[Inhoud]IX.Er warde in Geertje’s gedachten een, tegelijk haar moemakend en haar prikkelend, gezwerm van nieuwe indrukken, van dingen die ze had opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, de avonden dat ze met hem was uitgeweest. ’t Had meest niet met haar liefde te maken, en toch hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar had gezegd, of die zij saam met hem gezien had.Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje, vlak tegen het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten in het koffiehuis over de Maas, en sinds dien had hij telkens weer verteld van juffrouw Hesselaar. En—wel was ’t haar lang bekend, dat er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze ’t al en nu zag z’er telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z’een brief had of om melk moest; maar dit was zoo heel ie’s anders! Zóó’n verhouding, jaren lang, en die was begonnen uit liefde!.… Geertje vond juffrouw Hesselaar lang niet zoo gemeen als der man, die haar had getrouwd om de centen van den ander te krijgen, en die daar nu z’en mooie winkel met „Heerenartikelen” van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch nu dorst voornaam doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d’er flikflooide.—„Om d’er duiten”, had Meneer gelachen.—Wat zag je al niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden had hij verteld, uit de allerdeftigste huizen—en dan telkens was ’t om het geld! Maar die keer toen hij[187]spottend zei, dat z’en vrouw juffrouw Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, had ze mee’elij met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele geschiedenis nu; openhartig had hij verteld:—alleen om het geld was hij getrouwd. Maar inplaats van te erkennen dat hij dom had gedaan, schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een man als hij ooit gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min wat als hij. En nou.… O, kòn ze d’er maar niet aan denken!Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist toch wel wat het was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het uit, was er nìets meer, sedert lang al; en hij gruwde van het mensch, sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong en gezond. ’t Was geen leven voor hem, zoo.….De eerste keer—de tweede zondag dat ze samen uitgingen, ’t was toen in dat kleine k’ffee, erge’s achter in de Hoogstraat, waar ze, haast al de tijd, alleen voor het gordijn hadden gezeten—de eerste keer had ze ’t naar gevonden, dat hij over zoo ie’s begon. Net, opeens, of Hij ’et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar ’s avonds, toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de Juffrouw d’er slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer hoe iezegrimmiger had gekeken, en zij de Juffrouw-en-hem-samen, hij gedwee achter z’en vrouw an, naar boven had zien gaan!.… O, toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht in er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar ze het had staan uithijgen, omdat ze ’t niet kon uitgillen, dat deze leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;—tot huilen had ze niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze getrappeld in het water dat onder d’er wegplafferde over ’t zink; en,[188]toen ze stond vóór de leuning van ’t plat, had ’et ’er goed gedaan, goed, dat beneden op het Steiger een man een vrouw met de armen bedreigde en haar uitschold voor „hoer” en zulk gemeens.…Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en natuurlijk had die geklikt, en samen hadden ze d’er pret over gehad, Meneer en zij, dat de Juffrouw, naar z’aan hem gezeid had, haar nu verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes mee te hou’en, ’s avonds laat van ’t hooge plat af.Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest, plotseling, zonder iets om, op het plat? ’s Nachts had ze koorts gehad, geijld. Goddank dat de kinderen zoo vast sliepen! Als iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd, of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar riep. Zóó vast had ze ’t gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had afgevraagd, of hij zou zijn weggegaan. En ze had ook zeker-geweten, dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen die razende angst, dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had, was ’t ook maar Truus of Koos geweest.… De angst scheen de koorts te hebben verdreven. Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich te verroeren, de oogen naar de matte lichtplek aan de zoldering, was blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden gehoord van de stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan van een huisdeur; toen de donder van een trein over de viaduct en ’t nacht-doorborend stoomgefluit; toen vlak-beneden menschen die praatten; toen weer lang de leegte-van-stilte, met enkel, telkens, het tergen van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar neerbonzende en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens, als iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem.…En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in[189]het bedje van Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.—De gewoonte van alle nachten, alle nachten, z’en heele leven.… Maar háár had hij gezegd zijn geheim, al zijn leed en zijn verlangen, háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang meer voor hem, hij mòcht haar zeggen wat ’em kwelde; niemand kon haar ontnemen, dat ze zijn vertrouwen had.…Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het gestommel kwam van vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze, verkleumd, het bed uit. Duizelig had ze zich aangekleed en de gansche dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek zou worden. Maar ’s avonds had hij d’er een glas grog opgedrongen, half-dronken was ze ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d’er bed moeten stooten om ’er wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op avonden dat de Juffrouw vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich zoo’n glas grog laten geven tegen slapeloosheid. En onder het drinken had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.… onvoorzichtig: Sefie nog in de keuken.…De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang gemaakt.Sedert had ze geen grog meer genomen.Toch vroeg hij het telkens weer—en geen kracht had zij om meer dan te weigeren. Want ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op „samen-drinken”, maar de opstand van haar schaamte vervloeide iedere keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, met een droeve blik van overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden gezeten in een k’ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn stem-van-radeloosheid zei hij:—„Kijk, die gaan nou ook naar huis, maar ze kunnen samen blijven”.…[190]
[Inhoud]IX.Er warde in Geertje’s gedachten een, tegelijk haar moemakend en haar prikkelend, gezwerm van nieuwe indrukken, van dingen die ze had opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, de avonden dat ze met hem was uitgeweest. ’t Had meest niet met haar liefde te maken, en toch hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar had gezegd, of die zij saam met hem gezien had.Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje, vlak tegen het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten in het koffiehuis over de Maas, en sinds dien had hij telkens weer verteld van juffrouw Hesselaar. En—wel was ’t haar lang bekend, dat er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze ’t al en nu zag z’er telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z’een brief had of om melk moest; maar dit was zoo heel ie’s anders! Zóó’n verhouding, jaren lang, en die was begonnen uit liefde!.… Geertje vond juffrouw Hesselaar lang niet zoo gemeen als der man, die haar had getrouwd om de centen van den ander te krijgen, en die daar nu z’en mooie winkel met „Heerenartikelen” van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch nu dorst voornaam doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d’er flikflooide.—„Om d’er duiten”, had Meneer gelachen.—Wat zag je al niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden had hij verteld, uit de allerdeftigste huizen—en dan telkens was ’t om het geld! Maar die keer toen hij[187]spottend zei, dat z’en vrouw juffrouw Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, had ze mee’elij met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele geschiedenis nu; openhartig had hij verteld:—alleen om het geld was hij getrouwd. Maar inplaats van te erkennen dat hij dom had gedaan, schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een man als hij ooit gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min wat als hij. En nou.… O, kòn ze d’er maar niet aan denken!Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist toch wel wat het was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het uit, was er nìets meer, sedert lang al; en hij gruwde van het mensch, sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong en gezond. ’t Was geen leven voor hem, zoo.….De eerste keer—de tweede zondag dat ze samen uitgingen, ’t was toen in dat kleine k’ffee, erge’s achter in de Hoogstraat, waar ze, haast al de tijd, alleen voor het gordijn hadden gezeten—de eerste keer had ze ’t naar gevonden, dat hij over zoo ie’s begon. Net, opeens, of Hij ’et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar ’s avonds, toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de Juffrouw d’er slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer hoe iezegrimmiger had gekeken, en zij de Juffrouw-en-hem-samen, hij gedwee achter z’en vrouw an, naar boven had zien gaan!.… O, toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht in er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar ze het had staan uithijgen, omdat ze ’t niet kon uitgillen, dat deze leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;—tot huilen had ze niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze getrappeld in het water dat onder d’er wegplafferde over ’t zink; en,[188]toen ze stond vóór de leuning van ’t plat, had ’et ’er goed gedaan, goed, dat beneden op het Steiger een man een vrouw met de armen bedreigde en haar uitschold voor „hoer” en zulk gemeens.…Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en natuurlijk had die geklikt, en samen hadden ze d’er pret over gehad, Meneer en zij, dat de Juffrouw, naar z’aan hem gezeid had, haar nu verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes mee te hou’en, ’s avonds laat van ’t hooge plat af.Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest, plotseling, zonder iets om, op het plat? ’s Nachts had ze koorts gehad, geijld. Goddank dat de kinderen zoo vast sliepen! Als iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd, of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar riep. Zóó vast had ze ’t gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had afgevraagd, of hij zou zijn weggegaan. En ze had ook zeker-geweten, dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen die razende angst, dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had, was ’t ook maar Truus of Koos geweest.… De angst scheen de koorts te hebben verdreven. Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich te verroeren, de oogen naar de matte lichtplek aan de zoldering, was blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden gehoord van de stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan van een huisdeur; toen de donder van een trein over de viaduct en ’t nacht-doorborend stoomgefluit; toen vlak-beneden menschen die praatten; toen weer lang de leegte-van-stilte, met enkel, telkens, het tergen van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar neerbonzende en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens, als iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem.…En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in[189]het bedje van Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.—De gewoonte van alle nachten, alle nachten, z’en heele leven.… Maar háár had hij gezegd zijn geheim, al zijn leed en zijn verlangen, háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang meer voor hem, hij mòcht haar zeggen wat ’em kwelde; niemand kon haar ontnemen, dat ze zijn vertrouwen had.…Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het gestommel kwam van vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze, verkleumd, het bed uit. Duizelig had ze zich aangekleed en de gansche dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek zou worden. Maar ’s avonds had hij d’er een glas grog opgedrongen, half-dronken was ze ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d’er bed moeten stooten om ’er wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op avonden dat de Juffrouw vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich zoo’n glas grog laten geven tegen slapeloosheid. En onder het drinken had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.… onvoorzichtig: Sefie nog in de keuken.…De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang gemaakt.Sedert had ze geen grog meer genomen.Toch vroeg hij het telkens weer—en geen kracht had zij om meer dan te weigeren. Want ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op „samen-drinken”, maar de opstand van haar schaamte vervloeide iedere keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, met een droeve blik van overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden gezeten in een k’ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn stem-van-radeloosheid zei hij:—„Kijk, die gaan nou ook naar huis, maar ze kunnen samen blijven”.…[190]
[Inhoud]IX.Er warde in Geertje’s gedachten een, tegelijk haar moemakend en haar prikkelend, gezwerm van nieuwe indrukken, van dingen die ze had opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, de avonden dat ze met hem was uitgeweest. ’t Had meest niet met haar liefde te maken, en toch hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar had gezegd, of die zij saam met hem gezien had.Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje, vlak tegen het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten in het koffiehuis over de Maas, en sinds dien had hij telkens weer verteld van juffrouw Hesselaar. En—wel was ’t haar lang bekend, dat er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze ’t al en nu zag z’er telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z’een brief had of om melk moest; maar dit was zoo heel ie’s anders! Zóó’n verhouding, jaren lang, en die was begonnen uit liefde!.… Geertje vond juffrouw Hesselaar lang niet zoo gemeen als der man, die haar had getrouwd om de centen van den ander te krijgen, en die daar nu z’en mooie winkel met „Heerenartikelen” van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch nu dorst voornaam doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d’er flikflooide.—„Om d’er duiten”, had Meneer gelachen.—Wat zag je al niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden had hij verteld, uit de allerdeftigste huizen—en dan telkens was ’t om het geld! Maar die keer toen hij[187]spottend zei, dat z’en vrouw juffrouw Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, had ze mee’elij met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele geschiedenis nu; openhartig had hij verteld:—alleen om het geld was hij getrouwd. Maar inplaats van te erkennen dat hij dom had gedaan, schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een man als hij ooit gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min wat als hij. En nou.… O, kòn ze d’er maar niet aan denken!Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist toch wel wat het was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het uit, was er nìets meer, sedert lang al; en hij gruwde van het mensch, sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong en gezond. ’t Was geen leven voor hem, zoo.….De eerste keer—de tweede zondag dat ze samen uitgingen, ’t was toen in dat kleine k’ffee, erge’s achter in de Hoogstraat, waar ze, haast al de tijd, alleen voor het gordijn hadden gezeten—de eerste keer had ze ’t naar gevonden, dat hij over zoo ie’s begon. Net, opeens, of Hij ’et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar ’s avonds, toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de Juffrouw d’er slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer hoe iezegrimmiger had gekeken, en zij de Juffrouw-en-hem-samen, hij gedwee achter z’en vrouw an, naar boven had zien gaan!.… O, toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht in er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar ze het had staan uithijgen, omdat ze ’t niet kon uitgillen, dat deze leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;—tot huilen had ze niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze getrappeld in het water dat onder d’er wegplafferde over ’t zink; en,[188]toen ze stond vóór de leuning van ’t plat, had ’et ’er goed gedaan, goed, dat beneden op het Steiger een man een vrouw met de armen bedreigde en haar uitschold voor „hoer” en zulk gemeens.…Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en natuurlijk had die geklikt, en samen hadden ze d’er pret over gehad, Meneer en zij, dat de Juffrouw, naar z’aan hem gezeid had, haar nu verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes mee te hou’en, ’s avonds laat van ’t hooge plat af.Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest, plotseling, zonder iets om, op het plat? ’s Nachts had ze koorts gehad, geijld. Goddank dat de kinderen zoo vast sliepen! Als iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd, of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar riep. Zóó vast had ze ’t gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had afgevraagd, of hij zou zijn weggegaan. En ze had ook zeker-geweten, dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen die razende angst, dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had, was ’t ook maar Truus of Koos geweest.… De angst scheen de koorts te hebben verdreven. Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich te verroeren, de oogen naar de matte lichtplek aan de zoldering, was blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden gehoord van de stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan van een huisdeur; toen de donder van een trein over de viaduct en ’t nacht-doorborend stoomgefluit; toen vlak-beneden menschen die praatten; toen weer lang de leegte-van-stilte, met enkel, telkens, het tergen van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar neerbonzende en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens, als iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem.…En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in[189]het bedje van Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.—De gewoonte van alle nachten, alle nachten, z’en heele leven.… Maar háár had hij gezegd zijn geheim, al zijn leed en zijn verlangen, háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang meer voor hem, hij mòcht haar zeggen wat ’em kwelde; niemand kon haar ontnemen, dat ze zijn vertrouwen had.…Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het gestommel kwam van vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze, verkleumd, het bed uit. Duizelig had ze zich aangekleed en de gansche dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek zou worden. Maar ’s avonds had hij d’er een glas grog opgedrongen, half-dronken was ze ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d’er bed moeten stooten om ’er wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op avonden dat de Juffrouw vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich zoo’n glas grog laten geven tegen slapeloosheid. En onder het drinken had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.… onvoorzichtig: Sefie nog in de keuken.…De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang gemaakt.Sedert had ze geen grog meer genomen.Toch vroeg hij het telkens weer—en geen kracht had zij om meer dan te weigeren. Want ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op „samen-drinken”, maar de opstand van haar schaamte vervloeide iedere keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, met een droeve blik van overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden gezeten in een k’ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn stem-van-radeloosheid zei hij:—„Kijk, die gaan nou ook naar huis, maar ze kunnen samen blijven”.…[190]
IX.
Er warde in Geertje’s gedachten een, tegelijk haar moemakend en haar prikkelend, gezwerm van nieuwe indrukken, van dingen die ze had opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, de avonden dat ze met hem was uitgeweest. ’t Had meest niet met haar liefde te maken, en toch hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar had gezegd, of die zij saam met hem gezien had.Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje, vlak tegen het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten in het koffiehuis over de Maas, en sinds dien had hij telkens weer verteld van juffrouw Hesselaar. En—wel was ’t haar lang bekend, dat er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze ’t al en nu zag z’er telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z’een brief had of om melk moest; maar dit was zoo heel ie’s anders! Zóó’n verhouding, jaren lang, en die was begonnen uit liefde!.… Geertje vond juffrouw Hesselaar lang niet zoo gemeen als der man, die haar had getrouwd om de centen van den ander te krijgen, en die daar nu z’en mooie winkel met „Heerenartikelen” van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch nu dorst voornaam doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d’er flikflooide.—„Om d’er duiten”, had Meneer gelachen.—Wat zag je al niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden had hij verteld, uit de allerdeftigste huizen—en dan telkens was ’t om het geld! Maar die keer toen hij[187]spottend zei, dat z’en vrouw juffrouw Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, had ze mee’elij met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele geschiedenis nu; openhartig had hij verteld:—alleen om het geld was hij getrouwd. Maar inplaats van te erkennen dat hij dom had gedaan, schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een man als hij ooit gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min wat als hij. En nou.… O, kòn ze d’er maar niet aan denken!Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist toch wel wat het was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het uit, was er nìets meer, sedert lang al; en hij gruwde van het mensch, sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong en gezond. ’t Was geen leven voor hem, zoo.….De eerste keer—de tweede zondag dat ze samen uitgingen, ’t was toen in dat kleine k’ffee, erge’s achter in de Hoogstraat, waar ze, haast al de tijd, alleen voor het gordijn hadden gezeten—de eerste keer had ze ’t naar gevonden, dat hij over zoo ie’s begon. Net, opeens, of Hij ’et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar ’s avonds, toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de Juffrouw d’er slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer hoe iezegrimmiger had gekeken, en zij de Juffrouw-en-hem-samen, hij gedwee achter z’en vrouw an, naar boven had zien gaan!.… O, toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht in er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar ze het had staan uithijgen, omdat ze ’t niet kon uitgillen, dat deze leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;—tot huilen had ze niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze getrappeld in het water dat onder d’er wegplafferde over ’t zink; en,[188]toen ze stond vóór de leuning van ’t plat, had ’et ’er goed gedaan, goed, dat beneden op het Steiger een man een vrouw met de armen bedreigde en haar uitschold voor „hoer” en zulk gemeens.…Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en natuurlijk had die geklikt, en samen hadden ze d’er pret over gehad, Meneer en zij, dat de Juffrouw, naar z’aan hem gezeid had, haar nu verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes mee te hou’en, ’s avonds laat van ’t hooge plat af.Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest, plotseling, zonder iets om, op het plat? ’s Nachts had ze koorts gehad, geijld. Goddank dat de kinderen zoo vast sliepen! Als iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd, of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar riep. Zóó vast had ze ’t gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had afgevraagd, of hij zou zijn weggegaan. En ze had ook zeker-geweten, dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen die razende angst, dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had, was ’t ook maar Truus of Koos geweest.… De angst scheen de koorts te hebben verdreven. Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich te verroeren, de oogen naar de matte lichtplek aan de zoldering, was blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden gehoord van de stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan van een huisdeur; toen de donder van een trein over de viaduct en ’t nacht-doorborend stoomgefluit; toen vlak-beneden menschen die praatten; toen weer lang de leegte-van-stilte, met enkel, telkens, het tergen van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar neerbonzende en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens, als iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem.…En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in[189]het bedje van Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.—De gewoonte van alle nachten, alle nachten, z’en heele leven.… Maar háár had hij gezegd zijn geheim, al zijn leed en zijn verlangen, háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang meer voor hem, hij mòcht haar zeggen wat ’em kwelde; niemand kon haar ontnemen, dat ze zijn vertrouwen had.…Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het gestommel kwam van vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze, verkleumd, het bed uit. Duizelig had ze zich aangekleed en de gansche dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek zou worden. Maar ’s avonds had hij d’er een glas grog opgedrongen, half-dronken was ze ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d’er bed moeten stooten om ’er wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op avonden dat de Juffrouw vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich zoo’n glas grog laten geven tegen slapeloosheid. En onder het drinken had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.… onvoorzichtig: Sefie nog in de keuken.…De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang gemaakt.Sedert had ze geen grog meer genomen.Toch vroeg hij het telkens weer—en geen kracht had zij om meer dan te weigeren. Want ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op „samen-drinken”, maar de opstand van haar schaamte vervloeide iedere keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, met een droeve blik van overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden gezeten in een k’ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn stem-van-radeloosheid zei hij:—„Kijk, die gaan nou ook naar huis, maar ze kunnen samen blijven”.…[190]
Er warde in Geertje’s gedachten een, tegelijk haar moemakend en haar prikkelend, gezwerm van nieuwe indrukken, van dingen die ze had opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, de avonden dat ze met hem was uitgeweest. ’t Had meest niet met haar liefde te maken, en toch hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar had gezegd, of die zij saam met hem gezien had.
Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje, vlak tegen het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten in het koffiehuis over de Maas, en sinds dien had hij telkens weer verteld van juffrouw Hesselaar. En—wel was ’t haar lang bekend, dat er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze ’t al en nu zag z’er telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z’een brief had of om melk moest; maar dit was zoo heel ie’s anders! Zóó’n verhouding, jaren lang, en die was begonnen uit liefde!.… Geertje vond juffrouw Hesselaar lang niet zoo gemeen als der man, die haar had getrouwd om de centen van den ander te krijgen, en die daar nu z’en mooie winkel met „Heerenartikelen” van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch nu dorst voornaam doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d’er flikflooide.—„Om d’er duiten”, had Meneer gelachen.—Wat zag je al niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden had hij verteld, uit de allerdeftigste huizen—en dan telkens was ’t om het geld! Maar die keer toen hij[187]spottend zei, dat z’en vrouw juffrouw Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, had ze mee’elij met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele geschiedenis nu; openhartig had hij verteld:—alleen om het geld was hij getrouwd. Maar inplaats van te erkennen dat hij dom had gedaan, schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een man als hij ooit gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min wat als hij. En nou.… O, kòn ze d’er maar niet aan denken!
Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist toch wel wat het was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het uit, was er nìets meer, sedert lang al; en hij gruwde van het mensch, sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong en gezond. ’t Was geen leven voor hem, zoo.….
De eerste keer—de tweede zondag dat ze samen uitgingen, ’t was toen in dat kleine k’ffee, erge’s achter in de Hoogstraat, waar ze, haast al de tijd, alleen voor het gordijn hadden gezeten—de eerste keer had ze ’t naar gevonden, dat hij over zoo ie’s begon. Net, opeens, of Hij ’et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar ’s avonds, toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de Juffrouw d’er slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer hoe iezegrimmiger had gekeken, en zij de Juffrouw-en-hem-samen, hij gedwee achter z’en vrouw an, naar boven had zien gaan!.… O, toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht in er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar ze het had staan uithijgen, omdat ze ’t niet kon uitgillen, dat deze leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;—tot huilen had ze niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze getrappeld in het water dat onder d’er wegplafferde over ’t zink; en,[188]toen ze stond vóór de leuning van ’t plat, had ’et ’er goed gedaan, goed, dat beneden op het Steiger een man een vrouw met de armen bedreigde en haar uitschold voor „hoer” en zulk gemeens.…
Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en natuurlijk had die geklikt, en samen hadden ze d’er pret over gehad, Meneer en zij, dat de Juffrouw, naar z’aan hem gezeid had, haar nu verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes mee te hou’en, ’s avonds laat van ’t hooge plat af.
Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest, plotseling, zonder iets om, op het plat? ’s Nachts had ze koorts gehad, geijld. Goddank dat de kinderen zoo vast sliepen! Als iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd, of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar riep. Zóó vast had ze ’t gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had afgevraagd, of hij zou zijn weggegaan. En ze had ook zeker-geweten, dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen die razende angst, dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had, was ’t ook maar Truus of Koos geweest.… De angst scheen de koorts te hebben verdreven. Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich te verroeren, de oogen naar de matte lichtplek aan de zoldering, was blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden gehoord van de stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan van een huisdeur; toen de donder van een trein over de viaduct en ’t nacht-doorborend stoomgefluit; toen vlak-beneden menschen die praatten; toen weer lang de leegte-van-stilte, met enkel, telkens, het tergen van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar neerbonzende en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens, als iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem.…
En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in[189]het bedje van Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.—De gewoonte van alle nachten, alle nachten, z’en heele leven.… Maar háár had hij gezegd zijn geheim, al zijn leed en zijn verlangen, háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang meer voor hem, hij mòcht haar zeggen wat ’em kwelde; niemand kon haar ontnemen, dat ze zijn vertrouwen had.…
Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het gestommel kwam van vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze, verkleumd, het bed uit. Duizelig had ze zich aangekleed en de gansche dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek zou worden. Maar ’s avonds had hij d’er een glas grog opgedrongen, half-dronken was ze ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d’er bed moeten stooten om ’er wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op avonden dat de Juffrouw vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich zoo’n glas grog laten geven tegen slapeloosheid. En onder het drinken had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.… onvoorzichtig: Sefie nog in de keuken.…
De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang gemaakt.
Sedert had ze geen grog meer genomen.
Toch vroeg hij het telkens weer—en geen kracht had zij om meer dan te weigeren. Want ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op „samen-drinken”, maar de opstand van haar schaamte vervloeide iedere keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, met een droeve blik van overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden gezeten in een k’ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn stem-van-radeloosheid zei hij:—„Kijk, die gaan nou ook naar huis, maar ze kunnen samen blijven”.…[190]