MIJN EERSTE RAPPORT.

[Inhoud]MIJN EERSTE RAPPORT.„Zeg eens, jij lange, je zet zoo’n gewichtig gezicht, alsof je een conferentie met Bismarck gehad hebt,” riep mij de snerpende stem van Von Sch. toe, terwijl ik met groote passen naar de bamboekazerne stapte. Die von Sch. was een aardige kerel. Nauwelijks twee jaar geleden had zijne sabel nog op het asphaltUnter den Lindengekletterd en had zijn ook nu nog welverzorgde knevel jonge schoonen tot het maken van gedichten bezield; en thans droeg hij de strepen van den sergeant van het Indische leger. Een man, Isaäc geheeten en behoorende tot de wijdvertakte familie van Sem, had hem geld tegen „papiertjes” gegeven, wat aan de verandering zijner uniform schuld moet hebben gehad. Doch zoo iets is onder kameradenjanz ejal. En hij had veel kameraden; ik was er één van. Altoos had hij een passenden kwinkslag tot[63]zijn dienst, als een van zijne voormalige of hem nog overgebleven kameraden om de eene of andere reden „het land” had. Zijn humor was tegen alles bestand en leed eenige jaren later volstrekt niet onder het bericht, dat eene verstandige, oude tante hem, nevens een stuk of wat smousjes en katten, ook haar vrij aanzienlijk vermogen had nagelaten.Sergeant Von Sch. dan riep mij op de bovenbeschreven wijze toe en plaatste zich wijdbeens vóór mij, in afwachting van eene verklaring.„Nu, van zooveel belang als een onderhoud met den ouden Bismarck is het wel niet, maar het scheelt toch niet veel; ik moet mijn eerste korporaalswacht afsteken en zit duchtig in den brand over het schriftelijk rapport, ingeval er iets mocht voorvallen,” was mijn bescheid.„Och kom, wat kan er nu op zoo’n korporaalswacht gebeuren?” vroeg hij. „Zou je het misschien willen rapporteeren, als twee kakkerlakken elkander den kop afbijten of je eentjitjak1op het hoofd valt? Op die wacht is er immers nog nooit iets voorgekomen? En als er werkelijk iets gebeuren mocht en je kunt er geen Hollandsch woord voor vinden, dan omschrijf je eenvoudig. Maar je moet je toeleggen op mooi schrift: de inhoud komt er minder op aan.”[64]Na deze vaderlijke vermaning verwijderde hij zich lachend, en ik vervolgde mijnen weg.Een uurtje later betrok ik met mijn drie man de wacht, nam vol welgevallen het beheer over de ledige arrestlokalen van mijnen voorganger over en vlijde mij, na gedanen arbeid, behaaglijk in een matten stoel neder. Het was een heerlijke, zonnige dag. Den nacht te voren had het geregend, en nu slurpten zonnestralen en planten het kostelijke nat gretig op. De lucht was helder, zoodat men in de verte de blauwe omtrekken van het gebergte onderscheiden kon. De Tjilewong verhaalde zachtkens, in vriendelijk gebabbel, van die reuzen daarginds, waartoe ik mij zoo machtig voelde aangetrokken door de herinnering aan mijn bergachtig vaderland. Zoet geurden de twijgen van den „tjampakka” boven mijn hoofd, en wanneer een zoel windje van het naburige zeestrand door het gebladerte streek, viel er een bloesemregen neder en omhulde mij als met eenen mantel van het teêrste dons.Het was werkelijk niet noodig Duitscher te zijn, om in eene zoo paradijsachtige omgeving te dwepen, luchtkasteelen te bouwen en zich de toekomst in de liefelijkste kleuren af te schilderen.Het waren stoute droomen, die mijne verbeelding voortbracht. Al de makke Javaantjes, die daar ginder in den looppas heen en weer snelden, of,[65]al naar de velddienst het vorderde, als slangen over den grond kropen, herschiep zij in bloeddorstige oproerlingen, die het moordende staal ophieven tegen het handjevol Europeanen in hun midden.Dezen zag ik met den moed der wanhoop tegen de overmacht strijden; meer en meer dunde het hoopje mijner kameraden; zij zouden het onderspit delven! Daar snelde ik toe met mijne drie man, schoot, hieuw en stak als een bezetene; de kameraden herademden, keerden zich opnieuw tegen den vijand.Victorie! de zege was ons.Wat heerlijke aanblik! Het „Waterlooplein” gevuld met duizenden toeschouwers.Het geheele garnizoen opgesteld in parade-orde. Aller blikken zijn naar het midden van het plein gewend; dáár, namelijk, sta ik en hoor met vurig oog en duizelend hoofd de krachtige toespraak aan, welke de legercommandant tot mij richt. Zijne hand rust op mijnen schouder en met luider stemme zegt hij:„Het heeft Zijner Majesteit behaagd u tot ridder van de Militaire Willemsorde …”„Toeloeng! toeloeng!”2krijscht op eens eene vrouwenstem en overschreeuwt de beteekenisvolle slotwoorden, waarmee mijn fantasie-generaal op het punt stond[66]zijne rede te besluiten. Uit was mijn droom. Met één sprong was ik op de been, beval een der soldaten, die dommelend in het gras lag, mij te volgen en snelde zoo spoedig mijne lange beenen mij dragen konden naar eene naburige loods, waaruit het hulpgeroep geklonken had. Daar vond ik een inlandschen soldaat, die de knie op de borst eener vrouw gedrukt hield en zonder ophouden met een steen op haar sloeg. Natuurlijk greep ik hem onzacht in den nek en sleepte hem naar de wacht. De vrouw liet ik naar de ziekenzaal brengen. Gedurende zijn transport huilde de kerel als een oud wijf en deed niet de geringste poging om zich te verweren. Geen enkele maal zelfs beet of krabde hij.Huilend ging hij het arrestlokaal binnen en huilend beantwoordde hij mijne vragen. Hij huilde zelfs nog, toen ik met mijn rapport bijna gereed was, en dat duurde lang, want het Hollandsch wilde mij niet gemakkelijk uit de pen.Te langen leste had ik het epistel toch klaar en verdiepte mij met welgevallen in den inhoud van het dienstbriefje: „De inlander Sowodrono heeft zijn huishouderesse met een steen geslagen. Daarom heb ik hemarrestierd.”Reeds maakte zich een fuselier gereed om het rapport naar de hoofdwacht te brengen, toen de schildwacht door het venster naar binnen riep:[67]„Ik geloof waarachtig, dat de kerel in de gevangenis zich heeft opgehangen!”Deze woorden deden mij zóó ontstellen, dat ik onder de vele verroeste en overtollige sleutels, die aan mijn zorg waren toevertrouwd, den juisten niet vinden kon. Het gerochel, dat uit de cel tot mij doordrong, was niet geschikt mij op mijn gemak te brengen. Ik bezon mij daarom niet lang, liep met den schouder tegen den deurpost en wierp de halve gevangenis omver, die, terloops aangemerkt, uit bamboe was opgetrokken. Ter eere van de gevangenissen in Indië dient echter verklaard, dat niet alle van zulk een zwakken bouw zijn. Anders mocht het eene of andere lid van het edele Europeesche boevengilde eens lust krijgen, het veld zijner kunstverrichtingen naar dit Dorado te verplaatsen.Met twee sprongen was ik over de splinters heen, en bij den ongelukkige, die aan zijnen halsdoek hing te bungelen.Een fuselier sneed hem af en ik diende den zelfmoord-candidaat een paar oorvijgen toe, die zijne ademhalingsorganen weder in functie brachten. Daarna tooide ik hem met ijzeren hand-manchetten en liet hem naar de hoofdwacht brengen. Maar nu kwam de grootste moeielijkheid aan; er moest een nieuw rapport worden opgesteld en dat wel zoo spoedig mogelijk, anders kreeg ik[68]met den commandant der hoofdwacht te doen. Als gewoonlijk schreef ik dezen dienstbrief eerst in het Duitsch en vertaalde hem daarna woord voor woord. Hij luidde:Der gefangene Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen; ich habe ihn desswegen gefesselt.Het eerste deel van dit rapport was, meende ik gemakkelijk te vertalen; maar met de slotwoorden haperde het.Wat beteekent toch ook weerFesselnin het Hollandsch? „Fetteln?” Neen.—„Fetseln?”—ook niet! Lieve hemel, er moet toch een woord voor zijn!Daar ging mij een licht op. „Omschrijven, als men het juiste woord niet vindt,”had Von Sch. dien morgen gezegd. Precies! Hoe zou het zijn, als ik eens schreef:ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt? Dat klonk wel wat middeleeuwsch en rook naar burcht-kelders en pijnigende roofridders, maar het was toch verstaanbaar.Doch nu haperde het met de vertaling weer.Kettebeteekent in het Hollandsch „ketting,” bijgevolg beteekentin Ketten: „in kettingen.” Die uitdrukking kwam mij echter verdacht voor, ik had haar nog nooit gehoord. Het angstzweet brak mij uit! Er wilde mij niets invallen, ofschoon ik reeds den halven penhouder had afgeknaagd. Daarbij kwam nog, dat de twee fuseliers vlak[69]naast me op het geschrift zaten te wachten. Hoe benijdde ik de kerels! Ze spraken beiden perfect Hollandsch, want het waren Hollanders; maar ik durfde hun toch niets vragen. Daarmede zou ik mijn gezag verloren hebben en den volgenden dag hadden de kameraden verteld: „de vent laat zich zijn rapporten door de wachthebbende manschappen dicteeren.”Als ik eens wat diplomatisch te werk ging, misschien dat ik dan toch nog te weten kwam welke de juiste uitdrukking was. Zonder langer te aarzelen, wendde ik mij dus tot een der beide mannen en vroeg zoo losjesweg: „Zegt men in de streek, waar jij vandaan komt, ook „in kettingen gelegd?””De man keek mij verbaasd aan; hij begreep blijkbaar niet wat ik wilde. Hij bezon zich een oogenblik en sprak dan: „Nee koproal! Bij ons thuus zeggen ze: oan de ketting legd.”Goddank! Nu wist ik het. Nu maar snel geschreven! Daar gaat-i: „Der Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen” = „De inlander Sowodrono heeft verzocht zich op te hangen”—„ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt” = „ik heb hem daarom aan de ketting gelegd.”Ziezoo! maar nu ook als de wind naar de hoofdwacht er mee! Was me dat een karwei![70]De fuseliers schenen van dezelfde meening, want één hunner vroeg mij: „Zeg eens, korporaal, het is zeker zoo gemakkelijk niet, om eene vreemde taal te leeren? U kent er zeker wel zoo’n stuk of wat?”„Natuurlijk, vrindje!” antwoordde ik, „zoo’n beetje Latijn, Grieksch, Fransch, Duitsch, Maleisch (ik wist nauwelijks tien woorden dier taal) en natuurlijk Hollandsch ken ik wel. Met het Hollandsch spreken wil het nog niet recht vlotten—nu dat hoor je zelf—maar schrijven, schrijven, zie je, kan ik het als mijn moedertaal.” Ik had het immers zoo juist bewezen.Eindelijk en ten laatste kon ik weer eens wat rust nemen! In het zalig besef een groot werk verricht te hebben, vlijde ik mij neer in mijnen stoel en nam één der heerlijke manilla’s uit den zak, waarvan men er bij den dikken Chinees op den passer zes voor een dubbeltje koopt.Scherts ter zijde,—het waren echte manilla’s; maar zij hadden één gebrek, dat haar voor de rooktafel der „buikjes” ongeschikt maakte: er bevonden zich tallooze gaatjes in het dekblad, welke diep in het binnenwerk doordrongen, en daarin zaten kleine wormpjes. Als men nu zulk een sigaar wil rooken, dan moet men eerst de gaten met papier beplakken, en dat is niet ieders werk. Als zoo’n sigaar „gereed was om te vuren,” zag zij er steeds als eene dikke papierrol uit.[71]Ik bereidde mij dus zulk een exemplaar toe, stak er den brand in en gaf mij weer over aan mijne droomen, die zoo ruw verstoord waren geworden en thans door het rooken mij in eene andere, meer materieele, sfeer verplaatsten. Telkens namelijk, als het vuur der sigaar een der verstopte gaten bereikte, klonk het „Pschi!” en steeg er een soort van braadlucht in mijn neus, afkomstig van een wormpje, dat door het papier den terugtocht was afgesneden. Ik telde de gaatjes. Er waren er negen. Een rijk menu waarlijk.„Pschi!” Gebakken oesters.—Pschi! hoendersoep.—Pschi! zalm met Hollandsche saus.—Goeie God, wat rook die saus heerlijk!—Pschi! Ossehaas.—Pschi! Pschi!—He, kellner! niet zoo vlug achter elkaar opdienen! Daar brengt me nu de kerel kip en kreeftenmaijonaise tegelijk! (Het vuur had namelijk twee wormpjes achter elkaar aangetast.) Misschien dat ik wat te luid gedacht had, want de fuselier, die tot dusver rustig had zitten lezen, sprong op en vroeg: „Zei u wat, korporaal?”„Houd je mond!” riep ik geërgerd.De kerels kunnen je niet eens met rust laten eten. Het geheele dessert en de kaas gingen door die domme vraag voor mij verloren, want er waren nog twee gaatjes in de sigaar. Thans smaakte mij het rooken niet meer; ik kon niet meer in de[72]stemming komen, die voor het besluit van het aangebroken diner vereischt werd.Ook nog het laatste restje mijner goede stemming vervloog, toen een korporaal in volle uniform op mij toesnelde en reeds uit de verte riep: „Gauw, gauw, je moet op het bataljonsrapport!”Vreeselijk woord: rapport! „compagniesrapport” is reeds genoeg om iemand kippevel te doen krijgen van angst, en nu bataljonsrapport!—Het woord alleen gaf mij een gevoel of ik door den grond zou zinken.Wat kon ik in ’s hemelsnaam hebben uitgevoerd? Mijn geweten was engelrein. Maar wat hielp mij dat? Onder militairen, vooral in Indië, staat men steeds met één been in arrest.Mijn kameraad kon mij ook geen opheldering geven. Hij had alleen bevel gekregen mij terstond af te lossen. Wel had de adjudant gelachen, toen hij het bevel gaf. Maar een adjudant kan zelfs lachen als hij eene geheele sectie naar de provoost stuurt. Dat was dus geen troost.Vervuld van bange gevoelens, marcheerde ik naar de kazerne. Daar verwelkomde mij de „dubbele” met eenige weinig liefelijke toespelingen. Ook de sergeanten en korporaals staken de hoofden bijeen en namen mij van alle kanten op. Dat maakte mij hoe langer hoe ongeruster. Vergeefs pijnigde ik mijne hersenen om mij het eene of andere misdrijf[73]te herinneren; maar ik moest het opgeven. In gezelschap van een stuk of wat op opiumschuiven betrapte Javaansche soldaten, volgde ik den „dubbele” naar den majoor.Op de veranda voor het bataljons-bureau heerschte eene heilige stilte, ofschoon een dertigtal soldaten in groote tenue daar bijeen waren. Zelfs de vier „dubbelen”, die overigens niet op hun mond gevallen waren, zwegen als moffen. Ieder, die een slecht geweten had, stond dit op het gezicht te lezen. Mij neep de angst letterlijk de keel toe; ik snakte naar adem als een visch op het droge naar water.Daar ging de deur van het bureau open. De bataljons-adjudant verscheen, en allen stonden als zoutpilaren. Hij telde de manschappen, vergeleek de rapporten en verdween weder.Nog vijf minuten uitstel van executie; zij schenen ons zooveel uren.Eindelijk kwam de majoor. Met één oogopslag overzag hij de aanwezigen.„Waar is de korporaal, die van morgen het rapport over den adspirant-zelfmoordenaar heeft ingezonden?” vroeg hij met dreigende stem.„Present, majoor!” riep ik en deed een stap voorwaarts.De bataljons-commandant monsterde mij met een langen blik; onderwijl vertoonde zich bij hem eene eigenaardige trekking om den mondhoek.[74]„Je hebt zware straffen verdiend, wegens twee militaire vergrijpen,” begon hij.Al het bloed drong mij naar het hart; toch hield ik zijnen blik uit.„Waarom heb je den soldaat Sowodrono permissie gegeven, zich op te hangen?”Gerechte hemel, wat moest dat beteekenen!„Neem mij niet kwalijk, majoor, ik kan bezweren, dat de man mij geen verlof gevraagd heeft,” stotterde ik.„En je schrijft zelf, dat de man je verzocht heeft, zich te mogen ophangen!”Nu begon er in mijne arme hersenkas eenig licht te komen.„Verder heb je den man behandeld op eene wijze, die den soldaat onwaardig is, door hem als een hond aan een ketting te leggen, zooals je ook zelf schrijft”, ging hij voort.Ik moet er op dat oogenblik niet bijster snugger hebben uitgezien, ten minste naar de gelaatstrekken der omstanders te oordeelen, die slechts met moeite hun lachen schenen te bedwingen.Het kan voorkomen dat een soldaat meesmuilend lacht, als een luitenant beweert, zijn leven lang geen grooteren os gezien te hebben dan hij. Het is ook mogelijk dat een soldaat pijnlijk lacht, als hij boven aan eene trap toevallig bij het opengaan der deur zijnen kapitein tegen het lijf loopt, achterover[75]naar beneden tuimelt en op de vraag van den kapitein: „kerel, ben je dood?” ten antwoord geeft: „met uw verlof nog niet, kapitein!” Maar tegen een majoor te lachen, dat zal een soldaat zelfs in den dood niet overkomen. En hier, in mijne naaste omgeving, stonden 1 onder-adjudant, 4 sergeant-majoors, 4 sergeanten, 4 korporaals en eene geheele bende arme zondaars en lachten, waar de majoor bijstond! Maar wat het onverklaarbaarst was, de majoor zelf lachte, lachte, dat zijn buikje er van schudde. Een majoor, die in diensttijd lacht! Een majoor, die lacht tegen een korporaal!Zoo de beroemde weer-professor Falb in mijne plaats ware geweest, dan zou hij dezen dag zeker als een kritieke dag van de hoogste orde hebben aangemerkt en de latere uitbarsting van den Krakatau met dit oogenblik in verband hebben gebracht.Eene heele poos duurde het, alvorens de gemoederen weder tot bedaren kwamen. Daarop commandeerde de majoor: „rechtsomkeert, marsch!”Hij riep mij nog na:„Je wordtersuchtbeter Hollandsch te leeren, anders blijf je nog lang aan den korporaals-ketting liggen.”Ik zag of hoorde niets meer—ik zweefde letterlijk over de aarde. Het beeld van den lachenden majoor vergezelde mij naar de kazerne. Daar schoten[76]van alle kanten de korporaals op mij toe en vroegen deelnemend: „Wat is je toch om ’s hemels wil gebeurd? Je ziet zoo bleek als een doode!”Ik kon alleen maar uitbrengen:„Ik heb een lachenden majoor gezien!”„Wa-a-at blief je?”[77]1Hagedis.↑2Help, help!↑

[Inhoud]MIJN EERSTE RAPPORT.„Zeg eens, jij lange, je zet zoo’n gewichtig gezicht, alsof je een conferentie met Bismarck gehad hebt,” riep mij de snerpende stem van Von Sch. toe, terwijl ik met groote passen naar de bamboekazerne stapte. Die von Sch. was een aardige kerel. Nauwelijks twee jaar geleden had zijne sabel nog op het asphaltUnter den Lindengekletterd en had zijn ook nu nog welverzorgde knevel jonge schoonen tot het maken van gedichten bezield; en thans droeg hij de strepen van den sergeant van het Indische leger. Een man, Isaäc geheeten en behoorende tot de wijdvertakte familie van Sem, had hem geld tegen „papiertjes” gegeven, wat aan de verandering zijner uniform schuld moet hebben gehad. Doch zoo iets is onder kameradenjanz ejal. En hij had veel kameraden; ik was er één van. Altoos had hij een passenden kwinkslag tot[63]zijn dienst, als een van zijne voormalige of hem nog overgebleven kameraden om de eene of andere reden „het land” had. Zijn humor was tegen alles bestand en leed eenige jaren later volstrekt niet onder het bericht, dat eene verstandige, oude tante hem, nevens een stuk of wat smousjes en katten, ook haar vrij aanzienlijk vermogen had nagelaten.Sergeant Von Sch. dan riep mij op de bovenbeschreven wijze toe en plaatste zich wijdbeens vóór mij, in afwachting van eene verklaring.„Nu, van zooveel belang als een onderhoud met den ouden Bismarck is het wel niet, maar het scheelt toch niet veel; ik moet mijn eerste korporaalswacht afsteken en zit duchtig in den brand over het schriftelijk rapport, ingeval er iets mocht voorvallen,” was mijn bescheid.„Och kom, wat kan er nu op zoo’n korporaalswacht gebeuren?” vroeg hij. „Zou je het misschien willen rapporteeren, als twee kakkerlakken elkander den kop afbijten of je eentjitjak1op het hoofd valt? Op die wacht is er immers nog nooit iets voorgekomen? En als er werkelijk iets gebeuren mocht en je kunt er geen Hollandsch woord voor vinden, dan omschrijf je eenvoudig. Maar je moet je toeleggen op mooi schrift: de inhoud komt er minder op aan.”[64]Na deze vaderlijke vermaning verwijderde hij zich lachend, en ik vervolgde mijnen weg.Een uurtje later betrok ik met mijn drie man de wacht, nam vol welgevallen het beheer over de ledige arrestlokalen van mijnen voorganger over en vlijde mij, na gedanen arbeid, behaaglijk in een matten stoel neder. Het was een heerlijke, zonnige dag. Den nacht te voren had het geregend, en nu slurpten zonnestralen en planten het kostelijke nat gretig op. De lucht was helder, zoodat men in de verte de blauwe omtrekken van het gebergte onderscheiden kon. De Tjilewong verhaalde zachtkens, in vriendelijk gebabbel, van die reuzen daarginds, waartoe ik mij zoo machtig voelde aangetrokken door de herinnering aan mijn bergachtig vaderland. Zoet geurden de twijgen van den „tjampakka” boven mijn hoofd, en wanneer een zoel windje van het naburige zeestrand door het gebladerte streek, viel er een bloesemregen neder en omhulde mij als met eenen mantel van het teêrste dons.Het was werkelijk niet noodig Duitscher te zijn, om in eene zoo paradijsachtige omgeving te dwepen, luchtkasteelen te bouwen en zich de toekomst in de liefelijkste kleuren af te schilderen.Het waren stoute droomen, die mijne verbeelding voortbracht. Al de makke Javaantjes, die daar ginder in den looppas heen en weer snelden, of,[65]al naar de velddienst het vorderde, als slangen over den grond kropen, herschiep zij in bloeddorstige oproerlingen, die het moordende staal ophieven tegen het handjevol Europeanen in hun midden.Dezen zag ik met den moed der wanhoop tegen de overmacht strijden; meer en meer dunde het hoopje mijner kameraden; zij zouden het onderspit delven! Daar snelde ik toe met mijne drie man, schoot, hieuw en stak als een bezetene; de kameraden herademden, keerden zich opnieuw tegen den vijand.Victorie! de zege was ons.Wat heerlijke aanblik! Het „Waterlooplein” gevuld met duizenden toeschouwers.Het geheele garnizoen opgesteld in parade-orde. Aller blikken zijn naar het midden van het plein gewend; dáár, namelijk, sta ik en hoor met vurig oog en duizelend hoofd de krachtige toespraak aan, welke de legercommandant tot mij richt. Zijne hand rust op mijnen schouder en met luider stemme zegt hij:„Het heeft Zijner Majesteit behaagd u tot ridder van de Militaire Willemsorde …”„Toeloeng! toeloeng!”2krijscht op eens eene vrouwenstem en overschreeuwt de beteekenisvolle slotwoorden, waarmee mijn fantasie-generaal op het punt stond[66]zijne rede te besluiten. Uit was mijn droom. Met één sprong was ik op de been, beval een der soldaten, die dommelend in het gras lag, mij te volgen en snelde zoo spoedig mijne lange beenen mij dragen konden naar eene naburige loods, waaruit het hulpgeroep geklonken had. Daar vond ik een inlandschen soldaat, die de knie op de borst eener vrouw gedrukt hield en zonder ophouden met een steen op haar sloeg. Natuurlijk greep ik hem onzacht in den nek en sleepte hem naar de wacht. De vrouw liet ik naar de ziekenzaal brengen. Gedurende zijn transport huilde de kerel als een oud wijf en deed niet de geringste poging om zich te verweren. Geen enkele maal zelfs beet of krabde hij.Huilend ging hij het arrestlokaal binnen en huilend beantwoordde hij mijne vragen. Hij huilde zelfs nog, toen ik met mijn rapport bijna gereed was, en dat duurde lang, want het Hollandsch wilde mij niet gemakkelijk uit de pen.Te langen leste had ik het epistel toch klaar en verdiepte mij met welgevallen in den inhoud van het dienstbriefje: „De inlander Sowodrono heeft zijn huishouderesse met een steen geslagen. Daarom heb ik hemarrestierd.”Reeds maakte zich een fuselier gereed om het rapport naar de hoofdwacht te brengen, toen de schildwacht door het venster naar binnen riep:[67]„Ik geloof waarachtig, dat de kerel in de gevangenis zich heeft opgehangen!”Deze woorden deden mij zóó ontstellen, dat ik onder de vele verroeste en overtollige sleutels, die aan mijn zorg waren toevertrouwd, den juisten niet vinden kon. Het gerochel, dat uit de cel tot mij doordrong, was niet geschikt mij op mijn gemak te brengen. Ik bezon mij daarom niet lang, liep met den schouder tegen den deurpost en wierp de halve gevangenis omver, die, terloops aangemerkt, uit bamboe was opgetrokken. Ter eere van de gevangenissen in Indië dient echter verklaard, dat niet alle van zulk een zwakken bouw zijn. Anders mocht het eene of andere lid van het edele Europeesche boevengilde eens lust krijgen, het veld zijner kunstverrichtingen naar dit Dorado te verplaatsen.Met twee sprongen was ik over de splinters heen, en bij den ongelukkige, die aan zijnen halsdoek hing te bungelen.Een fuselier sneed hem af en ik diende den zelfmoord-candidaat een paar oorvijgen toe, die zijne ademhalingsorganen weder in functie brachten. Daarna tooide ik hem met ijzeren hand-manchetten en liet hem naar de hoofdwacht brengen. Maar nu kwam de grootste moeielijkheid aan; er moest een nieuw rapport worden opgesteld en dat wel zoo spoedig mogelijk, anders kreeg ik[68]met den commandant der hoofdwacht te doen. Als gewoonlijk schreef ik dezen dienstbrief eerst in het Duitsch en vertaalde hem daarna woord voor woord. Hij luidde:Der gefangene Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen; ich habe ihn desswegen gefesselt.Het eerste deel van dit rapport was, meende ik gemakkelijk te vertalen; maar met de slotwoorden haperde het.Wat beteekent toch ook weerFesselnin het Hollandsch? „Fetteln?” Neen.—„Fetseln?”—ook niet! Lieve hemel, er moet toch een woord voor zijn!Daar ging mij een licht op. „Omschrijven, als men het juiste woord niet vindt,”had Von Sch. dien morgen gezegd. Precies! Hoe zou het zijn, als ik eens schreef:ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt? Dat klonk wel wat middeleeuwsch en rook naar burcht-kelders en pijnigende roofridders, maar het was toch verstaanbaar.Doch nu haperde het met de vertaling weer.Kettebeteekent in het Hollandsch „ketting,” bijgevolg beteekentin Ketten: „in kettingen.” Die uitdrukking kwam mij echter verdacht voor, ik had haar nog nooit gehoord. Het angstzweet brak mij uit! Er wilde mij niets invallen, ofschoon ik reeds den halven penhouder had afgeknaagd. Daarbij kwam nog, dat de twee fuseliers vlak[69]naast me op het geschrift zaten te wachten. Hoe benijdde ik de kerels! Ze spraken beiden perfect Hollandsch, want het waren Hollanders; maar ik durfde hun toch niets vragen. Daarmede zou ik mijn gezag verloren hebben en den volgenden dag hadden de kameraden verteld: „de vent laat zich zijn rapporten door de wachthebbende manschappen dicteeren.”Als ik eens wat diplomatisch te werk ging, misschien dat ik dan toch nog te weten kwam welke de juiste uitdrukking was. Zonder langer te aarzelen, wendde ik mij dus tot een der beide mannen en vroeg zoo losjesweg: „Zegt men in de streek, waar jij vandaan komt, ook „in kettingen gelegd?””De man keek mij verbaasd aan; hij begreep blijkbaar niet wat ik wilde. Hij bezon zich een oogenblik en sprak dan: „Nee koproal! Bij ons thuus zeggen ze: oan de ketting legd.”Goddank! Nu wist ik het. Nu maar snel geschreven! Daar gaat-i: „Der Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen” = „De inlander Sowodrono heeft verzocht zich op te hangen”—„ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt” = „ik heb hem daarom aan de ketting gelegd.”Ziezoo! maar nu ook als de wind naar de hoofdwacht er mee! Was me dat een karwei![70]De fuseliers schenen van dezelfde meening, want één hunner vroeg mij: „Zeg eens, korporaal, het is zeker zoo gemakkelijk niet, om eene vreemde taal te leeren? U kent er zeker wel zoo’n stuk of wat?”„Natuurlijk, vrindje!” antwoordde ik, „zoo’n beetje Latijn, Grieksch, Fransch, Duitsch, Maleisch (ik wist nauwelijks tien woorden dier taal) en natuurlijk Hollandsch ken ik wel. Met het Hollandsch spreken wil het nog niet recht vlotten—nu dat hoor je zelf—maar schrijven, schrijven, zie je, kan ik het als mijn moedertaal.” Ik had het immers zoo juist bewezen.Eindelijk en ten laatste kon ik weer eens wat rust nemen! In het zalig besef een groot werk verricht te hebben, vlijde ik mij neer in mijnen stoel en nam één der heerlijke manilla’s uit den zak, waarvan men er bij den dikken Chinees op den passer zes voor een dubbeltje koopt.Scherts ter zijde,—het waren echte manilla’s; maar zij hadden één gebrek, dat haar voor de rooktafel der „buikjes” ongeschikt maakte: er bevonden zich tallooze gaatjes in het dekblad, welke diep in het binnenwerk doordrongen, en daarin zaten kleine wormpjes. Als men nu zulk een sigaar wil rooken, dan moet men eerst de gaten met papier beplakken, en dat is niet ieders werk. Als zoo’n sigaar „gereed was om te vuren,” zag zij er steeds als eene dikke papierrol uit.[71]Ik bereidde mij dus zulk een exemplaar toe, stak er den brand in en gaf mij weer over aan mijne droomen, die zoo ruw verstoord waren geworden en thans door het rooken mij in eene andere, meer materieele, sfeer verplaatsten. Telkens namelijk, als het vuur der sigaar een der verstopte gaten bereikte, klonk het „Pschi!” en steeg er een soort van braadlucht in mijn neus, afkomstig van een wormpje, dat door het papier den terugtocht was afgesneden. Ik telde de gaatjes. Er waren er negen. Een rijk menu waarlijk.„Pschi!” Gebakken oesters.—Pschi! hoendersoep.—Pschi! zalm met Hollandsche saus.—Goeie God, wat rook die saus heerlijk!—Pschi! Ossehaas.—Pschi! Pschi!—He, kellner! niet zoo vlug achter elkaar opdienen! Daar brengt me nu de kerel kip en kreeftenmaijonaise tegelijk! (Het vuur had namelijk twee wormpjes achter elkaar aangetast.) Misschien dat ik wat te luid gedacht had, want de fuselier, die tot dusver rustig had zitten lezen, sprong op en vroeg: „Zei u wat, korporaal?”„Houd je mond!” riep ik geërgerd.De kerels kunnen je niet eens met rust laten eten. Het geheele dessert en de kaas gingen door die domme vraag voor mij verloren, want er waren nog twee gaatjes in de sigaar. Thans smaakte mij het rooken niet meer; ik kon niet meer in de[72]stemming komen, die voor het besluit van het aangebroken diner vereischt werd.Ook nog het laatste restje mijner goede stemming vervloog, toen een korporaal in volle uniform op mij toesnelde en reeds uit de verte riep: „Gauw, gauw, je moet op het bataljonsrapport!”Vreeselijk woord: rapport! „compagniesrapport” is reeds genoeg om iemand kippevel te doen krijgen van angst, en nu bataljonsrapport!—Het woord alleen gaf mij een gevoel of ik door den grond zou zinken.Wat kon ik in ’s hemelsnaam hebben uitgevoerd? Mijn geweten was engelrein. Maar wat hielp mij dat? Onder militairen, vooral in Indië, staat men steeds met één been in arrest.Mijn kameraad kon mij ook geen opheldering geven. Hij had alleen bevel gekregen mij terstond af te lossen. Wel had de adjudant gelachen, toen hij het bevel gaf. Maar een adjudant kan zelfs lachen als hij eene geheele sectie naar de provoost stuurt. Dat was dus geen troost.Vervuld van bange gevoelens, marcheerde ik naar de kazerne. Daar verwelkomde mij de „dubbele” met eenige weinig liefelijke toespelingen. Ook de sergeanten en korporaals staken de hoofden bijeen en namen mij van alle kanten op. Dat maakte mij hoe langer hoe ongeruster. Vergeefs pijnigde ik mijne hersenen om mij het eene of andere misdrijf[73]te herinneren; maar ik moest het opgeven. In gezelschap van een stuk of wat op opiumschuiven betrapte Javaansche soldaten, volgde ik den „dubbele” naar den majoor.Op de veranda voor het bataljons-bureau heerschte eene heilige stilte, ofschoon een dertigtal soldaten in groote tenue daar bijeen waren. Zelfs de vier „dubbelen”, die overigens niet op hun mond gevallen waren, zwegen als moffen. Ieder, die een slecht geweten had, stond dit op het gezicht te lezen. Mij neep de angst letterlijk de keel toe; ik snakte naar adem als een visch op het droge naar water.Daar ging de deur van het bureau open. De bataljons-adjudant verscheen, en allen stonden als zoutpilaren. Hij telde de manschappen, vergeleek de rapporten en verdween weder.Nog vijf minuten uitstel van executie; zij schenen ons zooveel uren.Eindelijk kwam de majoor. Met één oogopslag overzag hij de aanwezigen.„Waar is de korporaal, die van morgen het rapport over den adspirant-zelfmoordenaar heeft ingezonden?” vroeg hij met dreigende stem.„Present, majoor!” riep ik en deed een stap voorwaarts.De bataljons-commandant monsterde mij met een langen blik; onderwijl vertoonde zich bij hem eene eigenaardige trekking om den mondhoek.[74]„Je hebt zware straffen verdiend, wegens twee militaire vergrijpen,” begon hij.Al het bloed drong mij naar het hart; toch hield ik zijnen blik uit.„Waarom heb je den soldaat Sowodrono permissie gegeven, zich op te hangen?”Gerechte hemel, wat moest dat beteekenen!„Neem mij niet kwalijk, majoor, ik kan bezweren, dat de man mij geen verlof gevraagd heeft,” stotterde ik.„En je schrijft zelf, dat de man je verzocht heeft, zich te mogen ophangen!”Nu begon er in mijne arme hersenkas eenig licht te komen.„Verder heb je den man behandeld op eene wijze, die den soldaat onwaardig is, door hem als een hond aan een ketting te leggen, zooals je ook zelf schrijft”, ging hij voort.Ik moet er op dat oogenblik niet bijster snugger hebben uitgezien, ten minste naar de gelaatstrekken der omstanders te oordeelen, die slechts met moeite hun lachen schenen te bedwingen.Het kan voorkomen dat een soldaat meesmuilend lacht, als een luitenant beweert, zijn leven lang geen grooteren os gezien te hebben dan hij. Het is ook mogelijk dat een soldaat pijnlijk lacht, als hij boven aan eene trap toevallig bij het opengaan der deur zijnen kapitein tegen het lijf loopt, achterover[75]naar beneden tuimelt en op de vraag van den kapitein: „kerel, ben je dood?” ten antwoord geeft: „met uw verlof nog niet, kapitein!” Maar tegen een majoor te lachen, dat zal een soldaat zelfs in den dood niet overkomen. En hier, in mijne naaste omgeving, stonden 1 onder-adjudant, 4 sergeant-majoors, 4 sergeanten, 4 korporaals en eene geheele bende arme zondaars en lachten, waar de majoor bijstond! Maar wat het onverklaarbaarst was, de majoor zelf lachte, lachte, dat zijn buikje er van schudde. Een majoor, die in diensttijd lacht! Een majoor, die lacht tegen een korporaal!Zoo de beroemde weer-professor Falb in mijne plaats ware geweest, dan zou hij dezen dag zeker als een kritieke dag van de hoogste orde hebben aangemerkt en de latere uitbarsting van den Krakatau met dit oogenblik in verband hebben gebracht.Eene heele poos duurde het, alvorens de gemoederen weder tot bedaren kwamen. Daarop commandeerde de majoor: „rechtsomkeert, marsch!”Hij riep mij nog na:„Je wordtersuchtbeter Hollandsch te leeren, anders blijf je nog lang aan den korporaals-ketting liggen.”Ik zag of hoorde niets meer—ik zweefde letterlijk over de aarde. Het beeld van den lachenden majoor vergezelde mij naar de kazerne. Daar schoten[76]van alle kanten de korporaals op mij toe en vroegen deelnemend: „Wat is je toch om ’s hemels wil gebeurd? Je ziet zoo bleek als een doode!”Ik kon alleen maar uitbrengen:„Ik heb een lachenden majoor gezien!”„Wa-a-at blief je?”[77]1Hagedis.↑2Help, help!↑

MIJN EERSTE RAPPORT.

„Zeg eens, jij lange, je zet zoo’n gewichtig gezicht, alsof je een conferentie met Bismarck gehad hebt,” riep mij de snerpende stem van Von Sch. toe, terwijl ik met groote passen naar de bamboekazerne stapte. Die von Sch. was een aardige kerel. Nauwelijks twee jaar geleden had zijne sabel nog op het asphaltUnter den Lindengekletterd en had zijn ook nu nog welverzorgde knevel jonge schoonen tot het maken van gedichten bezield; en thans droeg hij de strepen van den sergeant van het Indische leger. Een man, Isaäc geheeten en behoorende tot de wijdvertakte familie van Sem, had hem geld tegen „papiertjes” gegeven, wat aan de verandering zijner uniform schuld moet hebben gehad. Doch zoo iets is onder kameradenjanz ejal. En hij had veel kameraden; ik was er één van. Altoos had hij een passenden kwinkslag tot[63]zijn dienst, als een van zijne voormalige of hem nog overgebleven kameraden om de eene of andere reden „het land” had. Zijn humor was tegen alles bestand en leed eenige jaren later volstrekt niet onder het bericht, dat eene verstandige, oude tante hem, nevens een stuk of wat smousjes en katten, ook haar vrij aanzienlijk vermogen had nagelaten.Sergeant Von Sch. dan riep mij op de bovenbeschreven wijze toe en plaatste zich wijdbeens vóór mij, in afwachting van eene verklaring.„Nu, van zooveel belang als een onderhoud met den ouden Bismarck is het wel niet, maar het scheelt toch niet veel; ik moet mijn eerste korporaalswacht afsteken en zit duchtig in den brand over het schriftelijk rapport, ingeval er iets mocht voorvallen,” was mijn bescheid.„Och kom, wat kan er nu op zoo’n korporaalswacht gebeuren?” vroeg hij. „Zou je het misschien willen rapporteeren, als twee kakkerlakken elkander den kop afbijten of je eentjitjak1op het hoofd valt? Op die wacht is er immers nog nooit iets voorgekomen? En als er werkelijk iets gebeuren mocht en je kunt er geen Hollandsch woord voor vinden, dan omschrijf je eenvoudig. Maar je moet je toeleggen op mooi schrift: de inhoud komt er minder op aan.”[64]Na deze vaderlijke vermaning verwijderde hij zich lachend, en ik vervolgde mijnen weg.Een uurtje later betrok ik met mijn drie man de wacht, nam vol welgevallen het beheer over de ledige arrestlokalen van mijnen voorganger over en vlijde mij, na gedanen arbeid, behaaglijk in een matten stoel neder. Het was een heerlijke, zonnige dag. Den nacht te voren had het geregend, en nu slurpten zonnestralen en planten het kostelijke nat gretig op. De lucht was helder, zoodat men in de verte de blauwe omtrekken van het gebergte onderscheiden kon. De Tjilewong verhaalde zachtkens, in vriendelijk gebabbel, van die reuzen daarginds, waartoe ik mij zoo machtig voelde aangetrokken door de herinnering aan mijn bergachtig vaderland. Zoet geurden de twijgen van den „tjampakka” boven mijn hoofd, en wanneer een zoel windje van het naburige zeestrand door het gebladerte streek, viel er een bloesemregen neder en omhulde mij als met eenen mantel van het teêrste dons.Het was werkelijk niet noodig Duitscher te zijn, om in eene zoo paradijsachtige omgeving te dwepen, luchtkasteelen te bouwen en zich de toekomst in de liefelijkste kleuren af te schilderen.Het waren stoute droomen, die mijne verbeelding voortbracht. Al de makke Javaantjes, die daar ginder in den looppas heen en weer snelden, of,[65]al naar de velddienst het vorderde, als slangen over den grond kropen, herschiep zij in bloeddorstige oproerlingen, die het moordende staal ophieven tegen het handjevol Europeanen in hun midden.Dezen zag ik met den moed der wanhoop tegen de overmacht strijden; meer en meer dunde het hoopje mijner kameraden; zij zouden het onderspit delven! Daar snelde ik toe met mijne drie man, schoot, hieuw en stak als een bezetene; de kameraden herademden, keerden zich opnieuw tegen den vijand.Victorie! de zege was ons.Wat heerlijke aanblik! Het „Waterlooplein” gevuld met duizenden toeschouwers.Het geheele garnizoen opgesteld in parade-orde. Aller blikken zijn naar het midden van het plein gewend; dáár, namelijk, sta ik en hoor met vurig oog en duizelend hoofd de krachtige toespraak aan, welke de legercommandant tot mij richt. Zijne hand rust op mijnen schouder en met luider stemme zegt hij:„Het heeft Zijner Majesteit behaagd u tot ridder van de Militaire Willemsorde …”„Toeloeng! toeloeng!”2krijscht op eens eene vrouwenstem en overschreeuwt de beteekenisvolle slotwoorden, waarmee mijn fantasie-generaal op het punt stond[66]zijne rede te besluiten. Uit was mijn droom. Met één sprong was ik op de been, beval een der soldaten, die dommelend in het gras lag, mij te volgen en snelde zoo spoedig mijne lange beenen mij dragen konden naar eene naburige loods, waaruit het hulpgeroep geklonken had. Daar vond ik een inlandschen soldaat, die de knie op de borst eener vrouw gedrukt hield en zonder ophouden met een steen op haar sloeg. Natuurlijk greep ik hem onzacht in den nek en sleepte hem naar de wacht. De vrouw liet ik naar de ziekenzaal brengen. Gedurende zijn transport huilde de kerel als een oud wijf en deed niet de geringste poging om zich te verweren. Geen enkele maal zelfs beet of krabde hij.Huilend ging hij het arrestlokaal binnen en huilend beantwoordde hij mijne vragen. Hij huilde zelfs nog, toen ik met mijn rapport bijna gereed was, en dat duurde lang, want het Hollandsch wilde mij niet gemakkelijk uit de pen.Te langen leste had ik het epistel toch klaar en verdiepte mij met welgevallen in den inhoud van het dienstbriefje: „De inlander Sowodrono heeft zijn huishouderesse met een steen geslagen. Daarom heb ik hemarrestierd.”Reeds maakte zich een fuselier gereed om het rapport naar de hoofdwacht te brengen, toen de schildwacht door het venster naar binnen riep:[67]„Ik geloof waarachtig, dat de kerel in de gevangenis zich heeft opgehangen!”Deze woorden deden mij zóó ontstellen, dat ik onder de vele verroeste en overtollige sleutels, die aan mijn zorg waren toevertrouwd, den juisten niet vinden kon. Het gerochel, dat uit de cel tot mij doordrong, was niet geschikt mij op mijn gemak te brengen. Ik bezon mij daarom niet lang, liep met den schouder tegen den deurpost en wierp de halve gevangenis omver, die, terloops aangemerkt, uit bamboe was opgetrokken. Ter eere van de gevangenissen in Indië dient echter verklaard, dat niet alle van zulk een zwakken bouw zijn. Anders mocht het eene of andere lid van het edele Europeesche boevengilde eens lust krijgen, het veld zijner kunstverrichtingen naar dit Dorado te verplaatsen.Met twee sprongen was ik over de splinters heen, en bij den ongelukkige, die aan zijnen halsdoek hing te bungelen.Een fuselier sneed hem af en ik diende den zelfmoord-candidaat een paar oorvijgen toe, die zijne ademhalingsorganen weder in functie brachten. Daarna tooide ik hem met ijzeren hand-manchetten en liet hem naar de hoofdwacht brengen. Maar nu kwam de grootste moeielijkheid aan; er moest een nieuw rapport worden opgesteld en dat wel zoo spoedig mogelijk, anders kreeg ik[68]met den commandant der hoofdwacht te doen. Als gewoonlijk schreef ik dezen dienstbrief eerst in het Duitsch en vertaalde hem daarna woord voor woord. Hij luidde:Der gefangene Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen; ich habe ihn desswegen gefesselt.Het eerste deel van dit rapport was, meende ik gemakkelijk te vertalen; maar met de slotwoorden haperde het.Wat beteekent toch ook weerFesselnin het Hollandsch? „Fetteln?” Neen.—„Fetseln?”—ook niet! Lieve hemel, er moet toch een woord voor zijn!Daar ging mij een licht op. „Omschrijven, als men het juiste woord niet vindt,”had Von Sch. dien morgen gezegd. Precies! Hoe zou het zijn, als ik eens schreef:ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt? Dat klonk wel wat middeleeuwsch en rook naar burcht-kelders en pijnigende roofridders, maar het was toch verstaanbaar.Doch nu haperde het met de vertaling weer.Kettebeteekent in het Hollandsch „ketting,” bijgevolg beteekentin Ketten: „in kettingen.” Die uitdrukking kwam mij echter verdacht voor, ik had haar nog nooit gehoord. Het angstzweet brak mij uit! Er wilde mij niets invallen, ofschoon ik reeds den halven penhouder had afgeknaagd. Daarbij kwam nog, dat de twee fuseliers vlak[69]naast me op het geschrift zaten te wachten. Hoe benijdde ik de kerels! Ze spraken beiden perfect Hollandsch, want het waren Hollanders; maar ik durfde hun toch niets vragen. Daarmede zou ik mijn gezag verloren hebben en den volgenden dag hadden de kameraden verteld: „de vent laat zich zijn rapporten door de wachthebbende manschappen dicteeren.”Als ik eens wat diplomatisch te werk ging, misschien dat ik dan toch nog te weten kwam welke de juiste uitdrukking was. Zonder langer te aarzelen, wendde ik mij dus tot een der beide mannen en vroeg zoo losjesweg: „Zegt men in de streek, waar jij vandaan komt, ook „in kettingen gelegd?””De man keek mij verbaasd aan; hij begreep blijkbaar niet wat ik wilde. Hij bezon zich een oogenblik en sprak dan: „Nee koproal! Bij ons thuus zeggen ze: oan de ketting legd.”Goddank! Nu wist ik het. Nu maar snel geschreven! Daar gaat-i: „Der Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen” = „De inlander Sowodrono heeft verzocht zich op te hangen”—„ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt” = „ik heb hem daarom aan de ketting gelegd.”Ziezoo! maar nu ook als de wind naar de hoofdwacht er mee! Was me dat een karwei![70]De fuseliers schenen van dezelfde meening, want één hunner vroeg mij: „Zeg eens, korporaal, het is zeker zoo gemakkelijk niet, om eene vreemde taal te leeren? U kent er zeker wel zoo’n stuk of wat?”„Natuurlijk, vrindje!” antwoordde ik, „zoo’n beetje Latijn, Grieksch, Fransch, Duitsch, Maleisch (ik wist nauwelijks tien woorden dier taal) en natuurlijk Hollandsch ken ik wel. Met het Hollandsch spreken wil het nog niet recht vlotten—nu dat hoor je zelf—maar schrijven, schrijven, zie je, kan ik het als mijn moedertaal.” Ik had het immers zoo juist bewezen.Eindelijk en ten laatste kon ik weer eens wat rust nemen! In het zalig besef een groot werk verricht te hebben, vlijde ik mij neer in mijnen stoel en nam één der heerlijke manilla’s uit den zak, waarvan men er bij den dikken Chinees op den passer zes voor een dubbeltje koopt.Scherts ter zijde,—het waren echte manilla’s; maar zij hadden één gebrek, dat haar voor de rooktafel der „buikjes” ongeschikt maakte: er bevonden zich tallooze gaatjes in het dekblad, welke diep in het binnenwerk doordrongen, en daarin zaten kleine wormpjes. Als men nu zulk een sigaar wil rooken, dan moet men eerst de gaten met papier beplakken, en dat is niet ieders werk. Als zoo’n sigaar „gereed was om te vuren,” zag zij er steeds als eene dikke papierrol uit.[71]Ik bereidde mij dus zulk een exemplaar toe, stak er den brand in en gaf mij weer over aan mijne droomen, die zoo ruw verstoord waren geworden en thans door het rooken mij in eene andere, meer materieele, sfeer verplaatsten. Telkens namelijk, als het vuur der sigaar een der verstopte gaten bereikte, klonk het „Pschi!” en steeg er een soort van braadlucht in mijn neus, afkomstig van een wormpje, dat door het papier den terugtocht was afgesneden. Ik telde de gaatjes. Er waren er negen. Een rijk menu waarlijk.„Pschi!” Gebakken oesters.—Pschi! hoendersoep.—Pschi! zalm met Hollandsche saus.—Goeie God, wat rook die saus heerlijk!—Pschi! Ossehaas.—Pschi! Pschi!—He, kellner! niet zoo vlug achter elkaar opdienen! Daar brengt me nu de kerel kip en kreeftenmaijonaise tegelijk! (Het vuur had namelijk twee wormpjes achter elkaar aangetast.) Misschien dat ik wat te luid gedacht had, want de fuselier, die tot dusver rustig had zitten lezen, sprong op en vroeg: „Zei u wat, korporaal?”„Houd je mond!” riep ik geërgerd.De kerels kunnen je niet eens met rust laten eten. Het geheele dessert en de kaas gingen door die domme vraag voor mij verloren, want er waren nog twee gaatjes in de sigaar. Thans smaakte mij het rooken niet meer; ik kon niet meer in de[72]stemming komen, die voor het besluit van het aangebroken diner vereischt werd.Ook nog het laatste restje mijner goede stemming vervloog, toen een korporaal in volle uniform op mij toesnelde en reeds uit de verte riep: „Gauw, gauw, je moet op het bataljonsrapport!”Vreeselijk woord: rapport! „compagniesrapport” is reeds genoeg om iemand kippevel te doen krijgen van angst, en nu bataljonsrapport!—Het woord alleen gaf mij een gevoel of ik door den grond zou zinken.Wat kon ik in ’s hemelsnaam hebben uitgevoerd? Mijn geweten was engelrein. Maar wat hielp mij dat? Onder militairen, vooral in Indië, staat men steeds met één been in arrest.Mijn kameraad kon mij ook geen opheldering geven. Hij had alleen bevel gekregen mij terstond af te lossen. Wel had de adjudant gelachen, toen hij het bevel gaf. Maar een adjudant kan zelfs lachen als hij eene geheele sectie naar de provoost stuurt. Dat was dus geen troost.Vervuld van bange gevoelens, marcheerde ik naar de kazerne. Daar verwelkomde mij de „dubbele” met eenige weinig liefelijke toespelingen. Ook de sergeanten en korporaals staken de hoofden bijeen en namen mij van alle kanten op. Dat maakte mij hoe langer hoe ongeruster. Vergeefs pijnigde ik mijne hersenen om mij het eene of andere misdrijf[73]te herinneren; maar ik moest het opgeven. In gezelschap van een stuk of wat op opiumschuiven betrapte Javaansche soldaten, volgde ik den „dubbele” naar den majoor.Op de veranda voor het bataljons-bureau heerschte eene heilige stilte, ofschoon een dertigtal soldaten in groote tenue daar bijeen waren. Zelfs de vier „dubbelen”, die overigens niet op hun mond gevallen waren, zwegen als moffen. Ieder, die een slecht geweten had, stond dit op het gezicht te lezen. Mij neep de angst letterlijk de keel toe; ik snakte naar adem als een visch op het droge naar water.Daar ging de deur van het bureau open. De bataljons-adjudant verscheen, en allen stonden als zoutpilaren. Hij telde de manschappen, vergeleek de rapporten en verdween weder.Nog vijf minuten uitstel van executie; zij schenen ons zooveel uren.Eindelijk kwam de majoor. Met één oogopslag overzag hij de aanwezigen.„Waar is de korporaal, die van morgen het rapport over den adspirant-zelfmoordenaar heeft ingezonden?” vroeg hij met dreigende stem.„Present, majoor!” riep ik en deed een stap voorwaarts.De bataljons-commandant monsterde mij met een langen blik; onderwijl vertoonde zich bij hem eene eigenaardige trekking om den mondhoek.[74]„Je hebt zware straffen verdiend, wegens twee militaire vergrijpen,” begon hij.Al het bloed drong mij naar het hart; toch hield ik zijnen blik uit.„Waarom heb je den soldaat Sowodrono permissie gegeven, zich op te hangen?”Gerechte hemel, wat moest dat beteekenen!„Neem mij niet kwalijk, majoor, ik kan bezweren, dat de man mij geen verlof gevraagd heeft,” stotterde ik.„En je schrijft zelf, dat de man je verzocht heeft, zich te mogen ophangen!”Nu begon er in mijne arme hersenkas eenig licht te komen.„Verder heb je den man behandeld op eene wijze, die den soldaat onwaardig is, door hem als een hond aan een ketting te leggen, zooals je ook zelf schrijft”, ging hij voort.Ik moet er op dat oogenblik niet bijster snugger hebben uitgezien, ten minste naar de gelaatstrekken der omstanders te oordeelen, die slechts met moeite hun lachen schenen te bedwingen.Het kan voorkomen dat een soldaat meesmuilend lacht, als een luitenant beweert, zijn leven lang geen grooteren os gezien te hebben dan hij. Het is ook mogelijk dat een soldaat pijnlijk lacht, als hij boven aan eene trap toevallig bij het opengaan der deur zijnen kapitein tegen het lijf loopt, achterover[75]naar beneden tuimelt en op de vraag van den kapitein: „kerel, ben je dood?” ten antwoord geeft: „met uw verlof nog niet, kapitein!” Maar tegen een majoor te lachen, dat zal een soldaat zelfs in den dood niet overkomen. En hier, in mijne naaste omgeving, stonden 1 onder-adjudant, 4 sergeant-majoors, 4 sergeanten, 4 korporaals en eene geheele bende arme zondaars en lachten, waar de majoor bijstond! Maar wat het onverklaarbaarst was, de majoor zelf lachte, lachte, dat zijn buikje er van schudde. Een majoor, die in diensttijd lacht! Een majoor, die lacht tegen een korporaal!Zoo de beroemde weer-professor Falb in mijne plaats ware geweest, dan zou hij dezen dag zeker als een kritieke dag van de hoogste orde hebben aangemerkt en de latere uitbarsting van den Krakatau met dit oogenblik in verband hebben gebracht.Eene heele poos duurde het, alvorens de gemoederen weder tot bedaren kwamen. Daarop commandeerde de majoor: „rechtsomkeert, marsch!”Hij riep mij nog na:„Je wordtersuchtbeter Hollandsch te leeren, anders blijf je nog lang aan den korporaals-ketting liggen.”Ik zag of hoorde niets meer—ik zweefde letterlijk over de aarde. Het beeld van den lachenden majoor vergezelde mij naar de kazerne. Daar schoten[76]van alle kanten de korporaals op mij toe en vroegen deelnemend: „Wat is je toch om ’s hemels wil gebeurd? Je ziet zoo bleek als een doode!”Ik kon alleen maar uitbrengen:„Ik heb een lachenden majoor gezien!”„Wa-a-at blief je?”[77]

„Zeg eens, jij lange, je zet zoo’n gewichtig gezicht, alsof je een conferentie met Bismarck gehad hebt,” riep mij de snerpende stem van Von Sch. toe, terwijl ik met groote passen naar de bamboekazerne stapte. Die von Sch. was een aardige kerel. Nauwelijks twee jaar geleden had zijne sabel nog op het asphaltUnter den Lindengekletterd en had zijn ook nu nog welverzorgde knevel jonge schoonen tot het maken van gedichten bezield; en thans droeg hij de strepen van den sergeant van het Indische leger. Een man, Isaäc geheeten en behoorende tot de wijdvertakte familie van Sem, had hem geld tegen „papiertjes” gegeven, wat aan de verandering zijner uniform schuld moet hebben gehad. Doch zoo iets is onder kameradenjanz ejal. En hij had veel kameraden; ik was er één van. Altoos had hij een passenden kwinkslag tot[63]zijn dienst, als een van zijne voormalige of hem nog overgebleven kameraden om de eene of andere reden „het land” had. Zijn humor was tegen alles bestand en leed eenige jaren later volstrekt niet onder het bericht, dat eene verstandige, oude tante hem, nevens een stuk of wat smousjes en katten, ook haar vrij aanzienlijk vermogen had nagelaten.

Sergeant Von Sch. dan riep mij op de bovenbeschreven wijze toe en plaatste zich wijdbeens vóór mij, in afwachting van eene verklaring.

„Nu, van zooveel belang als een onderhoud met den ouden Bismarck is het wel niet, maar het scheelt toch niet veel; ik moet mijn eerste korporaalswacht afsteken en zit duchtig in den brand over het schriftelijk rapport, ingeval er iets mocht voorvallen,” was mijn bescheid.

„Och kom, wat kan er nu op zoo’n korporaalswacht gebeuren?” vroeg hij. „Zou je het misschien willen rapporteeren, als twee kakkerlakken elkander den kop afbijten of je eentjitjak1op het hoofd valt? Op die wacht is er immers nog nooit iets voorgekomen? En als er werkelijk iets gebeuren mocht en je kunt er geen Hollandsch woord voor vinden, dan omschrijf je eenvoudig. Maar je moet je toeleggen op mooi schrift: de inhoud komt er minder op aan.”[64]

Na deze vaderlijke vermaning verwijderde hij zich lachend, en ik vervolgde mijnen weg.

Een uurtje later betrok ik met mijn drie man de wacht, nam vol welgevallen het beheer over de ledige arrestlokalen van mijnen voorganger over en vlijde mij, na gedanen arbeid, behaaglijk in een matten stoel neder. Het was een heerlijke, zonnige dag. Den nacht te voren had het geregend, en nu slurpten zonnestralen en planten het kostelijke nat gretig op. De lucht was helder, zoodat men in de verte de blauwe omtrekken van het gebergte onderscheiden kon. De Tjilewong verhaalde zachtkens, in vriendelijk gebabbel, van die reuzen daarginds, waartoe ik mij zoo machtig voelde aangetrokken door de herinnering aan mijn bergachtig vaderland. Zoet geurden de twijgen van den „tjampakka” boven mijn hoofd, en wanneer een zoel windje van het naburige zeestrand door het gebladerte streek, viel er een bloesemregen neder en omhulde mij als met eenen mantel van het teêrste dons.

Het was werkelijk niet noodig Duitscher te zijn, om in eene zoo paradijsachtige omgeving te dwepen, luchtkasteelen te bouwen en zich de toekomst in de liefelijkste kleuren af te schilderen.

Het waren stoute droomen, die mijne verbeelding voortbracht. Al de makke Javaantjes, die daar ginder in den looppas heen en weer snelden, of,[65]al naar de velddienst het vorderde, als slangen over den grond kropen, herschiep zij in bloeddorstige oproerlingen, die het moordende staal ophieven tegen het handjevol Europeanen in hun midden.

Dezen zag ik met den moed der wanhoop tegen de overmacht strijden; meer en meer dunde het hoopje mijner kameraden; zij zouden het onderspit delven! Daar snelde ik toe met mijne drie man, schoot, hieuw en stak als een bezetene; de kameraden herademden, keerden zich opnieuw tegen den vijand.

Victorie! de zege was ons.

Wat heerlijke aanblik! Het „Waterlooplein” gevuld met duizenden toeschouwers.

Het geheele garnizoen opgesteld in parade-orde. Aller blikken zijn naar het midden van het plein gewend; dáár, namelijk, sta ik en hoor met vurig oog en duizelend hoofd de krachtige toespraak aan, welke de legercommandant tot mij richt. Zijne hand rust op mijnen schouder en met luider stemme zegt hij:

„Het heeft Zijner Majesteit behaagd u tot ridder van de Militaire Willemsorde …”„Toeloeng! toeloeng!”2krijscht op eens eene vrouwenstem en overschreeuwt de beteekenisvolle slotwoorden, waarmee mijn fantasie-generaal op het punt stond[66]zijne rede te besluiten. Uit was mijn droom. Met één sprong was ik op de been, beval een der soldaten, die dommelend in het gras lag, mij te volgen en snelde zoo spoedig mijne lange beenen mij dragen konden naar eene naburige loods, waaruit het hulpgeroep geklonken had. Daar vond ik een inlandschen soldaat, die de knie op de borst eener vrouw gedrukt hield en zonder ophouden met een steen op haar sloeg. Natuurlijk greep ik hem onzacht in den nek en sleepte hem naar de wacht. De vrouw liet ik naar de ziekenzaal brengen. Gedurende zijn transport huilde de kerel als een oud wijf en deed niet de geringste poging om zich te verweren. Geen enkele maal zelfs beet of krabde hij.

Huilend ging hij het arrestlokaal binnen en huilend beantwoordde hij mijne vragen. Hij huilde zelfs nog, toen ik met mijn rapport bijna gereed was, en dat duurde lang, want het Hollandsch wilde mij niet gemakkelijk uit de pen.

Te langen leste had ik het epistel toch klaar en verdiepte mij met welgevallen in den inhoud van het dienstbriefje: „De inlander Sowodrono heeft zijn huishouderesse met een steen geslagen. Daarom heb ik hemarrestierd.”

Reeds maakte zich een fuselier gereed om het rapport naar de hoofdwacht te brengen, toen de schildwacht door het venster naar binnen riep:[67]„Ik geloof waarachtig, dat de kerel in de gevangenis zich heeft opgehangen!”

Deze woorden deden mij zóó ontstellen, dat ik onder de vele verroeste en overtollige sleutels, die aan mijn zorg waren toevertrouwd, den juisten niet vinden kon. Het gerochel, dat uit de cel tot mij doordrong, was niet geschikt mij op mijn gemak te brengen. Ik bezon mij daarom niet lang, liep met den schouder tegen den deurpost en wierp de halve gevangenis omver, die, terloops aangemerkt, uit bamboe was opgetrokken. Ter eere van de gevangenissen in Indië dient echter verklaard, dat niet alle van zulk een zwakken bouw zijn. Anders mocht het eene of andere lid van het edele Europeesche boevengilde eens lust krijgen, het veld zijner kunstverrichtingen naar dit Dorado te verplaatsen.

Met twee sprongen was ik over de splinters heen, en bij den ongelukkige, die aan zijnen halsdoek hing te bungelen.

Een fuselier sneed hem af en ik diende den zelfmoord-candidaat een paar oorvijgen toe, die zijne ademhalingsorganen weder in functie brachten. Daarna tooide ik hem met ijzeren hand-manchetten en liet hem naar de hoofdwacht brengen. Maar nu kwam de grootste moeielijkheid aan; er moest een nieuw rapport worden opgesteld en dat wel zoo spoedig mogelijk, anders kreeg ik[68]met den commandant der hoofdwacht te doen. Als gewoonlijk schreef ik dezen dienstbrief eerst in het Duitsch en vertaalde hem daarna woord voor woord. Hij luidde:Der gefangene Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen; ich habe ihn desswegen gefesselt.

Het eerste deel van dit rapport was, meende ik gemakkelijk te vertalen; maar met de slotwoorden haperde het.

Wat beteekent toch ook weerFesselnin het Hollandsch? „Fetteln?” Neen.—„Fetseln?”—ook niet! Lieve hemel, er moet toch een woord voor zijn!

Daar ging mij een licht op. „Omschrijven, als men het juiste woord niet vindt,”had Von Sch. dien morgen gezegd. Precies! Hoe zou het zijn, als ik eens schreef:ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt? Dat klonk wel wat middeleeuwsch en rook naar burcht-kelders en pijnigende roofridders, maar het was toch verstaanbaar.

Doch nu haperde het met de vertaling weer.Kettebeteekent in het Hollandsch „ketting,” bijgevolg beteekentin Ketten: „in kettingen.” Die uitdrukking kwam mij echter verdacht voor, ik had haar nog nooit gehoord. Het angstzweet brak mij uit! Er wilde mij niets invallen, ofschoon ik reeds den halven penhouder had afgeknaagd. Daarbij kwam nog, dat de twee fuseliers vlak[69]naast me op het geschrift zaten te wachten. Hoe benijdde ik de kerels! Ze spraken beiden perfect Hollandsch, want het waren Hollanders; maar ik durfde hun toch niets vragen. Daarmede zou ik mijn gezag verloren hebben en den volgenden dag hadden de kameraden verteld: „de vent laat zich zijn rapporten door de wachthebbende manschappen dicteeren.”

Als ik eens wat diplomatisch te werk ging, misschien dat ik dan toch nog te weten kwam welke de juiste uitdrukking was. Zonder langer te aarzelen, wendde ik mij dus tot een der beide mannen en vroeg zoo losjesweg: „Zegt men in de streek, waar jij vandaan komt, ook „in kettingen gelegd?””

De man keek mij verbaasd aan; hij begreep blijkbaar niet wat ik wilde. Hij bezon zich een oogenblik en sprak dan: „Nee koproal! Bij ons thuus zeggen ze: oan de ketting legd.”

Goddank! Nu wist ik het. Nu maar snel geschreven! Daar gaat-i: „Der Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen” = „De inlander Sowodrono heeft verzocht zich op te hangen”—„ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt” = „ik heb hem daarom aan de ketting gelegd.”

Ziezoo! maar nu ook als de wind naar de hoofdwacht er mee! Was me dat een karwei![70]

De fuseliers schenen van dezelfde meening, want één hunner vroeg mij: „Zeg eens, korporaal, het is zeker zoo gemakkelijk niet, om eene vreemde taal te leeren? U kent er zeker wel zoo’n stuk of wat?”

„Natuurlijk, vrindje!” antwoordde ik, „zoo’n beetje Latijn, Grieksch, Fransch, Duitsch, Maleisch (ik wist nauwelijks tien woorden dier taal) en natuurlijk Hollandsch ken ik wel. Met het Hollandsch spreken wil het nog niet recht vlotten—nu dat hoor je zelf—maar schrijven, schrijven, zie je, kan ik het als mijn moedertaal.” Ik had het immers zoo juist bewezen.

Eindelijk en ten laatste kon ik weer eens wat rust nemen! In het zalig besef een groot werk verricht te hebben, vlijde ik mij neer in mijnen stoel en nam één der heerlijke manilla’s uit den zak, waarvan men er bij den dikken Chinees op den passer zes voor een dubbeltje koopt.

Scherts ter zijde,—het waren echte manilla’s; maar zij hadden één gebrek, dat haar voor de rooktafel der „buikjes” ongeschikt maakte: er bevonden zich tallooze gaatjes in het dekblad, welke diep in het binnenwerk doordrongen, en daarin zaten kleine wormpjes. Als men nu zulk een sigaar wil rooken, dan moet men eerst de gaten met papier beplakken, en dat is niet ieders werk. Als zoo’n sigaar „gereed was om te vuren,” zag zij er steeds als eene dikke papierrol uit.[71]

Ik bereidde mij dus zulk een exemplaar toe, stak er den brand in en gaf mij weer over aan mijne droomen, die zoo ruw verstoord waren geworden en thans door het rooken mij in eene andere, meer materieele, sfeer verplaatsten. Telkens namelijk, als het vuur der sigaar een der verstopte gaten bereikte, klonk het „Pschi!” en steeg er een soort van braadlucht in mijn neus, afkomstig van een wormpje, dat door het papier den terugtocht was afgesneden. Ik telde de gaatjes. Er waren er negen. Een rijk menu waarlijk.

„Pschi!” Gebakken oesters.—Pschi! hoendersoep.—Pschi! zalm met Hollandsche saus.—Goeie God, wat rook die saus heerlijk!—Pschi! Ossehaas.—Pschi! Pschi!—He, kellner! niet zoo vlug achter elkaar opdienen! Daar brengt me nu de kerel kip en kreeftenmaijonaise tegelijk! (Het vuur had namelijk twee wormpjes achter elkaar aangetast.) Misschien dat ik wat te luid gedacht had, want de fuselier, die tot dusver rustig had zitten lezen, sprong op en vroeg: „Zei u wat, korporaal?”

„Houd je mond!” riep ik geërgerd.

De kerels kunnen je niet eens met rust laten eten. Het geheele dessert en de kaas gingen door die domme vraag voor mij verloren, want er waren nog twee gaatjes in de sigaar. Thans smaakte mij het rooken niet meer; ik kon niet meer in de[72]stemming komen, die voor het besluit van het aangebroken diner vereischt werd.

Ook nog het laatste restje mijner goede stemming vervloog, toen een korporaal in volle uniform op mij toesnelde en reeds uit de verte riep: „Gauw, gauw, je moet op het bataljonsrapport!”

Vreeselijk woord: rapport! „compagniesrapport” is reeds genoeg om iemand kippevel te doen krijgen van angst, en nu bataljonsrapport!—Het woord alleen gaf mij een gevoel of ik door den grond zou zinken.

Wat kon ik in ’s hemelsnaam hebben uitgevoerd? Mijn geweten was engelrein. Maar wat hielp mij dat? Onder militairen, vooral in Indië, staat men steeds met één been in arrest.

Mijn kameraad kon mij ook geen opheldering geven. Hij had alleen bevel gekregen mij terstond af te lossen. Wel had de adjudant gelachen, toen hij het bevel gaf. Maar een adjudant kan zelfs lachen als hij eene geheele sectie naar de provoost stuurt. Dat was dus geen troost.

Vervuld van bange gevoelens, marcheerde ik naar de kazerne. Daar verwelkomde mij de „dubbele” met eenige weinig liefelijke toespelingen. Ook de sergeanten en korporaals staken de hoofden bijeen en namen mij van alle kanten op. Dat maakte mij hoe langer hoe ongeruster. Vergeefs pijnigde ik mijne hersenen om mij het eene of andere misdrijf[73]te herinneren; maar ik moest het opgeven. In gezelschap van een stuk of wat op opiumschuiven betrapte Javaansche soldaten, volgde ik den „dubbele” naar den majoor.

Op de veranda voor het bataljons-bureau heerschte eene heilige stilte, ofschoon een dertigtal soldaten in groote tenue daar bijeen waren. Zelfs de vier „dubbelen”, die overigens niet op hun mond gevallen waren, zwegen als moffen. Ieder, die een slecht geweten had, stond dit op het gezicht te lezen. Mij neep de angst letterlijk de keel toe; ik snakte naar adem als een visch op het droge naar water.

Daar ging de deur van het bureau open. De bataljons-adjudant verscheen, en allen stonden als zoutpilaren. Hij telde de manschappen, vergeleek de rapporten en verdween weder.

Nog vijf minuten uitstel van executie; zij schenen ons zooveel uren.

Eindelijk kwam de majoor. Met één oogopslag overzag hij de aanwezigen.

„Waar is de korporaal, die van morgen het rapport over den adspirant-zelfmoordenaar heeft ingezonden?” vroeg hij met dreigende stem.

„Present, majoor!” riep ik en deed een stap voorwaarts.

De bataljons-commandant monsterde mij met een langen blik; onderwijl vertoonde zich bij hem eene eigenaardige trekking om den mondhoek.[74]

„Je hebt zware straffen verdiend, wegens twee militaire vergrijpen,” begon hij.

Al het bloed drong mij naar het hart; toch hield ik zijnen blik uit.

„Waarom heb je den soldaat Sowodrono permissie gegeven, zich op te hangen?”

Gerechte hemel, wat moest dat beteekenen!

„Neem mij niet kwalijk, majoor, ik kan bezweren, dat de man mij geen verlof gevraagd heeft,” stotterde ik.

„En je schrijft zelf, dat de man je verzocht heeft, zich te mogen ophangen!”

Nu begon er in mijne arme hersenkas eenig licht te komen.

„Verder heb je den man behandeld op eene wijze, die den soldaat onwaardig is, door hem als een hond aan een ketting te leggen, zooals je ook zelf schrijft”, ging hij voort.

Ik moet er op dat oogenblik niet bijster snugger hebben uitgezien, ten minste naar de gelaatstrekken der omstanders te oordeelen, die slechts met moeite hun lachen schenen te bedwingen.

Het kan voorkomen dat een soldaat meesmuilend lacht, als een luitenant beweert, zijn leven lang geen grooteren os gezien te hebben dan hij. Het is ook mogelijk dat een soldaat pijnlijk lacht, als hij boven aan eene trap toevallig bij het opengaan der deur zijnen kapitein tegen het lijf loopt, achterover[75]naar beneden tuimelt en op de vraag van den kapitein: „kerel, ben je dood?” ten antwoord geeft: „met uw verlof nog niet, kapitein!” Maar tegen een majoor te lachen, dat zal een soldaat zelfs in den dood niet overkomen. En hier, in mijne naaste omgeving, stonden 1 onder-adjudant, 4 sergeant-majoors, 4 sergeanten, 4 korporaals en eene geheele bende arme zondaars en lachten, waar de majoor bijstond! Maar wat het onverklaarbaarst was, de majoor zelf lachte, lachte, dat zijn buikje er van schudde. Een majoor, die in diensttijd lacht! Een majoor, die lacht tegen een korporaal!

Zoo de beroemde weer-professor Falb in mijne plaats ware geweest, dan zou hij dezen dag zeker als een kritieke dag van de hoogste orde hebben aangemerkt en de latere uitbarsting van den Krakatau met dit oogenblik in verband hebben gebracht.

Eene heele poos duurde het, alvorens de gemoederen weder tot bedaren kwamen. Daarop commandeerde de majoor: „rechtsomkeert, marsch!”

Hij riep mij nog na:

„Je wordtersuchtbeter Hollandsch te leeren, anders blijf je nog lang aan den korporaals-ketting liggen.”

Ik zag of hoorde niets meer—ik zweefde letterlijk over de aarde. Het beeld van den lachenden majoor vergezelde mij naar de kazerne. Daar schoten[76]van alle kanten de korporaals op mij toe en vroegen deelnemend: „Wat is je toch om ’s hemels wil gebeurd? Je ziet zoo bleek als een doode!”

Ik kon alleen maar uitbrengen:

„Ik heb een lachenden majoor gezien!”

„Wa-a-at blief je?”[77]

1Hagedis.↑2Help, help!↑

1Hagedis.↑2Help, help!↑

1Hagedis.↑

1Hagedis.↑

2Help, help!↑

2Help, help!↑


Back to IndexNext