EERSTE BOEK.[3][Inhoud]I.Grootmoe, in het gangetje, onder aan de trap, riep met ’er zangerig-goedige stem:—Geer,.… kom je?En daar er geen antwoord van boven kwam, liep Grootmoe even later, toen ze zag hoe ongeduldig Grootvader werd, nog maar weer eens naar de trap, en riep:—Geer! kom nou toch kind.…—Ja Groo’moe, daa’lijk! riep Geertje nu.Ze repte zich ommers zooveel ze kon. Maar die ellendige das wou niet. En ze moest ’er handen ook nog even náwasschen. Er was toch nog meer dan een heel uur tijd. Hè, eindelijk zat de das. Terwijl ze zich nu, met dat lekker ruikende bolletje, dat ze in ’er taschje zou bergen, zacht over de handen wreef, voorzichtig, om toch geen spatten op ’er japon te krijgen, keek ze, het lijf over de lage kom gebogen, maar het hoofd behagelijk achterover in de nek, al maar naar dat eene stuk wand van haar kamertje, dat gehavende stuk bleek behangsel, iets minder verbleekt toch dan de rest van het fletse bloempjespatroon; dat stuk, waar ze zoovele jaren lang, sinds het begin van de zondagsschooltijd, toen ze de eerste gekleurde-prentjes had gekregen, telkens en telkens aan bezig geweest was, om de schilden, de kaartjes, de fotografies te verschikken en nog eens te schikken; en dat nu plotseling leeg was, berooid, leeg en gehavend met vele gaatjes van de spelde- en haakjesprikken. Even was ’t als iets vreemds, haast onmoog’lijks, dat zij die leegte had aangericht; maar dan werd[4]haar werk van de laatste dagen in haar besef als een opruiming; en, het lijf rechtend, liet ze de oogen omgaan door dat kamertje, waar zij zich nu wezenlijk uit had vrij gemaakt. Ze was waarlijk zoover gekomen. Dit handenwasschen was het àllerlaatste werkje van al die drukte der laatste weken, die roes van kiezen en koopen, en knippen en naaien, en beredderen, en inpakken, en boodschappen doen en bezoeken brengen, veel lange dagen met korte nachten, na de máánden gekibbel met Groo’va om de permissie voor d’er vertrek.… Hè, Goddank! dat nu àllesgedaanwas.…Tevreden liet ze het schuimwater plassen, in gedachten spelende met het schuim, tot ze opeens dacht aan gevaar.… ach kijk, spatten op ’er mouw bij de pols, en een groote vlok op ’er rok. Gauw flink afdoen met de handdoek.… Zoo. Die pluizigheid van de doek zou ze later wel afborstelen. Ze moest werkelijk zich haasten. Ze hoorde Groo’va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig.… daar was hij al in het gangetje!Nu kwamen de woorden, kort, met gezag:—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden.…Dan moest het maar.… Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, ’er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.… Even rondkijken.… Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien.…En het slechtgelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje.Groo’va’s voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.—Waar bleef je nou toch? zei Groo’moe. Op haar gezicht was enkel droefheid.Het eten stond er al.[5]—Aan tafel, zei Groo’va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.Toen alle drie zaten, bad hij:—O Heer, onze God! wij danken U voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig U loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot U in onze nooddruft, want ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die U vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te houden in den honger. Wees Gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten gaat. Wees Gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als zij nederligt zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal hetzelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boozen. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!Geertje was gewoon aan Groo’va’s lange gebeden, met teksten er in. ’s Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar best om mee te bidden, maar ze[6]was er niet in. Al toen Groo’va bad van „gebrokenen van hart”, hoorde ze een snik van Groo’moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en snikte Groo’moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken.… Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo’va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, bij die bijna geméénzame woorden, die ze al als heel klein meisje van Groo’moe geleerd had als Jezus’ gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar neus; en na het Amen stond zij op, en liep naar Grootvader om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo’moe’s stoel.—Och kind, hikte Groo’moe.—Heusch Groo’moe, Geer zal goed oppassen.Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; de kleine, vleezige hand van Groo’moe streek haar langs de wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel, en het eikenhouten harmonium.…Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo’moe gekozen, als Geertje’s lievelingskost. Maar Groo’va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders.Zij spraken weinig.[7]—D’er is nog ’en beetje rijst, zei Groo’moe, toen Groo’va de stoel verschoof.—Zoo? Nu gauw dan.Maar net toen Groo’moe opstond, werd er aan de huisdeur geklopt.—Hendrik; ik zie den kruiwagen, zei Groo’va.Hij had de kweekeling verzocht, Geertje’s goed naar het station te kruien. Geertje hielp even aandragen; eerst de koffer, toen de mand; de hoededoos zou zij zelve wel meebrengen.—Och waarom, zei Hendrik, hij kan d’er nog best bij.—Tot straks dan, knikte Geertje, toen Hendrik wegreed.In de keukendeur stond Groo’moe, de schaal met rijst in de hand, en oogde de weggevoerde koffer na.Geen van de drie had nu nog honger. Groo’va at een heel klein beetje; Geertje vroeg, of ze haar portie mocht laten staan.—Dat is dan voor de kippen, zei Groo’va.Hij deed het dankgebed, en ging, in de slaapkamer, hoed en jas halen.Groo’moe hielp Geer met ’er manteltje.—Zal je nou trouw schrijven, kind? Je weet, hoe Groo’va daarop gesteld is. En zal je ons oprecht alles melden?—Ja Groo’moe.Terwijl ze de hoed opzette, zag ze in de spiegel de dikke grauwe luchten drijven.—Hè, ’k hoop dat het niet gaat regenen.—De wind is nog al hoog, stelde Groo’moe gerust.Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening.—.… Nou Groo’moe.…—Nou kind …!’t Was of Groo’moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo’va zeggen:—’t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze de trein niet zou halen.[8]—Goeie Groo’moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los.—De Heer.… zij.… met je, beefde Groo’moe’s stem.—Ja Groo’moe, zei Geertje, en zocht haar taschje.Toen ze het had, taschje, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een vroolijker:—„Dàg Groo’moe, het beste Groo’moe”, een lichte kus op het grijze haar; en vlug vóór Groo’va, die de voordeur had geopend, heen, was ze in eenen kamer en huis uit.—We komme d’er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklepte.—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo’va. Zeg Groo’moe nog eens goeden dag.Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo’moe’s gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze Groo’va na, die was doorgeloopen.Bij de draai van de weg bleef ze even staan, en wuifde weer.—’k Zie Groo’moe nie’ meer, zei ze.Stil dook, omhuifd door grauwbruine takken, ’t lage witte huisje, met het zware, vooruitspringend puntdak, achter de lariksen en conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was ’t donkere pleintje er voor.…—Kom nu! riep Groo’va.En Groo’moe, die in Geertje’s kamertje door het zolderraampje keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.Langs de boerderij van Schaap, waar ze op de deel Hanna bezig zag, die dadelijk verdween, maar even later, met Rika en toen ook Moeder Schaap, voor het zijraam van de voorkamer kwam, bereikte zij de bewoonde dorpsstraat.Isaäc had pas geslacht, maar hij kwam toch even naar[9]voren, en groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: —Bezjoer, hou’ je maar taai, Geer!En zoo deden ze bij Schurink, vrouw Nijbroek, en Wijers. Het dorp wist, dat zij vertrok. En overal kwamen er geloopen, meisjes, vrouwen, kinderen, om Grootvader en haar te groeten.Bij de zandweg naar de molen stond Lina Kroon met ’er zusje.—Geertjen, hier heij’ ’n mandje mit appels, lekkere bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege.—Maar, Lina! Dank je wel hoor!Lina pretglansde, ’t zusje grinnikte.—Blomme bin d’er zoo niet. Nou hei je toch wat.…—Heel vriendelijk van je, hoor Lina, zei Meester.—Of Geertjen toch ook bemind vleesch is, Meester? kwam de stem van Scholten, de postbode, hen achterop.—Zoo Scholten, ben jij daar al. Is ’t al zóó laat?—Nou, zooveul tiet heij niet. ’k Het Hendrik Barmentlo zien goan mit ’et goed. Moj’ doar nog wat an doon?—Hendrik zou het laten wegen, zei Meester. Hij weet dat het naar Rotterdam moet.Maar Geertje, erg geschrikt, tripte heen, voor de mannen uit, een pas twee, drie, aldoor voor hen uit.Hendrik had voor het goed gezorgd. Meester moest enkel een kaartje nemen en betalen. Geertje was in de wachtkamer gegaan. En van het perron kwam opeens Jan Heukelman.—Ik kom je even ge’ dag zeggen, Geertje, zei hij.—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek bekend, en hij he ’t mien opgedroage je z’en groete te brenge. En dat ie hoopte da ’j altoos De Heere voor ooge zoudt houden.Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan Willem te geven.[10]—Je grootvoader mot me nou mor niet zien, zei Jan. Dag Geertje. De Heere behoede je.—Dag Jan, zei Geertje; en, half onwillig, zacht achterna: —Dank je.Jan aarzelde, of hij nog wat verwacht had. Maar de deur ging open, Meester kwam binnen. Daarom verdween Jan door de perrondeur.Geertje bedankte Hendrik voor zijn moeite. Daarna legde Groo’va Geertje uit:—te Amersfoort moest ze overstappen, en dan te Utrecht weer. ’t Papiertje van ’er goed had ze niet noodig vóór Rotterdam; ze moest het vooral zorgvuldig wegbergen; en het kaartje moest ze oplettend in de hand houden.—Verder, kind, zeg ik je niets meer. Ik zal niet ophouden voor je te bidden.—Doe dat Groo’va, zei Geertje.Op het perron waren vier, vijf dorpelingen. Ze groetten Meester met de pet, een paar zeiden Geertje goeden-dag. De oude stationschef maakte een praatje; hij praatte nog door, toen hij een paar pas achteruit moest treden, naar de bel, omdat de trein er was.—Kom nu, dat je een goede plaats krijgt, zei Groo’va, toen de trein nog niet stil stond. Zenuwachtig liep hij voor Geertje uit. Zij zag van ter zijde naar hem, hij was bleek.—Derde vrouwen, Conducteur.—Achteran, onverschilligde de conducteur, zoekend naar een coupé tweede die moest geopend.Mozes, de zoon van Isaäc, kwam uit de trein, hield Geertje tegen om haar vaarwel te zeggen.—Geertje! riep Groo’va. Hij had de coupé voor haar gevonden, en schrikte dat ze was blijven staan. Maar er was immers nog tijd genoeg!In de coupé zat eene juffrouw.—Denk er vooral aan, dat je te Amersfoort en te Utrecht om de vrouwencoupé vraagt, zei Groo’va. En schrijf ons vandaag nog.[11]Hij omhelsde haar, zij stapte in. Mozes kwam nog even kijken, plotseling stond hij achter hen.—Schrijf je mijn ook ’es? grappigde hij.Ook Scholten, aan de postwagen klaar, liep langs de coupé en wenschte g’en-dag.Toen daverden de portieren, de bel sloeg drie slagen, een kreet van het fluitje, en Geertje gleed boven de hoofden heen, knikkend naar allen, Grootvader in de oogen kijkend—wat was hij bleek, wat leek hij oud zoo .… En toch, zooals hij daar stond, kaarsrecht, lichte hoofdknikjes gevend tot groet, was hij voor haar wat hij altijd geweest was: de belichaamde vermaning.Op het voetpad bij de overweg wachtte waarlijk Jan Heukelman. In een aandrang om plezier te doen, om vriendelijker te zijn dan straks; ook uit joligheid dat ze nu wegging; èn uit verlangen om nog een laatste groet te geven aan het dorp dat zacht verschoof, boog Geertje uit het portier, en wuifde, knikkend en lachend. Maar haar hand hield stil en haar lach trok weg, want ook Jan groette nu met de hand, en bij die loome armbeweging deed hij haar dadelijk denken aan zijn broer, die juist zoo had staan doen op het stationsperron, toen zij voor twee jaar naar Rotterdam ging om Tante op te passen. Wat leken al die jongens van Heukelman toch op mekaar! De gezichten, de lichamen, elke beweging. En vooral Willem en Jan. Wat waren die twee ook trouwe vrinden! Jan nu weer met die boodschap voor haar .… Natuurlijk had hij naar Amerika geschreven; geschreven: „het is er door, Grootvader heeft eindelijk permissie gegeven, Geertje gaat naar Rotterdam.” En daarop Willem gauw een brief, om Geertje de complimenten te doen. Wat kon die boodschap anders beteekenen dan: „Geertje, ik ben je nog niet vergeten”? Alsof ze dat niet wist! Willem zou toch geen Heukelman moeten zijn, om, eenmaal zijn zinnen gezet op een meisje, zoo gauw van haar af te zien. Wat hadden de menschen[12]niet gekletst, van: „och die arme Willem, die naar Amerika gaat, omdat Geertje hem niet hebben wil.” Hij zou het nog van hartzeer besterven! En wat was gebleken?—dat hij na een maand al een betrekking had als eerste-boereknecht, waar-ie meer verdiende in zes maanden dan Groo’va als hoofd-van-de-school in een jaar. Maar Geertje opgeven? Kan je begrijpen! Jan had wel verteld, dat de boer drie ongetrouwde dochters had, en dat de boer Willem zoo graag mocht, en dat ze ’s Zondags allemaal samen naar de kerk gingen, en dat Willem al tweemaal bijbellezing had gehouden op de deel; maar dat was ommers toch maar alleen om haar jaloersch te maken. Ja, zij jaloersch om Willem! D’er zegen had-ie, op zijn huwelijk in Amerika. Ondertusschen was zij nog niet van hem af. Nou maar, ze was nou te-minste het dorp uit. En knap wie haar daar spoedig terugzag. Brieven? .…—toch niet te vergelijken met al dat tobben-en-zeuren van Groo’moe, omdat ze zoo’n „flinke jongen” van een rijke boer afsloeg, en met al die sermoenen van Groo’va, dat alleen „haar gebrek aan Christelijken zin haar weerhield om Willem te trouwen.” Alsof dat nu twee dingen waren, die je bij mekaar te pas kon brengen! Ja, zij zou verlieven op een lijs van een jongen, alleen omdat-ie bijbellezingen hield en voorzitter was van de jongelingsvereeniging. En dan dat misselijk gedrein en geflikflooi van Willem z’en zusters! Net of zij niet heel goed wist, dat die eigenlijk op haar neer zagen! Maar omdat Willem, in stee van een boerendochter naar z’en stand te trouwen, nou eenmaal op die deern bij-Meester-in-huis was verliefd geraakt, daarom was het „weeskind” een wonder, kon ze zoo knap d’er hoeden opmaken, en had ze zulk mooi haar, en streek ze zoo keurig, en was ze Groo’moe tot zoo’n gemak in het huishouden, en allemaal zulke flousjes meer. Nou maar, ze hadden wel gezien dat het niet pakte! Zelfs niet al die teergevoeligheid, toen Willem had gezeid dat-ie naar Amerika wou. Alsof dat nou zoo verschrikkelijk was voor een jonge vent om de wereld ’es in te[13]gaan. Trouwens, waartoe was het noodig geweest! Het dorp was toch groot genoeg voor hun allebei, en Willem wist toen al, dat zij misschien naar Rotterdam zou gaan. Was het dan geen flauwe klèts, te zeggen: als ik jou niet krijg, kan ik in ’t land niet langer leven? Als hij haar niet vergeten kon, zou hij dat in Amerika ook niet kunnen! Och, maar zijn neef Hein Scholten was ommers ook gegaan! Nou, dat was een andere jongen! Die had er ook gauw een vrouw gekregen, een mooie rijke Duitsche vrouw. Willem.… Geertje kon het zich niet voorstellen, dat Willem trouwen zou. Wie van de dorpsmeisjes had ’em gewild? Neeltje Lusink, nou ja, die schele, die wel wist dat ze altijd bleef zitten. En anders alleen Hendrina Schaap, die bijna tien jaar ouwer was. O, wat haatte ze die dikzak met al d’er blomzoete achter-de-mouw’s-heid! Vroeger, voordat ze wist dat Hendrina hem zoo graag wou hebben, had ze nooit zoo’n felle hekel aan Willem gehad. Eerst toen ze hoorde dat daar kwestie van zou wezen, van ’en huwelijk van Willem met dàt ouwe-mensch, eerst toen had ze opééns geweten, waarom zij altoos met weerzin met ’em liep: hij was ouwelijk, hij hoorde bij eene van tien jaar ouwer, en zij, o zij was jong! veel hield ze, zeker, van Groo’va en Groo’moe, maar ze snàkte naar ’en leven met jònge menschen.… Dat was wat ’er speet in het huis van Oom, dat daar geen jonge menschen waren, niemand als die zwaar-op-de-handsche broer van Tante, die telkens ’s avonds kwam. Máár, in een stad, daar heb je de vriendinnen ommers voor ’et kiezen! Ook was het toch maar tijdelijk. Zoodra ze een goeie betrekking kon vinden, poetste ze ’m. Het zou misschien niet zoo makkelijk zijn, als meisje uit een dorp, en niet met kinderen gewoon.… Hè maar, Tante kende veel menschen; àls ze nu eens een plaats kon vinden in een groot gezin met véél kinderen, ook ’en paar ou’ere meisjes die niet hooghartig tegen haar waren, en zij dan in de kinderkamer met vier of vijf van het kleine grut, net zoo als de Fransche juf in de groote zonnige kinderkamer op Groeneveld.…[14]Al twee keer had de trein gestopt, de tweede keer was de juffrouw uitgestapt. Een conducteur, een kleine dikke met ’en snorretje, had tegen haar gelachen, gewenkt of zij er ook niet uit moest. En almaar, almaar vloog de trein—en ze was er zeker nog lang niet.… Maar nu hoorde ze „Amersfoort” roepen. Overstappen!—De conducteur zei, dat ze de tijd had.Geduldig liep ze heen en weer op het perron. Je woei haast omver, maar het was teminste droog. Plotseling dacht ze aan haar koffer. „Waar was haar koffer, wat moest ze doen? moest ze niet zorgen, dat die ook in de andere trein kwam? En nou was er nergens een conducteur!Een heer, die naast haar drentelde, sprak haar aan:—„Moet de juffrouw ook naar Utrecht?” op zoo’n goedig-kalme toon;—ze was er zeker van, dat hij haar onrust over de koffer had opgemerkt. Dus vertelde zij hem van haar vrees voor het goed. En toen hij het reçu had gezien, stelde hij haar gerust. Er stònd immers op: Rotterdam. Ja maar, dat stond op haar kaartje ook. Nu já, maar dat was iets anders: de conducteurs konden haar toch niet overtillen zooals een pakje! Ze zouden misschien het wel graag willen doen—wat jij, Conducteur?.…De conducteur die nu net langs kwam, een met een andere pet dan die straks, bevestigde de geruststelling van de heer, en deze zette het praatje voort, vroeg of zij wel eens meer te Rotterdam was geweest, of ze er voor plezier ging losjeeren, en zoo meer. Hij ging enkel maar naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen.Geertje dacht aan wat Groo’va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat an de heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!.…Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:—Ja, nu moet ik een dames-coupé hebbe.[15]Doch er was er maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heendrong.—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen zitten, lachte de heer.En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zichzelf. Misschien was er nog een coupé geweest; zij had daar niet verder naar gezocht. Nu zat ze in een groote wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke heer tegenover haar.—Hebt u het hier nu niet goed bij me?—Heel goed, lachte zij terug—toch een beetje pruilend.[16][Inhoud]II.Als ’s Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd voor een grootheid van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat hij anders in de school zat dan de overige jongens. Hij hoorde er, de school was een stukje van zijn huis, en Meester, Meester, in wie alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, een hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in de eerste klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst zou zijn. Maar bij dat bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob van Zanten wou kweekeling worden. Jacob—dacht Jan dus—werkte hem tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en—dorst knapper wezen dan hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge moeite mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die kalme geregeldheid werd Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij hokken, hoe vader streng-was. Tot vader meester Ten Have er bij haalde, tegen meester Ten Have zei:—„Beproef gij het eens, ik kan het niet, doordat ik de vader ben.” En meester Ten Have een maand of wat na die opdracht dorst oprecht zijn:—„Waarlijk, Meester, geloof me, het gaat niet” .…Dat was een moeilijke tijd—voor Meester. Ook wel voor Jan, die vond, dat, terwijl hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd achtergesteld. Maar dieper, veel dieper was ’t leed van Meester.[17]Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan.Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het Penningske. ’s Zaterdags ging de jongen het dorp rond en haalde aan achttien huizen een cent op. Daar kregen de menschen het zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen, om inteekenaars te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij schreef briefjes aan Van ’t Lindenhout, hield een bus voor de weezen, en belegde op ’t Lindenhouts verjaardag, in September, een „feestelijke bijeenkomst”, ’s avonds om half zes in de school, voor welke hij een feestzang had gedicht:Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag,Van ’t Lindenhout ter eer.…op de wijze van ’t Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob een vers, en de meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger:O Joh.O Joh.O Joh. van ’t Lindenhout.…op de wijs van Piet Hein.… Toch ging Jan met het bushouden door en met de almanak.Dominee, die in Jan’s ijver een blijk had ontdekt van christen-zin, kwam dan vragen, of hij geen lust had in een christelijken dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, De Standaard, ’t kon wel een zaakje worden, en nùttig!Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp op dreef; Jan moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar wilde hij „verder”, ’t kon toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar werd hij bediende te Gouda; toen meende hij ’t recht te hebben te trouwen.…[18]En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam, in een eigen zaak—die niet te best ging.Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen van haar logeeren aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe winkel zag.Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol hoog-recht. Die Woensdagmiddag, bij haar aankomst, was het juist beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand en niets dan een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er niet te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige huizenrijen. Oom moest zeggen:—„Hier is het, Geertje”; toen zag ze eerst, dat er een winkel was. „Wat een vreemd, kort-breed, haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel was benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze zich nauwelijks binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk haar verwondering.—’t Is hier ma’r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de ruimte, wat?—Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog eens:—Zie je, daar kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk alleen.’s Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer:—Je zel hebben opgesien, Geer, da’ me nou zoo klain behuisd benne. Schraif d’er maar nietveelover naar huis, hé? ’t He’t Oom wel an ’et hart gegaan, da’ me den anderen winkel uit mosten, maar hij kos ’et er niet hou’en, en nou hoopt ie dat ’et hier wat zel geve. ’t Wordt hier ’en heele nieuwe buurt, sie je, en d’er woont hier nog wat raikdom.…Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer over hun verhuizing. En juist zei ze nòg iets van „algaers verbouwing” en „je zel ’et is sien, wa’ dat hier voor ’en drukke buurt wordt”, toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde.—Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch[19]niks wijs! We zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De beste loop ’et dik’els tege, wat ze’ jij Geer! Ik kan niet helpe, da’ ’k daargin’s vlàk bij m’en ’en schatrijke vent had, die z’en zaak alleen nog anhoudt voor z’en zoon; ik begin pas, ik mot ’et van de grond ophale’, stikvreemd, in zoo’n groote stad, en zonder ’en cent kap’taal.… Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da’s toch mijn schuld niet!—Och, wie zait dat nau! suste Tante.—Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou gepraat! Ja, as ik doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet he’t gemaak’, en altoos weer mak op z’en pootjes terech’ komt! Maar as je eerlijk man wil blijven.…Toen, zachter wat, als een bekentenis:—Ik kon de huur nie’ meer betalen, an de Binneweg. En nou wi’ ’k ’et hier perbeere. Gaat ’et niet, dan gaat ’et niet.…Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met tralies, bleef open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde, nooit in slaap te komen. Achter het raam leek iets als een plaatsje te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge vlekgele muur als vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar van buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat leefden de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een stille straat. Wat een mierennest toch, zoo’n stad.… Zij snakte naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, aan de onafzienbare ruimte buiten.… Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een vage wrevel, als over een teleurstelling.’s Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar een briefje op. En weer begon Tante over de woning. Nee’, ook de stand hield hier niet over. Er woonde nog wel rijkdom in de buurt, maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat van de Schie zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant, dat[20]was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor twee centen gaven, lazen de menschen niks anders meer. Ze kregen de dingen nu haast kedo. Alleen met ’en heele groote omzet kon je n’en kleinigheid verdienen. ’t Was ’en moeilijke tijd voor de kleine nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo’va.…Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante’s gedachte lief. Ze herinnerde zich de aankomst bij Groo’va van brieven waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude man dan van streek geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo’moe van welvarende boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de achteruitgang hier.Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed nog, hoe ze het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan de vorige keer, en daardoor was er wel wat dat haar tegenviel. Toch had ze ook nú weer die blije gewaarwording vanbevrijding, uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo’va en Groo’moe, en aan de meeste menschen in ’t dorp.Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos gevonden, vroeger toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om ’s middags bij de oude mevrouw, de moeder van de dominee, te zitten, die van de oude tijd kon vertellen, net of het eenanderetijd was geweest, met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had ’er eigen zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer, met bijna wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie geschilderde portretten in dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een werktafeltje, zooals Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw in de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege, triestige tuin, op de bulten van de perken en de spoelvormen van de stamrozen. Van tijd tot tijd maande de oude mevrouw:—„Geertje, denk je om de kachel?” en dan bukte Geertje maar weer eens naar[21]het heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte, dat zonder eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf—en mevrouw vertelde weer voort van de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in een Hollandsche pastorie, dicht bij het dorp waar de dominee woonde, die dat prachtige boek had geschreven,De Pastorie te Mastland, dat Geertje eens had te leen gehad.…Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d’er vroomheid.…Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten, zooals mevrouw had zitten vertellen van háár pastorie in dat Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische Zondagmorgen, toen zij, jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk kwam, en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de kappen; en hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd was geworden, doordat háár man een psalm had gelezen en hierna het orgel had gedreund voor het preludium.… o, Geertje had het gevoeld, gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest dat heerlijk zijn in zoo’n kerk—’t was eenanderedan de kerk van haar dorp, waar toch de oude mevrouw d’er zoon stond. En die zoon was eens in die eerste gedóópt.… Maar Grootvader placht te zeggen:—„De tijden zijn bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar”—had Geertje dat nooit precies begrepen, het zou wel beteekenen kunnen, dat nu al deblijmoedigheidweg was, waar de oude mevrouw van sprak.In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee’s droefgeestigheid sedert de dood van zijn eenige zoon, en de saaie stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof was geworden, en Dominee maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen in een hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo’va, die er nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden; en dan de dood van zijn eenige dochter, Geertje’s[22]moeder, van wie Groo’va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad toen ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.… Groo’va was zoo’n gevoelige man! Altijd treurde hij over die dingen. Groo’moe had nog ’es eens gezeid:—„Ja, we hebben ons kind verloren, maar het kind van ons kind is als ons kind.” En Geertje had dat zóó lief gevonden, zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was gebarsten. Nóóit had Groo’va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van „de wil des Heeren”, maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet.Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan—en nu wist Groo’va nog niet eens alles!.… Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg was er nog een aparte Bijbelkast. Maar hier!.…—Dank je! Die reuk van heiligheid he’t me niks as schaaj gedaan! had Oom de vorige avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had.—Bidt jij nog? had hij ’s middags geplaagd, toen ze aanzaten voor het eten. De eerste avond had ze ’t gedaan, niet lettende op Oom of Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.… Tante was tusschen beide gekomen:—„Láát ’er toch!”—Maar zij had gelachen, en Oom had gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d’er mond geweest.…Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen, terwijl ze met het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven tegen de onderlip, akelig over dat velletje vóór haar, waar, met stad en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders.Tante, in ’t keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel te passen, dan kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls gestoord werd ze niet! Ze had plezier in een klein, bleek meisje, dat lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, diep tastte in ’er rokje, en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. Een buurvrouw—[23]„Buurvrouw”, zei ze tot Geertje—kwam om drie velletjes postpampier, ook voor twee cent dus, en verhaalde, dat ze moest schrijven aan haar man, die varende was. En later kwam er een brillende jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een ander dat Geertje niet kon vinden—Tante, de handen verbleekt van de zeepsop, moest het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen.Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste blad bijna vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het matten zittinkje van het krukje, achter de lastig-hooge toonbank.De voordeur ging open:—„Dag Geertje!” zei iemand. Zij kende hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht, lang-krullend warhaar.—Dag.… Meneer, zei Geertje verwonderd.—Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. ’k Heb je zien laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.—O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.—Is je Aum d’er niet?.… Roep jai je Tante n’es voor me.De bult en Tante bleken gemeenzaam.—Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive?Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante méénde—zoo zei ze—van wel, maar zeker weten dee’ ze ’t niet, ’t was zoo’n moeilijke brief voor d’er man om te schrijven.—Wa’s d’ar nau voor moeiluks an! Als d’en ouwe nie’ wil, dan wil ie niet. ’t Vragen, sou ’k meenen, staat frai. Wat ze’ jai Geer, daar kan je Grau’fader toch nie’ boos om worde.—Laat haar d’er buite, viel Tante haastig in, ongerust.Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was als onderwijzer aan een openbare school de[24]kameraad van Tante’s broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo’n hekel aan de onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie nou k’ruspendent van dagbladen geworden.—Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.—Nou, da’j berichte stuur an de krante.—En he’t-ie dáármee z’en brood?Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat ook juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel konkerensie. Sommige heeren werkten samen, d’en eene nam dit en d’en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer Maandag was altijd alleen.… Maar nou kreeg-d-ie misschien ’en eigen krant. Ja, ’en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.… Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat wou geven.…—Groo’va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, of d’er iemand Groo’va te lijf wou. Die goeie Groo’va, hij had zoo weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!—’t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.—Hoe verschieten?—Nou, z’en geld blaìft z’en geld, en ieder jaar kraigt ie z’en rente. Ze denke zellefs van ’en hooge rente, meer as je Groo’va van z’en geld maak’. Maandag is d’er zeker van, dat ’et ’en goeje zaak zel weze.—Wat heeft-ie dan Groo’va d’er in te hale! snuggerde Geertje, vol bezorgdheid.—Da’s te zegge! Et kan misgaan. ’t Is ’en nieuwen[25]ondernemink. Je brengt d’er je geld niet as bij de spáárkas!—Nou kijk ’is an! riep Geertje overtuigd.Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was genoeg voor haar drift.Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon:—O ja, maar as jai ons no’ ga tegewerke, geef je graufader zeker niks.—Ik? wat heb ik d’er mee te make!—Nau.… ’et is toch jou geld ook.Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze ’t keukentje in. Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet schreien! Het was zóó naar, zoo ànders hier alles, vijand was ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.… Maar die arme goeie Grootva.… Wacht.…Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief; zinnetje na zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo’va moesten plezier doen, zinnetjes over thuis en het dorp, over Groo’moe d’er zinkings, of Groo’moe wel oppaste, omdat het toch nog altoos guur was, en over de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en allemaal, en toen, dat Oom en Tante d’er best uitzagen en hen vriendelijk lieten groeten.… Zoodra ze eind’lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend kleinkind Geertje, liep ze naar achter naar Tante toe, en vroeg of Tante nog wat had te zeggen: d’er brief was af:—Leest u ’em maar ’es.—Kind, wat mot ik je brief leize!—Ja, of d’er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar vlak u ’em niet!En toen Tante grinnikend aarzelde—daar er gemorreld werd aan de winkeldeur:—„’k Geloof dat er volk is”.… Weg was zij.Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei, dat Tante hem had gelezen.[26][Inhoud]III.Oom zei nog diezelfde avond:—Tante he ’t je zoowat verteld, hè, van de groote dinge die komende zijn. Ja, wat zeg je daar nou van! Oome Jan, dirrekteur van ’en krant! Nou maar, zoo voornaam is ’t niet, hoor. ’k Doe ’et eige’luk meer voor Maandag. Zie je, die kerel komp niet tot z’en rech’. Elke morrege naar de vischmark’, de ongelukke opneme bij de peliessie, en verslage geve van vergaderinge, wa’s dat nou voor ’endenkeras hij. Want, dat zou jij misschien niet verwachte, as je ne’m zie mit die bak op z’en rug, maar Kees Maandag is iemand, zie je. D’er gaat wat om in die fijne kop! Weet je dat ie de sekeretaris is van onze afdeeling van De Dageraad? Lang was-t-ie de ziel van de heele boel. En logika, dat-ie he’t, die vent, zie je-n-en logika, dat er geen speld is tussche te krijge. Dat maak de mensche juist tureluursch! De dominees hate-n-em! En de mederne nog erger as de orthedoxe! Ik weet—hij denk ’et zelf ook, maar ik weet met zekerheid, dat-ie kurspendent voor de vischberichte van ’et Nieuws van de Dag had kunne worde, as de mederne dominees hier ’em niet bij die dominees-redaktie hadde zwart gemaak! Afijn, de man he’t z’en brood, maar ’et is geen werke v’er iemand as zijn, en daarom wou ’k zoo graag dat ’et weekblad d’er kwam.—Et weekblad? zei Geertje, in achteloosheid haar best doend om belangstelling voor te wenden. Ze voelde zich zoozeer als een vreemde bij dit gepraat. Wat was dit alles, waar Oom van sprak! Hoe langer hoe sterker kreeg ze een gewaarwording,[27]als draaiden d’er molentjes hier in huis. Namen en dingen die ze niet kende; maar, in wat ze er van begreep, akelige dingen, waar ze een onmachtige drang tot verzet tegen had gevoeld. O, die Maandag, dat tanig blond-bleeke gedrocht, met z’en spitse magere kop met niks as haar dat niet gekamd was, die kop die aldoor maar, net of-t-ie niet goed vastgemaakt was, nijdig lag heen en weer te schudden op dat doopvont van z’en schoft! En die schreef hier de wet nou voor. Maandag dit en Maandag dat, bij Oom nog erger as bij Tante! Oom was een ander mensch geworden, de winkel was anders, alles was anders, armoe en schuld regeerden ’t huis—straks nog met dat bezoek van Jansen, de bakker van de Binneweg, met wie Oom vroeger koek en ei was, en die nou kwam met ’en strak gezicht, en daar zij, Geertje, bij was, vroeg om „de zeven weken brood die d’er nog stonden”.… En terwijl de winkel heel de dag geen klant haast zag, liep Oom d’er maar uit, en had-ie het hoofd vol van wist-Geertje-wat-voor nieuwe dingen, waar Groo’va ’t geld voor zou moeten geven! Was ze toch maar thuis gebleven! Of.… thuis.… Nee. Maar ze had nóu toch te doen met Groo’va:—als die het wist van Oom z’enafval, én hoe dezaakverloopen was.… Maar zij zat d’er in, in de rommel; en na die leelijke boosheid van Tante vanmiddag, die dacht dat het haar, Geer’, voor d’er eige’s wat schelen kon of Oom aan Groo’va vroeg om geld, wou ze, zou ze niks meer zeggen. Oom en tante mochten praten.…—Et weekblad! Zeg slaap je. Ben je nou heelemaal vergete wat tante je he’t verteld!—O! ja.…—Wéét je waar ’et om te doen is? Je ken toch De Kerkbode van Van Sijn?—Nee.—Zoo. Nou da’s ’en blad, mit de lijst van de predikbeurte. Te minste, daar is ’t om begonne. In andere stee’e hei je ’n domineesbriefje, maar hier hei je ’n heele krant, met stukke van preeke en nog zoo wat stopsel, en mit ’en kap’taal an[28]advertensies. Je he’t d’er geen idee van, wat dat ding ’en advertensies krijg. En van alles, je kan ’t zoo gek niet verzinne. Maar nou mot jij toch ook wel begrijpe, dat as d’er in ’en libberale stad as Rotterdam, want Rotterdam is nìet klerekaal, dat heb ik tot m’en schaaj ondervonde, toe’k nog zoowat voor spek en boone meedee an al die schijnheiligheid; as d’er hier nou ’is net zoo’n blad kwam, zonder preeke en mit degelijke stukke van ’en denker as Maandag, d’er dan een menigte adverteerders liever daar zoue adverteere. Dat heeft Maandag, of eigelik heb ik dat ingezien, en toen me vriend Maandag d’er over gesproke, die bereid is, wat ie nou doet voor verschillende krante, prijs te geve, as ons weekblad d’er komp. Ik zou dan zorge voor de adminnestraassie, en ’en kennis van ons, Heins, chef van de firma Heins en Co., zou ’t drukke. Maar Heins vraagt geld, garansie-kap’taal, en wij moete nou zien dat te vinde.… Denk je, da’ Groo’va wat zel geve?…—Oom, weet ik dat nou!Geertje voelde zich zoo afschuwelijk zenuwachtig worden. Tante was plots naar voren geloopen, zonder noodzaak of reden, enkel om de kamer uit te zijn.—Zie je, Geer, we motte mekander goed begrijpe. Grootvader z’en geld wordt later jou geld en mijn geld—wanneer je grootouders komen te valle.… Nee god, daar mo’j nou niet om grienen, àllebei bènne ze-n-ommers gezond! Maar ’et leit in de rede van de netuur, da’ zuilie komme te sterreve … vóór d’er zoon en d’er kleindochter. Nou, en dan komp hun geld an òns. Daarom ze’k je nog ’is: ’t is jou belang ook. Ik zeg ’et mit de beste bedoelinge. Als jij de’r op tege heb, da ’k ’et vraag.… dan doen ik ’t niet.…Geertje vóelde ’t in d’er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar daar laf beloog. Maar dan moest het ook maar, dan moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d’er gezicht, tegenover een plomp-groote man,[29]die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te spotten—om ’es hard terug te slaan, zoo zwak als ze was.—Wou u soms dat ik d’er om vroeg?—Wat meen je dáármee? zei Oom op een droge toon van halve onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.—Nou.…Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opneems ’er gedachten kwijt. En bij haar beschaamdheid, zakte haar boosheid, ze werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte om niet kwaad te wezen—hè, als zij Oom en Groo’va eens tot mekaar kon brengen!Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan met ’en lieve lach.…—Tante heef me dat ook al doen voele, dat ze m’anzag voor zoo’n soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo’va, niet om z’en geld, maar om Groo’va zelf. U weet toch ook nog wel van die keer, toe’ in Augustus, toe’ u ’s middags onverwach’s kwam.… Groo’va was altoos dage lang van streek, als u om geld had gevraagd. En nou weet Groo’va nog heelemaal niks, van hoe het hier veranderd is.—Da’ me verhuisd benne? zeker wel!—Och nee, ’k meen niet alleen verhuisd! Maar de heele boel hier.… En ook uzelf.… Oom, zou u heusch aan Groo’va durve vertelle, wat u straks an mij heb verteld, van die krant krek tege de dominees in, en dàn an Groo’va durreve vrage, of ie daar z’en geld voor wou geve?.…—Je ben me d’er eentje! zei Oom op een lachtoontje van plezier willen doen. Toen ze sprak, had hij al geglimlacht, toen ze doelde op zijn veranderd-wezen; en was er op zijn gezicht gekomen, in zijn oogen, zoo’n glans van wel-zelfvoldaan-zijn, van uit behaagzucht wel willen bebromd worden als ondeugend.—Nee hoor, da’ jij me zwart zou make bij Groo’va, daar[30]he ’k geen oogenblik an gedacht en Tante kan dat ook niet gemeend hebbe. Maar ik wòu je d’er over spreke, ’k zeg je, omdat het ook jou belang is. En wat dat nou angaat mit Groo’va, zie je, Geer, de zaak he’t twee kante: as financieele ondernemink, èn as proppegandemiddel voor de vrije gedachte. Nou, wat betref de vrije-gedachte, dat ben ik heelegaar mit j’ eens, da’s geen zaak om je grootvader mee an boord te komme. Máár de financieele kant van de kwestie, waarom zou ik ’em dáár niet alles van kunne vertelle? Wij wille hier ’en advertensie-weekblad voor de winkelstand oprichte, en we zijn overtuigd, ik zeg je, as manne van eer zijn we-n-in gemoede oprech’ overtuigd, dàt zoo’n blad rendabel is. Nou, en nou kom ik an Groo’va vrage, of ie dat geen goeie geldbeleggink vindt. Vóel je wel, dat heef niks te make mit vrije gedachte of wa’ voor gedachte. En net zoo min mit de staat van me winkel—die nog zoo slecht niet is, d’er benne d’er erger in de stad, hoor! Ik vraag je grootvader niks voor mezelf! ’t Is geen kedo! Ik vraag eenvoudig an je grootvader of-ie soms van z’en geld wil steke in ’en ondernemink, die heel goed ken worden, en waar ik nou toevallig van in ’t bestuur zit. Voel je wel, Geer, voel je nou zelf wel, dat heef mit ’et andere niks te make.—Ja. Nee! zei Geer en knikte.Ze wou d’er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer binnengekomen. ’t Spelletje was gespeeld met haar. O, ze doorzag het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder zeggen? Ze had haar boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te vinden, en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste willen was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij die hoop van weg te nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het geld van zijn vader. En zoo had ze niets gedaan! Oom had haar willen uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou beginnen—deelgenoot was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan zijn verraad tegenover Groo’va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde, dat Oom en Tante mekaar aankeken,[31]allebei dachten ze:—„hebben we der nou?” ze móesten denken:—„we hebben d’er.” Wat zou ze ook? Wat kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer blijven! Dat was het eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet, dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam voor een dienst. Zoo gàuw als mogelijk een dienst.… Tante had nog van niets gesproken. Oom evenmin. Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet.…Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij, toen ze voor de gootsteen stond. Met een weeë soezing in het hoofd, keek ze toe bij het volloopen, het overloopen van het water in de gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.… toen sloot ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk ’t spritsend boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag ’t bewustzijn in haar, dat ze ’t winkelbelletje hoorde, dat er gerucht was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt gegiegel … tot het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen.—Jasses!—Eèè!En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende keukentje, zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in eigen grappigheid, Gerrit Holkers haar tegenlachen, Gerrit:—„Hahaha, gefopt hé?.… Hoe gaat ’et maid? Je ken me toch nog?” Gerrit, zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret om zichzelf:—„No’ zeg, gee’ je me nou geen soen?”—Dag Gerrit.—Zoo, ’en hand, nou da’s te minste ie’s. De kussies die houe me te goed. En hoe maak je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde.Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag, hel verlicht de gedrochteromp in het geelgrijs[32]colbertje, bij de tafel. En allen lachten om Gerrit’s grapje.—Zuster, je schenk toch ’en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante.Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden:—Toe Geer, haal jij ’s effe hierover.… voor zestien cente.… Of wach’, ik zal het zelf doen.…Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls ’s avonds wat kreeg; nu was er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren te poffen.In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje uit de winkel.Toen vroeg Gerrit haar opeens:—Hoe is ’t Geer, hai je-n-al ’en diens?Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:—„Die hei je m’ar zóó niet!” Geer was ommers pas twee dagen in de stad.—Eerst mot ze-n-an de stadsluch’ wenne, vroolijkte Maandag.Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid.—Daarom kan ik al wel ’es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen mevrouw Gobius, Tante?Die naam, Geertje zag ’t, gaf ontsteltenis.—Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en lachte het eerste.Tante lachte,Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar ziende hoe verlegen Geertje haar aankeek, legde Tante uit:—Ja, je wait da’ nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp.…—Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de deur, en stak de jeneverflesch hoog voor zich uit.—Bravo! riep Maandag.—En leve de glaze!Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen om mee te drinken, vroeg of ze ’t dan ook maar mocht met water.[33]—Hai je da’ gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he’t?En meneer Maandag deed een verhaal van ’en koster en een lekkende goot, en de vrouw van de koster die kwaad had gesproken—Geertje begreep het niet, vond het niet aardig, en de drank die ze dronk vond ze naar. Groo’va was zoo tégen drank: àls hij het wist, dat zij nu dronk!… Weer dacht zij aan huis, aan de grootou’ers-samen, hoe die nu, eenzaam, daar zouden zitten, Groo’valezendevóór het naar bed gaan.… Toch.…Niet terug.… Maar ’en dienst, hier, ’en dienst.… Zou tante nù nog mak’lijk wat vinden, nu het blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die vroeger klanten waren, vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend, had Groo’moe gerekend, na wat Oom eens thuis had gezegd, en na wat Tante nog kortgelee’ had geschreven.… Hoe te doen dan nu, zonder die menschen?.…—Geer, wa’ be’ jij stil venavond!—Geer denkt over d’er zonde na!—Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag.Geertje lachte:—„Beter as u misschien!”.… Maar ze lachte gedwongen, verlegen.—Beter as ik? Da’ gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate!—Ja práát jij is mit er, Maandag!Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te maken. Maar ze dankte de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond en Gerrit volgde.Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij wakker, zij had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds viel haar gedachte op ’t vuurwerk, dat zij eens hier in de stad had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. Nooit had zij zoo wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al hooger, en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de blauwzwarte[34]lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt.Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij niet kon slapen, en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo fijn de fluit van de spoortrein, de laatste trein, die nòg een keer floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, weer voortging?.…Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild om dat spoorfluiten ’s nachts en daarbij telkens gedacht aan het vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. Nu weer dacht zij aan ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis ’s nachts, naar de stad en het nieuwe.… Nu was er een vreemde beklemdheid in haar, een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te willen.… Een zwakke drang, wel, om weder te huilen.…Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen, en stemmen, net of veel menschen daar gingen en praatten … O, zij begreep, de brandweer was het; er was misschien brand in de buurt geweest.…Huiverig dook zij diep weg in de deken.[35][Inhoud]IV.De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en onrust. Bij het opstaan al was ze moe. Ze had in huis maar heel weinig werk. Tante gaf haar haast niets te doen, maar soms wanneer zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos wachten, en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond of op straat, riep tante:—„Geer! Waar ben je nou! En je zou me helpen, zei je!” Nooit wist ze wat er gedaan moest worden, want nu moest dit eerst en dan juist dat. De vorige keer, met Tantes ziekte, toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo gauw en zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van Groo’moe, dat Tante geen beste huishoudster was—het zag er ook alles uit, in huis!.…—maar bij die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren waren om haar te plagen, uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk het huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek gedaan werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang was, haar dit te laten merken. Tante hield wat voor haar verborgen, daar was ze zeker van. En Oom net zoo. Soms, wanneer zij de deur in kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, en zei niet waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat hij later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar gejokt had. Telkens geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was aangekomen, die erge[36]openhartigheid met dat wonderverhaal van een krant voor Kees Maandag, waar Oom dan de directeur van zou wezen, en sedert geen woord meer—en ook geen bezoek. Na die avond met de jenever, waar zij ’s nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer Maandag niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam, was er nog maar één keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de avonden te dooden, nam zij maar telkens een boek van de planken der „Leesinrichting”,—zij was begonnen met Tante voor te lezen, terwijl die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan haar zondagsche japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar toen Tante het voor de tweede maal zei, dat het haar verveelde, „al dat gekle’s van die minse die toch nie’ bestaan hebbe”; toen had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in de boeken. Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook, maar prachtig toch om zoo te lezen. Maar dat was het juist geweest: wanneer ze zoo, in volkomen stilte—Tante dutte meest in, bij het naaien—weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, en die was kribbig:—„Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de kas’ gehaald? Zie je, dàt most nou Groova is wete,” en verder niets, alleen met Tante halve woorden, dat zij niet begrijpen zou. En weer ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, slordig, haar lage bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn—die Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen de booze luimen nog heviger.—Denk jij dan dat dat zoo m’ar gaat hier!—Maar u hadt toch zelf geschreve.…—Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda’ me nou dien moeial van ’en Gobius d’er buite wille houe’! Maar ik zel is zien bij de heere die ik dagelijks spreek voor de nieuwe krant, ’t ken weze dat ik daar wat hoort.…Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had gesproken. Hoe het met de plannen liep, daar zei-ie Geertje[37]nooit iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. ’t Was Geertje toch een raadsel, waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de winkel ging niets om, niets, ’t was malligheid, de heele winkel! Zelfs de Leesinrichting trok niet: de jongen met de bril en zij waren net de eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier en dertig centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de winkel was geweest—de volgende morgen waren de vier en dertig centen weg, en lag er alleen een Waarschuwing van de belasting in de la. Die heele dag kwam er ook niets bij, tot ’s middags een jongejuffrouw van de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben—de voorhandene waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. ’s Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen.…Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik aan de voordeur. De juffrouw in ’t kroegjen aan d’overzij keek door het raam, en toen keek de vrouw die voor de toonbank stond te praten ook—dus die twee spraken van haar, misschien wie zij zijn mocht, of—over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging en.… dat de eigenaar pofte in ’t kroegje. Hu!—Geertje trok de armen wat vaster tegen de borst met een rugbeweging of ze het koud had: wat een schande toch, zoo’n toestand! Wat een verschil, tusschen Oom z’en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo’va tot de menschen in ’t dorp! De famielje telde daar mee; Groo’va had altijd in aanzien gestaan, vandaar z’en huwelijk met Groo’moe;—en wie en wat was Oom nu hier! Geertje geloofde niets meer van die krant; wat Oom wel uitvoerde was haar een raadsel; maar wat ze zàg, hu, ze rilde er van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig om daar hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens, en tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle deurtjes-en-raampjes aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit een spoor van leven uit kwam. Het kroegje meegeteld, waren er drie winkelramen aan de[38]overzij. Aan deze kant was er nog een minder: zuilie.… en, daar, de schoenlapperswinkel. Aan d’overkant was toch gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap boven de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z’ook niet, maar ze hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante vond het ook wàt dwaas; in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; buiten maat was die groote lichtbol (Oom had nog zoo’n ballon gehad) bij de engte van de kast en de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen, waar-ie buiten de stadsdrukte stond, net er naast.… Och maar Oom deed alles er-naast! D’éérste straat—een dóóie straat—ná de drukke Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet als aan de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het was gewoon malligheid. En dan kon Oom ’s morgens nog met een ernstig gezicht tegen haar zeggen:—„Geertje, pas jij vandaag op de winkel, ik mot uit, ’k heb veul te loope”.… Ja, ze zou oppassen—voor d’er zelf, ze paste d’er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking zoeken.…Huiverend—’t was nog koud in de lucht—ging ze terug door het smalle deurtje, weer de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht van gekookt eten en ouwe boeken.[39][Inhoud]V.—Ja gut nou vin ik et wel.…—Nou dag!—Dag Oom.En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje toch, wat een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór Pinkster. O, wat een prettige straat was dit toch! Zóó voelde je je in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde de straat in! Gunst, een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat vreemde ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee zilverwinkels met de gou’en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten zag, dacht ze altoos aan een sprookje, al dat licht en al die kleuren in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie kristallen dingen; daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar bezaaid met horloges.… Hè, daar die prachtige rooie snoeren en dat ritselen van dat licht langs de zilveren jongenskettings, en d’er tusschen de kelken met lichtjes, tusschen al dat geglinster gestoken.… Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, en ja, hier was Vermarsch toch ook nog.… Kijk nou, die had wel een heele rij bijbels!.… Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het hier lekker vol, spoorweggidsen, schoolbehoeften, prentbriefkaarten, ’en half raam vol. „Wàt ’en mooie kinderboeken.… Maar van die bijbels zou ze n’is zegge; of, wat gaf het!… Daar hadt je Elie. En hier De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.… En dan hùn winkel!.… O dáár was[40]Jansen—stil voorbij maar, ellendig toch je te moeten schamen.… ’t Steegje voorbij, ja, daar was het huis:Haring, Stok- en Zoutevisch.… Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in ’et winkeltje. Toch maar naar binnen.…—„Goeienavond”.… Juffrouw Koenders keek niet op—als je de handen ook zoo vol heb’.… Zou ze durven doorgaan naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag zegge.… Maar as Mina haar dan zag staan. Nou wat gaf dat? Zoo, wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net nou er zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou ’et ook. Toch wachten. ’t Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al die bussen en die flesschen, daar die plaat, en die kaart van het Nieuwsblad. Wacht! Nou.…—Goejenavond juffrouw.—Dag.… juffrouw.—Is Mina thuis? Ken u me nie’ meer? Geertje Hendriks. Weet u niet, die wel bij Mien kwam.—O! ja.… Ja, Mien is achter.Zij door. O daar was Mien al.—Dag Mien.—Hé bei jij ’et Geertje. Kom derin.Daar zat ze weer.—Bei je weer is hier?—’k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn verhuisd.…—Ja!.…De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het, dat wou zeggen: ja dáár weet ik alles van, praat me niet van die verhuizing!.… En ’t gesprek bleef even hokken.—Wat ’en mense in de winkel!—Ja da’s altoos ’s Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben jij voor de Pinkster us overgekomme?—Gut nee, ’k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, ’k zoek ’en betrekking.…—Wàt ze’ je![41]—Ja gut, weet je niet da ’k dat toe’ al wou. ’k Wou zoo graag as kinderjuffrouw.…—Zoo! En.… hei j’al wat op zich’?—Nee! ’k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij kom toch in zooveel huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor me zoue hebbe, ze hadden et ook an Groo’moe geschreve, dat ze wel wat voor me zoue vinde, maar ik zie d’er nog niet veel van.—Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar waar die tegesewoordig verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. ’k Wil wel is hoore.… Maar et zou dan motte weze in ’en christelijk gezin.…—Ja, nou dat meende-n-ik ook.—Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.… Maar as jij zoo wil, met plezier.—Ja graag.… Gaat het jou altoos goed?—Och ja, zoo’n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as anders. Maar me moeder he’t goed d’er brood, ’k hoef ’et dus niet zoo te doen. Natuurlik komp ’er wel is wat tegeslag. As ik hier in de rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. ’t Is toch ook voor de hééle dag haas’. Ik naai alleen in christelijke huize, en die benne d’er niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik wel ’is onplezierige dinge. Net deze week nog weer, bij de vrouw van ’en aptheker, ze betaalde me negentig cente, andere mense geven ’en gulden, nou en de kost was d’er ook nou niet zóó. Maar ’en last, dat ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor maar niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op ’t laa’s vervele en ik heb d’er maar afgeschreve. Dus nou heb ik me dinsdagge ope.… Kijk, daar ’s moeder ook.…—Hoe gaat het je, Geertje? ’k Zou je zeker niet herkend hebbe. We hebbe anders nog wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make.—Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve.…—Och ja gut, maar je begrijpt.…[42]—No’ ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je Oom?.… Daar is et anders wel veranderd.…—Ja, dat het zij al ondervonde.… Verbeel je Moeder, d’er Oom, of d’er Tante, had an d’er Grootmoe geschreve, dat zullie wel ’en betrekking voor d’er zoue vinde.…—Hoe, ’en betrekking?—Ja, ziet u, ’k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger had Oom is, toen-ie thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me vrage zou bij dominee Gobius, of die niks voor me wist.…—Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle!—Geertje vroeg offe wij niks wisse.…—Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou’ers dat goed, dat jij zoo maar op de bonnefooi naar Rotterdam ging?—Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde.—O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar ’t is nog mooi dat je Oom je de kos geef, want anders.… ’en kostganger meer, die past hum nou ook nie’ bezonder.…—Daarom wou ’k d’er juist graag uit. Weet u niet ie’s?—Ja kind, as ik wis.… Zie je, maar.… Jonge, meid, is dat no’ wel goed voor je? In zoo’n groote vreemde stad, jij die zoo van buite kom.… Weet je wel, wat het is in zoo’n stad?.…—Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel ’en fesoenlijke betrekking vinde.…—No’ ja, maar dan nog.… mit al die verleiding. Afijn, dat benne mijn zake niet.… Mien, la’ me morgen Griet der is vrage.… Misschien dat die wat weet.… Anders, zoo midden in de tijd.…—Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons gemak.…—Hei je al is in de Kerkbode gekeke?—In wat?—De Kerkbode, da’s de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin je-n-ook de beste dienst-anbiedings in.…[43]—O!—Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.… Zou zij daar nou der dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders d’er raad!?—Hier is-t-ie, zei Mien.—Mag ik daar is in kijke?Juffrouw Koenders had „volluk” hooren roepen. De meisjes keken samen de krant door. Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje vertelde van thuis, van ’t dorp. Mina deed een kleinigheid blijken van „een vriend”, die wel eens aankwam, morgen zou hij in de kerk zijn, dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.… En heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk.…De meisjes scheidden: „tot morge’ dan”; Geertje zou Mina komen halen. En ze kreeg De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen heen. Bang was ze niets, hoewel het al laat was. Wat konne haar al die flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar ze een beetje angst voor had:—wat zou’en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo gemopperd, dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou maar, Groo’va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw „mee” ging ter kerke. En ze was er geen een keer geweest.… Als Oom boos was, haar een zorg. Ze verkeerde veel liever met menschen als juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. Ze voelde zich nu weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. ’t Waren wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo’moe zou ook zeker blij zijn, als ze morgen van hen schreef.En op eens.… het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van ’t Singel, kreeg ze zoo’n verlangen naar Groo’moe, zou ze plots thuis willen zijn, morgen met Groo’moe naar de kerk gaan, Groo’va hooren bijbellezen, vóór de preek van Dominee Wevers.…[44][Inhoud]VI.Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze ’s Zondags-, zoo min als ’s Zaterdags-avonds durven vertoonen.’s Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders.Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen:—Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z’en huis.…Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. ’t Was een prachtige Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid was ze opgestaan, na ’s avonds niet te hebben kunnen slapen van ’t prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins z’en groote zaken, en van de flinkheid van z’en vriend Heins—als meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.… nou! Nee, veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von’ ze-n-et onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen, over „al de verandering”, en „de slechte vrinden”, en „de goddeloosheid die zichzelf straft”—maar Oom scheen het dan[45]toch ook leelijk te hebben laten zitten aan de Binnenweg—bij de juffrouw stond er ook nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden die twee menschen plezierig samen: ’en drukke zaak, en Mien die d’er veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld aanloop—van de kinderen van Mien d’er broer; en van die ou’e juffrouw Grietje die op het hofje aan ’t Schiedamsche Singel woonde en gisteren eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.… en van Arie, Mien d’er „vriend”, met z’en zuster:—Mien d’er leventjelag klaar, dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben’.… Want, daar had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer in ie’s anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag—uiterlijk alles zoo eenvoudig; ’t winkeltje, wat leek et nou? maar d’er ging wat om—en zoo mit alles.… Wat zou dat nou zijn bij die Heins—ook natuurlijk weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.… O, ze snàkte, dat zeder uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.… Maar juffrouw Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d’er naaimenschen.…—Wa’s ’t vol op ’t Singel, zei Tante.—Met zu’k prachtig weer, zei Oom.Bij Tivoliblevenze even kijken naar de bonte platen met poppen en reuzeletters.—Wiwwe daar v’en avent is heen?—Hai je de cente?Tante zei ’t snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep, omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo’va dat is gehoord en gezien had!…[46]Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee’ of-ie Oom niet zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest.—Di’s?.… et Hang, lichtte Tante in.—Dáá’lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan.En even later, met waardigheid:—Hier!Twee deuren naast mekaar, d’eene met glas, naast een groote winkelruit, waar met wit en rood op stond:„Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co.”Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit en gordijn hing een strook met niets dan „Visitekaartjes” er op. Op de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt, daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier met bloempjes.Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich voorzichtig om, en trok z’en manchetten wat uit, en monsterde Geer, met oogen van: zie je d’er nou wel knap genoeg uit? en ook langs Tante zag Geer zijn oog glij’en, haastig, dof.… Maar krachtig was zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, of menéér thuis was.—U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens.Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor.—Dat gaat ook na ’t ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur in de gang. Toen—Tante, die het laatst kwam, had de voordeur gesloten—moesten ze vrijwel in ’t donker naar boven strompelen, eerst een kleine trap, dan een die wentelde.—Geer was doodsbang de ijzeren leuning te verliezen. Op[47]de overloop, voor een keukendeur, stond een slons van ’en meid.—Wel, Sefie, gaat ’t altoos goed? vriendelijkte Oom.De meid beloonde:—Ja, menéér Naikerk.…—Nog ’en trap, zei Oom tegen Geertje.Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op, niet donker, maar even smal als de eerste.—Zóó.… Niekerk, kom j’es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke mannestem boven.En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid, een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel.—Hoe gaat ’et vriend?.… O, is dat nou je nichie.… Dag juffrouw Niekerk, ’t is me-n-en klim, hé.… Komme jullie maar us hier, gaat d’er nou maar gauw bij zitte.… Ja, me vrouw zel voort wel komme, och, je weet.… Kom, steek us op …Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom had dus niet te veel gezeid. Weze’lijk een groote boel. Wat ’en huis, en, hier, wat ’en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige pe’dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en ’en dubbel stel gordijnen voor spiegelramen.…—Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d’er tege kon, zou ’k zegge, la’ me wat gaan raije-n-in ’en ope bakje.…Tante giegelde, Geertje moest ook lachen.—’En beste sigaar, Heins, zei Oom, met ’en gezicht of-ie wàt ’en kenner was.—Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht z’in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.… Wacht ik zel me vrouw is roepe.…[48]—Nou? wat ze’ je d’er van? he’k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen meneer de kamer uit was.—Nee Oom! erkende Geertje.Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd misschien wel aan ’er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! ’t Was.… voornaam hier, die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote pertret aan de wand, was dat niet.…?—Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend.—Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins.…—Nou? wàt meneer Heins?—O, me man sprak geen kwaad van u!—’k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet ’et nie’ minder.… Van dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da’ was.…—Och jawèl Oom!—Dat portret? ’Et is maar fotegrefie!—Maar met kleur d’er op!—Ja, mit kleur.Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man.Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen, waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood op een mager, rimpelig groezelgezicht.—Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins.Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar de juffrouw d’er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins:[49]—Zuwwe de kinders niet is zien?Dadelijk antwoordde juffrouw Heins:—De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan, mit Sefie.—Die is hier ook al ’en heele poos, waagde nu Tante in ’t hokkend gesprek.—Ja, ferandere doe-n-ik nie’ graag, zei juffrouw Heins met zelfbewustzijn.—’t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer.Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed.—Ik ben tevreje-n-ofer Sefie.Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open; daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; ’t oudste, een jongetje, dat leek op de moeder; ’t tweede, een meisje, ’t gezicht van ’er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde—ook Geertje was ’t een verrassing—uit zijn zak twee kleine prentenboekjes, dingies uit hun winkel, van ’en stuiver.—Kijk is hier, voor ieder een.…Maar de kinderen aarzelden aan te nemen.—Nou? zei Oom.—Koos, pak is an van meneer, da’s voor jullie, zei de vader.’t Meisje lachte en wrong met ’er kopje; ’t leelijke jongetje zei op het laatst:—’k Hep feell mooier boekies.…—Hahaha!Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip.—Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie, pak! anders gaan ze-n-in de zak.…En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog[50]Koos er op aan, en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, ’t leelijke bleeke ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid.—Wel jou.…!’t Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa, waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met gemaakte boosheid zei hij:—’k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de kamer uit, zonder gedag zegge.…—’t Binne me d’er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal de deur uit waren.Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van een stuiver:—’t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid.En zonder plichtpleging liep ze hen na.—’t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d’er niemand as Sefie: we motte d’er nog ’s ’en juffrouw bij neme, ook voor et huishoue, maar we stellen et telke’s uit.…Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken, naar Oom.… maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou iets zei.… Maar de deur ging alweer open.… Nu deed juffrouw Heins vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .… gelukkig vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en Tante, of dat ze terug ging naar d’er Groo’va.…Nu dorst Oom zich dan toch haasten:—Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw.En daarbij keek Oom meneer aan.Die, met iets als weifeling:—Zoo, wilt u dàt!.… Wel dan most u maar bij ons komme!—Hahaha!Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen:—Nou, ik wil wel.[51]Juffrouw Heins werd nu zeer strak.En al spoedig zei Oom:—Vrouw, wille we-n-es.Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog wel aardig om te zien—’t b’lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen—in de lucht.… Te minste zoo leek het.… maar het was niet zoo. Door een raam bracht meneer d’er op een plat dak, met leuning, en daar had je zoo’n aardig gezicht.… Hu, ze werd er haast duizelig van, toen ze pal naar beneden keek: in ’t water!—Ja, da’s et Steiger, vertelde meneer.Maar er was zóó ’n wind op het plat; Oom zei ook: je kon ’er niet staan haast.—’s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk.En Geertje antwoordde in d’er gedachten: dus je denkt er niet meer aan dat ik hier als juffrouw zou komen.…[52][Inhoud]VII.Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van dachten?—Ja, meneer Heins had het wel gezeid, maar het was natuurlijk een zaak van de juffrouw. En die had niet toegebeten.—’t Is ’en lastig zeeschip, waarschuwde Tante.Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo’n aardig kind! En het was in die beneden-achterkamer slordig en vuil, je kon zien dat de juffrouw dikwijls ziek was. Zeker viel daar heel wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.… ’t Was wel ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige menschen.…. En.… plotseling dacht ze aan Mien en d’er moeder.… ’t was óók wat anders dan die voor haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze nu veel minder lust in. Gisteren leek dat haar nog zoo plezierig. De zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee Gobius, ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat eens open kwam.… Nu lokte plotseling dit haar veel meer.…’s Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante.Oom beloofde: hij zou nog ’es vragen.…En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig „op proef van beie’s kante”, en „meer as kind in huis”, naar het groote winkelhuis in het Hang.[53]
EERSTE BOEK.[3][Inhoud]I.Grootmoe, in het gangetje, onder aan de trap, riep met ’er zangerig-goedige stem:—Geer,.… kom je?En daar er geen antwoord van boven kwam, liep Grootmoe even later, toen ze zag hoe ongeduldig Grootvader werd, nog maar weer eens naar de trap, en riep:—Geer! kom nou toch kind.…—Ja Groo’moe, daa’lijk! riep Geertje nu.Ze repte zich ommers zooveel ze kon. Maar die ellendige das wou niet. En ze moest ’er handen ook nog even náwasschen. Er was toch nog meer dan een heel uur tijd. Hè, eindelijk zat de das. Terwijl ze zich nu, met dat lekker ruikende bolletje, dat ze in ’er taschje zou bergen, zacht over de handen wreef, voorzichtig, om toch geen spatten op ’er japon te krijgen, keek ze, het lijf over de lage kom gebogen, maar het hoofd behagelijk achterover in de nek, al maar naar dat eene stuk wand van haar kamertje, dat gehavende stuk bleek behangsel, iets minder verbleekt toch dan de rest van het fletse bloempjespatroon; dat stuk, waar ze zoovele jaren lang, sinds het begin van de zondagsschooltijd, toen ze de eerste gekleurde-prentjes had gekregen, telkens en telkens aan bezig geweest was, om de schilden, de kaartjes, de fotografies te verschikken en nog eens te schikken; en dat nu plotseling leeg was, berooid, leeg en gehavend met vele gaatjes van de spelde- en haakjesprikken. Even was ’t als iets vreemds, haast onmoog’lijks, dat zij die leegte had aangericht; maar dan werd[4]haar werk van de laatste dagen in haar besef als een opruiming; en, het lijf rechtend, liet ze de oogen omgaan door dat kamertje, waar zij zich nu wezenlijk uit had vrij gemaakt. Ze was waarlijk zoover gekomen. Dit handenwasschen was het àllerlaatste werkje van al die drukte der laatste weken, die roes van kiezen en koopen, en knippen en naaien, en beredderen, en inpakken, en boodschappen doen en bezoeken brengen, veel lange dagen met korte nachten, na de máánden gekibbel met Groo’va om de permissie voor d’er vertrek.… Hè, Goddank! dat nu àllesgedaanwas.…Tevreden liet ze het schuimwater plassen, in gedachten spelende met het schuim, tot ze opeens dacht aan gevaar.… ach kijk, spatten op ’er mouw bij de pols, en een groote vlok op ’er rok. Gauw flink afdoen met de handdoek.… Zoo. Die pluizigheid van de doek zou ze later wel afborstelen. Ze moest werkelijk zich haasten. Ze hoorde Groo’va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig.… daar was hij al in het gangetje!Nu kwamen de woorden, kort, met gezag:—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden.…Dan moest het maar.… Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, ’er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.… Even rondkijken.… Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien.…En het slechtgelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje.Groo’va’s voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.—Waar bleef je nou toch? zei Groo’moe. Op haar gezicht was enkel droefheid.Het eten stond er al.[5]—Aan tafel, zei Groo’va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.Toen alle drie zaten, bad hij:—O Heer, onze God! wij danken U voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig U loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot U in onze nooddruft, want ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die U vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te houden in den honger. Wees Gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten gaat. Wees Gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als zij nederligt zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal hetzelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boozen. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!Geertje was gewoon aan Groo’va’s lange gebeden, met teksten er in. ’s Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar best om mee te bidden, maar ze[6]was er niet in. Al toen Groo’va bad van „gebrokenen van hart”, hoorde ze een snik van Groo’moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en snikte Groo’moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken.… Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo’va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, bij die bijna geméénzame woorden, die ze al als heel klein meisje van Groo’moe geleerd had als Jezus’ gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar neus; en na het Amen stond zij op, en liep naar Grootvader om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo’moe’s stoel.—Och kind, hikte Groo’moe.—Heusch Groo’moe, Geer zal goed oppassen.Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; de kleine, vleezige hand van Groo’moe streek haar langs de wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel, en het eikenhouten harmonium.…Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo’moe gekozen, als Geertje’s lievelingskost. Maar Groo’va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders.Zij spraken weinig.[7]—D’er is nog ’en beetje rijst, zei Groo’moe, toen Groo’va de stoel verschoof.—Zoo? Nu gauw dan.Maar net toen Groo’moe opstond, werd er aan de huisdeur geklopt.—Hendrik; ik zie den kruiwagen, zei Groo’va.Hij had de kweekeling verzocht, Geertje’s goed naar het station te kruien. Geertje hielp even aandragen; eerst de koffer, toen de mand; de hoededoos zou zij zelve wel meebrengen.—Och waarom, zei Hendrik, hij kan d’er nog best bij.—Tot straks dan, knikte Geertje, toen Hendrik wegreed.In de keukendeur stond Groo’moe, de schaal met rijst in de hand, en oogde de weggevoerde koffer na.Geen van de drie had nu nog honger. Groo’va at een heel klein beetje; Geertje vroeg, of ze haar portie mocht laten staan.—Dat is dan voor de kippen, zei Groo’va.Hij deed het dankgebed, en ging, in de slaapkamer, hoed en jas halen.Groo’moe hielp Geer met ’er manteltje.—Zal je nou trouw schrijven, kind? Je weet, hoe Groo’va daarop gesteld is. En zal je ons oprecht alles melden?—Ja Groo’moe.Terwijl ze de hoed opzette, zag ze in de spiegel de dikke grauwe luchten drijven.—Hè, ’k hoop dat het niet gaat regenen.—De wind is nog al hoog, stelde Groo’moe gerust.Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening.—.… Nou Groo’moe.…—Nou kind …!’t Was of Groo’moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo’va zeggen:—’t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze de trein niet zou halen.[8]—Goeie Groo’moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los.—De Heer.… zij.… met je, beefde Groo’moe’s stem.—Ja Groo’moe, zei Geertje, en zocht haar taschje.Toen ze het had, taschje, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een vroolijker:—„Dàg Groo’moe, het beste Groo’moe”, een lichte kus op het grijze haar; en vlug vóór Groo’va, die de voordeur had geopend, heen, was ze in eenen kamer en huis uit.—We komme d’er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklepte.—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo’va. Zeg Groo’moe nog eens goeden dag.Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo’moe’s gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze Groo’va na, die was doorgeloopen.Bij de draai van de weg bleef ze even staan, en wuifde weer.—’k Zie Groo’moe nie’ meer, zei ze.Stil dook, omhuifd door grauwbruine takken, ’t lage witte huisje, met het zware, vooruitspringend puntdak, achter de lariksen en conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was ’t donkere pleintje er voor.…—Kom nu! riep Groo’va.En Groo’moe, die in Geertje’s kamertje door het zolderraampje keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.Langs de boerderij van Schaap, waar ze op de deel Hanna bezig zag, die dadelijk verdween, maar even later, met Rika en toen ook Moeder Schaap, voor het zijraam van de voorkamer kwam, bereikte zij de bewoonde dorpsstraat.Isaäc had pas geslacht, maar hij kwam toch even naar[9]voren, en groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: —Bezjoer, hou’ je maar taai, Geer!En zoo deden ze bij Schurink, vrouw Nijbroek, en Wijers. Het dorp wist, dat zij vertrok. En overal kwamen er geloopen, meisjes, vrouwen, kinderen, om Grootvader en haar te groeten.Bij de zandweg naar de molen stond Lina Kroon met ’er zusje.—Geertjen, hier heij’ ’n mandje mit appels, lekkere bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege.—Maar, Lina! Dank je wel hoor!Lina pretglansde, ’t zusje grinnikte.—Blomme bin d’er zoo niet. Nou hei je toch wat.…—Heel vriendelijk van je, hoor Lina, zei Meester.—Of Geertjen toch ook bemind vleesch is, Meester? kwam de stem van Scholten, de postbode, hen achterop.—Zoo Scholten, ben jij daar al. Is ’t al zóó laat?—Nou, zooveul tiet heij niet. ’k Het Hendrik Barmentlo zien goan mit ’et goed. Moj’ doar nog wat an doon?—Hendrik zou het laten wegen, zei Meester. Hij weet dat het naar Rotterdam moet.Maar Geertje, erg geschrikt, tripte heen, voor de mannen uit, een pas twee, drie, aldoor voor hen uit.Hendrik had voor het goed gezorgd. Meester moest enkel een kaartje nemen en betalen. Geertje was in de wachtkamer gegaan. En van het perron kwam opeens Jan Heukelman.—Ik kom je even ge’ dag zeggen, Geertje, zei hij.—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek bekend, en hij he ’t mien opgedroage je z’en groete te brenge. En dat ie hoopte da ’j altoos De Heere voor ooge zoudt houden.Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan Willem te geven.[10]—Je grootvoader mot me nou mor niet zien, zei Jan. Dag Geertje. De Heere behoede je.—Dag Jan, zei Geertje; en, half onwillig, zacht achterna: —Dank je.Jan aarzelde, of hij nog wat verwacht had. Maar de deur ging open, Meester kwam binnen. Daarom verdween Jan door de perrondeur.Geertje bedankte Hendrik voor zijn moeite. Daarna legde Groo’va Geertje uit:—te Amersfoort moest ze overstappen, en dan te Utrecht weer. ’t Papiertje van ’er goed had ze niet noodig vóór Rotterdam; ze moest het vooral zorgvuldig wegbergen; en het kaartje moest ze oplettend in de hand houden.—Verder, kind, zeg ik je niets meer. Ik zal niet ophouden voor je te bidden.—Doe dat Groo’va, zei Geertje.Op het perron waren vier, vijf dorpelingen. Ze groetten Meester met de pet, een paar zeiden Geertje goeden-dag. De oude stationschef maakte een praatje; hij praatte nog door, toen hij een paar pas achteruit moest treden, naar de bel, omdat de trein er was.—Kom nu, dat je een goede plaats krijgt, zei Groo’va, toen de trein nog niet stil stond. Zenuwachtig liep hij voor Geertje uit. Zij zag van ter zijde naar hem, hij was bleek.—Derde vrouwen, Conducteur.—Achteran, onverschilligde de conducteur, zoekend naar een coupé tweede die moest geopend.Mozes, de zoon van Isaäc, kwam uit de trein, hield Geertje tegen om haar vaarwel te zeggen.—Geertje! riep Groo’va. Hij had de coupé voor haar gevonden, en schrikte dat ze was blijven staan. Maar er was immers nog tijd genoeg!In de coupé zat eene juffrouw.—Denk er vooral aan, dat je te Amersfoort en te Utrecht om de vrouwencoupé vraagt, zei Groo’va. En schrijf ons vandaag nog.[11]Hij omhelsde haar, zij stapte in. Mozes kwam nog even kijken, plotseling stond hij achter hen.—Schrijf je mijn ook ’es? grappigde hij.Ook Scholten, aan de postwagen klaar, liep langs de coupé en wenschte g’en-dag.Toen daverden de portieren, de bel sloeg drie slagen, een kreet van het fluitje, en Geertje gleed boven de hoofden heen, knikkend naar allen, Grootvader in de oogen kijkend—wat was hij bleek, wat leek hij oud zoo .… En toch, zooals hij daar stond, kaarsrecht, lichte hoofdknikjes gevend tot groet, was hij voor haar wat hij altijd geweest was: de belichaamde vermaning.Op het voetpad bij de overweg wachtte waarlijk Jan Heukelman. In een aandrang om plezier te doen, om vriendelijker te zijn dan straks; ook uit joligheid dat ze nu wegging; èn uit verlangen om nog een laatste groet te geven aan het dorp dat zacht verschoof, boog Geertje uit het portier, en wuifde, knikkend en lachend. Maar haar hand hield stil en haar lach trok weg, want ook Jan groette nu met de hand, en bij die loome armbeweging deed hij haar dadelijk denken aan zijn broer, die juist zoo had staan doen op het stationsperron, toen zij voor twee jaar naar Rotterdam ging om Tante op te passen. Wat leken al die jongens van Heukelman toch op mekaar! De gezichten, de lichamen, elke beweging. En vooral Willem en Jan. Wat waren die twee ook trouwe vrinden! Jan nu weer met die boodschap voor haar .… Natuurlijk had hij naar Amerika geschreven; geschreven: „het is er door, Grootvader heeft eindelijk permissie gegeven, Geertje gaat naar Rotterdam.” En daarop Willem gauw een brief, om Geertje de complimenten te doen. Wat kon die boodschap anders beteekenen dan: „Geertje, ik ben je nog niet vergeten”? Alsof ze dat niet wist! Willem zou toch geen Heukelman moeten zijn, om, eenmaal zijn zinnen gezet op een meisje, zoo gauw van haar af te zien. Wat hadden de menschen[12]niet gekletst, van: „och die arme Willem, die naar Amerika gaat, omdat Geertje hem niet hebben wil.” Hij zou het nog van hartzeer besterven! En wat was gebleken?—dat hij na een maand al een betrekking had als eerste-boereknecht, waar-ie meer verdiende in zes maanden dan Groo’va als hoofd-van-de-school in een jaar. Maar Geertje opgeven? Kan je begrijpen! Jan had wel verteld, dat de boer drie ongetrouwde dochters had, en dat de boer Willem zoo graag mocht, en dat ze ’s Zondags allemaal samen naar de kerk gingen, en dat Willem al tweemaal bijbellezing had gehouden op de deel; maar dat was ommers toch maar alleen om haar jaloersch te maken. Ja, zij jaloersch om Willem! D’er zegen had-ie, op zijn huwelijk in Amerika. Ondertusschen was zij nog niet van hem af. Nou maar, ze was nou te-minste het dorp uit. En knap wie haar daar spoedig terugzag. Brieven? .…—toch niet te vergelijken met al dat tobben-en-zeuren van Groo’moe, omdat ze zoo’n „flinke jongen” van een rijke boer afsloeg, en met al die sermoenen van Groo’va, dat alleen „haar gebrek aan Christelijken zin haar weerhield om Willem te trouwen.” Alsof dat nu twee dingen waren, die je bij mekaar te pas kon brengen! Ja, zij zou verlieven op een lijs van een jongen, alleen omdat-ie bijbellezingen hield en voorzitter was van de jongelingsvereeniging. En dan dat misselijk gedrein en geflikflooi van Willem z’en zusters! Net of zij niet heel goed wist, dat die eigenlijk op haar neer zagen! Maar omdat Willem, in stee van een boerendochter naar z’en stand te trouwen, nou eenmaal op die deern bij-Meester-in-huis was verliefd geraakt, daarom was het „weeskind” een wonder, kon ze zoo knap d’er hoeden opmaken, en had ze zulk mooi haar, en streek ze zoo keurig, en was ze Groo’moe tot zoo’n gemak in het huishouden, en allemaal zulke flousjes meer. Nou maar, ze hadden wel gezien dat het niet pakte! Zelfs niet al die teergevoeligheid, toen Willem had gezeid dat-ie naar Amerika wou. Alsof dat nou zoo verschrikkelijk was voor een jonge vent om de wereld ’es in te[13]gaan. Trouwens, waartoe was het noodig geweest! Het dorp was toch groot genoeg voor hun allebei, en Willem wist toen al, dat zij misschien naar Rotterdam zou gaan. Was het dan geen flauwe klèts, te zeggen: als ik jou niet krijg, kan ik in ’t land niet langer leven? Als hij haar niet vergeten kon, zou hij dat in Amerika ook niet kunnen! Och, maar zijn neef Hein Scholten was ommers ook gegaan! Nou, dat was een andere jongen! Die had er ook gauw een vrouw gekregen, een mooie rijke Duitsche vrouw. Willem.… Geertje kon het zich niet voorstellen, dat Willem trouwen zou. Wie van de dorpsmeisjes had ’em gewild? Neeltje Lusink, nou ja, die schele, die wel wist dat ze altijd bleef zitten. En anders alleen Hendrina Schaap, die bijna tien jaar ouwer was. O, wat haatte ze die dikzak met al d’er blomzoete achter-de-mouw’s-heid! Vroeger, voordat ze wist dat Hendrina hem zoo graag wou hebben, had ze nooit zoo’n felle hekel aan Willem gehad. Eerst toen ze hoorde dat daar kwestie van zou wezen, van ’en huwelijk van Willem met dàt ouwe-mensch, eerst toen had ze opééns geweten, waarom zij altoos met weerzin met ’em liep: hij was ouwelijk, hij hoorde bij eene van tien jaar ouwer, en zij, o zij was jong! veel hield ze, zeker, van Groo’va en Groo’moe, maar ze snàkte naar ’en leven met jònge menschen.… Dat was wat ’er speet in het huis van Oom, dat daar geen jonge menschen waren, niemand als die zwaar-op-de-handsche broer van Tante, die telkens ’s avonds kwam. Máár, in een stad, daar heb je de vriendinnen ommers voor ’et kiezen! Ook was het toch maar tijdelijk. Zoodra ze een goeie betrekking kon vinden, poetste ze ’m. Het zou misschien niet zoo makkelijk zijn, als meisje uit een dorp, en niet met kinderen gewoon.… Hè maar, Tante kende veel menschen; àls ze nu eens een plaats kon vinden in een groot gezin met véél kinderen, ook ’en paar ou’ere meisjes die niet hooghartig tegen haar waren, en zij dan in de kinderkamer met vier of vijf van het kleine grut, net zoo als de Fransche juf in de groote zonnige kinderkamer op Groeneveld.…[14]Al twee keer had de trein gestopt, de tweede keer was de juffrouw uitgestapt. Een conducteur, een kleine dikke met ’en snorretje, had tegen haar gelachen, gewenkt of zij er ook niet uit moest. En almaar, almaar vloog de trein—en ze was er zeker nog lang niet.… Maar nu hoorde ze „Amersfoort” roepen. Overstappen!—De conducteur zei, dat ze de tijd had.Geduldig liep ze heen en weer op het perron. Je woei haast omver, maar het was teminste droog. Plotseling dacht ze aan haar koffer. „Waar was haar koffer, wat moest ze doen? moest ze niet zorgen, dat die ook in de andere trein kwam? En nou was er nergens een conducteur!Een heer, die naast haar drentelde, sprak haar aan:—„Moet de juffrouw ook naar Utrecht?” op zoo’n goedig-kalme toon;—ze was er zeker van, dat hij haar onrust over de koffer had opgemerkt. Dus vertelde zij hem van haar vrees voor het goed. En toen hij het reçu had gezien, stelde hij haar gerust. Er stònd immers op: Rotterdam. Ja maar, dat stond op haar kaartje ook. Nu já, maar dat was iets anders: de conducteurs konden haar toch niet overtillen zooals een pakje! Ze zouden misschien het wel graag willen doen—wat jij, Conducteur?.…De conducteur die nu net langs kwam, een met een andere pet dan die straks, bevestigde de geruststelling van de heer, en deze zette het praatje voort, vroeg of zij wel eens meer te Rotterdam was geweest, of ze er voor plezier ging losjeeren, en zoo meer. Hij ging enkel maar naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen.Geertje dacht aan wat Groo’va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat an de heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!.…Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:—Ja, nu moet ik een dames-coupé hebbe.[15]Doch er was er maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heendrong.—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen zitten, lachte de heer.En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zichzelf. Misschien was er nog een coupé geweest; zij had daar niet verder naar gezocht. Nu zat ze in een groote wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke heer tegenover haar.—Hebt u het hier nu niet goed bij me?—Heel goed, lachte zij terug—toch een beetje pruilend.[16][Inhoud]II.Als ’s Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd voor een grootheid van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat hij anders in de school zat dan de overige jongens. Hij hoorde er, de school was een stukje van zijn huis, en Meester, Meester, in wie alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, een hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in de eerste klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst zou zijn. Maar bij dat bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob van Zanten wou kweekeling worden. Jacob—dacht Jan dus—werkte hem tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en—dorst knapper wezen dan hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge moeite mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die kalme geregeldheid werd Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij hokken, hoe vader streng-was. Tot vader meester Ten Have er bij haalde, tegen meester Ten Have zei:—„Beproef gij het eens, ik kan het niet, doordat ik de vader ben.” En meester Ten Have een maand of wat na die opdracht dorst oprecht zijn:—„Waarlijk, Meester, geloof me, het gaat niet” .…Dat was een moeilijke tijd—voor Meester. Ook wel voor Jan, die vond, dat, terwijl hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd achtergesteld. Maar dieper, veel dieper was ’t leed van Meester.[17]Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan.Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het Penningske. ’s Zaterdags ging de jongen het dorp rond en haalde aan achttien huizen een cent op. Daar kregen de menschen het zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen, om inteekenaars te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij schreef briefjes aan Van ’t Lindenhout, hield een bus voor de weezen, en belegde op ’t Lindenhouts verjaardag, in September, een „feestelijke bijeenkomst”, ’s avonds om half zes in de school, voor welke hij een feestzang had gedicht:Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag,Van ’t Lindenhout ter eer.…op de wijze van ’t Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob een vers, en de meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger:O Joh.O Joh.O Joh. van ’t Lindenhout.…op de wijs van Piet Hein.… Toch ging Jan met het bushouden door en met de almanak.Dominee, die in Jan’s ijver een blijk had ontdekt van christen-zin, kwam dan vragen, of hij geen lust had in een christelijken dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, De Standaard, ’t kon wel een zaakje worden, en nùttig!Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp op dreef; Jan moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar wilde hij „verder”, ’t kon toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar werd hij bediende te Gouda; toen meende hij ’t recht te hebben te trouwen.…[18]En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam, in een eigen zaak—die niet te best ging.Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen van haar logeeren aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe winkel zag.Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol hoog-recht. Die Woensdagmiddag, bij haar aankomst, was het juist beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand en niets dan een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er niet te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige huizenrijen. Oom moest zeggen:—„Hier is het, Geertje”; toen zag ze eerst, dat er een winkel was. „Wat een vreemd, kort-breed, haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel was benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze zich nauwelijks binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk haar verwondering.—’t Is hier ma’r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de ruimte, wat?—Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog eens:—Zie je, daar kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk alleen.’s Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer:—Je zel hebben opgesien, Geer, da’ me nou zoo klain behuisd benne. Schraif d’er maar nietveelover naar huis, hé? ’t He’t Oom wel an ’et hart gegaan, da’ me den anderen winkel uit mosten, maar hij kos ’et er niet hou’en, en nou hoopt ie dat ’et hier wat zel geve. ’t Wordt hier ’en heele nieuwe buurt, sie je, en d’er woont hier nog wat raikdom.…Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer over hun verhuizing. En juist zei ze nòg iets van „algaers verbouwing” en „je zel ’et is sien, wa’ dat hier voor ’en drukke buurt wordt”, toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde.—Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch[19]niks wijs! We zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De beste loop ’et dik’els tege, wat ze’ jij Geer! Ik kan niet helpe, da’ ’k daargin’s vlàk bij m’en ’en schatrijke vent had, die z’en zaak alleen nog anhoudt voor z’en zoon; ik begin pas, ik mot ’et van de grond ophale’, stikvreemd, in zoo’n groote stad, en zonder ’en cent kap’taal.… Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da’s toch mijn schuld niet!—Och, wie zait dat nau! suste Tante.—Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou gepraat! Ja, as ik doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet he’t gemaak’, en altoos weer mak op z’en pootjes terech’ komt! Maar as je eerlijk man wil blijven.…Toen, zachter wat, als een bekentenis:—Ik kon de huur nie’ meer betalen, an de Binneweg. En nou wi’ ’k ’et hier perbeere. Gaat ’et niet, dan gaat ’et niet.…Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met tralies, bleef open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde, nooit in slaap te komen. Achter het raam leek iets als een plaatsje te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge vlekgele muur als vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar van buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat leefden de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een stille straat. Wat een mierennest toch, zoo’n stad.… Zij snakte naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, aan de onafzienbare ruimte buiten.… Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een vage wrevel, als over een teleurstelling.’s Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar een briefje op. En weer begon Tante over de woning. Nee’, ook de stand hield hier niet over. Er woonde nog wel rijkdom in de buurt, maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat van de Schie zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant, dat[20]was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor twee centen gaven, lazen de menschen niks anders meer. Ze kregen de dingen nu haast kedo. Alleen met ’en heele groote omzet kon je n’en kleinigheid verdienen. ’t Was ’en moeilijke tijd voor de kleine nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo’va.…Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante’s gedachte lief. Ze herinnerde zich de aankomst bij Groo’va van brieven waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude man dan van streek geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo’moe van welvarende boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de achteruitgang hier.Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed nog, hoe ze het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan de vorige keer, en daardoor was er wel wat dat haar tegenviel. Toch had ze ook nú weer die blije gewaarwording vanbevrijding, uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo’va en Groo’moe, en aan de meeste menschen in ’t dorp.Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos gevonden, vroeger toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om ’s middags bij de oude mevrouw, de moeder van de dominee, te zitten, die van de oude tijd kon vertellen, net of het eenanderetijd was geweest, met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had ’er eigen zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer, met bijna wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie geschilderde portretten in dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een werktafeltje, zooals Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw in de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege, triestige tuin, op de bulten van de perken en de spoelvormen van de stamrozen. Van tijd tot tijd maande de oude mevrouw:—„Geertje, denk je om de kachel?” en dan bukte Geertje maar weer eens naar[21]het heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte, dat zonder eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf—en mevrouw vertelde weer voort van de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in een Hollandsche pastorie, dicht bij het dorp waar de dominee woonde, die dat prachtige boek had geschreven,De Pastorie te Mastland, dat Geertje eens had te leen gehad.…Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d’er vroomheid.…Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten, zooals mevrouw had zitten vertellen van háár pastorie in dat Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische Zondagmorgen, toen zij, jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk kwam, en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de kappen; en hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd was geworden, doordat háár man een psalm had gelezen en hierna het orgel had gedreund voor het preludium.… o, Geertje had het gevoeld, gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest dat heerlijk zijn in zoo’n kerk—’t was eenanderedan de kerk van haar dorp, waar toch de oude mevrouw d’er zoon stond. En die zoon was eens in die eerste gedóópt.… Maar Grootvader placht te zeggen:—„De tijden zijn bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar”—had Geertje dat nooit precies begrepen, het zou wel beteekenen kunnen, dat nu al deblijmoedigheidweg was, waar de oude mevrouw van sprak.In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee’s droefgeestigheid sedert de dood van zijn eenige zoon, en de saaie stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof was geworden, en Dominee maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen in een hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo’va, die er nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden; en dan de dood van zijn eenige dochter, Geertje’s[22]moeder, van wie Groo’va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad toen ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.… Groo’va was zoo’n gevoelige man! Altijd treurde hij over die dingen. Groo’moe had nog ’es eens gezeid:—„Ja, we hebben ons kind verloren, maar het kind van ons kind is als ons kind.” En Geertje had dat zóó lief gevonden, zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was gebarsten. Nóóit had Groo’va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van „de wil des Heeren”, maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet.Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan—en nu wist Groo’va nog niet eens alles!.… Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg was er nog een aparte Bijbelkast. Maar hier!.…—Dank je! Die reuk van heiligheid he’t me niks as schaaj gedaan! had Oom de vorige avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had.—Bidt jij nog? had hij ’s middags geplaagd, toen ze aanzaten voor het eten. De eerste avond had ze ’t gedaan, niet lettende op Oom of Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.… Tante was tusschen beide gekomen:—„Láát ’er toch!”—Maar zij had gelachen, en Oom had gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d’er mond geweest.…Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen, terwijl ze met het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven tegen de onderlip, akelig over dat velletje vóór haar, waar, met stad en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders.Tante, in ’t keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel te passen, dan kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls gestoord werd ze niet! Ze had plezier in een klein, bleek meisje, dat lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, diep tastte in ’er rokje, en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. Een buurvrouw—[23]„Buurvrouw”, zei ze tot Geertje—kwam om drie velletjes postpampier, ook voor twee cent dus, en verhaalde, dat ze moest schrijven aan haar man, die varende was. En later kwam er een brillende jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een ander dat Geertje niet kon vinden—Tante, de handen verbleekt van de zeepsop, moest het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen.Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste blad bijna vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het matten zittinkje van het krukje, achter de lastig-hooge toonbank.De voordeur ging open:—„Dag Geertje!” zei iemand. Zij kende hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht, lang-krullend warhaar.—Dag.… Meneer, zei Geertje verwonderd.—Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. ’k Heb je zien laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.—O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.—Is je Aum d’er niet?.… Roep jai je Tante n’es voor me.De bult en Tante bleken gemeenzaam.—Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive?Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante méénde—zoo zei ze—van wel, maar zeker weten dee’ ze ’t niet, ’t was zoo’n moeilijke brief voor d’er man om te schrijven.—Wa’s d’ar nau voor moeiluks an! Als d’en ouwe nie’ wil, dan wil ie niet. ’t Vragen, sou ’k meenen, staat frai. Wat ze’ jai Geer, daar kan je Grau’fader toch nie’ boos om worde.—Laat haar d’er buite, viel Tante haastig in, ongerust.Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was als onderwijzer aan een openbare school de[24]kameraad van Tante’s broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo’n hekel aan de onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie nou k’ruspendent van dagbladen geworden.—Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.—Nou, da’j berichte stuur an de krante.—En he’t-ie dáármee z’en brood?Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat ook juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel konkerensie. Sommige heeren werkten samen, d’en eene nam dit en d’en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer Maandag was altijd alleen.… Maar nou kreeg-d-ie misschien ’en eigen krant. Ja, ’en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.… Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat wou geven.…—Groo’va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, of d’er iemand Groo’va te lijf wou. Die goeie Groo’va, hij had zoo weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!—’t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.—Hoe verschieten?—Nou, z’en geld blaìft z’en geld, en ieder jaar kraigt ie z’en rente. Ze denke zellefs van ’en hooge rente, meer as je Groo’va van z’en geld maak’. Maandag is d’er zeker van, dat ’et ’en goeje zaak zel weze.—Wat heeft-ie dan Groo’va d’er in te hale! snuggerde Geertje, vol bezorgdheid.—Da’s te zegge! Et kan misgaan. ’t Is ’en nieuwen[25]ondernemink. Je brengt d’er je geld niet as bij de spáárkas!—Nou kijk ’is an! riep Geertje overtuigd.Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was genoeg voor haar drift.Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon:—O ja, maar as jai ons no’ ga tegewerke, geef je graufader zeker niks.—Ik? wat heb ik d’er mee te make!—Nau.… ’et is toch jou geld ook.Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze ’t keukentje in. Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet schreien! Het was zóó naar, zoo ànders hier alles, vijand was ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.… Maar die arme goeie Grootva.… Wacht.…Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief; zinnetje na zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo’va moesten plezier doen, zinnetjes over thuis en het dorp, over Groo’moe d’er zinkings, of Groo’moe wel oppaste, omdat het toch nog altoos guur was, en over de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en allemaal, en toen, dat Oom en Tante d’er best uitzagen en hen vriendelijk lieten groeten.… Zoodra ze eind’lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend kleinkind Geertje, liep ze naar achter naar Tante toe, en vroeg of Tante nog wat had te zeggen: d’er brief was af:—Leest u ’em maar ’es.—Kind, wat mot ik je brief leize!—Ja, of d’er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar vlak u ’em niet!En toen Tante grinnikend aarzelde—daar er gemorreld werd aan de winkeldeur:—„’k Geloof dat er volk is”.… Weg was zij.Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei, dat Tante hem had gelezen.[26][Inhoud]III.Oom zei nog diezelfde avond:—Tante he ’t je zoowat verteld, hè, van de groote dinge die komende zijn. Ja, wat zeg je daar nou van! Oome Jan, dirrekteur van ’en krant! Nou maar, zoo voornaam is ’t niet, hoor. ’k Doe ’et eige’luk meer voor Maandag. Zie je, die kerel komp niet tot z’en rech’. Elke morrege naar de vischmark’, de ongelukke opneme bij de peliessie, en verslage geve van vergaderinge, wa’s dat nou voor ’endenkeras hij. Want, dat zou jij misschien niet verwachte, as je ne’m zie mit die bak op z’en rug, maar Kees Maandag is iemand, zie je. D’er gaat wat om in die fijne kop! Weet je dat ie de sekeretaris is van onze afdeeling van De Dageraad? Lang was-t-ie de ziel van de heele boel. En logika, dat-ie he’t, die vent, zie je-n-en logika, dat er geen speld is tussche te krijge. Dat maak de mensche juist tureluursch! De dominees hate-n-em! En de mederne nog erger as de orthedoxe! Ik weet—hij denk ’et zelf ook, maar ik weet met zekerheid, dat-ie kurspendent voor de vischberichte van ’et Nieuws van de Dag had kunne worde, as de mederne dominees hier ’em niet bij die dominees-redaktie hadde zwart gemaak! Afijn, de man he’t z’en brood, maar ’et is geen werke v’er iemand as zijn, en daarom wou ’k zoo graag dat ’et weekblad d’er kwam.—Et weekblad? zei Geertje, in achteloosheid haar best doend om belangstelling voor te wenden. Ze voelde zich zoozeer als een vreemde bij dit gepraat. Wat was dit alles, waar Oom van sprak! Hoe langer hoe sterker kreeg ze een gewaarwording,[27]als draaiden d’er molentjes hier in huis. Namen en dingen die ze niet kende; maar, in wat ze er van begreep, akelige dingen, waar ze een onmachtige drang tot verzet tegen had gevoeld. O, die Maandag, dat tanig blond-bleeke gedrocht, met z’en spitse magere kop met niks as haar dat niet gekamd was, die kop die aldoor maar, net of-t-ie niet goed vastgemaakt was, nijdig lag heen en weer te schudden op dat doopvont van z’en schoft! En die schreef hier de wet nou voor. Maandag dit en Maandag dat, bij Oom nog erger as bij Tante! Oom was een ander mensch geworden, de winkel was anders, alles was anders, armoe en schuld regeerden ’t huis—straks nog met dat bezoek van Jansen, de bakker van de Binneweg, met wie Oom vroeger koek en ei was, en die nou kwam met ’en strak gezicht, en daar zij, Geertje, bij was, vroeg om „de zeven weken brood die d’er nog stonden”.… En terwijl de winkel heel de dag geen klant haast zag, liep Oom d’er maar uit, en had-ie het hoofd vol van wist-Geertje-wat-voor nieuwe dingen, waar Groo’va ’t geld voor zou moeten geven! Was ze toch maar thuis gebleven! Of.… thuis.… Nee. Maar ze had nóu toch te doen met Groo’va:—als die het wist van Oom z’enafval, én hoe dezaakverloopen was.… Maar zij zat d’er in, in de rommel; en na die leelijke boosheid van Tante vanmiddag, die dacht dat het haar, Geer’, voor d’er eige’s wat schelen kon of Oom aan Groo’va vroeg om geld, wou ze, zou ze niks meer zeggen. Oom en tante mochten praten.…—Et weekblad! Zeg slaap je. Ben je nou heelemaal vergete wat tante je he’t verteld!—O! ja.…—Wéét je waar ’et om te doen is? Je ken toch De Kerkbode van Van Sijn?—Nee.—Zoo. Nou da’s ’en blad, mit de lijst van de predikbeurte. Te minste, daar is ’t om begonne. In andere stee’e hei je ’n domineesbriefje, maar hier hei je ’n heele krant, met stukke van preeke en nog zoo wat stopsel, en mit ’en kap’taal an[28]advertensies. Je he’t d’er geen idee van, wat dat ding ’en advertensies krijg. En van alles, je kan ’t zoo gek niet verzinne. Maar nou mot jij toch ook wel begrijpe, dat as d’er in ’en libberale stad as Rotterdam, want Rotterdam is nìet klerekaal, dat heb ik tot m’en schaaj ondervonde, toe’k nog zoowat voor spek en boone meedee an al die schijnheiligheid; as d’er hier nou ’is net zoo’n blad kwam, zonder preeke en mit degelijke stukke van ’en denker as Maandag, d’er dan een menigte adverteerders liever daar zoue adverteere. Dat heeft Maandag, of eigelik heb ik dat ingezien, en toen me vriend Maandag d’er over gesproke, die bereid is, wat ie nou doet voor verschillende krante, prijs te geve, as ons weekblad d’er komp. Ik zou dan zorge voor de adminnestraassie, en ’en kennis van ons, Heins, chef van de firma Heins en Co., zou ’t drukke. Maar Heins vraagt geld, garansie-kap’taal, en wij moete nou zien dat te vinde.… Denk je, da’ Groo’va wat zel geve?…—Oom, weet ik dat nou!Geertje voelde zich zoo afschuwelijk zenuwachtig worden. Tante was plots naar voren geloopen, zonder noodzaak of reden, enkel om de kamer uit te zijn.—Zie je, Geer, we motte mekander goed begrijpe. Grootvader z’en geld wordt later jou geld en mijn geld—wanneer je grootouders komen te valle.… Nee god, daar mo’j nou niet om grienen, àllebei bènne ze-n-ommers gezond! Maar ’et leit in de rede van de netuur, da’ zuilie komme te sterreve … vóór d’er zoon en d’er kleindochter. Nou, en dan komp hun geld an òns. Daarom ze’k je nog ’is: ’t is jou belang ook. Ik zeg ’et mit de beste bedoelinge. Als jij de’r op tege heb, da ’k ’et vraag.… dan doen ik ’t niet.…Geertje vóelde ’t in d’er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar daar laf beloog. Maar dan moest het ook maar, dan moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d’er gezicht, tegenover een plomp-groote man,[29]die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te spotten—om ’es hard terug te slaan, zoo zwak als ze was.—Wou u soms dat ik d’er om vroeg?—Wat meen je dáármee? zei Oom op een droge toon van halve onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.—Nou.…Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opneems ’er gedachten kwijt. En bij haar beschaamdheid, zakte haar boosheid, ze werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte om niet kwaad te wezen—hè, als zij Oom en Groo’va eens tot mekaar kon brengen!Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan met ’en lieve lach.…—Tante heef me dat ook al doen voele, dat ze m’anzag voor zoo’n soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo’va, niet om z’en geld, maar om Groo’va zelf. U weet toch ook nog wel van die keer, toe’ in Augustus, toe’ u ’s middags onverwach’s kwam.… Groo’va was altoos dage lang van streek, als u om geld had gevraagd. En nou weet Groo’va nog heelemaal niks, van hoe het hier veranderd is.—Da’ me verhuisd benne? zeker wel!—Och nee, ’k meen niet alleen verhuisd! Maar de heele boel hier.… En ook uzelf.… Oom, zou u heusch aan Groo’va durve vertelle, wat u straks an mij heb verteld, van die krant krek tege de dominees in, en dàn an Groo’va durreve vrage, of ie daar z’en geld voor wou geve?.…—Je ben me d’er eentje! zei Oom op een lachtoontje van plezier willen doen. Toen ze sprak, had hij al geglimlacht, toen ze doelde op zijn veranderd-wezen; en was er op zijn gezicht gekomen, in zijn oogen, zoo’n glans van wel-zelfvoldaan-zijn, van uit behaagzucht wel willen bebromd worden als ondeugend.—Nee hoor, da’ jij me zwart zou make bij Groo’va, daar[30]he ’k geen oogenblik an gedacht en Tante kan dat ook niet gemeend hebbe. Maar ik wòu je d’er over spreke, ’k zeg je, omdat het ook jou belang is. En wat dat nou angaat mit Groo’va, zie je, Geer, de zaak he’t twee kante: as financieele ondernemink, èn as proppegandemiddel voor de vrije gedachte. Nou, wat betref de vrije-gedachte, dat ben ik heelegaar mit j’ eens, da’s geen zaak om je grootvader mee an boord te komme. Máár de financieele kant van de kwestie, waarom zou ik ’em dáár niet alles van kunne vertelle? Wij wille hier ’en advertensie-weekblad voor de winkelstand oprichte, en we zijn overtuigd, ik zeg je, as manne van eer zijn we-n-in gemoede oprech’ overtuigd, dàt zoo’n blad rendabel is. Nou, en nou kom ik an Groo’va vrage, of ie dat geen goeie geldbeleggink vindt. Vóel je wel, dat heef niks te make mit vrije gedachte of wa’ voor gedachte. En net zoo min mit de staat van me winkel—die nog zoo slecht niet is, d’er benne d’er erger in de stad, hoor! Ik vraag je grootvader niks voor mezelf! ’t Is geen kedo! Ik vraag eenvoudig an je grootvader of-ie soms van z’en geld wil steke in ’en ondernemink, die heel goed ken worden, en waar ik nou toevallig van in ’t bestuur zit. Voel je wel, Geer, voel je nou zelf wel, dat heef mit ’et andere niks te make.—Ja. Nee! zei Geer en knikte.Ze wou d’er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer binnengekomen. ’t Spelletje was gespeeld met haar. O, ze doorzag het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder zeggen? Ze had haar boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te vinden, en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste willen was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij die hoop van weg te nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het geld van zijn vader. En zoo had ze niets gedaan! Oom had haar willen uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou beginnen—deelgenoot was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan zijn verraad tegenover Groo’va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde, dat Oom en Tante mekaar aankeken,[31]allebei dachten ze:—„hebben we der nou?” ze móesten denken:—„we hebben d’er.” Wat zou ze ook? Wat kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer blijven! Dat was het eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet, dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam voor een dienst. Zoo gàuw als mogelijk een dienst.… Tante had nog van niets gesproken. Oom evenmin. Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet.…Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij, toen ze voor de gootsteen stond. Met een weeë soezing in het hoofd, keek ze toe bij het volloopen, het overloopen van het water in de gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.… toen sloot ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk ’t spritsend boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag ’t bewustzijn in haar, dat ze ’t winkelbelletje hoorde, dat er gerucht was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt gegiegel … tot het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen.—Jasses!—Eèè!En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende keukentje, zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in eigen grappigheid, Gerrit Holkers haar tegenlachen, Gerrit:—„Hahaha, gefopt hé?.… Hoe gaat ’et maid? Je ken me toch nog?” Gerrit, zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret om zichzelf:—„No’ zeg, gee’ je me nou geen soen?”—Dag Gerrit.—Zoo, ’en hand, nou da’s te minste ie’s. De kussies die houe me te goed. En hoe maak je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde.Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag, hel verlicht de gedrochteromp in het geelgrijs[32]colbertje, bij de tafel. En allen lachten om Gerrit’s grapje.—Zuster, je schenk toch ’en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante.Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden:—Toe Geer, haal jij ’s effe hierover.… voor zestien cente.… Of wach’, ik zal het zelf doen.…Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls ’s avonds wat kreeg; nu was er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren te poffen.In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje uit de winkel.Toen vroeg Gerrit haar opeens:—Hoe is ’t Geer, hai je-n-al ’en diens?Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:—„Die hei je m’ar zóó niet!” Geer was ommers pas twee dagen in de stad.—Eerst mot ze-n-an de stadsluch’ wenne, vroolijkte Maandag.Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid.—Daarom kan ik al wel ’es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen mevrouw Gobius, Tante?Die naam, Geertje zag ’t, gaf ontsteltenis.—Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en lachte het eerste.Tante lachte,Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar ziende hoe verlegen Geertje haar aankeek, legde Tante uit:—Ja, je wait da’ nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp.…—Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de deur, en stak de jeneverflesch hoog voor zich uit.—Bravo! riep Maandag.—En leve de glaze!Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen om mee te drinken, vroeg of ze ’t dan ook maar mocht met water.[33]—Hai je da’ gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he’t?En meneer Maandag deed een verhaal van ’en koster en een lekkende goot, en de vrouw van de koster die kwaad had gesproken—Geertje begreep het niet, vond het niet aardig, en de drank die ze dronk vond ze naar. Groo’va was zoo tégen drank: àls hij het wist, dat zij nu dronk!… Weer dacht zij aan huis, aan de grootou’ers-samen, hoe die nu, eenzaam, daar zouden zitten, Groo’valezendevóór het naar bed gaan.… Toch.…Niet terug.… Maar ’en dienst, hier, ’en dienst.… Zou tante nù nog mak’lijk wat vinden, nu het blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die vroeger klanten waren, vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend, had Groo’moe gerekend, na wat Oom eens thuis had gezegd, en na wat Tante nog kortgelee’ had geschreven.… Hoe te doen dan nu, zonder die menschen?.…—Geer, wa’ be’ jij stil venavond!—Geer denkt over d’er zonde na!—Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag.Geertje lachte:—„Beter as u misschien!”.… Maar ze lachte gedwongen, verlegen.—Beter as ik? Da’ gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate!—Ja práát jij is mit er, Maandag!Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te maken. Maar ze dankte de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond en Gerrit volgde.Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij wakker, zij had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds viel haar gedachte op ’t vuurwerk, dat zij eens hier in de stad had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. Nooit had zij zoo wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al hooger, en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de blauwzwarte[34]lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt.Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij niet kon slapen, en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo fijn de fluit van de spoortrein, de laatste trein, die nòg een keer floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, weer voortging?.…Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild om dat spoorfluiten ’s nachts en daarbij telkens gedacht aan het vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. Nu weer dacht zij aan ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis ’s nachts, naar de stad en het nieuwe.… Nu was er een vreemde beklemdheid in haar, een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te willen.… Een zwakke drang, wel, om weder te huilen.…Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen, en stemmen, net of veel menschen daar gingen en praatten … O, zij begreep, de brandweer was het; er was misschien brand in de buurt geweest.…Huiverig dook zij diep weg in de deken.[35][Inhoud]IV.De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en onrust. Bij het opstaan al was ze moe. Ze had in huis maar heel weinig werk. Tante gaf haar haast niets te doen, maar soms wanneer zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos wachten, en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond of op straat, riep tante:—„Geer! Waar ben je nou! En je zou me helpen, zei je!” Nooit wist ze wat er gedaan moest worden, want nu moest dit eerst en dan juist dat. De vorige keer, met Tantes ziekte, toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo gauw en zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van Groo’moe, dat Tante geen beste huishoudster was—het zag er ook alles uit, in huis!.…—maar bij die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren waren om haar te plagen, uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk het huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek gedaan werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang was, haar dit te laten merken. Tante hield wat voor haar verborgen, daar was ze zeker van. En Oom net zoo. Soms, wanneer zij de deur in kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, en zei niet waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat hij later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar gejokt had. Telkens geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was aangekomen, die erge[36]openhartigheid met dat wonderverhaal van een krant voor Kees Maandag, waar Oom dan de directeur van zou wezen, en sedert geen woord meer—en ook geen bezoek. Na die avond met de jenever, waar zij ’s nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer Maandag niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam, was er nog maar één keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de avonden te dooden, nam zij maar telkens een boek van de planken der „Leesinrichting”,—zij was begonnen met Tante voor te lezen, terwijl die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan haar zondagsche japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar toen Tante het voor de tweede maal zei, dat het haar verveelde, „al dat gekle’s van die minse die toch nie’ bestaan hebbe”; toen had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in de boeken. Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook, maar prachtig toch om zoo te lezen. Maar dat was het juist geweest: wanneer ze zoo, in volkomen stilte—Tante dutte meest in, bij het naaien—weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, en die was kribbig:—„Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de kas’ gehaald? Zie je, dàt most nou Groova is wete,” en verder niets, alleen met Tante halve woorden, dat zij niet begrijpen zou. En weer ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, slordig, haar lage bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn—die Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen de booze luimen nog heviger.—Denk jij dan dat dat zoo m’ar gaat hier!—Maar u hadt toch zelf geschreve.…—Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda’ me nou dien moeial van ’en Gobius d’er buite wille houe’! Maar ik zel is zien bij de heere die ik dagelijks spreek voor de nieuwe krant, ’t ken weze dat ik daar wat hoort.…Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had gesproken. Hoe het met de plannen liep, daar zei-ie Geertje[37]nooit iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. ’t Was Geertje toch een raadsel, waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de winkel ging niets om, niets, ’t was malligheid, de heele winkel! Zelfs de Leesinrichting trok niet: de jongen met de bril en zij waren net de eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier en dertig centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de winkel was geweest—de volgende morgen waren de vier en dertig centen weg, en lag er alleen een Waarschuwing van de belasting in de la. Die heele dag kwam er ook niets bij, tot ’s middags een jongejuffrouw van de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben—de voorhandene waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. ’s Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen.…Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik aan de voordeur. De juffrouw in ’t kroegjen aan d’overzij keek door het raam, en toen keek de vrouw die voor de toonbank stond te praten ook—dus die twee spraken van haar, misschien wie zij zijn mocht, of—over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging en.… dat de eigenaar pofte in ’t kroegje. Hu!—Geertje trok de armen wat vaster tegen de borst met een rugbeweging of ze het koud had: wat een schande toch, zoo’n toestand! Wat een verschil, tusschen Oom z’en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo’va tot de menschen in ’t dorp! De famielje telde daar mee; Groo’va had altijd in aanzien gestaan, vandaar z’en huwelijk met Groo’moe;—en wie en wat was Oom nu hier! Geertje geloofde niets meer van die krant; wat Oom wel uitvoerde was haar een raadsel; maar wat ze zàg, hu, ze rilde er van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig om daar hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens, en tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle deurtjes-en-raampjes aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit een spoor van leven uit kwam. Het kroegje meegeteld, waren er drie winkelramen aan de[38]overzij. Aan deze kant was er nog een minder: zuilie.… en, daar, de schoenlapperswinkel. Aan d’overkant was toch gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap boven de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z’ook niet, maar ze hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante vond het ook wàt dwaas; in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; buiten maat was die groote lichtbol (Oom had nog zoo’n ballon gehad) bij de engte van de kast en de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen, waar-ie buiten de stadsdrukte stond, net er naast.… Och maar Oom deed alles er-naast! D’éérste straat—een dóóie straat—ná de drukke Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet als aan de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het was gewoon malligheid. En dan kon Oom ’s morgens nog met een ernstig gezicht tegen haar zeggen:—„Geertje, pas jij vandaag op de winkel, ik mot uit, ’k heb veul te loope”.… Ja, ze zou oppassen—voor d’er zelf, ze paste d’er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking zoeken.…Huiverend—’t was nog koud in de lucht—ging ze terug door het smalle deurtje, weer de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht van gekookt eten en ouwe boeken.[39][Inhoud]V.—Ja gut nou vin ik et wel.…—Nou dag!—Dag Oom.En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje toch, wat een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór Pinkster. O, wat een prettige straat was dit toch! Zóó voelde je je in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde de straat in! Gunst, een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat vreemde ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee zilverwinkels met de gou’en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten zag, dacht ze altoos aan een sprookje, al dat licht en al die kleuren in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie kristallen dingen; daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar bezaaid met horloges.… Hè, daar die prachtige rooie snoeren en dat ritselen van dat licht langs de zilveren jongenskettings, en d’er tusschen de kelken met lichtjes, tusschen al dat geglinster gestoken.… Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, en ja, hier was Vermarsch toch ook nog.… Kijk nou, die had wel een heele rij bijbels!.… Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het hier lekker vol, spoorweggidsen, schoolbehoeften, prentbriefkaarten, ’en half raam vol. „Wàt ’en mooie kinderboeken.… Maar van die bijbels zou ze n’is zegge; of, wat gaf het!… Daar hadt je Elie. En hier De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.… En dan hùn winkel!.… O dáár was[40]Jansen—stil voorbij maar, ellendig toch je te moeten schamen.… ’t Steegje voorbij, ja, daar was het huis:Haring, Stok- en Zoutevisch.… Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in ’et winkeltje. Toch maar naar binnen.…—„Goeienavond”.… Juffrouw Koenders keek niet op—als je de handen ook zoo vol heb’.… Zou ze durven doorgaan naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag zegge.… Maar as Mina haar dan zag staan. Nou wat gaf dat? Zoo, wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net nou er zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou ’et ook. Toch wachten. ’t Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al die bussen en die flesschen, daar die plaat, en die kaart van het Nieuwsblad. Wacht! Nou.…—Goejenavond juffrouw.—Dag.… juffrouw.—Is Mina thuis? Ken u me nie’ meer? Geertje Hendriks. Weet u niet, die wel bij Mien kwam.—O! ja.… Ja, Mien is achter.Zij door. O daar was Mien al.—Dag Mien.—Hé bei jij ’et Geertje. Kom derin.Daar zat ze weer.—Bei je weer is hier?—’k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn verhuisd.…—Ja!.…De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het, dat wou zeggen: ja dáár weet ik alles van, praat me niet van die verhuizing!.… En ’t gesprek bleef even hokken.—Wat ’en mense in de winkel!—Ja da’s altoos ’s Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben jij voor de Pinkster us overgekomme?—Gut nee, ’k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, ’k zoek ’en betrekking.…—Wàt ze’ je![41]—Ja gut, weet je niet da ’k dat toe’ al wou. ’k Wou zoo graag as kinderjuffrouw.…—Zoo! En.… hei j’al wat op zich’?—Nee! ’k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij kom toch in zooveel huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor me zoue hebbe, ze hadden et ook an Groo’moe geschreve, dat ze wel wat voor me zoue vinde, maar ik zie d’er nog niet veel van.—Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar waar die tegesewoordig verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. ’k Wil wel is hoore.… Maar et zou dan motte weze in ’en christelijk gezin.…—Ja, nou dat meende-n-ik ook.—Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.… Maar as jij zoo wil, met plezier.—Ja graag.… Gaat het jou altoos goed?—Och ja, zoo’n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as anders. Maar me moeder he’t goed d’er brood, ’k hoef ’et dus niet zoo te doen. Natuurlik komp ’er wel is wat tegeslag. As ik hier in de rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. ’t Is toch ook voor de hééle dag haas’. Ik naai alleen in christelijke huize, en die benne d’er niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik wel ’is onplezierige dinge. Net deze week nog weer, bij de vrouw van ’en aptheker, ze betaalde me negentig cente, andere mense geven ’en gulden, nou en de kost was d’er ook nou niet zóó. Maar ’en last, dat ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor maar niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op ’t laa’s vervele en ik heb d’er maar afgeschreve. Dus nou heb ik me dinsdagge ope.… Kijk, daar ’s moeder ook.…—Hoe gaat het je, Geertje? ’k Zou je zeker niet herkend hebbe. We hebbe anders nog wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make.—Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve.…—Och ja gut, maar je begrijpt.…[42]—No’ ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je Oom?.… Daar is et anders wel veranderd.…—Ja, dat het zij al ondervonde.… Verbeel je Moeder, d’er Oom, of d’er Tante, had an d’er Grootmoe geschreve, dat zullie wel ’en betrekking voor d’er zoue vinde.…—Hoe, ’en betrekking?—Ja, ziet u, ’k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger had Oom is, toen-ie thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me vrage zou bij dominee Gobius, of die niks voor me wist.…—Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle!—Geertje vroeg offe wij niks wisse.…—Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou’ers dat goed, dat jij zoo maar op de bonnefooi naar Rotterdam ging?—Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde.—O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar ’t is nog mooi dat je Oom je de kos geef, want anders.… ’en kostganger meer, die past hum nou ook nie’ bezonder.…—Daarom wou ’k d’er juist graag uit. Weet u niet ie’s?—Ja kind, as ik wis.… Zie je, maar.… Jonge, meid, is dat no’ wel goed voor je? In zoo’n groote vreemde stad, jij die zoo van buite kom.… Weet je wel, wat het is in zoo’n stad?.…—Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel ’en fesoenlijke betrekking vinde.…—No’ ja, maar dan nog.… mit al die verleiding. Afijn, dat benne mijn zake niet.… Mien, la’ me morgen Griet der is vrage.… Misschien dat die wat weet.… Anders, zoo midden in de tijd.…—Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons gemak.…—Hei je al is in de Kerkbode gekeke?—In wat?—De Kerkbode, da’s de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin je-n-ook de beste dienst-anbiedings in.…[43]—O!—Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.… Zou zij daar nou der dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders d’er raad!?—Hier is-t-ie, zei Mien.—Mag ik daar is in kijke?Juffrouw Koenders had „volluk” hooren roepen. De meisjes keken samen de krant door. Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje vertelde van thuis, van ’t dorp. Mina deed een kleinigheid blijken van „een vriend”, die wel eens aankwam, morgen zou hij in de kerk zijn, dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.… En heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk.…De meisjes scheidden: „tot morge’ dan”; Geertje zou Mina komen halen. En ze kreeg De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen heen. Bang was ze niets, hoewel het al laat was. Wat konne haar al die flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar ze een beetje angst voor had:—wat zou’en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo gemopperd, dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou maar, Groo’va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw „mee” ging ter kerke. En ze was er geen een keer geweest.… Als Oom boos was, haar een zorg. Ze verkeerde veel liever met menschen als juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. Ze voelde zich nu weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. ’t Waren wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo’moe zou ook zeker blij zijn, als ze morgen van hen schreef.En op eens.… het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van ’t Singel, kreeg ze zoo’n verlangen naar Groo’moe, zou ze plots thuis willen zijn, morgen met Groo’moe naar de kerk gaan, Groo’va hooren bijbellezen, vóór de preek van Dominee Wevers.…[44][Inhoud]VI.Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze ’s Zondags-, zoo min als ’s Zaterdags-avonds durven vertoonen.’s Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders.Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen:—Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z’en huis.…Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. ’t Was een prachtige Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid was ze opgestaan, na ’s avonds niet te hebben kunnen slapen van ’t prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins z’en groote zaken, en van de flinkheid van z’en vriend Heins—als meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.… nou! Nee, veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von’ ze-n-et onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen, over „al de verandering”, en „de slechte vrinden”, en „de goddeloosheid die zichzelf straft”—maar Oom scheen het dan[45]toch ook leelijk te hebben laten zitten aan de Binnenweg—bij de juffrouw stond er ook nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden die twee menschen plezierig samen: ’en drukke zaak, en Mien die d’er veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld aanloop—van de kinderen van Mien d’er broer; en van die ou’e juffrouw Grietje die op het hofje aan ’t Schiedamsche Singel woonde en gisteren eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.… en van Arie, Mien d’er „vriend”, met z’en zuster:—Mien d’er leventjelag klaar, dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben’.… Want, daar had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer in ie’s anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag—uiterlijk alles zoo eenvoudig; ’t winkeltje, wat leek et nou? maar d’er ging wat om—en zoo mit alles.… Wat zou dat nou zijn bij die Heins—ook natuurlijk weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.… O, ze snàkte, dat zeder uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.… Maar juffrouw Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d’er naaimenschen.…—Wa’s ’t vol op ’t Singel, zei Tante.—Met zu’k prachtig weer, zei Oom.Bij Tivoliblevenze even kijken naar de bonte platen met poppen en reuzeletters.—Wiwwe daar v’en avent is heen?—Hai je de cente?Tante zei ’t snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep, omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo’va dat is gehoord en gezien had!…[46]Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee’ of-ie Oom niet zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest.—Di’s?.… et Hang, lichtte Tante in.—Dáá’lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan.En even later, met waardigheid:—Hier!Twee deuren naast mekaar, d’eene met glas, naast een groote winkelruit, waar met wit en rood op stond:„Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co.”Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit en gordijn hing een strook met niets dan „Visitekaartjes” er op. Op de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt, daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier met bloempjes.Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich voorzichtig om, en trok z’en manchetten wat uit, en monsterde Geer, met oogen van: zie je d’er nou wel knap genoeg uit? en ook langs Tante zag Geer zijn oog glij’en, haastig, dof.… Maar krachtig was zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, of menéér thuis was.—U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens.Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor.—Dat gaat ook na ’t ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur in de gang. Toen—Tante, die het laatst kwam, had de voordeur gesloten—moesten ze vrijwel in ’t donker naar boven strompelen, eerst een kleine trap, dan een die wentelde.—Geer was doodsbang de ijzeren leuning te verliezen. Op[47]de overloop, voor een keukendeur, stond een slons van ’en meid.—Wel, Sefie, gaat ’t altoos goed? vriendelijkte Oom.De meid beloonde:—Ja, menéér Naikerk.…—Nog ’en trap, zei Oom tegen Geertje.Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op, niet donker, maar even smal als de eerste.—Zóó.… Niekerk, kom j’es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke mannestem boven.En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid, een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel.—Hoe gaat ’et vriend?.… O, is dat nou je nichie.… Dag juffrouw Niekerk, ’t is me-n-en klim, hé.… Komme jullie maar us hier, gaat d’er nou maar gauw bij zitte.… Ja, me vrouw zel voort wel komme, och, je weet.… Kom, steek us op …Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom had dus niet te veel gezeid. Weze’lijk een groote boel. Wat ’en huis, en, hier, wat ’en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige pe’dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en ’en dubbel stel gordijnen voor spiegelramen.…—Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d’er tege kon, zou ’k zegge, la’ me wat gaan raije-n-in ’en ope bakje.…Tante giegelde, Geertje moest ook lachen.—’En beste sigaar, Heins, zei Oom, met ’en gezicht of-ie wàt ’en kenner was.—Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht z’in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.… Wacht ik zel me vrouw is roepe.…[48]—Nou? wat ze’ je d’er van? he’k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen meneer de kamer uit was.—Nee Oom! erkende Geertje.Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd misschien wel aan ’er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! ’t Was.… voornaam hier, die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote pertret aan de wand, was dat niet.…?—Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend.—Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins.…—Nou? wàt meneer Heins?—O, me man sprak geen kwaad van u!—’k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet ’et nie’ minder.… Van dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da’ was.…—Och jawèl Oom!—Dat portret? ’Et is maar fotegrefie!—Maar met kleur d’er op!—Ja, mit kleur.Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man.Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen, waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood op een mager, rimpelig groezelgezicht.—Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins.Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar de juffrouw d’er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins:[49]—Zuwwe de kinders niet is zien?Dadelijk antwoordde juffrouw Heins:—De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan, mit Sefie.—Die is hier ook al ’en heele poos, waagde nu Tante in ’t hokkend gesprek.—Ja, ferandere doe-n-ik nie’ graag, zei juffrouw Heins met zelfbewustzijn.—’t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer.Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed.—Ik ben tevreje-n-ofer Sefie.Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open; daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; ’t oudste, een jongetje, dat leek op de moeder; ’t tweede, een meisje, ’t gezicht van ’er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde—ook Geertje was ’t een verrassing—uit zijn zak twee kleine prentenboekjes, dingies uit hun winkel, van ’en stuiver.—Kijk is hier, voor ieder een.…Maar de kinderen aarzelden aan te nemen.—Nou? zei Oom.—Koos, pak is an van meneer, da’s voor jullie, zei de vader.’t Meisje lachte en wrong met ’er kopje; ’t leelijke jongetje zei op het laatst:—’k Hep feell mooier boekies.…—Hahaha!Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip.—Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie, pak! anders gaan ze-n-in de zak.…En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog[50]Koos er op aan, en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, ’t leelijke bleeke ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid.—Wel jou.…!’t Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa, waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met gemaakte boosheid zei hij:—’k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de kamer uit, zonder gedag zegge.…—’t Binne me d’er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal de deur uit waren.Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van een stuiver:—’t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid.En zonder plichtpleging liep ze hen na.—’t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d’er niemand as Sefie: we motte d’er nog ’s ’en juffrouw bij neme, ook voor et huishoue, maar we stellen et telke’s uit.…Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken, naar Oom.… maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou iets zei.… Maar de deur ging alweer open.… Nu deed juffrouw Heins vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .… gelukkig vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en Tante, of dat ze terug ging naar d’er Groo’va.…Nu dorst Oom zich dan toch haasten:—Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw.En daarbij keek Oom meneer aan.Die, met iets als weifeling:—Zoo, wilt u dàt!.… Wel dan most u maar bij ons komme!—Hahaha!Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen:—Nou, ik wil wel.[51]Juffrouw Heins werd nu zeer strak.En al spoedig zei Oom:—Vrouw, wille we-n-es.Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog wel aardig om te zien—’t b’lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen—in de lucht.… Te minste zoo leek het.… maar het was niet zoo. Door een raam bracht meneer d’er op een plat dak, met leuning, en daar had je zoo’n aardig gezicht.… Hu, ze werd er haast duizelig van, toen ze pal naar beneden keek: in ’t water!—Ja, da’s et Steiger, vertelde meneer.Maar er was zóó ’n wind op het plat; Oom zei ook: je kon ’er niet staan haast.—’s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk.En Geertje antwoordde in d’er gedachten: dus je denkt er niet meer aan dat ik hier als juffrouw zou komen.…[52][Inhoud]VII.Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van dachten?—Ja, meneer Heins had het wel gezeid, maar het was natuurlijk een zaak van de juffrouw. En die had niet toegebeten.—’t Is ’en lastig zeeschip, waarschuwde Tante.Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo’n aardig kind! En het was in die beneden-achterkamer slordig en vuil, je kon zien dat de juffrouw dikwijls ziek was. Zeker viel daar heel wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.… ’t Was wel ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige menschen.…. En.… plotseling dacht ze aan Mien en d’er moeder.… ’t was óók wat anders dan die voor haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze nu veel minder lust in. Gisteren leek dat haar nog zoo plezierig. De zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee Gobius, ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat eens open kwam.… Nu lokte plotseling dit haar veel meer.…’s Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante.Oom beloofde: hij zou nog ’es vragen.…En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig „op proef van beie’s kante”, en „meer as kind in huis”, naar het groote winkelhuis in het Hang.[53]
[3]
[Inhoud]I.Grootmoe, in het gangetje, onder aan de trap, riep met ’er zangerig-goedige stem:—Geer,.… kom je?En daar er geen antwoord van boven kwam, liep Grootmoe even later, toen ze zag hoe ongeduldig Grootvader werd, nog maar weer eens naar de trap, en riep:—Geer! kom nou toch kind.…—Ja Groo’moe, daa’lijk! riep Geertje nu.Ze repte zich ommers zooveel ze kon. Maar die ellendige das wou niet. En ze moest ’er handen ook nog even náwasschen. Er was toch nog meer dan een heel uur tijd. Hè, eindelijk zat de das. Terwijl ze zich nu, met dat lekker ruikende bolletje, dat ze in ’er taschje zou bergen, zacht over de handen wreef, voorzichtig, om toch geen spatten op ’er japon te krijgen, keek ze, het lijf over de lage kom gebogen, maar het hoofd behagelijk achterover in de nek, al maar naar dat eene stuk wand van haar kamertje, dat gehavende stuk bleek behangsel, iets minder verbleekt toch dan de rest van het fletse bloempjespatroon; dat stuk, waar ze zoovele jaren lang, sinds het begin van de zondagsschooltijd, toen ze de eerste gekleurde-prentjes had gekregen, telkens en telkens aan bezig geweest was, om de schilden, de kaartjes, de fotografies te verschikken en nog eens te schikken; en dat nu plotseling leeg was, berooid, leeg en gehavend met vele gaatjes van de spelde- en haakjesprikken. Even was ’t als iets vreemds, haast onmoog’lijks, dat zij die leegte had aangericht; maar dan werd[4]haar werk van de laatste dagen in haar besef als een opruiming; en, het lijf rechtend, liet ze de oogen omgaan door dat kamertje, waar zij zich nu wezenlijk uit had vrij gemaakt. Ze was waarlijk zoover gekomen. Dit handenwasschen was het àllerlaatste werkje van al die drukte der laatste weken, die roes van kiezen en koopen, en knippen en naaien, en beredderen, en inpakken, en boodschappen doen en bezoeken brengen, veel lange dagen met korte nachten, na de máánden gekibbel met Groo’va om de permissie voor d’er vertrek.… Hè, Goddank! dat nu àllesgedaanwas.…Tevreden liet ze het schuimwater plassen, in gedachten spelende met het schuim, tot ze opeens dacht aan gevaar.… ach kijk, spatten op ’er mouw bij de pols, en een groote vlok op ’er rok. Gauw flink afdoen met de handdoek.… Zoo. Die pluizigheid van de doek zou ze later wel afborstelen. Ze moest werkelijk zich haasten. Ze hoorde Groo’va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig.… daar was hij al in het gangetje!Nu kwamen de woorden, kort, met gezag:—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden.…Dan moest het maar.… Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, ’er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.… Even rondkijken.… Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien.…En het slechtgelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje.Groo’va’s voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.—Waar bleef je nou toch? zei Groo’moe. Op haar gezicht was enkel droefheid.Het eten stond er al.[5]—Aan tafel, zei Groo’va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.Toen alle drie zaten, bad hij:—O Heer, onze God! wij danken U voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig U loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot U in onze nooddruft, want ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die U vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te houden in den honger. Wees Gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten gaat. Wees Gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als zij nederligt zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal hetzelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boozen. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!Geertje was gewoon aan Groo’va’s lange gebeden, met teksten er in. ’s Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar best om mee te bidden, maar ze[6]was er niet in. Al toen Groo’va bad van „gebrokenen van hart”, hoorde ze een snik van Groo’moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en snikte Groo’moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken.… Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo’va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, bij die bijna geméénzame woorden, die ze al als heel klein meisje van Groo’moe geleerd had als Jezus’ gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar neus; en na het Amen stond zij op, en liep naar Grootvader om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo’moe’s stoel.—Och kind, hikte Groo’moe.—Heusch Groo’moe, Geer zal goed oppassen.Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; de kleine, vleezige hand van Groo’moe streek haar langs de wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel, en het eikenhouten harmonium.…Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo’moe gekozen, als Geertje’s lievelingskost. Maar Groo’va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders.Zij spraken weinig.[7]—D’er is nog ’en beetje rijst, zei Groo’moe, toen Groo’va de stoel verschoof.—Zoo? Nu gauw dan.Maar net toen Groo’moe opstond, werd er aan de huisdeur geklopt.—Hendrik; ik zie den kruiwagen, zei Groo’va.Hij had de kweekeling verzocht, Geertje’s goed naar het station te kruien. Geertje hielp even aandragen; eerst de koffer, toen de mand; de hoededoos zou zij zelve wel meebrengen.—Och waarom, zei Hendrik, hij kan d’er nog best bij.—Tot straks dan, knikte Geertje, toen Hendrik wegreed.In de keukendeur stond Groo’moe, de schaal met rijst in de hand, en oogde de weggevoerde koffer na.Geen van de drie had nu nog honger. Groo’va at een heel klein beetje; Geertje vroeg, of ze haar portie mocht laten staan.—Dat is dan voor de kippen, zei Groo’va.Hij deed het dankgebed, en ging, in de slaapkamer, hoed en jas halen.Groo’moe hielp Geer met ’er manteltje.—Zal je nou trouw schrijven, kind? Je weet, hoe Groo’va daarop gesteld is. En zal je ons oprecht alles melden?—Ja Groo’moe.Terwijl ze de hoed opzette, zag ze in de spiegel de dikke grauwe luchten drijven.—Hè, ’k hoop dat het niet gaat regenen.—De wind is nog al hoog, stelde Groo’moe gerust.Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening.—.… Nou Groo’moe.…—Nou kind …!’t Was of Groo’moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo’va zeggen:—’t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze de trein niet zou halen.[8]—Goeie Groo’moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los.—De Heer.… zij.… met je, beefde Groo’moe’s stem.—Ja Groo’moe, zei Geertje, en zocht haar taschje.Toen ze het had, taschje, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een vroolijker:—„Dàg Groo’moe, het beste Groo’moe”, een lichte kus op het grijze haar; en vlug vóór Groo’va, die de voordeur had geopend, heen, was ze in eenen kamer en huis uit.—We komme d’er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklepte.—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo’va. Zeg Groo’moe nog eens goeden dag.Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo’moe’s gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze Groo’va na, die was doorgeloopen.Bij de draai van de weg bleef ze even staan, en wuifde weer.—’k Zie Groo’moe nie’ meer, zei ze.Stil dook, omhuifd door grauwbruine takken, ’t lage witte huisje, met het zware, vooruitspringend puntdak, achter de lariksen en conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was ’t donkere pleintje er voor.…—Kom nu! riep Groo’va.En Groo’moe, die in Geertje’s kamertje door het zolderraampje keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.Langs de boerderij van Schaap, waar ze op de deel Hanna bezig zag, die dadelijk verdween, maar even later, met Rika en toen ook Moeder Schaap, voor het zijraam van de voorkamer kwam, bereikte zij de bewoonde dorpsstraat.Isaäc had pas geslacht, maar hij kwam toch even naar[9]voren, en groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: —Bezjoer, hou’ je maar taai, Geer!En zoo deden ze bij Schurink, vrouw Nijbroek, en Wijers. Het dorp wist, dat zij vertrok. En overal kwamen er geloopen, meisjes, vrouwen, kinderen, om Grootvader en haar te groeten.Bij de zandweg naar de molen stond Lina Kroon met ’er zusje.—Geertjen, hier heij’ ’n mandje mit appels, lekkere bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege.—Maar, Lina! Dank je wel hoor!Lina pretglansde, ’t zusje grinnikte.—Blomme bin d’er zoo niet. Nou hei je toch wat.…—Heel vriendelijk van je, hoor Lina, zei Meester.—Of Geertjen toch ook bemind vleesch is, Meester? kwam de stem van Scholten, de postbode, hen achterop.—Zoo Scholten, ben jij daar al. Is ’t al zóó laat?—Nou, zooveul tiet heij niet. ’k Het Hendrik Barmentlo zien goan mit ’et goed. Moj’ doar nog wat an doon?—Hendrik zou het laten wegen, zei Meester. Hij weet dat het naar Rotterdam moet.Maar Geertje, erg geschrikt, tripte heen, voor de mannen uit, een pas twee, drie, aldoor voor hen uit.Hendrik had voor het goed gezorgd. Meester moest enkel een kaartje nemen en betalen. Geertje was in de wachtkamer gegaan. En van het perron kwam opeens Jan Heukelman.—Ik kom je even ge’ dag zeggen, Geertje, zei hij.—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek bekend, en hij he ’t mien opgedroage je z’en groete te brenge. En dat ie hoopte da ’j altoos De Heere voor ooge zoudt houden.Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan Willem te geven.[10]—Je grootvoader mot me nou mor niet zien, zei Jan. Dag Geertje. De Heere behoede je.—Dag Jan, zei Geertje; en, half onwillig, zacht achterna: —Dank je.Jan aarzelde, of hij nog wat verwacht had. Maar de deur ging open, Meester kwam binnen. Daarom verdween Jan door de perrondeur.Geertje bedankte Hendrik voor zijn moeite. Daarna legde Groo’va Geertje uit:—te Amersfoort moest ze overstappen, en dan te Utrecht weer. ’t Papiertje van ’er goed had ze niet noodig vóór Rotterdam; ze moest het vooral zorgvuldig wegbergen; en het kaartje moest ze oplettend in de hand houden.—Verder, kind, zeg ik je niets meer. Ik zal niet ophouden voor je te bidden.—Doe dat Groo’va, zei Geertje.Op het perron waren vier, vijf dorpelingen. Ze groetten Meester met de pet, een paar zeiden Geertje goeden-dag. De oude stationschef maakte een praatje; hij praatte nog door, toen hij een paar pas achteruit moest treden, naar de bel, omdat de trein er was.—Kom nu, dat je een goede plaats krijgt, zei Groo’va, toen de trein nog niet stil stond. Zenuwachtig liep hij voor Geertje uit. Zij zag van ter zijde naar hem, hij was bleek.—Derde vrouwen, Conducteur.—Achteran, onverschilligde de conducteur, zoekend naar een coupé tweede die moest geopend.Mozes, de zoon van Isaäc, kwam uit de trein, hield Geertje tegen om haar vaarwel te zeggen.—Geertje! riep Groo’va. Hij had de coupé voor haar gevonden, en schrikte dat ze was blijven staan. Maar er was immers nog tijd genoeg!In de coupé zat eene juffrouw.—Denk er vooral aan, dat je te Amersfoort en te Utrecht om de vrouwencoupé vraagt, zei Groo’va. En schrijf ons vandaag nog.[11]Hij omhelsde haar, zij stapte in. Mozes kwam nog even kijken, plotseling stond hij achter hen.—Schrijf je mijn ook ’es? grappigde hij.Ook Scholten, aan de postwagen klaar, liep langs de coupé en wenschte g’en-dag.Toen daverden de portieren, de bel sloeg drie slagen, een kreet van het fluitje, en Geertje gleed boven de hoofden heen, knikkend naar allen, Grootvader in de oogen kijkend—wat was hij bleek, wat leek hij oud zoo .… En toch, zooals hij daar stond, kaarsrecht, lichte hoofdknikjes gevend tot groet, was hij voor haar wat hij altijd geweest was: de belichaamde vermaning.Op het voetpad bij de overweg wachtte waarlijk Jan Heukelman. In een aandrang om plezier te doen, om vriendelijker te zijn dan straks; ook uit joligheid dat ze nu wegging; èn uit verlangen om nog een laatste groet te geven aan het dorp dat zacht verschoof, boog Geertje uit het portier, en wuifde, knikkend en lachend. Maar haar hand hield stil en haar lach trok weg, want ook Jan groette nu met de hand, en bij die loome armbeweging deed hij haar dadelijk denken aan zijn broer, die juist zoo had staan doen op het stationsperron, toen zij voor twee jaar naar Rotterdam ging om Tante op te passen. Wat leken al die jongens van Heukelman toch op mekaar! De gezichten, de lichamen, elke beweging. En vooral Willem en Jan. Wat waren die twee ook trouwe vrinden! Jan nu weer met die boodschap voor haar .… Natuurlijk had hij naar Amerika geschreven; geschreven: „het is er door, Grootvader heeft eindelijk permissie gegeven, Geertje gaat naar Rotterdam.” En daarop Willem gauw een brief, om Geertje de complimenten te doen. Wat kon die boodschap anders beteekenen dan: „Geertje, ik ben je nog niet vergeten”? Alsof ze dat niet wist! Willem zou toch geen Heukelman moeten zijn, om, eenmaal zijn zinnen gezet op een meisje, zoo gauw van haar af te zien. Wat hadden de menschen[12]niet gekletst, van: „och die arme Willem, die naar Amerika gaat, omdat Geertje hem niet hebben wil.” Hij zou het nog van hartzeer besterven! En wat was gebleken?—dat hij na een maand al een betrekking had als eerste-boereknecht, waar-ie meer verdiende in zes maanden dan Groo’va als hoofd-van-de-school in een jaar. Maar Geertje opgeven? Kan je begrijpen! Jan had wel verteld, dat de boer drie ongetrouwde dochters had, en dat de boer Willem zoo graag mocht, en dat ze ’s Zondags allemaal samen naar de kerk gingen, en dat Willem al tweemaal bijbellezing had gehouden op de deel; maar dat was ommers toch maar alleen om haar jaloersch te maken. Ja, zij jaloersch om Willem! D’er zegen had-ie, op zijn huwelijk in Amerika. Ondertusschen was zij nog niet van hem af. Nou maar, ze was nou te-minste het dorp uit. En knap wie haar daar spoedig terugzag. Brieven? .…—toch niet te vergelijken met al dat tobben-en-zeuren van Groo’moe, omdat ze zoo’n „flinke jongen” van een rijke boer afsloeg, en met al die sermoenen van Groo’va, dat alleen „haar gebrek aan Christelijken zin haar weerhield om Willem te trouwen.” Alsof dat nu twee dingen waren, die je bij mekaar te pas kon brengen! Ja, zij zou verlieven op een lijs van een jongen, alleen omdat-ie bijbellezingen hield en voorzitter was van de jongelingsvereeniging. En dan dat misselijk gedrein en geflikflooi van Willem z’en zusters! Net of zij niet heel goed wist, dat die eigenlijk op haar neer zagen! Maar omdat Willem, in stee van een boerendochter naar z’en stand te trouwen, nou eenmaal op die deern bij-Meester-in-huis was verliefd geraakt, daarom was het „weeskind” een wonder, kon ze zoo knap d’er hoeden opmaken, en had ze zulk mooi haar, en streek ze zoo keurig, en was ze Groo’moe tot zoo’n gemak in het huishouden, en allemaal zulke flousjes meer. Nou maar, ze hadden wel gezien dat het niet pakte! Zelfs niet al die teergevoeligheid, toen Willem had gezeid dat-ie naar Amerika wou. Alsof dat nou zoo verschrikkelijk was voor een jonge vent om de wereld ’es in te[13]gaan. Trouwens, waartoe was het noodig geweest! Het dorp was toch groot genoeg voor hun allebei, en Willem wist toen al, dat zij misschien naar Rotterdam zou gaan. Was het dan geen flauwe klèts, te zeggen: als ik jou niet krijg, kan ik in ’t land niet langer leven? Als hij haar niet vergeten kon, zou hij dat in Amerika ook niet kunnen! Och, maar zijn neef Hein Scholten was ommers ook gegaan! Nou, dat was een andere jongen! Die had er ook gauw een vrouw gekregen, een mooie rijke Duitsche vrouw. Willem.… Geertje kon het zich niet voorstellen, dat Willem trouwen zou. Wie van de dorpsmeisjes had ’em gewild? Neeltje Lusink, nou ja, die schele, die wel wist dat ze altijd bleef zitten. En anders alleen Hendrina Schaap, die bijna tien jaar ouwer was. O, wat haatte ze die dikzak met al d’er blomzoete achter-de-mouw’s-heid! Vroeger, voordat ze wist dat Hendrina hem zoo graag wou hebben, had ze nooit zoo’n felle hekel aan Willem gehad. Eerst toen ze hoorde dat daar kwestie van zou wezen, van ’en huwelijk van Willem met dàt ouwe-mensch, eerst toen had ze opééns geweten, waarom zij altoos met weerzin met ’em liep: hij was ouwelijk, hij hoorde bij eene van tien jaar ouwer, en zij, o zij was jong! veel hield ze, zeker, van Groo’va en Groo’moe, maar ze snàkte naar ’en leven met jònge menschen.… Dat was wat ’er speet in het huis van Oom, dat daar geen jonge menschen waren, niemand als die zwaar-op-de-handsche broer van Tante, die telkens ’s avonds kwam. Máár, in een stad, daar heb je de vriendinnen ommers voor ’et kiezen! Ook was het toch maar tijdelijk. Zoodra ze een goeie betrekking kon vinden, poetste ze ’m. Het zou misschien niet zoo makkelijk zijn, als meisje uit een dorp, en niet met kinderen gewoon.… Hè maar, Tante kende veel menschen; àls ze nu eens een plaats kon vinden in een groot gezin met véél kinderen, ook ’en paar ou’ere meisjes die niet hooghartig tegen haar waren, en zij dan in de kinderkamer met vier of vijf van het kleine grut, net zoo als de Fransche juf in de groote zonnige kinderkamer op Groeneveld.…[14]Al twee keer had de trein gestopt, de tweede keer was de juffrouw uitgestapt. Een conducteur, een kleine dikke met ’en snorretje, had tegen haar gelachen, gewenkt of zij er ook niet uit moest. En almaar, almaar vloog de trein—en ze was er zeker nog lang niet.… Maar nu hoorde ze „Amersfoort” roepen. Overstappen!—De conducteur zei, dat ze de tijd had.Geduldig liep ze heen en weer op het perron. Je woei haast omver, maar het was teminste droog. Plotseling dacht ze aan haar koffer. „Waar was haar koffer, wat moest ze doen? moest ze niet zorgen, dat die ook in de andere trein kwam? En nou was er nergens een conducteur!Een heer, die naast haar drentelde, sprak haar aan:—„Moet de juffrouw ook naar Utrecht?” op zoo’n goedig-kalme toon;—ze was er zeker van, dat hij haar onrust over de koffer had opgemerkt. Dus vertelde zij hem van haar vrees voor het goed. En toen hij het reçu had gezien, stelde hij haar gerust. Er stònd immers op: Rotterdam. Ja maar, dat stond op haar kaartje ook. Nu já, maar dat was iets anders: de conducteurs konden haar toch niet overtillen zooals een pakje! Ze zouden misschien het wel graag willen doen—wat jij, Conducteur?.…De conducteur die nu net langs kwam, een met een andere pet dan die straks, bevestigde de geruststelling van de heer, en deze zette het praatje voort, vroeg of zij wel eens meer te Rotterdam was geweest, of ze er voor plezier ging losjeeren, en zoo meer. Hij ging enkel maar naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen.Geertje dacht aan wat Groo’va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat an de heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!.…Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:—Ja, nu moet ik een dames-coupé hebbe.[15]Doch er was er maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heendrong.—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen zitten, lachte de heer.En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zichzelf. Misschien was er nog een coupé geweest; zij had daar niet verder naar gezocht. Nu zat ze in een groote wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke heer tegenover haar.—Hebt u het hier nu niet goed bij me?—Heel goed, lachte zij terug—toch een beetje pruilend.[16]
I.
Grootmoe, in het gangetje, onder aan de trap, riep met ’er zangerig-goedige stem:—Geer,.… kom je?En daar er geen antwoord van boven kwam, liep Grootmoe even later, toen ze zag hoe ongeduldig Grootvader werd, nog maar weer eens naar de trap, en riep:—Geer! kom nou toch kind.…—Ja Groo’moe, daa’lijk! riep Geertje nu.Ze repte zich ommers zooveel ze kon. Maar die ellendige das wou niet. En ze moest ’er handen ook nog even náwasschen. Er was toch nog meer dan een heel uur tijd. Hè, eindelijk zat de das. Terwijl ze zich nu, met dat lekker ruikende bolletje, dat ze in ’er taschje zou bergen, zacht over de handen wreef, voorzichtig, om toch geen spatten op ’er japon te krijgen, keek ze, het lijf over de lage kom gebogen, maar het hoofd behagelijk achterover in de nek, al maar naar dat eene stuk wand van haar kamertje, dat gehavende stuk bleek behangsel, iets minder verbleekt toch dan de rest van het fletse bloempjespatroon; dat stuk, waar ze zoovele jaren lang, sinds het begin van de zondagsschooltijd, toen ze de eerste gekleurde-prentjes had gekregen, telkens en telkens aan bezig geweest was, om de schilden, de kaartjes, de fotografies te verschikken en nog eens te schikken; en dat nu plotseling leeg was, berooid, leeg en gehavend met vele gaatjes van de spelde- en haakjesprikken. Even was ’t als iets vreemds, haast onmoog’lijks, dat zij die leegte had aangericht; maar dan werd[4]haar werk van de laatste dagen in haar besef als een opruiming; en, het lijf rechtend, liet ze de oogen omgaan door dat kamertje, waar zij zich nu wezenlijk uit had vrij gemaakt. Ze was waarlijk zoover gekomen. Dit handenwasschen was het àllerlaatste werkje van al die drukte der laatste weken, die roes van kiezen en koopen, en knippen en naaien, en beredderen, en inpakken, en boodschappen doen en bezoeken brengen, veel lange dagen met korte nachten, na de máánden gekibbel met Groo’va om de permissie voor d’er vertrek.… Hè, Goddank! dat nu àllesgedaanwas.…Tevreden liet ze het schuimwater plassen, in gedachten spelende met het schuim, tot ze opeens dacht aan gevaar.… ach kijk, spatten op ’er mouw bij de pols, en een groote vlok op ’er rok. Gauw flink afdoen met de handdoek.… Zoo. Die pluizigheid van de doek zou ze later wel afborstelen. Ze moest werkelijk zich haasten. Ze hoorde Groo’va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig.… daar was hij al in het gangetje!Nu kwamen de woorden, kort, met gezag:—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden.…Dan moest het maar.… Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, ’er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.… Even rondkijken.… Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien.…En het slechtgelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje.Groo’va’s voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.—Waar bleef je nou toch? zei Groo’moe. Op haar gezicht was enkel droefheid.Het eten stond er al.[5]—Aan tafel, zei Groo’va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.Toen alle drie zaten, bad hij:—O Heer, onze God! wij danken U voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig U loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot U in onze nooddruft, want ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die U vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te houden in den honger. Wees Gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten gaat. Wees Gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als zij nederligt zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal hetzelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boozen. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!Geertje was gewoon aan Groo’va’s lange gebeden, met teksten er in. ’s Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar best om mee te bidden, maar ze[6]was er niet in. Al toen Groo’va bad van „gebrokenen van hart”, hoorde ze een snik van Groo’moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en snikte Groo’moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken.… Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo’va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, bij die bijna geméénzame woorden, die ze al als heel klein meisje van Groo’moe geleerd had als Jezus’ gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar neus; en na het Amen stond zij op, en liep naar Grootvader om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo’moe’s stoel.—Och kind, hikte Groo’moe.—Heusch Groo’moe, Geer zal goed oppassen.Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; de kleine, vleezige hand van Groo’moe streek haar langs de wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel, en het eikenhouten harmonium.…Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo’moe gekozen, als Geertje’s lievelingskost. Maar Groo’va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders.Zij spraken weinig.[7]—D’er is nog ’en beetje rijst, zei Groo’moe, toen Groo’va de stoel verschoof.—Zoo? Nu gauw dan.Maar net toen Groo’moe opstond, werd er aan de huisdeur geklopt.—Hendrik; ik zie den kruiwagen, zei Groo’va.Hij had de kweekeling verzocht, Geertje’s goed naar het station te kruien. Geertje hielp even aandragen; eerst de koffer, toen de mand; de hoededoos zou zij zelve wel meebrengen.—Och waarom, zei Hendrik, hij kan d’er nog best bij.—Tot straks dan, knikte Geertje, toen Hendrik wegreed.In de keukendeur stond Groo’moe, de schaal met rijst in de hand, en oogde de weggevoerde koffer na.Geen van de drie had nu nog honger. Groo’va at een heel klein beetje; Geertje vroeg, of ze haar portie mocht laten staan.—Dat is dan voor de kippen, zei Groo’va.Hij deed het dankgebed, en ging, in de slaapkamer, hoed en jas halen.Groo’moe hielp Geer met ’er manteltje.—Zal je nou trouw schrijven, kind? Je weet, hoe Groo’va daarop gesteld is. En zal je ons oprecht alles melden?—Ja Groo’moe.Terwijl ze de hoed opzette, zag ze in de spiegel de dikke grauwe luchten drijven.—Hè, ’k hoop dat het niet gaat regenen.—De wind is nog al hoog, stelde Groo’moe gerust.Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening.—.… Nou Groo’moe.…—Nou kind …!’t Was of Groo’moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo’va zeggen:—’t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze de trein niet zou halen.[8]—Goeie Groo’moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los.—De Heer.… zij.… met je, beefde Groo’moe’s stem.—Ja Groo’moe, zei Geertje, en zocht haar taschje.Toen ze het had, taschje, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een vroolijker:—„Dàg Groo’moe, het beste Groo’moe”, een lichte kus op het grijze haar; en vlug vóór Groo’va, die de voordeur had geopend, heen, was ze in eenen kamer en huis uit.—We komme d’er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklepte.—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo’va. Zeg Groo’moe nog eens goeden dag.Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo’moe’s gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze Groo’va na, die was doorgeloopen.Bij de draai van de weg bleef ze even staan, en wuifde weer.—’k Zie Groo’moe nie’ meer, zei ze.Stil dook, omhuifd door grauwbruine takken, ’t lage witte huisje, met het zware, vooruitspringend puntdak, achter de lariksen en conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was ’t donkere pleintje er voor.…—Kom nu! riep Groo’va.En Groo’moe, die in Geertje’s kamertje door het zolderraampje keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.Langs de boerderij van Schaap, waar ze op de deel Hanna bezig zag, die dadelijk verdween, maar even later, met Rika en toen ook Moeder Schaap, voor het zijraam van de voorkamer kwam, bereikte zij de bewoonde dorpsstraat.Isaäc had pas geslacht, maar hij kwam toch even naar[9]voren, en groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: —Bezjoer, hou’ je maar taai, Geer!En zoo deden ze bij Schurink, vrouw Nijbroek, en Wijers. Het dorp wist, dat zij vertrok. En overal kwamen er geloopen, meisjes, vrouwen, kinderen, om Grootvader en haar te groeten.Bij de zandweg naar de molen stond Lina Kroon met ’er zusje.—Geertjen, hier heij’ ’n mandje mit appels, lekkere bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege.—Maar, Lina! Dank je wel hoor!Lina pretglansde, ’t zusje grinnikte.—Blomme bin d’er zoo niet. Nou hei je toch wat.…—Heel vriendelijk van je, hoor Lina, zei Meester.—Of Geertjen toch ook bemind vleesch is, Meester? kwam de stem van Scholten, de postbode, hen achterop.—Zoo Scholten, ben jij daar al. Is ’t al zóó laat?—Nou, zooveul tiet heij niet. ’k Het Hendrik Barmentlo zien goan mit ’et goed. Moj’ doar nog wat an doon?—Hendrik zou het laten wegen, zei Meester. Hij weet dat het naar Rotterdam moet.Maar Geertje, erg geschrikt, tripte heen, voor de mannen uit, een pas twee, drie, aldoor voor hen uit.Hendrik had voor het goed gezorgd. Meester moest enkel een kaartje nemen en betalen. Geertje was in de wachtkamer gegaan. En van het perron kwam opeens Jan Heukelman.—Ik kom je even ge’ dag zeggen, Geertje, zei hij.—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek bekend, en hij he ’t mien opgedroage je z’en groete te brenge. En dat ie hoopte da ’j altoos De Heere voor ooge zoudt houden.Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan Willem te geven.[10]—Je grootvoader mot me nou mor niet zien, zei Jan. Dag Geertje. De Heere behoede je.—Dag Jan, zei Geertje; en, half onwillig, zacht achterna: —Dank je.Jan aarzelde, of hij nog wat verwacht had. Maar de deur ging open, Meester kwam binnen. Daarom verdween Jan door de perrondeur.Geertje bedankte Hendrik voor zijn moeite. Daarna legde Groo’va Geertje uit:—te Amersfoort moest ze overstappen, en dan te Utrecht weer. ’t Papiertje van ’er goed had ze niet noodig vóór Rotterdam; ze moest het vooral zorgvuldig wegbergen; en het kaartje moest ze oplettend in de hand houden.—Verder, kind, zeg ik je niets meer. Ik zal niet ophouden voor je te bidden.—Doe dat Groo’va, zei Geertje.Op het perron waren vier, vijf dorpelingen. Ze groetten Meester met de pet, een paar zeiden Geertje goeden-dag. De oude stationschef maakte een praatje; hij praatte nog door, toen hij een paar pas achteruit moest treden, naar de bel, omdat de trein er was.—Kom nu, dat je een goede plaats krijgt, zei Groo’va, toen de trein nog niet stil stond. Zenuwachtig liep hij voor Geertje uit. Zij zag van ter zijde naar hem, hij was bleek.—Derde vrouwen, Conducteur.—Achteran, onverschilligde de conducteur, zoekend naar een coupé tweede die moest geopend.Mozes, de zoon van Isaäc, kwam uit de trein, hield Geertje tegen om haar vaarwel te zeggen.—Geertje! riep Groo’va. Hij had de coupé voor haar gevonden, en schrikte dat ze was blijven staan. Maar er was immers nog tijd genoeg!In de coupé zat eene juffrouw.—Denk er vooral aan, dat je te Amersfoort en te Utrecht om de vrouwencoupé vraagt, zei Groo’va. En schrijf ons vandaag nog.[11]Hij omhelsde haar, zij stapte in. Mozes kwam nog even kijken, plotseling stond hij achter hen.—Schrijf je mijn ook ’es? grappigde hij.Ook Scholten, aan de postwagen klaar, liep langs de coupé en wenschte g’en-dag.Toen daverden de portieren, de bel sloeg drie slagen, een kreet van het fluitje, en Geertje gleed boven de hoofden heen, knikkend naar allen, Grootvader in de oogen kijkend—wat was hij bleek, wat leek hij oud zoo .… En toch, zooals hij daar stond, kaarsrecht, lichte hoofdknikjes gevend tot groet, was hij voor haar wat hij altijd geweest was: de belichaamde vermaning.Op het voetpad bij de overweg wachtte waarlijk Jan Heukelman. In een aandrang om plezier te doen, om vriendelijker te zijn dan straks; ook uit joligheid dat ze nu wegging; èn uit verlangen om nog een laatste groet te geven aan het dorp dat zacht verschoof, boog Geertje uit het portier, en wuifde, knikkend en lachend. Maar haar hand hield stil en haar lach trok weg, want ook Jan groette nu met de hand, en bij die loome armbeweging deed hij haar dadelijk denken aan zijn broer, die juist zoo had staan doen op het stationsperron, toen zij voor twee jaar naar Rotterdam ging om Tante op te passen. Wat leken al die jongens van Heukelman toch op mekaar! De gezichten, de lichamen, elke beweging. En vooral Willem en Jan. Wat waren die twee ook trouwe vrinden! Jan nu weer met die boodschap voor haar .… Natuurlijk had hij naar Amerika geschreven; geschreven: „het is er door, Grootvader heeft eindelijk permissie gegeven, Geertje gaat naar Rotterdam.” En daarop Willem gauw een brief, om Geertje de complimenten te doen. Wat kon die boodschap anders beteekenen dan: „Geertje, ik ben je nog niet vergeten”? Alsof ze dat niet wist! Willem zou toch geen Heukelman moeten zijn, om, eenmaal zijn zinnen gezet op een meisje, zoo gauw van haar af te zien. Wat hadden de menschen[12]niet gekletst, van: „och die arme Willem, die naar Amerika gaat, omdat Geertje hem niet hebben wil.” Hij zou het nog van hartzeer besterven! En wat was gebleken?—dat hij na een maand al een betrekking had als eerste-boereknecht, waar-ie meer verdiende in zes maanden dan Groo’va als hoofd-van-de-school in een jaar. Maar Geertje opgeven? Kan je begrijpen! Jan had wel verteld, dat de boer drie ongetrouwde dochters had, en dat de boer Willem zoo graag mocht, en dat ze ’s Zondags allemaal samen naar de kerk gingen, en dat Willem al tweemaal bijbellezing had gehouden op de deel; maar dat was ommers toch maar alleen om haar jaloersch te maken. Ja, zij jaloersch om Willem! D’er zegen had-ie, op zijn huwelijk in Amerika. Ondertusschen was zij nog niet van hem af. Nou maar, ze was nou te-minste het dorp uit. En knap wie haar daar spoedig terugzag. Brieven? .…—toch niet te vergelijken met al dat tobben-en-zeuren van Groo’moe, omdat ze zoo’n „flinke jongen” van een rijke boer afsloeg, en met al die sermoenen van Groo’va, dat alleen „haar gebrek aan Christelijken zin haar weerhield om Willem te trouwen.” Alsof dat nu twee dingen waren, die je bij mekaar te pas kon brengen! Ja, zij zou verlieven op een lijs van een jongen, alleen omdat-ie bijbellezingen hield en voorzitter was van de jongelingsvereeniging. En dan dat misselijk gedrein en geflikflooi van Willem z’en zusters! Net of zij niet heel goed wist, dat die eigenlijk op haar neer zagen! Maar omdat Willem, in stee van een boerendochter naar z’en stand te trouwen, nou eenmaal op die deern bij-Meester-in-huis was verliefd geraakt, daarom was het „weeskind” een wonder, kon ze zoo knap d’er hoeden opmaken, en had ze zulk mooi haar, en streek ze zoo keurig, en was ze Groo’moe tot zoo’n gemak in het huishouden, en allemaal zulke flousjes meer. Nou maar, ze hadden wel gezien dat het niet pakte! Zelfs niet al die teergevoeligheid, toen Willem had gezeid dat-ie naar Amerika wou. Alsof dat nou zoo verschrikkelijk was voor een jonge vent om de wereld ’es in te[13]gaan. Trouwens, waartoe was het noodig geweest! Het dorp was toch groot genoeg voor hun allebei, en Willem wist toen al, dat zij misschien naar Rotterdam zou gaan. Was het dan geen flauwe klèts, te zeggen: als ik jou niet krijg, kan ik in ’t land niet langer leven? Als hij haar niet vergeten kon, zou hij dat in Amerika ook niet kunnen! Och, maar zijn neef Hein Scholten was ommers ook gegaan! Nou, dat was een andere jongen! Die had er ook gauw een vrouw gekregen, een mooie rijke Duitsche vrouw. Willem.… Geertje kon het zich niet voorstellen, dat Willem trouwen zou. Wie van de dorpsmeisjes had ’em gewild? Neeltje Lusink, nou ja, die schele, die wel wist dat ze altijd bleef zitten. En anders alleen Hendrina Schaap, die bijna tien jaar ouwer was. O, wat haatte ze die dikzak met al d’er blomzoete achter-de-mouw’s-heid! Vroeger, voordat ze wist dat Hendrina hem zoo graag wou hebben, had ze nooit zoo’n felle hekel aan Willem gehad. Eerst toen ze hoorde dat daar kwestie van zou wezen, van ’en huwelijk van Willem met dàt ouwe-mensch, eerst toen had ze opééns geweten, waarom zij altoos met weerzin met ’em liep: hij was ouwelijk, hij hoorde bij eene van tien jaar ouwer, en zij, o zij was jong! veel hield ze, zeker, van Groo’va en Groo’moe, maar ze snàkte naar ’en leven met jònge menschen.… Dat was wat ’er speet in het huis van Oom, dat daar geen jonge menschen waren, niemand als die zwaar-op-de-handsche broer van Tante, die telkens ’s avonds kwam. Máár, in een stad, daar heb je de vriendinnen ommers voor ’et kiezen! Ook was het toch maar tijdelijk. Zoodra ze een goeie betrekking kon vinden, poetste ze ’m. Het zou misschien niet zoo makkelijk zijn, als meisje uit een dorp, en niet met kinderen gewoon.… Hè maar, Tante kende veel menschen; àls ze nu eens een plaats kon vinden in een groot gezin met véél kinderen, ook ’en paar ou’ere meisjes die niet hooghartig tegen haar waren, en zij dan in de kinderkamer met vier of vijf van het kleine grut, net zoo als de Fransche juf in de groote zonnige kinderkamer op Groeneveld.…[14]Al twee keer had de trein gestopt, de tweede keer was de juffrouw uitgestapt. Een conducteur, een kleine dikke met ’en snorretje, had tegen haar gelachen, gewenkt of zij er ook niet uit moest. En almaar, almaar vloog de trein—en ze was er zeker nog lang niet.… Maar nu hoorde ze „Amersfoort” roepen. Overstappen!—De conducteur zei, dat ze de tijd had.Geduldig liep ze heen en weer op het perron. Je woei haast omver, maar het was teminste droog. Plotseling dacht ze aan haar koffer. „Waar was haar koffer, wat moest ze doen? moest ze niet zorgen, dat die ook in de andere trein kwam? En nou was er nergens een conducteur!Een heer, die naast haar drentelde, sprak haar aan:—„Moet de juffrouw ook naar Utrecht?” op zoo’n goedig-kalme toon;—ze was er zeker van, dat hij haar onrust over de koffer had opgemerkt. Dus vertelde zij hem van haar vrees voor het goed. En toen hij het reçu had gezien, stelde hij haar gerust. Er stònd immers op: Rotterdam. Ja maar, dat stond op haar kaartje ook. Nu já, maar dat was iets anders: de conducteurs konden haar toch niet overtillen zooals een pakje! Ze zouden misschien het wel graag willen doen—wat jij, Conducteur?.…De conducteur die nu net langs kwam, een met een andere pet dan die straks, bevestigde de geruststelling van de heer, en deze zette het praatje voort, vroeg of zij wel eens meer te Rotterdam was geweest, of ze er voor plezier ging losjeeren, en zoo meer. Hij ging enkel maar naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen.Geertje dacht aan wat Groo’va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat an de heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!.…Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:—Ja, nu moet ik een dames-coupé hebbe.[15]Doch er was er maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heendrong.—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen zitten, lachte de heer.En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zichzelf. Misschien was er nog een coupé geweest; zij had daar niet verder naar gezocht. Nu zat ze in een groote wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke heer tegenover haar.—Hebt u het hier nu niet goed bij me?—Heel goed, lachte zij terug—toch een beetje pruilend.[16]
Grootmoe, in het gangetje, onder aan de trap, riep met ’er zangerig-goedige stem:
—Geer,.… kom je?
En daar er geen antwoord van boven kwam, liep Grootmoe even later, toen ze zag hoe ongeduldig Grootvader werd, nog maar weer eens naar de trap, en riep:
—Geer! kom nou toch kind.…
—Ja Groo’moe, daa’lijk! riep Geertje nu.
Ze repte zich ommers zooveel ze kon. Maar die ellendige das wou niet. En ze moest ’er handen ook nog even náwasschen. Er was toch nog meer dan een heel uur tijd. Hè, eindelijk zat de das. Terwijl ze zich nu, met dat lekker ruikende bolletje, dat ze in ’er taschje zou bergen, zacht over de handen wreef, voorzichtig, om toch geen spatten op ’er japon te krijgen, keek ze, het lijf over de lage kom gebogen, maar het hoofd behagelijk achterover in de nek, al maar naar dat eene stuk wand van haar kamertje, dat gehavende stuk bleek behangsel, iets minder verbleekt toch dan de rest van het fletse bloempjespatroon; dat stuk, waar ze zoovele jaren lang, sinds het begin van de zondagsschooltijd, toen ze de eerste gekleurde-prentjes had gekregen, telkens en telkens aan bezig geweest was, om de schilden, de kaartjes, de fotografies te verschikken en nog eens te schikken; en dat nu plotseling leeg was, berooid, leeg en gehavend met vele gaatjes van de spelde- en haakjesprikken. Even was ’t als iets vreemds, haast onmoog’lijks, dat zij die leegte had aangericht; maar dan werd[4]haar werk van de laatste dagen in haar besef als een opruiming; en, het lijf rechtend, liet ze de oogen omgaan door dat kamertje, waar zij zich nu wezenlijk uit had vrij gemaakt. Ze was waarlijk zoover gekomen. Dit handenwasschen was het àllerlaatste werkje van al die drukte der laatste weken, die roes van kiezen en koopen, en knippen en naaien, en beredderen, en inpakken, en boodschappen doen en bezoeken brengen, veel lange dagen met korte nachten, na de máánden gekibbel met Groo’va om de permissie voor d’er vertrek.… Hè, Goddank! dat nu àllesgedaanwas.…
Tevreden liet ze het schuimwater plassen, in gedachten spelende met het schuim, tot ze opeens dacht aan gevaar.… ach kijk, spatten op ’er mouw bij de pols, en een groote vlok op ’er rok. Gauw flink afdoen met de handdoek.… Zoo. Die pluizigheid van de doek zou ze later wel afborstelen. Ze moest werkelijk zich haasten. Ze hoorde Groo’va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig.… daar was hij al in het gangetje!
Nu kwamen de woorden, kort, met gezag:
—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden.…
Dan moest het maar.… Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, ’er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.… Even rondkijken.… Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien.…
En het slechtgelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje.
Groo’va’s voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.
—Waar bleef je nou toch? zei Groo’moe. Op haar gezicht was enkel droefheid.
Het eten stond er al.[5]
—Aan tafel, zei Groo’va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.
Toen alle drie zaten, bad hij:
—O Heer, onze God! wij danken U voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig U loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot U in onze nooddruft, want ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die U vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te houden in den honger. Wees Gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten gaat. Wees Gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als zij nederligt zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal hetzelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boozen. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!
Geertje was gewoon aan Groo’va’s lange gebeden, met teksten er in. ’s Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar best om mee te bidden, maar ze[6]was er niet in. Al toen Groo’va bad van „gebrokenen van hart”, hoorde ze een snik van Groo’moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en snikte Groo’moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken.… Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo’va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, bij die bijna geméénzame woorden, die ze al als heel klein meisje van Groo’moe geleerd had als Jezus’ gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar neus; en na het Amen stond zij op, en liep naar Grootvader om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo’moe’s stoel.
—Och kind, hikte Groo’moe.
—Heusch Groo’moe, Geer zal goed oppassen.
Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.
—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.
Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; de kleine, vleezige hand van Groo’moe streek haar langs de wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel, en het eikenhouten harmonium.…
Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo’moe gekozen, als Geertje’s lievelingskost. Maar Groo’va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders.
Zij spraken weinig.[7]
—D’er is nog ’en beetje rijst, zei Groo’moe, toen Groo’va de stoel verschoof.
—Zoo? Nu gauw dan.
Maar net toen Groo’moe opstond, werd er aan de huisdeur geklopt.
—Hendrik; ik zie den kruiwagen, zei Groo’va.
Hij had de kweekeling verzocht, Geertje’s goed naar het station te kruien. Geertje hielp even aandragen; eerst de koffer, toen de mand; de hoededoos zou zij zelve wel meebrengen.
—Och waarom, zei Hendrik, hij kan d’er nog best bij.
—Tot straks dan, knikte Geertje, toen Hendrik wegreed.
In de keukendeur stond Groo’moe, de schaal met rijst in de hand, en oogde de weggevoerde koffer na.
Geen van de drie had nu nog honger. Groo’va at een heel klein beetje; Geertje vroeg, of ze haar portie mocht laten staan.
—Dat is dan voor de kippen, zei Groo’va.
Hij deed het dankgebed, en ging, in de slaapkamer, hoed en jas halen.
Groo’moe hielp Geer met ’er manteltje.
—Zal je nou trouw schrijven, kind? Je weet, hoe Groo’va daarop gesteld is. En zal je ons oprecht alles melden?
—Ja Groo’moe.
Terwijl ze de hoed opzette, zag ze in de spiegel de dikke grauwe luchten drijven.
—Hè, ’k hoop dat het niet gaat regenen.
—De wind is nog al hoog, stelde Groo’moe gerust.
Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening.
—.… Nou Groo’moe.…
—Nou kind …!
’t Was of Groo’moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo’va zeggen:—’t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze de trein niet zou halen.[8]
—Goeie Groo’moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los.
—De Heer.… zij.… met je, beefde Groo’moe’s stem.
—Ja Groo’moe, zei Geertje, en zocht haar taschje.
Toen ze het had, taschje, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een vroolijker:—„Dàg Groo’moe, het beste Groo’moe”, een lichte kus op het grijze haar; en vlug vóór Groo’va, die de voordeur had geopend, heen, was ze in eenen kamer en huis uit.
—We komme d’er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklepte.
—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo’va. Zeg Groo’moe nog eens goeden dag.
Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo’moe’s gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze Groo’va na, die was doorgeloopen.
Bij de draai van de weg bleef ze even staan, en wuifde weer.
—’k Zie Groo’moe nie’ meer, zei ze.
Stil dook, omhuifd door grauwbruine takken, ’t lage witte huisje, met het zware, vooruitspringend puntdak, achter de lariksen en conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was ’t donkere pleintje er voor.…
—Kom nu! riep Groo’va.
En Groo’moe, die in Geertje’s kamertje door het zolderraampje keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.
Langs de boerderij van Schaap, waar ze op de deel Hanna bezig zag, die dadelijk verdween, maar even later, met Rika en toen ook Moeder Schaap, voor het zijraam van de voorkamer kwam, bereikte zij de bewoonde dorpsstraat.
Isaäc had pas geslacht, maar hij kwam toch even naar[9]voren, en groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: —Bezjoer, hou’ je maar taai, Geer!
En zoo deden ze bij Schurink, vrouw Nijbroek, en Wijers. Het dorp wist, dat zij vertrok. En overal kwamen er geloopen, meisjes, vrouwen, kinderen, om Grootvader en haar te groeten.
Bij de zandweg naar de molen stond Lina Kroon met ’er zusje.
—Geertjen, hier heij’ ’n mandje mit appels, lekkere bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege.
—Maar, Lina! Dank je wel hoor!
Lina pretglansde, ’t zusje grinnikte.
—Blomme bin d’er zoo niet. Nou hei je toch wat.…
—Heel vriendelijk van je, hoor Lina, zei Meester.
—Of Geertjen toch ook bemind vleesch is, Meester? kwam de stem van Scholten, de postbode, hen achterop.
—Zoo Scholten, ben jij daar al. Is ’t al zóó laat?
—Nou, zooveul tiet heij niet. ’k Het Hendrik Barmentlo zien goan mit ’et goed. Moj’ doar nog wat an doon?
—Hendrik zou het laten wegen, zei Meester. Hij weet dat het naar Rotterdam moet.
Maar Geertje, erg geschrikt, tripte heen, voor de mannen uit, een pas twee, drie, aldoor voor hen uit.
Hendrik had voor het goed gezorgd. Meester moest enkel een kaartje nemen en betalen. Geertje was in de wachtkamer gegaan. En van het perron kwam opeens Jan Heukelman.
—Ik kom je even ge’ dag zeggen, Geertje, zei hij.
—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.
—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek bekend, en hij he ’t mien opgedroage je z’en groete te brenge. En dat ie hoopte da ’j altoos De Heere voor ooge zoudt houden.
Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan Willem te geven.[10]
—Je grootvoader mot me nou mor niet zien, zei Jan. Dag Geertje. De Heere behoede je.
—Dag Jan, zei Geertje; en, half onwillig, zacht achterna: —Dank je.
Jan aarzelde, of hij nog wat verwacht had. Maar de deur ging open, Meester kwam binnen. Daarom verdween Jan door de perrondeur.
Geertje bedankte Hendrik voor zijn moeite. Daarna legde Groo’va Geertje uit:—te Amersfoort moest ze overstappen, en dan te Utrecht weer. ’t Papiertje van ’er goed had ze niet noodig vóór Rotterdam; ze moest het vooral zorgvuldig wegbergen; en het kaartje moest ze oplettend in de hand houden.
—Verder, kind, zeg ik je niets meer. Ik zal niet ophouden voor je te bidden.
—Doe dat Groo’va, zei Geertje.
Op het perron waren vier, vijf dorpelingen. Ze groetten Meester met de pet, een paar zeiden Geertje goeden-dag. De oude stationschef maakte een praatje; hij praatte nog door, toen hij een paar pas achteruit moest treden, naar de bel, omdat de trein er was.
—Kom nu, dat je een goede plaats krijgt, zei Groo’va, toen de trein nog niet stil stond. Zenuwachtig liep hij voor Geertje uit. Zij zag van ter zijde naar hem, hij was bleek.
—Derde vrouwen, Conducteur.
—Achteran, onverschilligde de conducteur, zoekend naar een coupé tweede die moest geopend.
Mozes, de zoon van Isaäc, kwam uit de trein, hield Geertje tegen om haar vaarwel te zeggen.
—Geertje! riep Groo’va. Hij had de coupé voor haar gevonden, en schrikte dat ze was blijven staan. Maar er was immers nog tijd genoeg!
In de coupé zat eene juffrouw.
—Denk er vooral aan, dat je te Amersfoort en te Utrecht om de vrouwencoupé vraagt, zei Groo’va. En schrijf ons vandaag nog.[11]
Hij omhelsde haar, zij stapte in. Mozes kwam nog even kijken, plotseling stond hij achter hen.
—Schrijf je mijn ook ’es? grappigde hij.
Ook Scholten, aan de postwagen klaar, liep langs de coupé en wenschte g’en-dag.
Toen daverden de portieren, de bel sloeg drie slagen, een kreet van het fluitje, en Geertje gleed boven de hoofden heen, knikkend naar allen, Grootvader in de oogen kijkend—wat was hij bleek, wat leek hij oud zoo .… En toch, zooals hij daar stond, kaarsrecht, lichte hoofdknikjes gevend tot groet, was hij voor haar wat hij altijd geweest was: de belichaamde vermaning.
Op het voetpad bij de overweg wachtte waarlijk Jan Heukelman. In een aandrang om plezier te doen, om vriendelijker te zijn dan straks; ook uit joligheid dat ze nu wegging; èn uit verlangen om nog een laatste groet te geven aan het dorp dat zacht verschoof, boog Geertje uit het portier, en wuifde, knikkend en lachend. Maar haar hand hield stil en haar lach trok weg, want ook Jan groette nu met de hand, en bij die loome armbeweging deed hij haar dadelijk denken aan zijn broer, die juist zoo had staan doen op het stationsperron, toen zij voor twee jaar naar Rotterdam ging om Tante op te passen. Wat leken al die jongens van Heukelman toch op mekaar! De gezichten, de lichamen, elke beweging. En vooral Willem en Jan. Wat waren die twee ook trouwe vrinden! Jan nu weer met die boodschap voor haar .… Natuurlijk had hij naar Amerika geschreven; geschreven: „het is er door, Grootvader heeft eindelijk permissie gegeven, Geertje gaat naar Rotterdam.” En daarop Willem gauw een brief, om Geertje de complimenten te doen. Wat kon die boodschap anders beteekenen dan: „Geertje, ik ben je nog niet vergeten”? Alsof ze dat niet wist! Willem zou toch geen Heukelman moeten zijn, om, eenmaal zijn zinnen gezet op een meisje, zoo gauw van haar af te zien. Wat hadden de menschen[12]niet gekletst, van: „och die arme Willem, die naar Amerika gaat, omdat Geertje hem niet hebben wil.” Hij zou het nog van hartzeer besterven! En wat was gebleken?—dat hij na een maand al een betrekking had als eerste-boereknecht, waar-ie meer verdiende in zes maanden dan Groo’va als hoofd-van-de-school in een jaar. Maar Geertje opgeven? Kan je begrijpen! Jan had wel verteld, dat de boer drie ongetrouwde dochters had, en dat de boer Willem zoo graag mocht, en dat ze ’s Zondags allemaal samen naar de kerk gingen, en dat Willem al tweemaal bijbellezing had gehouden op de deel; maar dat was ommers toch maar alleen om haar jaloersch te maken. Ja, zij jaloersch om Willem! D’er zegen had-ie, op zijn huwelijk in Amerika. Ondertusschen was zij nog niet van hem af. Nou maar, ze was nou te-minste het dorp uit. En knap wie haar daar spoedig terugzag. Brieven? .…—toch niet te vergelijken met al dat tobben-en-zeuren van Groo’moe, omdat ze zoo’n „flinke jongen” van een rijke boer afsloeg, en met al die sermoenen van Groo’va, dat alleen „haar gebrek aan Christelijken zin haar weerhield om Willem te trouwen.” Alsof dat nu twee dingen waren, die je bij mekaar te pas kon brengen! Ja, zij zou verlieven op een lijs van een jongen, alleen omdat-ie bijbellezingen hield en voorzitter was van de jongelingsvereeniging. En dan dat misselijk gedrein en geflikflooi van Willem z’en zusters! Net of zij niet heel goed wist, dat die eigenlijk op haar neer zagen! Maar omdat Willem, in stee van een boerendochter naar z’en stand te trouwen, nou eenmaal op die deern bij-Meester-in-huis was verliefd geraakt, daarom was het „weeskind” een wonder, kon ze zoo knap d’er hoeden opmaken, en had ze zulk mooi haar, en streek ze zoo keurig, en was ze Groo’moe tot zoo’n gemak in het huishouden, en allemaal zulke flousjes meer. Nou maar, ze hadden wel gezien dat het niet pakte! Zelfs niet al die teergevoeligheid, toen Willem had gezeid dat-ie naar Amerika wou. Alsof dat nou zoo verschrikkelijk was voor een jonge vent om de wereld ’es in te[13]gaan. Trouwens, waartoe was het noodig geweest! Het dorp was toch groot genoeg voor hun allebei, en Willem wist toen al, dat zij misschien naar Rotterdam zou gaan. Was het dan geen flauwe klèts, te zeggen: als ik jou niet krijg, kan ik in ’t land niet langer leven? Als hij haar niet vergeten kon, zou hij dat in Amerika ook niet kunnen! Och, maar zijn neef Hein Scholten was ommers ook gegaan! Nou, dat was een andere jongen! Die had er ook gauw een vrouw gekregen, een mooie rijke Duitsche vrouw. Willem.… Geertje kon het zich niet voorstellen, dat Willem trouwen zou. Wie van de dorpsmeisjes had ’em gewild? Neeltje Lusink, nou ja, die schele, die wel wist dat ze altijd bleef zitten. En anders alleen Hendrina Schaap, die bijna tien jaar ouwer was. O, wat haatte ze die dikzak met al d’er blomzoete achter-de-mouw’s-heid! Vroeger, voordat ze wist dat Hendrina hem zoo graag wou hebben, had ze nooit zoo’n felle hekel aan Willem gehad. Eerst toen ze hoorde dat daar kwestie van zou wezen, van ’en huwelijk van Willem met dàt ouwe-mensch, eerst toen had ze opééns geweten, waarom zij altoos met weerzin met ’em liep: hij was ouwelijk, hij hoorde bij eene van tien jaar ouwer, en zij, o zij was jong! veel hield ze, zeker, van Groo’va en Groo’moe, maar ze snàkte naar ’en leven met jònge menschen.… Dat was wat ’er speet in het huis van Oom, dat daar geen jonge menschen waren, niemand als die zwaar-op-de-handsche broer van Tante, die telkens ’s avonds kwam. Máár, in een stad, daar heb je de vriendinnen ommers voor ’et kiezen! Ook was het toch maar tijdelijk. Zoodra ze een goeie betrekking kon vinden, poetste ze ’m. Het zou misschien niet zoo makkelijk zijn, als meisje uit een dorp, en niet met kinderen gewoon.… Hè maar, Tante kende veel menschen; àls ze nu eens een plaats kon vinden in een groot gezin met véél kinderen, ook ’en paar ou’ere meisjes die niet hooghartig tegen haar waren, en zij dan in de kinderkamer met vier of vijf van het kleine grut, net zoo als de Fransche juf in de groote zonnige kinderkamer op Groeneveld.…[14]
Al twee keer had de trein gestopt, de tweede keer was de juffrouw uitgestapt. Een conducteur, een kleine dikke met ’en snorretje, had tegen haar gelachen, gewenkt of zij er ook niet uit moest. En almaar, almaar vloog de trein—en ze was er zeker nog lang niet.… Maar nu hoorde ze „Amersfoort” roepen. Overstappen!—De conducteur zei, dat ze de tijd had.
Geduldig liep ze heen en weer op het perron. Je woei haast omver, maar het was teminste droog. Plotseling dacht ze aan haar koffer. „Waar was haar koffer, wat moest ze doen? moest ze niet zorgen, dat die ook in de andere trein kwam? En nou was er nergens een conducteur!
Een heer, die naast haar drentelde, sprak haar aan:—„Moet de juffrouw ook naar Utrecht?” op zoo’n goedig-kalme toon;—ze was er zeker van, dat hij haar onrust over de koffer had opgemerkt. Dus vertelde zij hem van haar vrees voor het goed. En toen hij het reçu had gezien, stelde hij haar gerust. Er stònd immers op: Rotterdam. Ja maar, dat stond op haar kaartje ook. Nu já, maar dat was iets anders: de conducteurs konden haar toch niet overtillen zooals een pakje! Ze zouden misschien het wel graag willen doen—wat jij, Conducteur?.…
De conducteur die nu net langs kwam, een met een andere pet dan die straks, bevestigde de geruststelling van de heer, en deze zette het praatje voort, vroeg of zij wel eens meer te Rotterdam was geweest, of ze er voor plezier ging losjeeren, en zoo meer. Hij ging enkel maar naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen.
Geertje dacht aan wat Groo’va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat an de heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!.…
Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:
—Ja, nu moet ik een dames-coupé hebbe.[15]
Doch er was er maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heendrong.
—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen zitten, lachte de heer.
En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zichzelf. Misschien was er nog een coupé geweest; zij had daar niet verder naar gezocht. Nu zat ze in een groote wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke heer tegenover haar.
—Hebt u het hier nu niet goed bij me?
—Heel goed, lachte zij terug—toch een beetje pruilend.[16]
[Inhoud]II.Als ’s Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd voor een grootheid van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat hij anders in de school zat dan de overige jongens. Hij hoorde er, de school was een stukje van zijn huis, en Meester, Meester, in wie alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, een hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in de eerste klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst zou zijn. Maar bij dat bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob van Zanten wou kweekeling worden. Jacob—dacht Jan dus—werkte hem tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en—dorst knapper wezen dan hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge moeite mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die kalme geregeldheid werd Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij hokken, hoe vader streng-was. Tot vader meester Ten Have er bij haalde, tegen meester Ten Have zei:—„Beproef gij het eens, ik kan het niet, doordat ik de vader ben.” En meester Ten Have een maand of wat na die opdracht dorst oprecht zijn:—„Waarlijk, Meester, geloof me, het gaat niet” .…Dat was een moeilijke tijd—voor Meester. Ook wel voor Jan, die vond, dat, terwijl hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd achtergesteld. Maar dieper, veel dieper was ’t leed van Meester.[17]Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan.Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het Penningske. ’s Zaterdags ging de jongen het dorp rond en haalde aan achttien huizen een cent op. Daar kregen de menschen het zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen, om inteekenaars te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij schreef briefjes aan Van ’t Lindenhout, hield een bus voor de weezen, en belegde op ’t Lindenhouts verjaardag, in September, een „feestelijke bijeenkomst”, ’s avonds om half zes in de school, voor welke hij een feestzang had gedicht:Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag,Van ’t Lindenhout ter eer.…op de wijze van ’t Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob een vers, en de meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger:O Joh.O Joh.O Joh. van ’t Lindenhout.…op de wijs van Piet Hein.… Toch ging Jan met het bushouden door en met de almanak.Dominee, die in Jan’s ijver een blijk had ontdekt van christen-zin, kwam dan vragen, of hij geen lust had in een christelijken dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, De Standaard, ’t kon wel een zaakje worden, en nùttig!Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp op dreef; Jan moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar wilde hij „verder”, ’t kon toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar werd hij bediende te Gouda; toen meende hij ’t recht te hebben te trouwen.…[18]En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam, in een eigen zaak—die niet te best ging.Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen van haar logeeren aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe winkel zag.Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol hoog-recht. Die Woensdagmiddag, bij haar aankomst, was het juist beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand en niets dan een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er niet te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige huizenrijen. Oom moest zeggen:—„Hier is het, Geertje”; toen zag ze eerst, dat er een winkel was. „Wat een vreemd, kort-breed, haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel was benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze zich nauwelijks binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk haar verwondering.—’t Is hier ma’r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de ruimte, wat?—Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog eens:—Zie je, daar kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk alleen.’s Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer:—Je zel hebben opgesien, Geer, da’ me nou zoo klain behuisd benne. Schraif d’er maar nietveelover naar huis, hé? ’t He’t Oom wel an ’et hart gegaan, da’ me den anderen winkel uit mosten, maar hij kos ’et er niet hou’en, en nou hoopt ie dat ’et hier wat zel geve. ’t Wordt hier ’en heele nieuwe buurt, sie je, en d’er woont hier nog wat raikdom.…Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer over hun verhuizing. En juist zei ze nòg iets van „algaers verbouwing” en „je zel ’et is sien, wa’ dat hier voor ’en drukke buurt wordt”, toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde.—Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch[19]niks wijs! We zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De beste loop ’et dik’els tege, wat ze’ jij Geer! Ik kan niet helpe, da’ ’k daargin’s vlàk bij m’en ’en schatrijke vent had, die z’en zaak alleen nog anhoudt voor z’en zoon; ik begin pas, ik mot ’et van de grond ophale’, stikvreemd, in zoo’n groote stad, en zonder ’en cent kap’taal.… Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da’s toch mijn schuld niet!—Och, wie zait dat nau! suste Tante.—Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou gepraat! Ja, as ik doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet he’t gemaak’, en altoos weer mak op z’en pootjes terech’ komt! Maar as je eerlijk man wil blijven.…Toen, zachter wat, als een bekentenis:—Ik kon de huur nie’ meer betalen, an de Binneweg. En nou wi’ ’k ’et hier perbeere. Gaat ’et niet, dan gaat ’et niet.…Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met tralies, bleef open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde, nooit in slaap te komen. Achter het raam leek iets als een plaatsje te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge vlekgele muur als vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar van buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat leefden de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een stille straat. Wat een mierennest toch, zoo’n stad.… Zij snakte naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, aan de onafzienbare ruimte buiten.… Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een vage wrevel, als over een teleurstelling.’s Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar een briefje op. En weer begon Tante over de woning. Nee’, ook de stand hield hier niet over. Er woonde nog wel rijkdom in de buurt, maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat van de Schie zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant, dat[20]was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor twee centen gaven, lazen de menschen niks anders meer. Ze kregen de dingen nu haast kedo. Alleen met ’en heele groote omzet kon je n’en kleinigheid verdienen. ’t Was ’en moeilijke tijd voor de kleine nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo’va.…Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante’s gedachte lief. Ze herinnerde zich de aankomst bij Groo’va van brieven waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude man dan van streek geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo’moe van welvarende boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de achteruitgang hier.Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed nog, hoe ze het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan de vorige keer, en daardoor was er wel wat dat haar tegenviel. Toch had ze ook nú weer die blije gewaarwording vanbevrijding, uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo’va en Groo’moe, en aan de meeste menschen in ’t dorp.Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos gevonden, vroeger toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om ’s middags bij de oude mevrouw, de moeder van de dominee, te zitten, die van de oude tijd kon vertellen, net of het eenanderetijd was geweest, met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had ’er eigen zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer, met bijna wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie geschilderde portretten in dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een werktafeltje, zooals Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw in de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege, triestige tuin, op de bulten van de perken en de spoelvormen van de stamrozen. Van tijd tot tijd maande de oude mevrouw:—„Geertje, denk je om de kachel?” en dan bukte Geertje maar weer eens naar[21]het heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte, dat zonder eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf—en mevrouw vertelde weer voort van de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in een Hollandsche pastorie, dicht bij het dorp waar de dominee woonde, die dat prachtige boek had geschreven,De Pastorie te Mastland, dat Geertje eens had te leen gehad.…Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d’er vroomheid.…Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten, zooals mevrouw had zitten vertellen van háár pastorie in dat Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische Zondagmorgen, toen zij, jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk kwam, en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de kappen; en hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd was geworden, doordat háár man een psalm had gelezen en hierna het orgel had gedreund voor het preludium.… o, Geertje had het gevoeld, gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest dat heerlijk zijn in zoo’n kerk—’t was eenanderedan de kerk van haar dorp, waar toch de oude mevrouw d’er zoon stond. En die zoon was eens in die eerste gedóópt.… Maar Grootvader placht te zeggen:—„De tijden zijn bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar”—had Geertje dat nooit precies begrepen, het zou wel beteekenen kunnen, dat nu al deblijmoedigheidweg was, waar de oude mevrouw van sprak.In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee’s droefgeestigheid sedert de dood van zijn eenige zoon, en de saaie stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof was geworden, en Dominee maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen in een hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo’va, die er nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden; en dan de dood van zijn eenige dochter, Geertje’s[22]moeder, van wie Groo’va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad toen ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.… Groo’va was zoo’n gevoelige man! Altijd treurde hij over die dingen. Groo’moe had nog ’es eens gezeid:—„Ja, we hebben ons kind verloren, maar het kind van ons kind is als ons kind.” En Geertje had dat zóó lief gevonden, zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was gebarsten. Nóóit had Groo’va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van „de wil des Heeren”, maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet.Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan—en nu wist Groo’va nog niet eens alles!.… Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg was er nog een aparte Bijbelkast. Maar hier!.…—Dank je! Die reuk van heiligheid he’t me niks as schaaj gedaan! had Oom de vorige avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had.—Bidt jij nog? had hij ’s middags geplaagd, toen ze aanzaten voor het eten. De eerste avond had ze ’t gedaan, niet lettende op Oom of Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.… Tante was tusschen beide gekomen:—„Láát ’er toch!”—Maar zij had gelachen, en Oom had gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d’er mond geweest.…Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen, terwijl ze met het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven tegen de onderlip, akelig over dat velletje vóór haar, waar, met stad en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders.Tante, in ’t keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel te passen, dan kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls gestoord werd ze niet! Ze had plezier in een klein, bleek meisje, dat lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, diep tastte in ’er rokje, en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. Een buurvrouw—[23]„Buurvrouw”, zei ze tot Geertje—kwam om drie velletjes postpampier, ook voor twee cent dus, en verhaalde, dat ze moest schrijven aan haar man, die varende was. En later kwam er een brillende jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een ander dat Geertje niet kon vinden—Tante, de handen verbleekt van de zeepsop, moest het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen.Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste blad bijna vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het matten zittinkje van het krukje, achter de lastig-hooge toonbank.De voordeur ging open:—„Dag Geertje!” zei iemand. Zij kende hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht, lang-krullend warhaar.—Dag.… Meneer, zei Geertje verwonderd.—Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. ’k Heb je zien laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.—O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.—Is je Aum d’er niet?.… Roep jai je Tante n’es voor me.De bult en Tante bleken gemeenzaam.—Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive?Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante méénde—zoo zei ze—van wel, maar zeker weten dee’ ze ’t niet, ’t was zoo’n moeilijke brief voor d’er man om te schrijven.—Wa’s d’ar nau voor moeiluks an! Als d’en ouwe nie’ wil, dan wil ie niet. ’t Vragen, sou ’k meenen, staat frai. Wat ze’ jai Geer, daar kan je Grau’fader toch nie’ boos om worde.—Laat haar d’er buite, viel Tante haastig in, ongerust.Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was als onderwijzer aan een openbare school de[24]kameraad van Tante’s broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo’n hekel aan de onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie nou k’ruspendent van dagbladen geworden.—Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.—Nou, da’j berichte stuur an de krante.—En he’t-ie dáármee z’en brood?Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat ook juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel konkerensie. Sommige heeren werkten samen, d’en eene nam dit en d’en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer Maandag was altijd alleen.… Maar nou kreeg-d-ie misschien ’en eigen krant. Ja, ’en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.… Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat wou geven.…—Groo’va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, of d’er iemand Groo’va te lijf wou. Die goeie Groo’va, hij had zoo weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!—’t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.—Hoe verschieten?—Nou, z’en geld blaìft z’en geld, en ieder jaar kraigt ie z’en rente. Ze denke zellefs van ’en hooge rente, meer as je Groo’va van z’en geld maak’. Maandag is d’er zeker van, dat ’et ’en goeje zaak zel weze.—Wat heeft-ie dan Groo’va d’er in te hale! snuggerde Geertje, vol bezorgdheid.—Da’s te zegge! Et kan misgaan. ’t Is ’en nieuwen[25]ondernemink. Je brengt d’er je geld niet as bij de spáárkas!—Nou kijk ’is an! riep Geertje overtuigd.Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was genoeg voor haar drift.Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon:—O ja, maar as jai ons no’ ga tegewerke, geef je graufader zeker niks.—Ik? wat heb ik d’er mee te make!—Nau.… ’et is toch jou geld ook.Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze ’t keukentje in. Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet schreien! Het was zóó naar, zoo ànders hier alles, vijand was ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.… Maar die arme goeie Grootva.… Wacht.…Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief; zinnetje na zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo’va moesten plezier doen, zinnetjes over thuis en het dorp, over Groo’moe d’er zinkings, of Groo’moe wel oppaste, omdat het toch nog altoos guur was, en over de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en allemaal, en toen, dat Oom en Tante d’er best uitzagen en hen vriendelijk lieten groeten.… Zoodra ze eind’lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend kleinkind Geertje, liep ze naar achter naar Tante toe, en vroeg of Tante nog wat had te zeggen: d’er brief was af:—Leest u ’em maar ’es.—Kind, wat mot ik je brief leize!—Ja, of d’er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar vlak u ’em niet!En toen Tante grinnikend aarzelde—daar er gemorreld werd aan de winkeldeur:—„’k Geloof dat er volk is”.… Weg was zij.Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei, dat Tante hem had gelezen.[26]
II.
Als ’s Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd voor een grootheid van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat hij anders in de school zat dan de overige jongens. Hij hoorde er, de school was een stukje van zijn huis, en Meester, Meester, in wie alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, een hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in de eerste klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst zou zijn. Maar bij dat bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob van Zanten wou kweekeling worden. Jacob—dacht Jan dus—werkte hem tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en—dorst knapper wezen dan hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge moeite mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die kalme geregeldheid werd Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij hokken, hoe vader streng-was. Tot vader meester Ten Have er bij haalde, tegen meester Ten Have zei:—„Beproef gij het eens, ik kan het niet, doordat ik de vader ben.” En meester Ten Have een maand of wat na die opdracht dorst oprecht zijn:—„Waarlijk, Meester, geloof me, het gaat niet” .…Dat was een moeilijke tijd—voor Meester. Ook wel voor Jan, die vond, dat, terwijl hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd achtergesteld. Maar dieper, veel dieper was ’t leed van Meester.[17]Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan.Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het Penningske. ’s Zaterdags ging de jongen het dorp rond en haalde aan achttien huizen een cent op. Daar kregen de menschen het zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen, om inteekenaars te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij schreef briefjes aan Van ’t Lindenhout, hield een bus voor de weezen, en belegde op ’t Lindenhouts verjaardag, in September, een „feestelijke bijeenkomst”, ’s avonds om half zes in de school, voor welke hij een feestzang had gedicht:Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag,Van ’t Lindenhout ter eer.…op de wijze van ’t Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob een vers, en de meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger:O Joh.O Joh.O Joh. van ’t Lindenhout.…op de wijs van Piet Hein.… Toch ging Jan met het bushouden door en met de almanak.Dominee, die in Jan’s ijver een blijk had ontdekt van christen-zin, kwam dan vragen, of hij geen lust had in een christelijken dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, De Standaard, ’t kon wel een zaakje worden, en nùttig!Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp op dreef; Jan moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar wilde hij „verder”, ’t kon toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar werd hij bediende te Gouda; toen meende hij ’t recht te hebben te trouwen.…[18]En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam, in een eigen zaak—die niet te best ging.Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen van haar logeeren aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe winkel zag.Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol hoog-recht. Die Woensdagmiddag, bij haar aankomst, was het juist beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand en niets dan een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er niet te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige huizenrijen. Oom moest zeggen:—„Hier is het, Geertje”; toen zag ze eerst, dat er een winkel was. „Wat een vreemd, kort-breed, haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel was benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze zich nauwelijks binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk haar verwondering.—’t Is hier ma’r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de ruimte, wat?—Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog eens:—Zie je, daar kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk alleen.’s Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer:—Je zel hebben opgesien, Geer, da’ me nou zoo klain behuisd benne. Schraif d’er maar nietveelover naar huis, hé? ’t He’t Oom wel an ’et hart gegaan, da’ me den anderen winkel uit mosten, maar hij kos ’et er niet hou’en, en nou hoopt ie dat ’et hier wat zel geve. ’t Wordt hier ’en heele nieuwe buurt, sie je, en d’er woont hier nog wat raikdom.…Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer over hun verhuizing. En juist zei ze nòg iets van „algaers verbouwing” en „je zel ’et is sien, wa’ dat hier voor ’en drukke buurt wordt”, toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde.—Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch[19]niks wijs! We zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De beste loop ’et dik’els tege, wat ze’ jij Geer! Ik kan niet helpe, da’ ’k daargin’s vlàk bij m’en ’en schatrijke vent had, die z’en zaak alleen nog anhoudt voor z’en zoon; ik begin pas, ik mot ’et van de grond ophale’, stikvreemd, in zoo’n groote stad, en zonder ’en cent kap’taal.… Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da’s toch mijn schuld niet!—Och, wie zait dat nau! suste Tante.—Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou gepraat! Ja, as ik doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet he’t gemaak’, en altoos weer mak op z’en pootjes terech’ komt! Maar as je eerlijk man wil blijven.…Toen, zachter wat, als een bekentenis:—Ik kon de huur nie’ meer betalen, an de Binneweg. En nou wi’ ’k ’et hier perbeere. Gaat ’et niet, dan gaat ’et niet.…Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met tralies, bleef open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde, nooit in slaap te komen. Achter het raam leek iets als een plaatsje te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge vlekgele muur als vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar van buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat leefden de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een stille straat. Wat een mierennest toch, zoo’n stad.… Zij snakte naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, aan de onafzienbare ruimte buiten.… Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een vage wrevel, als over een teleurstelling.’s Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar een briefje op. En weer begon Tante over de woning. Nee’, ook de stand hield hier niet over. Er woonde nog wel rijkdom in de buurt, maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat van de Schie zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant, dat[20]was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor twee centen gaven, lazen de menschen niks anders meer. Ze kregen de dingen nu haast kedo. Alleen met ’en heele groote omzet kon je n’en kleinigheid verdienen. ’t Was ’en moeilijke tijd voor de kleine nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo’va.…Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante’s gedachte lief. Ze herinnerde zich de aankomst bij Groo’va van brieven waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude man dan van streek geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo’moe van welvarende boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de achteruitgang hier.Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed nog, hoe ze het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan de vorige keer, en daardoor was er wel wat dat haar tegenviel. Toch had ze ook nú weer die blije gewaarwording vanbevrijding, uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo’va en Groo’moe, en aan de meeste menschen in ’t dorp.Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos gevonden, vroeger toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om ’s middags bij de oude mevrouw, de moeder van de dominee, te zitten, die van de oude tijd kon vertellen, net of het eenanderetijd was geweest, met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had ’er eigen zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer, met bijna wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie geschilderde portretten in dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een werktafeltje, zooals Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw in de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege, triestige tuin, op de bulten van de perken en de spoelvormen van de stamrozen. Van tijd tot tijd maande de oude mevrouw:—„Geertje, denk je om de kachel?” en dan bukte Geertje maar weer eens naar[21]het heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte, dat zonder eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf—en mevrouw vertelde weer voort van de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in een Hollandsche pastorie, dicht bij het dorp waar de dominee woonde, die dat prachtige boek had geschreven,De Pastorie te Mastland, dat Geertje eens had te leen gehad.…Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d’er vroomheid.…Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten, zooals mevrouw had zitten vertellen van háár pastorie in dat Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische Zondagmorgen, toen zij, jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk kwam, en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de kappen; en hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd was geworden, doordat háár man een psalm had gelezen en hierna het orgel had gedreund voor het preludium.… o, Geertje had het gevoeld, gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest dat heerlijk zijn in zoo’n kerk—’t was eenanderedan de kerk van haar dorp, waar toch de oude mevrouw d’er zoon stond. En die zoon was eens in die eerste gedóópt.… Maar Grootvader placht te zeggen:—„De tijden zijn bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar”—had Geertje dat nooit precies begrepen, het zou wel beteekenen kunnen, dat nu al deblijmoedigheidweg was, waar de oude mevrouw van sprak.In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee’s droefgeestigheid sedert de dood van zijn eenige zoon, en de saaie stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof was geworden, en Dominee maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen in een hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo’va, die er nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden; en dan de dood van zijn eenige dochter, Geertje’s[22]moeder, van wie Groo’va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad toen ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.… Groo’va was zoo’n gevoelige man! Altijd treurde hij over die dingen. Groo’moe had nog ’es eens gezeid:—„Ja, we hebben ons kind verloren, maar het kind van ons kind is als ons kind.” En Geertje had dat zóó lief gevonden, zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was gebarsten. Nóóit had Groo’va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van „de wil des Heeren”, maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet.Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan—en nu wist Groo’va nog niet eens alles!.… Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg was er nog een aparte Bijbelkast. Maar hier!.…—Dank je! Die reuk van heiligheid he’t me niks as schaaj gedaan! had Oom de vorige avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had.—Bidt jij nog? had hij ’s middags geplaagd, toen ze aanzaten voor het eten. De eerste avond had ze ’t gedaan, niet lettende op Oom of Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.… Tante was tusschen beide gekomen:—„Láát ’er toch!”—Maar zij had gelachen, en Oom had gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d’er mond geweest.…Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen, terwijl ze met het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven tegen de onderlip, akelig over dat velletje vóór haar, waar, met stad en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders.Tante, in ’t keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel te passen, dan kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls gestoord werd ze niet! Ze had plezier in een klein, bleek meisje, dat lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, diep tastte in ’er rokje, en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. Een buurvrouw—[23]„Buurvrouw”, zei ze tot Geertje—kwam om drie velletjes postpampier, ook voor twee cent dus, en verhaalde, dat ze moest schrijven aan haar man, die varende was. En later kwam er een brillende jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een ander dat Geertje niet kon vinden—Tante, de handen verbleekt van de zeepsop, moest het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen.Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste blad bijna vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het matten zittinkje van het krukje, achter de lastig-hooge toonbank.De voordeur ging open:—„Dag Geertje!” zei iemand. Zij kende hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht, lang-krullend warhaar.—Dag.… Meneer, zei Geertje verwonderd.—Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. ’k Heb je zien laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.—O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.—Is je Aum d’er niet?.… Roep jai je Tante n’es voor me.De bult en Tante bleken gemeenzaam.—Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive?Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante méénde—zoo zei ze—van wel, maar zeker weten dee’ ze ’t niet, ’t was zoo’n moeilijke brief voor d’er man om te schrijven.—Wa’s d’ar nau voor moeiluks an! Als d’en ouwe nie’ wil, dan wil ie niet. ’t Vragen, sou ’k meenen, staat frai. Wat ze’ jai Geer, daar kan je Grau’fader toch nie’ boos om worde.—Laat haar d’er buite, viel Tante haastig in, ongerust.Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was als onderwijzer aan een openbare school de[24]kameraad van Tante’s broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo’n hekel aan de onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie nou k’ruspendent van dagbladen geworden.—Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.—Nou, da’j berichte stuur an de krante.—En he’t-ie dáármee z’en brood?Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat ook juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel konkerensie. Sommige heeren werkten samen, d’en eene nam dit en d’en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer Maandag was altijd alleen.… Maar nou kreeg-d-ie misschien ’en eigen krant. Ja, ’en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.… Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat wou geven.…—Groo’va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, of d’er iemand Groo’va te lijf wou. Die goeie Groo’va, hij had zoo weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!—’t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.—Hoe verschieten?—Nou, z’en geld blaìft z’en geld, en ieder jaar kraigt ie z’en rente. Ze denke zellefs van ’en hooge rente, meer as je Groo’va van z’en geld maak’. Maandag is d’er zeker van, dat ’et ’en goeje zaak zel weze.—Wat heeft-ie dan Groo’va d’er in te hale! snuggerde Geertje, vol bezorgdheid.—Da’s te zegge! Et kan misgaan. ’t Is ’en nieuwen[25]ondernemink. Je brengt d’er je geld niet as bij de spáárkas!—Nou kijk ’is an! riep Geertje overtuigd.Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was genoeg voor haar drift.Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon:—O ja, maar as jai ons no’ ga tegewerke, geef je graufader zeker niks.—Ik? wat heb ik d’er mee te make!—Nau.… ’et is toch jou geld ook.Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze ’t keukentje in. Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet schreien! Het was zóó naar, zoo ànders hier alles, vijand was ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.… Maar die arme goeie Grootva.… Wacht.…Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief; zinnetje na zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo’va moesten plezier doen, zinnetjes over thuis en het dorp, over Groo’moe d’er zinkings, of Groo’moe wel oppaste, omdat het toch nog altoos guur was, en over de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en allemaal, en toen, dat Oom en Tante d’er best uitzagen en hen vriendelijk lieten groeten.… Zoodra ze eind’lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend kleinkind Geertje, liep ze naar achter naar Tante toe, en vroeg of Tante nog wat had te zeggen: d’er brief was af:—Leest u ’em maar ’es.—Kind, wat mot ik je brief leize!—Ja, of d’er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar vlak u ’em niet!En toen Tante grinnikend aarzelde—daar er gemorreld werd aan de winkeldeur:—„’k Geloof dat er volk is”.… Weg was zij.Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei, dat Tante hem had gelezen.[26]
Als ’s Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd voor een grootheid van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat hij anders in de school zat dan de overige jongens. Hij hoorde er, de school was een stukje van zijn huis, en Meester, Meester, in wie alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, een hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in de eerste klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst zou zijn. Maar bij dat bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob van Zanten wou kweekeling worden. Jacob—dacht Jan dus—werkte hem tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en—dorst knapper wezen dan hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge moeite mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die kalme geregeldheid werd Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij hokken, hoe vader streng-was. Tot vader meester Ten Have er bij haalde, tegen meester Ten Have zei:—„Beproef gij het eens, ik kan het niet, doordat ik de vader ben.” En meester Ten Have een maand of wat na die opdracht dorst oprecht zijn:—„Waarlijk, Meester, geloof me, het gaat niet” .…
Dat was een moeilijke tijd—voor Meester. Ook wel voor Jan, die vond, dat, terwijl hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd achtergesteld. Maar dieper, veel dieper was ’t leed van Meester.[17]
Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan.
Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het Penningske. ’s Zaterdags ging de jongen het dorp rond en haalde aan achttien huizen een cent op. Daar kregen de menschen het zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen, om inteekenaars te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij schreef briefjes aan Van ’t Lindenhout, hield een bus voor de weezen, en belegde op ’t Lindenhouts verjaardag, in September, een „feestelijke bijeenkomst”, ’s avonds om half zes in de school, voor welke hij een feestzang had gedicht:
Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag,Van ’t Lindenhout ter eer.…
Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag,
Van ’t Lindenhout ter eer.…
op de wijze van ’t Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob een vers, en de meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger:
O Joh.O Joh.O Joh. van ’t Lindenhout.…
O Joh.
O Joh.
O Joh. van ’t Lindenhout.…
op de wijs van Piet Hein.… Toch ging Jan met het bushouden door en met de almanak.
Dominee, die in Jan’s ijver een blijk had ontdekt van christen-zin, kwam dan vragen, of hij geen lust had in een christelijken dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, De Standaard, ’t kon wel een zaakje worden, en nùttig!
Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp op dreef; Jan moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar wilde hij „verder”, ’t kon toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar werd hij bediende te Gouda; toen meende hij ’t recht te hebben te trouwen.…[18]
En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam, in een eigen zaak—die niet te best ging.
Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen van haar logeeren aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe winkel zag.
Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol hoog-recht. Die Woensdagmiddag, bij haar aankomst, was het juist beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand en niets dan een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er niet te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige huizenrijen. Oom moest zeggen:—„Hier is het, Geertje”; toen zag ze eerst, dat er een winkel was. „Wat een vreemd, kort-breed, haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel was benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze zich nauwelijks binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk haar verwondering.
—’t Is hier ma’r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de ruimte, wat?
—Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog eens:—Zie je, daar kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk alleen.
’s Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer:
—Je zel hebben opgesien, Geer, da’ me nou zoo klain behuisd benne. Schraif d’er maar nietveelover naar huis, hé? ’t He’t Oom wel an ’et hart gegaan, da’ me den anderen winkel uit mosten, maar hij kos ’et er niet hou’en, en nou hoopt ie dat ’et hier wat zel geve. ’t Wordt hier ’en heele nieuwe buurt, sie je, en d’er woont hier nog wat raikdom.…
Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer over hun verhuizing. En juist zei ze nòg iets van „algaers verbouwing” en „je zel ’et is sien, wa’ dat hier voor ’en drukke buurt wordt”, toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde.
—Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch[19]niks wijs! We zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De beste loop ’et dik’els tege, wat ze’ jij Geer! Ik kan niet helpe, da’ ’k daargin’s vlàk bij m’en ’en schatrijke vent had, die z’en zaak alleen nog anhoudt voor z’en zoon; ik begin pas, ik mot ’et van de grond ophale’, stikvreemd, in zoo’n groote stad, en zonder ’en cent kap’taal.… Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da’s toch mijn schuld niet!
—Och, wie zait dat nau! suste Tante.
—Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou gepraat! Ja, as ik doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet he’t gemaak’, en altoos weer mak op z’en pootjes terech’ komt! Maar as je eerlijk man wil blijven.…
Toen, zachter wat, als een bekentenis:
—Ik kon de huur nie’ meer betalen, an de Binneweg. En nou wi’ ’k ’et hier perbeere. Gaat ’et niet, dan gaat ’et niet.…
Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met tralies, bleef open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde, nooit in slaap te komen. Achter het raam leek iets als een plaatsje te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge vlekgele muur als vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar van buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat leefden de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een stille straat. Wat een mierennest toch, zoo’n stad.… Zij snakte naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, aan de onafzienbare ruimte buiten.… Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een vage wrevel, als over een teleurstelling.
’s Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar een briefje op. En weer begon Tante over de woning. Nee’, ook de stand hield hier niet over. Er woonde nog wel rijkdom in de buurt, maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat van de Schie zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant, dat[20]was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor twee centen gaven, lazen de menschen niks anders meer. Ze kregen de dingen nu haast kedo. Alleen met ’en heele groote omzet kon je n’en kleinigheid verdienen. ’t Was ’en moeilijke tijd voor de kleine nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo’va.…
Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante’s gedachte lief. Ze herinnerde zich de aankomst bij Groo’va van brieven waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude man dan van streek geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo’moe van welvarende boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de achteruitgang hier.
Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed nog, hoe ze het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan de vorige keer, en daardoor was er wel wat dat haar tegenviel. Toch had ze ook nú weer die blije gewaarwording vanbevrijding, uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo’va en Groo’moe, en aan de meeste menschen in ’t dorp.
Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos gevonden, vroeger toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om ’s middags bij de oude mevrouw, de moeder van de dominee, te zitten, die van de oude tijd kon vertellen, net of het eenanderetijd was geweest, met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had ’er eigen zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer, met bijna wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie geschilderde portretten in dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een werktafeltje, zooals Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw in de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege, triestige tuin, op de bulten van de perken en de spoelvormen van de stamrozen. Van tijd tot tijd maande de oude mevrouw:—„Geertje, denk je om de kachel?” en dan bukte Geertje maar weer eens naar[21]het heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte, dat zonder eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf—en mevrouw vertelde weer voort van de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in een Hollandsche pastorie, dicht bij het dorp waar de dominee woonde, die dat prachtige boek had geschreven,De Pastorie te Mastland, dat Geertje eens had te leen gehad.…
Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d’er vroomheid.…
Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten, zooals mevrouw had zitten vertellen van háár pastorie in dat Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische Zondagmorgen, toen zij, jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk kwam, en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de kappen; en hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd was geworden, doordat háár man een psalm had gelezen en hierna het orgel had gedreund voor het preludium.… o, Geertje had het gevoeld, gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest dat heerlijk zijn in zoo’n kerk—’t was eenanderedan de kerk van haar dorp, waar toch de oude mevrouw d’er zoon stond. En die zoon was eens in die eerste gedóópt.… Maar Grootvader placht te zeggen:—„De tijden zijn bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar”—had Geertje dat nooit precies begrepen, het zou wel beteekenen kunnen, dat nu al deblijmoedigheidweg was, waar de oude mevrouw van sprak.
In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee’s droefgeestigheid sedert de dood van zijn eenige zoon, en de saaie stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof was geworden, en Dominee maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen in een hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo’va, die er nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden; en dan de dood van zijn eenige dochter, Geertje’s[22]moeder, van wie Groo’va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad toen ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.… Groo’va was zoo’n gevoelige man! Altijd treurde hij over die dingen. Groo’moe had nog ’es eens gezeid:—„Ja, we hebben ons kind verloren, maar het kind van ons kind is als ons kind.” En Geertje had dat zóó lief gevonden, zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was gebarsten. Nóóit had Groo’va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van „de wil des Heeren”, maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet.
Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan—en nu wist Groo’va nog niet eens alles!.… Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg was er nog een aparte Bijbelkast. Maar hier!.…
—Dank je! Die reuk van heiligheid he’t me niks as schaaj gedaan! had Oom de vorige avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had.
—Bidt jij nog? had hij ’s middags geplaagd, toen ze aanzaten voor het eten. De eerste avond had ze ’t gedaan, niet lettende op Oom of Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.… Tante was tusschen beide gekomen:—„Láát ’er toch!”—Maar zij had gelachen, en Oom had gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d’er mond geweest.…
Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen, terwijl ze met het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven tegen de onderlip, akelig over dat velletje vóór haar, waar, met stad en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders.
Tante, in ’t keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel te passen, dan kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls gestoord werd ze niet! Ze had plezier in een klein, bleek meisje, dat lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, diep tastte in ’er rokje, en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. Een buurvrouw—[23]„Buurvrouw”, zei ze tot Geertje—kwam om drie velletjes postpampier, ook voor twee cent dus, en verhaalde, dat ze moest schrijven aan haar man, die varende was. En later kwam er een brillende jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een ander dat Geertje niet kon vinden—Tante, de handen verbleekt van de zeepsop, moest het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen.
Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste blad bijna vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het matten zittinkje van het krukje, achter de lastig-hooge toonbank.
De voordeur ging open:—„Dag Geertje!” zei iemand. Zij kende hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht, lang-krullend warhaar.
—Dag.… Meneer, zei Geertje verwonderd.
—Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. ’k Heb je zien laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.
—O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.
—Is je Aum d’er niet?.… Roep jai je Tante n’es voor me.
De bult en Tante bleken gemeenzaam.
—Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive?
Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante méénde—zoo zei ze—van wel, maar zeker weten dee’ ze ’t niet, ’t was zoo’n moeilijke brief voor d’er man om te schrijven.
—Wa’s d’ar nau voor moeiluks an! Als d’en ouwe nie’ wil, dan wil ie niet. ’t Vragen, sou ’k meenen, staat frai. Wat ze’ jai Geer, daar kan je Grau’fader toch nie’ boos om worde.
—Laat haar d’er buite, viel Tante haastig in, ongerust.
Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was als onderwijzer aan een openbare school de[24]kameraad van Tante’s broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo’n hekel aan de onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie nou k’ruspendent van dagbladen geworden.
—Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.
—Nou, da’j berichte stuur an de krante.
—En he’t-ie dáármee z’en brood?
Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat ook juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel konkerensie. Sommige heeren werkten samen, d’en eene nam dit en d’en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer Maandag was altijd alleen.… Maar nou kreeg-d-ie misschien ’en eigen krant. Ja, ’en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.… Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat wou geven.…
—Groo’va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, of d’er iemand Groo’va te lijf wou. Die goeie Groo’va, hij had zoo weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!
—’t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.
—Hoe verschieten?
—Nou, z’en geld blaìft z’en geld, en ieder jaar kraigt ie z’en rente. Ze denke zellefs van ’en hooge rente, meer as je Groo’va van z’en geld maak’. Maandag is d’er zeker van, dat ’et ’en goeje zaak zel weze.
—Wat heeft-ie dan Groo’va d’er in te hale! snuggerde Geertje, vol bezorgdheid.
—Da’s te zegge! Et kan misgaan. ’t Is ’en nieuwen[25]ondernemink. Je brengt d’er je geld niet as bij de spáárkas!
—Nou kijk ’is an! riep Geertje overtuigd.
Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was genoeg voor haar drift.
Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon:
—O ja, maar as jai ons no’ ga tegewerke, geef je graufader zeker niks.
—Ik? wat heb ik d’er mee te make!
—Nau.… ’et is toch jou geld ook.
Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze ’t keukentje in. Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet schreien! Het was zóó naar, zoo ànders hier alles, vijand was ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.… Maar die arme goeie Grootva.… Wacht.…
Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief; zinnetje na zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo’va moesten plezier doen, zinnetjes over thuis en het dorp, over Groo’moe d’er zinkings, of Groo’moe wel oppaste, omdat het toch nog altoos guur was, en over de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en allemaal, en toen, dat Oom en Tante d’er best uitzagen en hen vriendelijk lieten groeten.… Zoodra ze eind’lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend kleinkind Geertje, liep ze naar achter naar Tante toe, en vroeg of Tante nog wat had te zeggen: d’er brief was af:—Leest u ’em maar ’es.
—Kind, wat mot ik je brief leize!
—Ja, of d’er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar vlak u ’em niet!
En toen Tante grinnikend aarzelde—daar er gemorreld werd aan de winkeldeur:—„’k Geloof dat er volk is”.… Weg was zij.
Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei, dat Tante hem had gelezen.[26]
[Inhoud]III.Oom zei nog diezelfde avond:—Tante he ’t je zoowat verteld, hè, van de groote dinge die komende zijn. Ja, wat zeg je daar nou van! Oome Jan, dirrekteur van ’en krant! Nou maar, zoo voornaam is ’t niet, hoor. ’k Doe ’et eige’luk meer voor Maandag. Zie je, die kerel komp niet tot z’en rech’. Elke morrege naar de vischmark’, de ongelukke opneme bij de peliessie, en verslage geve van vergaderinge, wa’s dat nou voor ’endenkeras hij. Want, dat zou jij misschien niet verwachte, as je ne’m zie mit die bak op z’en rug, maar Kees Maandag is iemand, zie je. D’er gaat wat om in die fijne kop! Weet je dat ie de sekeretaris is van onze afdeeling van De Dageraad? Lang was-t-ie de ziel van de heele boel. En logika, dat-ie he’t, die vent, zie je-n-en logika, dat er geen speld is tussche te krijge. Dat maak de mensche juist tureluursch! De dominees hate-n-em! En de mederne nog erger as de orthedoxe! Ik weet—hij denk ’et zelf ook, maar ik weet met zekerheid, dat-ie kurspendent voor de vischberichte van ’et Nieuws van de Dag had kunne worde, as de mederne dominees hier ’em niet bij die dominees-redaktie hadde zwart gemaak! Afijn, de man he’t z’en brood, maar ’et is geen werke v’er iemand as zijn, en daarom wou ’k zoo graag dat ’et weekblad d’er kwam.—Et weekblad? zei Geertje, in achteloosheid haar best doend om belangstelling voor te wenden. Ze voelde zich zoozeer als een vreemde bij dit gepraat. Wat was dit alles, waar Oom van sprak! Hoe langer hoe sterker kreeg ze een gewaarwording,[27]als draaiden d’er molentjes hier in huis. Namen en dingen die ze niet kende; maar, in wat ze er van begreep, akelige dingen, waar ze een onmachtige drang tot verzet tegen had gevoeld. O, die Maandag, dat tanig blond-bleeke gedrocht, met z’en spitse magere kop met niks as haar dat niet gekamd was, die kop die aldoor maar, net of-t-ie niet goed vastgemaakt was, nijdig lag heen en weer te schudden op dat doopvont van z’en schoft! En die schreef hier de wet nou voor. Maandag dit en Maandag dat, bij Oom nog erger as bij Tante! Oom was een ander mensch geworden, de winkel was anders, alles was anders, armoe en schuld regeerden ’t huis—straks nog met dat bezoek van Jansen, de bakker van de Binneweg, met wie Oom vroeger koek en ei was, en die nou kwam met ’en strak gezicht, en daar zij, Geertje, bij was, vroeg om „de zeven weken brood die d’er nog stonden”.… En terwijl de winkel heel de dag geen klant haast zag, liep Oom d’er maar uit, en had-ie het hoofd vol van wist-Geertje-wat-voor nieuwe dingen, waar Groo’va ’t geld voor zou moeten geven! Was ze toch maar thuis gebleven! Of.… thuis.… Nee. Maar ze had nóu toch te doen met Groo’va:—als die het wist van Oom z’enafval, én hoe dezaakverloopen was.… Maar zij zat d’er in, in de rommel; en na die leelijke boosheid van Tante vanmiddag, die dacht dat het haar, Geer’, voor d’er eige’s wat schelen kon of Oom aan Groo’va vroeg om geld, wou ze, zou ze niks meer zeggen. Oom en tante mochten praten.…—Et weekblad! Zeg slaap je. Ben je nou heelemaal vergete wat tante je he’t verteld!—O! ja.…—Wéét je waar ’et om te doen is? Je ken toch De Kerkbode van Van Sijn?—Nee.—Zoo. Nou da’s ’en blad, mit de lijst van de predikbeurte. Te minste, daar is ’t om begonne. In andere stee’e hei je ’n domineesbriefje, maar hier hei je ’n heele krant, met stukke van preeke en nog zoo wat stopsel, en mit ’en kap’taal an[28]advertensies. Je he’t d’er geen idee van, wat dat ding ’en advertensies krijg. En van alles, je kan ’t zoo gek niet verzinne. Maar nou mot jij toch ook wel begrijpe, dat as d’er in ’en libberale stad as Rotterdam, want Rotterdam is nìet klerekaal, dat heb ik tot m’en schaaj ondervonde, toe’k nog zoowat voor spek en boone meedee an al die schijnheiligheid; as d’er hier nou ’is net zoo’n blad kwam, zonder preeke en mit degelijke stukke van ’en denker as Maandag, d’er dan een menigte adverteerders liever daar zoue adverteere. Dat heeft Maandag, of eigelik heb ik dat ingezien, en toen me vriend Maandag d’er over gesproke, die bereid is, wat ie nou doet voor verschillende krante, prijs te geve, as ons weekblad d’er komp. Ik zou dan zorge voor de adminnestraassie, en ’en kennis van ons, Heins, chef van de firma Heins en Co., zou ’t drukke. Maar Heins vraagt geld, garansie-kap’taal, en wij moete nou zien dat te vinde.… Denk je, da’ Groo’va wat zel geve?…—Oom, weet ik dat nou!Geertje voelde zich zoo afschuwelijk zenuwachtig worden. Tante was plots naar voren geloopen, zonder noodzaak of reden, enkel om de kamer uit te zijn.—Zie je, Geer, we motte mekander goed begrijpe. Grootvader z’en geld wordt later jou geld en mijn geld—wanneer je grootouders komen te valle.… Nee god, daar mo’j nou niet om grienen, àllebei bènne ze-n-ommers gezond! Maar ’et leit in de rede van de netuur, da’ zuilie komme te sterreve … vóór d’er zoon en d’er kleindochter. Nou, en dan komp hun geld an òns. Daarom ze’k je nog ’is: ’t is jou belang ook. Ik zeg ’et mit de beste bedoelinge. Als jij de’r op tege heb, da ’k ’et vraag.… dan doen ik ’t niet.…Geertje vóelde ’t in d’er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar daar laf beloog. Maar dan moest het ook maar, dan moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d’er gezicht, tegenover een plomp-groote man,[29]die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te spotten—om ’es hard terug te slaan, zoo zwak als ze was.—Wou u soms dat ik d’er om vroeg?—Wat meen je dáármee? zei Oom op een droge toon van halve onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.—Nou.…Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opneems ’er gedachten kwijt. En bij haar beschaamdheid, zakte haar boosheid, ze werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte om niet kwaad te wezen—hè, als zij Oom en Groo’va eens tot mekaar kon brengen!Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan met ’en lieve lach.…—Tante heef me dat ook al doen voele, dat ze m’anzag voor zoo’n soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo’va, niet om z’en geld, maar om Groo’va zelf. U weet toch ook nog wel van die keer, toe’ in Augustus, toe’ u ’s middags onverwach’s kwam.… Groo’va was altoos dage lang van streek, als u om geld had gevraagd. En nou weet Groo’va nog heelemaal niks, van hoe het hier veranderd is.—Da’ me verhuisd benne? zeker wel!—Och nee, ’k meen niet alleen verhuisd! Maar de heele boel hier.… En ook uzelf.… Oom, zou u heusch aan Groo’va durve vertelle, wat u straks an mij heb verteld, van die krant krek tege de dominees in, en dàn an Groo’va durreve vrage, of ie daar z’en geld voor wou geve?.…—Je ben me d’er eentje! zei Oom op een lachtoontje van plezier willen doen. Toen ze sprak, had hij al geglimlacht, toen ze doelde op zijn veranderd-wezen; en was er op zijn gezicht gekomen, in zijn oogen, zoo’n glans van wel-zelfvoldaan-zijn, van uit behaagzucht wel willen bebromd worden als ondeugend.—Nee hoor, da’ jij me zwart zou make bij Groo’va, daar[30]he ’k geen oogenblik an gedacht en Tante kan dat ook niet gemeend hebbe. Maar ik wòu je d’er over spreke, ’k zeg je, omdat het ook jou belang is. En wat dat nou angaat mit Groo’va, zie je, Geer, de zaak he’t twee kante: as financieele ondernemink, èn as proppegandemiddel voor de vrije gedachte. Nou, wat betref de vrije-gedachte, dat ben ik heelegaar mit j’ eens, da’s geen zaak om je grootvader mee an boord te komme. Máár de financieele kant van de kwestie, waarom zou ik ’em dáár niet alles van kunne vertelle? Wij wille hier ’en advertensie-weekblad voor de winkelstand oprichte, en we zijn overtuigd, ik zeg je, as manne van eer zijn we-n-in gemoede oprech’ overtuigd, dàt zoo’n blad rendabel is. Nou, en nou kom ik an Groo’va vrage, of ie dat geen goeie geldbeleggink vindt. Vóel je wel, dat heef niks te make mit vrije gedachte of wa’ voor gedachte. En net zoo min mit de staat van me winkel—die nog zoo slecht niet is, d’er benne d’er erger in de stad, hoor! Ik vraag je grootvader niks voor mezelf! ’t Is geen kedo! Ik vraag eenvoudig an je grootvader of-ie soms van z’en geld wil steke in ’en ondernemink, die heel goed ken worden, en waar ik nou toevallig van in ’t bestuur zit. Voel je wel, Geer, voel je nou zelf wel, dat heef mit ’et andere niks te make.—Ja. Nee! zei Geer en knikte.Ze wou d’er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer binnengekomen. ’t Spelletje was gespeeld met haar. O, ze doorzag het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder zeggen? Ze had haar boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te vinden, en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste willen was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij die hoop van weg te nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het geld van zijn vader. En zoo had ze niets gedaan! Oom had haar willen uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou beginnen—deelgenoot was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan zijn verraad tegenover Groo’va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde, dat Oom en Tante mekaar aankeken,[31]allebei dachten ze:—„hebben we der nou?” ze móesten denken:—„we hebben d’er.” Wat zou ze ook? Wat kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer blijven! Dat was het eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet, dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam voor een dienst. Zoo gàuw als mogelijk een dienst.… Tante had nog van niets gesproken. Oom evenmin. Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet.…Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij, toen ze voor de gootsteen stond. Met een weeë soezing in het hoofd, keek ze toe bij het volloopen, het overloopen van het water in de gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.… toen sloot ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk ’t spritsend boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag ’t bewustzijn in haar, dat ze ’t winkelbelletje hoorde, dat er gerucht was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt gegiegel … tot het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen.—Jasses!—Eèè!En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende keukentje, zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in eigen grappigheid, Gerrit Holkers haar tegenlachen, Gerrit:—„Hahaha, gefopt hé?.… Hoe gaat ’et maid? Je ken me toch nog?” Gerrit, zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret om zichzelf:—„No’ zeg, gee’ je me nou geen soen?”—Dag Gerrit.—Zoo, ’en hand, nou da’s te minste ie’s. De kussies die houe me te goed. En hoe maak je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde.Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag, hel verlicht de gedrochteromp in het geelgrijs[32]colbertje, bij de tafel. En allen lachten om Gerrit’s grapje.—Zuster, je schenk toch ’en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante.Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden:—Toe Geer, haal jij ’s effe hierover.… voor zestien cente.… Of wach’, ik zal het zelf doen.…Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls ’s avonds wat kreeg; nu was er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren te poffen.In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje uit de winkel.Toen vroeg Gerrit haar opeens:—Hoe is ’t Geer, hai je-n-al ’en diens?Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:—„Die hei je m’ar zóó niet!” Geer was ommers pas twee dagen in de stad.—Eerst mot ze-n-an de stadsluch’ wenne, vroolijkte Maandag.Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid.—Daarom kan ik al wel ’es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen mevrouw Gobius, Tante?Die naam, Geertje zag ’t, gaf ontsteltenis.—Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en lachte het eerste.Tante lachte,Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar ziende hoe verlegen Geertje haar aankeek, legde Tante uit:—Ja, je wait da’ nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp.…—Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de deur, en stak de jeneverflesch hoog voor zich uit.—Bravo! riep Maandag.—En leve de glaze!Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen om mee te drinken, vroeg of ze ’t dan ook maar mocht met water.[33]—Hai je da’ gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he’t?En meneer Maandag deed een verhaal van ’en koster en een lekkende goot, en de vrouw van de koster die kwaad had gesproken—Geertje begreep het niet, vond het niet aardig, en de drank die ze dronk vond ze naar. Groo’va was zoo tégen drank: àls hij het wist, dat zij nu dronk!… Weer dacht zij aan huis, aan de grootou’ers-samen, hoe die nu, eenzaam, daar zouden zitten, Groo’valezendevóór het naar bed gaan.… Toch.…Niet terug.… Maar ’en dienst, hier, ’en dienst.… Zou tante nù nog mak’lijk wat vinden, nu het blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die vroeger klanten waren, vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend, had Groo’moe gerekend, na wat Oom eens thuis had gezegd, en na wat Tante nog kortgelee’ had geschreven.… Hoe te doen dan nu, zonder die menschen?.…—Geer, wa’ be’ jij stil venavond!—Geer denkt over d’er zonde na!—Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag.Geertje lachte:—„Beter as u misschien!”.… Maar ze lachte gedwongen, verlegen.—Beter as ik? Da’ gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate!—Ja práát jij is mit er, Maandag!Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te maken. Maar ze dankte de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond en Gerrit volgde.Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij wakker, zij had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds viel haar gedachte op ’t vuurwerk, dat zij eens hier in de stad had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. Nooit had zij zoo wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al hooger, en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de blauwzwarte[34]lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt.Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij niet kon slapen, en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo fijn de fluit van de spoortrein, de laatste trein, die nòg een keer floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, weer voortging?.…Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild om dat spoorfluiten ’s nachts en daarbij telkens gedacht aan het vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. Nu weer dacht zij aan ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis ’s nachts, naar de stad en het nieuwe.… Nu was er een vreemde beklemdheid in haar, een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te willen.… Een zwakke drang, wel, om weder te huilen.…Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen, en stemmen, net of veel menschen daar gingen en praatten … O, zij begreep, de brandweer was het; er was misschien brand in de buurt geweest.…Huiverig dook zij diep weg in de deken.[35]
III.
Oom zei nog diezelfde avond:—Tante he ’t je zoowat verteld, hè, van de groote dinge die komende zijn. Ja, wat zeg je daar nou van! Oome Jan, dirrekteur van ’en krant! Nou maar, zoo voornaam is ’t niet, hoor. ’k Doe ’et eige’luk meer voor Maandag. Zie je, die kerel komp niet tot z’en rech’. Elke morrege naar de vischmark’, de ongelukke opneme bij de peliessie, en verslage geve van vergaderinge, wa’s dat nou voor ’endenkeras hij. Want, dat zou jij misschien niet verwachte, as je ne’m zie mit die bak op z’en rug, maar Kees Maandag is iemand, zie je. D’er gaat wat om in die fijne kop! Weet je dat ie de sekeretaris is van onze afdeeling van De Dageraad? Lang was-t-ie de ziel van de heele boel. En logika, dat-ie he’t, die vent, zie je-n-en logika, dat er geen speld is tussche te krijge. Dat maak de mensche juist tureluursch! De dominees hate-n-em! En de mederne nog erger as de orthedoxe! Ik weet—hij denk ’et zelf ook, maar ik weet met zekerheid, dat-ie kurspendent voor de vischberichte van ’et Nieuws van de Dag had kunne worde, as de mederne dominees hier ’em niet bij die dominees-redaktie hadde zwart gemaak! Afijn, de man he’t z’en brood, maar ’et is geen werke v’er iemand as zijn, en daarom wou ’k zoo graag dat ’et weekblad d’er kwam.—Et weekblad? zei Geertje, in achteloosheid haar best doend om belangstelling voor te wenden. Ze voelde zich zoozeer als een vreemde bij dit gepraat. Wat was dit alles, waar Oom van sprak! Hoe langer hoe sterker kreeg ze een gewaarwording,[27]als draaiden d’er molentjes hier in huis. Namen en dingen die ze niet kende; maar, in wat ze er van begreep, akelige dingen, waar ze een onmachtige drang tot verzet tegen had gevoeld. O, die Maandag, dat tanig blond-bleeke gedrocht, met z’en spitse magere kop met niks as haar dat niet gekamd was, die kop die aldoor maar, net of-t-ie niet goed vastgemaakt was, nijdig lag heen en weer te schudden op dat doopvont van z’en schoft! En die schreef hier de wet nou voor. Maandag dit en Maandag dat, bij Oom nog erger as bij Tante! Oom was een ander mensch geworden, de winkel was anders, alles was anders, armoe en schuld regeerden ’t huis—straks nog met dat bezoek van Jansen, de bakker van de Binneweg, met wie Oom vroeger koek en ei was, en die nou kwam met ’en strak gezicht, en daar zij, Geertje, bij was, vroeg om „de zeven weken brood die d’er nog stonden”.… En terwijl de winkel heel de dag geen klant haast zag, liep Oom d’er maar uit, en had-ie het hoofd vol van wist-Geertje-wat-voor nieuwe dingen, waar Groo’va ’t geld voor zou moeten geven! Was ze toch maar thuis gebleven! Of.… thuis.… Nee. Maar ze had nóu toch te doen met Groo’va:—als die het wist van Oom z’enafval, én hoe dezaakverloopen was.… Maar zij zat d’er in, in de rommel; en na die leelijke boosheid van Tante vanmiddag, die dacht dat het haar, Geer’, voor d’er eige’s wat schelen kon of Oom aan Groo’va vroeg om geld, wou ze, zou ze niks meer zeggen. Oom en tante mochten praten.…—Et weekblad! Zeg slaap je. Ben je nou heelemaal vergete wat tante je he’t verteld!—O! ja.…—Wéét je waar ’et om te doen is? Je ken toch De Kerkbode van Van Sijn?—Nee.—Zoo. Nou da’s ’en blad, mit de lijst van de predikbeurte. Te minste, daar is ’t om begonne. In andere stee’e hei je ’n domineesbriefje, maar hier hei je ’n heele krant, met stukke van preeke en nog zoo wat stopsel, en mit ’en kap’taal an[28]advertensies. Je he’t d’er geen idee van, wat dat ding ’en advertensies krijg. En van alles, je kan ’t zoo gek niet verzinne. Maar nou mot jij toch ook wel begrijpe, dat as d’er in ’en libberale stad as Rotterdam, want Rotterdam is nìet klerekaal, dat heb ik tot m’en schaaj ondervonde, toe’k nog zoowat voor spek en boone meedee an al die schijnheiligheid; as d’er hier nou ’is net zoo’n blad kwam, zonder preeke en mit degelijke stukke van ’en denker as Maandag, d’er dan een menigte adverteerders liever daar zoue adverteere. Dat heeft Maandag, of eigelik heb ik dat ingezien, en toen me vriend Maandag d’er over gesproke, die bereid is, wat ie nou doet voor verschillende krante, prijs te geve, as ons weekblad d’er komp. Ik zou dan zorge voor de adminnestraassie, en ’en kennis van ons, Heins, chef van de firma Heins en Co., zou ’t drukke. Maar Heins vraagt geld, garansie-kap’taal, en wij moete nou zien dat te vinde.… Denk je, da’ Groo’va wat zel geve?…—Oom, weet ik dat nou!Geertje voelde zich zoo afschuwelijk zenuwachtig worden. Tante was plots naar voren geloopen, zonder noodzaak of reden, enkel om de kamer uit te zijn.—Zie je, Geer, we motte mekander goed begrijpe. Grootvader z’en geld wordt later jou geld en mijn geld—wanneer je grootouders komen te valle.… Nee god, daar mo’j nou niet om grienen, àllebei bènne ze-n-ommers gezond! Maar ’et leit in de rede van de netuur, da’ zuilie komme te sterreve … vóór d’er zoon en d’er kleindochter. Nou, en dan komp hun geld an òns. Daarom ze’k je nog ’is: ’t is jou belang ook. Ik zeg ’et mit de beste bedoelinge. Als jij de’r op tege heb, da ’k ’et vraag.… dan doen ik ’t niet.…Geertje vóelde ’t in d’er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar daar laf beloog. Maar dan moest het ook maar, dan moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d’er gezicht, tegenover een plomp-groote man,[29]die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te spotten—om ’es hard terug te slaan, zoo zwak als ze was.—Wou u soms dat ik d’er om vroeg?—Wat meen je dáármee? zei Oom op een droge toon van halve onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.—Nou.…Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opneems ’er gedachten kwijt. En bij haar beschaamdheid, zakte haar boosheid, ze werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte om niet kwaad te wezen—hè, als zij Oom en Groo’va eens tot mekaar kon brengen!Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan met ’en lieve lach.…—Tante heef me dat ook al doen voele, dat ze m’anzag voor zoo’n soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo’va, niet om z’en geld, maar om Groo’va zelf. U weet toch ook nog wel van die keer, toe’ in Augustus, toe’ u ’s middags onverwach’s kwam.… Groo’va was altoos dage lang van streek, als u om geld had gevraagd. En nou weet Groo’va nog heelemaal niks, van hoe het hier veranderd is.—Da’ me verhuisd benne? zeker wel!—Och nee, ’k meen niet alleen verhuisd! Maar de heele boel hier.… En ook uzelf.… Oom, zou u heusch aan Groo’va durve vertelle, wat u straks an mij heb verteld, van die krant krek tege de dominees in, en dàn an Groo’va durreve vrage, of ie daar z’en geld voor wou geve?.…—Je ben me d’er eentje! zei Oom op een lachtoontje van plezier willen doen. Toen ze sprak, had hij al geglimlacht, toen ze doelde op zijn veranderd-wezen; en was er op zijn gezicht gekomen, in zijn oogen, zoo’n glans van wel-zelfvoldaan-zijn, van uit behaagzucht wel willen bebromd worden als ondeugend.—Nee hoor, da’ jij me zwart zou make bij Groo’va, daar[30]he ’k geen oogenblik an gedacht en Tante kan dat ook niet gemeend hebbe. Maar ik wòu je d’er over spreke, ’k zeg je, omdat het ook jou belang is. En wat dat nou angaat mit Groo’va, zie je, Geer, de zaak he’t twee kante: as financieele ondernemink, èn as proppegandemiddel voor de vrije gedachte. Nou, wat betref de vrije-gedachte, dat ben ik heelegaar mit j’ eens, da’s geen zaak om je grootvader mee an boord te komme. Máár de financieele kant van de kwestie, waarom zou ik ’em dáár niet alles van kunne vertelle? Wij wille hier ’en advertensie-weekblad voor de winkelstand oprichte, en we zijn overtuigd, ik zeg je, as manne van eer zijn we-n-in gemoede oprech’ overtuigd, dàt zoo’n blad rendabel is. Nou, en nou kom ik an Groo’va vrage, of ie dat geen goeie geldbeleggink vindt. Vóel je wel, dat heef niks te make mit vrije gedachte of wa’ voor gedachte. En net zoo min mit de staat van me winkel—die nog zoo slecht niet is, d’er benne d’er erger in de stad, hoor! Ik vraag je grootvader niks voor mezelf! ’t Is geen kedo! Ik vraag eenvoudig an je grootvader of-ie soms van z’en geld wil steke in ’en ondernemink, die heel goed ken worden, en waar ik nou toevallig van in ’t bestuur zit. Voel je wel, Geer, voel je nou zelf wel, dat heef mit ’et andere niks te make.—Ja. Nee! zei Geer en knikte.Ze wou d’er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer binnengekomen. ’t Spelletje was gespeeld met haar. O, ze doorzag het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder zeggen? Ze had haar boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te vinden, en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste willen was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij die hoop van weg te nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het geld van zijn vader. En zoo had ze niets gedaan! Oom had haar willen uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou beginnen—deelgenoot was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan zijn verraad tegenover Groo’va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde, dat Oom en Tante mekaar aankeken,[31]allebei dachten ze:—„hebben we der nou?” ze móesten denken:—„we hebben d’er.” Wat zou ze ook? Wat kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer blijven! Dat was het eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet, dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam voor een dienst. Zoo gàuw als mogelijk een dienst.… Tante had nog van niets gesproken. Oom evenmin. Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet.…Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij, toen ze voor de gootsteen stond. Met een weeë soezing in het hoofd, keek ze toe bij het volloopen, het overloopen van het water in de gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.… toen sloot ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk ’t spritsend boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag ’t bewustzijn in haar, dat ze ’t winkelbelletje hoorde, dat er gerucht was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt gegiegel … tot het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen.—Jasses!—Eèè!En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende keukentje, zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in eigen grappigheid, Gerrit Holkers haar tegenlachen, Gerrit:—„Hahaha, gefopt hé?.… Hoe gaat ’et maid? Je ken me toch nog?” Gerrit, zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret om zichzelf:—„No’ zeg, gee’ je me nou geen soen?”—Dag Gerrit.—Zoo, ’en hand, nou da’s te minste ie’s. De kussies die houe me te goed. En hoe maak je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde.Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag, hel verlicht de gedrochteromp in het geelgrijs[32]colbertje, bij de tafel. En allen lachten om Gerrit’s grapje.—Zuster, je schenk toch ’en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante.Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden:—Toe Geer, haal jij ’s effe hierover.… voor zestien cente.… Of wach’, ik zal het zelf doen.…Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls ’s avonds wat kreeg; nu was er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren te poffen.In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje uit de winkel.Toen vroeg Gerrit haar opeens:—Hoe is ’t Geer, hai je-n-al ’en diens?Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:—„Die hei je m’ar zóó niet!” Geer was ommers pas twee dagen in de stad.—Eerst mot ze-n-an de stadsluch’ wenne, vroolijkte Maandag.Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid.—Daarom kan ik al wel ’es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen mevrouw Gobius, Tante?Die naam, Geertje zag ’t, gaf ontsteltenis.—Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en lachte het eerste.Tante lachte,Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar ziende hoe verlegen Geertje haar aankeek, legde Tante uit:—Ja, je wait da’ nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp.…—Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de deur, en stak de jeneverflesch hoog voor zich uit.—Bravo! riep Maandag.—En leve de glaze!Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen om mee te drinken, vroeg of ze ’t dan ook maar mocht met water.[33]—Hai je da’ gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he’t?En meneer Maandag deed een verhaal van ’en koster en een lekkende goot, en de vrouw van de koster die kwaad had gesproken—Geertje begreep het niet, vond het niet aardig, en de drank die ze dronk vond ze naar. Groo’va was zoo tégen drank: àls hij het wist, dat zij nu dronk!… Weer dacht zij aan huis, aan de grootou’ers-samen, hoe die nu, eenzaam, daar zouden zitten, Groo’valezendevóór het naar bed gaan.… Toch.…Niet terug.… Maar ’en dienst, hier, ’en dienst.… Zou tante nù nog mak’lijk wat vinden, nu het blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die vroeger klanten waren, vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend, had Groo’moe gerekend, na wat Oom eens thuis had gezegd, en na wat Tante nog kortgelee’ had geschreven.… Hoe te doen dan nu, zonder die menschen?.…—Geer, wa’ be’ jij stil venavond!—Geer denkt over d’er zonde na!—Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag.Geertje lachte:—„Beter as u misschien!”.… Maar ze lachte gedwongen, verlegen.—Beter as ik? Da’ gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate!—Ja práát jij is mit er, Maandag!Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te maken. Maar ze dankte de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond en Gerrit volgde.Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij wakker, zij had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds viel haar gedachte op ’t vuurwerk, dat zij eens hier in de stad had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. Nooit had zij zoo wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al hooger, en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de blauwzwarte[34]lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt.Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij niet kon slapen, en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo fijn de fluit van de spoortrein, de laatste trein, die nòg een keer floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, weer voortging?.…Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild om dat spoorfluiten ’s nachts en daarbij telkens gedacht aan het vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. Nu weer dacht zij aan ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis ’s nachts, naar de stad en het nieuwe.… Nu was er een vreemde beklemdheid in haar, een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te willen.… Een zwakke drang, wel, om weder te huilen.…Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen, en stemmen, net of veel menschen daar gingen en praatten … O, zij begreep, de brandweer was het; er was misschien brand in de buurt geweest.…Huiverig dook zij diep weg in de deken.[35]
Oom zei nog diezelfde avond:
—Tante he ’t je zoowat verteld, hè, van de groote dinge die komende zijn. Ja, wat zeg je daar nou van! Oome Jan, dirrekteur van ’en krant! Nou maar, zoo voornaam is ’t niet, hoor. ’k Doe ’et eige’luk meer voor Maandag. Zie je, die kerel komp niet tot z’en rech’. Elke morrege naar de vischmark’, de ongelukke opneme bij de peliessie, en verslage geve van vergaderinge, wa’s dat nou voor ’endenkeras hij. Want, dat zou jij misschien niet verwachte, as je ne’m zie mit die bak op z’en rug, maar Kees Maandag is iemand, zie je. D’er gaat wat om in die fijne kop! Weet je dat ie de sekeretaris is van onze afdeeling van De Dageraad? Lang was-t-ie de ziel van de heele boel. En logika, dat-ie he’t, die vent, zie je-n-en logika, dat er geen speld is tussche te krijge. Dat maak de mensche juist tureluursch! De dominees hate-n-em! En de mederne nog erger as de orthedoxe! Ik weet—hij denk ’et zelf ook, maar ik weet met zekerheid, dat-ie kurspendent voor de vischberichte van ’et Nieuws van de Dag had kunne worde, as de mederne dominees hier ’em niet bij die dominees-redaktie hadde zwart gemaak! Afijn, de man he’t z’en brood, maar ’et is geen werke v’er iemand as zijn, en daarom wou ’k zoo graag dat ’et weekblad d’er kwam.
—Et weekblad? zei Geertje, in achteloosheid haar best doend om belangstelling voor te wenden. Ze voelde zich zoozeer als een vreemde bij dit gepraat. Wat was dit alles, waar Oom van sprak! Hoe langer hoe sterker kreeg ze een gewaarwording,[27]als draaiden d’er molentjes hier in huis. Namen en dingen die ze niet kende; maar, in wat ze er van begreep, akelige dingen, waar ze een onmachtige drang tot verzet tegen had gevoeld. O, die Maandag, dat tanig blond-bleeke gedrocht, met z’en spitse magere kop met niks as haar dat niet gekamd was, die kop die aldoor maar, net of-t-ie niet goed vastgemaakt was, nijdig lag heen en weer te schudden op dat doopvont van z’en schoft! En die schreef hier de wet nou voor. Maandag dit en Maandag dat, bij Oom nog erger as bij Tante! Oom was een ander mensch geworden, de winkel was anders, alles was anders, armoe en schuld regeerden ’t huis—straks nog met dat bezoek van Jansen, de bakker van de Binneweg, met wie Oom vroeger koek en ei was, en die nou kwam met ’en strak gezicht, en daar zij, Geertje, bij was, vroeg om „de zeven weken brood die d’er nog stonden”.… En terwijl de winkel heel de dag geen klant haast zag, liep Oom d’er maar uit, en had-ie het hoofd vol van wist-Geertje-wat-voor nieuwe dingen, waar Groo’va ’t geld voor zou moeten geven! Was ze toch maar thuis gebleven! Of.… thuis.… Nee. Maar ze had nóu toch te doen met Groo’va:—als die het wist van Oom z’enafval, én hoe dezaakverloopen was.… Maar zij zat d’er in, in de rommel; en na die leelijke boosheid van Tante vanmiddag, die dacht dat het haar, Geer’, voor d’er eige’s wat schelen kon of Oom aan Groo’va vroeg om geld, wou ze, zou ze niks meer zeggen. Oom en tante mochten praten.…
—Et weekblad! Zeg slaap je. Ben je nou heelemaal vergete wat tante je he’t verteld!
—O! ja.…
—Wéét je waar ’et om te doen is? Je ken toch De Kerkbode van Van Sijn?
—Nee.
—Zoo. Nou da’s ’en blad, mit de lijst van de predikbeurte. Te minste, daar is ’t om begonne. In andere stee’e hei je ’n domineesbriefje, maar hier hei je ’n heele krant, met stukke van preeke en nog zoo wat stopsel, en mit ’en kap’taal an[28]advertensies. Je he’t d’er geen idee van, wat dat ding ’en advertensies krijg. En van alles, je kan ’t zoo gek niet verzinne. Maar nou mot jij toch ook wel begrijpe, dat as d’er in ’en libberale stad as Rotterdam, want Rotterdam is nìet klerekaal, dat heb ik tot m’en schaaj ondervonde, toe’k nog zoowat voor spek en boone meedee an al die schijnheiligheid; as d’er hier nou ’is net zoo’n blad kwam, zonder preeke en mit degelijke stukke van ’en denker as Maandag, d’er dan een menigte adverteerders liever daar zoue adverteere. Dat heeft Maandag, of eigelik heb ik dat ingezien, en toen me vriend Maandag d’er over gesproke, die bereid is, wat ie nou doet voor verschillende krante, prijs te geve, as ons weekblad d’er komp. Ik zou dan zorge voor de adminnestraassie, en ’en kennis van ons, Heins, chef van de firma Heins en Co., zou ’t drukke. Maar Heins vraagt geld, garansie-kap’taal, en wij moete nou zien dat te vinde.… Denk je, da’ Groo’va wat zel geve?…
—Oom, weet ik dat nou!
Geertje voelde zich zoo afschuwelijk zenuwachtig worden. Tante was plots naar voren geloopen, zonder noodzaak of reden, enkel om de kamer uit te zijn.
—Zie je, Geer, we motte mekander goed begrijpe. Grootvader z’en geld wordt later jou geld en mijn geld—wanneer je grootouders komen te valle.… Nee god, daar mo’j nou niet om grienen, àllebei bènne ze-n-ommers gezond! Maar ’et leit in de rede van de netuur, da’ zuilie komme te sterreve … vóór d’er zoon en d’er kleindochter. Nou, en dan komp hun geld an òns. Daarom ze’k je nog ’is: ’t is jou belang ook. Ik zeg ’et mit de beste bedoelinge. Als jij de’r op tege heb, da ’k ’et vraag.… dan doen ik ’t niet.…
Geertje vóelde ’t in d’er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar daar laf beloog. Maar dan moest het ook maar, dan moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d’er gezicht, tegenover een plomp-groote man,[29]die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te spotten—om ’es hard terug te slaan, zoo zwak als ze was.
—Wou u soms dat ik d’er om vroeg?
—Wat meen je dáármee? zei Oom op een droge toon van halve onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.
—Nou.…
Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opneems ’er gedachten kwijt. En bij haar beschaamdheid, zakte haar boosheid, ze werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte om niet kwaad te wezen—hè, als zij Oom en Groo’va eens tot mekaar kon brengen!
Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan met ’en lieve lach.…
—Tante heef me dat ook al doen voele, dat ze m’anzag voor zoo’n soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo’va, niet om z’en geld, maar om Groo’va zelf. U weet toch ook nog wel van die keer, toe’ in Augustus, toe’ u ’s middags onverwach’s kwam.… Groo’va was altoos dage lang van streek, als u om geld had gevraagd. En nou weet Groo’va nog heelemaal niks, van hoe het hier veranderd is.
—Da’ me verhuisd benne? zeker wel!
—Och nee, ’k meen niet alleen verhuisd! Maar de heele boel hier.… En ook uzelf.… Oom, zou u heusch aan Groo’va durve vertelle, wat u straks an mij heb verteld, van die krant krek tege de dominees in, en dàn an Groo’va durreve vrage, of ie daar z’en geld voor wou geve?.…
—Je ben me d’er eentje! zei Oom op een lachtoontje van plezier willen doen. Toen ze sprak, had hij al geglimlacht, toen ze doelde op zijn veranderd-wezen; en was er op zijn gezicht gekomen, in zijn oogen, zoo’n glans van wel-zelfvoldaan-zijn, van uit behaagzucht wel willen bebromd worden als ondeugend.
—Nee hoor, da’ jij me zwart zou make bij Groo’va, daar[30]he ’k geen oogenblik an gedacht en Tante kan dat ook niet gemeend hebbe. Maar ik wòu je d’er over spreke, ’k zeg je, omdat het ook jou belang is. En wat dat nou angaat mit Groo’va, zie je, Geer, de zaak he’t twee kante: as financieele ondernemink, èn as proppegandemiddel voor de vrije gedachte. Nou, wat betref de vrije-gedachte, dat ben ik heelegaar mit j’ eens, da’s geen zaak om je grootvader mee an boord te komme. Máár de financieele kant van de kwestie, waarom zou ik ’em dáár niet alles van kunne vertelle? Wij wille hier ’en advertensie-weekblad voor de winkelstand oprichte, en we zijn overtuigd, ik zeg je, as manne van eer zijn we-n-in gemoede oprech’ overtuigd, dàt zoo’n blad rendabel is. Nou, en nou kom ik an Groo’va vrage, of ie dat geen goeie geldbeleggink vindt. Vóel je wel, dat heef niks te make mit vrije gedachte of wa’ voor gedachte. En net zoo min mit de staat van me winkel—die nog zoo slecht niet is, d’er benne d’er erger in de stad, hoor! Ik vraag je grootvader niks voor mezelf! ’t Is geen kedo! Ik vraag eenvoudig an je grootvader of-ie soms van z’en geld wil steke in ’en ondernemink, die heel goed ken worden, en waar ik nou toevallig van in ’t bestuur zit. Voel je wel, Geer, voel je nou zelf wel, dat heef mit ’et andere niks te make.
—Ja. Nee! zei Geer en knikte.
Ze wou d’er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer binnengekomen. ’t Spelletje was gespeeld met haar. O, ze doorzag het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder zeggen? Ze had haar boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te vinden, en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste willen was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij die hoop van weg te nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het geld van zijn vader. En zoo had ze niets gedaan! Oom had haar willen uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou beginnen—deelgenoot was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan zijn verraad tegenover Groo’va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde, dat Oom en Tante mekaar aankeken,[31]allebei dachten ze:—„hebben we der nou?” ze móesten denken:—„we hebben d’er.” Wat zou ze ook? Wat kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer blijven! Dat was het eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet, dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam voor een dienst. Zoo gàuw als mogelijk een dienst.… Tante had nog van niets gesproken. Oom evenmin. Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet.…
Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij, toen ze voor de gootsteen stond. Met een weeë soezing in het hoofd, keek ze toe bij het volloopen, het overloopen van het water in de gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.… toen sloot ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk ’t spritsend boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag ’t bewustzijn in haar, dat ze ’t winkelbelletje hoorde, dat er gerucht was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt gegiegel … tot het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen.
—Jasses!
—Eèè!
En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende keukentje, zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in eigen grappigheid, Gerrit Holkers haar tegenlachen, Gerrit:—„Hahaha, gefopt hé?.… Hoe gaat ’et maid? Je ken me toch nog?” Gerrit, zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret om zichzelf:—„No’ zeg, gee’ je me nou geen soen?”
—Dag Gerrit.
—Zoo, ’en hand, nou da’s te minste ie’s. De kussies die houe me te goed. En hoe maak je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde.
Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag, hel verlicht de gedrochteromp in het geelgrijs[32]colbertje, bij de tafel. En allen lachten om Gerrit’s grapje.
—Zuster, je schenk toch ’en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante.
Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden:
—Toe Geer, haal jij ’s effe hierover.… voor zestien cente.… Of wach’, ik zal het zelf doen.…
Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls ’s avonds wat kreeg; nu was er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren te poffen.
In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje uit de winkel.
Toen vroeg Gerrit haar opeens:
—Hoe is ’t Geer, hai je-n-al ’en diens?
Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:—„Die hei je m’ar zóó niet!” Geer was ommers pas twee dagen in de stad.
—Eerst mot ze-n-an de stadsluch’ wenne, vroolijkte Maandag.
Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid.
—Daarom kan ik al wel ’es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen mevrouw Gobius, Tante?
Die naam, Geertje zag ’t, gaf ontsteltenis.
—Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en lachte het eerste.
Tante lachte,Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar ziende hoe verlegen Geertje haar aankeek, legde Tante uit:
—Ja, je wait da’ nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp.…
—Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de deur, en stak de jeneverflesch hoog voor zich uit.
—Bravo! riep Maandag.
—En leve de glaze!
Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen om mee te drinken, vroeg of ze ’t dan ook maar mocht met water.[33]
—Hai je da’ gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he’t?
En meneer Maandag deed een verhaal van ’en koster en een lekkende goot, en de vrouw van de koster die kwaad had gesproken—Geertje begreep het niet, vond het niet aardig, en de drank die ze dronk vond ze naar. Groo’va was zoo tégen drank: àls hij het wist, dat zij nu dronk!… Weer dacht zij aan huis, aan de grootou’ers-samen, hoe die nu, eenzaam, daar zouden zitten, Groo’valezendevóór het naar bed gaan.… Toch.…Niet terug.… Maar ’en dienst, hier, ’en dienst.… Zou tante nù nog mak’lijk wat vinden, nu het blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die vroeger klanten waren, vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend, had Groo’moe gerekend, na wat Oom eens thuis had gezegd, en na wat Tante nog kortgelee’ had geschreven.… Hoe te doen dan nu, zonder die menschen?.…
—Geer, wa’ be’ jij stil venavond!
—Geer denkt over d’er zonde na!
—Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag.
Geertje lachte:—„Beter as u misschien!”.… Maar ze lachte gedwongen, verlegen.
—Beter as ik? Da’ gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate!
—Ja práát jij is mit er, Maandag!
Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te maken. Maar ze dankte de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond en Gerrit volgde.
Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij wakker, zij had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds viel haar gedachte op ’t vuurwerk, dat zij eens hier in de stad had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. Nooit had zij zoo wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al hooger, en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de blauwzwarte[34]lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt.
Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij niet kon slapen, en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo fijn de fluit van de spoortrein, de laatste trein, die nòg een keer floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, weer voortging?.…
Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild om dat spoorfluiten ’s nachts en daarbij telkens gedacht aan het vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. Nu weer dacht zij aan ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis ’s nachts, naar de stad en het nieuwe.… Nu was er een vreemde beklemdheid in haar, een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te willen.… Een zwakke drang, wel, om weder te huilen.…
Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen, en stemmen, net of veel menschen daar gingen en praatten … O, zij begreep, de brandweer was het; er was misschien brand in de buurt geweest.…
Huiverig dook zij diep weg in de deken.[35]
[Inhoud]IV.De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en onrust. Bij het opstaan al was ze moe. Ze had in huis maar heel weinig werk. Tante gaf haar haast niets te doen, maar soms wanneer zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos wachten, en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond of op straat, riep tante:—„Geer! Waar ben je nou! En je zou me helpen, zei je!” Nooit wist ze wat er gedaan moest worden, want nu moest dit eerst en dan juist dat. De vorige keer, met Tantes ziekte, toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo gauw en zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van Groo’moe, dat Tante geen beste huishoudster was—het zag er ook alles uit, in huis!.…—maar bij die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren waren om haar te plagen, uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk het huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek gedaan werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang was, haar dit te laten merken. Tante hield wat voor haar verborgen, daar was ze zeker van. En Oom net zoo. Soms, wanneer zij de deur in kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, en zei niet waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat hij later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar gejokt had. Telkens geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was aangekomen, die erge[36]openhartigheid met dat wonderverhaal van een krant voor Kees Maandag, waar Oom dan de directeur van zou wezen, en sedert geen woord meer—en ook geen bezoek. Na die avond met de jenever, waar zij ’s nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer Maandag niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam, was er nog maar één keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de avonden te dooden, nam zij maar telkens een boek van de planken der „Leesinrichting”,—zij was begonnen met Tante voor te lezen, terwijl die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan haar zondagsche japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar toen Tante het voor de tweede maal zei, dat het haar verveelde, „al dat gekle’s van die minse die toch nie’ bestaan hebbe”; toen had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in de boeken. Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook, maar prachtig toch om zoo te lezen. Maar dat was het juist geweest: wanneer ze zoo, in volkomen stilte—Tante dutte meest in, bij het naaien—weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, en die was kribbig:—„Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de kas’ gehaald? Zie je, dàt most nou Groova is wete,” en verder niets, alleen met Tante halve woorden, dat zij niet begrijpen zou. En weer ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, slordig, haar lage bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn—die Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen de booze luimen nog heviger.—Denk jij dan dat dat zoo m’ar gaat hier!—Maar u hadt toch zelf geschreve.…—Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda’ me nou dien moeial van ’en Gobius d’er buite wille houe’! Maar ik zel is zien bij de heere die ik dagelijks spreek voor de nieuwe krant, ’t ken weze dat ik daar wat hoort.…Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had gesproken. Hoe het met de plannen liep, daar zei-ie Geertje[37]nooit iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. ’t Was Geertje toch een raadsel, waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de winkel ging niets om, niets, ’t was malligheid, de heele winkel! Zelfs de Leesinrichting trok niet: de jongen met de bril en zij waren net de eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier en dertig centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de winkel was geweest—de volgende morgen waren de vier en dertig centen weg, en lag er alleen een Waarschuwing van de belasting in de la. Die heele dag kwam er ook niets bij, tot ’s middags een jongejuffrouw van de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben—de voorhandene waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. ’s Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen.…Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik aan de voordeur. De juffrouw in ’t kroegjen aan d’overzij keek door het raam, en toen keek de vrouw die voor de toonbank stond te praten ook—dus die twee spraken van haar, misschien wie zij zijn mocht, of—over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging en.… dat de eigenaar pofte in ’t kroegje. Hu!—Geertje trok de armen wat vaster tegen de borst met een rugbeweging of ze het koud had: wat een schande toch, zoo’n toestand! Wat een verschil, tusschen Oom z’en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo’va tot de menschen in ’t dorp! De famielje telde daar mee; Groo’va had altijd in aanzien gestaan, vandaar z’en huwelijk met Groo’moe;—en wie en wat was Oom nu hier! Geertje geloofde niets meer van die krant; wat Oom wel uitvoerde was haar een raadsel; maar wat ze zàg, hu, ze rilde er van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig om daar hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens, en tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle deurtjes-en-raampjes aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit een spoor van leven uit kwam. Het kroegje meegeteld, waren er drie winkelramen aan de[38]overzij. Aan deze kant was er nog een minder: zuilie.… en, daar, de schoenlapperswinkel. Aan d’overkant was toch gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap boven de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z’ook niet, maar ze hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante vond het ook wàt dwaas; in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; buiten maat was die groote lichtbol (Oom had nog zoo’n ballon gehad) bij de engte van de kast en de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen, waar-ie buiten de stadsdrukte stond, net er naast.… Och maar Oom deed alles er-naast! D’éérste straat—een dóóie straat—ná de drukke Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet als aan de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het was gewoon malligheid. En dan kon Oom ’s morgens nog met een ernstig gezicht tegen haar zeggen:—„Geertje, pas jij vandaag op de winkel, ik mot uit, ’k heb veul te loope”.… Ja, ze zou oppassen—voor d’er zelf, ze paste d’er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking zoeken.…Huiverend—’t was nog koud in de lucht—ging ze terug door het smalle deurtje, weer de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht van gekookt eten en ouwe boeken.[39]
IV.
De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en onrust. Bij het opstaan al was ze moe. Ze had in huis maar heel weinig werk. Tante gaf haar haast niets te doen, maar soms wanneer zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos wachten, en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond of op straat, riep tante:—„Geer! Waar ben je nou! En je zou me helpen, zei je!” Nooit wist ze wat er gedaan moest worden, want nu moest dit eerst en dan juist dat. De vorige keer, met Tantes ziekte, toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo gauw en zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van Groo’moe, dat Tante geen beste huishoudster was—het zag er ook alles uit, in huis!.…—maar bij die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren waren om haar te plagen, uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk het huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek gedaan werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang was, haar dit te laten merken. Tante hield wat voor haar verborgen, daar was ze zeker van. En Oom net zoo. Soms, wanneer zij de deur in kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, en zei niet waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat hij later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar gejokt had. Telkens geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was aangekomen, die erge[36]openhartigheid met dat wonderverhaal van een krant voor Kees Maandag, waar Oom dan de directeur van zou wezen, en sedert geen woord meer—en ook geen bezoek. Na die avond met de jenever, waar zij ’s nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer Maandag niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam, was er nog maar één keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de avonden te dooden, nam zij maar telkens een boek van de planken der „Leesinrichting”,—zij was begonnen met Tante voor te lezen, terwijl die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan haar zondagsche japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar toen Tante het voor de tweede maal zei, dat het haar verveelde, „al dat gekle’s van die minse die toch nie’ bestaan hebbe”; toen had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in de boeken. Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook, maar prachtig toch om zoo te lezen. Maar dat was het juist geweest: wanneer ze zoo, in volkomen stilte—Tante dutte meest in, bij het naaien—weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, en die was kribbig:—„Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de kas’ gehaald? Zie je, dàt most nou Groova is wete,” en verder niets, alleen met Tante halve woorden, dat zij niet begrijpen zou. En weer ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, slordig, haar lage bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn—die Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen de booze luimen nog heviger.—Denk jij dan dat dat zoo m’ar gaat hier!—Maar u hadt toch zelf geschreve.…—Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda’ me nou dien moeial van ’en Gobius d’er buite wille houe’! Maar ik zel is zien bij de heere die ik dagelijks spreek voor de nieuwe krant, ’t ken weze dat ik daar wat hoort.…Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had gesproken. Hoe het met de plannen liep, daar zei-ie Geertje[37]nooit iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. ’t Was Geertje toch een raadsel, waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de winkel ging niets om, niets, ’t was malligheid, de heele winkel! Zelfs de Leesinrichting trok niet: de jongen met de bril en zij waren net de eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier en dertig centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de winkel was geweest—de volgende morgen waren de vier en dertig centen weg, en lag er alleen een Waarschuwing van de belasting in de la. Die heele dag kwam er ook niets bij, tot ’s middags een jongejuffrouw van de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben—de voorhandene waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. ’s Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen.…Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik aan de voordeur. De juffrouw in ’t kroegjen aan d’overzij keek door het raam, en toen keek de vrouw die voor de toonbank stond te praten ook—dus die twee spraken van haar, misschien wie zij zijn mocht, of—over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging en.… dat de eigenaar pofte in ’t kroegje. Hu!—Geertje trok de armen wat vaster tegen de borst met een rugbeweging of ze het koud had: wat een schande toch, zoo’n toestand! Wat een verschil, tusschen Oom z’en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo’va tot de menschen in ’t dorp! De famielje telde daar mee; Groo’va had altijd in aanzien gestaan, vandaar z’en huwelijk met Groo’moe;—en wie en wat was Oom nu hier! Geertje geloofde niets meer van die krant; wat Oom wel uitvoerde was haar een raadsel; maar wat ze zàg, hu, ze rilde er van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig om daar hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens, en tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle deurtjes-en-raampjes aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit een spoor van leven uit kwam. Het kroegje meegeteld, waren er drie winkelramen aan de[38]overzij. Aan deze kant was er nog een minder: zuilie.… en, daar, de schoenlapperswinkel. Aan d’overkant was toch gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap boven de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z’ook niet, maar ze hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante vond het ook wàt dwaas; in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; buiten maat was die groote lichtbol (Oom had nog zoo’n ballon gehad) bij de engte van de kast en de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen, waar-ie buiten de stadsdrukte stond, net er naast.… Och maar Oom deed alles er-naast! D’éérste straat—een dóóie straat—ná de drukke Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet als aan de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het was gewoon malligheid. En dan kon Oom ’s morgens nog met een ernstig gezicht tegen haar zeggen:—„Geertje, pas jij vandaag op de winkel, ik mot uit, ’k heb veul te loope”.… Ja, ze zou oppassen—voor d’er zelf, ze paste d’er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking zoeken.…Huiverend—’t was nog koud in de lucht—ging ze terug door het smalle deurtje, weer de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht van gekookt eten en ouwe boeken.[39]
De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en onrust. Bij het opstaan al was ze moe. Ze had in huis maar heel weinig werk. Tante gaf haar haast niets te doen, maar soms wanneer zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos wachten, en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond of op straat, riep tante:—„Geer! Waar ben je nou! En je zou me helpen, zei je!” Nooit wist ze wat er gedaan moest worden, want nu moest dit eerst en dan juist dat. De vorige keer, met Tantes ziekte, toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo gauw en zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van Groo’moe, dat Tante geen beste huishoudster was—het zag er ook alles uit, in huis!.…—maar bij die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren waren om haar te plagen, uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk het huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek gedaan werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang was, haar dit te laten merken. Tante hield wat voor haar verborgen, daar was ze zeker van. En Oom net zoo. Soms, wanneer zij de deur in kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, en zei niet waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat hij later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar gejokt had. Telkens geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was aangekomen, die erge[36]openhartigheid met dat wonderverhaal van een krant voor Kees Maandag, waar Oom dan de directeur van zou wezen, en sedert geen woord meer—en ook geen bezoek. Na die avond met de jenever, waar zij ’s nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer Maandag niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam, was er nog maar één keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de avonden te dooden, nam zij maar telkens een boek van de planken der „Leesinrichting”,—zij was begonnen met Tante voor te lezen, terwijl die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan haar zondagsche japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar toen Tante het voor de tweede maal zei, dat het haar verveelde, „al dat gekle’s van die minse die toch nie’ bestaan hebbe”; toen had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in de boeken. Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook, maar prachtig toch om zoo te lezen. Maar dat was het juist geweest: wanneer ze zoo, in volkomen stilte—Tante dutte meest in, bij het naaien—weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, en die was kribbig:—„Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de kas’ gehaald? Zie je, dàt most nou Groova is wete,” en verder niets, alleen met Tante halve woorden, dat zij niet begrijpen zou. En weer ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, slordig, haar lage bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn—die Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen de booze luimen nog heviger.
—Denk jij dan dat dat zoo m’ar gaat hier!
—Maar u hadt toch zelf geschreve.…
—Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda’ me nou dien moeial van ’en Gobius d’er buite wille houe’! Maar ik zel is zien bij de heere die ik dagelijks spreek voor de nieuwe krant, ’t ken weze dat ik daar wat hoort.…
Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had gesproken. Hoe het met de plannen liep, daar zei-ie Geertje[37]nooit iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. ’t Was Geertje toch een raadsel, waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de winkel ging niets om, niets, ’t was malligheid, de heele winkel! Zelfs de Leesinrichting trok niet: de jongen met de bril en zij waren net de eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier en dertig centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de winkel was geweest—de volgende morgen waren de vier en dertig centen weg, en lag er alleen een Waarschuwing van de belasting in de la. Die heele dag kwam er ook niets bij, tot ’s middags een jongejuffrouw van de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben—de voorhandene waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. ’s Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen.…
Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik aan de voordeur. De juffrouw in ’t kroegjen aan d’overzij keek door het raam, en toen keek de vrouw die voor de toonbank stond te praten ook—dus die twee spraken van haar, misschien wie zij zijn mocht, of—over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging en.… dat de eigenaar pofte in ’t kroegje. Hu!—Geertje trok de armen wat vaster tegen de borst met een rugbeweging of ze het koud had: wat een schande toch, zoo’n toestand! Wat een verschil, tusschen Oom z’en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo’va tot de menschen in ’t dorp! De famielje telde daar mee; Groo’va had altijd in aanzien gestaan, vandaar z’en huwelijk met Groo’moe;—en wie en wat was Oom nu hier! Geertje geloofde niets meer van die krant; wat Oom wel uitvoerde was haar een raadsel; maar wat ze zàg, hu, ze rilde er van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig om daar hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens, en tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle deurtjes-en-raampjes aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit een spoor van leven uit kwam. Het kroegje meegeteld, waren er drie winkelramen aan de[38]overzij. Aan deze kant was er nog een minder: zuilie.… en, daar, de schoenlapperswinkel. Aan d’overkant was toch gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap boven de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z’ook niet, maar ze hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante vond het ook wàt dwaas; in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; buiten maat was die groote lichtbol (Oom had nog zoo’n ballon gehad) bij de engte van de kast en de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen, waar-ie buiten de stadsdrukte stond, net er naast.… Och maar Oom deed alles er-naast! D’éérste straat—een dóóie straat—ná de drukke Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet als aan de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het was gewoon malligheid. En dan kon Oom ’s morgens nog met een ernstig gezicht tegen haar zeggen:—„Geertje, pas jij vandaag op de winkel, ik mot uit, ’k heb veul te loope”.… Ja, ze zou oppassen—voor d’er zelf, ze paste d’er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking zoeken.…
Huiverend—’t was nog koud in de lucht—ging ze terug door het smalle deurtje, weer de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht van gekookt eten en ouwe boeken.[39]
[Inhoud]V.—Ja gut nou vin ik et wel.…—Nou dag!—Dag Oom.En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje toch, wat een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór Pinkster. O, wat een prettige straat was dit toch! Zóó voelde je je in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde de straat in! Gunst, een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat vreemde ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee zilverwinkels met de gou’en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten zag, dacht ze altoos aan een sprookje, al dat licht en al die kleuren in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie kristallen dingen; daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar bezaaid met horloges.… Hè, daar die prachtige rooie snoeren en dat ritselen van dat licht langs de zilveren jongenskettings, en d’er tusschen de kelken met lichtjes, tusschen al dat geglinster gestoken.… Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, en ja, hier was Vermarsch toch ook nog.… Kijk nou, die had wel een heele rij bijbels!.… Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het hier lekker vol, spoorweggidsen, schoolbehoeften, prentbriefkaarten, ’en half raam vol. „Wàt ’en mooie kinderboeken.… Maar van die bijbels zou ze n’is zegge; of, wat gaf het!… Daar hadt je Elie. En hier De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.… En dan hùn winkel!.… O dáár was[40]Jansen—stil voorbij maar, ellendig toch je te moeten schamen.… ’t Steegje voorbij, ja, daar was het huis:Haring, Stok- en Zoutevisch.… Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in ’et winkeltje. Toch maar naar binnen.…—„Goeienavond”.… Juffrouw Koenders keek niet op—als je de handen ook zoo vol heb’.… Zou ze durven doorgaan naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag zegge.… Maar as Mina haar dan zag staan. Nou wat gaf dat? Zoo, wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net nou er zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou ’et ook. Toch wachten. ’t Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al die bussen en die flesschen, daar die plaat, en die kaart van het Nieuwsblad. Wacht! Nou.…—Goejenavond juffrouw.—Dag.… juffrouw.—Is Mina thuis? Ken u me nie’ meer? Geertje Hendriks. Weet u niet, die wel bij Mien kwam.—O! ja.… Ja, Mien is achter.Zij door. O daar was Mien al.—Dag Mien.—Hé bei jij ’et Geertje. Kom derin.Daar zat ze weer.—Bei je weer is hier?—’k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn verhuisd.…—Ja!.…De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het, dat wou zeggen: ja dáár weet ik alles van, praat me niet van die verhuizing!.… En ’t gesprek bleef even hokken.—Wat ’en mense in de winkel!—Ja da’s altoos ’s Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben jij voor de Pinkster us overgekomme?—Gut nee, ’k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, ’k zoek ’en betrekking.…—Wàt ze’ je![41]—Ja gut, weet je niet da ’k dat toe’ al wou. ’k Wou zoo graag as kinderjuffrouw.…—Zoo! En.… hei j’al wat op zich’?—Nee! ’k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij kom toch in zooveel huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor me zoue hebbe, ze hadden et ook an Groo’moe geschreve, dat ze wel wat voor me zoue vinde, maar ik zie d’er nog niet veel van.—Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar waar die tegesewoordig verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. ’k Wil wel is hoore.… Maar et zou dan motte weze in ’en christelijk gezin.…—Ja, nou dat meende-n-ik ook.—Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.… Maar as jij zoo wil, met plezier.—Ja graag.… Gaat het jou altoos goed?—Och ja, zoo’n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as anders. Maar me moeder he’t goed d’er brood, ’k hoef ’et dus niet zoo te doen. Natuurlik komp ’er wel is wat tegeslag. As ik hier in de rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. ’t Is toch ook voor de hééle dag haas’. Ik naai alleen in christelijke huize, en die benne d’er niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik wel ’is onplezierige dinge. Net deze week nog weer, bij de vrouw van ’en aptheker, ze betaalde me negentig cente, andere mense geven ’en gulden, nou en de kost was d’er ook nou niet zóó. Maar ’en last, dat ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor maar niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op ’t laa’s vervele en ik heb d’er maar afgeschreve. Dus nou heb ik me dinsdagge ope.… Kijk, daar ’s moeder ook.…—Hoe gaat het je, Geertje? ’k Zou je zeker niet herkend hebbe. We hebbe anders nog wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make.—Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve.…—Och ja gut, maar je begrijpt.…[42]—No’ ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je Oom?.… Daar is et anders wel veranderd.…—Ja, dat het zij al ondervonde.… Verbeel je Moeder, d’er Oom, of d’er Tante, had an d’er Grootmoe geschreve, dat zullie wel ’en betrekking voor d’er zoue vinde.…—Hoe, ’en betrekking?—Ja, ziet u, ’k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger had Oom is, toen-ie thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me vrage zou bij dominee Gobius, of die niks voor me wist.…—Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle!—Geertje vroeg offe wij niks wisse.…—Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou’ers dat goed, dat jij zoo maar op de bonnefooi naar Rotterdam ging?—Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde.—O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar ’t is nog mooi dat je Oom je de kos geef, want anders.… ’en kostganger meer, die past hum nou ook nie’ bezonder.…—Daarom wou ’k d’er juist graag uit. Weet u niet ie’s?—Ja kind, as ik wis.… Zie je, maar.… Jonge, meid, is dat no’ wel goed voor je? In zoo’n groote vreemde stad, jij die zoo van buite kom.… Weet je wel, wat het is in zoo’n stad?.…—Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel ’en fesoenlijke betrekking vinde.…—No’ ja, maar dan nog.… mit al die verleiding. Afijn, dat benne mijn zake niet.… Mien, la’ me morgen Griet der is vrage.… Misschien dat die wat weet.… Anders, zoo midden in de tijd.…—Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons gemak.…—Hei je al is in de Kerkbode gekeke?—In wat?—De Kerkbode, da’s de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin je-n-ook de beste dienst-anbiedings in.…[43]—O!—Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.… Zou zij daar nou der dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders d’er raad!?—Hier is-t-ie, zei Mien.—Mag ik daar is in kijke?Juffrouw Koenders had „volluk” hooren roepen. De meisjes keken samen de krant door. Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje vertelde van thuis, van ’t dorp. Mina deed een kleinigheid blijken van „een vriend”, die wel eens aankwam, morgen zou hij in de kerk zijn, dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.… En heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk.…De meisjes scheidden: „tot morge’ dan”; Geertje zou Mina komen halen. En ze kreeg De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen heen. Bang was ze niets, hoewel het al laat was. Wat konne haar al die flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar ze een beetje angst voor had:—wat zou’en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo gemopperd, dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou maar, Groo’va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw „mee” ging ter kerke. En ze was er geen een keer geweest.… Als Oom boos was, haar een zorg. Ze verkeerde veel liever met menschen als juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. Ze voelde zich nu weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. ’t Waren wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo’moe zou ook zeker blij zijn, als ze morgen van hen schreef.En op eens.… het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van ’t Singel, kreeg ze zoo’n verlangen naar Groo’moe, zou ze plots thuis willen zijn, morgen met Groo’moe naar de kerk gaan, Groo’va hooren bijbellezen, vóór de preek van Dominee Wevers.…[44]
V.
—Ja gut nou vin ik et wel.…—Nou dag!—Dag Oom.En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje toch, wat een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór Pinkster. O, wat een prettige straat was dit toch! Zóó voelde je je in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde de straat in! Gunst, een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat vreemde ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee zilverwinkels met de gou’en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten zag, dacht ze altoos aan een sprookje, al dat licht en al die kleuren in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie kristallen dingen; daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar bezaaid met horloges.… Hè, daar die prachtige rooie snoeren en dat ritselen van dat licht langs de zilveren jongenskettings, en d’er tusschen de kelken met lichtjes, tusschen al dat geglinster gestoken.… Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, en ja, hier was Vermarsch toch ook nog.… Kijk nou, die had wel een heele rij bijbels!.… Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het hier lekker vol, spoorweggidsen, schoolbehoeften, prentbriefkaarten, ’en half raam vol. „Wàt ’en mooie kinderboeken.… Maar van die bijbels zou ze n’is zegge; of, wat gaf het!… Daar hadt je Elie. En hier De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.… En dan hùn winkel!.… O dáár was[40]Jansen—stil voorbij maar, ellendig toch je te moeten schamen.… ’t Steegje voorbij, ja, daar was het huis:Haring, Stok- en Zoutevisch.… Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in ’et winkeltje. Toch maar naar binnen.…—„Goeienavond”.… Juffrouw Koenders keek niet op—als je de handen ook zoo vol heb’.… Zou ze durven doorgaan naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag zegge.… Maar as Mina haar dan zag staan. Nou wat gaf dat? Zoo, wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net nou er zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou ’et ook. Toch wachten. ’t Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al die bussen en die flesschen, daar die plaat, en die kaart van het Nieuwsblad. Wacht! Nou.…—Goejenavond juffrouw.—Dag.… juffrouw.—Is Mina thuis? Ken u me nie’ meer? Geertje Hendriks. Weet u niet, die wel bij Mien kwam.—O! ja.… Ja, Mien is achter.Zij door. O daar was Mien al.—Dag Mien.—Hé bei jij ’et Geertje. Kom derin.Daar zat ze weer.—Bei je weer is hier?—’k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn verhuisd.…—Ja!.…De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het, dat wou zeggen: ja dáár weet ik alles van, praat me niet van die verhuizing!.… En ’t gesprek bleef even hokken.—Wat ’en mense in de winkel!—Ja da’s altoos ’s Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben jij voor de Pinkster us overgekomme?—Gut nee, ’k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, ’k zoek ’en betrekking.…—Wàt ze’ je![41]—Ja gut, weet je niet da ’k dat toe’ al wou. ’k Wou zoo graag as kinderjuffrouw.…—Zoo! En.… hei j’al wat op zich’?—Nee! ’k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij kom toch in zooveel huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor me zoue hebbe, ze hadden et ook an Groo’moe geschreve, dat ze wel wat voor me zoue vinde, maar ik zie d’er nog niet veel van.—Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar waar die tegesewoordig verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. ’k Wil wel is hoore.… Maar et zou dan motte weze in ’en christelijk gezin.…—Ja, nou dat meende-n-ik ook.—Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.… Maar as jij zoo wil, met plezier.—Ja graag.… Gaat het jou altoos goed?—Och ja, zoo’n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as anders. Maar me moeder he’t goed d’er brood, ’k hoef ’et dus niet zoo te doen. Natuurlik komp ’er wel is wat tegeslag. As ik hier in de rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. ’t Is toch ook voor de hééle dag haas’. Ik naai alleen in christelijke huize, en die benne d’er niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik wel ’is onplezierige dinge. Net deze week nog weer, bij de vrouw van ’en aptheker, ze betaalde me negentig cente, andere mense geven ’en gulden, nou en de kost was d’er ook nou niet zóó. Maar ’en last, dat ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor maar niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op ’t laa’s vervele en ik heb d’er maar afgeschreve. Dus nou heb ik me dinsdagge ope.… Kijk, daar ’s moeder ook.…—Hoe gaat het je, Geertje? ’k Zou je zeker niet herkend hebbe. We hebbe anders nog wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make.—Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve.…—Och ja gut, maar je begrijpt.…[42]—No’ ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je Oom?.… Daar is et anders wel veranderd.…—Ja, dat het zij al ondervonde.… Verbeel je Moeder, d’er Oom, of d’er Tante, had an d’er Grootmoe geschreve, dat zullie wel ’en betrekking voor d’er zoue vinde.…—Hoe, ’en betrekking?—Ja, ziet u, ’k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger had Oom is, toen-ie thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me vrage zou bij dominee Gobius, of die niks voor me wist.…—Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle!—Geertje vroeg offe wij niks wisse.…—Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou’ers dat goed, dat jij zoo maar op de bonnefooi naar Rotterdam ging?—Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde.—O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar ’t is nog mooi dat je Oom je de kos geef, want anders.… ’en kostganger meer, die past hum nou ook nie’ bezonder.…—Daarom wou ’k d’er juist graag uit. Weet u niet ie’s?—Ja kind, as ik wis.… Zie je, maar.… Jonge, meid, is dat no’ wel goed voor je? In zoo’n groote vreemde stad, jij die zoo van buite kom.… Weet je wel, wat het is in zoo’n stad?.…—Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel ’en fesoenlijke betrekking vinde.…—No’ ja, maar dan nog.… mit al die verleiding. Afijn, dat benne mijn zake niet.… Mien, la’ me morgen Griet der is vrage.… Misschien dat die wat weet.… Anders, zoo midden in de tijd.…—Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons gemak.…—Hei je al is in de Kerkbode gekeke?—In wat?—De Kerkbode, da’s de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin je-n-ook de beste dienst-anbiedings in.…[43]—O!—Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.… Zou zij daar nou der dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders d’er raad!?—Hier is-t-ie, zei Mien.—Mag ik daar is in kijke?Juffrouw Koenders had „volluk” hooren roepen. De meisjes keken samen de krant door. Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje vertelde van thuis, van ’t dorp. Mina deed een kleinigheid blijken van „een vriend”, die wel eens aankwam, morgen zou hij in de kerk zijn, dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.… En heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk.…De meisjes scheidden: „tot morge’ dan”; Geertje zou Mina komen halen. En ze kreeg De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen heen. Bang was ze niets, hoewel het al laat was. Wat konne haar al die flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar ze een beetje angst voor had:—wat zou’en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo gemopperd, dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou maar, Groo’va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw „mee” ging ter kerke. En ze was er geen een keer geweest.… Als Oom boos was, haar een zorg. Ze verkeerde veel liever met menschen als juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. Ze voelde zich nu weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. ’t Waren wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo’moe zou ook zeker blij zijn, als ze morgen van hen schreef.En op eens.… het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van ’t Singel, kreeg ze zoo’n verlangen naar Groo’moe, zou ze plots thuis willen zijn, morgen met Groo’moe naar de kerk gaan, Groo’va hooren bijbellezen, vóór de preek van Dominee Wevers.…[44]
—Ja gut nou vin ik et wel.…
—Nou dag!
—Dag Oom.
En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje toch, wat een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór Pinkster. O, wat een prettige straat was dit toch! Zóó voelde je je in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde de straat in! Gunst, een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat vreemde ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee zilverwinkels met de gou’en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten zag, dacht ze altoos aan een sprookje, al dat licht en al die kleuren in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie kristallen dingen; daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar bezaaid met horloges.… Hè, daar die prachtige rooie snoeren en dat ritselen van dat licht langs de zilveren jongenskettings, en d’er tusschen de kelken met lichtjes, tusschen al dat geglinster gestoken.… Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, en ja, hier was Vermarsch toch ook nog.… Kijk nou, die had wel een heele rij bijbels!.… Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het hier lekker vol, spoorweggidsen, schoolbehoeften, prentbriefkaarten, ’en half raam vol. „Wàt ’en mooie kinderboeken.… Maar van die bijbels zou ze n’is zegge; of, wat gaf het!… Daar hadt je Elie. En hier De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.… En dan hùn winkel!.… O dáár was[40]Jansen—stil voorbij maar, ellendig toch je te moeten schamen.… ’t Steegje voorbij, ja, daar was het huis:Haring, Stok- en Zoutevisch.… Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in ’et winkeltje. Toch maar naar binnen.…—„Goeienavond”.… Juffrouw Koenders keek niet op—als je de handen ook zoo vol heb’.… Zou ze durven doorgaan naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag zegge.… Maar as Mina haar dan zag staan. Nou wat gaf dat? Zoo, wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net nou er zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou ’et ook. Toch wachten. ’t Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al die bussen en die flesschen, daar die plaat, en die kaart van het Nieuwsblad. Wacht! Nou.…
—Goejenavond juffrouw.
—Dag.… juffrouw.
—Is Mina thuis? Ken u me nie’ meer? Geertje Hendriks. Weet u niet, die wel bij Mien kwam.
—O! ja.… Ja, Mien is achter.
Zij door. O daar was Mien al.
—Dag Mien.
—Hé bei jij ’et Geertje. Kom derin.
Daar zat ze weer.
—Bei je weer is hier?
—’k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn verhuisd.…
—Ja!.…
De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het, dat wou zeggen: ja dáár weet ik alles van, praat me niet van die verhuizing!.… En ’t gesprek bleef even hokken.
—Wat ’en mense in de winkel!
—Ja da’s altoos ’s Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben jij voor de Pinkster us overgekomme?
—Gut nee, ’k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, ’k zoek ’en betrekking.…
—Wàt ze’ je![41]
—Ja gut, weet je niet da ’k dat toe’ al wou. ’k Wou zoo graag as kinderjuffrouw.…
—Zoo! En.… hei j’al wat op zich’?
—Nee! ’k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij kom toch in zooveel huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor me zoue hebbe, ze hadden et ook an Groo’moe geschreve, dat ze wel wat voor me zoue vinde, maar ik zie d’er nog niet veel van.
—Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar waar die tegesewoordig verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. ’k Wil wel is hoore.… Maar et zou dan motte weze in ’en christelijk gezin.…
—Ja, nou dat meende-n-ik ook.
—Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.… Maar as jij zoo wil, met plezier.
—Ja graag.… Gaat het jou altoos goed?
—Och ja, zoo’n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as anders. Maar me moeder he’t goed d’er brood, ’k hoef ’et dus niet zoo te doen. Natuurlik komp ’er wel is wat tegeslag. As ik hier in de rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. ’t Is toch ook voor de hééle dag haas’. Ik naai alleen in christelijke huize, en die benne d’er niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik wel ’is onplezierige dinge. Net deze week nog weer, bij de vrouw van ’en aptheker, ze betaalde me negentig cente, andere mense geven ’en gulden, nou en de kost was d’er ook nou niet zóó. Maar ’en last, dat ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor maar niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op ’t laa’s vervele en ik heb d’er maar afgeschreve. Dus nou heb ik me dinsdagge ope.… Kijk, daar ’s moeder ook.…
—Hoe gaat het je, Geertje? ’k Zou je zeker niet herkend hebbe. We hebbe anders nog wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make.
—Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve.…
—Och ja gut, maar je begrijpt.…[42]
—No’ ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je Oom?.… Daar is et anders wel veranderd.…
—Ja, dat het zij al ondervonde.… Verbeel je Moeder, d’er Oom, of d’er Tante, had an d’er Grootmoe geschreve, dat zullie wel ’en betrekking voor d’er zoue vinde.…
—Hoe, ’en betrekking?
—Ja, ziet u, ’k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger had Oom is, toen-ie thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me vrage zou bij dominee Gobius, of die niks voor me wist.…
—Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle!
—Geertje vroeg offe wij niks wisse.…
—Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou’ers dat goed, dat jij zoo maar op de bonnefooi naar Rotterdam ging?
—Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde.
—O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar ’t is nog mooi dat je Oom je de kos geef, want anders.… ’en kostganger meer, die past hum nou ook nie’ bezonder.…
—Daarom wou ’k d’er juist graag uit. Weet u niet ie’s?
—Ja kind, as ik wis.… Zie je, maar.… Jonge, meid, is dat no’ wel goed voor je? In zoo’n groote vreemde stad, jij die zoo van buite kom.… Weet je wel, wat het is in zoo’n stad?.…
—Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel ’en fesoenlijke betrekking vinde.…
—No’ ja, maar dan nog.… mit al die verleiding. Afijn, dat benne mijn zake niet.… Mien, la’ me morgen Griet der is vrage.… Misschien dat die wat weet.… Anders, zoo midden in de tijd.…
—Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons gemak.…
—Hei je al is in de Kerkbode gekeke?
—In wat?
—De Kerkbode, da’s de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin je-n-ook de beste dienst-anbiedings in.…[43]
—O!—Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.… Zou zij daar nou der dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders d’er raad!?
—Hier is-t-ie, zei Mien.
—Mag ik daar is in kijke?
Juffrouw Koenders had „volluk” hooren roepen. De meisjes keken samen de krant door. Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje vertelde van thuis, van ’t dorp. Mina deed een kleinigheid blijken van „een vriend”, die wel eens aankwam, morgen zou hij in de kerk zijn, dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.… En heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk.…
De meisjes scheidden: „tot morge’ dan”; Geertje zou Mina komen halen. En ze kreeg De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen heen. Bang was ze niets, hoewel het al laat was. Wat konne haar al die flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar ze een beetje angst voor had:—wat zou’en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo gemopperd, dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou maar, Groo’va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw „mee” ging ter kerke. En ze was er geen een keer geweest.… Als Oom boos was, haar een zorg. Ze verkeerde veel liever met menschen als juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. Ze voelde zich nu weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. ’t Waren wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo’moe zou ook zeker blij zijn, als ze morgen van hen schreef.
En op eens.… het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van ’t Singel, kreeg ze zoo’n verlangen naar Groo’moe, zou ze plots thuis willen zijn, morgen met Groo’moe naar de kerk gaan, Groo’va hooren bijbellezen, vóór de preek van Dominee Wevers.…[44]
[Inhoud]VI.Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze ’s Zondags-, zoo min als ’s Zaterdags-avonds durven vertoonen.’s Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders.Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen:—Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z’en huis.…Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. ’t Was een prachtige Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid was ze opgestaan, na ’s avonds niet te hebben kunnen slapen van ’t prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins z’en groote zaken, en van de flinkheid van z’en vriend Heins—als meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.… nou! Nee, veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von’ ze-n-et onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen, over „al de verandering”, en „de slechte vrinden”, en „de goddeloosheid die zichzelf straft”—maar Oom scheen het dan[45]toch ook leelijk te hebben laten zitten aan de Binnenweg—bij de juffrouw stond er ook nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden die twee menschen plezierig samen: ’en drukke zaak, en Mien die d’er veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld aanloop—van de kinderen van Mien d’er broer; en van die ou’e juffrouw Grietje die op het hofje aan ’t Schiedamsche Singel woonde en gisteren eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.… en van Arie, Mien d’er „vriend”, met z’en zuster:—Mien d’er leventjelag klaar, dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben’.… Want, daar had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer in ie’s anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag—uiterlijk alles zoo eenvoudig; ’t winkeltje, wat leek et nou? maar d’er ging wat om—en zoo mit alles.… Wat zou dat nou zijn bij die Heins—ook natuurlijk weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.… O, ze snàkte, dat zeder uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.… Maar juffrouw Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d’er naaimenschen.…—Wa’s ’t vol op ’t Singel, zei Tante.—Met zu’k prachtig weer, zei Oom.Bij Tivoliblevenze even kijken naar de bonte platen met poppen en reuzeletters.—Wiwwe daar v’en avent is heen?—Hai je de cente?Tante zei ’t snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep, omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo’va dat is gehoord en gezien had!…[46]Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee’ of-ie Oom niet zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest.—Di’s?.… et Hang, lichtte Tante in.—Dáá’lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan.En even later, met waardigheid:—Hier!Twee deuren naast mekaar, d’eene met glas, naast een groote winkelruit, waar met wit en rood op stond:„Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co.”Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit en gordijn hing een strook met niets dan „Visitekaartjes” er op. Op de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt, daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier met bloempjes.Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich voorzichtig om, en trok z’en manchetten wat uit, en monsterde Geer, met oogen van: zie je d’er nou wel knap genoeg uit? en ook langs Tante zag Geer zijn oog glij’en, haastig, dof.… Maar krachtig was zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, of menéér thuis was.—U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens.Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor.—Dat gaat ook na ’t ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur in de gang. Toen—Tante, die het laatst kwam, had de voordeur gesloten—moesten ze vrijwel in ’t donker naar boven strompelen, eerst een kleine trap, dan een die wentelde.—Geer was doodsbang de ijzeren leuning te verliezen. Op[47]de overloop, voor een keukendeur, stond een slons van ’en meid.—Wel, Sefie, gaat ’t altoos goed? vriendelijkte Oom.De meid beloonde:—Ja, menéér Naikerk.…—Nog ’en trap, zei Oom tegen Geertje.Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op, niet donker, maar even smal als de eerste.—Zóó.… Niekerk, kom j’es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke mannestem boven.En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid, een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel.—Hoe gaat ’et vriend?.… O, is dat nou je nichie.… Dag juffrouw Niekerk, ’t is me-n-en klim, hé.… Komme jullie maar us hier, gaat d’er nou maar gauw bij zitte.… Ja, me vrouw zel voort wel komme, och, je weet.… Kom, steek us op …Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom had dus niet te veel gezeid. Weze’lijk een groote boel. Wat ’en huis, en, hier, wat ’en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige pe’dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en ’en dubbel stel gordijnen voor spiegelramen.…—Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d’er tege kon, zou ’k zegge, la’ me wat gaan raije-n-in ’en ope bakje.…Tante giegelde, Geertje moest ook lachen.—’En beste sigaar, Heins, zei Oom, met ’en gezicht of-ie wàt ’en kenner was.—Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht z’in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.… Wacht ik zel me vrouw is roepe.…[48]—Nou? wat ze’ je d’er van? he’k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen meneer de kamer uit was.—Nee Oom! erkende Geertje.Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd misschien wel aan ’er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! ’t Was.… voornaam hier, die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote pertret aan de wand, was dat niet.…?—Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend.—Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins.…—Nou? wàt meneer Heins?—O, me man sprak geen kwaad van u!—’k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet ’et nie’ minder.… Van dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da’ was.…—Och jawèl Oom!—Dat portret? ’Et is maar fotegrefie!—Maar met kleur d’er op!—Ja, mit kleur.Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man.Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen, waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood op een mager, rimpelig groezelgezicht.—Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins.Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar de juffrouw d’er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins:[49]—Zuwwe de kinders niet is zien?Dadelijk antwoordde juffrouw Heins:—De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan, mit Sefie.—Die is hier ook al ’en heele poos, waagde nu Tante in ’t hokkend gesprek.—Ja, ferandere doe-n-ik nie’ graag, zei juffrouw Heins met zelfbewustzijn.—’t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer.Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed.—Ik ben tevreje-n-ofer Sefie.Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open; daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; ’t oudste, een jongetje, dat leek op de moeder; ’t tweede, een meisje, ’t gezicht van ’er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde—ook Geertje was ’t een verrassing—uit zijn zak twee kleine prentenboekjes, dingies uit hun winkel, van ’en stuiver.—Kijk is hier, voor ieder een.…Maar de kinderen aarzelden aan te nemen.—Nou? zei Oom.—Koos, pak is an van meneer, da’s voor jullie, zei de vader.’t Meisje lachte en wrong met ’er kopje; ’t leelijke jongetje zei op het laatst:—’k Hep feell mooier boekies.…—Hahaha!Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip.—Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie, pak! anders gaan ze-n-in de zak.…En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog[50]Koos er op aan, en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, ’t leelijke bleeke ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid.—Wel jou.…!’t Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa, waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met gemaakte boosheid zei hij:—’k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de kamer uit, zonder gedag zegge.…—’t Binne me d’er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal de deur uit waren.Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van een stuiver:—’t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid.En zonder plichtpleging liep ze hen na.—’t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d’er niemand as Sefie: we motte d’er nog ’s ’en juffrouw bij neme, ook voor et huishoue, maar we stellen et telke’s uit.…Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken, naar Oom.… maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou iets zei.… Maar de deur ging alweer open.… Nu deed juffrouw Heins vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .… gelukkig vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en Tante, of dat ze terug ging naar d’er Groo’va.…Nu dorst Oom zich dan toch haasten:—Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw.En daarbij keek Oom meneer aan.Die, met iets als weifeling:—Zoo, wilt u dàt!.… Wel dan most u maar bij ons komme!—Hahaha!Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen:—Nou, ik wil wel.[51]Juffrouw Heins werd nu zeer strak.En al spoedig zei Oom:—Vrouw, wille we-n-es.Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog wel aardig om te zien—’t b’lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen—in de lucht.… Te minste zoo leek het.… maar het was niet zoo. Door een raam bracht meneer d’er op een plat dak, met leuning, en daar had je zoo’n aardig gezicht.… Hu, ze werd er haast duizelig van, toen ze pal naar beneden keek: in ’t water!—Ja, da’s et Steiger, vertelde meneer.Maar er was zóó ’n wind op het plat; Oom zei ook: je kon ’er niet staan haast.—’s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk.En Geertje antwoordde in d’er gedachten: dus je denkt er niet meer aan dat ik hier als juffrouw zou komen.…[52]
VI.
Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze ’s Zondags-, zoo min als ’s Zaterdags-avonds durven vertoonen.’s Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders.Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen:—Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z’en huis.…Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. ’t Was een prachtige Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid was ze opgestaan, na ’s avonds niet te hebben kunnen slapen van ’t prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins z’en groote zaken, en van de flinkheid van z’en vriend Heins—als meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.… nou! Nee, veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von’ ze-n-et onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen, over „al de verandering”, en „de slechte vrinden”, en „de goddeloosheid die zichzelf straft”—maar Oom scheen het dan[45]toch ook leelijk te hebben laten zitten aan de Binnenweg—bij de juffrouw stond er ook nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden die twee menschen plezierig samen: ’en drukke zaak, en Mien die d’er veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld aanloop—van de kinderen van Mien d’er broer; en van die ou’e juffrouw Grietje die op het hofje aan ’t Schiedamsche Singel woonde en gisteren eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.… en van Arie, Mien d’er „vriend”, met z’en zuster:—Mien d’er leventjelag klaar, dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben’.… Want, daar had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer in ie’s anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag—uiterlijk alles zoo eenvoudig; ’t winkeltje, wat leek et nou? maar d’er ging wat om—en zoo mit alles.… Wat zou dat nou zijn bij die Heins—ook natuurlijk weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.… O, ze snàkte, dat zeder uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.… Maar juffrouw Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d’er naaimenschen.…—Wa’s ’t vol op ’t Singel, zei Tante.—Met zu’k prachtig weer, zei Oom.Bij Tivoliblevenze even kijken naar de bonte platen met poppen en reuzeletters.—Wiwwe daar v’en avent is heen?—Hai je de cente?Tante zei ’t snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep, omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo’va dat is gehoord en gezien had!…[46]Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee’ of-ie Oom niet zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest.—Di’s?.… et Hang, lichtte Tante in.—Dáá’lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan.En even later, met waardigheid:—Hier!Twee deuren naast mekaar, d’eene met glas, naast een groote winkelruit, waar met wit en rood op stond:„Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co.”Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit en gordijn hing een strook met niets dan „Visitekaartjes” er op. Op de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt, daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier met bloempjes.Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich voorzichtig om, en trok z’en manchetten wat uit, en monsterde Geer, met oogen van: zie je d’er nou wel knap genoeg uit? en ook langs Tante zag Geer zijn oog glij’en, haastig, dof.… Maar krachtig was zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, of menéér thuis was.—U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens.Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor.—Dat gaat ook na ’t ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur in de gang. Toen—Tante, die het laatst kwam, had de voordeur gesloten—moesten ze vrijwel in ’t donker naar boven strompelen, eerst een kleine trap, dan een die wentelde.—Geer was doodsbang de ijzeren leuning te verliezen. Op[47]de overloop, voor een keukendeur, stond een slons van ’en meid.—Wel, Sefie, gaat ’t altoos goed? vriendelijkte Oom.De meid beloonde:—Ja, menéér Naikerk.…—Nog ’en trap, zei Oom tegen Geertje.Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op, niet donker, maar even smal als de eerste.—Zóó.… Niekerk, kom j’es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke mannestem boven.En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid, een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel.—Hoe gaat ’et vriend?.… O, is dat nou je nichie.… Dag juffrouw Niekerk, ’t is me-n-en klim, hé.… Komme jullie maar us hier, gaat d’er nou maar gauw bij zitte.… Ja, me vrouw zel voort wel komme, och, je weet.… Kom, steek us op …Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom had dus niet te veel gezeid. Weze’lijk een groote boel. Wat ’en huis, en, hier, wat ’en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige pe’dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en ’en dubbel stel gordijnen voor spiegelramen.…—Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d’er tege kon, zou ’k zegge, la’ me wat gaan raije-n-in ’en ope bakje.…Tante giegelde, Geertje moest ook lachen.—’En beste sigaar, Heins, zei Oom, met ’en gezicht of-ie wàt ’en kenner was.—Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht z’in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.… Wacht ik zel me vrouw is roepe.…[48]—Nou? wat ze’ je d’er van? he’k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen meneer de kamer uit was.—Nee Oom! erkende Geertje.Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd misschien wel aan ’er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! ’t Was.… voornaam hier, die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote pertret aan de wand, was dat niet.…?—Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend.—Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins.…—Nou? wàt meneer Heins?—O, me man sprak geen kwaad van u!—’k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet ’et nie’ minder.… Van dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da’ was.…—Och jawèl Oom!—Dat portret? ’Et is maar fotegrefie!—Maar met kleur d’er op!—Ja, mit kleur.Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man.Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen, waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood op een mager, rimpelig groezelgezicht.—Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins.Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar de juffrouw d’er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins:[49]—Zuwwe de kinders niet is zien?Dadelijk antwoordde juffrouw Heins:—De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan, mit Sefie.—Die is hier ook al ’en heele poos, waagde nu Tante in ’t hokkend gesprek.—Ja, ferandere doe-n-ik nie’ graag, zei juffrouw Heins met zelfbewustzijn.—’t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer.Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed.—Ik ben tevreje-n-ofer Sefie.Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open; daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; ’t oudste, een jongetje, dat leek op de moeder; ’t tweede, een meisje, ’t gezicht van ’er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde—ook Geertje was ’t een verrassing—uit zijn zak twee kleine prentenboekjes, dingies uit hun winkel, van ’en stuiver.—Kijk is hier, voor ieder een.…Maar de kinderen aarzelden aan te nemen.—Nou? zei Oom.—Koos, pak is an van meneer, da’s voor jullie, zei de vader.’t Meisje lachte en wrong met ’er kopje; ’t leelijke jongetje zei op het laatst:—’k Hep feell mooier boekies.…—Hahaha!Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip.—Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie, pak! anders gaan ze-n-in de zak.…En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog[50]Koos er op aan, en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, ’t leelijke bleeke ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid.—Wel jou.…!’t Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa, waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met gemaakte boosheid zei hij:—’k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de kamer uit, zonder gedag zegge.…—’t Binne me d’er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal de deur uit waren.Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van een stuiver:—’t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid.En zonder plichtpleging liep ze hen na.—’t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d’er niemand as Sefie: we motte d’er nog ’s ’en juffrouw bij neme, ook voor et huishoue, maar we stellen et telke’s uit.…Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken, naar Oom.… maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou iets zei.… Maar de deur ging alweer open.… Nu deed juffrouw Heins vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .… gelukkig vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en Tante, of dat ze terug ging naar d’er Groo’va.…Nu dorst Oom zich dan toch haasten:—Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw.En daarbij keek Oom meneer aan.Die, met iets als weifeling:—Zoo, wilt u dàt!.… Wel dan most u maar bij ons komme!—Hahaha!Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen:—Nou, ik wil wel.[51]Juffrouw Heins werd nu zeer strak.En al spoedig zei Oom:—Vrouw, wille we-n-es.Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog wel aardig om te zien—’t b’lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen—in de lucht.… Te minste zoo leek het.… maar het was niet zoo. Door een raam bracht meneer d’er op een plat dak, met leuning, en daar had je zoo’n aardig gezicht.… Hu, ze werd er haast duizelig van, toen ze pal naar beneden keek: in ’t water!—Ja, da’s et Steiger, vertelde meneer.Maar er was zóó ’n wind op het plat; Oom zei ook: je kon ’er niet staan haast.—’s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk.En Geertje antwoordde in d’er gedachten: dus je denkt er niet meer aan dat ik hier als juffrouw zou komen.…[52]
Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze ’s Zondags-, zoo min als ’s Zaterdags-avonds durven vertoonen.
’s Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders.
Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen:
—Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z’en huis.…
Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. ’t Was een prachtige Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid was ze opgestaan, na ’s avonds niet te hebben kunnen slapen van ’t prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins z’en groote zaken, en van de flinkheid van z’en vriend Heins—als meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.… nou! Nee, veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von’ ze-n-et onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen, over „al de verandering”, en „de slechte vrinden”, en „de goddeloosheid die zichzelf straft”—maar Oom scheen het dan[45]toch ook leelijk te hebben laten zitten aan de Binnenweg—bij de juffrouw stond er ook nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden die twee menschen plezierig samen: ’en drukke zaak, en Mien die d’er veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld aanloop—van de kinderen van Mien d’er broer; en van die ou’e juffrouw Grietje die op het hofje aan ’t Schiedamsche Singel woonde en gisteren eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.… en van Arie, Mien d’er „vriend”, met z’en zuster:—Mien d’er leventjelag klaar, dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben’.… Want, daar had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer in ie’s anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag—uiterlijk alles zoo eenvoudig; ’t winkeltje, wat leek et nou? maar d’er ging wat om—en zoo mit alles.… Wat zou dat nou zijn bij die Heins—ook natuurlijk weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.… O, ze snàkte, dat zeder uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.… Maar juffrouw Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d’er naaimenschen.…
—Wa’s ’t vol op ’t Singel, zei Tante.
—Met zu’k prachtig weer, zei Oom.
Bij Tivoliblevenze even kijken naar de bonte platen met poppen en reuzeletters.
—Wiwwe daar v’en avent is heen?
—Hai je de cente?
Tante zei ’t snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep, omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo’va dat is gehoord en gezien had!…[46]
Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee’ of-ie Oom niet zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest.
—Di’s?.… et Hang, lichtte Tante in.
—Dáá’lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan.
En even later, met waardigheid:
—Hier!
Twee deuren naast mekaar, d’eene met glas, naast een groote winkelruit, waar met wit en rood op stond:
„Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co.”
„Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co.”
Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit en gordijn hing een strook met niets dan „Visitekaartjes” er op. Op de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt, daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier met bloempjes.
Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich voorzichtig om, en trok z’en manchetten wat uit, en monsterde Geer, met oogen van: zie je d’er nou wel knap genoeg uit? en ook langs Tante zag Geer zijn oog glij’en, haastig, dof.… Maar krachtig was zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, of menéér thuis was.
—U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens.
Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor.
—Dat gaat ook na ’t ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur in de gang. Toen—Tante, die het laatst kwam, had de voordeur gesloten—moesten ze vrijwel in ’t donker naar boven strompelen, eerst een kleine trap, dan een die wentelde.—Geer was doodsbang de ijzeren leuning te verliezen. Op[47]de overloop, voor een keukendeur, stond een slons van ’en meid.
—Wel, Sefie, gaat ’t altoos goed? vriendelijkte Oom.
De meid beloonde:
—Ja, menéér Naikerk.…
—Nog ’en trap, zei Oom tegen Geertje.
Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op, niet donker, maar even smal als de eerste.
—Zóó.… Niekerk, kom j’es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke mannestem boven.
En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid, een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel.
—Hoe gaat ’et vriend?.… O, is dat nou je nichie.… Dag juffrouw Niekerk, ’t is me-n-en klim, hé.… Komme jullie maar us hier, gaat d’er nou maar gauw bij zitte.… Ja, me vrouw zel voort wel komme, och, je weet.… Kom, steek us op …
Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom had dus niet te veel gezeid. Weze’lijk een groote boel. Wat ’en huis, en, hier, wat ’en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige pe’dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en ’en dubbel stel gordijnen voor spiegelramen.…
—Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d’er tege kon, zou ’k zegge, la’ me wat gaan raije-n-in ’en ope bakje.…
Tante giegelde, Geertje moest ook lachen.
—’En beste sigaar, Heins, zei Oom, met ’en gezicht of-ie wàt ’en kenner was.
—Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht z’in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.… Wacht ik zel me vrouw is roepe.…[48]
—Nou? wat ze’ je d’er van? he’k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen meneer de kamer uit was.
—Nee Oom! erkende Geertje.
Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd misschien wel aan ’er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! ’t Was.… voornaam hier, die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote pertret aan de wand, was dat niet.…?
—Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend.
—Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins.…
—Nou? wàt meneer Heins?
—O, me man sprak geen kwaad van u!
—’k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet ’et nie’ minder.… Van dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da’ was.…
—Och jawèl Oom!
—Dat portret? ’Et is maar fotegrefie!
—Maar met kleur d’er op!
—Ja, mit kleur.
Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man.
Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen, waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood op een mager, rimpelig groezelgezicht.
—Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins.
Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar de juffrouw d’er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins:[49]
—Zuwwe de kinders niet is zien?
Dadelijk antwoordde juffrouw Heins:
—De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan, mit Sefie.
—Die is hier ook al ’en heele poos, waagde nu Tante in ’t hokkend gesprek.
—Ja, ferandere doe-n-ik nie’ graag, zei juffrouw Heins met zelfbewustzijn.
—’t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer.
Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed.
—Ik ben tevreje-n-ofer Sefie.
Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open; daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; ’t oudste, een jongetje, dat leek op de moeder; ’t tweede, een meisje, ’t gezicht van ’er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde—ook Geertje was ’t een verrassing—uit zijn zak twee kleine prentenboekjes, dingies uit hun winkel, van ’en stuiver.
—Kijk is hier, voor ieder een.…
Maar de kinderen aarzelden aan te nemen.
—Nou? zei Oom.
—Koos, pak is an van meneer, da’s voor jullie, zei de vader.
’t Meisje lachte en wrong met ’er kopje; ’t leelijke jongetje zei op het laatst:
—’k Hep feell mooier boekies.…
—Hahaha!
Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip.
—Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie, pak! anders gaan ze-n-in de zak.…
En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog[50]Koos er op aan, en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, ’t leelijke bleeke ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid.
—Wel jou.…!
’t Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa, waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met gemaakte boosheid zei hij:
—’k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de kamer uit, zonder gedag zegge.…
—’t Binne me d’er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal de deur uit waren.
Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van een stuiver:
—’t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid.
En zonder plichtpleging liep ze hen na.
—’t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d’er niemand as Sefie: we motte d’er nog ’s ’en juffrouw bij neme, ook voor et huishoue, maar we stellen et telke’s uit.…
Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken, naar Oom.… maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou iets zei.… Maar de deur ging alweer open.… Nu deed juffrouw Heins vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .… gelukkig vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en Tante, of dat ze terug ging naar d’er Groo’va.…
Nu dorst Oom zich dan toch haasten:
—Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw.
En daarbij keek Oom meneer aan.
Die, met iets als weifeling:
—Zoo, wilt u dàt!.… Wel dan most u maar bij ons komme!
—Hahaha!
Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen:
—Nou, ik wil wel.[51]
Juffrouw Heins werd nu zeer strak.
En al spoedig zei Oom:
—Vrouw, wille we-n-es.
Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog wel aardig om te zien—’t b’lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen—in de lucht.… Te minste zoo leek het.… maar het was niet zoo. Door een raam bracht meneer d’er op een plat dak, met leuning, en daar had je zoo’n aardig gezicht.… Hu, ze werd er haast duizelig van, toen ze pal naar beneden keek: in ’t water!
—Ja, da’s et Steiger, vertelde meneer.
Maar er was zóó ’n wind op het plat; Oom zei ook: je kon ’er niet staan haast.
—’s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk.
En Geertje antwoordde in d’er gedachten: dus je denkt er niet meer aan dat ik hier als juffrouw zou komen.…[52]
[Inhoud]VII.Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van dachten?—Ja, meneer Heins had het wel gezeid, maar het was natuurlijk een zaak van de juffrouw. En die had niet toegebeten.—’t Is ’en lastig zeeschip, waarschuwde Tante.Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo’n aardig kind! En het was in die beneden-achterkamer slordig en vuil, je kon zien dat de juffrouw dikwijls ziek was. Zeker viel daar heel wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.… ’t Was wel ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige menschen.…. En.… plotseling dacht ze aan Mien en d’er moeder.… ’t was óók wat anders dan die voor haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze nu veel minder lust in. Gisteren leek dat haar nog zoo plezierig. De zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee Gobius, ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat eens open kwam.… Nu lokte plotseling dit haar veel meer.…’s Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante.Oom beloofde: hij zou nog ’es vragen.…En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig „op proef van beie’s kante”, en „meer as kind in huis”, naar het groote winkelhuis in het Hang.[53]
VII.
Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van dachten?—Ja, meneer Heins had het wel gezeid, maar het was natuurlijk een zaak van de juffrouw. En die had niet toegebeten.—’t Is ’en lastig zeeschip, waarschuwde Tante.Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo’n aardig kind! En het was in die beneden-achterkamer slordig en vuil, je kon zien dat de juffrouw dikwijls ziek was. Zeker viel daar heel wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.… ’t Was wel ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige menschen.…. En.… plotseling dacht ze aan Mien en d’er moeder.… ’t was óók wat anders dan die voor haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze nu veel minder lust in. Gisteren leek dat haar nog zoo plezierig. De zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee Gobius, ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat eens open kwam.… Nu lokte plotseling dit haar veel meer.…’s Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante.Oom beloofde: hij zou nog ’es vragen.…En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig „op proef van beie’s kante”, en „meer as kind in huis”, naar het groote winkelhuis in het Hang.[53]
Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van dachten?—Ja, meneer Heins had het wel gezeid, maar het was natuurlijk een zaak van de juffrouw. En die had niet toegebeten.
—’t Is ’en lastig zeeschip, waarschuwde Tante.
Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo’n aardig kind! En het was in die beneden-achterkamer slordig en vuil, je kon zien dat de juffrouw dikwijls ziek was. Zeker viel daar heel wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.… ’t Was wel ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige menschen.…. En.… plotseling dacht ze aan Mien en d’er moeder.… ’t was óók wat anders dan die voor haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze nu veel minder lust in. Gisteren leek dat haar nog zoo plezierig. De zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee Gobius, ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat eens open kwam.… Nu lokte plotseling dit haar veel meer.…
’s Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante.
Oom beloofde: hij zou nog ’es vragen.…
En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig „op proef van beie’s kante”, en „meer as kind in huis”, naar het groote winkelhuis in het Hang.[53]