VI.

"Dat is voor den jakhals."

Het huidje lag vóor hem leêg. En overrekkend de tafel, graaide hij in den kalkhoop, strooide een handjevol in het weeke van het vachtje, wreef zich de handen droog met het poeder.

—"C'est du plâtre.... gij begrijpt de veêren moeten rein blijven.... Nu komt het moeielijkste.... neen.... regardez.... ik ga de hersens wegnemen.... ze hebben er wel niet veel, 't is geen mensch, maar de kop is toch een essentiëel ding.... 't is lastig, ik heb niet meer mijn goede instrumenten."

Het mes draaide den hals in, hij deed het zorgvol om zijn bezoeker goed te laten zien; het kraste uit het van binnen of hij een noot holde.

—"Ik haal de oogen naar binnen toe uit.... comme ça.... sûr.... ça m'amuse.... dat kleine werk tranquilliseert me.... sûr...."

Hij peuterde door, zijn mes telkens rein strijkend langs den rand der tafel.

—"Al die daar heb ik zelf zoo geprepareerd.... die blauwe.... vliegende.... mooi hè.... dat is een.... nun, nun.... excusez-moi, er zijn wat gaten in mijn geheugen.... ratten"....

Het lijf los van de tafel had hij omgekeken, wees toen over den schouder met den duim in den wilde.

—"Die daar, ziet ge.... daar naast.... de zevende.... die er zoo poeierig uitziet.... la bonne poussière.... met zijn gehavende vlerkjes.... ratten.... kakkerlakken, luizen.... slecht geprepareerd.... nog uit mijn goeien tijd.... komt ver van hier.... Nun.... zoo ge eens wat zien wilt, vraag dan aan den patroon.... die heeft een heele collectie.... een kamer vol.... oui, dat heeft hij.... Maar mijn meesterstuk is toch bij Antonio, wissen Sie, boven het bed staat het.... une grue.... een pracht, met een kroon die wijduit pronkt, bovenop zijn kop.... et un plumage"....

—"Ja, soms krijg ik wel eens een mooi exemplaar.... Een tijd geleden heb ik een marabout geprepareerd voor den Consul; daar is moeielijk aan te komen.... het is de heilige onder mijn naamgenooten.... des bêtises.... non.... gij zult ze wel kennen.... hij staat kouwelijk, loopt met hooge schouders, filosoof zou men zeggen.... niet?.... soms is de krop totaal veêrloos en hangt hem aan den hals als een bedelzak.... un travail je vous assure."

—"Maar de meeste, wissen Sie, vooral kleinere als deze, prepareer ik alleen om de huidjes.... Dat zijn de zaken van monsieur Crépieux, hij stuurt ze naar museums, of als ik een hoeveelheid klaar heb naar de magazijnen voor de hoeden van dames.... à Paris, à Bruxelles, à Petersbourg, à Vienne.... à Amsterdam possible.... dragen de dames van mijn veêren op hun hoeden.... als ze eens wisten hoe ik ze heb vergiftigd met mijn gedachten, als ze eens voelen konden.... ah bah.... que voulez-vous.... het is een van mijn pleiziertjes er aan te denken wat vroolijke hoofdjes ze dragen zullen.... soms zet ik er een op mijn hoed om te kijken hoe het staat.... ik zei u toch hoe sentimenteel ik mij zelven ken, oude clown, ik."

Zijn gepraat dompte, achter zijn armen rommelde hij. Een blond vogeltje als een musch met een oranje neb, speelgoed, lag onder zijn alweêr tastende vingers.

—"Een woestijnvinkje.... heeft Mustapha van morgen meêgebracht.... Gisteren hadden we toch een aardig dagje, niet waar?"

De door zijn vraag dadelijk opgeroepen herinnering vlaagde verfrisschend Johans hoofd binnen. En hij was weg uit de kamer, met zijn ooren ook weg uit het gedruisch der woorden.

Dat was verschenen, opgestooten uit het duistere gedachtenlooze, plotseling als de nevels waarmeê het gisteren was geboren.

.... Om vijf uur opgestaan.... ze zouden een wandeling gaan doen naar Kaap Espartel.... Bij Antonio had monsieur Crépieux er toestemming voor gegeven.... Vogel te laat.... En hij in de langwijl van het wachten, uit den halven nachttoon van zijn slaapkamertje, was de trapjes opgeklauterd naar het bordes, slaperig nog, huiverig met de oogen koud aanvoelend den nattigen morgen. Van over het land, van over de Zocco-heuvels, waren ze aan komen drommen, de nevels, het saâmgepakte ondoorkijkbare wolkenwit; er tegenaan was het kijken gegaan, van uit het Westen naar het Oosten, murend stuwden zij aan in de stilte waar geen wind was merkbaar, vol stom alarm ramden zij den jongen dag. Over de borstwering gebogen, kouwelijk met de handen in de mouwen had hij zich laten overwolken. En het parelende nevelnat had de steeggeulen geëffend met de bordessen en de zee en de kust van Europa. De voeten klam in dauw, kil op den rooden steenvloer, had hij staan wachten en suffen in zijn pas opgewaakt hersenleven, alleen, verloren in het niet zijn, in den wijd-witten dood der dingen.... Maar het nevelleger was voorbijgestevend, gestoet, gejacht: latend achter zich de stad weêr open met zijn steenen stegen, waaruit de mist nog rookte.

Over zessen was Vogel hem komen halen; een tasch ook had hij over den schouder en zijn pijprook ging met een ouden geur door de wasemende vroegte.

En toen de ochtend in het ruime buiten, de ochtend die een bad was, in den beginne nog wel gestoord door plotseling opdoemende nevels, gauw weggewolkt over de hooge wegen langs zee, over de rotsen rossig, over het oceaan-water laag en blauw; weggestoven langs hen dat zij liepen in een luchtstraat, weg en voor goed, met de zon achter op hun kruivende dampruggen, die kringelden en tintelden van zonwatergespeel, kleurenbogen spanden. En toen die herscheppingen naast hem van deez' gebogen man, oplevingen: een kind dat vrijaf heeft, huppelen gaat, dan ernstig als hem de school in het hoofdje komt. Hoe had hij zich schrap gezet, willerig op de wegen, waar hij naar bukte, speurend wat nieuws, waar hij de steentjes van kende, en de kruidjes en de torretjes van liefhad. Over de rotsen waren zij westwaarts gegaan met den rug naar zee; hij wist een beter weg, een korteren dan het heirpad de kust langs, hij had veel wegen gebaand, had hij gespot. Dien ochtend niet gezien maar genoten....

In hooger stijging waren ze geklommen over riffende gronden van glissend grijs en rood, als gegleufde verstijvingen van gestolten lava. Dartelheid was in de voeten gekomen. En Vogel, een rechtóp mensch, had als in bevel aangewezen de te beklimmen rotsen. Hij was er het eerste geweest, ademloos, maar het eerst, hij had er gestaan groot voor de lucht, overstort met licht, terwijl hij de ruimte met zijn gebaar omvatte.

Onder het bladdak dan van groepende boomen had zijn stem geklaterd, vrij van de verstuiving des winds, slaande den stammenwand, om te echoën als een steen die rolt in een ravijn. Hij had verhaald van zijn groote reis in Afrika's binnenland, uitgeluid van zijn geweldig begeerd-hebbend leven, opgewonden en met groote liefde.

Vinden, wegen vinden, oorsprongen vinden. Wat al namen had hij niet genoemd, nooit gehoorde namen van oorden, hitte-wademende woorden, en van bergen en van binnenmeren. Hij was er bij stil blijven staan. In het gruis van den grond had hij gelijnd als op een kaart, met zijn wiebelenden vinger had hij de stroomingen van de zakkende wateren geteekend in de ruimte. Heerscher hij, over zijn weêr opgestaan begeeren.

En aan Johan in de loopvaart van het lichaam met het luisterende hoofd, waren rood en monsterlijk hagedissig, de stammen van de kurkeiken voorbij gekronkeld, voorbij aan de achtergrondelijke wouden die Vogels verhaal voor hem hadden opgeroepen. De wouden met de neêrlissende lianen-regens in het tempelduister van de kronen; de oer-wouden waar de grond wankt, wanneer de voeten het wagen, als wou de aarde keeren; dan voor de verbaasde oogen gloeit en vlamt er het kleurenbloeien van orchideën onder een gat in het dak. De koortswouden waar zijn lichaam had gelegen, krank, uitgeput, verlaten door de knechtschap van zijn karavaan, bestolen hij van zijn ivoor en ruilgoed, alleen met een paar bedienden en waardeloozen rijkdom.

Verteld had hij in woorden van stille herinnering, zoekerig, uit het vage gezien hebben van zintuigen half al in den dood, schemerig, verleden, zijn verpleegd-worden later in een missie-huis, door een vrouw onder een witte overhuiving. Luchtblank, een heiligenbeeld in de bergen, zoo had hij die pleegzuster gezet in zijn verhaal. Toen een poosje stil. Zijn beenen knepen den grond, terwijl zijn hoofd rookte.

En het ratelen van zijn bewondering en haat, wanneer de andere vroeg: Stanley?.... Stanley, om te slagen had hij zich verkocht voor een politiek en onwetenschappelijk doel. Livingstone.... een proselietenmaker, maar die toch de meren van het zuiden het eerste had bereikt. Burton, de voortreffelijke Burton, die van het oosten naar het westen was gegaan. En de bijna onbekende Paul de Chaillu, die jaren lang als een bezetene de gronden onder den equator afzwierf om door te dringen tot de westelijke bronnen van den Nijl.... en.... o, cette Afrique....

Tegen den middag was de toren komen staan, naakt rood en wit-ringig, opstuwend uit het rotsvlak zijn steenen rust voor den blauwen hemel. Bij het basement een vlak tuintje en daarin was een mannetje in donkerder blauw, gebukt tusschen zijn groentetjes aan het werk. Braun keek op met een bezond rood gezicht, toen de groetschreeuw van Vogel galmde. Dichtbij, was de wachter een man die doovig, heel hardop sprak van onder zijn vereenzaamde oogen.

In de torenkamer tot een cel, buitenwaarts veelkantig,—de grond was er rein bestrooid met zand,—hadden ze van het meêgenomene gegeten, gezellig om de tafel bij het raam, dat in de dikke muurnis vol was van wateruitzicht. Braun schonk een flesch, rood was de wijn geweest en de Duitsche stemmen met een bergklank of zij kijfden in de witte kamer. Buiten ging de zon over den middag, blauw, stil, tot er een meeuw blank kwam aanstooten door den hemel-lichtval, traag, want de buik hing hem zat van gevreten visch.

Wat later, alle drie naar boven om de seinlichten te zien. En de hooge stem van Braun naast Vogel die de mechanieken verklaarde, klankte er onder de bekapping achter de glazen oogen van zijn toren, die over de nachtzee waken....

Dan op den terugtocht hadden ze gelegen plat op den buik in het gras, aan den rand der hoogten. Zij hadden neêrliggen kijken over de bastionneerende steenklompen en de blikkerende keien, opgegooid geleek wel, tegen de helling op; over het bezemige struikgewas, groenfranjend onder de zon, neêr liggen kijken in het Oceaanwater als in een anderen hemel. Ze hadden gepraat vertrouwelijk in de vertrouwelijke ruimte; Johan over huis, waar ze nu schaatsenreden, terwijl zij hier zoo lagen of het zomer was. Over zijn reis, hoe hij tot hier gekomen was en waardoor, hoe dat zoo gebeurd.... Maar Vogel luisterde slecht, had een oogenblik slechts oplettend een "zoo" lang uitgehaald, toen de andere het niet kunnend laten, vertelde van het leed hem aangedaan, wat hij in zijn ziel nog voelde schroeien als 't gloeien van een slag in het gezicht. Langzamerhand allebeî minder spraakzaam, Vogel teruggevallen in zijn brokkende manier van spreken.

.... Het was toch altijd goed te leven in de nabijheid van wat men heeft liefgehad. Men was toch nog altijd hier in Afrika.... bovendien was het leven er goedkoop. Met het overschot van zijn fortuintje had hij zich hier geïnstalleerd en was er een fabrikage begonnen van kunstmest om geld te verdienen. En hij had zich aan het schrijven gezet van een boek over wat hij had gevonden, over zijn plannen, ja zijn plannen toen nog. En, gij hebt het gezien, niet waar? het Parijsche Instituut had zijn werk onderscheiden met goud.... nu al lang verkocht.... Daarna om hulp een reis naar Europa, naar huis, zijn vader was rijk.... aber ein beschränkter Kopf.... twist natuurlijk.... hij terug.... de fabriek verkocht.... puis le silence.... et cetera....

Evenwel, die fabrikage was niet zoo slecht gezien geweest; de mest bracht nog altijd veel geld op; ach, maar die Engelsche kooplui sloten zich zoo bij elkaâr aan, hadden een eigen club.... bij dien goeien Antonio kwamen ze nooit.... maar daar kwamen de vrienden.... ge kent hen.... allemaal beste menschen.... Badaud reed die niet veel beter paard dan hij, oud-brigadier van het Algiersche legioen als hij was, spion nog, bezoldigd door zijn gouvernement.... En zijn Mirsa, laatst op het Zocco, is 't niet? zijn wit beest was een trotsch paard.... Crépieux, had die zich niet over hem ontfermd, een geestverwant, een geleerde, een.... Crépieux....

En Johan had geloofd daarna dat hij was ingeslapen, het duurde zoo lang.... maar het was niet waar, want dichterbij als in een biecht met het hoofd in den grond lag hij zacht te huilen.

Beneden spoelde al de vloed; de slag van d'alleenen Oceaan reeg waterzingend geluiden aan geluiden; zijn knokig lichaam, geschokt, geraakt door den meêlijvollen adem van den andere, had zich op de armen geheven en het gangende verdriet was tusschen de tralies van zijn vingers doorgestuipt, de zon in.... "pardon, je suis bête."

Uit de hoogte van zijn oogenblikkelijke verdwaling, aangetrokken door Vogels geheimvolle oogen, zag nu Johan in den al troebeler wordenden dag zijn schaduwrood gelaat luisteren; het haar was wat verwilderd en pluisde achteruit onder den schemerval van het fleschachtige glaslicht.

—"De patroon komt nog," zei hij, "hij is laat vandaag.... late lessen.... huisonderwijzer bij den Franschen Consul, wissen sie.... nog vijf huizen hier vandaan.... nog drie.... voilà." Hij bukte, maakte zich klein.

Buiten bleef de stap stil, het gat frischte open. Caca uit zijn dommeling opgeschrikt, plofte neêr, plompte op, verschijnend, schreeuwend.

Crépieux stond in de deur, hevig.

—"Dokter, ge hebt zeker weêr vergeten mijn beesten drinken te geven," dwong zijn kortaffe stem in de kamer. En hij trad in het binnen, grijs gekleed, wereldsch en korrekt. Strak blonk het linnen om zijn hals en handen, zijn schoenen nat-zwart op het dorre van den vloer. Voorover gerand helmde het hoedje op den stuurschen rondkop waar de ooren dicht aan knepen. Hij gaf een slag naar het hok met zijn badientje, de aap gevlucht tot onder de zoldering, bleef ondersteboven gekeerd hem van daar begrijnzen.

—"Men dwingt een beest, hij wordt getemd door vrees; bonsoir, monsieur le peintre."

Johan was beleefd opgestaan. Zeker, het was hinderlijk twee zulke staande menschen hier naast elkaâr. De patroon bleef in de kleine kou die hij afgaf van versch meêgedragen lucht, dichtbij, groot nu de ander zat.

—"Eergisteren heb ik u over den schouder gekeken op het Zocco.... het was er vol; mijn jongen moest ruim baan voor me maken.... och.... ge moest dat dingie mij geven."

Een beitelgleuf leek wel de scheur in zijn kin; maar Vogels oogen keken achterdochtig. Naast zijn hoofd nu hurkte de aap, afgezakt langs de spangen.

—"Merci.... juist.... ik bedoel die kleine kameel, ik houd veel van die dingen.... van alles wat beest is.... ik verzamel."

—"En gij hebt gelijk, monsieur Crépieux, parfaitement raison, het arme beest had geen water, en monsieur is zonder twijfel een vriendelijk man, heelemaal niet duur.... inderdaad geen drop, en och, geen vreten ook."

—"Ik wist het wel."

Vogel liep over.

—"Mais que voulez-vous, monsieur Crépieux, heb ik niet den geheelen middag gearbeid?.... zie toch, patroon, wat ik heb gedaan: een, twee, drie, vijf, zeven, negen, tien, met deze meê, elf vogels geprepareerd."

—"Elf, een oogenblik," zei monsieur Crépieux.

Tusschen de tobbe en Johan door was hij voorbij gebeend, schoof zijn badientje onder den linker oksel, en zóo de schouders achteruit, den rug hol, militair, de kuiten strak, ietwat wijd uitstaande de voeten, beschreef hij als op een schoolbord den muur; vervolgens het cijfer met een paar krasse haaltjes. Over zijn staanden boord, als bij een dog dien de halsband knelt plooide zijn nek. Hij leî het stuk krijt in den tafelhoek, wendde om.

—"Elf," herhaalde hij, of hij het cijfer in zijn hoofd opschreef.

—"Onze," had Vogel gemeesmuild, "on dirait une unité double."

Hij ging de werktafel langs met de handen hangend, zonder pijp, naar den muur waar de rij van cijfers bloot achter de datums der dagen was; 11 onderaan, versch.

—"Morgen zal ik naar Gibraltar moeten, monsieur Crépieux."

In een stuk spiegelglas, donker op den muur, vastgeklemd tusschen spijkerkopjes, verscheen nog eens zijn bovenhoofd, roodig in het blauwe verweerde.

—"Taisez-vous donc." Het gerel was stil.

—"Zie, patroon, er is geen arsenic meer.... de flacon is leêg; ge weet.... de huidjes zullen bederven, de veêren loslaten.... regardez.... bijna niets meer, niet eens genoeg om, par exemple, een rat te vergiftigen."

Crépieux haalde de schouders op en keek het bepoederde fleschje aan, dat de dokter hem voorhield.

—"Ah, ge gelooft.... ik heb het niet opgegeten, monsieur Crépieux.... soyez en bien sûr."

—"Neen.... maar ge zoudt het kunnen hebben verkocht."

Gestriemd, vlaagde het schaamte-rood tusschen uit de kleêren van den dokter, bloedplassig boog de nek weg, met vurige ooren, nu hij het fleschje teruggaf aan zijn plaats. En zijn stem hevig gehouden achter de tanden, riep van uit het achteromme:

—"Malheur à moi!.... vous avez raison, ik zou het kunnen hebben verkocht."

Crépieux ongeraakt, bleef zijn vingers wisschen, keek neêr in zijn nagels. En het bijna schreeuwen van Vogel hing als een hoon in de booze stilte. O, dat werd ten langenleste onuitstaanbaar. Maar Johan vastgehouden aan zijn plaats, voelde hoe van binnen het eenzame en donkere kloppen voortging van zijn eigen hart.

Vogel, de armen in den haak, bukte over zijn werkbank. Met harde lichtranden op zijn hoedhoofd, drilde de patroon zich achter hem op, grijs en korrekt.

—"Dokter, wat hebt ge daar?"

Vogel sneed voort, bijziende.

—"Dokter, uw hand beeft, ge hebt zeker weêr vanmorgen te veel gedronken. Prenez-garde, ge zult me dat huidje bederven, dat gaat niet goed."

—"Vous avez raison, monsieur Crépieux, mijn hand beeft."

De patroon kreeg de knarsende kaakmaling in de wangen, van schoolmeesters die zich verbijten om de onbevattelijkheid van een kind. Hij blies onder zijn snor, praatte naar den ander:

—"Over een uur komt de Atlantic in de baai; alors, ge vertrekt morgenavond, ik zie u nog wel, niet waar.... denk om wat ge beloofd hebt. Bonsoir, 't is hier benauwd, ik begrijp niet hoe ge 't hier uithoudt, het wordt hier te klein. Dokter, ik zal u vanavond zeggen wat ge te doen hebt, ik kom bij Antonio. Bonsoir."

—"Bonsoir, monsieur Crépieux."

Maar bij de deur keek hij om, richtte zijn stalen oogen.

—"Dokter, zeg me nog eens den naam van dat nieuwe beest daar."

—"Gypohierax angolensis, monsieur Crépieux."

—"Goed, en verzuim niet de dieren drinken te geven voor ge weg gaat, dokter."

In een gulp lucht was de patroon weg, buiten ruimde zijn stap henen.

't Was stil. Vogels blauwe oogen keken rechtuit, innig.

—"Wat zegt ge er van?"

......

—"Niets?"

......

—"Niets, vous avez raison."

En weêr was de stilte, een slag.

Doch boven zijn gepluis praatte een andermaal de kamerstem uit den dommel:

—"De avond valt al.... de avond van alle dagen.... Comme il vous a montré bien sa puissance.... Bitte, ga nog niet heen, laat ik dit beestje afmaken.... schaudern Sie für mich?"

Johan had het niet langer kunnen uithouden op het bankje; zwaar waren zijn beenen aan den grond; vol voelde hij zich van die kamer, tot aan de keel langzaam volgegoten met den jammer. En daar van uit dien hoek had hem de aap zitten aanvragen, zeker had dat al lang gedaan dat beest, of hij wel goed alles begreep.

—"Zoo de ooren in slechte seizoenen wennen, moest ook mijn ziel lang bot zijn voor het rondonderen van het onweêr."....

De stem ging voort:

—"Het is hier stil, is het niet? Toch, ik ben voor stilte niet bang.... van tijd tot tijd, wissen Sie, verbeeld ik me hier te zijn gesloten in mijn graf.... als een verslagene die van zijn wapens medekreeg in den doodslaap, lig ik tusschen de attributen van mijn laatst leven.... dàar van mijn boeken, dàar van mijn instrumenten, dàar mijn onderscheiding, mijn vogels, mes petites choses"....

Hij was achterover gegaan in zijn stoel, en nu met de armen geheven, het scalpel nog in de rechterhand, geleek hij een mensch in een stuip gebleven onder den neêrwarrelenden schemer.

—"Dan pakt me de begoocheling en ik strek me strakker.... zóo.... vouw de handen op mijn borst als mijn doode tusschen zijn zerken, want natuurlijk, het was een opperhoofd, wissen Sie"....

—"Wat de tijden oud zijn.... et moi comme je me sens parfaitement heureux.... ik hoor als nu de stappen buiten gaan.... het loopt voorbij.... het gaan zal nooit meer kunnen treden op mijn ziel, mijn teêre ziel, vous dis je.... die me deed verloren gaan bij mijn leven.... allons, daar zijn we over de ziel aan het praten.... allons donc.... le crépuscule c'est donc bien l'heure des grandes confidences.... permettez"....

Hij wilde opstaan, maar of het voor iets onnoodigs geweest was, zakte hij opnieuw in zijn werkhouding.

En Johan streek zich met de hand over de oogen om de verbijstering te ontgaan. Want de kamer een oogenblik vlottend, was bij het opstaan van Vogel hem verschenen gezonken. Stoffigheid hing voor de dingen, stoffig trok de dag achteruit door de lichtscheur in den muur. De avond bedroop den hemel. In den hoek over den steegwand roodde zich het raam, gelijk oogenwit dat beloopt met bloed.

Rondom keek alles tegen hem aan. De wand, een seconde aangedrongen, zag strak weêr, gruw, geluikt, gelaten; en de zoldering, wankelend of zij keeren had gewild, blikte breed uit, beschermend, overhuivend.

In een boog waren ze voorbij gezwenkt de rij van doode vogels. Nu van onder de asch der stof prikten zij hun glans-spritsende oogjes in de zijne, met een getjilp en gekir van kijken, in een uitgesliep van tijdeloos gekijk. Doch voorbij het bekruiste lichtraam, schreiend, was zijn gestaar neêrgezakt op de gestalte van den dokter, stoffig, met de armen aan het lijf.... en ellende, die rug was kolossaal en vaag een herhaling geworden van zijn aangezicht.

Onder den kraag, windselend om de lichtopbulting van de schoeren als een voorhoofd, donkerden de schouderpunten twee schaduwmoeten, naast elkander als een gesloten oogenpaar; plooitjes rondden zich er onder: de wellen vermoeid in zijn vroeg-oud gezicht. En daar waar de neus verliep in de lichtzakking langs de ruggroef, waren de gerekte smartlijnen bijzijën, bootste een opschorting met een spotkrul zijn hangenden knevelmond; willoos deinsde de rug naar de lenden om, zoo zijn zwakke en achteruitgegroeide kin dat deed.

Maar de gestalte rekte zich op en het gezicht was gebroken in rimpels. Op zij uit, zoekend den ander, murmelde hij langzaam met het hoofd knikkend:

—"Ach, das Leben ist dumm, vous savez."

Toen om te ontkomen aan de pijniging der ziel, smartte de lang ingehouden en worstelende opwinding zich vrij door den mond. Een tweede maal ging het floers voorbij Johans oogen, en hij hoorde rondom zich het martelen van zijn woorden:

—"Ben ik dan voor niet gegaan, hoe lang wel.... want de maanden zijn gegroeid tot jaren, reiziger meê in het leven, ging ik dan om niet van oord tot oord, van nieuw naar nieuw. Mensch, kijk me zoo niet aan, ook ik heb de volken naast elkaâr zien staan en vervloeien, ge weet het, als in het kleurenspectrum de kleuren. Zat ik dan voor niet tusschen de lichamen in de snellende en schokkende wagens; liep ik dan voor niet meê over de wegen, tusschen het loopen en het deinen van mijn gelijken, maar die ik voelde en zij niet mij. Was ik dan om niet in hun huizen, heb ik dan om niet geproefd hetzelfde blij en droef, leerde ik om niet hun ontroeringen opletten, tot waar ze grauw wegschuilt onder de stoppelige baardharen van de stugge mannen. Was ik dan zoolang alleen, alleen om niet, tusschen al dat gangende zeg ik u, niet wijs, niet dom?"

Spangengerel schudde de kamer.

—"Stil, kameraad!" groeide de stem van Vogel.

—"Nous avons tous deux raison, ah oui.... maar meer dan gij, ge weet het, keek ik in den dood. Zeker.... er zijn twee machten, me semble, die maken dat alles gaat, zoo gij zeidet. Een is er die aanzet, beroert, de schokken geeft.... hoe haar te noemen? geest.... le génie de la vie, par exemple.... maar daar is die andere, die alles wil bestendigen, eindigen, l'intelligence.... Nauw geeft de een beweging, subitement l'autre se dresse, slaat het willende in haar sterke handen.... bon.... doch bedachtzaam.... fatalement trop.... houdt zij het aan den grond vast.... bon.... mais voilà encore une autre fois le mouvement fixé.... raisonne."

—"En toch gaat het," schreide Johan van zich af.

—"E pur si muove.... giebt 's etwas neues!.... stil toch, kameraad.... oui, raisonne, je vous demande, raisonne.... le raisonnement est qui gagne. Luister"....

Gedreven met zijn lijf van muur tot muur, kwam naar Johan als van buiten het vlottende geredeneer. Gekruisigd aan zichzelven hoorde hij niets meer dan zijn-zelfs woorden en ze waren zacht en wat klagend om hem:

—"Ik was al vroeg alleen.... ik was alleen altijd.... in het halfdonker van een nauwe straat weet ik me geboren.... drie maanden van een jaar kwam er de zon tot op het plaveisel.... Er spelen kinderen met mij.... vlossig hun haren.... wij spelen over de keien, wij groeien tusschen den schemer van de huizen op.

.... Hoe ik het voel nu en den dag zie, dat de straat me werd afgenomen, wegging uit de kindsheid van mijn oogen, als uit een spiegel dien men omkeert de beelden."

—"Jongmensch."

—"Toen"....

—"Jeune homme.... wat?"....

—"Het gaat, het gaat, van donker naar licht, ik kan het niet meer volgen. Jong, was ik oud, was ik jong, toen ik duisterling, meêliep in de rangen van het volk.... en o, de dagen dat ik twijfelde aan mijzelven, nog proef ik het duister ervan bitter in den mond"....

"Zoo is het altijd gegaan, reizende van ontmoeting naar ontmoeting, naar goed, naar kwaad.... en ik kom hier.... en ik ontmoet u."

En heftig gericht, vochtten zijn oogen in de oogen van den ander, die groot open, gesperd keken in het schemerhuis. Maar van uit Vogels mond vloog als een gulp rook het woord:

—"Ivresse."

Gevangen het woord, er den klank van overschreden.

—"En gij daar voor mij, mijn vleesch geworden angsten, doode, waarin ik de droomen nog zie krioelen, gij die geen liefde begeert en mijn vriendschap gesmaad hebt, hoe zal ik u weêr rukken uit mijn ziel en er de weefsels niet scheuren.... Weet ge het dat ge huist in mij, weet ge het dat ik u draag, dat ik u liefheb."

—"Ivresse."

Maar vierend de stijgende en de koortsende beroering:

—"Als luchters branden ze nu stil de vlammen van het leven in mij; als garvend koren sprankelt het in mijn hoofd op, ik ga geleid, ik wil er uit.... gaan, o, als een meteoor voorbij in het niet, latend in het ruim der tijden nalichtend het bewegen van mijn leven"....

—"Meer waard te begeeren, zeg ik u, de gelatenheid waar armen van geest meê naar hun einde gaan."

—"Voel hoe mijn hart heet is, hoe mijn oogen schroeien in heet water. O, weg nu in een wolk.... als Elia in een wagen van vuur. De eeuwigheid"....

—"Ivresse"....

—"Hoor er is slag van wind in uw woorden, er is ruimte, er is leêgte.... Ellende, 't gekamert wijkt, het huis is rood. Daar van uit dien hemelhoek komt het ons overspuiten met bloed.... Vogel, wie gij, wie ik.... Over uw hoofd, over mijne handen.... o, de dood.... hij raakt aan mijn oogleên.... mijn oogen, mijn oogen.... hij strikt de banden van mijn mond toe, van mijn mond, van mijn mond."

Spangen relden, en huilend de stem uit het vanbinnen in het vreemde idioom:

—"Ivresse, ivresse.... il passé le quelque chose."

Buiten zichzelven was Johan neêrgevallen op het bankje.

Naast den rossen gloed van Jachjemeds lantaren liep Johan naar huis. Het was laat geworden. Vanuit de werkplaats had de dokter hem meêgenomen naar de bovenwijk, daar was de lucht frisch en het gezicht zoo mooi te zien. Stil, genegen, had hij Vogel naast zich gevoeld, terwijl zij gingen het avond-bedrijf in van de nauw-stijgende stegen door de Jodenbuurtjes. Vleezige vrouwen, met de handen vol ringen op de dikke buiken, babbelden naar elkaâr, de aangezichten bleek en vettig in den schemer onder de doeken van kleurzijde of het Sabbath was. Mannen, hangerig gezeten op den verzakten drempel, borgen de handen in de beenenplooien van het lijfwaad, of waren aan 't staan in het post-vierkant van hun huisdeuren. Zij druilden er met hun stroeven ernst, zij waren verzonken in den lagen nacht, maar hoog in de heuvelende steeg, onder 't saffraan der lucht dat de muren guldde, waren nog heldere kleuren, groen als van oud gras en purperend gewirwar. Kinderen, vonkend-zwartoogig en met gevlochten haar, vele al uitgekleed, stoeiend in het enkele hemdje, gierden het uit in het straatslop, tot de schrikkerige schreeuw van een waakzame moeder kreet naar een van de kleinen.

Maar boven, over den borstwal van het platform lag de stad blauw onder het geluwende, onder het naar boven somberder wordende doornen van den hemel. De huisvlakken en de spitsen schoven achter elkaâr, drijvend in ijlheid henen, naar het slaapwater, naar het nachtwater van de zee, waar 't kustschuim witte en boogde.... het reiken van een schuwen droom.... als een gedachte guirlandende van nacht naar dag....

Stil was er alles geweest, lichtelijk en ongedaan, zoo de wierooken die in kerkschepen zweemen, dampte het achter de heuvelende gestalten van de mannen die op den krommenden borstwal zaten. Wijdgebroken glansden hun avond-oogen uit de kappenschaûw, ze bleven stom rooken hun pijpje, aan de naakthangende voeten de rosse sloffen hingen. Of geëlleboogd daar over het dikke steenvlak rijden zij zich samen, hengelaars gelijk op een brug over een Hollandsch water, zoo keken ze neêr in de vallei van blauw en in den suizenden sluimer van hun avondstad.

Als een paar even vreemde lichamen hadden ook zij plaats genomen op den wal.... stil.... eindelijk even het zwerven van een paar woorden, het vaarwelzeggen van twee alleene zielen.... Ik zal u schrijven.... A quoi bon.... Als ik thuis ben.... u vertellen.... Vous m'oublierez.... Hoe zal het gaan als ik ginds weêr ben.... Mij? Binnen een jaar.... ah bah....

De avond werd koud en toen waren zij teruggedaald tot in Antonio's kroeg.

Daar, onder de opwinding van de lamp, koperlichtend in de duistere balken, zaten de mannen holend om het glimmende buffet. Het was er druk. Twee Arabieren in wijd-witte heerenkleêren leunden er, half aan het zitten, half aan het staan. Het was druk, en het praten was over hen.

Zij waren gekomen van achter hun bergen waar zij eenzaam woonden. Dagen lang hadden zij gereisd tot hier om bescherming te vragen, om zich te stellen onder de hoogheid van het Fransche patronaat. Want beschuldigd, maar valschelijk, van een groote zonde tegen den Koran, hadden zij geweigerd de boete te betalen aan het inhalige districthoofd.... de boete van zestig roode ossen. Maar op een nacht was de jongste van de twee broeders weggehaald met groot geweld.... verbeeld u.... zes maanden had hij gelegen in het vuil van een Moorsch cachot.... toegeven natuurlijk.... de losprijs betaald door den oudste.... dat is die zoo rechtop zit.... want de andere, n'est ce pas?.... men kan het hem aanzien.... hij ziet er uit nog comme un chien battu....

En monsieur Badaud, met het tabouret tusschen zijn beenen, als op zijn paard: "ce sacré Maroc, zoo werd de buit gemakkelijk".... En het zwarte baardmensch, dat naast den blonden, giegelenden Antonio den wand aankleefde, de Redacteur van de Réveil, zou er wel eens een hartig woordje in zijn krant van zeggen.... de noodzakelijkheid betoogen van het algemeene patronaat. Dat ging zoo niet langer, wat zegt u? Maar de fotograaf, een verwezen man, leek wel doof, rookte onverschillig zijn kiff. Hij zat dwars op zijn bank, smal, de armen en de beenen geknikt over elkander. Naast hem schoof Vogel in zijn hoek. Daarna, monsieur Crépieux tronend op zijn vaste plaats, en ook de minister kwam, blauw, even door de poort kijken.... dat gaf een luid alarm, hij verdween er meê.... werd er gejouwd door de vrienden? Het was druk vanavond.

Onder het hooge gloeien van de lamp ging er het praten in de ommewegen der vertaling. De Arabier uitgehoord, antwoordde aan wat men vroeg; zijn smalle lippen beboogd met den donkerstrependen knevel neurieden; week klaagde zijn zachte keelstem, terwijl hij de vier reine vingers van zijn rechterhand, fijn met lange aaiingen, wreef over de witte palm van de linker.

Hij was rijk.... hij had vier vrouwen, veel vee en knechtschap.... En de glossen waren gegaan, rondgeschurkt tusschen de naar-elkaâr-toeë schouders van het gezelschap, en de grappen over zijn verondersteld huiselijk leven. Sivory vertaalde een vraag voor den Redacteur. Badaud, tot verduidelijking, gaf klappen met zijn hand in de lucht, ruzie spelend. Maar de bergman, kalm in de kap van zijn mantel, had teruggesproken: "Men mocht een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem."

Toen eerst had de vroolijkheid goed gedaverd uit de rood-roezige gezichten.... o, ces brutes.... ces sales Arabes, non, non, om den bliksem niet poëtisch. "Komaan, Jachjemed, vertel jij eens hoe je voor een paar maanden dien hak in je kop hebt gekregen.... het mes heeft je voor je leven gemerkt.... ha, ha, ha"....

Achter in den wijden lichtkring was de gids bij de gangdeur opgedoken; verschrikkelijk aan het lachen, staande in zijn gore jas, luisgrijs, met op zijn kaaloorig hoofd de fez bloedrood. Dwars van buitenoogs kerfde het bekende litteeken, rood nog, spleet langs den neus, reeg door de lippen, knauwend den lach.

Maar de Arabier deftig in zijn witte kalmte en niets kunnend begrijpen van de vreemde spraken, deed meêglimmen wel het tandenwit in een lachloozen lach, maar in zijn oogen had de verachting gedonkerd voor die makkelijk lachende Christenhonden.

Buigend en met de hand op het hart vertrokken de beide broeders. Zij waren de gasten van Antonio. Ze gingen hun handen wasschen. En uit het donkere poortgat was daarna een neger aangesloft, een kerel van meer dan zes voet. Achterhoofdloos steeg de lipkop uit zijn jas, rechtop stond hij onder de lamp of hij was gegroeid tegen een muur. Een nieuwe revolver kwam hij koopen; hij vatte het geladen wapen van den herbergier aan, handig met die dingen tusschen zijn nachtelijk-glanzende flesschen. En zonder eenig waarschuwen vuurde de neger met luie aaphand over het hoofd van Johan heen. Het schot kraakte, donderde: de lamp aan het gaan geraakt, rikketikte in zijn kettingen; toen zaten de mannen stil, als getroffenen in den rook. Voor Johan was de muur verschenen betureluurd door de zwarte gaatjes van de straffe kogels.

En toen hij eindelijk was vortgesloft, ging het kroegpraten weêr voort:.... Het was de confident van den heer op het Kasbah.... een kerel om te vrind te houden.... Hé, Antonio, hij heeft niet eens betaald.... Die zwarte mijnheer had onlangs iemand van de beenen geschoten, comprenez-vous? pan.... pan.... en de familie, wraak gezworen, loerde nu op hem om de hoeken van de stegen.... Evenwel.... dat was alles kwansuis.... had hij geen wapens genoeg? hij zit er vol van.... even een kijkje nemen had hij gewild.... om die twee boerenlummels was hij gekomen.... was hij gebleven.... had hij geen snuifjes gepresenteerd aan wien maar wilde.... comme ça, het kokertje op den rug van de vlakke hand, gracelijk, of hij een dépêche reikte aan zijn heer.... Ge zult zien, Sivory, hij komt vanavond nog terug. "Máar," meende monsieur Badaud, en deed zijn hoed op éen oor zeilen, "in elk geval was het verstandig op je hoede te zijn.... vóor dat een man den tijd kon vinden je te dooden.... il faut le massacrer lui-même".... en monsieur Crépieux: "Certainement, toujours faire le premier coup".... doch Vogel van boven zijn rhum had zijn pijp uit zijn mond gehaald en gemeesmuild: "Remarquez bíen, mon ami, que tous ces bons conseils ne vous coûtent rien."

.... Uit het donkere maar-voortloopen werd Johan opgeroepen door Jachjemeds stilstaande stem:

—"Holei, Soleimon, schuif wat op."

Boven den weg gloeide de gekerfde kop van den gids en grinnikte naar het opdoezelend hoofd van het Zocco-gekje. De jongen, slecht wakker, keek dwalerig, lacherig; hij huiverde in de schouders, schuwoogde de lantaarn in en krabde wat onder zijn voddenmantel over de vorstelijke borst. In zijn kroeshaar spatterde licht, hooisprietjes, ze vonkten goud als droeg hij van de zon meê in zijn haren. Maar slaapdronken keerde hij zich om naar den nacht, stom-vragerig "laat me toch liggen", en dook het zwart tusschen de tonnen in, tusschen de rood doovende cirkels van de hoepelranden.

Tusschen het muren-duister wiebelde de kruisvlam voort over den bobbelenden steegvloer.... En tegen Johan kwam de gids aangedrongen, zijn schorre stem bedelde:

—"Monsieur, monsieur, chantez encore un peu."

Een vloek beefde op de lippen van den ander.

—"Neen, vandaag niet."

Dat was zoodra hij maar met dien knaap alleen was, altijd om hetzelfde zangetje: het lijfdeuntje van monsieur Badaud; 's avonds eens had hij het in zijn ooren meêgedragen, het geneuried onder weg en sinds dien tijd zeurde Jachjemed er om, tot in het oneindige trachtte hij het na te zingen.

—"Monsieur, monsieur!"

Toen in een opflappend lachen om het malle geval.... waarom ook niet. Hoor hoe dat Parijsche operettenliedje kittelde in het binnen van deez' lolligen jongen:

"Bombardos, Patakès."

.... Allons, allez-donc, jeune homme....

En Johan zong:

"Ce brave général Bombardos.""Ce cher général Patakès."

Tot aan huis wakkerde het lachen van daarginds, beurt-zingend, van zacht naar hooger, overbegonnen, krieuwelend, folterend in den drankgorgel van den Arabier en pret aan het maken, buitelend in de ziel van den ander.... Hoor, hoor, Johan, hoe het kaatst in de geul, hoor het stikkedonker bluft, bluft over het leven waar ge naar toe gaat, morgen al; hoor het looft en het prijst uit uw eigen mond:

"Ce cher général,""Ce brave général!"

Zie, daar komen ze aanstappen in de lucht. Hoe komen ze hier, zou je zoo zeggen. Buig, waarde heer.... stil kameraad.... de mooie generaals Bombardos, Patakès. Hun laarzen rinkinken. Ze laten zich zien, hun achtersten spannen in witte pantalonen, gezellig zijn hun buiken onder rijke vesten.... En ze hebben goud op de schouders, goud op de borst, goud in hun zakken; zie hun snorren vlaggen, de wangen hebben feest; zij ook beminnen het leven. Ze hebben geweldig veel pret.... Schud pluimen op hun steken, zwaai kleuren over hen heelemaal. Stil, kameraad; ze lachen complimenteeren, ze buigen, zij zijn nooit bang in het gedaver van de coulissen.

"Bombardos!""Patakès!"

In de poort van het hôtel was Johan alleen, en nog zong achter uit het donker de jongen.

Boven de lage wereld klankte de zon al-éenig.

Van-af zijn hooge plaats gehuurd op een bordes, schoof voor Johans oogen de Zoccostraat op, menschenloos en naar haar poorten henen, het wachtende plaveisel bekringd met keien strekte zijn zonnige baan als een stralende schubbenhuid over de aarde voort, tusschen de muren der wederzijding.

Zware gestoelten in zontijden verweerd, blokten de witte bouwsels uit de laagte op, naar overal bezet met de wacht van menschen. Want op plat naast plat, van bordes boven bordes stonden zij er samen in kleurige menigvuldigheid onder het gespante van het blauw, gezameld over de doozen van hun huizen.

Tot op de poorten die boogden en sloten het straatgezicht, waar de hooge stad heuvelde en het Kasbah was; tot onder den cyclopenmuur van d'oude vesting vergestaltten zich de mannen en de vrouwen.

En links naar de landrichting, waar de muur uit de vergane bastions zijn kanteelen kartelde, voor het wegrondende van de lage lucht, was het al damp, ziedde achterin de lichtkolk van het groote marktveld; want daar gedruisch, stoom van veel beweging met bedwelming in het ijle; want daar de fantasia's en het buskruitspel, om te vieren vandaag den geboortedag des Profeten.

Alzoo over het zwermende volk ging het licht naar den middag. Dan stoof een knal uit de straat naar boven, rookte het kruit het schot na, en de flonkerende koper-loop van een Moorsch geweer vinnig tusschen vingers rondgeslingerd, bliksemde geel-cirkelend door het wijde slop. Velen keken omlaag om het spel te zien, maar daar zette zich alweêr de bergman op de teenen, vroolijk met wijd-uitzakkenden pas daalde hij de straat af, voor zijn schaduw uitloopend; weg streepte zijn geweer, heen gloeide zijn roode hoofddoek, en van-nieuws-aan was om Johan op het bordes het veelsprakig leven en het wachten in den lichten luister.

En hij herinnerde zich vanochtend in het hôtel terwijl hij zijn boeltje bijeen bond, het schrikkerige splijten van de lucht lang te hebben gehoord, oorlogsrumoer vèraf, schermutselen dichtbij, en zich niet te hebben afgevraagd wat of dat kon beduiden. Want zijn gedachten dwalerig, half los al van het hierzijn, omdat het eindelijk zou teruggaan en niet meer verder, en zie toch hoe smartelijk het altijd weêr werd bevonden te moeten verlaten wat men nooit zal weêrzien.... Knal maar, knal maar.... De vertooning was nu uit en een ander bedrijf ging volgen.... Toen had hij de hemdboordjes zoo vreemd op de reisdeken zien liggen, met hun zuiver-halsopen, pasklaar ook voor een ander, met het roode merkdraadje voor de keel of het een bloedkrab was. En in een opzetten van zijn wil de propperige kousen geplet onder het schetsboek: het moet, ze zullen er in....

Doch de lange schoten kraakten, durelijk, harder aanhoorend of op het venstertje gemikt werd. En naar buiten kijkend over het erf-muurtje heen, daar kwamen ze aanzetten op het vochte strandzand, de lenige buitenlui met de stralende geweren in de handen hangend. Hun armen spierden naakt, er werd onder het loopen geladen. Ze gingen klein langs de kalme pracht der zee, maar stoer toch in hun wit en bisterzwart gestreepte burnous van kemelhaar, de kappen driehoekten van schouder naar schouder, veel wijder dan men hier ze droeg. Achterin reden er aan op springende paardjes, waarvan de schabrakken schalden in de feestelijke zon. De schedels omvlagd met de roode foedralen van hun geweren, stapten de voetmannen onder voorbij, in opwinding waren ze verdwenen, want om hen was nog het juichen van het wilde buskruit toen zij traden in den wal.

Wat was er toch te doen, had hij moeten denken.... was het niet altijd hier in het krioelen van de rassen als een verhuis van volken.... zou het zijn als laatst, toen schuiten vol mannen los gingen van een donker rompschip en stuwden tegen het strandzand op.... Dat waren pelgrims van Mekka gekomen.... En hij had zich gebukt uit het raampje, de zee toen leêg gezien, en Gibraltars rots schimmig verdronken in den weidschen dag. Doch vóor het vergezichtende Europeesche kustland daar lag de wachtende Atlantic midden in het gruizelende water, met het Fransche vlaggetje en de helle stoompijp als een stuk vurig speelgoed in de ruimte-spiegeling van blauw en licht.

Toen was het kamertje hem te klein geweest, de muren te kalkwit, het bed gevangenisachtig; jeuk was er in de vingers en gloeiing in de beenen.... vanavond wel de rest doen.... en naar beneden.

In den steegschemer bij het hek van het Hôtel babbelde Jachjemed met Sarah de meid. Jachjemed had een nieuwe fez, een zwart koorden kwast hing in zijn nek neêr en over de borst uit de omslagen van de hangende kap glansde van blauwe zij het Zondagsche onderkleed. Ja, het was vandaag het feest van den Profeet.... zijn bakkes glom of hij zoo pas uit het bad kwam.... en hij had grinnekend gevraagd of hij voor mijnheer niet een plaats moest nemen op een plat, want de gekken kwamen terug en aan Jood en Christen was bij proclamatie gewaarschuwd vóor dien tijd niet in de straten te loopen.

En ze waren gegaan. Bij de Engelsche ambassade strookte een vlag de luchtstrook boven de steeg, ving van de zon in het klappende blauw. Van den minaret stoof hoogóp het Moorsche bloedrood; weêr verder krulden vier, vijf landsvlaggen boven een huis om hun rechtstaande stokken, en met een plotselinge hartepopeling had hij ook het in tijden niet geziene, luchtlang banende rood-wit-en-blauw van zijn land herkend. Maar het zien van de volle platten in de Zoccostraat deed ongeduldig verlangen naar een even goede plaats; de gids aangespoord tot haast, had hem meêgenomen door een donkeren winkel; achter dichte luiken walmden er de doove kerkgeuren van specerijen; en een pakhuistrap toen op; reten licht schenen onder de stijgende hielen van den jongen die het eerste klom; vervolgens een luik opengeduwd en in de plotselinge licht-overstelping het staangeld betaald aan een man, die bij het trapgat het luik weêr sloot.

Nu, terwijl hij meêwachtend stond, propte zich voor zijn oogen het volk al dichter over de kalkige huizen. Gelijkoogs en hooger waakten er de rijen hoofden, schakels geworden in de zon. Daar waren de Europeanen van de stad, de handelsmannen hadden hunne zaken gelaten, van bijna alle terrassen spikkelden in het zonnedonker van hun ledende confectie-kleêren, reepjes van halsboorden-wit en hoekjes van de open vesten. Daar waren Engelschen de halzen rekkend, jong volk veel, in de strakke gezichten dotten de snorren; Duitschers waarvan de borsten en schouders platend kwamen uit het gedrang, met zwellende wangen rozig van de warmte in het goudelende gelaatshaar; zuiderlingen weinige, zwaar van wenkbrauw boven den somberen oogkuil, verschenen er klein en pezig. Van over de wallen vlekten de roodende handen, wijl over hun aller eveneensche hoeden de ruimte voorthobbelde in blauwing, ze in den afstand tot veeldubbele snoeren saâmreeg, waaruit het spiegelen van een enkelen cilinder opstak als van een zwart-gladden steen.

Joden groepten er statig in lange kleêren, het borsthemd geplooid, de gordels gouddradig gefranjed, of oudere scharrelden verdwaald, ginds en hier, met kalotjes op de nederige kruinen, en van vischvellen-kleuren glommen hun daagsche tabbaarden onder de vlokkende baarden; Jodinnen daar op de eerste rij, heup aan heup, schoot naast schoot, aan elkaâr gesmolten van vleezigheid en licht, en soms keek er het ronde hoofdje van een knaap of van een meisje, bolwangig voor zich uit tegen den buik der moeder. Veel meiden en wijven pronkten er met den smuk van hoofd- en halsdoeken, oorringen rinkelden licht; kerels van de haven in teervuile baadjes vertoonden er een geroosde borst of bewogen werkarmen; slaven, negers staken er de glimkoppen met fezzen omhoog; straatvolk schouwde er de roestige zakken van hun jassen uit, als noten uit harde schalen. Vèraf, van hoog en laag was het in de neêrdruisching van den dag over de zonnetrappen: 't plakkatende wit der muren, woest indigo-blauw waar de zon niet was, een uitstalling vaak als vruchtenweelde bloeiend. Zoo blonk er het hooge citroenen-geel en van meloenen waarin het groen nog welkt; praalden er het tomaten-oranje en het granaten-bloed; glommen er de heete donkers van hardschillig ooft, van kastanjes, van dadels en vijgen, waasde er het doodrijpe saprood naar druivenpaarsch en naar het rottende violet.

Woestijnig in de stoffige burnous als in te ruime vellen postuurden de Kabylen op wal en bastion. Gedrochtelijk tusschen en op de kanteelen geklonterd, met de kappen òp, beeldden zij zich roerloos.

En onder het schilferende vestinggrauw dat glinsterde van ruigten op den trans en uit het mozaïek der steenen, tot onder het rotsenrood dat bestreept met klimlijnen van paden was en melaatsch van zon, het gansche wallooze poortterras over, hadden zich de vrouwen geborgen. Gelijk mummies in windsels, een spokende zwerm van witte vlinderpoppen wachtten zij daar gelaten onder het raggende licht, terwijl onder hen het hoefijzer-ronde gat van de poort gaapte naar de straat. Wat witte heeren schemerden er in de mousseline sluiers van de haïk; een stralende tulband blonk er als een maansikkel boven het parelende warmblank; en waar 't geplooide open voor de vele oogen de duistere ster-stippen door de rijen reeg, schoof meer dan eens de stroogele hoed van een Tetuaansche, lag gelijk de schijf van een parasol over de schouders van de draagster een valletje van koele schaduw.

Beneden ook bleef de geul star aan 't wachten, ofschoon herhaaldelijk opgeschrikt uit haren zonnedommel, telkens wanneer het looze schot knallen kwam van een feestvierend man die uit de Zoccodrukte daalde. Nu speelde een Arabier in de straat, tuk op de hooge bewondering liet hij zijn geweer radsnel om zijn vingers tollen, greep het dan woest en onverwacht stil, knakkend de vlucht van het wielende wapen, om het te laten cirkelen tusschen zijn scheutende armen en rond zijn dollen nek als om een gladde as. Dan zette hij zich schrap op de donkere beenen, keek wild zegevierend òp uit zijn ontredderd gezicht zwart van kruitroet, lachte wreed om zijn geklemde tanden en keilde toen tot een jubelend hoezee zijn speeltuig naar boven, slingerde zijn blij lijf om in tartenden sprong, maar ving het in de valling flonkerende geweer met klauwende vingers, alvoor het kon rakelen den grond. En over het helle pad ging hij in zijn wijd-slippenden mantel.

Langs de keienbaan suften de winkeltjes, gesloten was het bedrijf, vuil en vettig, slijmig in het blinkblank van den velen weêrschijn. Met dichtgeklapte stokken, zeildoek en takkebos-kleurig luikenhout verschenen ze verlaten, onttakeld. Een koopman kwam zijn huis uit, draalde wat op den drempel, garenblauw was zijn huiskleed en helder het flanel gewikkeld om de fez. Of uit de spleet van een mat, uit de vouw van een schutdoek, schemerde even een geschoren hoofd, tot de kier als van wind bewogen zich weêr sloot gelijk een oog dat niets te zien vindt, toe.

In het midden van den overkant, tegenover maar lager dan het terras waar Johan zijn plaats hield, bleef nog een winkelplat leêg, geruimd van rommel, van oude verpakking die aan de kanten lag. Twee stoelen stonden er schril naast elkander op het blinkende vloertje.

Toen deed luid gepraat van een drietal Franschen vlak nabij, Johan keeren voor den lagen wal; ook werden de voeten moede van het staan op eenzelfde plek. Een van hen wees aan den ander: daar, neen meer rechts, die soldaten in roode uniformen, dat waren volontairs van het garnizoen in Gibraltar.... Zeker, er waren veel vreemdelingen om het schouwspel te zien.... En als alle jaren zou de gezant wel weêr een paar schapen, levende schapen ja, naar beneden laten werpen zoodra de stoet voorbijging.... dat deed hij om het prestige, dat was politiek, erkenning van de landsgewoonten en eerbied voor den heerschenden godsdienst.

Plotseling tusschen de klaterende schouders van babbelige vrouwen door, kwam knikken naar Johan het stevige hoofd van monsieur Badaud. Een inzicht tusschen de huizen week schaduw-opaal en lichtvlekkig achter hem, beplekt met kleêren die te drogen hingen als vlaggetjes in de zon. De kolonel wachtte voor den anderen hoekschen wal van het terras, hield de hand aan den hoed of het woei daar, en onder zijn snorren versmolt het vriendschappelijk toegeroepen groeten.

Hier, van-uit het zonnige volk, klapte, keelde en niesde het druk-zijn van de monden en het steeg uit de zwoelte de lucht in, die gromde of ze van bijen vol was. Tot achterin schacherde het volle markt-lawaai, tot onder de blinde muren, want aan twee zijden van het vierkant gingen naaststaande huizingen opwaarts, groezelige wanden met gebersten kalklaag, bedropen door stralen uit den regentijd en doorsiepeld in den hoek met het roet uit een schoorsteen binnen. Onverstaanbaar jakkerde een schrauw van boven, antwoord aan een roep van buurschap hier beneên, dan zag Johan kleurwijven overlenen den wal, daar waar de stapeling weêr verscheen voor zijn opkijkende oogen, gedrongen, geplet onder het sidderende blauw.

Willoos bleven zijn oogen innemen het durende gezicht. Hij moest letten op een fotografisch toestel dat er onder den muur op pootjes paalde en uit den zwarten lap zag hij het verwezen hoofd van den Zwitser duiken. De man nam den dop weg van het verrekijkerachtig voorstuk, lodderoogde wat terwijl zijn lippen telden, toen sloot hij het koperen oog weêr van zijn mechaniek met langzame hand waaraan de nagels glommen.

.... Wie weet, wachtten er nog meer kennissen hier op het plat.... en waar was Jachjemed gebleven.... Vogel.... zou die een plaats gevonden hebben op den muur in de buurt van zijn slaaphuis.... of was hij thuis gebleven in het duffe hok.... Crépieux had vast een goede plaats op het terras van zijn Consul, en een mooie, vandaar waren ook de spelen over het Zocco te zien. Vogel....

Vogel.... zoo huisschaduw bij buitenlicht droef is, zoo duisterde de herinnering aan den dokter voor Johan op.... hij alleen en gebukt over zijn werkbank.... In het neêrstraffende blauw kwamen de oogen staan als twee traanparels.... de bekende blik.... ze hadden de macht hem hier vandaan te nemen midden uit het feest.

Maar ploffen bomden, en opgeschrokken door een dadelijk dringen had hij den borstwal gevat. Van den overkant rommelden de zonnige lijven, de kleuren krieuwden. De kijkers voorover op de voorste rijen, kantten de hoofden alle naar het straateinde.

Van af der poorten stille wacht stuwde de beweging aan, daar kringelden en woelden de gewaden. En de stralende ruimte vergeluidend de breede verwachting, jubelde, zong van terras naar terras: "daar zijn ze, daar zijn ze." Doch het was om niets; het gestapel zette zich weêr in het durende staan; alleen van achter den muur òp, rookte het buskruit boven het Zocco heviger, bleef er wolken gelijk damp geworden stoom.

De zon hittend naar haar hoogsten stand, blakerde voort over de geduldige hoofden. Heeter zeeg het blauw over de stad en al. De winkeltjes in de straat vingen aan te glimpen, kletterend schoten er de scheuten licht in de trillende daging, zeilende pijlen-val. In de broeiende straatbaan kogelden de puilende en glad geslepen keien hel, of het zonnesteenen waren geslingerd uit den hoogen hemel.

Een bekende stem, die van den Vlaming, den admiraal, deed Johan een andermaal keeren. Door het platmidden drong de kleine zeeman met brutale ellebogen de praters op zij; jekker-blauw waren zijn jasje en broek. Achter hem waggelde het leuk-groote lijf van Sivory den herbergier; Jachjemed volgde, stak zijn nieuwe fez over Antonio's schouder op als een onrijpe kers. Ze kwamen alle drie tot bij Johan; Sivory's lacherige lippen slurpten tevreê de ruimte.

—"Ik kom maar op mijn pantoffels," giegelde de jongensachtige man in zijn te kort grijs buisje. "U hier zoo alleen, waar is onze vriend de dokter?"

Maar zijn wangen bolden, de kin zwom rond in de ringen van het weeke halsvleesch. Hij lolde dat zijn oogen verdwenen.

—"O, o kijk toch".... hoe die daar zaten, wassen beelden, waarachtig, wassen beelden.... Caramba, dat moest zijn vrouw eens kunnen zien, maar die had te veel hekel aan klimmen, de dikkerd.

Zijn spekkig handje wees over den wal en lag zich toen goeielijk over Johan's schouder. Op het lage platje zag die nu de beide stoelen er onverwacht bezet.

Zij zaten er zoo kalm of zaten ze er al een uur; gasten aanzittend bij een feest, die om het fatsoen zich niet verwonderen mogen. Een heer, mager, in een langen mackintosh met overval om de schouders, zat er verdord van gezicht, waar lange grijzende bakkebaarden uit streken, zorgvol gekamd als valsch tooneelhaar. Hij droeg een reishoed à la Stanley, met een wittigen zonnesluier omwonden en een zwarte kijkertasch hing aan een riem langs zijn lang lijf. Naast hem een dame, sluik in dezelfde stofkleur van hoofd tot voeten, eveneens bejaard en met de handen op de knieën. Een flaphoed aan een omgekeerde fruitmand gelijkend, schaduwde haar verreisd voorkomen donker en een grappig-groot wit-gazen strik fladderde onder haar kin als een kolossale vlinder.

Achter hun stoelen, met op elke leuning een koffie-bruinen knuist, pronkte een Moorsche knecht. Scharlaken-vurig tooide hem zijn lijfjas met korte armsels, ondermouwen gleden tot naar de polsen, blauw dat ratelde van geel op koord en tressen. Een spitse wijnrooie muts, omgeklapt bij de punt, deed hem slaperig staan, zoetsappig met het hoofd op zij; doch wreed kneep de spleet van zijn wimperlooze oogen. Splinternieuw ging er een bruinleêren band om wapens in te dragen zijn middel rond.

—"Wat een stank," smaalde de admiraal met zijn gewonen vloek, "dat volk ruikt nog eens zoo erg naar wilde beesten, wanneer ze in de zon staan te bakken, ge weet."

—"Non, non," riep de waard er tegen in, zoodra hij het stopwoord in de vreemde landstaal hoorde.... die twee waren misschien wel de vader en de moeder der Engelsche dame, welke onlangs haar entrée in den harem had gedaan, de zooveelste vrouw was geworden van mijnheer boven.

En Jachjemed in zijn schik, zeker van de borrels en de sigaren die hij verdiend had met dit uitgezochte plaatsje:

—"Dat zou 't zijn, ze hadden een soldaat meêgekregen van het Kasbah om op ze te passen."

—"Zeker, ze mochten eens gestolen worden, ha, ha."

En Antonio schaterde dat hem het speeksel over de lippen stoof; omstanders keken naar hen, sperrend de monden meê of ze wilden of niet; een blanke meid met dof zwart negerhaar en gretige lippen, lachte zich de tanden blinkend.

De admiraal evenwel had nog wel wat anders gezien dan dat zoodje hier van het Kasbah. Tijdens de laatste révolte had hij den Sultan in al zijn pracht en praal zelven mogen aanschouwen, midden in den stoet van vizieren en raadsliên.... "Een god, mijnheer.... onmogelijk verblindend en niet om te beschrijven.... ze kropen voor hem, ze zoenden het stof van zijn pantoffels, de...."

Hoe hij er uit zag? E wel, een zwarte, vette vent was het, maar die huis wist te houen; ze gaven hier zooveel om een mensch als om een makreel: gekopt had hij ze bij honderden.... Hij zelve had voor de bewezen diensten een witte merie van den Sultan ontvangen.... de hoogste onderscheiding, maar liever had hij de eeresabel gekregen, die kon je meênemen en die kostte niets aan vreten.... En, vertelde de admiraal, en het kaasbolletje bovenop zijn ronden Vlaamschen kop deed hem gelijken aan een boer op zijn Zondags.... alles goed en wel.... zoodra hij zijn paspoort los kon krijgen, ging hij gauw naar Antwerpen terug, hij had er den buik van vol, hij verlangde naar zijn huis, naar zijn vrouw....

—"Hé, kolonel, monsieur Badaud, kom hier!" schetterde Antonio.

Maar een hel blindend zonnetje, een felle flikker spoog uit de laagte op, dan plotseling geroeid uit de ruimte. Beneden hield de Engelschman zijn kijker gericht en de zon had er in gekaatst, hij tuurde van den overkant naar het vroolijke troepje.

—"Goeien dag," groette de uitgelaten Antonio, "goeien dag, papa."

De heer bleef door de zwarte kokeroogen het gezelschap bekijken of hij de grap begreep.

—"Bonjour, bonjour," kwam de kolonel wuft aan, en tot Johan, guitig:

—"Ah.... zonder de sac à malices?"

Toen dadelijk in het geval, gaf hij een kwinkslag ten beste: om de stof, meende hij, moest dat solide paar eeuwiglijk onder een stolp worden gezet.

En nu de armen van den Engelschman met de binocle zakten en ook zijn hoofd naar den schouder ging of de knecht van achter draaide aan den nek, zei ook de admiraal: waarachtig, het was een pop. De oude heer praatte langs zijn bakkebaard naar de oude dame, schroefde het lijf half rond op den stoel, de knieën dicht, automatisch klommen de armen en hij liet het kijkglas wandelen.

—"Hij ziet wat," grinnikte Jachjemed toen de binocle weêr stil bleef.

—"Een vlieg." En meteen begon monsieur Badaud onder zijn favorites te brommen. Hij had den flambard in zijn hand al en speelde er meê, hij zou het beestje wel vangen. Een glimkrans cirkelde zijn slapen rond, de ring dien de hoedrand gedrukt had in zijn gepommadeerde haren. En zijn mond, waaraan de snorpunten als vleugeltjes rilden onder den mooien krommen neus, tegen het blozend geschoren wangvleesch, liet dan de vlieg ergens zitten, stil; maar de hoed dwaalde aan en joeg het tot zijn eigen bruinoogige verbazing weêr op, dat het kwaad gonzend zwermde over de lachende hoofden, nagezeten tusschen de engten der ruggen door den kolonel, die loerend met den rimpeligen soldatennek wat vooruit en het vleezige oor rood, speelde langs een wang, om een neus.... "Sacré nom d'un chien;" want weêr ontweek het lastige ding den hoed die het snappen wou en 't zoemde weg, niemand wist waarheen. Uit het duizelende licht echter zong het terstond en treiterziek terug, sneller dan een snorrend raadje en zoo natuurlijk, dat Antonio van plezier te dribbelen stond als een kind dat wat doen moet.

Doch toen monsieur Badaud zijn vlieg eindelijk dacht te hebben, den hoed neêrsloeg over de zwarte pruik van de vooruit-al gillende meid, drong zich het volk als in een paniek in het vierkant naar voren.

—"Ze komen, ze komen."

—"Neen, ze komen nog niet."

—"Zeker, ze komen er aan."

Door den wademloozen middag groeide en zwol het begeerige rumoer; van terras naar terras had zich de spanning opnieuw in de lijven geslingerd, er de onrust een andermaal gezaaid als een plaag van insekten.

—"Zonder twijfel," geloofde de herbergier, zachter ook pratend in het gedompte, vreesachtig aanhoorende gebabbel op het plat, en hij rekte zich over den zooveel kleineren admiraal, "de gekken loopen op het Zocco, monsieur Badaud."

Doch deze nog altijd spelend, drilde den vinger waar de ring aan glom voor den grooten lacher.

—"Het kan me spijten, Antonio," zei hij, "dat ik die vlieg niet geattrapeerd heb. Bedenk eens wat een mooi exemplaar voor den compagnon van monsieur Crépieux.... op een speld.... puf.... en dan"....

—"O.... schei toch uit, kolonel."

—"Ah!" en monsieur Badaud boog naar de wering.

—"Pas op uw rug, monsieur le peintre."

Johan keek. Strak zeeg in het wijde over het Zocco, want de kruitrook verstoven, het blauw neêr als in een dal van stilte. En van wal en bastion hieven zich de gestaltetjes van de landslui gespannen, zij spierden de armen op in het nervige licht. Over de poort ook floersde de blanke wacht onbewogener; zonder de donkere oogenrijen, die lichtelijk gekeerd, schouwden naar over de heuvelen, naar de komende heiligen.

Zij kwamen.

Onder den lichten hemel, onder het rommedom stervende rumoer, in het groot vallende zwijgen, in het geluiden-gaan van het zonnezingende gesuis, hoorde Johan ze komen. Was het niet als de bange zang van zijn hart, dat de oogenblikken sloeg daarbinnen in hem? Was het van de zee die onder den zilten lichtdag oneindig geweten wentelt, en nu den vloed weêr deed geboren worden, windloos weenend naar de stranden en hier over het steenen staan der stad in de oorschelpen kwam klagen.

Zwijgen was boven de terrassen; zwijgen viel in de schitterige lichtstraal. Waren het niet de echoën van geloop, van gedans, van gedraaf? Klotste nu niet vanuit de duistere tunnel der poort het aandriften van een kudde?

Hoor, op het veld daar schoten de geweren. Zie, daar stoomde weêr blinkend het buskruit op.

En voor het snelle neêrgaan van zijn oogen versomberde de hemel, krompen de blokken op in zonnig wolkenwit. Voorbij gespiegeld was het pralende saâmstaan der menschen, de roodende gelaatsrijen verdronken naar het blauw, gelijk bloemen en koralen verschemeren in de glans-diepte der zee.

Want het zwart-starende poortgat had dood-loofbruin en soppig bloedrood de gekkenverschijning in de geul gestooten. Stuiverig of storm hen sloeg op de ruggen, kwam het loopende geweld, en als een vaandelbaan vooruit, het schrikwit van de eerste boeteling.

Nu steeg geen kreet, geen aanmoediging ijlde onder de luchtelagen. Stom zag het stedevolk het aan hoe de heiligen al holden in het straatgestraal.

De vooroppe, een vrouw, de bleeke.

Zij liep niet, zij vlotte, zij zweefde. Zij ging vóor aan het wilde woelen der verdwazing, zij kwam met het hoofd achterover, met de oogen open.

Zij kwam met de piekende star-oogen als een gekruiste in het hemd van den spot. Zij hing met de armen wijd uit op de schoeren van twee dollen die haar stutten, voor het slapende gangen der droom-schrijdende voeten.

Zij kwam met de glinstering van haar geslagen oogen die niet knipten voor het licht; martelares gedragen, geheven reliquie, vertoond door bezetenen die onder haar oksels verbijsterde koppen beurden, schreeuwloos, met mondslurven van jammerlijke beesten.

Zij kwam aan met haar bliksemende oogbollen, het hellende en ijzige vuurpad over, zij staarde in het schroeiendste, in den bol der zon. Zij schreed in het sidderende en ritselende lichtkleed aan, op den langen weeë-zang der zee: gaan, gaan, met de knikkende mannenbeenen naast haar, die trappelden het spattend gefonkel.

Zij kwam nog de bleeke foltervrouw, met de borsten klein, met het sterrenhoofd gelegen in het zweet-natte, in het rouw-zwarte bed van haar haren; de heilige wier lippen lachten in den wellust van den dood, om wier neusgaten het snerpende leven gevoelloos.

En zij ging voorbij met de armen in vlucht, als een in het licht gezaligde, liet ze de wondervlammen van haar oogen in de oneindige herinnering.

—"Dat is om te rillen, dat is geen mensch meer," bangde de stem van Antonio.

Een dof geherrie van knuppelende doodslagen; het stampen van naakte zolen slaande de naakte straat, trappelde door de geul en als uit een slachtplaats naar boven.

En magere mannen draafden in het onder, zon-morsig, bloot-borstig, vaal van ontbering. Zij vloden, de armen vooruit met grissende vingers, brengers van onheil en kwade boodschap, aangestaard door de uit hun winkels getredenen, snelden zij hun schaduwen vooruit over de klare steenen.

Even lag de straat te blinken, het hooge zwijgen hield aan. Toen op den doffen voetendonder rolde het door elkaâr kluwen van licht en schaduw nader: het wirwarren van het doode-blârenbruin der gescheurde kleêren; het stuiven van bezeten beenen laag; het woeden van vechtende armen leemkleurig in de hooge daging, en om snakkende hoofden scheen een snoer als een oorlogsband of gleed er het wanhopende glissen van oogenwit in de spiegeling der zon.

Voortgegeeseld door karwatsende kerels langs de kanten aan het loopen, gestriemd over de bastige ruggen die wrongen en krompen en rekten, maar bleven omdringen het heiligen-stoetje, tot een kern daar middenin, gesloten aan elkaâr, verschenen er de gekken in 't hemd wit, rood, beplast met bloed.

Daar danste vooraan de donkere vrouw met de oogen dicht, òp, neêr. Zij sprong, zij knikte, viel overzij, als half verlamd, òp, neêr, epileptisch òp, neêr, òp, neêr.

Zij strompelde in het boethemd, zon-hel, òp-neêr; aantobbende met een arm vol vleesch, met een vracht van nat en druipend vleesch en flarden huid; met lillend, krullend, blond schapenhaar, als een dood kind onder de moederborst daar, en smartelijk de meêgaande hand voorbij den buik, òp-neêr.

Nu schokte zij bloedig aan, een roode moordenares, òp-neêr. Haar lippen lagen in starre pijn; in-uit snoof de neus en van haar kruin krioelden de haren, òp-neêr, òp-neêr; overeinde als schrikkende slangetjes op hun staarten aan 't staan.

Maar dansend de roode martelvrouw in 't wezenlooze licht vooraan, en of ze geradbraakt in 't witte gekleêr was, lekte haar 't bloed op de stomme voeten neêr, epileptisch aan 't gaan, aan 't gaan.

—"Gofferdom, kijk, ze bijten mekaâr in de hielen daar!" kreet de admiraal.

—"Ranselt er op, de honden!" schreeuwde de kolonel.

Maar beneden zwoegden al de witte verschijningen, vuns van moord, over de onder hen bibberende keienbaan op de stuipende beenen voort.

—"Zij zijn moe, ze zullen vallen, monsieur Badaud."

Voorbij slingerde het oude negerlijf in de aschkleurige vodden, rood onder een émail van bloed. Bloed en schuim was om zijn dikke in een strakken schater verstorven lippen, bloed geronnen op de trommel die bonsde zijn rug.

—"Ze gaan in ren!" duizelde een schreeuw uit de lichte hoogte.

En zij galopten, want de geesels zwiepten. Zij sprongen op wijde vluchtbeenen den naweeënden rhythmus nog. 't Nat-kletsige gesla van de bloote voeten beteisterde de geul, onstuimiger draafde de meêlooperij in het vale zonbruin; of van hen elk wou de eerste wezen, zoo slierden er de bijt-bekken de kikhalzende toeschouwers langs.

Daar dolde nu de achterste, getild, gesleurd door twee verheerlijkten, een jongen met den kop op de borst, de tong uit den mond, den hik in 't lijf. Lappen vacht en vleesch schudden en rafelden om zijn sijpelende schouders. Als bij een stom-bezopene sloeg 't lijf voorover naar de straat.

't Geschater van Antonio dolde door de lucht. Monsieur Badaud wees naar beneden:

—"Sacré nom.... hij trekt met zijn beenen als een grenouille."

—"Een kip die dood gaat."

—"Ik zou hem niet eten, als jij hem hadt geslacht, sale Arabe."

—"Ha, ha, ha...."

Maar de jongen opgebeurd door de voortvaartende kerels, spartelde onder-langs, met afdrukken van bloedhanden tegen den rug op het hemd vol gaten.

Nu tusschen de weêrlichtende winkeltjes was de baan overstort onder het buien, onder het onweêr van de troepend-trappende dravers. Nog waren er die dansten, òp-neêr, rollend bezeten oogen, met monden spelend misbaar.

—"'t Is gedaan.... Hé daar, schavuiten! Ze kittelen mekaâr een beetje," riep monsieur Badaud weêr, beleedigd. "Kom, Antonio, die daar zijn even gek als wij."

—"Ze houden ons voor de mal!"

—"Gaan we."

Een lichtschitter sneed door de laagte.... de man met de bijl.... maar de straat verzonk, al ging Johan los van de wering. Recht voor zijn stoel staakte de Engelschman, stram bij zijn vlam-rooden knecht, naoogend de gekken door zijn slak-zwarten kijker.

—"Curieux."

—"Intéressant."

Maar 't waren nog de bange geluiden die zich opworstelden naar hier; barende schreeuwen uit het warende licht, klakkende, krakende, martelende zweepslagen, nijdig gekletst op het ziellooze vleesch. Dan van overal overzwetsten de ontbonden tongen het straatgereutel, om te vullen de lucht met hun gekal.

......


Back to IndexNext