Andere plaatsen der Schrift zijn er niet, die van de begrafenis van Christus of van zijn verblijf in den staat des doods spreken, want de nederdalingεἰς τα κατωτερα της γης, Ef. 4:9 wijst blijkens de tegenstelling op zijn nederdalen naar de aarde door zijne menschwording, cf. Meyer t. p.; en 1 Petr. 3:19-22spreekt in geen geval van hetgeen Christus deed tusschen zijn dood en opstanding, maar òf van hetgeen Hij deed na zijne opstanding òf vóór zijne vleeschwording; de woordenζωοποιηθεις δε πνευματιduiden aan, dat Christus, die, wijl een sarkisch lichaam deelachtig, gedood is, toch omdat hetπνευμαHem eigen was, weer opgewekt is,zoodat zijn leven na de opstanding geen sarkisch maar een pneumatisch leven was. De descensus ad inferos,τα κατωτατα, Hades, niet hel, gehenna, in Griekschen, Roomschen, Lutherschen zin heeft daarom toch in dezen tekst geen steun. Maar spoedig kwam in de christelijke kerk de gedachte op, dat Christus in den tijd tusschen zijn dood en opstanding naar den Hades was gegaan. Het voor eenigen tijd ontdekte Evangelium Petri vs. 41 42 laat eene stem uit den hemel tot Jezus zeggen:ἐκηρυξας τοις κοιμωμενοις, waarop het antwoord luidt:γυμναι, de helsche machten zijn ontbloot. Volgens Hermas, Sim. IX 16, 5-7 zetten de apostelen na hun dood hun prediking voort, en wel aan hen, die vroeger in gerechtigheid ontslapen waren, cf. ook Clemens Alex. Strom. VI 6, 45. 46. En Tertullianus, de an. 55. Irenaeus, adv. haer. I 27, 3. IV 27, 2 en V 31, 1-2, leeren dat Christus apud inferos of in ea quae sunt sub terra is neergedaald, om de geloovigen desO. T.in de weldaden van zijn werk te doen deelen. Volgens Rufinus †410 had het symbool der kerk te Aquileja ook dit artikel:crucifixus sub Pontio Pilato et sepultus descendit in inferno; waarschijnlijk ging van hier dit artikel in verschillende belijdenissen over, in dat van de synode te Sirmium 359, Nice 359, Constantinopel 360, Toledo 633, in het symbolum Quicumque en zoo ook in verschillende latere vormen van het zoogenaamd apostolisch symbool, cf. behalve de vele dogmenhist. werken van Harnack, Hagenbach enz., de werken over het apost. symbool van Caspari, Harnack art. Apost S. in Herzog2, Zahn, Das ap. Symbol, Erlangen 1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894 S. 103 f. Id. Christl. Welt 1889 n. 27. 28. Id.Zur Würdigung des Apostolikums, Hefte zur Chr. Weltn. 2, Leipzig 1892 S. 29. Hahn,Bibl. der Symb. u. Glaubensregeln der alten Kirche31897. De Grieksche kerk, Conf. Orthod. qu. 49, verstaat onder den descensus ad inferos, dat Christus met zijne Goddelijke natuur en met zijne ziel naar den Hades is gegaan en de zielen der heilige voorvaderen bevrijd en met den moordenaar aan het kruis, naar het paradijs heeft overgebracht. De Roomsche kerk, Cat. Rom. I c. 6, cf. Bellarminus, de Christo IV 6-16. Petavius, de incarn. XII 19. 20 XIII 15-18 Scheeben III 298 f. enz., leert, dat Christus, werkelijk, met zijne ziel, na zijn dood, ad inferos is afgedaald en daar zoo lang gebleven is, als zijn lichaam rustte in het graf, om de zielen der vromen,die daarsine ullo doloris sensu, beata redemptionis spe sustentati, quieta habitatione fruebantur, maar toch Gods aanschouwing misten, te bevrijden, om als overwinnaar de daemonen neder te slaan en hun de buit der zielen te ontrooven. De Luthersche kerk, Symb. B. ed. Müller 550. 696 belijdt, dat Christus naar beide naturen, met ziel en lichaam na de begrafenis naar de hel is gegaan, den duivel overwonnen, de macht der hel verstoord en aan den duivel alle kracht en macht ontnomen heeft; de theologen breidden dit zoo uit, dat Christus op den morgen van den derden dag, na devivificatio, resurrectio internaen vóór deresurrectio externa, met ziel en lichaam naar de hel is gegaan, en daar aan Satan en alle verdoemde geesten, door eenepraedicatio non evangelica sed legalis, elenctica, terribilis, zijne overwinning over dood en Satan bekend gemaakt heeft, Frank,Theologie der ConcondienformelIII 397-454. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 277. 288 f. De Geref. belijdenissen zijn niet eenstemmig en verstaan onder de nederdaling ter hel de helsche smarten, die Christus leed aan het kruis, Calvijn, Inst. I 16, 8-12, Cat. Genev. 1, Cat. Heid. qu. 44, en zoo Beza, Danaeus, Pareus, enz. of het werkelijk heengaan van Christus alleen met zijne ziel naar de hel, om aldaar zijne macht bekend te maken, Repet. Anh. 9, en evenzoo Zanchius, Aretius, Alsted; of het heengaan van Christus naar de hel met ziel en lichaam beide met hetzelfde doel, Coll. Lips. 9; of den staat des doods, waarin Christus drie dagen verkeerde, Cat. Westm. bij Niemeyer 55, en zoo Olevianus, Perkins, Amesius, Molinaeus, Bronghton, Vossius, Bochartus, Pearson, Schultens, Vriemoet enz.; terwijl sommigen deze verschillende gevoelens trachtten te vereenigen, Sohnius, Op. III 311. Witsius, Verkl. van het apost. symbool, 18 § 9v. Burmannus, Synopsis theol. V 21 § 13-14. Mastricht V 13, 5. Synopsis pur. theol. 27, 32. Heidegger, Corpus theol. 18, 32. enz. De groote verscheidenheid van gevoelens verklaart, dat velen aan het artikel geen goeden zin wisten te hechten en het geheel verwierpen, Schleiermacher, Chr. Gl. § 99, 1, of ook dit artikel aangrepen, om aan hunne leer van eene voortdurende evangelieprediking en van eene Missionsanstalt in de plaats van den tusschentoestand een kerkelijk stempel te geven, cf. vooral Güder,Die Lehre v. d. Erscheinung Jesu Chr. unter den Todten1853. Spitta,Christi Predigt an die Geister, Göttingen 1890.Inderdaad staat de zaak met dit artikel aldus, dat 1ode uitdrukking nedergedaald ter hel, voorzoover ze aan teksten als Hd. 2:27, 31, Ef. 4:9, ontleend mocht zijn, historisch eene gansch andere beteekenis heeft verkregen, dan welke in die teksten is vervat; 2odat de Grieksche en Roomsche verklaring van dit artikel, als zou Christus naar den Hades gegaan zijn, om de vromen desO. T.te bevrijden, in de Schrift niet den minsten steun vindt; 3odat de Luthersche opvatting, dat Christus zijne macht aan Satan heeft bekend gemaakt, wel, gelijk later blijken zal, gegrond is op stellige uitspraken der Schrift, maar niet kan aangemerkt worden als eene juiste verklaring der woorden: nedergedaald ter hel, wijl deze in dat geval niet zouden behooren tot den staat der vernedering maar tot dien der verhooging, welke eerst met de opstanding begint; 4odat de nieuwere meening, als zou Christus ter helle gegaan zijn, om het evangelie te prediken aan allen, die het hier op aarde niet hebben gehoord, evenmin om dezelfde reden kan beschouwd worden als eene juiste verklaring van dit geloofsartikel; 5odat 1 Petr. 3:19 hoogstens zegt, hoewel later aangetoond zal worden dat ook dit de juiste meening niet is, dat Christus na zijne opstanding het evangelie verkondigd heeft aan de tijdgenooten van Noach maar tot eene uitbreiding van de evangelieprediking tot alle of tot andere verlorenen volstrekt geen recht geeft; en 6odat de woorden nedergedaald ter helle, in overeenstemming ook met wat Rufinus zegt, dat zij eene uitbreiding zijn van Jezus’ begrafenis nog het best te verstaan zijn van den staat des doods, waarin Christus als middelaar drie dagen verkeerde, om de straf der zonde ten einde toe te dragen en ons daarvan te verlossen. Zoo is heel het leven van Christus uitgeloopen op zijn dood als de volkomene genoegdoening aan de gerechtigheid Gods. En door die ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt alle degenen, die geheiligd worden.18. De vrucht van deze gehoorzaamheid van Christus is niet minder dan de gansche zaligheid. Onder dit begrip worden alle weldaden samengevat, welke Christus voor de zijnen verworven heeft. God heet in de Schiftσωτηρ, Luk. 1:47 enz., maar ook Christus draagt dien naam, omdat Hij zijn volk zalig maakt van hunne zonden, Mt. 1:21, Luk. 2:11. Hij is deἀρχηγος τηςσωτηριας, Hebr. 2:10,αἰτιος σωτηριας αἰωνιου, Hebr. 5:9, en zijn evangelie is het evangelieτης σωτηριας, Ef. 1:13. Dezeσωτηριαis eene bevrijding van de zonde en al hare gevolgen en een deelgenootschap aan de hoogste zaligheid; zij staat daarom tegenoverθανατος, 2 Cor. 7:10,ἀπωλεια, Phil. 1:28,ὀργη, 1 Thess. 5:9, en duurt tot in eeuwigheid, Hebr. 5:9. Daarom begrijpt zij vele bijzondere weldaden onder zich, die alle in de Schrift ook afzonderlijk worden genoemd. Bovenaan staat deκαταλλαγη, reconciliatio, verzoening. De offerande van Christus heeft n.l. volgens de Schrift objectieve, ook voor God geldende beteekenis. In hetO. T.hadden de offers de bedoeling, om de zonden des offeraars voor Gods aangezicht te bedekken,כפר,LXXἐξιλασκεσθαι. Deze verzoening heeft nu wel nergens God tot rechtstreeksch object, maar zij heeft toch met betrekking tot Hem plaats, geschiedt voor zijn aangezicht, Lev. 1:3, 6:7, 10:17, 15:15, 30, 19:22, Num. 15:28, 31:50, en bedoelt, om door het bedekken der zonde zijn toorn af te wenden, Num. 8:19, 16:46, en Hem genadig te stemmen,ἱλασκεσθαι, ἱλαον ποιειν,propitium reddere, placare. Evenzoo is Christus in hetN. T.ἱλαστηριον, Rom. 3:25,ἱλασμος, 1 Joh. 2:2, 4:10, een barmhartig en getrouw hoogepriester met betrekking tot de dingen bij God,εἰς το ἱλασκεσθαι τας ἁμαρτιας του λαου, Hebr. 2:17; als hoogepriester heeft Hij met de offerande zijner volmaakte gehoorzaamheid de zonden van zijn volk bedekt en alzoo Gods toorn afgewend en zijne genade verworven. Wel is door Socinianen, Remonstranten, Rationalisten en ook de meeste nieuwere theologen, cf. b.v. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 4. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II2230 f. Kaftan, Dogm. 460, beweerd, dat God liefde is, niet behoeft verzoend te worden maar zelf de auteur der verzoening is. Maar dit berust voor een deel op misverstand en wordt overigens door de Schrift weersproken. Deze leert toch duidelijk, ook in het N. T., dat God toornt over de zonden, Rom. 1:18, Gal. 3:10, Ef. 2:3, dat ook Hij zijnerzijds moest verzoend worden, Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 15:18, 19, Gal. 3:13, en dat Christus daartoe eenἱλασμοςis geweest, Rom. 3:25, Hebr. 2:17, 1 Joh. 2:2, 4:10. Dit strijdt echter volstrekt niet daarmede, dat God liefde is en zelf den Christus tot eene verzoening voor onze zonden gegeven heeft. Zijn toorn is immers geen booze hartstocht van haat of nijd, zijne gerechtigheid is geen dorst naar wraak, maarbeide zijn met de hoogste liefde bestaanbaar. Gelijk eene moeder te meer smart heeft over de afdwaling van haar zoon, naarmate zij hem meer liefheeft; gelijk een rechter soms een bloedverwant of vriend veroordeelen moet, aan wien hij als persoon zich innig verbonden gevoelt, zoo ook kan in God de toorn tegen de zonde met de liefde jegens zijne schepselen samengaan.Odit in unoquoque nostrum quod feceramus, amavit quod fecerat, Beda bij Turret., de satisf. 86.Diligit omnes homines quantum ad naturam quam ipse fecit, odit tamen eos quantum ad culpam, quam contra eum homines contraxerunt, Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Om onze zonden zijn wij wel voorwerpen van Gods toorn,verum quia Dominus quod suum est in nobis perdere non vult, adhuc aliquid invenit, quod pro sua benignitate amet, Calvijn, Inst. II 16, 3. En dit is wederom niet zoo te denken, alsof God op het oogenblik van Christus’ offerande ineens van gezindheid en stemming veranderd is. Want in God is er geen verandering noch schaduw van omkeering; al zijne eigenschappen zijn met zijn wezen één; in de eeuwigheid is er geen vóór en geen na. Als de Schrift spreekt van Gods toorn en van zijne verzoening met ons, dan spreekt zij niet onwaar maar toch naar onze menschelijke bevatting. Verandering is er niet in het wezen Gods, maar wel in de relatie, waarin Hij tot zijne schepselen staat. Hij stelt zich ook niet in relatie tot het schepsel, alsof dit eenigszins bestaan zou buiten Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen en alle menschen in die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwiglijk en onveranderlijk wil en juist zoo, op die wijze en in dat moment des tijds, waarin zij in de werkelijkheid plaats grijpen, cf.deel II125v. Daarom is het ook God zelf, die in Christus de verzoening aanbrengt, 2 Cor. 5:19; Hij verzoent zichzelven door de offerande des kruises; Hij brengt in de gehoorzaamheid van Christus zichzelf en al zijne deugden tot erkenning en handhaaft zichzelven als God voor het oog van al zijne creaturen; het is, wijl Christus waarachtig God is en voor dit Goddelijk werk ook waarachtig God moest zijn, het is God zelf, die door het kruis alle dingen met zichzelven verzoent. Hij plaatst in Christus de gemeente in die verhouding tot zichzelven, dat zij Hem, den onveranderlijke, niet meer in zijn toorn maar in zijne genade aanschouwt.Jam diligenti nos sibi reconciliavit. Quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat. Cf. Augustinus, de trin. V 16. Enchir. 33. Lombardus e. a. op Sent.III dist. 19, 6. Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Calvijn, Inst. II 16, 2-4. Turretinus, de satisf. p. 49. 86. 87. Moor III 448-450. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2, 263. Dorner, Chr. Gl. II 612. Frank, Chr. Wahrh. II 181 f. 194 f. Kähler, Zur Lehre v. d. Vers. 362 f. Shedd, Dogm. Theol. II 401 etc. A. A. Hodge,The atonementch. 9 enz.Door de offerande van Christus is er dus eene verhouding van verzoening en vrede tot stand gekomen tusschen God en mensch. Christus heeft alsἱλασμοςde zonde gesühnt en daardoor God versöhnt. Het onderscheid tusschenἱλασμος, enκαταλλαγηbestaat niet daarin, dat gene objectief en deze subjectief is. Ook deκαταλλαγηis eene objectieve, door God zelf tot stand gebrachte relatie tusschen Hem en de wereld, 2 Cor. 5:18, 19. Maar in hetἱλασκεσθαιis Christus als middelaar het subject, wendt, door zijne offerande de zonden bedekkende, Gods toorn af en verwerft zijne genade. Maar in hetκαταλλασσεινis God zelf het subject, 2 Cor. 5:19; door Christus te geven totἱλαστηριον, brengt Hij tusschen zich en de wereld eene verhouding van vrede tot stand. Hij toornt niet meer; wat Hem tot onzenἀντιδικοςmaakte, n.l. de zonde, is door Christus’ offerande bedekt; Hij stichtte in Christus eene zoodanige verhouding, waarin wij Hem niet meer tegen ons hebben; Hij legde zijne vijandschap af, wijl hare oorzaak, de zonde, is weggenomen door den dood van Christus, en staat nu tot de wereld in eene verhouding van vriendschap en vrede;καταλλαγηis dus de door expiatio, placatio, Versühnung tot stand gekomene reconciliatio, Versöhnung. Dezeκαταλλαγηis de inhoud van het evangelie; alles is volbracht, God is verzoend, er is onzerzijds niets meer te doen; en heel deδιακονια κης καταλλαγηςbestaat in de uitnoodiging tot de menschen:καταλλαγητε τῳ θεῳ, legt gij ook uwerzijds de vijandschap af, gaat in in die verhouding van vrede, in welke God door de offerande van Christus zich tot zondaren gesteld heeft, gelooft het evangelie, Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 5:18-21, cf. Ef. 2:16, Col. 1:20-22, Cremer s. v.ἱλ.enκαταλλ., Philippi op Rom. 5:10, Holtzmann, Neut. Theol. II 99 f. Reeds hiermede is die gansche voorstelling geoordeeld, welke voldoening en verzoening scheidt en de laatste eerst tot stand doet komen, wanneer de mensch gelooft en zich bekeert. De menschen verzoenen zich niet met God, alsof zij met en naast God het subject der verzoening waren;maar God heeft de wereld met zichzelven verzoend, zonder haar toedoen, buiten haar om, zonder dat zij er het minste aan toegebracht heeft of aan behoeft toe te brengen; menschen ontvangen alleen de verzoening als eene gave, Rom. 5:11, en nemen ze aan door het geloof, 2 Cor. 5:20. Maar uit deze ééne weldaad der verzoening, door Christus verworven, vloeien allerlei weldaden voort. Dat kan ook niet anders. Als de verhouding tusschen God en de wereld in het reine is, dan komt te zijner tijd alles in orde, ook de verhouding tusschen hemel en aarde, engelen en menschen, menschen onderling, en ook de verhouding der menschen tot zonde, dood, wereld, Satan enz. In de sfeer van het recht is het pleit beslist. God heeft gelijk en daarom wordt Hij vroeger of later overal, op alle terrein, en voor alle creaturen in het gelijk gesteld. Het recht is aan zijne zijde en het zal eens door allen gewillig of onwillig worden erkend. In deκαταλλαγη, de vredeverhouding Gods in Christus tot de wereld, liggen dus allerlei andere weldaden opgesloten. De vruchten van Christus’ offerande zijn niet tot eenig terrein beperkt; zij bepalen zich niet, gelijk tegenwoordig zoo velen meenen, tot het religieus-ethische leven, tot het hart, de binnenkamer, de kerk, maar zij breiden tot heel de wereld zich uit. Want machtig moge de zonde zijn, niet gelijk de misdaad is de genadegift; de genade Gods en de gave door de genade is bovenmate overvloedig, Rom. 5:15. De weldaden, die uit deκαταλλαγηGods in Christus ons toekomen, zijn te vele om te noemen, bovenbl. 312v. Zij kunnen ingedeeld in:juridische, n.l. vergeving der zonden, Mk. 14:24, Hebr. 9:22, rechtvaardigmaking, Rom. 3:24, 4:25, 5:9, 8:34, 1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:21, aanneming tot kinderen, Gal. 3:26, 4:5, 6, recht op het eeuwige leven en de hemelsche erfenis, Rom. 8:17, 1 Petr. 1:4, ook verlossing,ἀπολυτρωσις, Ef. 1:7, Col. 1:14, Hebr. 9:15, dat echter soms ruimere beteekenis heeft, Rom. 3:24, 8:21, 23, 1 Cor. 1:30, Ef. 1:14, 4:30, 1 Petr. 1:18, 19;mystische, bestaande in het gekruisigd, begraven, opgewekt en in den hemel gezet worden met Christus, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Col. 3:1-13;ethische, n.l. wedergeboorte, Joh. 1:12, 13, levendmaking, Ef. 2:1, 5, heiligmaking, 1 Cor, 1:30, 6:4, afwassching, 1 Cor. 6:11, reiniging, 1 Joh. 2:9, besprenging, 1 Petr. 1:2, naar lichaam, ziel en geest, 2 Cor. 5:17, 1 Thess. 5:23;moreele, bestaande in de navolgingvan Christus, die ons zijn voorbeeld heeft nagelaten, Mt. 10:38, 16:24, Luk. 9:33, Joh. 8:12, 12:26, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:5, Ef. 2:10, 1 Petr. 2:21, 4:1;oeconomische, n.l. de vervulling van het Oudtest. verbond, de inwijding van een nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de vrijheid van de wet, Rom. 7:1v., Gal. 2:19, 3:13, 25, 4:5, 5:1 enz., de uitwissching van het handschrift der wet, de afbreking van den muur des afscheidsels, de verzoening van Jood en Heiden en van alle andere in de menschheid bestaande tegenstellingen tot de eenheid in Christus, Gal. 3:28, Ef. 2:11-22, Col. 2:21;physische, n.l. de overwinning der wereld, Joh. 16:33, van den dood, 2 Tim. 1:10, Hebr. 2:15, van de hel, 1 Cor. 15:15, Op. 1:18, 20:14, van Satan, Luk. 10:8, 11:22, Joh. 14:30, Hebr. 2:14, 1 Cor. 15:55, 56, Col. 2:15, 1 Petr. 3:22, 1 Joh. 3:8, Op. 12:10, 20:2 enz. In één woord: de gansche herschepping, de volkomene herstelling van de door de zonde met schuld beladene, verdorvene en uiteengeslagen wereld en menschheid is de vrucht van Christus’ werk. Objectief, principieel, in de sfeer van het recht heeft Hij die herschepping tot stand gebracht door zijn kruis. Toen is tusschen God en wereld deκαταλλαγηgesticht. En daarom zal Christus te zijner tijd—want het gaat alles in vaste orde—de gemeente eens zonder vlek of rimpel aan den Vader voorstellen, het koninkrijk Gode overgeven en God alles in allen zijn, 1 Cor. 15:22-28.In de theologie is deze rijkdom der weldaden van Christus steeds erkend. Door Christus, zeide Clemens Alex., is de aarde eenπελαγος ἀγαθωνgeworden. Men sprak van Christus als mediator, redemptor, reconciliator, liberator, dispensator, salvator, medicus, dominus, pastor, rex enz., duidde het werk, door Hem tot stand gebracht, aan alsθεοποιησις, θειωσις, deificatio, vivificatio, salvatio, liberatio, redemptio, restitutio, purgatio, regeneratio, illuminatio, resurrectio enz., en trachtte soms al die weldaden ook eenigermate te classificeeren, zooals in de bekende versregels:Propitians, purgans, redimens, ut victima, sponsor Salvavit, sic jura Dei verumque requirunt, of onder de hoofden expiatio, remissio, consummatio enz., cf. Athan., de incarn. 54. Greg. Naz., Or. 2. Eusebius, Dem. Ev. IV 21. Aug. de pecc. mer. I 26. Thomas, S. Theol. III qu. 48. 49. Bonaventura, Brevil. IV 1. Petavius, de incarn. XII c. 6. 7. Polanus,Synt. VI c. 18. Voetius, Disp. II 229 sq. Mastricht, V 18, 22. Turretinus, de satisf. 317. M. Vitringa VI 121. Maar tot eene logische orde en geregelde behandeling kwam het toch meestal niet. De beschouwing van het werk van Christus als satisfactio en meritum, die sedert Anselmus opkwam, kon dit gemis niet vergoeden; beide zijn alleen logisch onderscheiden, want hetzelfde werk van Christus is satisfactio, inzoover Hij zijne offerande Gode bracht en aan zijn eisch voldeed, en het is meritum, inzoover Christus daardoor bij God voor ons de zaligheid verwierf, Thomas, III qu. 48 art. 1 en 2. Petavius, de incarn. XII 9. Perrone, Prael. IV 311. Calvijn, Inst. II 17 1. Voetius, Disp. II 228. Mastricht, Theol. V 18, 14. 20. Quenstedt III 225. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2283 enz. Beide begrippen stellen het werk van Christus ook te eenzijdig onder de categorie van werk en verdienste; het is veelmeer de vraag wat Christus „verdiend” heeft en hoe dit met zijne offerande in verband staat. In den nieuweren tijd heeft men daarom deze termen bijna geheel laten vallen en in plaats daarvan de vrucht van Christus’ werk als Erlösung of Versöhnung aangeduid. De eerste omschrijving kwam vooral door Schleiermacher in eere; wel spreekt hij ook van eene nieuwe schepping, die door Christus tot stand gebracht wordt, maar deze valt hem toch met de Erlösung saam, Chr. Gl. § 89, 1. 2; en onder haar verstaat hij de mededeeling zijner zondelooze volkomenheid, § 88, de opname der geloovigen in de kracht van zijn Godsbewustzijn, § 100, welke niet magisch, noch empirisch, maar mystisch geschiedt door scheppende Goddelijke werkzaamheid, door de zelfopenbaring van Christus in zijne gemeente, § 100, 2, 3. Daarnaast neemt Schleiermacher dan nog eene verzoenende werkzaamheid van Christus aan, daarin bestaande, dat Hij de geloovigen opneemt in de gemeenschap zijner ongestoorde zaligheid en hen door middel van zijne levensgemeenschap met Hem doet deelen in de vergeving der zonden, § 101. Ritschl daarentegen vat de werking van Christus saam onder rechtvaardiging en verzoening; de vruchten van zijn leven bestaan niet in Umstimmung van God uit een vertoornd rechter in een genadig Vader, II 208 f. 217 f. III 439, niet in eigenlijke loskooping, II 221, niet in bevrijding van den dood, II 86, ook niet in het mystieke sterven en opstaan met Christus, want Rom. 6 is sterke symboliek en levert geen stof voor eendogma, II 226 f.; maar Christus verzekert en waarborgt ons door heel zijn persoon en leven, dat God liefde is; Hij laat ons trots onze zonden toe tot de gemeenschap met God, III 506 f. De rechtvaardiging, welke Christus ons schenkt, is niet kwijtschelding van schuld en straf, niet toerekening van zijne gerechtigheid, maar wegneming van het schuldbewustzijn, en daardoor van de scheiding tusschen ons en God, III 51, 61, de wegneming van de gedachte, dat de zonde de gemeenschap met God verhindert, III 60. Gevolg en werking van deze rechtvaardiging is de verzoening; deze toch bestaat daarin, dat hij, die de rechtvaardiging, welke eigenlijk een goed der gemeente is, in het geloof aanneemt, nu ook subjectief in die nieuwe verhouding tot God ingaat, zijnerzijds de vijandschap aflegt en in verhouding van vrede tot God zich stelt; zij is een ethische verandering in ons, II 230 f. 342 f. III 74-76. Unterricht § 37. Er is groot verschil tusschen Schleiermacher en Ritschl: bij genen staat de persoon, bij dezen het werk van Christus op den voorgrond; bij den eersten komt de subjectieve verandering des menschen tot stand langs mystischen weg, door levensmededeeling, bij den tweeden langs ethischen weg, door leer en voorbeeld; de eerste weldaad is bij Schleiermacher de Erlösung, de mededeeling van Christus’ zondelooze volkomenheid, en bij Ritschl de objectieve, synthetische rechtvaardiging, die allereerst een goed der gemeente is. Maar bij dat verschil is de overeenstemming nog grooter: Christus is bij beiden de zondelooze mensch, die in bijzondere gemeenschap met God staat; de passieve gehoorzaamheid wordt in het werk van Christus door beiden ontkend; zijn lijden en dood is slechts het noodzakelijk gevolg van zijne ten einde toe gehandhaafde trouw aan God; het verband tusschen Christus’ werk en de vruchten daarvan in den geloovige, in de gemeente blijft bij beiden onhelder; beiden verleggen het zwaartepunt der verlossing en der verzoening uit het objectieve werk van Christus in de subjectieve verandering der geloovigen; en zelfs, al schijnt Ritschl de rechtvaardiging als een objectieve weldaad der gemeente en als een synthetisch oordeel aan het geloof te laten voorafgaan, feitelijk wordt toch ook bij hem, niet voor de gemeente in haar geheel maar wel voor ieder individu, de rechtvaardiging van de subjectieve verzoening afhankelijk, cf. Jahrb. f. d. Theol. 1888 S. 21. 22. Kübel, Ueber den Unterschied der posit. u. der liber. Richtung in der mod.Theol.21893 S. 150. Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 32 f. Bovenal echter komen beiden daarin overeen, dat zij de werking van Christus’ leven en lijden tot het religieuse en ethische gebied beperken. Nu is het waar, dat zij zelfs bij deze beperking geen van beiden helder in het licht stellen, hoe de persoon en het werk van Christus deze verandering op religieus en ethisch gebied kan tot stand brengen. Maar toch is het ter andere zijde tot op zekere hoogte te begrijpen, dat, indien de vrucht van Christus’ werk tot dit terrein beperkt wordt, ook zijn werk en zijn persoon zoo opgevat wordt als door Schleiermacher en Ritschl geschiedt; want het is waar, wat eerstgenoemde zegt:die eigenthümliche Thätigkeit und die ausschliessliche Würde des Erlösers weisen auf einander zurück und sind im Selbstbewusstsein der Gläubigen unzertrennlich eins, Chr. Gl. § 92. Bij deze opvatting is te verstaan, dat de passieve gehoorzaamheid wordt ontkend, dat de Godheid van Christus slechts is een zijn van God in Hem, dat opstanding, hemelvaart enz., onnoodig zijn; eene pantheistisch-mystische of eene deistisch-moreele werking van Christus’ persoon en werk is dan ter zaliging voldoende.Maar dat is toch waarlijk niet in overeenstemming met de leer der H. Schrift; het is eene miskenning van den persoon van Christus en eene verkleining van zijn werk. Christus is maar niet eenἀνθρωπος ἐνθεοςdoch de eeuwige en eengeboren Zoon van God, het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, zelf God, boven alles te prijzen in der eeuwigheid. En de vrucht van zijn leven en sterven is maar niet zekere magische of moreele invloed, die van Hem in de wereld uitgaat, doch is niet minder dan deἀποκαταστασις παντων, Hd. 3:21, deἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν τῳ Χριστῳ, τα ἐπι τοις οὐρανοις και ἐπι της γης, Ef. 1:10. Dit werk der herschepping heeft zijn beginsel en oorsprong in de volmaakte offerande van Christus, of liever nog in deκαταλλαγη, welke God in Christus tusschen zich en de wereld tot stand gebracht heeft. God wil niet winnen door overmacht. Licht ware het voor Hem geweest, de gansche wereld in zijn toorn te vernietigen en aan eene andere wereld en menschheid het aanzijn te schenken, Num. 14:12. Maar God verhoogt zich in gericht en heiligt zich in gerechtigheid, Jes. 5:16. De zonde is geen physische, maar eene ethische macht. Satan heeft in de zonde zijn ongoddelijkemacht over de wereld, en de zonde heeft hare kracht in de wet, 1 Cor. 15:56. Zoo heeft het Gode behaagd, deze macht op zedelijke wijze, in den weg van recht en gerechtigheid te overwinnen. Niet door geweld of macht, maar door het kruis, dat den schuldbrief der wet te niet deed, heeft God over de overheden en machten getriumfeerd, hen van hun wapenrusting beroofd, en openlijk in hun schande tentoongesteld, Col. 2:15. En daarom nu, wijl God in den weg des rechts de zonde en heel haar macht overwonnen heeft, daarom is Hij vrij, zelfs zijne wederpartijders rechters zijnde, om den goddelooze te rechtvaardigen, Rom. 4:5; niemand kan beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods, Rom. 8:33. God is het, die rechtvaardigt, en die in de rechtvaardiging van dengene, die uit het geloof van Jezus is, zelf blijkt de rechtvaardige te zijn, Rom. 3:26. God kan dat doen, behoudens, ja tot roem van zijne gerechtigheid, omdat Christus gestorven en opgewekt is, Rom. 8:34. Op grond van die offerande kan Hij wereld en menschheid aan de zonde ontrukken, zijn koninkrijk uitbreiden, alle dingen onder Christus als hoofd vergaderen en eens alles in allen zijn. Niemand, ook Satan niet, kan daartegen iets inbrengen; aan het einde zal elk moeten erkennen, dat God rechtvaardig en dat Christus de wettige, de rechtmatige Heer is, Phil. 2:11. Tusschen de weldaden, die Christus verworven heeft, en zijn persoon en offerande, bestaat dan ook geen physisch of magisch verband, alsof eenige substantie van Godmenschelijk leven, Goddelijke natuur enz. uit Hem in ons werd overgestort, zooals theosophen het zich voorstellen. Maar God heeft zich zelf in Christus den koninklijken weg des rechts gebaand, om aan zijn gevallen schepsel den rijkdom zijner genade te verheerlijken. Uit de door Hem zelf, buiten de wereld om, gestichte, objectieveκαταλλαγηvloeien der menschheid alle bovengenoemde weldaden om Christus’ wille toe, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de volkomene verlossing, de gansche herschepping. En wijl dit werk der herschepping zoo groot is, grooter nog dan dat der schepping en der onderhouding, daarom moest Hij, aan wien dit werk werd opgedragen, niet alleen waarachtig en rechtvaardig mensch, maar ook sterker dan alle schepselen, d. i. tegelijk waarachtig God zijn. Dezelfde, door wien, God de wereld schiep, kon ook alleen de middelaar der herschepping zijn, Bonaventura, Brevil. IV c. 1.19. Intensief is het werk van Christus van oneindige waardij, maar ook extensief breidt het tot heel de wereld zich uit. Gelijk de wereld het voorwerp is geweest van Gods liefde, Joh. 3:16, zoo is Christus gekomen om die wereld niet te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3:17, 4:42, 6:33, 51, 12:47; in Hem heeft God de wereld, alle dingen in hemel en op aarde, tot zichzelven verzoend, Joh. 1:29, 2 Cor, 5:19, Col. 1:20 en vergadert ze in deze bedeeling tot één, Ef. 1:10; de wereld, door den Zoon geschapen, is ook voor den Zoon als haar erfgenaam bestemd, Col. 1:16, Hebr. 1:2, Op. 11:15. Door Origenes is hieruit afgeleid, dat Christus door zijn lijden en sterven de gansche wereld verlost heeft, niet alleen alle menschen maar ook alle andere redelijke wezens, n.l. de gevallen engelen, en voorts alle schepselen, de princ. I 6.; Christusοἰ μονον ὑπερ ἀνθρωπων ἀπεθανεν, ἀλλα και ὑπερ των λοιπων λογικων, in Joann. I 40. Hij is wel slechts eenmaal gestorven, in de voleinding der eeuwen, Hebr. 9:26, maar de kracht van zijn dood is genoegzaam tot verlossing niet alleen van de tegenwoordige wereld maar ook van die, welke vroeger bestaan heeft of later bestaan zal, en niet alleen van de menschen maar ook van de hemelsche geesten, de princ. II 3, 5. Hom. in Lev. I 3, cf. Schwane, D. G. I2254. Dit universalisme is echter door de christelijke kerken altijd verworpen, b. v. Const. 543 can. 7. 12; en feitelijk zijn deze altijd in zoover particularistisch, dat zijτα πανταin Col. 1:20 beperken en niet tot de gevallen engelen uitbreiden. Maar desniettemin heeft men uit deze en andere plaatsen, waar het woord wereld of allen met de offerande van Christus in verband wordt gebracht, Jes. 53:6, Rom. 5:18, 8:32, 1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9, 1 Tim. 2:4, 6, 2 Petr. 3:9, 1 Joh. 2:2, het besluit getrokken, dat Christus voor alle menschen, hoofd voor hoofd, voldaan had en dat de satisfactio vicaria dus als universeel moest worden opgevat. De kerkvaders vóór Augustinus spreken gemeenlijk zeer universalistisch over den heilswil Gods en over de verzoening van Christus, cf. Petavius, de incarn. XIII c. I. 2; maar de eigenlijke kwestie bestond in dien tijd nog niet en kon toen ook nog niet opkomen, wijl men aan Gods zijde alleen eene praescientia aannam en aan ’s menschen zijde op zijne wilsvrijheid, schoon door de zonde verzwakt, den nadruk liet vallen,deel II319. In den pelagiaanschen strijd moest zij echter aan de ordekomen; en Augustinus, was de eerste, die duidelijk de particuliere voldoening leerde. Wel zegt Augustinus meermalen met de Schrift, dat God aller zaligheid wil, dat, indien een voor allen gestorven is, allen gestorven zijn, dat wie verloren gaan, niet hebben willen gelooven, dat wie gelooft, dat vrijwillig doet, Petavius, ib. c. 3, dat Christus een verzoening is voor de geheele wereld en alle dingen, hemelsche en aardsche, met elkander verzoend heeft, Kühner, Augustins Anschauung v. d. Erlösungsbedeutung Christi 1890 S. 62. Maar dit alles bewijst hoegenaamd niets tegenover dit andere, door Augustinus even klaar en duidelijk uitgesproken, dat de heilswil Gods en de verzoening in Christus beperkt is tot de praedestinati. Vooreerst volgt dit reeds in het algemeen uit Augustinus’ leer over de praedestinatie en over de genade,deel II320; als het getal dergenen, die zalig zullen worden, eeuwig en onveranderlijk door God is bepaald en hun alleen de genade des geloofs en der volharding geschonken wordt, dan is daartusschenin de stelling niet meer te handhaven, dat Christus voor alle menschen hoofd voor hoofd heeft voldaan. Ten tweede vat Augustinus 1 Tim. 2:4 altijd op in beperkten zin; wel geeft hij van dien tekst verschillende verklaringen, nu eens, datomnes qui salvi fiunt nisi ipso volente non fiunt, Epist. 107, de civ. XIII 23, en dan, dat onder alle menschen te verstaan zijn alle praedestinati, die uit alle volken en klassen van het menschelijk geslacht zijn verkoren, Enchir. 103. de corr. et gr. 14. c. Jul. IV 8, maar overal, waar hij den tekst opzettelijk verklaart, verstaat hij hem in beperkten zin, cf. Petavius,de DeoXI 7, 10. de incarn. XII 4. En ten derde brengt hij den persoon en het werk van Christus telkenmale alleen met de verkorenen in verband; God riep door Christus populum credentium tot de adoptie, Conf. IX 1; Christus heeft door zijne opstanding nos praedestinatos tot een nieuw leven geroepen, door zijn bloed justificandos peccatores vrijgekocht, de trin. IV c. 13.Omnis, qui Christi sanguine redemptus est, homo est, non tamen omnis, qui homo est, etiam sanguine Christi redemptus est, de conj. adult. I 15.Non perit unus ex illis, pro quibus Christus mortuus est, Epist. 102 ad Evod., cf. Wiggers, August. und Pelag. I 313. Vitringa VI 147. Hoewel het semipelagianisme spoedig de overhand kreeg, bleven er toch velen ook op dit punt aan Augustinus getrouw. Met beroep op 1 Tim. 2:4 zeiden de Semipelagianen,dat God alle menschen met gelijke liefde omvat en allen eene gelijke mate van genade toedeelt. Daarop antwoordde Prosper, datomnium cura est Deo, et nemo est, quem non aut evangelica praedicatio aut legis testificatio aut ipsa etiam natura conveniat; sed infidelitatem hominum ipsis adscribimus hominibus; fidem autem hominum donum Dei esse fatemur, sine cujus gratia nemo currit ad gratiam. En wat betreft de particulariteit der voldoening, Christus is welpro totius mundi redemptione crucifixus, propter veram humanae naturae susceptionem et propter communem in primo homine omnium perditionem; potest tamen dici pro his tantum crucifixus, quibus mors profuit, Resp. ad cap. cal. Gall. 8. 9. Hoe gematigd dit uitgedrukt zij, alle volgelingen van Augustinus, Prosper, Lucidus, Fulgentius enz., stemden toch hierin overeen, dat, hoezeer God voor alle menschen zorgt en hun allerlei weldaden schenkt, Hij toch niet op gelijke wijze de zaligheid van allen wil; dat Hij niet allen eene zelfde mate van genade verleent; en dat Christus, schoon in zekeren zin voor allen gestorven, toch efficaciter alleen gestorven is voor hen, wien zijn dood werkelijk ten goede komt. Maar de synode van Arles 475 dwong Lucidus tot herroeping van zijne leer, dat Christus alleen gestorven was voor hen, die werkelijk zalig worden. En de synode van Orange 529 zeide alleen, dat omnes baptizati kunnen vervullen, wat tot de zaligheid noodig is, cf. Petavius, de incarn. XIII c. 5-7. Schwane, D. G. II2571-582. In de 9eeeuw kwam het vraagstuk opnieuw ter sprake; Gottschalk leerde, dat Christusbaptismi sacramento (reprobos) luit, non tamen pro eis crucem subiit neque mortem tulit neque sanguinem fudit. Lupus zeide, dat Christus niet voor alle menschen gestorven is, maar wel voor alle geloovigen, ook voor hen, die later het geloof weer verliezen. Remigius maakte eene dergelijke onderscheiding. En de synode van Valence 855 sprak in denzelfden geest; zij verwierp, dat Christus zijn bloed had gestortetiam pro illis impiis, qui a mundi exordio usque ad passionem Domini in sua impietate mortui aeterna damnatione puniti sunt, en beleed, dat die prijs alleen betaald was voor hen,de quibus ipse Dominus noster dicit: sicut Moyses exaltavit serpentem in deserto, ita exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in ipso non pereat sed habeat vitam aeternam, can. 4. Ook de scholastiek bleef in hoofdzaak nog aan Augustinus getrouw; 1 Tim.2:4 moet niet zoo opgevat, alsof God wel wilde wat niet geschiedt, alsof Hij wilde, dat er ook behouden werden, die het feitelijk niet worden, maar deze tekst wil zeggen,nullum hominum fieri salvum nisi quem salvum fieri ipse voluerit, of dat er allerlei menschen uit alle volken en standen zalig zullen worden, of ook wel, meer in den zin van Damascenus, dat God aller zaligheid wil, n.l.voluntate antecedente, conditionale, d. i. indien zij zelf willen en tot Hem komen, maar dan was deze wilmagis velleitas quam absoluta voluntas, Lombardus, Sent. I dist. 46, 2 en ook op 1 Tim. 2:4. Bonaventura, ib. art. 1 qu. 1. Thomas, S. Theol. I qu. 19 art. 7 qu. 23 art. 4 ad 3. En wat de satisfactie aangaat, descholastiekleerde wel, dat zij superabundans was en geschieddepro peccato humani generis, totius humanae naturaeenz., Thomas, S. Th. III qu. 46 art 1, maar zij betoogde de mogelijkheid der voldoening vooral daarmede, dat Christus het hoofd was en de geloovigen de leden zijns lichaams, en bracht de voldoening daarom telkens alleen met de geloovigen in verband; zoo zegt Thomas,caput et menbra sunt quasi una persona mystica et ideo satisfactio Christi ad ommes fideles pertinet sicut ad membra, III qu. 48 art. 2;quia ipse est caput nostrum, per passionem suam liberavit nos tanquam membra sua a peccatis, quasi per pretium suae passionis, sicut si homo per aliquod opus meritorium quod manu exerceret, redimeret se a peccato quod pedibus commisisset, III qu. 49 art. 1. En III qu. 79 art. 7. zegt hij:passio Christi prodest quidem omnibus quantum ad sufficientiam, sed effectum non habet nisi in illis qui Christi conjunguntur per fidem et charitatem. Dat deze efficacitas niet afhangt van ’s menschen vrijen wil, maar van Gods verkiezing en Christus’ offerande zelve, blijkt in het algemeen uit Thomas’ leer van de gratia en bepaald ook daaruit, dat hij III qu. 48 art. 6 zegt:passio Christi efficienter causat salutem humanam; cf. ook Lombardus:Christus electos tantum sicut se dilexit eorumque salutem optavit, Sent. III dist. 31, 4.Christus se trinitati obtulit pro omnibus, quantum ad pretii sufficientiam, sed pro electis tantum quantum ad efficaciam, quia praedestinatis tantum salutem effecit, ib. III dist. 20, 3. Later werd ditzelfde gevoelen in de Roomsche kerk nog verdedigd door Bajus, Jansenius, Quesnel. en zelfs ook door Tapper, Estius, Sonnius e. a., cf. Rivetus, Op. III 438. M. Vitringa VI 155-159. Maar hetsemipelagianisme drong in Rome’s kerk hoe langer hoe dieper door, en daardoor werd het vooral na Trente schier algemeene leer, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil, dat Christus voor allen voldaan heeft, en dat de voluntas consequens rekent met het goede of slechte gebruik, dat de menschen van hun vrijheid en van de genade maken,deel II325, en voorts Trid. VI c. 2 en 3. Cat. Rom. I 3, 7. Innoc. X in damn. 5 propos. Jans. Bellarminus, de sacrif. missae I 25. de poenit. I 2. de amiss. gr. IV 4. Becanus, Manuale Controv. III 1 qu. 1. Petavius, de incarn. XIII c. 14. Theol. Wirceb. IV 322. Scheeben, Dogm. III 356. Jansen, Prael. theol. II 748 enz. En hiermede zijn in het wezen der zaak eenstemmig de Grieksche kerk, Damascemus, de fide orthod. II c. 29. Conf. orthod. qu. 34. 47; de Lutherschen, Symb. ed. Müller p. 781. Gerhard, Loc. VII c. 6. Quenstedt, III 311-324. Hollaz, Ex. 745. Buddeus, Inst. theol. 824; de Remonstranten, Conf. en Apol. conf. VIII 10. Arminius, Op. 153. Episcopius op 1 Joh. 2:2. Limborch, Theol. Christ. IV c. 3-5; en voorts de Mennonieten, Kwakers, Herrnhutters, Methodisten enz.De Gereformeerden staan met hun leer van de particuliere voldoening dus vrij wel alleen. En daarbij komt dan nog, dat zij onder elkander volstrekt niet eenstemmig waren en langzamerhand steeds verder van elkander afweken. Verschillende belijdenissen spreken gematigd en algemeen, b. v. de conf. Anhalt., bij Niemeyer p. 635. 639, March., ib. 650. 651, Lips., ib. 662, Thorun., ib. p. 674; de Anglicana zwijgt ervan; de Cat. Heid. spreekt ze ook niet rechtstreeks uit, al is qu. 37 ten onrechte als een bewijs voor de algemeene voldoening aangehaald, cf. M. Vitringa VI 136; de Fransche, Nederl., Schotsche confessie leeren haar niet dan per consequentiam. In de canones van Dordrecht wordt ze duidelijk geleerd, maar tevens gezegd, dat de offerande van Christus wasinfiniti valoris et pretii, abunde sufficiens ad totius mundi peccata expianda, II 3, en voorts komt ze nog voor in de Westm. conf. VIII 1. 5. 8. Cat. major et minor Cons. Helv. 13. Walch. art. 1693. Ook onder de theologen was er geen eenstemmigheid. Sommigen meenden, dat het wel goed was te zeggen, dat Christus’ offerande voor alle menschen voldoende ware geweest, indien God haar voor allen efficax had willen maken; maar men kon toch eigenlijk nietzeggen, dat zij voldoende was voor allen; want indien Christus niet efficaciter voor allen gestorven was, dan was Hij het ook niet sufficienter; en indien men dan toch zoo ging spreken, gaf men aanleiding tot misverstand en bereidde de gevaarlijke onderscheiding voor van voluntas antecedens en consequens, van gratia sufficiens en efficax, Beza, Piscator, Twissus, Voetius, Disp. II 251 sq. Anderen spraken echter met Augustinus en de scholastici zoo, dat Christus sufficienter voor allen, efficaciter alleen voor de uitverkorenen gestorven was, Calvijn op 1 Joh. 2:2. H. Alting, Probl. theol. 174. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 14. Mastricht, V 18, 21. 39. Moor III 1035-1075 enz. Op deDordtschesynode spraken de buitenlandsche afgevaardigden over de dignitas en sufficientia van Christus’ offerande zoo ruim mogelijk; de Engelsche godgeleerden zeiden zelfs, dat Christus in zekeren zin voor allen gestorven was;sic Christus pro omnibus mortuus est, ut omnes et singuli, mediante fide, possint virtuteἀντιλυτρουhujus remissionem peccatorum et vitam aeternam consequi, thesis 3. In Engeland was er tegenover de streng-gereformeerde school van Twissus, Rutherford e. a. eene meer gematigde richting, vertegenwoordigd door Davenant, Calamy, Reynolds, Arrowsmith, Seaman enz., en vooral door Richard Baxter. Hun gevoelen kwam zakelijk geheel overeen met dat van de Fransche theologen, Camero, Testardus, Amyraldus enz.; er was een voorafgaand besluit, waarnaar Christus voor allen conditioneel, onder voorwaarde van geloof, had voldaan, en een ander volgend bijzonder besluit, waarnaar Hij voor de uitverkorenen zóó had voldaan, dat Hij hun indertijd ook het geloof schenkt en onfeilbaar hen tot de zaligheid leidt,deel II341. In de Schotsche kerk kwam de leer der particuliere voldoening in verband met het algemeene aanbod der genade herhaaldelijk ter sprake; zij was zelfs mede eene van de oorzaken voor de scheiding der Erskine’s in 1733. Om de neonomiaansche richting te ontgaan, die het geloof tot eene wettische voorwaarde maakte en het evangelie daarom alleen bestemd liet zijn voor bepaalde, gequalificeerde personen, leerden de zoogenaamdeMarrowmen(James Hog, Thomas Boston, Ralph en Ebenezer Erskine, Alexander Moncrieff enz., cf.deel I128), dat Christus’ offerande eenlegal, federal sufficiencybezat voor alle menschen en grondden daarop het algemeene aanbod van genade. Sommigen gingen nog verder,maakten onderscheid tusschen eene algemeene en bijzondere genade, een uit- en inwendig verbond (Thomas Mair 1754), of leerden eene algemeene voldoening (James Fraser, †1698, maar zijne verhandelingon justifying faithwerd eerst in twee stukken gepubliceerd 1722 en 1749), of ontkenden zelfs geheel de voldoening (Dr. M. Gill,Practical essay on the death of Christ, 1786). In deze eeuw werd de particuliere voldoening in Schotland wederom het onderwerp van een langdurigen strijd. In 1820 gaf de United Associate Synod of the Secession Church eene verklaring, waarbij zij de algemeene voldoening wel veroordeelde, maar toch leerde, dat Christus’ offerande voor allen voldoende was en allen gebracht had in eensalvable state. Zoowel ter rechter- als ter linkerzijde vond deze verklaring bezwaar; sommigen ontkenden, dat allen recht hadden op Christus, en bestreden de algemeene voldoening in elken zin, Palaemon in zijneLetters upon Theron and Aspasio, Symington, Haldane, en vooral Dr. Marshall; anderen leerden beslist de algemeene voldoening, William Pringle, John McLeod Campbell, James Morison, Robert Morison, A. C. Rutherford, John Guthrie; de beide professoren Balmer †1844 en Brown werden zelfs door Marshall aangeklaagd, maar toch door de synode in 1845 vrijgesproken, cf. Andrew Robertson,History of the atonement controversy in connexion with the Secession Church from its origin to the present time, Edinb. 1846. Evenzoo werd in andere landen de leer der bijzondere voldoening in den geest van Grotius of van Amyraldus verzwakt of ook beslist verworpen, in Engeland door Daniel Whitby, tegen wien Jonathan Edwards optrad; in Amerika door de Edwardean of New-England theologen, Emmons, Taylor, Park, Fiske enz.; in Duitschland door P. Volckmann e. a.; hier te lande vooral door Venema, cf. Ypey, Gesch. der chr. kerk in de 18eeeuw VII 133v. Tegenwoordig is de leer der bijzondere voldoening bijna algemeen prijsgegeven, ook door Van Oosterzee, § 111, 6. Leer der Zal. n. 66. Heid. Cat, bl. 176. Ebrard, Dogm. § 430. Daarentegen wordt ze nog verdedigd door Ch. Hodge, Syst. Theol. II 544-562. A. A. Hodge,The atonementp. 347-429. Shedd, Dogm. Theol. II 464-480. W. Cunningham,Historical Theology, 2 ed. Edinb. Clark 1864 II 323-370. Robert S. Candlish,The atonement, its reality, completeness and extent, London 1861. Hugh Martin,The atonement, Edinb. Hunter z. j. Kuyper, Dat degenade particulier is. En zij vond in den laatsten tijd weer steun bij Ritschl, volgens wien het correlaat van Christus’ offerande niet is de enkele mensch noch ook alle menschen maar bepaaldelijk de gemeente; zij alleen is in het bezit van de rechtvaardiging en vol van vergeving der zonden, zij wordt in de Schrift altijd voorgesteld als het voorwerp der werkingen, welke er van Christus uitgaan, Rechtf. u. Vers. I247-67. 205 f. 305 f. II2216 f. III2103 f.20. In dit belangrijk geschil over de waarde van Christus’ offerande is er volkomen overeenstemming, ter eener zijde hierover, dat niet alle maar alleen sommige menschen de weldaden van Christus feitelijk deelachtig worden, en anderzijds daarover, dat de offerande van Christus op zichzelve volkomen voldoende ware, om niet alleen sommige maar alle menschen te doen deelen in de vergeving der zonden en het eeuwige leven. De universalisten zijn in de practijk dus allen de particulariteit der genade toegedaan; en de particularisten belijden allen zonder uitzondering de universaliteit der offerande van Christus, wat haar innerlijke waarde betreft. Zelfs zij, die bezwaar hebben in de woorden, dat Christus sufficienter voor allen en efficaciter voor de uitverkorenen gestorven is, erkennen toch volmondig, dat de materia meriti van Christus volkomen voldoende is voor de verzoening van de zonden van alle menschen, en wat zij willen, is alleen dit, dat de forma meriti, d. i. de verdienste van Christus, niet op zichzelve maar in ordine ad reprobos beschouwd, niet alleen niet efficax maar ook niet sufficiens kan heeten, Voetius, Disp. II 254. Het verschil loopt dus alleen over de vraag, of het de wil en debedoelingGods was, dat Christus zijne offerande bracht voor de zonden van alle menschen zonder uitzondering, dan wel alleen voor de zonden dergenen, die Hem van den Vader gegeven zijn. Zoo gesteld, schijnt de vraag haast voor geen tweeërlei antwoord vatbaar. Want ten eerste, brengt de Schrift doorloopend de offerande van Christus alleen met de gemeente in verband, hetzij deze door velen, Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom. 5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28, door zijn volk, Mt. 1:21, Tit. 2:14, Hebr. 2:17, 7:27, 13:12, door zijne schapen, Joh. 10:11, 15, 25v., Hebr. 13:20, door zijne broederen, Hebr. 2:11, door kinderen Gods, Joh. 11:52, Hebr. 2:31-45;door de Hem van den Vader gegevenen, Joh. 6:37, 39, 44, 17:2, 9, 24, door zijne gemeente, Hd. 20:28, Ef. 5:25, door zijn lichaam, Ef. 5:23, of ook door ons als geloovigen, Rom. 5:9, 8:32, 1 Cor. 5:7, Ef. 1:7, 2:18, 3:12, Col. 1:14, Tit. 2:14, Hebr. 4:14-16, 7:26, 8:1, 9:14, 10:15, 1 Joh. 4:10, 1 Petr. 3:18, 2 Petr. 1:3, Op. 1:5, 6, 5:9, 10 enz. aangeduid wordt. Ritschl heeft hier terecht weer de aandacht op gevestigd; want, al is het ook, dat hij hiertoe kwam door gansch andere overwegingen, het feit zelf staat toch vast: in de Schrift zijn niet alle menschen hoofd voor hoofd, maar is de gemeentedas Correlat aller an den Opfertod Christi geknüpften Wirkungen, Rechtf. u. Vers. II2216. De overwegingen bij Ritschl zijn echter andere dan bij de Gereformeerden; deze laatsten zeiden: niet allen maar de gemeente der uitverkorenen. Ritschl zegt: niet de enkele maar de gemeente en tracht alzoo de unio mystica, de gemeenschap van de geloovigen individueel met Christus uit de Schrift te verwijderen. Maar in de zaak zelve is er toch overeenstemming. Tegenover deze klare, doorloopende leer der Schrift hebben de enkele teksten, waarop de universalisten zich beroepen, weinig gewicht. De uitdrukkingallenin Jes. 53:6, Rom. 5:18, 1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9, cf. 10 bewijst niets, of zij bewijst veel meer dan de universalisten beweren en zou ten goede komen aan de leer van Origenes over de wederherstelling aller dingen. De universalisten zijn daarom zelf gedwongen, om het woordallenin deze plaatsen te beperken. Van meer gewicht zijn teksten als Ezech. 18:23, 33:11, Joh. 1:29, 3:16, 4:42, 13:22, 1 Tim. 2:4, 6, Tit. 2:11, Hebr. 2:9, 2 Petr. 3:9, 1 Joh. 2:2, 4:14, waar de wil Gods of de offerande van Christus in verband wordt gebracht met het behoud van allen of van de wereld. Maar deze teksten zijn geen van alle in strijd met de bovengenoemde uitspraken, die Christus’ weldaden tot de gemeente beperken. Immers, het N. Test. is eene gansch andere bedeeling dan het O. Verbond; het evangelie is niet tot één volk bepaald maar moet gepredikt aan alle creaturen, Mt. 28:19; er is geen aanneming des persoons bij God, er is geen onderscheid meer van Heiden en Jood, Hd. 10:34, 35, Rom. 3:29, 10:11-13. Ja zelfs, als in Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom. 5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28 van velen sprake is, voor wie Christus gestorven is, dan ligt daaraan niet de tegenstellingten grondslag, die er later dikwerf ondergeschoven is, dat niet allen maar slechts velen zullen zalig worden. Maar de gedachte, waaruit dit spreken van velen opkomt, is eene gansch andere, n.l. niet voor enkelen is Christus gestorven, maar voor velen, voor zeer velen. Hij geeft zijn leven voor velen, Hij vergiet zijn bloed voor velen, Hij zal velen rechtvaardig maken; niet weinigen zijn het, maar velen, die door de gehoorzaamheid van éénen tot rechtvaardigen gesteld worden. De Schrift is niet bevreesd, dat ertevelen zullen zalig worden. En daarom, uit diezelfde overweging, zegt zij, dat God geen lust heeft in den dood des goddeloozen, dat Hij wil, dat allen tot bekeering komen en zalig worden, dat Christus eene verzoening is en zijn leven gegeven heeft voor de wereld en dat aan alle creaturen het evangelie moet gepredikt worden. Als de universalisten hieruit afleiden, dat de voldoening gansch algemeen is, dan komen zij èn met de Schrift èn met de werkelijkheid in strijd; want deze leeren beide als om strijd, dat niet allen maar slechts velen met het evangelie bekend worden en tot waarachtige bekeering komen. In al die plaatsen is er daarom sprake, niet van de voluntas beneplaciti die ons onbekend is en geen regel van ons gedrag kan of mag zijn; ook niet van eene voluntas antecedens, die aan onze wilsbeslissing voorafgaat en daarnaar zich richt; maar van de voluntas signi, die ons zegt, waarnaar wij in het N. Verbond ons hebben te gedragen. Zij geeft ons het recht en legt ons den plicht op, om het evangelie te brengen tot alle menschen zonder uitzondering. Een anderen grond dan dezen duidelijk geopenbaarden wil van God hebben wij voor het algemeene aanbod der genade niet noodig. Voor wie Christus bepaald gestorven is, hebben wij van te voren evenmin noodig te weten, als wie door God ten eeuwigen leven verkoren zijn. De roeping rust wel op particuliere basis, want zij behoort tot en gaat uit van het verbond, doch zij richt zich, in overeenstemming met Gods geopenbaarden wil en met de in zichzelve algenoegzame waarde van Christus’ offerande, ook tot hen, die buiten het verbond zijn, opdat ook zij in dat verbond opgenomen worden en in hun geloof zelf het bewijs hunner verkiezing ontvangen, cf.deel II216-222. In de tweede plaats houdt de Schrift in, dat de offerande en de voorbede van Christus, en zoo ook de verwerving en de toepassing der zaligheid onverbrekelijk saamhangen. De offerande is de grond van Christus’voorbidding; de laatste strekt zich daarom even ver als de eerste uit. Limborch, Theol. Chr. III 19. 11 erkent dan ook,intercessionem non esse actum reipsa ab oblatione, quatenus in coelo peragitur, distinctum. Indien de intercessie dus particulier is, gelijk ze is, Joh. 17:9, 24, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 1 Joh. 2:1, 2, dan is het ook de offerande. Wel beroept zich Limborch IV 4, 7 daartegen op Luk. 23:34, maar hier bidt Jezus niet om de zaligheid zijner vijanden doch alleen om de niet-toerekening van dat schrikkelijk misdrijf, waaraan zij in hunne onwetendheid zich schuldig maakten, als zij den Messias kruisigden. En evenzoo is er een onlosmakelijk verband tusschen de verwerving en de toepassing der zaligheid. Alle weldaden van het genadeverbond hangen saam, Rom. 8:28-34, en vinden haar grond in den dood van Christus, Rom. 5:8-11. De verzoening in Christus brengt de behoudenis en zaligheid mede. Christus is immers het hoofd en de geloovigen zijn zijn lichaam, dat uit Hem zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19; Hij is de hoeksteen en zij zijn het gebouw, Ef. 2:20, 21. Hij is de eerstgeborene en zij zijn zijne broederen, Rom. 8:29. De geloovigen zijn dan ook objectief met en in Hem gestorven, gekruist, begraven, opgewekt, in den hemel gezet. Dat is: de gemeente is geen toevallig willekeurig aggregaat van individuen, dat even goed kleiner als grooter kan zijn, maar zij vormt met Christus een organisch geheel, dat in Hem als tweeden Adam besloten ligt, zooals de gansche menschheid voortkomt uit den eersten Adam, cf. Rothe, Theol. Ethik I S. 501. De toepassing moet daarom even ver zich uitstrekken als de verwerving der zaligheid; zij is in deze begrepen en daarvan de noodzakelijke uitwerking. Trouwens ligt dat ook in den aard der zaak. Als Jezus waarlijk Zaligmaker is, dan moet Hij zijn volk ook werkelijk zalig maken, niet in mogelijkheid maar in werkelijkheid. De universalisten zijn echter gedwongen, om de zaligheid zelve gansch anders op te vatten en aan den naam van Jezus te kort te doen. In de logika geldt de regel:quo major extensio, minor comprehensio. En deze regel is ook op velerlei ander terrein, zij is ook hier van toepassing. Onder den schijn van het werk van Christus te eeren, wordt het door de leer der algemeene voldoening verzwakt en beperkt. Als Christus toch voor allen voldaan heeft, sluit de verwerving niet noodzakelijk de toepassing der zaligheid in. Deze laatste is dan iets, dat er misschien toevalligbijkomt maar dat er niet vanzelf mede gegeven is en er niet van nature uit voortvloeit. De toepassing der zaligheid is dan niet en kan niet wezen het werk van Christus, maar hangt ten slotte altijd af van den wil des menschen. Deze moet het werk van Christus aanvullen, toepassen, tot werkelijkheid doen overgaan. Dat is, voor Christus blijft alleen over de verwerving, niet van de werkelijkheid maar slechts van de mogelijkheid der zaligheid, niet van de feitelijke reconciliatio maar van de potentieele reconciliabilitas. Christus verwierf voor God alleen de mogelijkheid, om een verbond der genade met ons aan te gaan, de vergeving der zonden en het eeuwige leven ons te schenken, indien wij n.l. gelooven. Het voornaamste van het werk der zaligheid, datgene wat ons werkelijk zalig doet worden, dat blijft voor ons nog te doen over. Christus maakte het verbond der genade zelf niet vast in zijn bloed, Hij maakte niet dat de zonden van zijn volk vergeven zijn, maar Hij sprak alleen uit, dat er van Gods kant geen bezwaar is, om een verbond met ons aan te gaan en de zonden ons te vergeven, indien wij en nadat wij onzerzijds gelooven. Voor ons heeft Christus dus eigenlijk niets verworven, maar alleen voor God de mogelijkheid om ons te vergeven, als wij de geboden des evangelies vervullen. De universalisten komen er daarom allen toe, om de waarde en kracht van Christus’ werk te verminderen. Wat zij, en dan nog slechts schijnbaar, winnen aan quantiteit, verliezen zij aan qualiteit. Rome leert, dat de zonden, vóór den doop begaan, d. i. in den regel de erfzonde, in den doop vergeven worden. Maar na den doop blijft de concupiscentia over, die wel zelve geen zonde is maar aanleiding tot zondigen wordt. De dan begane zonden worden wel in het sacrament der boete vergeven, wat de schuld en de eeuwige straf betreft; maar de tijdelijke straf moet door den mensen zelf hier of in het vagevuur worden gedragen, Trid. VI 30. XIV c. 8. 9. can. 12-14 enz. De Remonstranten zeiden, dat God in den dood van Christus alle zondaren zoo met zich verzoend heeft,ut per et propter hoc ipsumλυτρονac sacrificium in gratiam cum iis redire et ostium salutis aeternae viamque immortalitatis pandere ipsis voluerit, Conf. VIII 9. De Kwakers laten Christus’ werk daarin bestaan, dat Hij de verzoening ons aangeboden en God tot vergeving genegen heeft gemaakt, Barclay, Verantwoording 1757 bl. 153. En tot gelijke slotsom moetenallen komen, die eene algemeene voldoening leeren. Het zwaartepunt wordt uit Christus in den Christen gelegd; het geloof is de ware verzoening met God, cf. Kübel,Unterschied135 f. De Gereformeerden waren echter van eene andere gedachte. De satisfactio vicaria is geenfertige Grösse, maar sluit principieel de gansche herschepping in zich. Het werk van Christus is dan eerst af, wanneer Hij het koninkrijk den Vader overgeeft. Hij opende niet de mogelijkheid van zalig te worden, maar maakt zalig altijd door, op grond van zijne offerande, aan het kruis volbracht. Zaligmaker is Hij, die niet alleen voor onze zonden gestorven maar daarom ook opgewekt en ten hemel gevaren is en nu als de verhoogde Heiland voor zijne gemeente bidt. Hij heiligde zichzelven, opdat ook de zijnen geheiligd worden in waarheid, Joh. 17:19, Hij gaf zich voor de gemeente over, opdat Hij ze heiligen en zichzelven heerlijk voorstellen zou, Ef. 5:25-27. Beiden zijn uit éénen, n.l. God, Hebr. 2:11, en zijn als het ware één Christus, 1 Cor. 12:12. In en met Christus schenkt God aan de geloovigen alles, wat zij behoeven, Rom. 8:32v., Ef. 1:3, 4, 2 Petr. 1:3; de verkiezing in Christus brengt alle zegeningen in Christus mede, de aanneming tot kinderen, de verlossing door zijn bloed, Ef. 1:3v., de gave des H. Geestes, 1 Cor. 12:3, het geloof, Phil. 1:29, de bekeering, Hd. 5:31, 11:18, 2 Tim. 2:25, een nieuw hart en een nieuwen geest, Jer. 31:33, 34, Ezech. 36:25-27, Hebr. 8:8-12, 10:16. Cf. Can. Dordr. II 8v. Prof. Leidenses in Censura Conf. Rem. VIII 9. Trigland, Antapologia c. 16. Mastricht, V 18, 42. Voetius, Disp. II 9. 269 V 270. Witsius, Oec. foed. II 7. Misc. Sacra II 781. Vitringa VI 126. Moor III 1086 sq. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 26. In de derde plaats is hieraan nog toe te voegen, dat het universalisme tot allerlei valsche stellingen leidt. Het brengt scheiding tusschen de drie personen van het Goddelijk wezen, want de Vader wil aller zaligheid, de Zoon voldoet voor allen, maar de H. Geest beperkt de gave des geloofs en der zaligheid tot weinigen. Het brengt tweestrijd tusschen de bedoeling Gods, die aller behoud wenscht, en den wil of de macht Gods, die de zaligheid feitelijk niet aan allen wil of kan deelachtig maken. Het laat den persoon en het werk van Christus aan de verkiezing en het verbond voorafgaan, zoodat Christus er geheel buiten komt te staan en nietplaatsvervangend kan voldoen, wijl er geen gemeenschap is tusschen Hem en ons. Het doet te kort aan de gerechtigheid Gods, die de vergeving en het leven voor allen verwerven laat en ze toch niet uitdeelt. Het richt den vrijen wil op, die de macht heeft om te gelooven, het werk van Christus al of niet ongedaan kan maken en de beslissing, ja heel het resultaat der wereldgeschiedenis in handen heeft. Het leidt tot de leer, gelijk de Kwakers terecht opmerkten, Barclay, Verantw. van de Ware Christ. Godg. bl. 92, dat indien Christus voor allen gestorven is, ook allen hier of hiernamaals in de gelegenheid moeten worden gesteld, om Hem aan te nemen of te verwerpen; want het ware gansch onrechtvaardig om hen, wier zonden alle verzoend zijn, te veroordeelen en te straffen, alleen omdat zij buiten de gelegenheid waren, Christus door het geloof aantenemen. En het komt tot de stelling, in duidelijke tegenspraak met heel de H. Schrift, dat de eenige zonde, waarom iemand verloren gaan en gestraft kan worden, het ongeloof is; alle andere zonden zijn immers verzoend; tot zelfs die van den mensch der zonde, den antichrist toe.21. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de volkomene zaligheid niet voor alle menschen hoofd voor hoofd is uit te breiden, is daarmede niet beweerd, dat ze voor hen, die verloren gaan, niet de minste beteekenis heeft. Er is hier tusschen de gemeente en de wereld niet enkel scheiding en tegenstelling. Het staat niet zoo, dat Christus voor de eerste alles, voor de tweede niets heeft verworven. Bij de verwerping van het universalisme mag niet vergeten, dat de verdienste van Christus ook bij de eerste haar grenzen en bij de tweede hare waarde en beteekenis heeft. In de eerste plaats dient immers wel bedacht, dat Christus als zoodanig wel de Herschepper maar niet de Schepper aller dingen is. Gelijk de Zoon volgt op den Vader, zoo wordt de schepping door de herschepping, de natuur door de genade, de geboorte door de wedergeboorte ondersteld. Onder de verdiensten van Christus is daarom niet in strikten zin begrepen, dat de uitverkorenen geboren worden en leven, dat zij voedsel, deksel, kleeding en allerlei natuurlijke weldaden ontvangen. Wel kan gezegd, dat God wereld en menschheid na den val niet meer zou hebben laten bestaan, indien Hij er geen andere hoogere bedoeling mede gehad had. Wel is er de gratiacommunis om de gratia specialis; en ook schenkt God aan de uitverkorenen met de zaligheid in Christus ook vele andere natuurlijke zegeningen, Mt. 6:33, Rom. 8:28, 32, 1 Tim. 4:8, 2 Petr. 1:3. Maar toch is het verkeerd, om met Herrnhutters en Pietisten de grenzen tusschen natuur en genade, schepping en verlossing uit te wisschen, en Christus in des Vaders plaats te zetten op den troon van het heelal. Zelfs de verkiezing en het verbond der genade, die beide de objecten en deelgenooten onderstellen, zijn niet door Christus verworven maar gaan aan zijne verdiensten vooraf. De Vader bereidt met zijne schepping het werk der herschepping voor en leidt naar haar heen; de Zoon gaat met zijn arbeid diep, zoover als de zonde reikt, tot in het werk der schepping terug. Maar toch zijn beide werken onderscheiden en niet te vermengen, Voetius, Disp. II 271-273. In de tweede plaats heeft Christus niet voor elk der zijnen hetzelfde verworven. Er is onderscheid tusschen de geloovigen, voordat zij tot het geloof komen, in geslacht, leeftijd, stand, rang, karakter, gave enz., onderscheid ook in mate en graad van boosheid en verdorvenheid. En wanneer zij tot het geloof komen, is er onderscheid in de genade, die hun geschonken wordt; een iegelijk wordt genade gegeven naar de mate der gave van Christus, Rom. 12:3, 1 Cor. 12:11, Ef. 3:7, 4:7. Het natuurlijk onderscheid tusschen de menschen wordt door de genade wel gereinigd naar niet uitgewischt; het wordt zelfs door onderscheid van geestelijke gaven vermeerderd, want het lichaam van Christus bestaat uit vele leden, opdat het één organisme zij, eene schepping en een kunstwerk Gods. Ten derde is de gemeente niet van, maar toch in de wereld; zij leeft en beweegt zich midden in die wereld en hangt op allerlei wijze met haar saam. De geloovigen worden uit het menschelijk geslacht toegebracht, en omgekeerd is er veel kaf onder het koren, zijn er ranken aan den wijnstok, die geen vruchten dragen en uitgeroeid worden. Als Christus daarom in de plaats der zijnen ging staan, moest Hij het vleesch en bloed aannemen, dat alle menschen deelachtig zijn. Door zijne vleeschwording heeft Hij het gansche menschelijk geslacht geëerd; naar den vleesche is Hij broeder van alle menschen. En zelfs zijn werk heeft voor allen waardij, ook voor degenen, die nooit in Hem gelooven. Want al is het, dat Christus het natuurlijke leven niet in eigenlijken zin door zijn lijden ensterven verworven heeft, het menschelijk geslacht is toch daarom gespaard, omdat Christus komen zou om het te behouden. Christus is niet het hoofd aller menschen, niet aller profeet, priester en koning, want hoofd is hij van de gemeente en tot koning is Hij gezalfd over Sion. Maar alle menschen hebben wel veel aan Christus te danken. Het licht schijnt in de duisternis en verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld; de wereld is door Hem gemaakt en blijft dat, schoon zij Hem niet heeft gekend; ook als Christus schenkt Hij aan de ongeloovigen vele weldaden, roeping door het evangelie, vermaning tot bekeering, het historisch geloof, een eerbaar leven, allerlei gaven en krachten, ambten en bedieningen in het midden der gemeente, zooals b. v. zelfs het apostelambt aan een Judas.Sans Jésus-Christ le monde ne subsisterait pas, car il faudrait, ou qu’il fut détruit ou qu’il fut comme un enfer(Pascal). Zelfs als Hij hangt aan het kruis, bidt Hij nog om vergeving voor die schrikkelijke zonde, waaraan de Joden op dat oogenblik zich schuldig maken. Cf. Voetius, Disp. II 275. 276. Ten vierde breidt het werk zich tot de redelooze schepselen uit. Men kan niet met Origenes zeggen, dat Hij iets voor hen geleden en iets voor hen verdiend heeft. Maar als Christus tot zonde is gemaakt en de zonde der wereld heeft gedragen, dan heeft Hij ook de zonde met al hare gevolgen te niet gedaan. De bevrijding der creatuur van de dienstbaarheid der erfenis, de verheerlijking der schepping, de vernieuwing van hemel en aarde is eene vrucht van het kruis van Christus, Rom. 8:19v. Voetius, Disp. II 264. 265. Ten vijfde hebben ook de engelen in den hemel nut en voordeel van het werk van Christus. Er is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus voor hen de perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon velen alzoo met beroep op Job 4:18, 15:15, Ef. 1:10, Col. 1:20, 1 Tim. 5:21, Hebr. 12:22, 23 hebben geleerd, Augustinus, de cons. evang. 35. Cyvillus, de ador. 9. Gregorius, Bernardus, Diez, Valentia, Suarez en ook Calvijn op Ef. 1:10 en Col. 1:20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III 159-164. Bucanus, Inst. theol. VI qu. 30. Davenantius op Col. 1:20. Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Loci Comm. Op. I 195 enz. Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus niet noodig als Verzoener of Behouder, zij zijn wezenlijk onderscheiden van de menschen, die alleen naar Gods beeld zijn gemaakt.Indien Christus voor hen de gratia en gloria verwerven moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zone Gods toch de menschelijke natuur, of, beter nog, de natuur der engelen had moeten aannemen, al ware de mensch niet gevallen, cf.deel II444, en voorts Lombardus, Thomas, Bonaventura, Scotus op Sent. II dist. 5. III dist. 13. Thomas, S. Th. I qu. 62 III qu. 8 art. 4. Petavius, de incarn. XII 10. Becanus, Theol. schol. I p. 305. Quenstedt, Theol. I 476. Gerhard, Loc. XXXI § 42. Gomarus op Col. 1:20. Voetius, Disp. II 263. Alting, Theol. probl. nova XII 24. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 3. Moor II 353. Vitringa III 26 VI 178. Toch doet eenvoudige ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan Ef. 1:10 en Col. 1:20 geen recht wedervaren. Er staat toch duidelijk, dat God alle dingen,τα παντα, d. i. niet menschen of engelen alleen maar in het algemeen al het geschapene, de gansche schepping, de wereld, het heelal, nader nog omschreven doorεἰτε τα ἐπι της γης εἰτε τα ἐν τοις οὐρανοις, dat God die gansche schepping verzoend heeft door Christus, niet onderling maar tot zichzelven,εἰς αὐτον, en in Hem voor zichzelven wederom samen en tot eenheid brengt. De leer van de herstelling aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt door heel de Schrift verworpen en heeft in de christelijke kerk slechts nu en dan verdediging gevonden. Indien deze alzoo buitengesloten is, dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden, dan dat naar Paulus’ voorstelling de duivelen en de goddeloozen eenmaal ter hel worden verwezen en dat dan in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde met hare bewoners de gansche schepping wordt hersteld. Deze schepping nu, in organischen zin gedacht, was als geheel door de zonde in vijandschap tegen God gesteld en onderling uiteengeslagen en verwoest. Er ligt hier niet in, dat de goede engelen persoonlijk en individueel de verzoening behoefden, noch ook, dat Christus voor de redelooze schepselen lijden en sterven moest. Maar wel ligt er de onderstelling aan ten grondslag, dat de zonde de relatie aller schepselen zoowel tot God als tot elkander gewijzigd en verstoord heeft. En dat is immers ook zoo. De zonde heeft de menschenwereld tot een voorwerp van Gods toorn gemaakt en in zichzelve gedeeld en verwoest. De verhouding der engelen tot God is gewijzigd, niet alleen voorzoover velen zijn afvallig geworden, maar ookdoordat de goede engelen slechts een deel vormden van het geheel der geesten, dat God had gediend. Augustinus, Enchir. 61. 62 en anderen waren van meening, dat deze breuke in de engelenwereld geslagen, door de uitverkorenen uit de menschheid werd geheeld en dat daarin de beteekenis van Christus’ verzoening voor de menschheid bestond. Dit gevoelen is niet aannemelijk; menschen zijn soortelijk verschillend van de engelen en eene gelijkstelling van het getal der uitverkoren menschen met dat der gevallen engelen mist allen grond in de Schrift. Maar toch is het waar, dat de val van zoovele engelen heel het organisme der engelenwereld moet hebben verstoord; evenals een leger geheel en al in het ongereede gebracht, en onbekwaam tot den strijd wordt gemaakt, als vele officieren en manschappen uit de gelederen tot den vijand overgaan. Zoo is ook de engelenwereld als leger Gods voor zijn dienst uiteengeslagen. Ze heeft haar hoofd, haar organisatie verloren. En deze ontvangt ze nu terug in den Zoon, en wel in den Zoon niet alleen naar zijne Goddelijke natuur maar ook naar zijne menschelijke natuur. Want niet alleen de verhouding tot God, ook die tot de menschenwereld was door de zonde verstoord. En nu is het Christus, die als Heer der engelen en als Hoofd der gemeente engelen en menschen beiden in de rechte verhouding plaatst tot God en evenzoo tot elkander. Door zijn kruis herstelt Hij het organisme der schepping, in hemel en op aarde, en deze beide ook wederom saam. Het onbezielde en redelooze in de schepping, d. i. hemel en aarde zelven, zijn daarbij niet uitgesloten. Dat kan daarom al niet, omdat de verhouding van de engelen tot den hemel en die van de menschen tot de aarde niet mechanisch maar organisch is. Hemel en aarde zelven zijn met den val der engelen en der menschen gezonken beneden hun oorspronkelijken staat; de gansche schepping,πασα ἡ κτισις, zucht te zamen en is te zamen in barensnood.Die gesammte Creatur führt gleichsam eine grosze Seufzersymphonie aus(Philippi); alle leden van die schepping zuchten en hebben smart, gemeenschappelijk, in verband met elkaar, Rom. 8:22. Gelijk dan ook in het oude verbond de tabernakel en alle gereedschappen tot den dienst met bloed besprengd werden, Ex. 24:3-8, Hebr. 9:21, zoo ook heeft Christus door zijn kruis alle dingen verzoend en een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde verworven. De gansche schepping, gelijk ze eens volmaakt, zondervlek en rimpel, voor Gods aangezicht zal staan, is het werk van Christus, den Heer der heeren en den Koning der koningen, Hebr. 12:22-28.22. Indien dit nu het groote werk is, door den Vader aan Christus opgedragen, om n.l. Zaligmaker te wezen in vollen zin en de gansche herschepping tot stand te brengen, dan springt het terstond in het oog, dat de staat der verhooging daartoe even noodig is als de staat der vernedering. Eene arme voorstelling van Christus’ persoon en werk moeten zij wel hebben, die de opstanding, de hemelvaart en de zitting ter rechterhand Gods zonder schade voor geloof en leven meenen te kunnen prijsgeven en genoeg hebben aan het historisch beeld van Jezus, dat op dezelfde wijze als dat van andere groote mannen in de historie voortleeft en invloed oefent. Omgekeerd is het te begrijpen, dat wie in Jezus niet meer ziet dan een bijzonder vroom mensch en in zijn werk niet anders dan eene religieus-ethische hervorming, heel den staat der verhooging voor het christelijk leven waardeloos acht en de feiten der opstanding en der hemelvaart ontkent en bestrijdt. De Schrift gaat echter van eene gansch andere gedachte uit. Het is de gekruiste maar ook de opgestane en verhoogde Christus, dien de apostelen verkondigen. Van uit dat standpunt der verhooging bezien en beschrijven zij zijn aardsche leven, zijn lijden en sterven. Van het werk, dat Hij thans als de verhoogde middelaar uitvoert, heeft Hij in zijn kruis de grondslagen gelegd. Het kruis is in den strijd tegen zonde, wereld, Satan zijn eenig wapen geweest. Door het kruis heeft Hij in de sfeer van het recht over alle Gode vijandige macht getriumfeerd. Maar daarom heeft Hij in den staat der verhooging ook het Goddelijk recht, de Goddelijke aanstelling, de koninklijke macht en bevoegdheid ontvangen, om het werk der herschepping ten volle uit te voeren, al zijne vijanden te overwinnen, al de Hem gegevenen te zaligen en het gansche koninkrijk Gods te voltooien. Op grond van de ééne, volmaakte offerande, aan het kruis geschied, deelt Hij in overeenstemming met den wil des Vaders al zijne weldaden uit. Die weldaden zijn geen physische of magische nawerking van zijn aardsche leven en sterven; de geschiedenis van het Godsrijk is geen evolutionistisch proces. Het is de levende, de aan de rechterhand Gods verhoogde Christus, die met bewustheid,met vrijmacht al deze weldaden uitdeelt, zijne verkorenen vergadert, zijne vijanden verwint en de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij is nog altijd in den hemel als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen maar is nog onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige koning. Gister en heden is Hij dezelfde tot in eeuwigheid. In den staat der vernedering heeft Hij door zijn leven en sterven de voorwaarde vervuld, om nu in den staat der verhooging op grond van zijne volmaakte offerande de schepping Gods vrij te maken van de dienstbaarheid der zonde en der verderfenis, en alle dingen onder zich als het hoofd bijeen te vergaderen. De herschepping is de voortgaande daad van den middelaar. Christus is de aan Gods rechterhand verhoogde, maar toch altijd op aarde, in zijne kerk, in ambt, woord, sacrament, in vergeving, wedergeboorte, geloof enz., presente en werkzame Heer uit den hemel. In dit licht krijgt de staat der verhooging eene, wel dikwerf miskende maar toch voor leer en leven hoogstbelangrijke beteekenis; opstanding en hemelvaart zijn voor het werk der herschepping even noodzakelijk als vleeschwording en kruisdood. In de Schrift worden deze feiten dan ook niet slechts vermeld doch telkens op den voorgrond geplaatst en in haar rijke beteekenis verklaard. De opstanding van Christus had volgens heel hetN. T.plaats ten derden dage; in Mt. 12:40, Mk. 8:31 enz. zijn ter wille van de vergelijking met Jona de deelen der dagen en nachten voor vol gerekend, M. Vitringa V 597, of slechts als eene algemeene omschrijving van een zeer korten tijd bedoeld, Kähler,Zur Lehre v. d. Versöhnung207 f. Zij bestond in de verrijzenis van datzelfde lichaam, dat van het kruis afgenomen en in den hof van Jozef van Arimathea begraven was; het werd wel veranderd en verheerlijkt, zoodat het geenσωμα ψυχικονmaar eenσωμα πνευματικονwerd, Luk. 24:16, 36, Joh. 12:14, 19, 1 Cor. 15:44v., Phil. 3:21, maar het bleef toch een menschelijkσωμα, Mt. 28:5, 9, Luk. 24:39, 40, 43, Joh. 20:27, 21:25, Hd. 1:11, 1 Cor. 15:37v., Op. 1:7. De verschillende pogingen, om deze opstanding op andere wijze te verklaren (Reimarus), als schijndood (Rationalisten, Schleiermacher, Hase, Herder, Gfrörer), visioen, hetzij dan geheel subjectief (Strauss, Lang, Holsten, Hausrath, Renan), of als objectief, door God bewerkt (Keim, Schweizer, Schenkel) zijn tot op den huidigen dag ijdel gebleken, Steude,Stud. u. Krit. 1887 S. 203-294. Nösgen,Neut. OffenbarungI 637 f. Loofs,Die Auferstehungsberichte und ihr Wert, Christl. Welt33, Leipzig Mohr 1898. Na de opstanding bleef Christus nog een tijd lang op aarde, zoowel om door verschillende verschijningen zijne jongeren van de waarheid zijner opstanding te overtuigen, als ook om hen voor te bereiden voor hun ambt en hun het bewijs te leveren, dat Hij, al zou Hij het vroegere verkeer niet meer met hen openen, wijl Hij na de opstanding niet meer tot de aarde maar tot den hemel behoorde, Joh. 20:17, toch onveranderlijk dezelfde in liefde jegens hen zou blijven, 13:1, en eeuwiglijk met hen zou zijn tot de voleinding der wereld, Mt. 28:20. De verschijningen hadden de eerste acht dagen te Jeruzalem plaats, Joh. 20:26, waar de discipelen om het paaschfeest nog blijven moesten, en eindigden daarmede, dat Jezus zijnen jongeren den H. Geest gaf en de apostolische volmacht schonk, Joh. 20:22, 23. Later volgden zijne verschijningen in Galilea, waarheen de discipelen terugkeerden en waar de meeste volgelingen van Jezus woonden, Joh. 21, Mt. 28:16, 1 Cor. 15:6. Mattheus en Johannes besluiten met deze verschijningen van Jezus in Galilea hun evangelie en vermelden de hemelvaart niet. Volgens Luk. 24:49, Hd. 1:4 moesten de discipelen in Jeruzalem blijven, totdat zij aangedaan waren met kracht uit de hoogte; Luk. 24 spreekt van geen verschijningen in Galilea, Hd. 1:3 onderstelt ze. Zeker heeft Jezus zijnen discipelen bij een der verschijningen in Galilea ook wederom bevolen, naar Jeruzalem te gaan en daar te verwachten de belofte des Vaders. Als Hij dan in Jeruzalem weder voor de laatste maal aan hen verschijnt, zegt Hij dat zij in Jeruzalem blijven moeten totdat die belofte vervuld is. Dan leidt Hij hen naar buiten tot aan Bethanie, Luk. 24:50, naar den Olijfberg, Hd. 1:12. En daar scheidde Hij van hen,διεστη, en werd van hen opgenomen in den hemel,ἀνεφερετο εἰς τον οὐρανον, ten onrechte door Tischendorf in Luk. 24:51 weggelaten,ἐπηρθη, Hd. 1:9,ἀνεληφθη, Hd. 1:2, 11, 22, 1 Tim. 3:16. Schoon door Joh. Mt. en Mk., wiens evangelie volgens velen met 16:8 eindigt, niet vermeld, staat de hemelvaart toch op grond van vele klare getuigenissen der Schrift vast. Johannes onderstelt ze, 6:62, 14:2, 20:17, Paulus wijst erop, Rom. 10:6, Ef. 2:6, 4:9, 10, Col. 3:1 en noemt ze in 1 Tim. 3:16. Petrus maakt er melding van, 1 Petr. 3:22, cf.Hd. 2:33, 3:21, 7:56; de brief aan de Hebreën kent ze, 6:20, 9:24. Voorts ligt zij ten grondslag aan de N. T.scheleer van Jezus’ zitting aan de rechterhand Gods, Hd. 2:33, 5:31, 7:56, Rom. 8:34, Ef. 1:20, Col. 3:1, Hebr. 1:3, 8:1, 12:2, 1 Petr. 3:21, aan zijne voorbede in den hemel, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 9:24-28, 1 Joh. 1:1, 2, aan al de werkzaamheden, die Hij van uit den hemel op aarde, voornamelijk, in zijne gemeente verricht, en aan de verwachting zijner wederkomst, Mt. 24:3 enz.
Andere plaatsen der Schrift zijn er niet, die van de begrafenis van Christus of van zijn verblijf in den staat des doods spreken, want de nederdalingεἰς τα κατωτερα της γης, Ef. 4:9 wijst blijkens de tegenstelling op zijn nederdalen naar de aarde door zijne menschwording, cf. Meyer t. p.; en 1 Petr. 3:19-22spreekt in geen geval van hetgeen Christus deed tusschen zijn dood en opstanding, maar òf van hetgeen Hij deed na zijne opstanding òf vóór zijne vleeschwording; de woordenζωοποιηθεις δε πνευματιduiden aan, dat Christus, die, wijl een sarkisch lichaam deelachtig, gedood is, toch omdat hetπνευμαHem eigen was, weer opgewekt is,zoodat zijn leven na de opstanding geen sarkisch maar een pneumatisch leven was. De descensus ad inferos,τα κατωτατα, Hades, niet hel, gehenna, in Griekschen, Roomschen, Lutherschen zin heeft daarom toch in dezen tekst geen steun. Maar spoedig kwam in de christelijke kerk de gedachte op, dat Christus in den tijd tusschen zijn dood en opstanding naar den Hades was gegaan. Het voor eenigen tijd ontdekte Evangelium Petri vs. 41 42 laat eene stem uit den hemel tot Jezus zeggen:ἐκηρυξας τοις κοιμωμενοις, waarop het antwoord luidt:γυμναι, de helsche machten zijn ontbloot. Volgens Hermas, Sim. IX 16, 5-7 zetten de apostelen na hun dood hun prediking voort, en wel aan hen, die vroeger in gerechtigheid ontslapen waren, cf. ook Clemens Alex. Strom. VI 6, 45. 46. En Tertullianus, de an. 55. Irenaeus, adv. haer. I 27, 3. IV 27, 2 en V 31, 1-2, leeren dat Christus apud inferos of in ea quae sunt sub terra is neergedaald, om de geloovigen desO. T.in de weldaden van zijn werk te doen deelen. Volgens Rufinus †410 had het symbool der kerk te Aquileja ook dit artikel:crucifixus sub Pontio Pilato et sepultus descendit in inferno; waarschijnlijk ging van hier dit artikel in verschillende belijdenissen over, in dat van de synode te Sirmium 359, Nice 359, Constantinopel 360, Toledo 633, in het symbolum Quicumque en zoo ook in verschillende latere vormen van het zoogenaamd apostolisch symbool, cf. behalve de vele dogmenhist. werken van Harnack, Hagenbach enz., de werken over het apost. symbool van Caspari, Harnack art. Apost S. in Herzog2, Zahn, Das ap. Symbol, Erlangen 1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894 S. 103 f. Id. Christl. Welt 1889 n. 27. 28. Id.Zur Würdigung des Apostolikums, Hefte zur Chr. Weltn. 2, Leipzig 1892 S. 29. Hahn,Bibl. der Symb. u. Glaubensregeln der alten Kirche31897. De Grieksche kerk, Conf. Orthod. qu. 49, verstaat onder den descensus ad inferos, dat Christus met zijne Goddelijke natuur en met zijne ziel naar den Hades is gegaan en de zielen der heilige voorvaderen bevrijd en met den moordenaar aan het kruis, naar het paradijs heeft overgebracht. De Roomsche kerk, Cat. Rom. I c. 6, cf. Bellarminus, de Christo IV 6-16. Petavius, de incarn. XII 19. 20 XIII 15-18 Scheeben III 298 f. enz., leert, dat Christus, werkelijk, met zijne ziel, na zijn dood, ad inferos is afgedaald en daar zoo lang gebleven is, als zijn lichaam rustte in het graf, om de zielen der vromen,die daarsine ullo doloris sensu, beata redemptionis spe sustentati, quieta habitatione fruebantur, maar toch Gods aanschouwing misten, te bevrijden, om als overwinnaar de daemonen neder te slaan en hun de buit der zielen te ontrooven. De Luthersche kerk, Symb. B. ed. Müller 550. 696 belijdt, dat Christus naar beide naturen, met ziel en lichaam na de begrafenis naar de hel is gegaan, den duivel overwonnen, de macht der hel verstoord en aan den duivel alle kracht en macht ontnomen heeft; de theologen breidden dit zoo uit, dat Christus op den morgen van den derden dag, na devivificatio, resurrectio internaen vóór deresurrectio externa, met ziel en lichaam naar de hel is gegaan, en daar aan Satan en alle verdoemde geesten, door eenepraedicatio non evangelica sed legalis, elenctica, terribilis, zijne overwinning over dood en Satan bekend gemaakt heeft, Frank,Theologie der ConcondienformelIII 397-454. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 277. 288 f. De Geref. belijdenissen zijn niet eenstemmig en verstaan onder de nederdaling ter hel de helsche smarten, die Christus leed aan het kruis, Calvijn, Inst. I 16, 8-12, Cat. Genev. 1, Cat. Heid. qu. 44, en zoo Beza, Danaeus, Pareus, enz. of het werkelijk heengaan van Christus alleen met zijne ziel naar de hel, om aldaar zijne macht bekend te maken, Repet. Anh. 9, en evenzoo Zanchius, Aretius, Alsted; of het heengaan van Christus naar de hel met ziel en lichaam beide met hetzelfde doel, Coll. Lips. 9; of den staat des doods, waarin Christus drie dagen verkeerde, Cat. Westm. bij Niemeyer 55, en zoo Olevianus, Perkins, Amesius, Molinaeus, Bronghton, Vossius, Bochartus, Pearson, Schultens, Vriemoet enz.; terwijl sommigen deze verschillende gevoelens trachtten te vereenigen, Sohnius, Op. III 311. Witsius, Verkl. van het apost. symbool, 18 § 9v. Burmannus, Synopsis theol. V 21 § 13-14. Mastricht V 13, 5. Synopsis pur. theol. 27, 32. Heidegger, Corpus theol. 18, 32. enz. De groote verscheidenheid van gevoelens verklaart, dat velen aan het artikel geen goeden zin wisten te hechten en het geheel verwierpen, Schleiermacher, Chr. Gl. § 99, 1, of ook dit artikel aangrepen, om aan hunne leer van eene voortdurende evangelieprediking en van eene Missionsanstalt in de plaats van den tusschentoestand een kerkelijk stempel te geven, cf. vooral Güder,Die Lehre v. d. Erscheinung Jesu Chr. unter den Todten1853. Spitta,Christi Predigt an die Geister, Göttingen 1890.Inderdaad staat de zaak met dit artikel aldus, dat 1ode uitdrukking nedergedaald ter hel, voorzoover ze aan teksten als Hd. 2:27, 31, Ef. 4:9, ontleend mocht zijn, historisch eene gansch andere beteekenis heeft verkregen, dan welke in die teksten is vervat; 2odat de Grieksche en Roomsche verklaring van dit artikel, als zou Christus naar den Hades gegaan zijn, om de vromen desO. T.te bevrijden, in de Schrift niet den minsten steun vindt; 3odat de Luthersche opvatting, dat Christus zijne macht aan Satan heeft bekend gemaakt, wel, gelijk later blijken zal, gegrond is op stellige uitspraken der Schrift, maar niet kan aangemerkt worden als eene juiste verklaring der woorden: nedergedaald ter hel, wijl deze in dat geval niet zouden behooren tot den staat der vernedering maar tot dien der verhooging, welke eerst met de opstanding begint; 4odat de nieuwere meening, als zou Christus ter helle gegaan zijn, om het evangelie te prediken aan allen, die het hier op aarde niet hebben gehoord, evenmin om dezelfde reden kan beschouwd worden als eene juiste verklaring van dit geloofsartikel; 5odat 1 Petr. 3:19 hoogstens zegt, hoewel later aangetoond zal worden dat ook dit de juiste meening niet is, dat Christus na zijne opstanding het evangelie verkondigd heeft aan de tijdgenooten van Noach maar tot eene uitbreiding van de evangelieprediking tot alle of tot andere verlorenen volstrekt geen recht geeft; en 6odat de woorden nedergedaald ter helle, in overeenstemming ook met wat Rufinus zegt, dat zij eene uitbreiding zijn van Jezus’ begrafenis nog het best te verstaan zijn van den staat des doods, waarin Christus als middelaar drie dagen verkeerde, om de straf der zonde ten einde toe te dragen en ons daarvan te verlossen. Zoo is heel het leven van Christus uitgeloopen op zijn dood als de volkomene genoegdoening aan de gerechtigheid Gods. En door die ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt alle degenen, die geheiligd worden.
18. De vrucht van deze gehoorzaamheid van Christus is niet minder dan de gansche zaligheid. Onder dit begrip worden alle weldaden samengevat, welke Christus voor de zijnen verworven heeft. God heet in de Schiftσωτηρ, Luk. 1:47 enz., maar ook Christus draagt dien naam, omdat Hij zijn volk zalig maakt van hunne zonden, Mt. 1:21, Luk. 2:11. Hij is deἀρχηγος τηςσωτηριας, Hebr. 2:10,αἰτιος σωτηριας αἰωνιου, Hebr. 5:9, en zijn evangelie is het evangelieτης σωτηριας, Ef. 1:13. Dezeσωτηριαis eene bevrijding van de zonde en al hare gevolgen en een deelgenootschap aan de hoogste zaligheid; zij staat daarom tegenoverθανατος, 2 Cor. 7:10,ἀπωλεια, Phil. 1:28,ὀργη, 1 Thess. 5:9, en duurt tot in eeuwigheid, Hebr. 5:9. Daarom begrijpt zij vele bijzondere weldaden onder zich, die alle in de Schrift ook afzonderlijk worden genoemd. Bovenaan staat deκαταλλαγη, reconciliatio, verzoening. De offerande van Christus heeft n.l. volgens de Schrift objectieve, ook voor God geldende beteekenis. In hetO. T.hadden de offers de bedoeling, om de zonden des offeraars voor Gods aangezicht te bedekken,כפר,LXXἐξιλασκεσθαι. Deze verzoening heeft nu wel nergens God tot rechtstreeksch object, maar zij heeft toch met betrekking tot Hem plaats, geschiedt voor zijn aangezicht, Lev. 1:3, 6:7, 10:17, 15:15, 30, 19:22, Num. 15:28, 31:50, en bedoelt, om door het bedekken der zonde zijn toorn af te wenden, Num. 8:19, 16:46, en Hem genadig te stemmen,ἱλασκεσθαι, ἱλαον ποιειν,propitium reddere, placare. Evenzoo is Christus in hetN. T.ἱλαστηριον, Rom. 3:25,ἱλασμος, 1 Joh. 2:2, 4:10, een barmhartig en getrouw hoogepriester met betrekking tot de dingen bij God,εἰς το ἱλασκεσθαι τας ἁμαρτιας του λαου, Hebr. 2:17; als hoogepriester heeft Hij met de offerande zijner volmaakte gehoorzaamheid de zonden van zijn volk bedekt en alzoo Gods toorn afgewend en zijne genade verworven. Wel is door Socinianen, Remonstranten, Rationalisten en ook de meeste nieuwere theologen, cf. b.v. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 4. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II2230 f. Kaftan, Dogm. 460, beweerd, dat God liefde is, niet behoeft verzoend te worden maar zelf de auteur der verzoening is. Maar dit berust voor een deel op misverstand en wordt overigens door de Schrift weersproken. Deze leert toch duidelijk, ook in het N. T., dat God toornt over de zonden, Rom. 1:18, Gal. 3:10, Ef. 2:3, dat ook Hij zijnerzijds moest verzoend worden, Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 15:18, 19, Gal. 3:13, en dat Christus daartoe eenἱλασμοςis geweest, Rom. 3:25, Hebr. 2:17, 1 Joh. 2:2, 4:10. Dit strijdt echter volstrekt niet daarmede, dat God liefde is en zelf den Christus tot eene verzoening voor onze zonden gegeven heeft. Zijn toorn is immers geen booze hartstocht van haat of nijd, zijne gerechtigheid is geen dorst naar wraak, maarbeide zijn met de hoogste liefde bestaanbaar. Gelijk eene moeder te meer smart heeft over de afdwaling van haar zoon, naarmate zij hem meer liefheeft; gelijk een rechter soms een bloedverwant of vriend veroordeelen moet, aan wien hij als persoon zich innig verbonden gevoelt, zoo ook kan in God de toorn tegen de zonde met de liefde jegens zijne schepselen samengaan.Odit in unoquoque nostrum quod feceramus, amavit quod fecerat, Beda bij Turret., de satisf. 86.Diligit omnes homines quantum ad naturam quam ipse fecit, odit tamen eos quantum ad culpam, quam contra eum homines contraxerunt, Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Om onze zonden zijn wij wel voorwerpen van Gods toorn,verum quia Dominus quod suum est in nobis perdere non vult, adhuc aliquid invenit, quod pro sua benignitate amet, Calvijn, Inst. II 16, 3. En dit is wederom niet zoo te denken, alsof God op het oogenblik van Christus’ offerande ineens van gezindheid en stemming veranderd is. Want in God is er geen verandering noch schaduw van omkeering; al zijne eigenschappen zijn met zijn wezen één; in de eeuwigheid is er geen vóór en geen na. Als de Schrift spreekt van Gods toorn en van zijne verzoening met ons, dan spreekt zij niet onwaar maar toch naar onze menschelijke bevatting. Verandering is er niet in het wezen Gods, maar wel in de relatie, waarin Hij tot zijne schepselen staat. Hij stelt zich ook niet in relatie tot het schepsel, alsof dit eenigszins bestaan zou buiten Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen en alle menschen in die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwiglijk en onveranderlijk wil en juist zoo, op die wijze en in dat moment des tijds, waarin zij in de werkelijkheid plaats grijpen, cf.deel II125v. Daarom is het ook God zelf, die in Christus de verzoening aanbrengt, 2 Cor. 5:19; Hij verzoent zichzelven door de offerande des kruises; Hij brengt in de gehoorzaamheid van Christus zichzelf en al zijne deugden tot erkenning en handhaaft zichzelven als God voor het oog van al zijne creaturen; het is, wijl Christus waarachtig God is en voor dit Goddelijk werk ook waarachtig God moest zijn, het is God zelf, die door het kruis alle dingen met zichzelven verzoent. Hij plaatst in Christus de gemeente in die verhouding tot zichzelven, dat zij Hem, den onveranderlijke, niet meer in zijn toorn maar in zijne genade aanschouwt.Jam diligenti nos sibi reconciliavit. Quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat. Cf. Augustinus, de trin. V 16. Enchir. 33. Lombardus e. a. op Sent.III dist. 19, 6. Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Calvijn, Inst. II 16, 2-4. Turretinus, de satisf. p. 49. 86. 87. Moor III 448-450. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2, 263. Dorner, Chr. Gl. II 612. Frank, Chr. Wahrh. II 181 f. 194 f. Kähler, Zur Lehre v. d. Vers. 362 f. Shedd, Dogm. Theol. II 401 etc. A. A. Hodge,The atonementch. 9 enz.
Door de offerande van Christus is er dus eene verhouding van verzoening en vrede tot stand gekomen tusschen God en mensch. Christus heeft alsἱλασμοςde zonde gesühnt en daardoor God versöhnt. Het onderscheid tusschenἱλασμος, enκαταλλαγηbestaat niet daarin, dat gene objectief en deze subjectief is. Ook deκαταλλαγηis eene objectieve, door God zelf tot stand gebrachte relatie tusschen Hem en de wereld, 2 Cor. 5:18, 19. Maar in hetἱλασκεσθαιis Christus als middelaar het subject, wendt, door zijne offerande de zonden bedekkende, Gods toorn af en verwerft zijne genade. Maar in hetκαταλλασσεινis God zelf het subject, 2 Cor. 5:19; door Christus te geven totἱλαστηριον, brengt Hij tusschen zich en de wereld eene verhouding van vrede tot stand. Hij toornt niet meer; wat Hem tot onzenἀντιδικοςmaakte, n.l. de zonde, is door Christus’ offerande bedekt; Hij stichtte in Christus eene zoodanige verhouding, waarin wij Hem niet meer tegen ons hebben; Hij legde zijne vijandschap af, wijl hare oorzaak, de zonde, is weggenomen door den dood van Christus, en staat nu tot de wereld in eene verhouding van vriendschap en vrede;καταλλαγηis dus de door expiatio, placatio, Versühnung tot stand gekomene reconciliatio, Versöhnung. Dezeκαταλλαγηis de inhoud van het evangelie; alles is volbracht, God is verzoend, er is onzerzijds niets meer te doen; en heel deδιακονια κης καταλλαγηςbestaat in de uitnoodiging tot de menschen:καταλλαγητε τῳ θεῳ, legt gij ook uwerzijds de vijandschap af, gaat in in die verhouding van vrede, in welke God door de offerande van Christus zich tot zondaren gesteld heeft, gelooft het evangelie, Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 5:18-21, cf. Ef. 2:16, Col. 1:20-22, Cremer s. v.ἱλ.enκαταλλ., Philippi op Rom. 5:10, Holtzmann, Neut. Theol. II 99 f. Reeds hiermede is die gansche voorstelling geoordeeld, welke voldoening en verzoening scheidt en de laatste eerst tot stand doet komen, wanneer de mensch gelooft en zich bekeert. De menschen verzoenen zich niet met God, alsof zij met en naast God het subject der verzoening waren;maar God heeft de wereld met zichzelven verzoend, zonder haar toedoen, buiten haar om, zonder dat zij er het minste aan toegebracht heeft of aan behoeft toe te brengen; menschen ontvangen alleen de verzoening als eene gave, Rom. 5:11, en nemen ze aan door het geloof, 2 Cor. 5:20. Maar uit deze ééne weldaad der verzoening, door Christus verworven, vloeien allerlei weldaden voort. Dat kan ook niet anders. Als de verhouding tusschen God en de wereld in het reine is, dan komt te zijner tijd alles in orde, ook de verhouding tusschen hemel en aarde, engelen en menschen, menschen onderling, en ook de verhouding der menschen tot zonde, dood, wereld, Satan enz. In de sfeer van het recht is het pleit beslist. God heeft gelijk en daarom wordt Hij vroeger of later overal, op alle terrein, en voor alle creaturen in het gelijk gesteld. Het recht is aan zijne zijde en het zal eens door allen gewillig of onwillig worden erkend. In deκαταλλαγη, de vredeverhouding Gods in Christus tot de wereld, liggen dus allerlei andere weldaden opgesloten. De vruchten van Christus’ offerande zijn niet tot eenig terrein beperkt; zij bepalen zich niet, gelijk tegenwoordig zoo velen meenen, tot het religieus-ethische leven, tot het hart, de binnenkamer, de kerk, maar zij breiden tot heel de wereld zich uit. Want machtig moge de zonde zijn, niet gelijk de misdaad is de genadegift; de genade Gods en de gave door de genade is bovenmate overvloedig, Rom. 5:15. De weldaden, die uit deκαταλλαγηGods in Christus ons toekomen, zijn te vele om te noemen, bovenbl. 312v. Zij kunnen ingedeeld in:juridische, n.l. vergeving der zonden, Mk. 14:24, Hebr. 9:22, rechtvaardigmaking, Rom. 3:24, 4:25, 5:9, 8:34, 1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:21, aanneming tot kinderen, Gal. 3:26, 4:5, 6, recht op het eeuwige leven en de hemelsche erfenis, Rom. 8:17, 1 Petr. 1:4, ook verlossing,ἀπολυτρωσις, Ef. 1:7, Col. 1:14, Hebr. 9:15, dat echter soms ruimere beteekenis heeft, Rom. 3:24, 8:21, 23, 1 Cor. 1:30, Ef. 1:14, 4:30, 1 Petr. 1:18, 19;mystische, bestaande in het gekruisigd, begraven, opgewekt en in den hemel gezet worden met Christus, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Col. 3:1-13;ethische, n.l. wedergeboorte, Joh. 1:12, 13, levendmaking, Ef. 2:1, 5, heiligmaking, 1 Cor, 1:30, 6:4, afwassching, 1 Cor. 6:11, reiniging, 1 Joh. 2:9, besprenging, 1 Petr. 1:2, naar lichaam, ziel en geest, 2 Cor. 5:17, 1 Thess. 5:23;moreele, bestaande in de navolgingvan Christus, die ons zijn voorbeeld heeft nagelaten, Mt. 10:38, 16:24, Luk. 9:33, Joh. 8:12, 12:26, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:5, Ef. 2:10, 1 Petr. 2:21, 4:1;oeconomische, n.l. de vervulling van het Oudtest. verbond, de inwijding van een nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de vrijheid van de wet, Rom. 7:1v., Gal. 2:19, 3:13, 25, 4:5, 5:1 enz., de uitwissching van het handschrift der wet, de afbreking van den muur des afscheidsels, de verzoening van Jood en Heiden en van alle andere in de menschheid bestaande tegenstellingen tot de eenheid in Christus, Gal. 3:28, Ef. 2:11-22, Col. 2:21;physische, n.l. de overwinning der wereld, Joh. 16:33, van den dood, 2 Tim. 1:10, Hebr. 2:15, van de hel, 1 Cor. 15:15, Op. 1:18, 20:14, van Satan, Luk. 10:8, 11:22, Joh. 14:30, Hebr. 2:14, 1 Cor. 15:55, 56, Col. 2:15, 1 Petr. 3:22, 1 Joh. 3:8, Op. 12:10, 20:2 enz. In één woord: de gansche herschepping, de volkomene herstelling van de door de zonde met schuld beladene, verdorvene en uiteengeslagen wereld en menschheid is de vrucht van Christus’ werk. Objectief, principieel, in de sfeer van het recht heeft Hij die herschepping tot stand gebracht door zijn kruis. Toen is tusschen God en wereld deκαταλλαγηgesticht. En daarom zal Christus te zijner tijd—want het gaat alles in vaste orde—de gemeente eens zonder vlek of rimpel aan den Vader voorstellen, het koninkrijk Gode overgeven en God alles in allen zijn, 1 Cor. 15:22-28.
In de theologie is deze rijkdom der weldaden van Christus steeds erkend. Door Christus, zeide Clemens Alex., is de aarde eenπελαγος ἀγαθωνgeworden. Men sprak van Christus als mediator, redemptor, reconciliator, liberator, dispensator, salvator, medicus, dominus, pastor, rex enz., duidde het werk, door Hem tot stand gebracht, aan alsθεοποιησις, θειωσις, deificatio, vivificatio, salvatio, liberatio, redemptio, restitutio, purgatio, regeneratio, illuminatio, resurrectio enz., en trachtte soms al die weldaden ook eenigermate te classificeeren, zooals in de bekende versregels:Propitians, purgans, redimens, ut victima, sponsor Salvavit, sic jura Dei verumque requirunt, of onder de hoofden expiatio, remissio, consummatio enz., cf. Athan., de incarn. 54. Greg. Naz., Or. 2. Eusebius, Dem. Ev. IV 21. Aug. de pecc. mer. I 26. Thomas, S. Theol. III qu. 48. 49. Bonaventura, Brevil. IV 1. Petavius, de incarn. XII c. 6. 7. Polanus,Synt. VI c. 18. Voetius, Disp. II 229 sq. Mastricht, V 18, 22. Turretinus, de satisf. 317. M. Vitringa VI 121. Maar tot eene logische orde en geregelde behandeling kwam het toch meestal niet. De beschouwing van het werk van Christus als satisfactio en meritum, die sedert Anselmus opkwam, kon dit gemis niet vergoeden; beide zijn alleen logisch onderscheiden, want hetzelfde werk van Christus is satisfactio, inzoover Hij zijne offerande Gode bracht en aan zijn eisch voldeed, en het is meritum, inzoover Christus daardoor bij God voor ons de zaligheid verwierf, Thomas, III qu. 48 art. 1 en 2. Petavius, de incarn. XII 9. Perrone, Prael. IV 311. Calvijn, Inst. II 17 1. Voetius, Disp. II 228. Mastricht, Theol. V 18, 14. 20. Quenstedt III 225. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2283 enz. Beide begrippen stellen het werk van Christus ook te eenzijdig onder de categorie van werk en verdienste; het is veelmeer de vraag wat Christus „verdiend” heeft en hoe dit met zijne offerande in verband staat. In den nieuweren tijd heeft men daarom deze termen bijna geheel laten vallen en in plaats daarvan de vrucht van Christus’ werk als Erlösung of Versöhnung aangeduid. De eerste omschrijving kwam vooral door Schleiermacher in eere; wel spreekt hij ook van eene nieuwe schepping, die door Christus tot stand gebracht wordt, maar deze valt hem toch met de Erlösung saam, Chr. Gl. § 89, 1. 2; en onder haar verstaat hij de mededeeling zijner zondelooze volkomenheid, § 88, de opname der geloovigen in de kracht van zijn Godsbewustzijn, § 100, welke niet magisch, noch empirisch, maar mystisch geschiedt door scheppende Goddelijke werkzaamheid, door de zelfopenbaring van Christus in zijne gemeente, § 100, 2, 3. Daarnaast neemt Schleiermacher dan nog eene verzoenende werkzaamheid van Christus aan, daarin bestaande, dat Hij de geloovigen opneemt in de gemeenschap zijner ongestoorde zaligheid en hen door middel van zijne levensgemeenschap met Hem doet deelen in de vergeving der zonden, § 101. Ritschl daarentegen vat de werking van Christus saam onder rechtvaardiging en verzoening; de vruchten van zijn leven bestaan niet in Umstimmung van God uit een vertoornd rechter in een genadig Vader, II 208 f. 217 f. III 439, niet in eigenlijke loskooping, II 221, niet in bevrijding van den dood, II 86, ook niet in het mystieke sterven en opstaan met Christus, want Rom. 6 is sterke symboliek en levert geen stof voor eendogma, II 226 f.; maar Christus verzekert en waarborgt ons door heel zijn persoon en leven, dat God liefde is; Hij laat ons trots onze zonden toe tot de gemeenschap met God, III 506 f. De rechtvaardiging, welke Christus ons schenkt, is niet kwijtschelding van schuld en straf, niet toerekening van zijne gerechtigheid, maar wegneming van het schuldbewustzijn, en daardoor van de scheiding tusschen ons en God, III 51, 61, de wegneming van de gedachte, dat de zonde de gemeenschap met God verhindert, III 60. Gevolg en werking van deze rechtvaardiging is de verzoening; deze toch bestaat daarin, dat hij, die de rechtvaardiging, welke eigenlijk een goed der gemeente is, in het geloof aanneemt, nu ook subjectief in die nieuwe verhouding tot God ingaat, zijnerzijds de vijandschap aflegt en in verhouding van vrede tot God zich stelt; zij is een ethische verandering in ons, II 230 f. 342 f. III 74-76. Unterricht § 37. Er is groot verschil tusschen Schleiermacher en Ritschl: bij genen staat de persoon, bij dezen het werk van Christus op den voorgrond; bij den eersten komt de subjectieve verandering des menschen tot stand langs mystischen weg, door levensmededeeling, bij den tweeden langs ethischen weg, door leer en voorbeeld; de eerste weldaad is bij Schleiermacher de Erlösung, de mededeeling van Christus’ zondelooze volkomenheid, en bij Ritschl de objectieve, synthetische rechtvaardiging, die allereerst een goed der gemeente is. Maar bij dat verschil is de overeenstemming nog grooter: Christus is bij beiden de zondelooze mensch, die in bijzondere gemeenschap met God staat; de passieve gehoorzaamheid wordt in het werk van Christus door beiden ontkend; zijn lijden en dood is slechts het noodzakelijk gevolg van zijne ten einde toe gehandhaafde trouw aan God; het verband tusschen Christus’ werk en de vruchten daarvan in den geloovige, in de gemeente blijft bij beiden onhelder; beiden verleggen het zwaartepunt der verlossing en der verzoening uit het objectieve werk van Christus in de subjectieve verandering der geloovigen; en zelfs, al schijnt Ritschl de rechtvaardiging als een objectieve weldaad der gemeente en als een synthetisch oordeel aan het geloof te laten voorafgaan, feitelijk wordt toch ook bij hem, niet voor de gemeente in haar geheel maar wel voor ieder individu, de rechtvaardiging van de subjectieve verzoening afhankelijk, cf. Jahrb. f. d. Theol. 1888 S. 21. 22. Kübel, Ueber den Unterschied der posit. u. der liber. Richtung in der mod.Theol.21893 S. 150. Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 32 f. Bovenal echter komen beiden daarin overeen, dat zij de werking van Christus’ leven en lijden tot het religieuse en ethische gebied beperken. Nu is het waar, dat zij zelfs bij deze beperking geen van beiden helder in het licht stellen, hoe de persoon en het werk van Christus deze verandering op religieus en ethisch gebied kan tot stand brengen. Maar toch is het ter andere zijde tot op zekere hoogte te begrijpen, dat, indien de vrucht van Christus’ werk tot dit terrein beperkt wordt, ook zijn werk en zijn persoon zoo opgevat wordt als door Schleiermacher en Ritschl geschiedt; want het is waar, wat eerstgenoemde zegt:die eigenthümliche Thätigkeit und die ausschliessliche Würde des Erlösers weisen auf einander zurück und sind im Selbstbewusstsein der Gläubigen unzertrennlich eins, Chr. Gl. § 92. Bij deze opvatting is te verstaan, dat de passieve gehoorzaamheid wordt ontkend, dat de Godheid van Christus slechts is een zijn van God in Hem, dat opstanding, hemelvaart enz., onnoodig zijn; eene pantheistisch-mystische of eene deistisch-moreele werking van Christus’ persoon en werk is dan ter zaliging voldoende.
Maar dat is toch waarlijk niet in overeenstemming met de leer der H. Schrift; het is eene miskenning van den persoon van Christus en eene verkleining van zijn werk. Christus is maar niet eenἀνθρωπος ἐνθεοςdoch de eeuwige en eengeboren Zoon van God, het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, zelf God, boven alles te prijzen in der eeuwigheid. En de vrucht van zijn leven en sterven is maar niet zekere magische of moreele invloed, die van Hem in de wereld uitgaat, doch is niet minder dan deἀποκαταστασις παντων, Hd. 3:21, deἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν τῳ Χριστῳ, τα ἐπι τοις οὐρανοις και ἐπι της γης, Ef. 1:10. Dit werk der herschepping heeft zijn beginsel en oorsprong in de volmaakte offerande van Christus, of liever nog in deκαταλλαγη, welke God in Christus tusschen zich en de wereld tot stand gebracht heeft. God wil niet winnen door overmacht. Licht ware het voor Hem geweest, de gansche wereld in zijn toorn te vernietigen en aan eene andere wereld en menschheid het aanzijn te schenken, Num. 14:12. Maar God verhoogt zich in gericht en heiligt zich in gerechtigheid, Jes. 5:16. De zonde is geen physische, maar eene ethische macht. Satan heeft in de zonde zijn ongoddelijkemacht over de wereld, en de zonde heeft hare kracht in de wet, 1 Cor. 15:56. Zoo heeft het Gode behaagd, deze macht op zedelijke wijze, in den weg van recht en gerechtigheid te overwinnen. Niet door geweld of macht, maar door het kruis, dat den schuldbrief der wet te niet deed, heeft God over de overheden en machten getriumfeerd, hen van hun wapenrusting beroofd, en openlijk in hun schande tentoongesteld, Col. 2:15. En daarom nu, wijl God in den weg des rechts de zonde en heel haar macht overwonnen heeft, daarom is Hij vrij, zelfs zijne wederpartijders rechters zijnde, om den goddelooze te rechtvaardigen, Rom. 4:5; niemand kan beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods, Rom. 8:33. God is het, die rechtvaardigt, en die in de rechtvaardiging van dengene, die uit het geloof van Jezus is, zelf blijkt de rechtvaardige te zijn, Rom. 3:26. God kan dat doen, behoudens, ja tot roem van zijne gerechtigheid, omdat Christus gestorven en opgewekt is, Rom. 8:34. Op grond van die offerande kan Hij wereld en menschheid aan de zonde ontrukken, zijn koninkrijk uitbreiden, alle dingen onder Christus als hoofd vergaderen en eens alles in allen zijn. Niemand, ook Satan niet, kan daartegen iets inbrengen; aan het einde zal elk moeten erkennen, dat God rechtvaardig en dat Christus de wettige, de rechtmatige Heer is, Phil. 2:11. Tusschen de weldaden, die Christus verworven heeft, en zijn persoon en offerande, bestaat dan ook geen physisch of magisch verband, alsof eenige substantie van Godmenschelijk leven, Goddelijke natuur enz. uit Hem in ons werd overgestort, zooals theosophen het zich voorstellen. Maar God heeft zich zelf in Christus den koninklijken weg des rechts gebaand, om aan zijn gevallen schepsel den rijkdom zijner genade te verheerlijken. Uit de door Hem zelf, buiten de wereld om, gestichte, objectieveκαταλλαγηvloeien der menschheid alle bovengenoemde weldaden om Christus’ wille toe, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de volkomene verlossing, de gansche herschepping. En wijl dit werk der herschepping zoo groot is, grooter nog dan dat der schepping en der onderhouding, daarom moest Hij, aan wien dit werk werd opgedragen, niet alleen waarachtig en rechtvaardig mensch, maar ook sterker dan alle schepselen, d. i. tegelijk waarachtig God zijn. Dezelfde, door wien, God de wereld schiep, kon ook alleen de middelaar der herschepping zijn, Bonaventura, Brevil. IV c. 1.
19. Intensief is het werk van Christus van oneindige waardij, maar ook extensief breidt het tot heel de wereld zich uit. Gelijk de wereld het voorwerp is geweest van Gods liefde, Joh. 3:16, zoo is Christus gekomen om die wereld niet te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3:17, 4:42, 6:33, 51, 12:47; in Hem heeft God de wereld, alle dingen in hemel en op aarde, tot zichzelven verzoend, Joh. 1:29, 2 Cor, 5:19, Col. 1:20 en vergadert ze in deze bedeeling tot één, Ef. 1:10; de wereld, door den Zoon geschapen, is ook voor den Zoon als haar erfgenaam bestemd, Col. 1:16, Hebr. 1:2, Op. 11:15. Door Origenes is hieruit afgeleid, dat Christus door zijn lijden en sterven de gansche wereld verlost heeft, niet alleen alle menschen maar ook alle andere redelijke wezens, n.l. de gevallen engelen, en voorts alle schepselen, de princ. I 6.; Christusοἰ μονον ὑπερ ἀνθρωπων ἀπεθανεν, ἀλλα και ὑπερ των λοιπων λογικων, in Joann. I 40. Hij is wel slechts eenmaal gestorven, in de voleinding der eeuwen, Hebr. 9:26, maar de kracht van zijn dood is genoegzaam tot verlossing niet alleen van de tegenwoordige wereld maar ook van die, welke vroeger bestaan heeft of later bestaan zal, en niet alleen van de menschen maar ook van de hemelsche geesten, de princ. II 3, 5. Hom. in Lev. I 3, cf. Schwane, D. G. I2254. Dit universalisme is echter door de christelijke kerken altijd verworpen, b. v. Const. 543 can. 7. 12; en feitelijk zijn deze altijd in zoover particularistisch, dat zijτα πανταin Col. 1:20 beperken en niet tot de gevallen engelen uitbreiden. Maar desniettemin heeft men uit deze en andere plaatsen, waar het woord wereld of allen met de offerande van Christus in verband wordt gebracht, Jes. 53:6, Rom. 5:18, 8:32, 1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9, 1 Tim. 2:4, 6, 2 Petr. 3:9, 1 Joh. 2:2, het besluit getrokken, dat Christus voor alle menschen, hoofd voor hoofd, voldaan had en dat de satisfactio vicaria dus als universeel moest worden opgevat. De kerkvaders vóór Augustinus spreken gemeenlijk zeer universalistisch over den heilswil Gods en over de verzoening van Christus, cf. Petavius, de incarn. XIII c. I. 2; maar de eigenlijke kwestie bestond in dien tijd nog niet en kon toen ook nog niet opkomen, wijl men aan Gods zijde alleen eene praescientia aannam en aan ’s menschen zijde op zijne wilsvrijheid, schoon door de zonde verzwakt, den nadruk liet vallen,deel II319. In den pelagiaanschen strijd moest zij echter aan de ordekomen; en Augustinus, was de eerste, die duidelijk de particuliere voldoening leerde. Wel zegt Augustinus meermalen met de Schrift, dat God aller zaligheid wil, dat, indien een voor allen gestorven is, allen gestorven zijn, dat wie verloren gaan, niet hebben willen gelooven, dat wie gelooft, dat vrijwillig doet, Petavius, ib. c. 3, dat Christus een verzoening is voor de geheele wereld en alle dingen, hemelsche en aardsche, met elkander verzoend heeft, Kühner, Augustins Anschauung v. d. Erlösungsbedeutung Christi 1890 S. 62. Maar dit alles bewijst hoegenaamd niets tegenover dit andere, door Augustinus even klaar en duidelijk uitgesproken, dat de heilswil Gods en de verzoening in Christus beperkt is tot de praedestinati. Vooreerst volgt dit reeds in het algemeen uit Augustinus’ leer over de praedestinatie en over de genade,deel II320; als het getal dergenen, die zalig zullen worden, eeuwig en onveranderlijk door God is bepaald en hun alleen de genade des geloofs en der volharding geschonken wordt, dan is daartusschenin de stelling niet meer te handhaven, dat Christus voor alle menschen hoofd voor hoofd heeft voldaan. Ten tweede vat Augustinus 1 Tim. 2:4 altijd op in beperkten zin; wel geeft hij van dien tekst verschillende verklaringen, nu eens, datomnes qui salvi fiunt nisi ipso volente non fiunt, Epist. 107, de civ. XIII 23, en dan, dat onder alle menschen te verstaan zijn alle praedestinati, die uit alle volken en klassen van het menschelijk geslacht zijn verkoren, Enchir. 103. de corr. et gr. 14. c. Jul. IV 8, maar overal, waar hij den tekst opzettelijk verklaart, verstaat hij hem in beperkten zin, cf. Petavius,de DeoXI 7, 10. de incarn. XII 4. En ten derde brengt hij den persoon en het werk van Christus telkenmale alleen met de verkorenen in verband; God riep door Christus populum credentium tot de adoptie, Conf. IX 1; Christus heeft door zijne opstanding nos praedestinatos tot een nieuw leven geroepen, door zijn bloed justificandos peccatores vrijgekocht, de trin. IV c. 13.Omnis, qui Christi sanguine redemptus est, homo est, non tamen omnis, qui homo est, etiam sanguine Christi redemptus est, de conj. adult. I 15.Non perit unus ex illis, pro quibus Christus mortuus est, Epist. 102 ad Evod., cf. Wiggers, August. und Pelag. I 313. Vitringa VI 147. Hoewel het semipelagianisme spoedig de overhand kreeg, bleven er toch velen ook op dit punt aan Augustinus getrouw. Met beroep op 1 Tim. 2:4 zeiden de Semipelagianen,dat God alle menschen met gelijke liefde omvat en allen eene gelijke mate van genade toedeelt. Daarop antwoordde Prosper, datomnium cura est Deo, et nemo est, quem non aut evangelica praedicatio aut legis testificatio aut ipsa etiam natura conveniat; sed infidelitatem hominum ipsis adscribimus hominibus; fidem autem hominum donum Dei esse fatemur, sine cujus gratia nemo currit ad gratiam. En wat betreft de particulariteit der voldoening, Christus is welpro totius mundi redemptione crucifixus, propter veram humanae naturae susceptionem et propter communem in primo homine omnium perditionem; potest tamen dici pro his tantum crucifixus, quibus mors profuit, Resp. ad cap. cal. Gall. 8. 9. Hoe gematigd dit uitgedrukt zij, alle volgelingen van Augustinus, Prosper, Lucidus, Fulgentius enz., stemden toch hierin overeen, dat, hoezeer God voor alle menschen zorgt en hun allerlei weldaden schenkt, Hij toch niet op gelijke wijze de zaligheid van allen wil; dat Hij niet allen eene zelfde mate van genade verleent; en dat Christus, schoon in zekeren zin voor allen gestorven, toch efficaciter alleen gestorven is voor hen, wien zijn dood werkelijk ten goede komt. Maar de synode van Arles 475 dwong Lucidus tot herroeping van zijne leer, dat Christus alleen gestorven was voor hen, die werkelijk zalig worden. En de synode van Orange 529 zeide alleen, dat omnes baptizati kunnen vervullen, wat tot de zaligheid noodig is, cf. Petavius, de incarn. XIII c. 5-7. Schwane, D. G. II2571-582. In de 9eeeuw kwam het vraagstuk opnieuw ter sprake; Gottschalk leerde, dat Christusbaptismi sacramento (reprobos) luit, non tamen pro eis crucem subiit neque mortem tulit neque sanguinem fudit. Lupus zeide, dat Christus niet voor alle menschen gestorven is, maar wel voor alle geloovigen, ook voor hen, die later het geloof weer verliezen. Remigius maakte eene dergelijke onderscheiding. En de synode van Valence 855 sprak in denzelfden geest; zij verwierp, dat Christus zijn bloed had gestortetiam pro illis impiis, qui a mundi exordio usque ad passionem Domini in sua impietate mortui aeterna damnatione puniti sunt, en beleed, dat die prijs alleen betaald was voor hen,de quibus ipse Dominus noster dicit: sicut Moyses exaltavit serpentem in deserto, ita exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in ipso non pereat sed habeat vitam aeternam, can. 4. Ook de scholastiek bleef in hoofdzaak nog aan Augustinus getrouw; 1 Tim.2:4 moet niet zoo opgevat, alsof God wel wilde wat niet geschiedt, alsof Hij wilde, dat er ook behouden werden, die het feitelijk niet worden, maar deze tekst wil zeggen,nullum hominum fieri salvum nisi quem salvum fieri ipse voluerit, of dat er allerlei menschen uit alle volken en standen zalig zullen worden, of ook wel, meer in den zin van Damascenus, dat God aller zaligheid wil, n.l.voluntate antecedente, conditionale, d. i. indien zij zelf willen en tot Hem komen, maar dan was deze wilmagis velleitas quam absoluta voluntas, Lombardus, Sent. I dist. 46, 2 en ook op 1 Tim. 2:4. Bonaventura, ib. art. 1 qu. 1. Thomas, S. Theol. I qu. 19 art. 7 qu. 23 art. 4 ad 3. En wat de satisfactie aangaat, descholastiekleerde wel, dat zij superabundans was en geschieddepro peccato humani generis, totius humanae naturaeenz., Thomas, S. Th. III qu. 46 art 1, maar zij betoogde de mogelijkheid der voldoening vooral daarmede, dat Christus het hoofd was en de geloovigen de leden zijns lichaams, en bracht de voldoening daarom telkens alleen met de geloovigen in verband; zoo zegt Thomas,caput et menbra sunt quasi una persona mystica et ideo satisfactio Christi ad ommes fideles pertinet sicut ad membra, III qu. 48 art. 2;quia ipse est caput nostrum, per passionem suam liberavit nos tanquam membra sua a peccatis, quasi per pretium suae passionis, sicut si homo per aliquod opus meritorium quod manu exerceret, redimeret se a peccato quod pedibus commisisset, III qu. 49 art. 1. En III qu. 79 art. 7. zegt hij:passio Christi prodest quidem omnibus quantum ad sufficientiam, sed effectum non habet nisi in illis qui Christi conjunguntur per fidem et charitatem. Dat deze efficacitas niet afhangt van ’s menschen vrijen wil, maar van Gods verkiezing en Christus’ offerande zelve, blijkt in het algemeen uit Thomas’ leer van de gratia en bepaald ook daaruit, dat hij III qu. 48 art. 6 zegt:passio Christi efficienter causat salutem humanam; cf. ook Lombardus:Christus electos tantum sicut se dilexit eorumque salutem optavit, Sent. III dist. 31, 4.Christus se trinitati obtulit pro omnibus, quantum ad pretii sufficientiam, sed pro electis tantum quantum ad efficaciam, quia praedestinatis tantum salutem effecit, ib. III dist. 20, 3. Later werd ditzelfde gevoelen in de Roomsche kerk nog verdedigd door Bajus, Jansenius, Quesnel. en zelfs ook door Tapper, Estius, Sonnius e. a., cf. Rivetus, Op. III 438. M. Vitringa VI 155-159. Maar hetsemipelagianisme drong in Rome’s kerk hoe langer hoe dieper door, en daardoor werd het vooral na Trente schier algemeene leer, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil, dat Christus voor allen voldaan heeft, en dat de voluntas consequens rekent met het goede of slechte gebruik, dat de menschen van hun vrijheid en van de genade maken,deel II325, en voorts Trid. VI c. 2 en 3. Cat. Rom. I 3, 7. Innoc. X in damn. 5 propos. Jans. Bellarminus, de sacrif. missae I 25. de poenit. I 2. de amiss. gr. IV 4. Becanus, Manuale Controv. III 1 qu. 1. Petavius, de incarn. XIII c. 14. Theol. Wirceb. IV 322. Scheeben, Dogm. III 356. Jansen, Prael. theol. II 748 enz. En hiermede zijn in het wezen der zaak eenstemmig de Grieksche kerk, Damascemus, de fide orthod. II c. 29. Conf. orthod. qu. 34. 47; de Lutherschen, Symb. ed. Müller p. 781. Gerhard, Loc. VII c. 6. Quenstedt, III 311-324. Hollaz, Ex. 745. Buddeus, Inst. theol. 824; de Remonstranten, Conf. en Apol. conf. VIII 10. Arminius, Op. 153. Episcopius op 1 Joh. 2:2. Limborch, Theol. Christ. IV c. 3-5; en voorts de Mennonieten, Kwakers, Herrnhutters, Methodisten enz.
De Gereformeerden staan met hun leer van de particuliere voldoening dus vrij wel alleen. En daarbij komt dan nog, dat zij onder elkander volstrekt niet eenstemmig waren en langzamerhand steeds verder van elkander afweken. Verschillende belijdenissen spreken gematigd en algemeen, b. v. de conf. Anhalt., bij Niemeyer p. 635. 639, March., ib. 650. 651, Lips., ib. 662, Thorun., ib. p. 674; de Anglicana zwijgt ervan; de Cat. Heid. spreekt ze ook niet rechtstreeks uit, al is qu. 37 ten onrechte als een bewijs voor de algemeene voldoening aangehaald, cf. M. Vitringa VI 136; de Fransche, Nederl., Schotsche confessie leeren haar niet dan per consequentiam. In de canones van Dordrecht wordt ze duidelijk geleerd, maar tevens gezegd, dat de offerande van Christus wasinfiniti valoris et pretii, abunde sufficiens ad totius mundi peccata expianda, II 3, en voorts komt ze nog voor in de Westm. conf. VIII 1. 5. 8. Cat. major et minor Cons. Helv. 13. Walch. art. 1693. Ook onder de theologen was er geen eenstemmigheid. Sommigen meenden, dat het wel goed was te zeggen, dat Christus’ offerande voor alle menschen voldoende ware geweest, indien God haar voor allen efficax had willen maken; maar men kon toch eigenlijk nietzeggen, dat zij voldoende was voor allen; want indien Christus niet efficaciter voor allen gestorven was, dan was Hij het ook niet sufficienter; en indien men dan toch zoo ging spreken, gaf men aanleiding tot misverstand en bereidde de gevaarlijke onderscheiding voor van voluntas antecedens en consequens, van gratia sufficiens en efficax, Beza, Piscator, Twissus, Voetius, Disp. II 251 sq. Anderen spraken echter met Augustinus en de scholastici zoo, dat Christus sufficienter voor allen, efficaciter alleen voor de uitverkorenen gestorven was, Calvijn op 1 Joh. 2:2. H. Alting, Probl. theol. 174. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 14. Mastricht, V 18, 21. 39. Moor III 1035-1075 enz. Op deDordtschesynode spraken de buitenlandsche afgevaardigden over de dignitas en sufficientia van Christus’ offerande zoo ruim mogelijk; de Engelsche godgeleerden zeiden zelfs, dat Christus in zekeren zin voor allen gestorven was;sic Christus pro omnibus mortuus est, ut omnes et singuli, mediante fide, possint virtuteἀντιλυτρουhujus remissionem peccatorum et vitam aeternam consequi, thesis 3. In Engeland was er tegenover de streng-gereformeerde school van Twissus, Rutherford e. a. eene meer gematigde richting, vertegenwoordigd door Davenant, Calamy, Reynolds, Arrowsmith, Seaman enz., en vooral door Richard Baxter. Hun gevoelen kwam zakelijk geheel overeen met dat van de Fransche theologen, Camero, Testardus, Amyraldus enz.; er was een voorafgaand besluit, waarnaar Christus voor allen conditioneel, onder voorwaarde van geloof, had voldaan, en een ander volgend bijzonder besluit, waarnaar Hij voor de uitverkorenen zóó had voldaan, dat Hij hun indertijd ook het geloof schenkt en onfeilbaar hen tot de zaligheid leidt,deel II341. In de Schotsche kerk kwam de leer der particuliere voldoening in verband met het algemeene aanbod der genade herhaaldelijk ter sprake; zij was zelfs mede eene van de oorzaken voor de scheiding der Erskine’s in 1733. Om de neonomiaansche richting te ontgaan, die het geloof tot eene wettische voorwaarde maakte en het evangelie daarom alleen bestemd liet zijn voor bepaalde, gequalificeerde personen, leerden de zoogenaamdeMarrowmen(James Hog, Thomas Boston, Ralph en Ebenezer Erskine, Alexander Moncrieff enz., cf.deel I128), dat Christus’ offerande eenlegal, federal sufficiencybezat voor alle menschen en grondden daarop het algemeene aanbod van genade. Sommigen gingen nog verder,maakten onderscheid tusschen eene algemeene en bijzondere genade, een uit- en inwendig verbond (Thomas Mair 1754), of leerden eene algemeene voldoening (James Fraser, †1698, maar zijne verhandelingon justifying faithwerd eerst in twee stukken gepubliceerd 1722 en 1749), of ontkenden zelfs geheel de voldoening (Dr. M. Gill,Practical essay on the death of Christ, 1786). In deze eeuw werd de particuliere voldoening in Schotland wederom het onderwerp van een langdurigen strijd. In 1820 gaf de United Associate Synod of the Secession Church eene verklaring, waarbij zij de algemeene voldoening wel veroordeelde, maar toch leerde, dat Christus’ offerande voor allen voldoende was en allen gebracht had in eensalvable state. Zoowel ter rechter- als ter linkerzijde vond deze verklaring bezwaar; sommigen ontkenden, dat allen recht hadden op Christus, en bestreden de algemeene voldoening in elken zin, Palaemon in zijneLetters upon Theron and Aspasio, Symington, Haldane, en vooral Dr. Marshall; anderen leerden beslist de algemeene voldoening, William Pringle, John McLeod Campbell, James Morison, Robert Morison, A. C. Rutherford, John Guthrie; de beide professoren Balmer †1844 en Brown werden zelfs door Marshall aangeklaagd, maar toch door de synode in 1845 vrijgesproken, cf. Andrew Robertson,History of the atonement controversy in connexion with the Secession Church from its origin to the present time, Edinb. 1846. Evenzoo werd in andere landen de leer der bijzondere voldoening in den geest van Grotius of van Amyraldus verzwakt of ook beslist verworpen, in Engeland door Daniel Whitby, tegen wien Jonathan Edwards optrad; in Amerika door de Edwardean of New-England theologen, Emmons, Taylor, Park, Fiske enz.; in Duitschland door P. Volckmann e. a.; hier te lande vooral door Venema, cf. Ypey, Gesch. der chr. kerk in de 18eeeuw VII 133v. Tegenwoordig is de leer der bijzondere voldoening bijna algemeen prijsgegeven, ook door Van Oosterzee, § 111, 6. Leer der Zal. n. 66. Heid. Cat, bl. 176. Ebrard, Dogm. § 430. Daarentegen wordt ze nog verdedigd door Ch. Hodge, Syst. Theol. II 544-562. A. A. Hodge,The atonementp. 347-429. Shedd, Dogm. Theol. II 464-480. W. Cunningham,Historical Theology, 2 ed. Edinb. Clark 1864 II 323-370. Robert S. Candlish,The atonement, its reality, completeness and extent, London 1861. Hugh Martin,The atonement, Edinb. Hunter z. j. Kuyper, Dat degenade particulier is. En zij vond in den laatsten tijd weer steun bij Ritschl, volgens wien het correlaat van Christus’ offerande niet is de enkele mensch noch ook alle menschen maar bepaaldelijk de gemeente; zij alleen is in het bezit van de rechtvaardiging en vol van vergeving der zonden, zij wordt in de Schrift altijd voorgesteld als het voorwerp der werkingen, welke er van Christus uitgaan, Rechtf. u. Vers. I247-67. 205 f. 305 f. II2216 f. III2103 f.
20. In dit belangrijk geschil over de waarde van Christus’ offerande is er volkomen overeenstemming, ter eener zijde hierover, dat niet alle maar alleen sommige menschen de weldaden van Christus feitelijk deelachtig worden, en anderzijds daarover, dat de offerande van Christus op zichzelve volkomen voldoende ware, om niet alleen sommige maar alle menschen te doen deelen in de vergeving der zonden en het eeuwige leven. De universalisten zijn in de practijk dus allen de particulariteit der genade toegedaan; en de particularisten belijden allen zonder uitzondering de universaliteit der offerande van Christus, wat haar innerlijke waarde betreft. Zelfs zij, die bezwaar hebben in de woorden, dat Christus sufficienter voor allen en efficaciter voor de uitverkorenen gestorven is, erkennen toch volmondig, dat de materia meriti van Christus volkomen voldoende is voor de verzoening van de zonden van alle menschen, en wat zij willen, is alleen dit, dat de forma meriti, d. i. de verdienste van Christus, niet op zichzelve maar in ordine ad reprobos beschouwd, niet alleen niet efficax maar ook niet sufficiens kan heeten, Voetius, Disp. II 254. Het verschil loopt dus alleen over de vraag, of het de wil en debedoelingGods was, dat Christus zijne offerande bracht voor de zonden van alle menschen zonder uitzondering, dan wel alleen voor de zonden dergenen, die Hem van den Vader gegeven zijn. Zoo gesteld, schijnt de vraag haast voor geen tweeërlei antwoord vatbaar. Want ten eerste, brengt de Schrift doorloopend de offerande van Christus alleen met de gemeente in verband, hetzij deze door velen, Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom. 5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28, door zijn volk, Mt. 1:21, Tit. 2:14, Hebr. 2:17, 7:27, 13:12, door zijne schapen, Joh. 10:11, 15, 25v., Hebr. 13:20, door zijne broederen, Hebr. 2:11, door kinderen Gods, Joh. 11:52, Hebr. 2:31-45;door de Hem van den Vader gegevenen, Joh. 6:37, 39, 44, 17:2, 9, 24, door zijne gemeente, Hd. 20:28, Ef. 5:25, door zijn lichaam, Ef. 5:23, of ook door ons als geloovigen, Rom. 5:9, 8:32, 1 Cor. 5:7, Ef. 1:7, 2:18, 3:12, Col. 1:14, Tit. 2:14, Hebr. 4:14-16, 7:26, 8:1, 9:14, 10:15, 1 Joh. 4:10, 1 Petr. 3:18, 2 Petr. 1:3, Op. 1:5, 6, 5:9, 10 enz. aangeduid wordt. Ritschl heeft hier terecht weer de aandacht op gevestigd; want, al is het ook, dat hij hiertoe kwam door gansch andere overwegingen, het feit zelf staat toch vast: in de Schrift zijn niet alle menschen hoofd voor hoofd, maar is de gemeentedas Correlat aller an den Opfertod Christi geknüpften Wirkungen, Rechtf. u. Vers. II2216. De overwegingen bij Ritschl zijn echter andere dan bij de Gereformeerden; deze laatsten zeiden: niet allen maar de gemeente der uitverkorenen. Ritschl zegt: niet de enkele maar de gemeente en tracht alzoo de unio mystica, de gemeenschap van de geloovigen individueel met Christus uit de Schrift te verwijderen. Maar in de zaak zelve is er toch overeenstemming. Tegenover deze klare, doorloopende leer der Schrift hebben de enkele teksten, waarop de universalisten zich beroepen, weinig gewicht. De uitdrukkingallenin Jes. 53:6, Rom. 5:18, 1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9, cf. 10 bewijst niets, of zij bewijst veel meer dan de universalisten beweren en zou ten goede komen aan de leer van Origenes over de wederherstelling aller dingen. De universalisten zijn daarom zelf gedwongen, om het woordallenin deze plaatsen te beperken. Van meer gewicht zijn teksten als Ezech. 18:23, 33:11, Joh. 1:29, 3:16, 4:42, 13:22, 1 Tim. 2:4, 6, Tit. 2:11, Hebr. 2:9, 2 Petr. 3:9, 1 Joh. 2:2, 4:14, waar de wil Gods of de offerande van Christus in verband wordt gebracht met het behoud van allen of van de wereld. Maar deze teksten zijn geen van alle in strijd met de bovengenoemde uitspraken, die Christus’ weldaden tot de gemeente beperken. Immers, het N. Test. is eene gansch andere bedeeling dan het O. Verbond; het evangelie is niet tot één volk bepaald maar moet gepredikt aan alle creaturen, Mt. 28:19; er is geen aanneming des persoons bij God, er is geen onderscheid meer van Heiden en Jood, Hd. 10:34, 35, Rom. 3:29, 10:11-13. Ja zelfs, als in Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom. 5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28 van velen sprake is, voor wie Christus gestorven is, dan ligt daaraan niet de tegenstellingten grondslag, die er later dikwerf ondergeschoven is, dat niet allen maar slechts velen zullen zalig worden. Maar de gedachte, waaruit dit spreken van velen opkomt, is eene gansch andere, n.l. niet voor enkelen is Christus gestorven, maar voor velen, voor zeer velen. Hij geeft zijn leven voor velen, Hij vergiet zijn bloed voor velen, Hij zal velen rechtvaardig maken; niet weinigen zijn het, maar velen, die door de gehoorzaamheid van éénen tot rechtvaardigen gesteld worden. De Schrift is niet bevreesd, dat ertevelen zullen zalig worden. En daarom, uit diezelfde overweging, zegt zij, dat God geen lust heeft in den dood des goddeloozen, dat Hij wil, dat allen tot bekeering komen en zalig worden, dat Christus eene verzoening is en zijn leven gegeven heeft voor de wereld en dat aan alle creaturen het evangelie moet gepredikt worden. Als de universalisten hieruit afleiden, dat de voldoening gansch algemeen is, dan komen zij èn met de Schrift èn met de werkelijkheid in strijd; want deze leeren beide als om strijd, dat niet allen maar slechts velen met het evangelie bekend worden en tot waarachtige bekeering komen. In al die plaatsen is er daarom sprake, niet van de voluntas beneplaciti die ons onbekend is en geen regel van ons gedrag kan of mag zijn; ook niet van eene voluntas antecedens, die aan onze wilsbeslissing voorafgaat en daarnaar zich richt; maar van de voluntas signi, die ons zegt, waarnaar wij in het N. Verbond ons hebben te gedragen. Zij geeft ons het recht en legt ons den plicht op, om het evangelie te brengen tot alle menschen zonder uitzondering. Een anderen grond dan dezen duidelijk geopenbaarden wil van God hebben wij voor het algemeene aanbod der genade niet noodig. Voor wie Christus bepaald gestorven is, hebben wij van te voren evenmin noodig te weten, als wie door God ten eeuwigen leven verkoren zijn. De roeping rust wel op particuliere basis, want zij behoort tot en gaat uit van het verbond, doch zij richt zich, in overeenstemming met Gods geopenbaarden wil en met de in zichzelve algenoegzame waarde van Christus’ offerande, ook tot hen, die buiten het verbond zijn, opdat ook zij in dat verbond opgenomen worden en in hun geloof zelf het bewijs hunner verkiezing ontvangen, cf.deel II216-222. In de tweede plaats houdt de Schrift in, dat de offerande en de voorbede van Christus, en zoo ook de verwerving en de toepassing der zaligheid onverbrekelijk saamhangen. De offerande is de grond van Christus’voorbidding; de laatste strekt zich daarom even ver als de eerste uit. Limborch, Theol. Chr. III 19. 11 erkent dan ook,intercessionem non esse actum reipsa ab oblatione, quatenus in coelo peragitur, distinctum. Indien de intercessie dus particulier is, gelijk ze is, Joh. 17:9, 24, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 1 Joh. 2:1, 2, dan is het ook de offerande. Wel beroept zich Limborch IV 4, 7 daartegen op Luk. 23:34, maar hier bidt Jezus niet om de zaligheid zijner vijanden doch alleen om de niet-toerekening van dat schrikkelijk misdrijf, waaraan zij in hunne onwetendheid zich schuldig maakten, als zij den Messias kruisigden. En evenzoo is er een onlosmakelijk verband tusschen de verwerving en de toepassing der zaligheid. Alle weldaden van het genadeverbond hangen saam, Rom. 8:28-34, en vinden haar grond in den dood van Christus, Rom. 5:8-11. De verzoening in Christus brengt de behoudenis en zaligheid mede. Christus is immers het hoofd en de geloovigen zijn zijn lichaam, dat uit Hem zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19; Hij is de hoeksteen en zij zijn het gebouw, Ef. 2:20, 21. Hij is de eerstgeborene en zij zijn zijne broederen, Rom. 8:29. De geloovigen zijn dan ook objectief met en in Hem gestorven, gekruist, begraven, opgewekt, in den hemel gezet. Dat is: de gemeente is geen toevallig willekeurig aggregaat van individuen, dat even goed kleiner als grooter kan zijn, maar zij vormt met Christus een organisch geheel, dat in Hem als tweeden Adam besloten ligt, zooals de gansche menschheid voortkomt uit den eersten Adam, cf. Rothe, Theol. Ethik I S. 501. De toepassing moet daarom even ver zich uitstrekken als de verwerving der zaligheid; zij is in deze begrepen en daarvan de noodzakelijke uitwerking. Trouwens ligt dat ook in den aard der zaak. Als Jezus waarlijk Zaligmaker is, dan moet Hij zijn volk ook werkelijk zalig maken, niet in mogelijkheid maar in werkelijkheid. De universalisten zijn echter gedwongen, om de zaligheid zelve gansch anders op te vatten en aan den naam van Jezus te kort te doen. In de logika geldt de regel:quo major extensio, minor comprehensio. En deze regel is ook op velerlei ander terrein, zij is ook hier van toepassing. Onder den schijn van het werk van Christus te eeren, wordt het door de leer der algemeene voldoening verzwakt en beperkt. Als Christus toch voor allen voldaan heeft, sluit de verwerving niet noodzakelijk de toepassing der zaligheid in. Deze laatste is dan iets, dat er misschien toevalligbijkomt maar dat er niet vanzelf mede gegeven is en er niet van nature uit voortvloeit. De toepassing der zaligheid is dan niet en kan niet wezen het werk van Christus, maar hangt ten slotte altijd af van den wil des menschen. Deze moet het werk van Christus aanvullen, toepassen, tot werkelijkheid doen overgaan. Dat is, voor Christus blijft alleen over de verwerving, niet van de werkelijkheid maar slechts van de mogelijkheid der zaligheid, niet van de feitelijke reconciliatio maar van de potentieele reconciliabilitas. Christus verwierf voor God alleen de mogelijkheid, om een verbond der genade met ons aan te gaan, de vergeving der zonden en het eeuwige leven ons te schenken, indien wij n.l. gelooven. Het voornaamste van het werk der zaligheid, datgene wat ons werkelijk zalig doet worden, dat blijft voor ons nog te doen over. Christus maakte het verbond der genade zelf niet vast in zijn bloed, Hij maakte niet dat de zonden van zijn volk vergeven zijn, maar Hij sprak alleen uit, dat er van Gods kant geen bezwaar is, om een verbond met ons aan te gaan en de zonden ons te vergeven, indien wij en nadat wij onzerzijds gelooven. Voor ons heeft Christus dus eigenlijk niets verworven, maar alleen voor God de mogelijkheid om ons te vergeven, als wij de geboden des evangelies vervullen. De universalisten komen er daarom allen toe, om de waarde en kracht van Christus’ werk te verminderen. Wat zij, en dan nog slechts schijnbaar, winnen aan quantiteit, verliezen zij aan qualiteit. Rome leert, dat de zonden, vóór den doop begaan, d. i. in den regel de erfzonde, in den doop vergeven worden. Maar na den doop blijft de concupiscentia over, die wel zelve geen zonde is maar aanleiding tot zondigen wordt. De dan begane zonden worden wel in het sacrament der boete vergeven, wat de schuld en de eeuwige straf betreft; maar de tijdelijke straf moet door den mensen zelf hier of in het vagevuur worden gedragen, Trid. VI 30. XIV c. 8. 9. can. 12-14 enz. De Remonstranten zeiden, dat God in den dood van Christus alle zondaren zoo met zich verzoend heeft,ut per et propter hoc ipsumλυτρονac sacrificium in gratiam cum iis redire et ostium salutis aeternae viamque immortalitatis pandere ipsis voluerit, Conf. VIII 9. De Kwakers laten Christus’ werk daarin bestaan, dat Hij de verzoening ons aangeboden en God tot vergeving genegen heeft gemaakt, Barclay, Verantwoording 1757 bl. 153. En tot gelijke slotsom moetenallen komen, die eene algemeene voldoening leeren. Het zwaartepunt wordt uit Christus in den Christen gelegd; het geloof is de ware verzoening met God, cf. Kübel,Unterschied135 f. De Gereformeerden waren echter van eene andere gedachte. De satisfactio vicaria is geenfertige Grösse, maar sluit principieel de gansche herschepping in zich. Het werk van Christus is dan eerst af, wanneer Hij het koninkrijk den Vader overgeeft. Hij opende niet de mogelijkheid van zalig te worden, maar maakt zalig altijd door, op grond van zijne offerande, aan het kruis volbracht. Zaligmaker is Hij, die niet alleen voor onze zonden gestorven maar daarom ook opgewekt en ten hemel gevaren is en nu als de verhoogde Heiland voor zijne gemeente bidt. Hij heiligde zichzelven, opdat ook de zijnen geheiligd worden in waarheid, Joh. 17:19, Hij gaf zich voor de gemeente over, opdat Hij ze heiligen en zichzelven heerlijk voorstellen zou, Ef. 5:25-27. Beiden zijn uit éénen, n.l. God, Hebr. 2:11, en zijn als het ware één Christus, 1 Cor. 12:12. In en met Christus schenkt God aan de geloovigen alles, wat zij behoeven, Rom. 8:32v., Ef. 1:3, 4, 2 Petr. 1:3; de verkiezing in Christus brengt alle zegeningen in Christus mede, de aanneming tot kinderen, de verlossing door zijn bloed, Ef. 1:3v., de gave des H. Geestes, 1 Cor. 12:3, het geloof, Phil. 1:29, de bekeering, Hd. 5:31, 11:18, 2 Tim. 2:25, een nieuw hart en een nieuwen geest, Jer. 31:33, 34, Ezech. 36:25-27, Hebr. 8:8-12, 10:16. Cf. Can. Dordr. II 8v. Prof. Leidenses in Censura Conf. Rem. VIII 9. Trigland, Antapologia c. 16. Mastricht, V 18, 42. Voetius, Disp. II 9. 269 V 270. Witsius, Oec. foed. II 7. Misc. Sacra II 781. Vitringa VI 126. Moor III 1086 sq. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 26. In de derde plaats is hieraan nog toe te voegen, dat het universalisme tot allerlei valsche stellingen leidt. Het brengt scheiding tusschen de drie personen van het Goddelijk wezen, want de Vader wil aller zaligheid, de Zoon voldoet voor allen, maar de H. Geest beperkt de gave des geloofs en der zaligheid tot weinigen. Het brengt tweestrijd tusschen de bedoeling Gods, die aller behoud wenscht, en den wil of de macht Gods, die de zaligheid feitelijk niet aan allen wil of kan deelachtig maken. Het laat den persoon en het werk van Christus aan de verkiezing en het verbond voorafgaan, zoodat Christus er geheel buiten komt te staan en nietplaatsvervangend kan voldoen, wijl er geen gemeenschap is tusschen Hem en ons. Het doet te kort aan de gerechtigheid Gods, die de vergeving en het leven voor allen verwerven laat en ze toch niet uitdeelt. Het richt den vrijen wil op, die de macht heeft om te gelooven, het werk van Christus al of niet ongedaan kan maken en de beslissing, ja heel het resultaat der wereldgeschiedenis in handen heeft. Het leidt tot de leer, gelijk de Kwakers terecht opmerkten, Barclay, Verantw. van de Ware Christ. Godg. bl. 92, dat indien Christus voor allen gestorven is, ook allen hier of hiernamaals in de gelegenheid moeten worden gesteld, om Hem aan te nemen of te verwerpen; want het ware gansch onrechtvaardig om hen, wier zonden alle verzoend zijn, te veroordeelen en te straffen, alleen omdat zij buiten de gelegenheid waren, Christus door het geloof aantenemen. En het komt tot de stelling, in duidelijke tegenspraak met heel de H. Schrift, dat de eenige zonde, waarom iemand verloren gaan en gestraft kan worden, het ongeloof is; alle andere zonden zijn immers verzoend; tot zelfs die van den mensch der zonde, den antichrist toe.
21. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de volkomene zaligheid niet voor alle menschen hoofd voor hoofd is uit te breiden, is daarmede niet beweerd, dat ze voor hen, die verloren gaan, niet de minste beteekenis heeft. Er is hier tusschen de gemeente en de wereld niet enkel scheiding en tegenstelling. Het staat niet zoo, dat Christus voor de eerste alles, voor de tweede niets heeft verworven. Bij de verwerping van het universalisme mag niet vergeten, dat de verdienste van Christus ook bij de eerste haar grenzen en bij de tweede hare waarde en beteekenis heeft. In de eerste plaats dient immers wel bedacht, dat Christus als zoodanig wel de Herschepper maar niet de Schepper aller dingen is. Gelijk de Zoon volgt op den Vader, zoo wordt de schepping door de herschepping, de natuur door de genade, de geboorte door de wedergeboorte ondersteld. Onder de verdiensten van Christus is daarom niet in strikten zin begrepen, dat de uitverkorenen geboren worden en leven, dat zij voedsel, deksel, kleeding en allerlei natuurlijke weldaden ontvangen. Wel kan gezegd, dat God wereld en menschheid na den val niet meer zou hebben laten bestaan, indien Hij er geen andere hoogere bedoeling mede gehad had. Wel is er de gratiacommunis om de gratia specialis; en ook schenkt God aan de uitverkorenen met de zaligheid in Christus ook vele andere natuurlijke zegeningen, Mt. 6:33, Rom. 8:28, 32, 1 Tim. 4:8, 2 Petr. 1:3. Maar toch is het verkeerd, om met Herrnhutters en Pietisten de grenzen tusschen natuur en genade, schepping en verlossing uit te wisschen, en Christus in des Vaders plaats te zetten op den troon van het heelal. Zelfs de verkiezing en het verbond der genade, die beide de objecten en deelgenooten onderstellen, zijn niet door Christus verworven maar gaan aan zijne verdiensten vooraf. De Vader bereidt met zijne schepping het werk der herschepping voor en leidt naar haar heen; de Zoon gaat met zijn arbeid diep, zoover als de zonde reikt, tot in het werk der schepping terug. Maar toch zijn beide werken onderscheiden en niet te vermengen, Voetius, Disp. II 271-273. In de tweede plaats heeft Christus niet voor elk der zijnen hetzelfde verworven. Er is onderscheid tusschen de geloovigen, voordat zij tot het geloof komen, in geslacht, leeftijd, stand, rang, karakter, gave enz., onderscheid ook in mate en graad van boosheid en verdorvenheid. En wanneer zij tot het geloof komen, is er onderscheid in de genade, die hun geschonken wordt; een iegelijk wordt genade gegeven naar de mate der gave van Christus, Rom. 12:3, 1 Cor. 12:11, Ef. 3:7, 4:7. Het natuurlijk onderscheid tusschen de menschen wordt door de genade wel gereinigd naar niet uitgewischt; het wordt zelfs door onderscheid van geestelijke gaven vermeerderd, want het lichaam van Christus bestaat uit vele leden, opdat het één organisme zij, eene schepping en een kunstwerk Gods. Ten derde is de gemeente niet van, maar toch in de wereld; zij leeft en beweegt zich midden in die wereld en hangt op allerlei wijze met haar saam. De geloovigen worden uit het menschelijk geslacht toegebracht, en omgekeerd is er veel kaf onder het koren, zijn er ranken aan den wijnstok, die geen vruchten dragen en uitgeroeid worden. Als Christus daarom in de plaats der zijnen ging staan, moest Hij het vleesch en bloed aannemen, dat alle menschen deelachtig zijn. Door zijne vleeschwording heeft Hij het gansche menschelijk geslacht geëerd; naar den vleesche is Hij broeder van alle menschen. En zelfs zijn werk heeft voor allen waardij, ook voor degenen, die nooit in Hem gelooven. Want al is het, dat Christus het natuurlijke leven niet in eigenlijken zin door zijn lijden ensterven verworven heeft, het menschelijk geslacht is toch daarom gespaard, omdat Christus komen zou om het te behouden. Christus is niet het hoofd aller menschen, niet aller profeet, priester en koning, want hoofd is hij van de gemeente en tot koning is Hij gezalfd over Sion. Maar alle menschen hebben wel veel aan Christus te danken. Het licht schijnt in de duisternis en verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld; de wereld is door Hem gemaakt en blijft dat, schoon zij Hem niet heeft gekend; ook als Christus schenkt Hij aan de ongeloovigen vele weldaden, roeping door het evangelie, vermaning tot bekeering, het historisch geloof, een eerbaar leven, allerlei gaven en krachten, ambten en bedieningen in het midden der gemeente, zooals b. v. zelfs het apostelambt aan een Judas.Sans Jésus-Christ le monde ne subsisterait pas, car il faudrait, ou qu’il fut détruit ou qu’il fut comme un enfer(Pascal). Zelfs als Hij hangt aan het kruis, bidt Hij nog om vergeving voor die schrikkelijke zonde, waaraan de Joden op dat oogenblik zich schuldig maken. Cf. Voetius, Disp. II 275. 276. Ten vierde breidt het werk zich tot de redelooze schepselen uit. Men kan niet met Origenes zeggen, dat Hij iets voor hen geleden en iets voor hen verdiend heeft. Maar als Christus tot zonde is gemaakt en de zonde der wereld heeft gedragen, dan heeft Hij ook de zonde met al hare gevolgen te niet gedaan. De bevrijding der creatuur van de dienstbaarheid der erfenis, de verheerlijking der schepping, de vernieuwing van hemel en aarde is eene vrucht van het kruis van Christus, Rom. 8:19v. Voetius, Disp. II 264. 265. Ten vijfde hebben ook de engelen in den hemel nut en voordeel van het werk van Christus. Er is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus voor hen de perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon velen alzoo met beroep op Job 4:18, 15:15, Ef. 1:10, Col. 1:20, 1 Tim. 5:21, Hebr. 12:22, 23 hebben geleerd, Augustinus, de cons. evang. 35. Cyvillus, de ador. 9. Gregorius, Bernardus, Diez, Valentia, Suarez en ook Calvijn op Ef. 1:10 en Col. 1:20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III 159-164. Bucanus, Inst. theol. VI qu. 30. Davenantius op Col. 1:20. Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Loci Comm. Op. I 195 enz. Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus niet noodig als Verzoener of Behouder, zij zijn wezenlijk onderscheiden van de menschen, die alleen naar Gods beeld zijn gemaakt.Indien Christus voor hen de gratia en gloria verwerven moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zone Gods toch de menschelijke natuur, of, beter nog, de natuur der engelen had moeten aannemen, al ware de mensch niet gevallen, cf.deel II444, en voorts Lombardus, Thomas, Bonaventura, Scotus op Sent. II dist. 5. III dist. 13. Thomas, S. Th. I qu. 62 III qu. 8 art. 4. Petavius, de incarn. XII 10. Becanus, Theol. schol. I p. 305. Quenstedt, Theol. I 476. Gerhard, Loc. XXXI § 42. Gomarus op Col. 1:20. Voetius, Disp. II 263. Alting, Theol. probl. nova XII 24. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 3. Moor II 353. Vitringa III 26 VI 178. Toch doet eenvoudige ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan Ef. 1:10 en Col. 1:20 geen recht wedervaren. Er staat toch duidelijk, dat God alle dingen,τα παντα, d. i. niet menschen of engelen alleen maar in het algemeen al het geschapene, de gansche schepping, de wereld, het heelal, nader nog omschreven doorεἰτε τα ἐπι της γης εἰτε τα ἐν τοις οὐρανοις, dat God die gansche schepping verzoend heeft door Christus, niet onderling maar tot zichzelven,εἰς αὐτον, en in Hem voor zichzelven wederom samen en tot eenheid brengt. De leer van de herstelling aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt door heel de Schrift verworpen en heeft in de christelijke kerk slechts nu en dan verdediging gevonden. Indien deze alzoo buitengesloten is, dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden, dan dat naar Paulus’ voorstelling de duivelen en de goddeloozen eenmaal ter hel worden verwezen en dat dan in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde met hare bewoners de gansche schepping wordt hersteld. Deze schepping nu, in organischen zin gedacht, was als geheel door de zonde in vijandschap tegen God gesteld en onderling uiteengeslagen en verwoest. Er ligt hier niet in, dat de goede engelen persoonlijk en individueel de verzoening behoefden, noch ook, dat Christus voor de redelooze schepselen lijden en sterven moest. Maar wel ligt er de onderstelling aan ten grondslag, dat de zonde de relatie aller schepselen zoowel tot God als tot elkander gewijzigd en verstoord heeft. En dat is immers ook zoo. De zonde heeft de menschenwereld tot een voorwerp van Gods toorn gemaakt en in zichzelve gedeeld en verwoest. De verhouding der engelen tot God is gewijzigd, niet alleen voorzoover velen zijn afvallig geworden, maar ookdoordat de goede engelen slechts een deel vormden van het geheel der geesten, dat God had gediend. Augustinus, Enchir. 61. 62 en anderen waren van meening, dat deze breuke in de engelenwereld geslagen, door de uitverkorenen uit de menschheid werd geheeld en dat daarin de beteekenis van Christus’ verzoening voor de menschheid bestond. Dit gevoelen is niet aannemelijk; menschen zijn soortelijk verschillend van de engelen en eene gelijkstelling van het getal der uitverkoren menschen met dat der gevallen engelen mist allen grond in de Schrift. Maar toch is het waar, dat de val van zoovele engelen heel het organisme der engelenwereld moet hebben verstoord; evenals een leger geheel en al in het ongereede gebracht, en onbekwaam tot den strijd wordt gemaakt, als vele officieren en manschappen uit de gelederen tot den vijand overgaan. Zoo is ook de engelenwereld als leger Gods voor zijn dienst uiteengeslagen. Ze heeft haar hoofd, haar organisatie verloren. En deze ontvangt ze nu terug in den Zoon, en wel in den Zoon niet alleen naar zijne Goddelijke natuur maar ook naar zijne menschelijke natuur. Want niet alleen de verhouding tot God, ook die tot de menschenwereld was door de zonde verstoord. En nu is het Christus, die als Heer der engelen en als Hoofd der gemeente engelen en menschen beiden in de rechte verhouding plaatst tot God en evenzoo tot elkander. Door zijn kruis herstelt Hij het organisme der schepping, in hemel en op aarde, en deze beide ook wederom saam. Het onbezielde en redelooze in de schepping, d. i. hemel en aarde zelven, zijn daarbij niet uitgesloten. Dat kan daarom al niet, omdat de verhouding van de engelen tot den hemel en die van de menschen tot de aarde niet mechanisch maar organisch is. Hemel en aarde zelven zijn met den val der engelen en der menschen gezonken beneden hun oorspronkelijken staat; de gansche schepping,πασα ἡ κτισις, zucht te zamen en is te zamen in barensnood.Die gesammte Creatur führt gleichsam eine grosze Seufzersymphonie aus(Philippi); alle leden van die schepping zuchten en hebben smart, gemeenschappelijk, in verband met elkaar, Rom. 8:22. Gelijk dan ook in het oude verbond de tabernakel en alle gereedschappen tot den dienst met bloed besprengd werden, Ex. 24:3-8, Hebr. 9:21, zoo ook heeft Christus door zijn kruis alle dingen verzoend en een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde verworven. De gansche schepping, gelijk ze eens volmaakt, zondervlek en rimpel, voor Gods aangezicht zal staan, is het werk van Christus, den Heer der heeren en den Koning der koningen, Hebr. 12:22-28.
22. Indien dit nu het groote werk is, door den Vader aan Christus opgedragen, om n.l. Zaligmaker te wezen in vollen zin en de gansche herschepping tot stand te brengen, dan springt het terstond in het oog, dat de staat der verhooging daartoe even noodig is als de staat der vernedering. Eene arme voorstelling van Christus’ persoon en werk moeten zij wel hebben, die de opstanding, de hemelvaart en de zitting ter rechterhand Gods zonder schade voor geloof en leven meenen te kunnen prijsgeven en genoeg hebben aan het historisch beeld van Jezus, dat op dezelfde wijze als dat van andere groote mannen in de historie voortleeft en invloed oefent. Omgekeerd is het te begrijpen, dat wie in Jezus niet meer ziet dan een bijzonder vroom mensch en in zijn werk niet anders dan eene religieus-ethische hervorming, heel den staat der verhooging voor het christelijk leven waardeloos acht en de feiten der opstanding en der hemelvaart ontkent en bestrijdt. De Schrift gaat echter van eene gansch andere gedachte uit. Het is de gekruiste maar ook de opgestane en verhoogde Christus, dien de apostelen verkondigen. Van uit dat standpunt der verhooging bezien en beschrijven zij zijn aardsche leven, zijn lijden en sterven. Van het werk, dat Hij thans als de verhoogde middelaar uitvoert, heeft Hij in zijn kruis de grondslagen gelegd. Het kruis is in den strijd tegen zonde, wereld, Satan zijn eenig wapen geweest. Door het kruis heeft Hij in de sfeer van het recht over alle Gode vijandige macht getriumfeerd. Maar daarom heeft Hij in den staat der verhooging ook het Goddelijk recht, de Goddelijke aanstelling, de koninklijke macht en bevoegdheid ontvangen, om het werk der herschepping ten volle uit te voeren, al zijne vijanden te overwinnen, al de Hem gegevenen te zaligen en het gansche koninkrijk Gods te voltooien. Op grond van de ééne, volmaakte offerande, aan het kruis geschied, deelt Hij in overeenstemming met den wil des Vaders al zijne weldaden uit. Die weldaden zijn geen physische of magische nawerking van zijn aardsche leven en sterven; de geschiedenis van het Godsrijk is geen evolutionistisch proces. Het is de levende, de aan de rechterhand Gods verhoogde Christus, die met bewustheid,met vrijmacht al deze weldaden uitdeelt, zijne verkorenen vergadert, zijne vijanden verwint en de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij is nog altijd in den hemel als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen maar is nog onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige koning. Gister en heden is Hij dezelfde tot in eeuwigheid. In den staat der vernedering heeft Hij door zijn leven en sterven de voorwaarde vervuld, om nu in den staat der verhooging op grond van zijne volmaakte offerande de schepping Gods vrij te maken van de dienstbaarheid der zonde en der verderfenis, en alle dingen onder zich als het hoofd bijeen te vergaderen. De herschepping is de voortgaande daad van den middelaar. Christus is de aan Gods rechterhand verhoogde, maar toch altijd op aarde, in zijne kerk, in ambt, woord, sacrament, in vergeving, wedergeboorte, geloof enz., presente en werkzame Heer uit den hemel. In dit licht krijgt de staat der verhooging eene, wel dikwerf miskende maar toch voor leer en leven hoogstbelangrijke beteekenis; opstanding en hemelvaart zijn voor het werk der herschepping even noodzakelijk als vleeschwording en kruisdood. In de Schrift worden deze feiten dan ook niet slechts vermeld doch telkens op den voorgrond geplaatst en in haar rijke beteekenis verklaard. De opstanding van Christus had volgens heel hetN. T.plaats ten derden dage; in Mt. 12:40, Mk. 8:31 enz. zijn ter wille van de vergelijking met Jona de deelen der dagen en nachten voor vol gerekend, M. Vitringa V 597, of slechts als eene algemeene omschrijving van een zeer korten tijd bedoeld, Kähler,Zur Lehre v. d. Versöhnung207 f. Zij bestond in de verrijzenis van datzelfde lichaam, dat van het kruis afgenomen en in den hof van Jozef van Arimathea begraven was; het werd wel veranderd en verheerlijkt, zoodat het geenσωμα ψυχικονmaar eenσωμα πνευματικονwerd, Luk. 24:16, 36, Joh. 12:14, 19, 1 Cor. 15:44v., Phil. 3:21, maar het bleef toch een menschelijkσωμα, Mt. 28:5, 9, Luk. 24:39, 40, 43, Joh. 20:27, 21:25, Hd. 1:11, 1 Cor. 15:37v., Op. 1:7. De verschillende pogingen, om deze opstanding op andere wijze te verklaren (Reimarus), als schijndood (Rationalisten, Schleiermacher, Hase, Herder, Gfrörer), visioen, hetzij dan geheel subjectief (Strauss, Lang, Holsten, Hausrath, Renan), of als objectief, door God bewerkt (Keim, Schweizer, Schenkel) zijn tot op den huidigen dag ijdel gebleken, Steude,Stud. u. Krit. 1887 S. 203-294. Nösgen,Neut. OffenbarungI 637 f. Loofs,Die Auferstehungsberichte und ihr Wert, Christl. Welt33, Leipzig Mohr 1898. Na de opstanding bleef Christus nog een tijd lang op aarde, zoowel om door verschillende verschijningen zijne jongeren van de waarheid zijner opstanding te overtuigen, als ook om hen voor te bereiden voor hun ambt en hun het bewijs te leveren, dat Hij, al zou Hij het vroegere verkeer niet meer met hen openen, wijl Hij na de opstanding niet meer tot de aarde maar tot den hemel behoorde, Joh. 20:17, toch onveranderlijk dezelfde in liefde jegens hen zou blijven, 13:1, en eeuwiglijk met hen zou zijn tot de voleinding der wereld, Mt. 28:20. De verschijningen hadden de eerste acht dagen te Jeruzalem plaats, Joh. 20:26, waar de discipelen om het paaschfeest nog blijven moesten, en eindigden daarmede, dat Jezus zijnen jongeren den H. Geest gaf en de apostolische volmacht schonk, Joh. 20:22, 23. Later volgden zijne verschijningen in Galilea, waarheen de discipelen terugkeerden en waar de meeste volgelingen van Jezus woonden, Joh. 21, Mt. 28:16, 1 Cor. 15:6. Mattheus en Johannes besluiten met deze verschijningen van Jezus in Galilea hun evangelie en vermelden de hemelvaart niet. Volgens Luk. 24:49, Hd. 1:4 moesten de discipelen in Jeruzalem blijven, totdat zij aangedaan waren met kracht uit de hoogte; Luk. 24 spreekt van geen verschijningen in Galilea, Hd. 1:3 onderstelt ze. Zeker heeft Jezus zijnen discipelen bij een der verschijningen in Galilea ook wederom bevolen, naar Jeruzalem te gaan en daar te verwachten de belofte des Vaders. Als Hij dan in Jeruzalem weder voor de laatste maal aan hen verschijnt, zegt Hij dat zij in Jeruzalem blijven moeten totdat die belofte vervuld is. Dan leidt Hij hen naar buiten tot aan Bethanie, Luk. 24:50, naar den Olijfberg, Hd. 1:12. En daar scheidde Hij van hen,διεστη, en werd van hen opgenomen in den hemel,ἀνεφερετο εἰς τον οὐρανον, ten onrechte door Tischendorf in Luk. 24:51 weggelaten,ἐπηρθη, Hd. 1:9,ἀνεληφθη, Hd. 1:2, 11, 22, 1 Tim. 3:16. Schoon door Joh. Mt. en Mk., wiens evangelie volgens velen met 16:8 eindigt, niet vermeld, staat de hemelvaart toch op grond van vele klare getuigenissen der Schrift vast. Johannes onderstelt ze, 6:62, 14:2, 20:17, Paulus wijst erop, Rom. 10:6, Ef. 2:6, 4:9, 10, Col. 3:1 en noemt ze in 1 Tim. 3:16. Petrus maakt er melding van, 1 Petr. 3:22, cf.Hd. 2:33, 3:21, 7:56; de brief aan de Hebreën kent ze, 6:20, 9:24. Voorts ligt zij ten grondslag aan de N. T.scheleer van Jezus’ zitting aan de rechterhand Gods, Hd. 2:33, 5:31, 7:56, Rom. 8:34, Ef. 1:20, Col. 3:1, Hebr. 1:3, 8:1, 12:2, 1 Petr. 3:21, aan zijne voorbede in den hemel, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 9:24-28, 1 Joh. 1:1, 2, aan al de werkzaamheden, die Hij van uit den hemel op aarde, voornamelijk, in zijne gemeente verricht, en aan de verwachting zijner wederkomst, Mt. 24:3 enz.