VIJFDE BOEK.[205][Inhoud]I.—Goeie nacht!.…—Nacht Geertje.…Ze hebben haar wel te rusten gewenscht, Meneer en Mevrouw, zonder haar te zien, zonder dat zij hen gezien heeft. Elken avond net hetzelfde; als slot van de dag de kille plichtpleging op de mat, waartoe de groet, die zij aanvankelijk in de kamer kwam brengen, al gauw is afgesleten. Maar waarom zou zij beters verwachten? Mevrouw is vriendelijk, nogal geduldig. Meneer zegt nooit iets, alles is goed.In de donkerte kraakt de sousterrainstrap, kraakt nog eens, dan staat ze beneden. Van de straat komt dof gerucht. Hier aan den achterkant leeft zij begraven. De stilte verschrikt slechts haar eigen geluid, òpschrikkend vlak achter haar. Door ’t korte smalle gangetje—de deur van de logeerkamer, die de voorhelft van het sousterrain inneemt, voorbij—gaat ze tevens langs de deuren van het kolenhok en van haar kamertje. Dan is er de open deur van de keuken. Daar glanst de tegelwand onder de gasvlam, glinstert de pekel boven de gootsteen; er lauwt een lucht van gebraden vet. De keuken is laag en niet groot, toch hol; in de bedomptheid schaduwt het nog. Vlak naast de vlam snijdt het langwerpig-vierkante licht-en-luchtgat den muur juist boven de keukentafel open. Er kunnen twee matglasramen tegen gezet, maar die liggen op de glazenkast. Dag en nacht blijft het gat geopend en dringt er lucht door tusschen de tralies, aan de buitenkant in de muur opgezet. Een van haar eerste avonden, in Juni, heeft Geertje tusschen die tralies donkere, heel kleine oogen zien fonkelen, en met[206]een schreeuw is ze opgevaren, heeft de ramen gegrepen, in ’t gat gekletst, waarna ze rillend is blijven staan. Mevrouw heeft haar tot kalmte gebracht: geen rat, geen muis komt ooit hier binnen. Gerust is Geertje sedert nooit, maar de lucht! er moet wàt lucht zijn! Ze weet toch al niet hoe te doen van benauwdheid. Als de lesjeerkamer openmocht, de deur en de ramen, dan kwam er tocht. Maar Mevrouw in d’er nettigheid, kan je begrijpen!—„Geertje, nee’, geen keukelucht, waar me logées later moeten slapen.” Muf blijft de kamer aldoor gesloten en zij hier achter, ze walgt soms, ze stikt.Het is of de avonden ’t ergste zijn. Wanneer, vroeg, duisternis valt door het lichtgat: het verlaten, trieste plaatsje, waar over-dag ook nog wel eens een stem plotseling door de stilte heen ketst of ’t gerucht van een bezigheid schraapt, hooger en hooger oplost in schemer, zoodat Geertje, even het hoofd vóór de tralies, met verbazing ziet, dat de hemel nog licht is; dan draalt zij, uit vrees voor meer hitte en voor muggen, maar eindelijk laat zij het gaslicht ploffen en angstigt nu de nacht tegemoet, de looden-loome, niet-koelende nacht. Haar eenzaamheid is een gevangenis van opgesloten-benauwing, een lauwe broeiing, zonder uitweg.Waar de stoving het ergst is, moet zij slapen. Op het vensterlooze vertrekje, in den dooden hoek van het sousterrain, waar het plaatsje heeft opgehouden, is de ruimte voor het nog donkerder kolenhok uitgespaard; achter het hok donkert hittig haar bedstee.Zij aarzelt nu in de keuken rond, valt eindelijk neer op de stoel bij het luchtgat. Ze snakt naar lucht, èffe, vrij in de lucht!Maar Mevrouw heeft ’er een standje gegeven, toen ze eergisteravond, nadat ze de gerepereerde laarzen van Meneer had aangenomen, aan de deur was blijven staan.—Dat past toch niet. ’k Dacht dat jij dat wel wist.Uitgaan mag ze, op d’er avond. Maar ze wil de straat niet meer op. Schuw is ze van de straat, van de menschen. Schuw—deze kelder is óók een toevlucht.[207]De laatste Juni is ’et gebeurd, toen ze net een week hier in huis was. Ze dacht aan niks as an d’er werk, ’t viel toch al zwaar, zoo derekt op ’er ziekte. Te zwak was ze, om verder te denken. Dit mo’st nou, dit had ze zelf zoo gewild.—Mevrouw was goed voor der, zij dee d’er werk: geen hoofd had ze meer voor prakkezeeren. En daar is zijHemtegengekomen!De grond heeft niet gedeind, de straat heeft niet gedraaid; ze zag hem opeens, en had ééne gedachte: dat ze doorloopen moest, gewoon doen.Het oogenblik zelf was het moeilijkste niet. Toen hij voorbij was, brandde de smaad: luisterend naar de heer met wie hij liep, had hij glimlachend, met lachóógen naar haar gekeken, haar áángekeken, vlak in het gezicht, niet gegroet, gekeken—hòe! De pijn is als een brandwond geweest—die voel je evenmin da’lijk het ergst. D’er twee boodschappen heeft ze kunnen doen. In de winkels àl gezeid wat ze moest. Toen is ze in een roes naar huis gesneld, heeft boven de antwoorden opgezegd en hier benee is ze weggeschuild in een verlangen van: niet meer hier weg, nooit weer de straat op—de straat-met-Hèm.…Maar de nacht, toen ze lag, onmachtig, onmachtig in droomen, niet wetend, op ’t laatst, of zij droomde of ijlde of dacht!Angstig, moe, was ze ingeslapen, diep in de bedstee bang zich verbergend. Maarrauwna het zoete wegzijn in slaap, is zij, al in de voornacht, ontwaakt, niet wetend, waar was zij!? nee, duisternis, nee, zij was niet meer ziek, zij lag hier in ’er bedsteê—gedróómd had ze, van die zaal, met Hem.Ze is, half overeind, op haar elleboog gaan steunen. En àlmaar heeft ze geprakkezeerd:—voor het éérst met de meening der anderen mee. Met Oom en Groo’va en Tante en Maandag en Willem en Dominee Gobius, die, ieder op zijn eigen manier, haar tegen Jan hebben opgestookt. Gepriemd zijn hun woorden haar door het hoofd. Jan is dit en Jan is dat, haar heeft hij ongelukkig gemaakt, liefde nooit voor haar gevoeld.…[208]Ze heeft niet gehuild—slechts geprakkezeerd, àlmaar vóór zich die oogen, die oogen, spottend-vroolijk, lachend haar aanziend!Tot zij, in de broeiing der bedstee, gerild heeft van moeheid, is ingeslapen.…Toen zij ontwaakte, was het nog nacht.Onmiddellijk is zij klaar wakker geweest, in een gevoel, of een lichaamspijn haar uit de slaap had weggetrokken. Maar zij wist ook dadelijk: het onherstelbare deed haar lijden, iets veel ergers dan pijn aan het lichaam. Dat onherstelbare wàs er al; zeker. Weken lang had ze zich opgedrongen, dat ze ’t vergeten zou, dat ze vervuld was met andere dingen:—eerst met de vraag waar ze blijven zou, toen met haar dienst. Maar die nacht was het weergekomen.Hij had haar niet lief. Waarom toch niet! Was ze niet knap genoeg? niet vroolijk? Wat kon hij tegen haar hebben gehad? Dat hij nu keek, of hij met haar spòtte!.… Om de miskraam? Nee! dat niet. Zóó slecht was hij niet, haar Jan. Trouwens, naar ’t kind had hij nooit verlangd. Integendeel, juist toen ze zwanger bleek, was hij minder van haar gaan houden. Hoe kon hij dan nu zóó tegen haar doen?Twee gezegden, beide van Maandag, hebben telkens haar denken gepijnigd.—„Heins is geen man die zich hecht ’an ’en vrouw, an jou zoo min als ’an een ander.”—„Dach’ ie dat je z’en eenige was; vraag es met wie-d-ie ’et nou weer houdt!”Zou het waar wezen? Zou hij zóó zijn?Een gulp van afgunst heeft haar doorwoeld. Strak in de duisternis staarde haar blik.… Op haar elleboog ingesoesd is zij.Toen, in die nacht, is dat nog gebeurd. Zij heeft hem weergezien in de slaap. De droom bracht hem tot haar, den man dien zij liefheeft—dien zij eeuwig beminnen zal. En ellendig is zij ontwaakt.[209]Of ze dronken geweest was, trillend, beverig, heeft ze gesoesd op haar dag-werk. De kamerschuier schoot uit haar hand, een haak van ’er mouw hechtte in de vitrage en trok daar een lange scheur, bij het dekken voor het ontbijt viel de kaasstulp op de grond.Toen wist ze niet meer en kon ze niet meer, en wezenloos is ze gevlucht naar de keuken.Enkel hier, hier stil alleen, heeft zij rust, is zonder angst. Zoo dankbaar is zij voor deze dienst! Waar had zij anders moeten blijven? Bij Maandag kon niet, ze wou niet bij Oom, dus toch weg? met groo’va mee? Willem drong aan en Groo’va vermaande. Hier, nu ze werkt en verdient, is ze vrij. Als het nu maar gáát met ’et werk.… Hier voelt ze zich veilig voor Oom en Tante. Zij wil daar niet heen, die schijnheilige duivels, ze hebben haar zóóveel leed gedaan, en nog is het steken en striemen, telkens kwaadgespreek van Jan. Laffe afgunstigen, domme tobbers. Oom nou met z’en sigaren-depôt, dat hij met liegen bij Groo’va verdiend heeft.…Loom zit zij neder, roerloos in peinzen. Vóór haar op tafel haar avondbrood en het kannetje karnemelk. Plots schrikt zij op, de stem van Meneer:—Zit jij daar nog!? Het gas moet uit.…—Ja Meneer.Ze haalt de lantaren, steekt de kaars aan:—Nacht Meneer.Dan kraakt de trap, wat gestommel boven—in haar slaaphok omzoemen muggen het licht.[210][Inhoud]II.—Hè! ’k ben net naar u op weg.—Sau! Dat gebeurt je-n-auk nie te dukk’els.Blij is zij, Maandag weer te zien, en trekt een pruilmondje op zijn verwijt.—Hoe make de kinders ’et?—Best. Da’ gaat goed.Zij hoort de verandering in zijn stem, tot hartelijke, innige ernst. Hij wéét, dat zij deelt in deze voldoening! Verheugd draait zij met hem de Nadorststraat in, wacht op de vraag, die hij niet stelt, zwijgt dus ook—straks zullen zij praten.Getikt bij juffrouw Tabbe:—geen antwoord.—Da’s jammer, dan ben ze metter uijt.—’k Heb de tijd, gelukkig, venavond.—We hauren et wel as ze bauve komme.En de deur van zijn woning achter zich sluitend:—No’ fertel, wat is-t-er gebeurd?Zij lacht luid op. Die goeie meneer! Hij kijkt haar aan, of ze wàt voor gewichtigs heeft te vertellen.—Gebeurd? Niks!—Sau.Hij loopt naar de bedstee, haalt zijn huisjas.—Hoe is Grau’fa fer je geweest?—Och, nog al goed.Nu zitten zij. Net als toen, in die droevige dagen.… De kamer lijkt Geertje nòg leeger en holler; toch doet het haar goed, weer hier te zijn.[211]—Zal ik thee zette?—D’er is d’er geen.—Krijgt u die dan ook benee!?Ja, hij gebruikt nu alles bij buurvrouw. Anders wordt het leven te duur, met het kostgeld dat hij betaalt. ’t Is, nou ja, wel eens minder gezellig, omdat hij toch het liefst maar hier zit en niet onbescheiden wil wezen; zijn bakkie drinkt en dan gauw verdwijnt. Maar de heele regeling is zoo’n verbetering in alles. Buurvrouw zorgt zóó goed voor de kinders.…—Ja, en da’s no’ gekomme dur jau. Froeger ha’ me d’er nauyt an gedacht.Geertje zwijgt. Haar gemoed schiet vol. Arme, goeie eenzame Maandag; ’t eenige, dat hij had op de wereld, waren die kinders, en nou—alleen. ’t Zijn nou juffrouw Tabbe d’er kinders. Hij zit met ze aan, beneden:—als gast. Waarom is zij niet teruggekeerd? Hij zelf heeft gezegd, dat ze beter niet kwam; dat het op den duur niet gaan zou. Vreemd is hij geweest, maar ze hééft begrepen, dat hij het waarlijk liever zoo wou: om de kinders, uit angst voor buurvrouw. Toen ook hij als de anderen sprak, is ze gezwicht, en toch.… ze weet niet, is zij niet ondankbaar geweest, heeft hij het heusch liever zoo gewild? Zij durft er hem niet meer over spreken. Met vreugde opent zij haar pak.—Dan een perzik.—Maid! wa’ no’!.…—Van Groeneveld, ’et buite bij ons. Gisteren zelf van de tuinman gekrege.Hij laat de vrucht liggen.—Eet u die nou. Ik heb er meer. Voor de kinders en ook voor benee.En ze stalt uit: ze heeft er acht!Lachend:—En wàt lekkere koekjes! Van de eerste bakker in ’t dorp.—Ben d’er méér bakkers?[212]—Ja zeker, wel drie!Ze lacht. Maar opeens, met een schuldbesef. Groo’va heeft het haar gezegd: voor al zijn onkosten van haar ziekte heeft Maandag geen cent vergoeding willen aannemen. Zelfs het rijtuig, waarmee ze naar het ziekenhuis is gevoerd, heeft hij betaald. Dit moet hij hooren:—Groo’va is u nù wel dankbaar. Hij erkent zijn ongelijk.Strak laat Maandag de woorden vallen:—’k Heb ’un briefje fan im gehad.Weer is er zwijgen. Dan valt hij uit:—Fertel je no’ niks! Hòe is ’t gegaan?Geertje, traag:—.… Och.… niks.… Och zoo. Ik ben d’er tweemaal an huis geweest. Willem z’en moeder lag ziek te bed. ’k Heb d’er eene keer effe gesproke. Z’en zusters ware anders as vroeger. Of ze wat giste, weet ik niet. ’t Kan ook zijn, da’k et me verbeeld heb—’k von’ de mense allemaal anders, Domenee en et heele dorp.…—M’ar ben je-n-opgeschaute mit Wullem?Ze zwijgt. Ze kàn deze dingen niet zeggen. Waarom dringt Maandag toch aldoor méé aan, dat ze Willem nemen zal? Zij hòudt van Maandag, ze is hem zóó dankbaar, het ergert haar—en dit juist doet haar pijn—, dat zelfs hij haar niet begrijpt.—Is ’t er dus nog niet daur? houdt hij aan.—Nee! zegt ze strak, bijna vinnig; hem aanziend.Hij staat op en opent de deur. Terugkomend:—’k Dach’ da’k de kinders d’ar haurde.… En.… je nich’, was die geschikt?Ja, die was heel lief geweest. Liep haar na met melk en eiers. Een goed mensch, die ouwe nicht Bet.—Groo’va wordt oud en drommels lastig! ’En zege’ dat ie nicht bij zich heeft.—Anders mos’ jai.—Ja, anders most ik.…[213]Geertje zegt het, maar meent het niet. Ze kan zich niet voorstellen, dat het zou moeten, dat ze voorgoed met Groo’va zou zijn! Deze veertien dagen hebben al zoo lang geleken, ofschóón de tijd is meegevallen, nadat zij er tegen had opgezien van het oogenblik af dat Mevrouw gezeid had:—„Wij gaan op reis en jij met kostgeld”.… Gesnakt heeft ze soms om thuis weg te komen, en toen ze gisteren weer in de stad was, de Maas zag, de lichtjes, de masten der schepen.… ze heeft zich herinnerd: een avond met Hem, toen z’ook van huis kwam en Hij haar haalde.… en tòch leefde zij op, was blij, als bevrijd van een last: weer vrij!—’k Zou in ’en dorp nie’ meer kunne wenne.Maandag, pijpdampend, verslikt zich, hoest. Dan op eenmaal, vertelt hij, druk, van de kinders, hun leven bij Buurvrouw: Tabbe, die ook heel goed voor ze-n-is; de wichten, ze komen bij met de dag, Buurvrouw verzorgt z’ als eigen kroost—’t mensch heeft altijd naar kinders verlangd. Wanneer het nu maar zoo mag blijven:—van zijn zuster hoort hij niets.…—Zou ze nog in Amsterdam zijn?Hij haalt de schouders op:—Of dood.…Vreemd-opgewekt, praat hij van zijn werk en spot met Oom, de sigaren-kenner. En plotseling weer begint hij van ’t dorp, of ’t er niet prachtig was, nou met de zomer.Geertje verhaalt van Groeneveld, de bakken met druiven, de rozen, een veulen dat in de wei z’en moeder nasprong.—Kon Piet dat ’es zien!Maar hij nu weer:—En op Heukelman’s boerderai?Verlegen-plagerig ziet hij haar aan. Zij ziet de verlegenheid, God-nog-’es-toe! wat heeft hij haar toch daarmee te plagen!—Waarom ben u nou zoo flauw? ’t Is toch al zoo moeilijk voor me. Willem laat niet van me-n-af, nou zei ie dat ie hier wou komme.[214]—En jai, wil je niet?—Néé, netuurluk! Dat ù dat vraagt, die alles weet. Ik wil niet trouwe zonder liefde.—En kùn je niet van Wullum hauwe?—Je houdt toch niet van twee tegelijk!Ernst-stralend staren zijn oogen haar aan. Een blos toog over zijn grauwe geelheid. Hij frunnikt aan zijn pijp, vaart op.—Dar sain ze.… Wacht! ik haal se hier.Zij is opgerezen na hem. Hoog staat zij en staart in de eenzame kamer. De leege kamer, vol voor haar. Zij staart, zij kijkt niet, z’ is ìn het geheel; en toch spreken alle dingen en dringen elk met eigen weemoed. Hier heeft haar liefde het laatst gehoopt. Z’ is zóóveel ouder na al wat gebeurde.Dat voelt ze, wanneer ze maar even alleen is. Bij menschen spreekt en lacht zij mee, houdt de schijn op van jonge Geertje. ’t Liegen heeft ze nu wel geleerd. Vaakwaartvoor haar zelf de schijn door het wezen; weet ze niet, wat haar drijft, wat ze wil; waarom ze bleef, in dienst, bij vreemden.… Deze kale kamer weet het. Weet, hoe zij isafgescheurd.D’ ontroering stuwt haar vóór de bedstee. Dáár stond Groo’va en Willem naast hem. In het zwart waren allebei. Twee vermaners, twee verwijters. Zij wachtten, gekomen om haar te halen. Toen zij hen zag, heeft ze dóódsangst gevoeld. Of zij kwamen met de kist. Gegild heeft ze, dat men haar hier moest laten—maar ook Maandag gaf Groo’va gelijk. Toen is alle besef haar ontvloden, kreunend in leedhebben is zij verdoofd, enzewéét verder niets bepaalds meer—tòt, toen zij lag, strak, versuft, máár bewust, onder vreemden, niets dan vreemden, in die kamer met vele bedden, vele bedden, alle hetzelfde. Zij was blijven leven, maar alles was dood. Nu was kindje zéker dood. Als een gezwel was het uit haar gesneden, weggeworpen, of het een ding was, zonder dat de moeder kon helpen. Haar bleef enkel de rouw, en[215]de schande, waar zij aldóór over moest hooren. Want òm haar kilde slechts de vermaning van louter menschen net als Groo’va. Ook haar laatste gevoel voor Groo’va is gestorven in dat huis. In al wat daar bitste, herkende zij hem.…Met moeite doet zij vroolijk tegen de kinderen, die plots op haar komen toegejoeld. Gelukkig zijn daar de perziken. Ze kan vertellen van Groeneveld. Dan komt vrouw Tabbe met Maandag zijn „bakkie” en een kleiner kop voor Geertje. Maandag glundert bij zóóveel goedgeluimdheid. Maar de kinders haalt buurvrouw weg. Geertje geeft de koekjes mee.In de schemerende kamer hokt het gesprek. Maandag vraagt, of Geertje nog wat kan blijven. Dàn durft zij:—Weet je niks van Jan?Nog altijd kan zij er niet aan wennen, den oudere, den vriend van Oom, anders dan met „u” aan te spreken. Maar wetend dat het „je” hem plezier doet, vergemakkelijkt z’ er de vraag mee, die in haar brandde, die aldoor brandt.Hij—ja zeker, hij wéét wel wat! En dat antwoord brandt nu in hem. Heins houdt het met een van de meiden van Stevens, die het beter aanleit dan Geertje gedaan heeft, hem meevoert naar koffiehuis en kemedie, dat de heele stad hen ziet. De lust tot spreken gulpt op in Maandag. Maar hij denkt aan de kalme koelheid, waarmee Geertje vroeger zijn wraaklust gestriemd heeft; aan haar, met niets te verwoesten, geloof, waardoor, toen hij van Jan’s scharrelen repte, z’ onmiddellijk het antwoord klaar had, dat Jan daarmee trachtte haar te vergeten. En hij zwijgt, kijkt ontroerd naar haar, blozend wanneer hij haar oogen ontmoet. Aarzelend, verlegen verwijt hij:—Keu je-n-um m’ar nie’ fergaite?!—Vergete!?!Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nòg dieper weg, maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het and’re gevoel gaat.[216]Weer dekt het zwijgen beider gedachten. Tot een kleinigheid afleiding brengt. Een kind in de straat dat leelijk hoest, doet Maandag spreken van Mietje’s kwaal, die deze zomer gelukkig uitblijft; verleje jaar, net in de warmte, was ’t erg. Ook d’er moeder als meisje had ’s zomers er last van. Die d’er jeugd is door dat hoesten bedorven. En zoo’n gesukkel verklaart zoovéél. Als je alles weet, vergeef je. Bet zou niet geworden zijn die ze nou is, wanneer ze zich niet zoo had moeten ontzien en niet ontzien had moeten worden, toen zij een opgroeiende deern was. Da’s met de meeste van die meiden, waar de wereld zoo fel over oordeelt.—Ja.…, aarzelt Geertje, schuw voor de kwestie.Maar Maandag gaat er over door. Geertje, mijmerend en onthutst nu, luistert ongeregeld, hoort zenuwachtig brokken van zinnen, begrijpt niet, waarom hij spreekt van die dingen. Hij zegt, dat hij wel zulke vrouwen gekend heeft. Geertje zal het van hem niet hebben gedacht. Maar waar moest hij anders wat liefde zoeken? De behoefte dááraan steekt ieder mensch. Nijdig, woest-nijdig is hij geweest, toen hij ook bij die vrouwen enkel teleurstelling vond. Ook die toonden niets dan afkeer van hem en hij gaf er toch al zijn geld aan.—Och, ben je bedonderd, zei een kennis tegen hem, dach’-ie, dat er ooit een meid was die voor d’er lol ging met elke vent?—Maar met hèm was het nog wat ergers. Dezelfde die met andere jongens vroolijk waren en vriendelijk, deden stuursch en grof tegen hem. Dáár heeft hij heel veel onder geleden. Eens was hij met een kennis gegaan. Zij klampten samen twee vrouwen aan. De eene was een forsche bruine, groote oogen, een mooie lachmond. Luidruchtig sprak die van pretmakerij. Maar toen de andere vrouw met de vriend ging, bleef ze staan en zei geen woord meer. Eén zoo’n avond was erger voor hem dan jaren geplaag van de jongens op school. Maar daarop is hij na gaan denken. Bij al wat je met een ander doorleeft, moet je je denken in die zijn toestand. Als de menschen dat beter deden kwam er minder oneenigheid.[217]Hij dacht: die vrouw is wat beters gewéést. D’er zijn maar heel weinig publieke vrouwen de bree’e weg op gegaan uit ontuchtigheid. Zoo’n meid is, wat de menschen noemen, „gevallen”. Eenmaal heeft z’een lief gehad, die d’er de herinnering heeft gelaten van het heerlijkste geluk.—Was ’t wonder, dat ze met hèm geen plezier had? Bij die mooie herinnering?.… Toen kreeg hij nog ééns het wanhopig verlangen om toch ook dat geluk te vinden. Hij werd weer kuisch: uit verlangen naar liefde. Tòt hij begreep:—ik kan het niet hebben. Hij mocht niet, hij wou niet.… of.… zijn verstànd zèi, dat hij niet wou. ’t Redeneerde zóó, zijn verstand: Een vrouw, die wezenlijk van hem hield, zou, in de bijslaap, moeten denken: ’k wil een kind, dat op hem lijkt. Nou denk es an, zijn gelijkenis!Maandag lacht, een triest grimas. Even zwijgt hij, en gaat dan voort:De voldoening over het overwinnen door de redeneering is ook eengevoel, ook eengevoel van sterk geluk, zoo goed als overwinnende liefde. Nu leeft de geslachtsdrift in hem niet meer. Hij weet nu geestelijk lief te hebben. Geestelijk en anders niet. Probeert zelfs, niet jaloersch te zijn. Is ommers al vader, ook, van twee kinders!.…Geertje luistert, vreemd ontroerd. Eerst heeft zijn praten haar droef verbaasd. Hij, ook hij zag in haar zoo’n vrouw!? Waarom anders over die dingen gesproken?.… Toen heeft zij beseft, dat hij het zoo niet bedoelde. Dikwijls begrijpt zij hem onvolkomen, raadt naar de strekking van zijn gezegden. Maar zij vòelt nu zijn smart en zijn kracht, voelt ook wel dat hij haar hiermee wil troosten, schoon zijn gedachten haar verder ontglippen.Hij voelt opeens verlegenheid, dat hij zich zoo heeft laten gaan, zóóveel over zichzelven gesproken. En weer begint hij over zijn zus.… nou is ze zìek, verrot is d’er lichaam en ze wàs zoo’n knappe meid. D’er eerste vent ook zoo’n knappe kerel. ’En paar jaar waren ze dol op mekaar. Ook Bets-en-zijn[218]ouders waren knap. Maar ’t schijnt, dat hun grootvader heeft gezwijnjakt. Die heeft de schurft gebracht in de femielje; ’t is gebleken in ’et tweede gelid.… Twee broers en een zusje jong gestorven. En de derde broer loopt met z’en bult!.…[219][Inhoud]III.Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij vond haar nooit heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en stipheid, doordat Mevrouw zelf in alles haar best deed. Meneer was slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, niet veel te verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het overleggen. Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar kant, was inschikkelijk. Ze had „het” van Geertje altijd geweten. De directrice van het Huis had haar ingelicht: aan het Huis dankte Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:—„Je was beter maar wéér als juffrouw gegaan,” wanneer het grove werk Geertje zwaar viel; maar ze wist van de directrice, waarom die Geertje, althans voorloopig, niet bij kinders had willen doen, een dienst als deze ’t geschiktst had gevonden; en Geertje zelve verzweeg haar niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op d’er mond, klaagde zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig aantrok en als-t-ie kon maar het liefst op z’en bed lag. Ook over de Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d’er ouders waren orthedoks en zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom was en zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. „Je moet wat doen voor de vrede in huis”.… Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald van Mevrouw. Zoo had ze het gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was geraakt, doordat ze Jan[220]in de verte gezien had. De eerste keer had ze ’t niet durven vertellen, ze was toen zoo eigen niet met Mevrouw en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht betalen, wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en de rijst kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:—„Wat hadt je nou weer?” bekende ze, onder tranen, alles. Hem gezien, toen ze turf was wezen bestellen; blijven staan met een stuk in de keel, thuis ’en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis gebrand. Mevrouw had gegispt:—„Maar Geertje, meisje, een man die je zóó slecht heeft behandeld”.… och, Mevrouw begreep het niet—toch was ze blij, dat ze nu het gezeid had.Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens aanhield, schoon ze niets voor hem had verzwegen.—„Vindt je dat dan niet mooi van die jongen, dat hij zóóveel van je houdt? De meeste mannen zijn zoo trouw niet!” had Mevrouw, haar aanziend, geantwoord. ’t Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds dat gesprek, daags na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer over Willem. Trouw? nou ja! ’t jong hield van háár, maar als zij niet van hèm kon hou’en.… Niet die eerste keer zei ze dat aan Mevrouw; ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die meevoelen wou met háár!.…Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. ’t Kwam aan, toen ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een dagmeisje noodig zou wezen, wanneer de baker weg zou zijn.—Geloof je, had ze vriend’lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit zult houden? ’k Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je bent niet gewoon aan dat schuieren en schrobben. En dan met een klein kind d’erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.… Begrijp me goed, ik hou’ je heel graag, ik spreek alleen in jou belang.…Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d’er ziekte, toen de miskraam, en veel werken, nu, dat ’er zwaar viel.[221]—Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat.—Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil ’k je niet hou’e. Maar je meent niet wat je zegt. Jij vindt best ’en nieuwe betrekking. Ook wel bij kinderen, als je graag wilt. Maar ik denk aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet weg? Een goeie man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch je best en vergeet het verleden! ’t Heeft je nooit iets gegeven als leed.… Niet? Nou goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je toch niets in?!Hijkàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij kunnen wezen voor een jongen, die door al wat er is gebeurd niet in zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens niet aan jezelf, maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje, meisje, hòe menige vrouw zou alles geven voor die voldoening.…—O ja! als ze hòudt van ’en man!—Och kind, hou’en, wat ìs dat „hou’en”! Hecht toch niet te veel aan dat woord. Verliefdheden gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar de echte liefde. Om je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft niets gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.… en toen moet de mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben gegriefd. Heb je dáár wel eens over gedacht? wat die man om jou heeft geleden?—Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording schuldig. Nooit heb ik hem zóóveel voet gegeve!—Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: „door jou”, maar òm jou heeft-ie veel geleden. Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als je je volkómen vrij tegenover hem weet.… wat je bent, geen mensch kan je dwingen.… me dunkt, dan voel je toch mee’e-lij.… ik vin’ de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af, of een liefde als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij die nog niet, geen beter waarborg is voor ’en duurzaam geluk dan ’en verliefdheid, desnoods van[222]twee kanten, die in het huwelijk dikwijls vervliegt.… Denk er eens over. Ik praat je niets aan. ’k Hou je gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je stel.Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.… Mevrouw méénde het goed.… niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als Maandag en dat was een man, Maandag had zulke vreemde gedachten, maakte haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.… Mevrouw was godsdienstig, ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van Groo’moe.… Ja, maar Willem! die was als Groo’vá.… zou zijleven moetenmet Willem?.…Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden.[223][Inhoud]IV.Mevrouw is schuld aan wat nu gebeurt: dat ze met Willem door Rotterdam loopt en hij praat, als werd ze zijn vrouw.Toegestemd heeft zij in zijn bezoek, omdat Mevròuw zei: doe het toch, Geertje, je moet hem eens zien, je màg niet weigeren met hem te spreken, daarmee is ommers niets beslist.Gisteravond het eerst aan de trein!—Thuis de herrie om klaar te komen, op ’en Zaterdag nog haast! Aan kant d’er keuken, ijlings gekleed, weg, gerept naar de tram.… en te vroeg, veel te vroeg nog aan het station, waar ze zenuwachtig heeft gedrenteld, in de waaierige kou, door conducteurs vervelend geplaagd. Eindelijk hij! Ze stond achter een hekje, in een groep menschen, die opeens om d’er heen was; vóór d’er de locomotief, die aanglijdt, stilhoudt, en dan dalen er menschen, wemelen op het perron, komen, langs de trein, op haar aan.… Hij! De pummel! Ze voelt een verstijving, schaamt zich voor een juffrouw naast d’er, denkt aan verschuilen, wijkt iets ter zij, ziet wel dat hij haar niet opmerkt, langzaam naderend, log als een os.Wanneer hij, door het hek heen, rondziet, treedt ze weifelend op hem toe.—Willem!—Dag Geirtjen.Hij drukt haar hand, wendt zich, loopt lomp tegen een heer op, zij gaat hem voor, terzij àf, uit de menschen.Dan blijft hij staan en grijpt naar heur hand:[224]—Geirtjen, God he’t mien gebed verheurd.Méér zegt hij niet. Maar zij begrijpt! Da’lek, ’t eerste dat hij weet, wanneer een ander zou vragen: hoe gaat ’et? Gebelgd loopt zij door, op de duisternis toe, buiten, waar geen menschen om hen; hij komt verwonderd achter haar aan;—Geirtjen! klaagt hij, wanneer ze zich voortrept;—eerst bij het stationshek blijft zij staan. Goedig-kalm stapt hij naderbij, niet verontrust, boos evenmin. Geertje schaamt zich: ’et oude spel! Zoo heeft ze hem achter zich aan laten loopen, jaren lang, thuis—bij hem in den hof, achter de koestal om, naar de weien, èn in de school, om de kerk, daarin zelfs, ’s Zaterdags laat, onder Groo’va’s geredder. Zij voelt een moeë verlegenheid, nu zij vanzelf dit spel heeft herhaald. Monsterend wacht zij hem af:—onveranderd! tèrgend-netjes-boersch, altijd! Niets van Amerika, ook vandaag niet, zoo met een steedsch klein heerentaschje, licht gehangen aan z’en ineengedrongen lijf.—Goa we mit de trem of kuwwe loôpe? hoort ze zijn geduldige kalmte.—Niet met de trem!Die zit al vol menschen; als d’er eens iemand was van d’er kennis!.…Om lief te zijn, keert zij en loopt naast hem op; ze zijn bij de booten en naad’ren het water.… Plots’ling, o God! als een hoon valt het op haar, als een smaad die zijzelf zich bereidt: nou gaat ze met Willem als eenmaal metHem, toen Hij haar afhaalde, na de Bruidsnacht.… ’t Kàn niet! Ze staat en stottert verward, dat het toch misschien te ver is, liever de tram en——wáár wil hij heen?—Noar et losement, fur de koamer. ’t Is bèter Geirtjen, awwe dat eirst doen.… Dokter he’t mien gezeid: bij Coomans, Hoofdstèèg, wèèt ie die buurt? teemt hij verder, nu wel haar verlegenheid merkend.Wat? Ze heeft de naam niet verstaan. Hoofdsteeg? Ja, dan met de tram. En zij keeren terug naar de wagens: een leege nu, de volle is weg. Er weeïgt een schuldbewustzijn door haar,[225]een wroeging, èn een besef van onrecht, dat haar, veeleer, wordt aangedaan. Zwijgende zitten zij, wachten, wachten.… Weg! ze snakt dat de tram zal vooruit gaan, ’t is haar als werd ze van buiten begluurd, dooriemand, die het wéét, ofietsvantoen.…Slaap, na zwaar-zijn van vermoeidheid, heeft de spanning van haar verzet gebroken, en de zondagvoormiddag heeft ze kalm haar werk gedaan. Toen is Willem bij haar in de keuken gekomen; Mevrouw heeft het zoo gewild: met de koffie; dan konden zij daarna samen uitgaan.Hij vertelt van de preek die hij heeft gehoord: domenee Gobius over het licht, dat bij God woont. „God weet, wat in het duister is,”Daniël 2 vers 22. Geertje herinnert zich de tekst niet: hoe staat het woord er? en Willem verklaart; ze kent het toch wel: Koning Nebukadnezar, die eischte dat de wijzen hem een vergeten droom zouden vertellen en Daniël wie in een nachtgezicht de verborgenheid werd geopenbaard.… O, is het dat! de droom van het beeld met de voeten van ijzer en leem.… Ja, nu weet zij, nu is zij er in—die droom, zij houdt juist zooveel van de Droomen—de Droomen en Jezus’ Gelijkenissen.… Willem is vòl lof over de preek: Domenee moet een godvruchtig man zijn en die de gave heeft van het woord.Mijmerend hoort zij Willem aan; er komt een zondagsstemming om haar: dit is het goede-van-thuis, wat zij miste. Blij ootmoedig luistert zij toe; schenkt hem koffie bij, dienstwillig; is dankbaar voor de rustige eenvoud, waarmee hij in de keuken vertoeft en niet ongeduldig wordt, wanneer zij met koffiewater, en om hun boterhammen te halen, kort opeen naar boven moet.Gisteravond is hij haar meegevallen, toen hij zonder verlegenheid, kalm-flink als een man die gereisd heeft, àlles vroeg, van de prijs en zoo, over zijn kamer in het hotel. In haar heeft beschaamdheid gevleugd, over haar dienstmeid-zijn, haar keuken.… Hij gedraagt er zich nu heel netjes, of haar toestand[226]doodgewoon was; vroom is hij vervuld van de preek.Weer belt Mevrouw, weer moet zij weg; ijlings schenkt zij hem nog wat koffie. Mevrouw vraagt, of Geertje, voordat zij uitgaat, de keukenkachel nog wil aanmaken en er voldoende kooks in leggen, zoodat Mevrouw er niet naar hoeft te kijken, voordat zij de groente opzet.—En dan ga jij je gang maar, hoor!—Zal ik niet komme anvege, Mevrouw?Mevrouw knikt van neen.Meneer, die uit het raam staat te kijken, keert lachend zich om:—Je mot je vrijer niet zoo làng late wachte!Geertje wendt zich verlegen naar de deur. In onthutste tasting vindt zij de knop. Er snikt een droefheid om onrecht in haar. Waarom zegt-ie dat nou, want hij wéét! hij kent, als Mevrouw, haar geschiedenis; wat sart-ie haar dan met zijn grappigheid, wat had-ie brutaal haar aan te kijken!.… Opeens is het mis in haar, weer het verzet, weg dat vredig, gezellig berusten,—„vrijer”, ook niet als aardigheid, ze kàn het niet hebben, spot met haar liefde.Willem is in haar afwezigheid van plaats veranderd. Zijn stoel stond tegenover de hare aan de tafel, met de rug naar de muur; nu zit hij tegenover het raam. Waarom? Wat moet dat! Hij zoekt in z’en bijbel. Weifelend gaat zij achter hem om.—Geirtjen—en terwijl zij gaat zitten, schuift hij pratend zijn stoel naderbij.—Zou dàt nou geen Godsbestier wèze, da’k van marrege juust over disse tekst most heure? Zie, da’s toch wat anders as toeval. God hèvt ons indachtig wille moake, dat Hij wist wat was in et duuster. Wij kleingeleuvige, we hebbe gewankeld as Petrus, we hebbe geroepen: Heere, behoud mij, moar God die alle harten doorzuukt, die het hart doorgrondt en de niere pruuft, Hij wist wat goed veur ons was. Onnaspeurlijk binne zijn wège, deur veul duusternis moste we goan, mor Hij wèèt wat er is in et duuster en mit de Psalmist magge we nou toch zegge: Welgelukzoalig wiens[227]verwachting is op De Heer.… Wo’ kiek je vrèèmd, woat is-t-er Geirtje?Wat er is! Hij is daar vóór d’er; laag gebogen, de elleboog op de knie, houdt-ie haar zijn harde rooie kop met verschoten hondenstoppels voor, en uit de bloeddoorloopen maar fletse vischoogen, die smachtend en zwemmend-in-vromigheid naar d’er opzien, staart van dat kaalgeschoren snoet toch ook de starre zelfingenomenheid van zijn moeder haar aan.—Da’ zeuj me toch motte toegève. We hebbe gedwoald uut wankelmoedigheid, deurda’ we niet vertrouwden op Hem. Hij hè’t ons gevoerd langs donkere wège. Hij wist wat er was in et duuster. Al die bepruuvinge woare neudig. Ik ben noar Amerika motte goan en jij hier noa Rotterdam. Wat gebeurd is, most gebeure. Da’ geleuf ie toch ook wel Geirtje?Hardvochtig-koel laat zij vallen de vraag:—En wat weej nou daarmee zegge?—Wa’k doarmee zegge wil? Geirtje, da’s toch gemak’lek te roaje!.… Da’ bij God et altied vast-sting, da’ wij man en vrouw zoue worde.Terwijl hij de laatste woorden zegt, tast zijn grove hand naar de hare. Zij ziet het geelbehaarde, sproetige vleesch met de onverzorgde stompvingers. Zij voelt ze.… en ze slaat van haar af, haar vingers tikken, meppen de zijne; achteruitwijkend vaart zij op en loopt met een wijking achter hem om.—Ik zal jou dan ook wat zegge, ook gemakkelek te raje. As je nie’ ophoudt mè’ je gezeur, ’k heb je gistere-n-ook al gewaarschouwd, dan ga’k vemiddag nie’ mè je uit. Goed begrepen? ’k Zeg et nie’ boos, maar hou et je dan nou voor gezeid.Wel ja, hij dee net as een kind. As met ’en kind moet ze met ’um doen. Verder et zich niet ’antrekke. Eéne middag—zal gauw genoeg om zijn. Lam, dat-ie ook venavend nog blijft. Maar netuurlek, zoo’n vrome man, die zit niet in de[228]spoor op Zondag. Laat zich bedienen in ’en hotel, maar reist niet vóór Maandagmorgen!Haastig heeft ze zich gekleed. D’er ouwe zwartje, niet de nieuwe. Niks van opschik met Willempie!En zonder eind hebben zij gekuierd.—Jij wil ook liever buiten de stad?Ze heeft zich gehaat, toen ze dat aan hem vroeg. ’t Leek, of ze met hem alleen wou wezen. Maar ze dorst in de drukke straten niet blijven. ’t Huis in de Oldenbarneveldstraat uit, is ze het Tuindersstraatje geloopen, de Aert van Nes bang overgestoken, het Mauritsstraatje en toen de Kruiska. Op de Diergaardesingel is haar angst gezakt. Terwijl ze in de vredige vroolijkheid van de zonnige herfstdag, tusschen verre weien liepen, een onbestrate rijweg langs hofsteeën, waar Willem zich over veel verbaasde, dat anders was dan in Gelderland; heeft ze hem aan de praat trachten te houden met telkens door te vragen over toestanden in Amerika. En hij heeft die herinneringen iedere keer afgebroken door te willen praten van zijn liefde. Zij wist wel, waarom hij terug is gekomen: aan het andere eind van de wereld, was hij met zijn gedachten hier. Ook was ’t haar bekend, waarom hij gegaan was—alles om haar, alleenig om haar. Gedrensd heeft hij zijn liefdesverwijten. Toen heeft zij er dan nog maar iets op geantwoord.—Waarom bederf je de wandeling? ’k Heb in zóó lang niet ’es gekuierd.—’k Bin tuch hier om doareuver te sprèke.—D’er valt daar nie’ meer over te spreke.—Woarum hei’j me dan loate komme!Ja, waarom, waarom! waarom!?Haar heeft dat waarom verwijtend gemarteld. Omdat ze nooit weet wat ze wil; dan naar die luistert en dan weer naar die! Maar zijn stugge koppigheid is kalm na een poos[229]opnieuw begonnen: zij mocht nu nog weifelen, maar God wou ’et. Hij die weet wat er is in het duister. Zij wáren een paar in Zijn Raadsbesluit.Op de terugweg zijn ze in een tuintje gaan zitten, waar hij twee glazen melk heeft besteld. Neergesmakt is zij op het stukkende, wippende stoeltje, verstramd en verstompt van zóó lang loopen. Wanhopige haat heeft er in haar geflitst, toen hij wel geen bezwaar maakte, maar toch smalend iets zei van: „Op Zondag”, na haar vragen om dáár wat te rusten. Ze konne’ toch de godgansche dag niet op de been blijve: waar wou ie dan heen! hier of erge’s anders.… Nou, ’t was hem ook goed; maar wat nou dat zitten betreft—hij had gedacht, dat ze naar haar Oom zou’en gaan; dat had hij ook aan haar groo’va beloofd.—As je d’ar gaat voor de stichtelijkheid! heeft ze geschimpt. Maar haar een biet! Als hij naar Oom wil, dan naar Oom.Daar hebben ze slappe koffie gekregen en oneetbaar-hard-brood met gebakken spek.En in haar wrange gemoedsstemming heeft ze schik gehad in Oom, die vriendelijk dee’—natuurlijk om Groo’va. Waarom had-ie dàt niet geweten! Geertje kwam ook nooit meer ’es ’an. Anders zou Tante natuurlijk hebben gezorgd voor ’en betere ontvangst. Maar zij plachten om één uur warm te eten. En nu was er niets anders in huis, en net op Zondag, je kon niks krijgen.…Zoo heeft Willem met traag geduld op de hompen brood kunnen kauwen en de breede eelttoppen van zijn vingers-als-stokken plomp naar de niet stuk te snijden slierten van het krullende, druipende spek laten grijpen. Zij heeft zich met koffie gevuld en is een paar keer naar achter gemoeten, in de beenen het lood van de kuier. Ze heeft gedacht aan het groote hotel, waar Willem zijn kamer heeft en niet gaat eten; waar ie haar voor de maaltijd zou hebben gebracht, als-ie een heer, als-ie.… Jan geweest was.Alles in haar schreit weer om Jan.[230]Zij beseft nu ook, wat haar heeft bewogen, naar Mevrouw d’er raad te hooren, Willem hier te laten komen. Op het oogenblik, dat zij bij Oom d’er mantel aandeed om met Willem naar de avondkerk te gaan, is een buurvrouw, die de helft van de verdieping boven Oom’s winkel bewoont, met ’er kindje binnengekomen, een jonge vrouw, met een zuigeling en blijkbaar alweer in verwachting. Bij het zien van dat moedergeluk, heeft Geertje geweten: Mevrouw d’er blijheid in het vooruitzicht van d’er bevalling, Mevrouw, die toch ook niet gelukkig getrouwd is, heeft haar doen peinzen:—Als het eens kon, Willem z’en zin en ik ’en kindje.…De preek is langs haar bewustzijn gegleden. Weemoed heeft er in haar gebeefd; ze wàs in de kerk niet, maar Thuis-in-het-Hang.… Toch is zij geschrikt van het weer-op-straat-zijn.Zij gaan nu nogmaals samen naar Oom en nog loopt hij te zaniken. Straks op de Hoogstraat had-ie een grap. In de menigte nam hij haar arm en toen zij die los wou trekken:—„’k Loa’je nie’ los.… Nooit loa’k je los.… Geirtjen, begriep ie wel, ’k loa je nóóit los,” met ’en nadruk, nog eens ’et gezegd: ze had ’um ommers al lang begrepen. Hè, en zijn lachen, dat leek toch zoo raar, dan zag je z’en oogen niet, enkel zijn mond, een groot gat gore brokkeltanden, en d’er was niks vroolijks ’an ’um, vroolijkheid kenne ze niet op de hofstee; dat ie nòu lachte was om haar, ’en verlegen mislukt perbeeren. Ruw is zij van het trottoir gestapt, zoodat de menschen tusschen hen drongen; en in de Pessage, in de volte is zij hem aldoor vóór gebleven, uitwijkend vlug door de menschen zich schuivend.Op de Coolsingel ’en andere toon:—Woarum gèèf je mien nou gèèn ârm? ’k Loa je toch nie’ los, heur Geirtje. God hèvt ons voor mekander bestemd. Dat hèwwe toch allebei altoos gewète. Aw m’or èènmaal getrouwd binne! ’k Wéét wel wa’j nou tègestoat. ’t Is da’ boerse-n-in me, joa!.… Och, jij bin dat nou ontwend. M’or je[231]bin toch van geliekke komaf, joa, je groo’moe was krek as wijlu.God, zoo’n gekle’s! Hoor nou toch es an! Hè, zoo’n zelftevreden wauwel! Snel wijkt zij uit voor de menschendrom, nu loopt ze vrij, maar nee, daar is-t-ie, dringt naast d’er op, nou houdt-ie d’er vast, z’en lauwe greep omknelt haar elboog.—Laat toch! maar hij blijft aan d’er zij. Ze schuifelen, door menschen omdrongen, voort. De lucht is doorsproeid van heel licht grijs. Om haar, in de wemeling van donk’re gestalten en fletse gezichten, plekkeren aanhoudend kleurvlekken op; in ’t grauw-sombere krioelen onderscheidt ze, met soms een scherpte van gelaatstrekken, vormen, die verdoft kleurpralen, van hoeden, veeren, mantels, kostuums. Zij loopt in d’er sjofele zwartje, met de vaal-verschoten voorbaan. En naast ’er is-en-blijft d’er boer. Móói paar, zullie tusschen de steedschheid. Echt twee zielige pummels van buiten.Nu komen zij onder ’t elektrische licht, plots in een schaat’rende helheid als dag. Zij wil niet naar binnen kijken bij Soesman, want je ziet ’er jezelf in de spiegels. De menschen omdwarrelen haar als bij dag, sjieke toiletten ruischen langs haar. Tartend omstuift haar het zondags-gepronk en maakt haar ongeduldig-verlegen..… Nèt zukke reclameborden met namen en gekleurde figuren stingen hier vóór Tivoli, de Pinkstermiddag, toen ze met Oom en Tante hier over ’t Singel ging, van Oom z’en huis op weg naar ’t Hang: toen zij Jan voor ’t eerst gezien he’t.… De herinnering sláát haar geest neer. Machteloos ondergáát zij op eenmaal de drukte. Willem blijft naast haar, hij hindert haar niet. Vanmiddag en straks in de Hoogstraat weer en net nog aan het begin van ’t Singel, dorst ze niet loopen, haast, vreezend aldoor, dat ze, opkijkend Jan zou zien komen, plots hóóg voor d’er met z’en spotlach: zij zóó gekleed en d’er botterik naast d’er. Maar nu geeft ze zich gewonnen. Wat is zij? ’en boerenmeid! Ze hoort niet tusschen al dit steedsche. ’t Maakt ’er verlegen, verrukt ’er, bedwelmt ’er. ’t Is wat ze wòu.… maar het wìl niet van haar.…[232]Oom’s sigarendépôt is op het Strooveer. Bij het binnenkomen schrikt ze. Een klant, een lange heer—als Jan. ’t Is Jan niet! maar toch is ze geschrikt. Bedeesd treedt ze langs de toonbank naar achter, zwijgend Oom groetend, die druk doet, niet ziet.Tante zit achter, gelukkig alleen. Even later lawaaiigt Oom binnen. Zie je, dat doet ’em nou plezier. ’t Heeft hem vemiddag zoo drommels gespeten, dat hij niks had om te preseteeren. En overdag was ’et hier zoo donker. Nou met ’et gas ’an, vroolijk hè? Ja verlichting, het eerste vereischte! Daar hadden ze bij hun in ’et dorp nog geen kaas van gegeten. Willem rookt toch?—Toe, steek es op! Zwaar of licht, naar ieders verkiezing. Die?.… Willem doet niet an afschafferij? ’En glaasje wijn, dat mag ie niet weig’re.—Vrouw, haal jij ’s ’en flesch wijn uit de kelder.Geertje heeft schik in de kemedie. Kelder! Ze hebben niet eens ’en kelder! Nog geen kolenhok is d’er benee.Tante gaat ongesjeneerd naar de kast en neemt de flesch die Geertje ziet staan, hoog-alleen tusschen kleinere dingen. Maar Oom:—O hàdt j’al uitgekrege?Onverstoorbaar, z’en grootdoenerij. Nu vraagt hij Willem wie er gepreekt he’t. Goed?—Ik ken ’em niet. Zei je De Valk? Ja, d’er ben hier zoo’n hoop domenees. Da’s niet as bij jou: aldoor een-en-dezelfde. En ik kom niet vaak in de kerk. Met de zaak, ik kan d’er niet uit! We mòtten ope blijven op Zondag, heel den dag, om de konkerensie. Afijn, ’t gaat me goed, nou, ja! daar niet van!Werkelijk is er weer iemand voor. Oom is er al heen en Tante schenkt wijn in. Hoe komt zij aan die nette glaasjes? Zes gelijke op een blaadje. Zeker gauw ergens wezen leenen. Ze hebben weer vrienden: een nieuwe buurt. Zoo kort als het duurt, is Oom het heertje. Nou redeneert-ie tegen de klant. Och, hij is toch eig’lijk ’en stakker.[233]Alles om haar maant tot ootmoed. „Wee den hoovaardige”.… zij met ’er trots! Ze mag zich niet ergeren aan Willem z’en boerschheid. Zelve is ze ommers niks beter! Moet ze-n-’em némen?! Ze kan niet, nòg niet. Ze heeft ’em vandaag wel afgesnauwd. Afmaken, heelemaal, zal ze ’t niet. Maar evenmin krijgt ie d’er woord! Ze heeft nou gedáán, wat Mevrouw van d’er wilde. Als ze bij Mevrouw maar mag blijven. Nergens anders voelt ze zich veilig. En als dan van ’t winter het kindje komt.…Tante heeft ook haar een glas wijn voorgezet. Het eerste slokje vond zij aak’lig. Maar nu heeft ze nog eens geproefd. Nu kittelt de tinteling haar rozige loomheid. Als ze durfde, dronk ze ’t leeg.Hoe vaak heeft Jan d’er wijn opgedrongen. Toen gaf z’er niet om, vond het haast iets gewoons. Al de rijkelijkheid leek haar gewoon. Of zij er in hoorde.… Ach, die roes van geluk.Aan de achterkant van de kamer gezeten, kijkt zij in het licht van de winkel, dat goudfonkelt door de zevende vitrage.Oom is teruggekomen en praat nu druk tegen Willem, die rustige, langzame antwoorden geeft, blijkbaar op zijn gemak, tevreden dat zij hierheen zijn gegaan. Nu en dan let zij even op hen, maar telkens trekt haar die zeving van licht, ’t wit en het goud; en mijmert zij weg.Al zou ze Hem nooit meer zien.… zeker zal ze niets meer van hem merken, en dat is toch ook maar beter, zij wéét zich verouderd van al het getob, ze vòelt zich zoo òp soms en hij, met zijn spotlach …; al zal ze misschien Hem nooit meer zien, altijd haar best doend om Hem te ontwijken—eeuwig, tot in de dood staat Hij vóór haar, zooals nu, dáár, zijn hoofd in het licht.Door Hem heeft zij Geluk gekend en geen wreedheid kan ’t haar ontnemen. Neen, ze haat hem niet, haar Jan, al wéét ze nu, dat zijn liefde niet duurde. Hij is voor haar Heel-de-Wèreld geweest, heel de wereld in licht van geluk.[234]Daar heeft Oóm d’er ingeschonken. Nou, graag wil z’en tweede glas. Jan heeft ’er wel ’es drie laten drinken, wel ’es vier.… Ze lacht:—Dank u wel.—Toen, die avond.… Sefie na’ bed, och wat dee-t-ie toe’ uitgelaten, zij wist op ’et laatst nie’ meer waar ze was.… en hij keek er m’ar ’an met z’en spotlach.… Hè nee, zóó wil ze Hem nou niet zien, enkel het Gezicht dat ze liefheeft. Die avonde dat ie ’er wijn opdrong, zijn d’er gelukkigste niet geweest. Later was ze te rampzalig, alleen met ’er angst na de opwinding. Gelukkig is ze de dagen geweest, de lange uren van stil om hem heen zijn, bezig voor hem en zijn kinderen; of als ze hem zag, wanneer ie thuiskwam, rood van de drukte,klevveren blij.… As hij maar niet getrouwd was geweest, as hij van haar was blijven houden.… As is ommers verbrande turf,as.… dan had ze-n-’em niet gekend. En dàt geluk ontneemt men haar nóóit—zoo’n man, zoo mooi, zoo groot, zoo krachtig, zoo knap, zoo kranig-en-flink in alles, zij had zich zóó iemand nooit gedróómd, och, wat had zij vóór hem gezien, zij metter pretensies, ’en boeredeern.….… Hè? Ja. Tante heeft gelijk, kwart vóór tienen, het wordt haar tijd.—Nee’, die is goed! Oom met:—Nog ’en glaasje?—en d’er is niks meer in de flesch!—Ik neem graag ’en klein grokje na, grok van klare.… Kom Heukelman!Heerejee, die poerem van Oom toch! Zij? gut ja, daar staat d’er glas nog. Met ongrage teugjes krijgt zij het leeg. Dan kunnen zij gaan.—Tante, wel bedankt.—Ja, netuurluk, veel groeten ’an Groo’va, daarvoor heeft heel de kemedie gediend.Rillend krimpt ze terug voor de kilte. ’t Zondagavondgeherrie woelt op ’er los. Uit de watermist van het Strooveer komen ze op de vreemde, boomoverhuifde wijdte van het Hofplein met aan alle verre zijden fel lichtgeplek.Ze loopt met neergeslagen oogen. Als ze Hem nèt nog ’es tegenkwam! God, het zou toch vreeselijk zijn. Zij wil Hèm[235]teminste niet zien. Hè, die wijn, dat tweede glas, ze heeft het veel te gauw opgedronken. En opeens nou al die drukte. Angstig stijgt ze, de hooge brug op. Weemoed weekt in haar:—daar, rechts af, benee’, hoeveel leed maar ook hóeveel geluk heeft ze, in het op- en neerloopen naar de Simonstraat, doorleefd. Nou is er niks meer—uit en leeg.…Hu, gauw voort.… Willem? Daar loopt ie. Ja, hoe komt die in z’en losjement? Met de trem! zij brengt hem niet weg, niet de heele stad nog door! ’t Liefst was ze de Kruiska afgeslagen en dan stil de kleine straatjes. Maar nu legt zij hem de weg uit: hier aan het eind, hij weet het wel, dan ontmoet hij de trem van het Park. Zeker, hij weet het, hij kent de weg al, ze hoeft zich niks benauwd te maken. En werkelijk, wanneer ze de Aert-van-Nes ingaat, vraagt hij:—’t Is toch disse stroat niet?Zij antwoordt, dat het korter is, zoo. Beverig, maar niet ongerust meer, loopt zij kalm naast hem voort.Doch nu begint hij weer te praten. Daar straks, bij d’er Oom, heeft-ie niks willen zeggen. ’t Benne bijkans vreemden voor ’em. Maar welke boodschap moet-ie morregen overbrengen ’an Groo’va? Den ganschen dag benne ze samen geweest en toch is-tie niet verder metter, en hij heeft er zoo zielslief.—Geirtjen.…Forsch slaat hij zijn hand om haar middel.—Willem, bei je gek?!Driftig draait ze zich los.Ziet ie dan niet! daar is de kemedie. Ja, de lichten branden nog laag, je ziet wel geen mensch, maar wàt mankeert um!.…—Nou dan!Nu steekt hij zijn arm in de hare, trekt haar voort—woest duwt ze hem af. Woest, ìn een plots’linge aanval van woede, van vlijmend leed gevoelen en wrok, doordat, net toen hij weer tegen haar aandrong, zij naast de kemedie, griez’lig alleen, een vrouw herkend heeft, die dikwijls daar staat, wanneer[236]zij ’s avonds hier langs met ’en brief moet, naar de bus op de hoek van de straat.Dàt, dàt meende Maandag die avend, in dat akelige gesprek! O, wat is ze nou hem dankbaar voor die les, die ze nou begrijpt! Nèt zoo gemeen as die vrouw zou ze doen, door zich zonder liefde te geven! Willem d’er man, hij ooit an d’er lijf!.… Hu, ze stikt! Nooit, nóóit, nou weet ze ’t! Zij, die het Gelùk gekend heeft—en dan zonder liefde te trouwen.—Willem, brengt ze uit, et.… kan niet.… ’k Weet et nou zeker.… ik kan et nie’ doen.…—Geirtjen!Ja God, hij ìs te beklagen. Maar zij zelf dan?.…—Toe, dring nie’ meer an. ’t Spijt m’en, ik weet da’ je veel van me houdt, meer.… as.… iemand ooit gedaan he’t.… Maar ìk hou nog àltoos van hèm, ik kàn van geen ander houwe.… Och nee, zie je wel? Hou je nou kalm! ’k Moet ’et je zegge. Toe, ga terug. Ga jij nou na je losement.…Voordat de ontstelde haar doen begrijpt, is zij, de duisternis in, ontvloden.[237][Inhoud]V.Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar genomen, ’t vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.… en zij tweemaal:—Tot ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante zijn niet gekomen.Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar’ liever weggebleven. Ze hebben zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij, wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet niet mee—soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij, maar nu.… verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten—en zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger, heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als een koopman, met geen ander doel dan winst, nee’, ’t was niet alles om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan![238]En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij zich reppen moet naar het lokaal—is Zij vertrokken, voor altijd heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over.…Nu is de trein al haast in Capelle.… Gek, die hij is! Of hij mee kon leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis zijn; Groo’va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen, niet verheugd.… En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit iets zien zal.Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal z’ er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt is ze d’er geloof in de menschen. Te rouw is d’er gevoel getrapt.—Ik deug enkel nog voor tante.—Pijnlijk-lachend heeft ze ’t gezegd, toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie.Heukelman wéét nu. Die laat ’er met rust. Zijn zusters zullen met norsch-doen hem wreken.Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school kwam? Groo’va krijgt nou wel z’en pensioen, maar het nieuwe personeel zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch’lijker boer vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit.Dat dìe wreedheid d’er niet is bespaard! Die vuile tang van een juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst![239]Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje’slangeziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat Geertje heeft moeten lijden.Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn leven niet.—Ma’k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!!En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt niet! Meneer in de nacht opeens voor d’er bedstee, terwijl z’en vrouw boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z’en gepraat:—„Me vrouw is as steen zoo koud, maar jij!”.…Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche teef, zijn de mannen d’er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou naar d’er dorp, sluit zich op bij d’er dorre ouwe, als een wereldsche roomsche in ’t klooster.Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft, om, Mevrouw terwille, te blijven. ’t Schandaal had dat mensch d’er dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met ’er kindje. Die voldoening neemt Geertje mee—en dat de „meneer” zich drie maanden koest hield.Maar wat hééft ze doorgemaakt—nog zoo jong en zoo kort d’er dorp uit. Geest’lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.… Och hij, met z’en jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met het één’ge gevoel, dat een mensch z’en leven mooi maakt. Dat heeft ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein’ge getrouwden zeggen ’t er na!Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al die boompjes. Lente.… Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een blijheid-met-weemoed om dit haar geluk.Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met ’er pakhuis teksten: één tekst heeft ze waarlijk geléérd: „Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten.”Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven[240]is mooier geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd slijten daar niet aan af.Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water, mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij hun vrijheidslied mee.
VIJFDE BOEK.[205][Inhoud]I.—Goeie nacht!.…—Nacht Geertje.…Ze hebben haar wel te rusten gewenscht, Meneer en Mevrouw, zonder haar te zien, zonder dat zij hen gezien heeft. Elken avond net hetzelfde; als slot van de dag de kille plichtpleging op de mat, waartoe de groet, die zij aanvankelijk in de kamer kwam brengen, al gauw is afgesleten. Maar waarom zou zij beters verwachten? Mevrouw is vriendelijk, nogal geduldig. Meneer zegt nooit iets, alles is goed.In de donkerte kraakt de sousterrainstrap, kraakt nog eens, dan staat ze beneden. Van de straat komt dof gerucht. Hier aan den achterkant leeft zij begraven. De stilte verschrikt slechts haar eigen geluid, òpschrikkend vlak achter haar. Door ’t korte smalle gangetje—de deur van de logeerkamer, die de voorhelft van het sousterrain inneemt, voorbij—gaat ze tevens langs de deuren van het kolenhok en van haar kamertje. Dan is er de open deur van de keuken. Daar glanst de tegelwand onder de gasvlam, glinstert de pekel boven de gootsteen; er lauwt een lucht van gebraden vet. De keuken is laag en niet groot, toch hol; in de bedomptheid schaduwt het nog. Vlak naast de vlam snijdt het langwerpig-vierkante licht-en-luchtgat den muur juist boven de keukentafel open. Er kunnen twee matglasramen tegen gezet, maar die liggen op de glazenkast. Dag en nacht blijft het gat geopend en dringt er lucht door tusschen de tralies, aan de buitenkant in de muur opgezet. Een van haar eerste avonden, in Juni, heeft Geertje tusschen die tralies donkere, heel kleine oogen zien fonkelen, en met[206]een schreeuw is ze opgevaren, heeft de ramen gegrepen, in ’t gat gekletst, waarna ze rillend is blijven staan. Mevrouw heeft haar tot kalmte gebracht: geen rat, geen muis komt ooit hier binnen. Gerust is Geertje sedert nooit, maar de lucht! er moet wàt lucht zijn! Ze weet toch al niet hoe te doen van benauwdheid. Als de lesjeerkamer openmocht, de deur en de ramen, dan kwam er tocht. Maar Mevrouw in d’er nettigheid, kan je begrijpen!—„Geertje, nee’, geen keukelucht, waar me logées later moeten slapen.” Muf blijft de kamer aldoor gesloten en zij hier achter, ze walgt soms, ze stikt.Het is of de avonden ’t ergste zijn. Wanneer, vroeg, duisternis valt door het lichtgat: het verlaten, trieste plaatsje, waar over-dag ook nog wel eens een stem plotseling door de stilte heen ketst of ’t gerucht van een bezigheid schraapt, hooger en hooger oplost in schemer, zoodat Geertje, even het hoofd vóór de tralies, met verbazing ziet, dat de hemel nog licht is; dan draalt zij, uit vrees voor meer hitte en voor muggen, maar eindelijk laat zij het gaslicht ploffen en angstigt nu de nacht tegemoet, de looden-loome, niet-koelende nacht. Haar eenzaamheid is een gevangenis van opgesloten-benauwing, een lauwe broeiing, zonder uitweg.Waar de stoving het ergst is, moet zij slapen. Op het vensterlooze vertrekje, in den dooden hoek van het sousterrain, waar het plaatsje heeft opgehouden, is de ruimte voor het nog donkerder kolenhok uitgespaard; achter het hok donkert hittig haar bedstee.Zij aarzelt nu in de keuken rond, valt eindelijk neer op de stoel bij het luchtgat. Ze snakt naar lucht, èffe, vrij in de lucht!Maar Mevrouw heeft ’er een standje gegeven, toen ze eergisteravond, nadat ze de gerepereerde laarzen van Meneer had aangenomen, aan de deur was blijven staan.—Dat past toch niet. ’k Dacht dat jij dat wel wist.Uitgaan mag ze, op d’er avond. Maar ze wil de straat niet meer op. Schuw is ze van de straat, van de menschen. Schuw—deze kelder is óók een toevlucht.[207]De laatste Juni is ’et gebeurd, toen ze net een week hier in huis was. Ze dacht aan niks as an d’er werk, ’t viel toch al zwaar, zoo derekt op ’er ziekte. Te zwak was ze, om verder te denken. Dit mo’st nou, dit had ze zelf zoo gewild.—Mevrouw was goed voor der, zij dee d’er werk: geen hoofd had ze meer voor prakkezeeren. En daar is zijHemtegengekomen!De grond heeft niet gedeind, de straat heeft niet gedraaid; ze zag hem opeens, en had ééne gedachte: dat ze doorloopen moest, gewoon doen.Het oogenblik zelf was het moeilijkste niet. Toen hij voorbij was, brandde de smaad: luisterend naar de heer met wie hij liep, had hij glimlachend, met lachóógen naar haar gekeken, haar áángekeken, vlak in het gezicht, niet gegroet, gekeken—hòe! De pijn is als een brandwond geweest—die voel je evenmin da’lijk het ergst. D’er twee boodschappen heeft ze kunnen doen. In de winkels àl gezeid wat ze moest. Toen is ze in een roes naar huis gesneld, heeft boven de antwoorden opgezegd en hier benee is ze weggeschuild in een verlangen van: niet meer hier weg, nooit weer de straat op—de straat-met-Hèm.…Maar de nacht, toen ze lag, onmachtig, onmachtig in droomen, niet wetend, op ’t laatst, of zij droomde of ijlde of dacht!Angstig, moe, was ze ingeslapen, diep in de bedstee bang zich verbergend. Maarrauwna het zoete wegzijn in slaap, is zij, al in de voornacht, ontwaakt, niet wetend, waar was zij!? nee, duisternis, nee, zij was niet meer ziek, zij lag hier in ’er bedsteê—gedróómd had ze, van die zaal, met Hem.Ze is, half overeind, op haar elleboog gaan steunen. En àlmaar heeft ze geprakkezeerd:—voor het éérst met de meening der anderen mee. Met Oom en Groo’va en Tante en Maandag en Willem en Dominee Gobius, die, ieder op zijn eigen manier, haar tegen Jan hebben opgestookt. Gepriemd zijn hun woorden haar door het hoofd. Jan is dit en Jan is dat, haar heeft hij ongelukkig gemaakt, liefde nooit voor haar gevoeld.…[208]Ze heeft niet gehuild—slechts geprakkezeerd, àlmaar vóór zich die oogen, die oogen, spottend-vroolijk, lachend haar aanziend!Tot zij, in de broeiing der bedstee, gerild heeft van moeheid, is ingeslapen.…Toen zij ontwaakte, was het nog nacht.Onmiddellijk is zij klaar wakker geweest, in een gevoel, of een lichaamspijn haar uit de slaap had weggetrokken. Maar zij wist ook dadelijk: het onherstelbare deed haar lijden, iets veel ergers dan pijn aan het lichaam. Dat onherstelbare wàs er al; zeker. Weken lang had ze zich opgedrongen, dat ze ’t vergeten zou, dat ze vervuld was met andere dingen:—eerst met de vraag waar ze blijven zou, toen met haar dienst. Maar die nacht was het weergekomen.Hij had haar niet lief. Waarom toch niet! Was ze niet knap genoeg? niet vroolijk? Wat kon hij tegen haar hebben gehad? Dat hij nu keek, of hij met haar spòtte!.… Om de miskraam? Nee! dat niet. Zóó slecht was hij niet, haar Jan. Trouwens, naar ’t kind had hij nooit verlangd. Integendeel, juist toen ze zwanger bleek, was hij minder van haar gaan houden. Hoe kon hij dan nu zóó tegen haar doen?Twee gezegden, beide van Maandag, hebben telkens haar denken gepijnigd.—„Heins is geen man die zich hecht ’an ’en vrouw, an jou zoo min als ’an een ander.”—„Dach’ ie dat je z’en eenige was; vraag es met wie-d-ie ’et nou weer houdt!”Zou het waar wezen? Zou hij zóó zijn?Een gulp van afgunst heeft haar doorwoeld. Strak in de duisternis staarde haar blik.… Op haar elleboog ingesoesd is zij.Toen, in die nacht, is dat nog gebeurd. Zij heeft hem weergezien in de slaap. De droom bracht hem tot haar, den man dien zij liefheeft—dien zij eeuwig beminnen zal. En ellendig is zij ontwaakt.[209]Of ze dronken geweest was, trillend, beverig, heeft ze gesoesd op haar dag-werk. De kamerschuier schoot uit haar hand, een haak van ’er mouw hechtte in de vitrage en trok daar een lange scheur, bij het dekken voor het ontbijt viel de kaasstulp op de grond.Toen wist ze niet meer en kon ze niet meer, en wezenloos is ze gevlucht naar de keuken.Enkel hier, hier stil alleen, heeft zij rust, is zonder angst. Zoo dankbaar is zij voor deze dienst! Waar had zij anders moeten blijven? Bij Maandag kon niet, ze wou niet bij Oom, dus toch weg? met groo’va mee? Willem drong aan en Groo’va vermaande. Hier, nu ze werkt en verdient, is ze vrij. Als het nu maar gáát met ’et werk.… Hier voelt ze zich veilig voor Oom en Tante. Zij wil daar niet heen, die schijnheilige duivels, ze hebben haar zóóveel leed gedaan, en nog is het steken en striemen, telkens kwaadgespreek van Jan. Laffe afgunstigen, domme tobbers. Oom nou met z’en sigaren-depôt, dat hij met liegen bij Groo’va verdiend heeft.…Loom zit zij neder, roerloos in peinzen. Vóór haar op tafel haar avondbrood en het kannetje karnemelk. Plots schrikt zij op, de stem van Meneer:—Zit jij daar nog!? Het gas moet uit.…—Ja Meneer.Ze haalt de lantaren, steekt de kaars aan:—Nacht Meneer.Dan kraakt de trap, wat gestommel boven—in haar slaaphok omzoemen muggen het licht.[210][Inhoud]II.—Hè! ’k ben net naar u op weg.—Sau! Dat gebeurt je-n-auk nie te dukk’els.Blij is zij, Maandag weer te zien, en trekt een pruilmondje op zijn verwijt.—Hoe make de kinders ’et?—Best. Da’ gaat goed.Zij hoort de verandering in zijn stem, tot hartelijke, innige ernst. Hij wéét, dat zij deelt in deze voldoening! Verheugd draait zij met hem de Nadorststraat in, wacht op de vraag, die hij niet stelt, zwijgt dus ook—straks zullen zij praten.Getikt bij juffrouw Tabbe:—geen antwoord.—Da’s jammer, dan ben ze metter uijt.—’k Heb de tijd, gelukkig, venavond.—We hauren et wel as ze bauve komme.En de deur van zijn woning achter zich sluitend:—No’ fertel, wat is-t-er gebeurd?Zij lacht luid op. Die goeie meneer! Hij kijkt haar aan, of ze wàt voor gewichtigs heeft te vertellen.—Gebeurd? Niks!—Sau.Hij loopt naar de bedstee, haalt zijn huisjas.—Hoe is Grau’fa fer je geweest?—Och, nog al goed.Nu zitten zij. Net als toen, in die droevige dagen.… De kamer lijkt Geertje nòg leeger en holler; toch doet het haar goed, weer hier te zijn.[211]—Zal ik thee zette?—D’er is d’er geen.—Krijgt u die dan ook benee!?Ja, hij gebruikt nu alles bij buurvrouw. Anders wordt het leven te duur, met het kostgeld dat hij betaalt. ’t Is, nou ja, wel eens minder gezellig, omdat hij toch het liefst maar hier zit en niet onbescheiden wil wezen; zijn bakkie drinkt en dan gauw verdwijnt. Maar de heele regeling is zoo’n verbetering in alles. Buurvrouw zorgt zóó goed voor de kinders.…—Ja, en da’s no’ gekomme dur jau. Froeger ha’ me d’er nauyt an gedacht.Geertje zwijgt. Haar gemoed schiet vol. Arme, goeie eenzame Maandag; ’t eenige, dat hij had op de wereld, waren die kinders, en nou—alleen. ’t Zijn nou juffrouw Tabbe d’er kinders. Hij zit met ze aan, beneden:—als gast. Waarom is zij niet teruggekeerd? Hij zelf heeft gezegd, dat ze beter niet kwam; dat het op den duur niet gaan zou. Vreemd is hij geweest, maar ze hééft begrepen, dat hij het waarlijk liever zoo wou: om de kinders, uit angst voor buurvrouw. Toen ook hij als de anderen sprak, is ze gezwicht, en toch.… ze weet niet, is zij niet ondankbaar geweest, heeft hij het heusch liever zoo gewild? Zij durft er hem niet meer over spreken. Met vreugde opent zij haar pak.—Dan een perzik.—Maid! wa’ no’!.…—Van Groeneveld, ’et buite bij ons. Gisteren zelf van de tuinman gekrege.Hij laat de vrucht liggen.—Eet u die nou. Ik heb er meer. Voor de kinders en ook voor benee.En ze stalt uit: ze heeft er acht!Lachend:—En wàt lekkere koekjes! Van de eerste bakker in ’t dorp.—Ben d’er méér bakkers?[212]—Ja zeker, wel drie!Ze lacht. Maar opeens, met een schuldbesef. Groo’va heeft het haar gezegd: voor al zijn onkosten van haar ziekte heeft Maandag geen cent vergoeding willen aannemen. Zelfs het rijtuig, waarmee ze naar het ziekenhuis is gevoerd, heeft hij betaald. Dit moet hij hooren:—Groo’va is u nù wel dankbaar. Hij erkent zijn ongelijk.Strak laat Maandag de woorden vallen:—’k Heb ’un briefje fan im gehad.Weer is er zwijgen. Dan valt hij uit:—Fertel je no’ niks! Hòe is ’t gegaan?Geertje, traag:—.… Och.… niks.… Och zoo. Ik ben d’er tweemaal an huis geweest. Willem z’en moeder lag ziek te bed. ’k Heb d’er eene keer effe gesproke. Z’en zusters ware anders as vroeger. Of ze wat giste, weet ik niet. ’t Kan ook zijn, da’k et me verbeeld heb—’k von’ de mense allemaal anders, Domenee en et heele dorp.…—M’ar ben je-n-opgeschaute mit Wullem?Ze zwijgt. Ze kàn deze dingen niet zeggen. Waarom dringt Maandag toch aldoor méé aan, dat ze Willem nemen zal? Zij hòudt van Maandag, ze is hem zóó dankbaar, het ergert haar—en dit juist doet haar pijn—, dat zelfs hij haar niet begrijpt.—Is ’t er dus nog niet daur? houdt hij aan.—Nee! zegt ze strak, bijna vinnig; hem aanziend.Hij staat op en opent de deur. Terugkomend:—’k Dach’ da’k de kinders d’ar haurde.… En.… je nich’, was die geschikt?Ja, die was heel lief geweest. Liep haar na met melk en eiers. Een goed mensch, die ouwe nicht Bet.—Groo’va wordt oud en drommels lastig! ’En zege’ dat ie nicht bij zich heeft.—Anders mos’ jai.—Ja, anders most ik.…[213]Geertje zegt het, maar meent het niet. Ze kan zich niet voorstellen, dat het zou moeten, dat ze voorgoed met Groo’va zou zijn! Deze veertien dagen hebben al zoo lang geleken, ofschóón de tijd is meegevallen, nadat zij er tegen had opgezien van het oogenblik af dat Mevrouw gezeid had:—„Wij gaan op reis en jij met kostgeld”.… Gesnakt heeft ze soms om thuis weg te komen, en toen ze gisteren weer in de stad was, de Maas zag, de lichtjes, de masten der schepen.… ze heeft zich herinnerd: een avond met Hem, toen z’ook van huis kwam en Hij haar haalde.… en tòch leefde zij op, was blij, als bevrijd van een last: weer vrij!—’k Zou in ’en dorp nie’ meer kunne wenne.Maandag, pijpdampend, verslikt zich, hoest. Dan op eenmaal, vertelt hij, druk, van de kinders, hun leven bij Buurvrouw: Tabbe, die ook heel goed voor ze-n-is; de wichten, ze komen bij met de dag, Buurvrouw verzorgt z’ als eigen kroost—’t mensch heeft altijd naar kinders verlangd. Wanneer het nu maar zoo mag blijven:—van zijn zuster hoort hij niets.…—Zou ze nog in Amsterdam zijn?Hij haalt de schouders op:—Of dood.…Vreemd-opgewekt, praat hij van zijn werk en spot met Oom, de sigaren-kenner. En plotseling weer begint hij van ’t dorp, of ’t er niet prachtig was, nou met de zomer.Geertje verhaalt van Groeneveld, de bakken met druiven, de rozen, een veulen dat in de wei z’en moeder nasprong.—Kon Piet dat ’es zien!Maar hij nu weer:—En op Heukelman’s boerderai?Verlegen-plagerig ziet hij haar aan. Zij ziet de verlegenheid, God-nog-’es-toe! wat heeft hij haar toch daarmee te plagen!—Waarom ben u nou zoo flauw? ’t Is toch al zoo moeilijk voor me. Willem laat niet van me-n-af, nou zei ie dat ie hier wou komme.[214]—En jai, wil je niet?—Néé, netuurluk! Dat ù dat vraagt, die alles weet. Ik wil niet trouwe zonder liefde.—En kùn je niet van Wullum hauwe?—Je houdt toch niet van twee tegelijk!Ernst-stralend staren zijn oogen haar aan. Een blos toog over zijn grauwe geelheid. Hij frunnikt aan zijn pijp, vaart op.—Dar sain ze.… Wacht! ik haal se hier.Zij is opgerezen na hem. Hoog staat zij en staart in de eenzame kamer. De leege kamer, vol voor haar. Zij staart, zij kijkt niet, z’ is ìn het geheel; en toch spreken alle dingen en dringen elk met eigen weemoed. Hier heeft haar liefde het laatst gehoopt. Z’ is zóóveel ouder na al wat gebeurde.Dat voelt ze, wanneer ze maar even alleen is. Bij menschen spreekt en lacht zij mee, houdt de schijn op van jonge Geertje. ’t Liegen heeft ze nu wel geleerd. Vaakwaartvoor haar zelf de schijn door het wezen; weet ze niet, wat haar drijft, wat ze wil; waarom ze bleef, in dienst, bij vreemden.… Deze kale kamer weet het. Weet, hoe zij isafgescheurd.D’ ontroering stuwt haar vóór de bedstee. Dáár stond Groo’va en Willem naast hem. In het zwart waren allebei. Twee vermaners, twee verwijters. Zij wachtten, gekomen om haar te halen. Toen zij hen zag, heeft ze dóódsangst gevoeld. Of zij kwamen met de kist. Gegild heeft ze, dat men haar hier moest laten—maar ook Maandag gaf Groo’va gelijk. Toen is alle besef haar ontvloden, kreunend in leedhebben is zij verdoofd, enzewéét verder niets bepaalds meer—tòt, toen zij lag, strak, versuft, máár bewust, onder vreemden, niets dan vreemden, in die kamer met vele bedden, vele bedden, alle hetzelfde. Zij was blijven leven, maar alles was dood. Nu was kindje zéker dood. Als een gezwel was het uit haar gesneden, weggeworpen, of het een ding was, zonder dat de moeder kon helpen. Haar bleef enkel de rouw, en[215]de schande, waar zij aldóór over moest hooren. Want òm haar kilde slechts de vermaning van louter menschen net als Groo’va. Ook haar laatste gevoel voor Groo’va is gestorven in dat huis. In al wat daar bitste, herkende zij hem.…Met moeite doet zij vroolijk tegen de kinderen, die plots op haar komen toegejoeld. Gelukkig zijn daar de perziken. Ze kan vertellen van Groeneveld. Dan komt vrouw Tabbe met Maandag zijn „bakkie” en een kleiner kop voor Geertje. Maandag glundert bij zóóveel goedgeluimdheid. Maar de kinders haalt buurvrouw weg. Geertje geeft de koekjes mee.In de schemerende kamer hokt het gesprek. Maandag vraagt, of Geertje nog wat kan blijven. Dàn durft zij:—Weet je niks van Jan?Nog altijd kan zij er niet aan wennen, den oudere, den vriend van Oom, anders dan met „u” aan te spreken. Maar wetend dat het „je” hem plezier doet, vergemakkelijkt z’ er de vraag mee, die in haar brandde, die aldoor brandt.Hij—ja zeker, hij wéét wel wat! En dat antwoord brandt nu in hem. Heins houdt het met een van de meiden van Stevens, die het beter aanleit dan Geertje gedaan heeft, hem meevoert naar koffiehuis en kemedie, dat de heele stad hen ziet. De lust tot spreken gulpt op in Maandag. Maar hij denkt aan de kalme koelheid, waarmee Geertje vroeger zijn wraaklust gestriemd heeft; aan haar, met niets te verwoesten, geloof, waardoor, toen hij van Jan’s scharrelen repte, z’ onmiddellijk het antwoord klaar had, dat Jan daarmee trachtte haar te vergeten. En hij zwijgt, kijkt ontroerd naar haar, blozend wanneer hij haar oogen ontmoet. Aarzelend, verlegen verwijt hij:—Keu je-n-um m’ar nie’ fergaite?!—Vergete!?!Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nòg dieper weg, maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het and’re gevoel gaat.[216]Weer dekt het zwijgen beider gedachten. Tot een kleinigheid afleiding brengt. Een kind in de straat dat leelijk hoest, doet Maandag spreken van Mietje’s kwaal, die deze zomer gelukkig uitblijft; verleje jaar, net in de warmte, was ’t erg. Ook d’er moeder als meisje had ’s zomers er last van. Die d’er jeugd is door dat hoesten bedorven. En zoo’n gesukkel verklaart zoovéél. Als je alles weet, vergeef je. Bet zou niet geworden zijn die ze nou is, wanneer ze zich niet zoo had moeten ontzien en niet ontzien had moeten worden, toen zij een opgroeiende deern was. Da’s met de meeste van die meiden, waar de wereld zoo fel over oordeelt.—Ja.…, aarzelt Geertje, schuw voor de kwestie.Maar Maandag gaat er over door. Geertje, mijmerend en onthutst nu, luistert ongeregeld, hoort zenuwachtig brokken van zinnen, begrijpt niet, waarom hij spreekt van die dingen. Hij zegt, dat hij wel zulke vrouwen gekend heeft. Geertje zal het van hem niet hebben gedacht. Maar waar moest hij anders wat liefde zoeken? De behoefte dááraan steekt ieder mensch. Nijdig, woest-nijdig is hij geweest, toen hij ook bij die vrouwen enkel teleurstelling vond. Ook die toonden niets dan afkeer van hem en hij gaf er toch al zijn geld aan.—Och, ben je bedonderd, zei een kennis tegen hem, dach’-ie, dat er ooit een meid was die voor d’er lol ging met elke vent?—Maar met hèm was het nog wat ergers. Dezelfde die met andere jongens vroolijk waren en vriendelijk, deden stuursch en grof tegen hem. Dáár heeft hij heel veel onder geleden. Eens was hij met een kennis gegaan. Zij klampten samen twee vrouwen aan. De eene was een forsche bruine, groote oogen, een mooie lachmond. Luidruchtig sprak die van pretmakerij. Maar toen de andere vrouw met de vriend ging, bleef ze staan en zei geen woord meer. Eén zoo’n avond was erger voor hem dan jaren geplaag van de jongens op school. Maar daarop is hij na gaan denken. Bij al wat je met een ander doorleeft, moet je je denken in die zijn toestand. Als de menschen dat beter deden kwam er minder oneenigheid.[217]Hij dacht: die vrouw is wat beters gewéést. D’er zijn maar heel weinig publieke vrouwen de bree’e weg op gegaan uit ontuchtigheid. Zoo’n meid is, wat de menschen noemen, „gevallen”. Eenmaal heeft z’een lief gehad, die d’er de herinnering heeft gelaten van het heerlijkste geluk.—Was ’t wonder, dat ze met hèm geen plezier had? Bij die mooie herinnering?.… Toen kreeg hij nog ééns het wanhopig verlangen om toch ook dat geluk te vinden. Hij werd weer kuisch: uit verlangen naar liefde. Tòt hij begreep:—ik kan het niet hebben. Hij mocht niet, hij wou niet.… of.… zijn verstànd zèi, dat hij niet wou. ’t Redeneerde zóó, zijn verstand: Een vrouw, die wezenlijk van hem hield, zou, in de bijslaap, moeten denken: ’k wil een kind, dat op hem lijkt. Nou denk es an, zijn gelijkenis!Maandag lacht, een triest grimas. Even zwijgt hij, en gaat dan voort:De voldoening over het overwinnen door de redeneering is ook eengevoel, ook eengevoel van sterk geluk, zoo goed als overwinnende liefde. Nu leeft de geslachtsdrift in hem niet meer. Hij weet nu geestelijk lief te hebben. Geestelijk en anders niet. Probeert zelfs, niet jaloersch te zijn. Is ommers al vader, ook, van twee kinders!.…Geertje luistert, vreemd ontroerd. Eerst heeft zijn praten haar droef verbaasd. Hij, ook hij zag in haar zoo’n vrouw!? Waarom anders over die dingen gesproken?.… Toen heeft zij beseft, dat hij het zoo niet bedoelde. Dikwijls begrijpt zij hem onvolkomen, raadt naar de strekking van zijn gezegden. Maar zij vòelt nu zijn smart en zijn kracht, voelt ook wel dat hij haar hiermee wil troosten, schoon zijn gedachten haar verder ontglippen.Hij voelt opeens verlegenheid, dat hij zich zoo heeft laten gaan, zóóveel over zichzelven gesproken. En weer begint hij over zijn zus.… nou is ze zìek, verrot is d’er lichaam en ze wàs zoo’n knappe meid. D’er eerste vent ook zoo’n knappe kerel. ’En paar jaar waren ze dol op mekaar. Ook Bets-en-zijn[218]ouders waren knap. Maar ’t schijnt, dat hun grootvader heeft gezwijnjakt. Die heeft de schurft gebracht in de femielje; ’t is gebleken in ’et tweede gelid.… Twee broers en een zusje jong gestorven. En de derde broer loopt met z’en bult!.…[219][Inhoud]III.Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij vond haar nooit heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en stipheid, doordat Mevrouw zelf in alles haar best deed. Meneer was slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, niet veel te verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het overleggen. Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar kant, was inschikkelijk. Ze had „het” van Geertje altijd geweten. De directrice van het Huis had haar ingelicht: aan het Huis dankte Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:—„Je was beter maar wéér als juffrouw gegaan,” wanneer het grove werk Geertje zwaar viel; maar ze wist van de directrice, waarom die Geertje, althans voorloopig, niet bij kinders had willen doen, een dienst als deze ’t geschiktst had gevonden; en Geertje zelve verzweeg haar niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op d’er mond, klaagde zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig aantrok en als-t-ie kon maar het liefst op z’en bed lag. Ook over de Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d’er ouders waren orthedoks en zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom was en zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. „Je moet wat doen voor de vrede in huis”.… Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald van Mevrouw. Zoo had ze het gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was geraakt, doordat ze Jan[220]in de verte gezien had. De eerste keer had ze ’t niet durven vertellen, ze was toen zoo eigen niet met Mevrouw en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht betalen, wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en de rijst kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:—„Wat hadt je nou weer?” bekende ze, onder tranen, alles. Hem gezien, toen ze turf was wezen bestellen; blijven staan met een stuk in de keel, thuis ’en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis gebrand. Mevrouw had gegispt:—„Maar Geertje, meisje, een man die je zóó slecht heeft behandeld”.… och, Mevrouw begreep het niet—toch was ze blij, dat ze nu het gezeid had.Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens aanhield, schoon ze niets voor hem had verzwegen.—„Vindt je dat dan niet mooi van die jongen, dat hij zóóveel van je houdt? De meeste mannen zijn zoo trouw niet!” had Mevrouw, haar aanziend, geantwoord. ’t Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds dat gesprek, daags na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer over Willem. Trouw? nou ja! ’t jong hield van háár, maar als zij niet van hèm kon hou’en.… Niet die eerste keer zei ze dat aan Mevrouw; ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die meevoelen wou met háár!.…Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. ’t Kwam aan, toen ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een dagmeisje noodig zou wezen, wanneer de baker weg zou zijn.—Geloof je, had ze vriend’lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit zult houden? ’k Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je bent niet gewoon aan dat schuieren en schrobben. En dan met een klein kind d’erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.… Begrijp me goed, ik hou’ je heel graag, ik spreek alleen in jou belang.…Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d’er ziekte, toen de miskraam, en veel werken, nu, dat ’er zwaar viel.[221]—Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat.—Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil ’k je niet hou’e. Maar je meent niet wat je zegt. Jij vindt best ’en nieuwe betrekking. Ook wel bij kinderen, als je graag wilt. Maar ik denk aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet weg? Een goeie man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch je best en vergeet het verleden! ’t Heeft je nooit iets gegeven als leed.… Niet? Nou goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je toch niets in?!Hijkàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij kunnen wezen voor een jongen, die door al wat er is gebeurd niet in zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens niet aan jezelf, maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje, meisje, hòe menige vrouw zou alles geven voor die voldoening.…—O ja! als ze hòudt van ’en man!—Och kind, hou’en, wat ìs dat „hou’en”! Hecht toch niet te veel aan dat woord. Verliefdheden gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar de echte liefde. Om je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft niets gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.… en toen moet de mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben gegriefd. Heb je dáár wel eens over gedacht? wat die man om jou heeft geleden?—Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording schuldig. Nooit heb ik hem zóóveel voet gegeve!—Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: „door jou”, maar òm jou heeft-ie veel geleden. Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als je je volkómen vrij tegenover hem weet.… wat je bent, geen mensch kan je dwingen.… me dunkt, dan voel je toch mee’e-lij.… ik vin’ de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af, of een liefde als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij die nog niet, geen beter waarborg is voor ’en duurzaam geluk dan ’en verliefdheid, desnoods van[222]twee kanten, die in het huwelijk dikwijls vervliegt.… Denk er eens over. Ik praat je niets aan. ’k Hou je gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je stel.Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.… Mevrouw méénde het goed.… niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als Maandag en dat was een man, Maandag had zulke vreemde gedachten, maakte haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.… Mevrouw was godsdienstig, ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van Groo’moe.… Ja, maar Willem! die was als Groo’vá.… zou zijleven moetenmet Willem?.…Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden.[223][Inhoud]IV.Mevrouw is schuld aan wat nu gebeurt: dat ze met Willem door Rotterdam loopt en hij praat, als werd ze zijn vrouw.Toegestemd heeft zij in zijn bezoek, omdat Mevròuw zei: doe het toch, Geertje, je moet hem eens zien, je màg niet weigeren met hem te spreken, daarmee is ommers niets beslist.Gisteravond het eerst aan de trein!—Thuis de herrie om klaar te komen, op ’en Zaterdag nog haast! Aan kant d’er keuken, ijlings gekleed, weg, gerept naar de tram.… en te vroeg, veel te vroeg nog aan het station, waar ze zenuwachtig heeft gedrenteld, in de waaierige kou, door conducteurs vervelend geplaagd. Eindelijk hij! Ze stond achter een hekje, in een groep menschen, die opeens om d’er heen was; vóór d’er de locomotief, die aanglijdt, stilhoudt, en dan dalen er menschen, wemelen op het perron, komen, langs de trein, op haar aan.… Hij! De pummel! Ze voelt een verstijving, schaamt zich voor een juffrouw naast d’er, denkt aan verschuilen, wijkt iets ter zij, ziet wel dat hij haar niet opmerkt, langzaam naderend, log als een os.Wanneer hij, door het hek heen, rondziet, treedt ze weifelend op hem toe.—Willem!—Dag Geirtjen.Hij drukt haar hand, wendt zich, loopt lomp tegen een heer op, zij gaat hem voor, terzij àf, uit de menschen.Dan blijft hij staan en grijpt naar heur hand:[224]—Geirtjen, God he’t mien gebed verheurd.Méér zegt hij niet. Maar zij begrijpt! Da’lek, ’t eerste dat hij weet, wanneer een ander zou vragen: hoe gaat ’et? Gebelgd loopt zij door, op de duisternis toe, buiten, waar geen menschen om hen; hij komt verwonderd achter haar aan;—Geirtjen! klaagt hij, wanneer ze zich voortrept;—eerst bij het stationshek blijft zij staan. Goedig-kalm stapt hij naderbij, niet verontrust, boos evenmin. Geertje schaamt zich: ’et oude spel! Zoo heeft ze hem achter zich aan laten loopen, jaren lang, thuis—bij hem in den hof, achter de koestal om, naar de weien, èn in de school, om de kerk, daarin zelfs, ’s Zaterdags laat, onder Groo’va’s geredder. Zij voelt een moeë verlegenheid, nu zij vanzelf dit spel heeft herhaald. Monsterend wacht zij hem af:—onveranderd! tèrgend-netjes-boersch, altijd! Niets van Amerika, ook vandaag niet, zoo met een steedsch klein heerentaschje, licht gehangen aan z’en ineengedrongen lijf.—Goa we mit de trem of kuwwe loôpe? hoort ze zijn geduldige kalmte.—Niet met de trem!Die zit al vol menschen; als d’er eens iemand was van d’er kennis!.…Om lief te zijn, keert zij en loopt naast hem op; ze zijn bij de booten en naad’ren het water.… Plots’ling, o God! als een hoon valt het op haar, als een smaad die zijzelf zich bereidt: nou gaat ze met Willem als eenmaal metHem, toen Hij haar afhaalde, na de Bruidsnacht.… ’t Kàn niet! Ze staat en stottert verward, dat het toch misschien te ver is, liever de tram en——wáár wil hij heen?—Noar et losement, fur de koamer. ’t Is bèter Geirtjen, awwe dat eirst doen.… Dokter he’t mien gezeid: bij Coomans, Hoofdstèèg, wèèt ie die buurt? teemt hij verder, nu wel haar verlegenheid merkend.Wat? Ze heeft de naam niet verstaan. Hoofdsteeg? Ja, dan met de tram. En zij keeren terug naar de wagens: een leege nu, de volle is weg. Er weeïgt een schuldbewustzijn door haar,[225]een wroeging, èn een besef van onrecht, dat haar, veeleer, wordt aangedaan. Zwijgende zitten zij, wachten, wachten.… Weg! ze snakt dat de tram zal vooruit gaan, ’t is haar als werd ze van buiten begluurd, dooriemand, die het wéét, ofietsvantoen.…Slaap, na zwaar-zijn van vermoeidheid, heeft de spanning van haar verzet gebroken, en de zondagvoormiddag heeft ze kalm haar werk gedaan. Toen is Willem bij haar in de keuken gekomen; Mevrouw heeft het zoo gewild: met de koffie; dan konden zij daarna samen uitgaan.Hij vertelt van de preek die hij heeft gehoord: domenee Gobius over het licht, dat bij God woont. „God weet, wat in het duister is,”Daniël 2 vers 22. Geertje herinnert zich de tekst niet: hoe staat het woord er? en Willem verklaart; ze kent het toch wel: Koning Nebukadnezar, die eischte dat de wijzen hem een vergeten droom zouden vertellen en Daniël wie in een nachtgezicht de verborgenheid werd geopenbaard.… O, is het dat! de droom van het beeld met de voeten van ijzer en leem.… Ja, nu weet zij, nu is zij er in—die droom, zij houdt juist zooveel van de Droomen—de Droomen en Jezus’ Gelijkenissen.… Willem is vòl lof over de preek: Domenee moet een godvruchtig man zijn en die de gave heeft van het woord.Mijmerend hoort zij Willem aan; er komt een zondagsstemming om haar: dit is het goede-van-thuis, wat zij miste. Blij ootmoedig luistert zij toe; schenkt hem koffie bij, dienstwillig; is dankbaar voor de rustige eenvoud, waarmee hij in de keuken vertoeft en niet ongeduldig wordt, wanneer zij met koffiewater, en om hun boterhammen te halen, kort opeen naar boven moet.Gisteravond is hij haar meegevallen, toen hij zonder verlegenheid, kalm-flink als een man die gereisd heeft, àlles vroeg, van de prijs en zoo, over zijn kamer in het hotel. In haar heeft beschaamdheid gevleugd, over haar dienstmeid-zijn, haar keuken.… Hij gedraagt er zich nu heel netjes, of haar toestand[226]doodgewoon was; vroom is hij vervuld van de preek.Weer belt Mevrouw, weer moet zij weg; ijlings schenkt zij hem nog wat koffie. Mevrouw vraagt, of Geertje, voordat zij uitgaat, de keukenkachel nog wil aanmaken en er voldoende kooks in leggen, zoodat Mevrouw er niet naar hoeft te kijken, voordat zij de groente opzet.—En dan ga jij je gang maar, hoor!—Zal ik niet komme anvege, Mevrouw?Mevrouw knikt van neen.Meneer, die uit het raam staat te kijken, keert lachend zich om:—Je mot je vrijer niet zoo làng late wachte!Geertje wendt zich verlegen naar de deur. In onthutste tasting vindt zij de knop. Er snikt een droefheid om onrecht in haar. Waarom zegt-ie dat nou, want hij wéét! hij kent, als Mevrouw, haar geschiedenis; wat sart-ie haar dan met zijn grappigheid, wat had-ie brutaal haar aan te kijken!.… Opeens is het mis in haar, weer het verzet, weg dat vredig, gezellig berusten,—„vrijer”, ook niet als aardigheid, ze kàn het niet hebben, spot met haar liefde.Willem is in haar afwezigheid van plaats veranderd. Zijn stoel stond tegenover de hare aan de tafel, met de rug naar de muur; nu zit hij tegenover het raam. Waarom? Wat moet dat! Hij zoekt in z’en bijbel. Weifelend gaat zij achter hem om.—Geirtjen—en terwijl zij gaat zitten, schuift hij pratend zijn stoel naderbij.—Zou dàt nou geen Godsbestier wèze, da’k van marrege juust over disse tekst most heure? Zie, da’s toch wat anders as toeval. God hèvt ons indachtig wille moake, dat Hij wist wat was in et duuster. Wij kleingeleuvige, we hebbe gewankeld as Petrus, we hebbe geroepen: Heere, behoud mij, moar God die alle harten doorzuukt, die het hart doorgrondt en de niere pruuft, Hij wist wat goed veur ons was. Onnaspeurlijk binne zijn wège, deur veul duusternis moste we goan, mor Hij wèèt wat er is in et duuster en mit de Psalmist magge we nou toch zegge: Welgelukzoalig wiens[227]verwachting is op De Heer.… Wo’ kiek je vrèèmd, woat is-t-er Geirtje?Wat er is! Hij is daar vóór d’er; laag gebogen, de elleboog op de knie, houdt-ie haar zijn harde rooie kop met verschoten hondenstoppels voor, en uit de bloeddoorloopen maar fletse vischoogen, die smachtend en zwemmend-in-vromigheid naar d’er opzien, staart van dat kaalgeschoren snoet toch ook de starre zelfingenomenheid van zijn moeder haar aan.—Da’ zeuj me toch motte toegève. We hebbe gedwoald uut wankelmoedigheid, deurda’ we niet vertrouwden op Hem. Hij hè’t ons gevoerd langs donkere wège. Hij wist wat er was in et duuster. Al die bepruuvinge woare neudig. Ik ben noar Amerika motte goan en jij hier noa Rotterdam. Wat gebeurd is, most gebeure. Da’ geleuf ie toch ook wel Geirtje?Hardvochtig-koel laat zij vallen de vraag:—En wat weej nou daarmee zegge?—Wa’k doarmee zegge wil? Geirtje, da’s toch gemak’lek te roaje!.… Da’ bij God et altied vast-sting, da’ wij man en vrouw zoue worde.Terwijl hij de laatste woorden zegt, tast zijn grove hand naar de hare. Zij ziet het geelbehaarde, sproetige vleesch met de onverzorgde stompvingers. Zij voelt ze.… en ze slaat van haar af, haar vingers tikken, meppen de zijne; achteruitwijkend vaart zij op en loopt met een wijking achter hem om.—Ik zal jou dan ook wat zegge, ook gemakkelek te raje. As je nie’ ophoudt mè’ je gezeur, ’k heb je gistere-n-ook al gewaarschouwd, dan ga’k vemiddag nie’ mè je uit. Goed begrepen? ’k Zeg et nie’ boos, maar hou et je dan nou voor gezeid.Wel ja, hij dee net as een kind. As met ’en kind moet ze met ’um doen. Verder et zich niet ’antrekke. Eéne middag—zal gauw genoeg om zijn. Lam, dat-ie ook venavend nog blijft. Maar netuurlek, zoo’n vrome man, die zit niet in de[228]spoor op Zondag. Laat zich bedienen in ’en hotel, maar reist niet vóór Maandagmorgen!Haastig heeft ze zich gekleed. D’er ouwe zwartje, niet de nieuwe. Niks van opschik met Willempie!En zonder eind hebben zij gekuierd.—Jij wil ook liever buiten de stad?Ze heeft zich gehaat, toen ze dat aan hem vroeg. ’t Leek, of ze met hem alleen wou wezen. Maar ze dorst in de drukke straten niet blijven. ’t Huis in de Oldenbarneveldstraat uit, is ze het Tuindersstraatje geloopen, de Aert van Nes bang overgestoken, het Mauritsstraatje en toen de Kruiska. Op de Diergaardesingel is haar angst gezakt. Terwijl ze in de vredige vroolijkheid van de zonnige herfstdag, tusschen verre weien liepen, een onbestrate rijweg langs hofsteeën, waar Willem zich over veel verbaasde, dat anders was dan in Gelderland; heeft ze hem aan de praat trachten te houden met telkens door te vragen over toestanden in Amerika. En hij heeft die herinneringen iedere keer afgebroken door te willen praten van zijn liefde. Zij wist wel, waarom hij terug is gekomen: aan het andere eind van de wereld, was hij met zijn gedachten hier. Ook was ’t haar bekend, waarom hij gegaan was—alles om haar, alleenig om haar. Gedrensd heeft hij zijn liefdesverwijten. Toen heeft zij er dan nog maar iets op geantwoord.—Waarom bederf je de wandeling? ’k Heb in zóó lang niet ’es gekuierd.—’k Bin tuch hier om doareuver te sprèke.—D’er valt daar nie’ meer over te spreke.—Woarum hei’j me dan loate komme!Ja, waarom, waarom! waarom!?Haar heeft dat waarom verwijtend gemarteld. Omdat ze nooit weet wat ze wil; dan naar die luistert en dan weer naar die! Maar zijn stugge koppigheid is kalm na een poos[229]opnieuw begonnen: zij mocht nu nog weifelen, maar God wou ’et. Hij die weet wat er is in het duister. Zij wáren een paar in Zijn Raadsbesluit.Op de terugweg zijn ze in een tuintje gaan zitten, waar hij twee glazen melk heeft besteld. Neergesmakt is zij op het stukkende, wippende stoeltje, verstramd en verstompt van zóó lang loopen. Wanhopige haat heeft er in haar geflitst, toen hij wel geen bezwaar maakte, maar toch smalend iets zei van: „Op Zondag”, na haar vragen om dáár wat te rusten. Ze konne’ toch de godgansche dag niet op de been blijve: waar wou ie dan heen! hier of erge’s anders.… Nou, ’t was hem ook goed; maar wat nou dat zitten betreft—hij had gedacht, dat ze naar haar Oom zou’en gaan; dat had hij ook aan haar groo’va beloofd.—As je d’ar gaat voor de stichtelijkheid! heeft ze geschimpt. Maar haar een biet! Als hij naar Oom wil, dan naar Oom.Daar hebben ze slappe koffie gekregen en oneetbaar-hard-brood met gebakken spek.En in haar wrange gemoedsstemming heeft ze schik gehad in Oom, die vriendelijk dee’—natuurlijk om Groo’va. Waarom had-ie dàt niet geweten! Geertje kwam ook nooit meer ’es ’an. Anders zou Tante natuurlijk hebben gezorgd voor ’en betere ontvangst. Maar zij plachten om één uur warm te eten. En nu was er niets anders in huis, en net op Zondag, je kon niks krijgen.…Zoo heeft Willem met traag geduld op de hompen brood kunnen kauwen en de breede eelttoppen van zijn vingers-als-stokken plomp naar de niet stuk te snijden slierten van het krullende, druipende spek laten grijpen. Zij heeft zich met koffie gevuld en is een paar keer naar achter gemoeten, in de beenen het lood van de kuier. Ze heeft gedacht aan het groote hotel, waar Willem zijn kamer heeft en niet gaat eten; waar ie haar voor de maaltijd zou hebben gebracht, als-ie een heer, als-ie.… Jan geweest was.Alles in haar schreit weer om Jan.[230]Zij beseft nu ook, wat haar heeft bewogen, naar Mevrouw d’er raad te hooren, Willem hier te laten komen. Op het oogenblik, dat zij bij Oom d’er mantel aandeed om met Willem naar de avondkerk te gaan, is een buurvrouw, die de helft van de verdieping boven Oom’s winkel bewoont, met ’er kindje binnengekomen, een jonge vrouw, met een zuigeling en blijkbaar alweer in verwachting. Bij het zien van dat moedergeluk, heeft Geertje geweten: Mevrouw d’er blijheid in het vooruitzicht van d’er bevalling, Mevrouw, die toch ook niet gelukkig getrouwd is, heeft haar doen peinzen:—Als het eens kon, Willem z’en zin en ik ’en kindje.…De preek is langs haar bewustzijn gegleden. Weemoed heeft er in haar gebeefd; ze wàs in de kerk niet, maar Thuis-in-het-Hang.… Toch is zij geschrikt van het weer-op-straat-zijn.Zij gaan nu nogmaals samen naar Oom en nog loopt hij te zaniken. Straks op de Hoogstraat had-ie een grap. In de menigte nam hij haar arm en toen zij die los wou trekken:—„’k Loa’je nie’ los.… Nooit loa’k je los.… Geirtjen, begriep ie wel, ’k loa je nóóit los,” met ’en nadruk, nog eens ’et gezegd: ze had ’um ommers al lang begrepen. Hè, en zijn lachen, dat leek toch zoo raar, dan zag je z’en oogen niet, enkel zijn mond, een groot gat gore brokkeltanden, en d’er was niks vroolijks ’an ’um, vroolijkheid kenne ze niet op de hofstee; dat ie nòu lachte was om haar, ’en verlegen mislukt perbeeren. Ruw is zij van het trottoir gestapt, zoodat de menschen tusschen hen drongen; en in de Pessage, in de volte is zij hem aldoor vóór gebleven, uitwijkend vlug door de menschen zich schuivend.Op de Coolsingel ’en andere toon:—Woarum gèèf je mien nou gèèn ârm? ’k Loa je toch nie’ los, heur Geirtje. God hèvt ons voor mekander bestemd. Dat hèwwe toch allebei altoos gewète. Aw m’or èènmaal getrouwd binne! ’k Wéét wel wa’j nou tègestoat. ’t Is da’ boerse-n-in me, joa!.… Och, jij bin dat nou ontwend. M’or je[231]bin toch van geliekke komaf, joa, je groo’moe was krek as wijlu.God, zoo’n gekle’s! Hoor nou toch es an! Hè, zoo’n zelftevreden wauwel! Snel wijkt zij uit voor de menschendrom, nu loopt ze vrij, maar nee, daar is-t-ie, dringt naast d’er op, nou houdt-ie d’er vast, z’en lauwe greep omknelt haar elboog.—Laat toch! maar hij blijft aan d’er zij. Ze schuifelen, door menschen omdrongen, voort. De lucht is doorsproeid van heel licht grijs. Om haar, in de wemeling van donk’re gestalten en fletse gezichten, plekkeren aanhoudend kleurvlekken op; in ’t grauw-sombere krioelen onderscheidt ze, met soms een scherpte van gelaatstrekken, vormen, die verdoft kleurpralen, van hoeden, veeren, mantels, kostuums. Zij loopt in d’er sjofele zwartje, met de vaal-verschoten voorbaan. En naast ’er is-en-blijft d’er boer. Móói paar, zullie tusschen de steedschheid. Echt twee zielige pummels van buiten.Nu komen zij onder ’t elektrische licht, plots in een schaat’rende helheid als dag. Zij wil niet naar binnen kijken bij Soesman, want je ziet ’er jezelf in de spiegels. De menschen omdwarrelen haar als bij dag, sjieke toiletten ruischen langs haar. Tartend omstuift haar het zondags-gepronk en maakt haar ongeduldig-verlegen..… Nèt zukke reclameborden met namen en gekleurde figuren stingen hier vóór Tivoli, de Pinkstermiddag, toen ze met Oom en Tante hier over ’t Singel ging, van Oom z’en huis op weg naar ’t Hang: toen zij Jan voor ’t eerst gezien he’t.… De herinnering sláát haar geest neer. Machteloos ondergáát zij op eenmaal de drukte. Willem blijft naast haar, hij hindert haar niet. Vanmiddag en straks in de Hoogstraat weer en net nog aan het begin van ’t Singel, dorst ze niet loopen, haast, vreezend aldoor, dat ze, opkijkend Jan zou zien komen, plots hóóg voor d’er met z’en spotlach: zij zóó gekleed en d’er botterik naast d’er. Maar nu geeft ze zich gewonnen. Wat is zij? ’en boerenmeid! Ze hoort niet tusschen al dit steedsche. ’t Maakt ’er verlegen, verrukt ’er, bedwelmt ’er. ’t Is wat ze wòu.… maar het wìl niet van haar.…[232]Oom’s sigarendépôt is op het Strooveer. Bij het binnenkomen schrikt ze. Een klant, een lange heer—als Jan. ’t Is Jan niet! maar toch is ze geschrikt. Bedeesd treedt ze langs de toonbank naar achter, zwijgend Oom groetend, die druk doet, niet ziet.Tante zit achter, gelukkig alleen. Even later lawaaiigt Oom binnen. Zie je, dat doet ’em nou plezier. ’t Heeft hem vemiddag zoo drommels gespeten, dat hij niks had om te preseteeren. En overdag was ’et hier zoo donker. Nou met ’et gas ’an, vroolijk hè? Ja verlichting, het eerste vereischte! Daar hadden ze bij hun in ’et dorp nog geen kaas van gegeten. Willem rookt toch?—Toe, steek es op! Zwaar of licht, naar ieders verkiezing. Die?.… Willem doet niet an afschafferij? ’En glaasje wijn, dat mag ie niet weig’re.—Vrouw, haal jij ’s ’en flesch wijn uit de kelder.Geertje heeft schik in de kemedie. Kelder! Ze hebben niet eens ’en kelder! Nog geen kolenhok is d’er benee.Tante gaat ongesjeneerd naar de kast en neemt de flesch die Geertje ziet staan, hoog-alleen tusschen kleinere dingen. Maar Oom:—O hàdt j’al uitgekrege?Onverstoorbaar, z’en grootdoenerij. Nu vraagt hij Willem wie er gepreekt he’t. Goed?—Ik ken ’em niet. Zei je De Valk? Ja, d’er ben hier zoo’n hoop domenees. Da’s niet as bij jou: aldoor een-en-dezelfde. En ik kom niet vaak in de kerk. Met de zaak, ik kan d’er niet uit! We mòtten ope blijven op Zondag, heel den dag, om de konkerensie. Afijn, ’t gaat me goed, nou, ja! daar niet van!Werkelijk is er weer iemand voor. Oom is er al heen en Tante schenkt wijn in. Hoe komt zij aan die nette glaasjes? Zes gelijke op een blaadje. Zeker gauw ergens wezen leenen. Ze hebben weer vrienden: een nieuwe buurt. Zoo kort als het duurt, is Oom het heertje. Nou redeneert-ie tegen de klant. Och, hij is toch eig’lijk ’en stakker.[233]Alles om haar maant tot ootmoed. „Wee den hoovaardige”.… zij met ’er trots! Ze mag zich niet ergeren aan Willem z’en boerschheid. Zelve is ze ommers niks beter! Moet ze-n-’em némen?! Ze kan niet, nòg niet. Ze heeft ’em vandaag wel afgesnauwd. Afmaken, heelemaal, zal ze ’t niet. Maar evenmin krijgt ie d’er woord! Ze heeft nou gedáán, wat Mevrouw van d’er wilde. Als ze bij Mevrouw maar mag blijven. Nergens anders voelt ze zich veilig. En als dan van ’t winter het kindje komt.…Tante heeft ook haar een glas wijn voorgezet. Het eerste slokje vond zij aak’lig. Maar nu heeft ze nog eens geproefd. Nu kittelt de tinteling haar rozige loomheid. Als ze durfde, dronk ze ’t leeg.Hoe vaak heeft Jan d’er wijn opgedrongen. Toen gaf z’er niet om, vond het haast iets gewoons. Al de rijkelijkheid leek haar gewoon. Of zij er in hoorde.… Ach, die roes van geluk.Aan de achterkant van de kamer gezeten, kijkt zij in het licht van de winkel, dat goudfonkelt door de zevende vitrage.Oom is teruggekomen en praat nu druk tegen Willem, die rustige, langzame antwoorden geeft, blijkbaar op zijn gemak, tevreden dat zij hierheen zijn gegaan. Nu en dan let zij even op hen, maar telkens trekt haar die zeving van licht, ’t wit en het goud; en mijmert zij weg.Al zou ze Hem nooit meer zien.… zeker zal ze niets meer van hem merken, en dat is toch ook maar beter, zij wéét zich verouderd van al het getob, ze vòelt zich zoo òp soms en hij, met zijn spotlach …; al zal ze misschien Hem nooit meer zien, altijd haar best doend om Hem te ontwijken—eeuwig, tot in de dood staat Hij vóór haar, zooals nu, dáár, zijn hoofd in het licht.Door Hem heeft zij Geluk gekend en geen wreedheid kan ’t haar ontnemen. Neen, ze haat hem niet, haar Jan, al wéét ze nu, dat zijn liefde niet duurde. Hij is voor haar Heel-de-Wèreld geweest, heel de wereld in licht van geluk.[234]Daar heeft Oóm d’er ingeschonken. Nou, graag wil z’en tweede glas. Jan heeft ’er wel ’es drie laten drinken, wel ’es vier.… Ze lacht:—Dank u wel.—Toen, die avond.… Sefie na’ bed, och wat dee-t-ie toe’ uitgelaten, zij wist op ’et laatst nie’ meer waar ze was.… en hij keek er m’ar ’an met z’en spotlach.… Hè nee, zóó wil ze Hem nou niet zien, enkel het Gezicht dat ze liefheeft. Die avonde dat ie ’er wijn opdrong, zijn d’er gelukkigste niet geweest. Later was ze te rampzalig, alleen met ’er angst na de opwinding. Gelukkig is ze de dagen geweest, de lange uren van stil om hem heen zijn, bezig voor hem en zijn kinderen; of als ze hem zag, wanneer ie thuiskwam, rood van de drukte,klevveren blij.… As hij maar niet getrouwd was geweest, as hij van haar was blijven houden.… As is ommers verbrande turf,as.… dan had ze-n-’em niet gekend. En dàt geluk ontneemt men haar nóóit—zoo’n man, zoo mooi, zoo groot, zoo krachtig, zoo knap, zoo kranig-en-flink in alles, zij had zich zóó iemand nooit gedróómd, och, wat had zij vóór hem gezien, zij metter pretensies, ’en boeredeern.….… Hè? Ja. Tante heeft gelijk, kwart vóór tienen, het wordt haar tijd.—Nee’, die is goed! Oom met:—Nog ’en glaasje?—en d’er is niks meer in de flesch!—Ik neem graag ’en klein grokje na, grok van klare.… Kom Heukelman!Heerejee, die poerem van Oom toch! Zij? gut ja, daar staat d’er glas nog. Met ongrage teugjes krijgt zij het leeg. Dan kunnen zij gaan.—Tante, wel bedankt.—Ja, netuurluk, veel groeten ’an Groo’va, daarvoor heeft heel de kemedie gediend.Rillend krimpt ze terug voor de kilte. ’t Zondagavondgeherrie woelt op ’er los. Uit de watermist van het Strooveer komen ze op de vreemde, boomoverhuifde wijdte van het Hofplein met aan alle verre zijden fel lichtgeplek.Ze loopt met neergeslagen oogen. Als ze Hem nèt nog ’es tegenkwam! God, het zou toch vreeselijk zijn. Zij wil Hèm[235]teminste niet zien. Hè, die wijn, dat tweede glas, ze heeft het veel te gauw opgedronken. En opeens nou al die drukte. Angstig stijgt ze, de hooge brug op. Weemoed weekt in haar:—daar, rechts af, benee’, hoeveel leed maar ook hóeveel geluk heeft ze, in het op- en neerloopen naar de Simonstraat, doorleefd. Nou is er niks meer—uit en leeg.…Hu, gauw voort.… Willem? Daar loopt ie. Ja, hoe komt die in z’en losjement? Met de trem! zij brengt hem niet weg, niet de heele stad nog door! ’t Liefst was ze de Kruiska afgeslagen en dan stil de kleine straatjes. Maar nu legt zij hem de weg uit: hier aan het eind, hij weet het wel, dan ontmoet hij de trem van het Park. Zeker, hij weet het, hij kent de weg al, ze hoeft zich niks benauwd te maken. En werkelijk, wanneer ze de Aert-van-Nes ingaat, vraagt hij:—’t Is toch disse stroat niet?Zij antwoordt, dat het korter is, zoo. Beverig, maar niet ongerust meer, loopt zij kalm naast hem voort.Doch nu begint hij weer te praten. Daar straks, bij d’er Oom, heeft-ie niks willen zeggen. ’t Benne bijkans vreemden voor ’em. Maar welke boodschap moet-ie morregen overbrengen ’an Groo’va? Den ganschen dag benne ze samen geweest en toch is-tie niet verder metter, en hij heeft er zoo zielslief.—Geirtjen.…Forsch slaat hij zijn hand om haar middel.—Willem, bei je gek?!Driftig draait ze zich los.Ziet ie dan niet! daar is de kemedie. Ja, de lichten branden nog laag, je ziet wel geen mensch, maar wàt mankeert um!.…—Nou dan!Nu steekt hij zijn arm in de hare, trekt haar voort—woest duwt ze hem af. Woest, ìn een plots’linge aanval van woede, van vlijmend leed gevoelen en wrok, doordat, net toen hij weer tegen haar aandrong, zij naast de kemedie, griez’lig alleen, een vrouw herkend heeft, die dikwijls daar staat, wanneer[236]zij ’s avonds hier langs met ’en brief moet, naar de bus op de hoek van de straat.Dàt, dàt meende Maandag die avend, in dat akelige gesprek! O, wat is ze nou hem dankbaar voor die les, die ze nou begrijpt! Nèt zoo gemeen as die vrouw zou ze doen, door zich zonder liefde te geven! Willem d’er man, hij ooit an d’er lijf!.… Hu, ze stikt! Nooit, nóóit, nou weet ze ’t! Zij, die het Gelùk gekend heeft—en dan zonder liefde te trouwen.—Willem, brengt ze uit, et.… kan niet.… ’k Weet et nou zeker.… ik kan et nie’ doen.…—Geirtjen!Ja God, hij ìs te beklagen. Maar zij zelf dan?.…—Toe, dring nie’ meer an. ’t Spijt m’en, ik weet da’ je veel van me houdt, meer.… as.… iemand ooit gedaan he’t.… Maar ìk hou nog àltoos van hèm, ik kàn van geen ander houwe.… Och nee, zie je wel? Hou je nou kalm! ’k Moet ’et je zegge. Toe, ga terug. Ga jij nou na je losement.…Voordat de ontstelde haar doen begrijpt, is zij, de duisternis in, ontvloden.[237][Inhoud]V.Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar genomen, ’t vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.… en zij tweemaal:—Tot ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante zijn niet gekomen.Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar’ liever weggebleven. Ze hebben zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij, wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet niet mee—soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij, maar nu.… verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten—en zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger, heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als een koopman, met geen ander doel dan winst, nee’, ’t was niet alles om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan![238]En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij zich reppen moet naar het lokaal—is Zij vertrokken, voor altijd heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over.…Nu is de trein al haast in Capelle.… Gek, die hij is! Of hij mee kon leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis zijn; Groo’va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen, niet verheugd.… En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit iets zien zal.Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal z’ er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt is ze d’er geloof in de menschen. Te rouw is d’er gevoel getrapt.—Ik deug enkel nog voor tante.—Pijnlijk-lachend heeft ze ’t gezegd, toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie.Heukelman wéét nu. Die laat ’er met rust. Zijn zusters zullen met norsch-doen hem wreken.Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school kwam? Groo’va krijgt nou wel z’en pensioen, maar het nieuwe personeel zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch’lijker boer vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit.Dat dìe wreedheid d’er niet is bespaard! Die vuile tang van een juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst![239]Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje’slangeziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat Geertje heeft moeten lijden.Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn leven niet.—Ma’k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!!En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt niet! Meneer in de nacht opeens voor d’er bedstee, terwijl z’en vrouw boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z’en gepraat:—„Me vrouw is as steen zoo koud, maar jij!”.…Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche teef, zijn de mannen d’er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou naar d’er dorp, sluit zich op bij d’er dorre ouwe, als een wereldsche roomsche in ’t klooster.Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft, om, Mevrouw terwille, te blijven. ’t Schandaal had dat mensch d’er dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met ’er kindje. Die voldoening neemt Geertje mee—en dat de „meneer” zich drie maanden koest hield.Maar wat hééft ze doorgemaakt—nog zoo jong en zoo kort d’er dorp uit. Geest’lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.… Och hij, met z’en jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met het één’ge gevoel, dat een mensch z’en leven mooi maakt. Dat heeft ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein’ge getrouwden zeggen ’t er na!Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al die boompjes. Lente.… Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een blijheid-met-weemoed om dit haar geluk.Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met ’er pakhuis teksten: één tekst heeft ze waarlijk geléérd: „Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten.”Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven[240]is mooier geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd slijten daar niet aan af.Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water, mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij hun vrijheidslied mee.
[205]
[Inhoud]I.—Goeie nacht!.…—Nacht Geertje.…Ze hebben haar wel te rusten gewenscht, Meneer en Mevrouw, zonder haar te zien, zonder dat zij hen gezien heeft. Elken avond net hetzelfde; als slot van de dag de kille plichtpleging op de mat, waartoe de groet, die zij aanvankelijk in de kamer kwam brengen, al gauw is afgesleten. Maar waarom zou zij beters verwachten? Mevrouw is vriendelijk, nogal geduldig. Meneer zegt nooit iets, alles is goed.In de donkerte kraakt de sousterrainstrap, kraakt nog eens, dan staat ze beneden. Van de straat komt dof gerucht. Hier aan den achterkant leeft zij begraven. De stilte verschrikt slechts haar eigen geluid, òpschrikkend vlak achter haar. Door ’t korte smalle gangetje—de deur van de logeerkamer, die de voorhelft van het sousterrain inneemt, voorbij—gaat ze tevens langs de deuren van het kolenhok en van haar kamertje. Dan is er de open deur van de keuken. Daar glanst de tegelwand onder de gasvlam, glinstert de pekel boven de gootsteen; er lauwt een lucht van gebraden vet. De keuken is laag en niet groot, toch hol; in de bedomptheid schaduwt het nog. Vlak naast de vlam snijdt het langwerpig-vierkante licht-en-luchtgat den muur juist boven de keukentafel open. Er kunnen twee matglasramen tegen gezet, maar die liggen op de glazenkast. Dag en nacht blijft het gat geopend en dringt er lucht door tusschen de tralies, aan de buitenkant in de muur opgezet. Een van haar eerste avonden, in Juni, heeft Geertje tusschen die tralies donkere, heel kleine oogen zien fonkelen, en met[206]een schreeuw is ze opgevaren, heeft de ramen gegrepen, in ’t gat gekletst, waarna ze rillend is blijven staan. Mevrouw heeft haar tot kalmte gebracht: geen rat, geen muis komt ooit hier binnen. Gerust is Geertje sedert nooit, maar de lucht! er moet wàt lucht zijn! Ze weet toch al niet hoe te doen van benauwdheid. Als de lesjeerkamer openmocht, de deur en de ramen, dan kwam er tocht. Maar Mevrouw in d’er nettigheid, kan je begrijpen!—„Geertje, nee’, geen keukelucht, waar me logées later moeten slapen.” Muf blijft de kamer aldoor gesloten en zij hier achter, ze walgt soms, ze stikt.Het is of de avonden ’t ergste zijn. Wanneer, vroeg, duisternis valt door het lichtgat: het verlaten, trieste plaatsje, waar over-dag ook nog wel eens een stem plotseling door de stilte heen ketst of ’t gerucht van een bezigheid schraapt, hooger en hooger oplost in schemer, zoodat Geertje, even het hoofd vóór de tralies, met verbazing ziet, dat de hemel nog licht is; dan draalt zij, uit vrees voor meer hitte en voor muggen, maar eindelijk laat zij het gaslicht ploffen en angstigt nu de nacht tegemoet, de looden-loome, niet-koelende nacht. Haar eenzaamheid is een gevangenis van opgesloten-benauwing, een lauwe broeiing, zonder uitweg.Waar de stoving het ergst is, moet zij slapen. Op het vensterlooze vertrekje, in den dooden hoek van het sousterrain, waar het plaatsje heeft opgehouden, is de ruimte voor het nog donkerder kolenhok uitgespaard; achter het hok donkert hittig haar bedstee.Zij aarzelt nu in de keuken rond, valt eindelijk neer op de stoel bij het luchtgat. Ze snakt naar lucht, èffe, vrij in de lucht!Maar Mevrouw heeft ’er een standje gegeven, toen ze eergisteravond, nadat ze de gerepereerde laarzen van Meneer had aangenomen, aan de deur was blijven staan.—Dat past toch niet. ’k Dacht dat jij dat wel wist.Uitgaan mag ze, op d’er avond. Maar ze wil de straat niet meer op. Schuw is ze van de straat, van de menschen. Schuw—deze kelder is óók een toevlucht.[207]De laatste Juni is ’et gebeurd, toen ze net een week hier in huis was. Ze dacht aan niks as an d’er werk, ’t viel toch al zwaar, zoo derekt op ’er ziekte. Te zwak was ze, om verder te denken. Dit mo’st nou, dit had ze zelf zoo gewild.—Mevrouw was goed voor der, zij dee d’er werk: geen hoofd had ze meer voor prakkezeeren. En daar is zijHemtegengekomen!De grond heeft niet gedeind, de straat heeft niet gedraaid; ze zag hem opeens, en had ééne gedachte: dat ze doorloopen moest, gewoon doen.Het oogenblik zelf was het moeilijkste niet. Toen hij voorbij was, brandde de smaad: luisterend naar de heer met wie hij liep, had hij glimlachend, met lachóógen naar haar gekeken, haar áángekeken, vlak in het gezicht, niet gegroet, gekeken—hòe! De pijn is als een brandwond geweest—die voel je evenmin da’lijk het ergst. D’er twee boodschappen heeft ze kunnen doen. In de winkels àl gezeid wat ze moest. Toen is ze in een roes naar huis gesneld, heeft boven de antwoorden opgezegd en hier benee is ze weggeschuild in een verlangen van: niet meer hier weg, nooit weer de straat op—de straat-met-Hèm.…Maar de nacht, toen ze lag, onmachtig, onmachtig in droomen, niet wetend, op ’t laatst, of zij droomde of ijlde of dacht!Angstig, moe, was ze ingeslapen, diep in de bedstee bang zich verbergend. Maarrauwna het zoete wegzijn in slaap, is zij, al in de voornacht, ontwaakt, niet wetend, waar was zij!? nee, duisternis, nee, zij was niet meer ziek, zij lag hier in ’er bedsteê—gedróómd had ze, van die zaal, met Hem.Ze is, half overeind, op haar elleboog gaan steunen. En àlmaar heeft ze geprakkezeerd:—voor het éérst met de meening der anderen mee. Met Oom en Groo’va en Tante en Maandag en Willem en Dominee Gobius, die, ieder op zijn eigen manier, haar tegen Jan hebben opgestookt. Gepriemd zijn hun woorden haar door het hoofd. Jan is dit en Jan is dat, haar heeft hij ongelukkig gemaakt, liefde nooit voor haar gevoeld.…[208]Ze heeft niet gehuild—slechts geprakkezeerd, àlmaar vóór zich die oogen, die oogen, spottend-vroolijk, lachend haar aanziend!Tot zij, in de broeiing der bedstee, gerild heeft van moeheid, is ingeslapen.…Toen zij ontwaakte, was het nog nacht.Onmiddellijk is zij klaar wakker geweest, in een gevoel, of een lichaamspijn haar uit de slaap had weggetrokken. Maar zij wist ook dadelijk: het onherstelbare deed haar lijden, iets veel ergers dan pijn aan het lichaam. Dat onherstelbare wàs er al; zeker. Weken lang had ze zich opgedrongen, dat ze ’t vergeten zou, dat ze vervuld was met andere dingen:—eerst met de vraag waar ze blijven zou, toen met haar dienst. Maar die nacht was het weergekomen.Hij had haar niet lief. Waarom toch niet! Was ze niet knap genoeg? niet vroolijk? Wat kon hij tegen haar hebben gehad? Dat hij nu keek, of hij met haar spòtte!.… Om de miskraam? Nee! dat niet. Zóó slecht was hij niet, haar Jan. Trouwens, naar ’t kind had hij nooit verlangd. Integendeel, juist toen ze zwanger bleek, was hij minder van haar gaan houden. Hoe kon hij dan nu zóó tegen haar doen?Twee gezegden, beide van Maandag, hebben telkens haar denken gepijnigd.—„Heins is geen man die zich hecht ’an ’en vrouw, an jou zoo min als ’an een ander.”—„Dach’ ie dat je z’en eenige was; vraag es met wie-d-ie ’et nou weer houdt!”Zou het waar wezen? Zou hij zóó zijn?Een gulp van afgunst heeft haar doorwoeld. Strak in de duisternis staarde haar blik.… Op haar elleboog ingesoesd is zij.Toen, in die nacht, is dat nog gebeurd. Zij heeft hem weergezien in de slaap. De droom bracht hem tot haar, den man dien zij liefheeft—dien zij eeuwig beminnen zal. En ellendig is zij ontwaakt.[209]Of ze dronken geweest was, trillend, beverig, heeft ze gesoesd op haar dag-werk. De kamerschuier schoot uit haar hand, een haak van ’er mouw hechtte in de vitrage en trok daar een lange scheur, bij het dekken voor het ontbijt viel de kaasstulp op de grond.Toen wist ze niet meer en kon ze niet meer, en wezenloos is ze gevlucht naar de keuken.Enkel hier, hier stil alleen, heeft zij rust, is zonder angst. Zoo dankbaar is zij voor deze dienst! Waar had zij anders moeten blijven? Bij Maandag kon niet, ze wou niet bij Oom, dus toch weg? met groo’va mee? Willem drong aan en Groo’va vermaande. Hier, nu ze werkt en verdient, is ze vrij. Als het nu maar gáát met ’et werk.… Hier voelt ze zich veilig voor Oom en Tante. Zij wil daar niet heen, die schijnheilige duivels, ze hebben haar zóóveel leed gedaan, en nog is het steken en striemen, telkens kwaadgespreek van Jan. Laffe afgunstigen, domme tobbers. Oom nou met z’en sigaren-depôt, dat hij met liegen bij Groo’va verdiend heeft.…Loom zit zij neder, roerloos in peinzen. Vóór haar op tafel haar avondbrood en het kannetje karnemelk. Plots schrikt zij op, de stem van Meneer:—Zit jij daar nog!? Het gas moet uit.…—Ja Meneer.Ze haalt de lantaren, steekt de kaars aan:—Nacht Meneer.Dan kraakt de trap, wat gestommel boven—in haar slaaphok omzoemen muggen het licht.[210]
I.
—Goeie nacht!.…—Nacht Geertje.…Ze hebben haar wel te rusten gewenscht, Meneer en Mevrouw, zonder haar te zien, zonder dat zij hen gezien heeft. Elken avond net hetzelfde; als slot van de dag de kille plichtpleging op de mat, waartoe de groet, die zij aanvankelijk in de kamer kwam brengen, al gauw is afgesleten. Maar waarom zou zij beters verwachten? Mevrouw is vriendelijk, nogal geduldig. Meneer zegt nooit iets, alles is goed.In de donkerte kraakt de sousterrainstrap, kraakt nog eens, dan staat ze beneden. Van de straat komt dof gerucht. Hier aan den achterkant leeft zij begraven. De stilte verschrikt slechts haar eigen geluid, òpschrikkend vlak achter haar. Door ’t korte smalle gangetje—de deur van de logeerkamer, die de voorhelft van het sousterrain inneemt, voorbij—gaat ze tevens langs de deuren van het kolenhok en van haar kamertje. Dan is er de open deur van de keuken. Daar glanst de tegelwand onder de gasvlam, glinstert de pekel boven de gootsteen; er lauwt een lucht van gebraden vet. De keuken is laag en niet groot, toch hol; in de bedomptheid schaduwt het nog. Vlak naast de vlam snijdt het langwerpig-vierkante licht-en-luchtgat den muur juist boven de keukentafel open. Er kunnen twee matglasramen tegen gezet, maar die liggen op de glazenkast. Dag en nacht blijft het gat geopend en dringt er lucht door tusschen de tralies, aan de buitenkant in de muur opgezet. Een van haar eerste avonden, in Juni, heeft Geertje tusschen die tralies donkere, heel kleine oogen zien fonkelen, en met[206]een schreeuw is ze opgevaren, heeft de ramen gegrepen, in ’t gat gekletst, waarna ze rillend is blijven staan. Mevrouw heeft haar tot kalmte gebracht: geen rat, geen muis komt ooit hier binnen. Gerust is Geertje sedert nooit, maar de lucht! er moet wàt lucht zijn! Ze weet toch al niet hoe te doen van benauwdheid. Als de lesjeerkamer openmocht, de deur en de ramen, dan kwam er tocht. Maar Mevrouw in d’er nettigheid, kan je begrijpen!—„Geertje, nee’, geen keukelucht, waar me logées later moeten slapen.” Muf blijft de kamer aldoor gesloten en zij hier achter, ze walgt soms, ze stikt.Het is of de avonden ’t ergste zijn. Wanneer, vroeg, duisternis valt door het lichtgat: het verlaten, trieste plaatsje, waar over-dag ook nog wel eens een stem plotseling door de stilte heen ketst of ’t gerucht van een bezigheid schraapt, hooger en hooger oplost in schemer, zoodat Geertje, even het hoofd vóór de tralies, met verbazing ziet, dat de hemel nog licht is; dan draalt zij, uit vrees voor meer hitte en voor muggen, maar eindelijk laat zij het gaslicht ploffen en angstigt nu de nacht tegemoet, de looden-loome, niet-koelende nacht. Haar eenzaamheid is een gevangenis van opgesloten-benauwing, een lauwe broeiing, zonder uitweg.Waar de stoving het ergst is, moet zij slapen. Op het vensterlooze vertrekje, in den dooden hoek van het sousterrain, waar het plaatsje heeft opgehouden, is de ruimte voor het nog donkerder kolenhok uitgespaard; achter het hok donkert hittig haar bedstee.Zij aarzelt nu in de keuken rond, valt eindelijk neer op de stoel bij het luchtgat. Ze snakt naar lucht, èffe, vrij in de lucht!Maar Mevrouw heeft ’er een standje gegeven, toen ze eergisteravond, nadat ze de gerepereerde laarzen van Meneer had aangenomen, aan de deur was blijven staan.—Dat past toch niet. ’k Dacht dat jij dat wel wist.Uitgaan mag ze, op d’er avond. Maar ze wil de straat niet meer op. Schuw is ze van de straat, van de menschen. Schuw—deze kelder is óók een toevlucht.[207]De laatste Juni is ’et gebeurd, toen ze net een week hier in huis was. Ze dacht aan niks as an d’er werk, ’t viel toch al zwaar, zoo derekt op ’er ziekte. Te zwak was ze, om verder te denken. Dit mo’st nou, dit had ze zelf zoo gewild.—Mevrouw was goed voor der, zij dee d’er werk: geen hoofd had ze meer voor prakkezeeren. En daar is zijHemtegengekomen!De grond heeft niet gedeind, de straat heeft niet gedraaid; ze zag hem opeens, en had ééne gedachte: dat ze doorloopen moest, gewoon doen.Het oogenblik zelf was het moeilijkste niet. Toen hij voorbij was, brandde de smaad: luisterend naar de heer met wie hij liep, had hij glimlachend, met lachóógen naar haar gekeken, haar áángekeken, vlak in het gezicht, niet gegroet, gekeken—hòe! De pijn is als een brandwond geweest—die voel je evenmin da’lijk het ergst. D’er twee boodschappen heeft ze kunnen doen. In de winkels àl gezeid wat ze moest. Toen is ze in een roes naar huis gesneld, heeft boven de antwoorden opgezegd en hier benee is ze weggeschuild in een verlangen van: niet meer hier weg, nooit weer de straat op—de straat-met-Hèm.…Maar de nacht, toen ze lag, onmachtig, onmachtig in droomen, niet wetend, op ’t laatst, of zij droomde of ijlde of dacht!Angstig, moe, was ze ingeslapen, diep in de bedstee bang zich verbergend. Maarrauwna het zoete wegzijn in slaap, is zij, al in de voornacht, ontwaakt, niet wetend, waar was zij!? nee, duisternis, nee, zij was niet meer ziek, zij lag hier in ’er bedsteê—gedróómd had ze, van die zaal, met Hem.Ze is, half overeind, op haar elleboog gaan steunen. En àlmaar heeft ze geprakkezeerd:—voor het éérst met de meening der anderen mee. Met Oom en Groo’va en Tante en Maandag en Willem en Dominee Gobius, die, ieder op zijn eigen manier, haar tegen Jan hebben opgestookt. Gepriemd zijn hun woorden haar door het hoofd. Jan is dit en Jan is dat, haar heeft hij ongelukkig gemaakt, liefde nooit voor haar gevoeld.…[208]Ze heeft niet gehuild—slechts geprakkezeerd, àlmaar vóór zich die oogen, die oogen, spottend-vroolijk, lachend haar aanziend!Tot zij, in de broeiing der bedstee, gerild heeft van moeheid, is ingeslapen.…Toen zij ontwaakte, was het nog nacht.Onmiddellijk is zij klaar wakker geweest, in een gevoel, of een lichaamspijn haar uit de slaap had weggetrokken. Maar zij wist ook dadelijk: het onherstelbare deed haar lijden, iets veel ergers dan pijn aan het lichaam. Dat onherstelbare wàs er al; zeker. Weken lang had ze zich opgedrongen, dat ze ’t vergeten zou, dat ze vervuld was met andere dingen:—eerst met de vraag waar ze blijven zou, toen met haar dienst. Maar die nacht was het weergekomen.Hij had haar niet lief. Waarom toch niet! Was ze niet knap genoeg? niet vroolijk? Wat kon hij tegen haar hebben gehad? Dat hij nu keek, of hij met haar spòtte!.… Om de miskraam? Nee! dat niet. Zóó slecht was hij niet, haar Jan. Trouwens, naar ’t kind had hij nooit verlangd. Integendeel, juist toen ze zwanger bleek, was hij minder van haar gaan houden. Hoe kon hij dan nu zóó tegen haar doen?Twee gezegden, beide van Maandag, hebben telkens haar denken gepijnigd.—„Heins is geen man die zich hecht ’an ’en vrouw, an jou zoo min als ’an een ander.”—„Dach’ ie dat je z’en eenige was; vraag es met wie-d-ie ’et nou weer houdt!”Zou het waar wezen? Zou hij zóó zijn?Een gulp van afgunst heeft haar doorwoeld. Strak in de duisternis staarde haar blik.… Op haar elleboog ingesoesd is zij.Toen, in die nacht, is dat nog gebeurd. Zij heeft hem weergezien in de slaap. De droom bracht hem tot haar, den man dien zij liefheeft—dien zij eeuwig beminnen zal. En ellendig is zij ontwaakt.[209]Of ze dronken geweest was, trillend, beverig, heeft ze gesoesd op haar dag-werk. De kamerschuier schoot uit haar hand, een haak van ’er mouw hechtte in de vitrage en trok daar een lange scheur, bij het dekken voor het ontbijt viel de kaasstulp op de grond.Toen wist ze niet meer en kon ze niet meer, en wezenloos is ze gevlucht naar de keuken.Enkel hier, hier stil alleen, heeft zij rust, is zonder angst. Zoo dankbaar is zij voor deze dienst! Waar had zij anders moeten blijven? Bij Maandag kon niet, ze wou niet bij Oom, dus toch weg? met groo’va mee? Willem drong aan en Groo’va vermaande. Hier, nu ze werkt en verdient, is ze vrij. Als het nu maar gáát met ’et werk.… Hier voelt ze zich veilig voor Oom en Tante. Zij wil daar niet heen, die schijnheilige duivels, ze hebben haar zóóveel leed gedaan, en nog is het steken en striemen, telkens kwaadgespreek van Jan. Laffe afgunstigen, domme tobbers. Oom nou met z’en sigaren-depôt, dat hij met liegen bij Groo’va verdiend heeft.…Loom zit zij neder, roerloos in peinzen. Vóór haar op tafel haar avondbrood en het kannetje karnemelk. Plots schrikt zij op, de stem van Meneer:—Zit jij daar nog!? Het gas moet uit.…—Ja Meneer.Ze haalt de lantaren, steekt de kaars aan:—Nacht Meneer.Dan kraakt de trap, wat gestommel boven—in haar slaaphok omzoemen muggen het licht.[210]
—Goeie nacht!.…—Nacht Geertje.…
Ze hebben haar wel te rusten gewenscht, Meneer en Mevrouw, zonder haar te zien, zonder dat zij hen gezien heeft. Elken avond net hetzelfde; als slot van de dag de kille plichtpleging op de mat, waartoe de groet, die zij aanvankelijk in de kamer kwam brengen, al gauw is afgesleten. Maar waarom zou zij beters verwachten? Mevrouw is vriendelijk, nogal geduldig. Meneer zegt nooit iets, alles is goed.
In de donkerte kraakt de sousterrainstrap, kraakt nog eens, dan staat ze beneden. Van de straat komt dof gerucht. Hier aan den achterkant leeft zij begraven. De stilte verschrikt slechts haar eigen geluid, òpschrikkend vlak achter haar. Door ’t korte smalle gangetje—de deur van de logeerkamer, die de voorhelft van het sousterrain inneemt, voorbij—gaat ze tevens langs de deuren van het kolenhok en van haar kamertje. Dan is er de open deur van de keuken. Daar glanst de tegelwand onder de gasvlam, glinstert de pekel boven de gootsteen; er lauwt een lucht van gebraden vet. De keuken is laag en niet groot, toch hol; in de bedomptheid schaduwt het nog. Vlak naast de vlam snijdt het langwerpig-vierkante licht-en-luchtgat den muur juist boven de keukentafel open. Er kunnen twee matglasramen tegen gezet, maar die liggen op de glazenkast. Dag en nacht blijft het gat geopend en dringt er lucht door tusschen de tralies, aan de buitenkant in de muur opgezet. Een van haar eerste avonden, in Juni, heeft Geertje tusschen die tralies donkere, heel kleine oogen zien fonkelen, en met[206]een schreeuw is ze opgevaren, heeft de ramen gegrepen, in ’t gat gekletst, waarna ze rillend is blijven staan. Mevrouw heeft haar tot kalmte gebracht: geen rat, geen muis komt ooit hier binnen. Gerust is Geertje sedert nooit, maar de lucht! er moet wàt lucht zijn! Ze weet toch al niet hoe te doen van benauwdheid. Als de lesjeerkamer openmocht, de deur en de ramen, dan kwam er tocht. Maar Mevrouw in d’er nettigheid, kan je begrijpen!—„Geertje, nee’, geen keukelucht, waar me logées later moeten slapen.” Muf blijft de kamer aldoor gesloten en zij hier achter, ze walgt soms, ze stikt.
Het is of de avonden ’t ergste zijn. Wanneer, vroeg, duisternis valt door het lichtgat: het verlaten, trieste plaatsje, waar over-dag ook nog wel eens een stem plotseling door de stilte heen ketst of ’t gerucht van een bezigheid schraapt, hooger en hooger oplost in schemer, zoodat Geertje, even het hoofd vóór de tralies, met verbazing ziet, dat de hemel nog licht is; dan draalt zij, uit vrees voor meer hitte en voor muggen, maar eindelijk laat zij het gaslicht ploffen en angstigt nu de nacht tegemoet, de looden-loome, niet-koelende nacht. Haar eenzaamheid is een gevangenis van opgesloten-benauwing, een lauwe broeiing, zonder uitweg.
Waar de stoving het ergst is, moet zij slapen. Op het vensterlooze vertrekje, in den dooden hoek van het sousterrain, waar het plaatsje heeft opgehouden, is de ruimte voor het nog donkerder kolenhok uitgespaard; achter het hok donkert hittig haar bedstee.
Zij aarzelt nu in de keuken rond, valt eindelijk neer op de stoel bij het luchtgat. Ze snakt naar lucht, èffe, vrij in de lucht!
Maar Mevrouw heeft ’er een standje gegeven, toen ze eergisteravond, nadat ze de gerepereerde laarzen van Meneer had aangenomen, aan de deur was blijven staan.
—Dat past toch niet. ’k Dacht dat jij dat wel wist.
Uitgaan mag ze, op d’er avond. Maar ze wil de straat niet meer op. Schuw is ze van de straat, van de menschen. Schuw—deze kelder is óók een toevlucht.[207]
De laatste Juni is ’et gebeurd, toen ze net een week hier in huis was. Ze dacht aan niks as an d’er werk, ’t viel toch al zwaar, zoo derekt op ’er ziekte. Te zwak was ze, om verder te denken. Dit mo’st nou, dit had ze zelf zoo gewild.—Mevrouw was goed voor der, zij dee d’er werk: geen hoofd had ze meer voor prakkezeeren. En daar is zijHemtegengekomen!
De grond heeft niet gedeind, de straat heeft niet gedraaid; ze zag hem opeens, en had ééne gedachte: dat ze doorloopen moest, gewoon doen.
Het oogenblik zelf was het moeilijkste niet. Toen hij voorbij was, brandde de smaad: luisterend naar de heer met wie hij liep, had hij glimlachend, met lachóógen naar haar gekeken, haar áángekeken, vlak in het gezicht, niet gegroet, gekeken—hòe! De pijn is als een brandwond geweest—die voel je evenmin da’lijk het ergst. D’er twee boodschappen heeft ze kunnen doen. In de winkels àl gezeid wat ze moest. Toen is ze in een roes naar huis gesneld, heeft boven de antwoorden opgezegd en hier benee is ze weggeschuild in een verlangen van: niet meer hier weg, nooit weer de straat op—de straat-met-Hèm.…
Maar de nacht, toen ze lag, onmachtig, onmachtig in droomen, niet wetend, op ’t laatst, of zij droomde of ijlde of dacht!
Angstig, moe, was ze ingeslapen, diep in de bedstee bang zich verbergend. Maarrauwna het zoete wegzijn in slaap, is zij, al in de voornacht, ontwaakt, niet wetend, waar was zij!? nee, duisternis, nee, zij was niet meer ziek, zij lag hier in ’er bedsteê—gedróómd had ze, van die zaal, met Hem.
Ze is, half overeind, op haar elleboog gaan steunen. En àlmaar heeft ze geprakkezeerd:—voor het éérst met de meening der anderen mee. Met Oom en Groo’va en Tante en Maandag en Willem en Dominee Gobius, die, ieder op zijn eigen manier, haar tegen Jan hebben opgestookt. Gepriemd zijn hun woorden haar door het hoofd. Jan is dit en Jan is dat, haar heeft hij ongelukkig gemaakt, liefde nooit voor haar gevoeld.…[208]
Ze heeft niet gehuild—slechts geprakkezeerd, àlmaar vóór zich die oogen, die oogen, spottend-vroolijk, lachend haar aanziend!
Tot zij, in de broeiing der bedstee, gerild heeft van moeheid, is ingeslapen.…
Toen zij ontwaakte, was het nog nacht.
Onmiddellijk is zij klaar wakker geweest, in een gevoel, of een lichaamspijn haar uit de slaap had weggetrokken. Maar zij wist ook dadelijk: het onherstelbare deed haar lijden, iets veel ergers dan pijn aan het lichaam. Dat onherstelbare wàs er al; zeker. Weken lang had ze zich opgedrongen, dat ze ’t vergeten zou, dat ze vervuld was met andere dingen:—eerst met de vraag waar ze blijven zou, toen met haar dienst. Maar die nacht was het weergekomen.
Hij had haar niet lief. Waarom toch niet! Was ze niet knap genoeg? niet vroolijk? Wat kon hij tegen haar hebben gehad? Dat hij nu keek, of hij met haar spòtte!.… Om de miskraam? Nee! dat niet. Zóó slecht was hij niet, haar Jan. Trouwens, naar ’t kind had hij nooit verlangd. Integendeel, juist toen ze zwanger bleek, was hij minder van haar gaan houden. Hoe kon hij dan nu zóó tegen haar doen?
Twee gezegden, beide van Maandag, hebben telkens haar denken gepijnigd.
—„Heins is geen man die zich hecht ’an ’en vrouw, an jou zoo min als ’an een ander.”
—„Dach’ ie dat je z’en eenige was; vraag es met wie-d-ie ’et nou weer houdt!”
Zou het waar wezen? Zou hij zóó zijn?
Een gulp van afgunst heeft haar doorwoeld. Strak in de duisternis staarde haar blik.… Op haar elleboog ingesoesd is zij.
Toen, in die nacht, is dat nog gebeurd. Zij heeft hem weergezien in de slaap. De droom bracht hem tot haar, den man dien zij liefheeft—dien zij eeuwig beminnen zal. En ellendig is zij ontwaakt.[209]
Of ze dronken geweest was, trillend, beverig, heeft ze gesoesd op haar dag-werk. De kamerschuier schoot uit haar hand, een haak van ’er mouw hechtte in de vitrage en trok daar een lange scheur, bij het dekken voor het ontbijt viel de kaasstulp op de grond.
Toen wist ze niet meer en kon ze niet meer, en wezenloos is ze gevlucht naar de keuken.
Enkel hier, hier stil alleen, heeft zij rust, is zonder angst. Zoo dankbaar is zij voor deze dienst! Waar had zij anders moeten blijven? Bij Maandag kon niet, ze wou niet bij Oom, dus toch weg? met groo’va mee? Willem drong aan en Groo’va vermaande. Hier, nu ze werkt en verdient, is ze vrij. Als het nu maar gáát met ’et werk.… Hier voelt ze zich veilig voor Oom en Tante. Zij wil daar niet heen, die schijnheilige duivels, ze hebben haar zóóveel leed gedaan, en nog is het steken en striemen, telkens kwaadgespreek van Jan. Laffe afgunstigen, domme tobbers. Oom nou met z’en sigaren-depôt, dat hij met liegen bij Groo’va verdiend heeft.…
Loom zit zij neder, roerloos in peinzen. Vóór haar op tafel haar avondbrood en het kannetje karnemelk. Plots schrikt zij op, de stem van Meneer:
—Zit jij daar nog!? Het gas moet uit.…
—Ja Meneer.
Ze haalt de lantaren, steekt de kaars aan:
—Nacht Meneer.
Dan kraakt de trap, wat gestommel boven—in haar slaaphok omzoemen muggen het licht.[210]
[Inhoud]II.—Hè! ’k ben net naar u op weg.—Sau! Dat gebeurt je-n-auk nie te dukk’els.Blij is zij, Maandag weer te zien, en trekt een pruilmondje op zijn verwijt.—Hoe make de kinders ’et?—Best. Da’ gaat goed.Zij hoort de verandering in zijn stem, tot hartelijke, innige ernst. Hij wéét, dat zij deelt in deze voldoening! Verheugd draait zij met hem de Nadorststraat in, wacht op de vraag, die hij niet stelt, zwijgt dus ook—straks zullen zij praten.Getikt bij juffrouw Tabbe:—geen antwoord.—Da’s jammer, dan ben ze metter uijt.—’k Heb de tijd, gelukkig, venavond.—We hauren et wel as ze bauve komme.En de deur van zijn woning achter zich sluitend:—No’ fertel, wat is-t-er gebeurd?Zij lacht luid op. Die goeie meneer! Hij kijkt haar aan, of ze wàt voor gewichtigs heeft te vertellen.—Gebeurd? Niks!—Sau.Hij loopt naar de bedstee, haalt zijn huisjas.—Hoe is Grau’fa fer je geweest?—Och, nog al goed.Nu zitten zij. Net als toen, in die droevige dagen.… De kamer lijkt Geertje nòg leeger en holler; toch doet het haar goed, weer hier te zijn.[211]—Zal ik thee zette?—D’er is d’er geen.—Krijgt u die dan ook benee!?Ja, hij gebruikt nu alles bij buurvrouw. Anders wordt het leven te duur, met het kostgeld dat hij betaalt. ’t Is, nou ja, wel eens minder gezellig, omdat hij toch het liefst maar hier zit en niet onbescheiden wil wezen; zijn bakkie drinkt en dan gauw verdwijnt. Maar de heele regeling is zoo’n verbetering in alles. Buurvrouw zorgt zóó goed voor de kinders.…—Ja, en da’s no’ gekomme dur jau. Froeger ha’ me d’er nauyt an gedacht.Geertje zwijgt. Haar gemoed schiet vol. Arme, goeie eenzame Maandag; ’t eenige, dat hij had op de wereld, waren die kinders, en nou—alleen. ’t Zijn nou juffrouw Tabbe d’er kinders. Hij zit met ze aan, beneden:—als gast. Waarom is zij niet teruggekeerd? Hij zelf heeft gezegd, dat ze beter niet kwam; dat het op den duur niet gaan zou. Vreemd is hij geweest, maar ze hééft begrepen, dat hij het waarlijk liever zoo wou: om de kinders, uit angst voor buurvrouw. Toen ook hij als de anderen sprak, is ze gezwicht, en toch.… ze weet niet, is zij niet ondankbaar geweest, heeft hij het heusch liever zoo gewild? Zij durft er hem niet meer over spreken. Met vreugde opent zij haar pak.—Dan een perzik.—Maid! wa’ no’!.…—Van Groeneveld, ’et buite bij ons. Gisteren zelf van de tuinman gekrege.Hij laat de vrucht liggen.—Eet u die nou. Ik heb er meer. Voor de kinders en ook voor benee.En ze stalt uit: ze heeft er acht!Lachend:—En wàt lekkere koekjes! Van de eerste bakker in ’t dorp.—Ben d’er méér bakkers?[212]—Ja zeker, wel drie!Ze lacht. Maar opeens, met een schuldbesef. Groo’va heeft het haar gezegd: voor al zijn onkosten van haar ziekte heeft Maandag geen cent vergoeding willen aannemen. Zelfs het rijtuig, waarmee ze naar het ziekenhuis is gevoerd, heeft hij betaald. Dit moet hij hooren:—Groo’va is u nù wel dankbaar. Hij erkent zijn ongelijk.Strak laat Maandag de woorden vallen:—’k Heb ’un briefje fan im gehad.Weer is er zwijgen. Dan valt hij uit:—Fertel je no’ niks! Hòe is ’t gegaan?Geertje, traag:—.… Och.… niks.… Och zoo. Ik ben d’er tweemaal an huis geweest. Willem z’en moeder lag ziek te bed. ’k Heb d’er eene keer effe gesproke. Z’en zusters ware anders as vroeger. Of ze wat giste, weet ik niet. ’t Kan ook zijn, da’k et me verbeeld heb—’k von’ de mense allemaal anders, Domenee en et heele dorp.…—M’ar ben je-n-opgeschaute mit Wullem?Ze zwijgt. Ze kàn deze dingen niet zeggen. Waarom dringt Maandag toch aldoor méé aan, dat ze Willem nemen zal? Zij hòudt van Maandag, ze is hem zóó dankbaar, het ergert haar—en dit juist doet haar pijn—, dat zelfs hij haar niet begrijpt.—Is ’t er dus nog niet daur? houdt hij aan.—Nee! zegt ze strak, bijna vinnig; hem aanziend.Hij staat op en opent de deur. Terugkomend:—’k Dach’ da’k de kinders d’ar haurde.… En.… je nich’, was die geschikt?Ja, die was heel lief geweest. Liep haar na met melk en eiers. Een goed mensch, die ouwe nicht Bet.—Groo’va wordt oud en drommels lastig! ’En zege’ dat ie nicht bij zich heeft.—Anders mos’ jai.—Ja, anders most ik.…[213]Geertje zegt het, maar meent het niet. Ze kan zich niet voorstellen, dat het zou moeten, dat ze voorgoed met Groo’va zou zijn! Deze veertien dagen hebben al zoo lang geleken, ofschóón de tijd is meegevallen, nadat zij er tegen had opgezien van het oogenblik af dat Mevrouw gezeid had:—„Wij gaan op reis en jij met kostgeld”.… Gesnakt heeft ze soms om thuis weg te komen, en toen ze gisteren weer in de stad was, de Maas zag, de lichtjes, de masten der schepen.… ze heeft zich herinnerd: een avond met Hem, toen z’ook van huis kwam en Hij haar haalde.… en tòch leefde zij op, was blij, als bevrijd van een last: weer vrij!—’k Zou in ’en dorp nie’ meer kunne wenne.Maandag, pijpdampend, verslikt zich, hoest. Dan op eenmaal, vertelt hij, druk, van de kinders, hun leven bij Buurvrouw: Tabbe, die ook heel goed voor ze-n-is; de wichten, ze komen bij met de dag, Buurvrouw verzorgt z’ als eigen kroost—’t mensch heeft altijd naar kinders verlangd. Wanneer het nu maar zoo mag blijven:—van zijn zuster hoort hij niets.…—Zou ze nog in Amsterdam zijn?Hij haalt de schouders op:—Of dood.…Vreemd-opgewekt, praat hij van zijn werk en spot met Oom, de sigaren-kenner. En plotseling weer begint hij van ’t dorp, of ’t er niet prachtig was, nou met de zomer.Geertje verhaalt van Groeneveld, de bakken met druiven, de rozen, een veulen dat in de wei z’en moeder nasprong.—Kon Piet dat ’es zien!Maar hij nu weer:—En op Heukelman’s boerderai?Verlegen-plagerig ziet hij haar aan. Zij ziet de verlegenheid, God-nog-’es-toe! wat heeft hij haar toch daarmee te plagen!—Waarom ben u nou zoo flauw? ’t Is toch al zoo moeilijk voor me. Willem laat niet van me-n-af, nou zei ie dat ie hier wou komme.[214]—En jai, wil je niet?—Néé, netuurluk! Dat ù dat vraagt, die alles weet. Ik wil niet trouwe zonder liefde.—En kùn je niet van Wullum hauwe?—Je houdt toch niet van twee tegelijk!Ernst-stralend staren zijn oogen haar aan. Een blos toog over zijn grauwe geelheid. Hij frunnikt aan zijn pijp, vaart op.—Dar sain ze.… Wacht! ik haal se hier.Zij is opgerezen na hem. Hoog staat zij en staart in de eenzame kamer. De leege kamer, vol voor haar. Zij staart, zij kijkt niet, z’ is ìn het geheel; en toch spreken alle dingen en dringen elk met eigen weemoed. Hier heeft haar liefde het laatst gehoopt. Z’ is zóóveel ouder na al wat gebeurde.Dat voelt ze, wanneer ze maar even alleen is. Bij menschen spreekt en lacht zij mee, houdt de schijn op van jonge Geertje. ’t Liegen heeft ze nu wel geleerd. Vaakwaartvoor haar zelf de schijn door het wezen; weet ze niet, wat haar drijft, wat ze wil; waarom ze bleef, in dienst, bij vreemden.… Deze kale kamer weet het. Weet, hoe zij isafgescheurd.D’ ontroering stuwt haar vóór de bedstee. Dáár stond Groo’va en Willem naast hem. In het zwart waren allebei. Twee vermaners, twee verwijters. Zij wachtten, gekomen om haar te halen. Toen zij hen zag, heeft ze dóódsangst gevoeld. Of zij kwamen met de kist. Gegild heeft ze, dat men haar hier moest laten—maar ook Maandag gaf Groo’va gelijk. Toen is alle besef haar ontvloden, kreunend in leedhebben is zij verdoofd, enzewéét verder niets bepaalds meer—tòt, toen zij lag, strak, versuft, máár bewust, onder vreemden, niets dan vreemden, in die kamer met vele bedden, vele bedden, alle hetzelfde. Zij was blijven leven, maar alles was dood. Nu was kindje zéker dood. Als een gezwel was het uit haar gesneden, weggeworpen, of het een ding was, zonder dat de moeder kon helpen. Haar bleef enkel de rouw, en[215]de schande, waar zij aldóór over moest hooren. Want òm haar kilde slechts de vermaning van louter menschen net als Groo’va. Ook haar laatste gevoel voor Groo’va is gestorven in dat huis. In al wat daar bitste, herkende zij hem.…Met moeite doet zij vroolijk tegen de kinderen, die plots op haar komen toegejoeld. Gelukkig zijn daar de perziken. Ze kan vertellen van Groeneveld. Dan komt vrouw Tabbe met Maandag zijn „bakkie” en een kleiner kop voor Geertje. Maandag glundert bij zóóveel goedgeluimdheid. Maar de kinders haalt buurvrouw weg. Geertje geeft de koekjes mee.In de schemerende kamer hokt het gesprek. Maandag vraagt, of Geertje nog wat kan blijven. Dàn durft zij:—Weet je niks van Jan?Nog altijd kan zij er niet aan wennen, den oudere, den vriend van Oom, anders dan met „u” aan te spreken. Maar wetend dat het „je” hem plezier doet, vergemakkelijkt z’ er de vraag mee, die in haar brandde, die aldoor brandt.Hij—ja zeker, hij wéét wel wat! En dat antwoord brandt nu in hem. Heins houdt het met een van de meiden van Stevens, die het beter aanleit dan Geertje gedaan heeft, hem meevoert naar koffiehuis en kemedie, dat de heele stad hen ziet. De lust tot spreken gulpt op in Maandag. Maar hij denkt aan de kalme koelheid, waarmee Geertje vroeger zijn wraaklust gestriemd heeft; aan haar, met niets te verwoesten, geloof, waardoor, toen hij van Jan’s scharrelen repte, z’ onmiddellijk het antwoord klaar had, dat Jan daarmee trachtte haar te vergeten. En hij zwijgt, kijkt ontroerd naar haar, blozend wanneer hij haar oogen ontmoet. Aarzelend, verlegen verwijt hij:—Keu je-n-um m’ar nie’ fergaite?!—Vergete!?!Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nòg dieper weg, maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het and’re gevoel gaat.[216]Weer dekt het zwijgen beider gedachten. Tot een kleinigheid afleiding brengt. Een kind in de straat dat leelijk hoest, doet Maandag spreken van Mietje’s kwaal, die deze zomer gelukkig uitblijft; verleje jaar, net in de warmte, was ’t erg. Ook d’er moeder als meisje had ’s zomers er last van. Die d’er jeugd is door dat hoesten bedorven. En zoo’n gesukkel verklaart zoovéél. Als je alles weet, vergeef je. Bet zou niet geworden zijn die ze nou is, wanneer ze zich niet zoo had moeten ontzien en niet ontzien had moeten worden, toen zij een opgroeiende deern was. Da’s met de meeste van die meiden, waar de wereld zoo fel over oordeelt.—Ja.…, aarzelt Geertje, schuw voor de kwestie.Maar Maandag gaat er over door. Geertje, mijmerend en onthutst nu, luistert ongeregeld, hoort zenuwachtig brokken van zinnen, begrijpt niet, waarom hij spreekt van die dingen. Hij zegt, dat hij wel zulke vrouwen gekend heeft. Geertje zal het van hem niet hebben gedacht. Maar waar moest hij anders wat liefde zoeken? De behoefte dááraan steekt ieder mensch. Nijdig, woest-nijdig is hij geweest, toen hij ook bij die vrouwen enkel teleurstelling vond. Ook die toonden niets dan afkeer van hem en hij gaf er toch al zijn geld aan.—Och, ben je bedonderd, zei een kennis tegen hem, dach’-ie, dat er ooit een meid was die voor d’er lol ging met elke vent?—Maar met hèm was het nog wat ergers. Dezelfde die met andere jongens vroolijk waren en vriendelijk, deden stuursch en grof tegen hem. Dáár heeft hij heel veel onder geleden. Eens was hij met een kennis gegaan. Zij klampten samen twee vrouwen aan. De eene was een forsche bruine, groote oogen, een mooie lachmond. Luidruchtig sprak die van pretmakerij. Maar toen de andere vrouw met de vriend ging, bleef ze staan en zei geen woord meer. Eén zoo’n avond was erger voor hem dan jaren geplaag van de jongens op school. Maar daarop is hij na gaan denken. Bij al wat je met een ander doorleeft, moet je je denken in die zijn toestand. Als de menschen dat beter deden kwam er minder oneenigheid.[217]Hij dacht: die vrouw is wat beters gewéést. D’er zijn maar heel weinig publieke vrouwen de bree’e weg op gegaan uit ontuchtigheid. Zoo’n meid is, wat de menschen noemen, „gevallen”. Eenmaal heeft z’een lief gehad, die d’er de herinnering heeft gelaten van het heerlijkste geluk.—Was ’t wonder, dat ze met hèm geen plezier had? Bij die mooie herinnering?.… Toen kreeg hij nog ééns het wanhopig verlangen om toch ook dat geluk te vinden. Hij werd weer kuisch: uit verlangen naar liefde. Tòt hij begreep:—ik kan het niet hebben. Hij mocht niet, hij wou niet.… of.… zijn verstànd zèi, dat hij niet wou. ’t Redeneerde zóó, zijn verstand: Een vrouw, die wezenlijk van hem hield, zou, in de bijslaap, moeten denken: ’k wil een kind, dat op hem lijkt. Nou denk es an, zijn gelijkenis!Maandag lacht, een triest grimas. Even zwijgt hij, en gaat dan voort:De voldoening over het overwinnen door de redeneering is ook eengevoel, ook eengevoel van sterk geluk, zoo goed als overwinnende liefde. Nu leeft de geslachtsdrift in hem niet meer. Hij weet nu geestelijk lief te hebben. Geestelijk en anders niet. Probeert zelfs, niet jaloersch te zijn. Is ommers al vader, ook, van twee kinders!.…Geertje luistert, vreemd ontroerd. Eerst heeft zijn praten haar droef verbaasd. Hij, ook hij zag in haar zoo’n vrouw!? Waarom anders over die dingen gesproken?.… Toen heeft zij beseft, dat hij het zoo niet bedoelde. Dikwijls begrijpt zij hem onvolkomen, raadt naar de strekking van zijn gezegden. Maar zij vòelt nu zijn smart en zijn kracht, voelt ook wel dat hij haar hiermee wil troosten, schoon zijn gedachten haar verder ontglippen.Hij voelt opeens verlegenheid, dat hij zich zoo heeft laten gaan, zóóveel over zichzelven gesproken. En weer begint hij over zijn zus.… nou is ze zìek, verrot is d’er lichaam en ze wàs zoo’n knappe meid. D’er eerste vent ook zoo’n knappe kerel. ’En paar jaar waren ze dol op mekaar. Ook Bets-en-zijn[218]ouders waren knap. Maar ’t schijnt, dat hun grootvader heeft gezwijnjakt. Die heeft de schurft gebracht in de femielje; ’t is gebleken in ’et tweede gelid.… Twee broers en een zusje jong gestorven. En de derde broer loopt met z’en bult!.…[219]
II.
—Hè! ’k ben net naar u op weg.—Sau! Dat gebeurt je-n-auk nie te dukk’els.Blij is zij, Maandag weer te zien, en trekt een pruilmondje op zijn verwijt.—Hoe make de kinders ’et?—Best. Da’ gaat goed.Zij hoort de verandering in zijn stem, tot hartelijke, innige ernst. Hij wéét, dat zij deelt in deze voldoening! Verheugd draait zij met hem de Nadorststraat in, wacht op de vraag, die hij niet stelt, zwijgt dus ook—straks zullen zij praten.Getikt bij juffrouw Tabbe:—geen antwoord.—Da’s jammer, dan ben ze metter uijt.—’k Heb de tijd, gelukkig, venavond.—We hauren et wel as ze bauve komme.En de deur van zijn woning achter zich sluitend:—No’ fertel, wat is-t-er gebeurd?Zij lacht luid op. Die goeie meneer! Hij kijkt haar aan, of ze wàt voor gewichtigs heeft te vertellen.—Gebeurd? Niks!—Sau.Hij loopt naar de bedstee, haalt zijn huisjas.—Hoe is Grau’fa fer je geweest?—Och, nog al goed.Nu zitten zij. Net als toen, in die droevige dagen.… De kamer lijkt Geertje nòg leeger en holler; toch doet het haar goed, weer hier te zijn.[211]—Zal ik thee zette?—D’er is d’er geen.—Krijgt u die dan ook benee!?Ja, hij gebruikt nu alles bij buurvrouw. Anders wordt het leven te duur, met het kostgeld dat hij betaalt. ’t Is, nou ja, wel eens minder gezellig, omdat hij toch het liefst maar hier zit en niet onbescheiden wil wezen; zijn bakkie drinkt en dan gauw verdwijnt. Maar de heele regeling is zoo’n verbetering in alles. Buurvrouw zorgt zóó goed voor de kinders.…—Ja, en da’s no’ gekomme dur jau. Froeger ha’ me d’er nauyt an gedacht.Geertje zwijgt. Haar gemoed schiet vol. Arme, goeie eenzame Maandag; ’t eenige, dat hij had op de wereld, waren die kinders, en nou—alleen. ’t Zijn nou juffrouw Tabbe d’er kinders. Hij zit met ze aan, beneden:—als gast. Waarom is zij niet teruggekeerd? Hij zelf heeft gezegd, dat ze beter niet kwam; dat het op den duur niet gaan zou. Vreemd is hij geweest, maar ze hééft begrepen, dat hij het waarlijk liever zoo wou: om de kinders, uit angst voor buurvrouw. Toen ook hij als de anderen sprak, is ze gezwicht, en toch.… ze weet niet, is zij niet ondankbaar geweest, heeft hij het heusch liever zoo gewild? Zij durft er hem niet meer over spreken. Met vreugde opent zij haar pak.—Dan een perzik.—Maid! wa’ no’!.…—Van Groeneveld, ’et buite bij ons. Gisteren zelf van de tuinman gekrege.Hij laat de vrucht liggen.—Eet u die nou. Ik heb er meer. Voor de kinders en ook voor benee.En ze stalt uit: ze heeft er acht!Lachend:—En wàt lekkere koekjes! Van de eerste bakker in ’t dorp.—Ben d’er méér bakkers?[212]—Ja zeker, wel drie!Ze lacht. Maar opeens, met een schuldbesef. Groo’va heeft het haar gezegd: voor al zijn onkosten van haar ziekte heeft Maandag geen cent vergoeding willen aannemen. Zelfs het rijtuig, waarmee ze naar het ziekenhuis is gevoerd, heeft hij betaald. Dit moet hij hooren:—Groo’va is u nù wel dankbaar. Hij erkent zijn ongelijk.Strak laat Maandag de woorden vallen:—’k Heb ’un briefje fan im gehad.Weer is er zwijgen. Dan valt hij uit:—Fertel je no’ niks! Hòe is ’t gegaan?Geertje, traag:—.… Och.… niks.… Och zoo. Ik ben d’er tweemaal an huis geweest. Willem z’en moeder lag ziek te bed. ’k Heb d’er eene keer effe gesproke. Z’en zusters ware anders as vroeger. Of ze wat giste, weet ik niet. ’t Kan ook zijn, da’k et me verbeeld heb—’k von’ de mense allemaal anders, Domenee en et heele dorp.…—M’ar ben je-n-opgeschaute mit Wullem?Ze zwijgt. Ze kàn deze dingen niet zeggen. Waarom dringt Maandag toch aldoor méé aan, dat ze Willem nemen zal? Zij hòudt van Maandag, ze is hem zóó dankbaar, het ergert haar—en dit juist doet haar pijn—, dat zelfs hij haar niet begrijpt.—Is ’t er dus nog niet daur? houdt hij aan.—Nee! zegt ze strak, bijna vinnig; hem aanziend.Hij staat op en opent de deur. Terugkomend:—’k Dach’ da’k de kinders d’ar haurde.… En.… je nich’, was die geschikt?Ja, die was heel lief geweest. Liep haar na met melk en eiers. Een goed mensch, die ouwe nicht Bet.—Groo’va wordt oud en drommels lastig! ’En zege’ dat ie nicht bij zich heeft.—Anders mos’ jai.—Ja, anders most ik.…[213]Geertje zegt het, maar meent het niet. Ze kan zich niet voorstellen, dat het zou moeten, dat ze voorgoed met Groo’va zou zijn! Deze veertien dagen hebben al zoo lang geleken, ofschóón de tijd is meegevallen, nadat zij er tegen had opgezien van het oogenblik af dat Mevrouw gezeid had:—„Wij gaan op reis en jij met kostgeld”.… Gesnakt heeft ze soms om thuis weg te komen, en toen ze gisteren weer in de stad was, de Maas zag, de lichtjes, de masten der schepen.… ze heeft zich herinnerd: een avond met Hem, toen z’ook van huis kwam en Hij haar haalde.… en tòch leefde zij op, was blij, als bevrijd van een last: weer vrij!—’k Zou in ’en dorp nie’ meer kunne wenne.Maandag, pijpdampend, verslikt zich, hoest. Dan op eenmaal, vertelt hij, druk, van de kinders, hun leven bij Buurvrouw: Tabbe, die ook heel goed voor ze-n-is; de wichten, ze komen bij met de dag, Buurvrouw verzorgt z’ als eigen kroost—’t mensch heeft altijd naar kinders verlangd. Wanneer het nu maar zoo mag blijven:—van zijn zuster hoort hij niets.…—Zou ze nog in Amsterdam zijn?Hij haalt de schouders op:—Of dood.…Vreemd-opgewekt, praat hij van zijn werk en spot met Oom, de sigaren-kenner. En plotseling weer begint hij van ’t dorp, of ’t er niet prachtig was, nou met de zomer.Geertje verhaalt van Groeneveld, de bakken met druiven, de rozen, een veulen dat in de wei z’en moeder nasprong.—Kon Piet dat ’es zien!Maar hij nu weer:—En op Heukelman’s boerderai?Verlegen-plagerig ziet hij haar aan. Zij ziet de verlegenheid, God-nog-’es-toe! wat heeft hij haar toch daarmee te plagen!—Waarom ben u nou zoo flauw? ’t Is toch al zoo moeilijk voor me. Willem laat niet van me-n-af, nou zei ie dat ie hier wou komme.[214]—En jai, wil je niet?—Néé, netuurluk! Dat ù dat vraagt, die alles weet. Ik wil niet trouwe zonder liefde.—En kùn je niet van Wullum hauwe?—Je houdt toch niet van twee tegelijk!Ernst-stralend staren zijn oogen haar aan. Een blos toog over zijn grauwe geelheid. Hij frunnikt aan zijn pijp, vaart op.—Dar sain ze.… Wacht! ik haal se hier.Zij is opgerezen na hem. Hoog staat zij en staart in de eenzame kamer. De leege kamer, vol voor haar. Zij staart, zij kijkt niet, z’ is ìn het geheel; en toch spreken alle dingen en dringen elk met eigen weemoed. Hier heeft haar liefde het laatst gehoopt. Z’ is zóóveel ouder na al wat gebeurde.Dat voelt ze, wanneer ze maar even alleen is. Bij menschen spreekt en lacht zij mee, houdt de schijn op van jonge Geertje. ’t Liegen heeft ze nu wel geleerd. Vaakwaartvoor haar zelf de schijn door het wezen; weet ze niet, wat haar drijft, wat ze wil; waarom ze bleef, in dienst, bij vreemden.… Deze kale kamer weet het. Weet, hoe zij isafgescheurd.D’ ontroering stuwt haar vóór de bedstee. Dáár stond Groo’va en Willem naast hem. In het zwart waren allebei. Twee vermaners, twee verwijters. Zij wachtten, gekomen om haar te halen. Toen zij hen zag, heeft ze dóódsangst gevoeld. Of zij kwamen met de kist. Gegild heeft ze, dat men haar hier moest laten—maar ook Maandag gaf Groo’va gelijk. Toen is alle besef haar ontvloden, kreunend in leedhebben is zij verdoofd, enzewéét verder niets bepaalds meer—tòt, toen zij lag, strak, versuft, máár bewust, onder vreemden, niets dan vreemden, in die kamer met vele bedden, vele bedden, alle hetzelfde. Zij was blijven leven, maar alles was dood. Nu was kindje zéker dood. Als een gezwel was het uit haar gesneden, weggeworpen, of het een ding was, zonder dat de moeder kon helpen. Haar bleef enkel de rouw, en[215]de schande, waar zij aldóór over moest hooren. Want òm haar kilde slechts de vermaning van louter menschen net als Groo’va. Ook haar laatste gevoel voor Groo’va is gestorven in dat huis. In al wat daar bitste, herkende zij hem.…Met moeite doet zij vroolijk tegen de kinderen, die plots op haar komen toegejoeld. Gelukkig zijn daar de perziken. Ze kan vertellen van Groeneveld. Dan komt vrouw Tabbe met Maandag zijn „bakkie” en een kleiner kop voor Geertje. Maandag glundert bij zóóveel goedgeluimdheid. Maar de kinders haalt buurvrouw weg. Geertje geeft de koekjes mee.In de schemerende kamer hokt het gesprek. Maandag vraagt, of Geertje nog wat kan blijven. Dàn durft zij:—Weet je niks van Jan?Nog altijd kan zij er niet aan wennen, den oudere, den vriend van Oom, anders dan met „u” aan te spreken. Maar wetend dat het „je” hem plezier doet, vergemakkelijkt z’ er de vraag mee, die in haar brandde, die aldoor brandt.Hij—ja zeker, hij wéét wel wat! En dat antwoord brandt nu in hem. Heins houdt het met een van de meiden van Stevens, die het beter aanleit dan Geertje gedaan heeft, hem meevoert naar koffiehuis en kemedie, dat de heele stad hen ziet. De lust tot spreken gulpt op in Maandag. Maar hij denkt aan de kalme koelheid, waarmee Geertje vroeger zijn wraaklust gestriemd heeft; aan haar, met niets te verwoesten, geloof, waardoor, toen hij van Jan’s scharrelen repte, z’ onmiddellijk het antwoord klaar had, dat Jan daarmee trachtte haar te vergeten. En hij zwijgt, kijkt ontroerd naar haar, blozend wanneer hij haar oogen ontmoet. Aarzelend, verlegen verwijt hij:—Keu je-n-um m’ar nie’ fergaite?!—Vergete!?!Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nòg dieper weg, maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het and’re gevoel gaat.[216]Weer dekt het zwijgen beider gedachten. Tot een kleinigheid afleiding brengt. Een kind in de straat dat leelijk hoest, doet Maandag spreken van Mietje’s kwaal, die deze zomer gelukkig uitblijft; verleje jaar, net in de warmte, was ’t erg. Ook d’er moeder als meisje had ’s zomers er last van. Die d’er jeugd is door dat hoesten bedorven. En zoo’n gesukkel verklaart zoovéél. Als je alles weet, vergeef je. Bet zou niet geworden zijn die ze nou is, wanneer ze zich niet zoo had moeten ontzien en niet ontzien had moeten worden, toen zij een opgroeiende deern was. Da’s met de meeste van die meiden, waar de wereld zoo fel over oordeelt.—Ja.…, aarzelt Geertje, schuw voor de kwestie.Maar Maandag gaat er over door. Geertje, mijmerend en onthutst nu, luistert ongeregeld, hoort zenuwachtig brokken van zinnen, begrijpt niet, waarom hij spreekt van die dingen. Hij zegt, dat hij wel zulke vrouwen gekend heeft. Geertje zal het van hem niet hebben gedacht. Maar waar moest hij anders wat liefde zoeken? De behoefte dááraan steekt ieder mensch. Nijdig, woest-nijdig is hij geweest, toen hij ook bij die vrouwen enkel teleurstelling vond. Ook die toonden niets dan afkeer van hem en hij gaf er toch al zijn geld aan.—Och, ben je bedonderd, zei een kennis tegen hem, dach’-ie, dat er ooit een meid was die voor d’er lol ging met elke vent?—Maar met hèm was het nog wat ergers. Dezelfde die met andere jongens vroolijk waren en vriendelijk, deden stuursch en grof tegen hem. Dáár heeft hij heel veel onder geleden. Eens was hij met een kennis gegaan. Zij klampten samen twee vrouwen aan. De eene was een forsche bruine, groote oogen, een mooie lachmond. Luidruchtig sprak die van pretmakerij. Maar toen de andere vrouw met de vriend ging, bleef ze staan en zei geen woord meer. Eén zoo’n avond was erger voor hem dan jaren geplaag van de jongens op school. Maar daarop is hij na gaan denken. Bij al wat je met een ander doorleeft, moet je je denken in die zijn toestand. Als de menschen dat beter deden kwam er minder oneenigheid.[217]Hij dacht: die vrouw is wat beters gewéést. D’er zijn maar heel weinig publieke vrouwen de bree’e weg op gegaan uit ontuchtigheid. Zoo’n meid is, wat de menschen noemen, „gevallen”. Eenmaal heeft z’een lief gehad, die d’er de herinnering heeft gelaten van het heerlijkste geluk.—Was ’t wonder, dat ze met hèm geen plezier had? Bij die mooie herinnering?.… Toen kreeg hij nog ééns het wanhopig verlangen om toch ook dat geluk te vinden. Hij werd weer kuisch: uit verlangen naar liefde. Tòt hij begreep:—ik kan het niet hebben. Hij mocht niet, hij wou niet.… of.… zijn verstànd zèi, dat hij niet wou. ’t Redeneerde zóó, zijn verstand: Een vrouw, die wezenlijk van hem hield, zou, in de bijslaap, moeten denken: ’k wil een kind, dat op hem lijkt. Nou denk es an, zijn gelijkenis!Maandag lacht, een triest grimas. Even zwijgt hij, en gaat dan voort:De voldoening over het overwinnen door de redeneering is ook eengevoel, ook eengevoel van sterk geluk, zoo goed als overwinnende liefde. Nu leeft de geslachtsdrift in hem niet meer. Hij weet nu geestelijk lief te hebben. Geestelijk en anders niet. Probeert zelfs, niet jaloersch te zijn. Is ommers al vader, ook, van twee kinders!.…Geertje luistert, vreemd ontroerd. Eerst heeft zijn praten haar droef verbaasd. Hij, ook hij zag in haar zoo’n vrouw!? Waarom anders over die dingen gesproken?.… Toen heeft zij beseft, dat hij het zoo niet bedoelde. Dikwijls begrijpt zij hem onvolkomen, raadt naar de strekking van zijn gezegden. Maar zij vòelt nu zijn smart en zijn kracht, voelt ook wel dat hij haar hiermee wil troosten, schoon zijn gedachten haar verder ontglippen.Hij voelt opeens verlegenheid, dat hij zich zoo heeft laten gaan, zóóveel over zichzelven gesproken. En weer begint hij over zijn zus.… nou is ze zìek, verrot is d’er lichaam en ze wàs zoo’n knappe meid. D’er eerste vent ook zoo’n knappe kerel. ’En paar jaar waren ze dol op mekaar. Ook Bets-en-zijn[218]ouders waren knap. Maar ’t schijnt, dat hun grootvader heeft gezwijnjakt. Die heeft de schurft gebracht in de femielje; ’t is gebleken in ’et tweede gelid.… Twee broers en een zusje jong gestorven. En de derde broer loopt met z’en bult!.…[219]
—Hè! ’k ben net naar u op weg.
—Sau! Dat gebeurt je-n-auk nie te dukk’els.
Blij is zij, Maandag weer te zien, en trekt een pruilmondje op zijn verwijt.
—Hoe make de kinders ’et?
—Best. Da’ gaat goed.
Zij hoort de verandering in zijn stem, tot hartelijke, innige ernst. Hij wéét, dat zij deelt in deze voldoening! Verheugd draait zij met hem de Nadorststraat in, wacht op de vraag, die hij niet stelt, zwijgt dus ook—straks zullen zij praten.
Getikt bij juffrouw Tabbe:—geen antwoord.
—Da’s jammer, dan ben ze metter uijt.
—’k Heb de tijd, gelukkig, venavond.
—We hauren et wel as ze bauve komme.
En de deur van zijn woning achter zich sluitend:
—No’ fertel, wat is-t-er gebeurd?
Zij lacht luid op. Die goeie meneer! Hij kijkt haar aan, of ze wàt voor gewichtigs heeft te vertellen.
—Gebeurd? Niks!
—Sau.
Hij loopt naar de bedstee, haalt zijn huisjas.
—Hoe is Grau’fa fer je geweest?
—Och, nog al goed.
Nu zitten zij. Net als toen, in die droevige dagen.… De kamer lijkt Geertje nòg leeger en holler; toch doet het haar goed, weer hier te zijn.[211]
—Zal ik thee zette?
—D’er is d’er geen.
—Krijgt u die dan ook benee!?
Ja, hij gebruikt nu alles bij buurvrouw. Anders wordt het leven te duur, met het kostgeld dat hij betaalt. ’t Is, nou ja, wel eens minder gezellig, omdat hij toch het liefst maar hier zit en niet onbescheiden wil wezen; zijn bakkie drinkt en dan gauw verdwijnt. Maar de heele regeling is zoo’n verbetering in alles. Buurvrouw zorgt zóó goed voor de kinders.…
—Ja, en da’s no’ gekomme dur jau. Froeger ha’ me d’er nauyt an gedacht.
Geertje zwijgt. Haar gemoed schiet vol. Arme, goeie eenzame Maandag; ’t eenige, dat hij had op de wereld, waren die kinders, en nou—alleen. ’t Zijn nou juffrouw Tabbe d’er kinders. Hij zit met ze aan, beneden:—als gast. Waarom is zij niet teruggekeerd? Hij zelf heeft gezegd, dat ze beter niet kwam; dat het op den duur niet gaan zou. Vreemd is hij geweest, maar ze hééft begrepen, dat hij het waarlijk liever zoo wou: om de kinders, uit angst voor buurvrouw. Toen ook hij als de anderen sprak, is ze gezwicht, en toch.… ze weet niet, is zij niet ondankbaar geweest, heeft hij het heusch liever zoo gewild? Zij durft er hem niet meer over spreken. Met vreugde opent zij haar pak.
—Dan een perzik.
—Maid! wa’ no’!.…
—Van Groeneveld, ’et buite bij ons. Gisteren zelf van de tuinman gekrege.
Hij laat de vrucht liggen.
—Eet u die nou. Ik heb er meer. Voor de kinders en ook voor benee.
En ze stalt uit: ze heeft er acht!
Lachend:
—En wàt lekkere koekjes! Van de eerste bakker in ’t dorp.
—Ben d’er méér bakkers?[212]
—Ja zeker, wel drie!
Ze lacht. Maar opeens, met een schuldbesef. Groo’va heeft het haar gezegd: voor al zijn onkosten van haar ziekte heeft Maandag geen cent vergoeding willen aannemen. Zelfs het rijtuig, waarmee ze naar het ziekenhuis is gevoerd, heeft hij betaald. Dit moet hij hooren:
—Groo’va is u nù wel dankbaar. Hij erkent zijn ongelijk.
Strak laat Maandag de woorden vallen:
—’k Heb ’un briefje fan im gehad.
Weer is er zwijgen. Dan valt hij uit:
—Fertel je no’ niks! Hòe is ’t gegaan?
Geertje, traag:
—.… Och.… niks.… Och zoo. Ik ben d’er tweemaal an huis geweest. Willem z’en moeder lag ziek te bed. ’k Heb d’er eene keer effe gesproke. Z’en zusters ware anders as vroeger. Of ze wat giste, weet ik niet. ’t Kan ook zijn, da’k et me verbeeld heb—’k von’ de mense allemaal anders, Domenee en et heele dorp.…
—M’ar ben je-n-opgeschaute mit Wullem?
Ze zwijgt. Ze kàn deze dingen niet zeggen. Waarom dringt Maandag toch aldoor méé aan, dat ze Willem nemen zal? Zij hòudt van Maandag, ze is hem zóó dankbaar, het ergert haar—en dit juist doet haar pijn—, dat zelfs hij haar niet begrijpt.
—Is ’t er dus nog niet daur? houdt hij aan.
—Nee! zegt ze strak, bijna vinnig; hem aanziend.
Hij staat op en opent de deur. Terugkomend:
—’k Dach’ da’k de kinders d’ar haurde.… En.… je nich’, was die geschikt?
Ja, die was heel lief geweest. Liep haar na met melk en eiers. Een goed mensch, die ouwe nicht Bet.
—Groo’va wordt oud en drommels lastig! ’En zege’ dat ie nicht bij zich heeft.
—Anders mos’ jai.
—Ja, anders most ik.…[213]
Geertje zegt het, maar meent het niet. Ze kan zich niet voorstellen, dat het zou moeten, dat ze voorgoed met Groo’va zou zijn! Deze veertien dagen hebben al zoo lang geleken, ofschóón de tijd is meegevallen, nadat zij er tegen had opgezien van het oogenblik af dat Mevrouw gezeid had:—„Wij gaan op reis en jij met kostgeld”.… Gesnakt heeft ze soms om thuis weg te komen, en toen ze gisteren weer in de stad was, de Maas zag, de lichtjes, de masten der schepen.… ze heeft zich herinnerd: een avond met Hem, toen z’ook van huis kwam en Hij haar haalde.… en tòch leefde zij op, was blij, als bevrijd van een last: weer vrij!
—’k Zou in ’en dorp nie’ meer kunne wenne.
Maandag, pijpdampend, verslikt zich, hoest. Dan op eenmaal, vertelt hij, druk, van de kinders, hun leven bij Buurvrouw: Tabbe, die ook heel goed voor ze-n-is; de wichten, ze komen bij met de dag, Buurvrouw verzorgt z’ als eigen kroost—’t mensch heeft altijd naar kinders verlangd. Wanneer het nu maar zoo mag blijven:—van zijn zuster hoort hij niets.…
—Zou ze nog in Amsterdam zijn?
Hij haalt de schouders op:
—Of dood.…
Vreemd-opgewekt, praat hij van zijn werk en spot met Oom, de sigaren-kenner. En plotseling weer begint hij van ’t dorp, of ’t er niet prachtig was, nou met de zomer.
Geertje verhaalt van Groeneveld, de bakken met druiven, de rozen, een veulen dat in de wei z’en moeder nasprong.
—Kon Piet dat ’es zien!
Maar hij nu weer:
—En op Heukelman’s boerderai?
Verlegen-plagerig ziet hij haar aan. Zij ziet de verlegenheid, God-nog-’es-toe! wat heeft hij haar toch daarmee te plagen!
—Waarom ben u nou zoo flauw? ’t Is toch al zoo moeilijk voor me. Willem laat niet van me-n-af, nou zei ie dat ie hier wou komme.[214]
—En jai, wil je niet?
—Néé, netuurluk! Dat ù dat vraagt, die alles weet. Ik wil niet trouwe zonder liefde.
—En kùn je niet van Wullum hauwe?
—Je houdt toch niet van twee tegelijk!
Ernst-stralend staren zijn oogen haar aan. Een blos toog over zijn grauwe geelheid. Hij frunnikt aan zijn pijp, vaart op.
—Dar sain ze.… Wacht! ik haal se hier.
Zij is opgerezen na hem. Hoog staat zij en staart in de eenzame kamer. De leege kamer, vol voor haar. Zij staart, zij kijkt niet, z’ is ìn het geheel; en toch spreken alle dingen en dringen elk met eigen weemoed. Hier heeft haar liefde het laatst gehoopt. Z’ is zóóveel ouder na al wat gebeurde.
Dat voelt ze, wanneer ze maar even alleen is. Bij menschen spreekt en lacht zij mee, houdt de schijn op van jonge Geertje. ’t Liegen heeft ze nu wel geleerd. Vaakwaartvoor haar zelf de schijn door het wezen; weet ze niet, wat haar drijft, wat ze wil; waarom ze bleef, in dienst, bij vreemden.… Deze kale kamer weet het. Weet, hoe zij isafgescheurd.
D’ ontroering stuwt haar vóór de bedstee. Dáár stond Groo’va en Willem naast hem. In het zwart waren allebei. Twee vermaners, twee verwijters. Zij wachtten, gekomen om haar te halen. Toen zij hen zag, heeft ze dóódsangst gevoeld. Of zij kwamen met de kist. Gegild heeft ze, dat men haar hier moest laten—maar ook Maandag gaf Groo’va gelijk. Toen is alle besef haar ontvloden, kreunend in leedhebben is zij verdoofd, enzewéét verder niets bepaalds meer—tòt, toen zij lag, strak, versuft, máár bewust, onder vreemden, niets dan vreemden, in die kamer met vele bedden, vele bedden, alle hetzelfde. Zij was blijven leven, maar alles was dood. Nu was kindje zéker dood. Als een gezwel was het uit haar gesneden, weggeworpen, of het een ding was, zonder dat de moeder kon helpen. Haar bleef enkel de rouw, en[215]de schande, waar zij aldóór over moest hooren. Want òm haar kilde slechts de vermaning van louter menschen net als Groo’va. Ook haar laatste gevoel voor Groo’va is gestorven in dat huis. In al wat daar bitste, herkende zij hem.…
Met moeite doet zij vroolijk tegen de kinderen, die plots op haar komen toegejoeld. Gelukkig zijn daar de perziken. Ze kan vertellen van Groeneveld. Dan komt vrouw Tabbe met Maandag zijn „bakkie” en een kleiner kop voor Geertje. Maandag glundert bij zóóveel goedgeluimdheid. Maar de kinders haalt buurvrouw weg. Geertje geeft de koekjes mee.
In de schemerende kamer hokt het gesprek. Maandag vraagt, of Geertje nog wat kan blijven. Dàn durft zij:
—Weet je niks van Jan?
Nog altijd kan zij er niet aan wennen, den oudere, den vriend van Oom, anders dan met „u” aan te spreken. Maar wetend dat het „je” hem plezier doet, vergemakkelijkt z’ er de vraag mee, die in haar brandde, die aldoor brandt.
Hij—ja zeker, hij wéét wel wat! En dat antwoord brandt nu in hem. Heins houdt het met een van de meiden van Stevens, die het beter aanleit dan Geertje gedaan heeft, hem meevoert naar koffiehuis en kemedie, dat de heele stad hen ziet. De lust tot spreken gulpt op in Maandag. Maar hij denkt aan de kalme koelheid, waarmee Geertje vroeger zijn wraaklust gestriemd heeft; aan haar, met niets te verwoesten, geloof, waardoor, toen hij van Jan’s scharrelen repte, z’ onmiddellijk het antwoord klaar had, dat Jan daarmee trachtte haar te vergeten. En hij zwijgt, kijkt ontroerd naar haar, blozend wanneer hij haar oogen ontmoet. Aarzelend, verlegen verwijt hij:
—Keu je-n-um m’ar nie’ fergaite?!
—Vergete!?!
Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nòg dieper weg, maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het and’re gevoel gaat.[216]
Weer dekt het zwijgen beider gedachten. Tot een kleinigheid afleiding brengt. Een kind in de straat dat leelijk hoest, doet Maandag spreken van Mietje’s kwaal, die deze zomer gelukkig uitblijft; verleje jaar, net in de warmte, was ’t erg. Ook d’er moeder als meisje had ’s zomers er last van. Die d’er jeugd is door dat hoesten bedorven. En zoo’n gesukkel verklaart zoovéél. Als je alles weet, vergeef je. Bet zou niet geworden zijn die ze nou is, wanneer ze zich niet zoo had moeten ontzien en niet ontzien had moeten worden, toen zij een opgroeiende deern was. Da’s met de meeste van die meiden, waar de wereld zoo fel over oordeelt.
—Ja.…, aarzelt Geertje, schuw voor de kwestie.
Maar Maandag gaat er over door. Geertje, mijmerend en onthutst nu, luistert ongeregeld, hoort zenuwachtig brokken van zinnen, begrijpt niet, waarom hij spreekt van die dingen. Hij zegt, dat hij wel zulke vrouwen gekend heeft. Geertje zal het van hem niet hebben gedacht. Maar waar moest hij anders wat liefde zoeken? De behoefte dááraan steekt ieder mensch. Nijdig, woest-nijdig is hij geweest, toen hij ook bij die vrouwen enkel teleurstelling vond. Ook die toonden niets dan afkeer van hem en hij gaf er toch al zijn geld aan.—Och, ben je bedonderd, zei een kennis tegen hem, dach’-ie, dat er ooit een meid was die voor d’er lol ging met elke vent?—Maar met hèm was het nog wat ergers. Dezelfde die met andere jongens vroolijk waren en vriendelijk, deden stuursch en grof tegen hem. Dáár heeft hij heel veel onder geleden. Eens was hij met een kennis gegaan. Zij klampten samen twee vrouwen aan. De eene was een forsche bruine, groote oogen, een mooie lachmond. Luidruchtig sprak die van pretmakerij. Maar toen de andere vrouw met de vriend ging, bleef ze staan en zei geen woord meer. Eén zoo’n avond was erger voor hem dan jaren geplaag van de jongens op school. Maar daarop is hij na gaan denken. Bij al wat je met een ander doorleeft, moet je je denken in die zijn toestand. Als de menschen dat beter deden kwam er minder oneenigheid.[217]Hij dacht: die vrouw is wat beters gewéést. D’er zijn maar heel weinig publieke vrouwen de bree’e weg op gegaan uit ontuchtigheid. Zoo’n meid is, wat de menschen noemen, „gevallen”. Eenmaal heeft z’een lief gehad, die d’er de herinnering heeft gelaten van het heerlijkste geluk.—Was ’t wonder, dat ze met hèm geen plezier had? Bij die mooie herinnering?.… Toen kreeg hij nog ééns het wanhopig verlangen om toch ook dat geluk te vinden. Hij werd weer kuisch: uit verlangen naar liefde. Tòt hij begreep:—ik kan het niet hebben. Hij mocht niet, hij wou niet.… of.… zijn verstànd zèi, dat hij niet wou. ’t Redeneerde zóó, zijn verstand: Een vrouw, die wezenlijk van hem hield, zou, in de bijslaap, moeten denken: ’k wil een kind, dat op hem lijkt. Nou denk es an, zijn gelijkenis!
Maandag lacht, een triest grimas. Even zwijgt hij, en gaat dan voort:
De voldoening over het overwinnen door de redeneering is ook eengevoel, ook eengevoel van sterk geluk, zoo goed als overwinnende liefde. Nu leeft de geslachtsdrift in hem niet meer. Hij weet nu geestelijk lief te hebben. Geestelijk en anders niet. Probeert zelfs, niet jaloersch te zijn. Is ommers al vader, ook, van twee kinders!.…
Geertje luistert, vreemd ontroerd. Eerst heeft zijn praten haar droef verbaasd. Hij, ook hij zag in haar zoo’n vrouw!? Waarom anders over die dingen gesproken?.… Toen heeft zij beseft, dat hij het zoo niet bedoelde. Dikwijls begrijpt zij hem onvolkomen, raadt naar de strekking van zijn gezegden. Maar zij vòelt nu zijn smart en zijn kracht, voelt ook wel dat hij haar hiermee wil troosten, schoon zijn gedachten haar verder ontglippen.
Hij voelt opeens verlegenheid, dat hij zich zoo heeft laten gaan, zóóveel over zichzelven gesproken. En weer begint hij over zijn zus.… nou is ze zìek, verrot is d’er lichaam en ze wàs zoo’n knappe meid. D’er eerste vent ook zoo’n knappe kerel. ’En paar jaar waren ze dol op mekaar. Ook Bets-en-zijn[218]ouders waren knap. Maar ’t schijnt, dat hun grootvader heeft gezwijnjakt. Die heeft de schurft gebracht in de femielje; ’t is gebleken in ’et tweede gelid.… Twee broers en een zusje jong gestorven. En de derde broer loopt met z’en bult!.…[219]
[Inhoud]III.Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij vond haar nooit heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en stipheid, doordat Mevrouw zelf in alles haar best deed. Meneer was slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, niet veel te verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het overleggen. Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar kant, was inschikkelijk. Ze had „het” van Geertje altijd geweten. De directrice van het Huis had haar ingelicht: aan het Huis dankte Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:—„Je was beter maar wéér als juffrouw gegaan,” wanneer het grove werk Geertje zwaar viel; maar ze wist van de directrice, waarom die Geertje, althans voorloopig, niet bij kinders had willen doen, een dienst als deze ’t geschiktst had gevonden; en Geertje zelve verzweeg haar niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op d’er mond, klaagde zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig aantrok en als-t-ie kon maar het liefst op z’en bed lag. Ook over de Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d’er ouders waren orthedoks en zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom was en zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. „Je moet wat doen voor de vrede in huis”.… Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald van Mevrouw. Zoo had ze het gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was geraakt, doordat ze Jan[220]in de verte gezien had. De eerste keer had ze ’t niet durven vertellen, ze was toen zoo eigen niet met Mevrouw en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht betalen, wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en de rijst kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:—„Wat hadt je nou weer?” bekende ze, onder tranen, alles. Hem gezien, toen ze turf was wezen bestellen; blijven staan met een stuk in de keel, thuis ’en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis gebrand. Mevrouw had gegispt:—„Maar Geertje, meisje, een man die je zóó slecht heeft behandeld”.… och, Mevrouw begreep het niet—toch was ze blij, dat ze nu het gezeid had.Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens aanhield, schoon ze niets voor hem had verzwegen.—„Vindt je dat dan niet mooi van die jongen, dat hij zóóveel van je houdt? De meeste mannen zijn zoo trouw niet!” had Mevrouw, haar aanziend, geantwoord. ’t Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds dat gesprek, daags na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer over Willem. Trouw? nou ja! ’t jong hield van háár, maar als zij niet van hèm kon hou’en.… Niet die eerste keer zei ze dat aan Mevrouw; ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die meevoelen wou met háár!.…Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. ’t Kwam aan, toen ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een dagmeisje noodig zou wezen, wanneer de baker weg zou zijn.—Geloof je, had ze vriend’lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit zult houden? ’k Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je bent niet gewoon aan dat schuieren en schrobben. En dan met een klein kind d’erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.… Begrijp me goed, ik hou’ je heel graag, ik spreek alleen in jou belang.…Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d’er ziekte, toen de miskraam, en veel werken, nu, dat ’er zwaar viel.[221]—Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat.—Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil ’k je niet hou’e. Maar je meent niet wat je zegt. Jij vindt best ’en nieuwe betrekking. Ook wel bij kinderen, als je graag wilt. Maar ik denk aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet weg? Een goeie man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch je best en vergeet het verleden! ’t Heeft je nooit iets gegeven als leed.… Niet? Nou goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je toch niets in?!Hijkàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij kunnen wezen voor een jongen, die door al wat er is gebeurd niet in zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens niet aan jezelf, maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje, meisje, hòe menige vrouw zou alles geven voor die voldoening.…—O ja! als ze hòudt van ’en man!—Och kind, hou’en, wat ìs dat „hou’en”! Hecht toch niet te veel aan dat woord. Verliefdheden gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar de echte liefde. Om je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft niets gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.… en toen moet de mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben gegriefd. Heb je dáár wel eens over gedacht? wat die man om jou heeft geleden?—Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording schuldig. Nooit heb ik hem zóóveel voet gegeve!—Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: „door jou”, maar òm jou heeft-ie veel geleden. Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als je je volkómen vrij tegenover hem weet.… wat je bent, geen mensch kan je dwingen.… me dunkt, dan voel je toch mee’e-lij.… ik vin’ de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af, of een liefde als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij die nog niet, geen beter waarborg is voor ’en duurzaam geluk dan ’en verliefdheid, desnoods van[222]twee kanten, die in het huwelijk dikwijls vervliegt.… Denk er eens over. Ik praat je niets aan. ’k Hou je gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je stel.Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.… Mevrouw méénde het goed.… niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als Maandag en dat was een man, Maandag had zulke vreemde gedachten, maakte haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.… Mevrouw was godsdienstig, ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van Groo’moe.… Ja, maar Willem! die was als Groo’vá.… zou zijleven moetenmet Willem?.…Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden.[223]
III.
Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij vond haar nooit heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en stipheid, doordat Mevrouw zelf in alles haar best deed. Meneer was slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, niet veel te verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het overleggen. Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar kant, was inschikkelijk. Ze had „het” van Geertje altijd geweten. De directrice van het Huis had haar ingelicht: aan het Huis dankte Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:—„Je was beter maar wéér als juffrouw gegaan,” wanneer het grove werk Geertje zwaar viel; maar ze wist van de directrice, waarom die Geertje, althans voorloopig, niet bij kinders had willen doen, een dienst als deze ’t geschiktst had gevonden; en Geertje zelve verzweeg haar niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op d’er mond, klaagde zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig aantrok en als-t-ie kon maar het liefst op z’en bed lag. Ook over de Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d’er ouders waren orthedoks en zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom was en zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. „Je moet wat doen voor de vrede in huis”.… Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald van Mevrouw. Zoo had ze het gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was geraakt, doordat ze Jan[220]in de verte gezien had. De eerste keer had ze ’t niet durven vertellen, ze was toen zoo eigen niet met Mevrouw en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht betalen, wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en de rijst kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:—„Wat hadt je nou weer?” bekende ze, onder tranen, alles. Hem gezien, toen ze turf was wezen bestellen; blijven staan met een stuk in de keel, thuis ’en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis gebrand. Mevrouw had gegispt:—„Maar Geertje, meisje, een man die je zóó slecht heeft behandeld”.… och, Mevrouw begreep het niet—toch was ze blij, dat ze nu het gezeid had.Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens aanhield, schoon ze niets voor hem had verzwegen.—„Vindt je dat dan niet mooi van die jongen, dat hij zóóveel van je houdt? De meeste mannen zijn zoo trouw niet!” had Mevrouw, haar aanziend, geantwoord. ’t Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds dat gesprek, daags na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer over Willem. Trouw? nou ja! ’t jong hield van háár, maar als zij niet van hèm kon hou’en.… Niet die eerste keer zei ze dat aan Mevrouw; ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die meevoelen wou met háár!.…Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. ’t Kwam aan, toen ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een dagmeisje noodig zou wezen, wanneer de baker weg zou zijn.—Geloof je, had ze vriend’lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit zult houden? ’k Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je bent niet gewoon aan dat schuieren en schrobben. En dan met een klein kind d’erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.… Begrijp me goed, ik hou’ je heel graag, ik spreek alleen in jou belang.…Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d’er ziekte, toen de miskraam, en veel werken, nu, dat ’er zwaar viel.[221]—Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat.—Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil ’k je niet hou’e. Maar je meent niet wat je zegt. Jij vindt best ’en nieuwe betrekking. Ook wel bij kinderen, als je graag wilt. Maar ik denk aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet weg? Een goeie man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch je best en vergeet het verleden! ’t Heeft je nooit iets gegeven als leed.… Niet? Nou goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je toch niets in?!Hijkàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij kunnen wezen voor een jongen, die door al wat er is gebeurd niet in zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens niet aan jezelf, maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje, meisje, hòe menige vrouw zou alles geven voor die voldoening.…—O ja! als ze hòudt van ’en man!—Och kind, hou’en, wat ìs dat „hou’en”! Hecht toch niet te veel aan dat woord. Verliefdheden gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar de echte liefde. Om je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft niets gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.… en toen moet de mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben gegriefd. Heb je dáár wel eens over gedacht? wat die man om jou heeft geleden?—Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording schuldig. Nooit heb ik hem zóóveel voet gegeve!—Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: „door jou”, maar òm jou heeft-ie veel geleden. Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als je je volkómen vrij tegenover hem weet.… wat je bent, geen mensch kan je dwingen.… me dunkt, dan voel je toch mee’e-lij.… ik vin’ de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af, of een liefde als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij die nog niet, geen beter waarborg is voor ’en duurzaam geluk dan ’en verliefdheid, desnoods van[222]twee kanten, die in het huwelijk dikwijls vervliegt.… Denk er eens over. Ik praat je niets aan. ’k Hou je gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je stel.Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.… Mevrouw méénde het goed.… niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als Maandag en dat was een man, Maandag had zulke vreemde gedachten, maakte haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.… Mevrouw was godsdienstig, ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van Groo’moe.… Ja, maar Willem! die was als Groo’vá.… zou zijleven moetenmet Willem?.…Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden.[223]
Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij vond haar nooit heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en stipheid, doordat Mevrouw zelf in alles haar best deed. Meneer was slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, niet veel te verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het overleggen. Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar kant, was inschikkelijk. Ze had „het” van Geertje altijd geweten. De directrice van het Huis had haar ingelicht: aan het Huis dankte Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:—„Je was beter maar wéér als juffrouw gegaan,” wanneer het grove werk Geertje zwaar viel; maar ze wist van de directrice, waarom die Geertje, althans voorloopig, niet bij kinders had willen doen, een dienst als deze ’t geschiktst had gevonden; en Geertje zelve verzweeg haar niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op d’er mond, klaagde zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig aantrok en als-t-ie kon maar het liefst op z’en bed lag. Ook over de Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d’er ouders waren orthedoks en zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom was en zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. „Je moet wat doen voor de vrede in huis”.… Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald van Mevrouw. Zoo had ze het gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was geraakt, doordat ze Jan[220]in de verte gezien had. De eerste keer had ze ’t niet durven vertellen, ze was toen zoo eigen niet met Mevrouw en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht betalen, wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en de rijst kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:—„Wat hadt je nou weer?” bekende ze, onder tranen, alles. Hem gezien, toen ze turf was wezen bestellen; blijven staan met een stuk in de keel, thuis ’en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis gebrand. Mevrouw had gegispt:—„Maar Geertje, meisje, een man die je zóó slecht heeft behandeld”.… och, Mevrouw begreep het niet—toch was ze blij, dat ze nu het gezeid had.
Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens aanhield, schoon ze niets voor hem had verzwegen.—„Vindt je dat dan niet mooi van die jongen, dat hij zóóveel van je houdt? De meeste mannen zijn zoo trouw niet!” had Mevrouw, haar aanziend, geantwoord. ’t Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds dat gesprek, daags na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer over Willem. Trouw? nou ja! ’t jong hield van háár, maar als zij niet van hèm kon hou’en.… Niet die eerste keer zei ze dat aan Mevrouw; ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die meevoelen wou met háár!.…
Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. ’t Kwam aan, toen ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een dagmeisje noodig zou wezen, wanneer de baker weg zou zijn.
—Geloof je, had ze vriend’lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit zult houden? ’k Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je bent niet gewoon aan dat schuieren en schrobben. En dan met een klein kind d’erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.… Begrijp me goed, ik hou’ je heel graag, ik spreek alleen in jou belang.…
Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d’er ziekte, toen de miskraam, en veel werken, nu, dat ’er zwaar viel.[221]
—Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat.
—Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil ’k je niet hou’e. Maar je meent niet wat je zegt. Jij vindt best ’en nieuwe betrekking. Ook wel bij kinderen, als je graag wilt. Maar ik denk aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet weg? Een goeie man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch je best en vergeet het verleden! ’t Heeft je nooit iets gegeven als leed.… Niet? Nou goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je toch niets in?!Hijkàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij kunnen wezen voor een jongen, die door al wat er is gebeurd niet in zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens niet aan jezelf, maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje, meisje, hòe menige vrouw zou alles geven voor die voldoening.…
—O ja! als ze hòudt van ’en man!
—Och kind, hou’en, wat ìs dat „hou’en”! Hecht toch niet te veel aan dat woord. Verliefdheden gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar de echte liefde. Om je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft niets gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.… en toen moet de mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben gegriefd. Heb je dáár wel eens over gedacht? wat die man om jou heeft geleden?
—Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording schuldig. Nooit heb ik hem zóóveel voet gegeve!
—Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: „door jou”, maar òm jou heeft-ie veel geleden. Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als je je volkómen vrij tegenover hem weet.… wat je bent, geen mensch kan je dwingen.… me dunkt, dan voel je toch mee’e-lij.… ik vin’ de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af, of een liefde als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij die nog niet, geen beter waarborg is voor ’en duurzaam geluk dan ’en verliefdheid, desnoods van[222]twee kanten, die in het huwelijk dikwijls vervliegt.… Denk er eens over. Ik praat je niets aan. ’k Hou je gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je stel.
Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.… Mevrouw méénde het goed.… niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als Maandag en dat was een man, Maandag had zulke vreemde gedachten, maakte haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.… Mevrouw was godsdienstig, ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van Groo’moe.… Ja, maar Willem! die was als Groo’vá.… zou zijleven moetenmet Willem?.…
Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden.[223]
[Inhoud]IV.Mevrouw is schuld aan wat nu gebeurt: dat ze met Willem door Rotterdam loopt en hij praat, als werd ze zijn vrouw.Toegestemd heeft zij in zijn bezoek, omdat Mevròuw zei: doe het toch, Geertje, je moet hem eens zien, je màg niet weigeren met hem te spreken, daarmee is ommers niets beslist.Gisteravond het eerst aan de trein!—Thuis de herrie om klaar te komen, op ’en Zaterdag nog haast! Aan kant d’er keuken, ijlings gekleed, weg, gerept naar de tram.… en te vroeg, veel te vroeg nog aan het station, waar ze zenuwachtig heeft gedrenteld, in de waaierige kou, door conducteurs vervelend geplaagd. Eindelijk hij! Ze stond achter een hekje, in een groep menschen, die opeens om d’er heen was; vóór d’er de locomotief, die aanglijdt, stilhoudt, en dan dalen er menschen, wemelen op het perron, komen, langs de trein, op haar aan.… Hij! De pummel! Ze voelt een verstijving, schaamt zich voor een juffrouw naast d’er, denkt aan verschuilen, wijkt iets ter zij, ziet wel dat hij haar niet opmerkt, langzaam naderend, log als een os.Wanneer hij, door het hek heen, rondziet, treedt ze weifelend op hem toe.—Willem!—Dag Geirtjen.Hij drukt haar hand, wendt zich, loopt lomp tegen een heer op, zij gaat hem voor, terzij àf, uit de menschen.Dan blijft hij staan en grijpt naar heur hand:[224]—Geirtjen, God he’t mien gebed verheurd.Méér zegt hij niet. Maar zij begrijpt! Da’lek, ’t eerste dat hij weet, wanneer een ander zou vragen: hoe gaat ’et? Gebelgd loopt zij door, op de duisternis toe, buiten, waar geen menschen om hen; hij komt verwonderd achter haar aan;—Geirtjen! klaagt hij, wanneer ze zich voortrept;—eerst bij het stationshek blijft zij staan. Goedig-kalm stapt hij naderbij, niet verontrust, boos evenmin. Geertje schaamt zich: ’et oude spel! Zoo heeft ze hem achter zich aan laten loopen, jaren lang, thuis—bij hem in den hof, achter de koestal om, naar de weien, èn in de school, om de kerk, daarin zelfs, ’s Zaterdags laat, onder Groo’va’s geredder. Zij voelt een moeë verlegenheid, nu zij vanzelf dit spel heeft herhaald. Monsterend wacht zij hem af:—onveranderd! tèrgend-netjes-boersch, altijd! Niets van Amerika, ook vandaag niet, zoo met een steedsch klein heerentaschje, licht gehangen aan z’en ineengedrongen lijf.—Goa we mit de trem of kuwwe loôpe? hoort ze zijn geduldige kalmte.—Niet met de trem!Die zit al vol menschen; als d’er eens iemand was van d’er kennis!.…Om lief te zijn, keert zij en loopt naast hem op; ze zijn bij de booten en naad’ren het water.… Plots’ling, o God! als een hoon valt het op haar, als een smaad die zijzelf zich bereidt: nou gaat ze met Willem als eenmaal metHem, toen Hij haar afhaalde, na de Bruidsnacht.… ’t Kàn niet! Ze staat en stottert verward, dat het toch misschien te ver is, liever de tram en——wáár wil hij heen?—Noar et losement, fur de koamer. ’t Is bèter Geirtjen, awwe dat eirst doen.… Dokter he’t mien gezeid: bij Coomans, Hoofdstèèg, wèèt ie die buurt? teemt hij verder, nu wel haar verlegenheid merkend.Wat? Ze heeft de naam niet verstaan. Hoofdsteeg? Ja, dan met de tram. En zij keeren terug naar de wagens: een leege nu, de volle is weg. Er weeïgt een schuldbewustzijn door haar,[225]een wroeging, èn een besef van onrecht, dat haar, veeleer, wordt aangedaan. Zwijgende zitten zij, wachten, wachten.… Weg! ze snakt dat de tram zal vooruit gaan, ’t is haar als werd ze van buiten begluurd, dooriemand, die het wéét, ofietsvantoen.…Slaap, na zwaar-zijn van vermoeidheid, heeft de spanning van haar verzet gebroken, en de zondagvoormiddag heeft ze kalm haar werk gedaan. Toen is Willem bij haar in de keuken gekomen; Mevrouw heeft het zoo gewild: met de koffie; dan konden zij daarna samen uitgaan.Hij vertelt van de preek die hij heeft gehoord: domenee Gobius over het licht, dat bij God woont. „God weet, wat in het duister is,”Daniël 2 vers 22. Geertje herinnert zich de tekst niet: hoe staat het woord er? en Willem verklaart; ze kent het toch wel: Koning Nebukadnezar, die eischte dat de wijzen hem een vergeten droom zouden vertellen en Daniël wie in een nachtgezicht de verborgenheid werd geopenbaard.… O, is het dat! de droom van het beeld met de voeten van ijzer en leem.… Ja, nu weet zij, nu is zij er in—die droom, zij houdt juist zooveel van de Droomen—de Droomen en Jezus’ Gelijkenissen.… Willem is vòl lof over de preek: Domenee moet een godvruchtig man zijn en die de gave heeft van het woord.Mijmerend hoort zij Willem aan; er komt een zondagsstemming om haar: dit is het goede-van-thuis, wat zij miste. Blij ootmoedig luistert zij toe; schenkt hem koffie bij, dienstwillig; is dankbaar voor de rustige eenvoud, waarmee hij in de keuken vertoeft en niet ongeduldig wordt, wanneer zij met koffiewater, en om hun boterhammen te halen, kort opeen naar boven moet.Gisteravond is hij haar meegevallen, toen hij zonder verlegenheid, kalm-flink als een man die gereisd heeft, àlles vroeg, van de prijs en zoo, over zijn kamer in het hotel. In haar heeft beschaamdheid gevleugd, over haar dienstmeid-zijn, haar keuken.… Hij gedraagt er zich nu heel netjes, of haar toestand[226]doodgewoon was; vroom is hij vervuld van de preek.Weer belt Mevrouw, weer moet zij weg; ijlings schenkt zij hem nog wat koffie. Mevrouw vraagt, of Geertje, voordat zij uitgaat, de keukenkachel nog wil aanmaken en er voldoende kooks in leggen, zoodat Mevrouw er niet naar hoeft te kijken, voordat zij de groente opzet.—En dan ga jij je gang maar, hoor!—Zal ik niet komme anvege, Mevrouw?Mevrouw knikt van neen.Meneer, die uit het raam staat te kijken, keert lachend zich om:—Je mot je vrijer niet zoo làng late wachte!Geertje wendt zich verlegen naar de deur. In onthutste tasting vindt zij de knop. Er snikt een droefheid om onrecht in haar. Waarom zegt-ie dat nou, want hij wéét! hij kent, als Mevrouw, haar geschiedenis; wat sart-ie haar dan met zijn grappigheid, wat had-ie brutaal haar aan te kijken!.… Opeens is het mis in haar, weer het verzet, weg dat vredig, gezellig berusten,—„vrijer”, ook niet als aardigheid, ze kàn het niet hebben, spot met haar liefde.Willem is in haar afwezigheid van plaats veranderd. Zijn stoel stond tegenover de hare aan de tafel, met de rug naar de muur; nu zit hij tegenover het raam. Waarom? Wat moet dat! Hij zoekt in z’en bijbel. Weifelend gaat zij achter hem om.—Geirtjen—en terwijl zij gaat zitten, schuift hij pratend zijn stoel naderbij.—Zou dàt nou geen Godsbestier wèze, da’k van marrege juust over disse tekst most heure? Zie, da’s toch wat anders as toeval. God hèvt ons indachtig wille moake, dat Hij wist wat was in et duuster. Wij kleingeleuvige, we hebbe gewankeld as Petrus, we hebbe geroepen: Heere, behoud mij, moar God die alle harten doorzuukt, die het hart doorgrondt en de niere pruuft, Hij wist wat goed veur ons was. Onnaspeurlijk binne zijn wège, deur veul duusternis moste we goan, mor Hij wèèt wat er is in et duuster en mit de Psalmist magge we nou toch zegge: Welgelukzoalig wiens[227]verwachting is op De Heer.… Wo’ kiek je vrèèmd, woat is-t-er Geirtje?Wat er is! Hij is daar vóór d’er; laag gebogen, de elleboog op de knie, houdt-ie haar zijn harde rooie kop met verschoten hondenstoppels voor, en uit de bloeddoorloopen maar fletse vischoogen, die smachtend en zwemmend-in-vromigheid naar d’er opzien, staart van dat kaalgeschoren snoet toch ook de starre zelfingenomenheid van zijn moeder haar aan.—Da’ zeuj me toch motte toegève. We hebbe gedwoald uut wankelmoedigheid, deurda’ we niet vertrouwden op Hem. Hij hè’t ons gevoerd langs donkere wège. Hij wist wat er was in et duuster. Al die bepruuvinge woare neudig. Ik ben noar Amerika motte goan en jij hier noa Rotterdam. Wat gebeurd is, most gebeure. Da’ geleuf ie toch ook wel Geirtje?Hardvochtig-koel laat zij vallen de vraag:—En wat weej nou daarmee zegge?—Wa’k doarmee zegge wil? Geirtje, da’s toch gemak’lek te roaje!.… Da’ bij God et altied vast-sting, da’ wij man en vrouw zoue worde.Terwijl hij de laatste woorden zegt, tast zijn grove hand naar de hare. Zij ziet het geelbehaarde, sproetige vleesch met de onverzorgde stompvingers. Zij voelt ze.… en ze slaat van haar af, haar vingers tikken, meppen de zijne; achteruitwijkend vaart zij op en loopt met een wijking achter hem om.—Ik zal jou dan ook wat zegge, ook gemakkelek te raje. As je nie’ ophoudt mè’ je gezeur, ’k heb je gistere-n-ook al gewaarschouwd, dan ga’k vemiddag nie’ mè je uit. Goed begrepen? ’k Zeg et nie’ boos, maar hou et je dan nou voor gezeid.Wel ja, hij dee net as een kind. As met ’en kind moet ze met ’um doen. Verder et zich niet ’antrekke. Eéne middag—zal gauw genoeg om zijn. Lam, dat-ie ook venavend nog blijft. Maar netuurlek, zoo’n vrome man, die zit niet in de[228]spoor op Zondag. Laat zich bedienen in ’en hotel, maar reist niet vóór Maandagmorgen!Haastig heeft ze zich gekleed. D’er ouwe zwartje, niet de nieuwe. Niks van opschik met Willempie!En zonder eind hebben zij gekuierd.—Jij wil ook liever buiten de stad?Ze heeft zich gehaat, toen ze dat aan hem vroeg. ’t Leek, of ze met hem alleen wou wezen. Maar ze dorst in de drukke straten niet blijven. ’t Huis in de Oldenbarneveldstraat uit, is ze het Tuindersstraatje geloopen, de Aert van Nes bang overgestoken, het Mauritsstraatje en toen de Kruiska. Op de Diergaardesingel is haar angst gezakt. Terwijl ze in de vredige vroolijkheid van de zonnige herfstdag, tusschen verre weien liepen, een onbestrate rijweg langs hofsteeën, waar Willem zich over veel verbaasde, dat anders was dan in Gelderland; heeft ze hem aan de praat trachten te houden met telkens door te vragen over toestanden in Amerika. En hij heeft die herinneringen iedere keer afgebroken door te willen praten van zijn liefde. Zij wist wel, waarom hij terug is gekomen: aan het andere eind van de wereld, was hij met zijn gedachten hier. Ook was ’t haar bekend, waarom hij gegaan was—alles om haar, alleenig om haar. Gedrensd heeft hij zijn liefdesverwijten. Toen heeft zij er dan nog maar iets op geantwoord.—Waarom bederf je de wandeling? ’k Heb in zóó lang niet ’es gekuierd.—’k Bin tuch hier om doareuver te sprèke.—D’er valt daar nie’ meer over te spreke.—Woarum hei’j me dan loate komme!Ja, waarom, waarom! waarom!?Haar heeft dat waarom verwijtend gemarteld. Omdat ze nooit weet wat ze wil; dan naar die luistert en dan weer naar die! Maar zijn stugge koppigheid is kalm na een poos[229]opnieuw begonnen: zij mocht nu nog weifelen, maar God wou ’et. Hij die weet wat er is in het duister. Zij wáren een paar in Zijn Raadsbesluit.Op de terugweg zijn ze in een tuintje gaan zitten, waar hij twee glazen melk heeft besteld. Neergesmakt is zij op het stukkende, wippende stoeltje, verstramd en verstompt van zóó lang loopen. Wanhopige haat heeft er in haar geflitst, toen hij wel geen bezwaar maakte, maar toch smalend iets zei van: „Op Zondag”, na haar vragen om dáár wat te rusten. Ze konne’ toch de godgansche dag niet op de been blijve: waar wou ie dan heen! hier of erge’s anders.… Nou, ’t was hem ook goed; maar wat nou dat zitten betreft—hij had gedacht, dat ze naar haar Oom zou’en gaan; dat had hij ook aan haar groo’va beloofd.—As je d’ar gaat voor de stichtelijkheid! heeft ze geschimpt. Maar haar een biet! Als hij naar Oom wil, dan naar Oom.Daar hebben ze slappe koffie gekregen en oneetbaar-hard-brood met gebakken spek.En in haar wrange gemoedsstemming heeft ze schik gehad in Oom, die vriendelijk dee’—natuurlijk om Groo’va. Waarom had-ie dàt niet geweten! Geertje kwam ook nooit meer ’es ’an. Anders zou Tante natuurlijk hebben gezorgd voor ’en betere ontvangst. Maar zij plachten om één uur warm te eten. En nu was er niets anders in huis, en net op Zondag, je kon niks krijgen.…Zoo heeft Willem met traag geduld op de hompen brood kunnen kauwen en de breede eelttoppen van zijn vingers-als-stokken plomp naar de niet stuk te snijden slierten van het krullende, druipende spek laten grijpen. Zij heeft zich met koffie gevuld en is een paar keer naar achter gemoeten, in de beenen het lood van de kuier. Ze heeft gedacht aan het groote hotel, waar Willem zijn kamer heeft en niet gaat eten; waar ie haar voor de maaltijd zou hebben gebracht, als-ie een heer, als-ie.… Jan geweest was.Alles in haar schreit weer om Jan.[230]Zij beseft nu ook, wat haar heeft bewogen, naar Mevrouw d’er raad te hooren, Willem hier te laten komen. Op het oogenblik, dat zij bij Oom d’er mantel aandeed om met Willem naar de avondkerk te gaan, is een buurvrouw, die de helft van de verdieping boven Oom’s winkel bewoont, met ’er kindje binnengekomen, een jonge vrouw, met een zuigeling en blijkbaar alweer in verwachting. Bij het zien van dat moedergeluk, heeft Geertje geweten: Mevrouw d’er blijheid in het vooruitzicht van d’er bevalling, Mevrouw, die toch ook niet gelukkig getrouwd is, heeft haar doen peinzen:—Als het eens kon, Willem z’en zin en ik ’en kindje.…De preek is langs haar bewustzijn gegleden. Weemoed heeft er in haar gebeefd; ze wàs in de kerk niet, maar Thuis-in-het-Hang.… Toch is zij geschrikt van het weer-op-straat-zijn.Zij gaan nu nogmaals samen naar Oom en nog loopt hij te zaniken. Straks op de Hoogstraat had-ie een grap. In de menigte nam hij haar arm en toen zij die los wou trekken:—„’k Loa’je nie’ los.… Nooit loa’k je los.… Geirtjen, begriep ie wel, ’k loa je nóóit los,” met ’en nadruk, nog eens ’et gezegd: ze had ’um ommers al lang begrepen. Hè, en zijn lachen, dat leek toch zoo raar, dan zag je z’en oogen niet, enkel zijn mond, een groot gat gore brokkeltanden, en d’er was niks vroolijks ’an ’um, vroolijkheid kenne ze niet op de hofstee; dat ie nòu lachte was om haar, ’en verlegen mislukt perbeeren. Ruw is zij van het trottoir gestapt, zoodat de menschen tusschen hen drongen; en in de Pessage, in de volte is zij hem aldoor vóór gebleven, uitwijkend vlug door de menschen zich schuivend.Op de Coolsingel ’en andere toon:—Woarum gèèf je mien nou gèèn ârm? ’k Loa je toch nie’ los, heur Geirtje. God hèvt ons voor mekander bestemd. Dat hèwwe toch allebei altoos gewète. Aw m’or èènmaal getrouwd binne! ’k Wéét wel wa’j nou tègestoat. ’t Is da’ boerse-n-in me, joa!.… Och, jij bin dat nou ontwend. M’or je[231]bin toch van geliekke komaf, joa, je groo’moe was krek as wijlu.God, zoo’n gekle’s! Hoor nou toch es an! Hè, zoo’n zelftevreden wauwel! Snel wijkt zij uit voor de menschendrom, nu loopt ze vrij, maar nee, daar is-t-ie, dringt naast d’er op, nou houdt-ie d’er vast, z’en lauwe greep omknelt haar elboog.—Laat toch! maar hij blijft aan d’er zij. Ze schuifelen, door menschen omdrongen, voort. De lucht is doorsproeid van heel licht grijs. Om haar, in de wemeling van donk’re gestalten en fletse gezichten, plekkeren aanhoudend kleurvlekken op; in ’t grauw-sombere krioelen onderscheidt ze, met soms een scherpte van gelaatstrekken, vormen, die verdoft kleurpralen, van hoeden, veeren, mantels, kostuums. Zij loopt in d’er sjofele zwartje, met de vaal-verschoten voorbaan. En naast ’er is-en-blijft d’er boer. Móói paar, zullie tusschen de steedschheid. Echt twee zielige pummels van buiten.Nu komen zij onder ’t elektrische licht, plots in een schaat’rende helheid als dag. Zij wil niet naar binnen kijken bij Soesman, want je ziet ’er jezelf in de spiegels. De menschen omdwarrelen haar als bij dag, sjieke toiletten ruischen langs haar. Tartend omstuift haar het zondags-gepronk en maakt haar ongeduldig-verlegen..… Nèt zukke reclameborden met namen en gekleurde figuren stingen hier vóór Tivoli, de Pinkstermiddag, toen ze met Oom en Tante hier over ’t Singel ging, van Oom z’en huis op weg naar ’t Hang: toen zij Jan voor ’t eerst gezien he’t.… De herinnering sláát haar geest neer. Machteloos ondergáát zij op eenmaal de drukte. Willem blijft naast haar, hij hindert haar niet. Vanmiddag en straks in de Hoogstraat weer en net nog aan het begin van ’t Singel, dorst ze niet loopen, haast, vreezend aldoor, dat ze, opkijkend Jan zou zien komen, plots hóóg voor d’er met z’en spotlach: zij zóó gekleed en d’er botterik naast d’er. Maar nu geeft ze zich gewonnen. Wat is zij? ’en boerenmeid! Ze hoort niet tusschen al dit steedsche. ’t Maakt ’er verlegen, verrukt ’er, bedwelmt ’er. ’t Is wat ze wòu.… maar het wìl niet van haar.…[232]Oom’s sigarendépôt is op het Strooveer. Bij het binnenkomen schrikt ze. Een klant, een lange heer—als Jan. ’t Is Jan niet! maar toch is ze geschrikt. Bedeesd treedt ze langs de toonbank naar achter, zwijgend Oom groetend, die druk doet, niet ziet.Tante zit achter, gelukkig alleen. Even later lawaaiigt Oom binnen. Zie je, dat doet ’em nou plezier. ’t Heeft hem vemiddag zoo drommels gespeten, dat hij niks had om te preseteeren. En overdag was ’et hier zoo donker. Nou met ’et gas ’an, vroolijk hè? Ja verlichting, het eerste vereischte! Daar hadden ze bij hun in ’et dorp nog geen kaas van gegeten. Willem rookt toch?—Toe, steek es op! Zwaar of licht, naar ieders verkiezing. Die?.… Willem doet niet an afschafferij? ’En glaasje wijn, dat mag ie niet weig’re.—Vrouw, haal jij ’s ’en flesch wijn uit de kelder.Geertje heeft schik in de kemedie. Kelder! Ze hebben niet eens ’en kelder! Nog geen kolenhok is d’er benee.Tante gaat ongesjeneerd naar de kast en neemt de flesch die Geertje ziet staan, hoog-alleen tusschen kleinere dingen. Maar Oom:—O hàdt j’al uitgekrege?Onverstoorbaar, z’en grootdoenerij. Nu vraagt hij Willem wie er gepreekt he’t. Goed?—Ik ken ’em niet. Zei je De Valk? Ja, d’er ben hier zoo’n hoop domenees. Da’s niet as bij jou: aldoor een-en-dezelfde. En ik kom niet vaak in de kerk. Met de zaak, ik kan d’er niet uit! We mòtten ope blijven op Zondag, heel den dag, om de konkerensie. Afijn, ’t gaat me goed, nou, ja! daar niet van!Werkelijk is er weer iemand voor. Oom is er al heen en Tante schenkt wijn in. Hoe komt zij aan die nette glaasjes? Zes gelijke op een blaadje. Zeker gauw ergens wezen leenen. Ze hebben weer vrienden: een nieuwe buurt. Zoo kort als het duurt, is Oom het heertje. Nou redeneert-ie tegen de klant. Och, hij is toch eig’lijk ’en stakker.[233]Alles om haar maant tot ootmoed. „Wee den hoovaardige”.… zij met ’er trots! Ze mag zich niet ergeren aan Willem z’en boerschheid. Zelve is ze ommers niks beter! Moet ze-n-’em némen?! Ze kan niet, nòg niet. Ze heeft ’em vandaag wel afgesnauwd. Afmaken, heelemaal, zal ze ’t niet. Maar evenmin krijgt ie d’er woord! Ze heeft nou gedáán, wat Mevrouw van d’er wilde. Als ze bij Mevrouw maar mag blijven. Nergens anders voelt ze zich veilig. En als dan van ’t winter het kindje komt.…Tante heeft ook haar een glas wijn voorgezet. Het eerste slokje vond zij aak’lig. Maar nu heeft ze nog eens geproefd. Nu kittelt de tinteling haar rozige loomheid. Als ze durfde, dronk ze ’t leeg.Hoe vaak heeft Jan d’er wijn opgedrongen. Toen gaf z’er niet om, vond het haast iets gewoons. Al de rijkelijkheid leek haar gewoon. Of zij er in hoorde.… Ach, die roes van geluk.Aan de achterkant van de kamer gezeten, kijkt zij in het licht van de winkel, dat goudfonkelt door de zevende vitrage.Oom is teruggekomen en praat nu druk tegen Willem, die rustige, langzame antwoorden geeft, blijkbaar op zijn gemak, tevreden dat zij hierheen zijn gegaan. Nu en dan let zij even op hen, maar telkens trekt haar die zeving van licht, ’t wit en het goud; en mijmert zij weg.Al zou ze Hem nooit meer zien.… zeker zal ze niets meer van hem merken, en dat is toch ook maar beter, zij wéét zich verouderd van al het getob, ze vòelt zich zoo òp soms en hij, met zijn spotlach …; al zal ze misschien Hem nooit meer zien, altijd haar best doend om Hem te ontwijken—eeuwig, tot in de dood staat Hij vóór haar, zooals nu, dáár, zijn hoofd in het licht.Door Hem heeft zij Geluk gekend en geen wreedheid kan ’t haar ontnemen. Neen, ze haat hem niet, haar Jan, al wéét ze nu, dat zijn liefde niet duurde. Hij is voor haar Heel-de-Wèreld geweest, heel de wereld in licht van geluk.[234]Daar heeft Oóm d’er ingeschonken. Nou, graag wil z’en tweede glas. Jan heeft ’er wel ’es drie laten drinken, wel ’es vier.… Ze lacht:—Dank u wel.—Toen, die avond.… Sefie na’ bed, och wat dee-t-ie toe’ uitgelaten, zij wist op ’et laatst nie’ meer waar ze was.… en hij keek er m’ar ’an met z’en spotlach.… Hè nee, zóó wil ze Hem nou niet zien, enkel het Gezicht dat ze liefheeft. Die avonde dat ie ’er wijn opdrong, zijn d’er gelukkigste niet geweest. Later was ze te rampzalig, alleen met ’er angst na de opwinding. Gelukkig is ze de dagen geweest, de lange uren van stil om hem heen zijn, bezig voor hem en zijn kinderen; of als ze hem zag, wanneer ie thuiskwam, rood van de drukte,klevveren blij.… As hij maar niet getrouwd was geweest, as hij van haar was blijven houden.… As is ommers verbrande turf,as.… dan had ze-n-’em niet gekend. En dàt geluk ontneemt men haar nóóit—zoo’n man, zoo mooi, zoo groot, zoo krachtig, zoo knap, zoo kranig-en-flink in alles, zij had zich zóó iemand nooit gedróómd, och, wat had zij vóór hem gezien, zij metter pretensies, ’en boeredeern.….… Hè? Ja. Tante heeft gelijk, kwart vóór tienen, het wordt haar tijd.—Nee’, die is goed! Oom met:—Nog ’en glaasje?—en d’er is niks meer in de flesch!—Ik neem graag ’en klein grokje na, grok van klare.… Kom Heukelman!Heerejee, die poerem van Oom toch! Zij? gut ja, daar staat d’er glas nog. Met ongrage teugjes krijgt zij het leeg. Dan kunnen zij gaan.—Tante, wel bedankt.—Ja, netuurluk, veel groeten ’an Groo’va, daarvoor heeft heel de kemedie gediend.Rillend krimpt ze terug voor de kilte. ’t Zondagavondgeherrie woelt op ’er los. Uit de watermist van het Strooveer komen ze op de vreemde, boomoverhuifde wijdte van het Hofplein met aan alle verre zijden fel lichtgeplek.Ze loopt met neergeslagen oogen. Als ze Hem nèt nog ’es tegenkwam! God, het zou toch vreeselijk zijn. Zij wil Hèm[235]teminste niet zien. Hè, die wijn, dat tweede glas, ze heeft het veel te gauw opgedronken. En opeens nou al die drukte. Angstig stijgt ze, de hooge brug op. Weemoed weekt in haar:—daar, rechts af, benee’, hoeveel leed maar ook hóeveel geluk heeft ze, in het op- en neerloopen naar de Simonstraat, doorleefd. Nou is er niks meer—uit en leeg.…Hu, gauw voort.… Willem? Daar loopt ie. Ja, hoe komt die in z’en losjement? Met de trem! zij brengt hem niet weg, niet de heele stad nog door! ’t Liefst was ze de Kruiska afgeslagen en dan stil de kleine straatjes. Maar nu legt zij hem de weg uit: hier aan het eind, hij weet het wel, dan ontmoet hij de trem van het Park. Zeker, hij weet het, hij kent de weg al, ze hoeft zich niks benauwd te maken. En werkelijk, wanneer ze de Aert-van-Nes ingaat, vraagt hij:—’t Is toch disse stroat niet?Zij antwoordt, dat het korter is, zoo. Beverig, maar niet ongerust meer, loopt zij kalm naast hem voort.Doch nu begint hij weer te praten. Daar straks, bij d’er Oom, heeft-ie niks willen zeggen. ’t Benne bijkans vreemden voor ’em. Maar welke boodschap moet-ie morregen overbrengen ’an Groo’va? Den ganschen dag benne ze samen geweest en toch is-tie niet verder metter, en hij heeft er zoo zielslief.—Geirtjen.…Forsch slaat hij zijn hand om haar middel.—Willem, bei je gek?!Driftig draait ze zich los.Ziet ie dan niet! daar is de kemedie. Ja, de lichten branden nog laag, je ziet wel geen mensch, maar wàt mankeert um!.…—Nou dan!Nu steekt hij zijn arm in de hare, trekt haar voort—woest duwt ze hem af. Woest, ìn een plots’linge aanval van woede, van vlijmend leed gevoelen en wrok, doordat, net toen hij weer tegen haar aandrong, zij naast de kemedie, griez’lig alleen, een vrouw herkend heeft, die dikwijls daar staat, wanneer[236]zij ’s avonds hier langs met ’en brief moet, naar de bus op de hoek van de straat.Dàt, dàt meende Maandag die avend, in dat akelige gesprek! O, wat is ze nou hem dankbaar voor die les, die ze nou begrijpt! Nèt zoo gemeen as die vrouw zou ze doen, door zich zonder liefde te geven! Willem d’er man, hij ooit an d’er lijf!.… Hu, ze stikt! Nooit, nóóit, nou weet ze ’t! Zij, die het Gelùk gekend heeft—en dan zonder liefde te trouwen.—Willem, brengt ze uit, et.… kan niet.… ’k Weet et nou zeker.… ik kan et nie’ doen.…—Geirtjen!Ja God, hij ìs te beklagen. Maar zij zelf dan?.…—Toe, dring nie’ meer an. ’t Spijt m’en, ik weet da’ je veel van me houdt, meer.… as.… iemand ooit gedaan he’t.… Maar ìk hou nog àltoos van hèm, ik kàn van geen ander houwe.… Och nee, zie je wel? Hou je nou kalm! ’k Moet ’et je zegge. Toe, ga terug. Ga jij nou na je losement.…Voordat de ontstelde haar doen begrijpt, is zij, de duisternis in, ontvloden.[237]
IV.
Mevrouw is schuld aan wat nu gebeurt: dat ze met Willem door Rotterdam loopt en hij praat, als werd ze zijn vrouw.Toegestemd heeft zij in zijn bezoek, omdat Mevròuw zei: doe het toch, Geertje, je moet hem eens zien, je màg niet weigeren met hem te spreken, daarmee is ommers niets beslist.Gisteravond het eerst aan de trein!—Thuis de herrie om klaar te komen, op ’en Zaterdag nog haast! Aan kant d’er keuken, ijlings gekleed, weg, gerept naar de tram.… en te vroeg, veel te vroeg nog aan het station, waar ze zenuwachtig heeft gedrenteld, in de waaierige kou, door conducteurs vervelend geplaagd. Eindelijk hij! Ze stond achter een hekje, in een groep menschen, die opeens om d’er heen was; vóór d’er de locomotief, die aanglijdt, stilhoudt, en dan dalen er menschen, wemelen op het perron, komen, langs de trein, op haar aan.… Hij! De pummel! Ze voelt een verstijving, schaamt zich voor een juffrouw naast d’er, denkt aan verschuilen, wijkt iets ter zij, ziet wel dat hij haar niet opmerkt, langzaam naderend, log als een os.Wanneer hij, door het hek heen, rondziet, treedt ze weifelend op hem toe.—Willem!—Dag Geirtjen.Hij drukt haar hand, wendt zich, loopt lomp tegen een heer op, zij gaat hem voor, terzij àf, uit de menschen.Dan blijft hij staan en grijpt naar heur hand:[224]—Geirtjen, God he’t mien gebed verheurd.Méér zegt hij niet. Maar zij begrijpt! Da’lek, ’t eerste dat hij weet, wanneer een ander zou vragen: hoe gaat ’et? Gebelgd loopt zij door, op de duisternis toe, buiten, waar geen menschen om hen; hij komt verwonderd achter haar aan;—Geirtjen! klaagt hij, wanneer ze zich voortrept;—eerst bij het stationshek blijft zij staan. Goedig-kalm stapt hij naderbij, niet verontrust, boos evenmin. Geertje schaamt zich: ’et oude spel! Zoo heeft ze hem achter zich aan laten loopen, jaren lang, thuis—bij hem in den hof, achter de koestal om, naar de weien, èn in de school, om de kerk, daarin zelfs, ’s Zaterdags laat, onder Groo’va’s geredder. Zij voelt een moeë verlegenheid, nu zij vanzelf dit spel heeft herhaald. Monsterend wacht zij hem af:—onveranderd! tèrgend-netjes-boersch, altijd! Niets van Amerika, ook vandaag niet, zoo met een steedsch klein heerentaschje, licht gehangen aan z’en ineengedrongen lijf.—Goa we mit de trem of kuwwe loôpe? hoort ze zijn geduldige kalmte.—Niet met de trem!Die zit al vol menschen; als d’er eens iemand was van d’er kennis!.…Om lief te zijn, keert zij en loopt naast hem op; ze zijn bij de booten en naad’ren het water.… Plots’ling, o God! als een hoon valt het op haar, als een smaad die zijzelf zich bereidt: nou gaat ze met Willem als eenmaal metHem, toen Hij haar afhaalde, na de Bruidsnacht.… ’t Kàn niet! Ze staat en stottert verward, dat het toch misschien te ver is, liever de tram en——wáár wil hij heen?—Noar et losement, fur de koamer. ’t Is bèter Geirtjen, awwe dat eirst doen.… Dokter he’t mien gezeid: bij Coomans, Hoofdstèèg, wèèt ie die buurt? teemt hij verder, nu wel haar verlegenheid merkend.Wat? Ze heeft de naam niet verstaan. Hoofdsteeg? Ja, dan met de tram. En zij keeren terug naar de wagens: een leege nu, de volle is weg. Er weeïgt een schuldbewustzijn door haar,[225]een wroeging, èn een besef van onrecht, dat haar, veeleer, wordt aangedaan. Zwijgende zitten zij, wachten, wachten.… Weg! ze snakt dat de tram zal vooruit gaan, ’t is haar als werd ze van buiten begluurd, dooriemand, die het wéét, ofietsvantoen.…Slaap, na zwaar-zijn van vermoeidheid, heeft de spanning van haar verzet gebroken, en de zondagvoormiddag heeft ze kalm haar werk gedaan. Toen is Willem bij haar in de keuken gekomen; Mevrouw heeft het zoo gewild: met de koffie; dan konden zij daarna samen uitgaan.Hij vertelt van de preek die hij heeft gehoord: domenee Gobius over het licht, dat bij God woont. „God weet, wat in het duister is,”Daniël 2 vers 22. Geertje herinnert zich de tekst niet: hoe staat het woord er? en Willem verklaart; ze kent het toch wel: Koning Nebukadnezar, die eischte dat de wijzen hem een vergeten droom zouden vertellen en Daniël wie in een nachtgezicht de verborgenheid werd geopenbaard.… O, is het dat! de droom van het beeld met de voeten van ijzer en leem.… Ja, nu weet zij, nu is zij er in—die droom, zij houdt juist zooveel van de Droomen—de Droomen en Jezus’ Gelijkenissen.… Willem is vòl lof over de preek: Domenee moet een godvruchtig man zijn en die de gave heeft van het woord.Mijmerend hoort zij Willem aan; er komt een zondagsstemming om haar: dit is het goede-van-thuis, wat zij miste. Blij ootmoedig luistert zij toe; schenkt hem koffie bij, dienstwillig; is dankbaar voor de rustige eenvoud, waarmee hij in de keuken vertoeft en niet ongeduldig wordt, wanneer zij met koffiewater, en om hun boterhammen te halen, kort opeen naar boven moet.Gisteravond is hij haar meegevallen, toen hij zonder verlegenheid, kalm-flink als een man die gereisd heeft, àlles vroeg, van de prijs en zoo, over zijn kamer in het hotel. In haar heeft beschaamdheid gevleugd, over haar dienstmeid-zijn, haar keuken.… Hij gedraagt er zich nu heel netjes, of haar toestand[226]doodgewoon was; vroom is hij vervuld van de preek.Weer belt Mevrouw, weer moet zij weg; ijlings schenkt zij hem nog wat koffie. Mevrouw vraagt, of Geertje, voordat zij uitgaat, de keukenkachel nog wil aanmaken en er voldoende kooks in leggen, zoodat Mevrouw er niet naar hoeft te kijken, voordat zij de groente opzet.—En dan ga jij je gang maar, hoor!—Zal ik niet komme anvege, Mevrouw?Mevrouw knikt van neen.Meneer, die uit het raam staat te kijken, keert lachend zich om:—Je mot je vrijer niet zoo làng late wachte!Geertje wendt zich verlegen naar de deur. In onthutste tasting vindt zij de knop. Er snikt een droefheid om onrecht in haar. Waarom zegt-ie dat nou, want hij wéét! hij kent, als Mevrouw, haar geschiedenis; wat sart-ie haar dan met zijn grappigheid, wat had-ie brutaal haar aan te kijken!.… Opeens is het mis in haar, weer het verzet, weg dat vredig, gezellig berusten,—„vrijer”, ook niet als aardigheid, ze kàn het niet hebben, spot met haar liefde.Willem is in haar afwezigheid van plaats veranderd. Zijn stoel stond tegenover de hare aan de tafel, met de rug naar de muur; nu zit hij tegenover het raam. Waarom? Wat moet dat! Hij zoekt in z’en bijbel. Weifelend gaat zij achter hem om.—Geirtjen—en terwijl zij gaat zitten, schuift hij pratend zijn stoel naderbij.—Zou dàt nou geen Godsbestier wèze, da’k van marrege juust over disse tekst most heure? Zie, da’s toch wat anders as toeval. God hèvt ons indachtig wille moake, dat Hij wist wat was in et duuster. Wij kleingeleuvige, we hebbe gewankeld as Petrus, we hebbe geroepen: Heere, behoud mij, moar God die alle harten doorzuukt, die het hart doorgrondt en de niere pruuft, Hij wist wat goed veur ons was. Onnaspeurlijk binne zijn wège, deur veul duusternis moste we goan, mor Hij wèèt wat er is in et duuster en mit de Psalmist magge we nou toch zegge: Welgelukzoalig wiens[227]verwachting is op De Heer.… Wo’ kiek je vrèèmd, woat is-t-er Geirtje?Wat er is! Hij is daar vóór d’er; laag gebogen, de elleboog op de knie, houdt-ie haar zijn harde rooie kop met verschoten hondenstoppels voor, en uit de bloeddoorloopen maar fletse vischoogen, die smachtend en zwemmend-in-vromigheid naar d’er opzien, staart van dat kaalgeschoren snoet toch ook de starre zelfingenomenheid van zijn moeder haar aan.—Da’ zeuj me toch motte toegève. We hebbe gedwoald uut wankelmoedigheid, deurda’ we niet vertrouwden op Hem. Hij hè’t ons gevoerd langs donkere wège. Hij wist wat er was in et duuster. Al die bepruuvinge woare neudig. Ik ben noar Amerika motte goan en jij hier noa Rotterdam. Wat gebeurd is, most gebeure. Da’ geleuf ie toch ook wel Geirtje?Hardvochtig-koel laat zij vallen de vraag:—En wat weej nou daarmee zegge?—Wa’k doarmee zegge wil? Geirtje, da’s toch gemak’lek te roaje!.… Da’ bij God et altied vast-sting, da’ wij man en vrouw zoue worde.Terwijl hij de laatste woorden zegt, tast zijn grove hand naar de hare. Zij ziet het geelbehaarde, sproetige vleesch met de onverzorgde stompvingers. Zij voelt ze.… en ze slaat van haar af, haar vingers tikken, meppen de zijne; achteruitwijkend vaart zij op en loopt met een wijking achter hem om.—Ik zal jou dan ook wat zegge, ook gemakkelek te raje. As je nie’ ophoudt mè’ je gezeur, ’k heb je gistere-n-ook al gewaarschouwd, dan ga’k vemiddag nie’ mè je uit. Goed begrepen? ’k Zeg et nie’ boos, maar hou et je dan nou voor gezeid.Wel ja, hij dee net as een kind. As met ’en kind moet ze met ’um doen. Verder et zich niet ’antrekke. Eéne middag—zal gauw genoeg om zijn. Lam, dat-ie ook venavend nog blijft. Maar netuurlek, zoo’n vrome man, die zit niet in de[228]spoor op Zondag. Laat zich bedienen in ’en hotel, maar reist niet vóór Maandagmorgen!Haastig heeft ze zich gekleed. D’er ouwe zwartje, niet de nieuwe. Niks van opschik met Willempie!En zonder eind hebben zij gekuierd.—Jij wil ook liever buiten de stad?Ze heeft zich gehaat, toen ze dat aan hem vroeg. ’t Leek, of ze met hem alleen wou wezen. Maar ze dorst in de drukke straten niet blijven. ’t Huis in de Oldenbarneveldstraat uit, is ze het Tuindersstraatje geloopen, de Aert van Nes bang overgestoken, het Mauritsstraatje en toen de Kruiska. Op de Diergaardesingel is haar angst gezakt. Terwijl ze in de vredige vroolijkheid van de zonnige herfstdag, tusschen verre weien liepen, een onbestrate rijweg langs hofsteeën, waar Willem zich over veel verbaasde, dat anders was dan in Gelderland; heeft ze hem aan de praat trachten te houden met telkens door te vragen over toestanden in Amerika. En hij heeft die herinneringen iedere keer afgebroken door te willen praten van zijn liefde. Zij wist wel, waarom hij terug is gekomen: aan het andere eind van de wereld, was hij met zijn gedachten hier. Ook was ’t haar bekend, waarom hij gegaan was—alles om haar, alleenig om haar. Gedrensd heeft hij zijn liefdesverwijten. Toen heeft zij er dan nog maar iets op geantwoord.—Waarom bederf je de wandeling? ’k Heb in zóó lang niet ’es gekuierd.—’k Bin tuch hier om doareuver te sprèke.—D’er valt daar nie’ meer over te spreke.—Woarum hei’j me dan loate komme!Ja, waarom, waarom! waarom!?Haar heeft dat waarom verwijtend gemarteld. Omdat ze nooit weet wat ze wil; dan naar die luistert en dan weer naar die! Maar zijn stugge koppigheid is kalm na een poos[229]opnieuw begonnen: zij mocht nu nog weifelen, maar God wou ’et. Hij die weet wat er is in het duister. Zij wáren een paar in Zijn Raadsbesluit.Op de terugweg zijn ze in een tuintje gaan zitten, waar hij twee glazen melk heeft besteld. Neergesmakt is zij op het stukkende, wippende stoeltje, verstramd en verstompt van zóó lang loopen. Wanhopige haat heeft er in haar geflitst, toen hij wel geen bezwaar maakte, maar toch smalend iets zei van: „Op Zondag”, na haar vragen om dáár wat te rusten. Ze konne’ toch de godgansche dag niet op de been blijve: waar wou ie dan heen! hier of erge’s anders.… Nou, ’t was hem ook goed; maar wat nou dat zitten betreft—hij had gedacht, dat ze naar haar Oom zou’en gaan; dat had hij ook aan haar groo’va beloofd.—As je d’ar gaat voor de stichtelijkheid! heeft ze geschimpt. Maar haar een biet! Als hij naar Oom wil, dan naar Oom.Daar hebben ze slappe koffie gekregen en oneetbaar-hard-brood met gebakken spek.En in haar wrange gemoedsstemming heeft ze schik gehad in Oom, die vriendelijk dee’—natuurlijk om Groo’va. Waarom had-ie dàt niet geweten! Geertje kwam ook nooit meer ’es ’an. Anders zou Tante natuurlijk hebben gezorgd voor ’en betere ontvangst. Maar zij plachten om één uur warm te eten. En nu was er niets anders in huis, en net op Zondag, je kon niks krijgen.…Zoo heeft Willem met traag geduld op de hompen brood kunnen kauwen en de breede eelttoppen van zijn vingers-als-stokken plomp naar de niet stuk te snijden slierten van het krullende, druipende spek laten grijpen. Zij heeft zich met koffie gevuld en is een paar keer naar achter gemoeten, in de beenen het lood van de kuier. Ze heeft gedacht aan het groote hotel, waar Willem zijn kamer heeft en niet gaat eten; waar ie haar voor de maaltijd zou hebben gebracht, als-ie een heer, als-ie.… Jan geweest was.Alles in haar schreit weer om Jan.[230]Zij beseft nu ook, wat haar heeft bewogen, naar Mevrouw d’er raad te hooren, Willem hier te laten komen. Op het oogenblik, dat zij bij Oom d’er mantel aandeed om met Willem naar de avondkerk te gaan, is een buurvrouw, die de helft van de verdieping boven Oom’s winkel bewoont, met ’er kindje binnengekomen, een jonge vrouw, met een zuigeling en blijkbaar alweer in verwachting. Bij het zien van dat moedergeluk, heeft Geertje geweten: Mevrouw d’er blijheid in het vooruitzicht van d’er bevalling, Mevrouw, die toch ook niet gelukkig getrouwd is, heeft haar doen peinzen:—Als het eens kon, Willem z’en zin en ik ’en kindje.…De preek is langs haar bewustzijn gegleden. Weemoed heeft er in haar gebeefd; ze wàs in de kerk niet, maar Thuis-in-het-Hang.… Toch is zij geschrikt van het weer-op-straat-zijn.Zij gaan nu nogmaals samen naar Oom en nog loopt hij te zaniken. Straks op de Hoogstraat had-ie een grap. In de menigte nam hij haar arm en toen zij die los wou trekken:—„’k Loa’je nie’ los.… Nooit loa’k je los.… Geirtjen, begriep ie wel, ’k loa je nóóit los,” met ’en nadruk, nog eens ’et gezegd: ze had ’um ommers al lang begrepen. Hè, en zijn lachen, dat leek toch zoo raar, dan zag je z’en oogen niet, enkel zijn mond, een groot gat gore brokkeltanden, en d’er was niks vroolijks ’an ’um, vroolijkheid kenne ze niet op de hofstee; dat ie nòu lachte was om haar, ’en verlegen mislukt perbeeren. Ruw is zij van het trottoir gestapt, zoodat de menschen tusschen hen drongen; en in de Pessage, in de volte is zij hem aldoor vóór gebleven, uitwijkend vlug door de menschen zich schuivend.Op de Coolsingel ’en andere toon:—Woarum gèèf je mien nou gèèn ârm? ’k Loa je toch nie’ los, heur Geirtje. God hèvt ons voor mekander bestemd. Dat hèwwe toch allebei altoos gewète. Aw m’or èènmaal getrouwd binne! ’k Wéét wel wa’j nou tègestoat. ’t Is da’ boerse-n-in me, joa!.… Och, jij bin dat nou ontwend. M’or je[231]bin toch van geliekke komaf, joa, je groo’moe was krek as wijlu.God, zoo’n gekle’s! Hoor nou toch es an! Hè, zoo’n zelftevreden wauwel! Snel wijkt zij uit voor de menschendrom, nu loopt ze vrij, maar nee, daar is-t-ie, dringt naast d’er op, nou houdt-ie d’er vast, z’en lauwe greep omknelt haar elboog.—Laat toch! maar hij blijft aan d’er zij. Ze schuifelen, door menschen omdrongen, voort. De lucht is doorsproeid van heel licht grijs. Om haar, in de wemeling van donk’re gestalten en fletse gezichten, plekkeren aanhoudend kleurvlekken op; in ’t grauw-sombere krioelen onderscheidt ze, met soms een scherpte van gelaatstrekken, vormen, die verdoft kleurpralen, van hoeden, veeren, mantels, kostuums. Zij loopt in d’er sjofele zwartje, met de vaal-verschoten voorbaan. En naast ’er is-en-blijft d’er boer. Móói paar, zullie tusschen de steedschheid. Echt twee zielige pummels van buiten.Nu komen zij onder ’t elektrische licht, plots in een schaat’rende helheid als dag. Zij wil niet naar binnen kijken bij Soesman, want je ziet ’er jezelf in de spiegels. De menschen omdwarrelen haar als bij dag, sjieke toiletten ruischen langs haar. Tartend omstuift haar het zondags-gepronk en maakt haar ongeduldig-verlegen..… Nèt zukke reclameborden met namen en gekleurde figuren stingen hier vóór Tivoli, de Pinkstermiddag, toen ze met Oom en Tante hier over ’t Singel ging, van Oom z’en huis op weg naar ’t Hang: toen zij Jan voor ’t eerst gezien he’t.… De herinnering sláát haar geest neer. Machteloos ondergáát zij op eenmaal de drukte. Willem blijft naast haar, hij hindert haar niet. Vanmiddag en straks in de Hoogstraat weer en net nog aan het begin van ’t Singel, dorst ze niet loopen, haast, vreezend aldoor, dat ze, opkijkend Jan zou zien komen, plots hóóg voor d’er met z’en spotlach: zij zóó gekleed en d’er botterik naast d’er. Maar nu geeft ze zich gewonnen. Wat is zij? ’en boerenmeid! Ze hoort niet tusschen al dit steedsche. ’t Maakt ’er verlegen, verrukt ’er, bedwelmt ’er. ’t Is wat ze wòu.… maar het wìl niet van haar.…[232]Oom’s sigarendépôt is op het Strooveer. Bij het binnenkomen schrikt ze. Een klant, een lange heer—als Jan. ’t Is Jan niet! maar toch is ze geschrikt. Bedeesd treedt ze langs de toonbank naar achter, zwijgend Oom groetend, die druk doet, niet ziet.Tante zit achter, gelukkig alleen. Even later lawaaiigt Oom binnen. Zie je, dat doet ’em nou plezier. ’t Heeft hem vemiddag zoo drommels gespeten, dat hij niks had om te preseteeren. En overdag was ’et hier zoo donker. Nou met ’et gas ’an, vroolijk hè? Ja verlichting, het eerste vereischte! Daar hadden ze bij hun in ’et dorp nog geen kaas van gegeten. Willem rookt toch?—Toe, steek es op! Zwaar of licht, naar ieders verkiezing. Die?.… Willem doet niet an afschafferij? ’En glaasje wijn, dat mag ie niet weig’re.—Vrouw, haal jij ’s ’en flesch wijn uit de kelder.Geertje heeft schik in de kemedie. Kelder! Ze hebben niet eens ’en kelder! Nog geen kolenhok is d’er benee.Tante gaat ongesjeneerd naar de kast en neemt de flesch die Geertje ziet staan, hoog-alleen tusschen kleinere dingen. Maar Oom:—O hàdt j’al uitgekrege?Onverstoorbaar, z’en grootdoenerij. Nu vraagt hij Willem wie er gepreekt he’t. Goed?—Ik ken ’em niet. Zei je De Valk? Ja, d’er ben hier zoo’n hoop domenees. Da’s niet as bij jou: aldoor een-en-dezelfde. En ik kom niet vaak in de kerk. Met de zaak, ik kan d’er niet uit! We mòtten ope blijven op Zondag, heel den dag, om de konkerensie. Afijn, ’t gaat me goed, nou, ja! daar niet van!Werkelijk is er weer iemand voor. Oom is er al heen en Tante schenkt wijn in. Hoe komt zij aan die nette glaasjes? Zes gelijke op een blaadje. Zeker gauw ergens wezen leenen. Ze hebben weer vrienden: een nieuwe buurt. Zoo kort als het duurt, is Oom het heertje. Nou redeneert-ie tegen de klant. Och, hij is toch eig’lijk ’en stakker.[233]Alles om haar maant tot ootmoed. „Wee den hoovaardige”.… zij met ’er trots! Ze mag zich niet ergeren aan Willem z’en boerschheid. Zelve is ze ommers niks beter! Moet ze-n-’em némen?! Ze kan niet, nòg niet. Ze heeft ’em vandaag wel afgesnauwd. Afmaken, heelemaal, zal ze ’t niet. Maar evenmin krijgt ie d’er woord! Ze heeft nou gedáán, wat Mevrouw van d’er wilde. Als ze bij Mevrouw maar mag blijven. Nergens anders voelt ze zich veilig. En als dan van ’t winter het kindje komt.…Tante heeft ook haar een glas wijn voorgezet. Het eerste slokje vond zij aak’lig. Maar nu heeft ze nog eens geproefd. Nu kittelt de tinteling haar rozige loomheid. Als ze durfde, dronk ze ’t leeg.Hoe vaak heeft Jan d’er wijn opgedrongen. Toen gaf z’er niet om, vond het haast iets gewoons. Al de rijkelijkheid leek haar gewoon. Of zij er in hoorde.… Ach, die roes van geluk.Aan de achterkant van de kamer gezeten, kijkt zij in het licht van de winkel, dat goudfonkelt door de zevende vitrage.Oom is teruggekomen en praat nu druk tegen Willem, die rustige, langzame antwoorden geeft, blijkbaar op zijn gemak, tevreden dat zij hierheen zijn gegaan. Nu en dan let zij even op hen, maar telkens trekt haar die zeving van licht, ’t wit en het goud; en mijmert zij weg.Al zou ze Hem nooit meer zien.… zeker zal ze niets meer van hem merken, en dat is toch ook maar beter, zij wéét zich verouderd van al het getob, ze vòelt zich zoo òp soms en hij, met zijn spotlach …; al zal ze misschien Hem nooit meer zien, altijd haar best doend om Hem te ontwijken—eeuwig, tot in de dood staat Hij vóór haar, zooals nu, dáár, zijn hoofd in het licht.Door Hem heeft zij Geluk gekend en geen wreedheid kan ’t haar ontnemen. Neen, ze haat hem niet, haar Jan, al wéét ze nu, dat zijn liefde niet duurde. Hij is voor haar Heel-de-Wèreld geweest, heel de wereld in licht van geluk.[234]Daar heeft Oóm d’er ingeschonken. Nou, graag wil z’en tweede glas. Jan heeft ’er wel ’es drie laten drinken, wel ’es vier.… Ze lacht:—Dank u wel.—Toen, die avond.… Sefie na’ bed, och wat dee-t-ie toe’ uitgelaten, zij wist op ’et laatst nie’ meer waar ze was.… en hij keek er m’ar ’an met z’en spotlach.… Hè nee, zóó wil ze Hem nou niet zien, enkel het Gezicht dat ze liefheeft. Die avonde dat ie ’er wijn opdrong, zijn d’er gelukkigste niet geweest. Later was ze te rampzalig, alleen met ’er angst na de opwinding. Gelukkig is ze de dagen geweest, de lange uren van stil om hem heen zijn, bezig voor hem en zijn kinderen; of als ze hem zag, wanneer ie thuiskwam, rood van de drukte,klevveren blij.… As hij maar niet getrouwd was geweest, as hij van haar was blijven houden.… As is ommers verbrande turf,as.… dan had ze-n-’em niet gekend. En dàt geluk ontneemt men haar nóóit—zoo’n man, zoo mooi, zoo groot, zoo krachtig, zoo knap, zoo kranig-en-flink in alles, zij had zich zóó iemand nooit gedróómd, och, wat had zij vóór hem gezien, zij metter pretensies, ’en boeredeern.….… Hè? Ja. Tante heeft gelijk, kwart vóór tienen, het wordt haar tijd.—Nee’, die is goed! Oom met:—Nog ’en glaasje?—en d’er is niks meer in de flesch!—Ik neem graag ’en klein grokje na, grok van klare.… Kom Heukelman!Heerejee, die poerem van Oom toch! Zij? gut ja, daar staat d’er glas nog. Met ongrage teugjes krijgt zij het leeg. Dan kunnen zij gaan.—Tante, wel bedankt.—Ja, netuurluk, veel groeten ’an Groo’va, daarvoor heeft heel de kemedie gediend.Rillend krimpt ze terug voor de kilte. ’t Zondagavondgeherrie woelt op ’er los. Uit de watermist van het Strooveer komen ze op de vreemde, boomoverhuifde wijdte van het Hofplein met aan alle verre zijden fel lichtgeplek.Ze loopt met neergeslagen oogen. Als ze Hem nèt nog ’es tegenkwam! God, het zou toch vreeselijk zijn. Zij wil Hèm[235]teminste niet zien. Hè, die wijn, dat tweede glas, ze heeft het veel te gauw opgedronken. En opeens nou al die drukte. Angstig stijgt ze, de hooge brug op. Weemoed weekt in haar:—daar, rechts af, benee’, hoeveel leed maar ook hóeveel geluk heeft ze, in het op- en neerloopen naar de Simonstraat, doorleefd. Nou is er niks meer—uit en leeg.…Hu, gauw voort.… Willem? Daar loopt ie. Ja, hoe komt die in z’en losjement? Met de trem! zij brengt hem niet weg, niet de heele stad nog door! ’t Liefst was ze de Kruiska afgeslagen en dan stil de kleine straatjes. Maar nu legt zij hem de weg uit: hier aan het eind, hij weet het wel, dan ontmoet hij de trem van het Park. Zeker, hij weet het, hij kent de weg al, ze hoeft zich niks benauwd te maken. En werkelijk, wanneer ze de Aert-van-Nes ingaat, vraagt hij:—’t Is toch disse stroat niet?Zij antwoordt, dat het korter is, zoo. Beverig, maar niet ongerust meer, loopt zij kalm naast hem voort.Doch nu begint hij weer te praten. Daar straks, bij d’er Oom, heeft-ie niks willen zeggen. ’t Benne bijkans vreemden voor ’em. Maar welke boodschap moet-ie morregen overbrengen ’an Groo’va? Den ganschen dag benne ze samen geweest en toch is-tie niet verder metter, en hij heeft er zoo zielslief.—Geirtjen.…Forsch slaat hij zijn hand om haar middel.—Willem, bei je gek?!Driftig draait ze zich los.Ziet ie dan niet! daar is de kemedie. Ja, de lichten branden nog laag, je ziet wel geen mensch, maar wàt mankeert um!.…—Nou dan!Nu steekt hij zijn arm in de hare, trekt haar voort—woest duwt ze hem af. Woest, ìn een plots’linge aanval van woede, van vlijmend leed gevoelen en wrok, doordat, net toen hij weer tegen haar aandrong, zij naast de kemedie, griez’lig alleen, een vrouw herkend heeft, die dikwijls daar staat, wanneer[236]zij ’s avonds hier langs met ’en brief moet, naar de bus op de hoek van de straat.Dàt, dàt meende Maandag die avend, in dat akelige gesprek! O, wat is ze nou hem dankbaar voor die les, die ze nou begrijpt! Nèt zoo gemeen as die vrouw zou ze doen, door zich zonder liefde te geven! Willem d’er man, hij ooit an d’er lijf!.… Hu, ze stikt! Nooit, nóóit, nou weet ze ’t! Zij, die het Gelùk gekend heeft—en dan zonder liefde te trouwen.—Willem, brengt ze uit, et.… kan niet.… ’k Weet et nou zeker.… ik kan et nie’ doen.…—Geirtjen!Ja God, hij ìs te beklagen. Maar zij zelf dan?.…—Toe, dring nie’ meer an. ’t Spijt m’en, ik weet da’ je veel van me houdt, meer.… as.… iemand ooit gedaan he’t.… Maar ìk hou nog àltoos van hèm, ik kàn van geen ander houwe.… Och nee, zie je wel? Hou je nou kalm! ’k Moet ’et je zegge. Toe, ga terug. Ga jij nou na je losement.…Voordat de ontstelde haar doen begrijpt, is zij, de duisternis in, ontvloden.[237]
Mevrouw is schuld aan wat nu gebeurt: dat ze met Willem door Rotterdam loopt en hij praat, als werd ze zijn vrouw.
Toegestemd heeft zij in zijn bezoek, omdat Mevròuw zei: doe het toch, Geertje, je moet hem eens zien, je màg niet weigeren met hem te spreken, daarmee is ommers niets beslist.
Gisteravond het eerst aan de trein!—Thuis de herrie om klaar te komen, op ’en Zaterdag nog haast! Aan kant d’er keuken, ijlings gekleed, weg, gerept naar de tram.… en te vroeg, veel te vroeg nog aan het station, waar ze zenuwachtig heeft gedrenteld, in de waaierige kou, door conducteurs vervelend geplaagd. Eindelijk hij! Ze stond achter een hekje, in een groep menschen, die opeens om d’er heen was; vóór d’er de locomotief, die aanglijdt, stilhoudt, en dan dalen er menschen, wemelen op het perron, komen, langs de trein, op haar aan.… Hij! De pummel! Ze voelt een verstijving, schaamt zich voor een juffrouw naast d’er, denkt aan verschuilen, wijkt iets ter zij, ziet wel dat hij haar niet opmerkt, langzaam naderend, log als een os.
Wanneer hij, door het hek heen, rondziet, treedt ze weifelend op hem toe.
—Willem!
—Dag Geirtjen.
Hij drukt haar hand, wendt zich, loopt lomp tegen een heer op, zij gaat hem voor, terzij àf, uit de menschen.
Dan blijft hij staan en grijpt naar heur hand:[224]
—Geirtjen, God he’t mien gebed verheurd.
Méér zegt hij niet. Maar zij begrijpt! Da’lek, ’t eerste dat hij weet, wanneer een ander zou vragen: hoe gaat ’et? Gebelgd loopt zij door, op de duisternis toe, buiten, waar geen menschen om hen; hij komt verwonderd achter haar aan;—Geirtjen! klaagt hij, wanneer ze zich voortrept;—eerst bij het stationshek blijft zij staan. Goedig-kalm stapt hij naderbij, niet verontrust, boos evenmin. Geertje schaamt zich: ’et oude spel! Zoo heeft ze hem achter zich aan laten loopen, jaren lang, thuis—bij hem in den hof, achter de koestal om, naar de weien, èn in de school, om de kerk, daarin zelfs, ’s Zaterdags laat, onder Groo’va’s geredder. Zij voelt een moeë verlegenheid, nu zij vanzelf dit spel heeft herhaald. Monsterend wacht zij hem af:—onveranderd! tèrgend-netjes-boersch, altijd! Niets van Amerika, ook vandaag niet, zoo met een steedsch klein heerentaschje, licht gehangen aan z’en ineengedrongen lijf.
—Goa we mit de trem of kuwwe loôpe? hoort ze zijn geduldige kalmte.
—Niet met de trem!
Die zit al vol menschen; als d’er eens iemand was van d’er kennis!.…
Om lief te zijn, keert zij en loopt naast hem op; ze zijn bij de booten en naad’ren het water.… Plots’ling, o God! als een hoon valt het op haar, als een smaad die zijzelf zich bereidt: nou gaat ze met Willem als eenmaal metHem, toen Hij haar afhaalde, na de Bruidsnacht.… ’t Kàn niet! Ze staat en stottert verward, dat het toch misschien te ver is, liever de tram en——wáár wil hij heen?
—Noar et losement, fur de koamer. ’t Is bèter Geirtjen, awwe dat eirst doen.… Dokter he’t mien gezeid: bij Coomans, Hoofdstèèg, wèèt ie die buurt? teemt hij verder, nu wel haar verlegenheid merkend.
Wat? Ze heeft de naam niet verstaan. Hoofdsteeg? Ja, dan met de tram. En zij keeren terug naar de wagens: een leege nu, de volle is weg. Er weeïgt een schuldbewustzijn door haar,[225]een wroeging, èn een besef van onrecht, dat haar, veeleer, wordt aangedaan. Zwijgende zitten zij, wachten, wachten.… Weg! ze snakt dat de tram zal vooruit gaan, ’t is haar als werd ze van buiten begluurd, dooriemand, die het wéét, ofietsvantoen.…
Slaap, na zwaar-zijn van vermoeidheid, heeft de spanning van haar verzet gebroken, en de zondagvoormiddag heeft ze kalm haar werk gedaan. Toen is Willem bij haar in de keuken gekomen; Mevrouw heeft het zoo gewild: met de koffie; dan konden zij daarna samen uitgaan.
Hij vertelt van de preek die hij heeft gehoord: domenee Gobius over het licht, dat bij God woont. „God weet, wat in het duister is,”Daniël 2 vers 22. Geertje herinnert zich de tekst niet: hoe staat het woord er? en Willem verklaart; ze kent het toch wel: Koning Nebukadnezar, die eischte dat de wijzen hem een vergeten droom zouden vertellen en Daniël wie in een nachtgezicht de verborgenheid werd geopenbaard.… O, is het dat! de droom van het beeld met de voeten van ijzer en leem.… Ja, nu weet zij, nu is zij er in—die droom, zij houdt juist zooveel van de Droomen—de Droomen en Jezus’ Gelijkenissen.… Willem is vòl lof over de preek: Domenee moet een godvruchtig man zijn en die de gave heeft van het woord.
Mijmerend hoort zij Willem aan; er komt een zondagsstemming om haar: dit is het goede-van-thuis, wat zij miste. Blij ootmoedig luistert zij toe; schenkt hem koffie bij, dienstwillig; is dankbaar voor de rustige eenvoud, waarmee hij in de keuken vertoeft en niet ongeduldig wordt, wanneer zij met koffiewater, en om hun boterhammen te halen, kort opeen naar boven moet.
Gisteravond is hij haar meegevallen, toen hij zonder verlegenheid, kalm-flink als een man die gereisd heeft, àlles vroeg, van de prijs en zoo, over zijn kamer in het hotel. In haar heeft beschaamdheid gevleugd, over haar dienstmeid-zijn, haar keuken.… Hij gedraagt er zich nu heel netjes, of haar toestand[226]doodgewoon was; vroom is hij vervuld van de preek.
Weer belt Mevrouw, weer moet zij weg; ijlings schenkt zij hem nog wat koffie. Mevrouw vraagt, of Geertje, voordat zij uitgaat, de keukenkachel nog wil aanmaken en er voldoende kooks in leggen, zoodat Mevrouw er niet naar hoeft te kijken, voordat zij de groente opzet.
—En dan ga jij je gang maar, hoor!
—Zal ik niet komme anvege, Mevrouw?
Mevrouw knikt van neen.
Meneer, die uit het raam staat te kijken, keert lachend zich om:
—Je mot je vrijer niet zoo làng late wachte!
Geertje wendt zich verlegen naar de deur. In onthutste tasting vindt zij de knop. Er snikt een droefheid om onrecht in haar. Waarom zegt-ie dat nou, want hij wéét! hij kent, als Mevrouw, haar geschiedenis; wat sart-ie haar dan met zijn grappigheid, wat had-ie brutaal haar aan te kijken!.… Opeens is het mis in haar, weer het verzet, weg dat vredig, gezellig berusten,—„vrijer”, ook niet als aardigheid, ze kàn het niet hebben, spot met haar liefde.
Willem is in haar afwezigheid van plaats veranderd. Zijn stoel stond tegenover de hare aan de tafel, met de rug naar de muur; nu zit hij tegenover het raam. Waarom? Wat moet dat! Hij zoekt in z’en bijbel. Weifelend gaat zij achter hem om.
—Geirtjen—en terwijl zij gaat zitten, schuift hij pratend zijn stoel naderbij.—Zou dàt nou geen Godsbestier wèze, da’k van marrege juust over disse tekst most heure? Zie, da’s toch wat anders as toeval. God hèvt ons indachtig wille moake, dat Hij wist wat was in et duuster. Wij kleingeleuvige, we hebbe gewankeld as Petrus, we hebbe geroepen: Heere, behoud mij, moar God die alle harten doorzuukt, die het hart doorgrondt en de niere pruuft, Hij wist wat goed veur ons was. Onnaspeurlijk binne zijn wège, deur veul duusternis moste we goan, mor Hij wèèt wat er is in et duuster en mit de Psalmist magge we nou toch zegge: Welgelukzoalig wiens[227]verwachting is op De Heer.… Wo’ kiek je vrèèmd, woat is-t-er Geirtje?
Wat er is! Hij is daar vóór d’er; laag gebogen, de elleboog op de knie, houdt-ie haar zijn harde rooie kop met verschoten hondenstoppels voor, en uit de bloeddoorloopen maar fletse vischoogen, die smachtend en zwemmend-in-vromigheid naar d’er opzien, staart van dat kaalgeschoren snoet toch ook de starre zelfingenomenheid van zijn moeder haar aan.
—Da’ zeuj me toch motte toegève. We hebbe gedwoald uut wankelmoedigheid, deurda’ we niet vertrouwden op Hem. Hij hè’t ons gevoerd langs donkere wège. Hij wist wat er was in et duuster. Al die bepruuvinge woare neudig. Ik ben noar Amerika motte goan en jij hier noa Rotterdam. Wat gebeurd is, most gebeure. Da’ geleuf ie toch ook wel Geirtje?
Hardvochtig-koel laat zij vallen de vraag:
—En wat weej nou daarmee zegge?
—Wa’k doarmee zegge wil? Geirtje, da’s toch gemak’lek te roaje!.… Da’ bij God et altied vast-sting, da’ wij man en vrouw zoue worde.
Terwijl hij de laatste woorden zegt, tast zijn grove hand naar de hare. Zij ziet het geelbehaarde, sproetige vleesch met de onverzorgde stompvingers. Zij voelt ze.… en ze slaat van haar af, haar vingers tikken, meppen de zijne; achteruitwijkend vaart zij op en loopt met een wijking achter hem om.
—Ik zal jou dan ook wat zegge, ook gemakkelek te raje. As je nie’ ophoudt mè’ je gezeur, ’k heb je gistere-n-ook al gewaarschouwd, dan ga’k vemiddag nie’ mè je uit. Goed begrepen? ’k Zeg et nie’ boos, maar hou et je dan nou voor gezeid.
Wel ja, hij dee net as een kind. As met ’en kind moet ze met ’um doen. Verder et zich niet ’antrekke. Eéne middag—zal gauw genoeg om zijn. Lam, dat-ie ook venavend nog blijft. Maar netuurlek, zoo’n vrome man, die zit niet in de[228]spoor op Zondag. Laat zich bedienen in ’en hotel, maar reist niet vóór Maandagmorgen!
Haastig heeft ze zich gekleed. D’er ouwe zwartje, niet de nieuwe. Niks van opschik met Willempie!
En zonder eind hebben zij gekuierd.
—Jij wil ook liever buiten de stad?
Ze heeft zich gehaat, toen ze dat aan hem vroeg. ’t Leek, of ze met hem alleen wou wezen. Maar ze dorst in de drukke straten niet blijven. ’t Huis in de Oldenbarneveldstraat uit, is ze het Tuindersstraatje geloopen, de Aert van Nes bang overgestoken, het Mauritsstraatje en toen de Kruiska. Op de Diergaardesingel is haar angst gezakt. Terwijl ze in de vredige vroolijkheid van de zonnige herfstdag, tusschen verre weien liepen, een onbestrate rijweg langs hofsteeën, waar Willem zich over veel verbaasde, dat anders was dan in Gelderland; heeft ze hem aan de praat trachten te houden met telkens door te vragen over toestanden in Amerika. En hij heeft die herinneringen iedere keer afgebroken door te willen praten van zijn liefde. Zij wist wel, waarom hij terug is gekomen: aan het andere eind van de wereld, was hij met zijn gedachten hier. Ook was ’t haar bekend, waarom hij gegaan was—alles om haar, alleenig om haar. Gedrensd heeft hij zijn liefdesverwijten. Toen heeft zij er dan nog maar iets op geantwoord.
—Waarom bederf je de wandeling? ’k Heb in zóó lang niet ’es gekuierd.
—’k Bin tuch hier om doareuver te sprèke.
—D’er valt daar nie’ meer over te spreke.
—Woarum hei’j me dan loate komme!
Ja, waarom, waarom! waarom!?
Haar heeft dat waarom verwijtend gemarteld. Omdat ze nooit weet wat ze wil; dan naar die luistert en dan weer naar die! Maar zijn stugge koppigheid is kalm na een poos[229]opnieuw begonnen: zij mocht nu nog weifelen, maar God wou ’et. Hij die weet wat er is in het duister. Zij wáren een paar in Zijn Raadsbesluit.
Op de terugweg zijn ze in een tuintje gaan zitten, waar hij twee glazen melk heeft besteld. Neergesmakt is zij op het stukkende, wippende stoeltje, verstramd en verstompt van zóó lang loopen. Wanhopige haat heeft er in haar geflitst, toen hij wel geen bezwaar maakte, maar toch smalend iets zei van: „Op Zondag”, na haar vragen om dáár wat te rusten. Ze konne’ toch de godgansche dag niet op de been blijve: waar wou ie dan heen! hier of erge’s anders.… Nou, ’t was hem ook goed; maar wat nou dat zitten betreft—hij had gedacht, dat ze naar haar Oom zou’en gaan; dat had hij ook aan haar groo’va beloofd.
—As je d’ar gaat voor de stichtelijkheid! heeft ze geschimpt. Maar haar een biet! Als hij naar Oom wil, dan naar Oom.
Daar hebben ze slappe koffie gekregen en oneetbaar-hard-brood met gebakken spek.
En in haar wrange gemoedsstemming heeft ze schik gehad in Oom, die vriendelijk dee’—natuurlijk om Groo’va. Waarom had-ie dàt niet geweten! Geertje kwam ook nooit meer ’es ’an. Anders zou Tante natuurlijk hebben gezorgd voor ’en betere ontvangst. Maar zij plachten om één uur warm te eten. En nu was er niets anders in huis, en net op Zondag, je kon niks krijgen.…
Zoo heeft Willem met traag geduld op de hompen brood kunnen kauwen en de breede eelttoppen van zijn vingers-als-stokken plomp naar de niet stuk te snijden slierten van het krullende, druipende spek laten grijpen. Zij heeft zich met koffie gevuld en is een paar keer naar achter gemoeten, in de beenen het lood van de kuier. Ze heeft gedacht aan het groote hotel, waar Willem zijn kamer heeft en niet gaat eten; waar ie haar voor de maaltijd zou hebben gebracht, als-ie een heer, als-ie.… Jan geweest was.
Alles in haar schreit weer om Jan.[230]
Zij beseft nu ook, wat haar heeft bewogen, naar Mevrouw d’er raad te hooren, Willem hier te laten komen. Op het oogenblik, dat zij bij Oom d’er mantel aandeed om met Willem naar de avondkerk te gaan, is een buurvrouw, die de helft van de verdieping boven Oom’s winkel bewoont, met ’er kindje binnengekomen, een jonge vrouw, met een zuigeling en blijkbaar alweer in verwachting. Bij het zien van dat moedergeluk, heeft Geertje geweten: Mevrouw d’er blijheid in het vooruitzicht van d’er bevalling, Mevrouw, die toch ook niet gelukkig getrouwd is, heeft haar doen peinzen:—Als het eens kon, Willem z’en zin en ik ’en kindje.…
De preek is langs haar bewustzijn gegleden. Weemoed heeft er in haar gebeefd; ze wàs in de kerk niet, maar Thuis-in-het-Hang.… Toch is zij geschrikt van het weer-op-straat-zijn.
Zij gaan nu nogmaals samen naar Oom en nog loopt hij te zaniken. Straks op de Hoogstraat had-ie een grap. In de menigte nam hij haar arm en toen zij die los wou trekken:—„’k Loa’je nie’ los.… Nooit loa’k je los.… Geirtjen, begriep ie wel, ’k loa je nóóit los,” met ’en nadruk, nog eens ’et gezegd: ze had ’um ommers al lang begrepen. Hè, en zijn lachen, dat leek toch zoo raar, dan zag je z’en oogen niet, enkel zijn mond, een groot gat gore brokkeltanden, en d’er was niks vroolijks ’an ’um, vroolijkheid kenne ze niet op de hofstee; dat ie nòu lachte was om haar, ’en verlegen mislukt perbeeren. Ruw is zij van het trottoir gestapt, zoodat de menschen tusschen hen drongen; en in de Pessage, in de volte is zij hem aldoor vóór gebleven, uitwijkend vlug door de menschen zich schuivend.
Op de Coolsingel ’en andere toon:
—Woarum gèèf je mien nou gèèn ârm? ’k Loa je toch nie’ los, heur Geirtje. God hèvt ons voor mekander bestemd. Dat hèwwe toch allebei altoos gewète. Aw m’or èènmaal getrouwd binne! ’k Wéét wel wa’j nou tègestoat. ’t Is da’ boerse-n-in me, joa!.… Och, jij bin dat nou ontwend. M’or je[231]bin toch van geliekke komaf, joa, je groo’moe was krek as wijlu.
God, zoo’n gekle’s! Hoor nou toch es an! Hè, zoo’n zelftevreden wauwel! Snel wijkt zij uit voor de menschendrom, nu loopt ze vrij, maar nee, daar is-t-ie, dringt naast d’er op, nou houdt-ie d’er vast, z’en lauwe greep omknelt haar elboog.—Laat toch! maar hij blijft aan d’er zij. Ze schuifelen, door menschen omdrongen, voort. De lucht is doorsproeid van heel licht grijs. Om haar, in de wemeling van donk’re gestalten en fletse gezichten, plekkeren aanhoudend kleurvlekken op; in ’t grauw-sombere krioelen onderscheidt ze, met soms een scherpte van gelaatstrekken, vormen, die verdoft kleurpralen, van hoeden, veeren, mantels, kostuums. Zij loopt in d’er sjofele zwartje, met de vaal-verschoten voorbaan. En naast ’er is-en-blijft d’er boer. Móói paar, zullie tusschen de steedschheid. Echt twee zielige pummels van buiten.
Nu komen zij onder ’t elektrische licht, plots in een schaat’rende helheid als dag. Zij wil niet naar binnen kijken bij Soesman, want je ziet ’er jezelf in de spiegels. De menschen omdwarrelen haar als bij dag, sjieke toiletten ruischen langs haar. Tartend omstuift haar het zondags-gepronk en maakt haar ongeduldig-verlegen.
.… Nèt zukke reclameborden met namen en gekleurde figuren stingen hier vóór Tivoli, de Pinkstermiddag, toen ze met Oom en Tante hier over ’t Singel ging, van Oom z’en huis op weg naar ’t Hang: toen zij Jan voor ’t eerst gezien he’t.… De herinnering sláát haar geest neer. Machteloos ondergáát zij op eenmaal de drukte. Willem blijft naast haar, hij hindert haar niet. Vanmiddag en straks in de Hoogstraat weer en net nog aan het begin van ’t Singel, dorst ze niet loopen, haast, vreezend aldoor, dat ze, opkijkend Jan zou zien komen, plots hóóg voor d’er met z’en spotlach: zij zóó gekleed en d’er botterik naast d’er. Maar nu geeft ze zich gewonnen. Wat is zij? ’en boerenmeid! Ze hoort niet tusschen al dit steedsche. ’t Maakt ’er verlegen, verrukt ’er, bedwelmt ’er. ’t Is wat ze wòu.… maar het wìl niet van haar.…[232]
Oom’s sigarendépôt is op het Strooveer. Bij het binnenkomen schrikt ze. Een klant, een lange heer—als Jan. ’t Is Jan niet! maar toch is ze geschrikt. Bedeesd treedt ze langs de toonbank naar achter, zwijgend Oom groetend, die druk doet, niet ziet.
Tante zit achter, gelukkig alleen. Even later lawaaiigt Oom binnen. Zie je, dat doet ’em nou plezier. ’t Heeft hem vemiddag zoo drommels gespeten, dat hij niks had om te preseteeren. En overdag was ’et hier zoo donker. Nou met ’et gas ’an, vroolijk hè? Ja verlichting, het eerste vereischte! Daar hadden ze bij hun in ’et dorp nog geen kaas van gegeten. Willem rookt toch?—Toe, steek es op! Zwaar of licht, naar ieders verkiezing. Die?.… Willem doet niet an afschafferij? ’En glaasje wijn, dat mag ie niet weig’re.
—Vrouw, haal jij ’s ’en flesch wijn uit de kelder.
Geertje heeft schik in de kemedie. Kelder! Ze hebben niet eens ’en kelder! Nog geen kolenhok is d’er benee.
Tante gaat ongesjeneerd naar de kast en neemt de flesch die Geertje ziet staan, hoog-alleen tusschen kleinere dingen. Maar Oom:
—O hàdt j’al uitgekrege?
Onverstoorbaar, z’en grootdoenerij. Nu vraagt hij Willem wie er gepreekt he’t. Goed?
—Ik ken ’em niet. Zei je De Valk? Ja, d’er ben hier zoo’n hoop domenees. Da’s niet as bij jou: aldoor een-en-dezelfde. En ik kom niet vaak in de kerk. Met de zaak, ik kan d’er niet uit! We mòtten ope blijven op Zondag, heel den dag, om de konkerensie. Afijn, ’t gaat me goed, nou, ja! daar niet van!
Werkelijk is er weer iemand voor. Oom is er al heen en Tante schenkt wijn in. Hoe komt zij aan die nette glaasjes? Zes gelijke op een blaadje. Zeker gauw ergens wezen leenen. Ze hebben weer vrienden: een nieuwe buurt. Zoo kort als het duurt, is Oom het heertje. Nou redeneert-ie tegen de klant. Och, hij is toch eig’lijk ’en stakker.[233]
Alles om haar maant tot ootmoed. „Wee den hoovaardige”.… zij met ’er trots! Ze mag zich niet ergeren aan Willem z’en boerschheid. Zelve is ze ommers niks beter! Moet ze-n-’em némen?! Ze kan niet, nòg niet. Ze heeft ’em vandaag wel afgesnauwd. Afmaken, heelemaal, zal ze ’t niet. Maar evenmin krijgt ie d’er woord! Ze heeft nou gedáán, wat Mevrouw van d’er wilde. Als ze bij Mevrouw maar mag blijven. Nergens anders voelt ze zich veilig. En als dan van ’t winter het kindje komt.…
Tante heeft ook haar een glas wijn voorgezet. Het eerste slokje vond zij aak’lig. Maar nu heeft ze nog eens geproefd. Nu kittelt de tinteling haar rozige loomheid. Als ze durfde, dronk ze ’t leeg.
Hoe vaak heeft Jan d’er wijn opgedrongen. Toen gaf z’er niet om, vond het haast iets gewoons. Al de rijkelijkheid leek haar gewoon. Of zij er in hoorde.… Ach, die roes van geluk.
Aan de achterkant van de kamer gezeten, kijkt zij in het licht van de winkel, dat goudfonkelt door de zevende vitrage.
Oom is teruggekomen en praat nu druk tegen Willem, die rustige, langzame antwoorden geeft, blijkbaar op zijn gemak, tevreden dat zij hierheen zijn gegaan. Nu en dan let zij even op hen, maar telkens trekt haar die zeving van licht, ’t wit en het goud; en mijmert zij weg.
Al zou ze Hem nooit meer zien.… zeker zal ze niets meer van hem merken, en dat is toch ook maar beter, zij wéét zich verouderd van al het getob, ze vòelt zich zoo òp soms en hij, met zijn spotlach …; al zal ze misschien Hem nooit meer zien, altijd haar best doend om Hem te ontwijken—eeuwig, tot in de dood staat Hij vóór haar, zooals nu, dáár, zijn hoofd in het licht.
Door Hem heeft zij Geluk gekend en geen wreedheid kan ’t haar ontnemen. Neen, ze haat hem niet, haar Jan, al wéét ze nu, dat zijn liefde niet duurde. Hij is voor haar Heel-de-Wèreld geweest, heel de wereld in licht van geluk.[234]
Daar heeft Oóm d’er ingeschonken. Nou, graag wil z’en tweede glas. Jan heeft ’er wel ’es drie laten drinken, wel ’es vier.… Ze lacht:—Dank u wel.—Toen, die avond.… Sefie na’ bed, och wat dee-t-ie toe’ uitgelaten, zij wist op ’et laatst nie’ meer waar ze was.… en hij keek er m’ar ’an met z’en spotlach.… Hè nee, zóó wil ze Hem nou niet zien, enkel het Gezicht dat ze liefheeft. Die avonde dat ie ’er wijn opdrong, zijn d’er gelukkigste niet geweest. Later was ze te rampzalig, alleen met ’er angst na de opwinding. Gelukkig is ze de dagen geweest, de lange uren van stil om hem heen zijn, bezig voor hem en zijn kinderen; of als ze hem zag, wanneer ie thuiskwam, rood van de drukte,klevveren blij.… As hij maar niet getrouwd was geweest, as hij van haar was blijven houden.… As is ommers verbrande turf,as.… dan had ze-n-’em niet gekend. En dàt geluk ontneemt men haar nóóit—zoo’n man, zoo mooi, zoo groot, zoo krachtig, zoo knap, zoo kranig-en-flink in alles, zij had zich zóó iemand nooit gedróómd, och, wat had zij vóór hem gezien, zij metter pretensies, ’en boeredeern.…
.… Hè? Ja. Tante heeft gelijk, kwart vóór tienen, het wordt haar tijd.—Nee’, die is goed! Oom met:—Nog ’en glaasje?—en d’er is niks meer in de flesch!
—Ik neem graag ’en klein grokje na, grok van klare.… Kom Heukelman!
Heerejee, die poerem van Oom toch! Zij? gut ja, daar staat d’er glas nog. Met ongrage teugjes krijgt zij het leeg. Dan kunnen zij gaan.—Tante, wel bedankt.—Ja, netuurluk, veel groeten ’an Groo’va, daarvoor heeft heel de kemedie gediend.
Rillend krimpt ze terug voor de kilte. ’t Zondagavondgeherrie woelt op ’er los. Uit de watermist van het Strooveer komen ze op de vreemde, boomoverhuifde wijdte van het Hofplein met aan alle verre zijden fel lichtgeplek.
Ze loopt met neergeslagen oogen. Als ze Hem nèt nog ’es tegenkwam! God, het zou toch vreeselijk zijn. Zij wil Hèm[235]teminste niet zien. Hè, die wijn, dat tweede glas, ze heeft het veel te gauw opgedronken. En opeens nou al die drukte. Angstig stijgt ze, de hooge brug op. Weemoed weekt in haar:—daar, rechts af, benee’, hoeveel leed maar ook hóeveel geluk heeft ze, in het op- en neerloopen naar de Simonstraat, doorleefd. Nou is er niks meer—uit en leeg.…
Hu, gauw voort.… Willem? Daar loopt ie. Ja, hoe komt die in z’en losjement? Met de trem! zij brengt hem niet weg, niet de heele stad nog door! ’t Liefst was ze de Kruiska afgeslagen en dan stil de kleine straatjes. Maar nu legt zij hem de weg uit: hier aan het eind, hij weet het wel, dan ontmoet hij de trem van het Park. Zeker, hij weet het, hij kent de weg al, ze hoeft zich niks benauwd te maken. En werkelijk, wanneer ze de Aert-van-Nes ingaat, vraagt hij:
—’t Is toch disse stroat niet?
Zij antwoordt, dat het korter is, zoo. Beverig, maar niet ongerust meer, loopt zij kalm naast hem voort.
Doch nu begint hij weer te praten. Daar straks, bij d’er Oom, heeft-ie niks willen zeggen. ’t Benne bijkans vreemden voor ’em. Maar welke boodschap moet-ie morregen overbrengen ’an Groo’va? Den ganschen dag benne ze samen geweest en toch is-tie niet verder metter, en hij heeft er zoo zielslief.
—Geirtjen.…
Forsch slaat hij zijn hand om haar middel.
—Willem, bei je gek?!
Driftig draait ze zich los.
Ziet ie dan niet! daar is de kemedie. Ja, de lichten branden nog laag, je ziet wel geen mensch, maar wàt mankeert um!.…
—Nou dan!
Nu steekt hij zijn arm in de hare, trekt haar voort—woest duwt ze hem af. Woest, ìn een plots’linge aanval van woede, van vlijmend leed gevoelen en wrok, doordat, net toen hij weer tegen haar aandrong, zij naast de kemedie, griez’lig alleen, een vrouw herkend heeft, die dikwijls daar staat, wanneer[236]zij ’s avonds hier langs met ’en brief moet, naar de bus op de hoek van de straat.
Dàt, dàt meende Maandag die avend, in dat akelige gesprek! O, wat is ze nou hem dankbaar voor die les, die ze nou begrijpt! Nèt zoo gemeen as die vrouw zou ze doen, door zich zonder liefde te geven! Willem d’er man, hij ooit an d’er lijf!.… Hu, ze stikt! Nooit, nóóit, nou weet ze ’t! Zij, die het Gelùk gekend heeft—en dan zonder liefde te trouwen.
—Willem, brengt ze uit, et.… kan niet.… ’k Weet et nou zeker.… ik kan et nie’ doen.…
—Geirtjen!
Ja God, hij ìs te beklagen. Maar zij zelf dan?.…
—Toe, dring nie’ meer an. ’t Spijt m’en, ik weet da’ je veel van me houdt, meer.… as.… iemand ooit gedaan he’t.… Maar ìk hou nog àltoos van hèm, ik kàn van geen ander houwe.… Och nee, zie je wel? Hou je nou kalm! ’k Moet ’et je zegge. Toe, ga terug. Ga jij nou na je losement.…
Voordat de ontstelde haar doen begrijpt, is zij, de duisternis in, ontvloden.[237]
[Inhoud]V.Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar genomen, ’t vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.… en zij tweemaal:—Tot ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante zijn niet gekomen.Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar’ liever weggebleven. Ze hebben zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij, wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet niet mee—soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij, maar nu.… verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten—en zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger, heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als een koopman, met geen ander doel dan winst, nee’, ’t was niet alles om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan![238]En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij zich reppen moet naar het lokaal—is Zij vertrokken, voor altijd heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over.…Nu is de trein al haast in Capelle.… Gek, die hij is! Of hij mee kon leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis zijn; Groo’va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen, niet verheugd.… En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit iets zien zal.Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal z’ er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt is ze d’er geloof in de menschen. Te rouw is d’er gevoel getrapt.—Ik deug enkel nog voor tante.—Pijnlijk-lachend heeft ze ’t gezegd, toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie.Heukelman wéét nu. Die laat ’er met rust. Zijn zusters zullen met norsch-doen hem wreken.Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school kwam? Groo’va krijgt nou wel z’en pensioen, maar het nieuwe personeel zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch’lijker boer vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit.Dat dìe wreedheid d’er niet is bespaard! Die vuile tang van een juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst![239]Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje’slangeziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat Geertje heeft moeten lijden.Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn leven niet.—Ma’k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!!En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt niet! Meneer in de nacht opeens voor d’er bedstee, terwijl z’en vrouw boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z’en gepraat:—„Me vrouw is as steen zoo koud, maar jij!”.…Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche teef, zijn de mannen d’er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou naar d’er dorp, sluit zich op bij d’er dorre ouwe, als een wereldsche roomsche in ’t klooster.Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft, om, Mevrouw terwille, te blijven. ’t Schandaal had dat mensch d’er dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met ’er kindje. Die voldoening neemt Geertje mee—en dat de „meneer” zich drie maanden koest hield.Maar wat hééft ze doorgemaakt—nog zoo jong en zoo kort d’er dorp uit. Geest’lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.… Och hij, met z’en jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met het één’ge gevoel, dat een mensch z’en leven mooi maakt. Dat heeft ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein’ge getrouwden zeggen ’t er na!Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al die boompjes. Lente.… Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een blijheid-met-weemoed om dit haar geluk.Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met ’er pakhuis teksten: één tekst heeft ze waarlijk geléérd: „Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten.”Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven[240]is mooier geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd slijten daar niet aan af.Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water, mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij hun vrijheidslied mee.
V.
Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar genomen, ’t vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.… en zij tweemaal:—Tot ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante zijn niet gekomen.Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar’ liever weggebleven. Ze hebben zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij, wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet niet mee—soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij, maar nu.… verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten—en zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger, heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als een koopman, met geen ander doel dan winst, nee’, ’t was niet alles om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan![238]En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij zich reppen moet naar het lokaal—is Zij vertrokken, voor altijd heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over.…Nu is de trein al haast in Capelle.… Gek, die hij is! Of hij mee kon leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis zijn; Groo’va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen, niet verheugd.… En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit iets zien zal.Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal z’ er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt is ze d’er geloof in de menschen. Te rouw is d’er gevoel getrapt.—Ik deug enkel nog voor tante.—Pijnlijk-lachend heeft ze ’t gezegd, toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie.Heukelman wéét nu. Die laat ’er met rust. Zijn zusters zullen met norsch-doen hem wreken.Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school kwam? Groo’va krijgt nou wel z’en pensioen, maar het nieuwe personeel zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch’lijker boer vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit.Dat dìe wreedheid d’er niet is bespaard! Die vuile tang van een juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst![239]Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje’slangeziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat Geertje heeft moeten lijden.Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn leven niet.—Ma’k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!!En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt niet! Meneer in de nacht opeens voor d’er bedstee, terwijl z’en vrouw boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z’en gepraat:—„Me vrouw is as steen zoo koud, maar jij!”.…Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche teef, zijn de mannen d’er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou naar d’er dorp, sluit zich op bij d’er dorre ouwe, als een wereldsche roomsche in ’t klooster.Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft, om, Mevrouw terwille, te blijven. ’t Schandaal had dat mensch d’er dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met ’er kindje. Die voldoening neemt Geertje mee—en dat de „meneer” zich drie maanden koest hield.Maar wat hééft ze doorgemaakt—nog zoo jong en zoo kort d’er dorp uit. Geest’lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.… Och hij, met z’en jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met het één’ge gevoel, dat een mensch z’en leven mooi maakt. Dat heeft ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein’ge getrouwden zeggen ’t er na!Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al die boompjes. Lente.… Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een blijheid-met-weemoed om dit haar geluk.Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met ’er pakhuis teksten: één tekst heeft ze waarlijk geléérd: „Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten.”Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven[240]is mooier geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd slijten daar niet aan af.Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water, mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij hun vrijheidslied mee.
Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar genomen, ’t vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.… en zij tweemaal:—Tot ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante zijn niet gekomen.
Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar’ liever weggebleven. Ze hebben zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij, wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet niet mee—soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij, maar nu.… verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten—en zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger, heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als een koopman, met geen ander doel dan winst, nee’, ’t was niet alles om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan![238]
En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij zich reppen moet naar het lokaal—is Zij vertrokken, voor altijd heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over.…
Nu is de trein al haast in Capelle.… Gek, die hij is! Of hij mee kon leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis zijn; Groo’va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen, niet verheugd.… En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit iets zien zal.
Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal z’ er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt is ze d’er geloof in de menschen. Te rouw is d’er gevoel getrapt.
—Ik deug enkel nog voor tante.—Pijnlijk-lachend heeft ze ’t gezegd, toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie.
Heukelman wéét nu. Die laat ’er met rust. Zijn zusters zullen met norsch-doen hem wreken.
Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school kwam? Groo’va krijgt nou wel z’en pensioen, maar het nieuwe personeel zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch’lijker boer vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit.
Dat dìe wreedheid d’er niet is bespaard! Die vuile tang van een juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst![239]
Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje’slangeziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat Geertje heeft moeten lijden.
Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn leven niet.
—Ma’k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!!
En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt niet! Meneer in de nacht opeens voor d’er bedstee, terwijl z’en vrouw boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z’en gepraat:—„Me vrouw is as steen zoo koud, maar jij!”.…
Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche teef, zijn de mannen d’er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou naar d’er dorp, sluit zich op bij d’er dorre ouwe, als een wereldsche roomsche in ’t klooster.
Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft, om, Mevrouw terwille, te blijven. ’t Schandaal had dat mensch d’er dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met ’er kindje. Die voldoening neemt Geertje mee—en dat de „meneer” zich drie maanden koest hield.
Maar wat hééft ze doorgemaakt—nog zoo jong en zoo kort d’er dorp uit. Geest’lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.… Och hij, met z’en jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met het één’ge gevoel, dat een mensch z’en leven mooi maakt. Dat heeft ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein’ge getrouwden zeggen ’t er na!
Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al die boompjes. Lente.… Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een blijheid-met-weemoed om dit haar geluk.
Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met ’er pakhuis teksten: één tekst heeft ze waarlijk geléérd: „Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten.”
Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven[240]is mooier geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd slijten daar niet aan af.
Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water, mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij hun vrijheidslied mee.