Chapter 3

Hij klopte zijn vunzende pijp uit tegen zijn schoenzool, stapte dan verder, de haven toe ... Voor hem, tusschen de donkerte der stofferige boomkruinen, zag hij vagelijk spitsen hel-gele of blanke masten, waaraan kruisten de raas, dik van opgerolde zeilen ...

Met tegenzin ging hij naar zijn post ... Nu woonde hij met zijn vrouw, aan wie hij beterschap beloofd had, op een vlierinkje in eene der dicht-bevolkte naar gebakken haring en smout stinkende volkswijken der binnenstad. Dat leven van overdag slapen in een dof kamertje, snikheet en vuil, en 's nachts waken op een doodstil schip, midden de treurige eenzaamheid der nachtelijke dokken; dat hondenbestaan vervloekte hij ... De komende nacht zou zijn 'lijk al de vorige: een gruwel voor hem, een stille marteling zonder einde, door niets-gestoorde verlatenheid waarin 't harde blaffen van een heeschen hond, 't schorre toeten van een sleeper, of 't verre ratelen van een kraanketting groeien tot reusachtige geluiden, galmend over de diepe-donkerheid van 't onbewogen water waarop strepen, hel-oranje gloeden van gaspitten of krinkelen rilde lichtlijntjes van twinkelend-sterrende lantaarntjes in onzichtbare mastspitsen ...

Geerten sufte, had wee naar zonnelicht, spetterend-dansend op de golvenwiegeling, warm-doorfonkelend de ijlheid der ruimte, kletterend tegen de vroolijk-wit geschilderde scheepskajuiten en blekkend in de klare vensterruiten der huizen langs de kade, waar de bries speelsch voorbij suist licht en blij als een zomerzonnekind; jagend de goud-omrande, nauw-omkrullende wolkjes door het teer-blauw azuur, van sparkelend vuur doorgensterd ...

Geerten ging en zijn schreden werden traag en loom ... Hij trok een brug over, zag de lichters dicht tegen elkander aangedrumd, klaar tot uitvaren ... In de verte, aan 't einde der breede straat, waarin de gaspitten één voor één aan-flapten, hoorde hij het zagend-hijgen eener harmonica, die poogde opgewekt te zijn en te beheerschen het lawaaierig zingen van mannen en vrouwen ... 't Groepje naderde dansend ... Ze liepen met koppels ... 't Zal een houwelijk zijn, peinsde Geerten, zich herinnerend dat het Zaterdag was.

Met een schok, of hij in-eens ontwaakte, herkende hij de tenorstem van Franske en 't hoog-schelle gil-geluid van Käthe ...

Vandaag waren ze dus getrouwd, Lowis en Franske ... hij zou ze zien, ze moesten hem voorbij ... hij wilde terugkeeren ... Ze hadden hem reeds bemerkt ... 't Kon niet anders, want hij bevond zich in 't pletsende licht der toonraam van een kruidenierswinkel.

Lowis hing aan Franskens arm, ze was dikker geworden, en heur lijf zichtbaar zwaar ondanks de prangende keurs ... Ze stonden vóor hem, zwegen ... wijl de harmonicaspeler 't marsch-deuntje deed overgaan in den tragen rhythmus van een sleependen wals ...

—Dag Geert, taalde Lowis, luchtig, stak hem de hand toe ...

De anderen waren reeds voorbij, bleven wachten en riepen, wenkend met hoofd en armen:

—Allez mannen! manne-ën!...

—Gaat g'-er mee een snappen, Geert," vraagde Franske meelij-gevoelend met den slappen man vóor hem ...

—'k Moet gaan waken ...

—Toetoetoet!... Kom-op!...

Geerten ging mee ... Al zijn goede voornemens vielen weg, in zijn zwakheid dacht hij niet meer aan haat of vijandschap ...

Het gansche troepje trok binnen in het drankhuis op den hoek ... Fransken betaalde een rondeken, en nog één, en nog één ... Onderwijl walsten getuigen en bruid de stoelen omver ... Ze werden al lustiger en lustiger: hunne oogen schitter-straalden van danige jolijt ... willen of niet moest Geerten omtollen met Käthe ...

"'nen Redowa," kondigde de harmonicaspeler aan ...

Onder 't dansen zwierden de rokken van Lowis, fel-afteekenend de ronding van heur zwangeren schoot.

Geertens hart werd warm ... 't Was nog beter zoo ... hij was te oud voor zoo'n flinke deern als de rosse ... toch speet het hem, niet meer te zullen genieten de zoete innigheid van haar weelderig lichaam ... Met een stevigen borrel jenever was de emotie ras doorgespoeld ...

Wanneer Franske zijn vrouw op heur plaats bracht, klopte Geerten heel familiaar en met oolijke oogen, waarin pretglimmingen vonkten, Lowis eventjes op den ronden buik, spottend roepend:

—"Bedod! voor dien erin zit!"

De heele herberg doorschaterend klonk het dol-uitgelaten lachen der heele bende—de mannen pletsten op hunne billen met een krakenden vloek van bijval, de vrouwen gierden hun plezier uit, onbedaarlijk, of pootig-vrijpostige mannen hen onophoudelijk kriebelden ... en met toegenepen oogen en wijd-opengespalkten mond in 't van louter leute stuipachtig vertrokken gezicht, brak de harmonicaspeler den teemenden redowa af met een oorverscheurenden-wanklankigen kwak ...

EINDE.


Back to IndexNext