichzelve, toen ik haar mijn ketel met rijst toeschoof en daarbij nog vijf klinkende centen voegde voor sajor en deng-deng. Deze lekkernijen waren tot billijken prijs in de warong verkrijgbaar en, te oordeelen naar de snelheid, waarmede ze daarheen toog, moest ze grooten honger hebben.Toen zij terugkeerde nam ze zeer deftig de[102]tabakspruim uit den mond en stopte die heel gemoedelijk in mijn patroontasch, die spiegelglad aan den wand hing.Wilde dat mensch mij dan met alle geweld te gronde richten? ’s Namiddags moest ik op wacht trekken. Verbeeld u, dat de luitenant van piket dat vieze zoodje in mijn patroontasch had gevonden! Dat zou me minstens op veertien dagen politiekamer zijn te staan gekomen.Buiten mijzelven van toorn smeet ik het kauwsel uit het venster.Zijevenwel bleef kalm dooreten en dacht misschien: „Gij moet me toch andere tabak koopen.”Met een zucht deed ik mijn wapenen om, hing den ransel over de schouders en marcheerde af om mijn post in de „bamboe-kazerne” te betrekken.Tegen den avond echter veroorloofde ik mij de vrijheid om voor een oogenblik de wacht te verlaten, ten einde eens te gaan zien wat Salima wel in de nieuwe huishouding uitvoerde. Voorzichtig opende ik de deur en zag haar in een erg vertrouwelijk onderhoud met den inlandschen korporaal, die des morgens mijn tolk was geweest.Nu was ook de laatste der hooggeprezen eigenschappen, de trouw, naar den bl.…Ellendige hoornblazer!Thans moest met spoed gehandeld worden. Een revolver of vitriool had ik niet bij de hand, doch[103]een paar stevige vuisten waren tot mijn beschikking en daarmede bewerkte ik de oogen van den Don Juan zoodanig, dat zij zich weldra blauw verfden als de hemel boven ons.Salima had er intusschen de voorkeur aan gegeven om spoorloos te verdwijnen en te Meester-Cornelis werd zij niet meer gezien. Ik droeg mijn smart zooals het een korporaal betaamt.Toen den volgenden morgen aan mijn inlandschen collega door den kapitein gevraagd werd waar hij die blauwe oogen had opgeloopen, antwoordde hij met een schuinen blik op mij: „Eenkeboheeft mij gestooten.”Nu, toen ik van wacht terugkwam, heeft diezelfdekebohem nog eens ongenadig toegetakeld.Eenige weken hield ik het weer alleen uit. Toen zond een kameraad, die medelijden met mij kreeg, uit Batavia een van die oude erfstukken, die—zooals de soldaten zich uitdrukken—voor de derde maal kiezen krijgen.Met mijn maag stond zij op zeer goeden voet, want ze kookte heerlijk. Daarenboven wist ze zooveel van mijn soldij over te houden, dat mijn kleerkist zich langzamerhand met slaapbroeken en kabaaien vulde, doch van mijn hart bleef zij verre.[104]

MIJNE EERSTE HUISHOUDSTER

Tot nog toe werd ik steeds uitgelachen, wanneer ik iemand vertelde, dat ik, als korporaal van het Indische leger, mijne eerste huishoudster alléén nam om geen honger meer te lijden.Ik kan ’t den menschen niet euvel duiden dat zij lachen; want naar Europeesche begrippen, schaft iemand, die doorgaans honger lijdt, zijne huishoudster af. In Indië d.w.z. in het Indische leger, zijn er evenwel vele toestanden, welke geheel verschillen van die eener Europeesche maatschappij. Zoo’n Javaansche soldatenhuishoudster komt in verschillende opzichten overeen met een Franschen kok. Maakt de laatste misschien uit een paar oude schoenzolen een ragoût met pikante saus, de eerste gaat verder: zij maakt uit niets—iets. Als[93]zij namelijk voor haar „laki” niets te schaften heeft, ziet zij er weinig bezwaar in om, waar ze eenigszins kan, op geslepen wijze het noodige machtig te worden; en daartoe wordt menige Javaansche vrouw, die het ongeluk heeft met haar gebieder bij een depot-bataljon terecht te komen, bijna gedwongen.Ik moet ronduit verklaren, dat de pas bij de depot-bataljons aangekomen soldaten honger lijden. Uit de volgende „schaftorder” kan men zulks spoedig gewaar worden.Des morgens ontvangt ieder soldaat koffie en een broodje, zwaar 2H.G., waarvan natuurlijk geen kruimel overblijft; om 10 uur wordt soep met vleesch en rijst en ten 3½ ure rijst, sajor (groenten) en een miniatuur-portie vleesch verstrekt. Van 3½ uur ’s namiddags tot den volgenden morgen 5 uur is het pauze, ofschoon een vermoeiende exercitie van 4½–6 uur waarlijk voldoende is om het sobere maal te doen verteren. Van de waarheid hiervan heb ik mij herhaaldelijk overtuigd, wanneer ’s avonds om 7 uur het signaal voor ’t eten der onder-officieren gegeven werd. Dan slenterden vele pas uit Europa aangekomen recruten, waaronder mannen met aartsvaderlijke baarden, die zich nog niet aan rijst metsambalhadden weten te gewennen, om de onder-officiers keuken rond, terugsnakkende naar het Harderwijker kommiesbrood,[94]als vroeger de kinderen Israëls naar de vleeschpotten van Egypte.Waren eindelijk de onderofficieren opgestaan en verscheen de kok met den kookketel, waarin het restantboeboer(rijstebrei) zich bevond, dan vielen de mannen er als uitgehongerde wolven op aan, om ieder zijn deel machtig te worden.Hoe dikwijls heb ik zelf niet in den droom, schotels welriekendeKnödelals een fata morgana voorbij mij heen zien trekken!„Zijn er dan in Indië geen keukendragonders?” zal misschien menig lezer vragen, die zich moeilijk een soldaat anders kan voorstellen dan aan den arm van eene keukenprinses, die hem behoorlijk van het noodige voorziet.Het antwoord moet luiden: „Helaas, neen!”Het ergste is nog, dat het Gouvernement zich volstrekt niet gedrongen voelt om in dat gebrek ook maar eenigszins te voorzien. Met het oog hierop is het dan ook niet te verwonderen dat vele soldaten, ziende welk een naarstigheid zoo’n inlandsche huishoudster ten toon spreidt, besluiten ook den stap te wagen, zoodra zij zijn afgeëxerceerd. Bovendien gebeurt het niet zelden dat zulk een morganatisch gehuwd fuselier als zindelijk en oppassend soldaat aan anderen ten voorbeeld wordt gesteld.In den beginne is het moeilijk met dien toestand[95]vrede te hebben. Die paartjes huizen namelijk met andere soldaten in dezelfde kamer, doch, het zij hier onmiddellijk bijgevoegd, iets wat aanstoot kan geven, komt hoogst zelden voor. Bij de inlandsche vrouwen toch, is over ’t algemeen het schaamtegevoel sterk ontwikkeld en zij kunnen in dit opzicht op verre na niet gelijk gesteld worden met hare zusteren in Europa, die in dezelfde omstandigheden verkeeren. Bovendien wordt de overtreding van het zesde gebod streng gestraft.Zijwordt uit het kampement gejaagd enhijgaat voor veertien dagen de provoost in. Voorwaar geen aanlokkend vooruitzicht!Na deze kleine uitweiding moet ik mij weer met mijn eigen ik bezig houden. Een machtwoord van den allesvermogenden bataljonscommandant had mij als korporaal overgeplaatst bij eene inlandsche compagnie, waar vóór eenige dagen een detachement kersversche Javaansche recruten was aangekomen. Mijn escouade alleen was ± 50 man sterk, waarlijk geen kleinigheid, wanneer men nagaat, dat de meesten zelfs niet wisten hoe ze een broek moesten aantrekken. Vermoeienis en wrevel waren dan ook aan de orde van den dag en gaven mij soms een geweldigen honger.Tot mijn ongeluk moest ik mijn menageketel in de keuken der Europeanen doen afhalen.„Tot mijn ongeluk!” zeg ik, want de tamboer,[96]die gewoon was mij het maal te brengen, hield zulk een nauwkeurige inspectie over mijn soepketel, dat ik alleen beenderen af te kluiven kreeg. Ook wist hij, misschien met de beste bedoelingen, het zorgvuldig dáárheen te leiden, dat ik mij niet te buiten ging aan gebakken visch. Meestal toch ontdekte ik bij het openen van den ketel een vischkop, (’t achterdeel ontbrak bijna altijd) die mij weemoedig aanstaarde. Zoo nu en dan kon ik tusschen 2,5 H.G. rijst eenz.g.frikkadel ontdekken ter grootte ongeveer van een walnoot.Doch niet geklaagd, zoolang de soldij nog voldoende is om de ledige maag te vullen met smeerproppen. Was ’t evenwel ook daarmede gedaan, dan kon ik het bijna niet meer uithouden. Ik watertandde, wanneer van alle zijden welriekende geuren mij in den neus kwamen, afkomstig van de gerechten, die de inlandsche vrouwen voor haar gebieders gereed hadden gemaakt. In kleine groepen hurkten zij vóór de kazerne neer en deden zich te goed aan de verblindend witte rijst met daarbij behoorende toespijzen, terwijl ik, gewapend met een stopnaald, vergeefsche pogingen aanwendde om de vuistgroote gaten in mijn sokken te dichten en mijn schreeuwende maag slechts kon troosten met het uitzicht op een volgenden traktementsdag.Neen! aan dien toestand moest een einde komen.[97]Ik deed er een eed op dat dit de laatste sok was, die ik gestopt had. ’t Mocht kosten wat het wilde—d.w.z. ƒ 1.50 per vijf dagen, want zooveel bedroeg mijn soldij—eene huishoudster moest ik hebben om voor mijn maag en sokken te zorgen. In de krijgsartikelen stond wel veel geschreven over kogel en strop, doch van celibaat was daarin geen sprake en bovendien—een korporaal is geen kloosterling.Waar moest ik echter zoo’n schepsel vandaan halen?Het toeval was mij gunstig. Een hoornblazer van het garnizoen te Weltevreden, die naar Europa dacht te vertrekken, wilde mij zijne wederhelft kosteloos overdoen. Naar zijne beschrijving te oordeelen moest zij minst genomen een engel zijn. Zij bezat een massabarang-barang(huisraad), kon koken, o, zoo heerlijk! was trouw als een mopshond en och, zoo schoon!„Laat haar dan maar opkomen,” zei ik en de overeenkomst werd bezegeld met een handslag en een glas ijswater met stroop.Toen ik den volgenden morgen van de exercitie terugkeerde, trof ik de dame, op een mat gezeten, reeds in mijn kamer aan. Zij zag er werkelijk niet kwaad uit en ik trachtte een gesprek aan te knoopen door naar haar naam te vragen, doch kreeg hetzelfde resultaat als de examinatoren van den[98]candidaat Jobs n.l. een hardnekkig hoofdschudden. Een nieuwe poging, die ik aanwendde, door wat luider te zeggen: „noem dan toch een naam; waar komt ge vandaan en hebt ge nog familie?” werd met denzelfden uitslag bekroond.„Lieve Heer” dacht ik „zou ze misschien doofstom zijn?” Dat was een mooi geschenk. Ook was het mij niet mogelijk, niettegenstaande ik mijn oogen goed den kost gaf, iets anders te ontdekken van de zoo opgehemeldebarang-barang, die mijn huishouding zoo in eens op de been zou helpen, dan een ijzeren pan, waarin de inlanders gewoon zijn zoowat alles te bakken en te braden. Heerlijk vooruitzicht!Verduiveld! Daar werd reeds ’t signaal gegeven voor het compagniesrapport. Ik moest kennis geven, dat ik eene huishoudster had genomen en wist nog niet eens haar naam!Of ik mijn hersenen ook al pijnigde door het zoeken naar middelen om mij voor de vrouw begrijpelijk te maken—het lukte niet, en toen ik den sergeant-majoor op onheilspellende wijze mijn naam hoorde uitbrullen, ijlde ik naar het rapport om den zegen van den vader en de moeder der compagnie deelachtig te worden.De vader (de kapitein) vroeg: mij „hoe heet de meid?”„Ik weet het niet! ik geloof dat ze doofstom is, kapitein.”[99]„Wat doe je er dan mee?”„Ze kan heerlijk koken, kapitein.”„Smulpaap!” bromde deze en zich tot den sergeant-majoor wendende, zei hij: „Schrijf op, de meid heet Salima.”„Waar ze thuis hoort weet je natuurlijk ook niet?” vervolgde hij en op mijn ontkennend antwoord gelastte hij den sergeant-majoor maar eene of andere kampong van Java op te schrijven.Hiermede waren de formaliteiten van den burgerlijken stand afgeloopen en met zeer verdeelde gevoelens kon ik naar mijne kamer terugkeeren.Toen ik weer binnenkwam vond ik de pas herdoopte Salima in dezelfde houding nog op dezelfde plaats, alleen met dit onderscheid, dat ze thans een pruim tabak, ter grootte van een vuist, benevens de noodige „sirih” in den mond had gestoken en bezig was daaraan te zuigen als een kind aan de moederborst. De geheele omgeving was met rood sap bespogen, zoodat mijn kamer er uitzag als een slagveld.Nu bestaat er voor een Indischen korporaal geen grooter gruwel dan onzindelijkheid en wanorde. Daarom wees ik met strengen blik, alsof ik op al de geweren van mijn escouade roestvlekken ontdekt had, op den vloer. En wat deed nu dat vrouwspersoon? Zij trok den mond samen en spuwde mij met ontzettende zekerheid een geheele[100]lading tabakssap over den uitgestrekten wijsvinger.Hemelsche gerechtigheid, bestaan er dan geen straffen meer voor zulk een beleediging van een autoriteit als ik? Ik stond geheel versteld. Maar hoe moest ik die doofstomme vrouw te verstaan geven, dat een dergelijke handelwijze onvergeeflijk was? In mijn verwarring riep ik een inlandschen korporaal—een jong, slim kereltje—die met de Indische talen beter op de hoogte was dan ik. Nauwelijks had hij den mond opengedaan of—wonder boven wonder—daar ratelde het van haar lippen als bij een afloopende wekker-klok. Nu helderde zich de zaak op: zij kende alleen de Javaansche taal en ik had getracht mij in ’t Maleisch verstaanbaar te maken. Een prettige toekomst! Ik kon dien korporaal toch niet altijd als vertolker mijner gevoelens gebruiken!Om te beginnen droeg ik hem op te vragen, waar toch wel al die huishoudelijke benoodigdheden waren.Het antwoord luidde: „Ik heb niets, dan wat ik aan het lichaam draag.” Nota bene een sarong, een kabaia en een gescheurde slendang. Een goed begin.„En hoe staat het met de kookkunst?” zoo liet ik den korporaal het onderzoek voortzetten.„Daar verstaat ze niets van, maar zij heeft honger,” vertaalde deze.[101]Ik dacht dat ik een beroerte kreeg. Wat had me die vervloekte hoornblazer te pakken genomen! Wat bleef er eigenlijk wel van al de goede eigenschappen van die vrouw over?Een weinigje twijfelachtige schoonheid en „trouw”; maar daarmee kon ik mijn hongerige maag niet tevreden stellen. Ze was in staat om mijn geheele soldij alleen aan pruimtabak en sirih op te maken en hoe kwam ik dan aan mijn geliefde smeerproppen en gezouten eieren?Ik was geheel terneergeslagen.De inlandsche korporaal was heengegaan en ik bleef met mijn smart en de kauwende dame alleen.Daar naakte het middageten. Goddank! Er werd erwtensoep met varkensvleesch geschaft en die kost is den geloovigen Javaan een gruwel. Toch kon ik niet nalaten die levende tabakszak mijn menageketel eens eventjes onder den neus te houden. Toen daar evenwel een gedeelte van een varkenskop uit opdook, kroop zij verschrikt terug en kwam eerst tot zichzelve, toen ik haar mijn ketel met rijst toeschoof en daarbij nog vijf klinkende centen voegde voor sajor en deng-deng. Deze lekkernijen waren tot billijken prijs in de warong verkrijgbaar en, te oordeelen naar de snelheid, waarmede ze daarheen toog, moest ze grooten honger hebben.Toen zij terugkeerde nam ze zeer deftig de[102]tabakspruim uit den mond en stopte die heel gemoedelijk in mijn patroontasch, die spiegelglad aan den wand hing.Wilde dat mensch mij dan met alle geweld te gronde richten? ’s Namiddags moest ik op wacht trekken. Verbeeld u, dat de luitenant van piket dat vieze zoodje in mijn patroontasch had gevonden! Dat zou me minstens op veertien dagen politiekamer zijn te staan gekomen.Buiten mijzelven van toorn smeet ik het kauwsel uit het venster.Zijevenwel bleef kalm dooreten en dacht misschien: „Gij moet me toch andere tabak koopen.”Met een zucht deed ik mijn wapenen om, hing den ransel over de schouders en marcheerde af om mijn post in de „bamboe-kazerne” te betrekken.Tegen den avond echter veroorloofde ik mij de vrijheid om voor een oogenblik de wacht te verlaten, ten einde eens te gaan zien wat Salima wel in de nieuwe huishouding uitvoerde. Voorzichtig opende ik de deur en zag haar in een erg vertrouwelijk onderhoud met den inlandschen korporaal, die des morgens mijn tolk was geweest.Nu was ook de laatste der hooggeprezen eigenschappen, de trouw, naar den bl.…Ellendige hoornblazer!Thans moest met spoed gehandeld worden. Een revolver of vitriool had ik niet bij de hand, doch[103]een paar stevige vuisten waren tot mijn beschikking en daarmede bewerkte ik de oogen van den Don Juan zoodanig, dat zij zich weldra blauw verfden als de hemel boven ons.Salima had er intusschen de voorkeur aan gegeven om spoorloos te verdwijnen en te Meester-Cornelis werd zij niet meer gezien. Ik droeg mijn smart zooals het een korporaal betaamt.Toen den volgenden morgen aan mijn inlandschen collega door den kapitein gevraagd werd waar hij die blauwe oogen had opgeloopen, antwoordde hij met een schuinen blik op mij: „Eenkeboheeft mij gestooten.”Nu, toen ik van wacht terugkwam, heeft diezelfdekebohem nog eens ongenadig toegetakeld.Eenige weken hield ik het weer alleen uit. Toen zond een kameraad, die medelijden met mij kreeg, uit Batavia een van die oude erfstukken, die—zooals de soldaten zich uitdrukken—voor de derde maal kiezen krijgen.Met mijn maag stond zij op zeer goeden voet, want ze kookte heerlijk. Daarenboven wist ze zooveel van mijn soldij over te houden, dat mijn kleerkist zich langzamerhand met slaapbroeken en kabaaien vulde, doch van mijn hart bleef zij verre.[104]

Tot nog toe werd ik steeds uitgelachen, wanneer ik iemand vertelde, dat ik, als korporaal van het Indische leger, mijne eerste huishoudster alléén nam om geen honger meer te lijden.

Ik kan ’t den menschen niet euvel duiden dat zij lachen; want naar Europeesche begrippen, schaft iemand, die doorgaans honger lijdt, zijne huishoudster af. In Indië d.w.z. in het Indische leger, zijn er evenwel vele toestanden, welke geheel verschillen van die eener Europeesche maatschappij. Zoo’n Javaansche soldatenhuishoudster komt in verschillende opzichten overeen met een Franschen kok. Maakt de laatste misschien uit een paar oude schoenzolen een ragoût met pikante saus, de eerste gaat verder: zij maakt uit niets—iets. Als[93]zij namelijk voor haar „laki” niets te schaften heeft, ziet zij er weinig bezwaar in om, waar ze eenigszins kan, op geslepen wijze het noodige machtig te worden; en daartoe wordt menige Javaansche vrouw, die het ongeluk heeft met haar gebieder bij een depot-bataljon terecht te komen, bijna gedwongen.

Ik moet ronduit verklaren, dat de pas bij de depot-bataljons aangekomen soldaten honger lijden. Uit de volgende „schaftorder” kan men zulks spoedig gewaar worden.

Des morgens ontvangt ieder soldaat koffie en een broodje, zwaar 2H.G., waarvan natuurlijk geen kruimel overblijft; om 10 uur wordt soep met vleesch en rijst en ten 3½ ure rijst, sajor (groenten) en een miniatuur-portie vleesch verstrekt. Van 3½ uur ’s namiddags tot den volgenden morgen 5 uur is het pauze, ofschoon een vermoeiende exercitie van 4½–6 uur waarlijk voldoende is om het sobere maal te doen verteren. Van de waarheid hiervan heb ik mij herhaaldelijk overtuigd, wanneer ’s avonds om 7 uur het signaal voor ’t eten der onder-officieren gegeven werd. Dan slenterden vele pas uit Europa aangekomen recruten, waaronder mannen met aartsvaderlijke baarden, die zich nog niet aan rijst metsambalhadden weten te gewennen, om de onder-officiers keuken rond, terugsnakkende naar het Harderwijker kommiesbrood,[94]als vroeger de kinderen Israëls naar de vleeschpotten van Egypte.

Waren eindelijk de onderofficieren opgestaan en verscheen de kok met den kookketel, waarin het restantboeboer(rijstebrei) zich bevond, dan vielen de mannen er als uitgehongerde wolven op aan, om ieder zijn deel machtig te worden.

Hoe dikwijls heb ik zelf niet in den droom, schotels welriekendeKnödelals een fata morgana voorbij mij heen zien trekken!

„Zijn er dan in Indië geen keukendragonders?” zal misschien menig lezer vragen, die zich moeilijk een soldaat anders kan voorstellen dan aan den arm van eene keukenprinses, die hem behoorlijk van het noodige voorziet.

Het antwoord moet luiden: „Helaas, neen!”

Het ergste is nog, dat het Gouvernement zich volstrekt niet gedrongen voelt om in dat gebrek ook maar eenigszins te voorzien. Met het oog hierop is het dan ook niet te verwonderen dat vele soldaten, ziende welk een naarstigheid zoo’n inlandsche huishoudster ten toon spreidt, besluiten ook den stap te wagen, zoodra zij zijn afgeëxerceerd. Bovendien gebeurt het niet zelden dat zulk een morganatisch gehuwd fuselier als zindelijk en oppassend soldaat aan anderen ten voorbeeld wordt gesteld.

In den beginne is het moeilijk met dien toestand[95]vrede te hebben. Die paartjes huizen namelijk met andere soldaten in dezelfde kamer, doch, het zij hier onmiddellijk bijgevoegd, iets wat aanstoot kan geven, komt hoogst zelden voor. Bij de inlandsche vrouwen toch, is over ’t algemeen het schaamtegevoel sterk ontwikkeld en zij kunnen in dit opzicht op verre na niet gelijk gesteld worden met hare zusteren in Europa, die in dezelfde omstandigheden verkeeren. Bovendien wordt de overtreding van het zesde gebod streng gestraft.

Zijwordt uit het kampement gejaagd enhijgaat voor veertien dagen de provoost in. Voorwaar geen aanlokkend vooruitzicht!

Na deze kleine uitweiding moet ik mij weer met mijn eigen ik bezig houden. Een machtwoord van den allesvermogenden bataljonscommandant had mij als korporaal overgeplaatst bij eene inlandsche compagnie, waar vóór eenige dagen een detachement kersversche Javaansche recruten was aangekomen. Mijn escouade alleen was ± 50 man sterk, waarlijk geen kleinigheid, wanneer men nagaat, dat de meesten zelfs niet wisten hoe ze een broek moesten aantrekken. Vermoeienis en wrevel waren dan ook aan de orde van den dag en gaven mij soms een geweldigen honger.

Tot mijn ongeluk moest ik mijn menageketel in de keuken der Europeanen doen afhalen.

„Tot mijn ongeluk!” zeg ik, want de tamboer,[96]die gewoon was mij het maal te brengen, hield zulk een nauwkeurige inspectie over mijn soepketel, dat ik alleen beenderen af te kluiven kreeg. Ook wist hij, misschien met de beste bedoelingen, het zorgvuldig dáárheen te leiden, dat ik mij niet te buiten ging aan gebakken visch. Meestal toch ontdekte ik bij het openen van den ketel een vischkop, (’t achterdeel ontbrak bijna altijd) die mij weemoedig aanstaarde. Zoo nu en dan kon ik tusschen 2,5 H.G. rijst eenz.g.frikkadel ontdekken ter grootte ongeveer van een walnoot.

Doch niet geklaagd, zoolang de soldij nog voldoende is om de ledige maag te vullen met smeerproppen. Was ’t evenwel ook daarmede gedaan, dan kon ik het bijna niet meer uithouden. Ik watertandde, wanneer van alle zijden welriekende geuren mij in den neus kwamen, afkomstig van de gerechten, die de inlandsche vrouwen voor haar gebieders gereed hadden gemaakt. In kleine groepen hurkten zij vóór de kazerne neer en deden zich te goed aan de verblindend witte rijst met daarbij behoorende toespijzen, terwijl ik, gewapend met een stopnaald, vergeefsche pogingen aanwendde om de vuistgroote gaten in mijn sokken te dichten en mijn schreeuwende maag slechts kon troosten met het uitzicht op een volgenden traktementsdag.

Neen! aan dien toestand moest een einde komen.[97]Ik deed er een eed op dat dit de laatste sok was, die ik gestopt had. ’t Mocht kosten wat het wilde—d.w.z. ƒ 1.50 per vijf dagen, want zooveel bedroeg mijn soldij—eene huishoudster moest ik hebben om voor mijn maag en sokken te zorgen. In de krijgsartikelen stond wel veel geschreven over kogel en strop, doch van celibaat was daarin geen sprake en bovendien—een korporaal is geen kloosterling.

Waar moest ik echter zoo’n schepsel vandaan halen?

Het toeval was mij gunstig. Een hoornblazer van het garnizoen te Weltevreden, die naar Europa dacht te vertrekken, wilde mij zijne wederhelft kosteloos overdoen. Naar zijne beschrijving te oordeelen moest zij minst genomen een engel zijn. Zij bezat een massabarang-barang(huisraad), kon koken, o, zoo heerlijk! was trouw als een mopshond en och, zoo schoon!

„Laat haar dan maar opkomen,” zei ik en de overeenkomst werd bezegeld met een handslag en een glas ijswater met stroop.

Toen ik den volgenden morgen van de exercitie terugkeerde, trof ik de dame, op een mat gezeten, reeds in mijn kamer aan. Zij zag er werkelijk niet kwaad uit en ik trachtte een gesprek aan te knoopen door naar haar naam te vragen, doch kreeg hetzelfde resultaat als de examinatoren van den[98]candidaat Jobs n.l. een hardnekkig hoofdschudden. Een nieuwe poging, die ik aanwendde, door wat luider te zeggen: „noem dan toch een naam; waar komt ge vandaan en hebt ge nog familie?” werd met denzelfden uitslag bekroond.

„Lieve Heer” dacht ik „zou ze misschien doofstom zijn?” Dat was een mooi geschenk. Ook was het mij niet mogelijk, niettegenstaande ik mijn oogen goed den kost gaf, iets anders te ontdekken van de zoo opgehemeldebarang-barang, die mijn huishouding zoo in eens op de been zou helpen, dan een ijzeren pan, waarin de inlanders gewoon zijn zoowat alles te bakken en te braden. Heerlijk vooruitzicht!

Verduiveld! Daar werd reeds ’t signaal gegeven voor het compagniesrapport. Ik moest kennis geven, dat ik eene huishoudster had genomen en wist nog niet eens haar naam!

Of ik mijn hersenen ook al pijnigde door het zoeken naar middelen om mij voor de vrouw begrijpelijk te maken—het lukte niet, en toen ik den sergeant-majoor op onheilspellende wijze mijn naam hoorde uitbrullen, ijlde ik naar het rapport om den zegen van den vader en de moeder der compagnie deelachtig te worden.

De vader (de kapitein) vroeg: mij „hoe heet de meid?”

„Ik weet het niet! ik geloof dat ze doofstom is, kapitein.”[99]

„Wat doe je er dan mee?”

„Ze kan heerlijk koken, kapitein.”

„Smulpaap!” bromde deze en zich tot den sergeant-majoor wendende, zei hij: „Schrijf op, de meid heet Salima.”

„Waar ze thuis hoort weet je natuurlijk ook niet?” vervolgde hij en op mijn ontkennend antwoord gelastte hij den sergeant-majoor maar eene of andere kampong van Java op te schrijven.

Hiermede waren de formaliteiten van den burgerlijken stand afgeloopen en met zeer verdeelde gevoelens kon ik naar mijne kamer terugkeeren.

Toen ik weer binnenkwam vond ik de pas herdoopte Salima in dezelfde houding nog op dezelfde plaats, alleen met dit onderscheid, dat ze thans een pruim tabak, ter grootte van een vuist, benevens de noodige „sirih” in den mond had gestoken en bezig was daaraan te zuigen als een kind aan de moederborst. De geheele omgeving was met rood sap bespogen, zoodat mijn kamer er uitzag als een slagveld.

Nu bestaat er voor een Indischen korporaal geen grooter gruwel dan onzindelijkheid en wanorde. Daarom wees ik met strengen blik, alsof ik op al de geweren van mijn escouade roestvlekken ontdekt had, op den vloer. En wat deed nu dat vrouwspersoon? Zij trok den mond samen en spuwde mij met ontzettende zekerheid een geheele[100]lading tabakssap over den uitgestrekten wijsvinger.

Hemelsche gerechtigheid, bestaan er dan geen straffen meer voor zulk een beleediging van een autoriteit als ik? Ik stond geheel versteld. Maar hoe moest ik die doofstomme vrouw te verstaan geven, dat een dergelijke handelwijze onvergeeflijk was? In mijn verwarring riep ik een inlandschen korporaal—een jong, slim kereltje—die met de Indische talen beter op de hoogte was dan ik. Nauwelijks had hij den mond opengedaan of—wonder boven wonder—daar ratelde het van haar lippen als bij een afloopende wekker-klok. Nu helderde zich de zaak op: zij kende alleen de Javaansche taal en ik had getracht mij in ’t Maleisch verstaanbaar te maken. Een prettige toekomst! Ik kon dien korporaal toch niet altijd als vertolker mijner gevoelens gebruiken!

Om te beginnen droeg ik hem op te vragen, waar toch wel al die huishoudelijke benoodigdheden waren.

Het antwoord luidde: „Ik heb niets, dan wat ik aan het lichaam draag.” Nota bene een sarong, een kabaia en een gescheurde slendang. Een goed begin.

„En hoe staat het met de kookkunst?” zoo liet ik den korporaal het onderzoek voortzetten.

„Daar verstaat ze niets van, maar zij heeft honger,” vertaalde deze.[101]

Ik dacht dat ik een beroerte kreeg. Wat had me die vervloekte hoornblazer te pakken genomen! Wat bleef er eigenlijk wel van al de goede eigenschappen van die vrouw over?

Een weinigje twijfelachtige schoonheid en „trouw”; maar daarmee kon ik mijn hongerige maag niet tevreden stellen. Ze was in staat om mijn geheele soldij alleen aan pruimtabak en sirih op te maken en hoe kwam ik dan aan mijn geliefde smeerproppen en gezouten eieren?

Ik was geheel terneergeslagen.

De inlandsche korporaal was heengegaan en ik bleef met mijn smart en de kauwende dame alleen.

Daar naakte het middageten. Goddank! Er werd erwtensoep met varkensvleesch geschaft en die kost is den geloovigen Javaan een gruwel. Toch kon ik niet nalaten die levende tabakszak mijn menageketel eens eventjes onder den neus te houden. Toen daar evenwel een gedeelte van een varkenskop uit opdook, kroop zij verschrikt terug en kwam eerst tot zichzelve, toen ik haar mijn ketel met rijst toeschoof en daarbij nog vijf klinkende centen voegde voor sajor en deng-deng. Deze lekkernijen waren tot billijken prijs in de warong verkrijgbaar en, te oordeelen naar de snelheid, waarmede ze daarheen toog, moest ze grooten honger hebben.

Toen zij terugkeerde nam ze zeer deftig de[102]tabakspruim uit den mond en stopte die heel gemoedelijk in mijn patroontasch, die spiegelglad aan den wand hing.

Wilde dat mensch mij dan met alle geweld te gronde richten? ’s Namiddags moest ik op wacht trekken. Verbeeld u, dat de luitenant van piket dat vieze zoodje in mijn patroontasch had gevonden! Dat zou me minstens op veertien dagen politiekamer zijn te staan gekomen.

Buiten mijzelven van toorn smeet ik het kauwsel uit het venster.Zijevenwel bleef kalm dooreten en dacht misschien: „Gij moet me toch andere tabak koopen.”

Met een zucht deed ik mijn wapenen om, hing den ransel over de schouders en marcheerde af om mijn post in de „bamboe-kazerne” te betrekken.

Tegen den avond echter veroorloofde ik mij de vrijheid om voor een oogenblik de wacht te verlaten, ten einde eens te gaan zien wat Salima wel in de nieuwe huishouding uitvoerde. Voorzichtig opende ik de deur en zag haar in een erg vertrouwelijk onderhoud met den inlandschen korporaal, die des morgens mijn tolk was geweest.

Nu was ook de laatste der hooggeprezen eigenschappen, de trouw, naar den bl.…

Ellendige hoornblazer!

Thans moest met spoed gehandeld worden. Een revolver of vitriool had ik niet bij de hand, doch[103]een paar stevige vuisten waren tot mijn beschikking en daarmede bewerkte ik de oogen van den Don Juan zoodanig, dat zij zich weldra blauw verfden als de hemel boven ons.

Salima had er intusschen de voorkeur aan gegeven om spoorloos te verdwijnen en te Meester-Cornelis werd zij niet meer gezien. Ik droeg mijn smart zooals het een korporaal betaamt.

Toen den volgenden morgen aan mijn inlandschen collega door den kapitein gevraagd werd waar hij die blauwe oogen had opgeloopen, antwoordde hij met een schuinen blik op mij: „Eenkeboheeft mij gestooten.”

Nu, toen ik van wacht terugkwam, heeft diezelfdekebohem nog eens ongenadig toegetakeld.

Eenige weken hield ik het weer alleen uit. Toen zond een kameraad, die medelijden met mij kreeg, uit Batavia een van die oude erfstukken, die—zooals de soldaten zich uitdrukken—voor de derde maal kiezen krijgen.

Met mijn maag stond zij op zeer goeden voet, want ze kookte heerlijk. Daarenboven wist ze zooveel van mijn soldij over te houden, dat mijn kleerkist zich langzamerhand met slaapbroeken en kabaaien vulde, doch van mijn hart bleef zij verre.[104]


Back to IndexNext