XI.

[Inhoud]XI.—Tante, had ze gevraagd, is ’t goed as ’k es ’en avend na Mien Koenders loop?—Na Mien Koenders! hoe kom ie d’ar no’ w’er bai?Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord:—Zoo maar, ’k wou d’er nog wel is zien.Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en d’er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo’n aanspraak, van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien, hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net als Groo’va later doen zou. Misschien, dat ze ’t niet onmiddellijk opmerken zouden, met d’er zondagsche rouwgoed kwam ’t niet zoo uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting hun boosheid over Geertje d’er wegblijven toonen. Langzamerhand zou alles blijken, zou zij alles zeggen.… ze zòu het, ze wou.… Te minste, wanneer ze alleen met d’erlui was, als ze Mien’s vrijer d’er maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien d’er vader.… Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar weggedreven, de kant van huis op. Maar[131]sedert was de gedachte aan het bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d’er uit. Daarom had ze, aarz’lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend, toen Tante’s bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid.Nu liep ze op het Singel—en niet naar Mien. Met opzet ging ze deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond: Jan zou d’er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze ’t niet veel vroeger gedaan had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht, angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.… Maar al gebeurde d’er wat met hetmensch; voor hun kind, voor hun liefde moest het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan, verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing, dàt ze ’t bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven.[132]Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend hem goedenavond zei en vroeg:—Hoe gaat het? en na even ophouden:—Is Meneer d’er! Kan ’k em es spreke?—Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.—Acht, negen, tien.… zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen in een hoek oplichtten.Geertje zag zijn doen even aan.—Ja, ik wou ’m graag effe spréke.Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg.Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen.—’k Glauf nie’.… maar ik wil wel es kaike.—Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.… onwillekeurig zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam.…—Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan zijn papier.Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.… Ellendeling, vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.… Als Jan nou es.… niet haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan ’t trapje, zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie straks bij ’t weggaan de deur nog voor d’er open.…[133]Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel in.… Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping in haar, nu z’ opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen, alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo’n goed,terug te zijn; hier was haar geluk, haar leven.… Jan, de naam zong in haar ziel.… Even, bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.… als dat ooit eens.… Maar het was, of gestommel.… Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel in, om niet opeens vlàk voor hetmenschte staan. Doch de binnendeur bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje, waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven, toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog’lijke kijkers op straat.… Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe; och, dat was bangheid. Als.… O, daar kwam.… Bos. Niet Jan.Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje staan.—Ja, ’k dach’ wel. Meneer is d’er niet.Wat zei-d-ie!—Is Meneer d’er niet!?.… Venavend niet?Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja maar.… dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, datHijniet wilde.Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden, haar hoofd verhoogde.… De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen scheen het trapje te wijken, te draaien.… Nee! flauwvallen zòu ze niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:—Dan kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze knikte[134]even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan; toen waggelde ze weg.…Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was, Sefie.… en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer; maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar.…Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen, was misschien nog haar vriend.[135]

[Inhoud]XI.—Tante, had ze gevraagd, is ’t goed as ’k es ’en avend na Mien Koenders loop?—Na Mien Koenders! hoe kom ie d’ar no’ w’er bai?Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord:—Zoo maar, ’k wou d’er nog wel is zien.Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en d’er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo’n aanspraak, van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien, hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net als Groo’va later doen zou. Misschien, dat ze ’t niet onmiddellijk opmerken zouden, met d’er zondagsche rouwgoed kwam ’t niet zoo uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting hun boosheid over Geertje d’er wegblijven toonen. Langzamerhand zou alles blijken, zou zij alles zeggen.… ze zòu het, ze wou.… Te minste, wanneer ze alleen met d’erlui was, als ze Mien’s vrijer d’er maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien d’er vader.… Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar weggedreven, de kant van huis op. Maar[131]sedert was de gedachte aan het bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d’er uit. Daarom had ze, aarz’lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend, toen Tante’s bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid.Nu liep ze op het Singel—en niet naar Mien. Met opzet ging ze deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond: Jan zou d’er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze ’t niet veel vroeger gedaan had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht, angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.… Maar al gebeurde d’er wat met hetmensch; voor hun kind, voor hun liefde moest het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan, verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing, dàt ze ’t bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven.[132]Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend hem goedenavond zei en vroeg:—Hoe gaat het? en na even ophouden:—Is Meneer d’er! Kan ’k em es spreke?—Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.—Acht, negen, tien.… zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen in een hoek oplichtten.Geertje zag zijn doen even aan.—Ja, ik wou ’m graag effe spréke.Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg.Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen.—’k Glauf nie’.… maar ik wil wel es kaike.—Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.… onwillekeurig zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam.…—Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan zijn papier.Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.… Ellendeling, vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.… Als Jan nou es.… niet haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan ’t trapje, zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie straks bij ’t weggaan de deur nog voor d’er open.…[133]Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel in.… Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping in haar, nu z’ opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen, alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo’n goed,terug te zijn; hier was haar geluk, haar leven.… Jan, de naam zong in haar ziel.… Even, bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.… als dat ooit eens.… Maar het was, of gestommel.… Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel in, om niet opeens vlàk voor hetmenschte staan. Doch de binnendeur bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje, waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven, toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog’lijke kijkers op straat.… Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe; och, dat was bangheid. Als.… O, daar kwam.… Bos. Niet Jan.Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje staan.—Ja, ’k dach’ wel. Meneer is d’er niet.Wat zei-d-ie!—Is Meneer d’er niet!?.… Venavend niet?Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja maar.… dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, datHijniet wilde.Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden, haar hoofd verhoogde.… De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen scheen het trapje te wijken, te draaien.… Nee! flauwvallen zòu ze niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:—Dan kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze knikte[134]even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan; toen waggelde ze weg.…Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was, Sefie.… en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer; maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar.…Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen, was misschien nog haar vriend.[135]

[Inhoud]XI.—Tante, had ze gevraagd, is ’t goed as ’k es ’en avend na Mien Koenders loop?—Na Mien Koenders! hoe kom ie d’ar no’ w’er bai?Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord:—Zoo maar, ’k wou d’er nog wel is zien.Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en d’er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo’n aanspraak, van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien, hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net als Groo’va later doen zou. Misschien, dat ze ’t niet onmiddellijk opmerken zouden, met d’er zondagsche rouwgoed kwam ’t niet zoo uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting hun boosheid over Geertje d’er wegblijven toonen. Langzamerhand zou alles blijken, zou zij alles zeggen.… ze zòu het, ze wou.… Te minste, wanneer ze alleen met d’erlui was, als ze Mien’s vrijer d’er maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien d’er vader.… Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar weggedreven, de kant van huis op. Maar[131]sedert was de gedachte aan het bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d’er uit. Daarom had ze, aarz’lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend, toen Tante’s bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid.Nu liep ze op het Singel—en niet naar Mien. Met opzet ging ze deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond: Jan zou d’er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze ’t niet veel vroeger gedaan had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht, angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.… Maar al gebeurde d’er wat met hetmensch; voor hun kind, voor hun liefde moest het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan, verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing, dàt ze ’t bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven.[132]Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend hem goedenavond zei en vroeg:—Hoe gaat het? en na even ophouden:—Is Meneer d’er! Kan ’k em es spreke?—Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.—Acht, negen, tien.… zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen in een hoek oplichtten.Geertje zag zijn doen even aan.—Ja, ik wou ’m graag effe spréke.Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg.Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen.—’k Glauf nie’.… maar ik wil wel es kaike.—Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.… onwillekeurig zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam.…—Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan zijn papier.Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.… Ellendeling, vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.… Als Jan nou es.… niet haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan ’t trapje, zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie straks bij ’t weggaan de deur nog voor d’er open.…[133]Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel in.… Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping in haar, nu z’ opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen, alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo’n goed,terug te zijn; hier was haar geluk, haar leven.… Jan, de naam zong in haar ziel.… Even, bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.… als dat ooit eens.… Maar het was, of gestommel.… Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel in, om niet opeens vlàk voor hetmenschte staan. Doch de binnendeur bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje, waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven, toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog’lijke kijkers op straat.… Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe; och, dat was bangheid. Als.… O, daar kwam.… Bos. Niet Jan.Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje staan.—Ja, ’k dach’ wel. Meneer is d’er niet.Wat zei-d-ie!—Is Meneer d’er niet!?.… Venavend niet?Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja maar.… dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, datHijniet wilde.Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden, haar hoofd verhoogde.… De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen scheen het trapje te wijken, te draaien.… Nee! flauwvallen zòu ze niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:—Dan kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze knikte[134]even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan; toen waggelde ze weg.…Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was, Sefie.… en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer; maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar.…Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen, was misschien nog haar vriend.[135]

XI.

—Tante, had ze gevraagd, is ’t goed as ’k es ’en avend na Mien Koenders loop?—Na Mien Koenders! hoe kom ie d’ar no’ w’er bai?Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord:—Zoo maar, ’k wou d’er nog wel is zien.Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en d’er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo’n aanspraak, van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien, hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net als Groo’va later doen zou. Misschien, dat ze ’t niet onmiddellijk opmerken zouden, met d’er zondagsche rouwgoed kwam ’t niet zoo uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting hun boosheid over Geertje d’er wegblijven toonen. Langzamerhand zou alles blijken, zou zij alles zeggen.… ze zòu het, ze wou.… Te minste, wanneer ze alleen met d’erlui was, als ze Mien’s vrijer d’er maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien d’er vader.… Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar weggedreven, de kant van huis op. Maar[131]sedert was de gedachte aan het bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d’er uit. Daarom had ze, aarz’lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend, toen Tante’s bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid.Nu liep ze op het Singel—en niet naar Mien. Met opzet ging ze deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond: Jan zou d’er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze ’t niet veel vroeger gedaan had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht, angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.… Maar al gebeurde d’er wat met hetmensch; voor hun kind, voor hun liefde moest het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan, verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing, dàt ze ’t bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven.[132]Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend hem goedenavond zei en vroeg:—Hoe gaat het? en na even ophouden:—Is Meneer d’er! Kan ’k em es spreke?—Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.—Acht, negen, tien.… zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen in een hoek oplichtten.Geertje zag zijn doen even aan.—Ja, ik wou ’m graag effe spréke.Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg.Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen.—’k Glauf nie’.… maar ik wil wel es kaike.—Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.… onwillekeurig zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam.…—Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan zijn papier.Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.… Ellendeling, vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.… Als Jan nou es.… niet haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan ’t trapje, zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie straks bij ’t weggaan de deur nog voor d’er open.…[133]Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel in.… Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping in haar, nu z’ opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen, alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo’n goed,terug te zijn; hier was haar geluk, haar leven.… Jan, de naam zong in haar ziel.… Even, bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.… als dat ooit eens.… Maar het was, of gestommel.… Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel in, om niet opeens vlàk voor hetmenschte staan. Doch de binnendeur bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje, waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven, toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog’lijke kijkers op straat.… Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe; och, dat was bangheid. Als.… O, daar kwam.… Bos. Niet Jan.Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje staan.—Ja, ’k dach’ wel. Meneer is d’er niet.Wat zei-d-ie!—Is Meneer d’er niet!?.… Venavend niet?Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja maar.… dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, datHijniet wilde.Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden, haar hoofd verhoogde.… De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen scheen het trapje te wijken, te draaien.… Nee! flauwvallen zòu ze niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:—Dan kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze knikte[134]even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan; toen waggelde ze weg.…Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was, Sefie.… en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer; maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar.…Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen, was misschien nog haar vriend.[135]

—Tante, had ze gevraagd, is ’t goed as ’k es ’en avend na Mien Koenders loop?

—Na Mien Koenders! hoe kom ie d’ar no’ w’er bai?

Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord:

—Zoo maar, ’k wou d’er nog wel is zien.

Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en d’er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo’n aanspraak, van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien, hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net als Groo’va later doen zou. Misschien, dat ze ’t niet onmiddellijk opmerken zouden, met d’er zondagsche rouwgoed kwam ’t niet zoo uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting hun boosheid over Geertje d’er wegblijven toonen. Langzamerhand zou alles blijken, zou zij alles zeggen.… ze zòu het, ze wou.… Te minste, wanneer ze alleen met d’erlui was, als ze Mien’s vrijer d’er maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien d’er vader.… Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar weggedreven, de kant van huis op. Maar[131]sedert was de gedachte aan het bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d’er uit. Daarom had ze, aarz’lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend, toen Tante’s bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid.

Nu liep ze op het Singel—en niet naar Mien. Met opzet ging ze deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond: Jan zou d’er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze ’t niet veel vroeger gedaan had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht, angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.… Maar al gebeurde d’er wat met hetmensch; voor hun kind, voor hun liefde moest het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan, verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing, dàt ze ’t bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven.[132]

Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend hem goedenavond zei en vroeg:—Hoe gaat het? en na even ophouden:—Is Meneer d’er! Kan ’k em es spreke?

—Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.—Acht, negen, tien.… zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen in een hoek oplichtten.

Geertje zag zijn doen even aan.

—Ja, ik wou ’m graag effe spréke.

Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg.

Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen.

—’k Glauf nie’.… maar ik wil wel es kaike.

—Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.… onwillekeurig zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam.…

—Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan zijn papier.

Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.… Ellendeling, vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.… Als Jan nou es.… niet haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan ’t trapje, zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie straks bij ’t weggaan de deur nog voor d’er open.…[133]

Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel in.… Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping in haar, nu z’ opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen, alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo’n goed,terug te zijn; hier was haar geluk, haar leven.… Jan, de naam zong in haar ziel.… Even, bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.… als dat ooit eens.… Maar het was, of gestommel.… Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel in, om niet opeens vlàk voor hetmenschte staan. Doch de binnendeur bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje, waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven, toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog’lijke kijkers op straat.… Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe; och, dat was bangheid. Als.… O, daar kwam.… Bos. Niet Jan.

Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje staan.

—Ja, ’k dach’ wel. Meneer is d’er niet.

Wat zei-d-ie!

—Is Meneer d’er niet!?.… Venavend niet?

Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja maar.… dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, datHijniet wilde.

Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden, haar hoofd verhoogde.… De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen scheen het trapje te wijken, te draaien.… Nee! flauwvallen zòu ze niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:—Dan kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze knikte[134]even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan; toen waggelde ze weg.…

Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was, Sefie.… en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer; maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar.…

Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen, was misschien nog haar vriend.[135]


Back to IndexNext