[Inhoud]V.Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord.—Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek haar te hebben opgebeld uit haar liev’lingsbezigheid, het leggen van de kaart.Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel het die haar beurt niet was.Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen.Net om negen uur lag ze d’er in, een doek met water en eau-de-cologne in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee hoofdstukken uit Job en de91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten kende:—ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van buiten kende.’s Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar zijn zou. Ze was zoo bà ng, dat hij nog weer eenige toespeling maken zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in Johannes en de Korinthe.Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest[129]op haar nachtpon gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met zijn tol.Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar en blij dee’ zij stil haar werk.Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was, schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze ’t kunnen droomen! Ook nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.… „Van binnen uit het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze dingen komen voort van binnen en ontreinigen den menschâ€.… „De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenenâ€.…Zoo bracht zij de koffie binnen.Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God dank! Hij heeft dat gis’tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man zijn ijver.—Is ’t al zoo laat, schrikte hij.Keek nu wel haar aan, wat vreemd.Na hem, gaf zij de anderen hun koffie.—Geertje! hoorde ze zijn stem.Wat zou er nog zijn?O, de gulden! Hij toonde een gulden.—Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon.Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht haar hand, klemde die, als gisteren.En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand.Plots’ling was zij een andere.Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen, van de vrede van de morgen.’t Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek, èn ze voelt een gloed, een dringen.[130]Ja, ze hééftHemaangekeken, kon niet anders, in die oogen.In de keuken is z’ alleen. God! Sefie kan da’lek komme. Moet wat water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d’er polsen, opde hand, nu.… O,Hij! Hij!Zoo alsHijnu keek, zacht lachend.… Mà g niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis uit! Vluchte—van die lieve ooge.… Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze moet is met ’em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.… Jee, Sefie.…—Draug ie je mit die doek af?Och jee! da’s toch uit vergissing.Hè, dat monster van ’en meid.Wat moet ze nou ook doen?God, ze is d’er gedachten kwijt.Eve.… Ja, ze mòet naar bove.Eve alleen en met ’er Bijbel.Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van vele, ontstelt’nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van haar kamertje greep z’altoos op ’t zelfde plekje: achter in de la van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood, als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet; ’t was immers voor ’t heil, voor de rust van het huis, dat zij zich, even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd uitschreide, uitbad.WantHijliet nu niet meer af. Zij wist nu zeker datHijhaar liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen en haar tot de rand gevoerd had, boven ’t water: diep de stad, diep in de vormen verdoez’lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten, doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden, beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht, en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde leggen. Sinds zij wist dat hij dà t wou, had[131]zij meer nog hem gemeden, en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij had zoo droef gevraagd:—„Wil je nou zelfs geenvriendin zijn?†en zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar ’t hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, ’t spoor der and’re weg te nemen.Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap—zoodra hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en aan niets meer denken. Telkens stond z’ opnieuw verschrikt voor dat vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand, aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst, door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag, duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek, onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch, als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven.Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend[132]in de hand; toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met ’en uiterste inspanning zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; ’t lag er met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding, nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte, troost en raad, verlossing haast.Toen kwam opeens de brief van Groo’va.Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan had gezien, toen hij onlangs over was, Groo’moe in de laatste tijd weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje, naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen.Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo’moe, Groo’va, ’t dorp, haarthuis. Daar es even, even rusten.’t Eerst sprak zij metHemerover, als over iets, dat de Juffrouw goed zou moeten vinden. Ze wilde ’s Zaterdags morgens gaan en Dinsdags terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem.—Vindt u et niet goed dat ik ga?—Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw.Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging.En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan.Maar even later kwam hij weer:—Ik vin et best hoor, da’je ga. Maar vraag et zelf maar aan de Juffrouw.De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo’va’s brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al ’s morgens, ’s Zaterdags in de late middag, na ’t verschoonen van de kinders.[133]
[Inhoud]V.Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord.—Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek haar te hebben opgebeld uit haar liev’lingsbezigheid, het leggen van de kaart.Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel het die haar beurt niet was.Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen.Net om negen uur lag ze d’er in, een doek met water en eau-de-cologne in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee hoofdstukken uit Job en de91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten kende:—ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van buiten kende.’s Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar zijn zou. Ze was zoo bà ng, dat hij nog weer eenige toespeling maken zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in Johannes en de Korinthe.Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest[129]op haar nachtpon gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met zijn tol.Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar en blij dee’ zij stil haar werk.Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was, schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze ’t kunnen droomen! Ook nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.… „Van binnen uit het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze dingen komen voort van binnen en ontreinigen den menschâ€.… „De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenenâ€.…Zoo bracht zij de koffie binnen.Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God dank! Hij heeft dat gis’tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man zijn ijver.—Is ’t al zoo laat, schrikte hij.Keek nu wel haar aan, wat vreemd.Na hem, gaf zij de anderen hun koffie.—Geertje! hoorde ze zijn stem.Wat zou er nog zijn?O, de gulden! Hij toonde een gulden.—Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon.Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht haar hand, klemde die, als gisteren.En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand.Plots’ling was zij een andere.Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen, van de vrede van de morgen.’t Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek, èn ze voelt een gloed, een dringen.[130]Ja, ze hééftHemaangekeken, kon niet anders, in die oogen.In de keuken is z’ alleen. God! Sefie kan da’lek komme. Moet wat water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d’er polsen, opde hand, nu.… O,Hij! Hij!Zoo alsHijnu keek, zacht lachend.… Mà g niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis uit! Vluchte—van die lieve ooge.… Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze moet is met ’em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.… Jee, Sefie.…—Draug ie je mit die doek af?Och jee! da’s toch uit vergissing.Hè, dat monster van ’en meid.Wat moet ze nou ook doen?God, ze is d’er gedachten kwijt.Eve.… Ja, ze mòet naar bove.Eve alleen en met ’er Bijbel.Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van vele, ontstelt’nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van haar kamertje greep z’altoos op ’t zelfde plekje: achter in de la van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood, als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet; ’t was immers voor ’t heil, voor de rust van het huis, dat zij zich, even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd uitschreide, uitbad.WantHijliet nu niet meer af. Zij wist nu zeker datHijhaar liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen en haar tot de rand gevoerd had, boven ’t water: diep de stad, diep in de vormen verdoez’lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten, doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden, beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht, en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde leggen. Sinds zij wist dat hij dà t wou, had[131]zij meer nog hem gemeden, en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij had zoo droef gevraagd:—„Wil je nou zelfs geenvriendin zijn?†en zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar ’t hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, ’t spoor der and’re weg te nemen.Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap—zoodra hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en aan niets meer denken. Telkens stond z’ opnieuw verschrikt voor dat vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand, aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst, door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag, duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek, onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch, als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven.Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend[132]in de hand; toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met ’en uiterste inspanning zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; ’t lag er met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding, nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte, troost en raad, verlossing haast.Toen kwam opeens de brief van Groo’va.Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan had gezien, toen hij onlangs over was, Groo’moe in de laatste tijd weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje, naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen.Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo’moe, Groo’va, ’t dorp, haarthuis. Daar es even, even rusten.’t Eerst sprak zij metHemerover, als over iets, dat de Juffrouw goed zou moeten vinden. Ze wilde ’s Zaterdags morgens gaan en Dinsdags terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem.—Vindt u et niet goed dat ik ga?—Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw.Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging.En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan.Maar even later kwam hij weer:—Ik vin et best hoor, da’je ga. Maar vraag et zelf maar aan de Juffrouw.De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo’va’s brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al ’s morgens, ’s Zaterdags in de late middag, na ’t verschoonen van de kinders.[133]
[Inhoud]V.Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord.—Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek haar te hebben opgebeld uit haar liev’lingsbezigheid, het leggen van de kaart.Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel het die haar beurt niet was.Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen.Net om negen uur lag ze d’er in, een doek met water en eau-de-cologne in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee hoofdstukken uit Job en de91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten kende:—ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van buiten kende.’s Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar zijn zou. Ze was zoo bà ng, dat hij nog weer eenige toespeling maken zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in Johannes en de Korinthe.Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest[129]op haar nachtpon gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met zijn tol.Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar en blij dee’ zij stil haar werk.Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was, schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze ’t kunnen droomen! Ook nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.… „Van binnen uit het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze dingen komen voort van binnen en ontreinigen den menschâ€.… „De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenenâ€.…Zoo bracht zij de koffie binnen.Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God dank! Hij heeft dat gis’tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man zijn ijver.—Is ’t al zoo laat, schrikte hij.Keek nu wel haar aan, wat vreemd.Na hem, gaf zij de anderen hun koffie.—Geertje! hoorde ze zijn stem.Wat zou er nog zijn?O, de gulden! Hij toonde een gulden.—Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon.Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht haar hand, klemde die, als gisteren.En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand.Plots’ling was zij een andere.Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen, van de vrede van de morgen.’t Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek, èn ze voelt een gloed, een dringen.[130]Ja, ze hééftHemaangekeken, kon niet anders, in die oogen.In de keuken is z’ alleen. God! Sefie kan da’lek komme. Moet wat water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d’er polsen, opde hand, nu.… O,Hij! Hij!Zoo alsHijnu keek, zacht lachend.… Mà g niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis uit! Vluchte—van die lieve ooge.… Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze moet is met ’em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.… Jee, Sefie.…—Draug ie je mit die doek af?Och jee! da’s toch uit vergissing.Hè, dat monster van ’en meid.Wat moet ze nou ook doen?God, ze is d’er gedachten kwijt.Eve.… Ja, ze mòet naar bove.Eve alleen en met ’er Bijbel.Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van vele, ontstelt’nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van haar kamertje greep z’altoos op ’t zelfde plekje: achter in de la van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood, als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet; ’t was immers voor ’t heil, voor de rust van het huis, dat zij zich, even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd uitschreide, uitbad.WantHijliet nu niet meer af. Zij wist nu zeker datHijhaar liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen en haar tot de rand gevoerd had, boven ’t water: diep de stad, diep in de vormen verdoez’lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten, doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden, beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht, en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde leggen. Sinds zij wist dat hij dà t wou, had[131]zij meer nog hem gemeden, en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij had zoo droef gevraagd:—„Wil je nou zelfs geenvriendin zijn?†en zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar ’t hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, ’t spoor der and’re weg te nemen.Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap—zoodra hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en aan niets meer denken. Telkens stond z’ opnieuw verschrikt voor dat vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand, aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst, door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag, duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek, onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch, als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven.Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend[132]in de hand; toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met ’en uiterste inspanning zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; ’t lag er met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding, nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte, troost en raad, verlossing haast.Toen kwam opeens de brief van Groo’va.Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan had gezien, toen hij onlangs over was, Groo’moe in de laatste tijd weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje, naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen.Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo’moe, Groo’va, ’t dorp, haarthuis. Daar es even, even rusten.’t Eerst sprak zij metHemerover, als over iets, dat de Juffrouw goed zou moeten vinden. Ze wilde ’s Zaterdags morgens gaan en Dinsdags terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem.—Vindt u et niet goed dat ik ga?—Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw.Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging.En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan.Maar even later kwam hij weer:—Ik vin et best hoor, da’je ga. Maar vraag et zelf maar aan de Juffrouw.De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo’va’s brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al ’s morgens, ’s Zaterdags in de late middag, na ’t verschoonen van de kinders.[133]
V.
Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord.—Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek haar te hebben opgebeld uit haar liev’lingsbezigheid, het leggen van de kaart.Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel het die haar beurt niet was.Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen.Net om negen uur lag ze d’er in, een doek met water en eau-de-cologne in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee hoofdstukken uit Job en de91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten kende:—ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van buiten kende.’s Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar zijn zou. Ze was zoo bà ng, dat hij nog weer eenige toespeling maken zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in Johannes en de Korinthe.Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest[129]op haar nachtpon gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met zijn tol.Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar en blij dee’ zij stil haar werk.Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was, schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze ’t kunnen droomen! Ook nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.… „Van binnen uit het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze dingen komen voort van binnen en ontreinigen den menschâ€.… „De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenenâ€.…Zoo bracht zij de koffie binnen.Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God dank! Hij heeft dat gis’tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man zijn ijver.—Is ’t al zoo laat, schrikte hij.Keek nu wel haar aan, wat vreemd.Na hem, gaf zij de anderen hun koffie.—Geertje! hoorde ze zijn stem.Wat zou er nog zijn?O, de gulden! Hij toonde een gulden.—Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon.Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht haar hand, klemde die, als gisteren.En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand.Plots’ling was zij een andere.Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen, van de vrede van de morgen.’t Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek, èn ze voelt een gloed, een dringen.[130]Ja, ze hééftHemaangekeken, kon niet anders, in die oogen.In de keuken is z’ alleen. God! Sefie kan da’lek komme. Moet wat water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d’er polsen, opde hand, nu.… O,Hij! Hij!Zoo alsHijnu keek, zacht lachend.… Mà g niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis uit! Vluchte—van die lieve ooge.… Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze moet is met ’em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.… Jee, Sefie.…—Draug ie je mit die doek af?Och jee! da’s toch uit vergissing.Hè, dat monster van ’en meid.Wat moet ze nou ook doen?God, ze is d’er gedachten kwijt.Eve.… Ja, ze mòet naar bove.Eve alleen en met ’er Bijbel.Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van vele, ontstelt’nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van haar kamertje greep z’altoos op ’t zelfde plekje: achter in de la van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood, als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet; ’t was immers voor ’t heil, voor de rust van het huis, dat zij zich, even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd uitschreide, uitbad.WantHijliet nu niet meer af. Zij wist nu zeker datHijhaar liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen en haar tot de rand gevoerd had, boven ’t water: diep de stad, diep in de vormen verdoez’lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten, doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden, beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht, en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde leggen. Sinds zij wist dat hij dà t wou, had[131]zij meer nog hem gemeden, en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij had zoo droef gevraagd:—„Wil je nou zelfs geenvriendin zijn?†en zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar ’t hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, ’t spoor der and’re weg te nemen.Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap—zoodra hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en aan niets meer denken. Telkens stond z’ opnieuw verschrikt voor dat vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand, aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst, door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag, duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek, onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch, als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven.Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend[132]in de hand; toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met ’en uiterste inspanning zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; ’t lag er met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding, nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte, troost en raad, verlossing haast.Toen kwam opeens de brief van Groo’va.Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan had gezien, toen hij onlangs over was, Groo’moe in de laatste tijd weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje, naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen.Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo’moe, Groo’va, ’t dorp, haarthuis. Daar es even, even rusten.’t Eerst sprak zij metHemerover, als over iets, dat de Juffrouw goed zou moeten vinden. Ze wilde ’s Zaterdags morgens gaan en Dinsdags terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem.—Vindt u et niet goed dat ik ga?—Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw.Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging.En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan.Maar even later kwam hij weer:—Ik vin et best hoor, da’je ga. Maar vraag et zelf maar aan de Juffrouw.De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo’va’s brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al ’s morgens, ’s Zaterdags in de late middag, na ’t verschoonen van de kinders.[133]
Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord.
—Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek haar te hebben opgebeld uit haar liev’lingsbezigheid, het leggen van de kaart.
Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel het die haar beurt niet was.
Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen.
Net om negen uur lag ze d’er in, een doek met water en eau-de-cologne in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee hoofdstukken uit Job en de91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten kende:—ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van buiten kende.
’s Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar zijn zou. Ze was zoo bà ng, dat hij nog weer eenige toespeling maken zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in Johannes en de Korinthe.
Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest[129]op haar nachtpon gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met zijn tol.
Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar en blij dee’ zij stil haar werk.
Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was, schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze ’t kunnen droomen! Ook nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.… „Van binnen uit het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze dingen komen voort van binnen en ontreinigen den menschâ€.… „De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenenâ€.…
Zoo bracht zij de koffie binnen.
Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God dank! Hij heeft dat gis’tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man zijn ijver.
—Is ’t al zoo laat, schrikte hij.
Keek nu wel haar aan, wat vreemd.
Na hem, gaf zij de anderen hun koffie.
—Geertje! hoorde ze zijn stem.
Wat zou er nog zijn?
O, de gulden! Hij toonde een gulden.
—Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon.
Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht haar hand, klemde die, als gisteren.
En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand.
Plots’ling was zij een andere.
Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen, van de vrede van de morgen.
’t Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek, èn ze voelt een gloed, een dringen.[130]
Ja, ze hééftHemaangekeken, kon niet anders, in die oogen.
In de keuken is z’ alleen. God! Sefie kan da’lek komme. Moet wat water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d’er polsen, opde hand, nu.… O,Hij! Hij!Zoo alsHijnu keek, zacht lachend.… Mà g niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis uit! Vluchte—van die lieve ooge.… Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze moet is met ’em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.… Jee, Sefie.…
—Draug ie je mit die doek af?
Och jee! da’s toch uit vergissing.
Hè, dat monster van ’en meid.
Wat moet ze nou ook doen?
God, ze is d’er gedachten kwijt.
Eve.… Ja, ze mòet naar bove.
Eve alleen en met ’er Bijbel.
Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van vele, ontstelt’nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van haar kamertje greep z’altoos op ’t zelfde plekje: achter in de la van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood, als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet; ’t was immers voor ’t heil, voor de rust van het huis, dat zij zich, even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd uitschreide, uitbad.
WantHijliet nu niet meer af. Zij wist nu zeker datHijhaar liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen en haar tot de rand gevoerd had, boven ’t water: diep de stad, diep in de vormen verdoez’lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten, doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden, beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht, en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde leggen. Sinds zij wist dat hij dà t wou, had[131]zij meer nog hem gemeden, en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij had zoo droef gevraagd:—„Wil je nou zelfs geenvriendin zijn?†en zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar ’t hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, ’t spoor der and’re weg te nemen.
Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap—zoodra hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en aan niets meer denken. Telkens stond z’ opnieuw verschrikt voor dat vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand, aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst, door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag, duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek, onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch, als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven.
Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend[132]in de hand; toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met ’en uiterste inspanning zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; ’t lag er met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding, nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte, troost en raad, verlossing haast.
Toen kwam opeens de brief van Groo’va.
Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan had gezien, toen hij onlangs over was, Groo’moe in de laatste tijd weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje, naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen.
Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo’moe, Groo’va, ’t dorp, haarthuis. Daar es even, even rusten.
’t Eerst sprak zij metHemerover, als over iets, dat de Juffrouw goed zou moeten vinden. Ze wilde ’s Zaterdags morgens gaan en Dinsdags terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem.
—Vindt u et niet goed dat ik ga?
—Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw.
Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging.
En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan.
Maar even later kwam hij weer:
—Ik vin et best hoor, da’je ga. Maar vraag et zelf maar aan de Juffrouw.
De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo’va’s brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al ’s morgens, ’s Zaterdags in de late middag, na ’t verschoonen van de kinders.[133]